Provinciaal CLB. Gesubsidieerd personeel

PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN
Vergadering van 30 april 2014
Verslag van de deputatie
Bevoegd deputatielid: Inga Verhaert
Agenda nr. 5/2
Telefoon: 03 240 52 50
Provinciaal CLB. Gesubsidieerd personeel.
Rechtspositieregeling. Goedkeuring.
Door de oprichting van het APB Provinciaal Onderwijs Antwerpen zijn vanaf 1
januari 2014 enkel nog de personeelsleden die binnen het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding tewerkgesteld zijn en die geheel of gedeeltelijk een
salaristoelage ontvangen van het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) van
de Vlaamse overheid, gesubsidieerd personeelslid van de provincie Antwerpen.
Ter vervanging van de rechtspositieregeling van het bestuurs-, onderwijzend en
ondersteunend personeel van de onderwijsinstellingen voor secundair onderwijs en
volwassenenonderwijs en het personeel van het centrum voor leerlingenbegeleiding
van de provincie Antwerpen, zoals vastgesteld door de provincieraad in zitting van
22 november 2012, wordt aan de provincieraad thans een rechtspositieregeling
voorgelegd
waarvan
de
tekst
is
aangepast
aan
deze
veranderde
organisatiestructuur van het provinciaal onderwijs.
Deze rechtspositieregeling werd op 12 maart 2014 voorgelegd aan het afzonderlijk
bijzonder onderhandelingscomité/afzonderlijk hoog overlegcomité bij de provincie
Antwerpen.
De raad gelieve goedkeuring te hechten aan het voorgebrachte ontwerp van
rechtspositieregeling voor het gesubsidieerd personeel van het Centrum voor
Leerlingenbegeleiding van de provincie Antwerpen.
Dit verslag werd goedgekeurd door de deputatie op 10 april 2014.
De provincieraad van Antwerpen,
Gelet op de
personeel van
binnen het
overlegcomité
agendering van het rechtspositieregeling van het gesubsidieerd
het Centrum voor Leerlingenbegeleiding van de provincie Antwerpen
afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité/afzonderlijk hoog
bij de provincie Antwerpen in vergadering van 12 maart 2014;
Gelet op de bepalingen van het provinciedecreet;
Op voorstel van de deputatie in zitting van 10 april 2014,
BESLUIT :
Enig artikel:
Goedgekeurd wordt navolgende tekst van de rechtspositieregeling voor het
gesubsidieerd personeel van het Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding:
RECHTSPOSITIEREGELING VAN HET GESUBSIDIEERD PERSONEEL VAN HET
CENTRUM
VOOR
LEERLINGENBEGELEIDING
VAN
DE
PROVINCIE
ANTWERPEN
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Toepassingsgebied
§1. Deze rechtspositieregeling is van toepassing op de personeelsleden van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding die geheel of gedeeltelijk een
salaristoelage ontvangen van het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) van
de Vlaamse overheid.
§2. Deze rechtspositieregeling is eveneens van toepassing op de in §1 vermelde
personeelsleden die een verlofstelsel genieten, in zoverre de bepalingen ervan met
het toegekende verlofstelsel verenigbaar zijn. Zij kunnen enkel rechten doen gelden
op de vergoedingen en voordelen die krachtens deze rechtspositieregeling aan de
personeelsleden worden toegekend als het recht niet uitsluitend ontstaat door
activiteiten die vreemd zijn aan de werking van het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding.
§3. Deze rechtspositieregeling is niet van toepassing op hen die via een andere
rechtspositionele regeling, met een contract conform de wet van 3 juli 1978
betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij contract op zelfstandige basis of via een
detachering, behoudens uitdrukkelijke verwijzing in de arbeidsovereenkomst, het
contract of de detacheringsovereenkomst, prestaties leveren ten behoeve van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding.
Artikel 2 Definities
§1. Voor de toepassing van deze rechtspositieregeling wordt verwezen naar de
definities van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van
sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de
gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, het decreet van 1 december 1998
betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, de uitvoeringsbesluiten hiervan
en naar de onderwijsnormering in zijn geheel.
§2.
Voor
de
toepassing
van
deze
rechtspositieregeling
oefent
het
departementshoofd van het departement waartoe het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding behoort de bevoegdheden over hem of haar uit die aan de
directeur worden toegekend, als deze zelf handelt in de hoedanigheid van
personeelslid.
§3. Bij verhindering of ontstentenis van de directeur oefent het personeelslid dat
door de provincie Antwerpen tijdelijk met de leiding van het Provinciaal Centrum
voor Leerlingenbegeleiding is belast, de bevoegdheden uit die aan de directeur zijn
toegekend.
HOOFDSTUK 2 WERVING EN SELECTIE
Artikel 3 Aanstellende overheid
§1. De deputatie heeft het aanstellingsrecht voor alle ambten en mandaten bepaald
in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige
personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor
leerlingenbegeleiding.
§2. In afwijking van §1 is de provinciegriffier bij afzonderlijk delegatiebesluit van de
deputatie bevoegd voor de aanstelling van de personeelsleden die geheel of
gedeeltelijk gesubsidieerd worden door het Vlaamse ministerie van Onderwijs en
Vorming, met uitzondering van het ambt van directeur.
§3. De aanstellende overheid is tevens bevoegd voor de vaste benoeming, de ter
beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de
wedertewerkstelling, de wijziging van affectatie, de mutatie, de pensionering, de
tucht en het ontslag, onverminderd de bevoegdheid van de reaffectatiecommissies
inzake reaffectaties en wedertewerkstellingen.
§4. Uitgezonderd de in §1 tot en met §3 vermelde aspecten van personeelsbeheer
behoren alle andere tot het dagelijkse personeelsbeheer.
§5. Bij tucht en ontslag wordt de in §3 bedoelde bevoegdheid bepaald door het
ambt dat het personeelslid bekleedt op het moment van het opstarten van de
tucht- of ontslagprocedure. De aanstellende overheid die bij het opstarten van de
tucht- of ontslagprocedure bevoegd is, blijft bevoegd tijdens de volledige duur van
de procedure, ook als de hoedanigheid van het personeelslid in de loop van de
procedure wijzigt.
Artikel 4 Openverklaring ambten en mandaten
Met inachtneming van de bepalingen van de onderwijswetgeving en van deze
rechtspositieregeling behandelt de aanstellende overheid de openverklaring van de
ambten en mandaten.
Artikel 5 Wervingsambten
§1. De directeur selecteert de kandidaten voor de aanstelling van bepaalde duur in
een wervingsambt.
§2. Aan het personeelslid wordt eerst een aanstelling voor doorlopende duur in
vacante uren aangeboden. Het personeelslid kan opteren voor niet-vacante uren. In
dat geval tekent het personeelslid een document waaruit deze keuze blijkt.
§3. Als verscheidene personeelsleden hun recht op een aanstelling voor
doorlopende duur bij samenloop laten gelden, dan wordt:
a) eerst de kandidaat aangesteld die op 30 juni van het vorige schooljaar is
aangesteld in de betrokken betrekking,
b) als geen toepassing kan worden gemaakt van de regeling sub a), de kandidaat
aangesteld met de grootste ambtsanciënniteit bij de provincie Antwerpen,
c) als geen toepassing kan worden gemaakt van de regeling sub b), de kandidaat
aangesteld met de grootste dienstanciënniteit bij de provincie Antwerpen.
§4. Als personeelsleden die geldig kandideerden voor vaste benoeming en/of
uitbreiding van vaste benoeming in open verklaarde vacante uren, gelijke
aanspraken hebben ten aanzien van de toe te kennen vaste benoeming wordt:
a) eerst de kandidaat benoemd in de open verklaarde vacante uren waarin
betrokkene als tijdelijke van doorlopende duur is aangesteld,
b) als geen toepassing kan worden gemaakt van de regeling sub a), de kandidaat
met de grootste ambtsanciënniteit bij de provincie Antwerpen benoemd,
c) als geen toepassing kan worden gemaakt van de regeling sub b), de kandidaat
met de grootste dienstanciënniteit bij de provincie Antwerpen benoemd.
Artikel 6 Directeur
§1. Om in aanmerking te komen voor het ambt van directeur dat zowel bij
aanwerving als bij bevordering wordt begeven, moeten de kandidaten voldoen aan
de aanstellings- en subsidiëringsvoorwaarden voor dit ambt en mogen zij als laatste
evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie “onvoldoende” hebben verkregen.
Als de kandidaat niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te
zijn.
§2. De aanstellende overheid stelt voor dit ambt de selectieprocedure vast.
§3. De aanstelling in dit ambt geschiedt steeds conform de bepalingen van artikel
44quinquies e.v. van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie
van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de
gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Artikel 7 Bewijsstukken
§1. Elke aanstelling, benoeming of bevordering in dienst van de provincie
Antwerpen gebeurt onder voorbehoud van het inzenden van de vereiste
bewijsstukken.
§2. De sollicitant moet staven dat hij of zij aan de gestelde aanstellings- en
subsidiëringsvoorwaarden voldoet. De sollicitant die wordt aangesteld, benoemd of
bevorderd moet deze bewijsstukken aan de aanstellende overheid voorleggen
uiterlijk op het ogenblik van de indiensttreding, behoudens andersluidende bepaling
in de vacantverklaring.
§3. De kandidaat draagt de kosten die aan de voor te leggen bewijsstukken
verbonden zijn.
Artikel 8 Eed
Elk personeelslid legt de overeenkomstig de onderwijswetgeving voorgeschreven
eed af, ongeacht of hij deze eed reeds vroeger in een andere hoedanigheid zou
hebben afgelegd.
Artikel 9 Affectatie
Alle personeelsleden worden aangesteld en benoemd in dienst van de provincie
Antwerpen. Zij worden aan het Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding
geaffecteerd.
HOOFDSTUK 3 INTERNE MOBILITEIT
Artikel 10 Tijdelijk andere opdracht
§1. Alle personeelsleden kunnen vragen om met een andere opdracht belast te
worden door uiterlijk op 15 juni een verzoek daartoe in te dienen, gericht aan de
aanstellende overheid, onverminderd het recht van de aanstellende overheid om in
het belang van de dienst, met akkoord van betrokkene, een personeelslid tijdelijk
met een andere opdracht te belasten.
§2. Een personeelslid kan enkel tijdelijk met een andere opdracht worden belast als
aan de wettelijk en decretaal bepaalde voorwaarden is voldaan en met gunstig
advies van de directeur.
§3. De tijdelijk andere opdracht gaat steeds in op 1 september van het
daaropvolgende schooljaar, onverminderd de mogelijkheid dat deze op een andere
datum aanvangt in het belang van de dienst.
HOOFDSTUK 4 RECHTEN EN PLICHTEN
Artikel 11 Ambtsuitoefening
§1. De personeelsleden zijn onderworpen aan het gezag van de deputatie, de
provinciegriffier, het departementshoofd van het departement waartoe het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding behoort en de directeur.
§2. Onverminderd zijn recht op vrije meningsuiting oefent het personeelslid zijn
ambt op loyale en integere wijze uit onder het gezag van de directeur die
verantwoordelijk is voor de gegeven opdracht.
§3. Het personeelslid vervult zijn ambt met openheid en zonder enige discriminatie
tegenover de begeleide scholen, de andere personeelsleden, de leerlingen, de
ouders en het publiek in het algemeen. Het personeelslid waakt erover geen enkel
gegeven van persoonlijke aard bekend te maken, tenzij aan de personen, bevoegd
om ervan kennis te nemen.
§4. Elk personeelslid is ertoe gehouden zijn diensttijd volledig aan zijn opdracht te
besteden. Zonder voorafgaande toelating van de directeur mag een personeelslid
de uitoefening van zijn opdracht niet opschorten.
§5. Het personeelslid moet bij elke aangelegenheid zorg dragen voor het
provinciaal belang en is ertoe gehouden zijn opdracht nauwgezet en zorgvuldig uit
te voeren.
§6. Het personeelslid draagt met volledige inzet bij tot de goede werking van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding. In dit kader moet het personeelslid
alle bij zijn dienstuitoefening vastgestelde misbruiken, nalatigheden en
overtredingen van wetten of reglementen doen ophouden of het nodige
ondernemen om deze te doen ophouden.
§7. Het personeelslid moet al wat de veiligheid van het personeel en van derden in
het gedrang brengt, elke nalatigheid op het werk die ongevallen zou kunnen
teweegbrengen en elk gebrek in de gebruikte materialen meedelen aan de
directeur.
§8. Het personeelslid mag de hem ter beschikking gestelde middelen enkel
gebruiken voor de uitoefening van zijn ambt.
Het personeelslid mag geen misbruik maken van de communicatie- en
informaticamiddelen die in de school of het centrum voorhanden zijn. Het gebruik
van communicatie- en informaticatoepassingen en internetconsultaties is enkel
toegestaan als dit gebruik duidelijk en rechtstreeks verband houdt met de opdracht
van het personeelslid inde school of het centrum. De directeur beoordeelt de
relevantie van het gebruik.
Misbruik van communicatie- en informaticamiddelen kan worden opgespoord door
de informaticadienst van de provincie Antwerpen in opdracht van de
provinciegriffier. De gegevens kunnen worden verstrekt aan de directeur, aan het
departementshoofd van het departement waartoe het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding behoort, aan de provinciegriffier en aan de deputatie. De
door systeemmonitoring verkregen gebruikersgegevens zullen enkel worden
aangewend met het oog op de bewaking van de goede werking van de provincie
Antwerpen en de provinciale instellingen. Genoemde inbreuken kunnen –
overeenkomstig hun frequentie, aard en ernst gesanctioneerd worden.
Artikel 12 Arbeidsprestaties
§1. Behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepalingen wordt elk personeelslid
geacht in dienstactiviteit te zijn.
§2. Voor het personeel worden de te leveren prestaties door de directeur bepaald
met inachtneming van de aan het personeelslid toegekende ambtsbevoegdheid of
opdracht, zo dat zij in aanmerking komen voor salaristoelagen door de Vlaamse
overheid, en rekening houdend met de aard van het te vervullen ambt.
§3. De personeelsleden moeten de verplichtingen van hun ambt trouw na komen en
de hun toevertrouwde opdracht op een loyale wijze uitoefenen met inachtneming
van de visie en waarden van de provincie Antwerpen, eerbiediging van het
pedagogisch concept van de door hen begeleide scholen, alsook met inachtneming
van de op hen van toepassing zijnde regelgeving, gedragsregels en
onderrichtingen.
§4. De directeur, alsook hij of zij die door de provincie Antwerpen tijdelijk met de
leiding van het Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding is belast, moet bij
een afwezigheid voor meer dan één dag, uiterlijk de dag voor aanvang ervan, deze
afwezigheid melden aan het departementshoofd van het departement waartoe het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding behoort, met opgave van het
personeelslid dat de vervanging waarneemt en met mededeling van de concrete
plaats en tijdstippen waarop de vervanger bereikbaar is. Zo mogelijk geeft
betrokkene ook een telefoonnummer of Gsm-nummer op voor dringende
aangelegenheden.
Artikel 13 Geheimhoudingsplicht
Het is het personeelslid verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op
het intern beraad aangaande persoonsgebonden aangelegenheden en op het
vertrouwelijk karakter van dossiers.
Het intern beraad dat voorafgaat aan een beslissing kan ook niet na de beslissing
openbaar gemaakt worden.
Dit geldt eveneens voor een personeelslid dat zijn ambt heeft neergelegd.
Artikel 14 Giften en andere voordelen
Het personeelslid mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, giften, beloningen
of andere voordelen vragen, eisen of aannemen die het loyaal uitoefenen van zijn
ambt beïnvloeden of zouden kunnen beïnvloeden.
Artikel 15 Ongewenst gedrag
Pesten, ongewenst seksueel gedrag en geweld op het werk zijn niet toegelaten.
Artikel 16 Mededeling gegevens
Elk personeelslid is ertoe gehouden alle gegevens te verstrekken over zijn
burgerlijke stand, de samenstelling van zijn gezin, zijn beroepsactiviteiten en al wat
invloed kan hebben op zijn rechtspositie en/of op zijn bezoldigingsregeling. Het
personeelslid moet alle wijzigingen die zich dienaangaande tijdens de loopbaan
voordoen uit eigen beweging, onmiddellijk en uiterlijk binnen een termijn van acht
werkdagen, meedelen via het personeelssecretariaat van het Provinciaal Centrum
voor Leerlingenbegeleiding.
Laattijdige, onjuiste of onvolledige mededeling van deze gegevens kan aanleiding
geven tot terugvordering met terugwerkende kracht van de in deze
rechtspositieregeling bepaalde en ten onrechte genoten voordelen. Zij kan ook
aanleiding geven tot verlies van recht op de toepasselijkheid met terugwerkende
kracht van deze voordelen. Eén en ander onverminderd de eventuele toepassing
van ontslag of tuchtmaatregelen.
Artikel 17 Nevenactiviteiten
§1. Het personeelslid mag noch in persoon, noch via een tussenpersoon activiteiten
verrichten die:
a) verhinderen dat hij zijn plicht vervult
b) in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt
c) zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen
d) een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben
§2.
Onverminderd
§1
mag
het
personeelslid
nevenactiviteiten
en
beroepsactiviteiten
buiten
de
diensturen
cumuleren
met
de
eigen
beroepsactiviteiten, overeenkomstig de onderwijsreglementering.
Het moet hiervan mededeling doen aan de aanstellende overheid die ervan kennis
neemt en die oordeelt of de activiteiten verenigbaar zijn met de bepalingen van §1.
Wanneer een personeelslid een met zijn ambt verband houdend mandaat of
ambtelijk lidmaatschap wenst op te nemen, moet de aanstellende overheid hiervoor
vooraf een schriftelijke en steeds herroepbare machtiging verlenen.
HOOFDSTUK 5 PERSONEELSDOSSIER
Artikel 18 Samenstelling en inzage
§1. Het personeelslid heeft het recht om na schriftelijke aanvraag bij het
centrumbestuur inzage te nemen van het personeelsdossier dat op zijn naam is
geopend en zich, zo betrokkene dit verkiest, naar zijn keuze, te laten bijstaan door
een raadsman.
§2. Het personeelslid kan langs hiërarchische weg schriftelijk bemerkingen
aangaande de inhoud van het personeelsdossier ter kennis brengen van de
aanstellende overheid.
§3. Elk voor het personeelslid bezwarend stuk dat aan het personeelsdossier wordt
toegevoegd, moet aan betrokkene ter kennis worden gebracht. Deze kennisgeving
geschiedt hetzij aan het betrokken personeelslid in persoon die ter kennisname
tekent, hetzij per aangetekend schrijven dat wordt gericht aan het betrokken
personeelslid.
§4. De tuchtbesluiten die lastens een personeelslid op basis van een tegen hem
geopend
tuchtdossier
worden
genomen,
worden
eveneens
aan
het
personeelsdossier toegevoegd.
§5. Kunnen als raadsman optreden een advocaat, een personeelslid van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding of een vertegenwoordiger van een
representatieve vakorganisatie die is vertegenwoordigd in het Afzonderlijk Hoog
Overlegcomité bij de provincie Antwerpen.
HOOFDSTUK 6 VERLOVEN EN AFWEZIGHEDEN
Artikel 19 Vakantieregeling
§1. De vastbenoemde personeelsleden hebben vakantie tijdens de kerstvakantie,
uitgezonderd de eerste maandag en de tweede vrijdag van de kerstvakantie,
tijdens de paasvakantie en van 15 juli tot en met 15 augustus, alsook op de
wettelijke en decretale feestdagen.
De tijdelijke personeelsleden hebben vakantie tijdens de kerstvakantie,
uitgezonderd de eerste maandag en de tweede vrijdag van de kerstvakantie,
tijdens de paasvakantie en van 15 juli tot en met 15 augustus, alsook op de
wettelijke en decretale feestdagen, voor zover deze periodes en feestdagen vallen
binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid.
Als de eerste maandag en/of de tweede vrijdag van de kerstvakantie respectievelijk
gelijk vallen met 24, 25, 26 of 31 december of met 1 of 2 januari, dan moeten de
personeelsleden hun prestaties leveren op de datum binnen de kerstvakantie die
hierbij het dichtste aansluit.
§2. Boven de vakantiedagen bepaald in §1 hebben de personeelsleden recht op 21
werkdagen vakantie. Deze dagen moeten worden opgenomen tijdens de
schoolvakanties (herfst-, kerst-, krokus- en zomervakantie), met uitzondering van
zeven werkdagen die buiten de schoolvakanties, behalve in de maand juni, kunnen
worden opgenomen.
Ze worden door de directeur vastgesteld in samenspraak met de betrokken
personeelsleden overeenkomstig de noodwendigheden binnen het centrum.
Bij onvolledige prestaties en/of bij aanstellingen kleiner dan een volledig schooljaar
wordt het aantal vakantiedagen in evenredige mate verminderd.
§3. In afwijking van §1 en §2 moet steeds minstens één lid van het personeel
tijdens de vakantieperiodes en de wettelijke en decretaal vastgelegde vrije dagen
bereikbaar zijn. Het principe “bereikbaar zijn” omvat niet de verplichting zich in het
centrum of thuis te bevinden. De permanentieregeling moet aan het
departementshoofd van het departement waartoe het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding behoort, worden gemeld uiterlijk 10 werkdagen voor de
aanvang van de vakantieperiode of vrije dag met aanduiding van de
contactgegevens van diegene die de dienst verzekert.
§4. In afwijking van §1 en §2 is de directeur, alsook het personeelslid dat door de
provincie Antwerpen tijdelijk met de leiding van dit centrum is belast, ertoe
gehouden vanaf 16 augustus tot en met 31 augustus arbeidsprestaties te leveren.
Artikel 20 Ziekteverlof
Elk personeelslid dat afwezig is wegens ziekte verwittigt zo spoedig mogelijk de
directeur of zijn aangestelde. Deze mededeling moet telefonisch gebeuren uiterlijk
voor de aanvang van de door het personeelslid te vervullen prestatie en bij
voorkeur voor de aanvang van de werkdag.
Het personeelslid dat gedurende de afwezigheid wegens ziekte niet op zijn
gebruikelijk adres verblijft, stelt hiervan onmiddellijk de directeur schriftelijk in
kennis.
Artikel 21 Verlofstelsels
Elk personeelslid dat gebruik wenst te maken van een afwezigheid of een
verlofstelsel zendt hiertoe minstens één maand van tevoren, behoudens overmacht
of tenzij anders voorzien in de wetgeving, via de directeur, een schriftelijke
aanvraag vergezeld van de nodige bewijsstukken en documenten ter staving van
zijn aanvraag. De aanvraag wordt door de directeur voorzien van een advies en
gedateerd en gehandtekend doorgezonden naar het departementshoofd van het
departement waartoe het Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding behoort.
Artikel 22 Omstandigheidsverlof en dienstvrijstelling
§1. Elk personeelslid heeft recht op omstandigheidsverlof ten belope van:
a) één werkdag bij zijn of haar huwelijk of het afleggen van een verklaring van
wettelijke samenwoning als het personeelslid niet behoort tot het administratief
personeel
b) vier werkdagen bij zijn of haar huwelijk of het afleggen van een verklaring van
wettelijke samenwoning als het personeelslid behoort tot het administratief
personeel
c) twee werkdagen bij het huwelijk van een kind van het personeelslid zelf of van
de echtgenoot of van de wettelijk of feitelijk samenwonende partner
d) de dag van het huwelijk van een bloed- of aanverwant tot en met de tweede
graad, kinderen uitgezonderd, van het personeelslid zelf of van de echtgenoot of
van de wettelijk of feitelijk samenwonende partner
e) tien werkdagen naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of van de
wettelijk of feitelijk samenwonende partner
f) vier werkdagen bij het overlijden van de echtgenoot of van de wettelijk of
feitelijk samenwonende partner, dan wel van een bloed- of aanverwant in de eerste
graad van het personeelslid of van de wettelijk of feitelijk samenwonende partner
g) twee werkdagen bij het overlijden van een bloed- of aanverwant van het
personeelslid of van de wettelijk of feitelijk samenwonende partner, die onder
hetzelfde dak woont als het personeelslid, ongeacht de graad van verwantschap
h) één werkdag bij het overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad
van het personeelslid of van de wettelijk of feitelijk samenwonende partner die niet
onder hetzelfde dak woont als het personeelslid
i) één werkdag voor het bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad die
bijeengeroepen is door de vrederechter
j) de nodige duur bij de oproeping als getuige voor een rechtscollege of
persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege
k) de nodige tijd voor de uitoefening van het ambt van voorzitter, bijzitter of
secretaris van een stembureau of een stemopnemingsbureau
l) de duur van de zitting om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen
§2. Het omstandigheidsverlof moet worden genomen op het ogenblik van de
gebeurtenis of ten minste ter gelegenheid van sommige omstandigheden die
onmiddellijk uit de gebeurtenis voortvloeien.
De vier dagen omstandigheidsverlof bij het overlijden van een bloedverwant in de
eerste graad moeten genomen worden van de dag van het overlijden tot de dag
van de begrafenis of op een latere datum om bij voorbeeld administratieve
verplichtingen in orde te brengen.
In overleg bepalen de directeur en het personeelslid, wanneer de tien dagen
omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of
samenwonende partner, worden opgenomen, binnen een periode van vier maanden
vanaf de bevalling.
§3. Elk personeelslid heeft maximaal vier werkdagen per burgerlijk jaar recht op
verlof wegens overmacht om aanwezig te zijn bij de volgende met het personeelslid
onder eenzelfde dak wonende personen die ziek zijn of aan wie een ongeval is
overkomen:
a) de echtgenoot
b) de samenwonende partner
c) een bloed- of aanverwant van het personeelslid of van de samenwonende
partner
d) een persoon, opgenomen met het oog op zijn adoptie of de uitoefening van een
pleegvoogdij
§4. De directeur verleent daarenboven in de volgende gevallen dienstvrijstelling
voor de hoogstnodige tijd:
a) voor deelname aan examens en selectieproeven georganiseerd door de provincie
Antwerpen en de ermee verbonden instellingen
b) bij verhoor door de aanstellende overheid
c) voor oproepingen door de sociale dienst
d) voor kennisneming van het tuchtdossier
e) bij oproep voor:
1) de arbeidsgeneeskundige dienst
2) de controlegeneesheer
3) de controlegeneesheer van het verzekeringsorganisme tegen arbeidsongevallen
f) voor andere door de deputatie bij algemene maatregel bepaalde gevallen
§5. Tenzij anders is bepaald, moet het personeelslid het verlof met volledige dagen
nemen en moeten de dagen niet aaneensluiten. Wanneer een personeelslid behalve
in het Provinciale Centrum voor Leerlingenbegeleiding ook in andere instellingen
werkt gedurende de dagen waarop hij verlof neemt, dan geldt dit verlof voor alle
instellingen. Het totaal aantal dagen verlof is beperkt tot het aantal dagen dat per
verlof wordt bepaald.
§6. Het personeelslid meldt aan de directeur de omstandigheden die aanleiding
geven tot het verlof of de dienstvrijstelling. Als de directeur erom verzoekt, moet
het personeelslid de nodige bewijsstukken voorleggen. Voor het verlof wegens
overmacht moet een personeelslid altijd een medisch attest voorleggen waaruit
blijkt dat de aanwezigheid van het personeelslid absoluut vereist is.
§7.
Tijdens
de
periodes
dat
het
personeelslid
afwezig
is
wegens
omstandigheidsverlof, verlof wegens overmacht of dienstvrijstelling staat het
personeelslid in de stand dienstactiviteit. Het personeelslid heeft recht op
bezoldiging.
Artikel 23 Oproeping en wederoproeping militaire dienst
Bij oproeping of wederoproeping voor militaire dienst stelt het personeelslid de
directeur hiervan onmiddellijk schriftelijk in kennis, met toevoeging van een kopie
van het oproepingsbevel.
HOOFDSTUK 7 FUNCTIONEREN EN EVALUEREN
Artikel 24 Evaluatoren
§1. Ieder personeelslid heeft twee evaluatoren, een eerste en een tweede
evaluator.
De eerste evaluator staat in voor de begeleiding en coaching van het personeelslid
door het voeren van functionerings- en evaluatiegesprekken.
De tweede evaluator bewaakt het evaluatieproces en ondersteunt zowel het
personeelslid als de eerste evaluator. Hij kan nooit zelfstandig een formeel
functionerings- of evaluatiegesprek voeren met het te evalueren personeelslid. Hij
kan ook de uiteindelijke beslissing van de eerste evaluator niet wijzigen.
§2. Voor elk personeelslid worden de eerste evaluator en de tweede evaluator
aangeduid overeenkomstig de bepalingen dienaangaande in het decreet van 27
maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het
gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Artikel 25 Functiebeschrijvingen
§1. Het personeelslid en de eerste evaluator leggen per ambt een
geïndividualiseerde functiebeschrijving vast. In deze functiebeschrijving worden de
instellingspecifieke doelstellingen, de namen en functies van de eerste en tweede
evaluator, de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing, de
taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid en de wijze waarop
het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren, vastgelegd rekening
houdend met het door de provincieraad vastgestelde juridisch kader.
§2. Een functiebeschrijving kan worden aangepast:
a) ingevolge afspraken die de eerste evaluator en het personeelslid maken tijdens
een functioneringsgesprek
b) na overleg tussen eerste evaluator en het personeelslid bij een belangrijke
wijziging van de opdracht van het personeelslid
c) bij aanvang van een nieuwe evaluatieperiode
Aan de functiebeschrijving kunnen, naar aanleiding van een functioneringsgesprek
of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van een vorige
evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden
toegevoegd.
§3. De eerste evaluator ondertekent de functiebeschrijving. Het personeelslid
ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname.
§4. Als de eerste evaluator en het personeelslid het niet eens raken over de
functiebeschrijving of bepaalde onderdelen ervan, beslist op verzoek de
aanstellende overheid na voorafgaandelijk de eerste evaluator en het betrokken
personeelslid gehoord te hebben.
Artikel 26 Functioneringsgesprekken
§1. Per evaluatiecyclus heeft de eerste evaluator met het personeelslid minimaal
één functioneringsgesprek.
§2. Van elk functioneringsgesprek wordt door de eerste evaluator een verslag
gemaakt. Dit verslag wordt ondertekend door de eerste evaluator en voor
kennisname ondertekend door het personeelslid.
§3. Als het personeelslid het verslag van het functioneringsgesprek weigert te
ondertekenen voor kennisname dan zal de evaluator het verslag aangetekend
versturen naar het personeelslid. Het bewijs van deze aangetekende zending geldt
als bewijs dat het personeelslid heeft kennis genomen van het verslag van het
functioneringsgesprek.
Artikel 27 Evaluaties
§1. Elk personeelslid wordt minimaal om de vier schooljaren geëvalueerd op basis
van de vastgestelde, geïndividualiseerde functiebeschrijving. Er kan bij de evaluatie
enkel rekening worden gehouden met prestaties geleverd in het lopende schooljaar
en de drie voorafgaande schooljaren. Een personeelslid voor wie geen
functiebeschrijving werd opgesteld kan niet worden geëvalueerd. In afwijking
hiervan wordt een personeelslid na een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende",
en voor zover deze niet leidt tot het ontslag, opnieuw geëvalueerd na een periode
van ten minste twaalf maanden effectieve prestaties vanaf het ogenblik dat het
evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het personeelslid.
§2. Met het oog op de evaluatie wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de
eerste evaluator en het personeelslid.
§3. Van het evaluatiegesprek wordt een evaluatieverslag opgesteld door de eerste
evaluator.
Het evaluatieverslag beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van
het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving en bevat steeds een
eindconclusie. De eindconclusie van een beoordeling is steeds “voldoende”,
“voldoende met verbeterpunten” of “onvoldoende”.
De eerste evaluator ondertekent en dateert het evaluatieverslag en legt het voor
aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert ter
kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator. De eerste
evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van dit evaluatieverslag aan het
personeelslid. De eerste evaluator bezorgt eveneens een kopie van het
evaluatieverslag ter kennisneming aan de tweede evaluator en aan de provincie
Antwerpen.
Als het personeelslid het verslag van het evaluatiegesprek weigert te ondertekenen
voor kennisname dan zal de evaluator het verslag aangetekend versturen naar het
personeelslid. Het bewijs van deze aangetekende zending geldt als bewijs dat het
personeelslid heeft kennis genomen van het verslag van het evaluatiegesprek.
Als het evaluatieverslag de eindconclusie "onvoldoende" bevat, moet het op straffe
van nietigheid steeds de beroepsmogelijkheden bevatten.
Artikel 28 Evaluatiedossier
Het personeelslid heeft op elk ogenblik recht op inzage in zijn persoonlijk
evaluatiedossier. Hij kan tevens op zijn verzoek een kopie krijgen van zijn
evaluatiedossier. Dit evaluatiedossier bevindt zich in het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding en bevat alle nodige en nuttige documenten die als
beoordelingsgrond kunnen dienen. De toevoeging van stukken aan het
evaluatiedossier valt buiten het toepassingsgebied van artikel 18.
HOOFDSTUK 8 ONTSLAG
Artikel 29 Ontslaggevende overheid
De aanstellende overheid is bevoegd voor het ontslag zoals beschreven in het
decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige
personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor
leerlingenbegeleiding.
Artikel 30 Ontslagprocedure
§1. De aanstellende overheid neemt kennis van de redenen tot ontslag en neemt
hierop haar beslissing na het betrokken personeelslid gehoord te hebben.
§2. Voor dit verhoor door de aanstellende overheid wordt het personeelslid
opgeroepen bij ter post aangetekende brief.
§3. Het personeelslid heeft het recht zich gedurende dit verhoor te laten bijstaan
door een raadsman.
§4. Het personeelslid heeft tevens het recht zijn of haar dossier in te zien en er
kopie van te krijgen na telefonische afspraak met het departementshoofd van het
departement waartoe het Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding behoort.
Het personeelslid kan zich tijdens deze consultatie laten bijstaan door een
raadsman, die samen met het personeelslid een verklaring van inzage en eventuele
afgifte van kopie ondertekent met vermelding van zijn of haar hoedanigheid en
identiteitsgegevens.
§5. Kunnen als raadsman optreden een advocaat, een personeelslid van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding of een vertegenwoordiger van een
representatieve vakorganisatie die is vertegenwoordigd in het Afzonderlijk Hoog
Overlegcomité bij de provincie Antwerpen.
HOOFDSTUK 9 TUCHT
Artikel 31 Tuchtoverheid en tuchtonderzoeker
§1. De aanstellende overheid oefent de tuchtmacht uit.
§2. Als de tuchtmacht wordt uitgeoefend door de deputatie is de provinciegriffier
belast met het tuchtonderzoek en het formuleren van een tuchtvoorstel aan de
deputatie als tuchtoverheid.
§3. Als de tuchtmacht wordt uitgeoefend door de provinciegriffier is het
departementshoofd van het departement waartoe het Provinciaal Centrum voor
Leerlingenbegeleiding behoort, belast met het tuchtonderzoek en het formuleren
van een tuchtvoorstel aan de provinciegriffier als tuchtoverheid. Bij verhindering
van voornoemd departementshoofd belast de griffier een ander leidinggevend
personeelslid van de provincie Antwerpen met het tuchtonderzoek en het
formuleren van een tuchtvoorstel.
§4. De tuchtonderzoeker en de provinciegriffier als tuchtoverheid worden bijgestaan
door een door hen aangeduide secretaris.
Artikel 32 Tuchtprocedure voor de tuchtonderzoeker
§1. De tuchtonderzoeker stelt een tuchtdossier op. De toevoeging van bezwarende
stukken aan het tuchtdossier valt buiten het toepassingsgebied van artikel 18.
Hij hoort het betrokken personeelslid vóór hij zijn advies aan de tuchtoverheid
formuleert.
De tuchtonderzoeker kan getuigen horen op eigen initiatief en moet dit doen op
verzoek van het betrokken personeelslid. Als hij getuigen hoort, doet hij dit in
aanwezigheid van het betrokken personeelslid.
Het personeelslid wordt schriftelijk bij ter post aangetekende brief opgeroepen om
gehoord te worden.
§2. Van de verklaringen van het personeelslid, en eventuele getuigen, wordt
proces-verbaal opgemaakt.
§3. Vooraleer gehoord te worden heeft het personeelslid het recht het tuchtdossier
in te zien en er kopie van te krijgen na telefonische afspraak met de secretaris van
de tuchtonderzoeker. Het personeelslid kan zich bij het uitoefenen van het
inzagerecht laten bijstaan door een raadsman, die samen met het personeelslid een
verklaring van inzage en eventuele afgifte van kopie ondertekent met vermelding
van zijn of haar hoedanigheid en identiteitsgegevens.
§4. Tijdens het verhoor heeft het personeelslid het recht zich te laten bijstaan door
een raadsman.
§5. Kunnen als raadsman optreden een advocaat, een personeelslid van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding of een vertegenwoordiger van een
representatieve vakorganisatie die is vertegenwoordigd in het Afzonderlijk Hoog
Overlegcomité bij de provincie Antwerpen.
§6. De tuchtonderzoeker formuleert een tuchtvoorstel aan de tuchtoverheid.
Artikel 33 Tuchtprocedure voor de tuchtoverheid
§1. De tuchtoverheid neemt kennis van het tuchtdossier en het tuchtvoorstel.
Zij hoort het betrokken personeelslid vóór zij een beslissing neemt.
De tuchtoverheid kan getuigen horen op eigen initiatief en moet dit doen op
verzoek van het betrokken personeelslid. Als zij getuigen hoort, doet zij dit in
aanwezigheid van het betrokken personeelslid.
Het personeelslid wordt schriftelijk bij ter post aangetekende brief opgeroepen om
gehoord te worden.
§2. Van de verklaringen van het personeelslid, en eventuele getuigen, wordt
proces-verbaal opgemaakt.
§3. Vooraleer gehoord te worden heeft het personeelslid recht het tuchtdossier in te
zien en er kopie van te krijgen na telefonische afspraak met de griffier als de
deputatie aanstellende overheid is, en met een door de provinciegriffier aangeduide
secretaris als de griffier zelf tuchtoverheid is. Het personeelslid kan zich bij het
uitoefenen van het inzagerecht laten bijstaan door een raadsman, die samen met
het personeelslid een verklaring van inzage en eventuele afgifte van kopie
ondertekent met vermelding van zijn of haar hoedanigheid en identiteitsgegevens.
§4. Tijdens het verhoor heeft het personeelslid het recht zich te laten bijstaan door
een raadsman.
§5. Kunnen als raadsman optreden een advocaat, een personeelslid van het
Provinciaal Centrum voor Leerlingenbegeleiding of een vertegenwoordiger een
vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie die is vertegenwoordigd
in het Afzonderlijk Hoog Overlegcomité bij de provincie Antwerpen.
§6. De tuchtoverheid neemt een gemotiveerd besluit.
HOOFDSTUK 10 BEZOLDIGINGEN EN PENSIOENEN
Artikel 34 Bezoldigingen
De bezoldiging van de personeelsleden gebeurt overeenkomstig de bepalingen
aangaande de subsidiëring van deze personeelsleden door de Vlaamse overheid.
Zowel voor de volledig gesubsidieerde prestaties als voor de gedeeltelijk
gesubsidieerde
en
gedeeltelijk
niet-gesubsidieerde
prestaties
wordt
de
bezoldigingsregeling toegepast zoals vastgesteld door de wetten, de decreten, de
verordeningen en de besluiten betreffende het onderwijs in de Vlaamse
Gemeenschap.
Artikel 35 Rust- en overlevingspensioenen
De lopende en de toekomstige rust- en overlevingspensioenen worden uitbetaald en
geperekwateerd op basis van de bepalingen aangaande de subsidiëring door de
Vlaamse overheid. Deze bepaling geldt met terugwerkende kracht vanaf 1
september 1999.
Artikel 36 Bijzondere prestaties personeelsleden
De bijzondere prestaties die de personeelsleden occasioneel buiten de diensturen in
opdracht of met goedkeuring van de deputatie leveren, worden vergoed tegen een
basisbedrag van 24 EUR per uur gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01. Dit
laatste bedrag volgt de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen
overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel
waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de
consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
HOOFDSTUK 11 VERGOEDINGEN EN VOORDELEN
Artikel 37 Woon-werkverkeer
De personeelsleden hebben recht op de volledige terugbetaling van de kosten
verbonden aan het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer en/of met de fiets
op de voorwaarden zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli
2011 betreffende de volledige ten laste neming door de werkgever in de
onderwijssector van de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het
werk en de toekenning van een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer.
Artikel 38 Reis- en verblijfskosten
§1. Het personeelslid kan aanspraak maken op vergoeding van kosten voor
dienstopdrachten na voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de directeur.
§2. De verplaatsingskosten die een personeelslid effectief maakt voor
dienstopdrachten, worden op verzoek terugbetaald. De werkelijk gedane uitgaven
worden terugbetaald aan de hand van de ingediende vervoersbewijzen. Als de
verplaatsing met eigen vervoermiddelen gebeurt, dan worden de tarieven gevolgd
die gelden voor het personeel van de Vlaamse Gemeenschap. Voor het toekennen
van deze vergoedingen wordt de standplaats als referentiepunt beschouwd.
§3. Het personeelslid dat een dienstreis maakt, heeft recht op vergoeding van de
effectief voor zichzelf gemaakte verblijfskosten. Het personeelslid dient voor al de
gemaakte kosten de originele bewijsstukken in.
Artikel 39 Nascholing
§1. Het personeelslid kan aanspraak maken op vergoeding van kosten die met
nascholing verband houden na voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de
directeur.
§2. De werkelijk gedane uitgaven voor nascholing die een personeelslid maakt in
functie van de uitvoering van zijn opdracht, worden terugbetaald aan de hand van
de ingediende rekeningen.
Artikel 40 Materiële schade
§1. De door een plotse gebeurtenis veroorzaakte materiële schade aan schoeisel,
kleding en/of op het lichaam gedragen horloges, opgelopen tijdens de uitoefening
van de dienst of op de weg van en naar het werk, wordt aan het personeelslid
vergoed als deze geen nalatigheid kan ten laste gelegd worden én op voorwaarde
dat deze ofwel geen vordering tegenover derden kan doen gelden, ofwel na
uitputting van zijn rechtsmiddelen geen vergoeding van derden kan verkrijgen.
§2. De terugbetaling gebeurt op grond van een ‘voor echt en onvergolden’
verklaarde schuldvordering.
§3. Bij hogervermelde materiële schade wordt slechts de venale waarde vergoed
met een maximum van 1.000 EUR per schadegeval.
Artikel 41 Hospitalisatieverzekering
§1. De provincie Antwerpen sluit een collectieve hospitalisatieverzekering af voor
zijn
personeelsleden
die
onder
het
toepassingsgebied
van
deze
rechtspositieregeling vallen en die een opdracht hebben die tegelijkertijd voldoet
aan volgende voorwaarden: a) een opdracht van minstens 50% nodig voor een
voltijdse opdracht b) een opdracht van minstens 6 maanden.
§2. Bij deze hospitalisatieverzekering kunnen op eigen kosten ook aansluiten:
a) de gepensioneerde personeelsleden
b) de gezinsleden van de actieve en gepensioneerde personeelsleden.
De premie voor de gepensioneerde personeelsleden wordt ten laste genomen door
de provincie Antwerpen voor het gedeelte dat voor de actieve personeelsleden
wordt betaald.
HOOFDSTUK 12 INTELLECTUELE EIGENDOMS- EN VERMOGENSRECHTEN
Artikel 42 Intellectuele eigendomsrechten
§1. Het personeelslid draagt aan de provincie Antwerpen het geheel van de
vermogensrechten over op de werken waarvan het de (mede)auteur is en die het
ter uitvoering van zijn functie tot stand brengt.
§2. De vergoeding voor deze overdracht van rechten is begrepen in de bezoldiging
van het personeelslid.
§3. Het personeelslid verleent aan de provincie Antwerpen de toelating om de
werken, bedoeld in §1, onder de naam van de provincie Antwerpen aan het publiek
mee te delen en onder die naam te exploiteren. Deze toelating geldt voor een duur
van 20 jaar vanaf de datum van creatie van het werk.
Artikel 43 Vermogensrechten
Alle uitvindingen die door het personeelslid in de uitvoering van zijn functie worden
gedaan of die verkregen worden door middelen die door de provincie Antwerpen ter
beschikking worden gesteld, zijn het exclusieve eigendom van de provincie
Antwerpen, zonder dat het personeelslid een recht op vergoeding kan doen gelden.
HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN
Artikel 44 Inwerkingtreding
§1. Deze rechtspositieregeling heeft uitwerking vanaf 1 mei 2014.
§2. Met ingang van 1 mei 2014 wordt de Rechtspositieregeling Provinciaal
Onderwijs Antwerpen, vastgesteld door de provincieraad in zitting van 22 november
2012, opgeheven.
Artikel 45 Kennisgeving reglement – Naleving reglement
§1. Deze rechtspositieregeling wordt ter kennis gebracht van het personeel waarop
deze rechtspositieregeling van toepassing is.
§2. De personeelsleden verbinden zich tot de naleving van de op hen
toepasselijke bepalingen.
Artikel 46 Overgangsbepalingen
§1. De artikelen 65, 66 en 67 van het geldelijk statuut van het directie-,
onderwijzend en opvoedend hulppersoneel van de provinciale onderwijsinstellingen
van de provincie Antwerpen, vastgesteld door de provincieraad in zitting van 14
december 1972, gewijzigd bij besluit van de deputatie van 23 maart 1973,
goedgekeurd bij K.B. van 27 april 1973, zoals gewijzigd, blijven in overgangsstelsel
behouden voor de personeelsleden die onder het toepassingsgebied van voornoemd
geldelijk statuut vielen.
§2. De algemene functiebeschrijvingen vastgesteld bij het reglement inzake
functiebeschrijvingen en evaluatie van het bestuurs-, onderwijzend en
ondersteunend personeel van de onderwijsinstellingen en het personeel van het
Centrum voor Leerlingenbegeleiding van de provincie Antwerpen, goedgekeurd door
de provincieraad in vergadering van 22 april 2004, blijven in overgangsstelsel
behouden.
§3. De tuchtprocedures die bij de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling
reeds zijn opgestart, worden verder gezet conform de bepalingen van hoofdstuk 9
van de Rechtspositieregeling Provinciaal Onderwijs Antwerpen. De overheid die bij
het opstarten van de tuchtprocedure bevoegd is, blijft bevoegd tijdens de volledige
duur van de procedure, ook als de hoedanigheid van het personeelslid in de loop
van de procedure wijzigt.
§4. De ontslagprocedures die bij de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling
reeds zijn opgestart, worden verder gezet conform de bepalingen van hoofdstuk 8
van de Rechtspositieregeling Provinciaal Onderwijs Antwerpen. De overheid die bij
het opstarten van de ontslagprocedure bevoegd is, blijft bevoegd tijdens de
volledige duur van de procedure, ook als de hoedanigheid van het personeelslid in
de loop van de procedure wijzigt.
Artikel 47 Vastbenoemde niet-gesubsidieerde personeelsleden
§1. Vastbenoemde personeelsleden die tewerkgesteld zijn binnen het Provinciaal
Centrum voor Leerlingenbegeleiding in een ambt met een salarisschaal van het
onderwijs en hun salaris niet rechtstreeks van de Vlaamse overheid ontvangen,
vallen onder de toepassingssfeer van onderhavige rechtspositieregeling.
Bedoelde personeelsleden bekleden deze ambten ten persoonlijke titel, zodat de
ambten een uitdovend karakter hebben.
§2. Wanneer een in §1 bedoeld personeelslid tewerkgesteld wordt binnen de
provinciale administratie, behoudt betrokkene de salarisschaal van het ambt waarin
het personeelslid vast benoemd is, terwijl zijn tewerkstellingsregime verder wordt
beheerst door de rechtspositieregeling die van toepassing is op de plaats van
tewerkstelling.
Artikel 48 Aanduiding
Deze rechtspositieregeling kan worden aangeduid met “Rechtspositieregeling
Provinciaal CLB”.