c5579-deel-2 (13.19MB)

- 96 -
7. Verdere mechanisatie.
Demag. Ofschoon de hiervoor genoemde pontongraafmachines op zichzelf prima
voldeden, kwam er toch behoefte aan een andere machine voor de sterk begroeide gedeelten.
Door het vrij grof f e grondverzet {0,3 m 3 - 0,6 m 3 per m') had de vegetatie
behoorlijk te lijden en verstikte het kweldergras zelfs zodanig, dat de
bedekkingsgraad soms in 1 jaar 20-25% terugliep. Ook was op deze gedeelten
minder behoefte aan grond voor de akkeropbouw en waren de greppels hoofdzakelijk van belang voor de ontwatering (drooglegging). Verder speelden de
kosten natuurlijk ook en grote rol.
Bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (R.IJ.P.) was voor de ontginning van de ingepolderde gronden een greppelfrees in gebruik, de zgn. Demag- frees. De frees, bestaande uit een ruim 2 meter groot wiel met 12 messen, was voor aan een zwaar rupsvoertuig bevestigd. Het wiel stond schuin
op de rijrichting en was in hoogte verstelbaar. Hiermee kon een ruime ovale ontwateringsgreppel worden gemaakt van 0,5 m3/m', waarbij de uitkomende
grond over de gehele akker werd verspreid (zie foto 101).
Hierdoor werd verstikking van de begroeiing voorkomen en werd deze als het
ware bemest.
Om hierover meer inzicht te krijgen werd een excursie georganiseerd naar
de Noordoostpolder door de heren van Sluis, Bouwsema en ondergetekende.
Tijdens deze excursie bleek dat de resultaten prima waren en dat de machine door ons kon worden gehuurd van de R.IJ.P. Dit is vanaf 1961 gebeurd,
waarna de Demag meerdere jaren in Friesland is ingezet en sporadisch ook
in Groningen.
Het vervoer naar Friesland geschiedde over water op een gehuurde dekschuit
en een eigen sleepbootje. Hiermee heeft men nog eens een hachelijk avontuur beleefd, toen bij harde wind de dekschuit op een asfaltdam bij Harlingen belandde en de Demag van de dekschuit dreigde te glijden. Gelukkig
is, zij het op het nippertje, alles nog goed afgelopen.
De huurprijs bedroeg f 5 0 , — per gedraaid uur in 1964 (bij ca. 450 draaiuren), hetgeen aanmerkelijk minder was dan van een pontongraafmachine,
terwijl de prestatie per uur hoger was. In 1965 bedroeg de prijs f 52,50
en in 1966 f 6 0 , — per draaiuur.
Als machinist fungeerde veelal de wadarbeider J. Vellema uit Ferwerd. Bij
de reorganisatie in 1967 werd hij daarom als "Onmisbaar11 aangemerkt wegens
zijn specialisme als greppelfreesmachinist. Het toeval wil dat hij de
laatst in dienst gebleven Friese wadarbeider is geworden. Hij is per 1 augustus 1985 met FLO gegaan.
Een soortgelijke machine was ook in Noord-Duitsland in gebruik bij het
Bauamt für Küstenschutz und Landgewinnung in Ost-Friesland te Norden.
Om wat meer bijzonderheden over de ervaringen met deze greppelfrees te
vernemen (was daar reeds ca. 10 jaar in gebruik) werd van 15 t/m 17 november 1961 een dienstreis daarheen ondernomen. Hieraan namen deel de heer
L. van Sluis (obj. opzichter Ferwerderadeel), F.H. Keizer (obj. opzichter
- 97 -
Lauwerszee), K.P. Koning (weaselchauffeur/monteur in Groningen) en ondergetekende (zie foto's 102 en 103).
Het bleek dat men ook aan het experimenteren was met houten loopvlakken op
de rupsen, teneinde de schade aan begroeiing, maar ook bij transport over
de weg, te beperken (kunststofuitvoering was toen nog niet verkrijgbaar).
Iets dergelijks is later bij ons bij de D6 tractoren toegepast. Hierbij
werden met staalplaten gewapende rubberblokken (vervaardigd door het Banden- en Vulcaniseerbedrijf G. Topper, Winschoterdiep te Groningen) toegepast.
Ofschoon niet goedkoop, noch in aanschaf noch in onderhoud, heeft het systeem goed voldaan. De tractoren waren hierdoor ook probleemloos op eigen
kracht over een asfaltweg te vervoeren.
Over de genoemde dienstreis is in het voorjaar 1963 de Nota Greppelfrees
Ostfriesland verschenen van de heer L. van Sluis, welke onder nr. 60.87 in
de bibliotheek te Baflo aanwezig is. In deze nota staat ook iets vermeld
over de aanleg van een stenendam met damwand, verdedigd met Noorse steen
en van een kistdam (vrij zware en daardoor erg dure constructies).
Verder is op één der foto's in de nota een Delta-bouw graafmachine te
zien, waaruit blijkt dat er toen reeds een goede uitwisseling en samenwerking aanwezig was. In het bijzonder de heren Wenholt en Bardelmaier hebben
hun uiterste best gedaan om ons zo goed mogelijk te informeren.
Tijdens een ander uitwisselingsbezoek van Ost-Friesen aan onze landaanwinning en bezichtiging van de "schone Salzwiezen" (mooie kwelders) in 1986,
hoorde ik dat dhr. Bardelmaier ook nog steeds actief bezig was met de
landaanwinning in Duitsland.
Vavé-frees. Ook in Groningen werd uitgezien naar andere mogelijkheden voor
begreppeling van de sterk begroeide bezinkvelden. Tijdens een bezoek aan
de Landbouwbeurs, die toen nog jaarlijks tijdens en de dag na de Zuidlaardermarkt (3e dinsdag in oktober) werd gehouden, ontdekten de heer P. Bouwsema en ondergetekende de zgn. Vavé-greppelfrees. Het bleek mogelijk deze
op te hangen achter de D6 Caterpillartractoren. Na een demonstratie in het
terrein en de nodige administratieve handelingen (machtigingsaanvrage
e.d.) zijn hiervan 2 stuks gekocht.
Met deze Vavé-frezen kon een trapeziumvormige greppel worden gemaakt. De
grond werd via een wormconstructie omhoog gebracht en net als bij de Demag
gelijkmatig over de akkers verspreid (zie foto's 104 en 105).
Hiermee zijn jarenlang redelijk goede resultaten behaald, zowel in Groningen als later ook in Friesland. Als tractorbestuurders fungeerden de heren
L. Klip en J. Jonker.
Freesboot. In de praktijk bleek er behoefte te bestaan aan een graafmachine voor het "overgangsgebied".
Op de kale slikvelden voldeden de pontons prima. Op de begroeide gedeelten
kon men met de rijdende machines goed uit de voeten. Het hiertussen liggende gedeelte (overgangsgebied) was echter wel problematisch.
- 98 -
Foto 100. De nieuwste Groningse graafponton.
,»<KH»>Jf..,.4-
Foto 101. De Demag in actie.
- 99 -
Foto 102. Van links naar rechts:
de heren Van Sluis, Bardelmaier,
Klinkhamer en Koning.
Foto 103. Van links naar rechts:
de heren Koning, Bardelmaier, Keizer,
Duitse opzichter en dhr. Klinkhamer.
*•.*#• « • * »
K.
Foto 104. De Vavé-frees.
Foto 105. De brede greppel wordt met de
Vavé-frees versmald.
- 100 -
In goed overleg tussen het aannemersbedrijf van der Stoel, welke intussen
een machinefabriek had voor nieuwbouw en onderhoud van de graafpontons in
Usquert, en de Rijkswaterstaat is toen gezocht naar een voor dit terrein
geschikte machine. Dit heeft uiteindelijk in 1969 geresulteerd in een ponton met erachter een "de Ridder" frees gemonteerd (zie foto 106).
Daar beide partijen er belang bij hadden dat het experiment zou slagen
heeft het Rijk zich garant gesteld om een bedrag (f 20.000,—) aan de aannemer te betalen als, alle inspanningen ten spijt, de proef op niets zou
uitlopen en de machine onbruikbaar zou blijken te zijn. Uitbetaling van
dit bedrag was echter niet nodig daar, na het overwinnen van enige kinderziekten, de machine goed bruikbaar bleek te zijn.
In de periode 1970 tot en met 1979 werden hiermee jaarlijks tussen de
40.000 en 76.000 m 3 gefreesd. Wel bleven er enkele bezwaren bestaan:
1. Voor het uitbrengen van een anker en de lierdraad was naast de machinist een 2 e man nodig (kostenverhogend);
2. De wendbaarheid op de greppeleinden liet te wensen over, waardoor de
productie sterk geremd werd;
3. Door de breedte van de ponton werden de greppelkanten beschadigd en had
de begroeiing nogal te lijden.
Achteraf bleek de machine ook goed inzetbaar op opgespoten terreinen (bij
andere instanties) voor een eerste ontwatering. Als zodanig is hij dan ook
bij derden menigmaal toegepast voor hij op de schroothoop is beland.
Rupsfrees. Daar de D6-tractoren ouder en dus niet beter werden, moest wederom worden uitgezien naar andere mogelijkheden.
De heer Vinke van N.V. Deltabouw te Holwerd zag kans, na veel experimenteren en investeren, een op rupsen rijdende machine zodanig aan te passen,
dat de gronddruk zover werd beperkt, dat hiermee op de bezinkvelden kon
worden gereden.
Aan deze machine werd weer een reeds bestaande frees (type de Ridder) gehangen, waarmee goede resultaten tegen een aantrekkelijk prijs werden verkregen. Later werd er een tweede frees bijgemaakt, en min of meer hiertoe
gedwongen ontwikkelde ook de fa. van der Stoel vanaf 1978 een dergelijke
machine voor de Groninger wadden (zie foto 107). Hiertoe werden van de
aangekochte machine de rupsen verlengd en voor gewichtsverlaging de stalen
platen vervangen door bredere kunststofplaten. De aldus ontstane machine
voldoet tot op heden prima. Tot 1986 heeft de Deltabouw de freeswerkzaamheden in Friesland en de firma van der Stoel die in Groningen uitgevoerd.
In 1986 heeft Deltabouw B.V. het freeswerk in beide provincies verricht.
Rupskraan. Zoals reeds vermeld verspreiden de freesmachines de grond regelmatig over de akker. Toch bestaat er vaak de behoefte om op de minder
sterk begroeide terreinen de akkers nog te verbeteren. Hiervoor is men de
uitkomende grond dus echt wel nodig.
- 101 -
Om hierin te voorzien werd in 1977 geëxperimenteerd met een reeds bestaande, maar aangepaste kraan. De aanpassing betrof weer het onderstel van de
kraan. Deze werd in "moerasuitvoering" gemaakt (langere en bredere rupsen
met kunststofplaten, waardoor de gronddruk teruggebracht kon worden tot
ca. 170 gram per cm^). Hiermee begon ook in Friesland de victorie.
Het loonbedrijf Vrieswijk en Zn, Stationsweg te Holwerd, beschikte over
een dergelijke machine, waarmee voor het waterschap en veel particulieren
het zgn. "hekkeien" en "slatten" werd gedaan (het opschonen van diverse
watergangen in de weidegebieden). Het eerste jaar werd de machine gehuurd
tegen een afgesproken uurtarief. Uit de hiermee berekende prestaties werd
later een m^-tarief bepaald, waardoor het thans mogelijk is dit werk normaal uit te besteden, thans ook in RAW-vorm.
Door het inzetten van deze rupskranen (ook in Groningen door fa. van der
Stoel, zie foto 108), welke veel goedkoper zijn dan pontons, is het ondanks een teruglopend budget toch nog mogelijk een flink deel van het areaal te bewerken.
Walkantfrees. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden door de greppelfrees werd er steeds grond langs de greppels gemorst. Dit werd zoveel mogelijk beperkt door speciale "strijkers" aan de frees te monteren. Voor
die gebieden, die reeds jaren zo zijn bewerkt, bood dit echter onvoldoende
soelaas. Een gevolg van deze verhoogde greppelkanten was dat de afwatering
van de akker sterk belemmerd werd, met alle nadelige gevolgen van dien.
Het bleek mogelijk dit probleem te verhelpen door met een bestaande walkantf rees, opgehangen aan de aanwezige rups-frees in plaats van de "de
Ridder" frees, de grondruggen weg te frezen (zie foto 109). De hiermee gemoeid gaande kosten kwamen echter wel ten laste van de begroting, waardoor
weer minder m-* konden worden gegraven.
In 1985 bleken toch zodanige voorzieningen aan de rupsfrees te kunnen worden aangebracht, dat het walkantfrezen niet meer nodig is (gegarandeerd
door de aannemer).
Het hierdoor weer extra beschikbaar komend bedrag van rond f 100.000,—
per jaar kan dus weer nuttig worden besteed voor andere werkzaamheden.
Noot: Bij alle voor het graafwerk ingezette rijdende machines werd in het
begin veel hinder ondervonden van de zgn. thermometergreppels. Indien n.1. voor het klaarmaken van een akkerrug in de greppel te weinig specie aanwezig was (vaak aan het begin van de greppel), werd
aan weerszijden van de greppel grond weggehaald. Deze werd ter
plaatse soms wel 3 m breed. Ook na dichtslibbing bleven deze gedeelten erg zacht en zakte de rijdende machine dan ook vaak weg.
- 102 -
Foto 106. De "fraisboot*
*&*
%m<v;W
Foto 107. De rupsfrees (de machinist ontvangt instructies van de heer M. van
der Stoel).
- 103 -
o*
•Sfffïiüpi»
Foto 108. De rupskraan (daar de machine op de akker rijdt kan de ontgraven
grond ver weg worden gelegd).
'•::: cH-yrn$
I.-*
PULi1:
.'*'•..
" .
. .-"••
*
'
"'••**•
tëSVftv!*'-.-.:. •;•' ':'.•• .••.••. ' • '.'.Si-j.;%yfe':
Foto 109. De walkantfrees op het opslagterrein van de aannemer.
- 104 -
8. Gevolgen van de mechanisatie.
Zoals reeds vermeld in het hoofdstuk "Smak- haak- en kruiwerk" bedroeg de
greppelafstand in Groningen veelal 6 m h.o.h. (dus akkers van 5 m breedte).
Na enkele jaren van mechanisatie (jaarlijks alles graven) was het echter
niet meer mogelijk de uitkomende specie op deze smalle akkers te bergen.
Er is toen een voor de hand liggende oplossing gekozen, t.w. om de andere
greppel niet meer graven. Hierdoor ontstond veel meer berging voor de specie (11 m brede akkers) en tevens werd hierdoor een bezuiniging van het
graafwerk verkregen.
In Friesland was reeds bij de aanleg van de bredere greppels (1.50-2.00 m)
een grotere onderlinge afstand aangehouden (10 m h.o.h.) en speelde dit
probleem dus niet. Door de mechanisatie (grotere hoeveelheden grondverzet
in één keer in plaats van vele kleine spitjes) bleven de akkers ook beter
in vorm. Door er met de bak over te strijken werd de grond als het ware
geëgaliseerd. Hierdoor kreeg het getij ook minder invloed op deze compactere ruggen en spoelde er ook minder van weg. Hierdoor bleef de ontwatering beter intact.
Een goede toegankelijkheid van de terreinen was i.v.m. de steeds verder
doorgevoerde mechanisatie een eerste vereiste en vroeg dus de nodige aandacht en ook kubieke meters.
Een verdere besparing van het aantal m^ grondwerk werd gevonden in het
dicht laten slibben van o.a. de noordelijke smaksloot langs de dwarsdammen. Zonodig werd de grond over de dam heen gelegd om doorspoeling te
voorkomen (dit was in handwerk nauwelijks mogelijk geweest). De greppels
werden in zuidelijke richting wel iets verder doorgetrokken, teneinde de
ontwatering weer niet teveel geweld aan te doen.
- 105 -
9. Damaanleg en herstel.
Bij het graafwerk is steeds getracht door verdere mechanisatie het werk
minder arbeidsintensief en daardoor ook minder kostbaar te maken. Dat was
echter bij damaanleg en -herstel minder goed mogelijk. Wel werden voor het
plaatsen van de palen verschillende methodes toegepast.
In het begin werden de palen met zware hamers, zgn. "perkoenhamers" (vervaardigd uit gietijzer met ronde koppen van ca. 10 cm doorsnede) (zie foto
110) in de grond geslagen. Ook gebeurde dit met zware handheien (zie foto
111) en voor de erg lange en zware palen zelfs met een lichte heistelling,
uiteraard op handkracht.
Een grote verbetering was het inspuiten van de palen. Hiertoe werden kleine centrifugaalpompjes (zie foto's 112 en 113) gebruikt, die per slikslede
(door mensen getrokken) en later per weasel naar het werk werden gebracht.
Aan de persslang werd een speciale, ca. 3 m lange, persbuis gekoppeld. Deze buis was aan het ondereind vernauwd (dichtgeslagen) om meer druk te
krijgen. Aan de zijkant, vlak boven het ondereinde waren enkele gaten in
de buis geboord, waardoor het zand beter werd weggespoten. Hierdoor ontstond een ruim gat waarin de paal geplaatst kon worden. Deze werd daarna
nog enige decimeters "nageheid" of geslagen, om hem voldoende vast in de
grond te krijgen, teneinde "opdrijven" te voorkomen. Vaak werd hierbij
hinder ondervonden van de in de wadbodem aanwezige schelpenlagen, die erg
hard waren.
De benzinemotoren van de pompjes kampten, mede door het zoute milieu, vaak
met storingen. Later werden dan ook wel dieselmotoren gebruikt, die minder
gevoelig en daardoor bedrij fszekerder waren.
Om de palen allemaal op dezelfde hoogte te krijgen, in het algemeen op NAP
+130 cm, maar sommige buitenste dammen ook wel 10 tot 30 cm lager, werd
eerst het "stramien" van het bezinkveld met piketten uitgezet. Deze piketten werden gewaterpast. Hieruit werd een zgn. "palenkaart" gemaakt, waaruit de lengte van de benodigde palen kon worden berekend. De palen kwamen
voor 3/5 gedeelte in de grond en voor 2/5 gedeelte erboven. Bij een maaiveldhoogte van b.v. NAP +30 cm was dus een paal van 2,50 m lengte nodig,
bij NAP -20 cm een lengte van 3,75 m.
Achter de piketten werd een "zichtlat" op de juiste damhoogte geplaatst.
Hiertussenin konden de palen dan op de zuivere hoogte worden "ingezicht".
Het was een soort erezaak om alle palen netjes op één hoogte te krijgen,
hetgeen erg goed gelukt is (zie foto 114). Op een gekleurde overzichtskaart op het dienstkringkantoor te Baflo zijn de diverse jaren van damaanleg aangegeven.
Het plaatsen van de soms wel 4.00 m lange palen was niet eenvoudig. Er
werden dan ook vaak hulpconstructies gebruikt om op een betere "slahoogte"
te komen (b.v. een verhoogd bordes op een slikslede). Het over meer dan de
helft van de lengte van de palen in de grond aanbrengen was nodig om ze
voldoende vast in de grond te krijgen. Na het aanbrengen, aantrappen, aanstampen met de perkoenhamer (zie foto 115) en vastzetten van de droge
106 -
Foto 110. Van links naar rechts: pulspaal, edelmanboor, perkoenhamer en neerzet stok.
r
".
s-wS*:' • "
•*S*J
«*•
Poto 111. De handhei.
- 107 -
Foto 112. Het gebruik van de motorspuitpomp met lange persbuis (de spuitmeester draagt een speciaal schort).
Foto 113. Als foto 112 (opz. Cremer kijkt belangstellend toe).
- 108 -
rijshoutvulling ontstond bij opkomend water n.1. een flinke opwaartse
drijfkracht, die overwonnen moest worden.
Voor de plaatsbepaling in de lengterichting (h.o.h. 60 cm) werd gebruik
gemaakt van lange latten met om de 60 cm een kram erin geslagen.
Nadat de palen enige tijd (minimaal enige dagen) hadden gestaan, werd de
rijshoutvulling aangebracht. Er werd echter eerst een spit grond tussen de
palen weggehaald. Hierin werd een laag haver- of tarwestro aangebracht om
uitspoeling van het zand te voorkomen. Ook werd daarna zo spoedig mogelijk
de "smaksloot" langs de dam gegraven en de uitkomende grond tegen de dam
gegooid, eveneens om "uitschuring of uitspoeling" te voorkomen. Het rijshout wordt om de 2 jaar bijgevuld, maar de erover liggende bevestigingsdraad moet zeker jaarlijks worden bijgespannen (zgn. neerzetten). Afhankelijk van de ontstane ruimte tussen draad en rijshout geschiedt dit aan één
of aan beide zijden.
Ook werd als proef soms een zgn. "piasberm" aangelegd. Deze bestond uit
stro, waarover een laag los rijshout, welke onder een hoek van 45 graden
met de dam op de wadbodem werd vastgezet (zie foto 116).
Dit was echter geen succes. Zowel door de wervelingen om de piketten als
de beweging van het rijshout wilde de grond (vooral in het begin erg zanderig) niet blijven liggen.
Voor het plaatsen van enige palen (bij herstelwerk) werd gebruik gemaakt
van de "pulspaal", ook wel "pulsstok" genoemd. Dit was een rechte gladde
houten paal, voorzien van een stalen punt. Onder toevoeging van water en
het afwisselend maken van op- en neerwaartse bewegingen ontstond op den
duur een gat waarin de paal geplaatst kon worden. Ook hierbij werden de
laatste decimeters weer geheid of geslagen, teneinde opdrijving te voorkomen. Vanaf 1965 werd ook wel met een "Edelman" grondboor een gat geboord
waarin de paal geplaatst kon worden (zie foto 110).
Ook in het begin van de periode van aanbesteding van het damwerk werd door
het aannemerspersoneel van dezelfde hulpmiddelen gebruik gemaakt. Ook werden de voor het herstel nodige kortere palen wel volledig ingeslagen met
zware voorhamers. Eerst vanaf 1980 werd gebruik gemaakt van een zgn. "mechanische palenklopper" (zie foto 117). Dit apparaat, gemonteerd op een
vrij hoog frame, moet met 4 man gedragen en in evenwicht worden gehouden,
hetgeen daardoor ook toch nog vrij kostbaar is. Het inslaan van de paal
kost natuurlijk hierbij geen menselijke energie en de paalkop wordt minder
beschadigd.
De H.I.D. Ir. Tuyten heeft tijdens een werkbezoek eens op deze wijze meegeholpen om zo een paal te plaatsen voor het damherstel.
De bevestiging van het rijshout geschiedt door het aanbrengen van een
draad over het rijshout. De draad wordt op regelmatige afstanden met een
extra slag om de paal gelegd en met flinke krammen (eerste 1V4 duims, later zelfs 1V2 duims) aan elke paal bevestigd (zie foto 118).
Ook zijn er in 1956 proeven gedaan om met latten, vastgespijkerd aan de
palen, het rijshout te bevestigen. Dit was erg duur en lastig bij het
neerzetten van het rijshout (zie foto 119).
- 109 -
Foto 114. Hierop is goed te zien dat de dam "waterpas" is (uitgezonderd
uiteraard de aflopende vleugels).
Foto 115. Het aanstampen van het rijshout, direct voor het vastleggen van de
draad.
- 110
Foto 116. Het aanleggen van een "piasberm",
•I I "
•• " l l . M I t , lltt.Kt.it,,
•«» <i»s'JiM><ii»iiu«in«uuiuianiti
iFoto 117. De mechanische palenklopper.
-111-
Foto 118. Het rijshout wordt d.m.v, een draad op zijn plaats gehouden (wordt
hier neergezet.
'v -
Foto 119. Proef met latten i.p.v. draad.
- 112 -
Noot; Momenteel zijn proeven gaande voor een andere bevestigingsmethode.
Hiertoe worden van haakjes voorziene stalen strippen stevig aan de
palen bevestigd. Aan elke strip zit een 5-tal haakjes op onderlinge
afstand van ca. 5 cm (zie foto 120). Bij het aanbrengen wordt de
draad onder het bovenste haakje doorgelegd. Bij het neerzetten kan
één van de onderliggende haakjes worden gebruikt. Nadeel: Kans op
roestvorming van de strip en van de haakjes, waardoor de draad moeilijk zal willen glijden. Als variant wordt ook beproefd een licht
hoekijzer met ingezaagde inkepingen (zie foto 121).
Ook wordt gelijktijdig geëxperimenteerd met hardhouten strippen
voorzien van inkervingen. Voordeel: Geen roestvorming. Mogelijk nadeel: Kans op afschuiving van het hout.
De tijd moet leren of dit toepassing op grotere schaal rechtvaardigt. Een groot bezwaar voor beide oplossingen zijn de eerste aanschaf kosten, die allicht niet gering zullen zijn als bedacht wordt
dat in de totaal aanwezige 240 km rijzendam ca. 800.000 palen staan.
Een voordeel is: Minder beschadiging van de paalkoppen en eenvoudiger aanbrengen en neerzetten van de draden.
Als draad werd in het begin gegalvaniseerd draad no. 11 (vrij soepel) gebruikt. Later een dikkere draad (no. 10) en weer later no. 9 en deze zelfs
in zwaar gegalvaniseerde uitvoering.
Gemiddeld wordt per jaar ca. 15 ton draad verwerkt. Door roestvorming
(zout water) moest deze draad toch nog minimaal elke 2 jaar worden vernieuwd .
In 1967 zijn in Friesland (het Schoor) proeven genomen met geplastificeerd
draad van verschillende diktes. Uiteindelijk werd gekozen voor geplastificeerd draad.no. 9. Ondanks de ca. twee keer zo hoge aanschaffingskosten
was dit toch wel rendabel. Deze draden kunnen afhankelijk van de "behandeling" of "mishandeling" in het wad, wel 4 en soms wel 6 jaar worden gebruikt. Het draad wordt in rollen van 25 kg geleverd (zie foto 122).
Bij vorst moet de draad zoveel mogelijk met rust worden gelaten, daar het
plastic dan erg kwetsbaar is. Ook het gereedschap om de draden te spannen
veroorzaakt vaak beschadiging van de plastic laag. Op deze beschadigde
plekken ontstaat dan toch weer roestvorming en op den duur draadbreuk.
Als gereedschap voor het draden neerzetten werd eerst de zgn. draadspanner
gebruikt. Dit was een taps toelopende stalen stang, welke als hefboom werd
gebruikt en waarmee vrij veel kracht kon worden uitgeoefend. Het nadeel
was dat de stang soms over de gladde paal weggleed. De destijds bij de
dienst werkzame kantonnier D. Kipperman vond hier iets op, door het eind
van de stang iets te veranderen (maakte er een omgebogen puntje aan). Ook
construeerde hij een voorwerp waarmee de krammen vrij eenvoudig uit de
paal konden worden getrokken en dat tevens als hamer dienst kon doen (zie
foto 123). Voor deze uitvindingen werd ook hij beloond met f 100,— via de
Ideeënbus. Wel moest bij het gebruik ervan iemand op de dam lopen om het
rijshout door zijn eigen gewicht neer te drukken.
- 113 -
Foto 120. Proef met strippen i.p.v. krammen,
Foto 121. Proef met hoekijzer met ingezaagde inkepingen.
- 114 -
In 1969 ontwierp de objectsopzichter G. Halbersma in Friesland de zgn.
neerzetstok. Dit was een stalen gaffel aan een ca. 70 cm lange houten
schopsteel, welke tot op heden prima voldoet (zie foto 110). Er is hiermee
minder kans op draadbeschadiging dan bij de draadspanner. Het neerdrukken
van het rijshout kan nu door de persoon op de dam gebeuren, die tevens de
neerzetstok hanteert (zie foto 118).
Deze uitvinding had ook zeker een beloning gerechtvaardigd maar is nooit
als een idee ingezonden. Hetzelfde type neerzetstok wordt nog steeds door
de aannemer gebruikt en daartoe zelf vervaardigd, daar hij niet in de handel verkrijgbaar is.
In verband met de genoemde bezwaren (beschadiging en roestvorming) is nog
overwogen om in plaats van met draad met nylontouw te gaan werken. In 1968
is hiermee een kleine proef gedaan. Om allerlei praktische redenen is hier
echter verder vanaf gezien (er zat vrij veel rek in het touw en men was
bang voor doorschuring op de kram en voor diefstal. Het rijshout zou dan
direct over vrij grote lengte los komen té liggen; de kram wordt n.1. niet
geheel tot het eind toe ingeslagen. Het weinig wegend touw (tiptolene dik
4 mm) werd nog wel eens door de kantonnier (vanwege zijn gering gewicht)
op de inspecties meegenomen en als noodverbandje toegepast.
Vanaf het prille begin tot op heden wordt voor de damvulling rijshout gebruikt. Het duurzaamste hout is eiken (i.v.m. de rechtheid van de takken
liever Amerikaans dan inlands eiken). Wilgenhout wordt voor zinkstukken
(blijvend onder water) erg veel toegepast maar is voor ons werk totaal ongeschikt, daar het afwisselend nat en droog wordt en daardoor erg "bros".
Het rijshout dient zonder blad te zijn, daar de damvulling anders te dicht
zou worden en het tijdens de opslagperiode schimmel tot gevolg zou hebben.
Ondanks vele proeven is er voor dit natuurproduct nog steeds geen goede
vervanger uit de bus gekomen. Het materiaal moet het water tot rust brengen, maar het wel "afgeremd" doorlaten. Het dient hiertoe zgn. "half open"
te zijn. De golven moeten er als het ware in "doodslaan" en daarvoor moet
het dus ook een bepaalde "massa" hebben.
Er zijn in het verleden proeven gedaan met sintel- en gewapendbetonplaten
(voorzien van een flink aantal sleuven), asbestgolfplaten, steengaas,
kunststofmatten (zgn. Netlon, zie foto's 124 en 125), zgn. Simoniteplaten,
kunststof gaas en azobématten (zie foto's 126 en 127). Enige jaren geleden
is in Friesland nog een proef gedaan met filterdoek. Dit zou ook een besparing op de palen geven (slechts één rij palen nodig). Ook dit bleek
reeds na enige weken een mislukking te zijn geworden. De eerdergenoemde
materialen bleken evenmin een oplossing te zijn.
Momenteel loopt een proef van de fa. Lankhorst te Sneek. Deze probeert het
rijshout na te bootsen uit afval van landbouwplastic en huisvuilzakken.
Men vervaardigt hieruit als het ware lange "dropstengels". Na diverse probeersels en daarna gehouden besprekingen met ons personeel zijn nog weer
enkele veranderingen doorgevoerd. Door de vrij gladde stengels iets golfvormig te maken en samen te bundelen tot 3 m lange bossen lijkt het wel
iets op rijshout. Momenteel wordt hiermee vlak ten Oosten van de pier van
- 115 -
*s
Foto 122. Een voorraadje rollen draad.
Foto 123. Uitvinding gereedschap voor damherstel door dhr. D. Kipperman.
- 116 -
Foto 124. Proef damgedeelte met
kunststof (netlon).
Foto 126. Proef damgedeelte met
azobémat.
Foto 125. Detail "netlondam"
Foto 127. Ter voorkoming van onderspoespoeling van de azobémat wordt een
flinke laag stro gebruikt (hierop komt
de grond uit de smaksloot).
- 117 -
Holwerd (dam 193) een proef gedaan om te bezien hoe het in de praktijk
werkt (zie foto's 128 t/m 130). Het materiaal voor deze proef wordt kosteloos door de fa. Lankhorst ter beschikking gesteld. Het vervoer en de aanleg is door RWS geschied. Er valt hierover nog weinig te zeggen. De eerste
indruk is echter wel dat het materiaal, samengebundeld in de dam, toch
weer te dicht is, zodat opzichter B. Dijkstra zeer recent de uitspraak
deed: Rijshout is niet te vervangen.
Mocht het toch positief uitvallen dan zal moeten worden bezien of het financieel een haalbare kaart is en of het ook milieuproblemen geeft. Het is
immers in tegenstelling tot rijshout, dat onschadelijk en milieuvriendelijk is, geen natuurproduct.
Voor het normaal onderhoud zijn jaarlijks tussen de 100.000 en 130.000
bossen nodig. In 1965 werden nog 180.000 bossen verwerkt.
Het merendeel van deze rijsbossen wordt gekocht. Als leveranciers fungeren
de laatste jaren Willem van Wijngaarden B.V. te Sliedrecht en de Handelsonderming van Schaik te Langbroek.
De bossen worden met speciaal daartoe uitgeruste vrachtauto's te Zoutkamp
aangevoerd (lange stalen stangen aan de zijkanten). Een vracht bestaat
soms wel uit ca. 1800 bossen. Het zijn zgn. "Rijkswaterstaat Baflo"-bos~
sen, welke 3 m lang zijn en dunner dan de officiële "Gelderse" bossen (zie
foto 131). Ze passen daardoor beter in de dammen (tussen de palen) en ze
zijn beter hanteerbaar. Er mag geen wilgenhout en slechts 5% elzenhout in
verwerkt zijn.
In het begin werd te Zoutkamp veel rijshout per schip aangevoerd, maar ook
wel per spoor tot Winsum en vandaar per vrachtauto (o.a. transportbedrijf
Blauw te Leens en T. Meisner, opgevolgd door de heer Pinkster te Eenrum).
Ook had de dienst destijds twee vrachtwagens (International) met als
chauffeurs A. Bolhuis en H. Brouwers, die i.v.m. deze werkzaamheden de
reeds genoemde dienstwoningen aan de Willem de Zwijgerstraat 28 en 30 te
Baflo bewoonden.
Vroeger werden de bossen per stuk door 2 man aan de vork op de auto geladen en ook vaak weer per stuk gelost en geteld. Soms kon, in het werkseizoen, de vracht rechtstreeks worden gelost op een praam. Dit betekende dan
één behandeling minder op het opslagterrein.
In de zestiger en zeventiger jaren werd ook wel rijshout betrokken van een
paar kleine leveranciers uit Friesland (fa. Hofman, L. de Jong en van der
Honig). Door hoofdzakelijk met 65-plussers te werken was het mogelijk tegen sterk concurrerende prijzen te leveren, echter maar in geringe hoeveelheden (rond de 10.000 bossen per leverancier). Ook werd een deel van
het rijshout in goed overleg met Staatsbosbeheer Drente (hr. Kühn) en veel
later ook in Friesland (hr. van der Hul) door eigen personeel gekapt.
In de herfst- en wintermaanden had het graafwerk buitendijks weinig zin
(veel verletten door duisternis, vorst en slecht weer, waarbij het gemaakte werk door de stormen vaak weer werd teniet gedaan).
- 118 -
i*y»*f*",y*"
Foto 128. Vervoer van het "kunstmatig rijshout",
Foto 129. Zijaangezicht van de met "kunstmatig rijshout" gevulde dam.
- 119 -
Foto 130. Bovenaanzicht proefdam met "kunstmatig rijshout".
ffibfejg-jBMfci&tM'.
Foto 131. Het lossen van de bundels rijshout op het opslagterrein te Zoutkamp
- 120 -
Ook moest dan emplooi worden gezocht voor de duinarbeiders en voor een gedeelte van het dijkpersoneel. Het vervoer van het personeel naar bijv. de
Staatsbossen van Borger of Grollo geschiedde in het begin (rond 1965) met
een grote touringcar van Gebr. Veenstra te Quatrebras. Later werden hiertoe de intussen bij de dienst aanwezige (4 stuks) V.W.-busjes ingezet.
Door het afnemen van het aantal arbeiders zijn de gekapte hoeveelheden
bossen intussen teruggelopen van rond 50.000 in 1965 tot amper 10.000 in
1986. Er is daarom door ing. Vrieling besloten om voor de hakperiode 1986/
1987 hier niet meer mee door te gaan. Zeker was toch reeds,dat voor de periode 1987/1988 (na overdracht van de Rijkszeedijken met het personeel van
de Bmmapolder en Eemshaven naar het Waterschap Hunsingo) het aantal kappers te gering zou zijn om hiermee nog verantwoord door te gaan.
De door eigen personeel gehakte bossen werden per eigen vrachtauto uit de
bossen gehaald. Het laden ging vroeger ook per stuk in handwerk en in tarief (volgens de mensen was hierin trouwens nooit een extra cent te verdienen) .
Het laden geschiedt de laatste 5 jaren ook reeds mechanisch, maar nog wel
als losse bossen (met een speciaal daartoe ingerichte kraan met lange
grijperbak). Deze kraan kon in de omgeving van de laadplaats worden gehuurd. Dank zij het mechanisch laden konden er vanzelfsprekend ook weer
meer bossen door het personeel worden gekapt.
Thans worden door de leveranciers 75 bossen in een strop van touw samengebundeld en met een kraan op de auto geladen en te Zoutkamp ook zo weer gelost (zie foto 131).
De telling geschiedt nu door het tellen van het aantal bundels a 75
stuks. Ter controle worden steeksproefgewijze een aantal geloste bundels
gecontroleerd op het aantal van 75 bossen. De keuring (op lengte, dikte en
kwaliteit) geschiedt eveneens door de opzichter van het opslagterrein te
Zoutkamp. Zonodig wordt bij afwijking op lengte en dikte van de geleverde
bossen een korting toegepast. De leverancier wordt hiervan uiteraard op de
hoogte gesteld en krijgt dan vaak tevens de waarschuwing dat bij herhaling
de totale vracht wordt afgekeurd en geretourneerd.
Teneinde de relatief hoge kosten voor het damwerk te drukken is vanaf 1980
een 3-jarenplan voor damherstel toegepast. Na enkele jaren werd reeds geconcludeerd dat dit geen goede oplossing was. Er moest tussentijds te vaak
worden neergezet, hetgeen nog werd bemoeilijkt doordat het te lang duurde
dat er weer een "verse" bos bovenop kwam. Het bovenste hout werd intussen
te bros en veel stokken knapten, doordat er over de dam moest worden gelopen om het rijshout voldoende naar beneden te krijgen. Daarom zijn we toch
maar weer teruggegaan naar het 2-jarenplan. De buitenste dwarsdammen worden nu echter minder hoog gevuld, n.1. tot halve damhoogte met een max.
van 50 cm.
Ter kostenbesparing zijn tegelijkertijd enkele buitenste damgedeelten
(overgang Lauwerpolder-Emmapolder en het oostelijk gedeelte in Friesland,
- 121 -
boven Ternaard) afgestoten. In laatstgenoemd gebied zijn trouwens toch
geen begroeide bezinkvelden, zodat daar ook het graafwerk niet meer
plaatsvindt. De erosie valt in dit gebied dan ook reeds duidelijk waar te
nemen.
Tot voor enkele jaren bedroeg het vervangen van gebroken palen slechts enkele duizenden per jaar. Bij het steeds ouder worden van de dammen loopt
dit aantal de laatste jaren snel op tot 10 a 15.000 stuks per jaar. Dit
aantal zal de komende jaren eerder toe- dari afnemen. De palen werden vroeger ongeschild, ongepunt en ongekruind gekocht, zowel van Staatsbosbeheer
als van particulieren in Drente. Een lange reeks van jaren was L. Koster
te Nieuwbalinge leverancier, na zijn bedrijfsoverdracht aan zijn schoonzoon de heer de Goede, door hem.
Het schillen, punten en kruinen was dan mooi aanvullend werk op de overslagplaats Zoutkamp. Dit werk gebeurde ook in tarief, evenals het laden en
lossen van rijshout.
De palen kregen afhankelijk van hun lengte een bepaalde gekleurde kop, zodat later bij het laden en verwerken de lengte gemakkelijk was af te "lezen" .
Toen nog volop op landwinst werd gewerkt verdween er jaarlijks een aantal
meters dam onder de grond. In verband met het gepland toekomstig gebruik
van de grond als bouwland was het nodig om de palen te verwijderen (het
rijshout verrotte wel in de grond). Hiertoe werden de reeds eerder genoemde D6 Caterpillar-tractoren geschikt gemaakt. Via een lier met een draad,
met aan het eind een stuk ketting over een verhoogd aangebrachte katrol,
werden de palen uit de grond getrokken en daarna afgevoerd.
Ook werd voor dit doel in overleg met de opzichter B. Reinhart te Uithuizen door fa. K. Sietsema te Uithuizermeeden een tractor omgebouwd voor deze werkzaamheden (zie foto's 132 t/m 135). Deze tractor kon, na het afnemen van de wielen, ook op smalspoor rijden, waardoor de getrokken palen
gemakkelijk, via het toch benodigde smalspoor, konden worden afgevoerd
naar het opslagterrein. Hiervan is vooral in de Emmapolder dankbaar gebruik gemaakt. Ook deze uitvinding is destijds door de Ideeënbus-commissie
beloond met een bedrag van f. 100,—.
Ofschoon daar minder behoefte aan bestond kon het geheel ook worden omgebouwd tot een soort heistelling.
Tegen de verwachtingen in bleken de uitgekomen palen, behalve voor brandhout, niet meer bruikbaar. De boveneinden waren door het veelvuldig inslaan van de krammen zodanig beschadigd en verrot, dat ze zeker zouden
moeten worden ingekort. Ook bleek vaak dat ze, na een half jaartje ter
uitdroging op de opslag gelegen te hebben, erg bros waren geworden, vooral
op de water- en windlijn.
Zowel tijdens de "status quo"-fase (verminderd grondverzet) als thans verdwijnen er nog nauwelijks dammen onder de grond; erger nog, sommige reeds
weggewerkte dammen komen thans weer te voorschijn en vragen weer onderhoud.
- 122 -
Foto 132. De aangepaste tractor met
zittend de constructeur en staande
de uitvinder B. Reinhart.
Foto 133. Detail van de voor het
smalspoor geschikte loopwielen.
Foto 134. Het gevaarte rijdend op
smalspoor in het wad.
Foto 135. Alle ogen zijn gericht op
de te trekken paal.
- 123 -
De palen werden zonder enige preparatie gebruikt. Ze werden door de natuur
in het zoute water als het ware "gewolmaniseerd" en konden het, zoals de
praktijk heeft uitgewezen, mede afhankelijk van de dikte, ca. 30 jaar volhouden .
Momenteel worden de palen geschild en gepunt, compleet in bundels variërend van 50 tot 100 stuks, afhankelijk van de lengte en de dikte, geleverd
op het opslagterrein te Zoutkamp (zie foto 136).
In 1985 kwamen nog enkele tienduizenden palen vrij, die als tijdelijke afrastering hadden gediend tijdens de dijksverzwaring van de zeedijken van
het Waterschap Ommelanderzeedijken. Het Waterschap stelde geen prijs op
deze palen, die echter door de dienstkring nog goed konden worden gebruikt
(zie foto 137).
In Friesland (gedeelte Het Schoor) zijn, in afwijking van het normale patroon van bezinkvelden van 400 x 400 m, uit bezuinigingsoverwegingen destijds een aantal bezinkvelden aangelegd van 1200 m breed (alleen de 2 e en
3 e bezinkvelden). Dit bleek in de praktijk toch minder te voldoen en daarom zijn in 1981 alsnog enkele tussendammen geplaatst.
Door de slechte resultaten die hier v.w.b. de opslibbing zijn bereikt en
de hoge onderhoudskosten van de hoog boven het maaiveld staande (en dus
kwetsbare) dammen, zijn de buitenste dwarsdammen vanaf 1979 niet meer onderhouden .
Ook in Groningen zijn soms bezinkvelden van afwijkend formaat aangelegd.
In de zgn. "open bezinkvelden" (geen afsluitende dwarsdam) werd soms later
ter bevordering van de rust in het water in het midden (dus op 200 m afstand) een tussendam aangelegd. Ter besparing van kosten werden deze vaak
20 cm lager aangelegd dan de aanwezige hoofddammen. Daar dit nog niet afdoende was werden de vakken later toch dichtgezet en ontstonden dus bezinkvelden van 200 x 400 m (gedeelte Noord- en Lauwerpolder). Ook is over
een gedeelte de buitenste dam niet evenwijdig aan de vorenstaande aangelegd, waardoor dus trapeziumvormige velden ontstonden. Dit speelde zich af
op een gedeelte waar inpoldering werd verwacht en men de dam alvast ging
aanleggen op het toekomstig theoretisch dijktracé (Negenboerenpolder).
Eveneens ontstonden trapeziumvormige vakken bij bochten of knikken in de
dijk. De dammen werden normaliter evenwijdig aan elkaar en zoveel mogelijk
haaks op de dijk geplaatst. Bij de bochten en knikken geschiedde dit loodrecht op de raaklijnen van de circels, waardoor zgn. "geervakken" ontstonden. Hierin paste dan echter ook het normale graafpatroon niet. Dit probleem werd dan opgelost door de greppels maar evenwijdig aan de dijk te
graven en ze direct in een uitwatering te laten uitmonden.
Dit systeem kwam echter de opslibbing niet ten goede, daar de watersnelheid in de greppels te hoog bleef, maar moest noodgedwongen op de koop toe
worden genomen.
Als experiment is in de Julianapolder een gronddam opgespoten en gedeeltelijk met klei en zoden, maar grotendeels met puin en asfalt afgedekt (de
zgn. kadijk; zie foto 138).
-
124 -
~m
\ ^
''"n%:mmi'»
f
—«.«M
^6
# .•J>1
***&
je*
A/ e: #r" ;
hifa
*i»k"*
*„..••'>--
Foto 136. De bundels palen op het opslagterrein.
Foto 137. De grote stapel losse palen (voorheen afrasteringspalen).
- 125 -
/
„
i"".A'
Foto 138. De kadijk in de Julianapolder.
Foto 139. Deze foto toont duidelijk het verschil in aanslibbing.
- 126 -
Het experiment, zowel de aanleg als de gevolgen ervan, is als zodanig een
groot succes geworden. De aanslibbing aan de oostzijde van de dam bedraagt
momenteel wel ca. 75 cm meer dan aan de westzijde (zie foto 139). De hoge
kosten van deze dam rechtvaardigen echter geen uitbreiding van dit systeem. Het is echter nog steeds een ideale gelegenheid om "op schoenen" het
wad in te kunnen bij bijv. excursies. Ook de wadlopers maken er bij de
oversteek naar Schiermonnikoog nog steeds dankbaar gebruik van.
Eveneens als experiment is een dam extra versterkt door tegen de palen aan
de oostzijde nog een schoorpaal te plaatsen. Deze moest dan voorkomen dat
bij zware westelijke winden de dam werd overgedrukt. Ook verwachtte men
dat eventuele ijsschotsen op deze palen zouden breken. Een dergelijke dam
bevindt zich in de Julianapolder, als verlengde van de hiervoor genoemde
kadijk (zie foto 140).
Indien bij het aanleggen van een rijzendam een geul moest worden gepasseerd, werd soms een "kistdam" aangelegd. Deze bestond uit 3 rijzendammen
op 150 cm afstand van elkaar, waarbij de 2 buitenste dammen afhankelijk
van de hoogte van het maaiveld tussen 50 en 100 cm lager waren dan de middelste.
De voor het vastzetten van de draden benodigde krammen worden in 5 kg-pakken geleverd (enkele tonnen per jaar). De verpakking bestaat uit karton.
Tijdens het vervoer van deze krammen in de open lucht op de praam werd deze verpakking vaak dusdanig nat, dat ze geheel verweekte en de krammen los
aan dek kwamen te liggen en later spoorloos verdwenen. Teneinde dit te
voorkomen zijn plastic zakken (vrij zware uitvoering) aangeschaft, waarin
te Zoutkamp de papierpakken worden gestopt (zie foto 141). De hiermee gemoeid zijnde kosten worden ruimschoots terugverdiend, daar er nu geen
krammen meer verloren gaan. Bovendien is thans voor op de dekschuit een
speciale houten kist geplaatst, waar de pakken beter beschermd zijn (zie
foto 142). De palen worden in speciale rekken (i.v.m. diverse lengtes)
achter op de dekschuit vervoerd naar het wad (zie foto 143).
Foto 144 toont hoe een geladen wadsleper (vanaf de grote dekschuit op de
achtergrond) naar de dam wordt gesleept. Nadat deze bij laagwater is
drooggevallen kunnen de rijsbossen er vanaf worden genomen en in de bij te
vullen dam worden gelegd (zie foto 145).
- 127 -
Foto 140. Dam met schoorpalen.
Foto 141. Een pallet vol pakken krammen. De bovenste 2 pakken zijn in plastic
zakken verpakt.
- 128 -
Foto 142. Een half geladen dekschuit met voorop de "krammenkist",
Foto 143. Achterop de dekschuit de speciale "palenrekken".
- 129 -
-i
..r
.£•
kWt-'j"1
„-4,.
-J.Ï3*
Foto 144. Het transport v a n rijshout naar d e dam op d e wadslepers.
Foto 145. Het lossen van de wadsleper.
- 130 -
10. Nummering van de bezinkvelden.
Om verschillende redenen (plaatsbepaling in het terrein, verslaglegging,
vermelding op dagrapporten enz.) was het nodig de dammen, en daardoor ook
de bezinkvelden, een nummer te geven.
Daar Friesland en Groningen in het begin zelfstandig opereerden hadden
beide provincies ook elk een eigen nummering. In Friesland hadden de 5
verschillende objecten zelfs hun eigen nummering ('t Bildt, Noorderleeg,
Ferwerd, Holwerd en Lauwerszee). Dit moest er dus steeds bfj vermeld worden om misverstanden te voorkomen. Men sprak dus b.v. van 24^, 16 n , 18^,
20 n en 8^. Ook werden er later nog wel eens extra dammen tussengeslagen
(vooral op de buitenste bezinkvelden), welke dan uit nood een zgn. "accentnummer" kregen, b.v. 18^.
In Friesland hadden de onderverdelingsvakjes ook nog een apart nummer,
zodat de nummers van de rijshoutdammen steeds met 4 opliepen (b.v. dam 8,
12, 16, 20 enz.). In Groningen kende men dit systeem niet, maar in de zeventiger jaren ontstond ook daar wel de behoefte i.v.m. nacalculatie, opname begroeiing enz.
Reeds in 1966 stelde dhr. Bergman voor om voor Friesland een nieuwe doorlopende nummering in te voeren. Dit stuitte echter op zoveel praktische
bezwaren, dat het toen niet door is gegaan.
Na de afsluiting van de Lauwerszee werd het geheel nog onoverzichtelijker , daar er langs de Groninger kust een aantal nummers (1 t/m 17) verdween. Ofschoon het vooral bij het toezichthoudend personeel wel op grote
weerstand stuitte, heb ik in 1979 toch opdracht gegeven een geheel nieuwe
doorlopende nummering over beide provincies in te voeren, volgens het
Friese systeem. De nummering begint nu met dam 0 in 't Bildt en eindigt
in de Emmapolder met dam 588.
Ondanks alle weerstanden en bezwaren in het begin is het toch wel een
grote verbetering gebleken, daar er nu geen misverstanden meer mogelijk
zijn. Het gaf vooral op de tekenkamer veel extra werk, daar alle bestaande overzichts- en grondkaarten moesten worden aangepast.
Om de overgang niet al te moeilijk te doen verlopen zijn tijdelijk de
beide nummeringen op de kaarten aangegeven, tot het tijdstip dat iedereen
er wat vertrouwd mee was geworden. Het later in dienst getreden buitendienstpersoneel is er direct mee opgegroeid en weet dus niet anders. De
ouderen zeggen nog wel vaak: "vak nummer zoveel, je weet wel, oud nummer
zoveel".
Bij de aannemers werd vaak de behoefte gevoeld om de damnummers ook vanuit zee zichtbaar te maken. Het is voor de schippers bij het verplaatsen
van graafmachines of van rijshoutpontons tijdens hoog water en soms in
het donker niet eenvoudig om zonder deze nummers het juiste bezinkveld te
vinden. Daar bordjes op de buitenste dammen echter erg kwetsbaar zouden
zijn, is dit nooit uitgevoerd. Ook is vaak de behoefte geweest om de damnummers vanaf de dijk of vanaf het voorland zichtbaar te maken.
- 131 -
In de Emmapolder was dit vrij gemakkelijk te realiseren door de nummers
in zwarte cijfers te vermelden op de witgeschilderde betonnen "overstappalen" langs de daar aanwezige afrastering. Deze overstappalen bevinden
zich om de ca. 200 m (voor elke rijzendam en elke middengronddam). Voor
de rest van de kust gaf dit wel problemen. Voor Groningen wordt de oplossing thans gevonden door de damnummers te vermelden op de dampalen bij de
hekken naar de bezinkvelden, welke door het waterschap Ommelanderzeedijk
na de dijksverzwaring zijn geplaatst.
Het waterschap heeft hiertoe de vereiste toestemming verleend en men
heeft reeds een begin gemaakt met het aanbrengen van de nummers op de palen (zie foto 146).
In Friesland is het nog steeds moeilijk. Een bijkomend probleem is daar
het feit dat achter de zeedijk veeal eerst 1 of 2 zomerpolders liggen.
Men kan het werk daar dan ook veel moeilijker per auto bereiken dan in
Groningen, vooral in de herfstmaanden. Ook zijn er vrijwel geen mogelijkheden om de damnummers op bestaande voorwerpen aan te brengen. Hiertoe
zouden dus speciale palen moeten worden geplaatst, welke i.v.m. de intensieve beweiding door hokkelingen waarschijnlijk ook weer geen lang leven
zijn beschoren.
Een afdoende oplossing is nog niet gevonden.
- 132 -
11. Hoogtemetingen.
Teneinde een indruk van de resultaten van de werkzaamheden te krijgen
werd vanaf 1937 en wordt nu nog regelmatig gewaterpast.
In het verleden waren hiertoe in Friesland 1 en in Groningen 2 meetploegen beschikbaar. Thans is er nog 1 mobiele meetploeg voor beide provincies beschikbaar, die ook nog ca. 6 weken assistentie moet verlenen aan
de Meetkundige Dienst te Delft (rayon Noord) bij het opnemen van de eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat.
-<
Om een goede hoogte t.o.v. NAP in de omgeving van het werk te hebben, waren op regelmatige afstanden (ca 2 km) zgn. L-palen (2 m lange betonpalen
met een bout in de kop) aangebracht in het binnentalud van de zeedijken,
waarop de juiste hoogte door waterpassingen was aangebracht.
In het begin werd getracht jaarlijks alle vakken te waterpassen. Per bezinkveld werden 2 meetraaien gemeten en wel op 150 en 350 m uit de westelijke rijzendam. Daar dit een heidense klus was, vooral veroorzaakt door
het slechte lopen door de bezinkvelden heeft men, regelmatig verdeeld
over de kusten van beide provincies, een aantal meetvakken aangegeven.
Deze meetvakken worden dan representatief geacht voor de tussenliggende
velden. Ze worden verder nog onderscheiden in "primaire" en "secundaire"
meetvakken. Hierdoor werd het meten een stuk eenvoudiger en minder tijdrovend .
De meetraaien stonden in het begin loodrecht op de kust (evenwijdig dus
aan de hoofddammen) en lagen op 50, 150, 250 en 350 meter uit de westelijke dammen over een akker.
De meetpunten werden om de 25 m genomen. In principe werd de 2 e meetlijn
tot 1 km buiten de laatste rijsdam doorgetrokken. Uit deze gegevens kon
gemakkelijk een "hoogtelijnenkaart" worden gemaakt.
De meetresultaten die op deze wijze werden verkregen gaven niet altijd
een goed beeld van de werkelijkheid. Immers, het was van groot belang op
welke plaats de baakhouder de baak zette. Op een kluit of in een putje
kon soms wel 5 tot 10 cm verschil uitmaken.
Ook werden in dit systeem de greppels niet meegenieten, waardoor de hoogtecijfers een sterk vertekend beeld van de werkelijkheid gaven.
Om aan deze willekeur een einde te maken werd, op mijn aandrang, besloten
een geheel nieuw meetsysteem op te zetten. Hiertoe werden de meetraaien
vastgelegd evenwijdig aan de dwarsdammen op 50, 150 en 250 meter uit de
zeewaarts gelegen rijsdam en nog een raai op 50 m uit de landwaarts gelegen rijsdam. Om steeds op dezelfde punten te kunnen meten, werden in de
raai, langs een strak getrokken meetband, punten om de meter genomen, zodat dus automatisch de greppels en uitwateringen worden meegenieten. Ze
worden in de opname wel als zodanig aangemerkt, zodat ze bij de berekening van de gemiddelde hoogte zowel wèl dan niet kunnen worden meegerekend. Deze methode betekent echter wel dat er veel meer meetpunten worden
opgenomen (400 stuks per raai oftewel 1600 punten per meetvak). In de onbewerkte bezinkvelden (vrij vlak) worden de punten nu vaak om de 5 meter
- 133 -
genomen (tijdsbesparing).
De eerste jaren na deze omschakeling zijn als controle en vergelijkingsbasis de meetvakken volgens beide systemen opgenomen.
Een nadeel van dit nieuwe systeem is dat er geen "hoogtelijnenkaart" meer
kan worden gemaakt. Door deze veel intensievere maar ook nauwkeuriger
meetmethode was het niet meer mogelijk alle meetvakken jaarlijks op te
nemen. Afhankelijk van overige werkzaamheden werd dit al snel eens per
2 jaar en later zelfs eens per 4 jaar (m.i. nog ruim voldoende gezien de
opslibbingssnelheid van ca 1 cm per jaar). Ook het winterwerk (uitwerken
van de meetgegevens en in beeld brengen ervan) werd ook veel omvangrijker. Hierin werd voorzien, door behalve de meetleiders ook de baakhouders
met deze taak te belasten. De latere chef meetploeg P. Schollema zag kans
dit werk sterk te vereenvoudigen door het inbrengen van de gegevens in de
computer en er daarna een bepaald programma op los te laten. Zijn voorgangers, o.m. J. Soepboer, N. Wagenaar, A.M.C. Dorst, A. Ploegman, J. de
Weerd en J. Sikkenga hadden deze mogelijkheid destijds nog niet. Momenteel wordt nog steeds volgens hetzelfde systeem gemeten.
Wel wordt er gezocht naar een gemakkelijker en snellere methode, waarbij
zo mogelijk het vele loopwerk door de bezinkvelden kan worden voorkomen.
Met de hedendaagse moderne middelen moet hiervoor een oplossing te vinden
zijn. Een mogelijkheid is b.v. de opnames te doen met een Regalta of een
Elta, die ook door de Meetkundige Dienst te Delft (rayon Noord) worden
gebruikt voor de jaarlijkse opnames van de eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat. In plaats van met waterpasbakens wordt hierbij met een spiegel
in de raai gelopen (per raai 1 man).
Met deze apparaten kan gelijktijdig de X, Y en Z van elk punt worden
vastgelegd op een ponsband. Vastlegging van het meetpunt door het meten
met de meetband is hierbij niet meer nodig, zodat dit een grote vereenvoudiging is. De verkregen gegevens kunnen in Delft verder worden uitgewerkt, de profielen worden berekend en desgewenst ook getekend.
De verwachting is dat met deze methode zeker 2x zo snel kan worden gewerkt, of dat met minder mensen kan worden volstaan.
Bij de Meetkundige Dienst wordt momenteel nog onderzocht of er nog betere
methodes zijn te vinden voor deze speciale, vaak moeilijk begaanbare terreinen.
Sinds medio 1985 worden de meetwerkzaamheden uitgevoerd onder leiding van
P.J. Leusink. Betrokkene is per 1 juni 1985 teruggekeerd uit Zeeland,
waar hij ca. 2 jaar heeft geassisteerd bij de Deltadienst. De heer
P. Schollema ging toen meer automatiseringswerkzaamheden doen in Groningen (50%). Per 1 januari 1986 ging hij geheel over naar de directie Groningen en per december 1986 heeft hij ontslag genomen i.v.m. een betere
baan in de privé-sector (Dennenoord, Zuidlaren).
Voor de automatiseringstaken bij de dienstkring Baflo is intussen voorzien door de benoeming van een jonge MTS'er (J. Hageman te Norg), die ook
bemoeienis met de meetploeg, althans met de verwerking van de meetgegevens zal krijgen. Wellicht zal hij ook een gedeelte van zijn taak op de
- 134 -
tekenkamer vinden. Dit staat weer in verband met het vertrek per 1 december 1986 van de chef tekenkamer, de heer H.R. Mulder, die na een 40-jarig
dienstverband, waarvan 34 jaar op de tekenkamer te Baflo, van de VUT gaat
genieten. Per 1 augustus 1987 zal ook de andere tekenaar, de heer
J. Smith de dienst met de VUT gaan verlaten i.v.m. zijn 61-jarige leeftijd.
- 135 -
12. Veiligheid.
Ofschoon er door het tariefwerk een bepaalde mate van vrijheid voor het
personeel bestond, waren er toch wel leefregels voor de duur van het verblijf op het werk. De achterliggende gedachte hierbij was, dat men het
niet correct vond dat de ene ploeg eerder van het werk zou vertrekken dan
de andere. Hierdoor zou, volgens de verwachtingen, onrust in de andere
ploeg en verslechtering van de kwaliteit van het werk kunnen ontstaan om
ook maar weg te kunnen.
/
Aan de hand van het "getijdenboekje" werden vooraf voor het gehele jaar
voor het object de theoretische werktijden vastgesteld. Het spreekt voor
zich dat de praktijk vrijwel altijd anders is (noordweste of noordooste
wind kon de theoretische tijd gemakkelijk met een half uur verkorten
c.q. verlengen).
De kantonnier gaf dan ook altijd het vertreksein voor de ploegen aan door
het zwaaien met een stok. Had men voor dit vertreksein "de put er reeds
uit", dan behoefde men niet meer te werken, maar moest wel op het werk
aanwezig blijven. Dit is één van de medewerkers in de Lauwerszee destijds
noodlottig geworden. Op de mistige zaterdagmorgen van 21 januari 1961
ging een groepje van 3 personen na voltooide dagtaak, om de tijd te doden
en warm te blijven, een wandelingetje maken op een zandplaat buiten de
bezinkvelden. Toen ze terug wilden keren was de mist zodanig toegenomen
dat de buitenste rijzendammen niet meer zichtbaar waren. Door de aanwezigheid van een laagje "wadwater" waren ook de voetstappen niet meer te
zien. Wellicht hierdoor enigszins paniekerig geworden ontstond meningsverschil over de te volgen terugweg. De 56-jarige J. van Seggeren uit
Twijzel en de 37-jarige K, Nieuwenhuis uit Kollum besloten tegen de wind
in te gaan lopen, omdat ze op de heenweg de wind in de rug hadden gevoeld. De 38-jarige ongehuwde W. van der Ploeg uit Kollum koos echter
voor een andere koers. Na een verschrikkelijke strijd met het ijskoude
water, waar het koppel soms tot hun middel of nog dieper door moest, hebben ze na bijna 3 uur ploeteren de dijk weten te bereiken. De heer Nieuwenhuis had af en toe zijn oudere collega moeten voortslepen, daar deze
uitgeput en verkleumd was.
De heer van der Ploeg echter is jammerlijk verdronken. Ondanks veel zoekwerk door de reddingsboot Brandaris en vissersboten uit Zoutkamp werd hij
niet teruggevonden (helicopters of vliegtuigen konden vanwege de mist
niet worden ingezet). Door de familie is de volgende dagen het zoeken nog
voortgezet, maar ondanks de inschakeling van een helderziende is ook het
stoffelijk overschot nooit teruggevonden.
In de Nieuwe Provinciale Groninger Courant van 23 januari 1961 heeft
hierover een uitgebreid artikel gestaan.
Bij de inrichting van het Lauwersmeergebied is door de gemeente Het Kollumerland in 1986 een weg naar de in aanbouw zijnde kruitfabriek naar hem
vernoemd (de Willem van der Ploegweg) (zie foto 147).
- 136 -
Het vorenstaande veroorzaakte natuurlijk wel de nodige opschudding en
verontrusting bij de dienstleiding. Om een mogelijke herhaling te voorkomen werd besloten voor alle opzichters en kantonniers een Bezard-zakcompas aan te schaffen. Het spreekt voor zich, dat hiermee het zojuist beschreven drama niet had kunnen worden voorkomen, maar ook de kantonniers
moesten zich wel eens beroepsmatig buiten de bezinkvelden begeven (b.v.
opnemen situatie aanwezige prielen i.v.m. afwatering e.d.), waarbij het
dan toch wel een prettig idee was dat men bij onverwacht opkomende mist
of zeedampen zich in elk geval kon oriënteren op de te nemen koers.
Ir. P. Sanders had destijds als lijfspreuk: "Ik ga nooit alleen het wad
in, zelfs niet in een A-vak".
Er zijn trouwens ook arbeiders en zelfs kantonniers die hun "wadvrees"
nooit zijn kwijtgeraakt. Persoonlijk heb ik ook nooit meegedaan aan het
wadlopen naar b.v. de eilanden. Over dit wadlopen is destijds een film
gemaakt door Emiel van Moerkerken. In deze film heb ik, vermomd als damhersteller, dan ook naar aanleiding van een stelletje wadlopers die een
oversteek gingen maken tegen mijn medewerkers gezegd: "Dei speulen ook
met heur leven".
Door het ontstaan van kleine, maar soms toch ook wel vrij ernstige verwondingen op het werk, vooral tijdens het hakken en laden van rijshout en
bij damherstel (waarbij zelfs eens iemand een vinger is kwijtgeraakt,
doordat bij het palen slaan zijn maat er een klap met de perkoenhamer op
gaf), ontstond steeds meer behoefte aan EHBO* ers. Er was een regeling dat
mensen in het bezit van een EHBO-diploma en aangewezen om in voorkomende
gevallen op het werk als EHBO'er op te treden, hiervoor een vaste vergoeding per maand konden krijgen, wat zelfs in de pensioengrondslag werd
meegerekend. Volgens mij is dit het door de dienst best betaalde diploma
dat je kunt behalen.
Nadat hieraan wat meer bekendheid was gegeven bleken er dan ook wel een
aantal medewerkers bereid om als zodanig te worden aangewezen. In dit kader werd er ook voor gezorgd dat er op elke opslagplaats een EHBO-trommel, spalken en een brancard aanwezig waren.
In de eind zeventiger jaren is er zelfs een door het Rijk betaalde EHBOcursus in Baflo gehouden, waaraan een 10-tal personeelsleden van de
dienstkring Baflo hebben deelgenomen en het diploma behaald. Jaarlijks
volgen nog enkele medewerkers van de dienstkring Baflo in Groningen de
herhalingscursussen, welke nodig zijn voor het verlengen van het diploma.
In verband met de veiligheid werden de kantonniers later ook voorzien van
portofoons, werkend op het Rijksmobilofoonnet. Hierdoor werd het eenvoudiger en sneller mogelijk desgewenst assistentie in te roepen. Door de
moeilijke radioverbindingen met de mobilofoonpost te Groningen vanaf het
wad (achter de verhoogde zeedijk) is later de mogelijkheid geschapen om
via de steunzenders op Schiermonnikoog en Ameland de mobilofoonpost Leeuwarden (Rijkswaterstaat) te bereiken. Van deze samenwerkingsmogelijkheid
wordt dan ook nu nog steeds dankbaar gebruik gemaakt.
- 137 -
13. Uitzetten van het graafwerk.
Zoals reeds is vermeld bestaat het grondwerk hoofdzakelijk uit het hergraven van de volgeslibde greppels en sloten. Het is hierbij van groot
belang dat deze ontgravingen steeds op dezelfde plaats komen. De walkanten zijn daardoor steviger (zakken minder snel in) en men verwerkt dan
het aangespoelde slib i.p.v. het zand van de oorspronkelijke wadbodem.
In verband met het vorenstaande moge duidelijk zijn dat het erg belangrijk is dat, voordat het graafwerk begint, de greppels enysloten zo nauwkeurig mogelijk worden aangegeven met stokken, door terplaatse deskundig
personeel. Om deze redenen stond dan ook steeds in de grondwerkovereenkomsten dat, in afwijking van het gestelde in paragraaf 28 van de A.V.W.
1968, het uitzetwerk door het Rijk geschiedt (vanaf 1987 staat het er
niet meer in.
De plaatsbepaling gebeurt door metingen veelal vanuit de rijzendam. Als
hiermee de plaats nagenoeg bepaald was, werd door het "voelen" met de
voet de exacte plaats bepaald en de uitzetstok geplaatst. Zoals reeds
vermeld werd bij handgraafwerk langs een lijn de insteek nader aangegeven met de strepentrekker.
Bij het mechanisch graafwerk wordt door het aannemerspersoneel de greppel
"aangelopen", teneinde de insteek goed te kunnen bepalen. Krom gegraven
greppels werden afgekeurd en dus ook niet betaald. In het begin werden
voor voor het verkrijgen van de uitzetstokken mooie rechte, niet al te
zware stokken uit de rijshoutbossen gezocht. Daar dit nogal tijdrovend en
dus ook duur was, is ca. 10 jaar geleden overgegaan tot het kopen van
bossen "groene bleeslatten". Hieruit konden, als winterwerk binnen op het
opslagterrein te Zoutkamp bossen rechte, slanke, ca. 75 cm lange uitzetstokken worden gemaakt (zie foto 148).
Om de plaatsbepaling in het terrein te vereenvoudigen werden in de lijn
van de greppelkanten op de gronddammen vaak vaste piketten geslagen. Door
hierachter "jalons" te plaatsen konden de ertussen benodigde stokken worden ingezicht. In de winter (bij ijsgang) verdwenen er weer veel piketten
en moesten dan, vaak door de kantonniers, weer herplaatst worden.
- 138 -
•Ar*ït
-;':^^H£^
&
&
&
*
"
'W&$s1.
-^^
Foto 146. Damnummer op een hekpaal van het Waterschap.
Foto 147. De Willem van der Ploegweg (een eerbetoon in een grootse ruimte).
- 139 -
Foto 148. De onderhoudskracht J. Werkman toont een bos uitzetstokken.
- 140 -
14. Personeel.
Bij dit hoofdstuk heb ik mij hoofdzakelijk beperkt tot» de specifieke zaken, het personeel van de landaanwinning betreffend. De normale, voor de
gehele directie geldende zaken zijn dus buiten beschouwing gelaten.
a. Algemeen.
In het begin werd hoofdzakelijk gewerkt met zgn. e-kontraktanten, zowel uit de directe omgeving (de fietsploegen) als van elders per bus
aangevoerd (de busploegen). Hiervan waren er in totaal wel enige honderden tewerkgesteld.
Vanzelfsprekend speelde de geloofsovertuiging van de mensen geen rol,
maar had het toch wel typische consequenties, zoals bijv. het verlenen
van bijzonder verlof. Uit de omgeving van Uithuizen kwamen enige katholieken die meestal grote gezinnen hadden. Het is mij altijd bijgebleven dat een viertal van deze arbeiders meer kinderen had dan destijds de gehele ploeg in de Winschoter bus, n.1. 32 stuks.
Uit overleveringen is mij bekend dat na de oorlog, tot in 1949 ook
"politieke delinkwenten" in het wad werden tewerkgesteld. Deze mensen,
waaronder artsen, advocaten, notarissen e.d. waren gehuisvest in het
kamp "De Slikken" te Westernieland. Bij gebrek aan touringcars werden
ze in overdekte vrachtauto's naar de polders gebracht, vanwaar ze dan
verder moesten lopen (soms wel 2 uur v.v.). Zowel tijdens het vervoer
als gedurende de werkperiode waren "wachten" aanwezig. Deze zaten met
het geweer in de nabijheid op de dijk om te voorkomen dat ze er vandoor gingen. Bij dichte mist mochten ze het wad niet in en werd het
werk soms afgelast. Kantonniers uit die tijd waren o.m. R. van der
Boor en R. Holwerda.
Voor het personeel, werkend op het kantoor of in de werkplaats te Baflo, maar ook voor het toezichthoudend- en meetpersoneel werden in de
begin vijftiger jaren te Baflo aan de Wilhelminalaan zgn. voorkeurswoningen gebouwd (zie foto 149 en 150). De gemeente kreeg hiertoe extra
bouwvolume. De eerdergenoemde gemeentesecretaris, de heer D. van der
Zee, was intussen tot burgemeester van Baflo benoemd. Deze zag de gemeente graag groeien tot boven de 3000 zielen en deed hiertoe dan ook
zijn uiterste best om zoveel mogelijk mensen binnen zijn gemeente te
krijgen (het aantal van 3000 is echter nooit bereikt maar bleef rond
de 2900 steken).
Aan de bouw van deze voorkeurswoningen hebben enkele van de toen nog
5 man sterke ploeg timmerlieden ook meegewerkt.
In de vijftiger jaren woonden er aan de Wilhelminalaan dan ook zeker
meer dan 20 ambtenaren, waaronder ook ir. P. Sanders, ir. R.J. de
Glopper en ikzelf. Bij de reorganisatie in 1967 werden als bezuiniging
de busploegen ontslagen. Een 10-tal mensen kon in dienst blijven, maar
moest dan verhuizen naar Westernieland (gem. Eenrum). Hiervoor zijn
- 141 -
aan de Jan Heidemastraat 5 dubbele woningen speciaal voor hen gebouwd
door Woningstichting de Wierden te Winsum (zie foto's 151 en 152). Zowel enkele mensen uit de omgeving van Winschoten, de stad Groningen,
als uit de Friese woudstreek hebben hiervan gebruik gemaakt. De meesten zijn na hun uit-diensttreding naar hun oorspronkelijke woonoorden
teruggekeerd.
Behalve de vaste mensen werden vaak in het vroege voorjaar (half februari) via de Gewestelijke Arbeidsbureau's werklozen gestuurd in
D.u.W.-verband (Dienst Uitvoering Werken). Later heette'dit D.A.W.
(Dienst Aanvullende Werken). Dit waren hoofdzakelijk landarbeiders,
die tegen de winter werkloos waren geworden en in het latere voorjaar
(eind maart, begin april) weer nodig waren op de boerderij (meestal
voor het in handwerk uitpoten van "stekbieten", waarvan bietenzaad
werd gewonnen).
Dat deze mensen niet laaiend enthousiast waren met dit tijdelijk werk
valt te begrijpen. Ze verdienden soms- slechts een tientje meer per
week dan hun WW-uitkering. Dit had natuurlijk ook z'n weerslag op het
werk. Men probeerde ten koste van de kwaliteit van het werk (bijv.
door te ondiep te graven of te smalle greppels te maken) wel het maximum te verdienen. Hierdoor ontstonden dan ook vaak spanningen op het
werk. Vooral de ploegen arbeiders uit Finsterwolde en omgeving en uit
de Friese woudstreek waren niet gemakkelijk. Indien er aanmerkingen op
hun werk werden gemaakt hadden ze de gewoonte in een kring om je heen
te gaan staan onder het uiten van verdekte bedreigingen zoals: "Weet
je wel dat onze schoppen erg scherp zijn en we er meer mee kunnen doen
dan greppels graven?". Ook voor de toezichthoudende kantonnier was het
vaak moeilijk, omdat hij, net als een korporaal in de militaire
dienst, vaak van beide partijen (in dit geval dus de arbeiders en de
opzichter) op zijn kop kreeg. Dit had o.m. tot gevolg dat de kantonnier P. Stuive uit arren moede solliciteerde en benoemd werd in de directie Noord-Holland. Om dezelfde reden nam de kantonnier R. Straat
van Uithuizermeeden ontslag en begon een kwekersbedrijf aldaar. Ook in
andere polders zijn wel eens zodanige problemen met de arbeiders geweest dat de politie er aan te pas moest komen. Verder is mij nog een
geval bekend dat een arbeider, na bedreiging om de kantonnier dood te
steken, op staande voet werd ontslagen.
Het viel dus voor een "jonge opzichter" (ik was toen amper 30 jaar)
niet altijd mee om zich te handhaven. Uit het vorenstaande blijkt ook
wel dat het niet altijd koek en ei was in "die goede oude tijd", waar
nog vaak over gesproken wordt.
Een persoon die hier minder moeite mee had was de heer F. Langeland te
Uithuizen. Deze was in 1949 reeds als arbeider in dienst gekomen en
per 1-1-'53 bevorderd tot kantonnier C. Vanwege zijn woonplaats trok
hij veel op met de "Kamparbeiders" uit de Lauwerpolder. Als "sterke
beer" had hij weinig problemen met deze vaak wel lastige jongens en
- 142 -
Foto 149. De Wilhelminalaan te Baflo.
Foto 150. In deze huizen hebben vele ambtenaren gewoond. (In de woning links
heb ik reeds 33 jaar gewoond).
- 143 -
Foto 151. De Jan Heidemastraat te Westernieland,
Foto 152. In deze 10 woningen te Westernieland woonden de overgebleven 10
wadarbeiders uit de "busploegen".
- 144 -
greep zonodig gelijktijdig twee van hen bij de borst om ze tot orde te
manen. Per 1-5-'57 werd hij bevorderd tot kantonnier B en per 1 maart
1964 gepensioneerd.
Ook voor ons was het natuurlijk niet de beste periode van het jaar om
graafwerkzaamheden te doen uitvoeren. Het is zelfs meerdere keren gebeurd dat het werk door vorst onmogelijk werd gemaakt. Dit betekende
dan weer voor ons een hoop extra administratief werk. De uitgereikte
laarzen, schoppen, strepentrekkers enz. moesten weer worden ingenomen
en hiervoor moest dan weer een bon worden uitgeschreven. Teneinde weer
een WW-uitkering te kunnen ontvangen moest door ons een zgn. "onderbrekingsbewijs" worden uitgeschreven voor deze honderden mensen. Hierin werden we bijgestaan door personeel van de Heidemaatschappij, die
destijds ook in Baflo was gevestigd en er ook bemoeienis mee had, zowel voor toezicht op het werk buitendijks als voor de administratie.
De chef hiervan was mijn buurman, de heer J. Kruisselbrink.
Later werden de e-kontraktanten in vaste dienst genomen en werden ze
dus ook ambtenaar. Dit hield wel in dat ze niet meer zo gemakkelijk
konden worden ontslagen of tijdelijk naar huis worden gestuurd. Er
moest dus ook in de winter werk voor hen worden gevonden. Daarom werd
er zo lang mogelijk in de herfst doorgegaan met het graafwerk (vooral
op de hoogste gedeelten om zoveel mogelijk uren te kunnen maken) en
damonderhoud. Vanaf half of eind november, als de bladeren van de bomen waren, werd er in de Staatsbossen gewerkt om rijshout te hakken.
Ook werd er toen nog veel (vooral in de Oost- en Emmapolder) gedaan
aan het onderhoud van het smalspoor. Dit werk bestond vooral uit het
zgn. "spoorbikken" (het met hamers, roestkrabbers en staalborstels
ontroesten van de spoorstaven). Daarna werden ze opnieuw in de "blackvarnish" (soort zwarte verf) gezet en werden, waar nodig, nieuwe
dwarsliggers compleet met kikkerplaten en kikkerbouten gemonteerd.
Vooral het bikken, soms wel gelijktijdig door 10-12 personen, in een
vrij kleine Romneyloods (een stalen frame met gegalvaniseerde golfplaten erop) gaf een oorverdovend lawaai. Dit zou thans zonder gehoorbeschermende maatregelen niet meer worden toegestaan, evenmin als het in
een gesloten ruimte gebruiken van blackvarnish.
Het toezichthoudend personeel (kantonniers en opzichters) werd veelal
uit eigen potentieel geselecteerd. Er werd vaak gezegd: "de putter met
de grootste mond, dus met het meeste commentaar, moet je kantonnier
maken, dan heb je hem mee in plaats van tegen".
Ofschoon de beloning niet eens zoveel meer was dan die van een arbeider gaf het kantonniersschap toch wel vaak meer voldoening door de
status.
Ze werden ook geüniformeerd (een manchesterpak, een overhemd met
stropdas en niet te vergeten een zwarte pet met glimmende klep en een
groot wapen met "Je maintiendrai" erop). Ook kregen ze dan een "duffelse jekker" en een lange regenjas, die echter alleen goed was voor
- 145 -
op de fiets, want in het wad sleepte hij door het slik. Verder werden
dan ook nog van rijkswege lieslaarzen verstrekt en later ook de geplastificeerde regenpakken.
In verband met de grote aantallen arbeiders en de vele wisselingen
kregen deze in plaats van dienstkleding een bepaald bedrag aan kledingvergoeding en afhankelijk van de werkzaamheden al dan niet laarzenvergoeding. Dit bedrag moest regelmatig (bijv. eens per 2 jaar)
worden bijgesteld i.v.m. de kostenstijgingen. Hiertoe moest wel telkens opnieuw machtiging worden gevraagd bij de hoofddirectie in Den
Haag.
Per 1 januari 1975 bedroeg de kledingvergoeding f 1.10 en de laarzenvergoeding f 0,40 per gewerkte dag. Thans zijn deze bedragen respectievelijk f 1,45 en f 0,55.
Uit de beste kantonniers werden voorzover nodig de assistenten (opzichters) geselecteerd. De aanstellingseisen waren niet erg hoog (een
paar jaar ULO of ambachtschool, nu dus MAVO of LTS) en voldoende praktijkervaring waren reeds voldoende. Wel moest men over een sterk gestel beschikken, ook enig overwicht hebben en representatief zijn voor
de dienst. Was er tijdelijk wat extra toezicht nodig dan werd een
flinke arbeider, die ook nog een beetje netjes kon schrijven en goed
kon rekenen, aangewezen als dienstdoend kantonnier. Hij kreeg dan de
maximale premie uitbetaald op grond van "het vervangen van een hoger
gegroepeerde". Enkele voorbeelden hiervan zijn C. Zwijghuizen, D. Kipperman (vóór zijn benoeming tot kantonnier uiteraard) en D. Bonnema.
Ook enige jaren geleden is dit nog wel weer toegepast (bijv. L. Bolt,
K.J. Dijkstra en P. de Vries). Deze beide laatstgenoemden zijn de enige 2 nog overgebleven wadarbeiders in Groningen (zie foto 153).
b. Diverse mutaties.
In hoofdstuk 5b (Organisatie) heb ik vermeld hoe de bezetting van de
drie aanwezige objecten was v.w.b. de objectsopzichters en hun assistenten .
In deze situatie kwam per 1 april 1957 verandering door het vertrek
van opzichter P.G. Cremer naar de dienstkring Noordzeekanaal, met
standplaats IJmuiden. Later is hij naar het noorden teruggekeerd als
opzichter A bij de directie Drenthe, dienstkring Assen. Van hieruit is
hij enige jaren geleden met de VUT gegaan. Dit vertrek hield waarschijnlijk mede verband met de gewijzigde situatie langs de kust, door
mijn inlijving bij de landaanwinningswerken per 1 januari 1955. Gelijktijdig was toen n.1. door de heer C.T. Bergman een verschuiving
van de objectsopzichters doorgevoerd. Hierbij kreeg de heer Cremer het
Westelijk object toegewezen en moest toen verhuizen van Roodeschool
naar Baflo.
De heer J. Stob kreeg het middelste object en ik kreeg, zoals vermeld,
het oostelijk object + de Emmapolder (dijk + wegen). Dit hield verband
- 146 -
met de daar geplande "technische" werkzaamheden, zoals wegaanleg en
dijkonderhoud, waarmee men graag een beter technisch geschoold personeelslid wilde belasten. De vacature Cremer werd niet weer vervuld,
waardoor een herverkaveling noodzakelijk werd waarbij het middenobject
verdween. De heer Stob kreeg het vergroot westobject, met als verschoven grens de uitwateringsgeul van de Noordpolder (ried Noordpolderzijl); de rest van de Noordpolder kwam bij het oostelijk object.
Als schrijver in de kantoorwagen in de Emmapolder fungeerde in 1955 de
heer K.J. Wierenga van Uithuizermeeden. Later werd hij/tewerk gesteld
in de kantoorwagen in de Lauwerpolder. Rond 1960 werd hij ingeschakeld
bij de loonadministratie te Baflo en daarna op de tekenkamer aldaar.
Daar hij hoofdzakelijk werkzaamheden verrichtte voor de Studiedienst
werd hij verplaatst naar een dependance van het kantoor. Deze bestond
uit een Zweedse houten woning (geschenk na de stormramp in 1953 aan
Zeeland en in 1956 als overcompleet materieel naar Baflo overgebracht
en geplaatst op een stuk gemeenteterrein aan de Westelijke rand van
Baflo, aan de Gebr. Gootjesstraat 12a). Het werd van 1 januari 1957
tot 13 februari 1958 als noodwoning voor één der personeelsleden van
de Studiedienst, de familie G. Brolsma en van 6-3-'58 tot begin 1960
door G. Hiemstra, eveneens van de Studiedienst, gebruikt. Hierna dus
als kantoorruimte, waar het al snel de bijnaam "Het Behouden Huis"
kreeg. Bij de overplaatsing van de Studiedienst van Baflo naar Delfzijl verhuisde de intussen gehuwde en te Uithuizen woonachtige heer
Wierenga ook mee. Hij is jarenlang chef tekenkamer bij de Studiedienst
Delfzijl geweest en is momenteel als zodanig werkzaam bij de Meetdienst.
"Het Behouden Huis" heeft daarna nog enkele jaren dienst gedaan als
onderkomen (met laboratorium) voor drs. K. Essink. Deze was toen n.1.
belast met een onderzoek naar de gevolgen van de vuilwater afvoerleiding van Hoogkerk, de zgn. "smeerpijp", die achter de Noordpolder op
het wad loost.
Na dit onderzoek is het gebouwtje afgebroken om plaats te maken voor
enkele woningen. De heer Essink, woonachtig te Winsum, werd overgeplaatst naar het RIZA te Groningen en maakt thans deel uit van de
Dienst Getijde Wateren (DGW) van de Rijkswaterstaat en is intussen gepromoveerd tot doctor.
In maart 1955 kwam de kantonnier K. Bakker terug na ruim 2 jaar ziekte. Om hem voorlopig nog te ontzien van het wadwerk met onregelmatige
werktijden (hij was weduwnaar en had nog jonge kinderen thuis) ging
hij schrijverswerkzaamheden doen in de Emmapolder. Per 1 juli 1959
werd hij bevorderd tot schrijver A. Later ging hij "op dagtaak" opzichterswerk doen, hoofdzakelijk in de Emmapolder. Per 1 maart 1962
werd hij bevorderd tot opzichter D en per 1 mei 1964 tot opzichter C.
Hij was per 26 oktober 1960 weer gehuwd en had een nieuw gezin gesticht aan de Westerdijkstraat te Roodeschool. In 1973 werd hij opnieuw ziek, waardoor hij per 1 juni 1974 werd afgekeurd. Hij is in
1985 overleden.
- 147 -
De magazijnmeester J. Bolhuis te Uithuizen was per 1 maart 1962 de
heer Bakker opgevolgd als schrijver A en werd later na een vrij lange
ziekteperiode per 1 december 1969 afgekeurd.
Mijn assistent, de heer B. Reinhart te Uithuizen, was per 3-1-'49 in
dienst gekomen als onderopziener. Per 1-1-'51 werd hij bevorderd tot
kantonnier C, per 1-1-'52 tot kantonnier B en per 1 december 1955 als
opzichter D. Van hem heb ik de vele "fijne kneepjes" in het vak, zowel
van de landaanwinning als van het gebruik en het onderhoud van smalspoor, geleerd. Daar hij in het Groningse verder niet veel promotiekansen had, heeft hij gesolliciteerd en werd hij per 16 januari 1961
benoemd als opzichter C bij het Arrondissement Utrecht II, waar hij
tot zijn pensionering in 1975 is gebleven. Voor hem in de plaats werd
de kantonnier H.T. Scholtens te Uithuizermeeden tot opzichter D bevorderd. Hij verhuisde naar Warffum om centraler voor zijn object te wonen. Later werd hij bevorderd tot opzichter C. Hij verhuisde nogmaals,
nu naar Uithuizen (Fivelingoweg) en later naar de Ripperdadrift aldaar. Na zijn wadperiode heeft hij, zoals vermeld•, nog 5 jaar dienst
gedaan als opzichter in de Emmapolder en de Eemshaven en werd hij nog
bevorderd tot opzichter B. Per 6 januari 1987 heeft hij in redelijk
goede gezondheid zijn 75 s t e verjaardag gevierd. Hij werd opgevolgd
door de heer M.B. Deurlo uit Overijssel. Na enkele jaren werd hij op
eigen verzoek overgeplaatst naar de afd. Havens en Vaarwegen te Groningen. Vandaar is hij door het uitblijven van grote projecten enkele
jaren later weer teruggekeerd naar de RWS Overijssel.
De heer van Doesburg, schrijver in de Julianapolder, vertrok eind
1955. De werkzaamheden werden toen overgenomen door de kantonnier A,
de heer A. Braaksma. Deze was voordien veelal werkzaam op het opslagterrein te Zoutkamp. Per 1 juli 1955 werd hij benoemd tot schrijver A,
per 1 januari 1965 tot hoofdschrijver en per 1 maart 1966 gepensioneerd .
Het toezicht op de terreinwerkzaamheden was intussen overgenomen door
de heer J.H. Cordes te Zoutkamp. Per 1 december 1966 heeft hij de
dienst met P.L.O. verlaten.
Als zijn opvolger kwam de opzichter Y. van Hyum uit Ferwerd, die hiertoe Kollum als woonplaats koos en dit ook als standplaats kreeg toegewezen (vrijwel iedereen had in die tijd trouwens zijn woonplaats als
standplaats). Kort voor het tijdstip dat de heer van Hyum met de VUT
kon gaan kreeg hij een hartinfarct, waardoor hij in 1981 werd afgekeurd. Als zijn opvolger werd per 1 oktober 1981 benoemd de heer
S. van Dijk te Baflo. Deze was per 1 december 1968 als kantonnier in
dienst gekomen en verving de heer van Hyum reeds jaren tijdens verlof
en ook gedurende zijn ziekteperiode (werd tot opzichter C bevorderd
met standplaats Zoutkamp).
De ook reeds eerder genoemde assistent G. Tillema werd per 1 april
1957 bevorderd tot opzichter D (een taakverzwaring na het vertrek van
opzichter P.G. Cremer maakte dit mogelijk). Per 1 januari 1962 werd
- 148 -
hij bevorderd tot opzichter C, maar helaas overleed hij op 29 december
1963 op ruim 60-jarige leeftijd.
De kantonnier J. Jongeling te Zoutkamp werd per 1 januari 1959 bevorderd tot opzichter D en per 1 januari 1962 tot opzichter C. Per
1 maart 1967 heeft hij de dienst met F.L.O. verlaten.
Door het afvallen van de Panser- en een gedeelte van de Westpolder
door het afsluiten van de Lauwerszee in 1966 werd er voor het Westelijk obejct geen nieuwe opzichter weer benoemd. In het kader van de
werkclassificatie kregen per 1 januari 1964 trouwens de aanwezige kantonniers allen de rang van opzichter D/werkbaas.
In het hoofdstuk 5j (Tarief- en accoordwerk) is de naam van de opzichter B. Dijkstra reeds genoemd. Deze was per 16 januari 1955 door wijlen dhr. L.F. Kamps in dienst genomen voor de periode dat de heer
P. Bouwsema ziek was. Deze kwam in april 1957 weer terug op het werk.
Dijkstra werd toen toegevoegd aan opzichter Stob en heeft o.m. in de
Lauwerszee gewerkt. Ook moest hij daar de nieuwe opzichter F.H. Keizer
inwerken, die per 1 maart 1957 als opzichter B in dienst was genomen.
Per 1 september 1964 ging deze over naar de directie Drenthe.
In augustus 1958 werd de heer Dijkstra overgeplaatst naar Holwerd in
de vacature G. Noordhoek. Deze was naar de tekenkamer te Baflo overgeplaatst en verhuisde naar Eenrum. Daar hij weinig interesse had in dat
werk werd hij, na sollicitatie bij de directie Zuid-Holland, per
1 september 1959 als technisch ambt. I benoemd met standplaats Den
Haag en is helaas enige jaren later overleden.
Vanaf oktober 1962 werd dhr. Dijkstra, zoals reeds vermeld, ingezet
bij de tarivering. Hiertoe werd hij in 1965 overgeplaatst naar Baflo.
Ook hij heeft tijdelijk aan de Wilhelminalaan gewoond, thans echter te
Ulrum. Intussen had hij als "persoonlijke rang" de rang van opzichter
A gekregen.
Toen in de begin zeventiger jaren minder tijd voor de tarieven nodig
was (alles was intussen' klaar) werd hij toegevoegd aan opzichter
J. Stob voor de normale wadwerkzaamheden. Deze moest het op dokters
advies wat kalmer aan gaan doen i.v.m. lichte hartklachten. Hij mocht
zich dus niet te erg meer inspannen en daarom slechts "op schoenen"
het wad in, waardoor dit dus tot hoogstens in de A-vakken beperkt
bleef. Als goed organisator, wat hij zeker was, heeft hij mij nog vaak
bijgestaan bij de "binnenobjecten" (aanbrengen slijtlagen e.d.). Per
1 juni 1975 is de heer Stob met de F.L.O. gegaan na een groots afscheidsfeest te Baflo. Hij woont nog steeds aan de Wilhelminalaan en
is momenteel herstellende van een vrij zware hartaanval in september
1986. De heer Dijkstra werd daarna benoemd in de vacature van opzichter Stob en werd dus rayonopzichter van Groningen. Sinds 1 april 1978
fungeert hij als hoofd van de uitvoering van de beide provincies.
In Friesland was reeds vanaf april 1946 in dienst als arbeider de heer
G. Halbersma te Hogebeintum. Per 1 mei 1951 werd hij benoemd tot
- 149 -
kantonnier C en per mei 1956 tot kantonnier B. Per 1 januari 1960 bevorderd tot opzichter D en per 1 januari 1962 tot opzichter C in de
functie van objectsopzichter in Het Bilt en verhuisd naar
St. Annaparochie. Hij was hier de opvolger van opzichter J. Veenstra,
die intussen was benoemd bij de Rijkswaterstaat dir. Friesland
(afsluiting Lauwerszee) en later overgegaan naar de dienstkring
Harlingen.
De heer Halbersma heeft ook tijdelijk het damwerk in aanneming in beide provincies begeleid. Vanuit die periode dateert, zoals reeds vermeld, ook de "neerzetstok" voor damherstel. Wegens hartklachten moest
hij echter ook voortijdig de strijd staken en werd hij per 1 april
1975 afgekeurd. Hij werd niet weer vervangen.
Behalve de hiervoor genoemde heer J. Veenstra waren er ook nog de opzichters P. Veenstra en K. Veenstra, met toevallig als respectievelijke voornamen Jan, Piet en Klaas.
De heer P. Veenstra was destijds werkzaam in het object Lauwerszee.
Vandaar is hij vertrokken naar de Dienst Gemeentewerken van Kampen.
De heer K. Veenstra is per 16-4-'56 als opzichter C in dienst gekomen
en per 1 december 1960 overgegaan naar de R.IJ.P. te Baflo. Hij woonde
ook aan de Wilhelminalaan en hield veel bemoeienis met onze dienst
i.v.m. de bodemkarteringswerkzaamheden, genoemd in hoofdstuk 5. Van
zijn hand zijn dan ook diverse rapporten over dit onderwerp verschenen, welke ook in de Dienstkringbibliotheek aanwezig zijn. Helaas ook
te vroeg is hij enkele jaren terug overleden. Zijn medewerker, de heer
J. Hoekstra verricht thans soortgelijke werkzaamheden. Hij wordt hierbij geassisteerd door een aantal oud-landaanwinners, t.w. in Friesland
de heren S. van der Meer, die de dienst per 1 april 1987 met de VUT
heeft verlaten, J. Bronkema en P. Slager (in 1986 afgekeurd) en in
Groningen door de heren L. Terpstra en J. van Dijk.
Als objectsopzichters hebben in Friesland verder o.m. gewerkt de heer
J. Veldema te Blija (in 1979 met F.L.O. en intussen reeds overleden).
Hij werd opgevolgd door de heer N. Wagenaar, die per 1 november 1984
met F.L.O. is gegaan. Momenteel fungeert als objectsopzichter de heer
J. Fennema te Blija. deze was per 1 april 1979 als kantonnier in
dienst genomen. De nog aanwezige wadarbeiders voelden er niets voor om
nog kantonnier te worden (nauwelijks meer salaris, meer verantwoording
en 5 jaar langer werken door het verschil in de leeftijdsgrenzen van
F.L.O. voor arbeiders en kantonniers).
Na afkeuring, overlijden of pensionering, danwei F.L.O. van een serie
oudgediende kantonniers in Friesland (zie foto 154), waaronder de heren G. Boes, R. Heinstra (intussen overgeplaatst van Groningen naar
Friesland), K. Loonstra, H. Nauta, J. Oldersma, D. Kuiken, J. Ronda,
S. de Vries, P. Swart en S. Glas, kwam de heer Fennema als "oudste in
rang", maar ook vanwege zijn capaciteiten, hiervoor het meest in aanmerking. Hiervoor konden de andere kantonniers, t.w. K. Knijft,
- 150 -
C. Lindeboom en J. Miedema dan ook wel begrip opbrengen. Knijft was
per 1 januari 1979 als de laatst in dienst genomen wadarbeider overgekomen van de Deltabouw B.V. Per 1 april 1980 werd hij benoemd tot ra
IV/werkbaas {= kantonnier). Na de afkeuring van P. Swart per 1 januari
1981 en S. Glas per 1 februari 1981 konden de heren Lindeboom en Miedema per 1 februari 1981 worden aangetrokken van de "vrije markt" (zie
foto 155).
De vacature kantonnier, ontstaan door de bevordering van Fennema, werd
niet weer opgevuld. Zoals reeds vermeld nam de fa. van/der Stoel in
Groningen 2 personeelsleden van onze dienst over. In Friesland vond
het tegenovergestelde plaats. Behalve Knijft was n.1. reeds eerder de
uitvoerder bij de Deltabouw, de heer K. Berga, als kantonnier in
dienst genomen. Mede door zijn tussentijds met goed gevolg volbrachte
cursussen van het P.B.N.A. werd hij later tot opzichter B benoemd in
de Emmapolder (vacature Deurlo). Daar heeft hij ook ca. 2 jaar (1983
en 1984) geassisteerd bij het op Deltahoogte brengen van de Emmapolderdijk. Daarna is hij ruim een jaar uitgeleend aan de directie Sluizen en Stuwen om toezicht te houden bij het verlengen van de Handelskade in de Eemshaven voor het Havenschap Delfzijl. Momenteel werkt hij
bij de afdeling Nieuwe Werken te Groningen in de binnendienst.
In de loop der jaren had er vanzelfsprekend ook in Groningen door het
natuurlijk verloop een doorschuiving van kantonniers plaatsgehad. Zo
waren intussen van het toneel verdwenen de heer B. van der Velde per
1 maart 1959, de heren R. Elzinga en J. Groothuis per 1 november 1960,
F. Langeland per 1 maart 1964, allen door pensionering. Verder de heer
A.D. Drewes per 31 augustus 1964 door overlijden en enigen door benoeming in een andere functie.
Het tempo werd nog versneld door de invoering van de reeds eerder beschreven F.L.O., waardoor men op 60-jarige leeftijd de dienst kon verlaten. Hierdoor verdwenen H. de Vries per 1 maart 1967, G. Stob per
1 november 1967. D. Bos per 1 mei 1971 en K. Ennema per 1 juli 1977.
De heer H. Moes te Vierhuizen werd per 1 januari 1976 afgekeurd.
Met ingang van 1 januari 1967 werden i.v.m. de reorganisatie ook enige
kantonniers in de gelegenheid gesteld met wachtgeld te gaan. Hiervan
maakten D. Kipperman en L. Smit gebruik.
Eerstgenoemde 'sukkelde toen reeds met zijn gezondheid, maar geniet na
zijn 5 jaar wachtgeld nu ook reeds 15 jaar van zijn pensioen. Ruim een
jaar geleden heeft hij zijn 60-jarig huwelijksfeest gevierd.
Zijn zoon, J.J. Kipperman, die in maart 1950 reeds als arbeider in
dienst was, werd per 1 mei 1956 benoemd tot kantonnier. Per 1 mei 1974
werd hij vanwege hartklachten afgekeurd en enige jaren later is hij
aan een hartaanval overleden.
L. Smit voelde er ook
n.1. als hobby het in
de vroegere tijden op
stukken van hem zijn:
veel voor om de dienst te verlaten. Deze had
het Groninger dialect schrijven van verhalen uit
het Groninger Hogeland. Enkele bekende toneel"Harfstvrijweek ien boetendieks" en "'t Blift
- 151 -
een Diekster", welke door de toneelvereniging T.A.G. (Tot Aller Genoegen) te Uithuizermeeden meerdere malen met succes zijn opgevoerd. Ook
verleende de heer Smit destijds medewerking aan de R.O.N. (Regionale
Omroep Noord), door o.a. het vertellen over de garnalenvisserij op het
wad, zoals het door zijn vader wel was gedaan. Men waadde hierbij door
het water en ving garnalen met een schepnet. De vangst moest dan worden meegetorst in een op de rug gedragen tenen mand. Dit ging door tot
in de late herfst en dus voorwaar geen pretje, maar harde noodzaak om
"brood op de plank" te houden.
Door de eerdergenoemde mutaties kwam er weer plaats voor een jonge generatie kantonniers. Zo werden van buitenaf aangetrokken A.H. Bosma
per 1 januari 1971 en C. Oosterhuis per 1 september 1977.
De heer A. Kluin te warffum, die reeds vanaf maart 1951 in dienst was
als arbeider, werd per augustus 1954 bevorderd tot kantonnier C en per
1 mei 1956 tot kantonnier B.
Ter assistentie van de heer B. Dijkstra werd hij per 1 januari 1975
bevorderd tot opzichter C en ging toen dienst doen als objectsopzichter tot zijn datum van F.L.O. per 1 november 1977. Hij is enkele jaren
terug plotseling overleden.
In functie werd hij opgevolgd door de heer A.H. Bosma per 1 februari
1978, die dit tot zijn benoeming als opzichter B per 1 november 1983
heeft gedaan. Deze benoeming hield verband met de intussen opgestarte
nieuwe afdeling Milieutechnische dienst met als hoofd de hiertoe tot
opzichter voor buitengewone diensten bevorderde heer P. Bouwsema.
De heer K. Haan kwam per 1 januari 1969 in dienst als wadarbeider. Per
1 mei 1972 werd hij bevorderd tot kantonnier en per 1 april 1984 tot
opzichter C, als opvolger van de heer Bosma.
Door de benoeming tot opzichter C bij de Emmapolderdijk per 1 februari
1976 van C. Oosterhuis te Usquert (thans te Uithuizen) kwam er een
kantonniersplaats vrij. Hierin werd per 16 januari 1977 voorzien door
de benoeming van de heer S. van der Lei te Usquert.
De sedert 11 mei 1970 als ra D/bulldozerchauffeur op de Rottumerplaat
werkende J. Frankes te Baflo werd als kantonnier tewerk gesteld met
ingang van 1 april 1977 op een vrijgekomen plaats. Hierna werd de per
1 maart 1975 als Ra D/bulldozerchauffeur in de Emmapolder in dienst
genomen heer R. Gjaltema te Uithuizen per 1 september 1977 benoemd als
kantonnier. Resteert nog te noemen de heer J.F. Meijer te Kruisweg,
vanaf 1 april 1968 reeds als wadarbeider werkzaam en per 1 augustus
1979 bevorderd tot kantonnier, om het huidige kwartet van Groninger
kantonniers compleet te maken (zie foto 156). Hij verving de per
1—4—•79 tot opzichter bij de afdeling Havens en Vaarwegen in de directie Groningen (vacature M.B. Deurlo) benoemde heer G. Boerema.
Bij de hiervoor beschreven mutaties heb ik mij hoofdzakelijk beperkt
tot de kantonniers en de opzichters. Terloops zijn trouwens door mij
ook aangetipt de "magazijnmeesters" en "magazijnknechten", waarvan in
- 152 -
Foto 153. De twee nog in dienst zijnde wadarbeiders (links de heer K.J. Dijkstra en rechts de heer P.A. de Vries).
HSWSPt;
Foto 154. Van links naar rechts: L. van Sluis, J. Veldema, G. Halbersma,
J. Soepboer, R. Heinstra, G. Boes, F. de Walle, Y. van Hijum,
D. Miedema en N. Wagenaar.
- 153 -
Foto 155. De Friese toezichthouders: Van links naar rechts K. Knijft,
C. Lindeboom, J. Miedema en opz. J. Fennema.
Foto 156. De Groninger club: Van links naar rechts opz. B. Dijkstra, opz.
K. Haan en de kantonniers J. Frankes, J.F. Meijer en R. Gjaltema,
- 154 -
elke polder i.v.m. de grote aantallen arbeiders er wel één moest
zijn. De heer H. Dethmers te Uithuizen nam op 1 december 1961 ontslag
op eigen verzoek. De heer G. Wijnenga te Wehe-den Hoorn werd per
16 februari 1962 afgekeurd. De heer J. Bekkema maakte per 1 januari
1967 gebruik van de wachtgeldregeling. Het verloop van de heer J. Bolhuis heb ik reeds wat uitvoeriger beschreven, terwijl de heer J. van
der Ploeg te Spijk ook werd afgekeurd. Verder heeft nog als magazijnmeester dienst gedaan de sinds 3 juni 1953 in dienst zijnde arbeider
H. Folgerts te Den Andel. Per 1 januari 1962 werd hij hiertoe bevorderd en per 1 januari 1967 is hij met wachtgeld gegaan.
Na de enorme afslanking van personeel door de reorganisatie per 1 januari 1967 zijn er, behalve uiteraard in Baflo (waarover later meer)
geen nieuwe magazijnmeesters weer aangesteld. Elke kantonnier verzorgde in het vervolg zijn zaakjes in zijn eigen kanton.
Zoals reeds vermeld waren er in de vijftiger jaren voor het vele onderhoud van de hoofdzakelijk houten gebouwen 5 timmerlieden aanwezig,
t.w. de opz./timmerman F. Brandes, de heren I. van der Kooi,
Th. Schipper, A. Post en A. van Dalen (op foto 157 zijn nog enkele van
hen afgebeeld). De heer Brandes werd per 1 augustus 1954 bevorderd tot
opzichter D en per 1 juli 1957 tot opzichter C. Behalve als chef over
de timmerlieden en de inkoop van het benodigde hout ging hij ook ander
opzichterswerk doen (bijv. regeling werkzaamheden op de Rottumerplaat,
maar ook toezicht bij wegaanleg). Per 1 mei 1960 is hij als opzichter
B overgegaan naar de directie Wegen, met standplaats Vlaardingen. De
heer A. van Dalen volgde hem in zijn functie op.
Reeds eerder waren de heren van der Kooi en Schipper, resp. per 1 september 1956 en 1 maart 1957 overgegaan naar een particulier bedrijf,
de firma Rustema te Baflo. De per 25 augustus 1952 als arbeider in
dienst getreden heer A. Post werd per 1 oktober 1953 tot vakman B benoemd, per 1 januari 1960 tot vakman A en per 1 juli 1960 tot opzichter D. Per 1 januari 1964 verdween hij eveneens naar de directie Wegen, met standplaats Vlaardingen.
Per 1 april 1964 kwam hiervoor terug de heer J. Buikema te Broek (persoon rechts op foto 13). Hij is momenteel de enige timmerman bij de
dienstkring, zodat veel werk momenteel wordt uitbesteed aan de fa.
Rustema te Baflo. Per 1 oktober 1987 kan hij de dienst met de VUT verlaten .
Per 1 september 1979 kwam als timmerman in dienst de heer C. Hubers
van Warfhuizen, als opvolger van de gepensioneerde heer Joh. Bakker,
die in 1966 was overgeplaatst van Ferwerd naar Baflo.
De opz./timmerman A. van Dalen is per 1 november 1982 met de VUT gegaan, waarna de heer Buikema in zijn functie werd benoemd per 1 januari 1983.
Voor het schilderwerk van de vele gebouwen, zowel langs de Friese en
Groningse kust als op de eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat, als
- 155 -
voor het binnenschilder- en behangwerk van het huidig dienstkringkantoor is steeds een schilder aanwezig geweest. Bij mijn indiensttreding
was dit de heer K. Ronda, zoon van de toenmalige magazijnmeester
J. Ronda te Rasquert. In het voorjaar van 1958 stapte hij over naar de
gemeente Eenrum. Per 1 mei 1958 werd hij opgevolgd door de heer
R.J. Zuidema uit Leens. Na zijn huwelijk werd hij mijn overbuurman aan
de Wilhelminalaan. Vanwege een hoger salaris, hetgeen bij ons, ondanks
pogingen via de "nazorg" van de werkclassificatie, niet was te bereiken, verdween hij per 1 augustus 1963 naar de Friese gemeente Bergum.
Daar kon hij wel een groep hoger worden aangesteld. Tijdelijk heeft de
duinarbeider B. Bakker van Houwerzijl nog als schilder geassisteerd.
Per 9 december 1963 werd de heer Zuidema opgevolgd door de heer
H. Bouwes van Westeremden, die zijn particulier bedrijfje graag wilde
opgeven voor een Rijksbaantje. Hij verhuisde naar Baflo, werd per
1 juni 1975 gepensioneerd en woont nog steeds (sedert jaren als weduwnaar) in zijn bungalowtje aan de Margrietlaan.
Op zijn beurt werd hij opgevolgd door de in Baflo woonachtige schilder
A. Runsink. Wegens ziekte van zijn vrouw wilde ook hij graag zijn eigen zaak opgeven om ambtenaar te worden. Met veel animo heeft hij zijn
werk bij ons dan ook gedurende een achttal jaren gedaan. Wegens ernstige heupklachten heeft hij zijn pensioen bij ons niet kunnen halen
maar is hij per 1 september 1983 afgekeurd. Daar hij geen 10 dienstjaren bij het Rijk had kon hij niet van de VUT gebruik maken.
Intussen kon de uitzetter/baakhouder H. Heerlijn wegens hernia het
wadwerk niet meer doen. In goed overleg met hem en dr. van der Bosch
(RGD) heeft hij daarom de "blauwe werkoverall" verwisseld voor een
"witte schildersoverall", hetgeen tot op heden tot aller tevredenheid
verloopt )foto 12).
In het centrale magazijn te Baflo was als magazijnmeester werkzaam de
heer J. Ronda. Na zijn pensionering per 1 januari 1959 werd hij opgevolgd door de heer A. Bolhuis. Deze was voorheen chauffeur op de
vrachtauto, maar werd hiervoor wegens oogklachten afgekeurd. Na een
ernstig ongeval (niet in dienstverband), waarbij hij o.m. een schedelbasisfractuur opliep, werd hij per 1 februari 1970 afgekeurd.
Als zijn opvolger werd benoemd de andere vrachtwagenchauffeur, de heer
H. Brouwers. Deze is op 20 juni 1981 na een ernstige ziekte overleden
en was per 1 maart 1981 reeds vervangen door de huidige magazijnmeester C. Hubers. Na zijn huwelijk met mej. F. Huizing, medewerkster van
de afdeling Personeelszaken te Groningen en dochter van onze vroegere
voogd B. Huizing, heeft hij de voormalige dienstwoning (thans Rijkswoning) gehuurd van de Domeinen te Meppel. Deze woning aan de Willem de
Zwijgerstraat 28 is erg gunstig gelegen (tussen kantoor en magazijn) ,
zodat tevens een oogje in het zeil kan worden gehouden op de gebouwen
en terreinen van de Dienstkring.
- 156 -
Bij mijn indiensttreding in 1951 fungeerde de heer W.J.H. Littel als
chef van de tekenkamer (zie foto 158). Vanwege een grootscheepse verbouwing van het kantoor was een gedeelte van het tekenkamerpersoneel
tijdelijk ondergebracht in de trouwzaal van het gemeentehuis te Baflo. Aldaar heb ik dan ook mijn eerste maanden bij de dienst doorgebracht, o.a. met de heer A.M.C. Dorst en de heer H.R. Mulder.
Indien er een huwelijk werd gesloten moesten we de zaal ontruimen en
hadden we enige uren vrijaf. Eind 1961 werd de heer Littel gepensioneerd .
'
Per 1 januari 1962 werd hij opgevolgd door de technisch ambtenaar I,
de heer H.J. Smit. Vanwege zijn ca. 60-jarige leeftijd werd hij al
snel "opa Smit" genoemd. Hij was woonachtig te Wageningen en voordien
werkzaam geweest bij de directie Gelderland met standplaats Arnhem,
Hij bleef in Wageningen wonen en had als kosthuis het Hotel de Reus,
tegenover het kantoor.
Per 1 augustus 1966 werd hij gepensioneerd en in 1985 ontvingen we op
kantoor het bericht van zijn overlijden. Hij werd opgevolgd door de
per 1 maart 1966 van de directie Gelderland (Arnhem) overgekomen tekenaar A, de heer M. Dieleman.
Per 1 januari 1969 werd hij bevorderd tot tekenaar AI. Per 1 maart
1971 vertrok hij naar de directie Bovenrivieren. De heer H.R. Mulder
werd toen chef van de tekenkamer, hetgeen hij tot 1 december 1986 is
gebleven. Zijn functie is nog niet weer vervuld en het staat momenteel
ter discussie of er nog weer een vervanger komt, zoals reeds in hoofdstuk 11 van dit verhaal is aangegeven.
Zoals in hoofdstuk 5b. Organisatie reeds staat vermeld, was tot
1 maart 1967 de "Afdeling Studiedienst Baflo" ook in het kantoor Heerestraat 1 gehuisvest. Als gevolg hiervan was ook de tekenkamer druk
bezet. Op foto 159 staat ir. Sanders met de in 1957 aanwezige bezetting van de tekenkamer.
Wel een sterk contrast met de huidige 2-mans bezetting (foto 160 toont
dus 50% van deze bezetting).
Iets dergelijks geldt voor de administratie. Foto 161 toont het personeel van de administratie in 1957.
De reeds vanaf 1947 in dienst zijnde heer H. Boers werd per 1 januari
1962 benoemd bij de Afdeling Comptabiliteit in Den Haag. Vanwege zijn
bekendheid met onze dienst heeft hij daar nog enige jaren de loonberekeningen e.d. van de toenmalige wadarbeiders verzorgd.
De heer C. Jongkind van Hippolytushoef is zijn administratieve loopbaan ook in Baflo begonnen (1951). Later, in 1954, werd ook hij wel
ingezet bij diverse metingen van de Studiedienst en het uitwerken en
op tekening zetten van de meetgegevens. Via diverse sollicitaties en
promoties belandde hij op den duur ook in Den Haag, bij de Afd. Formatiezaken.
- 157 -
Foto 157. Het werkplaatspersoneel. Van links naar rechts staande: de heren
F. Brandes, A. Bolhuis, A. Post, B. Bakker, A. van Dalen en
J. Ronda.
Foto 158. De heer Littel (chef tekenkamer) achter zijn bureau.
- 158 -
Foto 159. Van links naar rechts: ir. P. Sanders, H. Moens (practicant),
J. Benes, M. Sijbolts, C. Jongkind, H.R. Mulder, K. Bijsterveld,
R. Reenders en J. Hartsema.
Foto 160. De heer J. Smith op zijn geliefd plekje.
- 159 -
In die hoedanigheid is hij veel later (in de zeventiger jaren) en intussen opgeklommen tot referendaris, nog wel weer in Baflo op bezoek
geweest bij de afhandeling van de formatievoorstellen. Hij is enkele
jaren geleden plotseling overleden.
Foto 162 geeft de huidige bezetting op de administratie weer.
Vergoedingen^
Daar het Reisbesluit 1956 en later ook die van 1971 moeilijk op ons
werk toepasbaar was (men kan immers ter plaatse geen kosten maken),
werd er als tegemoetkoming in de aanschaf van een broodtas en de nogal
kwetsbare thermosfles een vastgesteld bedrag per werkdag uitbetaald.
In 1963 bedroeg dit f 0,75 per dag en in 1965 f 0,85. Dit werd dan de
"middagvergoeding" of "koffiegeld" genoemd. Begin zeventiger jaren was
dit bedrag opgelopen tot f 1,80 per dag.
Vanaf 1 juli 1973 werd door Den Haag de zgn. "Onontgonnen gebiedregeling" ingesteld. Deze regeling is thans voor de twee nog aanwezige
wadarbeiders, maar ook voor de kantonniers, de opzichters en de meetploeg nog van kracht. Deze vergoeding was vastgesteld op 3% van de
geldende etmaalvergoeding en bedroeg toen f 1,29 per werkdag. Enige
jaren terug werd de etmaalvergoeding nogal flink opgetrokken. Hierbij
werd echter tevens bepaald dat in het vervolg slechts V 4 van het uurbedrag werd toegekend. Momenteel is dit V 4 van 3 x f 1,42 = f 3,20
per dag. Dit bedrag komt vrijwel overeen met de kantonniersvergoeding
bij de droge dienstkringen (rond de f 8 0 , — per maand). Deze vergoeding wordt echter ook bij verlof en korte ziekteperiode doorbetaald.
Voor het werken op de abnormale tijden (vóór 7.00 uur en na 19.00 uur)
wordt een "onregelmatigheidstoeslag" uitbetaald. Het bedrag is variabel en bedraagt een aantal procenten van het uurloon en is weer afhankelijk van de tijdstippen waarop gewerkt is. Ook werden soms nog reisuren uitbetaald als men erg lang van huis was. Dit speelde vooral als
de Friese arbeiders op dagtaak in Groningen werden tewerk gesteld en
tijdens het werken in de Staatsbossen. Men kwam hiervoor in aanmerking
als men langer van huis was dan de som van werktijd, schaft en één uur
begeeftijd.
d. Vervoermiddelen.
Lange tijd kwam ook het toezichthoudend personeel per fiets op het
werk en ontving hiervoor "fietsvergoeding".
De opzichters kwamen veelal per motor. Men kon kiezen tussen een
dienstmotor en een privémotor tegen motorvergoeding. Later werden er
twee Vespa scooters aangeschaft, waarop men iets beter beschut zou
zitten, hetgeen echter toch tegenviel.
Zelf heb ik zes jaar op een dienstmotor (AJS-350 cc) gereden en één
jaar op een scooter. Het is in die zeven jaren maar één keer gebeurd
- 160 -
Foto 161. Van 1. naar r. staande: dhr. I. v.d. Kam, mej. W.A.P. Meijer, mej.
G, Padje, de heren J. Veltman, H. Steenhuis, W. Huizing, B. Klamer, H. Boers,
J. Jilderda, J. Boersma, P. Donkerbroek en Y. Zeilstra en geknield van 1.
naar r. H. Hop, mej. A. Venhuizen, K. Reeker, en J. Fokkens en dhr. H.E.
Wiersema.
Foto 162. Het huidige trio: Van 1. naar r. J. Slager, H.E. Wiersema en
K. Dijkinga.
- 161 -
dat ik, vanwege de te hoge sneeuwduinen, niet naar het werk ben geweest. Hetzelfde gold toen voor de collega's Stob en Cremer. Daar we
toen nog geen kamer op het kantoor hadden, hebben we die dag bij mij
thuis zitten werken aan verschillende tarieven.
Na de fiets deed de bromfiets zijn intrede, waarvoor men bromfietsvergoeding ontving. Per jaar werden destijds wel 200.000 bromfietskilometers uitbetaald. Ook was er destijds een "dienstbrommer" beschikbaar.
Nog weer later werden de kantonniers gezamenlijk per VW-busje naar het
werk vervoerd. Dit gebeurde toen ook reeds met de wadarbeiders. Dit
was een grote verbetering, die ook de gezondheid ten goede kwam (niet
meer kleumen met een bezweet lichaam op de brommer).
Ook was de dienst er verder mee gebaat, daar de ploeg nu veel mobieler
werd en langs de gehele kust, maar ook grensoverschrijdend kon worden
ingezet. Het nadeel was echter, dat er altijd op de laatste man moest
worden gewacht. De werkzaamheden werden immers niet altijd gelijktijdig beëindigd (afhankelijk van voor- of achterop werken). Hierdoor
moest soms wel eens een half uur tot drie kwartier worden gewacht op
een collega.
Een ander nadeel was dat het busje ook voor andere doeleinden werd ingezet en dus niet altijd op het werk beschikbaar bleef.
Bij onverwacht invallende regen, waarbij het werk soms werd afgelast,
moest worden gewacht op de terugkeer van het busje. Deze kon toen ook
nog niet via de mobilofoon worden opgeroepen, zodat maar lijdzaam
moest worden afgewacht tot het afgesproken tijdstip. Sommige kantonniers kwamen dan ook maar liever per eigen auto op het werk, al was
dit dan ook tegen bromfietsvergoeding. Slechts bij vervoer over grote
afstanden (meer dan 30 km v.v.) werd autovergoeding uitbetaald of werd
een intussen ook aanwezige dienstauto (Renault 4) beschikbaar gesteld. De laatste jaren is het systeem van groepsvervoer van kantonniers per busje dan ook niet meer in gebruik, maar wordt gebruik gemaakt van een dienst- of privévoertuig tegen autovergoeding, ook voor
de kortere afstanden. De twee hierdoor mettertijd vrijgekomen chauffeursplaatsen (die van J. Teitsma in Friesland en die van K.P. Koning
in Groningen) zijn daarom niet meer vervuld maar zijn mede gebruikt om
te kunnen voldoen aan de 2% krimpoperatie. De wadarbeider N. Cuperus
te Wierum heeft vele jaren als chauffeur op het Friese busje gereden,
maar werkte daarnaast ook normaal met de ploeg mee.
In verband met de slechte toegangswegen door de zomerpolders, met vele
hekken en uitwerpselen van schapen en hokkelingen op de weg, wordt
trouwens in Friesland door het toezichthoudend personeel in de zomer
voor de kortere afstanden nog wel weer de fiets gebruikt. Voor de langere afstanden en voor de geschetste slechte omstandigheden wordt wel
de daar aanwezige Landrover, Renault 4 of VW-bus ingezet.
Voor het vrachtvervoer in beide provincies samen is nog steeds een
vrachtauto met aanhangwagen beschikbaar. Deze wordt al lange tijd
bestuurd door een Kazemier. Eerst door de heer A. Kazemier. Na een
- 162 -
lichte hartaanval mocht hij later nog wel weer rijden, maar geen laadof loswerkzaamheden verrichten. Hiertoe werd zijn zoon Roelof als
bijrijder aangenomen. Na de latere afkeuring van de heer A. Kazemier
is deze toen in zijn plaats als chauffeur benoemd.
e. Uitbetalingen.
Zoals reeds vermeld, werd aanvankelijk het loon per week contant op
het werk uitbetaald. Later werd dit omgezet in giro- of bankbetalingen. Dit gaf in sommige gevallen wel de nodige "huiselijke" probleempjes. Vrouwlief kon nu immers op de bijschrijving exact zien wat er
werd verdiend. Voorheen verdween een extra centje van bijv. kledingvergoeding en koffiegeld nog wel eens onderweg in de kroeg.
Een grotere ingreep echter was de omschakeling van week- op maandloon. Dit betekende immers dat er door deze omschakeling gedurende 4
weken geen geld zou binnenkomen. Ter voorkoming van de aanvragen van
voorschotten op het salaris en om ook overigens enigszins verlichting
te brengen werd in overleg met de hoofddirectie in Den Haag besloten
éénmalig een extra weekloon, de zgn. "penweek" uit te betalen.
f. Verlof_.
Het aantal verlofdagen is in de loop van de jaren voor het lager personeel nogal uitgebreid en nu op 1 dag na gelijk aan die van het hogere personeel.
Men heeft nu dus minimaal 23 verlofdagen en afhankelijk van de leeftijd nog 1 tot 6 dagen meer.
Sinds 1983 zijn hier de compensatiedagen en vanaf 1986 de ADV-dagen
nog bijgekomen, zodat men thans veelal 3 a 4 weken met verlof gaat,
met uitschieters tot 5 a 6 weken.
De tot 1976 verplichte en veel gewraakte vakantieweek (tijdens de
bouwvakperiode) behoort al lang tot het verleden. Wel wordt door de
meeste kantonniers rekening gehouden met de vakantieperiode van de
aannemers (intussen ook uitgebreid tot 3 weken), om te voorkomen dat
er te weinig toezicht op het werk zou zijn. Er behoeft gelukkig nooit
of uiterst zelden gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheid verlof
te weigeren "omdat de dienst het niet toe zou laten". In het opnemen
van een halve dag verlof bij tijwerk was ook voorzien. Men diende dan
de helft van de theoretische roostertijd op het werk aanwezig te zijn
(kon dus variëren van 1 V 2 tot 4 uur). Bij het vervoer in groepsverband kon hier echter geen gebruik van worden gemaakt. Dit komt trouwens nu amper meer voor.
g. Werktijden.
Zoals reeds eerder vermeld bedroeg de gemiddelde werktijd in de vijftiger jaren 48 uur per week bij een 6-daagse werkweek.
Er werd in het algemeen in Groningen niet op dubbele getijden gewerkt
zoals het in Friesland gebeurde.
- 163 -
Een uitzondering hierop waren de wadarbeiders in het Kamp Lauwerpolder. Deze maakten 1 keer per 14 dagen een dubbeltij, maar waren dan
ook om de andere zaterdag geheel vrij en hadden dan dus een lang weekeinde .
Per 1 april 1962 werd een 5-daagse werkweek ingevoerd van 9 uur per
dag, dus 45 uur per week. Voor het kantoorpersoneel werd toen reeds
een werkweek van 41V4 uur ingesteld.
Per 1 september 1968 vond een verkorting van de werkweek tot 43^/4 uur
plaats en per 1 april 1970 tot 42V2 u u r P e r week. Dit 4rerd nogmaals
verkort tot 41V4 u u r er* pe r 1 april 1975 tot 40 uur per week.
Per 1 januari 1986 werd dit theoretisch teruggebracht tot 38 uur per
week, maar in de praktijk bleef het op 40 uur per week gehandhaafd,
met daarvoor als compensatie de 12 Arbeidsduurverkorting (ADV-dagen).
Voor de wadwerkzaamheden veranderde hierdoor in de praktijk natuurlijk
niet veel. Er kon door de reeds vermelde "verletten" nooit 48 uur worden gewerkt. Wel betekende de arbeidstijdverkorting voor de tariefwerkers dat er minder behoefde te worden geproduceerd. Er behoefde n.1.
over minder oneffectieve uren te worden oververdiend (bijv. bij een
effectieve werktijd van 36 uur moest bij een 48 urige werkweek over
12 uur worden "oververdiend" en bij een 40 urige werkweek slechts over
4 uur, om het maximum loon te verdienen.
Tevens werd door de verkorting van de werktijd bij een gelijkblijvend
maandsalaris automatisch het uurloon hoger. Hierdoor konden de tariefwerkers gemakkelijker het maximum loon verdienen.
Over de werktijden bij de landaanwinning in het algemeen valt nog op
te merken, dat in plaats van te werken met een uuronderverdeling in
kwartieren werd gewerkt, met een onderverdeling van 6 minuten. Dit
hield verband met de tarieven volgens het Bedeau-systeem. Op de
dienstroosters stond dan bijv. aangegeven: werktijd van 10.06-17.42
is 7.6 uur. Dit werd dan ook zo op de dagrapporten vermeld om uiteindelijk de prestaties en dus ook de verdienste om te rekenen.
Ook voor het machinaal graafwerk werd deze onderverdeling toegepast.
Dit speelde vooral als in zgn. "klokuren" werd gedraaid. Een klokuur
kostte bijv. f 300,— per uur = f 3 0 , — per 6 minuten, wardoor het
veelal kostenbesparend werkte om de tijd zo exact mogelijk aan te geven.
h. Reünie.
In het kader van 50 jaar landaanwinningswerken in Friesland werd in
maart 1984 te Ferwerd een reünie van "slikwerkers" gehouden. Het welkomswoord werd gesproken door de heer N. Wagenaar, die ca 150 man welkom kon heten op dit zeer geslaagd ontmoetingsfeest. Het in de Nieuwe
Dokkumer Courant van 28 maart 1984 verschenen artikel hierover staat
ook vermeld op bladzijde 23 van het Personeelsblad 7 e jaargang nr. 2
van april 1984.
- 164 -
i. Dienstcommissie^
Vergelijkbaar met de ondernemingsraden in de particuliere bedrijven
ontstond er bij het Rijkspersoneel ook steeds meer de behoefte aan inspraak.
Wel was er reeds de Bijzonder Commissie in Den Haag om voor de rechten
van de werknemers op te komen.
Bedoelde inspraak werd verkregen door het instellen van een zgn.
Dienstcommissie (DC), bestaande uit diverse vakbondsleden. Voor de
landaanwinning werd door de vakbond ABVA (later de ABVA/KABO) als lid
aangewezen de heer H.E. Wiersema. Per 1 juni 1982 werd hij ook gekozen
als lid van de Dienstcommissie Nieuwe Stijl. Van de oude DC was destijds de heer N. Cuperus te Wierum voor de CFO ook lid.
Van de eerste DC Nieuwe Stijl maakten nog 2 werknemers van de dienstkring Baflo deel uit van de uit 9 personen bestaande leden. Voor de
afdeling CFO werd de heer B. Dijkstra gekozen. Van de ongeorganiseerden, die in deze nieuwe constellatie ook mee mochten doen, werd gekozen de heer A.H. Bosma.
Bij de verkiezing in 1986 zijn, op eigen verzoek, de heren Wiersema en
Dijkstra op dusdanige plaatsen van de kandidatenlijsten geplaatst, dat
ze normaliter niet meer gekozen konden worden. Het zou nog theoretisch
mogelijk zijn als ze voldoende voorkeursstemmen zouden behalen.
De heer A.H. Bosma was intussen lid geworden van de ABVA/KABO en als
zodanig maakt hij thans deel uit van de huidige DC. Voor de Christelijke bond CFO werd nu gekozen de heer K. Knijft uit Holwerd.
Behalve de noodzakelijke diensttijd voor de vele vergaderingen en
voorbesprekingen, vergt het lidmaatschap van de DC ook nog veel privétijd i.v.m. het noodzakelijk bestuderen van de vele stukken die geproduceerd worden.
j. Vertrouwensman Personeelsfonds.
De heer I. van de Kam heeft vele jaren gefungeerd als vertrouwensman
van het Personeelsfonds. Na de destijds gevoerde propaganda om hiervan
lid te worden, hebben velen hiertoe besloten. Hierdoor kwam Baflo met
een hoger dan het landelijk gemiddelde percentage uit de bus.
Na de reorganisatie van april 1975 werd hij, na een gehouden verkiezing, vervangen door de heer B. Dijkstra met als plaatsvervanger de
heer H.E. Wiersema. Mijns inziens dient één van de twee ook een "kantoorman" te zijn. Deze is n.1. het best in de gelegenheid om eventuele
aanvragen voor financiële bijstand te behartigen. Hij heeft daartoe
het meest de gelegenheid en is beter te bereiken dan een "buitenman".
Bij de volgende verkiezingen in 1979 werd de heer wiersema dan ook
weer verkozen tot vertrouwensman, met als plaatsvervanger de heer
A.H. Bosma. Deze plaatsvervanger werd bij de daaropvolgende verkiezing
in 1983 vervangen door de heer S. van der Berg en dus tot de volgende
verkiezing in 1987 als zodanig zal fungeren met de heer Wiersema.
- 165 -
k. Maatschaggelijk^werk^
Sinds 1968 zijn bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat ook Maatschappelijk Werkers (of Werksters) aangesteld om het personeel met
problemen in voorkomende gevallen te begeleiden. Voor de directies
Groningen en Drenthe werd hiertoe benoemd mevrouw Knaap. Deze werd per
1 april 1970 opgevolgd door mevrouw R. Witting, die dit voor ons rayon
is gebleven tot 1 mei 1985. Zij hield maandelijks een halve dag
spreekuur op het dienstkringkantoor. Waren hiervoor geen kandidaten,
dan werd vaak met mij gesproken over eventuele probleemgevallen. In
haar plaats werd benoemd mevrouw Y. de Jong, die echter per 1 januari
1987 ons reeds weer heeft verlaten. Als haar opvolger is benoemd de
heer B. Compayen, voordien werkzaam in de directie Zeeland.
1. Personele consequenties door de reorganisatie per 1 april 1975.
In mijn voorwoord heb ik deze reorganisatie slechts even aangetipt,
zonder hierop echter verder in te gaan. Deze reorganisatie betekende
echter wel een grote ingreep in onze vrij zelfstandige afdeling.
Een consequentie was n.1. dat de "bureelchef" verdween uit Baflo.
Hiervoor in de plaats kwam voor de dienstkringadministratie een hoofd
Administratie. Hiertoe werd aangewezen de reeds vanaf 22 november 1948
bij de dienst werkzame administratief medewerker H.E. Wiersema te Baflo.
De heer J. Boersma van de administratie werd overgeplaatst naar Groningen. Ook de beide dames van het archief, mevrouw J. Padje en
A. Berghuis verdwenen. De eerstgenoemde werd eerst nog tewerkgesteld
op het directiekantoor te Groningen, maar later afgekeurd.
Mevrouw Berghuis was i.v.m. haar leeftijd (boven de 60) niet meer verplaatsbaar en kreeg ontslag met recht op wachtgeld.
Beide dames wonen nog steeds in hun knus huisje aan de Heerestraat te
Baflo.
De boekhouding werd overgeheveld naar Groningen en het bestaande gironummer van de afdeling landaanwinning kwam te vervallen. De administratief medewerkster mevrouw W.A.F. Meijer, die de boekhouding reeds
meer dan 30 jaar had verzorgd, werd omgeschoold tot typiste, telefoniste en archievariste. Gelet op haar leeftijd kan ik me voorstellen
dat dit geen gemakkelijke tijd voor haar is geweest. Toch moest ze nog
"over de drempel" worden geholpen om op 63 jarige leeftijd gebruik te
gaan maken van de VUT-regeling. Bij het bereiken van haar 40-jarig jubileum is zij, vooral dank zij haar ontzettend veel verrichte verenigingswerk. Koninklijk onderscheiden. Ir. Tuyten heeft haar, tot haar
zeer grote verrassing (het was n.1. goed geheim gehouden) de bijbehorende versierselen mogen opspelden, onder het genot van een kopje koffie met gebak in de met een bloemetje opgefleurde vergaderzaal in het
dienstkringkantoor te Baflo.
- 166 -
Toen ze de bewuste dag hoorde dat er "hoog bezoek" uit Groningen zou
komen, onder het mom van voorlichting over diverse veranderingen bij
de dienstkring, was haar reactie: "Laat mij maar mooi bij de telefoon
blijven, voor mij is het toch niet zo belangrijk meer".
Na nog een 3-tal jaren van de VUT genoten te hebben is ze helaas overleden .
Behalve de wisseling van de staf had de reorganisatie voor het overige
personeel weinig consequenties. Na het vertrek van de technisch hoofdambtenaar K. Nicolai te Ferwerd werd de technisch ambtenaar I L. van
Sluis per 1 oktober 1976 in zijn plaats benoemd, met o.m. als taak het
assisteren en bij ziekte vervangen van het dienstkringhoofd. In het
begin betekende dit voor hem 1 of 2 dagen per week naar Baflo, maar al
snel liep dit op tot praktisch constant te Baflo. Zijn standplaats
bleef eerst nog Perwerd maar werd later gewijzigd in Baflo. Dit had
voor de heer van Sluis vanzelfsprekend nogal nare financiële consequenties tot gevolg. Zijn ritten naar Baflo waren nu immers geen
dienstreizen meer, zodat hij nu nog slechts de woon-werkverkeervergoeding ontvangt. Toch doet betrokkene nog steeds met grote animo en grote dienstijver zijn werk, terwijl hij gezien zijn leeftijd reeds lang
met de VUT had gekund.
De heer Nicolai had er stellig op gerekend dat hij op 60-jarige leeftijd met de FLO zou gaan. Ondanks zijn rang was hij qua werk immers
vergelijkbaar met een opzichter-buitendienst. Het Koninklijk Besluit
voorziet hier echter niet in, daar deze zuiver op de "benaming" afgaat
en niet op de strekking. De kwestie is daarna door hem bij het Ambtenarengerecht aangekaart, die hem echter ook in het ongelijk stelde.
Kort hierop begon hij te sukkelen, hetgeen er uiteindelijk toe geleid
heeft dat deze "1andaanwinner in hart en nieren" werd afgekeurd.
Hij had destijds van de heer Bergman reeds de opdracht tot het schrijven van een verhaal over de landaanwinning. Ofschoon er wel mee begonnen is het echter, wellicht mede door zijn ziekte, niet tot een resultaat gekomen. Dit is wel erg jammer, daar hij vanzelfsprekend over een
schat van gegevens kon beschikken, vanwege zijn zeer intensieve betrokkenheid bij het waddengebeuren vanaf 1939. Aangezien hij vanwege
zijn ziekte hierover niet meer aanspreekbaar is en wordt verpleegd te
Veenwouden, heb' ik ook geen beroep op zijn 40-jarige praktijkervaring
kunnen doen. Wel bleek mevrouw Nicolai nog in staat uit zijn "dagboekjes" enige wetenswaardigheden boven water te krijgen.
- 167 -
15. Materleeladministratie.
In verband met de omvangrijkheid van het te gebruiken materieel langs de
kust, werd door de heer C.T. Bergman een systeem bedacht en ingevoerd om
de vele verplaatsingen van dit materieel bij te kunnen houden.
Het centrale magazijn is gevestigd aan de Paul Krugerstraat 7 te Baflo,
in de directie omgeving van het kantoor. Van hieruit wordt vrijwel al het
materieel gedistribueerd. Van elk artikel in het magazijn is een voorraadstaat aanwezig, waarop aan- en afvoer wordt geboekt.
Elke verzending wordt begeleid door een genummerde zgn. "gele bon", welke
in 3-voud wordt uitgeschreven. Eén exemplaar blijft bij de afzender, één
exemplaar gaat via de vervoerder naar het adres van de ontvanger van het
materieel en het derde exemplaar gaat, via het bureau van het hoofd van
de technische dienst, naar de ambtenaar belast met de materieeladministratie. Deze houdt n.1. een "spiegelboekhouding" bij van zowel de lijsten
van het centrale magazijn als van alle "buitenposten" in Groningen en
Friesland en moet dus alle verplaatsingen 2 keer boeken.
Periodiek (gemiddeld eens per 2 jaar, ofschoon de laatste jaren minder
vaak) wordt de boekhouding + de voorraden door genoemde ambtenaar gecontroleerd. Met dit werk is reeds ruim 30 jaar belast de heer P. Donkerbroek.
Bij deze controlewerkzaamheden in Friesland betekende dit vroeger voor
hem dat hij dan voor een week een "kosthuis" moest zoeken. Dagelijks op
en neer reizen naar bijv. Ferwerd (ca. 125 km v.v.) was een 20 tot 25
jaar geleden vrijwel niet mogelijk.
Opmerking.
Onbruikbaar geworden materieel moet met gele bon ter afkeuring naar het
centrale magazijn te Baflo worden opgezonden. Het afkeuren zelf geschiedt
door een neutraal persoon (opz. B. Dijkstra), waarna het wordt vernietigd.
Ofschoon het systeem op zich prima voldoet en waterdicht is, is het natuurlijk wel vrij kostbaar. Binnenkort zal het systeem dan wellicht ook
worden afgeschaft. Dit hangt samen met het feit dat de functie van de
heer Donkerbroek, die overigens daarnaast ook een deel van de werkadministratie verzorgt, de "primaire gegevens van de bestekken" en de bibliotheek beheert, vermoedelijk in de loop van 1987 wordt opgeheven. De objectsopzichters zullen dan zelf een eenvoudiger systeem van materieelvoorraden moeten bijhouden.
Het spreekt voor zichzelf dat door de verdoorgevoerde wijze van uitbesteding van het werk, de materieelverplaatsingen in geen verhouding meer
staan met die van 25-30 jaar geleden.
- 168 -
16. De vegetatie in het waddengebied.
Onder deze titel heeft wijlen dr. L.F. Kamps destijds ook een hoofdstuk
gewijd in zijn reeds eerder genoemde nota "Slibhuishouding en Landaanwinning in het oostelijk waddengebied".
Een van de plantensoorten waarvan men goede verwachtingen had dat ze de
aanslibbing zou bevorderen was "Spartina Townsendi", ook wel "slijkgras"
en later zelfs "slijkpest" genoemd.
In Zeeland (o.m. in het Zuidersloe) waren hiermee reeds vanaf 1924 ervaringen opgedaan. Na 5 jaar werd daar een verhoging van het terrein van
1 m geconstateerd. In 1937 werden in Groningen hiermee proeven gedaan.
Het bleek echter dat de klimatologische omstandigheden hier in het noorden veel beroerder waren dan in Zeeland. De planten bleken n.1. niet winterhard te zijn.
Na enige jaren echter werd dit door een speciale wijze van veredeling
verbeterd. Op den duur ontstonden hier dan ook uitgebreide Spartinavelden. Hierin werd ook veel slib afgezet.
Het doel was echter om de akkers begroeid te krijgen met kweldergras,
maar als gevolg van de weelderige groei van het Spartina kreeg het kweldergras vrijwel geen kans zich te vestigen en te ontwikkelen.
In de praktijk bleek, dat op die plaatsen waar intensief werd beweid met
"hokkelingen" (jong rundvee), het kweldergras zich wel uitbreidde. Er
moest dus naar een middel worden uitgezien om het Spartina te bestrijden
en één hiervan was maaien. Dit maaien gebeurde aanvankelijk in handwerk
met de zeis. Het gevolg is wel voor de hand liggend, n.1. trachten het te
mechaniseren. Na veel informatie, gevolgd door demonstraties in het terrein, werden uiteindelijk een paar "Bungartz" maaimachines aangeschaft
bij Agincore N.V. te Diemen. Dit waren vrij lichte, dieselaangedreven basismachines, voorzien van een dubbele montering luchtbanden en o.m. voorzien van een maaibalk (foto 163 toont de basismachine met sneeuwschuif).
Vanwege hun roodgeschilders uiterlijk en hun vergelijkbare taak als beweiding met hokkelingen, werden ze al snel "de rode heukels" (= rode hokkelingen) genoemd. De heren J. Jonker en R. Spijk hebben op deze wijze
een groot aantal hectares gemaaid.
De begroeiing was soms zo weelderig en dicht dat ze eens, in de Lauwerpolder, een nest van een wilde eend compleet met een tiental eieren erin,
op de maaibalk hadden liggen, zonder dat ze het nest vooraf gezien hadden.
Een vervelende bijkomstigheid was dat de machines, in tegenstelling tot
de hokkelingen, het afgemaaide gewas niet opvraten. Het gemaaide bleef
eerst op de bezinkvelden liggen tot een hoog tij, meestal bij noordwesten
wind, het naar de dijk transporteerde. Vanzelfsprekend waren de diverse
waterschappen hier niet blij mee. In goed overleg werd er echter voor gezorgd dat het aangespoelde "veek" of "drijfruit" werd verzameld en binnendijks werd gebracht. De buitentaluds van de toen nog groene dijken
zouden anders door "smetten" ontoelaatbaar worden beschadigd.
- 169 -
Wel waren de resultaten verbluffend goed. In enkele jaren tijds veranderden de Spartinavelden in kwelders met een goede kweldergrasbegroeiing.
Een vereiste hierbij was wel een goede ontwatering. Door dus daarna de
bezinkvelden goed en regelmatig te blijven ontwateren, kon worden voorkomen dat de Spartina (althans hinderlijk) weer terugkwam.
Geheel in tegenstelling hiermee werd in het kale oostelijk waddengedeelte
boven de Emmapolder juist geprobeerd om hier de begroeiing met Spartina
te stimuleren. Hiertoe werden Spartinaplanten gerooid en in de Bmmapolder
weer uitgepoot. Dit heeft wel enig succes gehad, zodat daar thans nog vele pollen Spartina zijn te vinden. Het is echter nooit tot een weelderige
groei gekomen, wellicht omdat de bodem te zanderig was en Spartina juist
een natte, slikkerige bodem vereist.
Mededeling nr. 2 van de Werkgroep Waddengebied juni 1975, van de Rijksuniversiteit Groningen, Laboratorium voor Plantenoecologie te Haren bevat
een verslag van een doctoraal onderzoek, verricht onder leiding van drs.
W. Joenje in 1974 door K.S. Dijkema, getiteld: Vegetatie en beheer van de
kwelders en landaanwinningswerken aan de waddenzeekust van Noord-Groningen.
Vegetatiekartering.
Om een idee te krijgen over de omvang van de vegetatie, de ontwikkeling
ervan, de diverse voorkomende soorten enz. wordt jaarlijks een vegetatiekartering uitgevoerd.
Tot 1954 werd slechts de meest zeewaartse begrenzing van enkele soorten
in kaart gebracht, t.w. zeekraal, Spartina en kweldergras. Hiermee konden
op een eenvoudige wijze de vorderingen van de landaanwinningen worden afgeleid. Er bestaat n.1. een verband met de hoogteligging van het terrein
t.o.v. Gemiddeld Hoog water (GHW) en het voorkomen en de aard van de vegetatie .
Van 1954 tot 1957 is er, mede door de ziekte van de heer P. Bouwsema,
weinig aan vegetatiekartering gedaan.
Van 1957 tot 1967 werd een ander opnamesysteem toegepast. Hierbij werden
de soorten zeekraal, Spartina en kweldergras apart gekarteerd naar voorkomen en dichtheid, terwijl alle overige kruiden en overige grassen onder
die twee hoofden werden genoteerd. Vanaf 1967 worden ook de meeste overige soorten apart vermeld.
Gewapend met een tekening (schaal 1:5000) wordt in het terrein bekeken
wat voor soorten en in welke dichtheid de begroeiing op de bezinkvelden
voorkomt. Dit wordt op de tekening aangegeven (het veldwerk).
De kleinste op de tekening aangegeven hoeveelheid is een veld van 1 ha.
De opnames vinden hoofdzakelijk in de periode tussen 1 juli en 1 november
plaats.
De "karteerder" bepaalt door schattingen de bedekkingsgraad van de diverse plantensoorten per veld van 1 ha.
Het resultaat wordt in het betreffende veldje op de tekening genoteerd.
- 170 -
Hierbij wordt een bepaald systeem in acht genomen.
Van de op te nemen plantensoorten of groep van soorten wordt het bedekkingspercentage geschat en vervolgens in een schaal ingepast volgens
Braun-Blanquet.
0-5 % bedekkend 1
5-25 % bedekkend 2
25-50 % bedekkend 3
50-75 % bedekkend 4
75-100% bedekkend 5
De plantensoorten of groep van soorten worden steeds in dezelfde volgorde
op de tekeningen genoteerd, zodat niet steeds de namen weer vermeld hoeven te worden, maar voor "insiders" toch een goed leesbare kaart ontstaat .
Van dit veldwerk wordt later op kantoor een calque gemaakt op kleinere
schaal, zodat de begroeiing per polder op 1 kaart komt te staan.
Door vergelijking van de kaarten van verschillende jaargangen kan men
zien hoe de ontwikkeling van de begroeiing is (voor- of achteruitgang).
Daar de diverse plantensoorten op verschillende niveau's voorkomen ligt
het voor de hand dat er een bepaalde samenhang is tussen de hoogte
(t.o.v. NAP) en de begroeiingsoort. Momenteel wordt gewerkt aan de invoering van deze jarenlang verzamelde gegevens in een computer, om hiermee
nadere gegevens te verkrijgen.
Deze invoering is, door de grote hoeveelheden gegevens, ontzettend tijdrovend, maar hopenlijk zullen de hierdoor te verkrijgen resultaten hier
ruimschoots tegenop wegen.
Het behoeft wellicht geen betoog, dat het verrichten van de veldwaarnemingen zoveel mogelijk door dezelfde persoon of personen dient te geschieden, om vergelijkbare gegevens te verkrijgen. In het begin is dit
werk hoofdzakelijk verricht door onze "groene man", de heer P. Bouwsema
(foto 164), later geassisteerd door de heer B. Klamer. Daarna vele jaren
door de heer Klamer en de heer J. Smith. De laatste paar jaren is ook de
heer A.H. Bosma (als medewerker van de reeds genoemde Milieu Technische
Dienst) hierbij ingeschakeld. In 1982 is, na uitvoerige besprekingen met
o.a. de heer Van Beusekom van de Meetkundige Dienst te Delft, een fotografische vegetatieopname van de Groninger kust verricht. In 1981 was dit
reeds voor de eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat gedaan.
Behalve het vele voorbereidend werk (o.a. plaatsen en waterpassen van de
nodige "schilden" voor de luchtverkenning) bleek er toch ook nog vrij
veel veldwerk over te blijven.
De foto's van de begroeiing worden in "Palse Colour" uitgevoerd, waarbij
van elke soort begroeiing een andere kleur zichtbaar wordt. Ken groot
voordeel is, dat er toch wel minder in de soms moeilijk begaanbare gebieden behoeft te worden gelopen en dat de opname zonder menselijke fouten
en tekortkomingen plaatsvindt.
- 171 -
Foto 163. De basismachine van Bungartz B.V. (hier uitgerust met sneeuwploeg)
Foto 164. Dhr. P. Bouwsema voert de gegevens van de begroeiing in de
computer.
- 172 -
In 1983 zijn, na een mislukte poging in 1982 (geen geschikt vliegweer
tijdens laagwater) ook de bezinkvelden in Friesland op deze wijze opgenomen.
Het ligt in de bedoeling de opnames elke 5 jaar te herhalen. In de tussenliggende jaren zullen in elk geval de meet- en proefvakken via het oude systeem worden opgenomen.
Ook van de begroeiing in de Dollard zijn fotografische vegetatieopnames
gemaakt. Hierbij heeft "de ploeg van Baflo" voor het uitvoeren van het
veldwerk geassisteerd.
/
In een uitgave van de RIJP, t.w. Plevobericht nr. 252, handelend over
Wadden en landaanwinning, zijn de voordrachten, gehouden voor de wetenschappelijke bijeenkomst in mei 1985, weergegeven.
Deze te Lelystad gehouden lezingen zijn door de heer L. van Sluis, dhr.
Dijkstra en ondergetekende van de dienstkring en de heren Kerkhof en
A. Nicolai van de directie Groningen bijgewoond. Deze zeer interessante
uitgave bevat de volgende onderwerpen:
1. De Waddenzee: eigenschappen van een dynamisch kustgebied, door de heer
W.J. Wolff (van blz. 11 t/m blz. 22).
2. De Rijkslandaanwinningswerken: werkwijzen en enkele onderzoeksresultaten, door ir. R.J. de Glopper (blz. 23 t/m 32).
3. Vegetatiekartering in de landaanwinningswerken, door de heer P. Bouwsema (blz. 33 t/m 46).
4. De bodemfauna van onbegroeide slibben langs de Fries-Groningse Waddenkust, door drs. L. Zwarts (blz. 47 t/m 50).
5. Broedvogels langs de Friese Waddenkust, door de heer M. Engelmoer
(blz. 51 t/m 64).
Deze uitgave is onder nr. 86.4 aanwezig in de Dienstkringbibliotheek.
Zoals hiervoor staat aangegeven handelt lezing 3 over het onderhavige onderwerp, waarin met diverse figuren één en ander nog eens duidelijk wordt
weergegeven.
Tijdens de vroegere (handmatige) vegetatiekarteringen van de bezinkvelden
langs de Friese- en Groninger kust werden de laatste jaren gelijktijdig
nog enkele relevante zaken meegenomen, t.w.:
1. De intensiteit van de beweiding
2. De kwelderrijpheid van de bezinkvelden.
Vooral dit laatste is van groot belang, daar volgens het delimitatiecontract een "beweidbare kwelder" moet worden opgeleverd. Er staat helaas
niet omschreven wat men daar precies onder verstaat, terwijl er ook geen
vereiste kwelderhoogte staat voorgeschreven.
Uit de vegetatiekartering bleek in 1977 dat er in de Negenboerenpolder
een terrein aanwezig was, waarvan door het betrokken rijkspersoneel werd
verondersteld dat het zou voldoen aan de term "beweidbare kwelder".
Volgens het delimitatiecontract moet dan "op eerste aanmaning van de
meest gerede partij een commisie van 3 deskundigen worden benoemd om te
- 173 -
bezien of het inderdaad als zodanig kan worden aangemerkt en bij erkenning van de beweidbaarheid tevens de waarde daarvan te schatten". Hierbij
wordt 1 van de 3 leden aangewezen door de oevereigenaar, 1 door de Staat
en de derde dient een neutraal persoon te zijn met voldoende kennis van
zaken.
Op ons verzoek is door de inspecteur der Domeinen, de heer Smeenk (opvolger van de heer Huizinga) in 1978 een "proefballon" opgelaten door het
doen instellen van bedoelde commissie. Het in 1979 door de commissie uitgebracht oordeel luidde: "Nog geen beweidbare kwelder". De afwegingen tot
deze uitspraak waren echter uiterst vaag. In de brief hierover stond "dat
het terrein vanwege de lage ligging te frequent door zeewater werd overvloed" . Het gevolg hiervan zou zijn dat de kweldergrasvegetatie zich onvoldoende heeft ontwikkeld, hetgeen tot uiting zou komen in onvoldoende
zodenontwikkeling en het aanwezig zijn van een overmaat van zeekraal,
lamsoor en zee-alsem, welke vegetatie op beweidbare kwelders wordt onderdrukt en na beweiding volledig verdwijnt". Er werd echter niet aangegeven
wat de hoogteligging t.o.v. NAP zou moeten zijn en hoe weinig vaak het
wel zou mogen worden overvloed. Ofschoon dit in geen énkel delimitatiecontract staat vermeld was destijds wel de achterliggende gedachte dat
het via de landaanwinningswerken geschikt gemaakt gedeelte van het wad
zou worden ingepolderd.
Nu dit wellicht nooit zal gebeuren stellen de oevereigenaren minder prijs
op oplevering. Dit zou immers betekenen dat het onderhoud ervan dan bij
hen kwam te berusten, terwijl ze het feitelijke genot ervan nu reeds hebben (mogen het beweiden zonder hiervoor iets te behoeven te betalen). Bij
verkoop van een boerderij van oevereigenaren stond wel altijd in de advertentie, boerderij te koop met X ha land, Y ha dijk, Z ha kwelder en
recht op "aanwassen".
Het punt van gratis beweiden is in het verleden nog wel eens onderwerp
van discussie geweest tussen de heer Bergman en de heer Huizinga, destijds inspecteur der Domeinen te Meppel. Laatstgenoemde vond dat er wel
iets voor zou moeten worden betaald (vee-inscharing). Gelet echter op het
nut van een goede beweiding voor de kweldervorming die, indien er voor
betaald zou moeten worden, wellicht geducht zou afnemen, heeft de heer
Bergman de toenmalige inspecteur er van kunnen overtuigen, dat het zo
moest blijven als het was.
De gezamenlijke oevereigenaren hebben zich vrijwel vanaf het begin verenigd, om samen sterk te staan tegen het Rijk.
De naam van de vereniging was in het begin "Vereniging van Delimitanten",
maar is later gewijzigd in "Vereniging van oevereigenaren en gebruikers". Door de verkoop van vele boerderijen waren de nieuwe eigenaren immers geen echte delimitanten in de zin van het woord. Als secretaris van
de Vereniging fungeert de heer B.J.H. Scholten, secretaris van het Landbouwschap te Groningen. Verder zitten in het bestuur o.m. de heer
G.R. Meijer, lid van de Gedeputeerde Staten van Groningen (voorzitter),
zijn neef de heer J.A. Meijer en de gebroeders K. en D. Elema. Op gezette
- 174 -
tijden (eens per 1 of 2 jaar) is er nog contact met de Rijkswaterstaat
dir. Groningen. Zo is in 1985 nog door hen voorgesteld om het bedrag van
f 200,— genoemd in de delimitatiecontracten aan te passen. Rijkswaterstaat zag hierin voorlopig geen noodzaak. Er zouden dan trouwens meerdere
zaken in gewijzigd moeten worden, welke intussen door de tijd zijn achterhaald .
- 175 -
17. Beheersplannen.
In overeenstemming met hetgeen door de Interdepartementale Werkcommissie
Beheersanalyse is vastgelegd in de nota: "Het toekomstig beheer van de
Waddenzee" zijn beheersplannen opgesteld. Een beheersplan geeft aan op
welke wijze het beheer van de buitendijkse gebieden van de Waddenzee zal
worden uitgeoefend in overeenstemming met de doelstelling, beleidslijnen
en randvoorwaarden, zoals die zijn vastgelegd in de "Nota Waddenzee" en
in de daarop gebaseerde "Algemene beheersvisie Waddenzee" •
In de buitendijkse gronden hebben de landaanwinningwerken historisch gezien qua beheer een geheel eigen karakter, zodat het Beheersplan Buitendijkse gronden is opgesplitst in:
Deel I "Buitendijkse gronden (Algemeen)" en
Deel II "Landaanwinningswerken".
Vooral de reeds genoemde ing. J.T. Kerkhof heeft zich de laatste jaren
nogal ingezet om deze beheersplannen op papier te krijgen. Er zijn intussen dan ook verschillenfde versies van geweest.
In juli 1986 zijn van beide delen de voorlopig laatste versies verschenen. Daar deze echter nog niet definitief zijn en wellicht nog weer zullen worden aangepast, lijkt het mij niet zinvol in dit verhaal hier verder op in te gaan en volsta ik met het verwijzen naar deze onlangs uitgebrachte delen I en II.
- 176 -
18. Huidige experimenten.
Onder het hoofdstuk 2, "Geschiedenis" van mijn verhaal, heb ik al even
het "Beleidsvoorstel" betreffende de landaanwinningswerken in Groningen
en Friesland van april 1981 (het Rapport Luttje) aangetipt.
Hierin wordt een nogal conserverend beleid voorgesteld voor het onderhouden van de landaanwinningswerken en meer gericht op het "Behoud of herstel van de natuurwaarden" (hoofdgroep III van hoofdstuk 5, Landaanwinning in de periode 1955-1987).
Bovenstaande zaken hebben er mede toe bijgedragen dat ir. P. de Vos in
het Directieplan 1981 heeft aangegeven dat er door een aangepast beleid
bij de landaanwninningswerken de komende jaren geen uitbreiding van de
ter beschikking te stellen gelden nodig was. Dit paste de hoofddirectie
uiteraard wel en het gevolg ervan was dat de laatste jaren steeds het
aangegeven bedrag in het directieplan ter beschikking werd gesteld. Hierbij werd dus geen rekening gehouden met de loonstijgingen, de verhoging
van de B.T.W. en het feit dat er steeds minder wadarbeiders beschikbaar
waren en er dus ook meer geld nodig was (minimaal f 50.000,— per afgevoerde wadarbeider) om het nodige klein onderhoudswerk te laten uitvoeren. Later heeft HID Tuijten hierover nog eens een waarschuwend woord tot
de hoofddirectie gericht, door te schrijven dat het ter beschikking te
stellen bedrag voor het onderhoud van de landaanwinningswerken gelijke
tred moest houden met het afstoten van het aantal wadarbeiders.
Ook dit heeft echter niet geholpen, met als gevolg dat niet alle werkzaamheden goed meer konden worden uitgevoerd en noodgedwongen bepaalde
damgedeelten (van de buitenste bezinkvelden) moesten worden afgestoten.
Stuurgroep §Jcp^r^ent_N^tuurbeheer Rijkslandaanwinningswerkeiu
Reeds jaren lang bestaat er een goed contact tussen de heer P. Bouwsema
en de heer K.S. Dijkema van het Rijksintsituut voor Natuurbeheer (R.I.N.)
te Den Burg (Texel) over de vegetatie op de landaanwinningswerken. De
heer Dijkema (zoon van de oud-burgemeester van Usquert) was in dit gebied
goed bekend en had, zoals vermeld in hoofdstuk 16, door zijn studie er
ook veel mee van doen gehad.
Het R.I.N. was begin 1981 door enige natuurbeschermingsorganisaties benaderd om te adviseren over het natuurbeheer van o.m. kwelders in de Dollard. Dit hield verband met de aankoop van die kwelders door de Stichting
Het Groninger Landschap.
Verwacht werd dat naast anderen ook het R.I.N. als gevolg van de Planologische Kern Beslissing (P.K.B.) Waddenzee, de toepassing van de Natuurbeschermingswet en de Interprovinciale Struktuurschets geconfronteerd zou
worden met vragen over het natuurtechnisch beheer van de Rijkslandaanwinningsgebieden in Friesland en Groningen. Dit was wel goed gezien, want
juist in die periode nam ook de heer K. Luttje uit Groningen kontakt met
hen op i.v.m. zijn verhaal over het reeds genoemde Beleidsvoorstel.
- 177 -
Mede hierdoor ontstond het onderzoekproject van het R.I.N. "Natuurtechnische beheersmaatregelen en natuurbouw in de landaanwinningswerken en
kwelders in de Waddenzee".
Hiervan beheert de heer K.S. Dijkema het secretariaat. De eerste bespreking werd gehouden op 6 mei 1981 in de Bosschuur van de R.IJ.P. in de
Lauwersmeerpolder. Aanwezig waren de heren Wolff, Smit en Dijkema van het
R.I.N., de Glopper en Zwarts van de R.IJ.P. en de Vos, Kerkhof en Bouwsema van de Rijkswaterstaat (zelf kon ik door omstandigheden helaas niet
van de partij zijn).
De tweede vergadering werd op 7 oktober 1981 op dezelfde plaats gehouden
(hierbij was ik wel aanwezig, evenals de heer Nieuwenhuis, toen nog van
de afd. R.F.0.-Groningen) en de heer Wijman van Staatsbosbeheer.
Van deze vergaderingen zijn uitvoerige verslagen aanwezig, zowel bij de
directie te Groningen als bij de Dienstkring. Uit de aanwezigen was een
"Werkgroep" gevormd door de heren De Glopper, Dijkema en Bouwsema.
In een later stadium werden ook de heren Meijer als vertegenwoordigers
van de "Vereniging van oevereigenaren en gebruikers" uitgenodigd de vergaderingen en werkbezoeken bij te wonen. Dit werd ook gevraagd aan de
heer B. Dijkstra van de dienstkring, onder wiens leiding immers de werkzaamheden op de "proefvakken" moesten worden uitgevoerd. Op de zesde (tevens mijn laatste) vergadering op 19 juni 1986 was mijn opvolger ing.
W.A. Vrieling ook aanwezig.
Proefvakken.
Als gevolg van vorengenoemde besprekingen werd besloten een aantal proefvakken aan te leggen en hierin diverse experimenten uit te voeren. Om
praktische redenen werden deze proefvakken naast de reeds bestaande meetvakken gesitueerd.
De experimenten moeten o.m. dienen om na te gaan met welke inhouden de
greppels het best kunnen worden gegraven (0,1, 0,2 of 0,3 m^/m'). Ook
zullen de greppelafstanden nader worden bezien, ofschoon het erg moeilijk
is om hierin tussentijds veranderingen aan te brengen.
Uit de diverse besprekingen, welke jaarlijks meestal in juni werden gehouden, kwam o.m. naar voren dat de werkgroep graag weer de intussen buiten gebruik geraakte "pontonfrees" terug zou zien. Daar deze echter reeds
via de schroothoop was verdwenen, was dit niet mogelijk. Ook bleek er behoefte aan de vroeger op de kwelders wel toegepaste "bakgoot" (een smalle
diepe greppel met steile taluds) weer in te voeren. Deze bleven n.1. langer open en zorgden dus een langere tijd voor een goede ontwatering. Het
bleek mogelijk dit thans mechanisch te doen.
Zowel Deltabouw B.V. als P.H. van der Stoel B.V. hebben gezorgd voor een
bruikbare machine voor dit werk. Aangezien zoals vermeld, van alle vergaderingen uitvoerige verslagen, compleet met jaarverslagen, aanwezig zijn,
zal ik hierover in dit verhaal niet verder uitweiden.
- 178 -
19. Nawoord.
In de vorige 18 hoofdstukken heb ik geprobeerd u een indruk te geven van
ongeveer een halve eeuw landaanwinningswerken langs de Friese- en Groninger kust. Naar ik hoop ben ik daarin enigszins geslaagd.
Ik ben mij bewust dat het niet direct een wetenschappelijk verhaal is geworden. Dat had ik me trouwens ook niet voorgenomen toen ik deze opdracht
kreeg, aangezien er reeds ontzettend veel en goed gedetailleerd over geschreven is en het overschrijven ervan mij dan ook niet zinvol leek.
Wel heb ik geprobeerd deze materie voor geïnteresseerden beter toegankelijk te maken o.a. via de literatuurlijst in hoofdstuk 20.
Op mijn manier heb ik geprobeerd u een indruk te geven van de sfeer, de
primitieve en vaak armoedige omstandigheden waaronder, ver van huis en
haard, volledig in handwerk met deze werkverruimingswerkzaamheden is begonnen en hoe ze later mechanisch zijn voortgezet met steeds wisselende
doelstellingen.
Dit was mogelijk dankzij de reeds meerdere malen genoemde bibliotheek en
het archief te Baflo, mijn nog redelijk goed geheugen en enige gegevens
en anecdotes van anderen. Zonder deze met name te noemen wil ik allen,
die op één of andere wijze mij hierbij van dienst zijn geweest, graag
heel hartelijk dank zeggen.
Voor de velen, die een groot deel van hun werkzaam leven in deze landaanwinningswerken gewerkt hebben, is het wel enigszins triest dat het land,
waar ze volgens hun eigen zeggen "bloed en zweet" gegeven hebben, althans
in Groningen, niet ingedijkt is geworden. Dat zou immers een kroon op het
werk zijn geweest gelet ook op de wapenspreuk "Hoofd en hand maken 't Wad
tot land".
Ook voor de Friezen, die het zware wadwerk soms betitelden als "ezelsbokkewurk" (ezelsbokkewerk) bestaat slechts theoretisch een heel klein kansje dat er ooit nog, en dan- slechts voor een klein gedeelte, een nieuwe,
Deltahoge zeedijk buiten de huidige zal worden aangelegd. De mensen in
Het Bildt noemden het zelfs "monnikenwerk". Dit blijkt uit het standbeeld
dat ter ere van de slikwerker op de dijk bij Zwarte Haan is geplaatst
(zie foto 165). De tekst op de zwarte plaat luidt:
Hier op de wadden
Wereld fan Water en Slik
Won hij Land ut See
In weer en wijn
Skep foor Skep
Monnikenwerk.
Op het witte ernaast geplaatste bord staat:
De Slikwerker.
De slikwerkers uit de jaren 1505-1754 die 't kans sagen om met gijn onder materiaal as de skop en de kroiwagen 't hele Bildt droog te leggen
('t Oud-Bildt 1505-1508, 't Nij-Bildt 1600, de Westerse en Oosterse
- 179 -
Bildtpolen respektijflik in 1715 en 1754) hewwe wel 'n standbeeld ferdiend. Lijkaa ook de mannen die 't daagliks na 't slik fijtsten in de
krisisjaren 1930-1938 en nog lang na de oorlog om 'n stikkij land te winnen op e see benoorden de Poldijk.
Er rest dus voor de huidige medewerkers van de dienstkring Baflo slechts
nog het dankbare feit dat ze, in welke vorm dan ook, meewerken aan het
onderhouden van een prachtig, onvervangbaar, natuurgebied. De particuliere eigendommen langs de kust zijn intussen aangewezen als Beschermd natuurgebied (zie foto 166) en de rest als Staatsnatuurmonument.
Hoewel ik er binnenkort zelf niet meer bij betrokken zal zijn zal ik uiteraard de verdere ontwikkelingen met interesse blijven volgen.
Baflo, voorjaar 1987
w.g.
Ing. R. Klinkhamer
- 180 -
Foto 165. Het standbeeld voor "de slikwerker" te Zwarte Haan,
Foto 166. Het resultaat van lange jaren landaanwinning (Beschermd Natuurmonument, dus kwetsbaar gebied en tijdelijk verboden toegang).
- 181 -
20. Literatuurlijst.
1. Rapport: Onderzoek inzake de meest economische en doelstreffende wijze
van bevordering van de landaanwinning op de Groninger- en Uithuizerwadden, met 5 bijlagen van 23 januari 1935 door Ir. A.G. Verhoeven.
2. Tijdschrift "De ingenieur", no. 28 van 1938, no. 29 van 1954 en no. 35
van 1956.
3. Nota, houdende beschouwingen omtrent de bij landaanwinning gevolgde werkwijze en daarmee bereikte resultaten, 1947 door Ir. A.G. Verhoeven.
4. Tijdschrift "Weg- en Waterbouw", no. 9-10; 1954.
5. Rijkswaterstaat. Gegevens over de landaanwinning langs de Friese- en Groninger kust (Excursiegids).
6. Officieel programma voor de Tentoonstelling Wad en Land, juni 1955.
7. Slibhuishouding en landaanwinning in het Oostelijk Waddengebied, februari
1956, Dr. L.F. Kamps.
8. Polytechnisch tijdschrift uitgave B nr. 13-14 en 15-16 van 1957.
9. Tijdschrift "Land en Water", september 1957, april 1959, december 1959,
mrt/april 1960, mei/juni 1963 en nov./dec. 1963.
10. Het Nieuwsblad van N.O.-Friesland, de Kolluraer Courant van 23 juni 1958.
11. Rijkswaterstaat, Nota "Verleden, heden en toekomst van de Oostelijke Wadden in vogelvlucht", maart 1960, door Ir. P. Sanders.
12. Tijdschrift "Studium Generale" van mei 1960.
13. Nieuw Provinciaal Groninger Courant van 23 januari 1963.
14. Nota "Greppelfrees Ost-Friesland", door L. van Sluis, voorjaar 1963.
15. "Waddenboek", uitgeverij N.V. W.J. Thieme en Cie. te Zutphen, 1964.
16. "Wat met het Wad". Publicatie van het Ontwikkelingsschap "De Kleibouwstreek en de Stichting Landaanwinningsbelangen Noord-Friesland", van
9 juni 1965.
17. Vereniging voor Bitumineuze Werken: "De Lauwerszee als afsluiting in het
Waddengebied" 1968.
- 182 -
18. "De Lauwerszee is dicht", door C. van den Burgt en P. Terpstra, 1969.
19. Mededeling nr. 2. Werkgroep Waddengebied juni 1975: Vegetatie en beheer
van de kwelders en landaanwinningswerken aan de waddenkust van NoordGroningen, door K.S. Dijkema.
20. Ministerie van Verkeer en Waterstaat te *s-Gravenhage: Profiel nr. 108
van 12 juni 1980, door H.J. Lith.
21. Rijkswaterstaat dir. Groningen: "Beleidsvoorstel betreffende de Landaanwinningswerken in Groningen en Friesland", door ing. K. Luttje, 1981.
22. Rijkswaterstaat dir. Groningen. Mededelingen nr. 4 van oktober 1982, Personeelsblad nr. 5 van december 1984 en nr. 2 van mei 1985 en Infobulletin
nr. 3 van mei 986.
23. Flevobericht nr. 252. Wadden en Landaanwinning. Lezingen op Be wetenschappelijke bijeenkomst te Lelystad in mei 1985.
24. Flevobericht nr. 256. Voorgeschiedenis, afsluiting, ontginning en de verbouw van cultuurgewassen in de Lauwerszee, door R. Nouta, 1985.
25. R.I.N.-rapport "Cumulatie van ecologische effecten in de Waddenzee",
Drs. K.S. Dijkema, 1985.
26. R.I.N.-rapport 86/3. De ontwikkelingen van de hoogte en de omvang van
kwelders in de landaanwinningswerken in Friesland en Groningen.
27. Rijkswaterstaat: "De Waddenzee beheerst beheerd", 1986.