Memorandum aan de Vlaamse Regering

Brussel, 20 maart 2014
Memorandum aan de Vlaamse Regering
1
Vrijheid en verantwoordelijkheid
Het VSKO vertrekt in voorliggend memorandum vanuit de grondwettelijke vrijheden, in het bijzonder
vanuit de vrijheid van onderwijs. Deze vrijheid staat in de dagelijkse realiteit onder druk. Vanuit allerlei
hoeken en in het onderwijsbeleid worden schoolbesturen en schoolteams geconfronteerd met
beknottende en detaillistische regelgeving waardoor de vrijheid van onderwijs onder druk komt te
staan. Bovendien en niet het minst vraagt het VSKO aandacht, ruimte en respect voor de vrijheid om op
basis van een eigen pedagogisch project en identiteit onderwijs aan te bieden.
Als koepelorganisatie vraagt het VSKO ook ten volle respect voor zijn rol als middenveldspeler en voor
de rol van het middenveld in het onderwijsbeleidskader. Als middenveldspeler wil het VSKO zijn sociale,
democratische en beleidsgerichte rol verder kunnen uitbouwen en ook als dusdanig erkend blijven.
Gekoppeld aan vrijheid wil het VSKO zich ook manifesteren als een verantwoordelijke speler. Afbreken is
makkelijk, opbouwen en samen werken aan onderwijsbeleid vraagt verantwoordelijkheidszin die het
individuele kader overstijgt. Het VSKO wil een verantwoordelijke koepel zijn van verantwoordelijke
leden die ook elke dag duidelijk hun verantwoordelijkheid opnemen in een gezamenlijke zorg voor de
ontwikkeling van alle Vlaamse talenten.
2
10 speerpunten voor het onderwijsbeleid van de toekomst
2.1
Onderwijsinfrastructuur
De cijfers hoeven niet herhaald te worden. Zowel qua renovatie als qua nieuwe scholenbouw zijn de
noden in Vlaanderen schier eindeloos. Voor het VSKO is de investering in schoolinfrastructuur een
topprioriteit voor de komende legislatuur. Daarbij is het VSKO zich bewust van de beperkte publieke
middelen en wil het ook verantwoordelijkheid opnemen. Het VSKO vindt het in dat kader haar opdracht
schoolbesturen aan te sporen om af te remmen op de stijging van de behoefte aan vierkante meter per
leerling en de kostprijs per vierkante meter binnen de perken te houden door een rationeel aanbod te
promoten en schoolbesturen tot nadenken te stemmen over de wijze waarop comfortwensen
gerealiseerd worden. Vandaag kunnen de katholieke scholen trouwens al de laagste kost per vierkante
meter voorleggen.
2
Tegenover het opnemen van eigen verantwoordelijkheid door het VSKO en schoolbesturen dient de
volgende Vlaamse regering als volgt te investeren in schoolinfrastructuur:
̶
het fors optrekken van de reguliere middelen voor scholenbouw voor een toekomstgericht concept
van scholenbouw. Teneinde de wachtlijst voor het vrij gesubsidieerd onderwijs daadwerkelijk af te
afbouwen is een recurrente input van extra 120 miljoen EUR noodzakelijk.
̶
het gezond verstand gebruiken en initiatieven nemen teneinde de overreglementering die een
hypotheek legt op de betaalbaarheid van scholenbouw tegen te gaan en te evolueren naar een
regelgeving in de scholenbouw die geïntegreerd is en gericht op output.
̶
het eigen aandeel van katholieke schoolbesturen in een gesubsidieerd investeringsproject
betaalbaar houden.
̶
bevorderend optreden naar alternatieven in financiering die de eigenheid van schoolbesturen
respecteren.
Bij het gebruik van de term ‘Brede school’ wordt het openstellen van de infrastructuur voor andere
gebruikers van de lokale gemeenschap eveneens vaak aan de orde gesteld. In vele scholen gebeurt dat
al. Het gaat dan meestal om het gebruik van de refter, een vergaderruimte, een polyvalente zaal, de
turnzaal, en uitzonderlijk een klaslokaal. In dat opzicht is het te verdedigen dat we vanuit andere
beleidssectoren – en de lokale overheid – middelen voor onderwijsinfrastructuur voorzien. In de
operationalisering gaan we wel uit van een ongestoorde beschikbaarheid voor onderwijsdoeleinden
zonder bijkomende taaklast voor de school. In de optiek van ‘Brede school’ moet de verworvenheid van
vrijstelling van onroerende voorheffing behouden blijven.
2.2
Autonomie
Het VSKO is van oordeel dat vanuit het onderwijsbeleid, maar evenzeer vanuit andere Vlaamse en
Federale beleidsdomeinen, de eisen aan onderwijs in dergelijke mate verhoogd zijn dat de reële vrijheid
van onderwijs geschonden wordt. Het is normaal dat een overheid in ruil voor subsidiëring eisen stelt en
controle oplegt. Meer en meer echter treedt het overheidsbeleid op het pedagogische terrein. Het VSKO
vraagt aan de volgende Vlaamse Regering en minister van Onderwijs om hiermee te stoppen en om een
andere richting in te slaan door vertrouwen te hebben in schoolbesturen, directies en schoolteams en
hen aan te spreken op hun resultaten i.p.v. op hun pedagogische methoden en processen. In deze eis
past evenzeer de absolute vraag voor respect voor de eigenheden van het pedagogisch project en de
identiteit van scholen en van pedagogische begeleiding. Het VSKO vraagt dan ook om duidelijk af te
bakenen wat enerzijds legitiem van scholen mag verwacht worden en wat anderzijds behoort tot de
autonomie van de onderwijsverstrekker. De overheid moet voldoende ruimte geven aan de
onderwijsverstrekker om een visie op vorming te hebben en uit te voeren. Onderwijs overstijgt daarbij
het utilitaire.
Het is eveneens essentieel opnieuw te bezinnen over de inhoud van basisvorming. Die reflectie is
noodzakelijk in functie van het inschatten van de studiebelasting en in functie van het criterium voor het
afleveren van de studiesanctionering.
Vertrouwen hebben in de (kleuter)onderwijzer, de leraar, de directeur en het schoolbestuur betekent
het opnieuw erkennen van deze actoren als professionals op het eigen terrein. Verantwoordelijke
actoren in onderwijs worden vandaag teveel benaderd door het onderwijsbeleid als loutere uitvoerders
van regelgeving en te weinig uitgedaagd om hun creativiteit en professionaliteit te tonen en te
valoriseren.
3
2.3
Bestuurlijke schaalvergroting
Met uitzondering van het hoger onderwijs waar deze bestuurlijke schaalvergroting veel eerder ingezet
en doorgevoerd werd, noodzaken allerlei factoren tot bestuurlijke schaalvergroting.
Schaalvergroting is daarbij geen doel op zich en niet de oplossing voor elk probleem. Schaalvergroting
kan een middel zijn om de bestuurskracht van schoolbesturen en de beleidskracht van scholen te
optimaliseren. Het kan evenzeer een middel zijn om ervoor te zorgen dat in de school
verantwoordelijken opnieuw ruimte krijgen om zich te richten op hun kernopdrachten. Schaalvergroting
kan ook een middel tot efficiëntere inzet van mensen en middelen betekenen. Bestuurlijke
schaalvergroting moet bovenal bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijsproces.
Het VSKO vraagt geen decretale modellen van bestuurlijke organisatie. Het VSKO vraagt wel een
overheidsbeleid dat financieel incentiverend en stimulerend optreedt richting het vergroten van de
bestuurlijke schaal, en het professioneel besturen van scholen ook erkent als een kritische succesfactor
voor goed onderwijs.
2.4
Beleidskracht
Het VSKO pleit voor een totaalkader ter ondersteuning en versterking van de mogelijkheden tot het
voeren van een krachtig schoolbeleid. In dit kader past de eis om de schoolopdracht in het
leerplichtonderwijs en de centrumopdracht in het volwassenenonderwijs op te bouwen en te
versterken. In zo’n concept is de overlegtijd, de voorbereidingstijd, de tijd voor eigen professionalisering
en leerlingbegeleiding inbegrepen naast de strikte lesopdracht. Een betere verloning voor de directeur,
met andere woorden een verloning die tegemoet komt aan het probleem van de geringe loonspanning
met wervingsambten, past eveneens in dit kader.
Goed onderwijs aanbieden is mensenwerk. De leraar is een cruciale factor in het succesvol realiseren
van alle doelstellingen van het onderwijsbeleid. Daarom vraagt het VSKO in te zetten op de leraar, de
directeur en het schoolteam door te investeren in mogelijkheden tot professionalisering en
competentie-ontwikkeling.
Goed onderwijs aanbieden betekent ook kunnen beschikken over moderne leermiddelen en ICTmogelijkheden. Vanuit budgettaire krapte kunnen vele scholen onvoldoende gebruik maken van deze
mogelijkheden en kunnen ze hun beleidskracht op dit vlak slechts partieel aanwenden en uitrollen.
Het VSKO vraagt om het omslachtige en versnipperde geheel van allerhande verlofstelsels om te vormen
tot een slank geheel dat tegemoet komt aan behoeften van personeelsleden, maar eveneens
hanteerbaar is in de dagelijkse schoolpraktijk en de samenwerking tussen collega’s niet hypothekeert.
Ook dat is ondersteuning van beleidskracht.
2.5
Aanpassen van het inschrijvingsdecreet
Sinds het begin van deze eeuw wordt gesleuteld aan decretale verplichtingen inzake inschrijving. Dit
beleid startte vanuit een bekommernis van non-discriminatie en gelijke onderwijskansen en werd de
laatste jaren versterkt naar aanleiding van de groeiende capaciteitsproblematiek. In de praktijk stellen
we vast dat de geldende regelgeving onwerkbaar is, gepaard gaat met administratieve belasting, haar
doelstellingen niet of onvoldoende realiseert en bovendien soms ook contraproductief werkt. Deze
vaststellingen doen zich voor in basisonderwijs, secundair onderwijs en buitengewoon onderwijs.
Bovendien wijst de recente praktijk uit dat voor het buitengewoon onderwijs het huidige
inschrijvingsdecreet totaal niet toepasbaar is.
Bij de opmaak van voorliggend memorandum stelde de Vlaamse regering reeds wijzigingen aan het
inschrijvingsdecreet in het vooruitzicht. Het VSKO pleit echter voor een algehele herziening (systeem,
LOP’s en CLR) van dit inschrijvingsbeleid zonder daarbij de doelstellingen van gelijke kansen en
inschrijving in het onderwijs weg te gooien. Ook in deze is het VSKO overtuigd dat mits het voorzien van
een regelgeving die duidelijke doelstellingen stelt, maar meer vrijheid voorziet in de aanpak, betere
resultaten zouden kunnen gehaald worden.
4
2.6
Leerzorgkader
Reeds van bij de start van de onderhandelingen aangaande het ontwerpdecreet betreffende
maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften heeft het VSKO er op gewezen dat het
indertijd uitgetekende leerzorgkader het finale doel is. Het VSKO herinnert de volgende Vlaamse
regering dan ook aan de gemaakte engagementen terzake, ook nu het M-decreet zijn beslag gekregen
heeft. Met andere woorden, het werk is helemaal niet af en bijkomende middelen zullen absoluut
moeten geïnvesteerd moeten worden.
Om de aanvaardbaarheid en de haalbaarheid van inclusie te verhogen zien we kansen in een meer
structurele samenwerking tussen de basisschool en het basisaanbod in het buitengewoon onderwijs.
Een inplanting op dezelfde campus kan drempelverlagend werken. De overheid moet die vormen van
samenwerking blijvend aanmoedigen.
2.7
Gelijke behandeling voor gesubsidieerde onderwijsinternaten
Onderwijsinternaten beantwoorden aan een nood tot opvoedingsondersteuning in de samenleving van
vandaag. Het internaat vervult een sociale rol en dient voor iedereen een haalbare kaart te zijn. Het
internaat is voor nogal wat gezinnen immers een noodzaak. Het internaat heeft daarbij niet zelden een
preventieve rol. Het kan door zijn eigen, specifieke aanbod en structuur bij een aantal jongeren
problemen voorkomen en vermijden dat zij in een gespecialiseerd circuit terecht komen. Zorgvragen bij
jongeren ontstaan immers vaak door een gebrek aan basistools in de opvoeding zoals structuur en
warmte, gepaste nabijheid en begeleiding.
Waardering voor het werk van de internaten betekent dan ook in de eerste plaats dat alle opvoeders op
zijn minst worden betaald vanuit de overheid. Bovendien is professionalisering van de internaatsopvoeders in deze tijd meer dan noodzakelijk en een voorwaarde tot het leveren van kwaliteitsvol werk.
De vrije gesubsidieerde internaten in het gewoon onderwijs worden nog steeds schromelijk lager
gesubsidieerd vergeleken met de onderwijsinternaten van het GO!. Elke interne in onze internaten
wordt 816 EUR minder gesubsidieerd dan een interne in het GO!. Het VSKO wil dat de lat gelijk gelegd
wordt. Bovendien dienen de DACers in de vrije internaten dringend geregulariseerd te worden.
2.8
Aanwendingspercentages van 100%
In het buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs wordt, ten
gevolge van allerlei besparingsoperaties, nog steeds gewerkt met een korting van de reële omkadering
onder de vorm van een aanwendingspercentage. In het volwassenenonderwijs wordt de groei slechts
zeer partieel gehonoreerd. Gelet op de groeiende noden, behoeften en maatschappelijke vragen die op
scholen en centra afkomen, vraagt het VSKO een aanwendingspercentage van 100% en een honorering
van de groei in het volwassenenonderwijs.
2.9
Decreet Vlaamse kwalificatiestructuur
We vragen het decreet m.b.t de Vlaamse Kwalificatiestructuur te beperken tot het omschrijven en
rangschikken van beroepskwalificaties. Zoals steeds gesteld door het VSKO en bevestigd door de eerste
toepassingen, is het kader van dit decreet met de niveaudescriptoren en descriptorelementen niet
geschikt om onderwijskwalificaties (studierichtingen) te omschrijven en te ordenen. Om deze reden
vraagt het VSKO een grondige herziening van artikel 14 van dit decreet.
5
2.10
Budgettair kader
Het VSKO beseft dat de uitdagingen en de eisen groot en veelvuldig zijn en het budgettair kader beperkt
is. Aangezien onderwijs erkend wordt als cruciaal voor het welzijn en de welvaart van Vlaanderen mag
worden verwacht dat in onderwijs geïnvesteerd wordt en minstens geen nieuwe besparingsronde
doorgevoerd wordt.
Zorg dragen teneinde dat vanuit andere beleidsdomeinen dan onderwijs geen bijkomende nietonderwijsgebonden kosten worden geïntroduceerd en bestaande kosten worden afgebouwd, helpt
bovendien in de uitdaging om met weinig middelen optimale invulling te geven aan het aanbieden van
onderwijs.
BIJLAGE
Niveau-specifieke eisen
1
Basisonderwijs
1.1
Gericht op de gehele persoonlijkheidsontwikkeling van elk kind
De geïntegreerde aanpak is in de persoonsontwikkeling van elk kind op het niveau van het
basisonderwijs een belangrijk fundament. De indeling per leergebied is een ordenende structuur voor
de onderwijsgevende. Maar het basisonderwijs mag niet gereduceerd worden tot een optelsom van een
set vakmatig vooropgestelde doelstellingen. Het reduceren van ruime leergebieden tot aparte vakken
spoort niet met de aanpak van het basisonderwijs.
Zo’n basisonderwijs staat open voor een hele brede groep van leerlingen die het gemeenschappelijk
curriculum kunnen volgen en op gedifferentieerde wijze de nodige groeikansen krijgen. Scholen die dit
operationaliseren buiten het leerstofjaarklassensysteem moeten daarvoor de nodige ondersteuning
krijgen.
Een bijzondere zorg gaat naar kinderen met specifieke onderwijsbehoeften. In de mate van het
mogelijke, en in zoverre de aanpassingen nog proportioneel en voldoende zijn, zal het gewoon
basisonderwijs daartoe inspanningen leveren. De verwachtingen van ouders en betrokkenen moeten
wel realistisch blijven. De dringende decretale regelingen zijn in dat opzicht nog maar een eerste opstap
naar bredere mogelijkheden inzake ‘leerzorg’.
Kansen geven aan alle kinderen betekent tevens dat we de kinderarmoede op onderwijsgebied verder
blijven bestrijden. Het Vlor-advies van de Raad Basisonderwijs over kinderarmoede reikt daarrond een
aantal aanbevelingen aan.
1.2
Een plaats om te leven
De basisschool staat niet op zichzelf, maar is ingebed in de lokale gemeenschap. Zowel voor de leerling
als voor de gemeenschap is ze meer dan een leer-plek. Voor de kinderen begint de dag al vóór de
schoolbel rinkelt. Heel wat kinderen worden in de kinderopvang onthaald en gaan van daaruit naar
school. Ook de middagopvang en de naschoolse kinderopvang maken deel uit van hun dagritme.
Onderzoek toont aan dat scholen daar al een rol in spelen: als locatie, als organisator, of zelfs als
eindverantwoordelijke. De overheid moet bijkomende taken of eisen op dat vlak (bv. hogere
kwaliteitsnormen inzake kinderopvang) financieren. Om de visie op onderwijs en opvoeding te
ondersteunen is een afstemming tussen de onderscheiden beleidsdomeinen (onderwijs en welzijn)
noodzakelijk. Zo krijgt de term ‘Brede school’ een concrete invulling.
1.3
Meer dan de leraar: een team voor onze schoolgemeenschap
1.3.1
Didactiek en differentiatie als kernelementen van de lerarenopleiding
De heterogene groepering van leerlingen in het basisonderwijs maakt dat het lerarenkorps vooral sterk
moet zijn in didactiek en differentiatie. Het algemene beroepsprofiel van de leraar zal op die punten een
specifieke klemtoon krijgen voor de kleuteronderwijzer en de onderwijzer.
In de besprekingen rond de hervorming van het secundair onderwijs wijst men op de noodzakelijke
vakinhoudelijke versterking. We streven ernaar om die intentie binnen het huidige team op te vangen.
We wensen met andere woorden geen bijkomende specifieke en exclusieve bekwaamheidsbewijzen te
introduceren voor bepaalde leergebieden. Ter ondersteuning kunnen specifieke opleidingen in die
leergebieden wel een meerwaarde creëren voor de beroepsvervolmaking van ons lerarenteam.
7
1.3.2
Mogelijkheden tot persoonlijke ontwikkeling
Recent OESO-onderzoek toont aan dat we in Vlaanderen over een zeer goed lerarenkorps beschikken.
We moeten dat zo kunnen houden. In dat kader is het noodzakelijk dat de overheid sterker inzet op de
professionaliteit van de leraren. Niet enkel in de lerarenopleiding zelf, maar ook in het voorzien van de
nodige nascholingskredieten en het creëren van de noodzakelijke randvoorwaarden om bijkomende
banaba’s te volgen.
Voor het basisonderwijs moet het tevens mogelijk worden om generieke Masters (onderwijs) op te
leiden en in te zetten.
1.3.3
Ondersteunend kader
De overheid verwacht dat scholen een sterk beleidsvoerend vermogen hebben. Het VSKO vraagt een
flexibel ondersteunend personeelskader voor het basisonderwijs. Dat kan gecreëerd worden met een
globale puntenenveloppe waaruit voor volgende categorieën geput kan worden: het leidinggevend
personeel (directeur, adjunct-directeur, coördinerend directeur); het pedagogisch-coördinerend
personeel (zorgcoördinatie, ICT-coördinator, mentor) en het administratief-logistiek personeel
(secretaris, onderhoudsman, veiligheid, boekhouder). Zeker binnen die laatste categorie streven we in
het kader van de huidige regelgeving naar een minimale omkadering van 0,5 punten per leerling.
Het VSKO is van oordeel dat een leerling van het basisonderwijs recht heeft op even veel middelen als
een leerling uit het secundair onderwijs, tenzij er objectiveerbare verschillen zijn.
Inzake de verdeling van die ondersteunende personeelsleden is het zinvol om een mechanisme op
schaalvergroot niveau te overwegen.
1.4
Gelijke financiering kleuter- en lager onderwijs
Het VSKO blijft pleiten voor een gelijke financiering van het kleuter- en het lager onderwijs. Een
succesvolle schoolloopbaan begint in het kleuteronderwijs. De inspanningen inzake kleuterparticipatie
kunnen wel varen bij een betere financiering van dat onderwijsniveau.
8
2
Secundair onderwijs
2.1
Eigenheid van het secundair onderwijs
Het VSKO vraagt aan de overheid de eigenheid van voltijds secundair onderwijs te vrijwaren om de
eigen invulling ervan ten volle te kunnen waarmaken en zo in te gaan tegen de eenzijdige
afhankelijkheid van de arbeidswereld en het hoger onderwijs.
2.2
Hervorming secundair onderwijs
Het VSKO vraagt dat de principes van het masterplan over de hervorming van het secundair onderwijs
verder concreet worden ingevuld. Het VSKO pleit uitdrukkelijk voor een permanent overleg met de
betrokken actoren en voor een transparant en realistisch implementatietraject. Ook het BuSO dient een
plaats te krijgen in het masterplan SO.
2.3
Omkadering secundair onderwijs
Het VSKO pleit voor een hervorming van de berekening van de omkadering op basis van objectiveerbare
parameters, lineariteit en ontkleuring van middelen.
2.4
Decreet leren en werken
Het VSKO vraagt dat de decretaal voorziene evaluatie van het decreet leren en werken wordt
uitgevoerd.
9
3
Buitengewoon onderwijs
3.1
Recht op onderwijs
Het VSKO gaat resoluut voor de realisatie van het recht op onderwijs voor elk kind en elke jongere, dus
ook voor kinderen en jongeren met een ernstige meervoudige beperking, zoals ook is omschreven in het
zogenaamde Delta-advies van de VLOR. Niet in het minst voelen wij ons hierbij ook gesteund door het
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en door het VN-verdrag inzake de rechten van
personen met een handicap. Het VSKO meent dat vragen rond de deskundigheid en het formuleren van
de noodzakelijke randvoorwaarden niet ten koste mogen gaan van het effectief organiseren van
onderwijs voor deze kinderen en jongeren.
3.2
Leerlingenvervoer
Het VSKO pleit voor een volledige herziening van de organisatie van het zonaal leerlingenvervoer
waarbij niet alleen de toekomstige ontwikkelingen binnen Onderwijs, maar ook de ontwikkelingen
binnen Welzijn worden in rekening gebracht. Onderwijs op maat voor ieder kind en het zoeken naar het
meest adequate antwoord op de onderwijsbehoefte van een kind of jongere zou doorslaggevend
moeten zijn bij de keuze van een school, niet het al dan niet recht hebben op leerlingenvervoer. De
ouders van kinderen en jongeren uit een maatschappelijk kwetsbaar milieu zijn niet altijd in staat hun
kind zelf met gespecialiseerd vervoer naar de school op maat te brengen indien de school met het
meest passende aanbod niet de dichtstbijzijnde school blijkt te zijn. Ook aan de onverantwoord lange
ritduurtijden – voor veel leerlingen meer dan 220 minuten per dag – dient dringend iets te worden
gedaan.
Daarnaast pleit het VSKO voor een verhoging van de administratief - logistieke omkadering voor de BuOscholen die instaan voor de organisatie van het collectief leerlingenvervoer en ook de berekening van de
huidige enveloppe voor de financiering van de loonkosten voor busbegeleiders houdt onvoldoende
rekening met alle kosten die de scholen moeten dragen. Het VSKO vraagt daarom met aandrang om een
herberekening van deze enveloppe op basis van correcte parameters. Ook de herwaardering, zowel wat
betreft verloning als wat betreft opleiding, van de job van busbegeleider dringt zich op.
3.3
Omgaan met extreem moeilijke jongeren
Alle scholen, in het bijzonder scholen met een aanbod voor type 3, krijgen vandaag te maken met
extreem moeilijke kinderen en jongeren.
Het VSKO pleit ervoor dat scholen die met deze kinderen en jongeren te maken krijgen beroep kunnen
doen op time-out projecten en dat de overheid samenwerking tussen welzijn, centra voor geestelijke
gezondheidszorg,… in functie van het onderwijs aan deze kinderen faciliteert.
Naast het optrekken van het aanwendingspercentage en de uitbreiding van de paramedische
omkadering in het BuSO pleit het VSKO voor een systeem van modularisering met tussentijdse
attesteringen, zeker binnen opleidingsvorm 3. Dit systeem sluit beter aan bij het profiel van deze
jongeren die baat hebben bij tussentijdse succeservaringen. Ook het systeem van leren en werken zou
voor deze leerlingen een grote meerwaarde betekenen.
Daarnaast pleit het VSKO ervoor dat de prioritaire nascholingsprojecten van de overheid zouden
inspelen op deze groeiende problematiek.
3.4
Omkadering voor leerlingen type 6
Leerlingen met een visuele beperking kunnen voor hun leerproces geholpen worden met technische
hulpmiddelen. Voor leerlingen die school lopen in een school voor gewoon onderwijs worden via de cel
specifieke onderwijsleermiddelen technische hulpmiddelen voorzien. Leerlingen die schoollopen in een
school voor type 6 kunnen niet genieten van deze financiering van specifieke hulpmiddelen.
10
Het VSKO pleit ervoor een toereikende financiële omkadering van scholen voor type 6 om de
slechtziende of blinde leerling van de noodzakelijke ICT-hulpmiddelen te kunnen voorzien. Hierbij
moeten we een onderscheid maken tussen enerzijds de noodzakelijke basisuitrusting waarover de
leerling persoonlijk moet beschikken om de lessen te kunnen volgen (dit naar analogie met de SOLmiddelen en anderzijds de (ICT-) hulpmiddelen waarover de school moet beschikken om een passende
leeromgeving te creëren.
3.5
Masterplan hervorming secundair onderwijs
In het kader van inclusie en de uitbouw van optimale trajecten voor alle leerlingen en in het bijzonder
voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften is het logisch dat het BuSO wordt opgenomen in de
hervorming van het secundair onderwijs. Vanuit de visie van elke leerling op de juiste plaats is het
evident dat deze visie het best uitgebouwd wordt in een continuümstructuur waar de beschotten tussen
de verschillende onderwijsvormen worden weggewerkt. Wij zijn er van overtuigd dat op deze wijze de
ongekwalificeerde uitstroom zal verminderen.
3.6
Vlaamse kwalificatiestructuur.
Indien toch niet tegemoetgekomen wordt aan de herziening van artikel 14, dan dient er voor BuSO een
aanpassing te gebeuren. Immers, in de uitrol van het decreet betreffende de kwalificatiestructuur komt
het BuSO (OV1, OV2, OV3) niet in aanmerking voor een onderwijskwalificatie omdat er niet gewerkt
wordt met eindtermen, maar met ontwikkelingsdoelen. Het BuSO komt wel in aanmerking voor een
beroepskwalificatie. Het BuSO is meer dan een beroepsopleiding en biedt de leerlingen een gedegen
algemene vorming aan in functie van maatschappelijke participatie. Het is dus logisch dat het BuSO ook
recht heeft op een onderwijskwalificatie vanuit de werking met de decretaal goedgekeurde
ontwikkelingsdoelen.
3.7
Overleg met andere beleidsdomeinen zoals welzijn en tewerkstelling
Het VSKO meent dat onderwijs een belangrijke functie te vervullen heeft in de samenleving en dit in
nauwe samenwerking met andere domeinen, zoals bijvoorbeeld welzijn en tewerkstelling. Het VVKBuO
moedigt scholen aan op lokaal niveau samenwerkingsverbanden aan te gaan met welzijnsvoorzieningen
(MPI, MFC, revalidatiecentra…) en tewerkstellingsbevorderende voorzieningen zoals GTB, VDAB, RESOC,
beschutte werkplaatsen… Deze samenwerkingsverbanden worden steeds doeltreffender en dit ten
voordele van onderwijstrajecten op maat voor de leerlingen. Toch stuiten scholen regelmatig op
tegenstrijdigheden in de regelgeving van de verschillende beleidsdomeinen die deze samenwerking
bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Het VVKBuO vraagt daarom met aandrang dat ook op
beleidsniveau samenwerking en overleg met andere beleidsdomeinen een prioritair punt wordt.
3.8
Personeelskader buitengewoon onderwijs
3.8.1
Administratief logistieke omkadering in het buitengewoon basisonderwijs
Een verhoging van de administratief - logistieke omkadering met minimaal 0.5 punt per leerling voor de
scholen van het BuBaO is een minimale vereiste om het meerwerk op administratief vlak inzake de
personeelsdossiers te kunnen ondervangen, gezien elke BuBaO-school een veel groter personeelskader
heeft voor hetzelfde aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs.
3.8.2
Paramedische omkadering
De gelijkstelling van het pakket paramedische uren van het buitengewoon secundair onderwijs aan het
pakket van het buitengewoon basisonderwijs.
11
Een uitbreiding van het pakket paramedische uren zodat scholen de reële mogelijkheid krijgen om
personeelsleden binnen de nieuwe functiecategorieën aan te werven, bijv. een orthopedagoog,
psycholoog, maatschappelijk werker.
Leerlingen die beroep doen op een revalidatiecentrum worden nu beschouwd als zogenaamde ‘Rleerlingen’ en genereren voor de school geen paramedische omkadering. Het VSKO pleit ervoor dat deze
leerlingen worden beschouwd als externe leerlingen en op die manier ook paramedische omkadering
genereren voor de school.
3.8.3
Bijkomend ondersteunend kader
Een aanpassing van de puntenenveloppe voor ondersteunend personeel om de mogelijkheid te krijgen
afhankelijk van de specifieke noden van hun doelgroep hetzij extra verzorgend en/of opvoedend en/of
gebarentolken of ander specifiek technisch personeel aan te trekken.
3.8.4
Een ruimere omkadering inzake TAC en TA
Het VSKO dringt nog steeds aan op meer stabiliteit in de omkadering inzake technisch adviseur
coördinator en technisch adviseur. Meer bepaald dienen de middelen voor het invullen van deze
functies te worden gelijkgetrokken met deze van het gewoon secundair onderwijs.
Aangezien wij menen dat er geen objectieve criteria bestaan die aantonen dat de omkaderingsnood
binnen het BuSO minder groot zou zijn, wensen wij dat de nodige budgettaire ruimte gecreëerd wordt
om dit verschil in omkadering tussen het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs weg te
werken.
De functieomschrijving van TAC en TA is veelomvattend. De laatste jaren werden deze functies
uitgebreid met taken in het kader van de regelgeving omtrent milieu en veiligheid. Ook moeten
Technisch Adviseurs binnen het buitengewoon onderwijs gemiddeld meer opleidingen begeleiden dan
binnen het gewoon secundair onderwijs.
3.8.5
Organiek ambt van ASV-coördinator
In het buitengewoon secundair onderwijs is er geen organiek ambt van coördinator ASV waardoor in
heel wat scholen een leerkracht belast is met de coördinatie binnen de vakgroep Algemene en Sociale
Vorming. Aangezien in het BuSO onderwijzers en regenten bevoegd zijn om alle algemene vakken (met
uitzondering van godsdienst) te onderrichten, is een goede begeleiding, coördinatie en overleg van
substantieel belang om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Wij vragen dus de nodige
budgettaire ruimte voor het aanstellen van een organiek coördinator ASV, met minimaal een half ambt
per school.
12
4
Internaten
4.1
De internaten die met opvoeding van kinderen en jongeren bezig zijn, moeten
professioneel en kwaliteitsvol kunnen werken. Daarom hebben internaten middelen
nodig voor nascholing en pedagogische begeleiding.
Een kwaliteitsvolle internaatswerking aanbieden veronderstelt dat men over voldoende mensen
beschikt die zich permanent navormen in functie van de noden die er zijn in de samenleving en die hun
weerslag hebben op het pedagogisch handelen in het internaat. Veel zorgvragen komen na de
schooluren pas ten volle naar boven en opvoeders moeten gepast kunnen omgaan met bepaalde
specifieke noden van de jongeren. Op dit ogenblik beschikken internaten niet over nascholingsbudgetten, terwijl ze net als scholen, ook onderwijsinstellingen zijn die de scholen aanvullend en nà de
schooluren een specifieke rol uitoefenen..
Daarnaast is er een absolute nood aan pedagogische begeleiding die een kwaliteitsbeleid in de
internaten kan helpen uitbouwen en die internaten bij pedagogische vragen en bekommernissen kan
tegemoet komen.
4.2
Een formele samenwerking met CLB is nodig om begeleiding van jongeren beter op
elkaar af te stemmen
In het kader van een verbeterd zorgcontinuüm tussen ouders, school, CLB en een verhoogde inzet op
laagdrempelige hulpverlening in de integrale jeugdzorg is het belangrijk dat het internaat formeel een
volwaardige partner van CLB wordt. Als partner in de opvoeding van vele jongeren is het wenselijk dat
het internaat zijn kennis en expertise met de andere opvoedingspartners in het belang van het kind kan
delen. Het CLB moet bovendien voor het internaat een formeel aanspreekpunt kunnen zijn bij
verontrusting.
13
5
Volwassenenonderwijs
5.1
Respect voor de opdracht van het volwassenenonderwijs
De huidige samenleving, gekenmerkt door globalisatie, snelle technologische veranderingen,
demografische verschuivingen en de evolutie naar een kenniseconomie heeft het belang van levenslang
en levensbreed leren alleen maar versterkt. Voor het VSKO spelen de centra voor volwassenenonderwijs
een centrale rol in het verhogen van de participatie aan kwalificerend levenslang leren. Vlaanderen
scoort op dit ogenblik nog altijd ondermaats in vergelijking met heel wat van de andere Europese
landen. De opdracht van het volwassenenonderwijs waarin verhogen van de maatschappelijke
participatie, persoonlijke ontplooiing, educatieve zelfredzaamheid en het versterken van kansen op de
arbeidsmarkt centraal staan, heeft dan ook nog niets aan urgentie ingeboet. Een verenging tot een
louter utilitaire opdracht waarbij de arbeidsmarkt centraal staat, wijzen wij met klem af. Het
volwassenenonderwijs vervult dan ook bij uitstek de functie van opleider tot duurzame kwalificaties via
een tweede weg.
5.2
Een aangepast financieringssysteem en personeelsstatuut
Het VSKO pleit voor een voldoende en transparante financiering van de centra voor volwassenenonderwijs. Het huidige systeem creëert perverse effecten en is niet langer aangepast aan de flexibele
participatie van de lerenden. Bij voorkeur is dit een systeem dat eenvoudig is, niet gekleurd,
geïndexeerd, gebaseerd op valideerbare data en voldoende stabiliteit biedt aan de centra om een lange
termijnvisie te ontwikkelen. De overheid kan dan op basis van resultaatsverbintenissen en aangepaste
financieringsmechanismen beleidsaccenten leggen zodat de garantie ingebouwd wordt dat
kansengroepen (gedetineerden, inburgeraars, …) bediend worden.
Dit alles vraagt een flexibel personeelsstatuut. Het huidige personeelsstatuut, dat vooral vanuit het
leerplichtonderwijs ontstaan is, staat haaks op de kernopdracht van het volwassenenonderwijs waarbij
flexibiliteit en maatwerk kernbegrippen zijn. Tevens dient voldoende aandacht te gaan naar de uitbouw
van een middenkader en de ondersteuning van de vele extra-opdrachten vanuit niet-onderwijsgebonden regelgeving. Een dynamisch personeelsbeleid vergt ook personeel met specifieke
competenties. Een leerkracht in het volwassenenonderwijs moet enerzijds beschikken over een aantal
generieke didactische en agogische competenties en anderzijds over vakspecifieke competenties. De
noodzakelijke competenties moeten aantoonbaar zijn, via bijvoorbeeld bekwaamheidsbewijzen, andere
vormen van certificering of op basis van eerder verworven competenties.
5.3
HBO5
Het VSKO wil volop inzetten op de samenwerkingsverbanden in het kader van het hoger
beroepsonderwijs (HBO5) waarbij afstemming op de leerbehoeften van verschillende doelgroepen van
deze trap op de leerladder het ultieme doel is. Er wordt dan ook het best zo vlug mogelijk werk gemaakt
van een nieuw financieringssysteem voor HBO5, op basis van studiepunten, waarbij alle partners
betrokken worden en er rekening gehouden wordt met de ervaring en kracht die de verschillende
aanbieders (hogescholen, centra voor volwassenenonderwijs en secundaire scholen) inbrengen. Ook
dient er duidelijkheid te komen over het statuut van de lerende en een passend systeem van
studiefinanciering, studievoorzieningen. De opstart van de ambtelijke werkgroep zoals vermeld in de
memorie van toelichting bij het decreet ter versterking van het HBO5 in Vlaanderen wordt dan beter
ook niet verder uitgesteld. Wat het toekomstige HBO5-opleidingsaanbod aangaat, blijft het VSKO
waakzaam op een transparante, eerlijke en evenwichtige toewijzing van de onderwijsbevoegdheden.
14
5.4
Specifieke lerarenopleiding
De specifieke lerarenopleiding in de centra voor volwassenenonderwijs speelt een cruciale rol in het
kwalitatief en performant opleiden van zijinstromers voor het onderwijs. Door haar flexibileit (modulaire
organisatie, systematisch inschakelen van blended learning, diversiteit van organisatievormen,
diversiteit van looptijd, brede spreiding en regionaal aanbod, avond- en weekendonderwijs, …) speelt zij
maximaal in op de leerbehoeften van de doelgroep waarbij integratie van praktijk en theorie in ieder
opleidingsonderdeel opgenomen wordt. Het VSKO pleit dan ook voor een schaalvergroting en optimale
regionale concentratie met respect voor de geldende evenwichten. Dit is noodzakelijk voor de bundeling
van expertise, het verder realiseren van duurzame vormen van specialisatie en het permanent
aanbieden van een gediversifieerd aanbod, m.a.w. het verder kwalitatief aanbieden van deze opleiding.
Dit gebeurt het best in een strategische samenwerking met de hogeschoolopleidingen en universiteiten
waarbij ieder zich ontwikkelt volgens de sterktes van zijn opleiding.
15
6
Hoger Onderwijs
6.1
Financiering: honorering van afspraken en aandacht voor praktijkgericht onderzoek
Het VSKO begrijpt dat de overheid niet het geld van de bomen kan schudden, maar in het verleden zijn
de hogescholen bij herhaling een te gemakkelijke prooi gebleken om de rekeningen van de overheid te
laten kloppen. Broodnodige indexeringen en verhogingen bleven uit ondanks het stijgend aantal
studenten en het toegenomen pakket aan extra taken en opdrachten. Daarom blijft het VSKO pleiten
voor een correcte financiële behandeling van de Vlaamse hogescholen. Op de eerste plaats betekent dat
het honoreren van de bestaande mechanismes en afspraken zoals de indexering, het kliksysteem en het
groeipad voor de professionele bachelor- en kunstenopleidingen, zoals afgesproken bij de integratie van
de academische hogeschoolopleidingen. Ten tweede zijn de hogescholen al geruime tijd vragende partij
voor meer middelen voor het praktijkgerichte onderzoek en voor hun gebouwen. De nood aan een
moderne onderwijs- en onderzoekinfrastructuur stelt zich het meest urgent.
6.2
Studentenbeleid
Het moment is aangebroken om over de rol en de verantwoordelijkheid van de student te spreken.
Daarbij moet men aandacht aan ten minste drie elementen besteden. Ten eerste moet het
onderwijsproces zijn coherente, verdiepende en integrerende vormingsaspecten behouden. Dit
betekent dat de flexibilisering niet mag leiden tot shopgedrag en onsamenhangende trajecten. De
evaluatie van de implementatielasten van de flexibilisering kan daartoe een vertrekbasis zijn. Ten
tweede heeft het weinig zin om het debat over de open toegang tot sint-juttemis te voeren. Ofwel blijft
de onbeperkte toegang wat hij is ofwel wordt op beperkte schaal geëxperimenteerd met de
ontwikkelde instrumenten. Met het uitbouwen van het HBO5 is het goed mogelijk dat de
studentenstromen verlegd zullen worden en dat de slaagcijfers in de professionele bachelors zullen
stijgen. Het handhaven van de open toegang is daarom zeker geen zwaktebod zolang het gepaard gaat
met de uitbouw van het HBO5. Een derde element dat naast de studentenoriëntering zeker in het
regeerakkoord niet mag ontbreken is de verhoging van de studiegelden tot en met het niveau van de
Franse Gemeenschap. Dit is een stijging met ongeveer 225 euro tot 835 euro – sociale correcties blijven
uiteraard noodzakelijk. Daarmee blijft het hoger onderwijs financieel toegankelijk en zijn de
hogescholen in staat hun bijdrage aan de samenleving kwaliteitsvol te garanderen.
6.3
Autonomie
Het Hogeschooldecreet van 1994 ging uit van het gezonde basisprincipe van maximale autonomie
gekoppeld aan verantwoording. In de praktijk is die autonomie sindsdien echter geleidelijk uitgehold
door allerlei bijkomende regels, een steeds uitdeinende rapporteringsplicht, afzonderlijke
beheerscontracten, afzonderlijke rapportering voor specifieke beleidsaspecten e.d.. Nieuwe decreten
zijn bovendien vaak onvoldoende doordacht, juridisch onzuiver en neigen in veel gevallen te veel naar
extra ‘regelneverij’. Ook wat betreft visitatie en kwaliteitszorg alsmede de vaak dubbel uitgevoerde
controle door allerhande instanties, hoedt de decreetgever zich om al te voortvarend nieuwe
verplichtingen op te leggen. Wanneer de Vlaamse overheid dan toch nieuwe regelgeving wenst uit te
vaardigen, moet dat op een terughoudende manier gebeuren met respect voor de vrijheid van
onderwijs in al haar facetten.
De Vlaamse overheid mag geen verdere afbreuk meer doen aan het privaatrechtelijk statuut van de vrije
hogescholen. Publiekrecht vindt geen toepassing in de contractuele relatie tussen het
hogeschoolbestuur en het personeelslid. Ten aanzien van studenten nemen de hogescholen wel
beslissingen die derden binden, maar dit gaat niet op voor de beslissingen die het hogeschoolbestuur
neemt ten aanzien van zijn personeelsleden. In dit geval treedt de hogeschool op als privaatrechtelijk
werkgever en kan zij niet als bestuursinstantie gekwalificeerd worden. De autonomie van de vrije
hogescholen moet maximaal gerespecteerd worden.
16
6.4
Personeelsstatuut
In plaats van alle ad-hoc aanpassingen aan de rechtspositieregeling van het hogescholendecreet is er
nood aan een eenduidige visie en het wegwerken van de bestaande lacunes en onduidelijkheden, dit
met respect voor het contractuele karakter van de arbeidsverhouding tussen de personeelsleden en de
vrije hogeschoolbesturen.
6.5
Een volwaardig statuut voor GECO-CODO
Het VSKO, in overleg met de andere onderwijskoepels en het GO!, vraagt een volwaardig statuut voor
de werknemers met CODO- en GECO-statuut die bij hen tewerkgesteld zijn. Ondanks de werkgroep
opgericht naar aanleiding van cao IX is de “sector” waartoe de codo’s en geco’s behoren nog altijd niet
duidelijk. De CODO- en GECO-problematiek kan enkel correct en duidelijk opgelost worden binnen
onderwijs. Dit betekent dat ze moeten opgenomen worden binnen het Decreet Rechtspositie zoals de
GECO’s die tot in 2002 in de scholen werkten.