Koopvaardij - Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2 8 M 201^
Koopvaardij
stichting bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij
Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
T.a.v De heer H.J.H.E. Heet
Postbus 90801
2509 LV Den Haag
Behandeld door
E.G.M. Cramer
Doorkiesnummer
020 586 6650
uw kenmerk
ons kenmerk
Bestuursbureau
Bpf. Koopvaardij
uw brief van
datum
27 maart 2014
Ondenwerp: Wijziging verplichtstelling St. Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij
Geachte heer Heet,
Al geruime tijd is, onder meer door De Nederlandse Bank, geconstateerd dat de tekst van de
verplichtstelling niet overeenkomt met de reglementen van Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de
Koopvaardij (Bpf. Koopvaardij).
Het gaat hierbij om artikel 14 van de Pensioenwet waarin is bepaald dat het venwerven van
ouderdomspensioenaanspraken op basis van een pensioenovereenkomst uiterlijk begint op 21-jainge
leeftijd. In de in 2007 door Cao-partijen goedgekeurde pensioenreglementen van het pensioenfonds is
dit wel geregeld, echter in de verplichtstelling stond nog de leeftijd van 22 jaar vermeld..
Recent hebben de Cao-partijen aangegeven dat zij de verplichtstelling op dit punt willen aanpassen.
Bpf Koopvaardij verzoekt namens Cao-partijen om de verplichtstelling op dit punt te wijzigen, in de
bijlagen treft u aan:
De brieven van de Cao^partners waarin zij aan Bpf Koopvaardij bevestigen dat zij akkoord gaan met
'het voorstel om de bedoelde tekstjrte wijzigen. De Cao-partijen zijn.
'eWerknemersprganisatieïïfjJautilus International
- Werkgeversorganisaties Sociaal Maritiem Werkgeversverband (SMW)
. '
, Vereniging van Werkgevers.inde Handelsvaart
4
1
Een omschrijving van de werkingsfeer van de verplichtstellmg zoals deze komt te luiden na de
gewenste wijziging^(in^vier-voud), »
^ ^
;
. '
1, ' ^
De actuariële-en bedrijfstechnische nota van Bpf Koopvaardij december 2013 i , ^ ^
Bnef van Mimstene van Sociale Zaken èn.^érkgilegenheid d d 22 februan 2011'met daann
de bevestiging dat Bpf Koopvaa'ffafd^ënSe heeft aangetoond,dat zij een belangrijke
meerderheid van de in de bedrijfstal< werkzame personen vertegenwoordigt.
Vertrouwende u hiermede van dienst te zijn geweest.
Met v r i é f ^ ^ e groelL/'
- "^rirv^<t4i<4.stfchtinfiffiedrijfspensioenfonds
ioi amer
Viredfeur Bestuursbureau Bpf Koopvaardij
Postadres
1006/LD Amsterdam
Tel: 020 586 6651
Fax: 020 586 6665
Bezoekadres
Radarweg 60
1043 NT Amsterdam
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij
Rekening nummer ING 65.78.36.877
www.koopvaardij .nl
servicedesk^gjknnpvaardii.nl
©NTVAINIQEN
Koopvaardij
1 3 JUNI 2014
stichting bedrijfspensioenfonds voorde Koopvaardij
Behandeld door
Mw. D. Oppelaar
Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
T.a.v. mevrouw mr. P.L.J. van Delft
Postbus 90801
Doorkiesnummer
020 586 6651
Bij beantwoording
ons kenmerk vermelden
Uwkenmerk
2509 LV Den Haag
uwhnnfuan
UAW/CAV/aO,4«021 2 6 ^ 1 2 , 4
SsSureau
Bpf Koopvaardij
^„,20,4
Onderwerp: Aanpassing verplichtstelling St. Bedrijfspensioenfonds voorde Koopvaardij
Geachte mevrouw Van Delft,
'!izs:xs^s^g:Zs''' " "^^^^^ ^-"-^^«"
we?kateSSS^^^
^^'^"9 "^'"^'Ök het bestand van de
ï^fn nnn?no2f^ ".^^^^^^ Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR) waarin de werkqevers
S n e m e S t ^ n ^ H " ' " ' ' aangesloten hebben bij genoemde organisatie en het we^gTverl en
TphSn^!^ f
Koopvaardij die door MN, waar wy de uitbesteding van de uitvoerino
rtcli^pSreSt^^^^
by KVNR^^''®'^
-
dlcemb1r»e
werkingssfeer van Bpf Koopvaardy waarvan er 141 zyn aangesloten
^ l ^ m T ' ^ S ^ ^ ^ S ^ T T ^ ^
werknemers werkzaam by de werkgevers die by
5 145 D t bPtPkPn n ï ^ f t ? * f '
werknemers dat onder de verplichtstelling valt bedraagt
KVNR Se m S ^ S l h i f f ^'^[knemer^ werkzaam zyn by werkgevers die niet zyn aangesloten by
v^Sken ^ ^ v e ^ l S ï f f ^ T ' ' ^ ^ ' '
betreffendetestendenvia V l U u p in Excel te
vergelijken en vervolgens een handmatige controle hierop uit te voeren (4 ogen principe).
, Zoalslèlefoni^jh besproken .s.de door^mij geg'éven uitlég omtrent het wijzigingsverzoek^^ldoende
tvoerraëlyi^r
»pensioer fonds
^ ^ ^ ^ ^
- ^ ^ ^ ^ ^
t
Doro Oppeiaar
Bestuursadviseur bestuursbureau Bpf Koopvaardij
Postadres
Postbus 9178
1006 AD Amsterdam
Tel: 020 586 6651
D . •, J
O
i^fTr^A
.
iu4J M i Amsterdam
Sticliting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij
Rekening nummer ING 65.78.36.877
www.koopvaardij.nl
servicedesktaikoopvaarriij nl
VERPLICHTSTELLING
STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE KOOPVAARDIJ
Maart 2014
VERPLICHTSTELLING
Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 27 januari 1954, nr. 390, Nederlandse
Staatscourant van 29 januari 1954. nr. 20, zoals deze is gewijzigd by beschikking van:
17 december 1969, nr. 44265, Ned. Ste. van 12 januari 1970, nr. 7;
28 december 1973. nr. 46381. Ned. Ste. van 10 januari 1974, nr. 7;
30 december 1974. nr. 46497, Ned. Ste. van 9 januari 1975, nr. 6;
1 november 1989, nr. 5953, Ned. Ste. van 6 november 1989, nr. 216.
BESLUIT:
I.
het deelnemen in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardy verplicht te stellen voor:
a. de Nederlandse zeevarenden
b. de zeevarenden, die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en. naar de omstandigheden
beoordeeld wonen:
1. hetzy binnen het Ryk;
2. hetzy in een land dat lid is van de Europese Gemeenschap;
3. hetzy in een ander land waarmee Nederland een Verdrag of Overeenkomst inzake Sociale
Zekerheid heeft gesloten, met uitzondering van de Verenigde Staten van Noord Amerika;
een en ander met dien verstande. !de verplichtstelling aanvangt op de eerste dag van de maand
jwaarin de werknemer de leeftijd van 21 jaar bereikten eindigt met ingang van de eerste dag van de
maand, waarin de werknemer de leeftyd van 60 jaar bereikt;
wordende ten deze verstaan onder:
A.
zeevarende:
degene, die zich by arbeidsovereenkomst verbonden heeft om als kapitein of schepeling aan
boord van een zeevaartuig dienst te doen, uitgezonderd:
a. degene, die voor eigen rekening aan boord van een zeevaartuig nering doet;
b. degene, die by de onder a bedoelde neringdoende in dienst is;
c. degene, die aan boord van een zeevaartuig geen arbeid verricht ten behoeve van het doel,
waarvoor het zeevaartuig gebezigd wordt, en
d. degene, die onder de Algemene burgeriyke pensioenwet valt;
B.
zeevaartuig:
het vaartuig dat voorzien is van een geldige Nederlandse zeebrief, waaronder mede wordt
begrepen een buitengewone of voorlopige Nederlandse zeebrief.
verplichtstelling, blz -1 -
Actuariële en bedrijfstectinischie nota
Stictiting Bedrijfspensioenfonds voor de
Koopvaardy
2013
Den Haag, december 2013
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 1
Inhoudsopgave
|
I
0
1
Voorwoord
Inleiding
1.1
Hetfonds
1.2
Doel van de nota
/. 3
Nagestreefde mate van detaillering
1.4
Algemeen beleidsuitgangspunt
1.5
Organisatiestructuur fonds.
1.6
Deskundigheid en zelfevaluatie
1.7
Het interne beheerssysteem van het pensioenfonds.
2 Deelname aan de pensioenregeling
2.1
Verplichte aansluidng.
2.2
Vrijwillige aansluiting.
2.3
Vrijwillige voortzetting
,
2.4
Dispensatie
3 Algemene overwegingen
3.1
Continuïteit van de bedrijfstak
3.2
Omvang van het deelnemersaantal
3.3
Verwachte salaristrend(s)
4 De inhoud van de pensioenregeling
4.1
Pensioenregeling voor werknemers geboren in 1950 of later
(Reglement A)
4.2
Pensioenregeling voor werknemers geboren in 1949 of eerder
(reglement C)
4.3
Premievrijstelling
4.4
WAO-gat-verzekering.
4.5
Enkele bijzondere aspecten
5 De berekening van de Voorziening Pensioenverplichtingen
5./
Kansstelsels.
5.2
De rekenrente, berekeningswijze
5.3
Groepering, leeftijdsbepaling.
6 De waarderingsgrondslagen van de balans
6.1
Balanswaardering van de beleggingen
6.2
De overige voorzieningen en reserves
7 Het toeslagbeleid
8 Het premiebeleid
8.1
Vaststelling van de premie
8.2
De heffingspremie
9 Het beleggingsbeleid
9.1
Het strategisch beleid en beleggingsplan
9.2 Het beleggingsbeleid
9.3 Rendement op belegd prepensioenvermogen
10 Het weerstandsvermogen van het fonds, inzet van sturingsmiddelen
10.1
De risico 's welke de onverminderde uitvoering van de regeling
bedreigen
ABTN BPF Koopvaardij 2013
4
5
5
5
5
6
7
16
16
21
......21
22
22
22
.23
23
23
23
..24
24
26
27
27
28
29
29
29
30
31
31
33
36
38
38
39
40
40
40
54
55
55
pag. 2
10.2
De redenen waarom gemeend wordt dat het gekozen beleid een
onverminderde uitvoering zo veel mogelijk bevordert
57
10.3
De wijze waarop gereageerd kan worden op ontwikkelingen en de
mate waarin dat effect zal hebben (sturingsmiddelen)
60
10.4
Jaarlijkse toetsing
63
10.5
De uitkomsten van ALM-studie en continuïtèitsanalyse
63
11 Slotopmerkingen
,
65
Bijlage I Actuariële grondslagen en veronderstellingen
66
Bijlage H Parameters berekening marktwaarde-voorziening en
beleidsgrenzen per 01-01-2012
67
Bijlage HI Uitwerking kostendekkende premie
68
Bijlage IV Uitwerking (Minimaal) Vereist Vermogen
69
Bijlage V Verklaring inzake de beleggingsbeginselen
71
Bijlage VI Leeswijzer ABTN
78
Bijlage VII Crisisplan Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij 80
1. Beschrijving crisissituatie
80
2. Dekkingsgraad waarbij het fonds er zonder korten niet meer uit kan komen ....81
3.1 Aanpassen beleggingsbeleid
83
4. Mate inzetbaarheid van de maatregelen
86
5. Indicatie Jinanciële effect van de maatregelen
87
6. Evenwichtige belangenajweging
87
7. Communicatie met belanghebbenden
87
8. Besluitvormingsproces
89
9. Beoordeling actualiteit
89
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 3
O Voorwoord
Dit is de actuariële en bedrijfstechnische nota (ABTN) van de Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij, zoals vastgesteld in 2007 en
aangepast op basis van de bestuursbesluiten tot december 2013. In bijlage VI bij
deze ABTN is een korte leeswijzer opgenomen
H.J.A.H. Hijlkema
voorzitter
ABTN BPF Koopvaardij 2013
M.W. Zier
secretaris
pag. 4
1
Inleiding
1.1 Hetfonds
De Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij (hiema: het fonds) is :
een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, dat de risico's
voortvloeiende uit zijn reglementen in principe zelf draagt. In deze nota wordt,
mede ten behoeve van de wettelijke verplichting ter zake, het bestuursbeleid - dat
wordt gevoerd om de pensioenregeling te kunnen uitvoeren - omschreven,
waarbij voomamelijk het strategisch beleid zal worden weergegeven. Het fonds
kent per 1 april 2012 naast een bestuur ook een pensioenraad (samenvoeging van
deelnemersraad en verantwoordingsorgaan), een geschillencommissie en een
Raad van Toezicht. Vanaf juni 2009 is er een bestuursbureau opgericht dat het ,
bestuur ondersteunt bij de (controle op de) uitvoering van het beleid.
1.2 Doel van de nota
Dit is de actuariële en bedrijfstechnische nota (abtn) van de Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij.
Conform het bepaalde in artikel 145 van de Pensioenwet bevat de nota voorts •
een verklaring inzake beleggingsbeginselen en een beschrijving van de
;
sturingsmiddelen. Met name wordt aangegeven op welke wijze het fonds
uitvoering geeft aan het bepaalde in de artikelen 25,95,126 tot en met 137 en
143 van de Pensioenwet.
Ook komen aan de orde de organisatiestructuur, de iiiteme controle, de wijze en
voorwaarden waarop het bestuur werkzaamheden heeft uitbesteed, de wijze
waarop het fonds invulling geeft aan het op peil houden van de deskundigheid en
de wijze waarop invulling wordt gegeven aan goed pensioenfondsbestuur.
1.3 Nagestreefde mate van detaillering
ln deze nota zal het beleid zoveel mogelijk in strategische zin omschreven
worden. Het beleid van het bestuur is vastgesteld mede op grond van mogelijke
variaties in omstandigheden welke niet tot nieuw beleid aanleiding geven, maar ,
wel tot een "tactische" aanpassing van de gedragslijn birmen het gekozen beleid.
Voorbeelden hiervan zijn de aanpassing van de berekeningsgrondslagen aan
nieuwe overievingstafels en wijzigingen van de beleggingsmix op grond van
economische omstandigheden zolang deze birmen de in deze nota omschreven
grenzen blijven. Indien het bestuur meent dat het algemene beleid bijstelling
behoeft, zal deze nota dienovereenkomstig aangepast worden.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 5
1.4 Algemeen beleidsuitgangspunt
Het algemene beleidsuitgangspunt van het te voeren beleid is om de
pensioenregeling, inclusief de beleidsmatig gewenste toeslagen, onder een breed
scala van omstandigheden na te komen en wel tegen een stabiele premie.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 6
I
Q
(S
a.
e
ï'iS) i_ fll
s
O
i
I
u
x>
• . - I
<73
4
§
^2 .2
« I
i i
a
.> 5
o
CM
C
(u
CO -^3
Ol
si
Q
f§
Q.
O
11.
Q.
m
5
Bestuur
Het fonds wordt bestuurd door een paritair bestuur van acht leden. Het bestuur
bestaat voor de helft uit personen die voorgedragen worden door
werkgeversorganisaties in de geleding werkgevers en voor de andere helft uit
personen die voorgedragen worden door werknemersorganisaties in de geleding
werknemers. De bestuurssamenstelling is vastgelegd in de statuten van het fonds.
Van dit aantal leden worden voorgedragen:
•
twee leden door de Vereniging Sociaal Maritiem Werkgeversverbond,
gevestigd te Rotterdam;
• twee leden door de Vereniging van Werkgevers in de Handelsvaart,
gevestigd te Rotterdam;
• drie leden door Nautilus Intemational, gevestigd te Rotterdam; en
• één lid door de Nederlandse Vereniging van Kapiteins ter Koopvaardij,
gevestigd te Den Haag.
De leden van het bestuur worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Na
afloop van deze termijn zijn zij opnieuw benoembaar.
Als overgangsmaatregel zijn per 1 april 2012 twee personen infiinctievoor een
termijn van vier jaar als plaatsvervangend bestuurslid benoemd.
Plaatsvervangende bestuurders hebben dezelfde rechten en pUchten als
bestuurders met dien verstande dat zij geen stemrecht hebben. Het
plaatsvervangend bestuurslidmaatschap eindigt indien de persoon in kwestie als
bestuurslid wordt benoemd. De functie van plaatsvervangend bestuurslid is
tijdelijk en staat niet open voor andere personen, noch voor herbenoeming van
het zittende plaatsvervangende bestuurslid. Uiterlijk 1 april 2016 wordt de
fimctie van plaatsvervangend bestuurslid opgeheven.
In geval van een vacature onder de bestuursleden wordt binnen drie maanden na
het ontstaan van de vacature in een nieuwe voordracht voorzien door de
organisatie die het gedefiingeerde bestuurslid heeft voorgedragen.
Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris. De voorzitter
en de secretaris komen uit verschillende geledingen.
De voorzitter en secretaris vertegenwoordigen gezamenlijk het fonds in en buiten
rechte. Bij ontstentenis of belet van de voorzitter respectievelijk de secretaris
treedt in zijn plaats een ander bestuurslid dat afkomstig is uit dezelfde geleding
als de voorzitter of de secretaris op.
Het bestuur kan voor een bepaalde tijd of tot wederopzegging een of meer van
zijn bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan een conmiissie uit zijn
midden. Een dergelijke commissie wordt paritair samengesteld uit bestuursleden
van werkgevers - en werknemerszijde.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 8
Taak van het bestuur
Het bestutu- draagt zorg voor de uitvoering van de statuten en de reglementen.
Het bestuur is bevoegd tot alle daden van beheer en beschikking bitmen de kring
van de doelsteUing van het fonds. Dat geldt ook voor het sluiten van
overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van
registergoederen en uitbesteding van activiteiten.
Het bestuur vertegenwoordigt het fonds in en buiten rechte. Daamaast kan het
fonds ook in en buiten rechte worden vertegenwoordigd door de voorzitter en de
secretaris gezamenlijk.
Bij de taakverdeling tussen de bestuursleden zijn vier portefeuilles
onderscheiden:
a) beleggingsbeleid;
b)financieelbeleid en risicomanagement;
c) pensioenbeleid en juridische zaken;
d) communicatie en pensioenuitvoering.
Voor elke portefeuille heeft het bestuur een eerste en tweede aanspreekpvint
benoemd. Het eerste aanspreekpunt is, aangaande zijn portefeuille, belast met en
bevoegd tot:
a) de behandeling van de ingekomen stukken en de afdoening van lopende
zaken;
b) de voorbereiding van de zaken, die in de vergadering van het bestuur aan
de orde zullen komen;
c) de uitvoering van de besluiten van het bestuur.
Het tweede aanspreekpunt ondersteunt het eerste aanspreekpimt bij de
uitoefening van zijn werkzaamheden.
Het aanspreekpunt voor beleggingsbeleid heeft de volgende taken en
bevoegdheden:
a) het adviseren van het bestuur over het door het bestuur vast te stellen
meerjarenbeleggingsbeleid, het jaarlijkse beleggingsplan en, indien van
toepassing, het korte of lange tennijn herstelplan;
b) het adviseren van het bestuur over (macro) economische en financiële
ontwikkelingen, balansmanagement en door het bestuur uit te voeren
ALM-studies en continuïteitsanalyses;
c) het adviseren van het bestuur omtrent de goedkeuring van voorgenomen
transacties in het kader van de uitvoering van het beleggingsplan;
d) het toezien op de uitvoering van het door het bestuur vastgestelde
(meerjaren)beleggingsbeleid, beleggingsplan en (eventuele)
herstelplannen;
e) het aansturen van de vermogensbeheerders en -adviseurs;
f) overige hem door het bestuur op te dragen taken.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 9
Het aanspreekpunt voorfinancieelbeleid enrisicomanagementheeft de volgende
taken en bevoegdheden:
a) het adviseren van het bestuur over de door het bestuur vast te stellen
ABTN en het door het bestuur vast te stellen premiebeleid,
incassobeleid, indexatiebeleid en uitbestedingbeleid en het toezien op de
uitvoering ervan;
b) het adviseren van het bestuur over het door het bestuur te hanteren
risicomodel en het toezien op dejuiste werking van de inteme
beheersing- en controlesystemen, waaronder verklaringen (bv
SAS70/ISAE3402) en rapportages hieromtrent van derden;
c) het adviseren van het bestuur over de door het bestuur te hanteren
plarming- en controlecyclus en het toezicht houden op dejuiste
uitvoering ervan;
d) het adviseren van het bestuur over door het bestuur vast te stellen
begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen;
e) het aansturen van de accountant, waarmerkend en adviserend actuaris en
overige adviseurs;
f) overige hem door het bestuur opgedragen taken.
Het aanspreekpunt voor pensioenbeleid en juridische zaken heeft de volgende
taken en bevoegdheden:
a) het adviseren van het bestuur over het door het bestuur vast te stellen
pensioenbeleid (o.a. niveau en inhoud van de pensioenvoorziening,
acceptatie- en vrijstellingsbeleid en hardheidsbeleid) en het toezien op
het door het bestuur vastgestelde pensioenbeleid;
b) het adviseren van het bestuur omtrent voorgenomen besluiten in het
kader van de uitvoering van de pensioenregeling, zoals besluiten over
acceptatie- en vrijstellingsverzoeken, bezwaren en geschillen;
c) het nemen van besluiten zoals genoemd in onderdeel b, biimen door het
bestuur aangegeven kaders;
d) het adviseren van het bestuur over door het bestuur te nemen besluiten
tot wijziging van de statuten en de reglementen;
e) het toezien op de naleving van de wet- en regelgeving en de werking
van de gedragscode;
f) overige hem door het bestuur opgedragen taken.
Het aanspreekpunt voor conmiunicatie en pensioenuitvoering heeft de volgende
taken en bevoegdheden:
a) het adviseren van het bestuur over het door het bestuur vast te stellen
coimnunicatiebeleid;
b) het toezien op de uitvoering van het door het bestuur vastgestelde
commimicatiebeleid naar deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden en werkgevers;
c) het adviseren van het bestuur bij het vaststellen van de wensen en
ambities omtrent pensioenuitvoering en het maken van afspraken met de
pensioenuitvoerder over de kwaUteit van de dienstverlening inclusief
verbeteracties (biimen de kaders van het uitbestedingbeleid);
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 10
d) het erop toezien dat de pensioenuitvoering plaatsvindt binnen de kaders
van de gemaakte afspraken en dat de verbeteracties worden
gerealiseerd;
e) het aansturen van de pensioenuitvoerder, partijen die de communicatie
verzorgen en adviseurs;
f) overige hem door het bestuur opgedragen taken.
Pensioenraad
Het fonds kent een pensioenraad. In de pensioenraad zijn de functies voor
medezeggenschap en verantwoording geïntegreerd. Tot de leden en
plaatsvervangende leden van deze raad kunnen worden aangewezen degenen die
deelnemer of gewezen deelnemer zijn in het fonds, degenen die de werkgevers
vertegenwoordigen, degenen die een ouderdomspensioen van het fonds
ontvangen, dan wel de pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen van
voomoemde categorieën.
De pensioenraad bestaat uit twaalf (12) leden, waarvan worden aangewezen:
• één (1) lid voor de geleding deelnemers, drie (3) leden voor de geleding
gewezen deelnemers en vier (4) leden voor de geleding pensioengerechtigden
door Nautilus Intemational, gevestigd te Rotterdam;
• één (1) Ud voor de geleding deelnemers en één (1) lid voor de geleding
pensioengerechtigden door de Nederlandse Vereniging van Kapiteins ter
Koopvaardij, gevestigd te Den Haag;
• twee (2) leden gezamenlijk door de geleding werkgevers door het Sociaal
Maritiem Werkgeversverbonden en door de Vereniging van Werkgevers in
de Handelsvaart, beide gevestigd te Rotterdam.
Daamaast benoemen genoemde organisaties voor de door hen benoemde
raadsleden voor de geleding deelnemers elk één plaatsvervangend lid.
Plaatsvervangende raadsleden hebben dezelfde rechten en plichten als raadsleden
met dien verstande dat zij alleen stemrecht hebben indien zij optreden als
raadslid.
De leden en plaatsvervangende leden van de pensioenraad worden
aangewezen voor een periode van vlerjaren. Na afloop van deze periode kunnen
zij direct opnieuw worden aangewezen, met dien verstande dat de zittingsperiode
maximaal twaalf jaar bedraagt, te rekenen vanaf de datum van eerste benoeming.
De pensioenraad kiest uit zijn midden een voorzitter, een plaatsvervangende
voorzitter, een secretaris en een plaatsvervangende secretaris. De pensioenraad
heeft - als verantwoordingsorgaan - de bevoegdheid om een oordeel te geven:
a. over het handelen van het bestuur op basis van het jaarverslag, de
jaarrekening en andere informatie, waaronder de bevindingen van het
inteme toezicht;
b. over het door het bestuur uitgevoerde beleid, en over de beleidskeuzes
voor de toekomst.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 11
De pensioenraad adviseert het bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over
aangelegenheden die het fonds betreffen. De pensioenraad adviseert het bestuiu"
over elk voorgenomen besluit van het bestuur tot:
a. het nemen van maatregelen van algemene strekking;
b. wijziging van de statuten en reglement van het fonds;
c. vaststelling van het jaarverslag, de jaarrekening, de actuariële en
bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 145 PW en een
langetermijnhesterplan als bedoeld in artikel 138 PW;
d. vermindering van de verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten
indien toepassing wordt gegeven aan artikel 134 PW;
e. het vaststellen en wijzigen van het toeslagbeleid;
f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het fonds of
de ovemame van verplichtingen door het fonds;
g. ontbinding van het fonds;
h. het sluiten, wijzigen of beëindigen van een uitvoeringsovereenkomst;
i. het temgstorten van premie of geven van premiekorting als bedoeld in
artikel 129 PW;
j . het vaststellen en wijzigen van de vergoedingsregeling voor
bestuursleden;
k. de vorm, inrichting en samenstelling van het inteme toezicht;
1. het vaststellen en wijzigen van een inteme klachten- en
geschillenprocedure;
m. het vaststellen en wijzigen van het communicatie- en
voorlichtingsbeleid;
n. het wijzigen van het beleid ten aanzien van medezeggenschap en
verantwoording.
De pensioenraad brengt ter zake van de aangelegenheden als hiervoor
omschreven een advies uit aan het bestuur. De raad brengt een advies uit waartoe
bij gewone meerderheid van stemmen is besloten. Indien ten minste éénderde
van het aantal raadsleden dit wenst, wordt ten aanzien van bedoelde
aangelegenheid tevens een minderheidsadvies ter kennis van het bestuur
gebracht.
Het bestuur deelt de pensioenraad bij afwijken van het uitgebrachte advies zo
spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd mee waarom het een advies niet of
niet geheel heeft opgevolgd.
Indien de pensioenraad positief adviseert op een voorgenomen besluit van het
bestuur verandert de status van het voorgenomen besluit direct in een genomen
besluit.
Indien de pensioenraad negatief adviseert op een voorgenomen besluit van het
bestuur wordt het voorgenomen besluit opnieuw besproken in het bestuur waama
het bestuur een definitief besluit neemt. Indien het bestuur afwijkt van het advies
van de pensioenraad zal het bestuur de pensioenraad op de voomoemde wijze
informeren.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 12
De pensioenraad kan beroep doen op de aan het fonds verbonden (exteme)
deskundigen.
Pensioenraad
Er is een pensioenraad als bedoeld in artikel 109 PW. Deze bestaat uit de leden
namens de geledingen deelnemers (2), gewezen deelnemers (3) en
pensioengerechtigden (5).
Indien ten minste twee leden van de pensioenraad dit wensen, oefent de
pensioenraad zijn wettelijke adviesbevoegdheden (onderdeel a tot en met n)
buiten verband van de pensioenraad uit, en komt hij daartoe in afzonderlijke
vergadering bijeen. De vergaderingen worden niet geleid door de voorzitter van
de pensioenraad, maar door een voorzitter die de pensioenraad uit zijn midden
kiest.
Rechtsgeldige besluiten kunnen slechts worden genomen indien ter vergadering
een meerderheid van de pensioenraadleden aanwezig is, waarbij vacante zetels
niet worden meegeteld.
Klachten- en geschillenregeling
Een "klacht" is iedere vorm van ontevredenheid met betrekking tot de
behandeling, bejegening of dienstverlening die door de klager als onjuist wordt
ervaren. Een klacht heeft betrekking op de uitvoering van het pensioenreglement
A,BofC.
Een klacht wordt ingediend bij het bestuursbureau. De administrateur handelt
vervolgens de klacht af en deelt de beslissing mede aan de klager. Indien klager
niet akkoord gaat kan hij een beroep doen op het bestuur van het fonds. Het
bestuur doet uitspraak. Als klager niet akkoord gaat met uitspraak van het
bestuur kan hij naar de Ombudsman Pensioenen stappen (mits klager geen
advocaat in de arm heeft genomen). De Ombudsman Pensioenen behandelt
geschillen die betrekking hebben op de uitvoering van de pensioenreglementen.
Het advies van de Ombudsman Pensioenen is echter niet bindend.
Geschillencommissie
Er is sprake van een geschil als een belanghebbende zich niet kan verenigen met
een inhoudelijk (uitsluitend) jegens hem genomen besluit van het bestuur.
Met inachtneming van het pensioenreglement is de geschillencommissie
uitsluitend bevoegd tot beslissen in geschillen tussen de deelnemer en het fonds
terzake de uitvoering van de pensioenregeling en individuele beslissingen uit
hoofde van die pensioenregeling die het bestuur terzake deze belanghebbende
heeft genomen. De beslissing van de geschillencommissie is voor beide partijen
bindend. Als een deelnemer in hoger beroep wil gaan tegen de beslissing van de
geschillencommissie kan deze naar de civiele rechter stappen. De civiele rechter
kan echter geen inhoudelijk oordeel meer vellen over de kwestie. Wel kan deze
rechter kijken of er al dan niet sprake is geweest van procedurefouten en
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 13
dergelijke. De geschillencommissie bestaat uit drie onafhankelijke exteme leden
en één secretaris.
Bestuursbureau
Vanaf2009 is een bestuursbureau opgericht. Het bestuursbureau heeft een
ondersteunende en controlerende rol en valt onder de verantwoordelijkheid van
het bestuur. Het bestuursbureau ondersteunt het (dagelijks) bestuur en de
aanspreekpunten aangaande:
a) de beleidsvoorbereiding, de besluitvorming en de aan de besluitvorming
verbonden acties;
b) het aansturen en monitoren van exteme partijen waaraan activiteiten zijn
uitbesteed;
c) projectmatige werkzaamheden;
d) contacten met exteme partijen waaronder sociale partners en
toezichthouders.
Het bestuursbureau verzorgt de secretariële ondersteuning van het bestuur. Het
bestuursbureau is belast met het bijeenroepen van het bestuur, het opmaken van
de agenda en het opstellen van het verslag van de vergaderingen, alsmede het
voeren van correspondentie en het beheren van de voor het bestuur bestemde en
van het bestuur uitgaande stukken.
Het bestuursbureau vertegenwoordigt het bestuur in project/stuurgroepen. Het
directiestatuut geeft een nadere invulling van de bepalingen uit de statuten van
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij. Het directiestatuut
beschrijft de taken en bevoegdheden van de directeur van het bestuursbureau. Dit
directiestatuut is definitief vastgesteld door het bestuur in de vergadering van 15
jimi 2010 en is per direct in werking getreden voor onbepaalde tijd. De laatste
wijziging is door het bestuur vastgesteld op 27 febmari 2013.
Intem toezicht
Het fonds heeft vanaf 2012 ten aanzien van de vormgeving van het inteme
toezicht gekozen voor het instellen van een raad van toezicht. Tot en met 2011
werd het inteme toezicht vormgegeven door een Visitatiecommissie. De raad van
toezicht bestaat uit drie exteme onafliankelijke, deskundige en gezaghebbende
personen. De leden zijn op geen enkele wijze, anders dan uit hoofde van de raad
van toezicht, betrokken bij hetfianctionerenvan het fonds.
De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op hetfimctionerenvan het
fonds in het algemeen en hetftinctionerenvan het bestuur in het bijzonder. De
raad van toezicht heeft de bevoegdheid om het bestuur te schorsen of tussentijds
te ontslaan. De leden (3) van de raad van toezicht zijn in 2012 benoemd voor een
termijn van drie jaar.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 14
Accountant
De exteme accountant controleert jaarlijks de getrouwheid van dejaarrekening
en de verslagstaten ten behoeve van De Nederlandsche Bank (DNB). Hij doet dit
overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarderichtlijnenmet betrekking tot
conti-oleopdrachten (Titel 9 Boek 2 BW). Volgens dezerichtlijnenwordt de
controle zodanig uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt
verkregen dat de jaarrekening geen onjuistheden van materieel belang bevat. De
exteme accountant geeft de uitkomsten van de controle weer in een afzonderlijke
controleverklaring bij dejaarrekening en bij de DNB-verslagstaten en rapporteert
aan het bestuur zijn bevindingen over de uitgevoerde controle. Verder geeft de
exteme accountant een verklaring af aan het bestuur met betrekking tot het
vaststellen van een normportefeuille door het bestuur en controleert hij het
feitelijk rendement van de gekozen normportefeuille. Momenteel is door het
fonds de heer A.J.H. Reijns RA vanKPMG Financial Services als accountant
aangewezen,
Waarmerkend Actuaris
De waarmerkend actuaris van het fonds controleert jaarlijks of de technische
voorzieningen, conform de grondslagen van het fonds, juist zijn vastgesteld.
Voorts beoordeelt de actuaris of de voorziening pensioenverplichtingen op
voldoende veilige grondslagen is berekend en of deze toereikend is ter dekking
van de minimumvoorziening. Hiemaast beoordeelt hij jaarlijks of de in het fonds
aanwezige middelen toereikend zijnvoor een continue dekking van deze
minimumvoorziening. Hiertoe voerthij onder andere een toereikendheidstoets
uit. De waarmerkend actuaris legt de bevindingen vast in een afzonderlijke
actuariële verklaring bij dejaarrekening en de DNB-verslagstaten. De
waarmerkend actuaris stelt jaarlijks ten behoeve van het bestuur een actuarieel
verslag op omtrent bevindingen en conclusies. Tevens beoordeelt hij ofde
uitvoering van het beleggingsbeleid in overeenstemming is met de pmdentpersonrichtiijn.Momenteel is door het fonds de heer drs. S.1. Keijmel AAG,
verbonden aan Mercer (Nederland) B.V. als waarmerkend actuaris aangewezen.
Deze waarmerkend actuaris is onafhankelijk van het pensioenfonds en verricht
geen andere werkzaamheden voor hét pensioenfonds.
Mercer heeft een door De Nederlandsche Bank N.V. goedgekeurde gedragscode
over de onafhankelijkheid van de waarmerkend actuaris.
Adviserend Actuaris
De heer drs. B. van Boesschoten AAG, werkzaam bij Mercer (Nederland) B.V.,
is door het fonds aangesteld als adviserend actuaris. De adviserend actuaris
woont de bestuursvergaderingen van het fonds bij en ondersteunt en adviseert het
bestuur terzake van onderwerpen bejtrefFende de opzet en uitvoering van de
pensioenregeling en andere actuariële vraagstukken en ontwikkelingen.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 15
Beleggingsadviseur
De beleggingsadviseur, de heer dr. Ir. J. Beenen, werkzaam bij Mercer
(Nederland) B.V., woont op afroep de vergaderingen van het bestuur bij en
ondersteunt en adviseert het bestuur ten aanzien van het beleggingsbeleid en de
contacten met c.q. monitoren van de vermogensbeheerder.
Lezerspanel
Het fonds heeft een lezerspanel met als doel om de communicatie beter af te
stemmen op de wensen en kennis van de lezers. Het lezerspanel is samengesteld
uit 10 leden en is samengesteld uit gepensioneerden, ex-deelnemers en actieve
deelnemers.
Compliance officer
Ter voorkoming van belangenconflicten en van misbmik en oneigenlijk gebmik
van de bij het fonds aanwezige informatie heeft het bestuur een gedragscode
opgesteld conform het model van de pensioenkoepels. In het kader van een
adequate beheersing van compliancerisico'sen het toezicht op de naleving van
de gedragscode, heeft het bestuur het Nederlands Compliance Instituut B.V.
aangesteld als exteme compliance officer.
1.6
Deskundigheid en zelfevaluatie
Het fonds beschikt met betrekking tot het bestuur over een deskundigheidsplan
en deskundigheidstoets zoals bedoeld in het bepaalde bij en krachtens artikel 105
lid 3 van de Pensioenwet. Het deskundigheidsplan inventariseert in hoeverre de
vereiste deskundigheden binnen het bestuur voorhanden zijn, en indien en voor
zover niet voorhanden, op welke wijze een verbetering van die deskundigheden
wordt bewerkstelligd.
Elk bestuurslid zorgt voor het verwerven en onderhouden van voldoende kennis
op pensioengebied om zijn verantwoordelijkheid als bestuurslid waar te kunnen
maken. Waar nodig zal hij zijn kermis uitbreiden door het volgen van opleiding
en cursussen. Daamaast worden aan bestuursleden vakbladen aangeboden.
Het bestuur stelt een reglement vast voor een periodieke evaluatie van het
bestuur als geheel en van de individuele bestuursleden. Het bestuur van het fonds
zal jaarlijks stil gaan staan bij het eigenfimctioneren.Jaarlijks vindt de
zelfevaluatie plaats en deze zal mede gebmikt worden voor het actualiseren van
het deskundigheidsplan. De zelfevaluatie vindt plaats onder toezicht van een
exteme deskundige.
De pensioenraad beschikt eveneens over een deskundigheidsplan.
1.7
Het interne beheerssysteem van het pensioenfonds
De Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij voert de
pensioenregeling uit in eigen beheer. Het bestuur is verantwoordelijk voor de
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 16
uitvoering van de regeling. Het pensioénbehèer van de pensioenregeUng heeft
het bestuur tot en met 31-12-2014 uitbesteed aan MN.
De premieheffing en incasso zijn uitbesteed aan MN.
Het vermogensbeheer is uitbesteed aan MN.
In overeenkomsten zijn vastgelegd wat de taken en verantwoordelijkheden van
partijen zijn (voor wat betreft de pensioenadministratie: de dienstencatalogus),
onderdeel van deze contracten zijn zogenaamde service level agreements.
De condities van de uitbesteding zijn vastgelegd in een pensioénbehèer overeenkomst met MN. In deze overeenkomst zijn onder meer de volgende
elementen verwerkt:
•
Vastgelegd zijn de specifieke werkzaamheden die de uitvoerder verricht voor
het fonds, onder te verdelen in administratieve,financiële,secretariële,
actuariële, juridische, en overige werkzaamheden.
•
De verplichting deze werkzaaniheden op een efficiënte, zorgvuldige en
professionele manier uit te voeren.
De verplichting tot geheimhouding van de gegevens van het fonds en
verklaring in te staan voor de deskundigheid en de betrouwbaarheid van het
personeel dat met de uitvoering van de werkzaamheden wordt belast.
MN verpUcht zich de boekhoudkundige verwerking en verantwoording uit te
voeren onder controle van de Raad van de Jaarverslaglegging volgens in
Nederland geldende algemene accountancy principes.
De uitvoerder wordt last en volmacht verleend om al datgene te doen wat in
het belang van het fonds en voortvloeiende uit de hem opgedragen taken
gewenst, nuttig of noodzakelijk wordt geacht.
De overeenkomst tussen Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij
en MN Pensioénbehèer is gesloten op 16 febmari 2009 en is ingegaan op 1
januari 2010. Deze overeenkomst heeft een duur van 5 jaar en loopt af op 31
december 2014. De overeenkomst tussen Stichting Bedrijfspensioenfonds voor
de Koopvaardij en MN inzake het vermogensbeheer is gesloten in 2008 en
ingegaan per 1 juni 2008 voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van drie
maanden.
Het bepaalde in de overeenkomst met MN dient als kader voor de
werkzaamheden die zij voor het fonds in het kader van het vermogensbeheer
uitvoert. Binnen dit kader kan het fonds nadere invulling geven aan de wijze
waarop de werkzaaniheden worden uitgevoerd en de beleidslijnen waarbinnen
dit dient te gebeuren. Dit gebeurt door het vaststellen van een beleidsnota en
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 17
beleggingsplan door het bestuur waaraan de gecontracteerde partijen zich dienen
te houden.
Ook kan het bestuur door middel van een bestuursbesluit aan MN specifieke
bevoegdheden verlenen, bijvoorbeeld bij de uitvoering van het
pensioenreglement. Deze besluiten worden vastgelegd in de verslagen van de
vergadering van het bestuur en nadien ook in de historische leidraad van het
fonds. Deze leidraad kan worden geraadpleegd door het bestuur, de
pensioenraad, het bestuursbureau en door de bij de uitvoering betrokken
medewerkers van MN.
Het bestuur van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij wordt
door MN, hiema te noemen de administrateur, in de afzonderlijke
bestuursvergaderingen op de hoogte gehouden van de aan deze uitbestede
werkzaamheden en ontwikkelingen op velerlei relevante gebieden. Dit gebeurt
door middel van verslaglegging en notities omtrent onder meer nieuwe wet - en
regelgeving. Ook wordt het bestuur door de administrateur meermaals expliciet
verzocht een besluit te nemen, zowel in het algemeen als in individuele gevallen.
De besluiten, door het bestuur genomen, worden in notulen, besluitenlijsten en
actiepuntenlijsten vastgelegd, welke het bestuur in de vergadering volgend hierop,
eventueel met inachtneming van op- of aanmerkingen, goedkeurt. Naar aanleiding
van besluiten die leiden tot een wijziging in de stukken van het fonds (zoals een
van de pensioenreglementen) wordt voor de eerstvolgende vergadering een
concept wijziging van het betreffende stuk geagendeerd. Het bestuursbureau heeft
onder verantwoordelijkheid van het bestuur een controlerende- en coördinerendealsmede een bewakingsrol om de voortgang en kwaliteit van de actiepunten te
waarborgen.
Indien het bestuur de administrateur om iets verzoekt dan wel deze toestaat in
bepaalde situaties volgens een vastgestelde wijze te handelen wordt dit eveneens
opgenomen in de notulen. Controle vindt dus over het algemeen plaats via de
notulen van voorgaande bestuursvergaderingen. Daamaast zal een jaarplan
worden opgesteld. Hierin wordt een overzicht gegeven van afspraken tussen
bestuur en administrateur zodat het bestuur in staat is een aantal werkzaamheden
te sturen en te volgen. Ook kuimen er op deze manier afspraken worden gemaakt
over kwaliteit en serviceniveau. Het verwachte serviceniveau is bovendien
vastgelegd in een Service Level Agreement (SLA).
Taakuitvoering van de verschiUende afdelingen van MN
De kwaliteit van de taakuitvoering wordt in belangrijke mate bepaald door de
integriteit, de zakelijke ethiek en de deskundigheid van de medewerkers, de
delegatie van bevoegdheden en het toezicht door de leidinggevenden. Enkele
getroffen beheersmaatregelen zijn:
beschrijving functievereisten voor alle cmciale fimcties;
taakverdeling binnen de afdelingen;
verantwoordelijkheden en delegatie van bevoegdheden;
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 18
•
aanwezigheid en functioneren van inteme controleafdelingen.
Informatie en communicatie
Van groot belang is goede informatie en communicatie binnen de diverse
afdelingen en vanuit deze afdelingen naar buiten toe. Ook over de opslag en het
beheer van informatie dienen duidelijke afspraken te bestaan.
Als beheersmaatregelen worden genoemd:
•
voor alle systemen is bepaald wie toegang heeft en wie bevoegd is tot het
invoeren of wijzigen van de betreffende informatie;
• duidelijke communicatielijnen binnen de verschillende afdelingen en naar het
fondsbestuur;
• het verstrekken van (periodieke) infonnatie aan het fondsbestuur en de door
hen ingestelde commissies;
• stelsel van maatregelen voor beveiliging van informatie: fysieke en logische
toegangsbeveiliging, back up and recovery procedures, uitwijkmogelijkheden
en duidelijke changemanagement procedure.
Risicobeoordeling
Derisicobeoordelingbestaat uit het identificeren en analyseren van die risico's
die het realiseren van de doelstellingen in de weg kimnen staan. Op deze wijze
verschaftrisicobeoordelingeen basis voor de wijze waarop derisico'sbeheerst
kunnen worden.
Belangrijke beheersingsmaatregelen zijn:
•
Doelstellingen zijn vastgelegd in administratieovereenkomsten,
beleggingsplannen, valuta - en derivatennota's;
•
Tijdige vaststelling beleggingsplannen en van het derivaten - en valutabeleid
door bestuur van het fonds;
•
Communicatie van beleggings-Zpensioenplannen en nota's naar medewerkers
van de organisatie;
•
Duidelijke voorschriften welke activiteiten, producten, brokers toegelaten of
verboden zijn;
•
Heldere limieten om krediet, markt en liquiditeitsrisico's te beheersen;
•
Identificatie en meting van alle risico's;
•
Eenduidige benchmarks;
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 19
•
Dynamischerisicobeheersingmodellenzoals recentelijk zijn opgesteld
inclusiefrisicodashboarden bewaking via opname van maatregelen in
(effect) rapportages. In hetrisicodashboardstaan continu en integraal de
risico's van het fonds.
Inteme controle
Door controle van de inteme beheerssystemen wordt de kwaliteit van de
verrichte werkzaamheden gewaarborgd. Dit betreft de conti-ole met betrekking
tot:
• de betrouwbaarheid van de beleggings-, pensioen- en financiële
administratie. Deze wordt door de inteme accountantsdiensten
gecontroleerd;
• de kwaliteit van de beheersing van de organisatie. Deze wordt op
systeemniveau gecontioleerd door de inteme accountantsdiensten;
• naleving van wet- en regelgeving door de relevante afdelingen.
De pensioenadministrateur en vermogensbeheerder stellen tussentijds door
middel van audits vast of de opzet en werking van de administiatieve organisatie
en de daarin opgenomen maatregelen van inteme controle voldoen aan de
daaraan te stellen eisen. Het bestuur heeft inzage in deze audits en ontvangt
jaarlijks de ISAE 3402 verklaring. Dit wordt aangevuld met het auditplan waarin
het bestuur de auditfrequentie van zowel de ISAE 3402 en Non-ISAE processen
heeft gedefinieerd. Deze audits worden onafhankelijk van de inteme audits van
MN uitgevoerd.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 20
2 Deelname aan de pensioenregeling
2.1 Verplichte aansluiting
Werkgevers van werknemers binnen de koopvaardij die voldoen aan de
voorwaarden inzake de verplichtstelling dienen zich te melden op het moment
dat voor hen de aansluitings- c.q. deelnemingsplicht van toepassing is.
De aangesloten werkgever is verantwoordelijk voor het verstiekken van de juiste
gegevens die nodig zijn om de pensioenregeling uit te kunnen voeren.
Nieuwe werkgevers met personeel in dienst dienen zich voor de
werknemersverzekeringen te melden bij de Belastingdienst voor de voor hen van
toepassing zijnde sector. De Belastingdienst bepaalt in welke sector zij de
ondememing op grond van de bedrijfsactiviteiten moet indelen. Als een
werkgever wordt ingedeeld in een categorie waarvoor de verplichting tot
deelname aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij geldt, wordt de
pensioenbeheerder van het fonds geïnformeerd. Als de werkgever al bekend is en
op grond van zijn bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeeromschrijving van
het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij ressorteert, wordt de werkgever
in de geautomatiseerde administiatie opgenomen.
Indien niet met een redelijke mate van zekerheid kan worden bepaald of de
pensioenregeling geldend binnen de koopvaardij van toepassing is, wordt een
vragenfonnulier verzonden voor het verstiekken van nadere informatie. Als aan
het verzoek tot het verstrekken van nadere informatie, ondanks diverse rappels,
niet wordt voldaan, wordt er aan de hand van de beschikbare informatie een
aansluiting gerealiseerd.
Als een aansluiting is gerealiseerd, wordt de werkgever hiervan in kennis gesteld
en wordt hem de nodige infomiatie toegezonden. De werkgever verstiekt
maandelijks een opgave van het pensioengevend dagloon. Aan de hand van de
opgave van de werkgever wordt de pensioenpremie berekend en een premienota
vastgesteld. De werkgever ontvangt maandelijks een premie-overzicht.
Het pensioenfonds maakt gebmik van looncontioles om de juistheid en
volledigheid van de opgave van het pensioengevenddagloon vast te stellen.
Bevindingen worden gerapporteerd en zonodig leidt dit tot het opleggen van
correctie-facturen.
Wanneer een werkgever (met deelnemingsplichtig personeel in dienst) verzuimt
zich aan te melden bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij en de
administiateur signaleert de werkgever op een later tijdstip, dan is het
pensioenfonds gehouden de werkgever met temgwerkende kracht aan te sluiten.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 21
Bovengenoemde procedures en verplichtingen zijn opgenomen in een
uitvoeringsreglement. Hierbij zijn de bepalingen van artikel 25 van de
Pensioenwet in acht genomen.
2.2
Vrijwillige aansluiting
Het bestuur is bevoegd een werkgever die niet onder de werkingssfeer van het
fonds valt, die zeevarenden in dienst heeft op schepen met een niet-Nederlandse
zeebrief, maar wel een economische en/of organisatorische eenheid vormt met
een verplicht aangesloten ondememing of een verwantschap heeft met de
bedrijfstak, op vrijwillige basis aan te sluiten bij het fonds indien de werkgever
hierom verzoekt, indien, conform het gestelde in artikel 121 van de Pensioenwet:
a. de loonontwikkeling bij deze werkgever ten minste gelijk is aan die in een
bedrijfstak waarin het bedrijfspensioenfonds werkzaam is en de werkgever
deelneemt in de sociale fondsen van dezelfde bedrijfstak;
b. er sprake is van een groepsverhouding tussen de werkgever die zich vrijwillig
wil aansluiten en een andere werkgever die onder de werkingsfeer van het
bedrijfspensioenfonds valt; of
c. dit aansluitend gebeurt aan een periode waarin de werkgever wel onder de
werkingsfeer van het bedrijfspensioenfonds viel.
Gevolg van de vrijwiUige aansluiting is dat de desbetieffende werknemers van
de werkgever gaan deelnemen in de verplichte regeling van het fonds. Het fonds
kan voor vrijwillige aansluitingen een afwijkende premie in rekening brengen.
Bij een vrijwillige aansluiting zal een uitvoeringsovereenkomst tussen het fonds
en de betreffende werkgever worden opgesteld. Hierbij zuUen de bepalingen van
artikel 25 van de Pensioenwet in acht worden genomen.
2.3
Vrijwillige voortzetting
Het bestuur is bevoegd aan individuele deelnemers toe te staan de deelname aan
de pensioem-egeling voort te zetten na beëindiging van het dienstverband met een
aangesloten werkgever. Vrijwillige voortzetting wordt slechts toegestaan als de
deelnemer voldoet aan door het bestuur gestelde voorwaarden en slechts voor
een beperkte duur, een en ander in overeenstemming met de wettelijke
bepalingen ter zake.
2.4 Dispensatie
In een aantal door de wet (Vrijstellingsbesluit Wet Bpf2000) voorgeschreven
gevallen is het fonds verplicht op verzoek van een werkgever vrijstelling te
verlenen van deelneming aan de pensioenregeling. Als bij een verzoek tot
vrijstelling niet voldaan is aan de voorwaarden van een verplichte vrijstelling,
kan het fonds ook onverplicht vrijstelling verlenen.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 22
3
Algemene overwegingen
Bij het vaststellen van de toe te passen actuariële technieken, het
beleggingsbeleid en de balanswaardering heeft het bestuur zich laten leiden door
de volgende algemene verwachtingen ten aanzien van de bedrijfstak, het
verzekerde bestand en algemene economische omstandigheden.
3.1
Continuïteit van de bedrijfstak
Er zijn geen redenen om aan de continuïteit van de bedrijfstak te twijfelen. Wel
houdt het bestuur rekening met de omstandigheid dat de bedrijfstak conjunctuur
gevoelig is.
3.2
Omvang van het deelnemersaantal
Er wordt een inkrimping van het deelnemersbestand voorzien. Zoals in paragraaf
3.1 is gezegd, houdt het bestuur rekening met de omstandigheid dat de
bedrijfstak conjunctuurgevoelig is en dat de omvang van het deelnemersaantal op
termijn blijft dalen. Dit vanwege de verdeling van de werkgelegenheid van EU
en niet-EU ingezetenen.
3.3
Verwachte salaristrend(s)
Bij het formuleren van het beleid is uitgegaan van de verwachting dat de
ontwikkeling van de sociale uitkeringen, zoals de AOW- en WIA-uitkeringen,
iets zal achterblijven bij de algemene ontwikkeling van de lonen en ook dat de
prijzen langzamer zullen stijgen dan de lonen.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 23
4
De inhoud van de pensioenregeling
Voor een precieze inhoud van de pensioenregeling wordt verwezen naar de
pensioenreglementen. Hiema wordt een korte samenvatting gegeven waarin de
verzekeringstechnisch gezien belangrijkste elementen genoemd worden.
4.1 Pensioenregeling voor werknemers geboren in 1950 of later
(Reglement A)
De pensioenregeling is een middelloonregeling met een opbouw van het
levenslange ouderdomspensioen van 2,25% van de pensioengrondslag per
deelnemingsjaar en een voorwaardelijke jaarlijkse toeslagverlening. De vroegste
aanvangsleeftijd van de pensioenopbouw is 21 jaar. Het levenslange
ouderdomspensioen wordt opgebouwd tot maximaal het bereiken van de 65
jarige leeftijd. Het levenslange ouderdomspensioen gaat in op leeftijd 65, tenzij
de deelnemer gebmik maakt van de mogelijkheid om de pensioeningang (en
pensioenhoogte) door middel van het herschikken van pensioenaanspraken aan te
passen.
De pensioengrondslag is gelijk aan het loon minus de pensioenfranchise. Het per
dag in aanmerking te nemen loon is gemaximeerd. Onder loon is naast het vaste
loon ook de geldswaarde van de vrije voeding en de vakantietoeslag begrepen,
alsmede onder voorwaarden een forfaitaire overwerkvergoeding. De
pensioenfranchise wordtjaariijks vastgesteld en bedraagt voor 2013 € 13.227,60.
Het nabestaandenpensioen resp. wezenpensioen bedraagt 70% resp. 14% van het
verzekerde levenslange ouderdomspensioen.
Het uitgangspunt voor de toeslag op de pensioenaanspraken van de deelnemers is
de stijging van de CAO lonen (inclusief bijzondere beloningen) van volwassen
werknemere in het particuliere bedrijf over de referteperiode juli-juli. Deze
toeslag is zoals vermeld voorwaardelijk. Het toeslagbeleid is uitgewerkt in
hoofdstuk 7 van deze ABTN.
Voor de actieve deehiemere geboren in 1951 t/m 1972 die in 2005 en in 1994 in
de pensioenregeling van het fonds hebben deelgenomen wordt op 1 januari van
het jaar waarin de 60-jarige leeftijd wordt bereikt, dan wel bij eerder ingaan van
het pensioen een extra aanspraak op ouderdomspensioen (ingaand op leeftijd 65)
verkregen. Op basis van de mogelijkheid tot uitstel vanfinancieringis deze
toezegging voorwaardelijk tot het moment dat de extia aanspraak is gefinancierd.
De hoogte van de extia aanspraak op ouderdomspensioen is afliankelijk van het
geboortejaar van de betieffende deelnemer. Zodra de extia aanspraken
daadwerkelijk zijn toegekend, tellen deze aanspraken ook mee voor de bepaling
van het nabestaandenpensioen. Dit betekent dat bij voortijdig overlijden er geen
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 24
aanspraken op nabestaandenpensioen wordt toegekend over deze extra
aanspraken. Indien en voorzover de pensioenaanspraken van actieve deelnemere
met een toeslag verhoogd worden, worden de voorwaardelijke extia aanspraken
in gelijke mate verhoogd.
Het 40-deelnemingsjarenpensioen gaat in bij het bereiken van de 63-jarige
leeftijd. De hoogte bedraagt maximaal 70% van het loon. Dit is inclusief het
levenslange ouderdomspensioen en het uit de vóór 1 januari 2006 geldende
pensioenreglementen voortvloeiende overbmggingspensioen en tijdelijk
ouderdomspensioen. Ingeval het 40-deelnemingsjaren pensioen eerder of later
ingaat wordt dit pensioen herrekend met inachtneming van de algemeen
aanvaarde actuariële grondslagen.
WGA-hiaat verzekering
Met ingang van 1 januari 2012 is de WGA-hiaatverzekering ondergebracht in de
regeling van het fonds. De WGA-hiaatverzekering bij de OWM Zee-Risico 1996
U.A. is met ingang van 31 december 2011 beëindigd. Eventuele aanspraken van
een arbeidsongeschikte (ex) werknemer worden door het fonds overgenomen. De
premie voor 2013 is vastgesteld op 0,15%. Voor zeevarenden die onder Bpf
Koopvaardij vallen is de effectieve premie 0%.
4.1.1 Prepensioenregeling voor werknemers geboren in 1950 of
later (Reglement B)
De prepensioenregeling is een middelloonregeling met een opbouw van 0,37%
van de prepensioengrondslag per deelnemingsjaar, is gestart per 1 januari 2006
en kent een voorwaardelijke jaarlijkse toeslagverlening. De vroegste
aanvangsleeftijd van de prepensioenopbouw is 21 jaar. Het prepensioen wordt
opgebouwd tot maximaal het bereiken van de 60 jarige leeftijd . Het prepensioen
gaat in op leeftijd 60, tenzij de deelnemer gebmik maakt van de mogelijkheid om
de pensioeningang uit te stellen. Het prepensioen gaat uiterlijk 1 maand voor het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar in.
Van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 was een opbouwpercentage van
0,30% van toepassing. Vanaf 1 januari 2011 is het opbouwpercentage 0,37%.
De prepensioengrondslag is gelijk aan het loon minus de pensioenfranchise. Het
per dag in aanmerking te nemen loon is gemaximeerd. Onder loon is naast het
vaste loon ook de geldswaarde van de vrije voeding en de vakantietoeslag
begrepen, alsmede een forfaitaire overwerkvergoeding.
Het uitgangspunt voor de toeslag op de prepensioenaanspraken van de
deelnemere is de stijging van de CAO lonen (inclusief bijzondere beloningen)
van volwassen werknemers in het particuliere bedrijf over de referteperiode juli-
' Betreffende de leeftijdsbepaling loopt er een dispuut bij de CAO-partijen.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 25
juli. Deze toeslag is zoals vermeld voorwaardelijk. Het toeslagbeleid is
uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze ABTN.
Uit hoofde van de prepensioenregeling wordt voor deelnemers geboren in 1950
of later prepensioen opgebouwd over de deelnemingstijd tot en met
31 december 2005.
De opbouw van extia prepensioen bedraagt 0,25% van de prepensioengrondslag
per deelnemingsjaar gelegen voor 1 januari 2006. Deze extia
prepensioenopbouw vindt rechtevenredig plaats en vangt aan op 1 januari 2006
en duurt tot uiterlijk de eerste dag van de maand waarin de 60-jarige leeftijd
wordt bereikt.
Voor werknemers van bedrijven waarvoor de premiebetaling inzake de
prepensioenregeling per 1 september 2006 is gestart, geldt dat zij over de periode
1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 geen aanspraken op prepensioen en
extia prepensioen hebben opgebouwd.
4.2 Pensioenregeling voor werknemers geboren In 1949 of eerder
(reglement C)
Reglement C is een gesloten pensioenregeling. De pensioenregeling is een
gemitigeerde, voorwaardelijke eindloonregeling met een opbouw van het
levenslange ouderdomspensioen van 1,71% van de pensioengrondslag per
deelnemingsjaar. De vroegste aanvangsleeftijd is 20 jaar, terwijl maximaal 40
jaar lang pensioen wordt opgebouwd. Het levenslange ouderdomspensioen gaat
in bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd.
De pensioengrondslag is gelijk aan het loon minus eenfranchise.Onder loon is
naast het vaste loon ook de geldswaarde van de vrije voeding en de
vakantietoeslag begrepen alsmede een forfaitaire overwerkvergoeding. Het per
dag in aanmerking te nemen loon is gemaximeerd. Defranchisewordtjaariijks
vastgesteld en bedraagt voor 2013 € 13.140. De optiek tot eindloonniveau is,
gezien de leeftijd van de betreffende deelnemere en het gesloten karakter van de
regeling, gemitigeerd.
De mitigering heeft betiekking op het na het bereiken van de 55 jarige leeftijd in
aanmerking te nemen loon. Het maximaal in aamnerking te nemen loon bedraagt
dan namelijk het met het indexcijfer van de regelingslonen verhoogde loon van
het voorafgaande jaar. De gemitigeerde optrek tot eindloonniveau geschiedt
overigens indien en zolang het fonds over voldoende weeretandsvermogen
beschikt, of, indien dat niet het geval is, het herstel van het weerstandsvermogen
ook met het toekeimen van de optiek voldoende snel zal plaats vinden. Indien dat
niet het geval is wordt de groei van de (door mitigering al beperkte)
pensioengrondslag verder beperkt of eventueel op nul gesteld.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 26
Door de overgang in 1995 naar de huidige regeling zijn er in het pensioenfonds
premievrije aanspraken op een tijdelijk ouderdomspensioen uit te keren van de
60 jarige tot de 65 jarige leeftijd. Een deel van de aanspraken op levenslang
ouderdomspensioen per 31 december 1994 is in voomoemde aanspraak op
tijdelijk ouderdomspensioen verwerkt. Het andere deel van de aanspraak op
levenslang ouderdomspensioen is verwerkt in de aanspraak op levenslang
ouderdomspensioen ingaand op leeftijd 65.
Het nabestaandenpensioen resp. wezenpensioen bedraagt 70% resp. 14% van het
verzekerde levenslange ouderdomspensioen.
De deelnemer die de 60-jarige leeftijd maar nog niet de pensioengerechtigde
leeftijd heeft bereikt komt in aanmerking voor een overbmggingspensioen als
aan de volgende voorwaarden is voldaan:
• De deelnemer heeft in de periode tussen 47,5- en 60-jarigeleeftijd
deelgenomen in het fonds;
• De deelnemer stemt ermee in dat, indien hij voor 1 januari 1995 op basis
van deelneming in het fonds aanspraken op ouderdomspensioen ingaande
op 60-jarige leeftijd heeft opgebouwd, dit ouderdomspensioen gelijktijdig
ingaat met het overbmggingspensioen. De hoogte van dit
ouderdomspensioen wordt alsdan vastgesteld.
4.3 Premievrijstelling
Indien een deelnemer geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt in de zin
van de WAO of de WIA zal de pensioenopbouw zoals gedefinieerd in
pensioenreglement A dan wel pensioenreglement C geheel of gedeeltelijk
doorgaan, waarbij zo lang deze situatie duurt (gedeeltelijke) premievrijstelling
wordt verleend. Wijzigingen in WAO- of WIA-klasse-indeling hebben met
ingangsdatum van die wijziging gevolgen voor het niveau van premievrijstelling.
De premievrijstelUng vindt plaats tot maximaal het bereiken van de 60-jarige
leeftijd.
Jaarlijks kan op 1 januari het voor de bepaling van de pensioengrondslag in
aanmerking te nemen loon van deelnemere met premievrije deelneming worden
herzien. Uitgangspunt voor deze voorwaardelijke toeslag is de stijging van de
CAO lonen (inclusief bijzondere beloningen) van volwassen werknemere in het
particuliere bedrijf over de referteperiode juli-juli. Het toeslagbeleid is
uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze ABTN.
4.4 WAO-gat-verzekering
Van 1 juli 1993 tot en met 31 december 2003 is een verzekering van
invaliditeitspensioen van kracht geweest waannee het zogenaamde WAO-gat
wordt opgevuld. Per 1 januari 1994 is deze verzekering uitgevoerd op basis van
het principe van aanvullende verzekering. Op basis van de CAO moest een
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 27
werkgever een dergelijke aanvuUende verzekering sluiten. Het fonds wikkelt de
voor 1 januari 2004 ontstane aanspraken zelfstandig af.
4.5
Enkele bijzondere aspecten
Het fonds kent een regeling voor vrijwillige voortzetting tegen gereduceerde
premie bij niet-verwijtbare werkloosheid en staat onder bepaalde voorwaarden
de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de regeling toe indien de
verplichte deelneming ten einde komt.
Met deze aspecten is bij de premiestelling rekening gehouden. Sommige van
deze extia voorzieningen zijn overigens nadmkkelijk herroepbaar indien de
financiële positie van het fonds de uitvoering niet langer mogelijk mocht maken.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 28
5 De berekening van de Voorziening Pensioenverplichtingen
5.1 Kansstelsels
De Voorziening Pensioenverplichtingen (VPV) wordtjaariijks per de
balansdatum 31 december berekend op basis van recente overievingstafels
Prognosetafel AG2012-2062 waarbij de verwachte sterftetiend wordt
meegenomen. Indien nieuw gepubliceerde tafels tot een herziening van de VPV
van minder dan 1,5% zou leiden, houdt het bestuur van het fonds zich het recht
voor om de omrekening uit te stellen tot de publicatie van de daarop volgende
tafels.
Voor de tarieven van het nabestaandenpensioen zijn partnerfrequenties in acht
genomen. Dezefrequentieszijn vermeld in bijlage I bij deze nota. Bij de
berekeningen is steeds aangenomen dat de medeverzekerde partner van een
mannelijke verzekerde een vrouw is die vier jaar jonger is, terwijl is aangenomen
dat een vrouwelijke verzekerde een vier jaar oudere mannelijke medeverzekerde
partner heeft.
Met ingang van 1 januari 2010 is gezien de geringe omvang van de
premievrijgestelde pensioenopbouw en derijpingvan de invaliditeitspensioenen
voor de berekening van de VPV het gebmik van in- en revalideringskansen
beëindigd en zal voor wat betieft de overievingstafel aangesloten worden bij de
tafel die voor de rest van de VPV wordt gebmikt.
5.2
De rekenrente, berekeningswijze
De VPV wordt berekend aan de hand van de rentetermijnstmctuur zoals die door
DNB gepubliceerd wordt. De pensioenen zijn continu betaalbaar verondereteld.
De netto VPV voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen wordt gesteld op
de contante waarde van de op de balansdatum verworven tijdsevenredige
aanspraken, met inbegrip van de verhogingen per 1 januari na de balansdatum.
Ter bepaling van de netto VPV voor niet ingegane wezenpensioenen wordt geen
afzonderlijke voorziening vastgesteld. In plaats daarvan wordt het uitgestelde
nabestaandenpensioen behorend bij het uitgesteld ouderdomspensioen voor
deelnemers jonger dan 65 jaar op 105% van zijn reglementaire waarde gesteld.
Voor ingegane wezenpensioenen wordt voor de vast te stellen VPV sterfte
verwaarloosd.
De overievingstafels, thans de Prognosetafel AG2012-2062, worden gebmikt
met correctiefactoren die voor zowel mannen als vrouwen op alle leeftijden
gelijk zijn aan 100% (ofwel geen correctie op de Prognosetafel AG2012-2062).
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 29
Vanaf31 december 2012 wordt als startjaar het startjaar 2013 gebmikt. Jaarlijks
schuift het te gebmiken startjaar één jaar op.
Voor ingegane invaliditeitspensioenen is de netto VPV gesteld op de contante
waarde van het toegekende invaliditeitspensioen.
Voor deelnemers aan wie premievrije deelneming wegens arbeidsongeschiktheid
is verleend, wordt de contante waarde van de vrijgestelde pensioenopbouw
(ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen) in de voorziening opgenomen.
Met ingang van 2010 wordtjaariijks 2% van de bmto dooreneepremie (de in de
hefBngspremie begrepen opslag van 2% voor dekking van het
premievrijsteUingsrisico) gereserveerd in een zogenaamde wachttijdvoorziening.
Deze voorziening maakt deel uit van de VPV. In geval van invalideringen wordt
bij ingang arbeidsongeschiktheid (normaal gesproken na twee jaar) de contante
waarde van de toekomstige pensioenopbouw ten laste van deze
wachttijdvoorziening gebracht en aan de VPV toegevoegd. Indien de
wachttijdvoorziening op enig moment meer bedraagt dan 3 keer een
jaarreservering, ofwel 6% van de bmto dooreneepremie van dat jaar, zal het
meerdere vrijvallen ten gunste van het resultaat van het fonds. Indien de
wachttijdvoorziening op enig moment minder dan nul bedraagt zal het tekort ten
laste van het resultaat van het fonds worden aangezuiverd.
Dat gedeelte van de VPV dat betiekking heeft op door de premievrijgestelde
deelnemers verkregen aanspraken op tijdelijk ouderdomspensioen en
overbmggingspensioen, wordt op nul gesteld. De overbmggingen voor
premievrijgestelde deelnemers worden namelijk door samenloopbepalingen niet
geacht tot uitkering te komen.
De voorziening voor niet ingegaan resp. ingegaan ouderdoms- en
overbmggingspensioen wordt verhoogd met 0,35% resp. 0,65% in verband met
de reglementaire overlijdensuiticering ter grootte van één maanduitkering bij
overlijden na ingang van het ouderdoms- of overbmggingspensioen. De netto
VPV is met ingang van 31 december 2010 met 2,5% (voorheen 2%) verhoogd
voor excassokosten.
5.3
Groepering, leeftijdsbepaling
Op de balansdatum worden voor de groepen actieve deelnemere, gewezen
deelnemers met uitgestelde rechten en personen voor wie het pensioen is
ingegaan, gesplitst per geslacht, de aanspraken samengevoegd voor pereonen
geboren in hetzelfde jaar. Per aldus gevormde categorie wordt de leeftijd gesteld
op het verelagjaar minus het geboortejaar plus een half.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 30
De waarderingsgrondslagen van de balans
6.1
Balanswaardering van de beleggingen
De activa en passiva zijn, voor zover niet anders vermeld, gewaardeerd tegen
marktwaarde. Voor eventueel oninbare vorderingen vindt waardering plaats
onder aftrek van een voorziening.
Derivaten
Derivaten (opties, futures, e.d.) worden gewaardeerd tegen reële waarde, te
weten de relevante marktnotering of, als deze ontbreekt, de waarde die wordt
bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.
Omrekening vreemde valuta
Activa en passiva in vreemde valuta worden omgerekend tegen de valutakoers
per balansdatum.
Voor zover valutarisico's zijn afgedekt door middel van valutatermijnconfracten,
worden de valutatermijnconfracten gewaardeerd op basis van een marktconform
waarderingsmodel. De waarde van een valutatermijncontiact is op de
afloopdatum van het contiact:
Nominale waarde * (Wisselkoere op afloopdatum contiact -/- contiactueel
vastgelegde koers)
Vóór de afloopdatum wordt de wisselkoers op afloopdatum geschat met behulp
van de verwachte wisselkoeremutaties in de markt, welke tot uitdmkking komen
als 'forwardtics(de verwachte mutaties in wisselkoersen op basis van de
renteverechiUen tussen de betiokken valuta's)'. De verwachte kassfromen (zowel
de betaling van de te leveren hoeveelheid valuta als de ontvangst van de te
ontvangen hoeveelheid valuta) worden contant gemaakt tegen de relevante
yieldcurve, waarbij de curve van de befrokken valuta gebuikt wordt.
Onroerende goederen
De participaties in onroerendgoedfondsen, niet beuregenoteerde aandelen en
deelnemingen in onroerend-goedmaatschappijen worden gewaardeerd tegen
intrinsieke waarde c.q. netto-vermogenswaarde.
Discretionaire portefeuille 100% eigendommen
Ieder kwartaal wordt een kwart van de portefeuille extem gewaardeerd, waarbij
de objecten die in Ql, Q2 en Q3 zijn getaxeerd in Q4 nog een update krijgen.
Ook objecten die worden uitgepond worden elk jaar minimaal één keer, en in de
meeste gevallen twee keer, extem getaxeerd. In kwartalen dat het. object niet
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 31
wordt gewaardeerd, wordt de prijsontwikkeling geïndiceerd op basis van
waardeontwikkelingen van objecten die dat kwartaal wel zijn getaxeerd.
Portefeuille deelnemingen (SAREF)
Voor de objecten bij SAREF in beheer zijnde deelnemingen geldt dat deze
eenmaal per jaar volledig extem worden getaxeerd en in de andere drie kwartalen
wordt de waarde bepaald middels een statistische benadering.
De gehanteerde richtiijnen sluiten aan bij de richtlijnen van de ROZ/IPD-index.
AREA fonds
Groepsmaatschappijen worden gewaardeerd op basis van netto
vermogenswaarde. Overige beleggingen worden gewaardeerd tegen de reële
waarde. Voor beursgenoteerde fondsen betieft dit de beurekoers per
rapportagedatum. Voor niet-beursgenoteerde fondsen wordt deze benaderd door
de beleggingswaarde zoals opgegeven door de Onderliggende Vastgoedfondsen,
welke gebaseerd is op reële waarde zoals deze op het moment van waardering
aan de Beheerder ter beschikking staan.
Hypotheken
De hypotheken in het Particuliere en Zakelijke Hypothekenfonds worden
gewaardeerd tegen de euroswapcurve plus een hypotheekspecifieke risicoopslag. Dezerisico-opslagis afhankelijk van het soortfinanciering,het type
onderpand, de dekkingswaarde en eventuele garanties (NHG).
Leningen op schuldbekentenis
Leningen worden gewaardeerd tegen marktwaarde, zijnde de contante waarde
van de kasstiomen, verdisconteerd tegen de rente op staatsobligaties met
vergelijkbare looptijden, inclusief eventuele opslagen, behorende bij het
risicoprofiel van de leningen en rekening houdend met eventuele vervroegde
aflossingsmogelijkheden.
Aandelen
Beursgenoteerde aandelen(fondsen)
Omdat beursgenoteerde aandelen(fondsen) een marktnotering hebben, worden
deze gewaardeerd tegen de laatste verhandelde dagprijs op de beurs waarop het
aandeel(fonds) is genoteerd, weUce tot stand komt door vraag en aanbod. In het
geval van een (aanstaand) faillissement of een andere situatie waardoor de
waarde van het aandeel in grote mate onzeker wordt, zal intem worden
beoordeeld wat een reële marktwaarde is van het betieffende aandeel. Deze
handelsprijzen worden gedistribueerd door dataprovidere als Reuters, Interactive
Data en Bloomberg.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 32
Niet beursgenoteerde aandelenfondsen
Participaties in niet beursgenoteerde aandelenfondsen worden gewaardeerd tegen
de berekende intrinsieke waarde, die de actuele waarde van de onderliggende
beleggingen representeert. Niet beuregenoteerde participaties in aandelenfondsen
worden gewaardeerd op basis van een opgave van (de administrateur van) de
uitgevende beleggingsinstelling, waarbij defrequentievan aanlevering verechilt
per uitgevende beleggingsinstelling.
Obligaties
Obligaties worden gewaardeerd tegen de biedkoers, op basis van de berekende
marktwaarde. De waarde van een obligatiepositie wordt als volgt bepaald: de
waarde zonder opgelopen rente is gelijk aan de nominale waarde van de
obligatiepositie, vennenigvuldigd met de markt (bied) koers. De totale waarde
van de obligatiepositie is de voorgenoemde waarde, verhoogd met de opgelopen
rente op de waarderingsdatum.
De participaties in vastientende waardenfondsen worden gewaardeerd tegen
intrinsieke waarde c.q. netto-vermogenswaarde.
Niet beursgenoteerde obligatiefondsen
Voor participaties in niet beursgenoteerde obligatiefondsen is het de berekende
intrinsieke waarde, die de actuele waarde van de onderliggende beleggingen
representeert. Participaties in niet beursgenoteerde obUgatiefondsen worden op
maandbasis gewaardeerd op basis van een opgave van de uitgevende
beleggingsinstelling.
6.2
De overige voorzieningen en reserves
Het fonds kent drie regelingen waarvan de bijeengebrachte middelen vanwege de
aard van die regelingen apart geadminisfreerd worden. Het betieft de VPLovergangsmaatiegel, de WGA-hiaatverzekering en de prepensioenregeling
(Reglement B). De verplichtingen uit hoofde van de prepensioenregeUng maken
deel uit van de voorziening pensioenverplichtingenHet pensioenfonds kent naast
de voorziening pensioenverplichtingen de volgende reserves:
•
•
•
•
Bestemmingsreserve VPL
Algemene reserve AIP (WGA-hiaat)
Solvabiliteitsreserve
Algemene reserve
Bestemmingsreserve VPL
Ter dekking van de lasten die naar verwachting zullen volgen uit de
voorwEiardelijke toekenning van extia aanspraken voor deelnemere geboren in
1951 t/m 1972 zoals gedefinieerd in pensioeiu-eglement A is per 31 december
2007 een bestemmingsreserve getioffen. Met betiekking tot de omvang van deze
reserve per 31 december 2012, alsmede met befrekking tot de zaken die vanaf die
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 33
datum de omvang van de reserve beïnvloeden, is een overeenkomst gesloten met
sociale partnere. Per 31 december 2012 is de reserve vastgesteld op basis van de
per die datum aanwezige voorwaardelijke verplichtingen, op basis van de per die
datum geldende overievingsgrondslagen en rekeiu-ente. Met ingang van 1 januari
2013 wordt de koopsom in verband met toekenningen uit hoofde van de
overgangsmaatregel uit deze reserve onttiokken. De koopsom wordt bepaald op
grond van de principes voor de kostendekkende premie zoals beschreven in
paragraaf 8.1 van deze ABTN. De in paragraaf 8.1 vermelde opslagen voor
premievrijsteUing en kosten zijn niet van toepassing voor de berekening van de
koopsommen. Aan de reserve overgangsmaatregel wordtjaariijks het
fondsrendement toegevoegd.
Het bestuur toetst jaarlijks vóór 1 november of de verwachte aanwezige reserve
per 31 december van dat jaar toereikend is om de toekomstige verplichtingen uit
tefinancieren.Indien blijkt dat de middelen naar verwachting niet toereikend
zullen zijn, kan het bestuur besluiten de voorwaardelijk toegezegde aanspraken
te verlagen.
Een eventueel overschot in deze reserve dat na de laatste toekenningen, per 31
december 2022, resteert, zal ten goede van het fonds komen.
Algemene reserve AIP
Ter dekking van lasten die voortvloeien uit toekenning van WGA-hiaatpensioen
is een bestemmingsreserve getioffen. Met betiekking tot de zaken die vanaf 1
januari 2013 de omvang van de reserve beïnvloeden, is een overeenkomst
gesloten met sociale partners (CAO-partijen).
De algemene reserve AIP kan uitsluitend worden gebmikt voor inkoop van
WGA-hiaatpensioen, c.q. het verlenen van korting op de WGA-hiaatpremie,
tenzij CAO-partijen het fonds verzoeken de bestemming van deze reserve te
veranderen. Het fonds beslist jaarlijks vóór 1 november van het volgende
boekjaar op grond van de verwachte 'algemene reserve AIP' per einde boekjaar
ofeen korting op de WGA-hiaatpremie kan worden verleend.
Aan de Algemene reserve AIP wordtjaariijks de ontvangen WGA-hiaatpremie
(na aftrek van administiatiekosten) toegevoegd en worden de mutaties in de
'technische voorziening AIP' en 'solvabiliteitsreserve AIP' onttiokken. Aan de
Algemene reserve AIP wordt daamaast jaarlijks het fondsrendement toegevoegd.
Bij wijziging ofhet vervallen van de WGA-hiaatregeling overleggen het fonds
en de CAO-partijen over de bestemming van het saldo.
Solvabiliteitsreserve
In dejaarrekening wordt aansluiting gezocht bij de uitkomsten van de
toereikendheidstoets. De hoogte van de solvabiliteitsreserve is minimaal gelijk
aan nul en maximaal gelijk aan de grens die in het Financieel Toetsingskader is
gesteld voor het Vereist Vermogen. Hierbij wordt uitgegaan van het Vereist
Vermogen berekend op basis van de op balansdatum feitelijk gevoerde
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 34
beleggingsmix. Bijlage IV bij deze nota bevat een uitwerking van de meest
recente berekening van het Vereist Vermogen.
Algemene reserve
Deze reserve dient ter opvang van mutaties in de solvabiliteitsreserve, voor
financiering van toeslagen en het dekken van andere algemenerisico's.De
hoogte van de algemene reserve mag niet negatief zijn.
Jaarlijks wordt, nadat de voorziening pensioenverplichtingen en de
solvabiliteitsreserve op een voldoende peil zijn gebracht, het resultaat van het
fonds ten gunste dan wel ten laste van de algemene reserve gebracht. In
aanvuUing op het vermelde in deze paragraaf geldt dat prepensioengelden
vanwege de afwijkendefiscalebehandeling gescheiden worden gehouden van de
overige middelen.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 35
7 Het toeslagbeleid
De op 1 januari opgebouwde pensioenrechten van pensioengerechtigden en de op
1 januari opgebouwde pensioenaanspraken van de gewezen deelnemers worden
jaarlijks per die datum verhoogd met maximaal de stijging van de afgeleide
consumentenprijsindex voor alle huishoudens tussen juli en juli daaraan
voorafgaand, zoals vastgesteld door het CBS.
De op 1 januari opgebouwde pensioenaanspraken van de deelnemers onder
reglementen A en B worden jaarlijks per die datum verhoogd met maximaal de
stijging van de CAO lonen (inclusief bijzondere beloningen) van volwassen
werknemere in het particuliere bedrijf tussen juli en juli daaraan voorafgaand,
zoals vastgesteld door het CBS.
De pensioengrondslagen van deelnemere welke premievrije deelneming wegens
arbeidsongeschiktheid genieten onder reglementen A en C worden jaarlijks per
1 januari verhoogd met maximaal de stijging van de CAO lonen (inclusief
bijzondere beloningen) van volwassen werknemers in het particuUere bedrijf
tussen juli en juli daaraan voorafgaand, zoals vastgesteld door het CBS.
Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en
pensioenaanspraken worden aangepast. Dit besluit wordt per pensioeiu-egeling
genomen. Terfinancieringvan deze voorwaardelijke toeslagen is geen
bestemmingsreserve gevormd en wordt geen premie betaald.
De door het bestuur gebmikte indexcijfers ter vaststelling van de eventuele
toeslagen zijn de eerst gepubliceerde cijfers. Mochten deze indexcijfers na het
vaststellen van een eventuele toeslag worden gewijzigd dan vindt geen wijziging
van de vastgestelde toeslag plaats, maar wordt voor volgende jaren wederom
uitgegaan van het eeret gepubliceerde indexcijfer.
Samenvattend kan worden gesteld dat het toeslagbeleid van het fonds te typeren
is conform categorie Dl van de toeslagenmatrix zoals gepubliceerd door het
ministerie van SZW.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 36
In hoofdstuk 10 van deze nota wordt het toeslagbeleid schematisch weergegeven
in samenhang met het premiebeleid en het beleggingsbeleid. Toepassing van het
beleidskader zoals weergegeven in hoofdstuk 10 leidt uitgaande van de
veronderstellingen zoals gehanteerd in de continuïteitsanalyse 2012 tot de
volgende verwachte realisatie van de reglementaire voorwaardelijke toeslag:
• Aan het eind van de 15-jaars horizon is de cumulatief toegekende toeslag,
uitgaande van een startdekkingsgraad van 111,8% in 50% van de
gevallen groter dan of gelijk aan circa 25% van de cumulatieve
reglementaire toeslag ofwel
• Aan het eind van de 15-jaars horizon is de cumulatief toegekende toeslag
gemiddeld gelijk aan circa 30% van de cumulatieve reglementaire
toeslag. Voomoemde percentages volgen uit de stochastische analyse
gegeven een veronderetelde looninflatie van 3,0% en prijsinflatie van
2,1%. Bij een veronderstelde looninflatie van 2,25% ligt de gemiddeld
verwachte toeslagrealistatie circa 6%punten hoger op 36%.
• Op korte termijn Ugt de verwachte realisatie van de reglementaire
voorwaardelijke toeslag onder voomoemde niveaus.
• Zie paragraaf 10.5 voor een verdere toelichting op de ALM studie en
continuïteitsanalyse.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 37
8 Het premiebeleid
8.1
Vaststelling van de premie
Er worden door het fonds twee soorten premie geheven: de premie ter
financiering van het ouderdoms-, nabestaanden- en wezenpensioen en de premie
terfinancieringvan het prepensioen.
In het premiebeleid wordt uitgegaan van een doorsneepremie. De
doorsneepremie wordt betaald door de werkgevers en de deelnemere.
In de premie is opgenomen
• de contante waarde van de daadwerkelijke inkoop van pensioen en de
bijbehorenderisicodekkingvan het nabestaandenpensioen, berekend tegen de
grondslagen waartegen de voorziening pensioenverplichtingen wordt
berekend,
• de dekking van het premievrijstellingsrisico,
• een opslag voor kosten,
• een opslag ter voeding van de solvabiliteit van het fonds waarmee tevens
rekening wordt gehouden met mogelijke schommelingen van de rentestand
met bijbehorend effect op de benodigde middelen voor inkoop en zo
mogelijk definancieringvan de voorwaardelijke delen van de
pensioenregeling
Gezien het gesloten karakter en de beperkte horizon voor pensioenopbouw onder
pensioenreglement C bevat de premie geen expliciete marge voor de optiek naar
eindloonniveau. Bovendien heeft, zoals aangegeven in hoofdstuk 4, het bestuur
de mogelijkheid om de al gemitigeerde eindloonopfrek verder te beperken.
De premie werd tot en met boekjaar 2010 vastgesteld op basis van de
rentetermijnstmctuur bij aanvang van het boekjaar. Met ingang van boekjaar
2011 wordt de premie vastgesteld op basis van een gedempte rentevoet van
3,9%. Deze gedempte rentevoet is vastgelegd voor een periode van drie jaar en is
gebaseerd op het verwacht rendement op de matchingportefeuille op het moment
van vaststelling (najaar 2010). Voor boekjaar 2014 zal de premie worden
vastgesteld op basis van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstmctuur van
30 september 2013.
De opslag voor premievrije deelneming wegens arbeidsongeschiktheid bedraagt
met ingang van boekjaar 2009 2% van de bmtopremie voor het ouderdoms-,
nabestaanden- en wezenpensioen. Jaarlijks zal vanwege de mogelijke
schommelingen in WAO/WIA instioom worden bezien of deze opslag
voldoende is.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 38
De premie over de premiegrondslagen bevat verder nog een opslag voor dekking
van de jaarlijkse administiatiekosten ad 2,5% van de bmto premie. Jaarlijks
wprdt geanalyseerd of deze opslag nog voldoende is.
8.2
De heffingspremie
De bijdrage die het fonds met betrekking tot de regeling inzake ouderdoms-,
nabestaanden- en wezenpensioen (inclusief premievrijstelling) ontvangt,
bedraagt per deelnemer een percentage van de premiegrondslagen. Er wordt over
drie verschillende tranches premie geheven. Van de totaal verschuldigde premie
komt de helft ten laste van de deelnemer.
Premiegrondslag 1 is gelijk aan het in aanmerking te nemen loon verminderd met
de premiefranchise. De premiefranchise wordtjaariijks vastgesteld en bedraagt
in 2013 € 13.140. Premiegrondslag 11 is gelijk aan het in aaimierking te nemen
loon. Voor de heffing over premiegrondslag II geldt tussen 0% en 70% van het
maximum loon een ander heffingspercentage dan tussen 70% en 100% van het
maximum loon.
De premie op basis van reglement A bedraagt 18% over premiegrondslag I
(franche 1) plus 4% over het pensioen gevend loon tot een maximum van 70%
van het maximum loon (franche 2) plus 8% over het loon boven dit maximum
(franche 3).
De bijdrage die het fonds met befrekking tot het prepensioen (reglement B)
ontvangt, bedraagt per deelnemer 2% van het loon. Van de totaal verschuldigde
premie komt de helft ten laste van de deelnemer.
De premie op basis van reglement C bedraagt 18% over premiegrondslag I
(tranche 1) plus 6% over het pensioen gevend loon tot een maximum van 70%
van het maximum loon (franche 2) plus 10% over het loon boven dit maximum
(franche 3).
In bijlage III bij deze nota is de dooreneepremie afgezet tegen de kostendekkende
premie zoals gedefinieerd in het FTK.
De heffingspremie voor het WlA-hiaat is vooralsnog op nul gesteld. De
vastgestelde kostendekkende premie voor het WIA-hiaat wordtjaariijks aan de
reserve AIP onttiokken.
In hoofdstuk 10 van deze nota wordt het premiebeleid schematisch weergegeven
in samenhang met het toeslagbeleid en het beleggingsbeleid.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 39
9 Het beleggingsbeleid
9.1 Het strategisch beleid en beleggingsplan
Jaarlijks wordt in het beleggingsplan vastgesteld op welke wijze in het daarop
volgende kalenderjaar het beschikbare vermogen zal worden belegd. In dit
beleggingsplan wordt de visie op de geld- en kapitaalmarkt en het daarop
gebaseerde beleggingsbeleid zoals gepubliceerd in het beleggingsplan 2013,
vertaald in specifieke adviezen voor het betieffende jaar voor de Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij. Het beleggingsplan sluit aan bij het
lange tennijn stiategisch beleid.
Uitvoering van het beleggingsbeleid vindt plaats door MN (die tevens gebmik
maakt van exteme beheerders voor het operationeel vermogensbeheer) en onder
verantwoordelijkheid van het bestuur. Het concept beleggingsplan wordt jaarlijks
door de portefeuillehouders van het beleggingsbeleid en extem adviseur
besproken en met advies ter vaststelUng aan het bestuur voorgelegd.
Het bestaande beleggingsbeleid, de beoordeling van de daarmee behaalde
resultaten, de resultaten van de meest actuele ALM -studie en
omgevingsvariabelen vormen de basis voor het vast te stellen beleggingsbeleid.
Het vastgestelde beleggingplan is vervolgens het resultaat.
9.2 Het beleggingsbeleid
De basis van de inrichting van het beleggingsbeleid wordt gevormd door de
financiële doelstelling van het pensioenfonds: het binnen een acceptabele
premiedmk kuimen faciliteren van nominale toezegging enerzijds en het
verdienen van voldoende eigen vennogen om bijvoorbeeld (ad hoe) toeslagen te
kunnen toekennen. Gegeven de doelstelling wordt de inrichting van het
beleggingsbeleid beïnvloed door definanciëlemimte (sturingsmogelijkheden)
die geboden wordt vanuit het premiebeleid en de mogelijke voorwaardelijkheid
die onderdelen van de pensioenregeling kennen.
Met behulp van de ALM-studie 2010 zijn de uitgangspunten voor het stiategisch
beleggingsbeleid vastgelegd. De belangrijkste conclusie voor wat betieft het
beleggingsbeleid is dat de beleggingen van het fonds blijven geschieden op basis
van een nagesfreefde tracking error voor de beleggingsportefeuille als geheel ten
opzichte van de verplichtingen. Voor hetrisicobudgeten rente- en inflatieafdekking
beleid is de marktwaarde dekkingsgraad bepalend (zie paragraaf 10.3).
Voor het beleggingsplan 2013 is uitgegaan van een dekkingsgraad van minder dan
113% (op basis van marktwaarde) en een bijbehorende toelaatbarefrackingerror
van 4,2% tot 4,8% voor de totale portefeuille versus de verplichtingen. Op basis van
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 40
dezefrackingerror voor de beleggingsportefeuille is een vertaling gemaakt naar de
aan te houden verdeling voor de diverse beleggingscategorieën in de portefeuille om
zo te komen tot een normportefeuille.
Naast de gedefinieerderisicohoudingmoet de beleggingsportefeuille voldoen aan
een aantal randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn vastgelegd in het mandaat
dat aan de vermogensbeheerder is verefrekt. Onderstaand volgt een samenvatting
van het beleggingsplan 2013.
Doelstelling
De doelstelling van het beleggingsbeleid is een zo optimaal mogelijk
beleggingsresultaat, gegeven de verpUchtingenstractuur en het door het bestuur
gestelderisicoprofiel.De doelstelling vertaalt zich onder andere in de
beleggingsbeginselen van het fonds. De verklaring inzake de
beleggingsbeginselen is in bijlage V bij deze ABTN opgenomen.
Fasen in het beleggingsproces
Het beleggingsproces is onder te verdelen in de volgende fasen: uitvoeren ALM studie, vaststellen stiategisch beleggingsbeleid, ontwikkelen tactisch
beleggingsbeleid en het uitvoeren van het vermogensbeheer.
Deze aspecten worden achtereenvolgens behandeld.
a) ALM-studie
Het strategische beleggingskader wordt voor een belangrijk deel bepaald door de
uitkomsten van de ALM - studie. Het is in de opvatting van het fonds essentieel
dat hetrisicoprofielvan de normportefeuille uit het beleggingsplan zo veel als
mogelijk in lijn ligt met het beleggingskader resulterend uit de ALM uitkomsten. Het beleggingsplan 2013 is gebaseerd op de uitkomsten van de
ALM stixdie 2010.
Volgend uit derisicobudgetteringstudie ten behoeve van het beleggingsplan
2013 heeft het bestuur ten opzichte van 2012, gegeven de resultaten van de ALM
studie uit 2010, voor het beleggingsplan 2013 gekozen voor de portefeuille
welke het beste voldoet aan de vooraf gestelde premissen:
• Een handhaving van het aangescherpte landenbeleid, waardoor in een
portefeuille staatsleningen buiten de eurozone is opgebouwd;
• De huidige non-euro obligaties zijn een integraal onderdeel van de
vastrentende portefeuille binnen de matching portefeuille;
• Gebmik van kasmiddelen om een uitbreiding naar Amerikaanse
Investment Grade bedrijfsobligaties tefinancierenvan ca. EUR 100 mln,
het valutarisico van deze belegging wordt voor 100% afgedekt;
• Behouden van huidige piositionering (50% afdekking van USD en CAD)
naar vreemde valuta. De lagere afdekking biedt bescherming voor een
mogelijke verdieping van de eurocrisis en een beperking van het
liquiditeitsrisico;
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 41
Een afiiame in ora^oerend goed, kent een herbelegging volgens strategisch
beleid.
b) Tactisch beleggingsbeleid
Tactische beleggingsbeslissingenrichtenzich op tijdelijke afwijkingen van de
sfrategische middelenverdeling en het sti-ategische valutabeleid. In het
beleggingsplan worden marges aangegeven waarbirmen op tactische gronden
mag worden afgeweken van de stiategische middelenverdeling. De doelstelling
van het beleggingsbeleid is dat de beleggingsresultaten van het fonds, gegeven
de verplichtingen stmctuur en derisicoperceptievan het bestuur, zo optimaal
mogelijk zijn.
Zoals eerder venneld is het vermogensbeheer uitbesteed aan MN. In een mandaat
worden jaarlijks de beheereafspraken vastgelegd. Deze afspraken betreffen onder
andere:
•
e
•
•
•
•
•
•
samenstelling portefeuille
tactische marges
performancemeting
benchmarks
valutabeleid
derivatènbeleid
securities lending afspraken
risicometing en -beheersing
Het bestuur heeft ingestemd met een geleidelijke afbouw van direct OG. Gezien
de illiquiditeit zal dit zeer geleidelijk plaatsvinden. Tevens wordt er gekeken naar
de ververeing van de portefeuille.
c) Samenstelling portefeuille
De beleggingsportefeuille van het fonds heeft twee doelstellingen. Eén betieft het
matchen van de verplichtingen van het fonds, de andere doelstelling is het reahseren
van een zo hoog mogelijk rendement tegen een acceptabel risico. Beide
doelstellingen zijn gereflecteerd in de stiategische portefeuille in tabel 1.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 42
PortefeuKle BPF Koopvaardij
NormportefeuSIe
PriinoZOlZ
Totaai Matchwgportefaullle. vS^
2,397;747
Totaai Matchingportefeulpe Funded '^•-•^-•.-j *
i Euro staatsobligaties
; Non-euro staatsobljgaties
2,116.586 .. 65X11%
1.0a8jS92 _33.44%
18.93%
«£315
0.000
0.00%
234.456
7.20%
0.000
0.00%
EUR Bedrijfsobligaties
USA Bedrijfeobiigaties
Onderhandseleningen
Hypotheken
Tojaal MatchtogpoirfefeutBe Otfjërlay - y
Renteswaps
inflatieswaps
^73 65%
• 1.606
175.517
0.05%
5.39%
20.854 .
_ 2CB^302
•2.449
.6.23%
6.31%
.0.08%
Marktwaarde
31-12-2012
Normportefeuflle
20U
gl3^%
|2l;i245
2,190.ir^
980.429 _28.1»S
637^643 18.34%
0.000
0.00%
11.54%
401.218
2,553 ^ 9
0.000
1.227
170.257
4.90%
2^.218
980.429
635.086
0.000
401.218
75.000
1.227
"m2S7
243.382
-6.S68
' "6JS1%
7.00%
-0.19%
TM.gi4
43.382
.6.568
~Të%
Totaal UquMit^^^
•8571806 » 2 6 B 5 %
jAandeteri Europa
jAandelen Noord Amerika
iAarxielen Verre C>3St5n_
tdtaal Hoogrentende Obligaties, JA^'WSSi
jUS High Yield
'Bank Loans
jariekselLB's
jEmerging Market Debt*
JótailAltemaii^.é'tni
!
,
55.678
65.999
24.346
66.015
i85«;5i%
1.71%
_ 2 ^
0.75%
2.03%
48.362
25.479 _
52.103
26.107
_ 4a. 855 _
t.6.-17%
1.49%
O'?*
1.60%
0.80%
1.50%
•923!522 » 2 6 ! 5 6 %
66.063
71.833
29.558
75.826
,
Totaai OG en.DeëlneinIngen.;
; Onroerend Goed
jMN Deelneming
1.90%
2.07%
0.85%
2.18%
'--.ïK^ïsïa
54.785
1.58%
30.003
_0.86%
59.694 ~ 1.72%
0.000
116.400
3.35%
.• 3.32%
0.78%
2.54Sé
i^ES%
Commodities
Hec^e Funds
ëtWriW*
27.345
83.942
0.84%
2.58%
27.210
88.266
:3'33.S76
320.439
13.137
9.84%
0.40%
i::^3!i»iM
298.103
6.493
.8.76%
8.57%
-0.712
.0.02%
3,477.370
100.00%
TgtaalValutaHëdges
3,255.553
100.00%
0.19%
Delta
Euro
^5396
28.19%
18.26%
0.00%
11.54%
2.16%
0.04%
4.90%
.' fów^
1.25%
-0.19%
%
mim
~ ' 2.^%
0.00%
<).07%
0.00%
0.00%
2.16%
75.000
0.000
-2.557
0.000
0.000
o.ooö
o!öo%
0.000
0.00%
.~-sii%
-5.75%
0.00%
-200.000
0.000
''"?7.4"i»S
BTr"^'-'*-
BI9M125 • 2 6 f 4 5 %
fe6:9p
§:4iikM
65.696 ___r89%
7 0 ^ l 2.yói
27.580 " 0.79%
2.18%
75.826
•0.367
_;5.834
-i.97'8
0.000
-0.01%
-0.02%
54.155
30.003
59.694
0.000
1.58%
0.86%
1J2%
-0.630
0.000
0.000
0.00%
0.00%
0.00%
115.438
3.32%
0.000
-0.03%
g3Mii39 \
26.888
87.251
-331%
0.77%
2.54%
-0.322
-1.015
^1.01%
0.00%
298.103
'6.493
iifi:;8i76%
8.57%
0.19%
li
3,477.370
ÖAmi
100.05%
^).oe%
0.00%
'•- 0.00%
0.00%
0.00%
0.000
0.00%
0.000
l*Rb:7tt 0.02%
0.000
0.05%
0.000
De normweging voor USA Bedrijfsobligaties zal ingaan op het moment van
aankoop.
De Matching portefeuille heeft als doelstelling de verplichtingenstmctuur en waar
mogelijk de waarde van de toeslagambitie van het fonds te matchen. De
rentegevoeligheid van de hypotheken portefeuille en de bedrijfsobligaties die
onderdeel vormen van de (il)liquide portefeuille wordt meegenomen in de
berekening van de rente match van de beleggingen met de verplichtingen.
Het matchingsbeleid gaat uit van een model, waarbij de verplichtingen naar 6 'Keyrates' zijn ingedeeld, en dat aansluit bij de ambitie om een dynamische afdekking
voor de inflatie in te regelen welke aansluit bij het beleid van Bpf Koopvaardij.
Afhankelijk van het niveau van de dekkingsgraad, neemt de afdekking voor inflatie
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 43
toe of af Bij hogere nominale dekkingsgraden wordt hierdoor het inflatierisico
lager en daarmee het verwachte indexatieresultaat beter.
Als basis voor de verdeling van de portefemlle hanteert Bpf Koopvaardij een
scenario-analyse waarbinnen een optimalisatie van verwachte rendementen en
risico's plaatsvindt.
In de volgende tabellen wordt hetrisicobudgetvan de onderliggende mandaten van
de Liquide beleggingscategorieën in de portefeuille nader beschouwd.
Tab^
:JÜsici^bti^
Belegginf^scitcgo'riP
actief behéer
J,Belèg6in|f||ïg^^
t X ante .
Intern/extern:. -.Beleid • ;-:Trackirïg:;i
Error; : Ï ; ' ; ;
Vastrentende Waarden
langlopende Staatsobl^aties
Discretionair
Intern
Passief
av.t
Non-euro Staatsobligaties
Discretionair
Intem
Passief
itv.t
Investment Grade Bedrijfsobllgaties
Stichting Mn Seivices Euro Bedrijfsobligatiefonds
Intern
Actief
1.0%
Hoogrentende obl^aties
Bank Loans
Babsoii Capital Europe LTD -Dover Credit Umited
Extern
AcHef
7.096
Noord Amerika
Söchting M n Services US High Yield Fonds
Extern
Acbef
5jmt
Europa
SUchting M n Services Euro High rreld Fonds
Extem
Actief
5.0%
Ho<^entende Staatsobligaties
Stichting M n Services Obligatiefonds Emerging Markets
Intern/Extern
Actief
4.0%
Aandelen
Noord Amerika
Süchtir^ M n Services Aandelenfonds Noord-Amerika
Extern
Passief
03%
Europa
Stichting M n Seivices Aandelenfonds Eurapa
Intern
Passief
0J%
Verre Oosten
Stichting Mn Services Aandelenfonds Verre Oosten
Extem
Passief
0.5%
Opkomende Landen
Stichting M n Seivices Aandelenfonds Opkomende Landen Extem
Actief
Axm
Discretionair
Intern/Extern
Actief
av.t
Grorvistoffen
SdchHng M n Sewices Commodities Fonds
Intem
Passief
13%
Hedge Funds
Stichting M n Sereices Hedgefunds Fund
Extem
Actief
sm
Oiwoerend Goed & Infrastructwir
Dfrect Onroerend Goed
Altematieve Investeringen
Bandbreedtes
Met de vermogensbeheerdere zijn bandbreedtes afgesproken waarbinnen de
samenstelling van de portefeuille zich kan bewegen. Deze bandbreedtes geven de
bewegingsvrijheid van de vermogensbeheerder aan. De bandbreedtes gelden
rondom de herechaalde actuele normgewichten in de liquide
rendementsportefeuille. Hiemaast zijn de marges bedoeld om bij
waardeveranderingen niet dfrect gedwongen te worden tot aan- en/of verkoop.
De bandbreedtes worden wekelijks uiterlijk twee werkdagen na weekeinde
gemeten. Bij overschrijding van de bandbreedtes door de feitelijke
portefeuillegewichten wordt de feitelijke weging zodanig aangepast dat deze
weer binnen de bandbreedte komen.
De vermogensbeheerder heeft de opdracht om er voor te zorgen dat de
portefeuille binnen het mandaat wordt gebracht zoals aangegeven in het
beleggingsplan 2013. Dit om te voorkomen dat er vertraging opfreedt bij
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 44
ongewenste marktbewegingen door interactie met het bestuur. Hierbij moet
opgemerkt worden dat bijvoorbeeld voor illiquide beleggingen het temgbrengen
binnen de bandbreedte op een korte termijn niet uitvoerbaar kan zijn. Deze
beleggingen worden zo snel als de liquiditeit van de befreffende belegging het
toelaat aangepast. Aanpassingen van het mandaat zelf is de verantwoordelijkheid
van het bestuur.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 45
Tabel 3: Bandbreedtes
Totaal Matchingportefeuille
Totaal Matchingportefeuille
Funded
Euro staatsobligaties
Non-euro staatsobligaties
Investinent Grade
bedrijfsobligaties
Onderhandse leningen
Hypotheken
Totaal Matchingportefeuille
Overlay
Renteswaps
Inflatieswaps
Weging (73,4%)
Bandbreedte
Relatief t.o.v. norm
28,2%
18,3%
11,5%
+/-5%
+/-5%
+/-5%
0,0%
4,9%
n.v.t.
n.v.t.
Absoluut
7,0%
-0,2%
+/-10%
+/-10%
3,6%
0% -10%
Weging (26,6%)
Bandbreedte
Totaal Aandelen
Aandelen Europa
Aandelen Noord Amerika
Aandelen Verre Oosten
Aandelen Opkomende landen
Private Equity
7,2%
1,9%
2,1%
0,9%
2,1%
0,2%
+/- 5%
Totaal Hoogrentende
Obligaties
US High Yield
EU High Yield
Bank Loans
Emerging Market Debt
7,5%
+/- 5%
Totaal Liquiditeiten
Totaal Retumportefeuille
1,6%
0,8%
1,7%
3,3%
Totaal Altematieve
Investeringen
Commodities
Hedge Funds
0,8%
2,5%
Totaal OG en Deelnemingen
Onroerend Goed MN
Onroerend Goed SAREF
Deelnemingen
8,6%
4,7%
3,1%
0,7%
ABTN BPF Koopvaardij 2013
3,3%
+/- 2,5%
n.v.t.
pag. 46
Benchmarks
Vaststelling van benchmarks is noodzakelijk voor een eenduidige bepaling van de
normportefeuille en voor de perfonnancetoets.
De volgende benchmarks zijn vastgesteld:
iPófamiaiKe bendimarfc
j langlopende obligaties
1 Non-euro ob^iatiei
tatéfeidle
Porteléidle
Ciistoinlsed Euro Senior Corporates Imednient Grade Index
j Eurapese BedrSf soliGgaties
i US Bedn7saMigaties
Customised ÜS Senicr Corporates Investment Grade Index
i
.
^^^^fe^S^^^St^wi^iSIIIIS^WHBi
iOraterinndse lerfngen
i Hypotheken
tatefeuHe
Barclays Capital Belwether Swaps - customized
Rentenvaps
Inflatieswaps
1 .
'
tluiderètu'mpoiiefeiiniB'
i
tatefeuiHé
l*ortefeuaie
'
T rir'r\
•
Aandeten Europa
Aandelen Noord Amenka
Aandelen Verre Oosten
Aandelen opL Landen
- i-^-.z-i'
^,T"'Ï
\K
'J^' : * " " • :
V
r-"
MN £xdusinnscn MSCi Europe Net Total Retum Index (uniiedged)
Dussen IOOO Net Return Index (unhedged)
tiBQ Oalhr Net Total Return Pacific Free Index (unhédged)
1 ^ Daily Net Tota 1 Return Emerging Markets tndex (unhedged)
K
^ . « j , :.,<-..-..
. - v t s .
"»
BoA Merrill Lynch BB4 US NervFinancia 1 High Yield Constrained Index (unhedged), na implementate
—
US High Yield
strategie. Tot ele Ujd géldt de oude benchmark: BoA Merrll lynch BB-B US High Yield Constrained 1 ndex.
9oA Merrill Lynch BB-B European Currency Non-Ftnancial HighrmM Constrained Index (unhedged), na
implememie strategie. Tot die tW geldt de oude benchmark: BoA Merrill Lynch European Currency H^h Yleid
Constrained ex. Subordhated Fimcials Index.
EU High Yield
fiank Loans
EMD
EuiifaorS^naands» 200 basispunten
. . . . .
75K Ojstom'sed JP Morgan Emerging Market Bond Index Global Diveiiated (EMBI) (unhedged)
2SK Ojstomned IP Morgan Govennnent Bond Index EM Global ENversffied (GBI) (uidiedged)
Tota^^lfeimleB^BiveMaliiiliin
•
ICpmmodities
ISistgeFiinds
Credit Suisse Cbrnmodities BenchmaricS8>PGSa ex Natural GasTotalR^urn (unhedged)
4 «letelQkse T4^ll rente * 200 basispunten
1
IIBquttefetuVnpwtefeulie
f
-.i
s
Onroerend Goed, MN
Onroerend Goed, Syntrus
OnroerendGoed, Euro Area
Oeeiiïeming MN
ABTN BPF Koopvaardij 2013
Sector gewogen ROZ/IPD^enchmarks. Weging sector norm - weging sector in oortefeuile
Sector gewogen R0Z/IPD4)enchmarks, Weging sector norm - weging sector in port^euüle
INREV. all properties
ftnteleuille
pag. 47
Performancemeting
De performance wordt door de vermogensbeheerder intem gemeten. De
performancemeting vindt plaats op basis van 'total retum' volgens de GIPS
richtlijnen.
Elk kwartaal wordt de performance afgezet tegen de vastgestelde benchmarks.
De vermogensbeheerder levert hierbij tevens een attributieanalyse.
Middels deze analyse kan de bijdrage van diveree beleidsbeslissingen aan de
performanceverschillen met de benchmark worden toegewezen.
Valutabeleid
De doelstelling van de valuta-afdekking is het valutarisico van de liquide
beleggingen met exposure naar de Amerikaanse dollar en de Canadese dollar
voor de helft af te dekken en voor het Britse pond, de Japanse yen en
Austialische dollar volledig af te dekken. De USD exposure naar USA
Bedrijfsobligaties zal voor 100% worden afgedekt.
Valuta-afdekking
USD-retum
USD-matching
GBP, YEN
NOK, SEK,
overige
Norm
75%
100%
100%
0%
Bandbreedte
+/- 1,0%*
+/- 1,0%*
+/-1,0%*
n.v.t
Frequentie meting
Wekelijks
Wekelijks
Wekelijks
Wekelijks
vreemde valuta exposure).
De exposure naar de vreemde valuta kan, bijvoorbeeld door
rendementsontwikkelingen, in de loop van de tijd wijzigen. De omvang van de
afdekking van de valutarisico's zal, conform de doelstelling van een volledige
afdekking, indien nodig worden aangepast. Op weekbasis zal de valuta-afdekking
worden getoetst aan bandbreedtes rondom de beoogde mate van afdekking:
• De totale afwijking in de wekelijkse monitoring bedraagt maximaal 1 % van
het belegd vermogen;
• De afwijking per beleggingscategorie bedraagt in de wekelijkse monitoring
maximaal 20% van de afdekkings norm;
• Na de maandelijkse rebalancing bedraagt de afwijking maximaal 0,1 % van
het belegd vermogen.
De exacte weging van vreemde valuta binnen de befreffende beleggingscategorieën
kunnen wijzigen in de tijd. Maandelijks zuUen de relevante vreemde valuta-wegingen
van de verechlliende beleggingscategorieën worden herijkt.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 48
Per eind van ieder kwartaal lopen alle centrale valuta-afdekkingen contiactueel af en
worden dan afgerekend. Dit geldt dan tevens voor de centrale valuta-afdekkingen. Er
zuUen op dat moment nieuwe decentiale valuta-afdekkingen worden geïnitieerd
aansluitend bij de vreemde valuta-exposure van de bijbehorende
beleggingscategorieën op dat moment. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met
eventuele allocaties en/of onttiekkingen aan de befrokken categorieën. Dit betekent
dat ieder kwartaal de omvang van de decenfrale valuta-afdekkingen wordt rechtgezet,
óók als de afwijking zich binnen de bandbreedtes bevond. Er worden immers nieuwe
3 maands valuta-afdekkingen afgesloten vanwege het aflopen van de bestaande
valuta-afdekkingen.
Het resultaat van de aflopende decenfrale valuta-afdekking zal worden weggehaald
bij de decenfrale valuta-afdekkingen. Neufraal uitgangspunt is om het resultaat te
allóceren aan de befreffende categorie, echter de wijze waarop middelen in de
feitelijke portefeuille worden belegd is ook afliankelijk van de gewenste tactische
invuUing van de portefeuille.
Afwijking in verband met eurocrisis
Op dit moment bevindt de eurozone zich in een fase waarbij de
kredietwaardigheid van diveree landen onder druk staat. In het basis scenario zal
de eurozone in staat zijn om benodigde maatregelen te nemen om het vertiouwen
in de euro voldoende te ondereteunen. In het altematieve scenario zal de
kredietcrisis zich verder uitbreiden waarbij het vertiouwen in de euro verder
daalt. In een dergelijk scenario vindt er een depreciatie van de euro ten opzichte
van andere valuta, maar met name de USD plaats. Om het vermogen enigszins te
beschennen in een dergelijk scenario, is het mogelijk om de valuta afdekking te
verlagen. Voor 2013 is het doelgewicht van de valuta afdekking voor de USD en
de CAD op 50% van de exposure vastgesteld. Maandelijks zal in overleg met
MN worden bepaald of de verminderde valuta afdekking nog steeds wenselijk is
gegeven de actuele ontwikkelingen van dat moment. De Austialische dollar is in
2013 voor 100% afgedekt. De investering in USA Bedrijfsobligaties zal bij
aankoop voor 100% afgedekt worden. In het derde kwartaal van 2013 is
besloten, vanwege de afiiemende kans op een Euro crisis, om de USD afdekking
te verhogen naar 75%. Tevens is besloten pm de Canadese- en Austialische
staatsobligaties te verkopen waardoor het valutarisicovan de Canedese en
AustraUsche doUar in het vierde kwartaal 2013 niet meer van toepassing is.
De exposure ultimo het derde kwartaal 2013:
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 49
Valuta
Amerikaanse Dollar (USD)
Totale positie
in valuta
Beoogde
Afdekking
conform beleid
Omvang
afdekking
Afwijking
Bandbreedte
(*/-)
13.5%
8-2%
8.2%
0.0%
Britse Pond (GBP)
0.9%
0.9%
0.9%
0.0%
0.1%
Japanse Yen (JPY)
0.6%
0.6%
0.6%
0.0%
0.1%
Australische Dollar (ADD)
2.2%
2.1%
2.1%
0.0%
0.5%
Canadese Dollar (CAD)
1.9%
1.0%
1.0%
0.0%
0.2%
Deense Kroon (DKK)
4.7%
0.0%
Noorse Kroon (NOK)
4.2%
0.0%
Zweedse Kroon (SEK)
4.7%
0.0%
Overig
5.0%
0.0%
0.8%
Derivatènbeleid
Het fonds hanteert derivaten instmmenten als middel om snel en goedkoop een
marktpositie in te nemen of juist af te dekken, echter niet om te speculeren. Daar
waar het gaat om aandelen en vastrentende waarden zijn derivaten bedoeld om
op efficiënte en doeltreffende wijze een als tijdelijk bedoelde markt-exposure aan
te gaan, die geleidelijk zal worden vervangen door de onderliggende waarden,
dan wel zal worden afgebouwd. (Index)opties op aandelen en vastientende
waarden worden, gegeven het lange termijn karakter van de beleggingen, bij
voorkeur geschreven of verkocht.
Tegenpartij risico bij derivaten
De posities in derivaten houden voomamelijk verband met het afdekken van
valuta-, rente- en inflatierisico en bestaan uit forward contiacten en swaps. Deze
derivaten zijn zogenaamde OTC-derivaten en worden rechtstieeks met een
tegenpartij afgesloten. Ten aanzien van de selectie van tegenpartijen heeft de
beheerder (MN) een procedure en beleid vastgelegd. Een broker dient een
bepaalde liquiditeit te kimnen verschaffen en dient kredietwaardig te zijn. Ten
aanzien van dit laatste punt is vastgelegd dat een tegenpartij minimaal dient te
beschikken over een Al-rating van Moody's of A+-rating van S«&P. Tevens
dient deze tegenpartij onder toezicht te staan van een Toezichthouder die de
financiële markt in een betieffend land reguleert.
Het tegenpartijrisico kent een wekelijkse monitoring door de afdeling Risk
Control van MN die de limieten en de kredietwaardigheid van tegenpartijen
evalueert.
Collateral management
Om het tegenpartijrisico bij derivaten verder te beperken vraagt Bpf Koopvaardij
collateral (onderpand) voor openstaande posities. Tevens dient Bpf Koopvaardij
onderpand te plaatsen bij tegenpartijen indien de positie een negatieve waarde
heeft. Het collateral wordt op dit moment in liquiditeiten geplaatst. Wekelijks
vindt er een waardebepaling van de derivaten plaats waama achtereenvolgens
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 50
een afrekening plaatsheeft op basis van deze waardering. Het minimale bedrag
voor een afrekening is gesteld op euro 250.000, het collateral wordt op euro
10.000 nauwkeurig afgerond. Naast liquiditeiten is het tevens mogelijk om
staatsleningen als onderpand te versfrekken bij bepaalde tegenpartijen.
Risicometing en -beheersing
De beleggingsresultaten worden per kwartaal door de vermogensbeheerder
gerapporteerd en geanalyseerd. In de rapportage wordt aangegeven of en op welke
wijze is voldaan aan de vooraf vastgestelderisicolimieten,waaronder minimum en
maximum allocatie van de beleggingscategorieën en valuta's.
Verder wordt, naast het algemene valuta- en derivatènbeleid, bij elk product in
samenspraak met de vermogensbeheerder een specifiek beleid gevoerd tot
beheersing van derisico's.Hierbij worden onder andere afspraken gemaakt omfrent
minimale creditrating. Zo gelden bij beleggingen in het specifieke product
bedrijfsobligaties het uitgangspunt dat de kredietwaardi^eid van de obligaties in
principe minimaal "Investment Grade" bedraagt en dat als criterium voor de
kredietwaardigheid de "credit rating" van de beoordelingsinstituten Moody's en
Standard & Poor's geldt. Daarbij kan maximaal 5% van de creditportefeuille belegd
worden in leningen zonder rating waarvan het aannemelijk is dat de
kredietwaardigheid minimaal Investment Grade bedraagt, in obligaties met een Barating, opkomende markten en converteerbare obligaties met minimale rating Ba;
Daamaast heeft de vermogensbeheerder een duidelijke procedure voor het afdekken
van intemerisico's.Zoals onder anderefimctiescheidingen contiole door intemeen exteme accountants.
In onderstaande tabel wordt een schematische overzicht weergegevan van de
verschillenderisicobeheersmaatiegelenrondom de aansturing van de
beleggingsportefeuille.
Risico-onderdee
Balansrisico
VEV
Rente-afdekking
Valuta-afdekking
Norm
Bandbreedte
4,3%
4,0% - 4,6%
108,0
Max. 108,3
Zie paragraaf 10.3 Zie paragraaf 10.3
Zie paragraaf 9.2 Zie paragraaf 9.2
Frequentie meting
Maandelijks
Maandelijks
Wekelijks
Wekelijks
Aanvullend op het overzicht de volgende opmerkingen:
• De norm en bandbreedte van de renteafdekking zijn gebaseerd op de
markfrente;
• De bandbreedte van de renteafdekking is bedoeld om afwijkingen van de
richtiijn die ontstaan door marktbewegingen en/of wijzigingen in de
rentegevoeligheid van de pensioenverplichtingen tijdig te signaleren en te
corrigeren. De bandbreedte wordt niet gebmikt door MN om actieve posities
in te nemen. Correctie van de renteafdekking zal worden uitgevoerd na
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 51
akkoord van Bpf. Koopvaardij of en zo ja, over de wijze waarop de
renteafdekking wordt aangepast;
Er worden geen harde bandbreedtes op de liquiditeitspositie afgesproken,
omdat liquiditeit voldoende geborgd is doordat het grootste gedeelte van de
beleggingsportefeuille in liquide beleggingen is belegd. Indien het
liquiditeitsprofiel naar de toekomst toe verandert, zal het liquiditeitsbeleid
voor het fonds opnieuw geëvalueerd worden. Deze liquiditeitspositie wordt
in belangrijke mate bepaald door de ontwikkeling van de waarde van de
valuta- en rentederivaten met als gevolg de uitwisseling van cash en fysiek
onderpand. Deze positie kan derhalve zeer beweeglijk zijn. Inzake het
liquiditeitsbeleid wordt geïnventariseerd welke marge benodigd is om een
schommeling van 70 basispunten op rente en 10% waardedaling van de euro
op te vangen. Tussen deze twee wordt een correlatie van 0,1 aangenomen.
Uitlenen effecten
Binnen de Fondsen voor Gemene Rekening (FGR) waarin het vermogen van Bpf.
Koopvaardij voor een deel is belegd, past de beheerder het uitienen van effecten toe.
Door het uitlenen van stukken aan partijen ontstaat er tegenpartijrisico. Dit risico
bestaat uit de mogelijkheid dat de tegenpartij niet in staat is om de geleende stukken
temg te leveren vanwege bijvoorbeeld een faillissement van deze partij.
Onderpandrisico is het risico dat het onderpand ontoereikend is bij een faillissement
van een tegenpartij om de geleende stukken temg te kopen.
Deze risico's worden gemitigeerd door (1) eisen die gesteld worden aan
tegenpartijen, (2) het opvragen van onderpand met strikte kwaliteitseisen en (3) een
Indemnification ('vrijwaring'), afgegeven door Citibank (de agent lender van de
FGR's voor het Securities Lending programma).
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 52
Ad 1: Eisen t.a.v. tegenpartijen
Tegenpartijen die stukken van de FGR's mogen lenen, moeten aan de volgende
eisen voldoen:
• Door Citibank goedgekeurd zijn en zijn voorgedragen door Citibank voor
Securities Lending;
• Een onder toezichtstaande instelling zijn;
• Aan bepaalde rating voorwaarden voldoen. Voor de credit rating wordt een
gemiddelde rating bepaald, op basis van maximaal drie ratingbureaus (S&P,
Moody's en Fitch). De composite rating algoritm van Bank of America
MerriU Lynch (BoA ML) wordt gevolgd om deze ratings op een juiste
manier te middelen (zie onderetaande tabel).
De tegenpartij dient een rating te hebben van minimaal BBBl, voordat
stukken aan hen mogen worden uitgeleend. Bij partijen met een rating
lagder dan BBBl wordt geëist dat de moedermaatschappij een minimum
credit rating heeft van BBBl. Voordat aan de dochter wordt uigeleend, dient
deze moedermaatschappij een garantie af te geven voor de dochter. In geval
van een downgrade van de tegenpartij naar een credit rating lager dan BBBl
of indien de moedermaatschappij van de tegenpartij de garantie heeft
ingetrokken, dienen de uitstaande leningen per omgaande te worden
beëindigd.
Uitlening
toegestaan
ja
ja
ja
ja
ja
ja
ja
ja
nee
nee
BoA IVlL
Composite
AAA
AAI
AA2
AA3
Al
A2
A3
BBBl
BBB2
BBB3
Standard
& Poor's
AAA
AA+
AA
AAA+
A
ABBB+
BBB
BBB-
Moody's
Fitcln
Aaa
Aal
Aa2
Aa3
Al
A2
A3
Baal
Baa2
Baa3
AAA
AA+
AA
AAA+
A
ABBB+
BBB
BBB-
Ad 2: Onderpand
De tegenpartij levert onderpand om hetrisicodat de tegenpartij failliet gaat en de
geleende effecten niet worden temggeleverd aan de FGR's, te mitigeren. Het
onderpandrisico wordt verminderd doordat de FGR's uitsluitend stukken, die aan
bepaalde strikte kwalteitseisen voldoen, accepteren als onderpand. Voor exfra
risicomitigatie ontvangen de FGR's altijd meer onderpand dan de waarde van de
uitgeleende stukken, namelijk 102% voor vastientende portefeuilles en 105% voor
aandelenportefeuiUs. Citibank contioleert deze posities dagelijks en vraagt waar
nodig om meer onderpand.
In het Securities Lending programma is het volgende als onderpand toegestaan:
staatsobligaties van een aantal OECD landen;
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 53
•
•
•
speeifieke door de Britse overheid gegarandeerde obligaties;
specifieke door de Duitse overheid gegarandeerde obligaties;
obligaties uitgegeven door supranational issuere (bijv. IMF en Europese
Unie).
Bovenstaande landen worden minimaal jaarlijks herijkt. Indien de obligaties in de
toekomst niet meer voldoen aan de eisen, dan worden deze direct niet meer
geaccepteerd.
Ad 3: Indemnification ('vrijwaring')
Citibank heeft voor het tegenpartijrisico een Indemnification afgegeven aan de
FGR's. Indien een tegenpartij failliet gaat en de uitgeleende stukken niet
temggeleverd kunnen worden aan de FGR's, zal Citibank direct met het
onderpand de uitgeleende stukken op de markt temgkopen. Indien het onderpand
ontoereikend is, zal Citibank het verechil vergoeden. Mocht het niet mogelijk
zijn om gelijkwaardige stukken te kopen, dan zal Citibank een bedrag gelijk aan
de marktwaarde van de stukken betalen aan de FGR's.
De mitigerende maafregelen voor het tegenpartij- en onderpandrisico hebben het
gevolg dat de kans op een verües vanuit Securities Lending minimaal is. Er
moeten zich 3 gebeurtenissen tegelijk voordoen willen de FGR's verlies lijden
op het programma: (1) een tegenpartij moet failliet gaan én (2) het onderpand
moet ontoereikend zijn om de uitgeleende stukken temg te kopen (3) Citibank
moet niet in staat zijn dit tekort in onderpand (op basis van de Indemnification)
te betalen. Deze combinatie van factoren is niet ondenkbaar, maar zeer
onwaarechijnlijk en heeft zich sinds het begin van het programma bij Citibank
niet voorgedaan.
9.3 Rendement op belegd prepensioenvermogen
Gezien de verwachte omvang van het prepensioen vermogen ten opzichte van het
totale vermogen van het fonds wordt geen apart beleggingsbeleid gevoerd voor
het prepensioenvermogen. Naar verwachting zal in 2016 het
prepensioenvermogen circa 1% van het totale vermogen van het fonds bedragen.
Naar verwachting stijgt het prepensioenvermogen niet boven 2% van het totale
vermogen van het fonds. Bij invoering van de prepensioenregeling was het
beleggingsbeleid als geheel terisicovolvoor de prepensioenregeling op zich. Het
rendement op het belegd prepensioenvermogen is daarom op voorhancï
vastgelegd en is gelijk aan het rendement op de nominale
prepensioenverpUchtingen plus de stijging van de CAO lonen (inclusief
bijzondere beloningen) van volwassen werknemers in het particuUere bedrijf
over de referteperiode juli-juli.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 54
10 Het weerstandsvermogen van het fonds, inzet van
sturingsmiddelen
10.1 Derisico'swelke de onverminderde uitvoering van de
regeling bedreigen
De belangrijksterisico'swelke de onverminderde uitvoering van de
reglementaire bepalingen bedreigen zijn het inflatierisico en het beleggingsrisico,
waar onder begrepen het rekenrenterisico. Daamaast zal bij een vemiindering
van het aantal arbeidsplaatsen in de bedrijfstak de gemiddelde kostprijs van de
pensloeninkoop stijgen en kan het arbeidsongeschiktheidsrisico veranderen.
Het fonds heeft thans geen verzekeringstechnischerisico'sherverzekerd.
Naast verzekeringstechnischerisico'sonderkent het bestuur de aanwezige
niet-verzekeringstechnischerisico's.Dezerisico'sbetieffen onder andere de nog
niet volledig gerealiseerde kennisoverdracht in het bestuur en de afhankelijkheid
van de uitbesteding zoals beschreven in paragraaf 1.7 van deze ABTN. Naar
aanleiding van de in 2006 onder begeleiding van KPMG gemaakte risicoanalyse
en het aan de hand daarvan opgestelderisicobeheersingsdocumentis een aantal
acties ondemomen. Hieronder zijn begrepen het verduidelijken en aanscherpen
van service level agreements en het aanpassen van het besturingsmodel, zodanig
dat wordt voldaan aan hetgeen door de STAR is vastgelegd in de "Principes voor
goed pensioenfondsbestuur".
Aanbevelingen rapport Frijns
Het bestuur doet veel omrisico'sinzichtelijk te maken en te koppelen aan
doelstellingen. Het beleggingsplan 2013 is voomamelijkrisicomijdend.Het
meten van derisicobereidheiden hetrisicodraagvlakvan de deelnemers zal naar
verwachting een diffuus beeld opleveren. Niet alleen de differentiatie van de
afzonderlijke leeftijdsgroepen speelt hierbij een rol maar ook de leeftijdsopbouw
en de individuele situatie van de deelnemers (financiële positie, risicohouding
etc).
Met befrekking tot de vaststelling van de houding van de deelnemere t.o.v. de
duurzaamheid geldt hetzelfde als met befrekking tot het vaststellen van de
risicobereidheid enrisicodraagvlak.Bpf Koopvaardij belegt bewust voor een
deel in producten die gekoppeld zijn aan duurzaamheid.
Het fonds monitort de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Het minimaal vereist
vermogen gekoppeld aan de nominale dekkingsgraad is de ondergrens. Het
bestuur bepaalt in samenspraak met de actuaris wat de kritische ondergrens van
de reële dekkingsgraad mag zijn.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 55
Het model vanrisicobeheereingwordt geactualiseerd en uitgebreid met een
risicodashboard voor vermogens- en pensioénbehèer (en de relatie tussen beiden
met als voorbeeld het cashmanagement). De doelstelling van het risicodashboard
is om de risico's inzake pensioen- en vermogensbeheer te actualiseren en het
monitoren van de risico's te faciliteren. Hetrisicodashboard,maakt het mogelijk
om:
• Inzicht te verkrijgen in de pensioen- en vermogensbeheerrisico's die het
fonds loopt;
• Inzicht te verkrijgen in de positie van het fonds op het gebied van
belangrijke stuurvariabelen, op een zeer overzichtelijke wijze wegens het
gebmik van een dashboard;
• Risico's te monitoren, indien gewenst op een continue basis, en naar
aanleiding hiervan tijdig bij te sturen.
Hetrisicodashboardis vast agendapunt van de bestuursvergaderingen. Hiemit
vloeien afspraken met de uitvoerder over het onder meer houden van audits op
dié onderdelen die het fonds van belang acht.
Op basis van een recent door het bestuur vastgesteld fiinctieprofiel voor
bestuurders, houdt het bestuur bij het aanfrekken van nieuwe leden rekening met
de op dat moment bepaalde behoefte aan kennis en expertise. Het bestuur
behandelt integraal de materie omfrent vermogensbeheer in zijn maandelijkse
vergadering. Binnen het bestuur is een tweetal personen benoemd met als exfra
aandachtsgebied het beheer van het vermogen.
Het bestuur is gezamenlijk voldoende geëquipeerd om initiërend op te freden
maar heeft desondanks stappen gezet om te zorgen dat kennisverbreding en
verdieping binnen het bestuur plaatsvindt. Enkele vacatures van bestuursleden
worden ingevuld met exteme deskundige bestuurders namens de werkgevers- of
werknemereverenigingen die een positieve bijdrage leveren aan het niveau van
het bestuur.
Het bestuur heeft, onder meer op grond van verplichtingen die voortvloeien uit
wet- en regelgeving, een Integriteitbeleid bepaald. In dit beleid zijn de
uitgangspunten opgenomen over de wijze waarop het fonds hetrisicoop
schending van de integriteit tot een aanvaardbaar minimumtiachtte beperken en
zo snel mogelijk adequaat maatiegelen neemt indien nodig. Hiermee wordt
inteme- en exteme partijen inzicht verschaft over het integriteitbeleid, de
onderkenning van integriteitiisico's, de beheersmaafregelen en de confrole
daarop.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 56
10.2 De redenen waarom gemeend wordt dat het gekozen beleid
een onverminderde uitvoering zo veel mogelijk bevordert
Het bestuur heeft met de gekozen "technische" beleidsuitgangspunten gefracht
de kans dat het pensioenfonds gedurig aan zijn verplichtingen zal kunnen
voldoen, zo groot mogelijk te maken. Belangrijk aspect daarbij is dat het bestuur
op grond van de ervaring over een grote reeks van jaren verwacht dat, uit de
combinatie van het rendement op de beleggingen en de vrijval van solvabiliteit
zowel de rekenrente als de toename op grond van de inflatie, conform het
beleidskader van het fonds, te kunnen financieren.
De gewenste omvang van het weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen wordt gevormd door de middelen die niet nodig zijn
voor de dekking van de voorziening pensioenverplichtingen. Het beleid van het
fonds is erop gericht een weerstandsvermogen ter grootte van minimaal het door
DNB vereiste niveau van de solvabiliteitsreserve, zoals beschreven in hoofdstuk
6 van deze nota, te hebben dan wel te krijgen. Dit betekent dat het fonds
periodiek zal toetsen hoe het vermogen van het fonds zich op dat moment
verhoudt tot de grenzen zoals die op dat moment kunnen worden berekend
conform derichtiijnenvan DNB. Indien die toets daartoe aanleiding geeft, zal
het fonds een plan van aanpak opstellen c.q. wijzigen omrichtinghet gewenste
vennogen te sturen. Eerste uitgangspunt bij het opstellen c.q. wijzigen van een
dergelijk plan zal zijn hetgeen dat in paragraaf 10.4 van deze ABTN is
beschreven.
Het nagesfreefde weerstandsvermogen (de sfreefgrens) is als volgt gedefinieerd
gelijk aan:
Sfreefgrens = maximum van (met toeslag verhoogde pensioenverpUchtingen;
vereist vermogen). De "formule" max(x;y) geeft als uitkomst de hoogste waarde
van de marktwaarde van de met toeslag verhoogde pensioenverplichtingen en het
vereist vermogen. Dit betekent dat als x hoger is dan y dat de sfreefgrens gelijk is
aan x en als y hoger is dan x de streefgrens gelijk is aan y.
De marktwaarde van de met toeslag verhoogde pensioenverpUchtingen wordt
bepaald door de verwachte uitkeringssfromen inclusief toeslag te disconteren
tegen de rentetermijnstmctuur zoals die door DNB gepubUceerd wordt, exclusief
de effecten van 3 maandsmiddeling van de rente en exclusief toepassing van de
UFR. Het toeslagniveau dat wordt gehanteerd om de uitkeringssfromen inclusief
toeslag te bepalen wordt gesteld op de inflatieverwachting. De parametere en
grondslagen die bij de berekening van de marktwaarde van de met toeslag
verhoogde pensioenverplichtingen gebmikt worden, zijn in bijlage II van deze
nota opgenomen. Indien hetrisicoprofielvan het fonds daartoe aanleiding geeft,
dat wil zeggen indien het actuelerisicovan de beleggingsportefeuille ten
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 57
opzichte van de pensioenverplichtingen hoger ligt dan het op basis van het
beleidskader nagesfreefderisicoprofiel,kan het bestuur besluiten de sfreefgrens
te verhogen.
Vooralsnog zal het fonds geen premiekorting toepassen. Indien het beleid ten
aanzien van premiekorting veranderd wordt, zal de streefgrens als
premiekortingsgrens worden gehanteerd.
De ondergrens is gelijk aan 105% van de marktwaarde van de nominale
pensioenverplichtingen. Ten behoeve van vrijwel alle beleidsbeslissingen wordt
hierbij gelijk aan de bepaling van de sfreefgrens uitgegaan van de
rentetermijnstiiactuur zoals die door DNB gepubUceerd wordt, exclusief de
effecten van 3 maandsmiddeling van de rente en exclusief toepassing van de
UFR. Alleen voor een mogelijk kortingsbesluit zal ook de ondergrens zoals
berekend tegen de door DNB gepubliceerde rentetermijnstmctuur in
beschouwing worden genomen.
Naast de gedefinieerde streefgrens en ondergrens heeft het bestuur een
middengrens vastgesteld. De middengrens is gedefinieerd als het gemiddelde van
de sfreefgrens en 105%.
De drie grenzen worden jaarlijks door het bestuur vastgesteld. De grenzen
worden bepaald als percentage van de marktwaarde van de nominale
pensioenverplichtingen. De marktwaarde van de nominale
pensioenverplichtingen is gelijk aan de VPV berekend tegen de
rentetermijnstmctuur.
Grens (definitie)
Grenzen per 01-012012 als % van (de
marktwaarde van de
nominale
pensioenverplichtingen
Stieefgrens
Marktwaarde van de pensioenaanspraken
inclusief toeslag, of indien dat meer is, is
de streefgrens gelijk aan het Vereist
Vermogen
135%
Middengrens
Het gemiddelde van de sfreefgrens en
105%
120%
Ondergrens
105% van de marktwaarde van de
nominale pensioenverplichtingen
105%
De genoemde grenzen worden jaarlijks geijkt gegeven de economische
omstandigheden en zijn gebaseerd op de nominale pensioenverplichtingen
berekend tegen de DNB rentetermijnstmctuur exclusief de effecten van 3
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 58
maandsmiddeling van de rente en exclusief toepassing van de UFR. Indien
gedurende het jaar het beleid stmctureël wijzigt, kan het bestuur de grenzen op
dat moment herijken.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 59
10.3 De wijze waarop gereageerd kan worden op ontwikkelingen
en de mate waarin dat effect zal hebben (sturingsmiddelen)
Doordat jaarlijks de korting op de premie en de omvang van de toeslag worden
vastgesteld, kan het bestuur van jaar tot jaar zpwel een directe bate als dfrecte
kostenposten beïnvloeden. Verder zal het bestuurfrachtenbij het vaststellen van
het beleggingsplan voor een komend jaar zoveel mogelijk in te spelen op de
conjuncturele omstandigheden. Dit gebeurt door de allocatie naar de
beleggingscategorieën te beoordelen aan de hand van een aantal sfress scenario's
en de veronderetelde waarschijnlijkheid dat die sfressscenario's opfreden.
In deze paragraaf wordt het beleidskader van het fonds geschetst. In het
beleidskader wordt de term "reglementaire toeslag" gebmikt in combinatie met
de hoogte van de dekkingsgraad. Dat betekent niet dat indien aan een bepaalde
eis voldaan wordt, dat er automatisch een toeslag verleend wordt. Het
beleidskader geeft aan dat het bestuur bij een bepaald vermogen kan besluiten
om een bepaalde mate van toeslag toe te kennen. Het beleidskader geeft in die
zin welrichtingaan, maar geen recht.
In het beleidskader wordt de marktwaarde dekkingsgraad als maatstaf gebmikt
voor de inzet van de sturingsmiddelen. De marktwaarde dekkinggraad (DG) is
gedefinieerd als:
DG = (totaal activa -/- kortlopende schulden) / (marktwaarde van de nominale
pensioenverplichtingen)
Waarbij de nominale pensioenverplichtingen zijn berekend tegen de DNB
rentetermijnstmctuur exclusièfde effecten van 3 maandsmiddeling van de rente
en exclusief toepassing van de UFR.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 60
Beleggingsbeleid:
te behalen extra
rendement /
nagestreefde fracking
error t.o.v. de
gedefinieerde
benchmark ^)
Beleidsgrens
Toeslagbeleid
Premiebeleid
Actuele DG >
Sfreefgrens
Reglementaire
toeslag plus
mogelijkheid tot
exfra toeslag')
Reglementaire
premie ^)
0,69%/3,68 ^*)
Actiiele DG >
Middengrens
Maximaal de
reglementaire
toeslag
Reglementaire
premie
0,58% / 3,09 ^^)
Actiiele DG <
Middengrens
Maximaal 50% van Reglementaire
de reglementaire
premie
toeslag
0,36%/1,92 ^')
Actiiele DG <
Reglementaire 0,36%/1,92 ^')
Geen toeslag
Ondergrens
premie
1) Extra toeslag zal slechts worden toegepast indien in eerdere jaren gekort is op
de toeslag
2) Het bestuur kan besluiten een korting op de reglementaire premie te hanteren
voor zover de middelen van het fonds uitgaan boven de streefgrens. Het
premiebeleid voorziet vooralsnog niet in de mogelijkheid van premiekorting.
3) De beleggingen van het fonds geschieden op basis van een van de actuele DG
afhankelijke maximaal toegestane tracking error. Bij het opsteUen van het
beleggingsplan voor een kalenderjaar wordt voor de vaststelling van de
benchmark uitgegaan van de actuele DG van dat moment.
3a) De voor de beleggingsportefeuille als geheel vastgestelde benchmark
is de marktwaarde van de pensioenverplichtingen inclusief toeslag.
3b) De voor de beleggingsportefeuille als geheel vastgestelde benchmark
bestaat voor 50% uit de marktwaarde van de pensioenverplichtingen
inclusief toeslag en voor 50% uit de marktwaarde van de nominale
pensioenverplichtingen.
3c) De voor de beleggingsportefeuille als geheel vastgestelde benchmark is
de marktwaarde van de nominale pensioenverplichtingen.
In 2009 is in aanvulling op het beleidskader aanvullend beleid ontwikkeld voor
het aan te houdenrisicoop totaalniveau en voor de mate van afdekking van
rente- en inflatierisico in de matchingportefeuille. Gegeven de waargenomen
volatiliteit in de voorafgaande jaren, gegeven het beleid om zo veel als mogelijk
het rente- en inflatierisico fysiek af te dekken en gegeven de noodzaak om een
deel van de portefeuille te blijven beleggen in liquide stukken is besloten tijdelijk
met een hogerefrackingenor te werken dan defrackingerror zoals vermeld in
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 61
bovenstaande tabel. Eind 2012 bedroeg defrackingerror ten opzichte van de
nominale pensioenverplichtingen als gevolg van deze keuzes, gegeven de
waargenomen volatiliteit over de vijf voorliggende boekjaren circa 4,5. Dit
hogererisicoprofielheeft niet geleid tot aanpassing van de beleidsgrenzen. Deze
beleidsimplicaties zijn in 2010 middels een ALM studie getoetst.
Voor de matchingportefeuille wordt het onderstaande beleidskader gevolgd:
Range
Ondergrens
Target
Bovengrens
90% - nominaal*
nominaal
nonrtinaal
35% nominaal
inflatieverwachting
nominaal
•I- 43% nominaal
inflatieverwachting
nominaal
-t- 60% nominaal
inflatieverwachting
(Dekkingsgraad)
<il3
113-119
119-126
126-134
>134
nominaal
nominaal
+ 15% nominaal
inflatieverwachting
nominaal
+ 53% nominaal
inflatieverwachting
nominaal
+ 85% nominaal
inflatieverwachting
agv
agv
agv
nominaal
+ 3 1 % nominaal
inflatieverwachting
nominaal
•i- 3 1 % nominaal
inflatieverwachting
nominaal
+ 75% nominaal
inflatieverwachting
nominaal
•^ 100% norninaal
Inflatieverwachting
agv
agv
agv
agv
agv
agv
nominaal
+
95% nominaal
inflatiéverwachting
agv
agv
nominaal
-I- 100% nominaal
Iriflatieverwachting
agv
*Een ondergrens lager dan nominaal is toegestaan onder de volgende marktomstandigheid: Indien de reële
rente met een looptijd van 10 jaar lager is dan 1 %.
De rentegevoeligheid van de verplichtingen wordt gemeten middels de rente
DVOl. Dit staat voor 'dollar value of a basispoint' en representeert de
waardeverandering van de verplichtingen in euro's (in dit geval) als gevolg van
een renteverandering van 1 basispunt (bp). De inflatiegevoeUgheid van de
verplichtingen wordt gemeten middels de inflatie DVOl. Dit staat voor de
waardeverandering van verplichtingen (alleen de reële verplichtingen) in euro's
als gevolg van een verandering van de verwachte inflatie van Ibp.
Bij de gedefinieerde grenzen en beschreven beleidsaanpassingen zijn
zogenaamde herstelperiodes gedefinieerd. Deze herstelperiodes worden als volgt
toegepast:
Indien de financiële positie van het fonds zich onder de gedefinieerde ondergrens
bevindt, zal het bestuur het beleid van het fonds zodanig toepassen dat binnen
afzienbare tijd de financiële positie naar verwachting weer op het niveau van de
ondergrens wordt gebracht.
Bij dekkingsgraden onder de sfreefgrens is het beleid van het fonds in eerste
instantie gericht op het voorkomen van een situatie van (reserve)tekort. Het
beperken van risico is leidend boven het willen bereiken van de sfreefgrens.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 62
In paragraaf 10.5 zijn de uitkomsten van de meest recente ALM studie en
continuïteitsanalyse weergegeven. Deze resultaten tonen aan dat met de in het
beleidskader opgenomen inzet van sturingsmiddelen de beoogde hersteltermijnen
gehaald kunnen worden.
10.4 Jaariijkse toetsing
De toets in hoeverre het gevoerde beleid tot het gewenste resultaat leidt zal ten
minste jaarlijks plaatsvinden aan de hand van de door het fonds en adviseurs
uitgebrachte rapportages. In de jaarlijkse toets zal in ieder geval getoetst worden
aan de in bijlage FV bij deze nota genoemde grenzen voor het minimaal vereist
vermogen en het vereist vermogen. Bijlage FV bevat een specificatie van de
meest recente uitwerking van deze grootheden.
Rapportages over de samenstelling van de beleggingsportefeuille en over de
beleggingsresultaten alsmede het verloop van de dekkingsgraad zullen bovendien
per kwartaal plaatsvinden.
Op basis van de ontwikkeling van de uitkomsten in de loop der jaren kan
bijstelling van het beleid of de invulling daarvan plaatsvinden.
10.5 De uitkomsten van ALM-studie en continuïteitsanalyse
De gekozen uitgangspunten zijn voor het laatst in 2010 getoetst aan de hand van
een ALM model. De doelstelling van de ALM studie in 2010 was om het
beleggingsplan 2010 en het daarin opgenomen beleidskader voor het matching
mandaat te toetsen. Door middel van deze toetsen is tevens het in 2006/2007
vastgestelde beleidskader getoetst aan gewijzigde economische omstandigheden
en recente demografische ontwikkelingen.
De eerete conclusie van de ALM studie is dat het huidige beleidskader (exclusief
het matching mandaat uit het Beleggingsplan 2010 (dat daama vrijwel
ongewijzigd gecontinueerd is)) nog steeds voldoet, gegeven de demografische en
economische veronderstellingen, aan derisicohoudingvan het fonds. De
risicohouding van het fonds is daarbij als volgt gedefinieerd: de solvabiliteit van
het fonds is in grote mate gewaarborgd wanneer de kans op onderdekking
(dekkingsgraad onder 100%) onder de 2,5% blijft op korte en lange termijn.
Bij de toetsing van het beleidskader inclusief het voomoemde matching mandaat,
is naar voren gekomen dat het matching mandaat adequaat fungeert als het gaat
om de doelstellingen van het matching mandaat, namelijk het afdekken van rente
en inflatierisico's.Het mandaat biedt voldoende neerwaartse bescherming tegen
dalingen van de nominale of (deels) reële dekkingsgraad en het mandaat draagt
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 63
positief bij aan de realisatie van het toeslagbeleid en tevens aan de stabiliteit van
de toeslagverlening.
Uit de ALM studie is naar voren gekomen dat bij de dekkingsgraad (ultimo
2009) de combinatie van het reglementair verlenen van toeslag, het heffen van de
reglementaire premies, en het voeren van een beleggingsportefeuille zoals
opgenomen in het beleidskader ten opzichte van de marktwaarde van de
nominale pensioenverplichtingen na 15 jaar in 50% van de gesimuleerde
scenario's leidt tot het bereiken of overtreffen van een dekkingsgraad van 130%
(5% punten onder de gedefinieerde sfreefgrens). De gemiddelde stijging van de
dekkingsgraad bedraagt in de gesimuleerde scenario's ongeveer l,0%punt per
jaar.
In de verdere analyses in de ALM studie is afbouw van de onroerend goed
portefeuille (OG portefeuille) geanalyseerd. Als de afbouw van de OG
portefeuille wordt toegevoegd aan de zakelijke waarden portefeuille wordt de
door het fonds geaccepteerderisicohoudingoverschreden vanuit de
gedefinieerde ondergrens. Als de afbouw van de OG portefeuiUe wordt
toegevoegd aan de matching portefeuille, dan wordt derisicohoudingniet
overechreden vanuit de gedefinieerde ondergrens. De allocatie van het verkochte
onroerend goed is meegenomen bij de samenstelling van het Beleggingsplan
2011.
Periodiek kan door het fonds een ALM-studie worden uitgevoerd, ter
onderbouwing van het uit te voeren beleid en om de gevolgen van mogelijk
gewijzigde omstandigheden in kaart te brengen. De uitvoering van het beleid van
het fonds kan op grond hiervan aangepast worden.
In 2012 is een continuïteitsanalyse uitgevoerd. Uit deze continuïteitsanalyse
volgen grotere kansen op onderdekking en kleinere kansen op realisatie van de
toeslagambitie. Deze slechtere resultaten zijn een direct gevolg van de
gewijzigde uitgangspunten (startdekkingsgraad en economische parameters). Het
fonds heeft sociale partners verzocht met de uiticomsten van de
continuïteitsanalyse rekening te houden bij het inrichten van de gewijzigde
pensioenregeling als gevolg van de aanstaande beperking van de fiscale
facilitering van pensioenopbouw en de infroductie van nieuwe
pensioenconfracten.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 64
11 Slotopmerkingen
Deze actuariële en bedrijfstechnische nota beschrijft het fonds naar de situatie
per december 2013. Wijzigingen vinden plaats door middel van een
wijzigingsblad of door het vervangen van een bijlage, tenzij het bestuur meent
dat een volledig nieuwe actuariële en bedrijfstechnische nota noodzakelijk is.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 65
Bijlage I
Actuariële grondslagen en veronderstellingen
sterftegrondslagen
Prognosetafel AG2012-2062 met fondsspecifieke
correctiefactoren die voor zowel mannen als vrouwen
gelijk zijn aan 100%. Per 31 december 2012 wordt als
startjaar tiet jaar 2013 gebruikt. Jaarlijks schuift het te
gebruiken startjaar één jaar op. Voor ingegane
wezenpensioenen wordt zonder sterftekansen gerekend.
Leeftijdsverschil man - vrouw
4 jaar.
Gehuwdheidsfrequentie
0,30 op 20-jarige leeftijd, vervolgens per jaar oplopend
met 0,05 tot 0,75 op leeftijd 29, en voor 30-jarigen tot en
met 59-jarigen gelijk aan 0,825- Op leeftijd 60 jaar is de
gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld. Vanaf leeftijd 60
jaar neemt de gehuwdheidsfrequentie vervolgens af met
de sterftekans van de medeverzekerde. Voor
geboortejaren 1936 en eerder bedroeg de
gehuwdheidsfrequentie op leeftijd 60 0,825.
Rekenrente
rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB.
Voorziening voor uitgesteld
wezenpensioen
5% van de contante waarde van het NP behorend bij OP,
voor zover de verzekerde jonger is dan 60.
Voorziening voor
overlijdensuitkering (1
maanduitkering na overlijden na
ingang OP/OBP/OBU)
0,35% van de voorziening van niet-ingegaan
OP/OBP/OBU plus 0,65% van de voorziening voor
ingegaan OP/OBP/OBU.
Voorziening voor
premievrijgestelde
pensioenopbouw
arbeidsongeschikten
Contante waarde van de vrijgestelde pensioenopbouw
voor OP en NP vermeerderd met een
wachttijdvoorziening. De wachttijdvoorziening is
maximaal gelijk aan 3 maal de opslag voor
premievrijstelling zoals opgenomen in de heffingspremié.
Er wordt geen gebruik gemaakt van reactiveringskansen.
Voorziening voor ingegane
invaliditeitspensioenen
Contante waarde van de ingegane
invaliditeitspensioenen.
Opslag voor excassokosten
2,5% van de netto voorziening pensioenverplichtingen
exclusief de voorziening voor premievrijgestelde
pensioenopbouw.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 66
Bijlage II Parameters berekening marktwaardevoorziening en beleidsgrenzen per 01-01-2013
De inflatieverwachting die gehanteerd is voor de berekening van de marktwaarde
van de pensioenverplichting inclusief toeslag bedraagt 2,0%.
De rentetermijnstmctuur die gebmikt is, is de rentetermijnstmctuur per
31 december 2012 en is weergegeven in onderetaande tabel. DNB heeft besloten
een correctie toe te passen op de rentetermijnstmctuur per 31 december 2012.
Looptijd
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
RTS
0.351%
0.413%
0.524%
0.690%
0.884%
1.085%
1.275%
1.449%
1.605%
1.741%
1.872%
1.981%
2.075%
2.155%
2.225%
ABTN BPF Koopvaardij 2013
Looptijd
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
RTS
2.259%
2.288%
2.315%
2.338%
2.359%
2.373%
2.393%
2.418%
2.446%
2.477%
2.507%
2.539%
2.571%
2.604%
2.637%
Looptijd
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
RTS
2.674%
2.710%
2.745%
2.779%
2.812%
2.844%
2.875%
2.905%
2.934%
2.961%
2.989%
3.015%
3.041%
3.066%
3.089%
Looptijd
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
pag. 67
RTS
3.112%
3.134%
3.155%
3.176%
3.195%
3.215%
3.233%
3.251%
3.268%
3.285%
3.301%
3.316%
3.331%
3.346%
3.360%
Bijlage III Uitwerking kostendekkende premie
In onderstaande tabel is de kostendekkende premie (het totaal van de premies
van de regelingen A en B) in duizenden euro's weergegeven. De kostendekkende
premie is berekend aan de hand van de rentetermijnstmctuur per 31-12-2012
zoals gepubliceerd door DNB en de overige grondslagen voor de berekening van
de voorziening pensioenverplichtingen zoals van toepassing ten tijde van het
indienen van staat K401 (DNB Q4 rapportage, 2012).
Boekjaar 2013
Gebaseerd op RTS
Gebaseerd op
gedempte rentevoet
50.897
3.715
1.171
37.626
2.747
1.171
Opbouw kostendekkende premie
a. onvoorwaardelijke onderdelen
b. opslag solvabiliteit
c. opslag uitvoeringskosten
d. voorwaardelijke onderdelen
subtotaal
Overige elementen te betalen premie
e. vrijval solvabiliteit
f. herstelpremie
minimaal te betalen premie (totaal)
55.783
41.544
55.783
41.544
feitelijk geheven premie
46.837
46.837
Overschot/tekort (geheven premie minus
minimaal te betalen premie)
-8.946
5.293
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 68
Bijlage IV Uitwerking (Minimaal) Vereist Vermogen
Het minimaal vereist vermogen is gelijk aan de som van:
•
•
De voorziening pensioenverplichtingen
4% over de voorziening pensioenverplichtingen plus 0,3% over het
risicokapitaal. Gezien de opbouw van het deelnemerbestand van het
fonds is de som van voomoemde elementen maximaal gelijk aan 5% van
de voorziening pensioenverplichtingen. De totale opslag is om die reden
gelijkgesteld aan 5% van de voorziening pensioenverpUchtingen.
In onderstaand overzicht is de berekening van het minimaal vereist eigen
vermogen opgenomen
Berekening Minimumbèdrag Eigen Vermogen
Berekeningsdatum: 31-12-2012
Risicofactor
1. percentage van de VPV
2. percentage van het risicokapitaal
Totaal
ABTN BPF Koopvaardij 2013
Als % van
In euro's
de VPV
(x 1.000)
4,00%
123.100
1,00%
30.774
153.874
5,00%
pag. 69
Het vereist vermogen is gelijk aan het vereist vermogen zoals berekend volgens
de wortelformule.
Berekening Vereist Eigen Vermogen
Berekeningsdatum: 31-12-2012
Risicofactor
1. Rente
2. Zakelijke waarden
3. Valuta
4. Commodities
5. Krediet
6. Verzekeringstechnisch
Divereificatievoordèel
Vereist eigen vermogen
Mutatie Eigen Vermogen
In euro's
Als % van
(x 1.000)
de VPV
36.724
1,2%
119.675
3,9%
154.233
5,0%
7.625
0,2%
30.118
1,0%
73.718
2,4%
-197.921
-6,4%
191.144
6,2%
De berekening van het Vereist Eigen Vermogen is geschied op basis van de
beleggingsportefeuille per 31-12-2012.
Bij de berekening van het Vereist Eigen Vermogen is voor inflatiegerelateerde
producten die zijn meegenomen in Sl (Inflation Linked Bonds en Inflatie Swaps)
uitgegaan van de veronderstelling dat de nominale renteschok voor 80% door
een schok in de inflatieverwachting wordt veroorzaakt en voor 20% door een
schok in de reële rente.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 70
Bijlage V Verklaring inzake de beleggingsbeginselen
Deze 'Verklaring inzake de beleggingsbeginselen' ('Verklaring') beschrijft op
beknopte wijze de uitgangspunten van het beleggingsbeleid van het fonds.
Doelstelling van het beleggingsbeleid van het fonds is het behalen van een
maximaal reëel langetermijn rendement ten behoeve van de (gewezen)
deelnemers in het pensioenfonds. Het bestuur bepaalt welkerisico'shet fonds
bereid is daarbij te nemen, met inachtneming van de opbouw van het
deelnemersbestand, de vereiste solvabiliteit en de wenselijkheid van stabiele
premies.
Het fonds laat op reguliere basis ALM-studies en jaarlijks beleggingsplannen
opstellen en na goedkeuring uitvoeren. Hierbij wordt er gekeken naar de
samenhang tussen het beleggingsbeleid en de overige financiële
sturingsinstmmenten, waaronder in het bijzonder het toeslagenbeleid.
Bij de uitvoering van het beleggingsplan wordt voldoende spreiding in de
beleggingen gerealiseerd en wordt steeds rekening gehouden met het effect van
een belegging op de totale portefeuille in relatie tot de verpUchtingenstmctuur.
Op voorhand wordt geen enkele afzonderlijke beleggingscategorie,
beleggingsinstrument of beleggingstechniek uitgesloten. Het fonds weegt telkens
expliciet af ofhet gebmik van de aan de beleggingen verbonden ,
zeggenschapsrechten kan bijdragen aan de realisatie van de
beleggingsdoelstelling. Het fonds heeft het vermogensbeheer volledig uitbesteed.
Het bestuur ziet erop toe dat de kosten die verband houden met het
beleggingsbeleid redelijk en proportioneel zijn.
I.
Doelstelling
Het Bpf Koopvaardij en zijn deelnemers
Het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij is het bedrijfspensioenfonds
voor werkgevers en werknemers in de bedrijfstak Koopvaardij. Op basis van een
middelloonregeiing bouwen werknemers geboren op of na 1 januari 1950 in de
genoemde bedrijfstak bij het fonds eenfinanciëleaanspraak op ten behoeve van
definanciëlegevolgen van overlijden of pensionering. Op basis van een
eindloonregeUng bouwen werknemers geboren voor 1 januari 1950 in de
genoemde sectoren bij het fonds eenfinanciëleaanspraak op ten behoeve van de
financiële gevolgen van overlijden of pensionering.
Eind 2012 bestond het totale bestand van deelnemers van het fonds uit 5.128
actieven, 16.712 ex-deelnemers (slapere) en 32.136 gepensioneerden.
Duurzaam pensioenstelsel
De rechten en plichten van de bij het fonds aangesloten werkgevers en
werknemers, zoals de te betalen premies en op te bouwen pensioenaanspraken,
zijn omschreven in de pensioenreglementen en de actuariële en
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 71
bedrijfstechnische nota. Betaalbaarheid in combinatie met de toeslagambitie
vergt een voldoende hoog rendement op het belegde vermogen.
Dit vereist het voeren van een consequent langetermijn beleid birmen het
vastgestelderisicoprofielvan het fonds. Daarbij wordt ook rekening gehouden
met het financiële toetsingskader dat meer aandacht vraagt voor kortetermijn
fluctuaties in de financiële positie van het fonds. Een duurzaam pensioenstelsel
vergt daarom een evenwichtige en door de tijd heen consistente financiële
sturing.
Doelstelling beleggingsbeleid
De doelsteUing van het beleggingsbeleid is het behalen van een maximaal reëel
langetermijn rendement ten behoeve van de (gewezen) deelnemers in het
pensioenfonds.
Het bestuur bepaalt welkerisico'shet fonds bereid is daarbij te aanvaarden, met
inachtneming van de opbouw van het deelnemersbestand, de vereiste solvabiliteit
en de wenselijkheid van stabiele premies.
Verklaring inzake de beleggingsbeginselen
Het beleggingsbeleid van een pensioenfonds is voor zowel de veiligheid als de
betaalbaarheid van het pensioen van cmciaal belang. Tegen die achtergrond heeft
het fonds deze 'Verklaring inzake de beleggingsbeginselen' ('Verklaring')
opgesteld. Zij beschrijft op beknopte wijze de uitgangspunten van het
beleggingsbeleid van het fonds ten behoeve van de (gewezen) deelnemere in het
pensioenfonds én ten opzichte van de samenleving waarin het fonds zich
beweegt.
Wijziging van deze Verklaring
De in deze Verklaring behandelde onderwerpen zijn voortdurend onderwerp van
discussie, binnen het fonds en daarbuiten. Het fonds zal deze Verklaring daarom
periodiek herzien na iedere belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
Nieuwe inzichten zullen in deze Verklaring worden opgenomen.
II
Organisatie
Beleggingsproces
Onder beleggingsproces wordt verstaan het geheel van regels dat ziet op de
voorbereiding en de uitvoering van het beleggingsbeleid en het beheer van de
beleggingen.
Rol van het bestuur in het beleggingsproces
Het bestuur is eindverantwoordelijk voor het gehele beleggingsproces, en neemt
beslissingen van beleidsmatige en strategische aard. Deze beslissingen worden
voorbereid door de portefeuillehouders en extem vermogensadviseur. Het
daadwerkelijk beleggen van de beschikbare gelden heeft het bestuur opgedragen
aan MN die belast is met de dagelijkse uitvoering van het beleid.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 72
Rapportage en verantwoording
De exteme vermogensbeheerder brengt ieder kwartaal verslag uit aan het bestuur
over de wijze waarop het beleggingsplan wordt uitgevoerd en van de behaalde
beleggingsresultaten.
Het bestuur legt ieder jaar in de jaarrekening en het jaarverslag verantwoording
af over het door haar gevoerde beheer van het pensioènvermogen en geeft inzicht
in definanciëletoestand van het fonds.
Integraal financieel- en risicobeleid
Het fonds geeft op integrale wijze, met inachtneming van alle
sturingsinstrumenten waarover het fonds beschikt, inhoud aan hetfinanciëleen
risicobeleid van het fonds. Hierbij bestaat een functioneel onderecheid tussen
sturing (ex anterisicomanagement),riskcontrol en (intem) toezicht. In het kader
van de sturing wordt het beleggingsbeleid periodiek, met een jaarlijkse update, in
samenhang met de overigefinanciëlesturingsinstmmenten geanalyseerd tegen de
achtergrond van verechiUende economische scenario's. Belangrijk analyseinstiiiment hierbij is het Asset Liability Management (ALM), waarbij
ontwikkelingen in de beleggingen en verplichtingen in hun onderlinge
samenhang worden beschouwd.
Beleggingsplannen
Het fonds maakt onderscheid tussen het stiategisch (meerjaren) beleggingsbeleid
gebaseerd op de ALM-studie, beschreven in de ABTN en het jaarlijkse
beleggingsplan. Het bestuur stelt de beleggingsplannen vast.
Strategisch beleggingsplan
Het stiategisch beleggingsplan neemt als uitgangspunt de relatie tussen de
bezittingen en de verplichtingen van het fonds. Het bevat de belangrijkste
beleggingskeuzes die het fonds moet maken, te weten:
a. de gewenste vermogenssamenstelling ('sfrategische allocatie') naar
beleggingscategorieën. Hetrisicoprofielvan deze vermogenssamenstelling
wordt geanalyseerd in het licht van alle rechten én verplichtingen op
fondsniveau, zowel op korte als op lange tennijn;
b. de rendementsdoelstelling per beleggingscategorie, tot uitdmkking gebracht
in één of meer vergelijkingsmaatstaven ('benchmarks');
c. in hoeverre het fonds bereid is de feitelijke beleggingsportefeuille (tijdelijk)
te laten afwijken van de strategisch gewenste portefeuille;
d. het valutabeleid.
Jaarlijks beleggingsplan
Het jaarlijks beleggingsplan zet uiteen op welke wijze het fonds in het
desbefreffende jaar uitvoering zal geven aan het strategisch beleggingsplan.
Deskundigheid
Het fonds draagt er zorg voor dat het in alle fasen van het beleggingsproces
beschikt over de deskundigheid die vereist is voor:
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 73
-
een optimaal beleggingsresultaat;
een professioneel beheer van de beleggingen; en
de beheereing van de aan beleggingen verbonden risico's.
Scheiding van belangen
Bij de uitvoering van het beleggingsplan wordt gewaakt voor
belangenveretiengeling. Met het oog daarop zijn bestuur en medewerkers van het
fonds gebonden aan de gedragscode van Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de
Koopvaardij.
Markt-, krediet- en operationeel risico
Voor de generieke sturing van het mismatchrisico zijn de 'exposures' naar de
strategische assets in de beleggingsportefeuille van groot belang. Specifieke
sturing op marktrisico's vindt plaats met behulp van onder andere:
- De standaarddeviatie: dit befreft een spreidingsmaatstaf, befreffende de
gemiddelde afwijking van het gemiddelde;
- De 'fracking error': dit betreft een spreidingsmaatstaf, befreffende de
afwijking tussen de ontwikkeling van de respectievelijke rendementen van de
beleggingsportefeuille en de benchmark;
- De 'value at risk' (VAR) methodieken: VAR is het maximale verlies dat
binnen een bepaalde tijdsinterval kan plaatsvinden, met dien verstande dat de
kans op een nog groter verlies kleiner is dan een van tevoren vastgestelde
waarde a.
Voor kredietrisico's wordt gewerkt met exposure limieten en credit ratings. Voor
de beheersing van operationele risico's is een aantal maafregelen
geïmplementeerd waaronder bevoegdhedenregeling, uitwijkbeleid en
incidentenmanagement.
III
Uitvoering
"Prudent person" (beleggen als een 'goede huisvader' betaamt)
Bij de uitvoering van het beleggingsplan staat de "pmdent pereon"-regel
centraal. De "pmdent person"-regel mst op de volgende pijlers:
- deskundig vermogensbeheer;
- de activa worden belegd in het belang van de (gewezen) deelnemere en
gepensioneerden;
- de activa worden zodanig belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de Uquiditeit
en het rendement van de portefeuille als geheel wordt gewaarborgd; dit
betekent dat het risico- en rendementsprofiel van de totale portefeuille steeds
afgestemd moet zijn op de verplichtingenstmctuur van het fonds, en dat de
beleggingen voldoende moeten zijn gespreid (diversificatie).
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 74
Beleggingsvrijheid
Het fonds beoordeelt elke belegging zuiver op grond vanrisico-en
rendementsoverwegingen. Volgens de "pmdent person"-regel is daarbij op
voorhand geen enkele afzonderlijke beleggingscategorie, beleggingsinstmment
of beleggingstechniek uit te sluiten, omdat steeds wordt gekeken naar het effect
van de belegging op de totale portefeuille in relatie tot de
verplichtingenstmctuur.
Het fonds wil als belegger noch anderezins een zodanige verantwoordelijkheid
aanvaarden voor een ondememingsactiviteit dat daamit een niet beoogde
verplichting tot additionele vermogensversfrekking kan voortvloeien.
In algemene zin zal het fonds zich verzetten tegen iedere vorm van
beleggingsdwang en beleggingsrestricties; deze doen afbreuk aan een optimaal
risico- en rendementsprofiel.
Grenzen aan beleggingsvrijheid
Het fonds werkt uiteraard niet mee aan een beleggingsfransactie die bijvoorbeeld
op grond van het intémationale recht, verboden is. Voorts onthoudt het fonds
zich van een belegging:
- indien daardoor strafbare of moreel verwerpelijke gedragingen worden
bevorderd;
- indien de belegging - zo zij zou worden verricht - in onmiddellijk verband
staat met een schending van mensenrechten of fundamentele vrijheden.
Uitbesteding
De beleggingen ter uitvoering van het beleggingsplan komen tot stand via
uitbesteding aan derden die daartoe door het fonds zijn geconfracteerd. Op deze
wijze wordt optimaal gebmik gemaakt van de beschikbare deskundigheid,
schaalvoordelen enflexibiliteit.De selectie van vermogensbeheerders en de
beoordeling van hun prestaties vinden plaats op basis van objectieve criteria. De
gemaakte afwegingen en de daarbij gehanteerde argumenten blijken uit een
systematisch opgebouwd selectie- en evaluatiedossier. Voorts beschikt het fonds
over afdoende contiolemechanismen om uitbestedingsrisico's te beheereen.
Kosten
Bij de uitvoering van het beleggingsplari maakt het fonds geen andere kosten dan
die welke redelijk en proportioneel zijn in relatie tot de omvang en de
samenstelling van het belegde vermogen en de doelstellingen van het
pensioenfonds.
Waardering
De beleggingen worden gewaardeerd tegen actuele waarde, aangepast met de
daaraan toewijsbare vorderingen, schulden, transitoria en liquide middelen.
Indien mogelijk wordt de beurswaarde als actuele waarde gehanteerd.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 75
Zorgvuldig ondernemerschap
Het fonds legt - als langetermijn belegger - de aandacht op de langetermijn
doelstelling van de ondememing waarin het belegt in termen van duurzame
economische groei. Het fonds betiekt informatie over duurzame economische
groei - vaak van niet-financiële aard - bij zijn analyses van de kwaliteit van
ondememingen. Hierdoor worden kansen en risico's opgespoord die in het
bijzonder relevant zijn voor een langetermijn belegger maar die onvoldoende
waardering krijgen op de 'traditionele' balans van een ondememing.
Het fonds is van mening dat duurzaamheid en goed ondememingsbestuur
onlosmakelijk met zorgvuldig ondememerechap verbonden zijn. De
ondernemingsleiding moet in staat zijn hierover verantwoording af te leggen.
Een dergelijke verantwoording is inherent aan goed ondememingsbestuur en
daarmee van belang om te voorkomen dat de ondememing zich gaat
vervreemden van de samenleving waarvan zij deel uitmaakt.
Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (MVB)
Het fonds heeft gekozen voor de dienstverlening van MN en daarmee voor een
integrale benadering van goed ondememingsbestuur, de uitvoering van stemrecht
op aandelen en maatschappelijk verantwoord beleggen. Deze dienstverlening
bestaat uit 4 speerpunten:
•
verantwoord beleggen: het rekening houden bij beleggingsbeslissingen met
MVB criteria. Een voorbeeld is het Enhanced Analytics Initiative; Een
intemationaal samenwerkingsverband van institutionele beleggere gericht op
het aanmoedigen van beleggingsonderzoek dat rekening houdt met de
invloed van niet-financiële factoren op de lange termijn resultaten van
bedrijven. MN committeert zich daarmee om ten minste 5% van haar
aandelentiansacties toe te kennen aan analisten die zich onderscheiden op het
gebied van ESG (Environment, Social and Govemance) onderzoek.
•
thematisch beleggen: bij thematisch beleggen wordt gekeken naar
investeringsmogelijkheden die zowel vanuit rendementsoogpunt als vanuit
ESG oogpunt aantiekkelijk zijn.
uitsluitingsbeleid: bedrijven die direct befrokken zijn bij de productie,
distributie en/of onderhoud van antipersoonsmijnen en/of clustermunitie
worden uitgesloten uit portefeuilles.
actief aandeelhouderschap: dit is een belangrijk instmment om invloed uit
te oefenen bij de bedrijfsvoering van ondememingen, ten aanzien van goed
ondememingsbeleid, goed ondememingsbestuur en maatschappelijk
verantwoord ondememen. Het is geen doel op zich, maar gericht op het
creëren van waarde, in termen van rendement enrisicovan de portefeuille.
Om actief aandeelhouderschap effectief te maken wordt wereldwijd
samengewerkt met andere institutionele beleggers.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 76
Nevenactiviteiten
Het fonds ontwikkelt activiteiten die het in staat stellen zijn maatschappelijke
fimctie - de verzorging van (gewezen) deelnemere voor definanciëlegevolgen
van overlijden of pensionering op basis van solidariteit en collectiviteit - zo goed
mogelijk uit te voeren. Voor zover die activiteiten niet behoren tot de kemtaken
van een pensioenfonds, voert het fonds deze niet uit.
Verantwoording
Het fonds is zich bewust van de maatschappelijke rol die het als belegger vervult.
Die rol dwingt het fonds tot grote zorgvuldigheid in zijn handelen. Het fonds is
te allen tijde bereid verantwoording af te leggen over zijn beleggingsgedrag.
Het fonds voert een samenhangend premie-, beleggings- en toeslagenbeleid met
een relatie tussen dekkingsgraad en mogelijke toeslagen. De toeslagen zijn
hierbij voorwaardelijk. De uitgangspunten voor toeslagverlening zijn:
- Het fonds streeft naar volledige en bestendige toeslagverlening van
pensioenaanspraken;
- de premiestelling is niet gebaseerd op de opbouw van volledige
toeslagveriening van pensioenaanspraken, de feitelijke toeslagverlening is
afhankelijk van definanciëlepositie van het fonds;
- inhaal van gemiste toeslagverlening is geen onderdeel van de
toeslagverleningsambitie.
Dit is de tekst die het fonds in alle uitingen (brochures, brieven, etc.) gebmikt:
Uw pensioenfonds probeert iederjaar uw opgebouwde pensioen te verhogen met
de verhoging van de cao-lonen van volwassen werknemers in het particulier
bedrijf.
Uw opgebouwde pensioen is dit jaar met <a%> verhoogd.
Uw pensioenfonds heeft uw opgebouwde pensioen de afgelopen drie jaar als
volgt verhoogd:
- Over het jaar <t-1 > met <b%>. De prijzen gingen toen met <f%> omhoog
- Over het jaar <t-2> met <c%>. De prijzen gingen toen met <g%> omhoog
- Over het jaar <t-3> met <d%>. De prijzen gingen toen met <h%> omhoog
Uw pensioenfonds betaalt de toekomstige verhogingen van uw opgebouwde
pensioen uit beleggingsrendement.
U hebt door deze verhoging en de verwachting voor de komende jaren niet
meteen ook recht op verhogingen in de toekomst.
Uw pensioen wordt op een andere manier aangepast aan de stijging van de
prijzen, als u niet meer meedoet aan deze pensioenregeling of als u al pensioen
krijgt. Uw opgebouwde pensioen wordt dan verhoogd met maximaal de stijging
van de feitelijke afgeleide consumentenprijsindex voor alle huishoudens tussen
juli en juli van hetjaar daaraan voorafgaand, zoals vastgesteld doorhet Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS).
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 77
Bijlage VI Leeswijzer ABTN
Deze leeswijzer geeft een korte toelichting op de stmctuur van de actuariële en
bedrijfstechnische nota (ABTN) van het bedrijfspensioenfonds voor de
Koopvaardij.
Hoofdstuk 1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het doel en de organisatie van het fonds beschreven.
Ingegaan wordt op de samenstelling en bevoegdheden van bestuur, pensioenraad,
verantwoordingsorgaan en de diveree commissies. Daamaast wordt aangegeven
welke adviseurs door het fonds zijn aangesteld en wordt het inteme
beheereingssysteem beschreven.
Hoofdstuk 2 Deelname aan de pensioenregeling
Dit hoofdstuk gaat in op verplichte en vrijwillige aansluitingen bij het fonds.
Hoofdstuk 3 Algemene overwegingen
Dit hoofdstuk beschrijft kort de verwachtingen van het bestuur van het fonds ten
aanzien van demografische ontwikkelingen bij het fonds. Tevens wordt ingegaan
op de verwachte verhouding tussen loon- en prijsontwikkeling.
Hoofdstuk 4 De inhoud van de pensioenregeling
In dit hoofdstuk worden de door het fonds gevoerde pensioenregeUngen
beschreven. Deze pensioenregelingen zijn gebaseerd op de CAO-afspraken in de
bedrijfstak. De verplichtsteUing zoals beschreven in hoofdstuk 2 wordt door de
CAO-partijen aangevraagd.
Hoofdstuk 5 De berekening van de voorziening pensioenverplichtingen
Voor de opgebouwde pensioenrechten en pensioenaanspraken moet vermogen
worden aangehouden. De omvang van dit vermogen is onder andere afliankelijk
van de pensioentoezegging zoals gedefinieerd in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5
beschrijft hoe de voorziening (voor opgebouwde) pensioenverpUchtingen wordt
berekend.
Hoofdstuk 6 De waarderingsgrondslagen van de balans
Zoals aangegeven moet het fonds vermogen aanhouden om de gedane beloften
na te kunnen komen. De bezittingen en de verplichtingen van het fonds,
waaronder de voorziening pensioenverplichtingen, worden geregisfreerd op de
balans van het fonds. In hoofdstuk 6 worden de diverse balansposten benoemd
en wordt aangegeven welke waarderingsregels er gelden voor elk van de
balansposten.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 73
Hoofdstuk 7 Het toeslagbeleid
Onderdeel van het pensioenreglement is de voorwaardelijke verlening van
toeslagen op opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten. In dit
hoofdstuk wordt aangegeven wat het sfreven naar voorwaardelijke
toeslagverlening inhoudt en hoe deze voorwaardelijke toeslagen gefinancierd
wordt. Tevens wordt in dit hoofdstuk de meest recente verwachte realisatie van
de toeslagambitie opgenomen.
Hoofdstuk 8 Het premiebeleid
Voor de pensioenopbouw die geschiedt op basis van de pensioenreglementen
zoals beschreven in hoofdstuk 4 moet premie geheven worden. Dit hoofdstuk
beschrijft hoe de hoogte van de premie door het fonds wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 9 Het beleggingsbeleid
Zoals aangegeven moet het fonds vermogen aanhouden ter dekking van de
pensioenverplichtingen. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke doelstellingen
met het beleggingsbeleid worden nagestreefd en welke benchmarks en restricties
ten aanzien van het beleggingsbeleid worden gehanteerd. Tevens wordt een
samenvatting van het meest actuele beleggingsplan gegeven door de allocatie
naar beleggingscategorieën uit dat plan weer te geven.
Hoofdstuk 10 Het weerstandsvermogen van het fonds, inzet van
sturingsmiddelen
Teneinde de doelen van het fonds na te kuimen komen moet het fonds het
toeslagbeleid, het premiebeleid en het beleggingsbeleid zoals beschreven in de
hoofdstukken 7, 8 en 9 gestmctureerd gecombineerd in kunnen zetten. Periodiek
wordt de stuurkracht van deze beleidsterreinen onderzocht middels een ALM
studie. De resultaten van deze studie en het daarop gebaseerde beleidskader (de
samenhang tussen voomoemde beleidsterreinen) worden in dit hoofdstuk
beschreven.
Bijlagen
In de bijlagen bij de ABTN wordt aangegeven welke parameters het fonds thans
hanteert voor bijvoorbeeld de vaststelling van de voorziening
pensioenverplichtingen. Tevens wordt de meest recente waarde van een aantal
toetsgrootheden weergegeven. Het befreft daarbij het (minimaal) vereist
vermogen en de kostendekkende premie.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 79
VII Crisisplan
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij
Inleiding
In hoofdstuk 10 van deze Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) zijn de
risico's waaraan het pensioenfonds blootstaat beschreven. Dezerisico'skunnen
ertoe leiden dat de doelstellingen van het fonds nu of op langere termijn in
gevaar komen. De doelstellingen van het fonds luiden:
•
•
Het verschaffen van pensioenuitkeringen;
Het zo veel als mogelijk waarborgen van de opbouw van de
pensioenaanspraken;
• Het minimaliseren van de kansen op onderdekking en reservetekort, alsmede
de mate hiervan;
• Het, met in acht neming van de voorgaande doelstellingen, maximaliseren
van het beleggingsrendement om de nagesfreefde toeslagen te realiseren.
Wanneer de doelstellingen van het fonds in gevaar komen is het bestuur
genoodzaakt aanvuUende maatregelen te nemen, aan te duiden als
crisismaatregelen.
Dit crisisplan bevat een beschrijving van de maatregelen die het bestuur op korte
termijn effectief zou kunnen inzetten indien in korte tijd de dekkingsgraad zich
zeer snel beweegtrichtingkritische waarden waardoor het realiseren van de
doelsteUingen van het pensioenfonds in gevaar komen. Dit crisisplan is bedoeld
voor het geval zich in de toekomst dergelijke situaties voordoen waarbij
crisismaatregelen genomen moeten worden. Het plan geeft de te hanteren
kritische ondergrenzen, de te nemen maatregelen en de te volgen communicatieen besluitvormingsprocessen aan.
1. Beschrijving crisissituatie
Het bestuur onderkent dat marktwaardering van de pensioenverplichtingen en de
bezittingen met onzekerheid is omgeven. De toekomstige rente is een voomame
factor hierbij, evenals de toekomstige levensverwachting. De onzekerheid
hieromfrent heeft het bestuur doen besluiten pas crisismaafregelen te treffen als
naar oordeel van het bestuur sprake lijkt van een stmcturele en significante
crisissituatie. Het bestuur voert immers een langetermijn beleid en wenst in het
beleid naar alle betrokkenen niet aanvullend op dagvolatiliteiten te reageren. Op
basis van het reguliere beleid van het fonds is bijvoorbeeld het renterisico over
de pensioenverplichtingen grotendeels afgedekt.
Dit crisisplan treedt in werking als de doelstelling tot het onverkort uitkeren van
pensioenen in gevaar komt.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 80
Het bestuur stelt vast dat er sprake is van een crisissituatie als de dekkingsgraad
lager is dan het Minimaal Vereist Vermogen (circa 105%).
Uiteraard zijn er meer crisissituaties te onderscheiden, maar zover deze
onderkend zijn, zijn de maatregelen die in zulke situaties getioffen (moeten)
worden onderdeel van het bestaande beleid. Een voorbeeld hiervan is het stoploss beleid voor de match-portefeuille waarbij bij een oplopend kredietrisico
vroegtijdig beleggingen met een te hoog opgelopen kredietrisico worden
vervangen door gelijkwaardige beleggingen met een lager kredietrisico.
2. Dekkingsgraad waarbij het fonds er zonder korten niet meer uit kan komen
Wanneer de dekkingsgraad zich op enig moment onder het Minimaal Vereist
Vermogen bevindt stelt het pensioenfonds een kortetermijn herstelplan op waarin
wordt aangegeven hoe het pensioenfonds binnen de wettelijk gestelde tennijnen
een dekkingsgraad boven het Minimaal Vereist Vermogen zal bereiken.
Het bestuur heeft als onderdeel van dit crisisplan daamaast een zogenaamde
"kritische dekkingsgraad" vastgesteld. Dit is de dekkingsgraad waarbij het fonds
er niet langer in slaagt om binnen de wettelijk gestelde maximale termijnen de
technische voorzieningen en het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (financieel)
aan te vullen zonder de belangen van betrokkenen onevenredig te schaden of tot
het korten van pensioenaanspraken en- rechten over te moeten gaan. van
waarden te voorzien, zonder de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden of de werkgevers
onevenredig te schaden en tot het korten van pensioenaanspraken over te moeten
gaan.
Het niveau van de kritische dekkingsgraad is onder andere afhankelijk van de
rentetermijnstmctuur en de verwachte meerrendementen op enig moment. In de
volgende tabel is de kritische dekkingsgraad voor een aantal scenario's
opgenomen (uitgaande van een wettelijke hersteUermijn naar het Minimaal
Vereist Vermogen van driejaar). Het meerrendement is het extia rendement dat
wordt verwacht boven het rendement (de rekenrente) dat nodig is voor aangroei
van de technische voorzieningen. Bij het opstellen van de tabel is uitgegaan van
het huidige premiebudget.
.2
«
a
iX
V
u
2,0%
2,5%
3,0%
3,5%
4,0%
4,5%
5,0%
0,0%
106,0%
105,4%
104,8%
104,3%
103,8%
103,4%
102,9%
ABTN BPF Koopvaardij 2013
verwacht
0,5%
104,4%
103,9%
103,4%
102,9%
102,5%
102,0%
101,6%
meerrendement
1,5%
1,0%
101,6%
103,0%
101,1%
102,5%
100,7%
102,0%
100,2%
101,6%
99,8%
101,1%
99,4%
100,7%
99,0%
100,3%
2,0%
100,2%
99,8%
99,3%
98,9%
98,5%
98,1%
97,7%
pag. 81
Opgemerkt zij dat naar de situatie per 30-09-2011 de kritische dekkingsgraad
van het fonds circa 102,5% bedroeg, uitgaande van een Minimaal Vereist
Vermogen van 105%.
Het beleid van pensioenfonds Koopvaardij is reeds gericht op het beperken van
de kans dat de dekkingsgraad zich richting deze kritische dekkingsgraden
beweegt (zie ook de doelstellingen van het pensioenfonds). Middels een ALMstudie wordt dit beleid regelmatig getoetst en indien nodig herijkt.
3. Maatregelen die ter beschikking staan
Het bestuur is in het geval van een crisissituatie genoodzaakt maafregelen te
nemen, aan te duiden als crisismaafregelen. Het bestuur heeft alle mogelijke
crisismaafregelen onderzocht en besproken:
•
•
•
•
•
•
Premieverhoging
In de pensioenovereenkomst (onderdeel van de CAO-afspraken) zoals
overeengekomen tussen werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers is
een vast premiebudget overeengekomen. Het bestuur acht een
premieverhoging niet op een korte termijn realiseerbaar. Bovendien is gezien
de rijpheid van het fonds van een premieverhoging nauwelijks effect op de
financiële positie van het fonds te verwachten.
Bijstorting werkgevers
Gezien het feit dat het fonds een bedrijfstakpensioenfonds is, behoort een
bijstorting niet tot de mogelijkheden en kan daarom niet als maatiegel in dit
crisisplan aan gemerkt worden.
Beperken of niet toekennen van toeslagen
Het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de voorwaardelijke
toeslagverlening van de deelnemers, gewezen deelnemere en
pensioengerechtigden wordt niet als crisismaafregel aangemerkt, maar als
een regulier onderdeel van de pensioenregeling en het beleidskader.
Toepassen gesplitste kortingsregeling (zonder premie te verlagen)
De pensioenopbouw kan per regeling (A,B) worden verlaagd tot het peil
waarop de premie kostendekkend is, de strikt gescheiden regelingen hebben
andere kenmerken en B kan A, maar vooral C en voorgaande regelingen niet
subsidiëren. Het fonds gebmikt een gedempte rentevoet van 3,9% voor de
vaststelling van de kostendekkende premie. In een crisissituatie dient de
premiedekkingsgraad minstens 105% te bedragen. Gezien het zeer geringe
premiestuur zal het bestuur van het fonds in een crisissituatie overwegen een
adempauze voor aanpassing van de pensioenopbouw aan te vragen.
Versoberen pensioenregeling (zonder premie te verlagen)
Het eventueel versoberen van de pensioenregeUng dient plaats te vinden in
overleg met werknemere- en werkgeverevertegenwoordigers die de CAOafspraken hebben gemaakt. Het bestuur acht deze maatiegel niet snel
inzetbaar onder de huidige CAO-afspraken.
Aanpassen beleggingsbeleid
Het aanpassen van het beleggingsbeleid bij verechiUende mveaus van de
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 82
dekkingsgraad is onderdeel van het reguliere beleidskader zoals beschreven
in de ABTN. De te nemen maafregelen zijn uitgewerkt in paragraaf 3,1.
• Korten van pensioenaanspraken en pensioenrechten
De pensioenaanspraken en pensioenrechten van actieve deelnemers,
gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden in het geval van
een crisis procentueel evenveel (unifonn) gekort. Er wordt niet meer
gekort dan strikt nodig is om voldoende te kunnen herstellen. De korting
wordt jaarlijks vastgesteld zolang die nog noodzakelijk is.
Bovenstaande resulteert in de volgende crisismaafregelen, in volgorde van
prioritering:
1. Gebmik maken van een eventueel toegestane adempauze voor wat betieft de
eis tot voldoende premiedekkingsgraad;
2. Toepassen gesplitste kortingsregeling voorzover de premie niet
kostendekkend is;
3. Korten van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
3.1 Aanpassen beleggingsbeleid
Risicobudget
Bpf. Koopvaardij hanteert een stiategisch beleggingsbeleid gebaseerd op risico
en rendement naar aanleiding van de ALM-studie 2010. De sfrategische
uitgangspunten zijn in hoofdstuk 10.3 weergegeven.
Door hetrisicobudgetin het strategisch beleggingsbeleid mee te laten ademen
met het niveau van de dekkingsgraad is een automatische demping ingebouwd,
in lijn met de doelstelling van het crisisplan.
Echter, naast dit sfrategisch beleggingsbeleid kunnen er omstandigheden zijn
waardoor het wenselijk is om hetrisicobudgetverder in te perken als gevolg van
een crisis. Eerder genoemde niveaus van de dekkingsgraden kunnen hier
aanleiding voor zijn.
Risicofactoren
Onderliggend aan hetrisicobudgetzijnrisicofactorente benoemen die de waarde
van beleggingscategorieën beïnvloeden. De voomaamste factoren zijn:
1. Vreemde valuta
2. Marktrisico; aandelen, onroerend goed, commodities
3. Rente en inflatie
4. Krediet/spread risico
Een daling van de dekkingsgraad is in belangrijke mate terag te voeren op
bovenstaande factoren. Daamaast spelen er nog verzekeringstechnische risico's,
zoals het langlevenrisico.Deze factoren zijn nauwelijks te beïnvloeden en zullen
in deze paragraaf verder buiten beschouwing worden gelaten.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 83
Te nemen maatregelen
Vreemde valuta
Hetrisicovoor de dekkingsgraad is dat de waarde van de netto-positie naar
vreemde valuta ten opzichte van de euro daalt. Hierdoor zal de waarde van
investeringen die in vreemde valuta noteren, in waarde dalen, wat een negatief
effect heeft op het vermogen.
Strategisch is het valutarisico van de liquide valuta en de liquide beleggingen
voor 100% afgedekt. Echter, gezien de huidige eurocrisis, staat de euro onder
druk. Om te kunnen compenseren voor een verdere verdieping van de eurocrisis,
waarbij kredietrisico 's toenemen en ook marktrisico op aandelen, is het
valutarisico verhoogd. In dit specijieke geval, compenseert het valutarisico voor
het krediet- en aandelenrisico.
Om het valutarisico te verlagen worden derivaten ingezet om de exposure naar
vreemde valuta te verminderen. Middels forwardconfracten of valutaswaps wordt
een tegengestelde positie ingenomen ten opzichte van de onderliggende
investeringen, waardoor het valutarisico wordt geneutraliseerd. Met name de
posities naar liquide valuta zoals USD, GBP, YEN, NOK, SEK en CAD zijn
tegen relatief lage kosten, snel te implementeren. De exposure naar 'overige'
valuta bestaat voomamelijk uit valuta van Emerging Markets. Het afdekken van
dit risico is onmogelijk of enkel tegen hoge kosten. Deze maatregel is hierdoor
niet effectief voor deze valuta's in geval van crisissituaties.
Marktrisico
Het marktrisico is het gevolg van de volgende beleggingscategorieën, met
bijbehorend gewicht (per ultimo 2012):
1. Aandelen; 7,2%
2. Onroerend goed; 8,6%
3. Commodities; 0,8%
4. Hoogrentende obligaties; 7,5%
5. Hedgeftinds;2,5%
Marktrisico heeft als doel een exfra rendement te genereren boven de swaprente
waarmee de verplichtingen worden verdisconteerd. Dit extra rendement is op
lange termijn benodigd om te kunnen voldoen aan de ambities van het fonds,
zoals een indexatie voor de deelnemers.
In theorie zijn er twee altematieven om marktrisico af te bouwen:
1. Verkopen van beleggingen
2. Neerwaarts risico beschermen door middel van derivaten.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 84
Adl. Verkopen
Het afbouwen van investeringen is de meest effectieve manier om marktrisico te
verkleinen. Voor de meer Üquide categorieën is in een relatief korte periode een
flink deel van de portefeuille af te bouwen. Hierbij keimen aandelen de hoogste
liquiditeit (de positie is grotendeels in 1 week af te bouwen), gevolgd door
commodities en hoogrentende obligaties. Voor onroerend goed is de liquiditeit
zeer laag tot nihil, daar het direct onroerend goed betieft.
Ad2. Derivaten
Het gebmik van derivaten om marktrisico te beperken is enkel realistisch voor de
beleggingscategorie aandelen en dan met name voor de ontwikkelde markten.
Voor het gebmik van derivaten zijn een tweetal varianten mogelijk, opties en
futures. De toegevoegde waarde van opties hangt in sterke mate samen met de
prijsvorming van opties. Bij een hoge volatiliteit van de markt, zijn opties relatief
duur waardoor de mogelijke bescherming wordt beperkt. In een crisissituatie is
dit vaak het geval. Een andere mogelijkheid om snelrisicoaf te bouwen, is het
gebmik van futures. Deze derivaten kennen een zelfde systematiek als de
forward-confracten bij het afdekken van valutarisico.
Rente en inflatie
Bpf. Koopvaardij hanteert een stringentrisicobeleidten aanzien van rente en
inflatie zoals weergegeven in hoofdstuk 10.3 van de ABTN.:
Door het beleid goed te volgen, blijft het rente- en inflatierisico beperkt ten
opzichte van de verplichtingen zoals Bpf. Koopvaardij die heeft vastgelegd
(boven de middengrens van nominaal 120, zijn de verplichtingen voor een deel
reëel).
Het beleid is er op gericht om de rentegevoeligheid van de verplichtingen te
repliceren. Hiervoor worden de volgende instrumenten ingezet:
• Staatsleningen
• Bedrijfsobligaties
• Hypotheken
• Swaps
In tijden van crisis is het rente- en inflatierisico relatief snel aan te passen
middels staatsleningen en renteswaps.
Krediet/spread risico
Het kredietrisico manifesteert zich in de volgende beleggingscategorieën:
1. Staatsleningen
2. Credits/Bedrijfsobligaties en hypotheken
3. Hoogrentende obligaties
Adl. Staatsleningen
Voor de staatsleningen is een stringent landenbeleid geformuleerd waardoor
tijdig afscheid wordt genomen wanneer het kredietrisico van een specifiek land
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 85
te veel oploopt. Dit beleid heeft zich het afgelopen jaar bewezen. Het
kredietrisico op staatsleningen is hierdoor beperkt. Echter, door de grote positie
in staatsleningen heeft een beperkte stijging van de spread al een impact op de
dekkingsgraad. Een stijging van 25 basispunten in spread ten opzichte van de
swapcurve, staat gelijk aan 1% dekkingsgraad. Het bestuur monitort ook de
omvang van de uitstaande staatsschuld en het begrotingstekort, waar nodig wordt
de exposure-omvang beperkt.
Ad2. Credits en hypotheken
De positie in credits en hypotiieken bedraagt 16,4% van de portefeuille. Hiervan
komt 70% uit credits en het overige deel uit hypotheken. De positie in
hypotheken is illiquide en daardoor zeer moeilijk verhandelbaar. In geval van
een crisis in hypotheken, zal de portefeuille hier hinder van ondervinden. Dit
risico is niet te mitigeren op dit moment. De positie in credits is relatief Üquide,
waardoor bij een dreigende escalatie het mogelijk is deze positie voor een deel af
te bouwen.
Ad3. Hoogrentende obligaties
De positie in Hoogrentende obligaties bestaat uit bedrijfsobligaties en obligaties
van 'emerging markets'. Deze beleggingscategorieën zitten bevmst in de
portefeuille vanwege de vergoeding op het kredietrisico. De obligaties zijn
relatief liquide in normale marktomstandigheden, maar de liquiditeit droogt snel
op in tijden van spanning. Een afbouw in geval van calamiteiten zal zich
daardoor beperken tot een relatief klein deel van het vermogen. Het totale
gewicht in Hoogrentende obligaties bedraagt 7,5% per ultimo 2012.
Procedure
Daar iedere crisissituatie specifieke kenmerken heeft, is het vooraf niet mogelijk
de actie te definiëren. Echter, een crisissituatie heeft altijd befrekking op
bovengenoemde factoren. In deze paragraaf is besproken welke risicofactoren
redelijkerwijs zijn te beïnvloeden en welke instmmenten hiervoor beschikbaar
zijn. In geval van een crisissituatie, zijn de volgende stappen te bepalen ten
aanzien van het beleggingsbeleid:
1. Bepaal wanneer sprake is van een crisissituatie (zie paragrafen hiervoor)
2. Bepaal welkerisicofactorenleidend zijn in deze specifieke situatie
3. Bepaal mogelijkheden omrisicofactorente beïnvloeden
4. Besluitvorming implementatie
4. Mate inzetbaarheid van de maatregelen
Op grond van artikel 10 lid 3 van het pensioenreglement A is het mogelijk de
pensioenopbouw in een jaar te verlagen indien de premie niet toereikend is. Dit
is een beslissing die het bestuur zelfstandig kan nemen.
De mogelijkheid tot het korten van pensioenaanspraken en pensioenrechten is
opgenomen in artikel 10 lid 4 van het pensioenreglement A. Ook dit is een
beslissing die het bestuur zelfstandig kan nemen.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 86
5. Indicatie financiële effect van de maatregelen
Het toepassen van de gesplitste kortingsregeling, door het verlagen van de
pensioenopbouw voorzover de premie niet kostendekkend is, draagt niet direct
bij aan herstel van de dekkingsgraad, maar zorgt ervoor dat de dekkingsgraad
niet verder wegzakt door de inkoop van nieuwe pensioenaanspraken.
Een uniforme korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten van 1% voor
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden betekent bij een
dekkingsgraad van 100% een stijging van de dekkingsgraad met circa 1%.
Uitgaande van een dekkingsgraad van 97,4% en een uniforme korting van de
pensioenaanspraken en pensioenrechten van 5% voor alle groepen kan het
pensioenfonds (bij een rekenrente van 2,5% en een verwacht meerrendement van
1,0%) naar verwachting birmen de wettelijk gestelde termijnen herstellen naar
het Minimaal Vereist Vennogen.
6. Evenwichtige belangenajweging
Het bestuur maakt voor wat befreft de korting van pensioenaanspraken en
pensioenrechten geen onderscheid tussen de verschillende groepen. Naar de
mening van het bestuur is dit een evenwichtige verdeling van de lasten.
Het bestuur realiseert zich dat pensioengerechtigden geen verdiencapaciteit meer
hebben en hierdoor in eerste instantie zwaarder getroffen lijken dan de
deelnemere en gewezen deelnemers. Het uitsluiten of beperken van korting voor
pensioengerechtigden zou echter een te zwaar beslag leggen op de solidariteit.
Bovendien heeft een (belangrijk) deel van de gepensioneerden een pensioen op
basis van een gemitigeerde eindloonregeling kunnen opbouwen, terwijl thans
voor actieven een voorwaardelijk geïndexeerde middellooru-egeling van
toepassing is.
7. Communicatie met belanghebbenden
In deze paragraaf beschrijft het pensioenfonds de communicatie over het
financieel crisisplan en de communicatie wanneer zich een crisis voldoet.
De in de Pensioenwet opgenomen uitgangspunten duidelijkheid, begrijpelijkheid
en tijdigheid vormen de basis voor de communicatie die voortvloeit uit dit
financiële crisisplan.
In onderetaande tabel staat weergegeven hoe het pensioenfonds zal
communiceren over het crisisplan en in de verschillende stadia van een crisis.
Communicatiefase
Fase 1: Communicatie
over het crisisplan
Moment van
communiceren
Na vaststellen
crisisplan, binnen
een maand
ABTN BPF Koopvaardij 2013
Hoofdboodschap
Doelgroep
Kanalen/ middelen
-Bestaan en doel
van crisisplan
-Inhoud op
-Actieve deelnemers
-Gewezen deelnemers
-Pensioengerechtigden
-PensioenKompas
-Website
-Werkgeversnieuwsbrie
pag. 87
hoofdlijnen
Fase 2:
Aanvang crisissituatie
Binnen 1 maand na
aanvang crisis
Fase 3:
Bestuursbesluit(en)
over maatregelen
Binnen 3 weken na
besluit bestuur
Fase 4:
Ongedaan maken
maatregelen
Binnen 2 weken na
besluit bestuur
-Verslechtering
financiële situatie
fonds
-Mogelijke
maatregelen
inclusief gevolgen
-Impact en afweging
maatregelen
-Belangenafweging
-Financiële situatie
-Maatregel(en) die
genomen worden
-Gevolgen van de
maatregelen voor
de deelnemer
-Evenwichtige
verdeling en
belangenbehartiging
-Verwachtingen
-Verbetering
financiële situatie
-Maatregelen
(gedeeltelijk)
ongedaan gemaakt
-Gevolgen van het
ongedaan maken
van de maatregelen
voor de deelnemer
-Evenwichtige
verdeling en
belangenbehartiging
-Werkgevers
-Sociale partners
-Overige organen
-Toezichthouders
idem
-Brief aan
belanghebbenden
-Website
-Werkgeversnieuwsbrie
-Mondeling aan
toezichthouders en
overige organen
idem
idem
Idem
idem
In het geval van een crisis zal het bestuur met de toezichthouder communiceren
op de daarvoor voorgeschreven wijze en met inachtneming van de daarvoor
voorgeschreven termijnen.
Aan alle actieve deelnemers en pensioengerechtigden zal in aanvulling op al
eerder gedane maandelijkse mededelingen over de financiële situatie van het
pensioenfonds op de website middels een brief worden gecommuniceerd dat van
een crisis sprake is en dat maatregelen moeten worden genomen. Er zal tevens
worden aangegeven welke maatregelen dat zullen zijn en per welke datum ze
zullen worden toegepast.
Beleid ongedaan maken crisismaatregelen
Wanneer de dekkingsgraad het niveau van 135% heeft overschreden zal de
toegepaste korting van de pensioenaanspraken (gedeeltelijk) ongedaan worden
gemaakt. Bij het ongedaan maken van de toegepaste korting van de
pensioenaanspraken zal ervoor worden gezorgd dat de dekkingsgraad het niveau
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag. 88
van 135% niet zal onderschrijden. Er wordt maximaal éénmaal per jaar
gecompenseerd. Het bestuur stelt op het moment van het compenseren van de
toegepaste korting het te compenseren percentage van de aanspraken en rechten
vast. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks over het al dan niet compenseren van
de toegepaste korting.
8. Besluitvormingsproces
ln het geval van een crisissituatie zal het bestuur handelen conform de wettelijk
gestelde termijnen voor een kortetermijnherstelplan en op basis van het gestelde
in dit crisisplan. Besluiten kunnen door het bestuur worden genomen conform
artikel 12 van de statuten.
Het dagelijks beleid van het pensioenfonds wordt intensief beoordeeld door de
eerste aanspreekpunten van de verschillende aandachtsgebieden in
samenwerking met het dagelijks bestuur. De eerete aanspreekpunten zijn daarom
bij uitstek in de positie om tijdig een dreigende crisissituatie te signaleren.
Omdat het bestuur zeerfrequentvergadert, kunnen de portefeuillehoudere met
het dagelijks bestuur als crisisteam opfreden, met verantwoording aan het
voltallige bestuur.
9. Beoordeling actualiteit
Het bestuur zal het crisisplan opnemen als vast agendapunt bij de periodieke
toetsing van de ABTN. Bij continuïteitsanalyses en ALM-studies zal onderdeel 2
van dit crisisplan van nieuwe informatie worden voorzien.
ABTN BPF Koopvaardij 2013
pag.