Pensioenen en AOW geen onderwerp voor de SER

Standpunten Beetsma t.b.v. TK hoorzitting op 18 november 2014
De situatie:
•
Situatie: consumenten prijsinflatie in Eurozone gedaald van 0.4% op jaarbasis in
augustus naar 0.3% in september, laagste niveau sinds 2009.
•
Griekenland, Spanje, Italië, Slovenië, Slowakije hebben al deflatie.
•
Merk op dat het gemeten inflatie cijfer de werkelijke inflatie overschat. Een
gemeten inflatie van, zeg 0.25%, betekent feitelijk een lichte mate van deflatie.
•
Angst voor deflatie gaat verder dan eurozone. Groeiverwachtingen Japan en
China blijven achter, waardoor de olieprijs daalt. Aangezien deze prijs op de
wereldmarkt bepaald wordt, kan Europa hier weinig aan doen.
•
Vergelijking Europa – Japan:
o Japan sterkere vergrijzing
o Slechte leningen werden in Japan simpelweg doorgerold, waardoor
zombie ondernemingen werden gecreëerd. Verliezen realiseerden zich
daardoor ook niet bij banken, waardoor banken niet geherkapitaliseerd
werd.
o Europa probeert fouten van Japan te vermijden door banken unie met
asset quality reviews, stress tests en gedwongen herkapitalisatie.
Wat is het probleem met deflatie?
•
Deflatie in bepaalde producten, met name niet duurzame goederen of diensten, is
niet in eerste aanleg een heel groot probleem, omdat deze producten toch wel
geconsumeerd worden.
•
Deflatie in duurzame consumptiegoederen is een probleem omdat het leidt tot
uitstel van aan aankopen.
•
Deflatie wordt met name een probleem wanneer het leidt tot verwachtingen van
negatieve inflatie. Dit zal het geval zijn bij langdurige deflatie. Op dit moment
lijken de inflatie verwachtingen nog positief, maar laag. Zie onderstaande tabel
van
de
ECB
website
(http://www.ecb.europa.eu/stats/prices/indic/forecast/html/table_3_2014q3.en.ht
ml ). Het aantal respondenten overigens ook nogal laag, waardoor de
betrouwbaarheid van deze survey beperkt is. Participanten in de financiele
markten zijn sceptisch over survey voorspellingen, omdat ondervraagden zich
mogelijk niet vrij voelen te zeggen wat ze echt vinden.
2014 Q3 inflation forecasts
2014 2015 2016 Jun. 2015 Jun. 2016 2019
Mean point estimate
0.7
1.2
1.5
1.2
1.5
1.9
Standard deviation
0.1
0.2
0.2
0.2
0.2
0.3
Number of replies
56
55
47
47
41
49
Probability distributions 2014 2015 2016 Jun. 2015 Jun. 2016 2019
<-1.0%
0.1
0.1
0.1
0.1
0.1
0.2
-1.0 to -0.6%
0.7
0.5
0.2
0.3
0.2
0.2
-0.5 to -0.1%
2.4
1.9
0.8
1.8
0.7
0.6
0.0 to 0.4%
19.4
6.9
3.8
7.6
4.1
2.8
0.5 to 0.9%
54.4 24.5 13.5
24.3
14.5
7.6
1.0 to 1.4%
16.7 38.4 30.1
38.1
29.7 19.4
1.5 to 1.9%
4.5 19.2 31.5
19.4
31.1 32.7
2.0 to 2.4%
1.3
5.8 13.1
5.8
13.3
21
2.5 to 2.9%
0.4
1.8
4.8
1.9
4.5
9.6
3.0 to 3.4%
0.1
0.6
1.4
0.5
1.3
4.1
3.5 to 3.9%
0
0.1
0.4
0.1
0.4
1.5
>4.0%
0
0
0.1
0
0.1
0.4
100.0 100.0 100.0
100.0
Total
•
100.0 100.0
Bij deflatie neemt de reële schuldenlast neem toe, dat geldt voor zowel de
overheid als schuldenaar als bedrijven en particulieren als schuldenaar.
o Het gewicht van (rente op) schulden als deel van het inkomen neemt toe.
o Het krijgt een zelf-vervullend karakter, doordat het moeten voldoen aan
rente en aflossing steeds minder ruimte geeft voor vraag naar producten.
o Met name Griekenland en Portugal hebben last van de effecten van
deflatie op de staatsschuld.
•
Het is twijfelachtig of langdurige deflatie mogelijk is in de eurozone, wanneer
de gemiddelde inflatie positief is. Immers dezelfde producten kunnen niet in
bepaalde landen onbeperkt goedkoper worden ten opzichte van andere landen
(we zitten in een muntunie). Mensen zullen de producten uit de goedkopere
landen importeren.
Beleid:
•
Wanneer we in een “liquidity trap” zitten, zoals nu, helpt conventioneel monetair
beleid niet om de economie weer op gang te krijgen. Budgettair beleid kan
helpen, maar het probleem hier is dat overheden weinig manoeuvreer ruimte
hebben. Bovendien kan de extra uit te geven overheidsschuld weer op de
bankbalansen terecht komen en daarmee het kredietverleningsmechanisme
hinderen. Dit is in Japan gebeurd en dreigt ook in Zuid-Europa.
•
Quantitative easing programma’s (directe geldinjecties i.p.v. via het rente
instrument) zouden economieën kunnen stimuleren. Voorwaarde moet zijn dat
de banken de extra liquiditeit gebruiken om uit te lenen. Eerste probleem is dat
dit transmissiemechanisme kan alleen werken als er voldoende vraag is naar
kredieten. Ten tweede, en gerelateerd, kan het goedkope geld kan bubbels
veroorzaken als het niet op een productieve manier kan worden aangewend.
Derde probleem is “one size fits all”: periphery heeft er meer behoefte aan dan
core. Vierde probleem is dat acties van de zijde van de ECB kunnen de prikkel
tot structurele supply-side hervormingen ondermijnen.
•
Veel overheden hebben weinig ruimte voor stimulering. Sterker, ze worden in
meerdere of mindere mate gedwongen hun tekorten terugdringen. Hierbij is het
van groot belang hoe het tekort wordt teruggedrongen. Er is overtuigend
empirisch aangetoond (bijvoorbeeld Alesina en Ardagna, 2013) dat verhoging
van de belastingen in de regel een slechtere invloed heeft op de economie dan
verlaging van de overheidsuitgaven.
•
Onderstaande plaatje (uit Beetsma et al., 2014) laat de ontwikkeling van het
consumentenvertrouwen zien rond het moment van de aankondiging van
budgettaire consolidatie (moment 0) in de grafiek:
•
Nederland heeft vooral toevlucht gezocht tot consolidatie langs de kant van de
overheidsinkomsten (zie Beetsma et al. 2014):
Figure 1: Cumulated discretionary measures over the period 2009-2013 in the euro area and
changes in the structural primary and actual balances.
Figure 2: Contribution of structural revenues and structural primary expenditure to the
change in the structural primary balance over the period 2009-2013.
•
Noodzaak van structurele (supply-side) hervormingen in met name de
periferie van de eurozone blijft bestaan. Op de korte termijn kunnen ze
een prijs-drukkend effect hebben. In een laag inflatie scenario kan dat
een nadeel zijn, maar het betekent ook dat de concurrentiepositie van
deze landen verbetert. Het langere termijn groeipoptentieel verbetert
sowieso. Dit maakt het aantrekkelijker om nu al te investeringen,
waarmee de vraag wordt vergroot. “On balance” is het belangrijk dat
doorgegaan wordt met structurele hervormingen in de periferie.
•
Ruim barrières t.a.v. interne markt op, om prijsarbitrage mechanisme zijn
werk te laten doen en te voorkomen dat je lokale deflatiegebieden in
Europa krijgt.
•
Toekomstige vergrijzing vergroot besparingen en verkleint prikkel tot
investeren. Verhoging pensioenleeftijd is noodzakelijk om beide effecten
te dempen.
•
Secular stagnation (Summers, 2014) ontstaat wanneer full employment
real interest rate (FERIR) negatief is. Dan is het niet mogelijk macroeconomisch evenwicht te bereiken. Negatieve inflatie maakt probleem
erger, doordat reële rente stijgt, waardoor besparingen verder stijgen en
investeringen nog verder dalen. Maatregelen om feitelijke reële
rentevoeten dichter bij de FERIR te krijgen, zoals hogere inflatie targets
of quantitative easing kunnen leiden tot financiële stabiliteitsrisico’s
(roekeloze leningen etc., bubbels).
Referenties:
Alesina, A. and S. Ardagna (2013), “The design of fiscal adjustments”, in J.R. Brown
(ed.), Tax Policy and the Economy, University of Chicago Press, Chicago, 1967.
Beetsma, R., Cimadomo, J., Furtuna, O. and M. Giuliodori (2014), The Confidence
Effects of Fiscal Consolidations, CEPR Discussion Paper, No. 10205, London.
Summer, L.H. (2014), Reflections on the ‘New Secular Stagnation Hypothesis’, in
Teulings, C.N. and R. Baldwin (eds.), Secular Stagnation: Facts, Causes and
Cures, CEPR Press, London.