Voorbeeld toets Blok 1

Grondslagen van de Chemie – Blok 1
Voorbeelden van mogelijke opgaven voor de eerste tussentoets
1. De elektronenconfiguratie van het Cr3+ - ion is:
A. [Ar] 4s2 3d1
B. [Ar] 3d3
C. [Ar] 4s1 3d5
D. [Ar] 4s1 3d2
2. Welke van de volgende ionen heeft de grootste ionstraal:
+
A. Na
2+
B. Mg
C. F
2D. O
3. Het aantal lone-pair elektronen paren op het centrale atoom (S) in de verbinding in de
verbinding SF4 is:
A. 0
B. 1
C. 2
D. Er zijn te weinig gegevens om een uitspraak te doen over het aantal lone-pairs.
4. Het formele aantal bindingen (de bond-order) in een M.O.-model van twee-atomig CN
bedraagt:
A. 1
B. 2
C. 2,5
D. 3
5. Beschouw het LCAO-MO model (“Linear Combination of Atomic Orbitals to Molecular
Orbitals”) Een non-bonding orbital is:
A. De orbital die, indien bezet met elektronen, de (bindings) energie van het molecuul niet
verlaagd of verhoogd
B. De eerste lege orbital in het molecuul; d.w.z. de lege orbital met de laagste energie
C. De orbital, die enkelvoudig ontaard is
D. De orbital, die ontstaat door lineaire combinatie van atomic orbitals, welke loodrecht op de
bindingsas van het molecuul staan
6. Welke van de volgende uitspraak is juist voor het als regelmatig omhuld te beschouwen
complex K2[W(OH)Cl5]. Gegeven is dat  = 2,2  (= Bohr-magneton).
A. Er is sprake van hoogspin-configuratie
B. Er is sprake van laagspin-configuratie
C. De aanduiding hoog- resp. laagspin heeft bij dit complex geen zin
D. Er zijn onvoldoende gegevens voor beslissing over A, B of C.
Vraag 7
Geef van de volgende ionen en atomen:
- de elektronen configuratie; en:
- het aantal ongepaarde elektronen
Dit alles voor de “grondtoestand” en in een “bol-symmetrisch veld”
a) Cr
b) Ti3+
c) Os5+
Vraag 8
Teken de Lewis (dot) structuur van de volgende verbindingen/ionen.
Schets tevens de ruimtelijke structuur (VSEPR) van deze verbindingen. Geef daarbij ook de
(eventuele) lone pairs aan.
Leg uit hoe je aan deze structuren bent gekomen!
a. SeO32b. PO43Wat is (ongeveer) de bindingshoek O-Se-O, resp. O-P-O?
Vraag 9
a) Teken het M.O. schema (uitgaande van de Atomic Orbitals) van zowel N2 als van het O2
molecuul. Plaats de elektronen in de orbitalen uitgaande van de grondtoestand van deze
moleculen. Geef tevens de symmetrie van de Molecular Orbitals aan.
Maak hier alleen gebruik van een lineaire combinatie van de p-orbitalen
(Je hoeft dus GEEN rekening te houden met “orbital-mixing”)
We vergelijken nu het O2 molecuul en het waterstof peroxide (H2O2) molecuul.
De chemische bindingen in waterstof peroxide kunnen we beschouwen als een binding tussen
+
2een O2 - molecuul en twee H - ionen.
b) Bij welke van deze verbindingen (O2 en H2O2) is de O-O binding het sterkst? Verklaar!
c) In vloeibare vorm wordt een van deze twee verbindingen aangetrokken door een sterke
magneet. Welke verbinding is dit? Verklaar! Hoe noemt men deze vorm van magnetisme?
Vraag 10 (13 punten)
We gaan uit van de verbinding [Cr(ox)2NH3X]2-. Hierbij is X- een halogeen ion en ox is het oxalaat,
dat een tweetandig ligand is (twee-waardig negatief geladen).
a. Geef de lading en de elektronenconfiguratie van het chroom-ion in dit complex.
b. Maak een schets van de energie niveaus voor de valentie elektronen van het chroom-ion,
waarbij aangenomen aangenomen mag worden dat de liganden identiek aan het centraal ion
zijn gebonden. Plaats de valen
Plaats de valentie elektronen in dit niveau schema
c. Hoe noemt men een dergelijke omringining