reparatie-KB van 7 februari 2014

Belangrijkste wijzigingen van reparatie-KB van 7
februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
Versie maart 2014
Inhoudsopgave
Inleiding ............................................................................................................................... 3
1
Impliciete verklaring op erewoord............................................................................... 3
2
Uitsluitingsgeval fiscale verplichtingen...................................................................... 4
3
Verdagen van openingszitting..................................................................................... 6
4
Regelmatigheid van offertes........................................................................................ 7
5
Varia .............................................................................................................................. 8
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
2
Inleiding
Op 3 maart 2014 trad het koninklijk besluit tot wijziging van meerdere koninklijke besluiten tot
uitvoering van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en
diensten van 15 juni 2006 alsook van de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en
bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied
(hierna: reparatie-KB) in werking. Dit KB wijzigt (‘repareert’) een aantal bepalingen uit verschillende
KB’s. Het betreft een aantal verbeteringen en verduidelijkingen, maar ook enkele volledig nieuwe
elementen. Het KB is van toepassing op alle opdrachten die werden bekendgemaakt vanaf 3 maart
2014 (of waarvoor ondernemingen vanaf 3 maart werden uitgenodigd in het kader van een
onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking). Deze bijdrage beperkt zich tot de bespreking van
de belangrijkste wijzigingen van het KB Plaatsing van 15 juli 2011 en het KB Uitvoering van 14 januari
2013.
1 Impliciete verklaring op erewoord
Een eerste significante wijziging betreft de vervanging van artikel 61 van het KB Plaatsing. Behoudens
enkele kleine tekstverduidelijkingen, is de inhoud van de paragrafen 1 tot 3 ongewijzigd
overgenomen uit het vorige artikel 61. Evenwel wordt met betrekking tot de uitsluitingsgrond uit 2°
(omkoping) naast artikel 246 van het Strafwetboek, nu ook verwezen naar artikel 250 van het
Strafwetboek. Hierdoor wordt duidelijk dat naast de omkoping van personen die een openbaar ambt
uitoefenen in België, ook de omkoping van buitenlandse ambtenaren in aanmerking moet worden
genomen.
Paragraaf 4 van artikel 61 is daarentegen inhoudelijk grondig gewijzigd met het oog op de
veralgemening van de administratieve vereenvoudigingsmaatregel van de impliciete verklaring op
erewoord. Het loutere feit van de indiening van een kandidaatstelling of een offerte vormt de
impliciete verklaring op erewoord vanwege de kandidaat of inschrijver dat hij zich niet in één van de
uitsluitingsgevallen bevindt.
Terwijl het vorige artikel 61, §4 van het KB Plaatsing de aanbestedende overheid de mogelijkheid gaf
om gebruik te maken van de impliciete verklaring op erewoord, gaat het nieuwe artikel 61, §4 het
gebruik ervan in bepaalde omstandigheden verplicht maken.
Samengevat kunnen we stellen dat het gebruik van de impliciete verklaring op erewoord verplicht is
wanneer cumulatief voldaan is aan twee voorwaarden:
-
-
Het gaat om een éénstapsprocedure, met name een open aanbesteding, een open
offerteaanvraag, een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking of een
onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking die in één fase verloopt.
De verklaring slaat op inlichtingen en documenten die voor de aanbestedende overheid
kosteloos en elektronisch toegankelijk zijn, met name het attest van niet-faillissement, het
RSZ-attest en het attest betreffende de fiscale verplichtingen.
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
3
Wanneer één van beide of beide voorwaarden niet vervuld zijn, geldt deze verplichting niet. Het
derde lid van §4 geeft in dat geval wel de mogelijkheid om gebruik te maken van de impliciete
verklaring op erewoord. Het gebruik ervan heeft dan echter weinig nut:
-
Bij tweestapsprocedures (met name bij een beperkte aanbesteding, een beperkte
offerteaanvraag,
een
onderhandelingsprocedure
met
bekendmaking,
een
onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking die in meerdere fasen verloopt of een
concurrentiedialoog) zal de persoonlijke toestand van de kandidaten met het oog op het
nemen van de selectiebeslissing toch reeds onmiddellijk moeten worden geverifieerd en dit
bovendien ten aanzien van alle kandidaten die voor selectie in aanmerking komen.
- Indien het inlichtingen en documenten betreft die niet kosteloos en elektronisch toegankelijk
zijn voor de aanbestedende overheid, zal zij deze achteraf toch nog moeten opvragen bij de
kandidaten of inschrijvers. De meerwaarde van een impliciete verklaring op erewoord is dan
eerder klein.
Het laatste lid van §4 bepaalt tot slot wanneer de toestand van de kandidaten of inschrijvers moet
worden nagegaan, met name alvorens de selectiebeslissing dan wel de gunningsbeslissing te nemen.
Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor de verificatie van de naleving van de fiscale
verplichtingen (zie hiervoor punt 2).
2 Uitsluitingsgeval fiscale verplichtingen
Artikel 63 van het KB Plaatsing werd gewijzigd om de regels rond de verificatie van de naleving van
de fiscale verplichtingen, wat de Belgische kandidaten en inschrijvers betreft, beter af te stemmen op
de inhoud van de fiscale verplichtingen die de ondernemingen hebben ten opzichte van de FOD
Financiën. Het betreft meer bepaald de verplichtingen die zijn begrepen in het attest ‘fiscale
schulden’ dat door de FOD Financiën wordt afgeleverd en sinds kort kosteloos geraadpleegd kan
worden via de elektronische toepassing Digiflow.
Door de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om de naleving van de fiscale verplichtingen
van kandidaten of inschrijvers kosteloos na te gaan via Digiflow, mag de overheid niet langer fiscale
attesten opvragen aan kandidaten of inschrijvers (tenzij de attesten niet raadpleegbaar zijn, bv. voor
buitenlandse kandidaten of inschrijvers) (zie artikel 63, §1 en §2, lid 1 KB Plaatsing).
Naar aanleiding van het beschikbare attest in Digiflow, wordt in artikel 63 niet langer gesproken over
‘beroepsmatige fiscale verplichtingen’, maar wel over ‘de fiscale verplichtingen ten opzichte van de
FOD Financiën’. Op heden zijn hierin de volgende belastingen begrepen:
1. De directe belastingen, met name:
a. De verschillende inkomstenbelastingen (personenbelasting, vennootschapsbelasting,
belasting van niet-inwoners en rechtspersonenbelasting)
b. De voorheffingen (onroerende, roerende en bedrijfsvoorheffing)
c. De met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verkeersbelasting op
autovoertuigen, belasting op inverkeerstelling, het eurovignet, belasting op spelen
en weddenschappen, belasting op automatische ontspanningstoestellen)
d. De administratieve boetes
2. De belasting over de toegevoegde waarde en de fiscale boetes.
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
4
De regel dat een kandidaat of inschrijver in orde wordt bevonden wanneer hij geen schuld heeft van
meer dan € 3.000, of voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan
strikt in acht neemt, of een schuld heeft van meer dan € 3.000, maar voldoende openstaande
vorderingen t.a.v. een aanbestedende overheid heeft, blijft onveranderd bestaan (zie artikel 63, §2,
lid 2 en 3 KB Plaatsing). De enige wijziging hierbij is dat het attest geen betrekking heeft op ‘de laatst
afgelopen fiscale periode’. De fiscale verplichtingen worden in Digiflow immers op dynamische wijze
benaderd, waarbij steeds de actuele toestand wordt weergegeven. Bovendien is er geen
geïnformatiseerde archivering (geen historiek) van de gegevens voorzien.
Doordat de aanbestedende overheid bij het onderzoek van de uitsluitingsgronden de toestand van
kandidaten of inschrijvers dient na te gaan op het uiterste tijdstip voor indiening van
kandidaatstellingen of offertes of op het moment van de openingszitting, en door het gebrek aan
historiek van gegevens omtrent de fiscale verplichtingen in Digiflow, werd noodzakelijkerwijze een
bijkomende, strenge bepaling ingevoerd. Overheden die toegang hebben tot Digiflow, dienen de
naleving van de fiscale verplichtingen van de kandidaten of inschrijvers binnen 48 uur na het uiterste
indieningstijdstip of het moment van de openingszitting na te gaan (artikel 63, §2, lid 4 KB Plaatsing).
Na die termijn van 48 uur zal het immers onmogelijk zijn om een attest op te vragen dat de fiscale
toestand weergeeft op het uiterste indieningstijdstip of het moment van de openingszitting. Dit leidt
ertoe dat de fiscale toestand van álle kandidaten of inschrijvers moet worden nagegaan, en niet
enkel van de kandidaat of inschrijver die voor selectie of gunning in aanmerking komt, alvorens de
betreffende beslissing te nemen.
Ook werd een derde paragraaf toegevoegd aan artikel 63 van het KB Plaatsing, dat de
aanbestedende overheid toelaat de naleving van de betaling van andere fiscale schulden te
controleren. De opdrachtdocumenten moeten dan aangeven om welke andere fiscale schulden het
gaat en aan de hand van welke documenten het onderzoek zal gebeuren (artikel 63, §3 KB Plaatsing).
Vervolgens werd artikel 106 van het KB Plaatsing aangepast. Dit artikel geeft aan welke artikelen niet
van toepassing zijn bij een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Onder meer hoofdstuk
5 betreffende selectie (toegangsrecht en kwalitatieve selectie) is niet van toepassing, met
uitzondering van de bepaling betreffende de verplichte uitsluitingsgevallen (artikel 61, §1) en de
bepaling betreffende het voldoen aan de verplichtingen inzake de betaling van de RSZ-bijdragen
(artikel 61, §2, 5° en artikel 62).
Naast deze uitzonderingen zijn nu ook artikel 61, §2, 6° (en §§3 en 4) en artikel 63 van toepassing bij
onderhandelingsprocedures zonder bekendmaking. Een aanbestedende overheid moet bij een
onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking naast de verplichte uitsluitingsgevallen en de
naleving van de verplichtingen t.a.v. de RSZ nu dus ook de naleving van de fiscale verplichtingen
controleren.
De uitzondering op de uitzondering blijft echter ook bestaan. Bij opdrachten gesloten met aanvaarde
factuur, moeten deze controles niet worden doorgevoerd.
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
5
3 Verdagen van openingszitting
Artikel 90 van het KB Plaatsing, betreffende de indiening van offertes, is aangevuld met een derde
paragraaf:
Ҥ3. Wanneer de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen die voldoen aan de
voorwaarden van artikel 62, §1, heeft toegestaan of opgelegd voor de indiening van de aanvragen tot
deelneming of de offertes, kan zij beslissen de opening ervan te verdagen wanneer zij vóór de
opening:
1° kennis heeft gekregen van een opgetreden onbeschikbaarheid van de e-procurementtoepassing,
en;
2° door tenminste één kandidaat of inschrijver ervan op de hoogte is gebracht dat hij door die
onbeschikbaarheid, zijn aanvraag tot deelneming of offerte, al naargelang, niet tijdig dreigt te
kunnen indienen.
In geval van een verdaging van de opening overeenkomstig het eerste lid gaat de aanbestedende
overheid over tot een aangepaste bekendmaking tot mededeling van de nieuwe datum voor de
indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, al naargelang.”
Niettegenstaande alle voordelen die zijn verbonden aan het gebruik van eprocurementtoepassingen, in casu e-tendering, valt niet uit te sluiten dat er, zoals bij alle ICTtoepassingen, uitzonderlijk een onbeschikbaarheid optreedt, met bijgevolg het risico dat sommige
kandidaten of inschrijvers zouden worden verhinderd hun aanvraag tot deelneming of offerte tijdig
in te dienen. Om deze situatie zoveel als mogelijk op te vangen, is daarom voorzien in de
mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om de opening van de kandidaatstellingen of offertes
te verdagen. Hiervoor gelden twee voorwaarden: zij moet vóór de opening kennis hebben gekregen
van de onbeschikbaarheid van e-tendering, en zij moet minstens door één kandidaat of inschrijver op
de hoogte zijn gebracht dat hij door die onbeschikbaarheid zijn kandidaatstelling of offerte niet tijdig
dreigt te kunnen indienen.
Deze kennisgeving door een kandidaat of inschrijver volstaat echter niet. De aanbestedende overheid
moet zelf, bij de dienst verantwoordelijk voor e-procurement, nagaan of die beweerde
onbeschikbaarheid ook effectief is opgetreden alsook in welke mate. Doorgaans zal de dienst
verantwoordelijk voor e-procurement de aanbestedende overheid zelf (per e-mail of andere
beschikbare communicatiekanalen) informeren dat zich een onbeschikbaarheid heeft voorgedaan.
Als de onbeschikbaarheid van e-tendering is bevestigd, kan de aanbestedende overheid beslissen om
de opening te verdagen. Zij beschikt hiertoe echter over een appreciatiemarge, waarbij zij zich kan
laten leiden door factoren zoals het moment en de duur van de onbeschikbaarheid. Een
onbeschikbaarheid die zich bijvoorbeeld voordoet gedurende het laatste uur vóór de openingszitting,
zal in principe veel problematischer zijn dan een onbeschikbaarheid die zich een week vóór de
openingszitting voordoet. In dat laatste geval worden kandidaten of inschrijvers weliswaar
verhinderd om op het moment van de onbeschikbaarheid hun kandidaatstelling of offerte in te
dienen, maar zullen ze daar later wel probleemloos in kunnen slagen.
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
6
Deze werkwijze werd in de praktijk reeds voorheen toegepast (zie onze website voor document
‘Richtlijnen bij een e-tenderingincident’), maar is nu dus uitdrukkelijk in het KB Plaatsing
ingeschreven.
4 Regelmatigheid van offertes
Artikel 95 van het KB Plaatsing, betreffende het onderzoek en de regelmatigheid van offertes is op
meerdere vlakken gewijzigd. Vooreerst is het artikel nu in verschillende paragrafen onderverdeeld,
wat aanleiding geeft tot een paragraafsgewijze bespreking.
Ҥ1. De aanbestedende overheid gaat de regelmatigheid na van de offertes van de
inschrijvers die aan de voorwaarden van het toegangsrecht en de kwalitatieve selectiecriteria
voldoen. Ze onderzoekt de regelmatigheid, zowel op formeel als op materieel vlak.”
De eerste paragraaf bevestigt uitdrukkelijk dat het onderzoek naar de regelmatigheid van de offertes
na het onderzoek in het kader van de selectie (toegangsrecht en kwalitatieve selectie) plaatsvindt.
Enkel de offertes van de inschrijvers die voldoen aan de selectie, worden verder onderzocht. Dit zal
vooral van belang zijn bij éénstapsprocedures. Bij tweestapsprocedures zullen de nietgeselecteerden niet uitgenodigd worden om een offerte in te dienen, waardoor er sowieso geen
regelmatigheidsonderzoek zal plaatsvinden.
Ҥ2. Op formeel vlak is een offerte substantieel onregelmatig als ze afwijkt van de
vormvoorschriften van de artikelen 6, §1, 51, §2, 52, 54, §2, 55, 80, 81, 82, 90 en 91 en van de
opdrachtdocumenten, in de mate dat de vormvoorschriften van die artikelen of die
documenten essentieel zijn.
Als een offerte daarentegen afwijkt van de overige vormvoorschriften van de in het eerste lid
vermelde artikelen of van de opdrachtdocumenten, is ze aangetast door een niet-substantiële
onregelmatigheid.”
Wanneer een vormvoorschrift essentieel is, ongeacht of het vormvoorschrift afkomstig is uit één van
voormelde artikelen dan wel uit de opdrachtdocumenten, zal een offerte substantieel onregelmatig
zijn als ze afwijkt van het essentiële vormvoorschrift. De aanbestedende overheid zal er dan toe
gehouden zijn de offerte te weren (zie verder §4). Of een vormvoorschrift uit de
opdrachtdocumenten essentieel is, kan bijvoorbeeld blijken uit de vermelding “op straffe van
absolute nietigheid”. De overheid zal er dan toe gehouden zijn om de offerte te weren, waardoor het
aangewezen is voorzichtig om te gaan met dergelijke vermeldingen.
Wanneer een vormvoorschrift niet als essentieel wordt geacht, zal de offerte slechts nietsubstantieel onregelmatig zijn. De aanbestedende overheid beschikt dan over een zekere
beoordelingsmarge om de offerte al dan niet te weren. Deze beslissing moet genomen worden
rekening houdende met de bijzonderheden van elk concreet geval en de basisbeginselen van de
regelgeving overheidsopdrachten.
Ҥ3. Op materieel vlak is een offerte substantieel onregelmatig als ze afwijkt van de
bepalingen van dit besluit of van de opdrachtdocumenten betreffende met namen de prijzen,
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
7
termijnen en technische specificaties, in de mate dat die bepalingen essentieel zijn, of in geval
van een abnormale prijs als bedoeld in de artikelen 21 en 99.
Als een offerte daarentegen niet in overeenstemming is met de andere bepalingen van dit
besluit, meer bepaald met hoofdstuk 1, afdelingen 7 tot 11, en met hoofdstuk 6, afdelingen 2
tot 4, of van de opdrachtdocumenten, of nog enig voorbehoud inhoudt of elementen bevat
die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, is ze aangetast door een niet-substantiële
onregelmatigheid.”
De inhoud van §3 komt min of meer overeen met wat voorheen bepaald was omtrent materiële
regelmatigheid. Het onderscheid tussen een substantiële en niet-substantiële onregelmatigheid is
enkel wat verduidelijkt.
Bovendien wordt voor abnormale prijzen niet enkel nog verwezen naar artikel 99 (toepasselijk bij
aanbestedingen van werken), maar ook naar artikel 21, het algemene artikel betreffende
prijsonderzoek.
Ҥ4. Een substantieel onregelmatige offerte is nietig.
In geval van een niet-substantiële onregelmatigheid kan de aanbestedende overheid de
offerte nietig verklaren. Als de aanbestedende overheid een offerte niet nietig verklaart, dan
wordt deze offerte geacht regelmatig te zijn.”
Dit is een volledig nieuwe paragraaf, gewijd aan de gevolgen van de onregelmatigheid van een
offerte. Wanneer een offerte, op basis van §§1 en 2, substantieel onregelmatig is, formeel dan wel
materieel, is de offerte nietig en dient zij bijgevolg geweerd te worden. De aanbestedende overheid
heeft in dat geval geen beoordelingsmarge.
Wanneer de onregelmatigheid van de offerte, op basis van §§1 en 2, niet substantieel is, heeft de
aanbestedende overheid de mogelijkheid om de offerte nietig te verklaren en bijgevolg te weren. De
overheid heeft een beoordelingsmarge t.a.v. de niet-substantieel onregelmatige offerte. Om te
beslissen of zij de offerte aanvaardt, houdt zij rekening met onder meer het gelijkheidsbeginsel, het
proportionaliteitsbeginsel, de vergelijkbaarheid van offertes,…
Dit onderscheid tussen substantiële en niet-substantiële onregelmatigheid bestond reeds, maar
wordt met het reparatie-KB voor het eerst uitdrukkelijk in de regelgeving ingeschreven.
5 Varia
Verder werden nog enkele wijzigingen aan het KB Plaatsing en het KB Uitvoering aangebracht. Deze
betreffen geen essentiële wijzigingen en behoeven minder uitleg, waardoor deze kort samen zullen
worden besproken.
a) Aangezien artikel 12 van het KB Plaatsing niet alleen handelt over onderaanneming, maar
ook over beroep op draagkracht van andere entiteiten, werd het opschrift van afdeling 8
gewijzigd in ‘beroep op onderaannemers en andere entiteiten’.
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
8
Het eerste lid van artikel 12, dat aangeeft dat de aanbestedende overheid de inschrijver
in de opdrachtdocumenten kan verzoeken om in zijn offerte te vermelden welk gedeelte
van de opdracht hij in onderaanneming wenst te geven en welke onderaannemers hij
voorstelt, blijft zo goed als ongewijzigd.
Het tweede lid van artikel 12 neemt voor het beroep op draagkracht van andere
entiteiten een gelijkaardige bepaling over. Wanneer het beroep op de draagkracht van
andere entiteiten bepalend is voor de selectie, moet de betreffende kandidaat of
inschrijver (ongeacht of de opdrachtdocumenten hierover iets bepalen) vermelden voor
welk gedeelte hij een beroep doet op draagkracht van andere entiteiten en welke
entiteiten hij voorstelt. In een éénstapsprocedure zal hij deze vermeldingen moeten
opnemen in zijn offerte, in een tweestapsprocedure zowel in zijn kandidaatstelling als in
zijn offerte.
De vermeldingen uit het eerste en (nu ook) het tweede lid laten de aansprakelijkheid van
de inschrijver onverlet.
Tot slot bepaalt het artikel in een vierde lid dat de aanbestedende overheid in een
tweestapsprocedure moet nagaan of de betreffende vermeldingen uit de
kandidaatstelling overeenkomen met de vermeldingen uit de offerte.
b) In artikel 26 en 27 van het KB Plaatsing wordt een verduidelijking aangebracht.
Opdrachten van leveringen en diensten die een zekere regelmaat vertonen of bestemd
zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden geraamd op
grond van de totale waarde van de opeenvolgende soortgelijke opdrachten (voor
leveringen) / opdrachten van dezelfde categorie (voor diensten), geplaatst over twaalf
maanden volgend op de eerste levering of dienst, of, indien deze meer bedraagt dan
twaalf maanden, over de volledige looptijd van de opdracht.
Met deze verduidelijking wordt vermeden dat verkeerdelijk uit de bepaling zou worden
afgeleid dat ook andersoortige opdrachten zouden moeten worden opgenomen in de
raming.
c) Artikel 37 van het KB Plaatsing verplicht de aanbestedende overheid om een opdracht,
geraamd boven de Europese drempels en onderworpen aan de Europese bekendmaking,
Europees bekend te maken overeenkomstig het model van aankondiging uit bijlage 7.
Naast de bestaande uitzondering hierop voor diensten uit bijlage II, B, vermeldt het
reparatie-KB nu ook uitdrukkelijk de uitzondering voor opdrachten die gebaseerd zijn op
een raamovereenkomst.
d) Artikel 49, §1 van het KB Plaatsing vermeldt de voorwaarden om een beroep te mogen
doen op de versnelde procedure en de indieningstermijn van kandidaatstellingen in te
korten tot minimum tien dagen. Artikel 49, §2 vermeldt de mogelijkheid om een beroep
te doen op de versnelde procedure en de indieningstermijn voor offertes in te korten tot
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
9
minimum tien dagen. Het reparatie-KB voegt aan §2 nu ook de in §1 vermelde
voorwaarden voor de versnelde procedure toe:
 het spoedeisend karakter maakt de termijn van 15 dagen niet haalbaar;
 de uitnodiging om een offerte in te dienen wordt per telefax of via
elektronische middelen verzonden.
e) Artikel 52, §1, 1° van het KB Plaatsing legt bepaalde eisen op aan de ondertekening van
aanvragen tot deelneming en offertes. Het reparatie-KB voegt hieraan toe dat, voor
aanvragen tot deelneming, deze eisen enkel gelden wanneer de aanbestedende overheid
in de aankondiging van de opdracht uitdrukkelijk de ondertekening van de aanvraag tot
deelneming oplegt. Indien zij dit niet doet, moet de aanvraag tot deelneming niet
ondertekend zijn en moet de elektronische handtekening logischerwijze ook niet aan de
gestelde eisen voldoen.
f)
Artikel 54, §2, lid 1 van het KB Plaatsing werd aangevuld met de bepaling dat elke
deelnemer aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid beschouwd wordt als een
inschrijver. De bedoeling is om te vermijden dat een onderneming voor eenzelfde
opdracht een offerte in eigen naam zou indienen en tegelijk nog een andere offerte in
naam van een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid waarin zij participeert, of dat zij
een offerte zou indienen als lid van een combinatie en nog een tweede offerte als lid van
een andere combinatie. Deze regel stond in een andere vorm in de vorige regelgeving,
maar werd uit het oog verloren bij de opmaak van de nieuwe regelgeving.
Deze nieuwe bepaling werd aan het eerste lid toegevoegd, niet aan het tweede lid. Deze
bepaling staat er dus niet aan in de weg dat bij een opdracht verdeeld in percelen, een
inschrijver in eigen naam een offerte zou indienen voor één perceel en voor een ander
perceel een offerte zou indienen als deelnemer aan een combinatie zonder
rechtspersoonlijkheid.
g) Artikel 105 van het KB Plaatsing, dat de drempelbedragen bepaalt om een
onderhandelingsprocedure te mogen voeren, wordt aangepast om in overeenstemming
te zijn met de bewoordingen van artikel 26 van de wet van 15 juni 2006 (‘… de goed te
keuren uitgave niet hoger is dan …’). Artikel 105 bepaalt nu dat het opdrachtbedrag de
drempelbedragen niet mag overschrijden (i.p.v. ‘niet mag bereiken’).
h) In artikel 107 betreffende de onderhandelingsprocedure en artikel 111, §1 betreffende
de concurrentiedialoog is verduidelijkt dat wanneer de opdracht gegund wordt aan de
inschrijver met de economisch meest voordelige offerte (wat meestal het geval is bij een
onderhandelingsprocedure en altijd het geval is bij een concurrentiedialoog), dit dient te
gebeuren op basis van de gunningscriteria die verband moeten houden met het
voorwerp van de opdracht en een objectieve vergelijking van de offertes op basis van
een waardeoordeel mogelijk moeten maken.
i)
Het reparatie-KB wijzigde ook een aantal bijlagen bij het KB Plaatsing, bv. de modellen
voor aankondiging van opdracht. De meest recente bijlagen zijn opgeladen in e-
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
10
notification en zullen dus automatisch verschijnen wanneer de bekendmaking wordt
ingevoerd.
j)
Artikel 67 van het KB Uitvoering is in die zin gewijzigd dat de toekenning van
voorschotten nu ook is toegestaan voor opdrachten gesloten met aanvaarde factuur.
Omdat het KB Uitvoering echter niet van toepassing is op opdrachten met een geraamd
bedrag kleiner dan € 8.500, is artikel 5, §4 van het KB Uitvoering ook aangepast. Het KB
Uitvoering is niet van toepassing op opdrachten met een geraamd bedrag kleiner dan €
8.500, met uitzondering van artikel 67, §1, 5°, dat het toekennen van voorschotten bij
dergelijke opdrachten toelaat.
Belangrijkste wijzigingen reparatie-KB 7 februari 2014 in KB Plaatsing en KB Uitvoering
11