Inkoop Wijkverpleging 2015

Rapportage
ActiZ onderzoek
Inkoop Wijkverpleging 2015
Voor
ActiZ, organisatie van zorgondernemers
Van
ICSB Marketing en Strategie
Drs. Yousri Mandour
Loes Wevers MSc.
Datum
27 januari 2015
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Inhoudsopgave
Samenvatting .............................................................................................................. 3
Beschouwing .............................................................................................................. 7
1.
Prestatie wijkgericht werken (segment 1) ......................................................... 9
1.1
Offreren en contracteren .................................................................................. 9
1.2
Zorgverzekeraars ........................................................................................... 11
1.3
Stellingen over de prestatie wijkgericht werken .............................................. 12
2.
Cliëntgebonden zorg (segment 2) .................................................................. 15
2.1
Offreren en contracteren van cliëntgebonden zorg ......................................... 15
2.2
Zorgverzekeraars ........................................................................................... 16
2.3
Volumekorting, tariefkorting en omzetverlies ................................................ 17
2.4
Instandhouding van beschikbaarheidsvoorzieningen ...................................... 19
2.5
Specifieke doelgroepen en specifieke zorgvormen ......................................... 21
3.
Inkoopeisen en mogelijke problemen ............................................................. 25
3.1
(On)redelijke inkoopeisen .............................................................................. 25
3.2
Verwachting problemen ................................................................................. 29
3.3
Net Promoter Score (NPS) ............................................................................... 31
Bijlage 1 - Onderzoeksverantwoording ...................................................................... 33
Evaluatie inkoop wijkverpleging 2015 ...................................................................... 33
Kenmerken respondenten ........................................................................................ 33
Bijlage 2 – WMO regio’s ............................................................................................. 35
Bijlage 3 – Verdeling respons volumekorting .............................................................. 36
Bijlage 4 – Enquête .................................................................................................... 38
Bijlage 5 – Analyse inkoopbeleid wijkverpleging 2015 ................................................. 53
Pag. 2
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Samenvatting
Dit jaar onderzocht ActiZ voor de eerste keer de Inkoop Wijkverpleging door middel van
een enquête onder haar leden. Dat de Inkoop Wijkverpleging voor een eerste keer
onderzocht is, is het gevolg van de overheveling van de extramurale verpleging en
verzorging
van
de
AWBZ
naar
de
Zorgverzekeringswet
per
2015.
De
inkoop
wijkverpleging 2015 vindt plaats door zorgverzekeraars. In 2015 wordt de wijkverpleging
‘in representatie’ ingekocht; één zorgverzekeraar verzorgt namens alle zorgverzekeraars
de zorginkoop.
De vragen uit de vragenlijst zijn voor een deel gebaseerd op de analyse van het
inkoopbeleid dat ActiZ in september 2014 heeft gemaakt (bijlage 5). Daarnaast is
gekeken naar de enquête die is uitgezet ten behoeve van de evaluatie van de
zorgcontractering
Wlz
2015.
Als
gevolg
van
het
extramuraliseren
van
verzorgingshuiscapaciteit hangt de contractering van de Wlz en de Wijkverpleging
(idealiter) immers samen.
Respons en verantwoording
163 zorgorganisaties hebben de enquête volledig ingevuld. Dit komt neer op een respons
van 47%. De resultaten in deze enquête zijn representatief op landelijk niveau.
Afhankelijk van de antwoorden van de respondent krijgt diegene een deel van de vragen
wel of juist niet te zien. Het komt daardoor geregeld voor dat het aantal respondenten (n)
per vraag afwijkend is. Hierbij merken we bovendien op dat door het toevoegen van een
weging afrondingsverschillen kunnen ontstaan. Het aantal respondenten per vraag kan
hierdoor licht afwijken, net als dat de bijbehorende percentages soms niet exact tot 100%
optellen. Alleen volledig ingevulde vragenlijsten zijn meegenomen in de uitkomsten van
dit onderzoek.
Prestatie wijkgericht werken
69% van de respondenten heeft geoffreerd voor de prestatie wijkgericht werken. 14% van
de zorgorganisaties had wel belangstelling, maar kon zich niet inschrijven, omdat de
organisatie niet aan de minimumeisen voldeed. Van de organisaties die geoffreerd
hebben, is 77% gecontracteerd voor de prestatie wijkgericht werken. Organisaties die niet
gecontracteerd zijn, geven als belangrijkste reden op dat de zorgverzekeraar de
organisatie te klein vindt.
Respondenten die wel gecontracteerd zijn voor de prestatie wijkgericht werken zijn
gemiddeld voor bijna € 280.000 een contract overeengekomen. Het totale bedrag van de
78 respondenten die deze vraag hebben beantwoord, bedraagt ruim € 21,8 miljoen. 38%
van de respondenten (33 organisaties) die een contract heeft voor de prestatie
wijkgericht
werken,
heeft
een
deel
van
de
prestatie
wijkgericht
werken
niet
gecontracteerd gekregen. Gemiddeld bedroeg het deel dat men niet gecontracteerd kreeg
ruim € 214.000 per organisatie.
Pag. 3
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Wanneer wij inzoomen op de eisen die de zorgverzekeraar stelt en kijken naar de
inhoudelijke invulling van de prestatie wijkgericht werken, stelt 39% van de respondenten
dat de zorgverzekeraar verwacht dat wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken gaan
indiceren voor cliëntgebonden zorg (segment 2). Daarnaast stelt 60% van de
zorgorganisaties dat de zorgverzekeraar verwacht dat de wijkverpleegkundigen die
wijkgericht werken (door)verwijzen naar segment 2 (cliëntgebonden zorg), de WMO of de
Wlz. 6% van de respondenten wordt door de verzekeraar verplicht om de prestatie
wijkgericht werken onder te brengen in een aparte organisatie; in 26% van de gevallen
moeten
cliënten
door
de
wijkverpleegkundige
in
segment
1
naar
rato
van
productieafspraken worden doorverwezen naar zorgaanbieders in de regio.
Een meerderheid van alle zorgorganisaties vindt dat de verdergaande opsplitsing van de
wijkverpleegkundige functie in 2 segmenten een integrale uitvoering belemmert. De
respondenten die wel gecontracteerd zijn voor de prestatie wijkgericht werken, zijn
verder in het algemeen positiever dan de respondenten die wel geoffreerd hebben, maar
hier niet voor gecontracteerd zijn. Respondenten die wel gecontracteerd zijn, verwachten
dat aanbieders die gecontracteerd zijn potentiële cliënten (ook) wijzen op het aanbod van
niet gecontracteerde organisaties. Respondenten die niet gecontracteerd zijn, kijken hier
anders tegenaan; zij verwachten vaker concurrentienadelen dan dat respondenten die wel
gecontracteerd hebben voordelen verwachten. Uit de open opmerkingen wordt duidelijk
dat het deels ook nog lastig is in te schatten hoe het systeem gaat werken; dit is
afhankelijk van hoe hier invulling aan wordt gegeven.
Cliëntgebonden zorg
Vrijwel alle zorgorganisaties (95%) hebben geoffreerd voor cliëntgebonden zorg (segment
2). Alle organisaties die offreerden, zijn gecontracteerd voor cliëntgebonden zorg. Zij zijn
vooral gecontracteerd voor persoonlijke verzorging (99%) en verpleging (98%). 62% werd
gecontracteerd voor AIV, 41% tot 43% voor oproepbare verzorging, oproepbare
verpleging en gespecialiseerde verpleging.
Zorgorganisaties staan onder druk
Zorgorganisaties worden geconfronteerd met zowel volumekortingen als tariefkortingen.
De gemiddelde volumekorting is 14,8%. De volumekortingen variëren echter sterk, van
enkele procenten tot tientallen procenten. Voor een substantieel aantal aanbieders (73
van de 144 zorgorganisaties) bedraagt deze 15% of meer. De gemiddelde tariefkorting is
6,8% voor het tarief verpleging, 9,0% voor het tarief persoonlijke verzorging en 6,3% voor
het tarief AIV. De combinatie van volumekortingen en tariefkortingen leidt tot
omzetverliezen.
Pag. 4
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Instandhouding beschikbaarheidsvoorzieningen staat onder druk
De instandhouding van de beschikbaarheidsvoorzieningen staat onder druk. Slechts 38%
van de respondenten geeft aan dat de beschikbaarheidsvoorzieningen volledig in stand
worden gehouden, terwijl 45% stelt dat dit deels het geval is. Respondenten merken op
dat er (forse) kortingen worden toegepast en dat het budget niet kostendekkend is. In de
open antwoorden wordt in dit verband regelmatig de afbouw van de Regeling
Zorginfrastructuur
genoemd.
17%
van
de
zorgorganisaties
geeft
aan
dat
de
beschikbaarheidsvoorzieningen in het geheel niet in stand worden gehouden.
Specifieke doelgroepen en specifieke zorgvormen lopen risico
In het onderzoek is navraag gedaan naar een drietal specifieke doelgroepen/zorgvormen.
Om te beginnen betreft dat de Intensieve Kindzorg. Slecht 45% van de respondenten
geeft aan dat men deze specifieke voorziening in 2015 kan continueren conform de
afspraken in 2014. 55% van de respondenten kan dit deels. Bij ketenzorg dementie geeft
minder dan de helft van de respondenten (48%) aan dat men deze voorziening kan
continueren conform de afspraken in 2014. 28% van de respondenten kan deze
voorziening deels
contracteren;
5%
kon dit
in
het
geheel
niet. 19%
van de
zorgorganisaties weet dit nog niet, zij geven aan dat er nog veel onduidelijk is over de
bekostiging. Ook de continuïteit van de (extramurale) Palliatief Terminale Thuiszorg staat
in 2015 onder druk. Iets meer dan de helft (54%) van de zorgorganisaties heeft voor 2015
afspraken kunnen maken conform 2014. 41% heeft dit deels gedaan, 5% van de
respondenten is hiervoor niet meer gecontracteerd.
Een deel van de zorgorganisaties geeft aan dat zij ten aanzien van deze specifieke
doelgroepen/zorgvormen
worden
geconfronteerd
met
tariefkortingen
en/of
een
volumekortingen.
Zorgorganisaties worden geconfronteerd met onredelijke eisen en verwachten problemen
als gevolg van de contractering wijkverpleging 2015
Een ruime meerderheid van de zorgorganisaties (65%) vindt dat de zorgverzekeraar geen
redelijke eisen hanteert bij de inkoop van de wijkverpleging. De onredelijke eisen
waarmee zorgorganisaties het meest worden geconfronteerd zijn dat de zorgverzekeraar
voortzetting van zorglevering eist die voor eigen rekening is na bereiken van het
budgetplafond en dat de zorgverzekeraar onredelijke volumekortingen oplegt. Daarnaast
worden zij geconfronteerd met de eis dat ze onvoorwaardelijk akkoord moeten gaan met
alle inkoopdocumenten en bijlagen en eist de zorgverzekeraar regelmatig dat alle
cliënten worden geherindiceerd, zonder dat hiervoor extra middelen beschikbaar worden
gesteld.
Pag. 5
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Zorgorganisaties hebben diverse acties ondernomen tegen de onredelijke eisen, zoals het
aanvragen van overleg met de zorgverzekeraar en vragen stellen in een Q&A procedure.
35% van de respondenten heeft schriftelijk de bezwaren kenbaar gemaakt. Echter, een
ruime
meerderheid
van
de
zorgorganisaties
(74%)
heeft
de
onredelijke
eisen
(noodgedwongen) geaccepteerd.
71% van de zorgorganisaties verwacht in 2015 problemen voor hun organisatie, die het
directe gevolg zijn van de contractering wijkverpleging. Zij verwachten vooral te worden
geconfronteerd met ontoereikende groeimogelijkheden en een verslechtering van de
financiële positie. Daarnaast verwachten zij geen antwoord te kunnen bieden op de
extramuralisering van verzorgingshuiscapaciteit en voorzien ze onbetaalde rekeningen
als gevolg van overproductie. Ook in de ruimte voor toelichting blijkt dat met name het
budgetplafond, gecombineerd met de extramuralisering waar geen extramuraal budget
tegenover staat, leidt tot problemen in 2015.
Pag. 6
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Beschouwing
In het voorjaar van 2014 heeft een aantal landelijke partijen 1 afspraken gemaakt over de
overheveling van de extramurale verpleging en verzorging van de AWBZ naar de Zvw per
2015 en de gewenste transformatie van de wijkverpleegkundige zorg die in het verlengde
plaats zal vinden. In het ‘Onderhandelaarsresultaat transitie verpleging en verzorging’
zijn o.a. afspraken gemaakt over een kwaliteitsagenda, een zorgvuldig overgangsregime
voor
cliënten,
het
behoud
van
beschikbaarheidsvoorzieningen,
financiële
randvoorwaarden en de wijze waarop de budgettaire taakstelling wordt doorgevoerd.
Naar aanleiding van signalen van leden en een eerste analyse van het inkoopbeleid van de
zorgverzekeraars (bijlage 5) heeft ActiZ in het najaar van 2014 reeds contact opgenomen
met de staatssecretaris. Gewezen is op de consequenties van de combinatie van volumeen tariefkortingen en op de financiering van de ketenzorg dementie die onder druk staat.
De resultaten van de evaluatie van de zorginkoop wijkverpleging zijn in lijn met de
zorgen die leden uiten, wat onder andere blijkt uit het grote aantal respondenten dat
problemen verwacht als gevolg van de inkoop wijkverpleging en de onredelijke eisen die
zij daarbij ervaren. De volgende conclusies kunnen aan de uitkomsten van dit onderzoek
verbonden worden.
Zorgorganisaties staan onder druk. Kortingen op volumes en tarieven op gespannen voet
met gemaakte afspraken uit onderhandelaarsresultaat
De overheveling van de extramurale verpleging en verzorging van de AWBZ naar de Zvw
per 2015 gaat gepaard met een taakstelling. Landelijk is er in 2015 ruim 400 miljoen
euro minder te besteden. Het zijn met name de ontoereikende groeimogelijkheden
waardoor zorgorganisaties verwachten geen antwoord te kunnen bieden op de
extramuralisering van verzorgingshuiscapaciteit die opvallen en zorgen baren. Steeds
meer mensen met complexe zorgvragen blijven langer thuis wonen, zorgorganisaties
geven aan dat de beschikbaarheid van voldoende aanbod en de kwaliteit van dit aanbod
onder druk staan.
In het onderhandelaarsresultaat hebben de landelijke partijen afgesproken om de
taakstelling –in de regel- te realiseren via het reduceren van het zorgvolume. Het
onderzoek maakt duidelijk dat er inderdaad sprake is van volumekorting; voor een
substantieel aantal aanbieders bedraagt deze meer dan 15%. Daarnaast worden
tariefkortingen doorgevoerd. De combinatie van (soms forse) volume- en tariefkortingen
veroorzaakt de druk op de budgetten en staat op gespannen voet met de landelijk
gemaakte afspraken.
1
NPCF, V&VN, ZN, VWS, BTN en ActiZ.
Pag. 7
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Continuïteit
beschikbaarheidsvoorzieningen
en
voorzieningen
voor
specifieke
doelgroepen lopen risico
In het ‘Onderhandelaarsresultaat transitie verpleging en verzorging’ is afgesproken dat
tijdens de transitiefase de beschikbaarheidsvoorzieningen worden gecontinueerd. De
resultaten
uit
deze
evaluatie
maken
duidelijk
dat
de
continuïteit
van
de
beschikbaarheidsvoorzieningen maar ten dele geborgd lijkt. Slechts 38% van de
respondenten geeft aan dat zij deze voorzieningen kunnen continueren, zij het niet altijd
kostendekkend. Vergelijkbare resultaten zien we bij de overige specifieke voorzieningen,
te weten: de intensieve kindzorg, de ketenzorg dementie en de extramurale palliatief
terminale zorg. Een deel van de zorgorganisaties stelt dat zij voor deze specifieke
doelgroepen/voorzieningen worden geconfronteerd met tariefkortingen en/of een
volumekorting.
Onevenredige inkoopmacht van zorgverzekeraars
Zorgorganisaties ervaren een onevenredig grote inkoopmacht van zorgverzekeraars. Een
ruime meerderheid vindt dat de zorgverzekeraar geen redelijke eisen hanteert bij de
inkoop van wijkverpleging. Met name het gegeven dat de zorgverzekeraar voortzetting
van zorgverlening eist voor eigen rekening na het bereiken van het budgetplafond en de
onredelijke volumekortingen scoren hoog. Ook het feit dat men onvoorwaardelijk
akkoord moet gaan met alle inkoopdocumenten en de eis van de verzekeraar om alle
cliënten te herindiceren zonder dat hiervoor extra middelen beschikbaar worden gesteld,
worden vaak genoemd.
Opsplitsing wijkverpleegkundige functie in twee segmenten lijkt nog niet van de baan
Het opsplitsen van de wijkverpleegkundige functie in twee segmenten heeft in 2014
landelijk tot veel discussie geleid. ActiZ hecht aan een integrale uitvoering van de
wijkverpleegkundige functie; integraliteit is noodzakelijk om een samenhangend aanbod
voor cliënten in de thuissituatie mogelijk te maken. Ook dit onderzoek laat zien dat een
meerderheid van de zorgorganisaties vindt dat een verdergaande opsplitsing van de
wijkverpleegkundige functie in twee segmenten een integrale uitvoering belemmert. Het
lijkt er op dat zorgaanbieders hier in de praktijk echter wel mee te maken krijgen. Zo
wordt van wijkverpleegkundigen die werkzaam zijn in ‘S1’ verwacht dat zij indiceren voor
cliëntgebonden zorg (60%); in een aantal gevallen verwacht de verzekeraar van de
zorgorganisaties dat deze de wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken onderbrengen
in een aparte organisatie. Ook dit verhoudt zich slecht met de landelijke afspraken die
zijn gemaakt.
Pag. 8
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
1.
Prestatie wijkgericht werken (segment 1)
Het bekostigingsmodel voor de wijkverpleging bestaat in 2015 uit 2 segmenten. In
segment 1, dat centraal staat in dit hoofdstuk, wordt het ‘wijkgericht werken’ bekostigd.
De activiteiten die vallen binnen de prestatie wijkgericht werken zijn niet direct te
koppelen aan een individueel zorgtraject van een patiënt. De activiteiten zijn te
kenschetsen als het verbinden van het medische en sociale domein waarbij signaleren,
regisseren en coördineren de kern vormen2.
1.1
Offreren en contracteren
69% van de respondenten (113 organisaties) heeft voor 2015 geoffreerd voor de prestatie
wijkgericht werken. 14% had hiervoor wel belangstelling, maar kon zich niet inschrijven
omdat de organisatie niet aan de minimumeisen voldeed. 17% van de zorgorganisaties
heeft niet geoffreerd voor de prestatie wijkgericht werken, bijvoorbeeld omdat zij te klein
zijn of ze dit type zorg niet leveren. Sommige organisaties participeren in een
coöperatieve vereniging of geven aan dat een collega-instelling dit aanbiedt. Enkele
citaten die dit illustreren, geven we onderstaand weer:
 “Niet haalbaar voor ons als relatief kleine, gespecialiseerde en vooral intramurale
instelling.”
 “S1 is niet onze corebusiness.”
 “Wij een te kleine organisatie zijn.”
 “We deze zorg niet leveren.”
 “Dit was niet mogelijk, er is een coöperatieve vereniging in oprichting.”
 “Binnen ons samenwerkingsverband wordt dit product door een collega instelling
aangeboden.”
 “Wij hiervoor niet in aanmerking kwamen.”
Figuur 1.1 – Geoffreerd (n=163) en gecontracteerd (n=113) voor wijkgericht werken
2
De exacte omschrijving van de prestaties is te vinden in de NZa beleidsregel BR/CU – 7107.
Pag. 9
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
113 organisaties hebben geoffreerd voor de prestatie wijkgericht werken. 77% van hen
(87 organisaties) is voor 2015 gecontracteerd. De overige 23% van hen is niet
gecontracteerd. De belangrijkste reden hiervoor is dat de zorgorganisatie te klein is,
zoals ook blijkt uit onderstaande voorbeelden. Daarnaast was dit soms te wijten aan de
prijs-kwaliteitverhouding.






“Er een andere zorgaanbieder is gecontracteerd voor onze regio.”
“Alleen gegund aan grote aanbieder(s).”
“Dit per regio aan 1 (d.w.z. de grootste) aanbieder is gegund.”
“Er slechts twee grote aanbieders zijn gecontracteerd. Wij zijn een lokale partij.
We hebben gezamenlijk aangevraagd, maar ook dat is niet gehonoreerd, terwijl
wel werd aangegeven dat het in samenwerkingsverband kon.”
“Gunning aan andere zorgaanbieder, die de hele regio bestrijkt.”
“Prijs-kwaliteit van ons aanbod zou onvoldoende zijn in vergelijking met overig
aanbod.”
Respondenten die gecontracteerd zijn voor de prestatie wijkgericht werken zijn
gemiddeld voor bijna € 280.000 een contract overeengekomen. Het totale bedrag van de
78 respondenten die deze vraag hebben beantwoord, bedraagt ruim € 21,8 miljoen.
Van de 87 organisaties die gecontracteerd zijn voor de prestatie wijkgericht werken in
2015, geeft 38% (33 organisaties) aan dat zij een deel van de prestatie wijkgericht werken
waarvoor zij offreerden, niet gecontracteerd hebben gekregen. 20 van de 33
respondenten die een deel van het geoffreerde aanbod niet gehonoreerd kregen, konden
gemiddeld voor ruim € 214.000 niet contracteren. Dit telt voor hen op tot bijna € 4,2
miljoen. De overige 13 zorgorganisaties geven aan dat zij niet het volledige bedrag dat
zij geoffreerd hebben konden afspreken, maar bij hen is niet bekend hoe groot het
bedrag is waarvoor zij geen afspraken hebben gerealiseerd.
De 33 organisaties die slechts een deel van de prestatie wijkgericht werken
gecontracteerd kregen, merken hierbij vooral op dat het aan een andere partij is
toegewezen. Daarnaast merken ze op dat ze niet alle wijken hebben gekregen waarvoor
ze geoffreerd hadden of dat groei niet wordt gehonoreerd. Bij diverse organisaties is niet
duidelijk wat de reden is voor de afwijzing.







“Aan een ander toegekend.”
“Aantal gemeenten is gegund aan andere partijen.”
“Omdat zorgkantoor bewust spreidt.”
“Niet in alle wijken S1 is ingekocht.”
“Dat is vaak niet duidelijk. Onvoldoende gezicht in de wijk kan een reden zijn.”
“Onduidelijke afwijzing.”
“Groei vanaf 2014 wordt niet gehonoreerd.”
Pag. 10
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
1.2
Zorgverzekeraars
87 respondenten hebben afspraken gemaakt3 met een (van de) zorgverzekeraar(s) over
de prestatie wijkgericht werken. 11 van hen hebben afspraken gemaakt met meer dan 1
zorgverzekeraar. Derhalve komen we op een respons van 107 respondenten; de verdeling
over de diverse verzekeraars is opgenomen in figuur 1.2.
Zorgverzekeraars
Aantal
Percentage
Achmea
38
35%
CZ
15
14%
Menzis
11
10%
VGZ
25
24%
Overige concessiehouders
18
17%
De Friesland
DSW
ENO
Zorg en Zekerheid
6
2
1
9
5%
2%
1%
8%
107
100%




Totaal
Figuur 1.2 – Afspraken gemaakt over prestatie wijkgericht werken naar zorgverzekeraars
Aan respondenten is gevraagd in welke WMO-regio zij wijkgericht werken aanbieden.
Vanwege het grote aantal regio’s, is het volledige overzicht te vinden in bijlage 2.
Geconstateerd
kan
worden
dat
in
het
merendeel
van
de
gevallen
meerdere
zorgaanbieders per WMO regio actief zijn.
3
In de vragenlijst is gevraagd met welke zorgverzekeraars de zorgaanbieders hebben onderhandeld, zie
vraag 7 van bijlage 3.
Pag. 11
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
1.3
Stellingen over de prestatie wijkgericht werken
Aan respondenten die gecontracteerd zijn voor de prestatie wijkgericht werken, zijn
diverse stellingen voorgelegd. De resultaten zijn opgenomen in figuur 1.3.
39%
van
de
respondenten
stelt
dat
de
zorgverzekeraar
verwacht
dat
wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken gaan indiceren voor cliëntgebonden zorg
(segment 2). Daarnaast stelt 60% van de zorgorganisaties dat de zorgverzekeraar
verwacht dat de wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken (door)verwijzen naar
segment 2 (cliëntgebonden zorg), de WMO of de Wlz. 6% van de respondenten wordt
door de verzekeraar verplicht om wijkgericht werken onder te brengen in een aparte
organisatie.
In de ruimte voor open opmerkingen geven diverse respondenten aan dat er nog veel
onduidelijk is:


“De gunning is binnen en de details worden nog uitgewerkt, daarom nog niet
glashelder hoe WV wordt gepositioneerd.”
“Het is eigenlijk behoorlijk onduidelijk wat er nu echt wordt verwacht van de
zorgaanbieder.”
De overige opmerkingen van zorgorganisaties lopen uiteen.
Figuur 1.3 – Stellingen: De zorgverzekeraar verwacht van mij…
Aan alle zorgorganisaties die geoffreerd hebben voor de prestatie wijkgericht werken,
zijn enkele stellingen voorgelegd. We maken onderscheid tussen respondenten die wél
gecontracteerd zijn (n=107) en respondenten die wel offreerden, maar niet konden
contracteren (n=26). Hierbij merken we op dat de laatste groep te klein is om
representatief te zijn, deze resultaten zijn daarom enkel richtinggevend. Het contrast
tussen beide groepen is groot, zoals te zien is in figuur 1.4.
Pag. 12
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Stellingen over prestatie wijkgericht
Geoffreerd en
werken
gecontracteerd
Eens
Niet gecontracteerd, wel
geoffreerd
Oneens
Weet
Eens
Oneens
niet
Weet
niet
Het onderscheid tussen de
werkzaamheden in segment 1 en de
werkzaamheden in segment 2 is voor mij
77%
22%
1%
75%
18%
7%
33%
57%
10%
9%
91%
0%
75%
11%
14%
39%
21%
40%
61%
27%
12%
32%
68%
0%
55%
9%
36%
duidelijk
Ik vind het een goed idee om bij de
zorgcontractering een onderscheid te
maken tussen segment 1 en segment 2
Ik verwacht dat aanbieders die
gecontracteerd zijn voor de prestatie
wijkgericht werken potentiële cliënten
(ook) wijzen op het aanbod van
organisaties die niet gecontracteerd zijn
voor segment 1
Ik vind het een goed idee dat slechts een
beperkt aantal aanbieders wordt
gecontracteerd voor de prestatie
wijkgericht werken
Ik verwacht dat ik cliënten misloop
doordat ik niet ben gecontracteerd voor
de prestatie wijkgericht werken
Ik verwacht concurrentievoordelen/
-nadelen omdat ik wel/niet ben
gecontracteerd voor de prestatie
38%
42%
21%
70%
13%
17%
58%
26%
16%
76%
18%
6%
36%
41%
24%
51%
21%
28%
88%
0%
12%
56%
0%
44%
wijkgericht werken
De verdergaande opsplitsing van de
wijkverpleegkundige functie in 2
segmenten belemmert een integrale
uitvoering en is daarom ongewenst
Ik verwacht dat er mini CIZ-jes ontstaan
in buurten en wijken
Volgend jaar opteer ik weer voor een
contract voor de prestatie wijkgericht
werken
Figuur 1.4 – Stellingen over de prestatie wijkgericht werken
Gecontracteerd: n=107
Wel geoffreerd, niet gecontracteerd: n=26 (niet representatief)
Pag. 13
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Over de stelling ‘het onderscheid tussen de werkzaamheden in segment 1 en segment 2
is mij duidelijk’ zijn beide groepen zorgorganisaties het in grote mate eens. Ook met de
stelling ‘de verdergaande opsplitsing van de wijkverpleegkundige functie in 2 segmenten
belemmert een integrale uitvoering is daarom ongewenst’ is ruim de helft van de
respondenten het eens, waarbij opvalt dat respondenten die niet gecontracteerd zijn het
vaker eens zijn met de stelling dan respondenten die wel gecontracteerd zijn. Het
merendeel van de respondenten opteert volgend jaar weer voor een contract voor de
prestatie wijkgericht werken, waarbij we opmerken dat de respondenten die wel
gecontracteerd zijn dit aanmerkelijk vaker aangeven dan de respondenten die niet
gecontracteerd zijn.
Met de stelling ‘ik verwacht dat aanbieders die gecontracteerd zijn voor de prestatie
wijkgericht werken potentiële cliënten (ook) wijzen op het aanbod van organisaties die
niet gecontracteerd zijn voor segment 1’ zijn de zorgorganisaties die gecontracteerd
hebben het in grote mate eens (75%), terwijl dit aandeel bij de respondenten die niet
gecontracteerd hebben kleiner is (39%). Een meerderheid van de zorgorganisaties die zijn
gecontracteerd (61%) vindt het een goed idee dat slechts een beperkt aantal aanbieders
wordt gecontracteerd, terwijl 68% van de respondenten uit de groep die niet kon
contracteren het hiermee oneens is.
Zorgorganisaties die niet konden contracteren voor segment 1, vinden het geen goed
idee om bij de zorgcontractering een onderscheid te maken tussen segment 1 en 2. Bij
de zorgorganisaties die wel konden contracteren, zijn de meningen meer verdeeld.
Respondenten die niet gecontracteerd zijn, verwachten vaker concurrentienadelen dan
dat respondenten die wel gecontracteerd hebben voordelen verwachten.
In de open opmerkingen gaan zorgorganisaties dieper in op de diverse stellingen.
Daarnaast merken zij echter op dat het lastig in te schatten is hoe het systeem gaat
werken:


“Of het goed gaat werken is vooral afhankelijk van de mensen die er invulling aan
gaan geven (en een gemeente die dit hoort te faciliteren…).”
“Het is nog onduidelijk hoe de rol van de wijkverpleegkundige in segment 1 eruit
gaat zien. Gemeenten hebben hierover verschillende opvattingen (van uitvoeren
van wijkverpleging tot breed indiceren tot de uitspraak: ‘Laat alle aanvragen voor
wijkverpleging toch via de sociale wijkteams verlopen’ […].”
Pag. 14
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
2.
Cliëntgebonden zorg (segment 2)
Het bekostigingsmodel voor de wijkverpleging bestaat in 2015 uit 2 segmenten. In dit
hoofdstuk staat segment 2, namelijk de cliëntgebonden zorg, centraal. Het gaat om de
prestaties persoonlijke verzorging, oproepbare verzorging, verpleging, oproepbare
verpleging, gespecialiseerde verpleging en AIV (Advies, instructie en voorlichting) 4. Alle
respondenten die hebben gecontracteerd voor segment 1 (prestatie wijkgericht werken),
zijn ook gecontracteerd voor segment 2 (cliëntgebonden zorg).
2.1
Offreren en contracteren van cliëntgebonden zorg
Vrijwel alle zorgorganisaties (98%) hebben in 2014 productieafspraken gemaakt voor de
extramurale functies AWBZ verpleging en verzorging.
Van
de
163
zorgorganisaties,
heeft
95%
(155
organisaties)
geoffreerd
voor
cliëntgebonden zorg (segment 2). Slechts 3% van de zorgorganisaties heeft niet
geoffreerd. 2% had wel belangstelling, maar kon zich niet inschrijven omdat de
organisatie niet aan de minimumeisen voldeed. Alle 155 zorgorganisaties die geoffreerd
hebben voor cliëntgebonden zorg, hebben dit ook daadwerkelijk gecontracteerd
gekregen.
Figuur 2.1 – Geoffreerd (n=163) en gecontracteerd (n=155) voor cliëntgebonden zorg
4
De exacte omschrijving van de prestaties is te vinden in de NZa beleidsregel BR/CU – 7107.
Pag. 15
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
De 155 zorgorganisaties zijn vooral gecontracteerd voor persoonlijke verzorging en voor
verpleging. Voor oproepbare verzorging, oproepbare verpleging en gespecialiseerde
verpleging is minder dan de helft van de zorgorganisaties gecontracteerd.
Figuur 2.2 – Bent u voor 2015 gecontracteerd voor…? (n=155)
2.2
Zorgverzekeraars
155 respondenten zijn gecontracteerd voor cliëntgebonden zorg (segment 2) voor 2015.
Een deel van de respondenten heeft met meerdere zorgverzekeraars productieafspraken
gemaakt, derhalve komen we op een respons van 180 respondenten. De verdeling over
de diverse zorgverzekeraars is opgenomen in figuur 2.3. Het grootste deel van de
zorgorganisaties heeft afspraken gemaakt met Achmea (30%), gevolgd door CZ (25%) en
VGZ (23%).
Zorgverzekeraars
Aantal
Percentage
Achmea
54
30%
CZ
45
25%
Menzis
20
11%
VGZ
41
23%
Overige concessiehouders
19
11%
De Friesland
DSW
ENO
Zorg en Zekerheid
7
2
1
10
4%
1%
0%
6%
180
100%




Totaal
Figuur 2.3 – Afspraken gemaakt over cliëntgebonden zorg naar zorgverzekeraars
Pag. 16
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
2.3
Volumekorting, tariefkorting en omzetverlies
De overheveling van de verpleging en de verzorging van de AWBZ naar de Zvw in 2015
gaat gepaard met een taakstelling. Aan respondenten is gevraagd in hoeverre de
contractering van de cliëntgebonden zorg (segment 2) voor 2015 bij hen heeft geleid tot
een korting op het volume (2.3.1) en/of op het tarief (2.3.2).
2.3.1
Volumekorting
De volumekorting waarmee zorgorganisaties te maken hebben gaat uitsluitend om
cliënten met een extramurale indicatie. Cliënten met een intramurale indicatie (indicatie
voor verblijf) die deze indicatie omzetten in functies en klassen in het kader van
overbruggingszorg, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten.
Een ruime meerderheid van de respondenten (80%, 144) heeft te maken met een korting
op het volume. Bij 20% van de zorgorganisaties (36) is dit niet het geval. Sommige
respondenten geven aan dat zij zelf konden kiezen voor een volumekorting danwel een
tariefkorting.
De
volumekorting
varieert
sterk,
van
enkele
procenten tot tientallen procenten. 73 van de 144
zorgorganisaties
hebben
te
maken
van
een
volumekorting van 15% of meer; soms bedraagt
deze zelfs meer dan 40%. De respons van deze
‘outliers’
gecontroleerd
(afwijkende
en
blijken
antwoorden)
correct;
als
zijn
gevolg
daarvan zijn ze in de respons behouden. Een
overzicht van de verdeling is te zien in de hiernaast
opgenomen figuur. Voor meer informatie, zie
bijlage 3.
De
gemiddelde
volumekorting
is
14,83%.
Deze
varieert
tussen
de
diverse
zorgverzekeraars, waarbij de korting het hoogst is voor VGZ en het laagst bij Achmea.
Zorgverzekeraars
Percentage
Achmea
11,0%
CZ
15,9%
Menzis
15,0%
VGZ
16,9%
Overige concessiehouders
16,2%
Gemiddelde volumekorting
14,8%
Figuur 2.4 – Volumekorting naar zorgverzekeraars
Pag. 17
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
2.3.2
Tariefkorting
Zorgorganisaties worden naast een volumekorting vaak geconfronteerd met een
tariefkorting. De tariefkorting is het hoogst voor persoonlijke verzorging (9%). Voor het
tarief verpleging is de gemiddelde tariefkorting 6,8% en voor AIV is dit 6,3%. Een volledig
overzicht is opgenomen in tabel 2.5. In de laatste kolom van figuur 2.5 wordt het aandeel
respondenten waarvoor de tariefkorting niet van toepassing was, bijvoorbeeld omdat zij
dit type zorg niet leveren, weergegeven.
Wanneer we een uitsplitsing van de resultaten maken naar de diverse zorgverzekeraars
(tabel 2.6), zijn de resultaten enkel indicatief, vanwege de beperkte respons per
zorgverzekeraar. De tariefkortingen zijn het hoogst in het werkgebied van Menzis.
Tariefkorting
Korting op het NZa-
Niet van
maximumtarief
toepassing/
geen korting
Tarief verpleging
6,8%
6%
Tarief persoonlijke verzorging
9,0%
2%
Tarief AIV
6,3%
40%
Figuur 2.5 – Tariefkorting op het NZa-maximumtarief
Zorgverzekeraars
Tariefkorting
Tariefkorting
verpleging
persoonlijke
Tariefkorting AIV
verzorging
Achmea
6,6%
8,3%
6,5%
CZ
6,1%
9,7%
5,3%
Menzis
8,9%
9,8%
7,0%
VGZ
6,7%
8,7%
6,6%
Overige concessiehouders
6,9%
9,5%
7,0%
Gemiddelde tariefkorting
6,8%
9,0%
6,3%
Figuur 2.6 – Tariefkorting naar zorgverzekeraars (indicatief)
Pag. 18
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
2.4
Instandhouding van beschikbaarheidsvoorzieningen
Aan respondenten is gevraagd of hun organisatie in 2014 voorzieningen aanbood die
kunnen worden aangemerkt als beschikbaarheidsvoorzieningen. Meer informatie over de
beschikbaarheidsvoorzieningen treft u aan in het kader op de volgende pagina. 57% van
de respondenten (103) bood in 2014 voorzieningen aan die konden worden aangemerkt
als beschikbaarheidsvoorzieningen, de overige 43% deed dit niet.
Het resultaat van de contractering wijkverpleging 2015 is dat 45% van de respondenten
de beschikbaarheidsvoorzieningen deels kan continueren. 38% kan dat helemaal, terwijl
17% dit in het geheel niet kon.
Figuur 2.8 – Beschikbaarheidsvoorzieningen in 2014 en 2015
Respondenten die aangeven dat zij de beschikbaarheidsvoorzieningen helemaal kunnen
continueren, merken wel op dat dit niet altijd kostendekkend is:



“Ja, doch niet meer kostendekkend.”
“Ja, maar niet met een duidelijke en dekkende financiering.”
“Wij consumeren wel, maar deels zonder vergoeding.”
Zorgorganisaties die de beschikbaarheidsvoorzieningen deels kunnen continueren, geven
aan dat zij gekort worden en dat de vergoeding onvoldoende is:






“Het budget is gekort met ruim 30% ten opzichte van 2014.”
“Financiering product ‘telezorg’ (dat t/m 2014 deels gefinancierd wordt uit
zorginfrastructuur is onzeker.”
“In lijn met 2014 is het budget dat beschikbaar is, niet voldoende voor het
kostendekkend continueren. Wij zullen de voorzieningen wel blijven voortzetten.”
“Mbt de zorginfrastructuur is de subsidieregeling hiervoor nog niet gereed.”
“Over zorginfrastructuurmiddelen is nog onduidelijkheid.”
“We moeten bezuinigen op de Meld Zorg Centrale.”
Pag. 19
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Respondenten die de beschikbaarheidsvoorzieningen niet kunnen voortzetten, geven
vooral aan dit aan andere zorgorganisaties is toegekend.






“Deze is toegekend aan twee grote organisaties in de regio.”
“Geen ruimte voor afspraken voor beschikbaarheidsvoorzieningen. Dit terwijl wij
deze wel leveren.”
“We hadden die afspraak niet, maar we leveren wel.”
“Beschikbaarheidsvoorziening wordt wel geboden, maar geen productieafspraken
voor PV/VP extra kunnen maken.”
“Wij bieden alarmering en opvolging, maar al in 2014 was dit niet gecontracteerd
(werd aan andere aanbieder gegund). Wij deden dit echter zelf en blijven dit doen
voor onze eigen cliënten en bekostigen dit zelf.”
“Dit is al jaren een strijdpunt met [zorgverzekeraar]. Vrijwel elk jaar moeten we
aantonen wat het de organisatie kost om deze voorziening te hebben. Daarnaast
zijn we de enige die deze afspraak heeft kunnen maken voor de gehele […]-regio.
De vergoeding is een schijntje van de werkelijke kosten en de wijze van
declareren al helemaal. Maak er gewoon een product voor aan met een bedrag!”
In het ‘Onderhandelaarsresultaat transitie verpleging en verzorging’ zijn afspraken
gemaakt over beschikbaarheidsvoorzieningen. Letterlijk staat hier: ‘op dit moment zijn
er zorgorganisaties die voorzieningen realiseren zoals onplanbare zorg of nachtzorg,
veelal op regionaal niveau. Tijdens de transitiefase worden de door deze organisaties
gecreëerde basisvoorzieningen, gecontinueerd […]’.
De voorziening voor ongeplande zorg bestaat uit mensen en (zorg)infrastructuur. Met
zorginfrastructuur
worden
de
logistieke
systemen
bedoeld.
Hiervan
zijn
er
verschillende voorbeelden. Een zorgcentrale en het 24 uur bemand telefoonnummer
waar mensen met een zorgvraag of de mantelzorgers terecht kunnen, waar
verpleegkundige triage plaatsvindt en indien nodig geregeld kan worden dat binnen
een halfuur een verpleegkundige ter plaatse is. Ook gaat het bijvoorbeeld om medische
bereikbaarheid en medische beschikbaarheid. Of om allerlei vormen van online
communicatie, monitoring en domotica waarmee zorg op afstand mogelijk wordt. Wat
ook onder de voorziening valt is de werkkracht die beschikbaar wordt gesteld voor het
organiseren van netwerken, waardoor veel van de zorg in het relatief dure ziekenhuis
kan worden verplaatst naar de goedkopere eerste lijn.
Beschikbaarheidsvoorzieningen
(men
spreekt
ook
over:
basisvoorzieningen,
infrastructurele voorzieningen of systeemvoorzieningen) worden vormgegeven met
behulp van verschillende financieringsstromen. Deels zijn dit de (huidige) prestaties
‘extra’, deels betreft dit een bedrag waarover zorgkantoren en aanbieders afspraken
maken tijdens de inkoop en deels wordt deze voorziening gefinancierd uit de marges
van de tarieven.
Pag. 20
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
2.5
Specifieke doelgroepen en specifieke zorgvormen
In het inkoopbeleid onderscheidt een aantal zorgverzekeraars specifieke doelgroepen
en/of specifieke vraagvormen. Een korte toelichting per doelgroep en zorgvorm nemen
we steeds op in een kader.
Intensieve Kindzorg
Intensieve Kindzorg (IKZ)
Vanaf 1 januari 2015 valt de Intensieve Kindzorg (IKZ) onder de aanspraak
wijkverpleging. Het betreft zorg waarbij sprake is van complexe somatische
problematiek en/of een lichamelijke handicap. Er is behoefte aan permanent toezicht of
er moet 24 uur per dag zorg in de nabijheid beschikbaar zijn, omdat de zorg gepaard
gaat met één of meer specifieke verpleegkundige handelingen. Zie hierover ook het
ledenbericht.
11% van de zorgorganisaties bood in 2014 Intensieve Kindzorg aan. 45% van hen kon
voor 2015 afspraken maken conform 2014, een meerderheid (55%) kon deze afspraken
deels maken.
Figuur 2.9 – Intensieve kindzorg in 2014 en resultaat contracteren Intensieve Kindzorg
Pag. 21
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Ketenzorg Dementie
84% van de zorgorganisaties leverde in 2014 (een bijdrage aan) Ketenzorg Dementie, 16%
leverde hier geen bijdrage aan. Minder dan de helft van de zorgorganisaties stelt dat de
keten(s) dementie in hun regio gecontinueerd worden conform 2014. Volgens 28% is dit
deels het geval. 5% van de respondenten stelt dat deze keten(s) in het geheel niet
gecontinueerd worden. 19% van de respondenten weet dit niet.
Figuur 2.10 – Ketenzorg dementie in 2014 (n=180) en resultaat continuering keten(s)
dementie in de regio (n=151)
Zorgorganisaties die aangeven dat de keten(s) dementie geheel gecontinueerd kunnen
worden, merken onder andere op dat zij wel worden geconfronteerd met hogere
administratieve lasten of dat zij niet alles kunnen contracteren wat ze bieden:



“In 2015 wordt in het kader van alle ontwikkelingen onderzocht op welke wijze en
in welke vorm de huidige keten kan en moet blijven bestaan.”
“Omdat het individuele casemanagement per verzekeraar gefactureerd moet
worden, levert dit wel extra administratieve lasten op, wat ten koste gaat van het
bedrag beschikbaar voor de daadwerkelijke ketenzorg.”
“Probleem is echter wel dat wij in een aantal ketens nog niet toegelaten waren
voor casemanagement (terwijl wij het feitelijk wel leveren), en dat voor 2015
opnieuw niet worden, omdat alleen met bestaande partijen verder gegaan wordt.”
Pag. 22
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Respondenten die de keten(s) deels kunnen continueren, geven aan dat dit nog onzeker
is of dat ze gekort worden:




“Alleen projectleiding wordt nog bekostigd, de casemanagers niet meer.
Hulpverlening moet gefinancierd worden uit het reguliere budget, dat 10% gekort
is.”
“Er is hier ook een korting toegepast in volume.”
“Het budget is gehalveerd ten opzichte van 2014.”
“Nog onzeker of gecontinueerd kan worden.”
Een deel van de zorgorganisaties stelt dat de keten(s) dementie niet gecontinueerd
worden:


“Wordt voortgezet op basis van noodzaak, niet op basis van contractering.”
“[Zorgverzekeraar] vindt casemanagers dementie onderdeel van wijkverpleging.
Afbouw keten gaat zeer abrupt. Zorgverzekeraar en gemeenten laten dit beide
lopen. Enkel budget voor zachte landing en afbouw.”
De respondenten die nog niet weten of de keten(s) dementie worde gecontinueerd, geven
aan dat dit nog niet bekend is:




“Moet nog over worden gesproken.”
“Nog niet bekend.”
“Nog niet duidelijk waar financiering keten dementie vandaan komt. Zonder
financiering leveren wij geen casemanager meer.”
“Ik weet op dit moment niet of de keten doorgaat. Ik vermoed dat die in
afgeslankte vorm voorlopig wel wordt voortgezet. Wij hebben onze deelname als
gevolg van de bezuinigingen moeten staken. Onze casemanager dementie
hebben we helaas per 1/1/2015 moeten ontslaan.”
Pag. 23
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
(Extramurale) Palliatief Terminale Thuiszorg
Ruim de helft van de zorgorganisaties (55%) bood in 2014 (extramurale) Palliatief
Terminale Thuiszorg. Een meerderheid van de zorgorganisaties (54%) kan in 2015
(extramurale) Palliatief Terminale Thuiszorg aanbieden conform 2014. 41% kan dit deels,
de overige 5% kan dit niet.
De respondenten die aangeven dat (extramurale) Palliatief Terminale Thuiszorg deels kan
worden voortgezet, worden voornamelijk geconfronteerd met een korting:




“Door volume- en tariefkorting is het niveau 2014 niet mogelijk.”
“Flinke volumekorting.”
“Hoge doelmatigheid, toch een korting.”
“Voor palliatief terminale zorg is ook de volumekorting van toepassing!”
Figuur 2.11 – (Extramurale) Palliatief Terminale Thuiszorg in 2014 (n=180) en resultaat
contractering aanbod in 2015 (n=99)
Pag. 24
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
3.
Inkoopeisen en mogelijke problemen
3.1
(On)redelijke inkoopeisen
Een ruime meerderheid van de zorgorganisaties (65%, 107 organisaties) vindt dat de
zorgverzekeraar geen redelijke eisen hanteert bij de inkoop van de wijkverpleging. 35%
vindt dat de zorgverzekeraar bij de inkoop wijkverpleging wel redelijke eisen hanteert.
De belangrijkste onredelijke eisen (figuur 3.1) zijn dat de zorgverzekeraar eist dat
voortzetting van zorglevering voor eigen rekening is na het bereiken van het
productieplafond en dat de zorgverzekeraar onredelijke volumekortingen oplegt.
Daarnaast stelt 65% dat de zorgverzekeraar eist dat aanbieders onvoorwaardelijk akkoord
gaan met alle inkoopdocumenten en bijlagen en dat de zorgverzekeraar eist dat alle
cliënten worden geherindiceerd zonder dat hiervoor extra middelen beschikbaar worden
gesteld.
29% van de respondenten stelt dat het beleid van de zorgverzekeraar een verzwaring van
administratieve lasten veroorzaakt. Enkele voorbeelden die zij hierbij geven, zijn:






“Aparte verantwoordingen in Excel.”
“Diverse in te dienen monitorsjablonen leidt tot extra administratieve last bij
wijkverpleegkundigen en bij administratieve afdelingen.”
“Dubbele registratie.”
“Gesplitste inkoop, verantwoording, declaratie.”
“Indiceren, facturering, verzwaring op de AOIC.”
“Meer en afzonderlijke declaratieberichten, zonder dat er al protocollen voor
bekend zijn.”
Onder de andere onredelijke eisen verstaan zorgorganisaties bijvoorbeeld een korting op
de tarieven en dat de kosten van het werkkapitaal niet worden vergoed.




“Kosten van werkkapitaal worden niet vergoed en zitten ook niet in tarief.”
“Zwaardere eisen aan deskundigheidsniveaus tegen lagere tarieven.”
“Is niet bereid te praten c.q. onderhandelen over een hoger tarief dan in 2014
(terwijl aantoonbaar de kosten per cliënt door inspanningen gedaald zijn). En is
niet bereid tegemoet te komen aan de kosten van het aanhouden van extra
werkkapitaal (bijv. via geëigende en passende ‘bevoorschotting’/‘vooruitbetaling’
i.c.m. zeer snelle betaling van facturen) danwel een rentevergoeding in het tarief
op te nemen.”
“Er wordt geen rekening gehouden met groei door vergrijzing en extramuralisatie,
er wordt fors afgeweken van het landelijk transitie-akkoord.”
Pag. 25
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Figuur 3.1 – Onredelijke eisen (n=107)
Pag. 26
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Zorgorganisaties merken in de ruimte voor toelichting op dat zij fors worden gekort
en/of dat het regiobudget ontoereikend is, waardoor zij financieel risico lopen. Ook gaan
zorgverzekeraars ervan uit dat een deel van de cliënten gaat naar de Wlz, WMO of Zvw,
wat risico’s oplevert voor de zorgaanbieders.






“Korting op tarieven waar al zuinig werd gewerkt en vrijwilligers worden ingezet.”
“De zorginhoudelijke indicatoren zijn nooit bedoeld geweest voor
inkoopdoeleinden, maar wel zo gebruikt door de zorgverzekeraar.”
“Zeer rigide en arrogante benadering in het gehele proces. Je mag niet met de
mensen van de verzekeraar praten, er is niets onderhandelbaar en als je bezwaar
maakt zeggen ze dat het plafond misschien het plafond niet is, maar daar kan je
toch niet op sturen. Voor hetzelfde geld is het plafond wel het plafond. De indruk
bestaat dat ze geld achterhouden.”
“De zorgverzekeraar heeft niet gekort op het volume voor wijkverpleging, maar
waarschuwt voor het risico dat het regiobudget ontoereikend is. Er is dus geen
zekerheid over het volume in 2015 en het risico ligt volledig bij de
zorgaanbieders. Wordt terughoudendheid in het honoreren van zorgvragen
(maatschappelijke verantwoordelijkheid) gestraft en ‘u vraagt, wij draaien’
beloond?”
“[…] De zorgverzekeraar kwam ook met een niet-controleerbare berekening van
het overgangsrecht die bij de AWBZ/Wlz voor 80% is gehonoreerd, de overige 20%
(cliënten die volgens de zorgverzekeraar in 2015 zullen kiezen voor Zvw/WMO)
werd niet bij het budgetplafond voor de Zvw opgeplust!”
“Zorgkantoor verlangt forse extramuralisering en afbouw van plaatsen (want
teveel plaatsen in hun ogen), terwijl de zorg die hierdoor extramuraal méér moet
worden geleverd door de zorgverzekeraar(s) niet wordt ingekocht.”
Pag. 27
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Zorgorganisaties zijn op verschillende manieren omgegaan met de onredelijke eisen
waarmee zij geconfronteerd worden. Ruim de helft van de zorgorganisaties heeft overleg
aangevraagd met de zorgverzekeraar. Daarnaast heeft bijna de helft vragen gesteld,
bijvoorbeeld in een Q&A procedure. 35% van de organisaties maakte de bezwaren
schriftelijk kenbaar. Diverse zorgorganisaties merken bij ‘anders’ op dat zij de
onredelijke eisen bij ActiZ hebben aangekaart. Ondanks de diverse acties valt echter op
dat 74% van de zorgorganisaties de onredelijke eisen (noodgedwongen) accepteerde.
Figuur 3.2 – Omgaan met onredelijke eisen (n=107)
Pag. 28
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
3.2
Verwachting problemen
71% van de zorgorganisaties verwacht problemen voor hun organisatie die het directe
gevolg zijn van de contractering wijkverpleging in 2015. 29% van de zorgorganisaties
verwacht geen problemen als direct gevolg van de contractering wijkverpleging.
Zorgorganisaties die problemen voor hun organisatie voorzien, benoemen hierbij vooral
ontoereikende groeimogelijkheden (76%), een verslechtering van de financiële positie
(69%)
en
geen
antwoord
kunnen
bieden
op
de
extramuralisering
van
verzorgingshuiscapaciteit (67%). Daarnaast verwacht 62% onbetaalde rekeningen als
gevolg van overproductie boven het productieplafond en voorziet 57% verschraling en
kwaliteitsverlies van zorg. Een volledig overzicht is te zien in figuur 3.3.
Figuur 3.3 – Verwachting problemen in 2015
Pag. 29
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
In de ruimte voor toelichting merken zorgorganisaties voornamelijk op dat het
budgetplafond problemen oplevert. Daarnaast levert de extramuralisering waarvoor geen
budget beschikbaar is voor diverse zorgorganisaties problemen op.






“Al jaren is er een budgetplafond, terwijl de zorg toeneemt, zowel in aantal
cliënten als huidige cliënten met een zwaardere zorg. Deze cliënten kun je niet
doorsturen naar een andere zorgaanbieder als je het plafond hebt bereikt. We
leveren al twee jaar ‘gratis’ zorg na bereiken van het budgetplafond.”
“Duidelijk is dat er meer geld nodig is voor deze functie. Na berekening van het
verwachte gemaximeerde budget kunnen wij feitelijk geen nieuwe cliënten
aannemen en na de eerste helft van het jaar rond augustus/september geen zorg
meer verlenen. Dit als wij het budgetplafond na zouden leven.”
“Het ontbreken van een herschikkingsmogelijkheid, de lagere volumeafspraken
en tariefkortingen leiden tot een afnemend budget. Ook de productmixafspraken
versterken de afname van het budget.”
“Extramuralisering van verzorgingshuisplaatsen, waar geen extramuraal budget
tegenover staat. Het aantal ouderen in ons dorp neemt fors toe, maar ons
extramurale budget neemt alleen maar af.”
“Verhuur appartementen (extramuralisering)
gaat
goed,
maar door
productieplafond extramurale zorg stoppen we hiermee noodgedwongen.”
“Onder- of overschrijding tussen aanbieders onderling wordt in principe niet
gecorrigeerd. Daarnaast vinden er in principe geen correcties plaats over de
domeinen heen. Cliënten met een ZZP-indicatie die de keuze maken voor
Zvw/WMO zorgen ervoor dat er ruimte in het overgangsrecht Wlz achterblijft,
terwijl de druk op het krappe budget in de Zvw en de WMO alsmaar toeneemt.
[...]”
Pag. 30
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
3.3
Net Promoter Score (NPS)
Verzekerden kunnen hun eigen zorgverzekeraar kiezen. Aan zorgorganisaties is
gevraagd in hoeverre zij de zorgverzekeraar(s) met wie zij te maken hebben, zouden
aanbevelen op een schaal van 0 tot 10, waarbij 0 = zeer waarschijnlijk niet en 10 = zeer
waarschijnlijk wel. De score wordt uitgedrukt in de NPS (Net Promoter Score). De NPS
meet de aanbevelingsgeneigdheid en wordt vaak gebruikt om inzicht te krijgen in
loyaliteit.
De NPS berekenen we door de antwoorden van zorgorganisaties in te delen in 3 groepen:

0 t/m 6: critici

7 of 8: neutralen

9 of 10: fans
Het percentage critici wordt afgetrokken van het percentage fans, om de Net Promoter
Score (NPS) te bepalen. Een gemiddeld bedrijf in Amerika scoort minder dan +10 op de
NPS, in Nederland is een positieve score (0 of groter) al relatief goed te noemen.
De Net Promoter Score die zorgorganisaties geven aan de zorgverzekeraars waarmee zij
te maken hebben, bedraagt gemiddeld -50. Het percentage critici is met 52% relatief
hoog, terwijl het percentage fans gering is (2%). Bij het aandeel critici moeten we
opmerken dat 39 respondenten een 6 geven en 30 respondenten een 5, het aantal
respondenten dat een diepe onvoldoende geeft is gering.
Net Promoter Score
Aantal
Percentage
Critici (0 t/m 6)
85
52%
Neutralen (7 of 8)
74
45%
4
2%
Fans (9 of 10)
NPS
-50
Figuur 3.4 – Net Promoter Score (n=163)
Pag. 31
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
De
Net
Promoter
Score
is
ook
berekend
per
zorgverzekeraar.
De
aanbevelingsgeneigdheid van respondenten die met meerdere verzekeraars afspraken
maken, voor segment 1 en of segment 2, is voor al deze verzekeraars meegenomen. We
zien dat de NPS het laagst is voor CZ en Menzis. Voor de overige zorgverzekeraars is
deze het hoogst, al is deze nog steeds sterk negatief.
Net Promoter Score
Achmea
CZ
Menzis
VGZ
Overige
verzekeraars
Aantal
55
48
22
42
19
Critici (0 t/m 6)
53%
67%
68%
45%
26%
Neutralen (7 of 8)
44%
31%
27%
52%
68%
4%
2%
5%
2%
5%
-49
-65
-63
-43
-21
Fans (9 of 10)
NPS
Figuur 3.5 – Net Promoter Score naar zorgverzekeraar
Diverse respondenten merken wel op dat het lastig is een score te geven, omdat zij
verwachten dat de verschillen tussen zorgverzekeraars gering zijn of omdat de
zorgorganisaties geen inzicht in de verschillen tussen verzekeraars hebben:





“Heb niet de indruk/illusie dat de ene zorgverzekeraar significant beter is dan de
andere.”
“Wij denken dat alle zorgverzekeraars met hetzelfde problemen te maken hebben,
namelijk veel minder budget te verdelen dan in voorgaande jaren. Daarbij komt
nog dat er door het overgangsrecht te weinig inzicht in de te leveren zorg in
2015 is, waardoor ze niet al het beschikbare budget durven in te zetten.”
“Ik denk dat het niet alleen aan de verzekeraars ligt; ik verwacht dat ze allemaal
extra ‘sloten op de deur’ hebben gezet, uit angst voor hun eigen financiële
positie.”
“Ik denk dat er weinig verschil zit in de eisen van de zorgverzekeraars. Of je nu
door de hond of door de kat gebeten wordt…”
“Wij gaan niet over deze keuze door verzekerden! Maar ook hebben wij geen
totaalbeeld van de plussen en minnen op dit item bij de verschillende
verzekeraars.”
Pag. 32
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Bijlage 1 - Onderzoeksverantwoording
Evaluatie inkoop wijkverpleging 2015
Dit jaar onderzocht ActiZ voor het eerst de Inkoop Wijkverpleging door middel van een
enquête onder haar leden. De voorliggende rapportage heeft betrekking op 2015.
In de periode van 25 november 2014 tot en met 1 januari 2015 was de vragenlijst over
de Inkoop Wijkverpleging 2015 beschikbaar voor de leden van ActiZ. In totaal hebben
163 zorgorganisaties deelgenomen aan het onderzoek. Dit komt neer op een respons van
47%. Hierdoor beschikken we landelijk over een representatief beeld over de inkoop
wijkverpleging. In tabel 0.1 vindt u een overzicht van de respons.
Aantal benaderde respondenten en respons
Percentage
Aantal benaderde zorgorganisaties
344
Aantal deelnemende zorgorganisaties
163
Responspercentage
47%
Tabel 0.1 – Respons op onderzoek naar zorgcontractering
Het aantal antwoorden per vraag kan verschillen. Dit heeft diverse redenen:

De vragen die respondenten krijgen voorgelegd zijn afhankelijk van eerdere
antwoorden, zodoende krijgen niet alle respondenten alle vragen voorgelegd.

Een deel van de respondenten maakt afspraken met meerdere zorgverzekeraars
en wordt zodoende meermaals meegenomen.
Kenmerken respondenten
De meeste deelnemende zorgorganisaties hebben een totale jaaromzet van de gehele
organisatie tussen de € 10 en € 100 miljoen. Een overzicht van de jaaromzetten
(ongewogen) is te zien in tabel 0.2.
Totale jaaromzet
Aantal
Percentage
Minder dan € 10 miljoen
34
21%
Tussen € 10 en € 40 miljoen
49
30%
Tussen € 40 en € 100 miljoen
51
31%
Meer dan € 100 miljoen
29
18%
163
100%
Totaal
Tabel 0.2 – Verdeling naar totale jaaromzet zorgorganisatie
Ongewogen
Pag. 33
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Ten opzichte van het ledenbestand van ActiZ zijn de respondenten met een
organisatieomzet die kleiner is dan € 10 miljoen, ondervertegenwoordigd in de respons.
Dit is zichtbaar wanneer we de kolom ‘respons’ (de daadwerkelijke respons) en de
verwachte respons berekend op basis van de omvang van de organisaties in het
ledenbestand van ActiZ vergelijken. Om een representatief beeld te geven, wordt in deze
rapportage een weging toegepast bij de analyse van de respons.
Totale jaaromzet
Respons
Verwachte
Wegingsfactor
respons
Minder dan € 10 miljoen
34
60
1,76
Tussen € 10 en € 40 miljoen
49
46
0,94
Tussen € 40 en € 100 miljoen
51
38
0,75
Meer dan € 100 miljoen
29
19
0,66
163
163
100%
Totaal
Tabel 0.3 – Wegingsfactor ten behoeve van de representativiteit
Pag. 34
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Bijlage 2 – WMO regio’s
Aan respondenten is gevraagd in welke WMO-regio(‘s) zij wijkgericht werken aanbieden.
Het resultaat staat onderstaand weergegeven, waarbij de regio’s op alfabetische volgorde
staan.
Pag. 35
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Bijlage 3 – Verdeling respons volumekorting
De volumekorting die respondenten aangeven voor segment 2, varieert sterk.
Onderstaand zijn 2 figuren opgenomen, waarin de verdeling van de respons is
opgenomen. We merken hierbij op dat er enkel outliers (afwijkende antwoorden) te zien
zijn. De antwoorden van deze respondenten zijn gecontroleerd en blijken juist zijn. Als
gevolg daarvan, zijn ze niet verwijderd.
Figuur 3a – Histogram verdeling volumekorting segment 2
Pag. 36
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Figuur 3b – Boxplot verdeling volumekorting segment 2
Het boxplot geeft de extreme waarden aan met een * en de uitbijters (outliers) met een o.
We zien dat de waarden vanaf 38% outliers zijn, de waarden vanaf 60% zijn extremen. Na
een controle van deze antwoorden, bleken deze wel correct te zijn. Zodoende zijn deze
antwoorden behouden in de respons.
Pag. 37
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Bijlage 4 – Enquête
Vragenlijst
consequenties
inkoop
wijkverpleging
2015
in
relatie
tot
afspraken
Onderhandelingsresultaat
Vraag 1
Wat
is
de
totale
jaaromzet
(som
der
bedrijfsopbrengsten)
van
de
gehele
zorgorganisatie/concern?
O
Jaaromzet kleiner dan € 10 miljoen
O
Jaaromzet tussen de € 10 en € 40 miljoen
O
Jaaromzet tussen de € 40 en € 100 miljoen
O
Jaaromzet groter dan € 100 miljoen
De vragen 2 tot en met 12 hebben betrekking op de prestatie wijkgericht werken
(segment 1).
Toelichting bekostigingsmodel in 2015
Het bekostigingsmodel voor de wijkverpleging bestaat in 2015 uit twee segmenten. In
segment 1 wordt het ‘wijkgericht werken’ bekostigd. ‘De activiteiten die vallen binnen
de prestatie wijkgericht werken zijn niet direct te koppelen aan een individueel
zorgtraject van een patiënt. De activiteiten zijn kenschetsen als het verbinden van het
medische en sociale domein waarbij signaleren, regisseren en coördineren de kern
vormen.’
Segment 2 betreft cliëntgebonden zorg. Het gaat om de prestaties: persoonlijke
verzorging,
oproepbare
verzorging,
verpleging,
oproepbare
verpleging,
gespecialiseerde verpleging en AIV (Advies, instructie en voorlichting).
De exacte omschrijving van de prestaties vindt u in de NZa beleidsregel BR/CU – 7107.
Vraag 2
Heeft u voor 2015 geoffreerd (actief belangstelling getoond/zich ingeschreven) voor de
prestatie wijkgericht werken (segment 1)?
O
Ja
O
Nee, omdat … (ga door naar vraag 13)
O
Ik had wel belangstelling, maar kon mij niet inschrijven, omdat ik niet aan de
minimumeisen voldeed (ga door naar vraag 13)
Pag. 38
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 3
Bent u voor 2015 gecontracteerd voor de prestatie wijkgericht werken (segment 1)?
O
Ja
O
Nee, omdat … (ga door naar vraag 12)
Toelichting:
Het kan zijn dat u voor 2015 gecontracteerd bent voor de prestatie wijkgericht werken
(segment 1), maar dat u niet alles gegund heeft gekregen, waarvoor u geoffreerd heeft.
Vraag 5 en 6 gaan straks over het deel van de prestatie wijkgericht werken dat u
eventueel niet gecontracteerd heeft gekregen, terwijl u hier wel voor geoffreerd heeft.
Vraag 4
Wat is de omvang van het totaalbudget waarvoor u in 2015 een overeenkomst/contract
bent overeengekomen voor de prestatie wijkgericht werken (segment 1)?
… euro
Vraag 5
Heeft u een deel van de prestatie wijkgericht werken niet gecontracteerd gekregen terwijl
u hier wel voor geoffreerd heeft?
O
Nee (ga door naar vraag 7)
O
Ja, omdat …
Vraag 6
Wat is de omvang van het totaalbudget wijkgericht werken dat u niet gecontracteerd
heeft gekregen?
… euro
Vraag 7
Met welk(e) zorgverzekeraar (1e representant niet-toewijsbare zorg) heeft u de
onderhandelingen over de prestatie wijkgericht werken (segment 1) voor 2015 gevoerd?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Achmea

CZ

De Friesland

DSW

ENO

Menzis

VGZ

Zorg en Zekerheid
Pag. 39
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 8
In welke WMO-regio biedt u wijkgericht werken aan?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Achterhoek

Alblasserwaard-Vijfheerenlanden

Amsterdam

Drechtsteden

Drenthe

Eemland

Flevoland

Food Valley

Friesland

Gooi- en Vechtstreek

Groningen

Haarlemmermeer

Hoeksche Waard

Holland Rijnland

IJsselland

Kop van Noord-Holland

Lekstroom

Midden-Brabant

Midden-Holland

Midden-IJssel/Oost-Veluwe

Midden-Kennemerland (IJmond)

Midden-Limburg

Noord-Limburg

Noord-Oost Brabant

Noord-Veluwe

Peelregio

Regio Alkmaar/Noord-Kennemerland

Regio Arnhem

Regio Nijmegen

Rivierenland

Stadsregio Haaglanden

Stadsregio Rijnmond

Twente

Utrecht-Stad

Utrecht-West

West-Brabant

West-Friesland

Zaanstreek-Waterland

Zeeland

Zuid-Kennemerland

Zuid-Limburg

Zuid-Oost Brabant

Zuid-Oost Utrecht
Pag. 40
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 9
Wij leggen de volgende stellingen met betrekking tot de prestatie wijkgericht werken
(segment 1) aan u voor.
De zorgverzekeraar verwacht van mij:
Waar
dat ik wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken
Niet waar
Weet niet
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
onderbreng in een aparte organisatie
dat de wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken
(door)verwijzen naar segment 2 (cliëntgebonden
zorg), de WMO of de Wlz
dat wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken
gaan
indiceren
voor
cliëntgebonden
zorg
(segment 2)
dat wijkverpleegkundigen die wijkgericht werken
cliënten
naar
rato
van
productieafspraken
doorverwijzen naar zorgaanbieders in de regio
Ruimte voor toelichting bij vraag 9: …
Pag. 41
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 10
Wij leggen de volgende stellingen met betrekking tot de prestatie wijkgericht werken
(segment 1) aan u voor.
Stelling
Mee eens
Niet mee
Weet niet
eens
Het onderscheid tussen de werkzaamheden in
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
segment 1 (prestatie wijkgericht werken) en de
werkzaamheden in segment 2 (overige prestaties) is
voor mij duidelijk.
Ik
vind
het
een
goed
idee
om
bij
de
zorgcontractering een onderscheid te maken tussen
segment
1
(prestatie
wijkgericht
werken)
en
segment 2 (overige prestaties).
Ik verwacht dat aanbieders die gecontracteerd zijn
voor de prestatie wijkgericht werken (segment 1)
potentiële cliënten (ook) wijzen op het aanbod dat
organisaties bieden die niet gecontracteerd zijn
voor segment 1.
Ik vind het een goed idee dat slechts een beperkt
aantal aanbieders wordt gecontracteerd voor de
prestatie wijkgericht werken (segment 1).
Ik verwacht concurrentievoordelen omdat ik ben
gecontracteerd voor de prestatie wijkgericht werken
(segment 1).
De
verdergaande
opsplitsing
van
de
wijkverpleegkundige functie in twee segmenten
belemmert een integrale uitvoering en is daarom
ongewenst.
Ik verwacht dat er mini CIZ-jes ontstaan in buurten
en wijken.
Volgend jaar opteer ik weer voor een contract voor
de prestatie wijkgericht werken (segment 1).
Ruimte voor toelichting bij vraag 10: …
Vraag 11
Bent u voor 2015 ook gecontracteerd voor een aanbod uit segment 2?
O
Ja (ga door naar vraag 13)
O
Nee, omdat (ga door naar vraag 13)
Pag. 42
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 12
[Vraag 12 is alleen voor diegenen die wel geoffreerd hebben voor segment 1, maar hier
niet voor gecontracteerd zijn.]
Wij leggen de volgende stellingen met betrekking tot de prestatie wijkgericht werken
(segment 1) aan u voor.
Stelling
Mee eens
Niet mee
Weet niet
eens
Het onderscheid tussen de werkzaamheden in
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
segment 1 (prestatie wijkgericht werken) en de
werkzaamheden in segment 2 (overige prestaties) is
voor mij duidelijk.
Ik
vind
het
een
goed
idee
om
bij
de
zorgcontractering een onderscheid te maken tussen
segment
1
(prestatie
wijkgericht
werken)
en
segment 2 (overige prestaties).
Ik verwacht dat aanbieders die (wel) gecontracteerd
zijn voor de prestatie wijkgericht werken (segment
1) potentiële cliënten wijzen op het aanbod dat mijn
organisatie biedt.
Ik vind het een goed idee dat slechts een beperkt
aantal aanbieders wordt gecontracteerd voor de
prestatie wijkgericht werken (segment 1).
Ik verwacht dat ik cliënten misloop doordat ik niet
ben gecontracteerd voor de prestatie wijkgericht
werken (segment 1).
Ik verwacht concurrentienadelen omdat ik niet ben
gecontracteerd voor de prestatie wijkgericht werken
(segment 1).
De
verdergaande
opsplitsing
van
de
wijkverpleegkundige functie in twee segmenten
belemmert een integrale uitvoering en is daarom
ongewenst.
Ik verwacht dat er mini CIZ-jes ontstaan in buurten
en wijken.
Volgend jaar opteer ik weer voor een contract voor
de prestatie wijkgericht werken (segment 1).
Ruimte voor toelichting bij vraag 12: …
Pag. 43
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
De vragen 13 tot en met 22 hebben betrekking op cliëntgebonden zorg (segment 2).
Toelichting bekostigingsmodel in 2015
Het bekostigingsmodel voor de wijkverpleging bestaat in 2015 uit twee segmenten. In
segment 1 wordt ‘wijkgericht werken’ bekostigd. Segment 2 betreft cliëntgebonden
zorg. Het gaat om de prestaties: persoonlijke verzorging, oproepbare verzorging,
verpleging, oproepbare verpleging, gespecialiseerde verpleging en AIV (Advies,
instructie en voorlichting).
De exacte omschrijving van de prestaties vindt u in de NZa beleidsregel BR/CU – 7107.
Vraag 13
[Let op: deze vraag gaat over 2014]
Heeft u in 2014 productieafspraken gemaakt voor de extramurale functies AWBZ
verpleging en persoonlijke verzorging?
O
Ja
O
Nee
Vraag 14
Heeft u voor 2015 geoffreerd (actief belangstelling getoond/zich ingeschreven) voor
cliëntgebonden zorg (segment 2)?
O
Ja
O
Nee, omdat … (ga naar vraag 23)
O
Ik had wel belangstelling, maar kon mij niet inschrijven, omdat ik niet aan de
minimumeisen voldeed (ga naar vraag 23)
Vraag 15
Bent u voor 2015 gecontracteerd voor cliëntgebonden zorg (segment 2)?
O
Ja
O
Nee, omdat … (ga door naar vraag 23)
Vraag 16
Bent u voor 2015 gecontracteerd voor:
Ja
Nee
Persoonlijke verzorging
O
O
Oproepbare verzorging
O
O
Verpleging
O
O
Oproepbare verpleging
O
O
Gespecialiseerde verpleging
O
O
AIV (Advies, instructie en voorlichting)
O
O
Pag. 44
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 17
Met
welk(e)
zorgverzekeraar
(1e
representant
toewijsbare
zorg)
heeft
u
de
onderhandelingen over de cliëntgebonden zorg (segment 2) voor 2015 gevoerd? Het gaat
om de verzekeraar met wie u de meest omvangrijke productieafspraken heeft gemaakt.
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Achmea

CZ

De Friesland

DSW

ENO

Menzis

VGZ

Zorg en Zekerheid
Vraag 18
De overheveling van de verpleging en de verzorging van de AWBZ naar de Zvw in 2015
gaat gepaard met een taakstelling. Heeft de contractering van de cliëntgebonden zorg
(segment 2) voor 2015 bij u geleid tot een korting op het volume?
O
Ja
O
Nee (ga naar vraag 20)
Toelichting
Het gaat uitsluitend om cliënten met een extramurale indicatie. Cliënten met een
intramurale indicatie (indicatie voor verblijf) die deze indicatie omzetten in functies en
klassen in het kader van overbruggingszorg bij deze vraag niet meenemen.
Vraag 19
Hoeveel procent heeft deze korting op het volume in 2015 (afgezet ten opzichte van het
volume
extramurale
verpleging
en
persoonlijke
verzorging
–
niet
zijnde
overbruggingszorg – na de herschikking 2014)?
…%
Pag. 45
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 20
Heeft de contractering van de cliëntgebonden zorg (segment 2) voor 2015 bij u geleid tot
een korting op de tarieven?
O
Ja
O
Nee (ga naar vraag 23)
Toelichting
Het gaat uitsluitend om cliënten met een extramurale indicatie verpleging en
persoonlijke verzorging. Cliënten met een intramurale indicatie (indicatie voor verblijf)
die deze indicatie omzetten in functies en klassen (bijvoorbeeld in het kader van
overbruggingszorg) bij deze vraag niet meenemen.
Vraag 21
Hoeveel procent betreft deze gemiddelde korting op de tarieven, afgezet ten opzichte
van het maximum NZa-tarief?
…% op het tarief verpleging
…% op het tarief persoonlijke verzorging
…% op het tarief AIV
Vraag 22
Wat is het totale omzetverlies voor uw organisatie wanneer u uw omzet extramurale
verpleging en persoonlijke verzorging – niet zijnde overbruggingszorg – na de
herschikking 2014 vergelijkt met de productieafspraken cliëntgebonden zorg (segment 2)
in 2015?
Dit betreft een bedrag van € …
In totaal is dat …% van mijn totale omzet extramurale verpleging en verzorging (niet
zijnde overbruggingszorg) in 2014.
Toelichting
Het gaat uitsluitend om cliënten met een extramurale indicatie verpleging en
persoonlijke verzorging. Cliënten met een intramurale indicatie (indicatie voor verblijf)
die deze indicatie omzetten in functies en klassen (bijvoorbeeld in het kader van
overbruggingszorg) bij deze vraag niet meenemen.
Pag. 46
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
De
vragen
23
en
24
hebben
betrekking
op
de
instandhouding
van
beschikbaarheidsvoorzieningen
Toelichting
In het ‘Onderhandelaarsresultaat transitie en verzorging’ zijn afspraken gemaakt over
Letterlijk staat hier: ‘op dit moment zijn er
zorgorganisaties die voorzieningen realiseren zoals onplanbare zorg of nachtzorg, veelal op
regionaal niveau. Tijdens de transitiefase worden de door deze organisaties gecreëerde
basisvoorzieningen, gecontinueerd […]’.
beschikbaarheidsvoorzieningen.
De voorziening voor ongeplande zorg bestaat uit mensen en (zorg)infrastructuur. Met
zorginfrastructuur worden de logistieke systemen bedoeld. Hiervan zijn verschillende
voorbeelden. Een zorgcentrale en het 24 uur bemand telefoonnummer waar mensen met
een zorgvraag of de mantelzorgers terecht kunnen, waar verpleegkundige triage plaatsvindt
en indien nodig geregeld kan worden dat binnen een half uur een verpleegkundige ter
plaatse is. Ook gaat het bijvoorbeeld om medische bereikbaarheid en medische
beschikbaarheid. Of om allerlei vormen van online communicatie, monitoring en domotica
waarmee zorg op afstand mogelijk wordt. Wat ook onder de voorziening valt is de
werkkracht die beschikbaar wordt gesteld voor het organiseren van netwerken, waardoor
veel van de zorg in het relatief dure ziekenhuis kan worden verplaatst naar de goedkopere
eerste lijn.
Beschikbaarheidsvoorziening (men spreekt ook over: basisvoorzieningen, infrastructurele
voorzieningen of systeemvoorzieningen) worden vormgegeven met behulp van verschillende
financieringsstromen. Deels zijn dit de (huidige) prestaties ‘extra’, deels betreft dit een
bedrag waarover zorgkantoren en aanbieders afspraken maken tijdens de inkoop en deels
wordt deze voorziening gefinancierd uit de marges van de tarieven.
Vraag 23
Biedt uw organisatie in 2014 voorzieningen aan die kunnen worden aangemerkt als
beschikbaarheidsvoorzieningen?
O
Ja
O
Nee (ga door naar vraag 25)
Vraag 24
Is
het
resultaat
van
de
contractering
wijkverpleging
2015
dat
u
de
beschikbaarheidsvoorzieningen conform de afspraken uit het ‘Onderhandelaarsresultaat
transitie verpleging en verzorging’ in 2015 kunt continueren?
O
Ja, helemaal
O
Deels
O
Nee, in het geheel niet
Ruimte voor toelichting bij vraag 24: …
Pag. 47
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
De vragen 25 tot en met 30 hebben betrekking op specifieke doelgroepen en/of
specifieke zorgvormen
Toelichting
In het inkoopbeleid onderscheidt een aantal zorgverzekeraars specifieke doelgroepen en/of
specifieke zorgvormen. De vragen 25 tot en met 30 gaan hierover.
Vraag 25
Biedt uw organisatie in 2014 Intensieve Kindzorg aan?
O
Ja
O
Nee (ga naar vraag 27)
Toelichting
Vanaf 1 januari 2015 valt de Intensieve Kindzorg (IKZ) onder de aanspraak wijkverpleging.
Het betreft zorg waarbij sprake is van complexe somatische problematiek en/of een
lichamelijke handicap. Er is behoefte aan permanent toezicht of er moet 24 uur per dag
zorg in de nabijheid beschikbaar zijn omdat de zorg gepaard gaat met één of meer
specifieke verpleegkundige handelingen. Zie ook het ledenbericht.
Vraag 26
Is het resultaat van de contractering wijkverpleging 2015 dat u ook in 2015 Intensieve
Kindzorg kunt aanbieden?
O
Ja, conform in 2014
O
Deels
O
Nee, in het geheel niet
Ruimte voor toelichting bij vraag 26: …
Pag. 48
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 27
Levert uw organisatie in 2014 (een bijdrage aan) Ketenzorg Dementie?
O
Ja
O
Nee (ga naar vraag 29)
Vraag 28
Is het resultaat van de contractering wijkverpleging 2015 dat de keten(s) dementie in uw
regio gecontinueerd worden?
O
Ja, conform in 2014
O
Deels
O
Nee, in het geheel niet
O
Weet ik niet
Ruimte voor toelichting bij vraag 28: …
Vraag 29
Biedt uw organisatie in 2014 (extramurale) Palliatief Terminale Thuiszorg?
O
Ja
O
Nee (ga naar vraag 31)
Vraag 30
Is het resultaat van de contractering wijkverpleging 2015 dat u ook in 2015 (extramurale)
Palliatief Terminale Thuiszorg kunt aanbieden?
O
Ja, conform in 2014
O
Deels
O
Nee, in het geheel niet
Ruimte voor toelichting bij vraag 30: …
Pag. 49
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
De vragen 31 tot en met 34 gaan over inkoopeisen en mogelijke problemen.
Vraag 31
Bent u van mening dat de zorgverzekeraar voor 2015 redelijke eisen hanteert bij de
inkoop van de wijkverpleging?
O
Ja (ga naar vraag 33)
O
Nee
De zorgverzekeraar hanteert de volgende onredelijke eisen:
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

De zorgverzekeraar eist dat aanbieders onvoorwaardelijk akkoord gaan met alle
inkoopdocumenten en bijlagen.

De zorgverzekeraar gebruikt de landelijke resultaten van de kwaliteitsbeoordeling
(zorginhoudelijke indicatoren en de CQ-index) op een onredelijke manier.

De zorgverzekeraar eist voortzetting van de zorglevering voor eigen rekening na
het bereiken van het budgetplafond.

De zorgverzekeraar hanteert een verbod op het ontstaan van wachtlijsten.

De zorgverzekeraar eist dat alle cliënten worden geherindiceerd zonder dat
hiervoor extra middelen beschikbaar worden gesteld.

De zorgverzekeraar eist dat er verpleegkundigen op niveau 5 in dienst zijn, daar
waar deze functionarissen als gevolg van arbeidsmarktvraagstukken niet
beschikbaar zijn.

De zorgverzekeraar hanteert (minimum)eisen die niet meer te beïnvloeden zijn.

De zorgverzekeraar hanteert termijnen die onredelijk zijn.

Het inkoopproces van de zorgverzekeraar is niet transparant.

De zorgverzekeraar legt onredelijke tariefkortingen op.

De zorgverzekeraar legt onredelijke volumekortingen op.

Het beleid van de zorgverzekeraar veroorzaakt verzwaring van administratieve
lasten, namelijk: …

Anderszins, namelijk: …
Ruimte voor toelichting bij vraag 31: …
Vraag 32
Hoe bent u omgegaan met deze onredelijke eisen?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Vragen gesteld, bijvoorbeeld in een Q&A procedure.

Overleg aangevraagd met de zorgverzekeraar.

Schriftelijk bezwaren kenbaar gemaakt.

Publiciteit gezocht/media ingeschakeld.

(Noodgedwongen) geaccepteerd.

Een voorbehoud gemaakt bij de contractering.

Anders, namelijk …
Pag. 50
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 33
Verwacht u eventuele problemen voor uw organisatie die het directe gevolg zijn van de
contractering wijkverpleging in het jaar 2015?
O
Ik verwacht geen problemen in 2015 (ga naar vraag 34)
O
Ik verwacht wel problemen in 2015
De problemen die ik in 2015 verwacht, zijn:
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Een gefragmenteerde uitvoering van de functie wijkverpleging

Geen of onvoldoende keuzevrijheid van klanten

Verschraling en kwaliteitsverlies van zorg

Ontoereikende groeimogelijkheden

Geen
antwoord
kunnen
bieden
op
de
extramuralisering
van
verzorgingshuiscapaciteit

Verslechtering financiële positie

Liquiditeitsproblemen

Rem op innovatie

Onbetaalde rekeningen als gevolg van overproductie boven productieplafond

Wachtlijsten

Ontslag van medewerkers

Een mogelijk faillissement van mijn organisatie

Anderszins, namelijk …
Ruimte voor toelichting bij vraag 33: …
Vraag 34
Verzekerden kiezen hun eigen zorgverzekeraar. Zou u de zorgverzekeraar(s) met wie u te
maken heeft aanbevelen?
O
0 (zeer waarschijnlijk niet)
O
1
O
2
O
3
O
4
O
5
O
6
O
7
O
8
O
9
O
10 (zeer waarschijnlijk wel)
Ruimte voor toelichting bij vraag 34: …
Pag. 51
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Vraag 35
Kan ActiZ naar aanleiding van de beantwoording van deze vragen contact opnemen met
iemand in uw organisatie?
O
Nee
O
Ja, te weten met:
o
Naam: …
o
Functie: …
o
E-mailadres: …
o
Telefoonnummer: …
HARTELIJK DANK VOOR UW MEDEWERKING!
Pag. 52
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Bijlage 5 – Analyse inkoopbeleid wijkverpleging 2015
Analyse inkoopbeleid wijkverpleging 2015
18 september 2014
Inleiding
Nu in het verlengde van de landelijke Inkoopgids Wijkverpleging 2015 van
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) vrijwel alle zorgverzekeraars5 hun inkoopbeleid
wijkverpleging voor 2015 hebben gepubliceerd, kan de balans worden opgemaakt. Een
goede analyse van het inkoopbeleid wijkverpleging is van belang omdat als gevolg
hiervan inzichtelijk wordt op welke zorg cliënten in 2015 kunnen rekenen. De eisen die
verzekeraars stellen aan (de vormgeving van) het aanbod en het budget dat
hiertegenover wordt gesteld, zijn immers randvoorwaardelijk voor de vormgeving van het
uiteindelijke zorgaanbod.
Een belangrijk doel van deze notitie is om inzichtelijk te maken hoe het inkoopbeleid van
de verschillende verzekeraars zich verhoudt tot de afspraken die op landelijk niveau zijn
gemaakt. Het betreft de afspraken vastgelegd in het ‘Onderhandelingsresultaat transitie
verpleging en verzorging’, maar ook afspraken die zijn gemaakt tijdens diverse landelijke
overleggen of afspraken in de vorm van toezeggingen van de staatssecretaris aan de
Tweede Kamer. Daarnaast heeft deze notitie tot doel om overige relevante punten in
beeld te brengen, die in ieder geval in 2015 en mogelijk ook de jaren hierna van
betekenis worden voor de leden van ActiZ.
Omdat het inkoopbeleid wijkverpleging nog niet is geëffectueerd in overeenkomsten is
momenteel (nog) niet duidelijk of en hoe de effecten van beleid daadwerkelijk effect
sorteren. Begin november zijn de uitkomsten van de zorginkoop bekend. Pas dan kunnen
definitieve uitspraken worden gedaan. Verder is denkbeeldig dat verzekeraars gaandeweg
beleid bijstellen of dat teksten uit het inkoopbeleid op verschillende manieren kunnen
worden geïnterpreteerd. Dit kan zowel in positieve zin als in negatieve zin de inhoud van
onderhavig notitie nuanceren. Omdat zorgvuldigheid voorop staat, wordt verwezen naar
de pagina’s uit het inkoopbeleid waarop de passage betrekking heeft. Het is tot slot niet
de bedoeling geweest om uitputtend te zijn in de voorbeelden die worden genoemd.
5
Op dit moment wachten wij alleen nog op de plannen van DSW.
Pag. 53
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Leeswijzer
Bij lezing van het inkoopbeleid wijkverpleging van de verschillende verzekeraars springt
een aantal thema’s in het oog. Het zijn met name de verdergaande opsplitsing van de
wijkverpleegkundige functie in twee segmenten en de keuzes die worden gemaakt ten
aanzien van de kortingen op de tarieven en volumes die zich slecht verhouden tot de
landelijk gemaakte afspraken. Met betrekking tot de zogenaamde
beschikbaarheidsvoorzieningen en de ketens dementie valt vooral op dat een
concretisering van gemaakte afspraken ontbreekt. Andere thema’s die aan bod komen,
zijn: het overgangsregime voor cliënten, voldoende verpleegkundigen op niveau 5, een
toekomstige gerichtheid op uitkomsten en verzwaring van administratieve lasten. De
notitie start met twee inleidende paragrafen en eindigt tot slot met een korte
beschouwing inclusief een aantal conclusies.
Het proces van de afgelopen maanden
Het inkoopbeleid wijkverpleging is de afgelopen maanden geleidelijk beschikbaar
gekomen. De eerste verzekeraars die duidelijkheid boden waren CZ, VGZ, Menzis en De
Friesland. In augustus trad ENO naar buiten, medio september gevolgd door Achmea en
Zorg en Zekerheid. Deze geleidelijke publicatie van het inkoopbeleid heeft tot gevolg dat
in de ene regio het inkoopproces al verder gevorderd is dan in de andere regio. Alhoewel
ActiZ diverse signalen van leden heeft ontvangen en deze ook met individuele
verzekeraars en landelijke partijen heeft gedeeld, wordt pas nu duidelijk wat het totale
landelijke beeld is.
Beleidsarm?
Om te beginnen de start van de verschillende inkoopdocumenten. Verschillende
zorgverzekeraars (o.a. CZ – p. 3, Zorg en Zekerheid – p. 2) kondigen op de eerste
pagina’s aan dat zij er voor kiezen om de wijkverpleging gedurende de transitieperiode
(i.c. het jaar 2015) beleidsarm in te voeren. Bij lezing van het inkoopbeleid is dat niet
direct hetgeen dat het meest in het oog springt. Duidelijk wordt dat door alle
verzekeraars verdergaande keuzes worden gemaakt. Deze keuzes kunnen niet zonder
consequenties blijven voor de inhoudelijke vormgeving van het zorgaanbod in 2015.
Cliënten gaan dit merken; ook voor medewerkers gaat dit gevolgen hebben.
Opsplitsing wijkverpleegkundige functie in twee segmenten
Een punt dat het meest in het oog springt, is de verdergaande opsplitsing van de
wijkverpleegkundige functie in twee segmenten. Om een goede aansluiting tussen de
zorg in de eerste lijn en de ondersteuning vanuit het sociale domein mogelijk te maken is
er voor gekozen om in 2015 een aparte bekostigingstitel te creëren voor het zogenaamd
‘wijkgericht werken’. Dit besluit is in lijn met de keuze voor een ‘hybride
bekostigingsmodel’ waarover in het ‘Onderhandelingsresultaat transitie verpleging en
verzorging’ op landelijk niveau afspraken zijn gemaakt. ActiZ benadrukt dat óók bij de
keuze voor een hybride bekostigingsmodel het belang van een integrale uitvoering van
Pag. 54
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
de wijkverpleegkundige functie nooit ter discussie heeft gestaan. Integendeel;
integraliteit is noodzakelijk om een samenhangend aanbod voor cliënten in de
thuissituatie mogelijk te maken.
Alhoewel verzekeraars er vooralsnog niet voor lijken te kiezen om segment 1 niet in te
kopen bij een aanbieder die niet ook segment 2 aanbiedt, is het opsplitsen van
wijkverpleegkundige functie en het creëren van een ‘segment 1 wijkverpleegkundige’
naast een ‘segment 2 wijkverpleeg-kundige’ leidend bij het inkoopbeleid van vrijwel alle
verzekeraars6. Aan de basis van deze ongewenste segmentering ligt het inkoopbeleid dat
verzekeraars samen binnen ZN-verband hebben vormgegeven (ZN, p. 19). Een
minimumeis voor de zogenaamd ‘niet-toewijsbare wijkgerichte zorg’ luidt: ‘de
zorgaanbieder positioneert de wijkverpleegkundige los van de moederorganisatie, zodat
de wijkverpleegkundige onafhankelijk kan werken’. Een volgende eis is: ‘De
zorgaanbieder stelt de wijkverpleegkundige randvoorwaardelijk in staat dat de verwijzing
naar een zorgaanbieder onafhankelijk gebeurt en ook kan aantonen hoe dit is geregeld.
De verzekeraar zal monitoren of er +/- naar rato van productieafspraken wordt verwezen
naar aanbieders welke werkzaam zijn in het betreffende werkgebied van de
wijkverpleegkundige’.
In het verlengde van deze landelijke eis worden door individuele verzekeraars
verdergaande keuzes gemaakt. Een aantal verzekeraars kiest er voor om (delen van) de
indicatiestelling vorm te geven binnen segment 1. Het meest duidelijk is dit bij VGZ (p.7);
in het inkoopbeleid wordt vermeldt dat ‘de toegang en het opstellen van het zorgplan bij
cliënten met meervoudige problematiek op zowel het sociale domein als het zorgdomein
doelbewust wordt geschaard onder de niet-toewijsbare zorg’. Echter ook ENO (p.7) en
Zorg en Zekerheid (p.7) verwachten dat de wijkverpleegkundige gaat verwijzen naar een
zorgaanbieder in segment 2, nadat –in het geval van ENO- in eerste instantie triagerende
gesprekken zijn gevoerd en nadat afstemming heeft plaatsgevonden met het wijknetwerk
(p.7). Ook ten aanzien van de indicatiestelling binnen S2 maakt ENO (p.13) overigens
verdergaande keuzes, door te eisen dat bij de indicatiestelling duidelijk wordt ‘wat de
medische diagnose is en of er sprake is van een verwijzer’; ook wil ENO ‘inzicht hebben
in het medisch probleem’. CZ (p.8), ENO (p.10) en Zorg en Zekerheid (p.6) vermelden
verder dat de werkzaamheden in segment 1 tot doel hebben om samen met het (sociale)
wijknetwerk te komen tot ‘case finding’ in de wijk; een en ander om zware zorg te
voorkomen.
6
Menzis (p. 24) lijkt in dit opzicht een positieve uitzondering. Expliciet vermeldt Menzis dat men niet verwacht dat er
aparte structuren worden ontwikkeld om de niet toewijsbare zorg in te richten. Ook Achmea valt in dit opzicht in
positieve zin op door het aan aanbieders over te laten om een passende vorm te vinden voor samenwerking met het
wijkteam (p.19)
Pag. 55
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
In het stellen van eisen aan de organisatorische vormgeving van segment 1 valt -naast
CZ- in ieder geval het beleid van ENO (p.9) op. Van zorgaanbieders wordt verwacht dat
deze ‘niveau 5 wijkverpleegkundigen’ detacheren naar het gemeentelijk wijkteam.
Hiermee lijkt dit gemeentelijk wijkteam een aparte organisatorische eenheid te worden in
plaats van een (virtueel) netwerk waar zaken worden afgestemd.
Ook het beleid van CZ (p. 16) valt op. CZ verwacht van zorgaanbieders die segment 1
aanbieden dat men een compliance-commissie in het leven roept, die enerzijds
onafhankelijk toezicht houdt op het functioneren van de zorgaanbieder in S1 en
anderzijds toeziet op de onafhankelijkheid van de wijkverpleegkundige in S1 in haar
doorverwijsbeleid naar segment 2. Ook is het de bedoeling dat de commissie toezicht
houdt op de tevredenheid van stakeholders in het (sociale) wijknetwerk over de
wijkverpleegkundige. Minimaal twee keer per jaar, en vaker indien de compliancecommissie daarom verzoekt, organiseert de zorgaanbieder een compliance-overleg.
Hiervan moet een verslag worden gemaakt dat op verzoek beschikbaar is voor de
zorgverzekeraar.
Naar aanleiding van voorgaande kan het volgende worden geconstateerd.
-
De verdergaande opsplitsing van de wijkverpleegkundige functie in twee
segmenten staat haaks op de noodzakelijke integrale uitvoering van deze functie
en een goede uitvoering van het beroep van wijkverpleegkundige 7.
-
Tijdens bestuurlijk overleg op landelijk niveau begin september 2014 is
afgesproken dat de prestatie ‘wijkgericht werken’ niet is bedoeld voor het
indiceren van cliënten; het is immers niet de bedoeling dat er mini CIZ-tjes
ontstaan in wijken en buurten. link naar bestuurlijke afspraken Verzekeraars
lijken deze mogelijkheid wel open te houden.
-
Zorgaanbieders lopen als gevolg hiervan het risico op dit onderdeel van hun
aanbod BTW-plichtig te worden. Een naheffing van de Belastingdienst kan leiden
tot een additionele kostenpost.
-
In essentie is de NZa prestatie ‘wijkgericht werken’ een prestatie die niet te
koppelen is aan een individueel zorgtraject van de cliënt. Zowel VGZ (p.7) als Zorg
en Zekerheid (p.6) benoemen (naast indicatiestelling) diverse andere
cliëntgebonden activiteiten onder S18. Deze inhoudelijke invulling van de
prestatie wijkgericht werken is feitelijk onjuist en in strijd met de regelgeving.
7
V&VN. Expertisegebied wijkverpleegkundige. Utrecht, 2012.
Bijvoorbeeld: niet-pluis gesprekken, keukentafelgesprekken, vraagverheldering, opstellen van een zorgplan,
bevorderen van zelfredzaamheid, voorkomen van formele zorg.
8
Pag. 56
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
-
In de aanspraak wijkverpleging zoals vastgelegd in artikel 2.10 van het (concept)
Besluit zorgverzekering is vastgelegd dat wijkverpleging een vrij toegankelijk
functie is. Er is geen verwijzing noodzakelijk. Bij lezing van het inkoopbeleid van
de verschillende verzekeraars wordt duidelijk dat binnen de verpleegkundige
functie deze verwijzing wel wordt ingebouwd. Met verdergaande consequenties
voor de organisatie van de wijkverpleegkundige zorg (white label).
-
Ook heeft de prestatie ‘wijkgericht werken’ niet tot doel om tot ‘case finding’ te
komen in de wijk om als gevolg hiervan zware zorg te voorkomen. De activiteiten
binnen de prestatie ‘wijkgericht werken’ zijn te kenschetsen als het verbinden van
het medische en sociale domein; signaleren, regisseren en coördineren vormen
de kern. Geïndiceerde preventie kan een onderdeel vormen, maar mag nooit een
doel op zich worden.
-
De aanspraak9 maakt duidelijk dat ‘een medische diagnose’ of het hebben van
een medisch probleem’ (ENO, p.13) wel relevant kunnen zijn maar geen
noodzakelijke voorwaarde vormen voor toegang tot de functie wijkverpleging.
Ook op dit punt is het inkoopbeleid in strijd met de regelgeving en de landelijke
afspraken die zijn gemaakt.
-
Het naar +/- naar rato van productieafspraken (ZN, p. 19; VGZ, p.8; CZ, p.15)
doorverwijzen naar aanbieders die werkzaam zijn in het betreffende werkgebied
verhoudt zich tot slot niet tot de keuzevrijheid van cliënten.
Kortingen op de tarieven én op het volume (cliëntgebonden werkzaamheden)
Evident is dat de overheveling van de verpleging en de verzorging gepaard gaat met een
financiële taakstelling. In het ‘Onderhandelingsresultaat transitie verpleging en
verzorging’ hebben de landelijke partijen afgesproken dat zij ‘de intentie delen om de
taakstelling –in de regel- te realiseren via het reduceren van het zorgvolume’. Daar waar
verzekeraars via hun inkoopbeleid inzicht geven in de wijze waarop de taakstelling wordt
doorgevoerd, wordt duidelijk dat er zowel wordt gekort op de tarieven als (soms heel fors)
op het volume. Dit heeft verdergaande consequenties en is niet in lijn met de gemaakte
afspraken.
Een aantal voorbeelden10.
-
Achmea (p. 25) kort 9,5% op de functies persoonlijke verzorging en 5% op de
functies verpleging. Het betreft een korting op het maximum NZa-tarief 2015.
‘De basis voor het volume is de goedgekeurde productie op de prestaties
verpleging en verzorging van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014, gedeclareerd via de
AW319. Deze basis wordt geschoond voor zorg die niet naar de Zvw overgaat en
lineair geëxtrapoleerd naar jaarbasis, waarbij [ …] Vervolgens wordt de nullijn
gehanteerd, waarbij autonome groei opgevangen dient te worden binnen het
budget door doelmatiger te werken’.
9
‘verpleging en verzorging, die verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico hierop’.
Het gaat om het beleid ten aanzien van bestaande aanbieders.
10
Pag. 57
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
-
Menzis (financiële paragraaf) is de enige verzekeraar die kortingen op het tarief
en op het volume doorvoert én start met tariefdifferentiatie. Er wordt
gecontracteerd in drie varianten.



-
‘Indien door bestaande zorgaanbieders slechts voldaan wordt aan de
toegangseisen, wordt er een budgetafspraak gemaakt voor alleen de
bestaande verzekerden die bij de zorgaanbieder in zorg zijn en in 2015 hun
recht op Wijkverpleging mogen verzilveren bij dezelfde aanbieder die zij ook
in 2014 hadden (overgangsrecht). Er wordt daartoe een afspraak gemaakt van
75% van de volumeafspraken zoals hierboven beschreven met een tarief van
82% van het maximum NZa tarief.
Indien door bestaande zorgaanbieders voldaan wordt aan alle toegangs- en
minimumeisen wordt er een afspraak gemaakt van 90% van de
volumeafspraken 2014 zoals hierboven berekend met een tarief van 90% van
het maximum NZa tarief.
Indien door bestaande zorgaanbieders voldaan wordt aan alle toegangs- en
minimumeisen én aan alle differentiatie eisen wordt er een afspraak gemaakt
van 90% van de volumeafspraken 2014 zoals hierboven berekend met een
tarief van 93% voor de prestaties PV en 97% voor de prestaties VP en AIV van
het maximum NZa tarief.’
ENO (p. 20) kondigt een korting op het NZa-tarief 2015 aan van 10% op de
persoonlijke verzorging en 4% op de verpleging. Achterliggende documenten
maken duidelijk dat ENO daarbij kiest voor een bepaalde verhouding PV/VP
ongeacht de bestaande indicaties van cliënten. Zorgaanbieders die veel
verpleegkundige en gespecialiseerde zorg leveren zijn hier de dupe van. Over het
volume doet ENO nog geen uitspraken; wel maakt men duidelijk dat hierop wordt
gekort.
Pag. 58
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
-
CZ (p. 34) legt aan aanbieders twee opties voor.
Offerte optie 1
Tarief
PV 90,5% van het NZa-tarief en VP 96,5% van het NZa-tarief – taakstelling 2014
van 4%
Volume
De goedgekeurde gerealiseerde productie van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014, op
basis van de AW319, met lineaire extrapolatie naar het einde van het jaar (met
een maximum van de geldende goedgekeurde productieafspraken 2014 voor de
bijzondere zorgvormen) – taakstelling 2015 van 15%
Offerte optie 2
Tarief
PV 90,5% van het NZa-tarief en VP 96,5% van het NZa-tarief
Volume
De goedgekeurde gerealiseerde productie van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014, op
basis van de AW319, met lineaire extrapolatie naar het einde van het jaar (met
een maximum van de geldende goedgekeurde productieafspraken 2014 voor de
bijzondere zorgvormen) – taakstelling 2014 4% - taakstelling 2015 van 15%
Prijsopslag 2016 – > Behaalde taakstelling 2015
Voor 2016 kan wel weer een opslag worden verdiend. Zorgaanbieders die op 1
november 2015 (over de cijfers van januari 2015 tot en met 1 september 2015)
een taakstelling van meer dan 15% hebben gerealiseerd, ontvangen bij de
inkoopafspraken 2016 een prijsopslag van 2% op de af te spreken tarieven in
2016. De zorgaanbieder toont hiervoor bij de inschrijving van 2016 aan dat in
2015 het aantal cliënten in zorg procentueel harder is gestegen dan de
geleverde uren of dat er substantiële substitutie heeft plaatsgevonden tussen
formele en informele zorg of dat er significant meer technologie is ingezet
waardoor face-to-face zorg is afgenomen, dan wordt dit ook gebruikt als
indicatie voor ‘meer doen met minder’.
Pag. 59
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Relatief weinig lijkt er te veranderen bij Zorg en Zekerheid en De Friesland.
-
Zorg en Zekerheid (p. 22) hanteert in 2015 een marktconform tarief en kiest voor
het behoud van het tariefpercentage uit 2014 (herschikkingsafspraak 2014) met
een minimum van 85% en een maximum van 95% van het maximum NZa-tarief
2015 voor verpleging en verzorging. Bestaande prijspercentages boven deze
range worden hierop neerwaarts aangepast. Daarbij hanteert Zorg & Zekerheid
geen prijsdifferentiatie tussen de verschillende prestaties.
-
De Friesland (p.26 en p. 27) spreekt uit te willen werken volgens het ‘geld volgt
klant principe’, zij het niet onbegrensd vanwege het financieel kader. De
Friesland is de enige verzekeraar die er daarom ook in 2015 voor kiest om
meerdere keren te herschikken. Het tarief dat De Friesland hanteert is minimaal
85% van het NZa tarief; dit kan met het opslagpercentage worden verhoogd naar
95% van het NZa-tarief 2015. Toeslagcriteria zijn doelmatigheid (rendabele en
onrendabele lijnen/Friese Waddeneilanden/ zorg in geclusterde en ongeclusterde
vorm bieden) en kwaliteit (integrale benadering, innovatie-best practices,
wetenschappelijk onderzoek, mantelzorg, Advance Care Planning en dementie).
Niet alle verzekeraars bieden in hun inkoopbeleid inzicht in de wijze waarop de
taakstelling wordt doorgevoerd. VGZ (p. 15) kondigt bijvoorbeeld aan dat zorgaanbieders
medio augustus 2014 een contracteeraanbod voor 2015 ontvangen met een
zorgkostenplafond. Dit contracteeraanbod is het ultieme aanbod; gezien de taakstelling
op landelijk niveau vinden er geen nadere onderhandelingen plaats.
Beschikbaarheidsvoorzieningen
In het ‘Onderhandelingsresultaat transitie verpleging en verzorging’ wordt gesproken
over zogenaamde ‘beschikbaarheidsvoorzieningen’. Beschikbaarheidsvoorzieningen 11
zijn voorzieningen, zoals bijvoorbeeld onplanbare zorg of nachtzorg, die veelal op
regionaal niveau worden aangeboden. Omdat deze in randvoorwaardelijke zin van belang
zijn voor de overige (bijvoorbeeld planbare) verpleging en verzorging die geboden wordt,
is door de landelijke partijen afgesproken dat deze voorzieningen tijdens de
transitieperiode worden gecontinueerd.
In de landelijke Inkoopgids Wijkverpleging van ZN wordt naar deze afspraak verwezen (p.
13). Inhoudelijk brengt ZN een bijzondere nuancering aan door hier van te maken: ‘[…] In
2015 worden de door deze organisaties gecreëerde basisvoorzieningen, zoveel mogelijk
gecontinueerd. Faciliteiten die in 2014 gelden voor de inzet van zorg met technologische
ondersteuning worden eveneens zo veel mogelijk in 2015 gecontinueerd’.
11
Gesproken wordt ook over: basisvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen of systeemvoorzieningen.
Pag. 60
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Opvallend is dat in het inkoopbeleid van de verschillende verzekeraars nauwelijks tot
geen (expliciete) aandacht is voor deze afspraak uit het onderhandelingsresultaat. In het
inkoopbeleid van Menzis en De Friesland vindt geen enkele verwijzing naar deze afspraak
plaats. Zorg en Zekerheid (p.19 -21), ENO (p.17-19), VGZ (p.14), CZ (p.30) en Achmea
(p.16) onderscheiden wel een aantal bijzondere zorgvormen, waaronder ‘oproepbare
verzorging en verpleging’. Zorg en Zekerheid, ENO en CZ maken in hun beleid op dit
punt duidelijk dat zij deze zorgvorm niet inkopen bij nieuwe aanbieders of bij aanbieders
die in 2014 niet gecontracteerd zijn voor deze functie. Niet duidelijk is echter wie wel
voor deze functie in aanmerking komt. Achmea en VGZ zijn hier wel expliciet in. Zo geeft
Achmea aan dat men ‘voor 2015 uitgaat van continuering van de bestaande afspraken
met de zorgaanbieder(s) die de beschikbaarheid van zorg voor 2014 reeds hebben
georganiseerd’. Ook VGZ maakt een vergelijkbaar statement: ‘cVGZ koopt deze zorg
alleen in bij zorgaanbieders die hiervoor ook in 2014 gecontracteerd zijn’.
Punt van aandacht is dat het kunnen bieden van ‘onplanbare verzorging en verpleging’
zoals verwoord in de NZa-prestatie ‘Verpleging en Verzorging’12 en waar naar verwezen
lijkt te worden slechts een onderdeel vormt van de beschikbaarheidsvoorzieningen
waarover in het Onderhandelingsresultaat gesproken wordt. In de praktijk bestaan
voorzieningen voor ongeplande zorg uit mensen en zorginfrastructuur. Ook
technologische ondersteuning vormt (bijvoorbeeld) onderdeel van de
beschikbaarheidsvoorzieningen13.
Op voorhand is bij lezing al met al niet duidelijk hoe breed de ‘onplanbare verzorging en
verpleging’ gedefinieerd wordt en of hiervoor in 2015 voldoende middelen beschikbaar
worden gesteld. Onduidelijk is als gevolg hiervan of de afspraak uit het
‘Onderhandelaarsresultaat transitie verpleging en verzorging’ met betrekking tot de
continuering van de beschikbaarheidsvoorzieningen wordt geëffectueerd.
Ketenzorg dementie
Een ander specifiek punt betreft de ketenzorg dementie. Begin juli 2014 heeft de
staatssecretaris aan de Tweede Kamer toegezegd dat de bestaande ketens dementie in
2015 gecontinueerd zullen worden. Recentelijk heeft de NZa de beleidsregel ‘Ketenzorg
dementie’ gepubliceerd. In overleg met partijen is er voor gekozen om het
casemanagement te laten lopen via de NZa beleidsregel ‘Verpleging en verzorging’. De
beleidsregel ‘Ketenzorg dementie’ biedt ruimte om de ketenorganisatie in stand te
houden.
12
NZa. BR/CU – 7107.
In Bijlage 2 is de uitwerking van de onderzoeksvraag opgenomen, die ActiZ aan het ministerie van VWS en de NZa
heeft doen toekomen voor het onderzoek naar deze voorzieningen ten behoeve van de ontwikkeling van het
bekostigingsmodel in 2016.
13
Pag. 61
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Onder andere door ActiZ is gesignaleerd dat de combinatie van beide beleidsregels
onvoldoende lijkt om de bestaande ketens in stand te houden. Alhoewel er grote
verschillen bestaan tussen de ketens is bekend dat deze momenteel (deels) ook worden
gefinancierd met intramurale middelen of extramurale middelen die vanaf 2015 naar de
Wmo gaan (denk aan de extramurale begeleiding). Er ligt een belangrijke
verantwoordelijkheid bij individuele verzekeraars om hier tijdens het inkoopproces oog
voor te hebben. In vrijwel al het inkoopbeleid van de individuele verzekeraars wordt
aandacht geschonken aan de ketenzorg dementie. Of de ketens in 2015 daadwerkelijk in
stand worden gehouden is uit het beschikbare beleid niet af te leiden.
Het overgangsregime voor cliënten
In het ‘Onderhandelingsresultaat transitie verpleging en verzorging’ zijn afspraken
gemaakt over het overgangsregime. Het gaat om de volgende afspraak: ‘Om de
continuïteit van zorg voor cliënten te borgen beschouwen verzekeraars cliënten die op 31
december 2014 een geldig indicatiebesluit voor verpleging of verzorging in de AWBZ
hebben, en waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken of die in zorg zijn, door
zorgverzekeraars op 1 januari 2015 als zijnde in het bezit van een geldige verwijzing
voor wijkverpleging op grond van de Zvw. Dit betekent dat alle cliënten die in zorg zijn
op 1 januari 2015 zorg kunnen ontvangen van dezelfde aanbieder.’
In de Inkoopgids Wijkverpleging 2015 van ZN (p.17) worden minimumeisen gesteld aan
de contractering van cliëntgebonden zorg. Eén van de minimumeisen die ZN hanteert
betreft de vereiste dat ‘de zorgaanbieder een klanttevredenheid voor de extramurale zorg
heeft, die hoger of gelijk is aan het branchegemiddelde’. Wanneer deze eis onverkort
wordt doorgevoerd bij de inkoop van de cliëntgebonden zorg (segment 2) betekent dit
dat ongeveer de helft van de aanbieders niet gecontracteerd wordt. Dit verhoudt zich niet
met de gemaakte afspraken over het overgangsregime voor cliënten.
De minimumeis om een klanttevredenheid te hebben die hoger- of gelijk aan het branche
gemiddelde is, wordt door het merendeel van de verzekeraars overgenomen (onder
andere Zorg en Zekerheid p. 16; CZ p. 26; ENO p. 12). Meest vergaande consequenties
heeft dit bij Menzis waar aanbieders die ‘rood’ scoren op hun klanttevredenheid slechts
in aanmerking komen voor een afspraak voor zorgverlening aan bestaande cliënten. Van
aanbieders die ‘rood’ scoren wordt verwacht dat deze zorg gaan afbouwen. De aanbieder
krijgt geen ruimte tot groei in de veronderstelling dat verzekerden niet tevreden zijn over
het bestaande aanbod.
Pag. 62
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Voldoende verpleegkundige(n) niveau 5
Een andere minimumeis uit het landelijk inkoopbeleid van ZN die in negatieve zin opvalt,
betreft de eis dat de zorgaanbieder ‘voldoende verpleegkundige(n) niveau 5 in dienst
heeft die de toegang bepaalt, indiceert, coördineert en zorgplannen opstelt. Indien er niet
voldoende verpleegkundigen op niveau 5 in dienst zijn, moet een verbeterplan worden
opgesteld’.
Onder andere tijdens de ontwikkeling van de ‘Normen voor indiceren en organiseren van
verpleging en verzorging in de eigen omgeving’ heeft ActiZ laten weten ten principale
niet tegen de norm te zijn dat ‘de indicatiestelling en de zorgtoewijzing’ plaats vindt
door een HBO-opgeleide verpleegkundige. Tegelijkertijd heeft ActiZ benadrukt dat het
niet reëel is om deze norm al vanaf 2015 te willen handhaven. Zorgaanbieders lopen aan
tegen arbeidsmarktvraagstukken; er zijn momenteel onvoldoende HBO-opgeleide
verpleegkundigen beschikbaar die (ook) over de benodigde competenties beschikken.
Momenteel is ActiZ in gesprek met V&VN en BTN over deze problematiek. De intentie is
om op korte termijn afspraken te maken voor een overgangsperiode van een aantal jaren.
Gedurende deze periode zijn –onder nader te bepalen condities- ook verpleegkundigen
op niveau 4 bevoegd om te indiceren.
Na lezing van het inkoopbeleid van de individuele verzekeraars is duidelijk dat vrijwel alle
verzekeraars de eis ten aanzien van niveau 5 hebben overgenomen. CZ (p.29) legt de lat
nog een stukje hoger door van aanbieders te eisen dat men uiterlijk 30 september 2015
voldoet aan deze norm. De enige verzekeraar die (in ieder geval in toon) enige coulance
lijkt in te bouwen is VGZ (p.9). VGZ vermeldt op voorhand dat ‘mede gezien de huidige
schaarste, in 2015 naast verpleegkundigen met niveau 5 ook verpleegkundigen met
niveau 4 zorg mogen indiceren, indien zij over de juiste competenties beschikken’.
Een toekomstige gerichtheid op uitkomsten
Verzekeraars duiden 2015 als een overgangsjaar; tegelijkertijd wordt ons een blik op de
toekomst gegund. Het meest expliciet is Achmea: ‘Voor inkoop betekent het dat wij
willen sturen op kwaliteit en kosten. Vanaf 2016 gaan wij door middel van
tariefdifferentiatie en selectief inkopen zorgaanbieders die met ons een overeenkomst
sluiten, belonen voor het leveren van doelmatige zorg van extra kwaliteit. Waar betere
uitkomsten van zorg gerealiseerd worden, willen wij een betere beloning beschikbaar
stellen. In 2015 wil Achmea actief inzetten op het gezamenlijk ontwikkelen met het veld
en onze verzekerden van landelijke indicatoren die iets zeggen over de geleverde
kwaliteit en doelmatigheid en die gebruikt kunnen worden voor uitkomstbekostiging.’
Echter ook andere verzekeraars laten een vergelijkbaar geluid horen: ‘De activiteiten van
zorgaanbieders zullen zich steeds meer moeten gaan bewijzen in termen van goede zorg
gebaseerd op medisch-inhoudelijke kwaliteit, klantbeleving én zorgkosten’. (VGZ, p.3) Of:
‘Zorgverzekeraars hebben de verantwoordelijkheid om voor hun klanten te zorgen voor
Pag. 63
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
kwalitatief goede en betaalbare zorg. Zorgverzekeraars delen de visie dat zonder
gemeenschappelijke uitgangspunten noodzakelijke kwaliteitsverbeteringen in de zorg
niet gerealiseerd kunnen worden en daarom is bijvoorbeeld eenheid van taal van belang.
Het uiteindelijke doel rondom kwaliteitsindicatoren is dan ook om een landelijke basisset
te kunnen hanteren, waarbij iedere zorgverzekeraar naar eigen inzicht de informatie kan
gebruiken voor de zorginkoop. Dit is voor 2015 echter niet haalbaar’. (De Friesland, p. 18)
Daarnaast valt de eis om gestandaardiseerd te werken op. Ten aanzien van niettoewijsbare wijkgerichte zorg legt ZN hiervoor de basis in de landelijke Inkoopgids
Wijkverpleging 2015. Als minimumvoorwaarde voor contractering neemt ZN (p.19) op dat
‘de zorgaanbieder werkt volgens geldende beroepsstandaarden en –protocollen’. Diverse
verzekeraars nemen deze eis over (ENO, p. 9; VGZ, p.8; CZ, p.15). Gestandaardiseerd
werken wordt daarnaast verwacht van aanbieders die specifieke zorgsoorten of
gespecialiseerde zorg aanbieden, zoals bijvoorbeeld palliatief terminale thuiszorg (VGZ,
p.13; Zorg en Zekerheid, p. 21; ENO, p.18).
Als gevolg van het ontbreken van landelijke uitkomstenindicatoren vallen verzekeraars in
2015 terug op bekende en bestaande instrumenten. Het gebruik van de CQ-index en de
vereiste om jaarlijks een zelfevaluatie uit te voeren, komen meerdere malen terug.
Bijvoorbeeld Zorg en Zekerheid (p.17): ‘De zorgaanbieder voert periodiek een
cliënttevredenheidsmeting uit, gebaseerd op de CQ-index, bespreekt de resultaten met
de cliëntenraad en stelt gezamenlijk met de cliëntenraad verbeterplannen op. De
zorgaanbieder voert jaarlijks een zelfevaluatie uit naar de bereikte kwaliteit,
gebruikmakend van indicatoren uit het landelijk kwaliteitskader 2014.’ Of Achmea (p.14):
‘De zorgaanbieder laat jaarlijks door een externe onafhankelijke partij een
cliënttevredenheidsonderzoek (CQi) uitvoeren onder tenminste een representatieve
afspiegeling van de populatie, wonende in een zorgkantoorregio waar de overeenkomst
op van toepassing is. Het meest recente cliënttevredenheidsonderzoek moet op de eigen
website worden gepubliceerd, inclusief de hieruit voortvloeiende verbeterplannen, en zij
worden beschikbaar gesteld aan de cliëntenraad en aan Achmea.’
Verzwaring van administratieve lasten
Een laatste thema betreft de verzwaring van de administratieve lasten. Op onderdelen
moet zeer gedetailleerd verantwoording worden afgelegd met administratieve
lastenverzwaring tot gevolg. Er zijn legio voorbeelden aan te wijzen. Deels zijn deze
beschreven in de landelijke Inkoopgids Wijkverpleging 2015 (ZN, zie bijvoorbeeld de
paragraaf over de monitoring van kwaliteit en budget of de verplichting om een
gedetailleerd plan van aanpak op te stellen indien de organisatie onvoldoende
‘verpleegkundigen niveau 5’ in dienst heeft). Deels zit dit ook in aanvullende informatie
die door verzekeraars wordt uitgevraagd. Bijvoorbeeld ten aanzien van het deel niet
toewijsbare zorg: aantal ingezette uren, de postcode gebieden, het aantal unieke
wijkverpleegkundigen, het aantal FTE dat is ingezet per wijk, aantallen spreekuren, aantal
Pag. 64
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
triages en doorverwijzingen, het gebruikte budget (ENO, p. 11). Of: het totaal aantal uren
dat de wijkverpleegkundige is ingezet (per gemeente en per postcode), hoeveel uren
daarvan zijn besteed aan direct burger/cliëntcontact en hoeveel uren daarvan zijn
besteed aan niet cliënt gebonden taken, in welke postcodes per gemeente de
wijkverpleegkundige is ingezet, hoeveel unieke wijkverpleegkundigen er zijn ingezet en
over hoeveel FTE die ingezette uren zijn verdeeld, het budget dat is besteed, hoeveel
burgers een zelfzorgadvies of een mantelzorgadvies hebben gekregen, hoeveel cliënten
er zijn doorverwezen naar de Zvw, hoeveel cliënten er zijn doorverwezen naar de Wmo
(CZ, p.19).
Een aantal verzekeraars kondigt aan deze informatie te willen benutten voor een
benchmark (ENO, CZ, Zorg en Zekerheid).
Overige zaken
Tot slot wat laatste zaken:
-
In voorkomende gevallen is een inkoopeis dat de zorgaanbieder in 2015 geen
wachtlijsten heeft voor extramurale zorg. Door de zorgverzekeraar wordt de
zorgplicht wordt ‘door-gecontracteerd’ naar de aanbieder (VGZ, p. 11; ENO,
p.15). Het is een opvallend gegeven zeker wanneer in ogenschouw wordt
genomen dat tegelijkertijd de indicatiestelling (deels) onafhankelijk van de
moederorganisatie moet worden gepositioneerd. De aanbieder die
verantwoordelijk wordt gehouden voor de zorgplicht wordt als gevolg hiervan
niet in de positie gebracht om met behulp van indicatiestelling te sturen op een
doelmatige inzet van professionele zorg.
-
Zowel Menzis als Achmea kondigen (in het kader van doelmatigheid) aan actief te
willen interveniëren wanneer het vermoeden bestaat dat cliënten recht hebben op
toegang tot de Wlz (Menzis, p.13; Achmea, p. 10).
-
Zowel Achmea (p.15) als Zorg en Zekerheid (p.15) zien een rol voor kleine
zelfstandigen als onderdeel van een netwerk of samenwerkingsverband op
wijkniveau weggelegd. In de toekomst wil men kleine zelfstandigen aangesloten
zien bij een multidisciplinair samenwerkingsverband met eerstelijns
zorgaanbieders en welzijnsaanbieders waarmee afspraken kunnen worden
gemaakt over de kwaliteit en continuïteit van de te leveren zorg op wijkniveau.
Pag. 65
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Beschouwing en conclusies
In het kader van de hervormingen van de langdurige zorg worden met ingang van 1
januari 2015 de huidige extramurale AWBZ-functies verpleging en persoonlijke
verzorging overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Als gevolg van deze overheveling
worden zorgverzekeraars verantwoordelijk voor het gehele geneeskundige domein. Van
extramurale verpleging en verzorging thuis tot en met opname in het ziekenhuis. Daarbij
zijn verzekeraars samen met gemeenten verantwoordelijk voor het leggen van
verbindingen tussen het sociale en het medische domein. Verzekeraars geven aan dat
een belangrijk doel van de overheveling van de verpleging en de persoonlijke verzorging
is dat burgers in staat worden gesteld om zo lang als mogelijk in de eigen omgeving te
kunnen blijven wonen. Daarbij ligt het accent op een andere manier van zorg verlenen,
met een focus op zelfredzaamheid, ontzorgen en gepast zorggebruik.
De aanspraak wijkverpleging en het bekostigingsmodel (inclusief een aantal
vereenvoudigde prestaties) voor het zogenaamde transitiejaar 2015 zijn vlak voor de
zomer 2014 gepubliceerd. Nu ook het inkoopbeleid van verzekeraars voor 2015
beschikbaar is, kan een laatste stukje van de puzzel worden gelegd. De eisen die
verzekeraars stellen aan (de vormgeving van) het aanbod en het beschikbare budget in
2015 zijn immers randvoorwaardelijk voor de vormgeving van het uiteindelijke
zorgaanbod.
Om te beginnen wordt de lezer een blik gegund op de toekomst. Duidelijk wordt dat de
Zorgverzekeringswet een andere realiteit met zich meebrengt dan de AWBZ. Voor de
nabije toekomst moeten zorgaanbieders rekening houden met een gerichtheid op
uitkomsten, tariefdifferentiatie en (vormen van) selectieve inkoop. Van professionals
wordt verwacht dat men gestandaardiseerd werkt. Verzekeraars vragen daarnaast al in
2015 zeer gedetailleerd informatie uit, die (bijvoorbeeld) kan wordt benut voor een
benchmark tussen aanbieders en de basis kan vormen voor de inkoop in 2016.
Het jaar 2015 wordt beschouwd als ‘een transitiejaar’. In beleidstermen wil dat zeggen:
‘een jaar waarin de zorg al wel wordt overgeheveld, echter zonder dat er in de uitvoering
veel gaat veranderen’. Het inkoopbeleid van de individuele verzekeraars laat echter zien
dat van een beleidsarme overgang geen sprake is. Door alle verzekeraars worden
verdergaande keuzes gemaakt. Deze keuzes kunnen niet zonder consequenties blijven
voor de inhoudelijke vormgeving van het zorgaanbod in 2015. Cliënten en medewerkers
gaan dit merken.
Pag. 66
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Het punt dat het meest opvalt is het opsplitsen van de wijkverpleegkundige functie in
twee segmenten. Inhoudelijk staat het opsplitsen van deze wijkverpleegkundige functie
haaks op een integrale uitvoering van de wijkverpleegkundige zorg; een uitgangspunt dat
aan de basis ligt van het ‘Onderhandelingsresultaat transitie verpleging en verzorging’.
De keuzes die verzekeraars vervolgens maken (o.a. onafhankelijke positionering,
verwijzen, medische noodzaak aantoonbaar maken) lijken in strijd met de aanspraak
wijkverpleging, de prestaties die zijn vastgesteld door de NZa en de keuzevrijheid van
cliënten. De vraag is legitiem wat de ratio is achter de inrichtingskeuzes die worden
gemaakt. Voor een goede samenwerking en de gewenste afstemming tussen
verzekeraars en gemeenten zijn de maatregelen in de huidige vorm namelijk niet
noodzakelijk. De gedachte dringt zich op dat de maatregelen met name van belang zijn
in relatie tot schadelastbeperking. Vrijwel alle keuzes zijn immers gericht op het
beperken van de toegang tot de Zvw en het voorkomen van zware zorg.
In het ‘Onderhandelingsresultaat transitie verpleging en verzorging’ is verder
afgesproken dat de landelijke partijen de intentie delen om de taakstelling – in de regelte realiseren via het zorgvolume. Het inkoopbeleid van verzekeraars laat zien dat naast
volumekortingen, óók tariefkortingen worden doorgevoerd. Verzekeraars maken op dit
punt eigen beleid, waarbij in voorkomende gevallen sprake is van forse kortingen. Als
tegelijkertijd bij deze zorgaanbieders de toegang tot de wijkverpleegkundige zorg
onafhankelijk moet worden gepositioneerd, de zorgplicht wordt door-gecontracteerd én
deze aanbieders te maken krijgen met een verbod (op het laten ontstaan van)
wachtlijsten, lopen deze aanbieders forse continuïteitsrisico’s.
Met betrekking tot de beschikbaarheidsvoorzieningen en de ketenzorg dementie valt op
dat een concretisering van afspraken in het inkoopbeleid ontbreekt. Het betreft een punt
van aandacht en van grote zorg. De continuering van systeemvoorzieningen is immers
randvoorwaardelijk voor het kunnen bieden van de (overige) wijkverpleegkundige zorg.
Daarnaast is het niet voor niets dat aan de Tweede Kamer verdergaande toezeggingen
zijn gedaan over de continuering van de bestaande ketens dementie in 2015; de
opgebouwde expertise mag niet verloren gaan.
Gesignaleerd wordt verder dat het overgangsregime voor cliënten risico loopt. Dit is met
name het gevolg van de minimumeis dat de zorgaanbieder een klanttevredenheid voor de
extramurale zorg heeft, die hoger of gelijk is aan het branchegemiddelde. De helft van de
huidige aanbieders loopt als gevolg hiervan het risico geen contract te krijgen; ontslag
voor medewerkers is niet uit te sluiten. Ook de eis om voldoende verpleegkundigen op
niveau 5 in dienst te hebben is gezien de huidige arbeidsmarktproblematiek niet
realistisch.
Pag. 67
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Tot slot valt de bovenmatige regel- en beheersdruk van verzekeraars op. Het beleid van
de overheid is gericht op het centraal stellen van mensen in plaats van systemen. Het
‘grote verhaal’ is dat de professional het vertrouwen gegund wordt om samen met de
cliënt (en diens mantelzorger) afspraken te maken over een passend arrangement. Als
het nu voorliggende inkoopbeleid daadwerkelijk geëffectueerd gaat worden, is dit het
laatste dat in 2015 realiteit gaat worden.
Pag. 68
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
BIJLAGE 1
Beschikbaarheidsvoorzieningen
Uitwerking onderzoeksvraag
Datum: 11 juni 2014
In het ‘Onderhandelaarsresultaat transitie verpleging en verzorging’ zijn in paragraaf 2.3
afspraken gemaakt over beschikbaarheidsvoorzieningen. Letterlijk staat hier: ‘op dit
moment zijn er zorgorganisaties die voorzieningen realiseren zoals onplanbare zorg of
nachtzorg, veelal op regionaal niveau. Tijdens de transitiefase worden de door deze
organisaties gecreëerde basisvoorzieningen, gecontinueerd. Aan de NZa wordt gevraagd
per regio in kaart te brengen welke organisaties deze voorzieningen leveren en welk
budget hiermee gemoeid is. Deze informatie wordt gebruikt bij de vormgeving van het
nieuwe bekostigingsmodel voor wijkverpleging’.
Inhoudelijke duiding
Wijkverpleging is pas echt succesvol als er een voorziening voor
beschikbaarheidsvoorzieningen is. Deze voorziening wordt nu vormgegeven met behulp
van verschillende financieringsstromen. Deels zijn dit de prestaties ‘extra’, deels betreft
dit een bedrag waarover zorgkantoren en aanbieders afspraken maken tijdens de inkoop
en deels wordt deze voorziening gefinancierd uit de marges van de tarieven. De functie is
daarmee in financiële zin nooit eenduidig expliciet gemaakt, terwijl het de ruggengraat
vormt voor de ongeplande zorg in de regio. Van belang is dat het deels gaat om
exploitaties die (per individuele aanbieder) vaak lastig rendabel te maken zijn; er is
‘massa’ of ‘volume’ nodig.
De voorziening voor ongeplande zorg bestaat uit mensen en zorginfrastructuur. Met
zorginfrastructuur worden de logistieke systemen bedoeld. Hiervan zijn er verschillende
voorbeelden. Een zorgcentrale en het 24 uur bemand telefoonnummer waar mensen met
een zorgvraag of de mantelzorgers terecht kunnen, waar verpleegkundige triage
plaatsvindt en indien nodig geregeld kan worden dat binnen een half uur een
verpleegkundige deskundigheid ter plaatse is. Veelal zijn afspraken gemaakt tussen
thuiszorgaanbieders en ziekenhuizen over het bieden van deze naadloze aansluiting van
ziekenhuis naar vervolgzorg thuis. Ook gaat het bijvoorbeeld om medische
bereikbaarheid en medische beschikbaarheid. Of om allerlei vormen van online
communicatie, monitoring en domotica waarmee zorg op afstand mogelijk wordt. Vaak in
samenwerking met het ziekenhuis en de huisarts. Wat ook onder de voorziening valt is
de werkkracht die beschikbaar wordt gesteld voor het organiseren van netwerken, een
raamovereenkomst Risicovolle Handelingen en zorgpaden waardoor veel van de zorg in
het relatief dure ziekenhuis kan worden verplaatst naar de goedkopere eerste lijn.
Pag. 69
Rapportage enquête inkoop wijkverpleging 2015
Het ontbreken van een voorziening voor ongeplande zorg leidt tot de situatie dat
verschillende groepen burgers geen of onvoldoende zorg ontvangen. Verder stagneert de
beweging van het verplaatsen van zorg van de tweede- naar de eerste lijn. Dat is zonde
zeker nu de technologische ontwikkeling snel voortschrijdt. Tablets, ‘slimme
medicijndozen’ en smartphones zijn innovatieve voorbeelden en vormen steeds meer een
commodity. Stabiele beeldverbindingen en monitorinstrumenten zijn steeds meer
voorhanden. Een en ander vraagt om de voortzetting van de huidige innovatie agenda die
het aandeel ongeplande zorg beter beheersbaar maakt.
Onderzoeksvragen
-
Biedt uw organisatie voorzieningen die kunnen worden aangemerkt als
beschikbaarheidsvoorzieningen?
-
Kunt u een beschrijving geven van deze beschikbaarheidsvoorzieningen?
-
Wat is het totale bedrag dat op jaarbasis noodzakelijk is om deze
beschikbaarheidsvoorzieningen te financieren? Mensen en infrastructuur. Graag
nader expliciteren welke kosten (naar schatting) met welke
beschikbaarheidsvoorzieningen gemoeid zijn.
-
Met behulp van welke prestaties dan wel andere financieringsstromen worden de
beschikbaarheidsvoorzieningen in 2014 gefinancierd? Graag nader expliciteren
welke bedragen (naar schatting) uit de verschillende financieringsstromen
komen?
-
Worden de beschikbaarheidsvoorzieningen –zo u deze aanbiedt- uitsluitend
gebruikt voor cliënten uit uw eigen organisatie? Maken cliënten van andere
zorgaanbieders gebruik van deze beschikbaarheidsvoorzieningen? Werkt u met
een andere organisatie samen om deze beschikbaarheidsvoorziening aan te
bieden?
Pag. 70