Taalvaardigheden - Integratie

ZUURSTOF VOOR
NEDERLANDS
Taalvaardigheden
- Integratie
- UDL
Evaluaties bekijken
Digileerlijn
Taalscreenings
17-11-2014
Speeddating
 Materiaal
 Een
positieve praktijkervaring van de
voorbije maanden
 Iets gemaakt waar je trots op bent
 Goede teksten in …
 Goede luisterfragmenten
 ICT-tip
 Tips voor vermindering van de werkdruk
voor Nederlands
Geïntegreerde opdrachten
Vooraf: bedoeling van de
opdracht duidelijk maken
aan de leerlingen
Mogelijke kijkwijzer voor zelfevaluatie
INHOUD (STRUCTUREREND)
 Centrale thema/ idee is duidelijk
 Je werkt in alinea’s: een alinea per idee
 De opbouw, structuur van je tekst is goed te volgen
KORTE BEOORDELING (BEOORDELEND)
 Je persoonlijke mening is voldoende beargumenteerd.
TAALBESCHOUWING (GELINKT AAN SCHRIJVEN)
 Je hebt geen spelfouten en werkwoordsfouten gemaakt.
 Je schrijft volledige en correcte zinnen met een o en een nwg/wwg.
 Je begint niet elke zin met het onderwerp.
 Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken.
Differentiëren
inspelen op verschillen
niveau
tempo
interesse
Schrijfschema
Waar is dat feestje?
AANSPREKING: Hoe spreek ik de ontvanger aan?
INLEIDING: Waarop nodig je de ontvanger uit? Wanneer? Op welke
datum? Welk uur? Waar? Hoeveel is de toegangsprijs?
MIDDEN: Voor wie is het feestje? (Alleen voor wie de e-mail krijgt of
mogen ook vrienden meekomen?) Welk soort feestje is het? (kort vertellen
wat een LAN-party is) Is er eten op het feestje? Is er muziek? Wat wordt er
gedronken? Moet je geld meedoen? Moet je iets anders meenemen?
SLOT: Afscheid nemen van de ontvanger. Kort schrijven of ze al dan niet
moeten bevestigen en vóór welke datum dat moet. Schrijven dat je hoopt
dat hij ook van de partij zal zijn.
AFSLUITREGEL: Hoe sluit je af? Zet je naam eronder en eventueel een
telefoonnummer waarop ze je kunnen bereiken.
Spreekschema
Spreekschema
Met de iPod op stap
INLEIDING: Welkom aan de luisteraar.
Met de iPod op stap
INLEIDING
Waar bevindt de luisteraar zich? Wat is er
met het blote oog te zien?
Welkom op deze rondleiding in ...We zullen u rondleiden
langs ... U bevindt zich momenteel … U ziet … Wat u
echter niet te zien krijgt, is …
MIDDEN: Wat is de functie van die plaats?
MIDDEN: Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte, bovendien, daarnaast,
Wie werkt daar? Wat doet die persoon?
Wie komt daar vaak? Is er een korte
anekdote aan de plaats verbonden?
Waarom is het interessant voor de
luisteraar om die plaats te kennen?
Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte,
bovendien, daarnaast, daarenboven,
vervolgens, ten tweede, als laatste, dan …
daarenboven, vervolgens, ten tweede, als laatste, dan …
De plaats waar u zich bevindt, doet dienst als/ gebruiken
we voor … Daarnaast kun je hier ook … Hier werkt/ komt/
verblijft Deze plaats is interessant om … Wat je bovendien
echt moet weten, is … Het is vervolgens interessant om ….
Ik vertel je tenslotte nog een leuke anekdote/ een leuk
weetje over deze plaats: …
SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar. Kort vertellen welke interessante
SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar.
plaatsen rond dat thema nog te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook over die
plaatsen meer uitleg kunnen verkrijgen.
Kort vertellen welke plaatsen in de buurt
ook te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook
over die plaatsen meer te weten komen.
Hartelijk dank om te luisteren naar …. Hopelijk vond u het
interessant. U kunt ook …, … nog bezoeken. Als u op het
icoontje van … drukt, krijgt u … Nog een prettige …
Ik kies ervoor om verder te werken
in groep / alleen. (omcirkel)
Lessen
Lees of
beluister
waarover de
verschillende
uitzendingen
gaan en wie
de 16
geïnterviewde
jongeren zijn.
Kies welk
interview je zal
bekijken en
bespreken. Je
mag meer dan
één interview
bespreken.
OVUR
Omcirkel hieronder welke van de
titels jou het meeste aanspreken:
2.1 Industrialisering en verstedelijking
2.2 De maatschappelijke positie van de vrouw
2.3 Langere opleidingsduur
2.4 De toegenomen mobiliteit
2.5 Migratie
2.6 De opkomst van moderne communicatiemiddelen
en de taalpolitiek van de Vlaamse media
2.7 ABN-bevordering
2.8 De verandering van het sociale netwerk
3.4 Dialectverlies in West-Vlaanderen
Waarom heb je deze titel(s) omcirkeld?
Ik schat mijn leescapaciteit
(leestempo en leesbegrip) zo in:
 Vóór
het lezen van de tekst: kleur het vak in de
eerste kolom dat van toepassing is op jou.
Omcirkel het hoofdstuk in de derde kolom dat
je wil/ zal lezen.
 Na het lezen van het gekozen hoofdstuk: kleur
het vak in de tweede kolom dat van
toepassing is voor jou in verband met de tekst
die je las.
Voor het lezen van de tekst
Lees hfdst
- Ik lees vlot. Ik kan wel een stevige en moeilijke tekst aan. Ik heb geen
moeite met lange, ingewikkelde zinnen.
2.2 - 2.3
2.5 - 2.6
- Ik lees vlot. Als het echter te wetenschappelijk wordt, lukt het wel als
het onderwerp me interesseert. Anders moet ik wel wat moeite doen om
me te blijven concentreren.
- Ik lees vlot. Als het echter te wetenschappelijk wordt, moet ik veel
moeite doen om me te concentreren op de tekst.
- Ik lees vlot. Als er te veel moeilijke woorden en te lange zinnen in een
tekst staan, haak ik soms wel af. Het kost me moeite om dan door te
zetten.
- Ik lees niet zo vlot. Anderen lezen sneller dan ik. Ik onthoud wel goed
wat ik gelezen heb.
- Ik lees niet vlot. Anderen lezen sneller dan ik en ik onthoud moeilijk wat
ik gelezen heb.
- Ik heb een hekel aan lezen. Zeker als het ingewikkelde teksten zijn, haak
ik af. Ik weet na het lezen van een tekst soms helemaal niet meer wat er
in stond.
2.2 - 2.3
2.5 - 2.6
2.3 - 2.5
2.7 -3.4
2.7 - 2.3
3.4
2.7 - 2.4
2.4 - 2.8
2.1
2.8 - 2.1
Verwerk de tekst zo dat je achteraf de
essentie ervan kunt reconstrueren.
Omcirkel hoe je daarbij te werk zal gaan.








onderstrepen of markeren
een schema maken (lineair, tijdsbalk, mindmap,
losse woorden, ander: …)
aantekeningen maken tijdens het lezen
de tekst gewoon doorlezen
tekeningen maken
aantekeningen maken in de kantlijn van de tekst
achteraf in volzinnen opschrijven wat je er nog van
weet.
ander:
Ik krijg het liefste feedback op:
de visuele presentatie
 mijn spreekvaardigheid
omdat:

Joker inzetten
 Ik
zet mijn gekleurde joker in op:
intonatie, articulatie, lichaamstaal, tempo,
stemvolume, mimiek, mijn handen, structuur,
oogcontact, stopwoordjes vermijden, ander: …
 Ik
zet mijn zwarte joker in op:
intonatie, articulatie, lichaamstaal, tempo,
stemvolume, mimiek, mijn handen, structuur,
oogcontact, stopwoordjes vermijden, ander: …
Feedback spreken
Spreekt duidelijk, articuleert
goed.
Spreekt duidelijk, maar met
een paar heel opvallende
West-Vlaamse klanken.
Spreekt binnensmonds,
onduidelijk of erg dialectisch.
De interviewer stelt niet enkel
de voorbereide vragen. Hij
pikt handig in op wat in het
interview aan bod komt om
extra vragen te stellen.
De interviewer stelt weinig
vragen ter verduidelijking en
komt moeilijk los van de
voorbereide vragen.
De interviewer stelt enkel de
vragen die hij heeft
voorbereid. Hij vraagt niet
door.
De interviewer stelt
eenduidige vragen die niet
suggestief zijn.
De interviewer stelt soms
suggestieve vragen waarin hij
zelf het antwoord bijna al
geeft. OF De interviewer stelt
soms twee vragen ineens.
De interviewer is erg
suggestief in zijn vraagstelling
en geeft de antwoorden bijna
zelf. OF De interviewer stelt
vaak twee vragen ineens.
Het interview is boeiend om
naar te luisteren. Het is geen
vraag- en antwoordspel. De
geïnterviewde krijgt de ruimte
en de tijd om te vertellen.
Het interview is op bepaalde
momenten meer een vraagen antwoordspel. Bij sommige
vragen krijgt de
geïnterviewde wel de ruimte
en de tijd om te antwoorden.
De vragen komen te snel na
elkaar met telkens heel korte
antwoorden. Het is eerder
een vraag- en antwoordspel.
De lichaamstaal is open,
uitnodigend en schept
vertrouwen.
De lichaamstaal is iets te
gesloten, statisch en is niet zo
uitnodigend.
De lichaamstaal is erg
onnatuurlijk/ zenuwachtig/
gesloten.
Oogcontact is oké.
Meer oogcontact mag.
Oogcontact wordt volledig
vermeden.
Feedback visuele presentatie
Er is duidelijk over het schema/ Er werd te weinig over het
de visuele presentatie
schema / de visuele presentatie
nagedacht.
nagedacht, want het komt
rommelig over.
Het schema/ de visuele
Het schema/ de visuele
presentatie is gestructureerd,
presentatie is niet altijd even
duidelijk. (kleur, verbanden, …) gestructureerd en duidelijk.
Er werd niet over het schema/
de visuele presentatie
nagedacht. Het is een grote
chaos op het bord.
Het schema/ de visuele
presentatie biedt geen structuur:
geen kleur, geen verbanden
De opbouw van het schema/ de De opbouw van het schema/ de
visuele presentatie ondersteunt visuele presentatie komt niet
wat verteld wordt.
altijd overeen met wat verteld
wordt. Soms staat er al iets dat
nog niet is gezegd of soms wordt
het te traag aangevuld.
Het schema/ de visuele
Sommige interessante dingen
presentatie biedt voldoende
die de spreker vermeldde, vind
informatie om achteraf weer te ik niet in het schema/ de visuele
weten waarover het ging.
presentatie terug.
Het schema/ de visuele
presentatie komt helemaal niet
overeen met wat verteld wordt.
Het schema/ de visuele
presentatie is mooi, kleurrijk,
met tekeningetjes/ symbolen/
pijlen, prentjes volgens het
principe van Visual Harvesting.
Het schema/ de visuele
presentatie is slordig, weinig
aantrekkelijk.
Het schema/ de visuele
presentatie is mooi, kleurrijk en
samenhangend.
Het schema/ de visuele
presentatie is echt basic en biedt
te weinig informatie om nog te
weten wat erbij verteld werd.
SPREEKopdracht
MATERIAAL?
34
spreken - voorbereiden
35
spreken - voorbereiden
spreken - voorbereiden
Mari
De appshopper
37
Spreken – voorbereiden 2.2 en 2.3
Spreekschema
Spreekschema
Met de iPod op stap
INLEIDING: Welkom aan de luisteraar.
Met de iPod op stap
INLEIDING
Waar bevindt de luisteraar zich? Wat is er
met het blote oog te zien?
Welkom op deze rondleiding in ...We zullen u rondleiden
langs ... U bevindt zich momenteel … U ziet … Wat u
echter niet te zien krijgt, is …
MIDDEN: Wat is de functie van die plaats?
MIDDEN: Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte, bovendien, daarnaast,
Wie werkt daar? Wat doet die persoon?
Wie komt daar vaak? Is er een korte
anekdote aan de plaats verbonden?
Waarom is het interessant voor de
luisteraar om die plaats te kennen?
Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte,
bovendien, daarnaast, daarenboven,
vervolgens, ten tweede, als laatste, dan …
daarenboven, vervolgens, ten tweede, als laatste, dan …
De plaats waar u zich bevindt, doet dienst als/ gebruiken
we voor … Daarnaast kun je hier ook … Hier werkt/ komt/
verblijft Deze plaats is interessant om … Wat je bovendien
echt moet weten, is … Het is vervolgens interessant om ….
Ik vertel je tenslotte nog een leuke anekdote/ een leuk
weetje over deze plaats: …
SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar. Kort vertellen welke interessante
SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar.
plaatsen rond dat thema nog te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook over die
plaatsen meer uitleg kunnen verkrijgen.
Kort vertellen welke plaatsen in de buurt
ook te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook
over die plaatsen meer te weten komen.
Hartelijk dank om te luisteren naar …. Hopelijk vond u het
interessant. U kunt ook …, … nog bezoeken. Als u op het
icoontje van … drukt, krijgt u … Nog een prettige …
39
spreken - uitvoeren
 Wat
verwacht je van
dit boek?
 Wat zou jou
persoonlijk
interesseren over dit
thema?
 Voor wie zou dit boek
bedoeld zijn?
Oriënteren














Is de jeugd van tegenwoordig 40?
Is de jeugd van tegenwoordig anders?
Is de jeugd van tegenwoordig grenzeloos?
Is de jeugd van tegenwoordig moeilijk?
Is de jeugd van tegenwoordig rebels?
Ziet de jeugd van tegenwoordig het nog zitten?
Zijn de jongeren van tegenwoordig digital natives?
Is de jeugd van tegenwoordig mediawijs?
Is de jeugd van tegenwoordig dom?
Kan de jeugd van tegenwoordig niet meer schrijven?
Heeft de jeugd van tegenwoordig nog echte vrienden?
Gelooft de jeugd van tegenwoordig nog in de liefde?
Is de jeugd van tegenwoordig lui?
Zijn de jongeren van tegenwoordig luxebeesten?
Oriënteren
Vragen, vragen, vragen …
 Waarom
kies je voor deze titel?
 Welke vragen heb je bij de titel die je
koos?
 Welke antwoorden denk je in de tekst te
vinden?
Vaardigheden: groei - proces
 Groeiportfolio
 Vorderingsfiches
 Zelfevaluatie
 Werkpunt
laten herhalen voor
gelijkaardige opdracht
Evaluatie geëvalueerd?
Examenvragen - niveau
Kennen
Begrijpen
Toepassen
Probleem
oplossen
 Analyseren
 Synthetiseren
 Evalueren
TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM
van LEERDOELEN ROMISZOWSKI
LEERINHOUDEN
1 Feiten: concrete gebeurtenissen, personen, zaken,
toestanden, kenmerken, plaatsen, symbolen …
2 Procedures: voorschriften of stappenplan om tot de
juiste oplossing te komen (d/t-regel, algoritmen, de stappen
om een boormachine te bedienen …)
3 Begrippen: abstracte begrippen (objectiviteit),
overkoepelende concrete begrippen (meubilair, rollend
materieel), vakjargon (smeltingswarmte), schooltaal
4 Principes: wetten (natuurwetenschappen,
assimilatiewetten), veralgemeningen, als – dan-combinaties,
strategieën uitwerken (cf. de vaardigheden),
probleemoplossingsstrategieën (OVUR, denkmethodes …)
TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM
van LEERDOELEN ROMISZOWSKI
1 WETEN van
feiten en
procedures
(geheugenkenn
is =
herinneren/her
kennen)
Geef de kenmerken weer van; som op; herhaal;
duid aan; onderstreep; herken; benoem …
TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM
van LEERDOELEN ROMISZOWSKI
2 INZIEN
(inzichtelijke
kennis = )
Met eigen woorden een definitie uitleggen; de
verschillen aangeven; de gelijkenissen aangeven;
een eigen voorbeeld geven; een beschrijving van
iets/iemand kunnen geven; hoofd- en bijzaken
onderscheiden; samenvatten en structureren;
informatie die niet expliciet gegeven is uit de
context afleiden; aangeven wat niet in het rijtje
thuishoort …
TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM
van LEERDOELEN ROMISZOWSKI
3 REPRODUCTIEF
TOEPASSEN
(Vaardigheid =
iets doen met de
gegeven
informatie)
Vergelijken van 2 begrippen;
verbanden leggen; de essentie
aangeven; toepassen van de
(spelling)regels in een analoge
situatie/oefeningen; verwante
situaties of voorbeelden opnoemen;
handelen volgens opgelegde normen
(zakelijke brief) …
TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM
van LEERDOELEN ROMISZOWSKI
Analyseren van een situatie (casestudy ‘Wat zou
4 PRODUCTIEF
je doen als … zou gebeuren?’); argumenten
TOEPASSEN
vinden voor een eigen standpunt; beoordelen (bv.
van informatie
(Vaardigheid =
het geleerde
toepassen in
nieuwe
situaties)
toekenning van kinderbijslag in functie van het
inkomen); iets creatief maken (een eigen verhaal
schrijven, de planning voor een actie uitschrijven;
een elektrische leiding uitwerken voor een nieuw
gebouw; een patroon voor een jurk ontwerpen
…) …
! De leerling wordt voor een probleem geplaatst
waarbij de oplossingsstrategie niet aangereikt
wordt.
Kijkwijzer evaluaties









Welke leerplandoelen?
VH: structurerend en beoordelend niveau
VH: strategie zichtbaar? (vaardigheden)
Integratie?
Transparant? (punten per vraag, spelling:
aangegeven of je dit meeneemt in evaluatie,
eventueel checklijst met evaluatiecriteria)
Kansen tot reflectie?
Toepassing van kennis: reproductief of
productief?
Authentieke contexten
Kennis toegepast op nieuwe contexten?