Wetsvoorstel Werk en Zekerheid III

Wetsvoorstel Werk en Zekerheid III
Werkloosheidswet en IO(A)W
April 2014
mr G.J. Westerhuis
De auteur heeft grote zorgvuldigheid betracht in het weergeven van delen uit het geldende recht. Evenwel is noch
de auteur noch Boers Advocaten aansprakelijk voor schade van welke aard dan ook indien gebaseerd op onjuiste
en/of onvolledige informatie uit deze publicatie. Deze uitgave althans delen daarvan mag uitsluitend worden
verveelvoudigd met volledige vermelding van de naam van de auteur. Copyright © 2014
Dit artikel vormt het derde deel over het Wetsvoorstel Werk en Zekerheid. In dit deel
behandel ik de voorgestelde wijzigingen op het gebied van de Werkloosheidwet en de
IO(A)W.
Het artikel kent de navolgende opbouw:
1
Beperking maximale publieke WW-duur;
2
Arbeidsverleden;
3
Passend arbeid;
4
Inkomensverrekening;
5
IO(A)W;
6
Overgangsrecht.
Ad 1_ Beperking maximale publieke WW-duur
Op dit moment is de maximale duur van de WW-uitkering 38 maanden. Hier gaat
verandering in komen. Het voornemen is om de WW te beperken tot maximaal 24 maanden.
De gedachte hierachter is dat (1) door de maximale duur van de WW te beperken de WW
activerender wordt, (2) de uitkeringsduur meer aansluit op wat internationaal gangbaar is en
(3) wordt een bijdrage geleverd aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën.
Voor uitkeringsgerechtigden die voor korte tijd tussen twee banen een beroep doen op de
WW, hebben de wijzigingen in verband met de duur van de WW slechts beperkt effect. Zij
houden in de eerste twee maanden recht op een uitkering van 75% van het dagloon, gevolg
door een uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon.
De kortdurende WW-uitkering blijft in de huidige vorm bestaan. Dit betekent dat een
werknemer die in de laatste 36 kalenderweken ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt,
recht heeft op een WW-uitkering van minimaal drie maanden.
Ad 2 Arbeidsverleden
De duur van een WW-uitkering wordt bepaald door het opgebouwde arbeidsverleden.1 Op
dit moment leidt elk jaar arbeidsverleden tot verlenging van de WW-duur met één maand.
1
dit wordt berekend door de som van het fictief en het feitelijke arbeidsverleden. Het fictieve arbeidsverleden is het aantal
kalenderjaren vanaf (en met inbegrip) van het kalenderjaar waarin de werknemer 18 jaar werd tot 1998. Het feitelijke
arbeidsverleden omvat maximaal het aantal jaren vanaf 1998 tot het jaar waarin de werknemer werkloos is geworden.
Hier komt mogelijk verandering in. Gedurende de eerste tien jaar blijft het gaan om één
maand WW-uitkering per jaar arbeidsverleden, maar daarna geldt dat elk jaar
arbeidsverleden leidt tot een langere WW-duur van een halve maand.
Vermeldenswaardig is dat het arbeidsverleden dat de werknemer heeft opgebouwd vóór
2016 wordt gerespecteerd. Echter indien en voor zover het arbeidsverleden meer dan 24
jaar bedraagt, is wel sprake van geleidelijke afbouw van de WW-duur tot 24 maanden.
Ad 3_Passende arbeid
Het uitgangspunt is dat naarmate iemand langer werkloos is, verwacht mag worden dat hij of
zij zich ruimer opstelt en zoekt naar arbeid op een lager niveau dan waarvoor een opleiding
is genoten en/of werkervaring voor bestaat.
Thans geldt in het kader van passende arbeid dat een WW-gerechtigde in de eerste zes
maanden van zijn werkloosheid zich mag richten op dezelfde arbeid waaruit hij werkloos is
geworden en na één jaar is alle arbeid passend. Hier komt mogelijk verandering in. De
bedoeling is dat na zes maanden alle arbeid als passend wordt aangemerkt. In de optiek van
de wetgever verstrekt dit de activerende werking van de WW.
Ad 4) Inkomensverrekening
Op dit moment geldt dat wanneer een WW-gerechtigde (deels) gaat werken, het aantal uren
dat hij werkt in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. Recht op een uitkering blijft
bestaan voor die uren dat men nog werkloos is. Deze urenverrekening wordt in het
wetsvoorstel vervangen door inkomensverrekening. Hierbij wordt een deel van de (extra)
inkomsten in mindering gebracht op de uitkering. Hiermee wil het kabinet bewerkstelligen dat
werkhervatting vanuit de WW altijd lonend is.
IO(A)W
In het onderhavige wetsvoorstel is opgenomen dat de Wet Inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) geleidelijk wordt afgebouwd
door enkel nog werknemer die geboren zijn voor 1 januari 1965 aanspraak te geven op deze
uitkering.
In het wetsvoorstel is opgenomen dat de Wet Inkomensvoorziening voor oudere werklozen
(IOW) vooralsnog gehandhaafd. In 2020 vindt een evaluatie plaats.
Ad 6) Overgangsrecht
De voorgenomen wijzigingen worden niet per direct doorgevoerd. De WW-duur wordt met
ingang van 2016 geleidelijk teruggebracht (per kwartaal met één maand). Indien een
werknemer vóór januari 2016 gebruik maakt van de WW, wordt hij of zij niet geraakt door de
afbouw zolang het werk niet wordt hervat. Indien sprake is van een werkhervatting van meer
dan 6 maanden, geldt de voorgenomen aanpassingen van de WW-duur wel.
Voorts biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid om in lagere regelgeving nadere regels te
stellen over de omzetting van lopende uitkeringen van de oude uitkeringssystematiek naar
de nieuwe uitkeringssystematiek. Ook kent het wetsvoorstel een bepaling op basis waarvan
zonder dat sprake is van samenloop van een oud en nieuw WW-recht, lopende uitkeringen
kunnen worden omgezet naar de nieuwe systematiek.
Voor wat betreft het overgangsrecht van de IOA en IOAW geldt dat werknemers die werkloos
zijn geworden vóór de ingangsdatum van dit wetsvoorstel recht hebben op IOAW of IOW.
Hierdoor is ook na 2015 nog sprake van instroom in de IOAW. Dit betekent dat werknemers
die geboren zijn voor 1 januari 1965 bij werkloosheid en na het doorlopen van de WWuitkering nog in aanmerking kunnen komen voor een IOAW-uitkering. Werknemers ouder
dan 60 die voor 1 januari 2020 recht hebben op een WW-uitkering, zullen na het doorlopen
van die WW-uitkering aanspraak kunnen maken op een IOW-uitkering.
***