Jaarverslag 2013

 Jaarverslag
Vastgesteld d.d. 23 mei 2014
2013
Profielschets
Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank NV (het pensioenfonds) is een
ondernemingspensioenfonds en voert de pensioenovereenkomsten uit die van toepassing zijn op de
(oud)werknemers van De Nederlandsche Bank NV (DNB).
Doelstelling
De doelstelling van het pensioenfonds is het verstrekken van de nominale pensioenaanspraken en
pensioenrechten, alsmede het streven (voorwaardelijk: voor zover de middelen van het pensioenfonds
het toelaten en afhankelijk van de dekkingsgraad) naar het waardevast houden van de
pensioenrechten.
Missie
Het pensioenfonds wil een zo goed mogelijke invulling geven aan de pensioenovereenkomsten die de
sponsor (De Nederlandsche Bank NV) heeft afgesloten met haar (gewezen) werknemers. De uitvoering
van de overeenkomst dient correct, maatschappelijk verantwoord en zo (kosten)efficiënt mogelijk te
geschieden. De ambitie is een duurzaam en betrouwbaar pensioenfonds te zijn dat zijn financiële
verplichtingen en ambities nu en in de toekomst waar kan maken.
Visie
De pensioensector staan ingrijpende veranderingen te wachten die zorgen voor onzekerheid; daarbij is
de uitdaging te voldoen aan de verwachtingen van belanghebbenden. Zowel binnen de huidige en
komende wettelijke kaders streeft het pensioenfonds naar een goede pensioenvoorziening door de
koopkracht van de rechten van deelnemers zowel nu als in de toekomst zo goed als mogelijk in stand te
houden. Communicatie en transparantie acht het pensioenfonds van groot belang ten einde
betrokkenheid te realiseren alsook pensioenbewustzijn en verwachtingen te managen. Om onze missie
te kunnen uitvoeren en hoge kwaliteit te leveren is sprake van een robuust beleidskader, goed
pensioenfondsbestuur en wordt goed samengewerkt met de sponsor, adviseurs en uitvoerende partijen
op het gebied van vermogensbeheer en pensioenuitvoering.
2
Inhoudsopgave
1.
2.
3.
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
4.
4.1
5.
5.1
6.
6.1
6.2
6.3
6.4
7.
7.1
7.2
7.3
7.4
Bijlagen
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Bijlage 4
Colofon
Kerncijfers
Personalia
Bestuursverslag
Voorwoord bestuur
Financiële opzet en positie
Pensioenbestuur: organisatie en governance
Pensioenbeheer
Vermogensbeheer
Verslag verantwoordingsorgaan
Reactie bestuur op verslag verantwoordingsorgaan
Bevindingenrapport raad van toezicht
Reactie bestuur op bevindingenrapport raad van toezicht
Jaarrekening
Balans per 31 december 2013
Staat van baten en lasten
Kasstroomoverzicht
Toelichting op de jaarrekening
Overige gegevens
Statutaire regelingen omtrent de bestemming van het saldo van
baten en lasten
Gebeurtenissen na balansdatum
Actuariële verklaring
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Pensioenregeling
Deelnemersbestand
Begrippenlijst
Staffel
3
4
6
9
9
11
17
21
28
34
37
38
42
44
45
46
47
48
75
75
75
76
77
79
80
82
83
89
91
1.
Kerncijfers
Bedragen x € 1,0 miljoen, tenzij
anders aangegeven)
2013
2012
2011
2010
Balanswaarde van de beleggingen*
Aandelen
Obligaties
Overige beleggingen
215
957
63
223
935
97
159
815
129
225
698
77
193
664
58
Totaal
1.235
1.256
1.104
999
915
Percentages van totaal beleggingen
Aandelen
Obligaties
Overige beleggingen
17%
78%
5%
18%
75%
7%
14%
74%
12%
22%
70%
8%
21%
73%
6%
Rendement
-1,3%
13,6%
10,1%
9,0%
5,1%
Uitvoeringskosten (x € 1.000)
Kosten vermogensbeheer
Kosten pensioenadministratie
Bestuurskosten
3.102
745
96
3.671
765
88
2.860
704
100
3.249
645
92
2.768
787
106
Voorziening Pensioenverplichtingen
1.136
1.168
1.075
926
841
Voorziening WAO-hiaat
1
1
1
2
2
Overig
3
3
2
2
2
Totaal
1.140
1.173
1.078
930
845
Discontovoet
2,77%
2,42%
2,74%
3,44%
n.b.
MSCI All Countries World Index
23,44%
16,80%
-6,86%
13,21%
35,41%
Dekkingsgraad**
Marktwaarde dekkingsgraad
Reële dekkingsgraad
108,9%
106,8%
79,5%
106,9%
102,0%
74,0%
102,5%
107,9%
109,1%
70,7%
80,5%
79,6%
0,58%
0,58%
0,0%
1,21%
1,21%
0,0%
1,75%
1,75%
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
1,0%
1,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,53%
0,0%
Pensioenpremie van DNB
44
44
44
39
42
Aantal actieve deelnemers
Aantal pensioengerechtigden
Aantal gewezen deelnemers
2.024
1.263
1.481
2.023
1.198
1.474
2.044
1.153
1.432
2.033
1.109
1.367
1.999
1.085
1.337
Totaal
4.768
4.695
4.629
4.509
4.421
Toeslagverlening
Actieven DNB
Inactieven ex-PVK (voor 1 jan 2005)
Inactieven DNB (voor 1 jan 2003)
Inactieven DNB (na 1 jan 2003) en
premievrije aanspraken
Standen zijn per het einde van het genoemde jaar; stromen betreffen de gehele verslagperiode
4
2009
*
De samenstelling van de beleggingsportefeuille in dit overzicht wijkt af van de samenstelling zoals deze wordt gepresenteerd in
de jaarrekening, omdat hier de economische samenstelling wordt getoond waarin de derivaten zijn toegerekend aan de
verschillende beleggingscategorieën terwijl in de jaarrekening op grond van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ610) de
derivaten als aparte beleggingscategorie worden getoond.
** Formule dekkingsgraad: ((eigen vermogen + totaal technische voorzieningen) / totaal technische voorzieningen)
De marktwaarde dekkingsgraad wordt bepaald op basis van een voorziening pensioenverplichtingen die wordt berekend met
behulp van de swaprentes per ultimo boekjaar (economische verplichtingen). De officiële dekkingsgraad wordt bepaald op basis
van een voorziening pensioenverplichtingen die wordt berekend op basis van de rentetermijnstructuur (RTS), welke met ingang
van 31-12-2012 wordt bepaald op basis van de ultimate forward rate (UFR) methode.
Bij het berekenen van de reële dekkingsgraad wordt gebruikt gemaakt van een voorziening pensioenverplichtingen op basis van
de swaprentes, rekening houdend met de verwachte loon- en prijsinflatie. Dit resulteert, binnen de huidige situatie, in een hogere
voorziening en daarmee een lagere dekkingsgraad. Indien de reële dekkingsgraad op 100% uitkomt, is het bestuur in staat om
een volledige indexatie gebaseerd op de prijsinflatie naar verwachting voor de toekomstige jaren toe te kennen.
5
2.
Personalia
Bestuur
Naam
G. van Ankeren
Functie in bestuur/commissies
Zittingsperiode (max.
Functie/in
2 periodes van 4 jaar)
dienst van
Lid namens pensioengerechtigden,
1 juli 2007 tot
Gepensioneerd
plaatsvervangend voorzitter
1 juli 2015
Auditcommissie, plaatsvervangend
secretaris bestuur
W.H. Bovenschen
E. Elvers
D. Hendriks
Lid namens werkgever,
4 oktober 2008 tot
Jurist divisie
lid Auditcommissie
1 januari 2014
Juridische Zaken
Lid namens gewezen deelnemers,
1 januari 2013 tot
Senior Risk
lid Beleggingscommissie
1 januari 2017
Manager Delta
(herbenoeming mogelijk)
Lloyd Groep
Lid namens deelnemers,
1 januari 2009 tot
Toezichthouder
voorzitter Beleggingscommissie,
1 januari 2017
verzekeraars
Lid namens deelnemers, lid en
30 juni 2009 tot
Toezichthouder
plaatsvervangend voorzitter
25 september 2013
banken
Lid namens werkgever,
1 januari 2008 tot
Gepensioneerd
plaatsvervangend voorzitter
1 januari 2016
plaatsvervangend voorzitter
bestuur
E. Hondius
Auditcommissie
P.D. van Loo
Beleggingscommissie
Mw. C.P.M. van Oorschot
Lid namens werkgever, voorzitter
26 september 2011 tot
Afdelingshoofd
Beleggingscommissie
1 augustus 2013
Asset
Lid namens werkgever, voorzitter
1 januari 2008 tot
Afdelingshoofd
Auditcommissie, secretaris bestuur
1 januari 2016
Thematisch
Management
Mw. G.F.T. Tiellemans
Toezicht Banken
L.J. van Wechem
Lid namens deelnemers, lid
14 oktober 2013 tot 1
Toezichthouder
Auditcommissie
januari 2019
verzekeraars
(herbenoeming mogelijk)
F.J. de Weert
P.W.G.F. ten Westeneind
Lid namens de werkgever, lid
19 november 2013 tot 1
Hoofd Risico-
Beleggingscommissie
januari 2018
management
(herbenoeming mogelijk)
toezicht
Lid namens werkgever, lid
8 april 2014 tot 8 april
Toezichthouder
Auditcommissie
2018
Expertisecentrum
(herbenoeming mogelijk)
Handhaving/
Markttoegang
Voorzitter
Naam
Functie
Benoemingsperiode
F.A. Schilthuis
Onafhankelijk voorzitter bestuur
9 februari 2012 tot 1 februari 2015
6
Per 1 juli 2014 zal de voorzitter in het bestuur opgenomen zijn als onafhankelijk bestuurslid, dus als
bestuurslid dat niet tot een van de geledingen namens de belanghebbenden van het fonds behoort. Hij
krijgt dan stemrecht.
Gedurende het verslagjaar zijn de heer Hondius en mevrouw Van Oorschot afgetreden. Zij zijn
opgevolgd door de heer Van Wechem en de heer De Weert. Aan het eind van het verslagjaar liep de
zittingstermijn van de heer Bovenschen af. Hij heeft zich niet herbenoembaar gesteld en is opgevolgd
door de heer Ten Westeneind.
Onafhankelijke DNB adviseurs beleggingscommissie
M.L. Admiraal, Medewerker afdeling Risk Management binnen de divisie Financiële Markten (vanaf 18
december 2013)
Mw. D.F. Dijkhuis, senior toezichthouder EC-ECIH (expertise centrum Interventie en Handhaving bij
DNB)
J.F. de Ruiter, senior portfoliomanager bij DNB (tot 1 januari 2014)
J. Veerman, Senior Risk Manager afdeling Risk Management binnen de divisie Financiële Markten (vanaf
18 december 2013)
De heer De Ruiter heeft zijn adviseurschap van de Beleggingscommissie neer gelegd, hij wordt
opgevolgd door de heren Veerman en Admiraal.
Raad van toezicht
H.M. Geukers
Mw. A. Gram (vanaf 1 augustus 2013, plaatsvervangend voorzitter vanaf 15 oktober 2013)
J.Th. van Niekerk (voorzitter, tot 1 augustus 2013)
Mw. E.M.F. Schols-Van Oppen (vanaf 1 augustus 2013 voorzitter)
De heer Van Niekerk is afgetreden als lid/voorzitter van de Raad van Toezicht. Mevrouw Gram heeft
hem opgevolgd als lid, mevrouw Schols is benoemd tot voorzitter. Per 1 augustus 2014 zal de heer
Geukers aftreden. De opvolgingsprocedure loopt.
Verantwoordingsorgaan
Namens de werkgever:
J.E. Berndsen (plaatsvervangend voorzitter, tot 1 januari 2014)
E.D. de Ruijter
P.M.M. Timmer (voorzitter)
Namens de deelnemers:
R.F. Bharos
N.J. Engel-de Groot (vanaf 13 september 2013)
U. Karakhalil
R.A. Vink (tot 13 september 2013)
Namens de pensioengerechtigden en/of gewezen deelnemers:
J.A.T. Denissen
A. van Dorssen
M.A. Santema
De heer Vink is afgetreden en opgevolgd door mevrouw Engel. Met leedwezen heeft het bestuur er
kennis van genomen dat de heer Vink eind maart 2014 is overleden.
De zittingstermijn van de heer Berndsen als lid van het Verantwoordingsorgaan liep af op 1 januari
2014. In verband met de gewijzigde samenstelling van het Verantwoordingsorgaan per 1 juli 2014
wordt hij niet opgevolgd. Als plaatsvervangend voorzitter is aangewezen de heer Karakhalil.
7
Compliance officer
B.M. Peters, Nederlands Compliance Instituut
Pensioenbeheer
TKP Pensioen BV
Vermogensbeheer
BlackRock Netherlands BV
Bewaarnemingsbedrijf (Custodian)
Bank of New York Mellon SA/NV
Onafhankelijke externe accountant
PricewaterhouseCoopers Accountants NV
Certificerend actuaris
Sprenkels & Verschuren
8
3.
Bestuursverslag
3.1
Voorwoord bestuur
2013 was een jaar met een voorzichtig en langzaam economisch herstel, waarbij grote
schokken zijn uitgebleven. Bij de herziening van de pensioenwetgeving werd geen
vooruitgang geboekt. Wel werd per 1 januari 2014 het fiscale kader aangepast.
De financiële situatie van het fonds is licht verbeterd. De officiële dekkingsgraad bedroeg
eind 2013 108,9%. Eind 2012 was deze 106,9%. De dekkingsgraad lag hiermee boven het niveau
van het minimaal vereiste eigen vermogen. Hierdoor hoeven de reeds opgebouwde pensioenrechten en
ingegane pensioenuitkeringen niet gekort te worden.
De ontwikkeling van de officiële dekkingsgraad heeft er toe geleid dat het korte termijn
herstelplan per ultimo 2013 is beëindigd. Door een verdere verbetering van de dekkingsgraad is er
met ingang van eind maart 2014 ook geen lange termijn herstelplan voor het pensioenfonds meer van
kracht. De voornaamste consequentie hiervan is dat er formeel geen beperking meer is voor een
eventuele verhoging van de risicograad van de beleggingen.
De marktwaarde dekkingsgraad bedroeg eind 2013 106,8%, een stijging van 4,8%-punt ten
opzichte van ultimo 2012. Het bestuur hanteert voor het beleid (premie-, beleggings- en
toeslagbeleid) de dekkingsgraad die wordt berekend volgens de marktwaarde-methode. Deze was eind
2013 lager dan de officiële dekkingsgraad.
Het totale beleggingsrendement was negatief (-1.3%). De rentestijging in 2013 veroorzaakte een
verlies van 2,5% op de beleggingen in vastrentende waarden die bijna 80 % van het totaal uitmaken.
Op de aandelenportefeuille werd een positief rendement van ruim 20 % behaald.
Ondanks de stijging van de marktwaarde dekkingsgraad, heeft het bestuur helaas weer
moeten besluiten geen voorwaardelijke toeslagen toe te kennen. De afgelopen jaren hebben de
gepensioneerden en gewezen deelnemers niet of nauwelijks indexatie ontvangen, omdat de financiële
situatie van het pensioenfonds dit niet toestond. De indexatieachterstand voor deze groepen is verder
opgelopen tot 4,5% volgens de loonindex en 9,2% volgens de prijsindex. Het bestuur voorziet in de
nabije toekomst geen ruimte om deze achterstand in te lopen.
De financiële en economische situatie in 2013 gaf geen aanleiding om de strategische
normportefeuille te wijzigen. Het bestuur schatte de kans op een stijging van de aandelenkoersen
hoger in dan de kans op een aanzienlijke rentestijging. Daarom is niet overgegaan tot een verlaging
van de renteafdekking. Omdat de kans op een rentedaling klein geacht werd, heeft het bestuur ook niet
besloten de renteafdekking te verhogen. In 2014 wordt het extra risicobudget op grond van de
verbeterde financiële positie hoofdzakelijk ingezet voor een verhoging van het gewicht van de
aandelenportefeuille met 2%-punt.
Het bestuur heeft zich in 2013 voorbereid op de wijzigingen in de governance, die het gevolg
zijn van de “Wet versterking bestuur pensioenfondsen”. Het bestuur heeft, na een uitvoerige,
extern begeleide, evaluatie van de huidige governance en het functioneren van het bestuur, besloten
om een paritair bestuursmodel te handhaven met een raad van toezicht die het interne toezicht
uitoefent. De wijzigingen die uit deze wet voortvloeien, worden per 1 juli 2014 geïmplementeerd.
De pensioenregeling is in overleg met werkgever aangepast aan de fiscale wijzigingen per 1
januari 2014. De belangrijkste wijzigingen zijn een verhoging van de pensioenrichtleeftijd tot 67 jaar
en een verlaging van het opbouwpercentage van 2,15% naar 2,05%. De premie blijft gehandhaafd op
34,5%.
9
De werkgever voert in 2014 overleg met de vakbonden over een nieuwe pensioenregeling
per 1 januari 2015. In dit kader wordt een enquête gehouden naar onder andere
risicobereidheid. Het bestuur wordt hierbij betrokken, zodat het tijdig kan wijzen op de mogelijkheden
en onmogelijkheden van de afspraken die sociale partners met elkaar willen maken. Deze wijziging zal
tezamen met een (mogelijk) nieuw financieel toetsingskader per 1 januari 2015 in gaan.
Uit een haalbaarheidsonderzoek naar samenwerking met het pensioenfonds van de AFM is gebleken dat
dit op termijn een optie is. Voor de komende periode wordt evenwel prioriteit gegeven aan de invoering
van een nieuwe pensioenregeling.
10
3.2
Financiële opzet en positie
3.2.1
Inleiding
De hoofddoelstelling van het pensioenfonds is het op lange termijn garanderen van de
nominale pensioenaanspraken en pensioenrechten. Daarnaast wordt gestreefd1 naar het zo veel
mogelijk waardevast houden van ingegane pensioenen en pensioenaanspraken van de gewezen
deelnemers. Om deze doelstellingen te realiseren, heeft het bestuur beleid ontwikkeld op het gebied
van financiering, beleggingen en toeslagen om de risico's en de financiële positie van het pensioenfonds
te beheersen. Bij het maken van beleidskeuzes worden de belangen van alle belanghebbenden
afgewogen. Het beleid moet worden uitgevoerd binnen de kaders van de pensioenregeling, zoals die
overeengekomen is door de cao-partijen en de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever. Dit wordt
visueel toegelicht aan de hand van figuur 1. Dit beleid wordt in paragraaf 3.2.3 toegelicht.
Figuur 1: Opzet pensioenfonds
Het belangrijkste risico voor het pensioenfonds is dat het niet beschikt over voldoende
vermogen om de pensioenverplichtingen na te komen, ook wel het solvabiliteitsrisico
genoemd. Indien de solvabiliteit zich negatief ontwikkelt, moet het pensioenfonds handelen. Hiervoor
heeft het pensioenfonds een aantal instrumenten. Het pensioenfonds kan in samenspraak met de
werkgever de premie verhogen. Ook zal er geen ruimte zijn voor (volledige) toeslagverlening. In het
uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het pensioenfonds de verworven pensioenaanspraken en
pensioenrechten vermindert. De solvabiliteit van een pensioenfonds wordt door de toezichthouder
gemeten op basis van de officiële dekkingsgraad. Naast het solvabiliteitsrisico loopt het pensioenfonds
diverse andere risico's, die in de risicoparagraaf van de jaarrekening worden behandeld.
1
Voorwaardelijk: voor zover de middelen van het pensioenfonds het toelaten en afhankelijk van de dekkingsgraad
11
3.2.2
Financiële positie eind 2013 en herstelplan
In 2013 is de officiële dekkingsgraad gestegen van 106,9% ultimo 2012 naar 108,9% ultimo
2013. De ontwikkeling van de officiële dekkingsgraad van het pensioenfonds van de afgelopen twee
jaar is in figuur 2 weergegeven.
Figuur 2: Ontwikkeling dekkingsgraad 2012-2013
De wijziging van de rentetermijnstructuur (RTS) heeft gevolgen voor de waardering van de
voorziening pensioenverplichtingen. De voorziening pensioenverplichtingen wordt gewaardeerd met
behulp van de door de toezichthouder voorgeschreven RTS, welke gebaseerd is op de Ultimate Forward
Rate (UFR) en driemaandsmiddeling van de marktrente. Een lagere rente resulteert in een hogere
voorziening en een lagere dekkingsgraad en vice versa. De wijziging van de rentetermijnstructuur is in
bovenstaande figuur in twee componenten gesplitst: ongemiddelde marktrente en UFR. Dit is gedaan
om het verband tussen het effect van de wijziging van de marktrente en de beleggingsopbrengsten van
de matching assets inzichtelijk te maken. De matching assets hebben als doel om het fonds in te
dekken tegen de risico’s die een wijziging van de marktrente met zich meebrengt.
Met de mutatie ‘Wijziging rentetermijnstructuur- benodigde interest’ wordt de 1-jaars RTS-rente
toevoeging aan de pensioenverplichtingen bedoeld. Over 2013 bedroeg het effect hiervan 0,4%-punt.
12
In 2013 heeft de stijging van de rentetermijnstructuur (RTS) tot een substantiële daling van
de voorziening pensioenverplichtingen geleid met een positief effect op de dekkingsgraad
van per saldo 3,2 %-punt. De rentestijging had evenwel een waardedaling van de
matchingportefeuille tot gevolg die een negatieve invloed op de dekkingsgraad had van 4,4%-punt. In
2012 vond een omgekeerde beweging plaats. Toen werd de stijging van de pensioenverplichtingen als
gevolg van een rentedaling gecompenseerd door het resultaat van de matching assets. Voor de
afdekking van het renterisico worden obligatiebeleggingen en renteswaps ingezet.
Het resultaat op de beleggingen met een rendementsdoelstelling droeg 2,9%-punt bij aan de
dekkingsgraad. Ook de voor de actieve deelnemers betaalde premie levert een positieve bijdrage aan
de dekkingsgraad.
Ontwikkelingen 2013 in het licht van het herstelplan
In figuur 3 wordt het verloop van de financiële positie van het pensioenfonds weergegeven door een
maandelijkse weergave van de dekkingsgraad over 2013. Daarnaast is ook weergegeven wat het
herstelpad volgens het herstelplan is.
Figuur 3: Verloop dekkingsgraad gedurende 2013 per ultimo maand
Ontwikkeling dekkingsgraad 2013 115%
114%
113%
112%
111%
110%
109%
108%
107%
106%
105%
104%
103%
102%
101%
100%
99%
98%
97%
96%
95%
Officiële dekkingsgraad
Vereiste dekkingsgraad
Herstelplan dekkingsgraad
Marktwaarde dekkingsgraad
dec
jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
Ultimo december 2013 bevindt de officiële dekkingsgraad zich boven de vereiste
dekkingsgraad. De dekkingsgraad is nog wel lager dan de verwachte dekkingsgraad zoals
gedefinieerd in het herstelplan, hoewel het verschil is afgenomen. In figuur 3 is te zien dat de
officiële dekkingsgraad zich in 2013 beweegt richting het niveau van de dekkingsgraad zoals
gedefinieerd in het herstelplan.
Uit de grafiek is daarnaast goed af te lezen dat de officiële dekkingsgraad in 2013 een grillig
verloop heeft gehad. De volatiliteit in het verloop van de officiële dekkingsgraad is een
gevolg van de bepaling van de RTS op basis van de driemaands gemiddelde rentevoet. Hierbij
worden mutaties in de marktrente vertraagd verwerkt in de RTS die door de toezichthouder wordt
voorgeschreven om de voorziening mee te bepalen. Echter de beleggingen die voor de afdekking van
het renterisico worden aangehouden, bewegen mee met de marktrente en reageren direct op
schommelingen in de marktrentetarieven. Uit de grafiek blijkt dan ook dat de markwaarde
dekkingsgraad een rustiger verloop laat zien.
13
In tabel 1 wordt de ontwikkeling van de dekkingsgraad en de achterliggende oorzaken weergegeven
voor de afgelopen 5 jaar van het korte termijn herstelplan.
Tabel 1 – Oorzaak mutaties officiële dekkingsgraad op marktrente
Kortetermijnherstelplan
(ontwikkeling marktwaarde
dekkingsgraad (=MW DG)
MW DG primo
Wijziging marktrente
Benodigde interest
Beleggingsopbrengst matching
Beleggingsopbrengst return
Premie
Waardeoverdrachten
Kosten
Uitkeringen
Kanssystemen
Toeslagverlening
Aanpassing levensverwachting
Saldo u.h.v. andere oorzaken
Kruiseffecten2
Subtotaal
MW DG ultimo
Correcties op de ultimo MW DG
Wijziging RTS 3mnds middeling
Wijziging UFR
Officiële DG ultimo
Effect
2009
Effect
2010
Effect
2011
Effect
2012
Effect
2013
∆%-punt ∆%-punt ∆%-punt ∆%-punt ∆%-punt
105,3
109,1
107,9
99,3
102,0
Cumulatief
Resultaat
∆%-punt
3,4
-2,6
0,4
4,7
1,4
-0,1
0,0
0,2
0,8
0,0
-3,9
-0,2
-0,3
-9,0
-1,4
7,6
1,3
1,5
-0,1
0,1
0,4
-0,2
0,0
-1,6
0,1
0,1
-17,2
-1,3
14,5
-4,0
0,9
0,0
0,1
0,4
0,6
0,0
-2,0
0,0
-0,6
-8,2
-1,4
13,7
-0,1
0,5
-0,1
0,0
0,0
0,1
0,0
-0,9
-0,2
-0,7
6,0
-0,3
-4,4
3,1
0,8
0,0
0,0
0,3
-0,4
0,0
0,0
0,0
-0,2
-25,0
-7,0
31,8
5,0
5,1
-0,3
0,2
1,3
0,9
0,0
-8,4
-0,3
-1,7
3,8
109,1
-1,2
107,9
-8,6
99,3
2,7
102,0
4,9
106,9
1,6
0,0
0,0
0,0
0,0
3,2
0,0
1,8
3,1
-0,7
2,7
109,1
107,9
102,5
106,9
108,9
De ontwikkeling van de marktwaarde dekkingsgraad over de afgelopen 5 jaar laat zien dat
het resultaat van de matching portefeuille de effecten van de wijziging van de voorziening
pensioenverplichtingen door marktrente en benodigde interest heeft opgevangen. Daarnaast
is de marktwaarde dekkingsgraad verbeterd door de premiebijdrage, maar de positieve bijdrage wordt
bijna teniet gedaan door de gestegen levensverwachting. De return portefeuille heeft over de afgelopen
5 jaar (gecumuleerd) 5%-punt dekkingsgraad opgeleverd.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat de doelstelling om de nominale pensioenaanspraken
te verstrekken en korting van aanspraken te voorkomen, is behaald. Maar zoals eerder
opgemerkt is het streven om de pensioenrechten waardevast te houden niet gerealiseerd.
3.2.3
Beleid en beleidskeuzes
De verschillende sturingsmiddelen van het pensioenfonds zijn geïntegreerd in een premie-,
toeslag- en een beleggingsstaffel, die het uitgangspunt vormen voor het beleid van het
bestuur (zie bijlage 4). Het bestuur heeft de mogelijkheid om van de staffel af te wijken, maar dit
moet goed gemotiveerd en na het inwinnen van advies van de adviserend actuaris gebeuren.
2
Kruiseffect wordt verkregen doordat de dekkingsgraadontwikkeling is uitgedrukt ten opzichte van de primo dekkingsgraad.
14
Premiebeleid
Conform de premie- en toeslagstaffel bedraagt het premiepercentage bij het huidige niveau
van de dekkingsgraad 34,5% van de salarissom. In tabel 2 zijn zowel de kostendekkende premie,
gedempte kostendekkende, als ook de feitelijk betaalde premie weergegeven. Hieruit is op te maken
dat de feitelijke premie de kostendekkende premie overstijgt, waarmee wordt voldaan aan de wettelijke
eis dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte kostendekkende premie.
Tabel 2: Premies 2013 (in EUR x1000)
Kostendekkende premie
Feitelijke premie
Gedempte kostendekkende premie
36.320
44.377
24.074
Toeslagbeleid
De toeslagverlening van de pensioenaanspraken van actieve deelnemers volgt de loonindex
en is onvoorwaardelijk. Deze bedroeg over 2013 0,58%. Reglementair is de hoogte van de
toeslag voor werknemers in dienst bij DNB gekoppeld aan de algemene loonontwikkeling binnen de
DNB-cao. Deze toeslagverlening is geëffectueerd per 31 december 2013.
Aan inactieve deelnemers (pensioengerechtigden en gewezen deelnemers) kon in 2013
wederom geen indexatie worden verleend, vanwege de financiële situatie van het
pensioenfonds. Op de peildatum ultimo september was de marktwaarde dekkingsgraad met
105,4% te laag. Om een (gedeeltelijke) toeslag te kunnen verlenen is een dekkingsgraad van 107,0%
nodig. De hoogte van de toeslagverlening is voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden
reglementair gekoppeld aan de consumentenprijsindex voor alle huishoudens in het betreffende jaar
(meetperiode maand oktober voorgaande jaar tot en met september in het betreffende jaar). Voor de
gewezen deelnemers en pensioengerechtigden uit het PVK fonds, waarvoor de deelneming is geëindigd
vóór 1 januari 2005, geldt reglementair nog de toeslagverlening op basis van de algemene
loonontwikkeling bij de werkgever, te weten 0,58% in 2013. Hiervoor betaalt de werkgever de kosten
als het pensioenfonds over onvoldoende middelen hiervoor beschikt, zoals in 2013 het geval was.
De afgelopen jaren hebben inactieven niet of nauwelijks indexatie ontvangen. Voor gewezen
deelnemers en gepensioneerden wordt in tabel 3 een specificatie gegeven van het verschil tussen de
volledige en de werkelijke toegekende toeslagen. In de uiterst rechtse kolom wordt weergegeven wat
het totaal aan niet verleende toeslagen is. Dit betreft een samengesteld percentage van de niet
verleende toeslagen van de individuele voorafgaande jaren. Het totale verlies aan koopkracht is de
afgelopen vijf jaar opgelopen tot 9 - 10%. Het bestuur voorziet in de nabije toekomst geen ruimte om
deze achterstand in te lopen.
15
Tabel 3: Verschil volledige toeslagen en werkelijke toeslagen inactieven
Jaar
Verleende
toeslag
Maximaal
volgens
maatstaf
Niet
verleend
Totaal niet
verleend
(cumulatief)
Toeslagen o.b.v. loonindex
2009
2010
2011
2012
2013
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
1,00%
0,00%
1,75%
1,21%
0,58%
1,00%
0,00%
1,75%
1,21%
0,58%
1,00%
1,00%
2,75%
3,96%
4,61%
Toeslagen o.b.v. prijsindex
2009
2010
2011
2012
2013
0,00%
0,53%
0,00%
0,00%
0,00%
0,40%
1,60%
2,70%
2,32%
2,45%
0,40%
1,07%
2,70%
2,32%
2,45%
0,40%
1,47%
4,21%
6,63%
9,24%
Beleggingsbeleid
Het beleggingsbeleid van het pensioenfonds is er op gericht om de nominale
pensioenaanspraken te verstrekken, alsmede op het waardevast houden van de
pensioenaanspraken. Bij deze doelstelling zijn de middelen van het pensioenfonds en de hoogte van
de dekkingsgraad van belang. Om de doelstelling te realiseren heeft het pensioenfonds gekozen voor
een beleggingsstrategie die voornamelijk gebaseerd is op de verplichtingen van het pensioenfonds.
Deze strategie kan als prudent worden aangemerkt en de hoogte van het risicobudget wordt hier dan
ook op afgestemd.
In afwijking van de staffel (zie bijlage 4) is voor 2013 het risicobudget vastgesteld op 3,8%.
Op basis van de staffel zou een risicobudget van 2,7% (trede 2) gelden. Met een dergelijk laag budget
zou er vrijwel geen sprake zijn van de mogelijkheid tot herstel van de dekkingsgraad. Bij een lage
dekkingsgraad wordt het risico teruggebracht. Bij een hogere dekkingsgraad wordt er meer risico
genomen. Het besluit van het bestuur om een hoger risicobudget te gebruiken (op basis van trede 3) is
genomen, na advisering van de adviserend actuaris en in overleg met de werkgever. Ook voor 2014
wordt er uitgegaan van een risicobudget behorende bij trede 3 van de staffel. Wel is het maximaal
toegestane risicobudget herrekend op basis van de huidige parameters van de S-toets en bedraagt
4,18%.
Voor een verdere toelichting op het beleggingsbeleid en de keuzes daarin wordt verwezen naar
hoofdstuk 3.5.
16
3.3
Pensioenbestuur: organisatie en governance
3.3.1
Governancestructuur
Figuur 4: Governancestructuur 2013
Het bestuur bestaat uit acht bestuursleden en een onafhankelijke voorzitter. Het bestuur
wordt ondersteund door twee vaste commissies, te weten de beleggingscommissie en de
auditcommissie. De commissies bestaan uit bestuursleden, waarbij de beleggingscommissie
aangevuld is met drie onafhankelijke DNB adviseurs. De commissies staan het bestuur bij in de
voorbereiding van en advisering over besluiten en de monitoring van de uitvoering van besluiten.
Daarnaast kan het bestuur werkgroepen instellen als er onderwerpen uitgewerkt moeten worden die
expertise vanuit de verschillende commissies behoeven. In 2013 zijn de werkgroepen Jaarverslag,
Samenwerking AFM en Nieuw Pensioencontract actief geweest. De werkgroepen rapporteren aan het
bestuur. Twee bestuursleden participeren in de klankbordgroep die de werkgever heeft ingesteld om
input te geven voor en mee te denken over de nieuwe pensioenregeling.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de contacten met de uitvoeringsorganisaties,
werkgever en andere pensioenfondsorganen. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter,
secretaris en plaatsvervangend voorzitter. Indien nodig kan het dagelijks bestuur optreden bij zeer
acute bestuursaangelegenheden. Ook draagt het dagelijks bestuur zorg voor het agendabeheer en
monitoring van het functioneren van het bestuur en de bestuursleden.
De raad van toezicht toetst en beoordeelt het functioneren van het bestuur en de algemene
gang van zaken in het pensioenfonds. De raad bestaat uit drie onafhankelijke deskundigen, die op
17
voordracht van de raad door het verantwoordingsorgaan worden benoemd. Het bestuur acht dit de
meest zuivere benoemingsprocedure, aangezien het bestuur dan niet zijn eigen toezichthouder
benoemt.
Via het verantwoordingsorgaan legt het bestuur verantwoording af aan de (gewezen)
deelnemers, pensioengerechtigden en werkgever. Het verantwoordingsorgaan dient vast te
stellen in hoeverre het bestuur bij de genomen besluiten op evenwichtige wijze rekening heeft
gehouden met de belangen van alle belanghebbenden bij het pensioenfonds. Het
verantwoordingsorgaan heeft adviesrechten op het gebied van de vergoedingsregeling voor
bestuursleden, wijziging van beleid ten aanzien van het verantwoordingsorgaan of het interne toezicht,
de interne klachten- en geschillenprocedure en het communicatie- en voorlichtingsbeleid van het
pensioenfonds.
Een externe compliance officer ziet toe op de naleving van de gedragscode en relevante weten regelgeving. De compliance officer doet minimaal éénmaal per jaar verslag van zijn bevindingen
aan het bestuur.
In het kader van de “Wet versterking bestuur pensioenfondsen” heeft het fonds gekozen
voor handhaving van een paritair bestuursmodel met een raad van toezicht per 1 juli 2014.
De thans nog onafhankelijke voorzitter zal dan als onafhankelijk bestuurslid toegevoegd worden aan het
bestuur, waarbij hij stemrecht krijgt. Het bestuur bestaat vanaf 1 juli 2014 uit negen leden.
Het verantwoordingsorgaan blijft gehandhaafd, maar het aantal leden namens de werkgever zal
teruggebracht worden van drie naar twee, waardoor het totaal aantal leden acht wordt. De
adviesrechten van het verantwoordingsorgaan worden uitgebreid en de raad van toezicht krijgt
goedkeuringsrechten.
Het bestuur heeft de stakeholders van het fonds (raad van toezicht, verantwoordingsorgaan, sociale
partners) geraadpleegd alvorens een keuze voor het paritaire bestuursmodel te hebben gemaakt. Alle
stakeholders begrijpen de keuze van het bestuur. De fondsdocumenten worden in 2014 aangepast aan
de nieuwe situatie.
Omdat communicatie een steeds belangrijker plek inneemt in de activiteiten van het
pensioenfonds, heeft het bestuur besloten formeel een communicatiecommissie in te stellen,
die de taken en werkzaamheden overneemt van de voorheen bestaande leescommissie. De
communicatiecommissie legt verantwoording af aan het bestuur.
Per 1 januari 2014 geldt de “Code Pensioenfondsen” van de Pensioenfederatie en de
Stichting van de Arbeid, waarin aanbevelingen voor de pensioensector staan. Het
pensioenfonds voldoet grotendeels aan deze code en zal op enkele punten waar dit nog niet zo is, actie
ondernemen.
3.3.2
Informatie vanuit extern toezicht
De toezichthouders hebben geen sancties opgelegd aan het pensioenfonds. Het afgelopen jaar
zijn aan het pensioenfonds door de toezichthouders geen dwangsommen of boetes opgelegd. Evenmin
zijn door de toezichthouders aanwijzingen aan het pensioenfonds gegeven, noch is een bewindvoerder
aangesteld of is de bevoegdheidsuitoefening van organen van het pensioenfonds gebonden aan
toestemming van de toezichthouders.
De toezichthouder DNB heeft in 2012 pensioenfondsen verzocht onderzoek te doen naar de
betrouwbaarheid van (individuele) gegevens van pensioenaanspraken (Quinto P-onderzoek).
De toezichthouder heeft de besturen van de pensioenfondsen geadviseerd een onderzoek te doen naar
de beschikbaarheid van de (historische) brongegevens en de juistheid van de op basis van de
brongegevens berekende rechten in de administratie. Uit een eerste onderzoek door TKP, de
administrateur van het pensioenfonds, blijken geen ernstige onjuistheden. Bij de overgang van de
18
administratie van het pensioenbureau naar TKP (2007) zijn verklaringen van de Interne
Accountantsdienst van werkgever en van de externe, begeleidende actuaris ontvangen dat de gegevens
juist waren. TKP doet nog een steekproef op haar systemen, op basis van welke uitkomsten het bestuur
zal beslissen of er nader onderzoek naar de periode vóór 2007 moet worden gedaan.
De uitvoerders hebben tijdig voldaan aan de SEPA-richtlijnen (Single Euro Payments Area).
Naar aanleiding van het themaonderzoek van toezichthouder DNB over de uitbesteding van
het vermogensbeheer, heeft het bestuur onderzoek gedaan naar de (vastlegging van) deze
uitbesteding. Hieruit kwamen geen grote issues naar voren; wel zullen enkele aanbevelingen
meegenomen worden bij de eerstvolgende herziening van de uitbestedingsovereenkomst.
Het fonds heeft voorts meegewerkt aan de onderzoeken van toezichthouder DNB naar de
beheersing van het renterisico, de uitbesteding van de pensioenadministratie, de transitie
naar het nieuwe pensioencontract, en op verzoek van de toezichthouder gecontroleerd of de
fondsdocumenten voldoen aan artikel 5 van de Pensioenwet. In artikel 5 is geregeld dat een
pensioenuitvoerder verantwoordelijk is voor de uitvoering van de pensioenovereenkomst richting een
werknemer en andere aanspraak- of pensioengerechtigden, ook als de werkgever het pensioenfonds
onjuist heeft geïnformeerd. De fondsdocumenten voldoen aan deze bepaling. Ook uit de andere
onderzoeken kwamen geen fondsspecifieke issues naar voren.
3.3.3
Geschiktheid
In het beleidsdocument “Geschikt pensioenfondsbestuur” is de geschiktheid van de
bestuursleden en het beleid voor handhaving van deze geschiktheid uitgewerkt. Dit document
is in 2014 aangepast aan de nieuwe governance en de nieuwe aanbevelingen van de Pensioenfederatie
over bestuurlijke geschiktheid (Handreiking Geschikt Pensioenfondsbestuur).
Het bestuur heeft zijn functioneren en de bestaande governance geëvalueerd, met behulp
van een externe deskundige. Daarbij is input gevraagd en ontvangen van de raad van toezicht, het
verantwoordingsorgaan en de werkgever. Deze input is mede gebruikt voor de gedachtenvorming over
het toekomstige bestuursmodel.
De belangrijkste conclusies uit de evaluatie zijn dat het bestuur goed functioneert, maar dat
er wel bedreigingen zijn die dit kunnen ondermijnen. De belangrijkste bedreigingen zijn het
tijdsbeslag, beschikbaarheid van deskundige bestuursleden en de hoogte van de uitvoeringskosten ten
opzichte van de schaalgrootte. De bestuursondersteuning zal versterkt worden, door een intensievere
inzet van de interne adviseurs, waarbij de nadruk zal liggen op de coördinatie van de verschillende
uitvoerders. Vooralsnog staat het voortbestaan van het fonds niet ter discussie, maar als de kosten te
hoog worden kan dit consequenties hebben voor de zelfstandigheid van het fonds.
Het bestuur zal voorzienbare vacatures tijdig aankaarten bij de voordragende partijen, zodat
kandidaten tijd krijgen zich in te werken in het bestuurswerk alvorens zij benoemd worden. Ook zal in
overleg met de voordragende partijen getracht worden een ‘pool’ te vormen van geschikte kandidaten.
Het bestuur heeft naast zijn reguliere vergaderingen themadagen en workshops
georganiseerd, waarin dieper op speciale onderwerpen is ingegaan. Zo is dieper ingegaan op de
(fiscale) wijzigingen van de pensioenregeling per 1 januari 2014 en bereidt het bestuur het nieuwe
pensioencontract per 1 januari 2015 voor. Ook zijn de effecten van de UFR (nogmaals) onderzocht en is
gekeken naar het inflatiebeleid in relatie tot het risicobudget. De “Wet versterking bestuur
pensioenfondsen” is besproken, waarbij het functioneren van de huidige governance is meegewogen bij
de uiteindelijke keuze voor handhaving van het paritaire model.
19
3.3.4
Klachten en geschillen
In 2013 heeft het pensioenfonds één klacht ontvangen die binnen de gehanteerde termijnen
is afgehandeld. De klacht betrof een per abuis gecorrigeerde opgave van rechten in verband met
waardeoverdracht. De eerste opgave van omzetting van partnerpensioenrechten naar
ouderdomspensioenrechten was juist en de tweede opgave niet. Het overnemende pensioenfonds is
hiervan op de hoogte gebracht.
3.3.5
Compliance
Met betrekking tot de naleving van de gedragscode in 2013 zijn geen afwijkingen
geconstateerd. De compliance chart van het pensioenfonds wordt minimaal één maal per jaar
geactualiseerd. De bevindingen uit de compliance scans bij TKP en BlackRock zijn opgenomen in de
compliance chart. In 2014 zal het fonds een compliance scan bij de Bank of New York Mellon laten
uitvoeren.
3.3.6
Statuten en reglementen
De statuten, het huishoudelijk reglement en de reglementen van het verantwoordingsorgaan en de raad van toezicht worden in 2014 gewijzigd naar aanleiding van de “Wet
versterking bestuur pensioenfondsen” en de “Code Pensioenfondsen” van de
Pensioenfederatie en Stichting van de Arbeid. Hoewel het paritaire bestuursmodel gehandhaafd
blijft, wijzigen onder andere de adviesrechten van het verantwoordingsorgaan. De raad van toezicht
krijgt goedkeuringsrechten voor bepaalde bestuursbesluiten.
20
3.4
Pensioenbeheer
3.4.1
Pensioenreglement
De sterftegrondslagen zijn per ultimo 2012 gebaseerd op de prognosetafel 2012-2062 van
het Actuarieel Genootschap, waarbij de ervaringssterfte gebaseerd blijft op de
sociaaleconomische status ‘hoog’. De gewijzigde reglementsfactoren zijn opgenomen in de
versie 2013 van de reglementen. Pensioenreglement P2006 is eind 2013 aangepast aan het
gewijzigde fiscale kader, dat geldt vanaf 1 januari 2014. De opbouw van nieuwe
pensioenaanspraken vanaf 2014 wordt gebaseerd op een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar in plaats van
65 jaar. Bestaande aanspraken tot 2013 blijven gebaseerd op een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar. De
tweede belangrijke verandering betreft de beperking van het maximaal toegestane opbouwpercentage
tot 2,05%. Daarbij is de franchise aangepast aan de maximale wettelijke kaders. Tevens is het
arbeidsongeschiktheidsconvenant (inzake in- en uitloop risico) verwerkt in de pensioenreglementen.
3.4.2
Pensioencommunicatie
Communicatie was in 2013 voor een groot deel gericht op het managen van verwachtingen.
Pensioenen bleven in het nieuws en dat nieuws was niet in alle gevallen gunstig. Het bestuur wil garant
staan voor goed beleid en daarover helder communiceren via diverse middelen.
Het pensioenfonds benadert pensioencommunicatie vanuit een strategische invalshoek,
waarbij de communicatiemiddelen afgestemd worden op de verschillende doelgroepen en
leeftijdscategorieën. Er zijn door het fonds doelstellingen voor de langere termijn vastgesteld en
daarvan wordt een jaarlijks actieplan afgeleid. Uitgangspunten hierbij volgen uit de Pensioenwet en de
eisen die de toezichthouder stelt. De belangrijkste communicatiedoelstellingen zijn klantgericht
communiceren, pensioenbewustzijn bij de deelnemers vergroten en verantwoording afleggen over
beleid en uitvoering. Hierbij worden zowel de actieve deelnemers als de in-actieve deelnemers
(gewezen deelnemers en pensioengerechtigden) betrokken.
Periodiek wordt de effectiviteit van de communicatie gemeten door het uitvoeren van nul- en
éénmetingen dan wel enquêtes. In 2014 wordt samen met werkgever een enquête onder de
deelnemers gehouden over de nieuwe pensioenregeling en de risicobereidheid. Het pensioenfonds richt
zich hierbij op de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.
Pensioenkranten
In 2013 zijn twee pensioenkranten verschenen met informatie
over de pensioenregeling en de financiële situatie van het
pensioenfonds. In de editie van mei werd ingegaan op de discussie
rond het gebruik van de UFR bij het berekenen van de dekkingsgraad.
Ook was er een artikel over de ontwikkelingen rond het
pensioenakkoord (dat toen nog leek te gaan over een keuze tussen
een nominaal en een reëel contract).
De editie die in december 2013 verscheen stond onder andere in het
teken van het einde van de korte termijn herstelperiode. Ook werd
uitgebreid ingegaan op de wijzigingen in de pensioenregeling van
2014 en was er een vooruitblik naar de wijzigingen die in 2015 zullen
plaatsvinden.
Website
De website neemt een steeds
belangrijkere plaats in bij de communicatie. Op de website
heeft de stand van de dekkingsgraad een prominente plaats op de
homepage. Op de website en in de diverse andere middelen wordt
21
achtergrondinformatie bij de dekkingsgraad en de actuele financiële situatie van het fonds gegeven.
In mailingen wordt standaard verwezen naar de website. Verder kunnen er brochures, jaarverslagen en
pensioenkranten gedownload worden. Bovendien kunnen deelnemers zich op de website aanmelden
voor de digitale nieuwsbrief.
Via de website kan men gebruik maken van de pensioenplanner. Hiermee kan men verschillende
varianten voor zijn of haar pensioen doorrekenen, waarbij onder andere de ingangsdatum een variabele
is.
Digitale nieuwsbrief
In het najaar van 2013 is een eerste editie van de digitale nieuwsbrief verschenen. Voor dit
nieuwe communicatiemiddel hebben zich inmiddels ruim 350 deelnemers ingeschreven. Met een digitale
nieuwsbrief kan snel worden ingespeeld op de actualiteit. Hij wordt na publicatie op de website
geplaatst, zodat de gehele fondspopulatie kennis kan nemen van de inhoud.
Overige (reguliere) communicatie
Naast bovenstaande communicatiemiddelen, verstuurt het pensioenfonds ieder jaar de volgende
documenten:
 Uniform Pensioenoverzicht
Het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) is in 2013 verstuurd naar alle actieve deelnemers. Hierin staat
o.a. de volgende informatie:
opgebouwde en te bereiken rechten naar de stand van 31 december;
A-factor.
Het UPO is voor de deelnemers ook digitaal beschikbaar op het persoonlijke deel van de website. De
verzending van het UPO is ondersteund op de website met extra informatie.
 Overzicht partnerpensioen / bijzonder partnerpensioen
De pensioengerechtigden hebben in 2013 het jaarlijkse overzicht van het partnerpensioen
ontvangen.
 Startbrief en andere procesbrieven en brochures.
Pensioencommunicatie in 2014 en daarna
In 2014 ligt de focus vooral op het verder duidelijk uitleggen van de veranderingen die per 1
januari 2014 in werking zijn getreden. Ook zal – in samenwerking met werkgever – over de
nieuwe pensioenregeling, die naar verwachting per 1 januari 2015 in werking zal treden,
gecommuniceerd worden. Het pensioenfonds heeft daarbij een speciale verantwoordelijkheid waar
het gaat om de communicatie met gewezen deelnemers en pensioengerechtigden omdat deze groepen
door de werkgever niet bereikt worden.
Het pensioenfonds zal zich blijvend inspannen om in de communicatiebehoefte van alle
doelgroepen te voorzien. De manier waarop dat gebeurt, kan wel veranderen, bijvoorbeeld door
veranderende wet- en regelgeving op het gebied van pensioencommunicatie. Een beweging naar meer
digitale communicatie ligt daarbij voor de hand. Ook omdat het een manier is om de groep jongeren
met nieuwe middelen bij het onderwerp te betrekken.
22
3.4.3
Integraal risicomanagement
Integraal risicomanagement (IRM) is het proces waarmee door het fonds richting wordt
gegeven aan de risicobeheersing en geldt als basis voor het besluitvormingsproces van het
bestuur. Voor het geheel van de risico’s waar een pensioenfonds mee te maken krijgt (financieel en
niet-financieel), wordt continu een cyclus doorlopen bestaande uit het opstellen van de risicostrategie,
het identificeren van de risico’s, de risicobeheersing en de monitoring en terugkoppeling met betrekking
tot de beheersing van deze risico’s.
Het risicomanagementproces wordt daarbij continu doorlopen via de onderstaande 7 stappen, conform
de “Handreiking Integraal Risicomanagement” zoals uitgebracht door de Pensioenfederatie.
Het risicoprofiel van het pensioenfonds is op een gestructureerde wijze in kaart gebracht en
vastgesteld. Bij het IRM maakt het fonds gebruik van de FIRM methodiek, die tot voor kort door de
toezichthouder DNB gebruikt werd als methode voor risicoanalyse.
Hierbij zijn alle risico’s geïdentificeerd. Tevens zijn de mogelijke beheersmaatregelen in kaart gebracht.
Binnen FIRM worden de volgende risicocategorieën en beheersingscategorieën onderscheiden:
Risicocategorieën
Financiële risico’s
Niet-financiële risico’s
Matching-/renterisico
Omgevingsrisico
Marktrisico
Operationeel risico
Kredietrisico
Uitbestedingsrisico
Verzekeringstechnisch risico
IT-risico
Integriteitsrisico
Juridisch risico
23
Beheersingscategorieën
Risicospecifieke beheersing
Organisatie
Management
Solvabiliteitsbeheer
Liquiditeitsbeheer
Bij de uitgevoerde risico-analyse heeft het bestuur de missie en visie van het fonds
herbevestigd en de relevante risico’s geïdentificeerd. Vooral de financiële risico’s (te weten het
matching-/renterisico, marktrisico en het verzekeringstechnisch risico) worden gekenmerkt door relatief
hoge netto-risico’s. Daarnaast wenst het bestuur, vanwege de vergaande uitbesteding van activiteiten,
ook focus te leggen op het uitbestedings- en omgevingsrisico. De risico-identificatie en
beheersmaatregelen zijn vastgelegd in het Handboek Integraal Risicomanagement.
Het bestuur heeft de voornaamste FIRM risico’s gekoppeld aan de fondsdoelstellingen. De
beheersing van deze risico’s zijn over de bestuurscommissies verdeeld. Op deze manier zijn alle
geselecteerde beheersmaatregelen belegd bij de verschillende commissies.
In 2013 heeft het bestuur een IRM dashboard kwartaalrapportage opgezet, waarin door de
commissies gerapporteerd wordt over de belangrijkste ontwikkelingen van de geselecteerde risicoitems.
Het Integraal Risicomanagement wordt jaarlijks geëvalueerd.
3.4.4
Uitvoeringskosten
De uitvoeringskosten van de pensioenregeling zijn in 2013 gedaald ten opzichte van het
voorgaande jaar. In tabel 4 worden de kosten gepresenteerd conform de aanbevelingen van de
Pensioenfederatie, waarbij het aantal deelnemers de som is van het aantal actieve deelnemers en
gepensioneerden. Gewezen deelnemers worden volgens de definitie van de Pensioenfederatie buiten de
berekening gehouden. De uitvoeringskosten worden opgedeeld in:
1. Kosten van pensioenbeheer: dit betreft de integrale kosten voor pensioenbeheer. Hierbij is het
aandeel van de algemene kosten wat volgens de aanwijzingen van de Pensioenfederatie
toegewezen kan worden aan vermogensbeheer, uitgezonderd.
2. Kosten van vermogensbeheer: dit betreft de integrale kosten voor vermogensbeheer, inclusief
kosten begrepen in onderliggende beleggingsstructuren (bijvoorbeeld bij beleggingsfondsen waarin
wordt geparticipeerd). In tegenstelling tot in 2012 is in 2013 het aandeel van de algemene kosten
wat volgens de meest recente aanwijzingen van de Pensioenfederatie toegewezen kan worden aan
vermogensbeheer, hieronder ook opgenomen.
3. Transactiekosten: dit betreft de transactiekosten van de directe beleggingen van het pensioenfonds
(inclusief acquisitiekosten bij illiquide beleggingen), alsmede de toe- en uittredingsvergoedingen bij
beleggingen in beleggingsfondsen.
Tabel 4: Uitvoeringskosten pensioenregeling
Pensioenuitvoeringskosten in euro’s per deelnemer
Vermogensbeheer als percentage van het gemiddeld belegd
vermogen
Transactiekosten als percentage van het gemiddeld belegd
vermogen
2013
2012
284
383
0,27%
0,31%
0,22%
0,19%
De pensioenuitvoeringskosten zijn met name gedaald als gevolg van de herverdeling van de
pensioenuitvoeringskosten voor het aandeel wat betrekking heeft op vermogensbeheer. Dit is
gebeurd conform het advies van de Pensioenfederatie. Uit een vergelijking van de kosten over 2012
met pensioenfondsen van vergelijkbare grootte blijkt dat de uitvoeringskosten per deelnemer ongeveer
op het gemiddelde zitten. Het bestuur monitort de kosten op kwartaalbasis en stuurt bij waar mogelijk.
24
De lichte daling van de kosten vermogensbeheer wordt verklaard door een gewijzigde
methodiek van kostenbepaling met ingang van 2012. Om een volledige weergave van de kosten
te presenteren zijn in 2012 eenmalige extra lasten genomen voor nog niet gefactureerde kosten die
betrekking hadden op 2012. Hierdoor zijn eenmalig meer kosten gepresenteerd in het betreffende
boekjaar.
De bepaling van de transactiekosten vindt plaats door een schatting. Ten opzichte van 2013 zijn
de kosten gestegen als gevolg van een verfijning van de methodiek. De schattingsmethodiek vindt
plaats conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.
3.4.5
Ontwikkelingen in 2013 en daarna
Inperking fiscaal kader
Als gevolg van de “Wet Verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd” is per 1 januari 2014 het
fiscaal maximale opbouwpercentage verlaagd: voor middelloonregelingen van 2,25% per jaar met
een pensioenleeftijd van 65 jaar (en een franchise van € 13.227) naar 2,15% met een pensioenleeftijd
van 67 jaar (en een franchise van € 12.251).
In het regeerakkoord is opgenomen dat er vanaf 1 januari 2015 een nog lager percentage
gaat gelden. Het gewijzigde wetsvoorstel is op 20 januari 2014 ingediend bij de Tweede Kamer en op
10 maart 2014 aangenomen door de Tweede Kamer. De beoogde inwerkingtreding is op 1 januari 2015.
De kernpunten zijn:
 Het maximale opbouwpercentage zal 1,875% (voor middelloonregelingen) worden bij een
pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Het blijft mogelijk een pensioenregeling aan te bieden met een
lagere pensioeningangsleeftijd, waarbij dan wel (nog) lagere opbouwpercentages moeten worden
gehanteerd.
 Fiscaal gefaciliteerd pensioen kan opgebouwd worden tot een salaris van maximaal
€ 100.000. Het wordt wel mogelijk voor het inkomen vanaf € 100.000 uit het nettoloon fiscaal
vriendelijk pensioen te sparen, via een vrijstelling in box III.
Herziening financieel toetsingskader
Het uit 2010 stammende Pensioenakkoord dient nog steeds nader te worden uitgewerkt in
een nieuw Financieel Toetsingskader (FTK). Lange tijd was de verwachting dat dit zou leiden tot
een keuze tussen een ‘nominaal contract’ en ‘reëel contract’. Na consultatie in ‘het pensioenveld’ door
de staatssecretaris heeft zij op 1 oktober 2013 de Tweede Kamer geïnformeerd over de voorgenomen
vervolgstappen ten behoeve van de herziening van het FTK. In plaats van een keuze tussen een
nominaal of een reëel contract zal er een tussenvariant gaan gelden. Bij de herziening van het FTK
hoeft er dan niet te worden ‘ingevaren’ (het onderbrengen van opgebouwde aanspraken in het nieuwe
reële contract) en hoeven er niet meerdere systemen naast elkaar te bestaan. De ‘tussenvariant’ zal
onder meer een spreidingsmethodiek voor financiële schokken kennen. Er zullen daarnaast
verdeelregels worden geïntroduceerd met betrekking tot de indexatie, zodat de buffers eerlijk over jong
en oud worden verdeeld. De sturingselementen die pensioenfondsbesturen ter beschikking staan, zullen
zodanig worden aangepast dat pensioenfondsen minder afhankelijk worden van dagkoersen op de
financiële markten en de premie zal mogen worden vastgesteld door uit te gaan van een 10-jaars
gemiddelde rente. De opgebouwde aanspraken zullen op dezelfde manier worden beschermd als in de
huidige systematiek: het korten van aanspraken blijft het uiterste middel.
Het wetsvoorstel ligt ter advisering bij de Raad van State, waarna het naar verwachting medio 2014 bij
de Tweede Kamer wordt ingediend. De streefdatum voor inwerkingtreding is 1 januari 2015.
25
Verhoging AOW-leeftijd
De AOW- en pensioenrichtleeftijd gaat stapsgewijs omhoog. Dit is opgenomen in de “Wet
Verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd”, die geldt vanaf 1 januari 2013. In het regeerakkoord is
opgenomen dat de AOW-leeftijd nog sneller omhoog gaat. Het wetsvoorstel ter verdere verhoging van
de AOW-leeftijd zal naar verwachting medio 2014 bij de Tweede Kamer worden ingediend.
Wet Versterking bestuur pensioenfondsen
De “Wet versterking bestuur pensioenfondsen” is op 7 augustus 2013 in werking getreden.
De bepalingen met betrekking tot de bestuursmodellen en de inrichting van de fondsorganen
treden per 1 juli 2014 in werking, waardoor pensioenfondsen tot die datum de tijd hebben om de
aanpassing van de interne organisatie en de relevante documenten voor te bereiden.
Deze wet biedt pensioenfondsen een keuze voor een paritair of onafhankelijk bestuursmodel. Daarnaast
kan gekozen worden om het interne toezicht binnen het bestuur uit te laten oefenen of door een apart
fondsorgaan. Naast deze wet is, ter vervanging van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur, een
nieuwe code voor goed pensioenfondsbestuur, de “Code Pensioenfondsen”, vastgesteld, waarin een
aantal zaken met betrekking tot onder meer benoeming en deskundigheid/geschiktheid nader wordt
geregeld.
Wet Pensioencommunicatie
Het doel van de “Wet Pensioencommunicatie” is in de wetgeving onder meer ruimte te
bieden voor maatwerk door pensioenuitvoerders en gelaagdheid in informatie. De
mogelijkheden tot digitale informatieverstrekking worden uitgebreid en de communicatie over
koopkracht en risico’s wordt geüniformeerd. Ook zal het pensioenregister stapsgewijs worden uitgebreid
met functionaliteiten, zodat het te verwachten pensioeninkomen in een oogopslag inzichtelijk wordt. Er
is in november 2013 een voorontwerp van het wetsvoorstel “Pensioencommunicatie” ter consultatie
aangeboden. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2015.
In- en uitlooprisico bij arbeidsongeschiktheid
Het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie hebben een convenant opgesteld
voor een uniforme dekking van de risico’s van arbeidsongeschiktheid (premievrije
deelneming en arbeidsongeschiktheidspensioen). Doel van het convenant is te voorkomen dat
werknemers niet van werkgever wisselen omdat zij daardoor hun dekking bij arbeidsongeschiktheid
verliezen. Dat effect kan zich voordoen als pensioenuitvoerders verschillend omgaan met dekking
uitloop- dan wel inlooprisico. Het convenant is op 1 januari 2014 in werking getreden.
API en APF
Naar aanleiding van reacties op een voorontwerp van de wet ter invoering van de Algemene
Pensioen Instelling (API), heeft staatssecretaris Klijnsma op 4 november 2013 aan de
Tweede Kamer laten weten dat het nu niet opportuun is om invulling te geven aan een API
die primair is gericht op grensoverschrijdende dienstverlening. Als alternatief wordt een
Algemeen PensioenFonds (APF) voorgesteld. Een liquiderend pensioenfonds brengt dan de
pensioenregeling onder bij een APF dat wordt bestuurd door onafhankelijke bestuurders. De
betrokkenheid van de belanghebbenden verloopt via het belanghebbendenorgaan. De vermogens die
horen bij de afzonderlijke pensioenregelingen worden gescheiden geadministreerd (ringfencing). Er is
een voorontwerp van de wet ter invoering van het APF ter consultatie aangeboden. De beoogde datum
van inwerkingtreding is 1 januari 2015.
Heroverweging waardeoverdracht
De Stichting van de Arbeid heeft samen met de Pensioenfederatie en het Verbond van
Verzekeraars in december 2012 een advies op hoofdlijnen opgesteld. In een nader advies
van de Stichting van de Arbeid van juni 2013 wordt betoogd dat – bij behoud van het recht
op waardeoverdracht – de waardeoverdracht zou moeten plaatsvinden op grond van de
26
gefinancierde waarde van de pensioenaanspraken en de huidige rekenregels zouden moeten
vervallen.
Staatssecretaris Klijnsma heeft in januari 2014 in een brief aan de Tweede kamer laten weten waarde
te hechten aan de individuele keuzevrijheid om bij baanwisseling de waarde van de opgebouwde
pensioenaanspraken wel of niet te kunnen overdragen. Er zal een onderzoek plaatsvinden naar de
mogelijkheden om waardeoverdracht op basis van de gefinancierde waarde te laten plaatsvinden,
alsmede of de uitvoering van waardeoverdracht kan worden vereenvoudigd. Daarnaast wordt bezien of
het wenselijk en mogelijk is kleine pensioenen automatisch en verplicht over te dragen. De verwachting
is dat de uitkomsten van dit het onderzoek in de eerste helft van 2014 aan de Tweede Kamer zullen
worden gezonden.
Europese Pensioenfondsrichtlijn
In mei 2013 werd bekend dat de invoering van de Europese buffereisen voor de
pensioensector wordt uitgesteld. Eurocommissaris Michel Barnier heeft aangegeven dat er in
verband met de complexiteit van de materie meer tijd nodig is om ‘met intelligente regels te komen die
recht doen aan de verschillende stelsels’. De Europese Commissie wil namelijk de Europese
Pensioenfondsenrichtlijn herzien, in die zin dat pensioenfondsen dezelfde buffers zouden moeten
aanhouden als verzekeraars. Dat zou onder meer betekenen dat een zekerheidsmaatstaf zou moeten
worden gehanteerd van 99,5% in plaats van de huidige 97,5%. Als deze zogenoemde Solvency II
Richtlijn zou gaan gelden voor pensioenfondsen, zou dat leiden tot een toename van de
pensioenverplichtingen van circa 11%. Die toename zou gefinancierd moeten worden uit een extra
stijging van de pensioenpremie of het over langere periode niet toekennen van indexaties.
27
3.5
Vermogensbeheer
3.5.1
Relevante marktontwikkelingen voor de beleggingen
Er was in 2013 sprake van een wereldwijde economische groei van circa 3%. De mondiale
groei wordt daarbij steeds meer gedreven door ontwikkelde in plaats van opkomende landen.
De eurozone klom uit de recessie en met name de perifere landen vertoonden herstel. Hoewel de crisis
in Cyprus in het begin van het jaar tot een toename van spanning leidde, bleek dit slechts van korte
duur. Het herstel in deze landen was mogelijk dankzij structurele hervormingen maar is echter
grotendeels toe te schrijven aan de verwachting dat overheden en centrale bank zullen ingrijpen indien
nodig. Dit betekent dat de ECB tijdelijk het risico voor een meer fundamentele verslechtering afgezwakt
heeft, maar dat aan een meer duurzame oplossing voor de crisis nog verder moet worden gewerkt.
Figuur 5: Europese lange renteontwikkeling en aandelenontwikkeling gedurende 2013
Vanaf historisch lage waarden zijn de rentes op obligaties voor ontwikkelde landen gestegen
in reactie op de aankondiging van de afbouw van de liquiditeitsverruiming in de Verenigde
Staten. In de eurozone steeg de rente op Duitse 10-jarige staatsobligaties van 1,3% naar 1,9%,
hetgeen vanuit historisch perspectief overigens nog steeds laag is. In perifere landen zoals Ierland en
Spanje zijn obligatierentes vanaf hun hoge niveaus juist gedaald dankzij de verbeterde economische
omstandigheden en aanhoudende steun vanuit de ECB. De wereldwijde inflatie was min of meer stabiel,
terwijl de inflatie in de eurozone uitkwam onder de 2% doelstelling van de ECB. Gegeven de lage
inflatie kon de ECB tegen het einde van het jaar haar rente tot een nieuw historisch niveau verlagen.
De lage renteniveaus zorgden voor een verschuiving van beleggingen naar hoger renderende
(risicovollere) vastrentende beleggingen en in zekere mate ook aandelen. De Japanse aandelen
behoorden tot de best renderende aandelen in 2013, daarbij profiterende van de inzet van de nieuwe
Japanse regering om de economie op gang te krijgen (‘Abenomics’). De Amerikaanse economie
profiteerde met een sterk rendement van 32% in lokale valuta van het soepele monetaire beleid,
stabiele economische groei en verbetering van de bedrijfswinsten. Aandelen in de eurozone stegen
gemiddeld met 25%, met in de tweede helft van het jaar een sterkere groei dan iedere andere regio,
gesteund door de ontwikkeling in de perifere landen. Aandelen uit opkomende markten hadden een
meer wisselvallig jaar, met een stijging van slechts 3% in lokale valuta en een verlies uitgedrukt in
Amerikaanse dollar.
Voor de Europese vastgoedmarkt was 2013 geen goed jaar. Commercieel vastgoed heeft het
moeilijk, zeker op de niet A-locaties. Lagere huuropbrengsten en toenemende leegstand hebben een
negatief effect op de prijzen.
28
3.5.2
Beleggingsresultaten
De dekkingsgraad op basis van marktwaarde steeg naar 106,8%, een substantiële stijging
ten opzichte van de 102,0% aan het eind van 2012. De verplichtingen berekend op basis van de
swaprentes per ultimo 2013 (economische verplichtingen) namen gedurende het jaar af met 4,3%,
voornamelijk omdat de rentes van swaps met een lange looptijd (die in grote mate de waarde van de
verplichtingen bepalen) iets zijn gestegen vanaf de historisch lage niveaus van eind 2012.
De impact op de dekkingsgraad van veranderingen in de swaprentes wordt gemitigeerd door
de grote mate van renteafdekking. Evenals in voorgaande jaren is gedurende 2013 het renterisico
voor 95% afgedekt. De renteafdekking wordt vormgegeven door een combinatie van een swap
portefeuille en de Euro obligatie portefeuilles, waaronder de lang lopende hoogwaardige
staatsobligaties. Deze combinatie van instrumenten beoogt de risico’s die horen bij een renteafdekking
te spreiden. Renteafdekking met staatsobligaties voegt risico’s toe, omdat de rendementen hierop geen
perfecte samenhang kennen met de verplichtingen, terwijl renteafdekking met swaps liquiditeits- en
tegenpartijrisico toevoegt. De mate van renteafdekking van 95% bepaalt ook in belangrijke mate het
absolute rendement van de beleggingsportefeuille De beleggingsportefeuille heeft voor 95% dezelfde
rentegevoeligheid als de pensioenverplichtingen. Iedere verandering in de rentetermijnstructuur heeft
dus directe gevolgen voor het absolute rendement. Bij een stijgende rente, zoals in 2013, is het
beleggingsrendement op de vastrentende waarden portefeuille negatief. De rendementen op de andere
delen van de beleggingsportefeuille (aandelen en vastgoed) waren niet voldoende om een positief
rendement op de totale portefeuille te genereren. Gedurende 2012 leidde het zelfde beleggingsbeleid
met dalende rentes tot een sterk positief rendement op de totale portefeuille door zowel een positief
rendement op vastrentende waarden als aandelen.
Op de beleggingen is gedurende 2013 een rendement behaald van -1,3%. De vastrentende
waarden beleggingen rendeerden -2,5% en de aandelen beleggingen 21,8%. De vastgoedbelegging
kende een verlies -6,1%. In tabel 5 wordt per beleggingscategorie de waarde per ultimo 2013 en het
rendement over 2013 weergegeven en waar van toepassing wordt de bijdrage van actief beheer
vermeld.
29
Tabel 5: Beleggingsresultaten 20133
Waarde per
ultimo 2013
mln. Euro
Rendement
over 2013
%
Bijdrage actief
beheer t.o.v. de
benchmark %
1.236,1
-5,6
-1,3
n.v.t
n.v.t.
Totaal vastrentende waarden
Euro Core obligaties
Euro Langlopende Staatsobligaties
Euro Credit obligaties
Opkomende Landen obligaties
966,7
270,8
528,8
125,3
41,8
-2,5
2,9
-5,5
1,4
-7,6
0,2
0,7
n.v.t
0,2
n.v.t.
Totaal aandelen4
Ontwikkelde Landen
Opkomende Landen
224,0
181,5
42,5
21,8
28,1
-3,7
1,7
1,6
3,1
30,9
20,0
-6,1
n.v.t.
Beleggingscategorie
TOTAAL
Renteafdekking overlay
Vastgoed
Cash
Het bruto rendement op actief beheer bedroeg 0,4%. Het actief beheer van de vastrentende
portefeuilles liet een overall positief beeld zien. De drie aandelenmanagers behaalden een gezamenlijk
actief rendement van 1,7%. De twee managers van de ontwikkelde markten portefeuilles behaalden
een actief rendement van 3,4% en -1,1%. Deze laatste manager is niet in staat gebleken de
verwachtingen waar te maken en het al eerder opgelopen verlies goed te maken. In 2014 zal worden
besloten of er afscheid van deze manager zal worden genomen of dat deze de portefeuille zal blijven
beheren omdat het pensioenfonds er vertrouwen in heeft dat de performance zal verbeteren. Met het
actief beheer van de opkomende markten aandelen portefeuille werd een positief actief resultaat
behaald van 3,1%.
Gedurende 2013 zijn er geen wijzigingen in de allocatie aangebracht. De Eurozone klom uit de
recessie en het Verenigd Koninkrijk toonde een bijzonder sterk herstel. Binnen de Eurozone vertoonden
met name de perifere landen een sterke mate van opwaarts momentum. De langzame maar stabiele
groei omgeving met een min of meer stabiele inflatie gaf geen aanleiding tot tussentijdse bijsturing van
de portefeuille.
De licht stijgende rentes gaven gedurende het jaar geen aanleiding het strategische rente
afdekkingspercentage te wijzigen. Het pensioenfonds zag geen redenen om meer renterisico te
nemen. Het risico van toch weer dalende rentes en daarmee een dalende dekkingsgraad als gevolg van
een grotere rentemismatch tussen de beleggingen en de verplichtingen werd te groot geacht.
De stabiele inflatie en de inflatieverwachtingen liggen onder de 2%-doelstelling van de ECB.
Met het oog op de huidige financiële situatie van het pensioenfonds en lage inflatieverwachtingen voor
de komende jaren heeft het pensioenfonds besloten geen specifieke instrumenten in de portefeuilles op
te nemen om het inflatierisico te mitigeren.
3
4
Rendementen zijn voor aftrek van de beheerfees.
Het aandelenresultaat is inclusief de valuta-afdekking
30
3.5.3
SNP 2014
Bij de bepaling van de SNP 2014 is het pensioenfonds uitgegaan van geen grote structurele
wijzigingen in de portefeuille. Op basis van de verbeterde financiële positie van het fonds is het
risicobudget voor de allocatie per ultimo 2013 vastgesteld op 4,18%, wat door het bestuur passend
geacht wordt in lijn met de staffel en doelstellingen van het pensioenfonds. Met de SNP 2014 wordt een
additioneel rendement ten opzichte van de verplichtingen nagestreefd van 1,2%. In tabel 5 wordt de
allocatie over de verschillende beleggingscategorieën weergegeven. De strategische portefeuille 2014
ligt in lijn met de actuele portefeuille van eind 2013. Het hogere risicobudget ten opzichte van 2013 is
ingevuld door een 2% hogere allocatie naar aandelen en het verlagen van de strategische rente
afdekking van 95% naar 93%.
Tabel 6: Strategische normportefeuille 2014
Beleggingscategorie
Strategische normportefeuille 2014
Gewicht (%)
Beheervorm
Totaal vastrentende waarden
Euro Core obligaties
Euro Langlopende Staatsobligaties
Euro Credit obligaties
Opkomende Landen obligaties
77,5
21,5
42,5
10,0
3,5
Actief
Passief
Actief
Passief
Totaal aandelen
Ontwikkelde Landen
Opkomende Landen
17,5
14,1
3,4
Actief
Actief
Vastgoed
Cash
3,0
2,0
Actief
De strategische allocatie is gebaseerd op een BlackRock lange termijn risicomodel, terwijl de
risico’s volgens een BlackRock korte termijn model substantieel hoger zijn, waarbij
volatiliteit in intra-EMU renteverschillen en aandelen de belangrijkste risico’s zijn. Het lange
termijn risicomodel hanteert aannames voor volatiliteit van rendementen en correlaties tussen
verschillende beleggingscategorieën over een periode van 20 jaar. Op basis van deze methodiek
bedraagt het risico 4,18%. Het lange termijn risicomodel wordt passend geacht omdat het aansluit bij
het lange termijn karakter van de verplichtingen. Daarnaast hanteert het pensioenfonds een korte
termijn risicomodel, om een goed beeld te hebben van de risico’s die het pensioenfonds op korte
termijn loopt. Deze methodiek gaat uit van een 5-jaars historie en wijst op een risico van 6,4%,
voornamelijk als gevolg van de hogere volatiliteit van intra-EMU renteverschillen in de afgelopen jaren.
Een sterke daling van de aandelenmarkten of een forse toename van de renteverschillen tussen EMUlanden vormen de belangrijkste risico’s voor het pensioenfonds. Het liquiditeitsrisico is beperkt. Een
stresstest heeft uitgewezen dat het pensioenfonds over voldoende buffers beschikt om aan
onderpandsverplichtingen vanuit de swapcontracten te voldoen in geval van een zeer sterke
rentestijging.
Ten aanzien van de afdekking van renterisico is besloten een deel van het hogere
risicobudget te gebruiken voor het verlagen van het afdekkingspercentage van 95% naar
93%. Rentes zijn nog steeds op een historisch laag niveau, maar tenderen wel enigszins omhoog.
Langzaam aantrekkende economische groei en gematigde verwachtingen voor de aandelenmarkten
bieden de mogelijkheid om het risicobudget op verschillende manieren te benutten. Het pensioenfonds
kiest ervoor om hier ook te diversifiëren door het aandelen percentage met 2% te verhogen en de
renteafdekking met 2% af te bouwen. Het neerwaartse risico is dan minder groot dan bij een nog
31
hogere allocatie naar aandelen. Alleen het afbouwen van het afdekkingspercentage daarentegen geeft
minder rendementspotentieel.
Het beleid ten aanzien van de afdekking van het valutarisico zal ongewijzigd worden
voortgezet. In lijn met de bestaande praktijk zal ook in 2014 het valutarisico op de
aandelenbeleggingen in Amerikaanse dollar, Britse pond en Japanse yen volledig worden afgedekt.
Het grootste deel van de beleggingsportefeuille blijft actief beheerd, met uitzondering van de
langlopende staatsobligaties. Er wordt gekozen voor actief beheer bij een positief verwacht resultaat
ten opzichte van de benchmark na aftrek van kosten. Dit is het geval voor de aandelenportefeuilles, de
euro core obligatie portefeuille en de euro credit portefeuille. De langlopende staatsobligaties
portefeuille wordt passief beheerd, omdat de kosten van het actief aan- en verkopen van deze
obligaties niet opwegen tegen het extra rendement dat hiermee wordt verkregen. Ook de vastrentende
waarde portefeuille van opkomende landen wordt passief beheerd door middel van een Exchange
Traded Fund (ETF). Voor wat betreft het risico van actief beheer geldt dat actief risico vrijwel
ongecorreleerd is met marktrisico, waardoor de toevoeging van actief beheer een beperkte invloed
heeft op het totale risico van de beleggingsportefeuille.
3.5.4
Verantwoord beleggen
Het pensioenfonds voert een beleid van verantwoord beleggen door het onderschrijven van
de UN Global Compact en UN Principles for Responsible Investment. United Nations Global
Compact heeft betrekking op mensenrechten, arbeidsomstandigheden, het milieu en corruptie. Het
pensioenfonds verwacht dat ondernemingen waarin het pensioenfonds belegt deze principes
respecteren.
Aan verantwoord beleggen wordt invulling gegeven door engagement en uitsluiting.
BlackRock heeft het mandaat voor actief aandeelhouderschap en om te stemmen op
aandeelhoudersvergaderingen. Daarnaast is er een uitsluitingenbeleid van ondernemingen die
betrokken zijn bij de productie van controversiële wapens, die niet acteren conform door de
Nederlandse overheid ondertekende verdragen, die op de zwarte lijst staan van Global Compact, die
structureel onvoldoende openstaan voor engagement of betrokken zijn bij ad hoc gebeurtenissen die
zwakheden ten aanzien van socially responsible investment (SRI) aantonen. Het pensioenfonds streeft
ernaar het uitsluitingenbeleid voor een zo groot mogelijk deel van de beleggingsportefeuille te
implementeren, daarom wordt indien de kosten het toelaten een eigen mandaat voor het beheer van
een deelportefeuille gegeven (separaat mandaat). Het beleid is niet van toepassing op beleggingen in
beleggingsfondsen waar ook andere beleggers in participeren (fondsbeleggingen).
De uitsluitingenlijst is in 2013 geactualiseerd en tevens is de rapportage van BlackRock
richting het pensioenfonds over engagement verbeterd. Vanaf het vierde kwartaal levert
BlackRock elk kwartaal een overzicht van de belangrijkste engagement inspanningen voor de bedrijven
waarin het pensioenfonds heeft geïnvesteerd. Belangrijke thema’s zijn nog steeds de beloningen voor
bankiers en een betere vertegenwoordiging van vrouwen aan de bestuurstafels. Toezichthouders en
wetgevers komen op deze terreinen, maar ook via andere onderwerpen ten aanzien van goed bestuur,
geregeld naar voren met initiatieven. Gedurende 2013 is de uitsluitingenlijst uitgebreid met een aantal
specifiek door de markt benoemde bedrijven die zich bezighouden met de productie, distributie of
andere activiteiten rondom clustermunitie.
De focus van het SRI zal in 2014 liggen op onafhankelijke opstellingen van besturen,
beschermingsconstructies en toepassing van de SRI screening op de vastrentende
portefeuilles. De nadruk bij SRI screening ligt vooralsnog op de aandelenbeleggingen. In de
vastrentende portefeuilles kunnen obligaties zitten van niet-beursgenoteerde bedrijven, waardoor het
screenen van vastrentende portefeuilles lastiger is. Een effectieve screening op de vastrentende
waarden portefeuille is nog niet doorgevoerd. Verwacht wordt dit in 2014 te kunnen implementeren.
32
Doelstellingen en belangrijkste karakteristieken beleggingsportefeuilles
Langlopende staatsobligatieportefeuille
Aangehouden ter afdekking van het renterisico en bestaat uit Europese staatsleningen met een
looptijd langer dan 15 jaar. De grootste holdings zijn in Duitsland (42%) en Frankrijk (27%). België is
ultimo 2013 de issuer met de laagste rating. De portefeuille wordt passief beheerd.
Euro core obligatieportefeuille
Aangehouden voor het afdekken van renterisico en tevens voor extra rendement (boven het
vanuit de verplichtingen benodigde rendement) via het lopen van kredietrisico. De portefeuille
bestaat uit Europese staatsleningen, semi-overheidsobligaties en bedrijfsobligaties, voor respectievelijk
54%, 10% en 18%. 37% van de portefeuille heeft een AAA-rating, terwijl 32% een rating BBB+ of
lager kent. De portefeuille wordt actief beheerd met een tracking error tussen 0,5-1,25%.
Euro credit portefeuille
Bijdragen aan het afdekken van renterisico en extra rendement via het lopen van kredietrisico.
De portefeuille is voornamelijk belegd in covered bonds (48%) en bedrijfsobligaties (43%). Covered
bonds uit Spanje, Italië, Griekenland, Portugal en Ierland zijn uitgesloten, evenals obligaties van
financiële instellingen. Het aandeel AAA-beleggingen bedraagt 46%, terwijl 22% een BBB rating kent.
De portefeuille wordt actief beheerd met een tracking error tussen 0,5-1,25%.
Obligaties opkomende landen
Aangehouden met als doel extra rendement en diversificatie in de vastrentende beleggingen.
Het betreft een volledig gefinancierde ETF. De belangrijkste landen waarin belegd is zijn Brazilië en
Rusland. De ETF heeft de JP Morgan EM debt index als benchmark. De duration van deze portefeuille is
7,5 jaar. Circa 56% van de portefeuille heeft een investment grade S&P-rating.
Aandelen ontwikkelde markten
Aangehouden voor extra rendement en diversificatie. Deze beleggingen zijn voor 2/3
ondergebracht bij Wellington en 1/3 bij BlackRock en worden actief beheerd met een tracking error van
3-6% respectievelijk 4-7%. Wellington hanteert een fundamenteel gedreven strategie, met een breed
gespreide portefeuille met beperkte actieve sectorposities. BlackRock hanteert eveneens een
fundamenteel gedreven strategie, maar heeft een geconcentreerde portefeuille met grote actieve sector
posities. Beide hebben de MSCI World als benchmark. Het valutarisico wordt afgedekt.
Aandelen opkomende markten
Aangehouden voor extra rendement en diversificatie. De portefeuille wordt beheerd door JP
Morgan, op basis van een kwantitatieve aanpak. De benchmark voor deze portefeuille is de MSCI
Emerging Markets Index (in Euro). De basis voor de portefeuille wordt bepaald door aandelenselectie en
in mindere mate door sector of landenkeuzes
Vastgoed
Aangehouden voor diversificatie en extra rendement. Daarnaast is het een andere bron van
rendement dan aandelenrendement en kan het bescherming bieden tegen inflatie. Er is belegd in een
niet-beursgenoteerd indirect vastgoed fonds CBRE. Het fonds is gericht op vastgoed van hoge kwaliteit
en belegt in 22 onderliggende fondsen. Voor circa 70% heeft het fonds belegd in Duitsland, Frankrijk,
de Benelux en de Scandinavische landen. Beleggingen in de winkelsector zijn met 40% het grootst,
terwijl de minste beleggingen plaatsvinden in de industrie sector (15%). Het fonds is gesloten en wordt
in de komende jaren geliquideerd.
33
4.
Verslag verantwoordingsorgaan
Verantwoording en werkwijze
Het verantwoordingsorgaan heeft zich een oordeel gevormd over het in 2013 gevoerde beleid door het
bestuur. Het verantwoordingsorgaan vergadert regelmatig, waarbij tevens overleg wordt gevoerd met
het bestuur, de raad van toezicht, de externe accountant en de certificerend actuaris.
In zijn jaarlijkse opleidingsdag heeft het verantwoordingsorgaan zich laten informeren over de “Wet
versterking bestuur pensioenfondsen” en de plannen van de wetgever voor wijziging van het financieel
toetsingskader.
Het verantwoordingsorgaan heeft kennis genomen van fondsdocumenten, zoals het jaarverslag, de
bevindingen van de externe accountant en actuaris, het bevindingenrapport van de raad van toezicht en
de verslagen van het bestuur en de vermogensbeheerder.
Mutaties in de samenstelling van het verantwoordingsorgaan en de raad van toezicht
De heer Vink is in september 2013 afgetreden en opgevolgd door mevrouw Engel. Helaas is de heer
Vink in maart 2014 overleden; het verantwoordingsorgaan heeft zijn medeleven overgebracht aan de
nabestaanden van de heer Vink.
De zittingstermijn van de heer Berndsen liep af op 1 januari 2014. Omdat hij inmiddels de maximale
twee zittingstermijn volgemaakt had, was hij niet herbenoembaar. Inmiddels is besloten dat de omvang
van het verantwoordingsorgaan per 1 juli 2014 teruggebracht wordt van 9 naar 8 leden. Er zal een zetel
namens de werkgever vervallen. Door het aftreden van de heer Berndsen voldoet het
verantwoordingsorgaan al aan de nieuwe samenstelling.
In april 2014 heeft de heer Bharos zijn lidmaatschap moeten beëindigen wegens het aanvaarden van
een andere functie. Naar een opvolger wordt gezocht.
De heer Van Niekerk, lid/voorzitter van de raad van toezicht, is per 1 augustus 2013 afgetreden. Hij
was niet herbenoembaar vanwege het volmaken van zijn maximale zittingstermijn. Hij is als lid
opgevolgd door mevrouw Gram; mevrouw Schols heeft het voorzitterschap op zich genomen.
Per 1 augustus 2014 treedt de heer Geukers af na het volmaken van zijn maximale zittingstermijn.
De procedure voor zijn opvolging loopt.
Bevindingen en aandachtspunten
Situatie in het verslagjaar
De verwachting was dat in 2013 duidelijkheid zou komen over de contouren van het wettelijk kader
waarbinnen een nieuwe pensioenregeling gestalte zou moeten krijgen. Helaas zijn de contouren van het
nieuwe wettelijke kader nog steeds niet duidelijk en daarmee kon ook weinig vooruitgang gerealiseerd
worden ten aanzien van een deel van de vorig jaar door het verantwoordingsorgaan gesignaleerde
aandachtspunten inzake het hanteren van verschillende dekkingsgraden, het realiseren van een nieuwe
pensioenregeling en het beleggingsbeleid. Genoemde aandachtspunten komen daarom ook in dit
verslag wederom aan de orde.
Het verantwoordingsorgaan is zelf niet direct betrokken geweest bij de samenkomsten van de
klankbordgroep, die is ingesteld ter voorbereiding van het nieuwe pensioencontract, maar wordt via het
bestuur en de leden van het verantwoordingsorgaan geïnformeerd.
Governance
Het verantwoordingsorgaan heeft advies uitgebracht over de governance naar aanleiding van de ‘Wet
Versterking bestuur pensioenfondsen’. Het verantwoordingsorgaan kan zich vinden in de keuzes die het
bestuur heeft gemaakt inzake de vorm en inrichting van het intern toezicht en het beleid ten aanzien
van het verantwoordingsorgaan. De keuze voor een paritair bestuursmodel met een raad van toezicht
houdt in dat ook het verantwoordingsorgaan blijft bestaan. Het verantwoordingsorgaan heeft daarbij
geadviseerd zijn omvang terug te brengen van 9 naar 8 leden. De verschillende stakeholders
34
(werkgever (2), actieve deelnemers (3), gewezen deelnemers (1) en pensioengerechtigden (2)) worden
daarmee voldoende vertegenwoordigd. Het verantwoordingsorgaan heeft daarmee een stabiele basis,
terwijl het slagvaardig en effectief kan opereren en door zijn samenstelling voldoende geëquipeerd is
om toe te zien op een evenwichtige belangenbehartiging van alle stakeholders.
Communicatie
Het verantwoordingsorgaan heeft een positief advies uitgebracht over het communicatiebeleid. Daarbij
heeft het verantwoordingsorgaan erop gewezen dat alle doelgroepen voldoende bereikt moeten worden,
ook de gewezen deelnemers. In 2014 zal er veel gecommuniceerd moeten worden in verband met de
nieuwe pensioenregeling en het nieuwe financiële kader.
Uitvoeringskosten
Het verantwoordingsorgaan constateert dat er meer inzicht is in de uitvoeringskosten, waaronder die
van het vermogensbeheer. Ondanks de verbeteringen blijven de kosten voor het vermogensbeheer en
dan met name de transactiekosten, onvoldoende transparant. Het verantwoordingsorgaan benadrukt
dat het bestuur volledig inzicht dient te hebben in de kosten en dat deze transparant gerapporteerd
moeten worden.
Beleggingsbeleid
Het verantwoordingsorgaan betreurt het dat, ondanks alle inspanningen die binnen het fonds gedaan
worden met betrekking tot (onder andere) risicomanagement, er een negatief rendement is behaald in
2013. Het bestuur had meer uitleg mogen geven over de oorzaken hiervan. Voor grote groepen
stakeholders is het beleggingsresultaat van groot belang, aangezien dit invloed heeft op de toekenning
van voorwaardelijke toeslagen.
Wel heeft het verantwoordingsorgaan tot zijn tevredenheid geconstateerd dat de dekkingsgraad zich in
het verslagjaar zodanig heeft ontwikkeld dat er een eind is gekomen aan de zogenoemde
herstelperiode, waardoor er niet gekort hoefde te worden op de nominale pensioenaanspraken.
Het valt op dat met name één van de aandelenmanagers en het vastgoedfonds slecht gepresteerd
hebben. Het verantwoordingsorgaan adviseert het bestuur kritisch naar deze beleggingen, alsmede het
functioneren van de externe managers, te blijven kijken.
Consistentie
Mede door het negatieve beleggingsresultaat is het voor het vijfde jaar op rij niet mogelijk
voorwaardelijke toeslagen te verlenen aan de inactieven. Duidelijk is dat de huidige pensioenregeling
niet consistent is met de doelstellingen van het fonds en dat niet te verwachten is dat de achterstand in
toeslagverlening ingehaald kan worden. Het verantwoordingsorgaan ziet dat het bestuur de noodzaak
van spoedige invoering van een nieuwe, consistente, pensioenregeling onderkent en werkgever hierbij
tot spoed maant. Toch, gezien het belang en de blijvende onduidelijkheid over het nieuwe wettelijke
toetsingskader, benadrukt het verantwoordingsorgaan dit nogmaals.
Verschillende dekkingsgraden
Tevens speelt mee dat het bestuur zijn beleid op de ‘marktwaarde dekkingsgraad’ baseert, in plaats van
op de officiële dekkingsgraad, waardoor voorwaardelijke toeslagverlening niet mogelijk was. Zoals vorig
jaar al opgemerkt, kan het verantwoordingsorgaan begrijpen dat het bestuur tot dit beleid is gekomen,
maar wijst het er wel op dat het gebruik van twee maatstaven tot discussie en gevoelens van onvrede
bij de inactieven heeft geleid. Dit blijkt onder andere uit een briefwisseling tussen de Belangenvereniging Pensioengerechtigden en het bestuur van het fonds. Het hanteren van één maatstaf zal
leiden tot meer éénduidigheid, waarbij het aansluiten bij de wettelijke kaders voor de hand ligt.
35
Oordeel
Hoewel de resultaten voor een grote groep deelnemers teleurstellend zijn en de huidige pensioenregeling niet houdbaar lijkt voor de toekomst, komt het verantwoordingsorgaan op basis van de beschreven
werkzaamheden tot het oordeel dat het bestuur een consistent beleid heeft gevoerd en met inachtneming van een voldoende mate van zorgvuldigheid de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken
deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgever heeft afgewogen.
Het verantwoordingsorgaan stelt de goede en open contacten met het bestuur en de raad van toezicht
zeer op prijs.
Amsterdam, 23 mei 2014
J.A.T. Denissen
A. van Dorssen
U. Karakhalil (plv. voorzitter)
E.D. de Ruijter
M.A. Santema
P.M.M. Timmer (voorzitter)
N.J. Engel-de Groot
36
4.1
Reactie bestuur op verslag verantwoordingsorgaan
Het bestuur heeft kennis genomen van het verslag van het verantwoordingsorgaan. Het bestuur
bedankt het verantwoordingsorgaan voor het gedegen verslag en de open dialoog.
Ook de in de loop van het jaar uitgebrachte, goed onderbouwde en constructieve adviezen, worden door
het bestuur zeer op prijs gesteld.
Hieronder gaat het bestuur op de aandachtspunten in.
Uitvoeringskosten
Het bestuur heeft een steeds beter inzicht in de kosten van het vermogensbeheer. In 2014 zal er nader
onderzoek gedaan worden of er, met name waar het transactiekosten betreft, nog meer transparantie
bereikt kan worden. Ook zal het bestuur kijken waar er kostenreductie te behalen is.
Beleggingsbeleid
Het bestuur evalueert de externe managers minimaal één keer per drie jaar, waarbij ook een
aanhoudende underperformance meegewogen wordt. Deze evaluatie staat voor 2014 gepland. Het
vastgoedfonds wordt kritisch gevolgd, maar de mogelijkheden van ingrijpen zijn beperkt omdat het
fonds zich in een afbouwfase bevindt.
Verschillende dekkingsgraden
Met betrekking tot de verschillende dekkingsgraden, wacht het bestuur de wettelijke ontwikkelingen
rond het nieuw financiële toetsingskader af. Mogelijk dat er dan verplicht met één dekkingsgraad
gerekend moet worden.
37
5.
Bevindingenrapport raad van toezicht
Inleiding
In dit bevindingenrapport heeft de Raad van Toezicht van het Pensioenfonds van De Nederlandsche
Bank de bevindingen en aanbevelingen zoals gebruikelijk ingedeeld in een aantal rubrieken.
Voorafgaand aan de bevindingen heeft de raad steeds de norm geformuleerd waaraan wordt getoetst.
De raad toetst in beginsel aan de normen, zoals geformuleerd in wet- en regelgeving alsmede de Code
Pensioenfondsen. Om de leesbaarheid van dit bevindingenrapport te bevorderen worden in dit rapport
deze normen niet stuk voor stuk behandeld, doch deze zijn per rubriek samengevat in één
overkoepelende norm.
Bevindingen
Algemeen beleid
Een pensioenfondsbestuur heeft tot taak zo goed mogelijk uitvoering te geven aan de pensioenregeling
en daar beleid op te maken. Het beleid en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen dienen
voldoende kenbaar te zijn.
Bevindingen
De raad constateert dat het bestuur zeer toegewijd is de missie te vervullen. Tevens heeft het bestuur
bij zijn beleidskeuzes nadrukkelijk aandacht voor de evenwichtige afweging van de verschillende
belangen.
Noodzakelijkerwijs kan het fondsbestuur pas acteren op een nieuwe pensioenregeling zodra deze in het
CAO-overleg is vastgesteld. Wel is hierbij van belang dat het bestuur duidelijk aangeeft welke tijd men
nodig heeft om een nieuwe regeling te implementeren.
Waar het strategische beleidskeuzes betreft valt het de raad op dat de aandacht vooral gericht is op de
korte termijn. Voor een deel wordt dit wellicht veroorzaakt door de aanhoudende onzekerheid omtrent
het nieuwe pensioencontract. Voorts verhinderen overvolle bestuursagenda’s dat naast tal van
operationele zaken ook meer strategische kwesties aan de orde komen.
Aanbevelingen
De raad beveelt het bestuur aan blijvend aandacht te schenken aan de toekomst en
toekomstbestendigheid en hiervoor, waar mogelijk voor de lange termijn, een visie te ontwikkelen.
Governance
De structuur van een fonds dient zodanig te zijn dat goede besturing is geborgd. Voorts dienen
individuele bestuursleden en het bestuur als geheel voldoende geschikt te zijn.
Bevindingen
De raad constateert dat het bestuur competent is. De bestuursleden stellen zich onafhankelijk op en er
wordt op voet van gelijkwaardigheid geopereerd. Zoals al eerder door de raad is aangegeven blijft een
voortdurend punt van zorg wel de beschikbaarheid van nieuwe bestuursleden. Daardoor is continuïteit
in mindere mate geborgd met name in geval van onverwachte vacatures. Tevens is het tijdsbeslag voor
een bestuursfunctie in combinatie met de ‘primaire’ functies van bestuursleden een punt van zorg. Dit
waren ook de pijnpunten die naar voren kwamen in de zelfevaluatie van het bestuur. Hierdoor kan er te
weinig countervailing power ten opzichte van de partijen waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed, zijn
georganiseerd.
De raad heeft begrepen dat het bestuur plannen heeft te werken met een kweekvijver voor nieuwe
bestuursleden en tevens met de werkgever in gesprek is over het tijdsbeslag van de bestuursleden in
dienst van de werkgever. Tevens is het aantal interne adviseurs verhoogd en hun takenpakket
uitgebreid. De raad beoordeelt dit positief. De raad wacht af of beide initiatieven voldoende zijn om
structureel een oplossing te bieden voor genoemde zorgpunten. De raad brengt daarbij onder de
38
aandacht dat ook de toevoeging van onafhankelijke externe bestuurders of de inrichting van een
bestuursbureau oplossingsrichtingen zouden kunnen zijn. Indien en voor zover kostenoverwegingen een
rol hebben gespeeld bij het niet meenemen van deze oplossingen, is naar het oordeel van de raad
onvoldoende geanalyseerd wat naast de kosten ook de baten zouden kunnen zijn van deze oplossingen.
De raad constateert dat de samenstelling van het bestuur meer divers van aard is geworden indien naar
het criterium leeftijd wordt gekeken. De raad juicht dit van harte toe. Indien evenwel de
man/vrouwverhouding in ogenschouw wordt genomen is het bestuur juist minder divers samengesteld
dan eerder het geval is. Er is feitelijk geen goed onderbouwd diversiteitsbeleid en dat is spijtig.
Aanbevelingen
De raad beveelt het bestuur aan concrete stappen te zetten met het aanleggen van een kweekvijver
voor nieuwe bestuursleden en tevens concrete afspraken te maken met de werkgever inzake het
tijdsbeslag. Indien en voor zover een en ander heeft plaats gevonden, moet bezien worden of deze
maatregelen daadwerkelijk afdoende zijn.
Tevens beveelt de raad aan een diversiteitsbeleid te formuleren.
Financiële opzet
Het fonds dient een deugdelijke financiële opzet te hebben. De financiële opzet dient zodanig te zijn dat
er voldaan wordt aan de eis van een consistent geheel tussen gewekte verwachtingen, financiering en
realisatie van de voorwaardelijke toeslagverlening. De financieringsopzet moet toekomstbestendig zijn.
Bevindingen
De raad stelt vast dat er een transparante uitvoeringsovereenkomst is waaruit duidelijk is welke de
verplichtingen van de sponsor zijn in bepaalde situaties. Er is tevens een duidelijk crisisplan. De
financiële situatie van het fonds is het afgelopen jaar aanzienlijk verbeterd doch het herstel is nog
broos.
De raad juicht het toe dat het bestuur heeft weten te bewerkstellingen dat de werkgeverspremie voor
het jaar 2014 – ondanks het feit dat de pensioenregeling werd versoberd – op het afgesproken niveau
is gebleven.
De indexatie voor (het merendeel van) de inactieve deelnemers en pensioengerechtigden is al enige tijd
achterwege gebleven. Daarbij komt de vraag op of en in hoeverre de geformuleerde toeslagambitie
waargemaakt kan worden ook naar de toekomst toe.
Aanbevelingen
Hoewel dit bemoeilijkt wordt door het feit dat slechts de contouren van een nieuw FTK duidelijk zijn,
beveelt de raad aan dat bezien wordt of en in hoeverre een nieuwe pensioenregeling (waarin
pensioenen bestendig worden geïndexeerd) binnen een gegeven premiebudget waargemaakt kan
worden.
Beleggingsbeleid
Een pensioenfonds dient een beleggingsbeleid te hebben dat in overeenstemming is met de
verplichtingen van het fonds en de risicohouding. Tevens dient een fonds overwegingen met betrekking
tot verantwoord beleggen vast te stellen. Omtrent een en ander dient draagvlak te bestaan bij
belanghebbenden.
Bevindingen
Het fonds heeft aan het einde van het jaar een goed onderbouwd beleggingsplan vastgesteld. Het plan
zou op meerdere punten kunnen worden verdiept en onderbouwd, bijvoorbeeld wat betreft risicobeleid
en de visie achter c.q. de invulling van de portefeuille. De raad constateert een verbetering ten opzichte
van voorgaande jaren.
Voor zover de raad heeft kunnen nagaan is niet of in elk geval niet voldoende onderzocht of en in
39
hoeverre er bij belanghebbenden (waaronder inactieve deelnemers en gepensioneerden) draagvlak
bestaat voor onder meer de risicohouding.
De raad acht het van belang dat het bestuur genuanceerder op de hoogte is van de risicohouding van
belanghebbenden. Naar de raad heeft begrepen zijn hier begin 2014 stappen toe gezet.
Risicomanagement
Het bestuur bevordert en borgt een cultuur waarin risicobewustzijn vanzelfsprekend is en zorgt voor
een adequate organisatie van het integrale risicomanagement. Het bestuur houdt expliciet rekening met
risico’s en risicobeheersing bij het bepalen van het beleid en het nemen van besluiten. Deze
risicoafweging wordt vastgelegd.
Bevindingen
De raad constateert dat het bestuur goede stappen heeft gezet met betrekking tot de implementatie
van het integrale risicomanagement. Er liggen uitgebreide en inzichtelijke rapportages waaruit duidelijk
wordt welke risico’s er op welke terreinen liggen. In het beleggingsplan mag evenwel uitgebreider op de
beheersing van risico’s worden ingegaan.
Het valt op dat de gerealiseerde (ex-post) renteafdekking in 2013 is afgeweken van de beoogde
doelstelling van 95%. In de implementatie van de renteafdekking wordt niet zuiver op matching van het
renterisico gestuurd maar wordt ook actief beleid door de beheerder toegestaan. De feitelijk
gerealiseerde renteafdekking kan hierdoor afwijken van het beoogde beleid. Deze implementatie 'gap'
introduceert zodoende een additioneel risico. De raad heeft aarzelingen of deze risico’s voldoende
worden gemonitord en gemanaged en of een effectieve renteafdekking heeft plaatsgevonden.
Aanbevelingen
De raad beveelt aan blijvend aandacht te besteden aan het risicomanagement en daarbij nadrukkelijk
aandacht te hebben voor de risico’s op langere termijn. De raad vraagt aandacht voor het uitvoerig
analyseren van de effectiviteit van de renteafdekking en het mismatchrisico in de renteafdekking en
hierover transparant verantwoording af te leggen. Ook zou het renteafdekkingsbeleid en de
implementatie hiervan heroverwogen kunnen worden.
Uitbesteding
Het bestuur dient een visie op de uitvoering van de activiteiten van het pensioenfonds te hebben,
inclusief een aanvaardbaar niveau van de kosten en zicht op de keten van uitbesteding. Daarbij dient
het bestuur in control te zijn. De overwegingen bij de keuze voor de wijze van uitvoering worden
vastgelegd en beschikbaar gesteld aan belanghebbenden. Partijen waar werkzaamheden aan worden
uitbesteed, dienen op regelmatige basis te worden geëvalueerd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de
adviseurs waarmee het bestuur werkt.
Bevindingen
Het fonds heeft de pensioenadministratie uitbesteed aan TKP. Tevens is de bestuursondersteuning
uitbesteed aan TKP. Een en ander ligt vast in een heldere overeenkomst en er zijn duidelijke SLA’s en
kwartaalrapportages.
Hoewel de dubbelfunctie (zowel uitvoering als bestuursondersteuning ondergebracht bij één partij)
meer voor komt in de pensioensector, zijn er naar het oordeel van de raad vraagtekens te zetten bij
deze constructie. De onafhankelijkheid van de bestuursondersteuning kan immers in gevaar komen.
Wat het vermogensbeheer betreft opereert BlackRock als fiduciair manager. De raad merkt op dat ook
hier een dubbelfunctie is omdat Blackrock niet alleen de fiduciair manager is maar tevens
vermogensbeheerder van een aantal beleggingsfondsen. Dit brengt risico’s met zich mee van te veel
afhankelijkheid en te hoge kosten. Het zou prudenter zijn meer spreiding aan te brengen over
verschillende partijen. Ook dient hiervoor meer countervailing power bij de beleggingscommissie en het
bestuur aanwezig te zijn. Indien dit niet geborgd is, bestaat het gevaar dat het bestuur onvoldoende in
control is.
De raad stelt vast dat het bestuur meer oog heeft gekregen voor de kosten van vermogensbeheer. Er
40
bestaat echter nog geen volledige transparantie.
Aanbevelingen
De raad adviseert het bestuur zich in het algemeen bewust te zijn van concentratierisico's bij
leveranciers en in het bijzonder grenzen te stellen aan de concentratie van beleggingen bij één partij,
zeker als deze partij de fiduciair manager is.
Naar het oordeel van de raad zou voorts de helderheid van beleggingsrapportages kunnen toenemen
waardoor duidelijk wordt welk doel de verschillende effecten dienen.
De raad beveelt aan de partijen waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed te evalueren en aan deze
evaluatie – zo nodig – consequenties te verbinden.
De raad beveelt het bestuur voorts aan er op te sturen dat de kosten van vermogensbeheer zo volledig
en transparant mogelijk worden gerapporteerd.
Communicatie en transparantie
Het bestuur zorgt voor een adequaat communicatiebeleid, waarbij de persoonlijke pensioeninformatie
goed toegankelijk is en het pensioenbewustzijn van belanghebbenden wordt bevorderd. Het bestuur
meet de effectiviteit van de ingezette communicatiemiddelen periodiek, in elk geval elke drie jaar.
Bevindingen
De raad vindt dat er goede communicatieactiviteiten ontplooid worden zeker waar het de actieve
deelnemers betreft. Omdat de financiële situatie van het fonds vooral effect gehad heeft op de
aanspraken van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, is het van belang dat de communicatie
met hen op orde is en de verwachtingen worden gemanaged.
Hoewel veel onderdelen van de communicatie op orde zijn, is er nog geen sprake van een consistent en
adequaat communicatieplan waarin het deelnemersperspectief centraal staat.
Aanbevelingen
De raad adviseert het bestuur het eigen beleid op het terrein van communicatie beter vorm te geven en
vast te leggen.
Werkwijze van de raad
In 2013 heeft de raad zeven keer vergaderd, waarbij drie maal overleg is gevoerd met het bestuur en
twee maal met het VO. Eén maal is overlegd met de externe accountant, de certificerend actuaris en de
compliance officer.
Leden van het VO worden uitgenodigd als toehoorder bij de vergaderingen van de raad aanwezig te
zijn. Hier wordt regelmatig gebruik van gemaakt.
Naast het reguliere overleg met het bestuur, wordt met het bestuur ook schriftelijk informatie
uitgewisseld. Daarnaast neemt de raad kennis van de werkzaamheden van het bestuur via notulen,
kwartaalverslagen en aanwezigheid als toehoorder bij commissie- en bestuursvergaderingen.
De voorzitters van de raad en het bestuur hebben voorts regelmatig telefonisch overleg.
In 2013 heeft de raad afscheid genomen van de heer J. van Niekerk als voorzitter van de raad.
Mevrouw Gram is per augustus 2013 benoemd als nieuw lid van de raad, mevrouw Schols fungeert
sindsdien als voorzitter.
De raad heeft in 2013 zijn eigen functioneren geëvalueerd en daarbij tevens gebruik gemaakt van de
input van het bestuur en het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan beveelt de raad aan
nog nadrukkelijker naar het risicobeleid op de lange termijn te kijken.
De raad ziet het als zijn taak bij te dragen aan de kwaliteit en effectiviteit van de governance en de
besturing van het pensioenfonds. Hij wil dan ook te allen tijde graag als gesprekspartner van het
bestuur functioneren en hoopt dat het bestuur dit ook zo ervaart.
Amsterdam, 23 mei 2014
H.M. Geukers
A. Gram (plv. voorzitter)
E.M.F. Schols-Van Oppen (voorzitter)
41
5.1
Reactie bestuur op bevindingenrapport raad van toezicht
Het bestuur heeft kennis genomen van het bevindingenrapport. Het bestuur bedankt de raad voor het
gedegen rapport, de deskundige en constructieve werkwijze van de raad en de open dialoog. Hieronder
gaat het bestuur op de aandachtspunten in.
Algemeen beleid
Het bestuur heeft tot taak het uitvoeren van de pensioenregeling, waarbij het toetst of de regeling
uitvoerbaar is. De toekomstbestendigheid van een pensioenfonds hangt er onder andere van af of de
pensioenregeling kostenefficiënt kan worden uitgevoerd. Hier heeft het bestuur veel en continu
aandacht voor. Mocht de werkgever een andere vorm van pensioenuitvoering willen, dan zal het
bestuur hierop acteren.
Governance
Het bestuur is met werkgever in overleg over het beschikbaar stellen van tijd voor het bestuurswerk en
het opnemen van het bestuurslidmaatschap in het developmentprogramma van werkgever. Ook is het
bestuur met betrokken partijen in overleg over het aanleggen van een kweekvijver van nieuwe
bestuursleden. Per vacature zal het bestuur aangeven waar de voorkeur naar uitgaat qua diversiteit.
Een verdere uitwerking van het diversiteitsbeleid zal opgenomen worden in het beleidsdocument
'Geschikt Pensioenfondsbestuur'.
Financiële opzet
Het bestuur zal de nieuwe pensioenregeling toetsen op uitvoerbaarheid, waaronder het waarmaken van
een eventuele toeslagambitie.
Risicomanagement
Het bestuur betrekt alle risico's, ook die op de lange(re) termijn, bij zijn besluitvorming.
Het bestuur heeft bewust gekozen voor een renteafdekking door middel van vastrentende waarden en
swaps. De effectiviteit van de renteafdekking wordt continu gemonitord door het bestuur, maar de
rapportage hierover zal duidelijker gedaan worden. De ex-post renteafdekking over 2013 is niet
wezenlijk afgeweken van de ex-ante renteafdekking van 95%.
Uitbesteding
Het bestuur evalueert de partijen waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed jaarlijks. Periodiek wordt er
een uitgebreidere evaluatie gedaan waarbij een externe partij ingeschakeld wordt. Deze uitgebreide
evaluatie staat voor BlackRock gepland eind 2014 en voor TKP eind 2015.
Het bestuur is zich bewust van de dubbelrollen van de uitvoeringsorganisaties en is hierover met hen in
overleg.
Het bestuur heeft een steeds beter inzicht in de kosten van het vermogensbeheer. In 2014 zal er nader
onderzoek gedaan worden of er, met name waar het transactiekosten betreft, nog meer transparantie
bereikt kan worden. Ook zal het bestuur kijken waar er kostenreductie te behalen is.
Communicatie en transparantie
Het bestuur neemt de aanbeveling over het communicatieplan van de raad mee bij het opstellen van
het plan voor 2015.
42
Amsterdam, 23 mei 2014
G. van Ankeren
E. Elvers
D. Hendriks
P.D. van Loo
mw. G.F.T. Tiellemans
L.J. van Wechem
F.J. de Weert
P.W.G.F. ten Westeneind
43
6.
Jaarrekening
44
6.1
Balans per 31 december 2013
(na resultaatbestemming)
31-12-2013
€
31-122012
€
ACTIVA
Beleggingen voor risico pensioenfonds
Vastgoedbeleggingen
Aandelen
Vastrentende waarden
Derivaten
Overige beleggingen
(1)
34.089
215.356
956.564
21.153
31.660
1.258.822
Vorderingen en overlopende activa
Overige activa
(2)
(3)
TOTAAL ACTIVA
40.005
223.233
935.223
65.583
39.727
1.303.771
586
8.758
267
12.533
1.268.166
1.316.571
101.175
1.139.590
27.401
80.738
1.172.528
63.305
1.268.166
1.316.571
PASSIVA
Stichtingskapitaal en reserves
Technische voorzieningen
Overige schulden en overlopende passiva
(4)
(5)
(6)
TOTAAL PASSIVA
(-) De bij de posten vermelde nummers verwijzen naar de toelichting op de balans vanaf pagina 68.
45
6.2
Staat van baten en lasten
2012
2013
€
€
€
€
Baten
Premiebijdragen voor risico pensioenfonds
Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
Overige baten
Totaal baten
Lasten
Pensioenuitkeringen
Pensioenuitvoeringskosten
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen
voor risico van het pensioenfonds
- Pensioenopbouw
- Toeslagverlening
- Rentetoevoeging
- Onttrekking voor uitkeringen en
uitvoeringskosten
- Wijziging marktrente
- Wijziging actuariële uitgangspunten
- Wijziging uit hoofde van overdracht van
rechten
- Aanpassing sterftekansen
- Overige mutaties voorziening
pensioenverplichtingen
Totaal lasten
Mutatie overige technische voorzieningen
Saldo overdracht van derden
Overige lasten
(7)
(8)
(9)
(10)
(11)
41.222
1.134
44.377
-17.302
30
27.105
43.789
144.068
46
187.903
41.493
1.233
(12)
29.275
3.474
4.064
-41.388
-35.822
1.032
2.745
0
31.375
6.591
16.120
3.972
-32.648
-290
-2.788
38
(13)
(14)
(15)
6.668
-41.622
72.158
0
2.965
9.542
-3.913
93.216
410
-2.220
12
134.144
Saldo van baten en lasten
20.437
(-) De bij de posten vermelde nummers verwijzen naar de toelichting op de staat van baten en lasten vanaf pagina 85.
Bestemming van het saldo van baten en lasten
Algemene reserve
20.437
46
53.759
53.759
6.3
Kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de directe methode.
2013
€
2012
€
€
€
Kasstroom uit pensioenactiviteiten
Ontvangsten
Ontvangen premies5
Ontvangen in verband met overdracht van rechten
Overig
31.488
5.234
14
45.130
3.002
61
36.736
Uitgaven
Betaalde pensioenuitkeringen
Betaald in verband met overdracht van rechten
Betaalde pensioenuitvoeringkosten
-41.201
-2.446
-633
Totale kasstroom uit pensioenactiviteiten
48.193
-41.389
-782
-1.157
-44.280
-43.328
-7.544
4.865
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten
Ontvangsten
Ontvangen directe beleggingsopbrengsten
Verkopen en aflossingen van beleggingen
41.531
1.557.146
37.666
1.772.039
1.598.677
Uitgaven
Aankopen beleggingen
Betaalde kosten van vermogensbeheer
Mutatie liquiditeiten en collateral
-1.600.588
-2.203
7.884
1.809.705
-1.810.735
-2.520
-2.713
-1.594.907
-1.815.968
3.770
-6.263
Netto kasstroom
-3.774
-1.398
Mutatie liquide middelen
-3.774
-1.398
Totale kasstroom uit beleggingsactiveiten
2013
€
Liquide middelen primo boekjaar
Liquide middelen ultimo boekjaar
Waarvan:
Voor risico pensioenfonds
2012
€
12.533
8.758
13.931
12.533
8.758
12.533
5
De premie voor het eerste kwartaal 2014 is ontvangen in januari 2014, waardoor in 2013 voor drie kwartalen premie
is ontvangen.
47
6.4
6.4.1
Toelichting op de jaarrekening
Algemeen
Activiteiten
Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank NV (hierna 'het pensioenfonds'), is statutair gevestigd te
Amsterdam. De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 41199645.
Het doel van het pensioenfonds is het nu en in de toekomst verstrekken van de nominale pensioenaanspraken en
pensioenrechten, alsmede het streven (voorwaardelijk: voor zover de middelen van het pensioenfonds het toelaten en
afhankelijk van de dekkingsgraad) naar het waardevast houden van de pensioenrechten.
Het pensioenfonds wil een zo goed mogelijke invulling geven aan de pensioenovereenkomsten die de sponsor (De
Nederlandsche Bank NV) heeft afgesloten met haar (gewezen) werknemers.
Overeenstemmingsverklaring
De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in Titel 9
Boek 2 BW en met inachtneming van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder Richtlijn 610
Pensioenfondsen. Het bestuur heeft op 23 mei 2014 de jaarrekening opgemaakt.
Referenties
In de balans en de staat van baten en lasten zijn referenties opgenomen waarmee wordt verwezen naar de toelichting.
6.4.2
6.4.2.1
Grondslagen
Algemene grondslagen
Alle bedragen in de jaarrekening zijn vermeld in Euro's x 1.000, mits anders is aangegeven.
Opname van een actief of een verplichting
Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar
het pensioenfonds zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal
gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Verantwoording van baten en lasten
Baten worden in de rekening van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch
potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft
plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een
vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang
betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle
risico's met betrekking tot een actief of een verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de
verplichting niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans
opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de
toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.
Dit betekent dat transacties worden verwerkt op handelsdatum en niet op afwikkelingsdatum. Als gevolg hiervan kan
sprake zijn van een post 'nog af te wikkelen transacties'. Deze post kan zowel een actief als een passief zijn.
Saldering van een actief en een verplichting
Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien
sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te
wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd
opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens
gesaldeerd opgenomen.
Vreemde valuta
Functionele valuta
De jaarrekening is opgesteld in euro's, zijnde de functionele en presentatievaluta van het pensioenfonds.
48
Transacties, vorderingen en schulden
Transacties in vreemde valuta gedurende de verslagperiode zijn in de jaarrekening verwerkt tegen de koers op
transactiedatum. Activa en verplichtingen in vreemde valuta worden omgerekend naar euro's tegen de koers per
balansdatum. De uit de afwikkeling en omrekening voortvloeiende koersverschillen komen ten gunste of ten laste van
de staat van baten en lasten.
De koersen van de belangrijkste valuta zijn:
31 december
2013
USD
GBP
JPY
1,3780
0,8320
144,8295
Gemiddel
d
2013
1,3482
0,8216
129,4125
31
december
2012
1,3184
0,8111
113,9955
Gemiddel
d
2012
1,3083
0,8232
106,9376
Vergelijking met voorgaand jaar
De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd ten opzichte van het
voorgaande jaar.
Schattingen en veronderstellingen
De opstelling van de jaarrekening in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW vereist dat het bestuur oordelen vormt
en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de
gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten.
De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld.
Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze
oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende
jaarrekeningposten. Herzieningen van schattingen worden opgenomen in de periode waarin de schatting wordt herzien,
en in toekomstige perioden waarvoor de herziening gevolgen heeft.
In 2013 zijn de grondslagen voor waardering van de voorziening prepensioen aangepast. Dit heeft geresulteerd in een
toename van de voorziening van 1.032.
Dekkingsgraad
De (nominale) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het balanstotaal minus de
kortlopende schulden te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.
Bij het berekenen van de reële dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt ten behoeve van deze berekening de
voorziening pensioenverplichtingen herrekend rekening houdend met de verwachte loon- en prijsinflatie.
1.4.2.2 Grondslagen voor waardering van activa en passiva
Beleggingen
Algemeen
De beleggingen worden gewaardeerd tegen marktwaarde. Het begrip marktwaarde is te beschouwen als synoniem van
reële waarde. Onder waardering op marktwaarde wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden
verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie
bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
De waardering van participaties in beleggingsinstellingen geschiedt tegen marktwaarde. Voor beursgenoteerde
beleggingsinstellingen is dit de marktnotering per balansdatum. De waardering in niet-beursgenoteerde
beleggingsinstellingen geschiedt tegen actuele waarde.
Verwerking van waardeveranderingen van beleggingen
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen.
Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de
staat van baten en lasten opgenomen.
Vastgoedbeleggingen
Beursgenoteerde (indirecte) vastgoedbeleggingen worden gewaardeerd tegen de per balansdatum geldende
beurskoers. De marktwaarde van niet-beursgenoteerde (indirecte) vastgoedbeleggingen is gebaseerd op het aandeel
dat het pensioenfonds heeft in het eigen vermogen van de niet-beursgenoteerde vastgoedbelegging per balansdatum.
49
Aandelen
Beursgenoteerde aandelen en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen zijn gewaardeerd tegen
marktwaarde, zijnde de beurswaarde per balansdatum.
De actuele waarde van niet-beursgenoteerde aandelen en participaties in beleggingsfondsen is gebaseerd op het
aandeel dat het pensioenfonds heeft in het eigen vermogen van het niet-beursgenoteerde aandeel per balansdatum.
Vastrentende waarden
Beursgenoteerde vastrentende waarden en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen zijn gewaardeerd
tegen marktwaarde, zijnde de beurswaarde per balansdatum.
De lopende interest op vastrentende waarden wordt gepresenteerd als onderdeel van de marktwaarde van de
vastrentende waarden.
Derivaten
Derivaten worden gewaardeerd op reële waarde, te weten de relevante marktnoteringen of, als die niet beschikbaar
zijn, de waarde die wordt bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.
Indien een derivatenpositie negatief is wordt het bedrag onder de schulden verantwoord.
Overige beleggingen
Overige beleggingen worden gewaardeerd op marktwaarde. Indien geen marktwaarde beschikbaar is, wordt de waarde
bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.
Vorderingen en overlopende activa
Vorderingen en overlopende activa worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking
worden vorderingen gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is
van transactiekosten) onder aftrek van eventuele bijzondere waardeverminderingen, indien sprake is van oninbaarheid.
Liquide middelen
Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd. Onder de liquide middelen zijn opgenomen die kas- en
banktegoeden die onmiddellijk opeisbaar zijn dan wel een looptijd korter dan twaalf maanden hebben. Zij worden
onderscheiden van tegoeden in verband met beleggingstransacties. Liquide middelen uit hoofde van
beleggingstransacties worden gepresenteerd onder de beleggingen. Rekening-courantschulden bij banken zijn
opgenomen onder schulden aan kredietinstellingen onder kortlopende schulden.
Stichtingskapitaal en reserves
Stichtingskapitaal en reserves worden bepaald door het bedrag dat resteert nadat alle actiefposten en posten van het
vreemd vermogen, inclusief de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds en overige
technische voorzieningen, volgens de van toepassing zijnde waarderingsgrondslagen in de balans zijn opgenomen.
De statutaire reserves en de overige wettelijke reserves die het pensioenfonds conform artikel 2:389 en artikel 2:390
BW vormt, blijken op grond van artikel 2:373 lid 1 BW afzonderlijk uit de balans.
Technische voorzieningen
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
De voorziening voor pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds wordt gewaardeerd op actuele waarde
(marktwaarde). De actuele waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van de beste inschatting van
toekomstige kasstromen die samenhangen met de op balansdatum onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen.
Onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen zijn de opgebouwde nominale aanspraken en de onvoorwaardelijke
(toezeggingen tot) toeslagen. De contante waarde wordt bepaald met gebruikmaking van de marktrente, waarvoor de
actuele rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB wordt gebruikt.
Bij de bepaling van de voorziening pensioenverplichtingen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB
Voor mannen en vrouwen worden de sterftekansen ontleend aan de AG
prognosetafel 2012-2062 zoals deze is gepubliceerd door het Actuarieel
Genootschap. Deze kansen zijn omgerekend naar een generatietafel om
rekening te houden met de verwachte toekomstige daling van de
sterftekansen. Bij het gebruik van de AG prognosetafel 2012-2062 wordt
rekening gehouden met
ervaringssterfte gebaseerd op de indeling sociaal economische status hoog conform
de gepubliceerde levensverwachtingen van het CBS.
Iedereen wordt geacht een partner te hebben.
De toekomstige excassokosten worden bepaald op basis van een kasstroommodel.
De vrouwelijke partner wordt 3 jaar jonger verondersteld dan de man.
-
50
Overige technische voorzieningen
Onder de overige technische voorzieningen worden voorzieningen opgenomen voor met de pensioenverplichtingen
samenhangende risico's voor zover niet opgenomen in de berekening van de pensioenvoorziening, zijnde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Er wordt een voorziening opgenomen voor deelnemers die ziek zijn en wellicht arbeidsongeschikt worden. Deze
voorziening wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt tweemaal de risicopremie voor arbeidsongeschiktheid en
premievrijstelling.
De voorziening voor WAO hiaat/ WIA is onderdeel van de overige technische voorzieningen en is gebaseerd op dezelfde
grondslagen als de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
Overige schulden en overlopende passiva
Overige schulden en overlopende passiva worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste
verwerking worden schulden gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen
sprake is van transactiekosten).
Kortlopende schulden hebben een looptijd korter dan een jaar.
6.4.2.2
Grondslagen voor bepaling van het resultaat
Algemeen
De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans
gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde
als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat.
Premiebijdragen (van werkgevers en werknemers)
Onder premiebijdragen van werkgevers en werknemers wordt verstaan de aan derden in rekening gebrachte c.q. te
brengen bedragen voor de in het verslagjaar verzekerde pensioenen onder aftrek van kortingen. Premies zijn
toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Extra stortingen en opslagen op de premie zijn eveneens als
premiebijdragen verantwoord.
Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
Indirecte beleggingsopbrengsten
Onder de indirecte beleggingsopbrengsten worden verstaan de gerealiseerde en ongerealiseerde waardewijzigingen en
valutaresultaten. In de jaarrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde
waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen,
worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen. (In)directe beleggingsresultaten zijn
toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
Directe beleggingsopbrengsten
Onder de directe beleggingsopbrengsten wordt in dit verband verstaan rentebaten en -lasten, dividenden,
huuropbrengsten en soortgelijke opbrengsten.
Dividend wordt verantwoord op het moment van betaalbaarstelling.
Kosten vermogensbeheer
Onder kosten van vermogensbeheer worden zowel de externe als de daaraan toegerekende interne kosten verstaan.
Afschrijvingen en andere exploitatiekosten van onroerende zaken in exploitatie zijn in de kosten van vermogensbeheer
opgenomen.
Verrekening van kosten
Met de directe en indirecte beleggingsopbrengsten zijn verrekend de aan de opbrengsten gerelateerde transactiekosten,
provisies, valutaverschillen e.d.
Pensioenuitkeringen
De pensioenuitkeringen betreffen de aan deelnemers uitgekeerde bedragen inclusief afkopen. De pensioenuitkeringen
zijn berekend op actuariële grondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.
Pensioenuitvoeringskosten
De pensioenuitvoeringskosten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
Pensioenopbouw
Bij de pensioenopbouw zijn aanspraken en rechten over het boekjaar gewaardeerd naar het niveau dat zij op
balansdatum hebben.
51
Indexering en overige toeslagen
De hoogte van de toeslagverlening van de pensioenen is voor actieve deelnemers reglementair gekoppeld aan de
algemene loonontwikkeling binnen de DNB-CAO. Er is sprake van een onvoorwaardelijke toezegging, zolang de
deelnemer als werknemer in dienst is bij DNB.
De hoogte van de voorwaardelijke toeslagverlening van de pensioenen is voor gewezen deelnemers en
pensioengerechtigden reglementair gekoppeld aan de consumentenprijsindex voor alle huishoudens in het betreffende
jaar (meetperiode maand oktober voorgaande jaar tot en met de maand september in het betreffende jaar).
Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen zijn opgerent met 0,4% (2012: 1,5%), op basis van de éénjaarsrente van de DNB-curve aan
het begin van het verslagjaar.
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Vooraf wordt een actuariële berekening gemaakt van de toekomstige pensioenuitvoeringskosten (met name
excassokosten) en pensioenuitkeringen die in de voorziening pensioenverplichtingen worden opgenomen. Deze post
betreft de vrijval ten behoeve van de financiering van de kosten en uitkeringen van het verslagjaar.
Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de
actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de verandering van de rentetermijnstructuur wordt verantwoord onder het
hoofd wijziging marktrente.
Wijzigingen actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de
berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en
externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte,
langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie
van het pensioenfonds.
De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces,
waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het pensioenfonds. Het effect van
deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
Een resultaat op overdrachten kan ontstaan doordat de vrijval van de voorziening plaatsvindt tegen fondstarieven,
terwijl het bedrag dat wordt overgedragen gebaseerd is op de wettelijke factoren voor waardeoverdrachten. De
tarieven van het pensioenfonds wijken af van de wettelijke tarieven.
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
De overige mutaties ontstaan door mutaties in de aanspraken door overlijden, arbeidsongeschiktheid en pensioneren.
Saldo overdrachten van rechten
De post saldo overdrachten van rechten bevat het saldo van bedragen uit hoofde van overgenomen dan wel
overgedragen pensioenverplichtingen.
Overige baten en lasten
Overige baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
6.4.2.3
Kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Alle ontvangsten en uitgaven worden hierbij als
zodanig gepresenteerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen kasstromen uit pensioenactiviteiten en
beleggingsactiviteiten. In de jaarrekening worden de betaalde kosten vermogensbeheer apart weergegeven in het
kasstroomoverzicht, waarbij de vergelijkende cijfers zijn aangepast.
52
6.4.3
Toelichting op de balans per 31 december 2013
ACTIVA
1. Beleggingen voor risico pensioenfonds
€
Stand per 31
december
2013
Schuldpositie
derivaten
(credit)
Aandelen
Vastrentende
waarden
Derivaten
Overige
beleggingen
€
€
€
€
Stand per 1
januari 2013
Aankopen
Verkopen
Herwaardering Overige
mutaties
Vastgoedbeleggingen
Huidig jaar
40.005
2.523
-5.643
-2.792 -4
34.089
€
223.233
195.814
-188.514
28.171
-43.348
215.356
Totaal
935.223
983.110
-945.947
-57.965
42.143
956.564
45.375
19.873
-44.608
-23.873
194
-3.039
39.727
0
0
0 -8.067
31.660
-9.084
1.234.630
1.283.564
1.201.320
-1.184.711
-56.459
24.192
1.258.822
De overige mutaties onder de categorieën aandelen en vastrentende waarden betreft een herrubricering van het
iShares Emerging market fund (BlackRock), welke in 2012 onder de aandelen is gerubriceerd, maar in 2013
geheralloceerd is naar de vastrentende waarden.
VastgoedVastrentende
Overige
Vorig jaar
Aandelen
Derivaten
Totaal
beleggingen
waarden
beleggingen
€
Stand per 1
januari 2012
Aankopen
Verkopen
Herwaardering Overige
mutaties
Stand per 31
december
2012
Schuldpositie
derivaten
(credit)
€
€
€
€
37.680
4.800
-2.303
-2.093 1.921
40.005
€
159.499
340.511
-280.086
5.967
-2.658
223.233
815.324
763.987
-705.882
61.794
0
935.223
63.239
59.897
-59.448
-18.315
2
45.375
53.821
0
0
0 -14.094
39.727
1.129.563
1.169.195
-1.047.719
47.353
-14.829
1.283.563
20.208
1.303.771
31-12-2012
€
€
Vastgoedbeleggingen
Indirecte vastgoedbeleggingen, zijn de participaties in beleggingsinstellingen
die beleggen in vastgoed
53
31-12-2013
34.089
40.005
Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:
2013
2012
€
%
€
%
CBRE Eurosiris fonds
30.924
90,7
35.886
89,7
31-12-2013
31-12-2012
€
€
211.941
220.950
3.000
414
1.733
550
215.355
223.233
Aandelen
Beursgenoteerde aandelen
Beursgenoteerde en niet beursgenoteerde beleggingsinstellingen die beleggen
in aandelen
Vorderingen
Ultimo boekjaar zijn er geen posities binnen de betreffende beleggingscategorie met een belang groter dan 5%.
Vastrentende waarden
Obligaties
Beursgenoteerde beleggingsinstellingen die beleggen in vastrentende waarden
Vorderingen
898.167 40.687
17.710 916.444
0
18.779
956.564 935.223
Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:
2012
2013
%
€
€
%
Duitsland
Frankrijk
Nederland
België
BlackRock Inc. (Ishares)
266.356
173.543
95.768
56.738
66.544
27,9 18,1
10,0
5,9
7,0 285.815
180.785
94.205
56.786
0
30,5
19,3
10,1
6,1
-
658.949
68,9 617.591
66,0
31-12-2013
31-12-2012
€
€
Derivaten
Valutaderivaten
Aandelenderivaten
Rentederivaten
Kredietderivaten
Overige derivaten
3.610
7
16.886
174
476 3.768
-195
41.807
30
-35
21.153 45.375
31.660
39.727
Overige beleggingen
Liquide middelen
54
Schattingen en oordelen
Zoals vermeld in de toelichting zijn de beleggingen van het pensioenfonds nagenoeg allemaal gewaardeerd tegen
actuele waarde per balansdatum en is het over het algemeen mogelijk en gebruikelijk om de actuele waarde binnen een
aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Voor sommige andere financiële instrumenten, zoals
beleggingsvorderingen en -schulden, geldt dat de boekwaarde de actuele waarde benadert als gevolg van het
kortetermijnkarakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op
balansdatum benadert de actuele waarde.
Voor de meerderheid van de financiële instrumenten van het pensioenfonds kan gebruik worden gemaakt van
marktnoteringen. Echter, bepaalde financiële instrumenten, zoals bijvoorbeeld derivaten zijn gewaardeerd door middel
van gebruikmaking van waarderingsmodellen en -technieken, inclusief verwijzing naar de huidige reële waarde van
vergelijkbare instrumenten. Op basis van de boekwaarde kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
Direct marktnoteringen
Afgeleide
marktnoteringen
3.165
215.356
956.564
0
31.660
Waarderingsmodellen
Totaal
0
0
0
3.526
0
30.924
0
0
-6.565
0
34.089
215.356
956.564
-3.039
31.660
1.206.745
3.526
24.359
1.234.630
Direct marktnoteringen
Afgeleide
marktnoteringen
Waarderingsmodellen
Totaal
4.120
223.233
935.223
0
39.727
0
0
0
3.568
0
35.885
0
0
41.807
0
40.005
223.233
935.223
45.375
39.727
1.202.303
3.568
77.692
1.283.563
Per 31 december 2013
Vastgoedbeleggingen
Aandelen
Vastrentende waarden
Derivaten
Overige beleggingen
Per 31 december 2012
Vastgoedbeleggingen
Aandelen
Vastrentende waarden
Derivaten
Overige beleggingen
Schattingen van de actuele waarde zijn een momentopname, gebaseerd op de marktomstandigheden en de
beschikbare informatie over het financiële instrument. Van de vastgoedbeleggingen vindt de waardering van het
daadwerkelijke onroerend goed plaats door onafhankelijke taxateurs.
De waardering van derivaten vindt plaats door gebruik van interne modellen, waarbij de resultaten van de tegenpartij
en van Bloomberg als referentie worden gebruikt voor controle van de uitkomsten van de interne modellen.
€
579
7
0
250
1
16
586
267
Alle vorderingen hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
3. Overige activa
Liquide middelen
8.758
De tegoeden bij banken staan ter vrije beschikking van het pensioenfonds.
55
31-12-2012
€
2. Vorderingen en overlopende activa
Vorderingen op de werkgever(s)
Debiteuren
Overige vorderingen en overlopende activa
31-12-2013
12.533
PASSIVA
4. Stichtingskapitaal en reserves
2013
2012
€
€
Algemene reserve
Stand per begin boekjaar
Bestemming saldo van baten en lasten
80.738
20.437
26.979
53.759
101.175
80.738
Dekkingsgraad, vermogenspositie en herstelplan
De (nominale) dekkingsgraad van het fonds wordt berekend door op balansdatum het balanstotaal minus de
kortlopende schulden te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.
Bij het berekenen van de reële dekkingsgraad van het fonds wordt ten behoeve van deze berekening de voorziening
pensioenverplichtingen herrekend rekening houdend met de verwachte loon- en prijsinflatie.
Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het fonds gebruik van het standaard
model. De vereiste solvabiliteit per risicofactor is aan de hand van een (wortel)formule gecombineerd tot een totaal
vereiste solvabiliteit (inclusief een opslag voor actief risico). Verondersteld wordt dat er geen sprake is van materiële
risico's die niet door het standaardmodel (op het actief risico na) gedekt worden. Het concentratierisico en
liquiditeitsrisico worden als niet materieel beschouwd. Het bestuur acht het gebruik van het standaardmodel passend
voor de risico's van het fonds. De uitkomsten van de solvabiliteitstoets zijn opgenomen in de risicoparagraaf.
Op basis hiervan bedraagt het (minimaal) vereist vermogen op 31 december:
Stichtingskapitaal en reserves
Minimaal vereist eigen vermogen
Vereist eigen vermogen
2012
€
€
101.175
50.115
85.851
80.738
52.060
96.689
De dekkingsgraad van het pensioenfonds bedraagt 108,9% per 31 december 2013. Omdat de dekkingsgraad hoger is
dan de dekkingsgraad behorend bij het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen, is er ultimo
2013 geen sprake meer van een reservetekort.
De vermogenspositie van het pensioenfonds kan als gevolg hiervan worden gekarakteriseerd als toereikende
solvabiliteit.
Herstelplan
Het herstel van het vermogen van het pensioenfonds is gebaseerd op het op 27 maart 2009 bij DNB ingediende
herstelplan. Op 1 juli 2009 is dit herstelplan door DNB ongewijzigd goedgekeurd.
De belangrijkste maatregelen uit het herstelplan zijn:
- Voor het korte termijn herstel wordt met een periode van vijf jaar gerekend.
- De premie wordt vastgesteld volgens de aangepaste premie- en beleidstaffel.
- De toeslagverlening aan actieve deelnemers is onvoorwaardelijk en zal volgens de loonontwikkeling bij de
werkgever worden toegekend.
In het bestuursverslag is de ontwikkeling van de dekkingsgraad in 2013 ten opzichte van de verwachte ontwikkeling in
het herstelplan weergegeven. Hieruit blijkt dat het effect van de ingezette herstelmaatregelen voldoende was.
56
2013
31-12-2013
31-12-2012
€
€
5. Technische voorzieningen
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
Overige technische voorzieningen
1.135.743
3.847
1.168.391
4.137
1.139.590
1.172.528
2013
2012
€
€
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het
pensioenfonds
Stand per begin boekjaar
Pensioenopbouw
Toeslagverlening
Rentetoevoeging
Onttrekking voor uitkeringen en uitvoeringskosten
Wijziging marktrente
Wijziging actuariële uitgangspunten
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
Aanpassing sterftekansen
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
1.075.175
31.375
6.591
16.120
-41.622
72.158
0
2.965
9.542
-3.913
1.135.743
1.168.391
Ultimo boekjaar bedraagt de gemiddelde discontovoet 2,77% (2012: 2,42%).
Pensioenopbouw
Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de diensttijdopbouw. Dit is het effect op de
voorziening pensioenverplichtingen van de in het verslagjaar opgebouwde nominale rechten ouderdomspensioen en
nabestaandenpensioen. Verder is hierin begrepen het effect van de individuele salarisontwikkeling.
Toeslagverlening
In de staat van baten en lasten is de last uit hoofde van indexering en overige toeslagen welke aan het verslagjaar
moet worden toegerekend verantwoord.
Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen zijn opgerent met 0,4% (2012: 1,5%), op basis van de éénjaarsrente op de interbancaire
swapmarkt aan het begin van het verslagjaar.
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening
pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten
behoeve van de financiering van de verwachte pensioenuitkeringen in de verslagperiode.
Toekomstige pensioenuitvoeringskosten (in het bijzonder excassokosten) worden vooraf actuarieel berekend en
opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening
betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte uitvoeringskosten in de
verslagperiode.
Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de
actuele RTS. Het effect van de verandering van de RTS wordt verantwoord onder het hoofd wijziging marktrente.
Wijziging actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de
berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en
externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte,
langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie
van het fonds.
De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces,
waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het fonds. Het effect van deze
wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.
Hieronder is de verhoging van de voorziening als gevolg van aanpassing van de sterftegrondslagen opgenomen. Op
advies van de certificerende actuaris is de waardering van het prepensioen aangepast.
57
1.168.391
29.275
3.474
4.064
-41.388
-35.822
1.032
2.745
0
3.972
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
Toevoeging aan de technische voorzieningen
Onttrekking aan de technische voorzieningen
5.411
-2.666 3.742
-777
2.745 2.965
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
Resultaat op kanssystemen:
Sterfte
Arbeidsongeschiktheid
Mutaties
Overige technische grondslagen
2.320
-1.401
3.053
0
-2.927
-708
2.186
-2.464
3.972
-3.913
De voorziening voor pensioenverplichtingen is naar categorieën als volgt samengesteld:
2013
€
2012
Aantallen
€
Aantallen
Actieven
Gepensioneerden
Slapers
Voorziening voor pensioenverplichtingen
548.537
466.304
124.749
2.024
1.263
1.481
581.998 453.619
136.911 2.023
1.198
1.474
1.139.590
4.768
1.172.528 4.695
Korte beschrijving pensioenregeling
De pensioenregeling kan voor actieve deelnemers worden gekenmerkt als een onvoorwaardelijk geïndexeerde
middelloonregeling met een pensioenleeftijd van 65 jaar. Jaarlijks wordt een aanspraak op ouderdomspensioen
opgebouwd van 2,15% van de in dat jaar geldende pensioengrondslag. De pensioengrondslag is gelijk aan 13
maandsalarissen en het vakantiegeld onder aftrek van een franchise. De franchise wordt jaarlijks vastgesteld. Tevens
bestaat er recht op nabestaanden- en wezenpensioen. Jaarlijks beslist het bestuur van het pensioenfonds de mate
waarin de opgebouwde aanspraken van gewezen deelnemers worden geïndexeerd. Overeenkomstig artikel 10 van de
Pensioenwet kwalificeert de pensioenregeling als een uitkeringsovereenkomst.
Toeslagverlening
De hoogte van de toeslagverlening van de pensioenen is voor actieve deelnemers reglementair gekoppeld aan de
algemene loonontwikkeling binnen de DNB-CAO. Er is sprake van een onvoorwaardelijke toezegging, zolang de
deelnemer als werknemer in dienst is bij DNB.
Inhaaltoeslagen
Onder bepaalde omstandigheden kunnen inhaaltoeslagen worden toegekend. Inhaaltoeslagen zijn toeslagen die worden
toegezegd, voor zover in het verleden niet voor 100% is geïndexeerd. Om inhaaltoeslagen te kunnen toekennen is een
hoge dekkingsgraad vereist. Inhaaltoeslagen zijn daarom op korte termijn niet te verwachten. Het bestuur van het
pensioenfonds geeft in zijn jaarrekening elk jaar een specificatie van het verschil tussen de volledige en de werkelijk
toegekende toeslagen.
Voor de premievrije deelnemers en de gepensioneerden is deze specificatie in de volgende tabel opgenomen.
Volledige
toeslagverlening
%
Toegekende
toeslagen
%
Verschil
Cumulatief
verschil
%
%
Actieven
2009
2011
2012
2013
0,58
1,75
1,21
0,58
58
0,58
1,75
1,21
0,58
-
-
Volledige
toeslagverlening
Toegekende
toeslagen
Verschil
Cumulatief
verschil
%
%
%
%
Inactieven ex-PVK
2009
2011
2012
2013
1,00
1,75
1,21
0,58
1,00
1,75
1,21
0,58
-
-
Volledige
toeslagverlening
Toegekende
toeslagen
%
Verschil
Cumulatief
verschil
%
%
%
Inactieven DNB (voor 1 jan 2003)
2009
2010
2011
2012
2013
1,00
1,75
1,21
0,58
-
1,00
1,75
1,21
0,58
1,00
1,00
2,75
3,96
4,54
Volledige
toeslagverlening
%
Toegekende
toeslagen
%
Verschil
Cumulatief
verschil
%
%
Inactieven DNB (na 1 jan 2003)
2009
2010
2011
2012
2013
0,40
1,30
2,30
2,50
2,50
0,53
-
0,40
0,77
2,30
2,50
2,50
0,40
1,97
4,21
6,63
9,24
Overige technische voorzieningen
2012
2013
€
€
Voorziening voor arbeidsongeschiktheid
Stand per begin boekjaar
Rentetoevoeging
Onttrekking
Overige actuariële wijzigingen
3.683
5
-146
305 4.137
0
0
0
3.847 4.137
31-12-2013
31-12-2012
€
€
6. Overige schulden en overlopende passiva
Premieafrekening
Schulden u.h.v. terugstortverplichting onderpand derivaten
Pensioenuitkeringen
Derivaten
Belastingen en premies sociale verzekeringen
Crediteuren en overlopende posten
Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
59
0
0
65
24.192
101
3.043 27.401 1.629
27.863
42
20.208
193
13.370
63.305
6.4.3.1
Risicobeheer
Onderstaand wordt een nadere toelichting gegeven op de voornaamste risico's die door het bestuur zijn onderkend,
alsmede op het beleid van het bestuur voor het mitigeren van deze risico's.
Het fonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's.
De belangrijkste doelstelling van het fonds is het nakomen van de pensioentoezeggingen.
Het bestuur laat periodiek een ALM studie uitvoeren. De uitkomsten hiervan vormen mede de basis voor het beleid van
het fonds. Dit beleid is verwoord in de ABTN van het fonds. Het bestuur beschikt over een aantal beleidsinstrumenten
ten behoeve van het beheersen van de risico's. Deze beleidsinstrumenten betreffen:
- Beleggingsbeleid;
- Premiebeleid;
- Herverzekeringsbeleid;
- Toeslagbeleid.
In 2013 heeft het bestuur naar aanleiding van de nieuwe pensioenregeling een aanvullend onderzoek uitgevoerd op
basis van de in 2011 uitgevoerde ALM studie, in verband met de toekomstige premiestelling.
De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het bestuur vast te stellen beleggingsrichtlijnen
als basis voor het uit te voeren beleggingsbeleid. De beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de
uitvoering van het beleggingsbeleid door de vermogensbeheerders moet plaatsvinden. Deze uitgangspunten zijn
vastgelegd in mandaatovereenkomsten met de vermogensbeheerders. De mandaten zijn gericht op zowel actief als
passief vermogensbeheer.
Solvabiliteitsrisico's
Een belangrijk risico voor het pensioenfonds is het solvabiliteitsrisico. Dit betreft het risico dat het pensioenfonds niet
beschikt over voldoende vermogen om de pensioenverplichtingen na te komen. Indien de solvabiliteit zich negatief
ontwikkelt, bestaat het risico dat het pensioenfonds de premie moet verhogen en dat er geen ruimte is voor (volledige)
toeslagverlening. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het pensioenfonds de verworven
pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen (afstempelen). In de wet- en regelgeving zijn voorschriften
opgenomen hoe er met dit risico moet worden omgegaan. In de premie- en beleidstaffel van het pensioenfonds wordt
ook rekening gehouden met de solvabiliteitseisen.
Het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV) moet worden aangehouden ter dekking van algemene risico's zoals
beleggingsrisico's, overlijdensrisico's en arbeidsongeschiktheidsrisico's. Indien een pensioenfonds niet over dit
vermogen beschikt is er sprake van een dekkingstekort en moet het een kortetermijnherstelplan indienen bij de
toezichthouder.
Het Vereist Eigen Vermogen (VEV) is de omvang van het eigen vermogen waarover een pensioenfonds minimaal moet
beschikken. Indien een pensioenfonds niet over dit vermogen beschikt is er sprake van een reservetekort en moet het
een lange termijn herstelplan indienen bij de toezichthouder.
Het VEV is het vermogen dat hoort bij de evenwichtssituatie van een pensioenfonds. In deze situatie is het eigen
vermogen zodanig dat het over 1 jaar met een zekerheid van 97,5% meer bezittingen heeft dan verplichtingen. Het
pensioenfonds bepaalt het VEV met behulp van het standaardmodel dat door de toezichthouder is vastgesteld.
Per ultimo december 2013 is met het standaardmodel per risicofactor de vereiste solvabiliteit bepaald. De vereiste
solvabiliteit per risicofactor is aan de hand van een (wortel)formule gecombineerd tot een totaal vereiste solvabiliteit
(inclusief een opslag voor actief risico).
Het vereist eigen vermogen is gebaseerd op de strategische portefeuille en bedraagt ultimo 2013 7,5%. Indien het
vereist eigen vermogen zou worden bepaald op basis van de werkelijke portefeuille per ultimo december 2013, dan zou
het vereist eigen vermogen 7,3% bedragen. Ultimo 2012 bedroeg het vereist eigen vermogen 7,7% op basis van de
werkelijke portefeuille.
60
De aanwezige dekkingsgraad heeft zich als volgt ontwikkeld:
2013
2012
%
%
Dekkingsgraad per 1 januari
Premie
Uitkering
Toeslagverlening
Benodigde intrest
Beleggingsopbrengsten- return
Belegginsopbrengsten- matching
Wijziging rentetermijnstructuur voorziening pensioenverplichtingen
Wijziging Ultimate Forward Rate voorziening pensioenverplichtingen
Aanpassing levensverwachting
Overige oorzaken
106,9
0,7
0,3
-0,3
3,0
-4,4
4,1
-1,0
-0,1
-0,3
102,5
0,5
0,1
-1,5
2,3
11,1
-9,7
3,1
-0,9
-0,6
Dekkingsgraad per 31 december
108,9
106,9
De berekening van het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende surplus/tekort aan het einde van het
boekjaar is als volgt:
2013
2012
%
%
S1 Renterisico
S2 Risico zakelijke waarden
S3 Valutarisico
S4 Grondstoffenrisico
S5 Kredietrisico
S6 Verzekeringstechnisch risico
S7 Liquiditeitsrisico
S8 Concentratierisico
S9 Operationeel risico
S10 Actief risico
Diversificatie-effect
Totaal
0,7 5,6
1,4
1,6
4,0
0,6
-6,4 0,4
5,9
1,1
1,5
4,1
1,5
-6,7
7,5 7,7
Het vereist eigen vermogen is bepaald als de wortel van: S1²+S2²+(0,5x2xS1xS2)+S3²+S4²+S5²+S6²+S10².
2013
2012
€
€
Vereist eigen vermogen (buffer)
Voorziening pensioenverplichting
Vereist pensioenvermogen
Aanwezig eigen vermogen
Overschot / tekort
96.689
1.172.528
1.269.217
80.738
-15.324 15.951
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het zakelijke waarden risico (aandelen) het grootste risico vormt voor het
pensioenfonds. Diversificatievoordeel ontstaat doordat in het standaardmodel met behulp van een (wortel)formule
wordt verondersteld dat niet alle risico's gelijktijdig optreden. In de formule wordt verondersteld dat een daling van de
marktwaarde van zakelijke waarden samengaat met een daling van de rente. De samenhang (correlatie) tussen het
renterisico en het zakelijke waarden risico is 0,5. De correlatie tussen de overige risicofactoren wordt door de
toezichthouder ten behoeve van vaststelling van het vereist eigen vermogen gelijk verondersteld aan nul. Op deze wijze
is er diversificatie tussen verschillende risicofactoren, d.w.z. dat niet alle risico's gelijktijdig opgetreden, meegenomen in
de formule.
61
85.851 1.139.590
1.225.441
101.175 Beleggingsrisico
De belangrijkste beleggingsrisico's betreffen het markt-, krediet- en liquiditeitsrisico. Het marktrisico is uit te splitsen in
renterisico, valutarisico en prijs(koers)risico. Marktrisico wordt gelopen op de verschillende beleggingsmarkten waarin
het pensioenfonds op basis van het vastgestelde beleggingsbeleid actief is. De beheersing van het risico is geïntegreerd
in het beleggingsproces. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid kunnen zich voorts risico's manifesteren uit hoofde
van de geselecteerde managers en bewaarbedrijven (zogeheten manager- en custody risico), en de juridische
bepalingen omtrent gebruikte instrumenten en de uitvoeringsovereenkomst (juridisch risico). Het marktrisico wordt
beheerst doordat met de vermogensbeheerder specifieke mandaten zijn afgesproken, welke in overeenstemming zijn
met de beleidskaders en richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld door het bestuur. Het bestuur monitort de mate van
naleving van deze mandaten. De marktposities worden periodiek gerapporteerd.
Renterisico (S1)
Renterisico is het risico dat de waarde van de portefeuille vastrentende waarden en de waarde van de
pensioenverplichtingen veranderen als gevolg van ongunstige veranderingen in de marktrente. Maatstaf voor het meten
van rentegevoeligheid is de duration. De duration is de gewogen gemiddelde resterende looptijd in jaren ook te
omschrijven als de waardeverandering van de vastrentende waarde als gevolg van een rente/inflatie wijziging met 1%.
Voor de afdekking van het renterisico worden obligaties en rentederivaten (renteswap overlay) ingezet.
In de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever is bepaald dat het pensioenfonds minimaal 80% van het renterisico
van de nominale verplichtingen afdekt. In de praktijk wordt het renterisico doorlopend gemonitord, waarbij minimaal
eens per kwartaal de optimale rente afdekking door de beleggingscommissie op advies van de fiduciair beheerder wordt
beoordeeld. Voor het afdekken van het renterisico staat allereerst de fysieke obligatieportefeuille ter beschikking. Deze
portefeuille heeft een rentegevoeligheid die weliswaar afwijkt van de verplichtingen, maar al een deel van de
rentegevoeligheid afdekt. Het verdere maatwerk wordt geleverd door het gebruik van renteswaps. Ultimo 2013 is
93,4% van het renterisico afgedekt (2012: 95,7%).
De duratie en het effect van de renteafdekking kan als volgt worden samengevat:
31-12-2013
€
Vastrentende waarden (vóór derivaten)
Vastrentende waarden (na derivaten)
(Nominale) pensioenverplichtingen
31-12-2012
Duratie
956.564
949.999
1.139.590
€
11,2
14,8
15,8
Duratie
935.223
976.863
1.172.528
10,9
15,5
16,2
De samenstelling van de vastrentende waarden naar looptijd is als volgt:
31-12-2013
31-12-2012
€
%
€
%
Resterende looptijd < 1 jaar
Resterende looptijd > 1 jaar en < 5 jaar
Resterende looptijd > 5 jaar
7.336
162.077
787.151
0,8 16,9
82,3 12.856
183.263
739.104
1,4
19,6
79,0
956.564
100,0 935.223
100,0
De presentatie van de vastrentende waarden in bovenstaande looptijden hangt samen met het lange termijn karakter
van de investeringen van het pensioenfonds en het hiermee samenhangende beleid en ter vergelijking met de
looptijden van de verplichtingen zoals in onderstaand overzicht weergegeven.
De resterende looptijd van de verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:
31-12-2013
€
Resterende
Resterende
Resterende
Resterende
looptijd
looptijd
looptijd
looptijd
<
>
>
>
5 jaar
5 en < 10 jaar
10 en < 20 jaar
20 jaar
207.533
187.988
325.246
418.823
1.139.590
%
18,2 16,5
28,5
36,8 100,0 31-12-2012 €
%
215.862
202.082
342.053
412.531
18,4
17,2
29,2
35,2
1.172.528
100,0
Risico zakelijke waarden (S2)
Zakelijke waarden risico is het risico dat de waarde van de zakelijke waarden (voornamelijk aandelen, beursgenoteerd
indirect vastgoed en converteerbare obligaties) verandert door veranderingen in de marktprijzen voor deze waarden.
Het structurele marktrisico wordt beheerst binnen het ALM-proces. Daarin wordt een zodanige beleggingsmix
vastgesteld dat het marktrisico acceptabel is. De feitelijke beleggingsmix mag binnen vastgestelde bandbreedtes
afwijken van de ALM-beleggingsmix. Voor de beheersing van het marktrisico in samenhang met het renterisico wordt
gebruik gemaakt van derivaten.
62
Valutarisico (S3)
De obligatieportefeuille kent een beperkt valutarisico en de vreemde valuta-exposure wordt afgedekt. Verder wordt
100% van de benchmark exposure in de Amerikaanse dollar, Japanse yen en Britse pond afgedekt naar de euro voor
aandelen, wereldwijde high yield obligaties en schuldpapier van opkomende markten. De gebruikte instrumenten zijn
valutatermijncontracten met een looptijd van 3 maanden, die ieder kwartaal worden doorgerold. De valutapositie voor
en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:
De valutapositie per 31 december 2013 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:
2013
EUR
GBP
JPY
USD
Overige
Totaal
Valutaderivaten
Netto positie
Voor afdekking
Afdekking
Na afdekking
€
€
€
977.807
30.858
15.228
161.327
46.228
183.183
-23.099
-15.322
-140.703
-877
1.160.990
7.759
-94
20.624
45.351
1.231.448
3.182
1.234.630
De valutapositie per 31 december 2012 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:
2012
EUR
GBP
JPY
USD
Overige
63
Totaal
Valutaderivaten
Netto positie
Voor afdekking
Afdekking
Na afdekking
€
€
€
1.011.185
24.285
7.456
150.904
58.101
180.798
-17.446
-23.756
-126.104
-9.723
1.191.983
6.839
-16.300
24.800
48.378
1.251.931
3.769
1.255.700
Prijsrisico
Prijsrisico is het risico van waardewijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen. Het wordt veroorzaakt door
factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.
Het prijsrisico wordt gemitigeerd door diversificatie die onder meer is vastgelegd in de strategische beleggingsmix van
het fonds.
De segmentatie van de aandelenportefeuille naar regio is als volgt:
€ Europa
Noord-Amerika
Azië
Overig
%
70.218
80.254
45.470
19.414
215.356
Totaal
2013
32,6 37,3
21,1
9,0 100,0 2012
€ %
53.169
79.107
35.151
55.806
23,8
35,4
15,8
25,0
223.233
100,0
De vastgoedportefeuille betreft een niet-beursgenoteerd fonds van CBRE dat belegt in 22 landen in Continentaal
Europa. De beleggingen in dit fonds hebben ultimo 2013 een waarde van € 30,9 mln.
De segmentatie van de aandelenportefeuille naar sectoren is als volgt:
2013
2012
€
%
€
%
23.138
37.428
995
56.493
12.506
26.963
9.596
44.870
3.367
10,7 17,4
0,5
26,2
5,8
12,5
4,5
20,8
1,6 23.339
29.267
5.027
47.755
8.259
20.741
9.225
32.946
46.674
10,5
13,1
2,3
21,4
3,7
9,3
4,1
14,8
20,8
215.356
100,0 223.233
100,0
Energie
Industrie
Duurzame consumentengoederen
Consumentengebruiksgoederen
Media & entertainment
Informatietechnologie
Telecommunicatie
Niet-gespecificeerd binnen beleggingsfondsen
Overige
Totaal
Kredietrisico (S5)
Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het pensioenfonds als gevolg van faillissement of
betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het pensioenfonds (potentiële) vorderingen heeft. Naast het hanteren van
minimale creditratings en concentratielimieten op individuele tegenpartijen en/of uitgevende instellingen wordt het
risico op tegenpartijen voor buitenbeurstransacties (het OTC plaatsen van deposito's en het afsluiten van swaps)
afgedekt door middel van onderpandstelling. In het verlengde van de risicobeheersingmaatregelen voor het
tegenpartijrisico, houdt de fiduciair manager zich bezig met het continu monitoren en analyseren van het kredietrisico
van uitgevende instellingen. In 2013 hebben zich geen kredietverliezen voorgedaan.
De samenstelling van de vastrentende waarden naar regio's kan als volgt worden samengevat:
2013
€
2012
%
€
%
Europa
Noord-Amerika
Zuid-Oost Azië
Overige
886.095
60.723
612
9.134
92,6 6,3
0,1
1,0 914.446
13.912
400
6.465
97,8
1,5
0,7
Totaal
956.564
100,0 935.223
100,0
64
De vastrentende waarden worden via gereglementeerde markten verhandeld. De rating is gebaseerd op Moody's, als
deze niet beschikbaar is wordt de rating van Standard & Poor's gebruikt en tenslotte Fitch.
Onderstaande tabel geeft, ter illustratie van het kredietrisico binnen de vastrentende waarden portefeuille, de verdeling
naar de verschillende kredietkwaliteiten weer ultimo 2013.
2013
2012
€
%
€
%
AAA
AA
A
BBB
BB
Geen rating
490.684
242.705
70.818
128.505
16.019
7.833
51,3 25,4
7,4
13,4
1,7
0,8 505.910
254.688
70.058
102.132
1.735
700
54,1
27,2
7,5
10,9
0,2
0,1
Totaal
956.564
100,0 935.223
100,0
Verzekeringstechnische risico's (actuariële risico's, S6)
Het verzekeringstechnisch risico is het risico dat voortvloeit uit mogelijke afwijkingen van actuariële inschattingen die
worden gebruikt voor de vaststelling van de technische voorzieningen en de hoogte van de premie. De belangrijkste
actuariële risico's zijn de risico's van langleven, overlijden (kortleven), arbeidsongeschiktheid en het toeslagrisico.
Langlevenrisico
Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld verondersteld wordt bij de bepaling van
de voorziening pensioenverplichtingen. Als gevolg hiervan volstaat mogelijk de opbouw van het pensioenvermogen niet
voor de uitkering van de pensioenverplichting aan deze langer levende deelnemers.
Eind 2012 heeft het pensioenfonds, naar aanleiding van publicatie van de nieuwe prognosetafels, onderzocht welke
gevolgen de nieuwe prognosetafels hebben voor de gehele set van voorzieningsgrondslagen. Het bestuur heeft toen
besloten de AG-prognosetafel 2012-2062 te implementeren, waarbij een correctie wordt toegepast gebaseerd op de
CBS ervaringscurve van de levensverwachting bij een sociaaleconomische status hoog. De toezichthouder is akkoord
gegaan met deze methodiek.
Er wordt geen leeftijdsterugstelling toegepast. Iedere twee jaar zal het bestuur deze tafel herijken op basis van de
nieuwste gegevens. De reglementsfactoren zijn eveneens per 1 januari 2013 aangepast aan de nieuwe prognosetafel.
Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico houdt in dat het pensioenfonds in geval van overlijden mogelijk een nabestaandenpensioen moet
toekennen waarvoor door het pensioenfonds geen voorzieningen zijn getroffen. Voor het overlijdensrisico wordt een
risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke kosten wordt verwerkt via het
resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremies worden periodiek herzien. Gezien de schaal van het
pensioenfonds is dit risico niet herverzekerd.
Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het pensioenfonds voorzieningen moet treffen voor
premievrijstelling bij invaliditeit en voor het toekennen van een arbeidsongeschiktheidspensioen. Voor het
arbeidsongeschiktheidsrisico wordt een risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de
werkelijke kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremies worden
periodiek herzien. Ook dit risico wordt door het pensioenfonds niet herverzekerd.
Toeslagrisico
Het bestuur van het pensioenfonds heeft de ambitie om toeslagen op de pensioenen toe te kennen. De mate waarin dit
kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de ontwikkelingen in de rente, rendement, looninflatie en demografie.
Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de toeslagverlening voor niet-actieven voorwaardelijk is.
De zogenaamde reële dekkingsgraad geeft inzicht in de mate waarin toeslagen kunnen worden toegekend (ook wel
aangeduid als de toeslagruimte). Voor het bepalen van de reële dekkingsgraad worden onvoorwaardelijke nominale
pensioenverplichtingen verdisconteerd tegen een reële, in plaats van nominale, rentetermijnstructuur. Omdat er op dit
moment geen markt voor financiële instrumenten aanwezig is waaruit de reële rentetermijnstructuur kan worden
afgeleid, wordt gebruik gemaakt van een benaderingswijze.
De nominale rente kan worden verminderd met een bepaald (vast) percentage dat de toeslagambitie op lange termijn
weergeeft. Ook kan gebruik worden gemaakt van de verwachte loon- of prijsinflatie (afhankelijk van de bepalingen
omtrent toeslagverlening in het reglement).
Ultimo 2013 bedraagt de reële dekkingsgraad 79,5% (31 december 2012: 74,0%).
Het fonds heeft deze risico's overwogen en verwerkt in de buffer voor het verzekeringstechnisch risico ultimo 2013.
65
Liquiditeitsrisico (S7)
Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen worden
omgezet in liquide middelen, waardoor het pensioenfonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan voldoen.
Waar de overige risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij om de kortere
termijn. Dit risico kan worden beheerst door in het strategische en tactische beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te
houden voor de liquiditeitsposities. Er moet eveneens rekening worden gehouden met de directe
beleggingsopbrengsten en andere inkomsten zoals premies.
Concentratierisico (S8)
Concentraties kunnen ertoe leiden dat het fonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering (marktrisico) of
de financiële positie van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële) gevolgen hiervan ondervindt.
Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie in de beleggingsportefeuille in producten, regio's of landen,
economische sectoren of tegenpartijen. Naast concentraties in de beleggingsportefeuille kan ook sprake zijn van
concentraties in de verplichtingen en de uitvoering.
De spreiding in de beleggingsportefeuille is weergegeven in de tabel die is opgenomen bij de toelichting op het
kredietrisico. Grote posten kunnen een post van concentratierisico zijn. Om te bepalen welke posten dit betreft worden
per beleggingscategorie alle instrumenten met dezelfde debiteur opgeteld. Als grote post wordt aangemerkt elke post
die meer dan 2% van het balanstotaal uitmaakt. Ultimo 2013 zijn de volgende posten met meer dan 2% van het
balanstotaal aanwezig:
31-12-2013
31-12-2012
€
%
€
%
Vastgoed
CBRE Eurosiris fonds
30.924
Aandelen
iShares Emerging market fund (BlackRock)
0
Vastrentende waarden
33.423
32.804
173.543
266.357
95.768
56.738
66.543
totaal
756.100
35.886
- Oostenrijk
Italië
Frankrijk
Duitsland
Nederland
België
iShares Emerging market fund (BlackRock)
66
2,4 2,6 2,6
13,7
21,0
7,6
4,5
5,2 59,6 2,7
43.404
3,3
35.454
36.305
180.785
285.815
94.205
56.786
0
2,7
2,8
13,7
21,7
7,2
4,3
-
768.640
58,4
Operationeel risico (S9)
Operationeel risico is het risico dat optreedt bij de uitvoering van het pensioen- en vermogensbeheer,
bestuursondersteuning en de integrale advisering van het pensioenfonds inzake het beleid op communicatie-, juridisch,
fiscaal, actuarieel en beleggingsterrein en heeft betrekking op de continuïteit, integriteit en kwaliteit van de
dienstverlening. Het pensioenfonds heeft de genoemde werkzaamheden uitbesteed aan TKP, BNY Mellon en BlackRock.
Uitbestedingsrisico is het risico dat de continuïteit, integriteit en/of kwaliteit van de aan derden uitbestede
werkzaamheden dan wel door deze derden ter beschikking gestelde apparatuur en personeel worden geschaad. Het
uitbestedingsrisico wordt gemitigeerd door de afspraken (kwaliteitseisen) in de uitvoeringsovereenkomst en de daaraan
verbonden Service Level Agreement (SLA). Monitoring van de uitvoering door het bestuur van het pensioenfonds vindt
plaats op basis van de periodieke rapportages van de externe uitvoerders over de uitgevoerde werkzaamheden. Tevens
ontvangt het pensioenfonds van de uitvoerders TKP, BlackRock en BNY Mellon een ISAE 3402 type II-rapport of
vergelijkbaar rapport. Deze rapportages geven inzicht in de wijze van beheersing van de operationele risico's en geeft
aan of de uitvoerder 'in control' is. Een onafhankelijke externe accountant certificeert de rapportages.
Overige niet-financiële risico's
Het integriteitrisico is het gevaar voor aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van
vermogen of resultaat van het pensioenfonds als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens
enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven. Het integriteitrisico wordt gemitigeerd door de vaststelling van
integriteitbeleid door het bestuur en de jaarlijkse toetsing hiervan. Het pensioenfonds beschikt over een gedragscode.
Het doel van de gedragscode is het bijdragen aan het transparant en integer handelen van de bestuurders ten behoeve
van al diegenen die bij het pensioenfonds belang hebben en tot het waarborgen van de goede naam en reputatie van
het pensioenfonds. De gedragscode bevat onder meer regels over hoe een bestuurslid moet omgaan met vertrouwelijke
informatie, voorwetenschap, relatiegeschenken en het vervullen van nevenfuncties bij andere ondernemingen en
instellingen. Het pensioenfonds volgt verder een Socially Responsible Investment-strategie. Als gevolg daarvan is een
lijst van ondernemingen opgenomen waarin niet mag worden belegd.
Juridisch risico
Het juridisch risico wordt onder andere beheerst door het sluiten van diverse overeenkomsten. Waar nodig wordt
tevens juridisch advies ingewonnen.
Actief risico (S10)
Een actief beleggingsrisico ontstaat wanneer met het beleggingsbeleid binnen de beleggingscategorieën afgeweken
wordt van het beleid volgens de benchmark. Een maatstaf van de mate waarin actief wordt belegd is de zogenaamde
'tracking error'. De tracking error geeft aan hoe groot de afwijkingen van het rendement kunnen zijn ten opzichte van
het benchmarkrendement. Hoe hoger de tracking error, hoe hoger het actief risico.
Bij het pensioenfonds bedraagt de tracking error per eind december 0,3% (2012: 0,7%). Het actief risico is in de
berekening van het vereist eigen vermogen opgenomen als S10. S10 heeft een omvang van twee maal de tracking
error van de portefeuille (97,5% zekerheid). Er is verondersteld dat het actief risico niet samenhangt met de andere
risicofactoren.
Systeemrisico
Systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale markten) niet langer naar
behoren functioneert, waardoor beleggingen van het fonds niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk,
hun waarde kunnen verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het fonds niet beheersbaar. Het
systeemrisico maakt geen onderdeel uit van de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets.
Derivaten
Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruik gemaakt van financiële derivaten. Hoofdregel die hierbij geldt,
is dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit passend is binnen het beleggingsbeleid van het
pensioenfonds. Derivaten worden hoofdzakelijk gebruikt om de hiervoor vermelde vormen van marktrisico zo veel
mogelijk af te dekken.
Derivaten hebben als voornaamste risico het kredietrisico. Dit risico wordt beperkt door alleen transacties aan te gaan
met goed te boek staande partijen en door zoveel mogelijk te werken met onderpand.
67
Gebruik kan worden gemaakt van onder meer de volgende instrumenten:
Futures: dit zijn standaard beursgenoteerde instrumenten waarmee snel posities kunnen worden
l
gewijzigd. Futures worden gebruikt voor het tactische beleggingsbeleid. Tactisch beleggingsbeleid is
slechts zeer beperkt mogelijk binnen de grenzen van het strategische beleggingsbeleid.
Putopties op aandelen: dit betreft al dan niet beursgenoteerde opties waarmee het pensioenfonds het
l
neerwaartse koersrisico van de aandelenportefeuille kan beperken. Voor deze opties wordt bij de
verwerving een premie betaald die onder meer afhankelijk is van het actuele koersniveau van de
onderliggende index, de looptijd van de opties en de uitoefenprijs van de opties.
Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting
L
wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de aankoop van een andere valuta, tegen een
vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten
worden valutarisico's afgedekt.
Swaps: dit betreft met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan
l
tot het uitwisselen van rentebetalingen over een nominale hoofdsom. Door middel van swaps kan het
pensioenfonds de rentegevoeligheid van de portefeuille beïnvloeden.
Ultimo 2013 zijn zekerheden ontvangen voor de swaps voor een bedrag van € 5,0 mln (2012: € 29,2 mln en € 9,8 mln
in stukken). Ultimo 2013 zijn zekerheden gesteld voor de swaps voor een bedrag van € 13,2 mln.
Het pensioenfonds neemt geen deel aan securities lending programma's. De portefeuille aandelen bevat onder andere
een investering in iShares, die een securities lending component bevat. Deze wordt als gering beschouwd.
68
6.4.4
Niet in de balans opgenomen verplichtingen
Langlopende contractuele verplichtingen
Het pensioenfonds heeft een uitbestedingsovereenkomst gesloten met TKP Pensioen BV per 1 oktober 2007. Het betreft
een overeenkomst inzake pensioenadministratie en bestuursondersteuning welke per 1 januari 2014 is verlengd voor
een periode van 1 jaar met een opzegtermijn van negen maanden. De vergoeding voor 2013 bedraagt € 0,7 miljoen
(2012: € 0,8 miljoen).
Daarnaast heeft het pensioenfonds contracten afgesloten met BlackRock Netherlands BV voor fiduciair managent en
beheer van de matching assets. Het contract is per direct opzegbaar en heeft een opzegtermijn van drie maanden. Met
Wellington en J.P. Morgan zijn overeenkomsten afgesloten voor het beheer van de aandelenportefeuille. De contracten
zijn per direct opzegbaar.
Bank of New York Mellon SA/NV is aangesteld als custodian. Het contract is per direct opzegbaar, waarbij een
overgangstermijn gehanteerd wordt van 90 dagen.
6.4.5
Verbonden partijen
Transacties met (voormalige) bestuurders
Inzake de beloning van bestuurders wordt verwezen naar de toelichting op de staat van baten en lasten. Er zijn geen
leningen verstrekt aan, noch is er sprake van vorderingen op, (voormalige) bestuurders. De bestuurders nemen deel
aan de pensioenregeling van het fonds op basis van voorwaarden in het pensioenreglement.
Overige transacties met verbonden partijen
Het pensioenfonds heeft een uitvoeringsovereenkomst gesloten met de werkgever ten aanzien van de uitvoering van
het pensioenreglement met een looptijd tot 1 januari 2014. Deze overeenkomst wordt vervolgens stilzwijgend verlengd
met telkens drie jaren. De uitvoeringsovereenkomst is niet opgezegd of gewijzigd en loopt derhalve door. In overleg
met de werkgever is besloten tot een verlenging tot 1 januari 2015, omdat deze in het kader van een nieuwe
pensioenregeling herzien zal worden.
69
6.4.6
Toelichting op de staat van baten en lasten over 2013
7. Premiebijdragen voor risico pensioenfonds
2013
2012
€
€
De premiebijdragen kunnen als volgt worden gespecificeerd
Pensioenpremie huidig jaar
Koopsommen FVP
Inkoop indexatie pensioen
44.188 71
118 43.393
145
251
44.377 43.789
De totale bijdrage van werkgever en werknemers bedraagt 34,5% (2012: 34,5%) van de loonsom. Het pensioenfonds
maakt gebruik van de mogelijkheid om de kostendekkende premie te dempen. Het pensioenfonds voldoet aan de eis
dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte kostendekkende premie. De kostendekkende,
gedempte en feitelijke premie zijn als volgt:
Kostendekkende premie
Feitelijke premie
Gedempte premie
36.320
44.377
24.074
40.452
43.644
27.098
De premieopbrengsten zijn niet gesplitst naar een werkgever- en een werknemersdeel, omdat de totale premie volgens
overeenkomst aan de werkgever in rekening wordt gebracht. Een deel van de premie wordt door de werkgever
ingehouden op het salaris van de werknemers. Het deel van de premie dat de werkgever doorbelast aan de werknemer
wordt niet door het pensioenfonds geregistreerd.
8. Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
2013
Directe
beleggingsopbrengst
€
Vastgoedbeleggingen
Aandelen
Vastrentende waarden
Overige beleggingen
Derivaten
Kosten van vermogensbeheer
Indirecte
beleggingsopbrengst
€
Kosten
vermogensbeheer
2012
Vastgoedbeleggingen
Aandelen
Vastrentende waarden
Overige beleggingen
Derivaten
Kosten van vermogensbeheer
€
724
4.976
31.186
-129
5.642
-2.792
28.171
-57.965
-139
-23.873
0
-1.148
-1.647
0
0
-308
-2.068
31.999
-28.426
-268
-18.231
-308
42.399
-56.598
-3.103
-17.302
Directe
beleggingsopbrengst
Indirecte
beleggingsopbrengst
Kosten
vermogensbeheer
€
€
€
Totaal
€
724
5.086
32.125
-7
4.186
-1.806
18.504
62.474
-213
26.666
0
-271
-1.497
0
0
-1.903
-1.082
23.319
93.102
-220
30.852
-1.903
42.114
105.625
-3.671
144.068
De kosten vermogensbeheer van de vastgoedportefeuille worden verrekend binnen het vastgoedbeleggingsfonds,
derhalve is een opgave hiervan niet beschikbaar.
70
Totaal
€
2013
2012
€ € 9. Overige baten
Interest waardeoverdrachten
Interest overig
10. Pensioenuitkeringen
Ouderdomspensioen
Prepensioen
Partnerpensioen
Eenmalige uitkering (vakantiegeld)
Wezenpensioen
Arbeidsongeschiktheidspensioen
WAO-aanvulling
Afkoop pensioenen en premierestitutie
11. Pensioenuitvoeringskosten
42
4
30 46
24.677 6.918
7.375
1.586
183
303
137
43 22.441
9.238
7.404
1.738
185
313
156
18
41.222 41.493
Bestuurskosten
Administratiekostenvergoeding
Accountantskosten
Certificerend actuaris
Overige advieskosten
Contributies en bijdragen
Dwangsommen en boetes
Overige
Kosten toezicht DNB/AFM
30 0 99 745
49
33
89
15
0
28
76 88
765
82
35
131
18
0
24
90
1.134 1.233
Bezoldiging bestuurders
De bezoldiging voor de (voormalige) bestuurders tezamen bedraagt € 24 (2012: € 33).
Het bedrag aan vacatiegelden is afhankelijk van het aantal bijeenkomsten dat is gehouden en het aantal bestuursleden
dat deze bijeenkomsten heeft bijgewoond.
Aan betrokkenen zijn geen leningen, voorschotten of garanties verstrekt.
Aan de leden van het verantwoordingsorgaan werd door het pensioenfonds in 2013 een vergoeding verstrekt van € 8.
Aan de leden van de raad van toezicht werd door het pensioenfonds in 2013 een vergoeding verstrekt van € 33.
Het pensioenfonds heeft in 2013 en 2012 geen werknemers in dienst gehad.
Accountantshonoraria
De honoraria van de onafhankelijke externe accountant(s) zijn als volgt:
Controle van de jaarrekening
Andere controleopdrachten
49 0 50
32
49 82
De kosten voor 'Andere controleopdrachten' in 2012 hebben betrekking op fiscale advisering.
12. Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het
pensioenfonds
Voor het verloop van en de toelichting op de voorziening pensioenverplichtingen voor risico pensioenfonds wordt
verwezen naar de staat van baten en lasten respectievelijk de toelichting op de balans.
13. Mutatie overige technische voorzieningen
Mutatie overige technische voorzieningen
-290 71
410
Amsterdam, 23-05-2014
72
€
€
-5.234
2.446
-3.002
782
-2.788
-2.220
16
3
19
12
0
0
38
12
15. Overige lasten
Interest waardeoverdrachten
Interest premies
Overig
2012
14. Saldo overdracht van derden
Inkomende waardeoverdrachten
Uitgaande waardeoverdrachten
2013
6.5
Actuariële analyse
Oordeel van de externe actuaris over de financiële positie
De financiële positie van het fonds is naar mening van de certificerend actuaris voldoende.
Actuariële analyse van het resultaat
2013
2012
Wijziging rentetermijnstructuur
Beleggingsopbrengsten
Resultaat premie
Resultaat waardeoverdrachten
Resultaat kosten
Resultaat uitkeringen
Resultaat kanssystemen
Resultaat overige (incidentele) mutatie technische
voorziening
Resultaat andere oorzaken
35.828
-21.370
10.348
42
417
42
-3.977
-71.806
127.922
6.538
-745
297
65
1.449
-1.032
139
-17.793
34
Totaal resultaat
20.437
53.758
Bedragen x € 1.000
Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste onderdelen van het actuarieel resultaat.
Wijziging rentetermijnstructuur
De voorziening pensioenverplichtingen wordt gewaardeerd met behulp van de rentetermijnstructuur, welke
door DNB wordt gepubliceerd. De RTS ultimo 2013 ligt over alle looptijden duidelijk boven de RTS ultimo
2012. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente in 2013 met
circa 0,3% gestegen. Dit leidt tot een aanzienlijke daling van de voorziening en dus tot een positief
resultaat.
Beleggingsopbrengsten
Er is in 2013 een beleggingsrendement gerealiseerd van -1,3% terwijl voor de VPV een rendement van
0,351% nodig was. Dit zorgt voor een negatief resultaat als gevolg van beleggingsopbrengsten.
Resultaat kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste
zijn sterfte (-2.324) en arbeidsongeschiktheid (1.401).
Overige mutaties technische voorziening
Dit betreft de verhoging van de voorziening als gevolg van aanpassing van de waardering van het
prepensioen. Dit heeft geresulteerd in een toename van de voorziening van 1.032.
73
Kostendekkende premie
(bedragen * € 1.000)
RTS
actuarieel benodigde premie voor de inkoop van de onvoorwaardelijke
onderdelen van de regeling
excasso-opslag
extra pensioenopbouw
toeslagen
de risicopremie voor nabestaandenpensioen
opslag voor uitvoeringskosten
de risicopremie voor WIA excedent en premievrijstelling bij invaliditeit
solvabiliteitsopslag
▪ inkoop voorwaardelijk
Totaal kostendekkende premie
Feitelijke premie
26.652
Gedemp
t
17.054
551
0
3.356
1.256
582
1.293
2.512
118
36.320
551
0
2.161
917
582
1.094
1.638
76
24.074
44.377
Het pensioenfonds voldoet aan de eis dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte
kostendekkende premie.
Het vereist eigen vermogen eind 2013 is 107,5% en is gebaseerd op de strategische portefeuille. Indien het
vereist eigen vermogen zou worden bepaald op basis van de werkelijke portefeuille, dan zou het vereist
eigen vermogen op 107,2% zijn uitgekomen.
Amsterdam, 23 mei 2014
G. van Ankeren
E. Elvers
D. Hendriks
P.D. van Loo
mw. G.F.T. Tiellemans
L.J. van Wechem
F.J. de Weert
P.W.G.F. ten Westeneind
74
7.
Overige gegevens
7.1
Statutaire regelingen omtrent de bestemming van het saldo
van baten en lasten
Er zijn geen statutaire bepalingen betreffende de bestemming van het resultaat. Het saldo van de staat
van baten en lasten van € 20,4 miljoen is toegevoegd aan de algemene reserve.
7.2
Gebeurtenissen na balansdatum
Begin februari 2014 heeft het pensioenfonds de evaluatie van het herstelplan bij de toezichthouder
voldaan. De dekkingsgraad ten tijde van deze evaluatie bedroeg 108,8%, een afwijking van 0,1%-punt
ten opzichte van de definitief vastgestelde dekkingsgraad van 108,9%. De toezichthouder heeft
aangegeven geen opmerkingen te hebben bij de evaluatie van het herstelplan. Hiermee kan het
ingediende kortetermijnherstelplan als beëindigd worden beschouwd. Voor het overige is er geen sprake
van gebeurtenissen na balansdatum.
75
7.3
Actuariële verklaring
Opdracht
Door Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank NV te Amsterdam is aan Sprenkels & Verschuren
B.V. de opdracht verleend tot het afgeven van een actuariële verklaring als bedoeld in de Pensioenwet over
het boekjaar 2013.
Gegevens
De gegevens waarop mijn onderzoek is gebaseerd, zijn verstrekt door en tot stand gekomen onder de
verantwoordelijkheid van het bestuur van het pensioenfonds.
Voor de toetsing van de fondsmiddelen en voor de beoordeling van de vermogenspositie heb ik mij
gebaseerd op de financiële gegevens die ten grondslag liggen aan de jaarrekening. De accountant van het
pensioenfonds heeft mij geïnformeerd over zijn bevindingen ten aanzien van de betrouwbaarheid (materiële
juistheid en volledigheid) van de basisgegevens en de overige uitgangspunten die voor mijn oordeel van
belang zijn.
Werkzaamheden
Ter uitvoering van de opdracht heb ik onderzocht of is voldaan aan de artikelen 126 tot en met 140 van de
Pensioenwet.
Als onderdeel van de werkzaamheden voor de opdracht:
- heb ik ondermeer onderzocht of de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen vermogen en
het vereist eigen vermogen toereikend zijn vastgesteld, en
- heb ik mij een oordeel gevormd over de vermogenspositie van het pensioenfonds.
Mijn onderzoek heb ik zodanig uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de
resultaten geen onjuistheden van materieel belang bevatten. Ik heb mij een oordeel gevormd over de
waarschijnlijkheid waarmee het pensioenfonds de tot balansdatum aangegane verplichtingen kan nakomen,
mede in aanmerking nemend het financieel beleid van het pensioenfonds.
De beschreven werkzaamheden en de uitvoering daarvan zijn in overeenstemming met de binnen het
Koninklijk Actuarieel Genootschap geldende normen en gebruiken, en vormen naar mijn mening een
deugdelijke grondslag voor mijn oordeel.
Met betrekking tot deze werkzaamheden bevestig ik:
- dat ik mijn werkzaamheden volledig onafhankelijk heb uitgevoerd.
- dat ik niet bekend ben met zaken of feiten die aanleiding kunnen geven tot een melding overeenkomstig
artikel 170 lid 2 PW.
Oordeel
De technische voorzieningen zijn, overeenkomstig de beschreven berekeningsregels en uitgangspunten, als
geheel bezien, toereikend vastgesteld. Het eigen vermogen van het pensioenfonds is op de balansdatum
ten minste gelijk aan het wettelijk vereist eigen vermogen.
Gemeten naar de wettelijke maatstaf is ten aanzien van de verplichtingen, aangegaan tot balansdatum,
sprake van een toereikende solvabiliteit.
Met inachtneming van het voorafgaande heb ik mij ervan overtuigd dat is voldaan aan de artikelen 126 tot
en met 140 van de Pensioenwet.
De vermogenspositie van Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank NV is naar mijn mening
voldoende. Daarbij is in aanmerking genomen dat de mogelijkheden tot het realiseren van de beoogde
toeslagen beperkt zijn.
Amsterdam, 23 mei 2014
Drs. H.D. Panneman AAG
verbonden aan Sprenkels & Verschuren B.V.
76
7.4
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Aan: het bestuur van Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank N.V.
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de in dit verslag opgenomen jaarrekening 2013 van Stichting Pensioenfonds van De
Nederlandsche Bank N.V. te Amsterdam gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31
december 2013 en de staat van baten en lasten over 2013 met de toelichting, waarin zijn opgenomen een
overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Het bestuur van de stichting is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen
en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag, beide in
overeenstemming met Titel 9 Boek 2 van het in Nederland geldende Burgerlijk Wetboek (BW). Het bestuur
is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het bestuur noodzakelijk acht om het
opmaken van de jaarrekening mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van
fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle.
Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse
controlestandaarden. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij
onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de
jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de
bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de
door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de
jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.
Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die
relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan, gericht op het
opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen
hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne
beheersing van de stichting. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte
grondslagen voor financiële verslaggeving en van de redelijkheid van de door het bestuur van de stichting
gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een
onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
77
Oordeel
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het
vermogen van Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank N.V. per 31 december 2013 en van het
resultaat over 2013 in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 van het in Nederland geldende Burgerlijk
Wetboek (BW).
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken
naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag , voor zover wij dat kunnen beoordelen,
overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW
vereiste gegevens zijn toegevoegd. Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag , voor zover wij dat
kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW.
Groningen, 23 mei 2014
PricewaterhouseCoopers Accountants N.V.
Drs. H.D.M. Plomp RA
78
Bijlagen
79
Bijlage 1Pensioenregeling
Het pensioenfonds heeft vier pensioenreglementen:
•
De per 1 januari 2014 aangepaste Pensioenregeling 2006, welke van toepassing is op alle medewerkers
die geboren zijn op of na 1 januari 1950 en op 31 december 2005 al in dienst waren of daarna in dienst
zijn gekomen bij DNB.
•
Pensioenregeling 2003, welke van toepassing is op de werknemers die zijn geboren vóór 1 januari 1950
die op 31 december 2005 én 1 januari 2006 in dienst waren van DNB en per 31 december 2005
deelnamen aan het op die datum bij het pensioenfonds geldende pensioenreglement 2003 én degenen
geboren vóór 1 januari 1950 die op 31 december 2005 recht hadden op voortzetting van de
pensioenopbouw op grond van pensioenreglement 2003 zoals dat op die datum luidde èn die per 31
december 2002 in dienst waren van DNB.
•
Pensioenregeling 2005, welke van toepassing is op de werknemers, geboren vóór 1 januari 1950 die op
31 december 2005 en 1 januari 2006 in dienst waren en per 30 december 2004 deelnamen aan de op
die datum bij het pensioenfonds geldende pensioenregeling (in werking getreden op 1 januari 2002) en
degenen geboren vóór 1 januari 1950 die op 31 december 2005 recht hadden op voortzetting van de
pensioenopbouw op grond van pensioenreglement 2005 zoals dat op die datum luidde.
•
Standaard Pensioenovereenkomst Directeuren DNB, welke van toepassing is op de huidige directieleden
van DNB.
Inhoud van de pensioenreglementen
De belangrijkste kenmerken van de per 1 januari 2014 aangepaste pensioenregeling 2006 zijn:
•
•
•
•
•
•
•
Geïndexeerde middelloonregeling
Opbouwpercentage ouderdomspensioen 2,05% per jaar
Franchise van € 12.104 per 1 januari 2013 en van € 12.251 per 1 januari 2014
Pensioenleeftijd 67 jaar
Partnerpensioen vanaf pensioendatum op kapitaalbasis
Partnerpensioen voor de pensioendatum op risicobasis
Tijdelijk partnerpensioen op risicobasis
Overgangsbepalingen gelden voor medewerkers op wie de tot 1 januari 2006 geldende regelingen
(pensioenregeling 2003 (oud DNB) of pensioenregeling 2005 (oud PVK)) van toepassing waren. Daarbij
wordt een onderscheid gemaakt tussen medewerkers geboren op of na 1 januari 1950 en medewerkers
geboren vóór 1 januari 1950.
Overgangsbepalingen voor medewerkers geboren op of na 1 januari 1950
Voor medewerkers geboren op of na 1 januari 1950 op wie de tot 1 januari 2006 geldende regelingen
(pensioenregeling 2003 of pensioenregeling 2005) van toepassing waren, geldt dat de voor 1 januari 2006
opgebouwde pensioenaanspraken behouden blijven. Ook voor deze aanspraken gelden de toeslagen en kan
de deelnemer de opgebouwde rechten vervroegen of uitstellen.
Overgangsbepalingen voor medewerkers geboren vóór 1 januari 1950
Voor medewerkers geboren vóór 1 januari 1950 op wie de tot 1 januari 2006 geldende regelingen van
toepassing waren (pensioenregeling 2003 of pensioenregeling 2005), blijft pensioenregeling 2003
respectievelijk pensioenregeling 2005 van kracht.
De belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling 2003 (oud DNB) zijn:
• Geïndexeerde middelloonregeling
• Opbouwpercentage ouderdomspensioen 2,0% per jaar
• Franchise van € 13.227 per 1 januari 2013 en van € 13.449 per 1 januari 2014
• Opbouw prepensioen gemaximeerd op 85% van de laatst geldende inkomensgrondslag
80
•
•
•
•
Prepensioen ingangsdatum 60 jaar (deelnemer geboren vóór 1 januari 1948) en 60¼ (deelnemer
geboren op of na 1 januari 1948, doch vóór 1 januari 1950)
Pensioenleeftijd 65 jaar
Partnerpensioen op kapitaalbasis (tot 1 januari 2002)
Tijdelijk partnerpensioen op risicobasis gebaseerd op het product van 2% per jaar van de franchise en
de totaal te behalen deelnemingstijd
De belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling 2005 (oud PVK) zijn:
• Geïndexeerde middelloonregeling
• Opbouwpercentage ouderdomspensioen 2,0% per jaar
• Franchise van € 13.227 per 1 januari 2013 en van € 13.449 per 1 januari 2014
• Opbouw prepensioen gemaximeerd op 85% van de laatst geldende inkomensgrondslag
• Prepensioen ingangsdatum 62 jaar
• Pensioenleeftijd 65 jaar
• Partnerpensioen op kapitaalbasis (tot 1 januari 2002)
• Tijdelijk partnerpensioen op risicobasis gebaseerd op het product van 2% per jaar van de franchise en
de totaal te behalen deelnemingstijd
81
Bijlage 2Deelnemersbestand
Actieven
Gewezen deelnemers
Gepensioneerden
Waarvan:
(tijdelijk) ouderdomspensioen
arbeidsongeschiktheidspensioen
partnerpensioen
wezenpensioen
Totaal
Stand
ultimo 2012
2.023
1.474
1.198
Bij
168
79
136
Af
167
72
71
Stand
ultimo 2013
2.024
1.481
1.263
778
107
36
849
57
339
24
4.695
3
14
12
383
13
13
9
310
47
340
27
4.768
82
Bijlage 3Begrippenlijst
ABTN
Afkorting voor Actuariële en Bedrijfstechnische Nota. In deze, door de wet verplicht gestelde nota, wordt
het beleid van het pensioenfonds beschreven op het gebied van financiering, beleggingen, pensioenen en
toeslagverlening.
Actuariële analyse
In deze analyse wordt de invloed verklaard van opgetreden verschillen tussen de actuariële grondslagen en
werkelijke ontwikkelingen.
Afkoopfactor
De factor waarmee afhankelijk van de leeftijd de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken wordt
bepaald. De afkoopfactor wordt gehanteerd bij het afkopen van kleine pensioenbedragen. Dit houdt in, dat
de gewezen deelnemer in plaats van het kleine pensioen een bedrag ineens ontvangt.
Asset Liability Management (ALM)
Het in kaart brengen van de onderlinge samenhang van pensioenverplichtingen, premiebeleid en
beleggingsportefeuille. Met behulp van ALM-simulatiemodellen worden beelden geschetst van de kansen en
bedreigingen voor het pensioenfonds in diverse economische scenario's.
Benchmark
Representatieve herbeleggingsindex waartegen de prestaties van de beleggingsportefeuille worden afgezet
(bijvoorbeeld AEX-index, MSCI-index).
Compliance
Met dit begrip wordt aangeduid dat een organisatie werkt in overeenstemming met vigerende wet- en
regelgeving. Elke financiële instelling beschikt over een compliance regeling die voorschriften bevat
waaraan de in die instelling werkzame personen zich dienen te houden, alsmede voorschriften omtrent de
wijze van controle op de naleving ervan. Ook veel instellingen die raakvlakken met de financiële sector
hebben, zoals pensioenfondsen, hebben een compliance regeling. Een dergelijke regeling bevat
bijvoorbeeld voorschriften omtrent de wijze waarop functionarissen voor eigen rekening in effecten mogen
handelen, restricties in de omgang met zakenrelaties en de omgang met vertrouwelijke informatie.
Consistentietoets
Op basis van deze toets kan worden vastgesteld of de verwachte toeslagverlening vanuit de
evenwichtsituatie 'in voldoende mate' aansluit bij de toeslagambitie. Met de consistentietoets worden
pensioenuitvoerders en sociale partners gedwongen om te toetsen of de eerdere eigen perceptie met
betrekking tot het begrip 'consistentie' past bij de invulling die de overheid hieraan heeft gegeven. Dit kan
leiden tot een noodzaak tot aanpassing van het ambitieniveau en/of het financiële beleid.
Continuïteitsanalyse
Pensioenfondsen voeren minimaal eens per drie jaar een continuïteitsanalyse uit. Deze analyse laat zien of
het pensioenfonds ook op de lange termijn aan de pensioenverplichtingen kan voldoen.
Covered bonds
Schuldentitels met als onderpand een claim op de verwachte cashflows uit hypotheken of
rentevergoedingen op leningen van semi-overheden.
Credit rating
Een rating is een risico-indicator. Een slechte rating betekent een hoog risico. Voor een hoog risico eisen
beleggers en banken een hoge rente. Hoe slechter de rating dus is, hoe duurder het voor een onderneming
wordt om geld te lenen. Een rating wordt toegekend door een daarin gespecialiseerd bedrijf. De grootste
ratingbureaus zijn Moody's Investors Service en Standard & Poor's.
83
Crisisplan
Een beschrijving van maatregelen die een pensioenfonds op korte termijn zou kunnen inzetten indien de
dekkingsgraad zich bevindt op of zeer snel beweegt richting kritische waarden waardoor het realiseren van
de doelstelling van het pensioenfonds in gevaar komt.
Custodian
Organisatie verantwoordelijk voor de bewaarneming van en rapportage over financiële bezittingen.
Daarnaast is de custodian verantwoordelijk voor de monitoring van de in de beleggingsmandaten
vastgelegde afspraken.
Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is de verhouding tussen de netto activa en de voorziening pensioenverplichtingen,
uitgedrukt in een percentage. Dit verhoudingsgetal geeft aan in hoeverre op lange termijn de
pensioenverplichtingen kunnen worden nagekomen. De netto activa zijn het saldo van het belegd
vermogen, de andere activa en de schulden.
Dekkingstekort
Situatie dat de middelen van het pensioenfonds niet langer toereikend zijn om de voorziening
pensioenverplichtingen en de reserve voor algemene risico's te dekken.
Derivaten
Van effecten afgeleide financiële instrumenten (beleggingsproducten), waarvan de waarde afhankelijk is
van de waarde van andere meer onderliggende variabelen als valuta's, effecten en rentes. Voorbeelden zijn
futures en swaps.
Duration
De gevoeligheid van een waarde voor fluctuaties in de kapitaalmarktrente, rekening houdend met de
resterende looptijd van die waarde.
Eigen vermogen
Buffer om mogelijke waardedalingen van de in het pensioenfonds aanwezige middelen op te vangen.
Pensioenfondsen zijn verplicht te beschikken over een voldoende grote buffer. Met een
toereikendheidstoets kan jaarlijks worden vastgesteld of het eigen vermogen groot genoeg is.
Emerging markets (opkomende markten)
Markten die eerder achterbleven bij de economische ontwikkeling, maar waarvan de vooruitzichten nu goed
zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om markten in Midden- en Zuid-Amerika, Midden- en Oost-Europa, het
Verre Oosten en Zuid-Afrika.
ETF (Exchange Traded Fund)
Een beleggingsfonds dat continu verhandelbaar is op de beurs en nauwgezet een bepaalde index volgt.
Feitelijke premie
De feitelijke premie is de premie zoals deze daadwerkelijk wordt geheven in het boekjaar.
Fiduciair Management
Fiduciair management is te omschrijven als een integrale en objectieve oplossing voor pensioenfondsen met
verschillende behoeften binnen vermogensbeheer. Bij fiduciair management worden oplossingen
aangedragen voor strategische, tactische en operationele vraagstukken in combinatie met een op maat
gesneden verslaglegging.
Financieel Toetsingskader (FTK)
De door de toezichthouder uitgevoerde methodiek voor de toetsing van de financiële opzet en toestand van
pensioenfondsen die vanaf 1 januari 2007 verplicht is.
FIRM
Financiële Instellingen Risicoanalyse Methode.
84
Franchise
Het deel van het salaris dat niet wordt meegenomen bij het berekenen van de pensioengrondslag.
Gedempte kostendekkende premie
De gedempte kostendekkende premie wordt berekend door het rendement te baseren op een verwachting
voor de toekomst.
Gedragscode
Schriftelijk stuk waarin regels en richtlijnen worden gegeven ter voorkoming van belangenconflicten tussen
het zakelijk belang en de privébelangen van bij het pensioenfonds betrokken personen en van misbruik van
vertrouwelijke informatie.
Herstelplan
Pensioenfondsen stellen in geval van een reservetekort een langetermijnherstelplan op. Dit plan bevat de
concrete maatregelen waardoor het pensioenfonds binnen een termijn van maximaal vijftien jaar weer
voldoet aan het vereist eigen vermogen.
Pensioenfondsen stellen in geval van een situatie van onderdekking een kortetermijnherstelplan op. Het
kortetermijnherstelplan bevat de concrete maatregelen waardoor het pensioenfonds binnen een termijn van
maximaal drie jaar weer gaat voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen.
Investment grade
Obligaties met een credit rating van BBB of hoger.
Kostendekkende premie
Pensioenfondsen zijn verplicht een kostendekkende premie te berekenen. De kostendekkende premie
fungeert als (wettelijk) ijkpunt bij de beoordeling van de feitelijke premie die het pensioenfonds in rekening
brengt.
Marktwaarde
De marktwaarde is het bedrag waarvoor een recht of een verplichting kan worden afgewikkeld tussen
terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
Matching portefeuille/ Return portefeuille
De matching portefeuille is het deel van de beleggingsportefeuille dat is ingericht om de rentegevoeligheid
van de activa met de rentegevoeligheid van de passiva van een pensioenfonds af te stemmen. De return
portefeuille is het deel van de beleggingsportefeuille dat is ingericht om extra rendement te genereren.
Middelloon(regeling)
Het middelloon is de hoogte van het gemiddelde salaris gedurende de hele loopbaan. Bij de
middelloonregeling hangt het uiteindelijke pensioen af van het aantal jaren dat een deelnemer bij de
werkgever in dienst is geweest en het salarisverloop tijdens deze werkzame periode. Het op te bouwen
pensioen is bij deze regeling een gewogen gemiddelde van alle pensioengrondslagen over de gehele
periode van deelname aan de regeling.
MSCI ACWI
De MSCI All Countries World Index biedt exposure naar aandelen van 23 ontwikkelde en 21 opkomende
landen over de hele wereld, die voldoen aan de criteria van MSCI ten aanzien van omvang, liquiditeit en
vrije verhandelbaarheid. De index wordt gewogen op basis van de vrij verhandelbare marktkapitalisatie.
Nominale marktrente
De nominale marktrente is de rente gebaseerd op de zuivere rentetermijnstructuur (zonder driemaands
middeling en de UFR).
Outperformance/underperformance
Het rendement dat een vermogensbeheerder heeft behaald over een door hem beheerde portefeuille ten
opzichte van het rendement van de benchmark.
85
OTC (Over the counter)
Deze term heeft betrekking op financiële transacties die niet via de beurs verlopen, maar die direct tussen
twee partijen afgesloten worden
Partnerpensioen op kapitaalbasis/risicobasis
Partnerpensioen op kapitaalbasis: er bestaat zowel aanspraak op partnerpensioen bij overlijden tijdens de
deelneming als bij overlijden na einde deelneming (als gewezen deelnemer of gepensioneerde).
Partnerpensioen op risicobasis: er bestaat alleen aanspraak op partnerpensioen bij overlijden tijdens de
deelneming.
Partnerpensioen voor de pensioendatum op risicobasis en na pensioendatum op kapitaalbasis: er bestaat
aanspraak op partnerpensioen bij overlijden tijdens de deelneming of bij overlijden na ingang van het
ouderdomspensioen; er bestaat geen aanspraak op partnerpensioen bij overlijden als gewezen deelnemer.
Pensioenaanspraak
Een recht op toekomstige pensioenuitkeringen. De aanspraak op pensioen wordt onderscheiden van het
ingegane pensioen.
Pensioenfederatie
In de Pensioenfederatie zijn drie instellingen gefuseerd: de Vereniging van
Bedrijfstakpensioenfondsen (VB), de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (OPF) en de Unie van
Beroepspensioenfondsen (UvB). De Pensioenfederatie vertegenwoordigt via deze koepels de aangesloten
pensioenfondsen.
Pensioenplanner
Een internettoepassing waarmee deelnemers inzicht hebben in hun opgebouwde pensioenrechten en
berekeningen kunnen maken op basis van (mogelijke) veranderingen in persoonlijke en/of werksituatie.
Pensioenrecht
Een recht op ingegane pensioenuitkeringen.
Pensioenwet
Op 1 januari 2007 is de Pensioenwet in werking getreden. De Pensioenwet heeft tot doel de waarborgen te
verschaffen voor financiële zekerheid, individuele zekerheid en uitvoeringszekerheid.
Prognosetafels
Prognosetafels geven de gemiddelde waargenomen overlevings- en sterftefrequenties binnen de
Nederlandse bevolking weer over een afgelopen vijfjarige periode en projecteren die naar de toekomst op
basis van de in de in het verleden waargenomen en naar de toekomst doorgetrokken trends in deze
frequenties. Zij worden gebruikt bij het berekenen van pensioenpremies en de waardering van de
pensioenverplichtingen. Er zijn voor mannen en vrouwen aparte prognosetafels afgeleid: GBM en GBV. De
prognosetafels worden verder aangeduid met jaartallen die de waarnemingsperiode aangeven, bijvoorbeeld
GBM en GBV 2000-2005.
86
Raad van toezicht
Voor het intern toezichthoudend orgaan is gekozen voor een raad van toezicht die het functioneren van het
bestuur toetst en jaarlijks daarover aan het bestuur rapporteert.
Reële dekkingsgraad
Bij het berekenen van de reële dekkingsgraad wordt gebruikt gemaakt van een voorziening
pensioenverplichtingen op basis van de swaprentes, rekening houdend met de verwachte loon- en
prijsinflatie. Dit resulteert, binnen de huidige situatie, in een hogere voorziening en daarmee een lagere
dekkingsgraad. Indien de reële dekkingsgraad op 100% uitkomt is het bestuur in staat om een volledige
indexatie gebaseerd op de prijsinflatie naar verwachting voor de toekomstige jaren toe te kennen.
Renterisico
Het risico dat rentefluctuaties - als gevolg van ontoereikende afstemming tussen rentegevoelige activa en
passiva op het gebied van rentelooptijden en rentevoet - leiden tot ongewenste effecten op balans en
resultaat.
Reservetekort
Er is sprake van een reservetekort als de middelen ontoereikend zijn om naast de voorziening
pensioenverplichtingen en de reserve voor algemene risico's, ook nog de vereiste reserve
beleggingsrisico's, de reserve voorgenomen pensioenaanpassing en eventuele andere reserves te dekken.
Risicobudget
Het risicobudget is een maatstaf voor de (met 95% statische waarschijnlijkheid) maximale afwijking van de
dekkingsgraad van het pensioenfonds. Dit wordt afgeleid van langetermijn aannames over de risicograad
van de beleggingsrendementen ten opzichte van de nominale verplichtingen. Hiervoor dienen onder meer
als input lange periode reeksen over prijsontwikkelingen in de diverse beleggingscategorieën die onderdeel
uitmaken van de strategische norm portefeuille.
Risicopremie
Dit is de premie voor risicodekking.
RJ610
De Raad voor de Jaarverslaglegging (RvJ) heeft een richtlijn opgesteld (RJ610) voor pensioenfondsen, met
voorwaarden voor het jaarverslag en de jaarrekening.
Securities lending
Security lending is het uitlenen van aandelen en obligaties voor een vastgestelde periode aan derden in ruil
voor een geldelijke vergoeding. Doordat het economische eigendom bij de uitlener blijft, wordt er geen
koersrisico gelopen.
S-toets (solvabiliteitstoets)
Toets in het kader van het FTK. Naast het benodigde vermogen uit de minimumtoets dient in deze toets
ook een buffer te worden aangehouden om bij tegenvallende beleggingsresultaten aan het einde van een
jaar voldoende vermogen te hebben om op dat moment weer aan de minimumtoets te kunnen voldoen. Als
uitgangspunt voor de toets geldt de aanname dat zich gedurende het jaar na balansdatum een ongunstig
scenario voltrekt en dat één jaar na balansdatum de aanwezige verplichtingen aan een andere
pensioenuitvoerder moeten kunnen worden overgedragen op marktconforme condities.
Staffel
De verschillende sturingsmiddelen van het pensioenfonds zijn geïntegreerd in een premie- en toeslagstaffel
en een beleggingsstaffel. De staffels zijn zodanig vastgesteld dat wordt voldaan aan de eis van een
consistent geheel tussen gewekte verwachtingen, financiering en realisatie van de voorwaardelijke
toeslagverlening. Als leidraad voor de besluitvorming omtrent het beleggingsbeleid is een aparte staffel van
toepassing, waarin de risicograad van de beleggingen wordt weergegeven bij de staffeltredes. De staffel is
zodanig ingericht, dat de risicograad van de beleggingen meebeweegt met de dekkingsgraad van het
pensioenfonds. Hiermee wordt de kans op en omvang van een mogelijke onderdekking bij zwaar weer op
de financiële markten beperkt. De staffel is een leidraad voor de besluitvorming van het bestuur over het
premieniveau en de voorwaardelijke toeslagverlening in enig jaar.
87
Strategische allocatie
De verdeling van beleggingen over verschillende beleggingscategorieën, zoals bijvoorbeeld aandelen,
vastrentende waarden en derivaten. Ook wel beleggingsportefeuille.
Strategische norm portefeuille
De strategische normportefeuille is een schaduwportefeuille waarin het pensioengeld in theorie belegd zou
kunnen worden. De normportefeuille is dan ook, net als de werkelijke portefeuille, omgeven met regels en
afspraken. De normportefeuille bestaat uit meerdere beleggingscategorieën, bijvoorbeeld aandelen en
vastrentende waarden. Elke categorie heeft een bepaalde weging. Verder wordt per categorie een
'belegbare' index afgesproken die als vergelijkingsmaatstaf geldt.
Streefvermogen
Het streefvermogen is gelijk aan de contante waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken op basis van
een rente die voor 20% gebaseerd is op de nominale marktrente (rentetermijnstructuur) en voor 80% op
de reële marktrente. De reële marktrente wordt afgeleid uit de nominale marktrente en de break-eveninflatiecurve.
Swap
Een swap is een derivaat waarbij een partij een bepaalde kasstroom of risico wisselt tegen dat van een
andere partij. Deze twee componenten worden ook wel de 'legs' van de transactie genoemd. Swaps zijn
derivaten, dat wil zeggen dat ze afgeleide producten zijn.
Toeslagverlening
Om de koopkracht van pensioenen niet achteruit te laten gaan, kunnen pensioenen worden aangepast
(geïndexeerd). Dit houdt in dat er een toeslag kan worden gegeven op het pensioen.
Ultimate Forward Rate (UFR)
De UFR is een risicovrije rekenrente voor langjarige contracten, waarin wegens de lange looptijd
onvoldoende handel plaatsvindt. Bij looptijden langer dan 20 jaar wordt de langertermijnrente vastgesteld
richting een convergentiepunt van 4,2%.
Uitvoeringsovereenkomst
De overeenkomst tussen een werkgever en een pensioenfonds over de uitvoering van één of meer
pensioenregelingen.
UPO
Uniform Pensioenoverzicht, een overzicht van de pensioenaanspraken dat jaarlijks aan de actieve
deelnemers wordt gestuurd.
Verantwoordingsorgaan
Een orgaan waarin de actieve deelnemers, de pensioengerechtigden en de financieel betrokken
werkgever(s) zijn vertegenwoordigd en waaraan het bestuur periodiek verantwoording aflegt.
Waardeoverdracht(en)
Het naar een andere pensioenregeling overdragen van de waarde van het opgebouwde pensioenrecht.
88
Bijlage 4Staffel
Premie-, toeslag- en risicobudgetstaffel
Trede
Premie als %
van salaris
Toeslagverlening als % van
prijsindex
1
dg<105%<VPVN
34,5%
0%
2
105%VPVN<dg<VPV20%R
34,5%
0%
3
VPV20%R<dg<VPV40%R
32%
33,3%
4
VPV40%R<dg<VPV60%R
30,5%
66,7%
5
VPV60%R<dg<VPV80%R
29%
100%
6
VPV80%R<dg<115%VPV80%R
20%
100% plus inhaal tot max.
50% van de prijsindex
7
115%VPV80%R<dg<125%VPV80%R
15%
100% plus inhaal tot max.
100% van de prijsindex
8
125%VPV80%R<dg<135%VPV80%R
10%
100% plus inhaal tot max.
100% van de prijsindex
9
135%VPV80%R<dg<145%VPV80%R
5%
100% plus inhaal tot max.
100% van de prijsindex
10
dg>145%VPV80%R
0%
100% plus inhaal tot max.
100% van de prijsindex
Voor het jaar 2013 is voor het bepalen van de hoogte van de premie en de mate van toeslagverlening
volgens de uitvoeringsovereenkomst met de rentetermijnstructuur van 30 september 2012 de staffel
bepaald.
Dit betekent, dat voor het jaar 2013 de volgende staffel van toepassing is voor het bepalen van de premie
en als leidraad voor de toeslagverlening.
Trede
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Nominale dekkingsgraad
Dekkingsgraad < 105,0%
Dekkingsgraad vanaf 105,0% tot 107,2%
Dekkingsgraad vanaf 107,2% tot 115,4%
Dekkingsgraad vanaf 115,4% tot 124,7%
Dekkingsgraad vanaf 124,7% tot 135,4%
Dekkingsgraad vanaf 135,4% tot 155,7%
Dekkingsgraad vanaf 155,7% tot 169,2%
Dekkingsgraad vanaf 169,2% tot 182,7%
Dekkingsgraad vanaf 182,7% tot 196,3%
Vanaf 196,3%
89
Er is een tweede staffel die geldt voor het risicobudget. Deze tweede staffel is rechtstreeks in de
uitvoeringsovereenkomst opgenomen en ziet er als volgt uit.
Risicobudget
Trede
Dekkingsgraad
a.
Dekkingsgraad ≤ 105%
2,7
b.
105% < Dekkingsgraad ≤ 108%
2,7
c.
108% < Dekkingsgraad ≤ 116%
3,95
d.
116% < Dekkingsgraad ≤ 125%
5,2
e.
125% < Dekkingsgraad ≤ 135%
6,5
f.
135% < Dekkingsgraad ≤ 155%
7,4
g.
155% < Dekkingsgraad
8,1
h.
Dekkingsgraad > 175%
≤ 175%
9,9
90
Colofon
Uitgegeven door
Stichting Pensioenfonds van De Nederlandsche Bank NV
Westeinde 1, 1017 ZN Amsterdam
Stichtingenregister Amsterdam nr 41199645
Correspondentieadres:
Postbus 501
9700 AM Groningen
Telefoon050 582 19 90
Fax050 313 82 01
Websitewww.dnbpensioenfonds.nl
[email protected]
Realisatie
TKP Pensioen BV
Postbus 501
9700 AM Groningen
91
92