Jurisprudentie 1

Uitspraak
RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
zaaknummer: ................
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2012 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. ................ ............),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder
(gemachtigden: ................ en ................).
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2011 heeft verweerder met toepassing van afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) de op 6 april 2004 aan eiser verleende omgevingsvergunning
gewijzigd door een nieuw voorschrift aan die vergunning te verbinden.
Het hiertegen door eiser bij brief van 11 januari 2012 gemaakte bezwaar is door verweerder met
toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als beroep aan de rechtbank
toegezonden.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan
door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. Eiser exploiteert een agrarisch bedrijf op het perceel [perceel] te [plaats]. Op 23 januari 2001
en nadien op 6 april 2004 hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) aan
eiser een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (Wm) verleend
voor een agrarisch bedrijf met rundvee en vleesvarkens. In de vergunning van 23 januari 2001
was als voorschrift opgenomen dat de deuren in de brijvoederruimte, met uitzondering van het
doorlaten van personen en/of goederen, te allen tijden moeten zijn gesloten. Dit voorschrift was
niet verbonden aan de vergunning van 6 april 2004.
3. Op 1 april 2010 heeft eiser een aanvraag om een veranderingsvergunning ingevolge artikel 8.1
van de Wm aangediend in verband met een uitbreiding van de inrichting met rundvee. Op 25
maart 2011 heeft verweerder een ontwerpbeschikking op deze aanvraag kenbaar gemaakt.
Daartegen is door een omwonende een zienswijze ingediend, waarin is verzocht de voorwaarde
weer in de vergunning op te nemen.
Standpunten partijen
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning van 6 april 2004 ambtshalve - gewijzigd door alsnog aan die vergunning het voorschrift te verbinden dat de
deuren in de brijvoederruimte, met uitzondering van het doorlaten van personen en/of goederen,
te allen tijde gesloten moeten zijn. Volgens verweerder worden voor brijvoer bijprodukten
gebruikt waarvan algemeen bekend is dat deze geurhinder voor de omgeving kunnen
veroorzaken. Daarom worden aan vergunningen, zonder nader onderzoek, ter voorkoming van
geurhinder standaard voorschriften als de onderhavige verbonden ten aanzien van de opslag en
het gebruik van brijvoer en bijprodukten. Na te hebben geconstateerd dat een voorschrift als het
onderhavige abusievelijk niet in de geldende omgevingsvergunning was opgenomen, heeft
verweerder besloten dit alsnog te doen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat de
afstand van deze ruimte tot de dichtstbijzijnde woningen minder dan 100 meter bedraagt, dat er
klachten van geuroverlast zijn uit de omgeving en dat het voorschrift voor eiser in de praktijk
uitvoerbaar is en de mogelijke overlast die dit voorschrift voor eiser teweeg brengt niet opweegt
tegen de overlast die door het ontbreken daarvan voor de omgeving kan worden ondervonden.
5. Volgens eiser had verweerder wel onderzoek moeten doen naar de vraag of het voorschrift
daadwerkelijk noodzakelijk is ter beperking van geurhinder. Eiser heeft aangevoerd dat, alvorens
een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden, volgens vaste jurisprudentie van de
Afdeling (bestuurs)rechtspraak van de Raad van State (waaronder de uitspraak van 5 september
2000, ................) Een verwijzing naar hetgeen in zijn algemeenheid bekend is over geurhinder als
gevolg van een brijvoerinstallatie gaat niet op, te meer nu niet iedere installatie gelijk is omdat de
bijprodukten die worden toegepast divers van aard zijn. Het bestreden besluit berust daarom niet
op een draagkrachtige motivering. Verder is eiser het oneens met het standpunt van verweerder
dat de mogelijke overlast die eiser van dit voorschrift ondervindt niet opweegt tegen de overlast
die door het ontbreken van dit voorschrift kan worden ondervonden. Eiser heeft wel overlast van
het voorschrift nu hij wordt blootgesteld aan een handhavingsrisico. Tot slot is eiser van mening
dat de formele rechtskracht van de vergunning van 6 april 2004 eraan in de weg staat dat om
alsnog een voorschrift aan die vergunning te verbinden en daarmee deze vergunning te wijzigen.
Dit zou een onaanvaardbare verlenging van rechtsbescherming betekenen die destijds heeft open
gestaan tegen het besluit van 6 april 2004.
Wettelijk kader
6. Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de
Invoeringswet Wabo in werking getreden.
7. Op grond van artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht wordt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wm, die
onmiddellijk voor het tijdstip van artikel 2,1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk
is, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit, te weten het
inwerking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerst lid, onder e, van de Wabo.
8. In artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat, voor zover de omgevingsvergunning
betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder e, het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften die aan een
omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied
van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met
betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
9. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag
voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de
bescherming van het milieu is.
Beoordeling
10. Uit het bestreden besluit en de ter zitting gegeven toelichting komt naar voren dat
verweerder op basis van de verplichting in artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo voor verweerder
aanleiding is geweest om - met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van
de Wabo - het bestreden voorschrift aan de omgevingsvergunning van 6 april 2004 te verbinden.
11. Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd is op basis van artikel 2.30, eerste lid, van
de Wabo een voorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het
volgende.
12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot toepassing van artikel 8.22 van de
Wm (oud) vloeit voort dat dit artikel, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van
dit artikel, ziet op het actualiseren van de vergunning in verband met technische ontwikkelingen
of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Indien daarvan niet is gebleken
kon geen toepassing worden gegeven aan artikel 8.22 van de Wm (oud), maar mogelijk wel aan
artikel 8.23 van de Wm (oud). De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 16
maart 2000, LJN: BL2227. Artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo verschilt niet wezenlijk van
hetgeen voor de inwerkingtreding van de Wabo was bepaald in artikel 8.22, eerste lid, van de
Wm (oud). De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om van de jurisprudentie met
betrekking tot artikel 8.22, eerste lid, van de Wm (oud) af te wijken.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken van voortschrijdende
technische ontwikkelingen. Verweerders verwijzing naar artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo gaat
reeds daarom niet op. Dit neemt echter niet weg dat verweerder op zichzelf bevoegd is om met
toepassing van het bepaalde in artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, een
voorschrift als hier aan de orde aan de vergunning te verbinden, zolang dit maar in het belang
van de bescherming van het milieu is. De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of
verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden
voorschrift nodig is ter bescherming van het milieu.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele aanname dat sprake is van een omissie in de
vergunning van een ander bestuursorgaan in dat verband onvoldoende. Uit het verhandelde ter
zitting is gebleken dat verweerder het destijds bevoegde gezag (GS) hierover niet heeft
geraadpleegd. Verder moet worden vastgesteld dat verweerder geen onderzoek heeft verricht
naar de vraag of geuroverlast vanwege de brijvoederruimte optreedt. Verweerder heeft
aangegeven dat in het verleden en heden door bewoners in de directe omgeving klachten over
geurhinder ingediend. Uit het verhandelde ter zitting is echter naar voren gekomen dat dit
klachten over agrarische lucht betrof. Aldus is niet duidelijk geworden of die klachten zijn te
herleiden tot het gebruik van de brijvoederruimte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat
eiser heeft gesteld dat mogelijke geuroverlast door toepassing van brijvoer afhankelijk is van de
samenstelling, met name van de gebruikte bijprodukten en dat verweerder dit standpunt niet
heeft weersproken. Ter zitting is gebleken dat verweerder geen navraag heeft gedaan bij eiser
over de samenstelling van het door hem toegepaste brijvoer en de handelingen die hij met het
brijvoer verricht. Gelet op het voorgaande heeft verweerder volgens de rechtbank niet
aannemelijk gemaakt dat de klachten over geurhinder ook daadwerkelijk door de
brijvoederruimte worden veroorzaakt. Ook overigens zijn in het bestreden besluit noch ter zitting
aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat het bestreden voorschrift nodig is ter
bescherming van het milieu.
15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is
voorbereid en daarmee evenmin berust op een deugdelijke motivering. Gelet hierop komt het
bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in
aanmerking. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is reeds hierom gegrond.
16. Gezien het voorgaande staat niet vast of verweerder bevoegd is in het belang van de
bescherming van het milieu alsnog een voorschrift als het onderhavige aan de
omgevingsvergunning van 6 april 2004 te verbinden. Het betoog van eiser dat de formele
rechtskracht van deze omgevingsvergunning hieraan in de weg staat en dat hij door toevoeging
van het voorschrift wordt blootgesteld aan een handhavingsrisico behoeft daarom geen verdere
bespreking.
17. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval met toepassing van artikel 8:72, derde lid,
van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij is in
aanmerking genomen dat niet op voorhand vast staat dat het gebruik van brijvoer geurhinder
veroorzaakt. De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding om toepassing te geven aan de
bevoegdheid in artikel 8:51a van de Awb.
18. Nu het beroep gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in
de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit
proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor
kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;
• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
• waarde per punt € 437,00;
• wegingsfactor 1.
19. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht
ten bedrage van € 152,00 dient te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;
- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van €
152,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ................, rechter, in aanwezigheid van mr. ................, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2012.
de griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep
worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.