werknemer die zelf vertrekt, behoudt recht op

praktijk
Arbeid & recht
WERKNEMER DIE ZELF VERTREKT, BEHOUDT
RECHT OP ONTSLAGBESCHERMING
Een werknemer die zijn contract voor onbepaalde tijd zelf
opzegt, en daarna toch weer in dienst komt met een contract
voor bepaalde tijd, heeft alsnog recht op ontslagbescherming.
Het nieuwe contract voor bepaalde tijd kan alleen eindigen
door opzegging, zo heeft de Hoge Raad recentelijk bepaald.
T EKST: MAR C O VE E N ST R A ; I LLUST RAT I E: S HUT T ERSTO CK
A
ls een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd wordt
gevolgd door een contract
voor bepaalde tijd, en het
gaat om hetzelfde werk, dan
kan het contract voor bepaalde tijd niet
van rechtswege eindigen, maar moet het
worden opgezegd. Dit wordt, naar een
uitspraak van de Hoge Raad uit 1986,
de Ragetlie-regel genoemd. De gedachte
hierachter is dat de werknemer moet
worden beschermd tegen het lichtvaardig opgeven van de ontslagbescherming die hij heeft bij een contract voor
onbepaalde tijd.
Met de invoering van de Wet Flex en
zekerheid in 1999 is deze regel in de
wet verankerd (artikel 7:667 lid 4 BW).
Het artikel bepaalt echter ook dat het
contract voor bepaalde tijd in een aantal
gevallen wel van rechtswege kan aflopen.
Dat is als er tussen de twee contracten
een periode van meer dan 3 maanden
zit, of als het voorgaande contract voor
onbepaalde tijd is geëindigd door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding
door de kantonrechter.
Lange tijd was niet duidelijk wat onder
rechtsgeldige opzegging moest worden verstaan. Zowel de werkgever als de werknemer kunnen de arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd opzeggen, zij het dat
de werknemer daar geen vergunning van
UWV voor nodig heeft. Eind vorig jaar
heeft de Hoge Raad echter bepaald dat
een opzegging door de werknemer niet
als rechtsgeldige opzegging geldt.
OVERSTAPPENDE JURIST
De casus was als volgt: na een dienstverband van bijna 24 jaar zegt een jurist,
werkzaam bij een notariskantoor, zijn
arbeidsovereenkomst op om in dienst te
treden bij een ander kantoor. Dit overigens in goed overleg met zijn werkgever.
De werknemer krijgt echter al vrij snel
spijt van zijn overstap en treedt binnen
een maand weer in dienst bij zijn oude
werkgever. Hij krijgt een contract voor
bepaalde tijd: voor de duur van een jaar.
Dit contract wordt vervolgens met een
jaar verlengd (de casus vermeldt niet
waarom geen contract voor onbepaalde
tijd werd gesloten). Daarna wil de werkgever het contract niet weer verlengen.
De werknemer stapt vervolgens naar de
rechter. Hij voert aan dat het contract
voor bepaalde tijd niet van rechtswege
kan eindigen, omdat zijn eerdere contract voor onbepaalde tijd niet rechtsgeldig is opgezegd. Volgens de werknemer
zou er alleen sprake van een rechtsgeldige opzegging kunnen zijn als de werkgever het contract had opgezegd.
Zowel de kantonrechter als het gerechtshof wijzen de vordering van de werknemer af, maar de Hoge Raad beslist
anders. Volgens de Hoge Raad volgt uit
de parlementaire geschiedenis van deze
wet dat de wetgever de eis van opzegging heeft gehandhaafd voor het geval
van beëindiging ‘anders dan door rechtsgeldige opzegging of ontbinding door de
rechter’. Reden is dat bij die beëindiging
de bij de arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd bestaande ontslag-
Deze uitspraak
van de Hoge Raad
maakt duidelijk dat
opzegging door de
werknemer niet
als rechtsgeldige
opzegging wordt
beschouwd
bescherming niet is gerealiseerd. Dat
wil zeggen dat er geen toetsing van het
ontslag heeft plaatsgevonden door het
UWV (ontslagvergunningsprocedure) of
door de rechter (ontbindingsprocedure).
In dat geval bestaat die ontslagbescherming (door de eis van opzegging) alsnog
bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst die een voortzetting is van de
aanvankelijke arbeidsovereenkomst.
Dit betekent volgens de Hoge Raad
dat een opzegging door de werknemer
niet als een ‘rechtsgeldige opzegging’
wordt verstaan, omdat daarbij geen
toetsing van het ontslag plaatsvindt.
Verder bestaat er volgens de Hoge Raad
geen goede grond om onderscheid te
maken tussen de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst met wederzijds
goedvinden en die door opzegging door
de werknemer. In beide gevallen berust
de beëindiging immers (mede) op een
verklaring of gedraging van de werknemer, die met zich meebrengt dat deze de
ontslagbescherming mist waarop hij bij
andere beëindigingswijzen aanspraak
kan maken.
Al valt de uitspraak van de Hoge Raad
gelet op de parlementaire geschiedenis wel te begrijpen, voor de betrokken
werkgever komt het oordeel toch onbillijk over. De werkgever heeft de werknemer destijds immers op geen enkele
wijze onder druk gezet om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te
beëindigen.
CONSEQUENTIES
Meestal is voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door
een contract voor bepaalde tijd aan de
orde als werkgever en werknemer na
het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer
nog enige tijd met elkaar verder willen.
De werkgever wil dan vaak de garantie
dat hij niet langdurig aan de werknemer
vastzit, bijvoorbeeld als deze ziek wordt.
Wil de werkgever er zeker van zijn dat
het contract voor bepaalde tijd ook van
rechtswege kan aflopen, dan moet hij
tijdig ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vragen bij de
kantonrechter. Bij voortzetting van een
contract, na een einde van rechtswege
wegens het bereiken van de AOW- of
pensioengerechtigde leeftijd, zoals in
veel cao’s is opgenomen, of na een beëindiging met wederzijds goedvinden, is
voor de beëindiging van de voortgezette
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
opzegging (of ontbinding) nodig.
Met deze uitspraak van de Hoge Raad is
duidelijk dat opzegging door de werknemer niet als rechtsgeldige opzegging
wordt beschouwd. Opzegging door de
werkgever in beginsel wel, alleen wordt
er door UWV geen ontslagvergunning
verstrekt als het doel van de opzegging
is om na het bereiken van de AOW- of
pensioengerechtigde leeftijd een contract
voor bepaalde tijd te kunnen aangaan.
Marco Veenstra
is senior adviseur
juridische zaken
Meer weten over
de juridische
dienstverlening
van AWVN?
Neem contact
op met de
specialisten van
AWVN. Bel of
mail de AWVNwerkgeverslijn,
070 850 86 05,
werkgeverslijn@
awvn.nl
WIJZIGING ONTSLAGRECHT
In het voorstel voor de Wet werk en
zekerheid dat nu bij de Tweede Kamer
ligt, is ook een aanpassing van artikel
7:677 lid 4 BW opgenomen. De Ragetlieregel is niet meer van toepassing als
de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geëindigd op grond van een
pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst. Ontbreekt een dergelijk
beding, dan kan de werkgever op grond
van het nieuwe artikel de arbeidsovereenkomst voortaan opzeggen wegens het
bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd. Daarvoor heeft hij dus
geen ontslagvergunning van UWV nodig.
Deze wijzigingen maken deel uit van de
wijziging van het ontslagrecht, die op 1
juli 2015 moet ingaan. p
WERK
GEVEN
NUMMER 1
26|27