Partijen hebben geen zin in dure campagne

De Standaard – woensdag 26 februari 2014 – Bart Brinckman
Samenvallende verkiezingen drukken prijs verkiezingen
Partijen hebben geen zin in dure campagne
Alle verhoudingen in acht genomen, worden de verkiezingen van 25 mei een van de
goedkoopste ooit. Dat heeft alles met samenvallende verkiezingen te maken en de neiging van
partijen om steeds minder uit te geven.
Deze week start de ‘sperperiode’. In de drie laatste maanden voor de verkiezingen gelden
strikte regels bij het voeren van politieke propaganda. Zo mogen affiches niet groter zijn dan
vier vierkante meter en moet het uit zijn met betaalde spotjes op sociale media. Gadgets (of
tractaties op café) zijn uit den boze enzovoort. Ook de financiering ligt tot op de euro vast. Zo
berekende Bart Maddens (KU Leuven) dat alle Vlaamse partijen samen zo’n 32 miljoen euro
mogen uitgeven.
De partijen geven vijf euro per kiezer uit voor drie verkiezingen. Dat komt neer op 1,7 euro
per kiezer per verkiezing
Maar dat bedrag zal nooit worden gehaald. Meer zelfs, alle verhoudingen in acht genomen,
worden de komende verkiezingen een van de goedkoopste ooit. Dat heeft een dubbele reden.
Samenvallende verkiezingen drukken nu eenmaal de prijs. De diverse partijen krijgen elk
zowat een miljoen euro startpremie voor drie verkiezingen. In andere jaren krijgen ze
hetzelfde bedrag voor een of ten hoogste twee verkiezingen. Bovendien hebben de partijen de
neiging om steeds minder uit te geven.
Een blik op alle verkiezingsuitgaven maakt dat duidelijk. Samengeteld gaven de partijen in
2009 (regionale verkiezingen) en 2010 (federale verkiezingen) 29 miljoen euro uit. Dat kwam
neer op twee derde van het toegelaten bedrag. Dit jaar kloppen de partijen daarom wellicht af
op 20 miljoen. Vlaanderen telt 4 miljoen stemgerechtigden. Per kiezer zullen de partijen vijf
euro uitgeven, voor drie verkiezingen (1,7 euro per kiezer, per verkiezing).
Startbudget
Elke in het parlement aanwezige partij krijgt een startbudget. Daarbovenop komt een bepaald
bedrag afhankelijk van het aantal gekozenen (zowel voor de Kamer, het Vlaams Parlement en
het Europees Parlement) en het aantal stemgerechtigden in een bepaalde kieskring. Meteen
beschikt CD&V over het grootste toegelaten budget (5,2 miljoen), de N-VA staat op de
tweede plaats (4,9 miljoen). Het versplinterde LDD terzijde gelaten, mag Groen als ‘armste
partij’ nog 3,6 miljoen uitgeven.
Klassiek geven CD&V en Open VLD het meest uit tijdens de campagnes. Dit jaar wordt het
uitkijken naar het gedrag van de politieke marktleider N-VA. De partij spendeerde de jongste
weken nog 300.000 euro aan internetreclame. Die uitgaven vielen buiten de sperperiode.
De legendarische federale verkiezingen van 1991 (zwarte zondag) kostten de partijen haast 20
miljoen euro. Bij gelijkaardige verkiezingen twaalf jaar later, in 2003, liep dat bedrag terug tot
14 miljoen. Op een uitschieter in 2009 na (nieuwkomers LDD en N-VA deden de uitgaven
oplopen) blijven de kosten sedertdien constant.
Ook dat heeft een dubbele reden. Zo bedroeg het startbudget tijdens de jaren negentig nog
1,25 miljoen. Verder gaat het om een bewuste strategische keuze. Partijen willen meer
investeren in de uitbouw en het aanwerven van personeel. De grote, traditionele partijen,
hebben geen zin om de verkiezingen louter op basis van propaganda te winnen.
Beleggingsclubs
Die tendens heeft een merkwaardig neveneffect. Het partijvermogen groeit met de jaren. ‘Met
enige slechte wil en veel overdrijving zou je kunnen zeggen dat de politieke partijen zich
hebben omgevormd tot beleggingsclubs,’ luidt een steeds terugkerende boutade van Bart
Maddens. Partijen hebben snel 15 miljoen in kas.
Tegelijkertijd beaamde hij in Samenleving en Politiek dat de financiële buffer partijen moet
behoeden ‘voor een negatieve spiraal na een eventuele verkiezingsnederlaag’. Wie de
komende vijf jaar afgesneden wordt van regeringsdeelname (en dus van ministeriële
kabinetten) moet diep uit de reserves putten.
Partijfinanciering blijft een erg gevoelig onderwerp. Dat bleek onlangs toen de diverse
partijen – ondanks de afschaffing van de Senaat in haar huidige vorm – een deel van het geld
recupereerden, zeer tot ongenoegen van de N-VA. Die partij pleit voor een afbouw. ‘We
krijgen ons geld gewoon niet op’, zuchtte een vooraanstaand N-VA-kamerlid eens. Samen
met haar electorale sterkte zagen Vlaams-nationalisten hun inkomsten door het plafond gaan.
De belastingbetaler verzorgt zowat negentig procent van de partij-inkomsten. Ook op dit punt
bestaat er discussie. Het herleidt partijen tot eerder lijdzame administraties. Aan de andere
kant verhindert het de zo mogelijk nog kwalijker tendens dat politici zich helemaal schikken
naar de wensen van grote geldschieters uit de privésector.