risicocontouren LNG/CNG Tankstation

Essentie uitspraak:
In het plan is naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de externe
veiligheidssituatie zullen zijn van het mogelijk gemaakte LNG/CNG-tankstation. De Afdeling oordeelt dat de
motivatie van de raad dat de verwachte veiligheidscontouren beperkt zullen zijn ontoereikend.
Noot: www.groepsrisico.nl: Er is een verandering van de Revi voorzien waarin afstanden gegeven gaan worden.
De informatie in dit tekstkader geeft de interpretatie van www.groepsrisico.nl weer. Voor het totaaloverzicht van de juridische
overwegingen wordt verwezen naar de bijgevoegde uitspraak van de rechter/ Raad van State.
201305822/1/R3.
Datum uitspraak: 29 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: de Awb) in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Veghel,
en
de raad van de gemeente Veghel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Doornhoek"
vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar de raad,
vertegenwoordigd door A. Munster en drs. M. Wijers, beiden werkzaam bij de gemeente,
is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het
bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten
herstellen.
2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om
bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een
goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend.
Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of
aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt
heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden
besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Ontvankelijkheid
3. [appellante], die is gevestigd op het adres [locatie] te Veghel, kan zich niet verenigen
met de aanduiding "wro-zone afwijkingsmogelijkheid" en artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3
van de planregels om een zogeheten LNG/CNG-tankstation mogelijk te maken op een
perceel in het zuidwesten van het plangebied, tussen de Corsica en de Doornhoek.
3.1. De raad heeft betoogd dat [appellante] geen belanghebbende is bij het bestreden
onderdeel van het plan. Hij wijst er op dat [appellante] zelf geen brandstoffen verkoopt.
Om die reden wordt zij niet in eventuele concurrentiebelangen geschaad.
3.2. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in
samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door
een belanghebbende beroep bij de Afdeling worden ingesteld tegen een besluit omtrent
vaststelling van een bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens
belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr.
200606317/1) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een
besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit is slechts het geval indien een onderneming in
hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene
bedrijvigheid. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van
dit besluit een rol kan spelen.
In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [appellante] is vermeld dat de
vennootschap ten doel heeft een garagebedrijf uit te oefenen, waaronder begrepen de
verhuur, stalling en reparatie van automobielen alsmede de handel in automobielonderdelen, benodigdheden, olie en benzine. Verder ligt het bedrijf van [appellante] op
een afstand van ongeveer 400 meter van het perceel waarop de afwijkingsbevoegdheid
betrekking heeft. Omdat [appellante] tot doel heeft onder meer olie en benzine te
verhandelen en gelet op de onderlinge afstand is zij naar het oordeel van de Afdeling
werkzaam in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als het LNG/CNG-tankstation
dat het plan bij de afwijkingsbevoegdheid mogelijk maakt. De Afdeling overweegt dan
ook dat [appellante] door het bestemmingsplan kan worden geraakt in haar
concurrentiebelang. De conclusie is dat [appellante] belanghebbende is bij het bestreden
besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge
artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2
bij de Awb beroep kan instellen
Inhoudelijk.
4. [appellante] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de afwijkingsmogelijkheid
voor het LNG/CNG-tankstation. Hij betoogt dat het tankstation hoe dan ook gebouwd zal
worden en dus bij recht mogelijk had moeten worden gemaakt. Volgens hem blijkt dit
onder meer uit de plantoelichting, het feit dat een vergunning voor een LNG/CNG
tankstation is aangevraagd en de bouwhoogtes die in artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, van
de planregels zijn voorgeschreven. Verder voert hij aan dat een LNG/CNG-tankstation
niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij het plan is vermeld, waardoor
onduidelijk is tot welke milieucategorie het tankstation zal gaan behoren. Door deze
onduidelijkheid is eveneens onduidelijk waar de risicocontour van het tankstation zal
komen te liggen en wat de aan te houden afstanden tot gebouwen in de omgeving
zouden moeten zijn.
4.1. De raad heeft gesteld dat eind 2012 een onvolledige aanvraag om een
omgevingsvergunning voor een tankstation op de betreffende locatie is ingediend. Deze
aanvraag is in afwachting van de mogelijkheden die het voorliggende bestemmingsplan
zou bieden, ingetrokken. Omdat verder ten tijde van het vaststellen van het plan geen
zekerheid bestond over de verkoop van het perceel en de komst van een LNG/CNGtankstation, heeft de raad er voor gekozen het tankstation niet bij recht mogelijk te
maken maar een afwijkingsbevoegdheid in het plan op te nemen. Met betrekking tot de
risicocontour heeft hij gesteld dat ten tijde van het vaststellen van het plan voor LNGvulstations geen indicatieve richtafstanden bestonden. In een zogenoemde Quantitatieve
Risico Analyse (hierna: QRA) zou volgens hem het veiligheidsrisico inzichtelijk moeten
worden gemaakt. De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 zal dan op of binnen de
perceelsgrens komen te liggen of voor een deel in openbaar gebied. Volgens indicatieve
berekeningen is dit haalbaar, met risico-reducerende maatregelen en/of juiste situering
binnen het terrein. In dat geval zou een LNG-tankstation vergelijkbaar zijn met hooguit
een benzineservicestation met een beperkte doorvoer van minder dan 1.000 m3 LPG per
jaar. In de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse
gemeenten (hierna: VNG-brochure) is een dergelijk bedrijf als categorie 3.1
gekwalificeerd en hiervoor is in het kader van de veiligheid een afstand van 30 m tot
woningen aanbevolen. De raad heeft gesteld dat deze afstand kan worden nageleefd.
Voor CNG is in artikel 3.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een afstand van 20 m
genoemd tussen afleverstations voor gecomprimeerd aardgas en (beperkt) kwetsbare
objecten. Ook aan deze afstand wordt voldaan, aldus de raad.
4.2. Aan een perceel in het zuidwesten van het plangebied, tussen de wegen Corsica en
Doornhoek, zijn de bestemming "Bedrijventerrein" en, voor zover van belang, de
aanduidingen "bedrijf van categorie 2 t/m 3.2" en "wro-zone - afwijkingsmogelijkheid"
toegekend.
Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden
bestemd voor:
a. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 2 t/m 3.2" uitsluitend voor
bedrijven die zijn genoemd in de als bijlage opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten
onder de categorieën 2 t/m 3.2, (...).
Ingevolge lid 3.5, onder 3.5.3 kan het bevoegd gezag door middel van een
omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 voor een tankstation, met dien
verstande dat:
a. het tankstation uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "wro-zone afwijkingsmogelijkheid";
b. uitsluitend sprake mag zijn van een verkooppunt motorbrandstoffen voor
vrachtverkeer en een verkooppunt van uitsluitend LNG (Liquified Natural Gas)/CNG
(Compressed Natural Gas) voor personenauto's;
c. een LPG-vulpunt niet is toegestaan;
d. voor het bouwen van gebouwen het bepaalde in 3.2.2 van toepassing is, met
uitzondering van het bepaalde in 3.2.2 sub b;
e. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde het bepaalde in 3.2.3 van
toepassing is, waarbij een maximale hoogte van 15 m is toegestaan.
4.3. Over de keuze van de raad om een afwijkingsbevoegdheid op te nemen in het plan
in plaats van het LNG/CNG-tankstation bij recht mogelijk te maken, overweegt de
Afdeling dat [appellante] de stelling van de raad dat geen aanvraag om een vergunning
voor een LNG/CNG-tankstation was ingediend ten tijde van het plan, niet gemotiveerd
heeft bestreden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat,
nu ten tijde van het vaststellen van het plan nog niet duidelijk was of er een tankstation
zou komen, dit niet bij recht in het plan mogelijk hoefde te worden gemaakt.
Over de gevolgen voor de externe veiligheid overweegt de Afdeling dat de raad de door
hem genoemde berekeningen of de QRA niet bij het plan heeft gevoegd of overgelegd.
Ook anderszins heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoe groot de risicocontour rondom een
LNG/CNG-station zal zijn. Het standpunt van de raad, dat de veiligheidscontouren rond
een LNG/CNG-tankstation op het perceel dusdanig zijn dat geen risico's zijn te
verwachten voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in de omgeving, wordt
daarmee niet gedragen door een deugdelijke motivering en een zorgvuldig onderzoek.
Het betoog slaagt.
5. [appellante] betoogt verder dat in de plantoelichting is vermeld dat op het perceel
Corsica 2, dat buiten het plangebied ligt, een pluimveehouderij met een propaantank
aanwezig is. Volgens [appellante] is de bedrijfsvoering en de bewoning ter plaatse
illegaal en dient de raad handhavend op te treden.
Deze grond richt zich niet tegen het plan maar tegen de handhaving van een ander
bestemmingsplan en kan om die reden in de voorliggende procedure niet aan de orde
komen. Het betoog faalt.
6. [appellante] betoogt dat uit een tekening in de plantoelichting blijkt dat het deel van
het plangebied waarin het perceel ligt, bestemd is voor bedrijven van maximaal categorie
3.2. Volgens hem is nergens in het bestemmingsplan aangegeven dat van deze categorie
kan worden afgeweken.
Dit betoog mist feitelijke grondslag. In artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de planregels is
een afwijkingsmogelijkheid geboden om bedrijven van een hogere milieucategorie toe te
staan.
7. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel
dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "wrozone afwijkingsmogelijkheid" die is toegekend aan een perceel in het zuidwesten van het
plangebied tussen de Corsica en de Doornhoek en artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de
planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is
gegrond.
8. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding
de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het
bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient met
inachtneming van deze uitspraak te onderzoeken waar de veiligheidscontour vanwege
het LNG/CNG-tankstation, dat door middel van de afwijkingsbevoegdheid mogelijk wordt
gemaakt, ligt en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog toereikend te
motiveren waarom de veiligheidscontouren rond een LNG/CNG-tankstation op het perceel
dusdanig zijn dat geen risico's zijn te verwachten voor kwetsbare en beperkt kwetsbare
objecten in de omgeving, dan wel een nieuw besluit te nemen. In het laatste geval dient
het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.
9. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van
de Awb de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen teneinde onomkeerbare
gevolgen te voorkomen.
10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van
het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. draagt de raad van de gemeente Veghel op om binnen twaalf weken na de verzending
van deze tussenuitspraak
- met inachtneming van hetgeen in 4.3 en 8 is overwogen het daar omschreven gebrek
te herstellen en,
- de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging
van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente
Veghel van 18 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Doornhoek", voor
zover het betreft de aanduiding "wro-zone - afwijkingsmogelijkheid" ter plaatse van het
perceel tussen de wegen Corsica en Doornhoek en artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3 van de
planregels.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en
mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van
staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Helvoort
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014
361.