Sprokkels - Headline, oktober 2014

Nieuws van het waarborgfonds
Sprokkels
Herbeoordelingen
Begin dit jaar is per mail aan de WFZ-deelnemers
gemeld dat de ‘traditionele’ bevestigingsbrief, die jaarlijks werd verzonden in het kader van de herbeoordeling met daarin de mededeling dat aan de WFZ-deelnamecriteria werd voldaan, voortaan achterwege zal
blijven. Aangezien er toch nog enkele vragen bij het
WFZ binnengekomen zijn van deelnemers in de trant
van ‘waar blijft onze brief?’, wil ik dit besluit hier kort
toelichten.
Herman Bellers,
directeur WFZ
24
Enkele jaren geleden was het voldoen aan de deelnamecriteria van doorslaggevende betekenis in het kader
van garantieverlening. Hierbij was bepalend of de
organisatie zijn zaken goed op orde had. Was dit zo,
dan kon vervolgens een bouwvergunning zonder meer
door het WFZ worden gehonoreerd met een garantie.
Inmiddels is de wereld ingrijpend veranderd. Om voor
garantie in aanmerking te komen wordt niet louter
gekeken naar de organisatie als zodanig, maar is een
degelijke onderbouwing van het investeringsplan van
doorslaggevende betekenis. Nut en noodzaak, haalbaarheid en betaalbaarheid van de investering moeten
overtuigend worden aangetoond. En tenslotte wordt
nog gekeken naar het financieringsarrangement in
brede zin (waaronder rente- en herfinancieringsrisico’s, aanwezigheid van eventuele derivaten, verhouding geborgd-ongeborgd, enzovoorts). Dat de organisatie (nauwkeuriger gezegd: de juridische entiteit die
als deelnemers bij het WFZ staat ingeschreven) voldoet aan minimale eisen van kredietwaardigheid is
dus nog steeds van belang, maar is sec niet meer vol-
oktober 2014
doende om voor garantie in aanmerking te komen.
Het separaat bevestigen dat ‘uw organisatie voldoet
aan de deelnamecriteria van het WFZ’ heeft hierdoor
zijn oorspronkelijke betekenis verloren. Om deze reden laat het WFZ dit voortaan dan ook achterwege.
Wat gebeurt er wel? Het WFZ maakt, na ontvangst
van de herbeoordelingsstukken, intern een rangschikking van alle deelnemers, op basis van een lijst
met aandachtspunten. De deelnemers waarbij sprake
lijkt te zijn van risicovolle ontwikkelingen worden
(begrijpelijk) als eerste nader onder de loep genomen
en bezocht voor overleg. De uiteindelijke bevindingen van het WFZ - wel of niet positief - worden na
dit overleg schriftelijk bevestigd. Dit betekent dat de
WFZ-deelnemers waar op het eerste gezicht geen
sprake is van risicovolle ontwikkelingen, later in de
tijd aan de beurt komen voor diepgaande beoordeling
en gesprek. Deze deelnemers ontvangen in de tussenliggende periode geen bericht. (Echter, mocht er
om welke reden dan ook bij een deelnemer behoefte
bestaan aan een schriftelijke bevestiging van ‘hoe
kijkt het WFZ naar onze organisatie’ dan kan dat natuurlijk op elk gewenst moment.)
Renteherziening bij geborgde leningen
Een ander punt dat ik onder de aandacht wil brengen
is de renteherziening op lopende leningen onder
WFZ-garantie. Ik moet op basis van wat ik op mijn
bureau langs zie komen helaas constateren dat sommige instellingen hier nog altijd te weinig alertheid tonen. Een tamelijk willekeurig voorbeeld: twee WFZ-
deelnemers krijgen te maken met een renteherziening
per 1 juli op een 20-jarige geborgde lening, beide voor
een volgende periode van 10 jaar. De een betaalt (bij
een sectorbank) 1,68% de ander (bij een commerciële
bank) 2,9%. We hebben het hierbij dus over een aanzienlijke besparingsmogelijkheid die niet wordt benut.
Dit lijkt mij zeker in deze tijd nauwelijks nog te verantwoorden. Kortom, breng - voor zover dit nog geen
gemeengoed is - de bestaande leningenportefeuille
goed in kaart en bewaak deze proactief. Hierbij hoort
dus ook het tijdig signaleren van renteherzieningsmomenten en het opnieuw opvragen van prijzen bij verschillende geldgevers.
Fusie
Tenslotte nog een opmerking over fusies tussen WFZdeelnemers en niet-deelnemers. Hierbij kunnen twee
aspecten relevant zijn. De eerste is de kredietwaardigheid van de fusie-organisatie die tot stand gaat komen. Treedt hier een zodanige verslechtering op dat
dit als een reëel risico moet worden beschouwd voor
de overige deelnemers aan het WFZ, dan kan het
WFZ zijn medewerking aan de beoogde fusie onthouden. Een tweede aspect dat relevant kan zijn is
het activiteitenprofiel van de fusie-organisatie. In de
WFZ-statuten is vastgelegd dat het merendeel (mini-
maal twee derde) van de activiteiten van een organisatie op het werkterrein van het WFZ moet liggen
om als deelnemer te kwalificeren. Dit betekent dat
een WFZ-deelnemer die wil fuseren met een organisatie die vanuit de WMO of jeugdzorg gefinancierd
wordt, hierdoor over de 1/3-2/3 grens zou kunnen
schuiven, aangezien deze activiteiten buiten het
werkterrein van het WFZ vallen. Ik wil benadrukken
dat het overschrijden van deze formele deelnamegrens voor het WFZ in het specifieke geval van WMO
of jeugdzorg niet een reden als zodanig is om een fusie te blokkeren. Immers, er zijn ook WFZ-deelnemers die door de stelselwijzigingen ‘ongevraagd’ te
maken krijgen met een vergelijkbare ingrijpende verschuiving van hun activiteiten buiten de wettelijke
zorgverzekering. De toetsing op de kredietwaardigheid van de fusie-organisatie blijft vanzelfsprekend
wel van kracht als basis voor instemming van het
WFZ. Los van de vraag of het aandeel van de omzet
uit (zorg-) activiteiten buiten de zorgverzekering
‘van bovenaf’ of door eigen besluitvorming toeneemt
tot meer dan een derde, is de consequentie dat toekomstige garantieverlening aan de desbetreffende
deelnemer hierdoor niet langer tot de mogelijkheden
behoort. Bij fusiebeslissingen is dit een punt van
aandacht om in de afwegingen mee te nemen.
oktober 2014
25