Bekijk online - Universiteit Gent

 Academiejaar 2013 – 2014
Tweedesemesterexamenperiode
Need satisfaction binnen partnerrelaties
De relatie tussen behoeften, conflict en relationele tevredenheid
Masterproef II neergelegd tot het behalen van de graad van
Master of Science in de Psychologie, afstudeerrichting Klinische Psychologie
Promotor: Lesley Verhofstadt
01006149
Elchje Minne
Abstract
Binnen deze scriptie werden de onderlinge associaties tussen behoeftebevrediging,
behoeftefrustratie, conflict en relationele tevredenheid binnen partnerrelaties onderzocht
binnen het perspectief van de Zelfdeterminatie theorie. In eerste instantie werd het verband
tussen behoeften en relationele tevredenheid nagegaan binnen deze studie. Vervolgens werd
het verband tussen behoeften en relationeel conflict onderzocht. Uiteindelijk werd de
associatie tussen conflict en relationele tevredenheid bestudeerd. Bij de behoeften werd
telkens een onderscheid gemaakt tussen bevrediging en frustratie van de behoefte aan
autonomie, competentie en verbondenheid. Bij relationeel conflict werd daarnaast
gedifferentieerd tussen conflictfrequentie, communicatiepatronen binnen conflict en
conflicttopics. De steekproef (N = 408) omvat individuen tussen 17 en 77 jaar die zich in een
vaste partnerrelatie bevinden. De deelnemers werden bevraagd door middel van een
zelfrapportage-onderzoek omtrent verschillende aspecten van partnerrelaties. Uit de resultaten
kwam vooreerst een positieve associatie naar voor tussen behoeftebevrediging en relationele
tevredenheid en een negatieve associatie tussen behoeftefrustratie en relationele tevredenheid.
Daarnaast toonden de resultaten aan dat tussen behoeftebevrediging en conflictfrequentie en
tussen behoeftefrustratie en conflictfrequentie respectievelijk een negatief en positief verband
aanwezig
is.
Vervolgens
kwam
evidentie
voor
een
positieve
associatie
tussen
behoeftebevrediging en de hantering van functionele communicatiepatronen naar voor.
Tevens werd een positieve relatie aangetoond tussen behoeftefrustratie en beide
disfunctionele communicatiepatronen. Verder werd een negatief verband gevonden tussen
behoeftebevrediging en conflicttopics, terwijl behoeftefrustratie en conflicttopics positief
geassocieerd bleken. Tot slot werd de associatie tussen relationeel conflict en relationele
tevredenheid bestudeerd. Voor de drie onderzochte aspecten van conflict, namelijk
conflictfrequentie, disfunctionele communicatiepatronen en conflicttopics, werd een negatief
verband met relationele tevredenheid aangetoond. Ter afsluiting werden de theoretische en
praktische implicaties van deze bevindingen behandeld.
Inhoudsopgave
Inleiding _______________________________________________________________ 1
Behoeften Binnen de Zelfdeterminatie Theorie _______________________________ 2
Relationeel Conflict_____________________________________________________ 5
Frequentie. __________________________________________________________ 5
Communicatiepatronen (demand-withdraw). _______________________________ 5
Topics. _____________________________________________________________ 7
Relationele Tevredenheid ________________________________________________ 7
Specifieke Situering van de Onderlinge Relaties Tussen Behoeften en Relationele
Uitkomsten____________________________________________________________ 9
Behoeftebevrediging/frustratie en relationele tevredenheid. ____________________ 9
Behoeftebevrediging en relationeel conflict. _______________________________ 10
Relationeel conflict en relationele tevredenheid.____________________________ 12
Huidige Studie ________________________________________________________ 15
Methode_______________________________________________________________ 18
Deelnemers __________________________________________________________ 18
Meetinstrumenten _____________________________________________________ 19
Behoeftebevrediging / behoeftefrustratie. _________________________________ 19
Relationele tevredenheid.______________________________________________ 20
Conflictfrequentie. ___________________________________________________ 20
Conflictueuze communicatiepatronen. ___________________________________ 20
Conflictonderwerpen._________________________________________________ 21
Procedure ____________________________________________________________ 21
Resultaten _____________________________________________________________ 23
Overzicht van de analyses _______________________________________________ 23
Beschrijvende statistiek _________________________________________________ 23
Gemiddelden en standaarddeviaties. _____________________________________ 23
Correlationele analyses. _______________________________________________ 24
Verklarende statistiek: Toetsing van de hypothesen en onderzoeksvragen _________ 27
Het verband tussen behoeften en relationele tevredenheid.____________________ 27
Het verband tussen behoeftebevrediging en relationele tevredenheid. ___________ 27
Het verband tussen behoeftefrustratie en relationele tevredenheid. _____________ 28
Het verband tussen behoeften en conflict. _________________________________ 29
Het verband tussen behoeftebevrediging en conflictfrequentie. ________________ 29
Het verband tussen behoeftefrustratie en conflictfrequentie. __________________ 30
Het verband tussen behoeftebevrediging en functionele communicatiepatronen.___ 31
Het verband tussen behoeftefrustratie en disfunctionele communicatiepatronen. __ 32
Het verband tussen behoeftebevrediging en conflicttopics.____________________ 37
Het verband tussen behoeftefrustratie en conflicttopics.______________________ 41
Het verband tussen conflict en relationele tevredenheid. _____________________ 45
Het verband tussen conflictfrequentie en relationele tevredenheid. _____________ 45
Het verband tussen disfunctionele communicatiepatronen en relationele tevredenheid.46
Het verband tussen conflicttopics en relationele tevredenheid _________________ 46
Discussie ______________________________________________________________ 48
Bespreking van de onderzoeksresultaten____________________________________ 48
Het verband tussen behoeften en relationele tevredenheid.____________________ 49
Het verband tussen behoeften en conflict. _________________________________ 50
Het verband tussen conflict en relationele tevredenheid. _____________________ 55
Sterktes, beperkingen en indicaties voor toekomstig onderzoek__________________ 57
Theoretische en praktische implicaties _____________________________________ 59
Algemene conclusie____________________________________________________ 60
Bijlagen _______________________________________________________________ 62
Referentielijst __________________________________________________________ 64
Lijst met Tabellen
Tabel 1.
Gemiddelden en standaarddeviaties van de studievariabelen
behoeftebevrediging, behoeftefrustratie, relationele tevredenheid,
conflictfrequentie, functionele en disfunctionele communicatiepatronen__30
Tabel 2.
Pearson correlaties tussen de studievariabelen behoeftebevrediging,
behoeftefrustratie, relationele tevredenheid, conflictfrequentie, functionele en
disfunctionele communicatiepatronen__________________________ 32
Tabel 3.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyses: bijdrage van
behoeftebevrediging tot de predictie van relationele tevredenheid_______33
Tabel 4.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyses: bijdrage van
behoeftefrustratie tot de predictie van relationele tevredenheid_________ 34
Tabel 5.
Resultaten univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftebevrediging tot
de predictie van conflictfrequentie_____________________________35
Tabel 6.
Resultaten univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftefrustratie tot de
predictie van conflictfrequentie_______________________________ 36
Tabel 7.
Resultaten univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftebevrediging tot
de predictie van functionele communicatiepatronen_______________ 37
Tabel 8a.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van behoeftefrustratie tot de
predictie van disfunctionele communicatiepatronen________________38
Tabel 8b.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van frustratie van de
behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid tot de predictie van
disfunctionele communicatiepatronen_____________________________40
Tabel 9a.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van behoeftebevrediging tot
de predictie van conflicttopics________________________________ 43
Tabel 9b.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van bevrediging van de
behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid tot de predictie van
conflicttopics________________________________________________ 45
Tabel 10a.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van behoeftefrustratie tot de
predictie van conflicttopics___________________________________46
Tabel 10b.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van frustratie van de
behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid tot de predictie van
conflicttopics________________________________________________ 49
Tabel 11.
Resultaten univariate regressie-analyse: bijdrage van conflictfrequentie tot de
predictie van relationele tevredenheid__________________________ 50
Tabel 12.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyse: bijdrage van
disfunctionele communicatiepatronen tot de predictie van relationele
tevredenheid_________________________________________________51
Tabel 13.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyse: bijdrage van
conflicttopics tot de predictie van relationele tevredenheid____________ 52
Inleiding
De studie van hechte relaties vertegenwoordigt een fundamenteel onderdeel van de
psychologie. Toch is de kennis zich binnen dit vakgebied pas de laatste 30 jaren echt
beginnen ontwikkelen (Fletcher, 2002; Kelley et al., 1983; Reis, Collins, &
Berscheid, 2000). Behoeftebevrediging is een cruciaal begrip binnen onderzoek omtrent
partnerrelaties. Behoeften hebben immers belangrijke implicaties voor partners en hun relatie.
Zo blijkt er een sterk positief verband te bestaan tussen behoeftebevrediging en individueel
welzijn (Deci & Ryan, 2000; Reis, Sheldon, Gable, Roscoe, & Ryan, 2000; Sheldon, Ryan, &
Reis, 1996). Dit uit zich onder meer in een hoger gevoel van eigenwaarde en een verhoogde
vitaliteit (Patrick, Knee, Canevello, & Lonsbary, 2007). Le en Agnew (2001) vonden
daarnaast een positieve associatie tussen het bevredigen van de relationele behoeften en
emotionele ervaringen. Een veilige hechting blijkt ook positief gerelateerd aan het vervuld
worden van de behoeften (La Guardia, Ryan, Couchman, & Deci, 2000; Patrick et al., 2007).
Behoeftebevrediging voorspelt niet enkel het individuele, maar ook het relationele welzijn. Zo
blijkt behoeftebevrediging een hogere tevredenheid en toewijding binnen de relatie en dus een
betere relatiekwaliteit met zich mee te brengen (Patrick et al., 2007; Sheldon et al., 1996). La
Guardia & Patrick (2008) vonden tevens een aantal positieve relationele uitkomsten met
betrekking tot relationeel conflict. Ook relationele intimiteit blijkt tenslotte positief verbonden
aan behoeftebevrediging (Prager & Buhrmester, 1998).
In de bestaande literatuur wordt bij de bespreking van deze concepten en verbanden
voornamelijk toegespitst op adolescenten (Carbery & Buhrmester, 1998; Véronneau, Koestner
& Abela, 2005) en gehuwde koppels (Bohlander, 1999; Christensen & Heavey, 1990;
Gottman & Krokoff, 1989; Patrick, Sells, Giordano, & Tollerud, 2007; Prager & Buhrmester,
1998). Het doel van de huidige studie is het onderzoeken van behoeftebevrediging en
gerelateerde concepten binnen partnerrelaties, waar ook gehuwde koppels een onderdeel van
uitmaken. Hierbij hanteren we de Zelfdeterminatie theorie (“Self-determination theory,” n.d.),
meer specifiek de deeltheorie omtrent de psychologische basisnoden, als theoretisch kader.
Een belangrijk voordeel van de Zelfdeterminatie theorie is dat het een kader biedt waarbinnen
zowel de persoonlijkheid van het individu, als de context begrepen kunnen worden. Dit in
tegenstelling tot veel relationeel onderzoek dat enkel focust op ofwel persoonlijkheidsfactoren,
ofwel situationele factoren (La Guardia & Patrick, 2008).
1 Behoeften Binnen de Zelfdeterminatie Theorie
De Zelfdeterminatie theorie, een model omtrent motivatie en persoonlijkheid, bestaat uit vijf
deeltheorieën. De “Cognitieve evaluatie theorie” beschrijft de intrinsieke motivatie, terwijl de
“Organismische integratie theorie” de extrinsieke motivatie behandelt. De “Causaliteit
oriëntatie theorie” omschrijft de individuele verschillen in de neigingen die mensen hebben
om zich naar omgevingen te oriënteren en hun gedrag op verschillende wijzen te reguleren.
De “Psychologische basisnoden theorie” werkt het concept van de psychologische noden en
de link met psychologische gezondheid en welzijn uit. Ten slotte is er de “Doel inhouden
theorie”, die gegroeid is uit het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke doelen en hun
invloed op motivatie en welzijn (“Self-determination theory,” n.d.). In de toepassing van ZDT
op partnerrelaties, worden voornamelijk twee aspecten belicht. Enerzijds wordt ingegaan op
de psychologische basisnoden en hoe de vervulling hiervan ondersteund dan wel ondermijnd
kan worden door de partner. Anderzijds wordt het concept motivatie binnen relaties
uitgewerkt (La Guardia & Patrick, 2008). Binnen deze scriptie wordt enkel ingegaan op de
vervulling en ondermijning van de psychologische basisnoden.
De Zelfdeterminatie theorie schuift drie essentiële psychologische noden naar voor die aan de
basis liggen van de ontwikkeling, namelijk de behoefte aan autonomie, de behoefte aan
competentie en de behoefte aan verbondenheid (Deci & Ryan, 2000; Ryan & Deci, 2000a,b).
Autonomie betekent letterlijk “zelfbestuur” en staat voor zelfinitiatie, wilskracht, en het
gevoel de eigen gedragingen te sturen (deCharms, 1968; Deci, 1975; Patrick et al., 2007). Het
bevredigen van de behoefte aan autonomie houdt in dat de partner de interesses, voorkeuren
en perspectieven van het individu tracht te begrijpen (La Guardia & Patrick, 2008). Het
tegenovergestelde wordt heteronomie genoemd, en houdt in dat men het eigen gedrag niet zelf
bepaalt, maar zich hier gedwongen of gecontroleerd in voelt (La Guardia & Patrick, 2008).
Een belangrijk onderscheid dat gemaakt moet worden, is dat tussen autonomie enerzijds en
onafhankelijkheid en onthechting anderzijds. Deze concepten vallen allesbehalve samen
(Patrick et al., 2007). De vervulling van de behoefte aan autonomie sluit verbondenheid met
anderen niet uit; meer nog, autonomie is positief geassocieerd met verbondenheid en welzijn
(Ryan & Lynch, 1989). Personen die meer autonoom functioneren hebben vaker positieve
sociale ervaringen, zo blijkt uit onderzoek van Hodgins, Koestner en Duncan (1996).
Competentie verwijst naar het zich bekwaam voelen in de handelingen die men stelt en het
zich in staat voelen om gewenste uitkomsten te bereiken (Patrick et al., 2007; White, 1959).
2 Een partner die deze behoefte bevredigt, heeft duidelijke, consistente en redelijke
verwachtingen ten aanzien van het individu (La Guardia & Patrick, 2008). Verbondenheid
verwijst tenslotte naar de behoefte om ergens bij te horen, om zich verbonden te voelen met
en begrepen te voelen door anderen. Het betreft de neiging om gericht te zijn op het vormen
van sterke en stabiele interpersoonlijke bindingen (Baumeister & Leary, 1995; Ryan & Deci,
2000a; Patrick et al., 2007). Deze behoefte wordt bevredigd wanneer de partner zich
betrokken en geïnteresseerd opstelt, laat blijken dat het individu belangrijk voor hem/haar is
en het gevoel van onvoorwaardelijke liefde overbrengt (La Guardia & Patrick, 2008).
De vervulling van deze basisnoden is een noodzakelijke vereiste voor het ervaren van
psychologisch welzijn en een gezond functioneren (Deci & Ryan, 2000). De Zelfdeterminatie
theorie beschrijft de psychologische noden als “bouwstenen die essentieel zijn voor
aanhoudende psychologische groei, integriteit en welzijn” (Deci & Ryan, 2000, p. 229).
Volgens de Zelfdeterminatie theorie
is de vervulling van de behoefte aan autonomie,
competentie en verbondenheid essentieel voor het welzijn en heeft de mate waarin men de
behoeften belangrijk acht of de mate waarin men verlangt naar de vervulling ervan geen
invloed op dit verband (Chirkov, Ryan, Kim, & Kaplan, 2003; Deci & Ryan, 2000). Zelfs
personen die geen verlangen uiten omtrent de bevrediging van de drie psychologische
basisnoden halen voordeel uit de bevrediging van deze behoeften (Chen, Vansteenkiste, &
Byers, 2012). Samen met deze bevindingen ontwikkelt zich een toenemende hoeveelheid
evidentie voor de universaliteit van het positieve verband tussen bevrediging van de
psychologische basisnoden en psychologisch welzijn (Ahmad, Vansteenkiste, & Soenens, in
press; Jang, Reeve, & Ryan, 2009; Sheldon, Cheng, & Hilpert, 2011; Vansteenkiste, Lens,
Soenens, & Luyckx, 2006).
Wanneer men daarentegen belemmerd wordt in het vervullen van deze behoeften, door
een partner die zich overdreven controlerend opstelt, een partner die onredelijke
verwachtingen heeft ten opzichte van het individu of de relatie, en/of een partner die zich
verwerpend opstelt, zal dit verschillende nefaste gevolgen met zich mee brengen (Ryan &
Deci, 2000a,b, 2001). Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen een lage mate van
behoeftebevrediging en behoeftefrustratie. Een lage behoeftebevrediging omvat een meer
passieve en onverschillige houding van de omgeving ten aanzien van de noden.
Behoeftefrustratie wordt ervaren wanneer de bevrediging van de psychologische basisnoden
actief tegengewerkt wordt door de omgeving (Ryan & Vansteenkiste, n.d.). Frustratie van de
behoefte aan autonomie leidt tot het zich gecontroleerd voelen door een extern afgedwongen
of een zelf opgelegde druk (deCharms, 1968; Deci & Ryan, 1985). Competentiefrustratie
3 brengt gevoelens van falen en twijfels omtrent de eigen capaciteiten met zich mee. Frustratie
van de behoefte aan verbondenheid houdt tenslotte de ervaring van relationele spanningen en
eenzaamheid in (Chen et al., 2012). Hoewel een gebrek aan behoeftebevrediging wel degelijk
een negatieve impact heeft op de verdere ontwikkeling en het welzijn van het individu, wordt
dit proces van achteruitgang echter sterk versneld wanneer de behoeften actief gefrustreerd
worden. Het is vooral behoeftefrustratie die een sterk schadelijke en pathogene invloed met
zich meebrengt (Bartholomew, Ntoumanis, Ryan, Bosch, & Thogersen-Ntoumani, 2011;
Ryan & Vansteenkiste, n.d.). Men functioneert minder optimaal, wordt vaker geconfronteerd
met ziekte en wordt gevoeliger voor passiviteit en defensiviteit. Ook agressie en bepaalde
vormen van psychopathologie kunnen begrepen worden in termen van belemmering van de
psychologische basisbehoeften (Deci & Vansteenkiste, 2004; Ryan & Deci, 2000a; Ryan &
Vansteenkiste, n.d.; “Self-determination theory,” n.d.). De sociale context bepaalt dus of deze
noden vervuld, dan wel gefrustreerd worden, en beïnvloedt daarmee zowel het persoonlijk
welzijn en functioneren, als de dynamische werking binnen partnerrelaties (Ryan & Deci,
2000b; Ryan, Deci, Grolnick, & La Guardia, 2006; La Guardia & Patrick, 2008).
Een relevant concept voor de behoeftebevrediging binnen partnerrelaties is “partner
responsiviteit”. Dit begrip werd geïntroduceerd door Reis, Clark, en Holmes (2004) en wordt
omschreven als een proces waardoor men ervan uitgaat dat hun partner een aandachtige en
steunende houding aanneemt ten aanzien van hun persoon, met meer intimiteit tot gevolg.
Partner responsiviteit kan resulteren uit eerder objectieve gedragingen zoals sociale responsen
waarmee men communiceert zich begrepen en gewaardeerd te voelen door de partner
(Gottman, 1979, 1994), maar kan ook resulteren uit meer subjectieve belevingen omtrent de
aandachtige en steunende houding van de partner (Patrick et al., 2007). Klassieke
conceptualiseringen van partner responsiviteit (Bretherton, 1987; Sroufe & Waters, 1977)
kunnen meer specifiek uitgewerkt worden naargelang de drie psychologische basisbehoeften
(La Guardia et al., 2000). Responsieve partners vervullen de behoefte aan autonomie door in
te gaan op de initiatieven van het individu en exploratie te stimuleren. Ze werken daarnaast in
op de behoefte aan competentie door een basis te bieden van waaruit de persoon uitdagingen
op een goede manier leert aanpakken. Ze proberen ervoor te zorgen dat het individu zijn/haar
hulpbronnen optimaal leert hanteren in de plaats van overspoeld te worden door het hele
gebeuren. Aan de behoefte aan verbondenheid wordt ten slotte tegemoet gekomen door een
warme omgeving te verschaffen aan het individu. Responsieve partners hebben aandacht voor
het individu en nemen een niet-contingente liefdevolle en zorgzame houding in (La Guardia
4 & Patrick, 2008). Er kan gesteld worden dat partner responsiviteit het bevredigen van de
psychologische basisnoden inhoudt. Partner responsiviteit en behoeftebevrediging zijn dus
twee sterk gerelateerde begrippen die een essentiële rol spelen in het voorspellen van
relationele uitkomsten (La Guardia & Patrick, 2008). Dit omvat de kern van de
Zelfdeterminatie theorie, waarin het gunstige effect van een steunend sociaal netwerk op het
welzijn een centrale plaats inneemt (Patrick et al., 2007).
Relationeel Conflict
Relationeel conflict is een wezenlijk onderdeel van partnerrelaties. In volgende uiteenzetting
wordt dieper ingegaan op conflictfrequentie, de communicatiepatronen die naar voor komen
tijdens conflict en conflicttopics.
Frequentie.
Conflictfrequentie staat voor hoe vaak meningsverschillen, onenigheden, discussies of
conflict voorkomen binnen partnerrelaties (Kluwer & Johnson, 2007). Klassieke metingen
van conflictfrequentie (De Dreu & Weingart, 2003) differentiëren naargelang de intensiteit
van relationeel conflict. In dergelijke metingen worden zowel meningsverschillen,
onenigheden, discussies als conflict bevraagd, zodat de meting het volledige gebied van milde
tot meer intense vormen van relationeel conflict omvat (Kluwer & Johnson, 2007). De meting
wordt meestal afgenomen in de vorm van een conflictfrequentie schaal waarbij een reeks
items bestaande uit een aantal conflictonderwerpen beoordeeld dienen te worden naargelang
de mate van voorkomen (Kluwer, Heesink, & Van de Vliert, 1996, 1997; Kluwer & Johnson,
2007). Het concept conflictfrequentie werd vooral onderzocht in relatie tot het relationeel
welzijn (Kluwer & Johnson, 2007). Van het concept op zich is echter nog weinig onderzoek
voorhanden. In een volgend onderdeel wordt dieper ingegaan op de relatie tussen
conflictfrequentie en relationele kwaliteit.
Communicatiepatronen (demand-withdraw).
Relationeel conflict is het gevolg van escalerende interacties die verstarren in negatieve
interactiecycli.
Dergelijke
communicatiepatronen
zijn
een
belangrijke
bron
van
disfunctioneren. Hoewel de negatieve interactiecycli vaak gedreven worden door uitingen van
5 woede en onverschilligheid, verhullen deze uitingen dikwijls de werkelijke kern van het
conflict. Het niet bevredigd worden van de psychologische noden en de ontevredenheid die
hieruit voortvloeit, vormt de kern van vele conflicten (Greenberg & Goldman, 2008).
Één van de meest destructieve communicatiepatronen dat zich voordoet binnen conflict en
binnen probleemoplossende discussies is het demand-withdraw communicatiepatroon
(Heavey, Layne, & Christensen, 1993; Sevier, Simpson, & Christensen, 2004). Hierbij
probeert de ene partner een probleem aan te kaarten, terwijl de andere partner zich uit de
discussie terugtrekt door het onderwerp te vermijden of het gesprek te beëindigen
(Christensen, 1988). De persoon die initiatief neemt en dus het conflictueuze onderwerp ter
sprake brengt, neemt meestal de eisende rol in, waardoor de partner vaak in de vermijdende
positie terecht komt. (Papp, Kouros, & Cummings, 2009).
Uit onderzoek blijkt het communicatiepatroon waarbij de vrouw eist en de man
vermijdt meer voor te komen (Christensen, Eldridge, Catta-Preta, Lim, & Santagata, 2006;
Christensen & Heavey, 1990). In een recentere studie werd echter een meer gelijke frequentie
van het voorkomen van deze demand-withdraw communicatiepatronen teruggevonden (Papp
et al., 2009). De verklaringen die de auteurs aangeven voor deze tegenstrijdigheid, lijken de
betrouwbaarheid van de meest recente bevinding te bevestigen. Zo wordt er gewezen op de
wijze waarop het onderzoek uitgevoerd werd, namelijk via een dagboekstudie, en op het feit
dat alle types conflict onderzocht werden in de meest recente studie. Een dagboekstudie is in
tegenstelling tot onderzoek binnen de experimentele setting een zeer geschikte strategie om de
frequentie van alle communicatiepatronen te vatten. Binnen experimentele settings wordt
vaak toegespitst op zwaardere onderwerpen, waardoor vrouwen mogelijk meer de eisende rol
innemen. De verhoogde frequentie van dergelijke communicatie kan op deze manier een
vertekend beeld geven (Papp et al., 2009).
De studie van Papp et al. (2009) toont daarnaast aan dat de frequentie waarmee
koppels het demand-withdraw patroon vertonen globaal gezien relatief laag ligt. Dit wordt
verklaard door de observatie dat koppels een brede waaier aan probleemoplossende
technieken hanteren bij relationeel conflict (Cummings, Goeke-Morey, & Papp, 2003). Meer
specifiek verschilt de frequentie waarmee het demand-withdraw patroon zich voordoet
naargelang
de
onderwerpen
die
besproken
worden.
Het
demand-withdraw
communicatiepatroon komt vaker voor tijdens conflict omtrent relationele problemen dan
binnen conflict omtrent persoonlijke problemen (Eldridge, Sevier, Jones, Atkins, &
Christensen, 2007; Papp et al., 2009). Partners komen ook sneller in de eisende rol terecht
wanneer een onderwerp besproken wordt dat men veranderd wil zien of waarvoor men een
6 oplossing wil vinden, wat vaak het geval is bij conflict omtrent de relatie (Heavey et al., 1993;
Klinetob & Smith, 1996; Papp et al., 2009). De bevinding dat het demand-withdraw patroon
het sterkst voorkomt binnen conflict betreffende de relatie, doet vermoeden dat partners
wellicht meer gemotiveerd zijn of beter in staat zijn om problemen aan te pakken die
betrekking hebben op zaken buiten de partnerrelatie (Papp et al., 2009).
Topics.
Conflicttopics worden door Kurdek (1994) omschreven als “de inhoudelijke gebieden waarin
koppels conflict ervaren” (p. 923). Kurdek (1994) clustert 20 conflictueuze onderwerpen in 6
conflictgebieden. Deze meest voorkomende onderwerpen zijn sociale kwesties, persoonlijke
gebreken, wantrouwen, intimiteit, persoonlijke afstand en macht. Sociale kwesties omvatten
onderwerpen als politiek, standpunten omtrent controversiële onderwerpen, maar ook de
relatie met de ouders (Kurdek, 1994). Deze relatie met de familie en (schoon)ouders wordt
ook door Kluwer & Johnson (2007) aangehaald. Persoonlijke afstand houdt onderwerpen als
schoolse en werkgerelateerde verplichtingen in (Kurdek, 1994), wat gerelateerd is aan het
conflictonderwerp omtrent hoeveel tijd de partners samen doorbrengen (Kluwer & Johnson,
2007). Macht omvat tenslotte het overdreven kritisch zijn van de partner, waardoor men zich
vaak niet bevestigd, gerespecteerd of competent voelt (Greenberg & Goldman, 2008; Kurdek,
1994). Het onderwerp intimiteit wordt ook door Kluwer & Johnson (2007) aangebracht.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen lichamelijke en emotionele intimiteit. Ze
schuiven daarnaast nog een aantal andere conflicttopics naar voor, zoals de verdeling van het
huishoudelijk werk en van de zorg voor de kinderen, de financiën, de doelen in het leven en
tenslotte hoe de vrije tijd doorgebracht kan worden (Kluwer & Johnson, 2007).
Intimiteit en macht zijn volgens Kurdek (1994) de twee sterkst conflictuitlokkende
onderwerpen binnen partnerrelaties. Conflict omtrent wantrouwen komt daarentegen het
minst vaak voor. Conflict omtrent sociale kwesties blijkt specifiek voor heteroseksuele
koppels (Kurdek, 1994).
Relationele Tevredenheid
Hoewel relationele tevredenheid vaak omschreven wordt als een concept met één enkele
dimensie, waarbij positieve relationele uitkomsten aanwezig en negatieve uitkomsten afwezig
zijn, blijkt deze conceptualisering niet adequaat. Relationele tevredenheid omvat meer dan
7 louter het ontbreken van ontevredenheid. Daarnaast zijn factoren die tot tevredenheid leiden,
niet simpelweg het omgekeerde van de factoren die ontevredenheid veroorzaken (Bradbury,
Fincham & Beach, 2000). Relationele tevredenheid bestaat daarentegen eerder uit een
continuüm dat kan variëren van een lichte tot sterke mate van satisfactie (Norton, 1983),
waarbij positieve en negatieve relationele aspecten als afzonderlijke maar gerelateerde
dimensies beschouwd kunnen worden (Fincham, Beach & Kemp-Fincham, 1997). Een
concept als relationele tevredenheid evolueert en fluctueert doorheen de tijd. Metingen mogen
zich dan ook niet baseren op één enkel moment, maar dienen het verloop doorheen de tijd na
te gaan (Bradbury et al., 2000). De Quality of Marriage Index (QMI; Norton, 1983) is een
voorbeeld van een meting die peilt naar de relationele tevredenheid. Items die hierin
voorkomen, bevragen voornamelijk de perceptie van relationele stabiliteit, geluk,
verbondenheid met de partner, gelijkheid van attitudes en interesses, relationele toewijding en
de mate waarin partners met elkaar akkoord gaan. Dit doet vermoeden dat deze concepten
belangrijke aspecten van relationele tevredenheid omvatten. Één van deze aspecten blijkt
echter niet noodzakelijk op relationele tevredenheid te wijzen, namelijk relationele stabiliteit.
Dit concept werd door Norton (1983) onderzocht door de geschatte tijd te bevragen dat het
koppel denkt nog samen te zullen blijven. Hieruit bleek echter dat zelfs personen met een
eerder lage relationele tevredenheid inschatten dat ze samen zullen blijven, en hiermee
relationele stabiliteit uiten. Factoren als kinderen, schuld, gewoonte, of simpelweg het willen
overleven van de eerste jaren samen, spelen wellicht een rol (Norton, 1983). Dergelijke
resultaten blijken ook uit onderzoek van Glenn (1998) en C. Vaillant en G. Vaillant (1993)
omtrent relationele tevredenheid binnen het huwelijk. Uit deze studies bleek relationele
tevredenheid, in tegenstelling tot het verloop volgens een U-vormige curve waar vroeger
vanuit gegaan werd (Rollins & Feldman, 1970), gemiddeld gezien sterk te dalen over de
eerste 10 jaar huwelijk, waarna een meer geleidelijke afname in de verdere decennia volgt.
Om relationele tevredenheid en het verloop ervan volledig te kunnen vatten, dient dus
rekening gehouden te worden met een uitgebreid aantal factoren. Zowel het geheel van
interpersoonlijke uitwisselingen binnen de partnerrelaties (zoals cognitie, affect en sociale
steun), de context waarin de relaties voorkomen (zoals kinderen, de achtergrond en
karakteristieken van de partners, mogelijke aanwezigheid van stressoren), als de
wisselwerking tussen deze factoren spelen een bepalende rol in de mate van relationele
tevredenheid die ervaren wordt binnen partnerrelaties (Bradbury et al., 2000).
8 Specifieke Situering van de Onderlinge Relaties Tussen Behoeften en Relationele
Uitkomsten
Behoeftebevrediging/frustratie en relationele tevredenheid.
Ondertussen is duidelijk gebleken dat behoeftebevrediging noodzakelijk is voor het
psychologisch welzijn en functioneren. In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de positieve
uitkomsten van behoeftebevrediging en de nefaste gevolgen die behoeftefrustratie met zich
meebrengt binnen partnerrelaties.
Uit verschillende studies rond behoeftebevrediging binnen partnerrelaties komt een
positieve associatie met een aantal relationele uitkomsten naar voor. Een hoge mate van
behoeftebevrediging, meer specifiek de bevrediging van elk van de psychologische noden,
blijkt met name een hogere satisfactie en toewijding binnen de relatie en dus een betere
relatiekwaliteit met zich mee te brengen (Patrick et al., 2007; Sheldon et al., 1996).
Aangezien elke behoefte zijn eigen unieke bijdrage heeft tot het psychologisch
functioneren, worden de noden hieronder elk afzonderlijk bekeken. Ten eerste is iedere
behoefte positief geassocieerd met relationele tevredenheid. De bevrediging van de behoeften
aan autonomie en verbondenheid leiden daarnaast ook tot een verhoogde toewijding binnen
de relatie (Patrick et al., 2007). Wanneer deze behoeften echter verwaarloosd worden, leidt dit
tot verder afnemende toewijding over de tijd en uiteindelijk tot een verhoogd risico op
relatiebreuk (Slotter & Finkel, 2009). Bij de behoefte aan verbondenheid blijkt vooral het zich
bevestigd weten door de partner in een hogere relationele tevredenheid te resulteren (Gottman,
1994). Het gevoel een zorgende, liefhebbende partner te hebben brengt daarnaast sterkere
gevoelens van veiligheid binnen de relatie met zich mee (Collins & Miller, 1994). Voor het
verkrijgen van positieve relationele uitkomsten blijkt de behoefte aan verbondenheid in het
algemeen de beste voorspeller (Patrick et al., 2007).
Uit het voorgaande blijkt het belang van de beleving dat de partner de eigen behoeften
bevredigt. Daarnaast blijkt ook de perceptie van de partner dat deze psychologische
basisnoden bevredigd worden een bepalende rol te spelen in het relationeel welzijn van het
individu. De perceptie van de partner is vooral van belang bij de behoefte aan autonomie en
competentie; voor de behoefte aan verbondenheid spelen de percepties van het individu een
meer cruciale rol. De bevinding dat de percepties van de partner kunnen beïnvloeden hoe men
zichzelf voelt over de relatie, is een belangrijke indicator van verbondenheid en daarmee een
centraal kenmerk van partnerrelaties (Patrick et al., 2007). De meest stimulerende situatie
9 voor het verkrijgen van relationeel welzijn doet zich voor wanneer beide partners het gevoel
hebben dat de ander responsief is ten aanzien van de eigen noden. Bevrediging van de
behoefte aan verbondenheid is hierin de sterkst bepalende factor en uit zich vooral in een
grotere relationele tevredenheid (Patrick et al., 2007).
Naast het bewerkstelligen van een hoger welzijn, buffert behoeftebevrediging ook tegen
disfunctioneren als gevolg van behoeftefrustratie door de partners in staat te stellen betere
copingstrategieën te ontwikkelen. Personen die doorheen hun leven echter chronisch
blootgesteld werden aan behoeftefrustratie ontwikkelen minder dergelijke hulpbronnen (Ryan
& Vansteenkiste, n.d.). De Zelfdeterminatie theorie schuift twee aannemelijke gevolgen van
behoeftefrustratie naar voor. Het directe gevolg is een verminderd welzijn en meer
pathologisch functioneren. Wanneer de behoeftefrustratie blijft aanhouden, ontwikkelt men
daarnaast een aantal copingstrategieën om met de ervaring van behoeftefrustratie om te gaan.
Deze omvatten het ontwikkelen van plaatsvervangers voor hun onbevredigde behoeften en het
stellen van compenserende gedragingen (Deci & Ryan, 2000; Ryan et al., 2006). Dergelijke
responsen zorgen er echter vaak voor dat de situatie van behoeftefrustratie blijft bestaan en
men in een negatieve cyclus van toegenomen kwetsbaarheden voor niet-optimaal functioneren
terecht komt (Ryan & Vansteenkiste, n.d.). Wetenschappelijke studies omtrent de specifieke
relatie tussen behoeftefrustratie en relationele uitkomsten lijken echter niet voorhanden.
Onderzoek focust vooral op de associatie tussen relationele uitkomsten enerzijds en
behoeftebevrediging versus geen of onvoldoende behoeftebevrediging anderzijds. Omwille
van het eerder beschreven onderscheid tussen een lage mate van behoeftebevrediging en
behoeftefrustratie kan deze onderzoekslijn dus niet zonder meer doorgetrokken worden naar
behoeftefrustratie.
Behoeftebevrediging en relationeel conflict.
Binnen de uiteenzetting rond het verband tussen behoeftebevrediging en relationele
uitkomsten, is één specifieke relationele uitkomst systematisch op de achtergrond gebleven,
namelijk relationeel conflict. Wegens de centrale plaats die deze uitkomst toegewezen krijgt
binnen deze studie, wordt dit onderdeel uitsluitend gewijd aan het verband tussen
behoeftebevrediging en relationeel conflict. Meer specifiek wordt evidentie aangehaald voor
het verband tussen behoeftebevrediging en conflictfrequentie en voor het verband tussen
behoeftebevrediging en communicatiepatronen binnen conflict. Wetenschappelijk onderzoek
10 omtrent het verband met conflicttopics blijkt echter niet voorhanden. Omwille van het
argument dat eind vorige paragraaf beschreven werd, wordt daarnaast niet verder ingegaan op
behoeftefrustratie.
Onderzoek naar de dyadische processen betrokken in behoeftebevrediging suggereert
dat bevrediging van de behoeften van beide partners resulteert in een aantal positieve
relationele uitkomsten met betrekking tot relationeel conflict (La Guardia & Patrick, 2008).
Partners die een goede behoeftebevrediging ervaren, hadden minder vaak eerdere discussie
gehad over het onderwerp in kwestie en hebben achteraf vaker het gevoel dat het
meningsverschil opgelost werd. Het aantal onenigheden in het algemeen of de duur van de
discussie wordt hierdoor daarentegen niet significant beïnvloed (Patrick et al., 2007). Uit
onderzoek van Di Domenico, Fournier, Ayaz, en Ruocco (2012) komt het vermoeden naar
voor dat behoeftebevrediging een beter gebruik van zelfkennis voorspelt bij het maken van
moeilijke beslissingen in sterke conflictsituaties. Daarnaast nemen de partners met een hogere
mate van behoeftebevrediging minder conflict waar, reageren ze meer begripvol en minder
defensief tijdens het conflict en ervaren ze een sterkere relationele tevredenheid en toewijding
in de relatie na het conflict. Het meer begrijpend reageren op conflict blijkt het sterkst van
toepassing bij vrouwen (Patrick et al., 2007). Globaal gezien leidt behoeftebevrediging, meer
specifiek de bevrediging van elke psychologische nood op zich, tot een betere relatiekwaliteit
na onenigheid of conflict, wat zich uit in een verhoogde satisfactie en toewijding. De behoefte
aan verbondenheid is echter de enige unieke en dus sterkste voorspeller van satisfactie en
toewijding na conflict (Patrick et al., 2007).
Ook blijken partners minst conflict waar te nemen en minst defensief te reageren
wanneer beide partners een sterk gevoel van verbondenheid rapporteren (Patrick et al., 2007).
Wanneer binnen de beleving van het individu wordt gedifferentieerd tussen enerzijds het
bevredigen van de behoeften van de partner en anderzijds het bevredigd worden van de eigen
behoeften door de partner, constateren onderzoekers dat een sterkere toewijding tot de relatie
na conflict specifiek optreedt bij het bevredigen van de behoeften van de partner. In beide
situaties nemen de partners minder conflict waar, reageren ze minder defensief binnen conflict
en zijn ze meer tevreden over hun relatie. Een sterkere toewijding blijkt dus specifiek op te
treden wanneer men het gevoel heeft de behoeften van de partner in te vullen (Patrick et al.,
2007).
De algemene bevinding, waarbij men de meest optimale relationele uitkomsten verkrijgt
wanneer beide partners hun behoeften worden bevredigd, wordt echter doorbroken door een
11 opvallende bevinding uit onderzoek van Patrick et al. (2007). Binnen deze studie bleek het
positieve verband tussen competentiebevrediging en begripvolle reacties van het individu op
conflict enkel significant wanneer de partner een lage bevrediging van zijn/haar behoefte aan
competentie had. Voor de behoefte aan competentie blijkt het dus voldoende, en zelfs gunstig,
wanneer slechts één partner behoeftebevrediging ervaart. Hiervoor halen de onderzoekers
twee mogelijke verklaringen aan. Ten eerste wordt deze bevinding verklaard vanuit de stelling
dat competentie de enige behoefte is waarbij partners eerder onafhankelijk lijken te zijn.
Competentie houdt in vergelijking met de andere basisnoden mogelijk meer zelf-focus of zelfevaluatie in. Dit kan er in meespelen dat, in functie van de eigen uitkomsten, de ervaring van
competentiebevrediging vooral voor het individu zelf gunstig is. De tweede verklaring focust
op de begripvolle reacties op conflict. Hierin wordt gesteld dat wanneer een persoon zich
competent voelt binnen de relatie, dit wellicht tot meer pogingen tot het begrijpen van het
conflict en van de partner zal leiden, waardoor men op een meer constructieve manier kan
reageren op het conflict. De mate waarin de partner zichzelf competent acht, heeft
waarschijnlijk een minder sterke impact op het competentiegevoel van het individu (Patrick et
al., 2007).
Relationeel conflict en relationele tevredenheid.
Globaal gezien bestaat er een negatieve kijk op conflict. Hoewel relationeel conflict meestal
gezien wordt als negatief voor de relatie, bestaat er ook evidentie voor een aantal
bevorderlijke aspecten van conflict (Kluwer & Johnson, 2007). Zo stelden Argyle & Furnham
(1983) dat relationeel conflict en relationele tevredenheid in staat zijn samen te gaan. Hoe
hechter de relatie, hoe meer van beide men blijkt te ervaren. Heavey et al. (1993) vonden
inderdaad een verband tussen conflictfrequentie gerapporteerd door mannen en toenames in
de relationele kwaliteit. Deze bevinding kan mogelijk verklaard worden door de
veronderstelling dat meer frequent conflict voordelig kan zijn voor de relatie aangezien de
partners hun problemen bespreken (Kluwer & Johnson, 2007). Daarnaast blijkt de
bereidwilligheid van de partner tot het zich engageren in conflict door vrouwen positief
gepercipieerd te worden (Kluwer, Heesink, & Van de Vliert, 2002). Dergelijke resultaten
suggereren dat conflict toch een aantal positieve effecten kan bewerkstelligen met betrekking
tot de relationele kwaliteit op lange termijn (Fincham & Beach, 1999). Deze positieve
aspecten van conflict blijken echter wel beperkt; conflict kan slechts onder bepaalde
12 omstandigheden voordelig zijn. Zo variëren de voordelen van conflict afhankelijk van het
conflictonderwerp dat besproken wordt (De Dreu & Weingart, 2003).
Hoewel er enige evidentie bestaat voor een aantal voordelige uitkomsten van
conflictfrequentie, worden in de meerderheid van de onderzoeken negatieve consequenties
van frequent conflict voor de relationele tevredenheid aangetoond (Kluwer & Johnson, 2007;
Kurdek, 1991a, 1991b). Ook bij deze negatieve consequenties varieert de intensiteit van het
conflict en de mate waarin het relationele tevredenheid negatief beïnvloedt, naargelang de
verschillende conflictgebieden (Storaasli & Markman, 1990; Vangelisti & Huston, 1994).
Vooral conflict omtrent zaken waarbij de partners elkaars uitkomsten sterk beïnvloeden en
waarbij beide partners dus sterk afhankelijk zijn van elkaar, is in hoge mate gerelateerd aan
een verminderde relationele tevredenheid (Kurdek, 1994). Twee voorbeelden van zo’n
conflictgebieden zijn macht en intimiteit (Braiker & Kelley, 1979; Kelley & Thibaut, 1978).
Uit onderzoek van Kurdek (1994) bleken deze conflictgebieden dan ook een unieke
verklarende kracht te bezitten. Enkel conflict omtrent macht echter, voorspelt een verandering
in relationele tevredenheid. Meer specifiek blijkt dergelijk hoog frequent conflict tot een
afname van de relationele tevredenheid te leiden over een periode van één jaar (Kurdek, 1994),
wat op termijn het proces van relationele achteruitgang bevordert en daarmee een sterke
invloed op de relationele stabiliteit impliceert (Gottman, 1994; Kurdek, 1994). Een hoge
conflictfrequentie leidt dus niet tot drastische wijzigingen in het relationele welzijn, maar
voorspelt eerder lagere niveaus van relatiekwaliteit die zich na verloop van tijd ontwikkelen
(Huston, Caughlin, Houts, Smith, & George, 2001; Karney and Bradbury (1995); Kluwer &
Johnson, 2007). Enkel wanneer deze lage niveaus ten gevolge van frequent conflict behouden
blijven, heeft dit negatieve implicaties op de relationele stabiliteit (Murray, Holmes, & Griffin,
1996). Bij gehuwde koppels werd een positief lineair verband teruggevonden tussen
conflictfrequentie en echtscheiding of separatie van de partners (McGonagle, Kessler, &
Gotlib, 1993).
De negatieve uitkomsten van conflict worden het sterkst ervaren bij koppels die reeds
een hoge mate van relationele ontevredenheid ondervinden (Christensen & Schenk, 1991). Dit
kan een bidirectioneel verband impliceren tussen conflictfrequentie en relationele
ontevredenheid. Hoewel een verhoogde conflictfrequentie vaak gezien wordt als de oorzaak
van een lagere relationele kwaliteit, kan de frequentie van het conflict eveneens een
consequentie van deze associatie zijn (Karney & Bradbury, 1995). Wanneer relationele
ontevredenheid ervaren wordt, zullen partners deze ontevredenheid vaak uiten in de vorm van
discussies. Binnen dergelijke discussie worden zaken aangekaart die de partners veranderd
13 willen zien (Kluwer & Johnson, 2007). Dit gaat vaak gepaard met het maken van meer
negatieve attributies (Bradbury & Fincham, 1990), wat op zijn beurt de conflictfrequentie
doet toenemen. Dergelijke observaties doen vermoeden dat er na verloop van tijd een negatief
wederkerig verband ontstaat tussen conflictfrequentie en relationeel welzijn (Kluwer &
Johnson, 2007).
Binnen een aanzienlijk aantal studies wordt het verband tussen gebruik van het demandwithdraw communicatiepatroon en relationeel disfunctioneren beschreven (Caughlin &
Huston, 2002; Christensen & Shenk, 1991; Eldridge et al., 2007; Markman, Stanley, &
Blumberg, 1994; Rehman & Holtzworth-Munroe, 2006; Shoham & Rohrbaugh, 2002).
Partners hanteren een meer negatieve en minder constructieve aanpak tijdens de interacties.
Zo zullen koppels die terechtkomen in het demand-withdraw patroon vaker verbaal vijandig
zijn, agressief reageren en de partner bedreigen (Holtzworth-Munroe, Smutzler, & Stuart,
1998; Papp et al., 2009; Sagrestano, Heavey, & Christensen, 1999). Het uiten van affectie en
steun, en het tot een compromis proberen komen om het probleem op te lossen zijn zaken die
hierdoor gedwarsboomd worden en dus minder zullen voorkomen. Dit brengt beduidend
lagere niveaus van conflictoplossing met zich mee (Papp et al., 2009). Als gevolg van
dergelijke destructieve communicatiepatronen komen partners terecht in een wederkerige
cyclus van relationeel disfunctioneren, wat zeker op lange termijn negatieve consequenties
voor de relationele tevredenheid en de relationele stabiliteit met zich meebrengt (Guay,
Boisvert, & Freeston, 2003; Orbuch, Veroff, Hassan, & Horrocks, 2002; Papp et al., 2009).
Terwijl deze verminderde conflictoplossing bij beide demand-withdraw patronen
(“man eist – vrouw vermijdt” en “vrouw eist – man vermijdt”) voorkomen, blijken de eerder
vermelde gevolgen, met uitzondering van de agressieve reacties, vooral geassocieerd met de
communicatiepatronen waarbij de vrouw zich eisend opstelt en de man een vermijdende
houding aanneemt. Binnen dit communicatiepatroon wordt door mannen ook een sterker
voorkomen van dyadisch verontschuldigen gerapporteerd. Opvallend is dat vrouwen
daarentegen een sterker gebruik van verontschuldigingen vermelden binnen het “man eist –
vrouw vermijdt” patroon (Papp et al., 2009). Deze bevindingen met betrekking tot
verontschuldigingen binnen relationeel conflict moeten met enige voorzichtigheid
geïnterpreteerd worden. Demand-withdraw communicatiepatronen komen vaak voor in
combinatie met andere negatieve reacties op conflict, waardoor verontschuldigingen
eventueel uitgelokt kunnen worden (Papp et al., 2009). Daarnaast bestaat er een zwak en
14 inconsistent verband tussen verontschuldigen en de perceptie van conflictoplossing (GoekeMorey, Cummings, & Papp, 2007).
Onderzoek toont aan dat demand-withdraw communicatie in het algemeen niet
toegeschreven kan worden aan de persoonlijkheid (Heaven, Smith, Prabhakar, Abraham, &
Mete, 2006), wat mogelijkheid tot verandering impliceert (Papp et al., 2009). In welke mate
verandering mogelijk is, wordt mede bepaald door de mate van relationele tevredenheid die al
dan
niet
nog
aanwezig
is
binnen
de
partnerrelatie.
Het
demand-withdraw
communicatiepatroon heeft namelijk niet enkel invloed op de relationele tevredenheid, ook de
relationele tevredenheid kan gedeeltelijk verantwoordelijk zijn voor de manier waarop
koppels omgaan met relationeel conflict (Caughlin, 2002). Net zoals het geval is bij
conflictfrequentie, komt het destructieve communicatiepatroon meer voor bij koppels die
reeds een sterke mate van relationele ontevredenheid ervaren (Christensen & Schenk, 1991;
Guay et al., 2003). Op deze manier kunnen de ontevreden koppels vastlopen in een verstoord
communicatiepatroon, wat op zijn beurt een belangrijke in stand houdende factor is van het
bidirectionele verband tussen relationele ontevredenheid en een moeizame aanpassing van de
partners aan de destructieve situatie (Papp et al., 2009).
Huidige Studie
Binnen partnerrelaties hebben partners een aantal psychologische noden, namelijk de nood
aan autonomie, de nood aan competentie en de nood aan verbondenheid (Deci & Ryan, 2000;
Ryan & Deci, 2000a,b). De toepassing van de Zelfdeterminatie theorie en de implicaties die
hieruit volgen, blijft echter relatief beperkt binnen onderzoek omtrent partnerrelaties. Enkel de
associatie tussen behoeftebevrediging en relationele tevredenheid werd reeds uitgebreid
bestudeerd in voorgaand onderzoek, dewelke we in de huidige studie pogen te repliceren.
Wetenschappelijke studies omtrent behoeftefrustratie en de consequenties hiervan binnen
partnerrelaties is daarentegen gering en blijft beperkt tot individuele uitkomsten.
Wetenschappelijk onderzoek omtrent de specifieke relatie tussen behoeftefrustratie en
relationele uitkomsten lijkt niet voorhanden. Binnen de huidige studie willen we aan deze
leemte in de literatuur tegemoet komen door het verband tussen behoeftefrustratie en
relationele tevredenheid te onderzoeken. Daarnaast bestuderen we de associatie tussen
behoeftebevrediging en behoeftefrustratie enerzijds en relationeel conflict anderzijds. Terwijl
de relatie tussen behoeftebevrediging en conflict binnen partnerrelaties reeds onderzocht werd
15 in voorgaande studies, blijkt dergelijk onderzoek opnieuw niet voorhanden voor het verband
tussen behoeftefrustratie en relationeel conflict. De beschouwing van beide associaties biedt
een meerwaarde aangezien, in tegenstelling tot reeds bestaande literatuur, ingegaan wordt op
meerdere aspecten van relationeel conflict. Meer specifiek gaan we differentiëren naargelang
conflicttopics, conflictfrequentie en communicatiepatronen binnen conflict. Zowel de
bestudering van deze verschillende aspecten van relationeel conflict op zich, als de
bestudering van deze conflictaspecten in relatie tot relationele noden en relationele
tevredenheid bieden een meerwaarde. Verder werden deze verbanden nog niet specifiek
onderzocht binnen partnerrelaties, waardoor we met de huidige studie ook bijdragen aan
bestaande literatuur met betrekking tot koppelonderzoek.
Binnen deze studie willen we in het algemeen nagaan wat er gebeurt als partners elkaars
noden frustreren. We willen een beter zicht krijgen op hoe partners omgaan met
behoeftefrustratie, hoe ze proberen om toch te krijgen wat ze willen, hoe conflicten hier rond
ontstaan en escaleren, en hoe deze conflicten relatieontevredenheid en instabiliteit voeden.
Het eerste doel van de huidige studie omvat het onderzoeken van de associatie tussen
behoeftebevrediging en –frustratie enerzijds en relationele tevredenheid anderzijds. Op basis
van voorgaand onderzoek kan een positieve associatie verondersteld worden tussen
behoeftebevrediging en relationele tevredenheid (Patrick et al., 2007; Sheldon et al., 1996),
wat resulteert in het opstellen van volgende hypothese:
Hypothese 1: Er wordt een positieve associatie verwacht tussen behoeftebevrediging en
relationele tevredenheid.
Steunend op de relatie tussen behoeftefrustratie en tal van negatieve individuele uitkomsten
waaronder een verminderd welzijn, passiviteit, agressie, psychopathologie en het ontwikkelen
van disfunctionele copingstrategieën (Deci & Ryan, 2000; Deci & Vansteenkiste, 2004; Ryan
& Deci, 2000a; Ryan et al., 2006; Ryan & Vansteenkiste, n.d.; “Self-determination theory,”
n.d.), wordt volgende hypothese opgesteld.
Hypothese 2: Tussen behoeftefrustratie en relationele tevredenheid wordt een negatieve
associatie verondersteld.
Ons tweede doel is het onderzoeken van het verband tussen behoeftebevrediging en –
frustratie
enerzijds
en
relationeel
conflict
anderzijds.
We
differentiëren
tussen
conflictfrequentie, communicatiepatronen binnen conflict en conflicttopics. Voor deze
hypothesen en onderzoeksvragen baseren we ons op voorgaand onderzoek (La Guardia &
16 Patrick, 2008; Patrick et al., 2007) waarin gesteld wordt dat behoeftebevrediging resulteert in
een aantal positieve relationele uitkomsten met betrekking tot relationeel conflict, waaronder
minder frequent voorgaand conflict omtrent het onderwerp in kwestie, meer begripvolle en
minder defensieve reacties tijdens conflict. Aangezien behoeften gerelateerd blijken aan de
andere onderzochte aspecten van conflict, wordt verwacht dat ook conflicttopics geassocieerd
zijn met behoeftebevrediging en –frustratie.
Hypothese 3: Er wordt verwacht dat een hogere mate van behoeftebevrediging tot minder
frequent conflict leidt.
Hypothese 4: Er wordt verwacht dat een hogere mate van behoeftefrustratie een verhoogde
conflictfrequentie met zich meebrengt.
Hypothese 5: Er wordt voorspeld dat een hogere mate van behoeftebevrediging meer gebruik
van functionele communicatiepatronen teweegbrengt.
Hypothese 6: Er wordt verwacht dat een hoge mate van behoeftefrustratie resulteert in meer
gebruik van disfunctionele communicatiepatronen.
Onderzoeksvraag 1: Bestaat er een verband tussen behoeftebevrediging en conflicttopics?
Onderzoeksvraag 2: Is er een associatie aanwezig tussen behoeftefrustratie en conflicttopics?
Het derde en laatste doel van de huidige studie betreft het nagaan van de associatie tussen
relationeel conflict en relationele tevredenheid. Opnieuw wordt gedifferentieerd tussen
conflictfrequentie, communicatiepatronen binnen conflict en conflicttopics. Steunend op
eerder onderzoek (Kluwer & Johnson, 2007; Kurdek, 1991a, 1991b) wordt volgende
hypothese opgesteld:
Hypothese 7: Er wordt een negatief verband verwacht tussen conflictfrequentie en relationele
tevredenheid.
Met betrekking tot de communicatiepatronen binnen conflict wordt in navolging van onder
andere Papp et al. (2009), volgende hypothese opgesteld:
Hypothese 8: Er wordt een negatieve associatie verwacht tussen de hantering van
disfunctionele communicatiepatronen en relationele tevredenheid.
Ten slotte wordt een laatste onderzoeksvraag opgesteld, in navolging op de bevindingen van
Kurdek (1994).
Onderzoeksvraag 3: Bestaat er een verband tussen het voorkomen van bepaalde
conflicttopics en relationele tevredenheid?
17 Methode
Deelnemers
De deelnemers bestaan uit een groep van 409 personen die vrijwillig participeerden aan onze
online vragenlijststudie omtrent verschillende aspecten van partnerrelaties. Één van deze
personen bleek geen relatie te hebben en werd dan ook niet opgenomen in dit onderzoek (N =
408). De inclusiecriteria vereisen namelijk een minimumleeftijd van 18 jaar, een vaste
heteroseksuele relatie en de deelname van slechts één partner per koppel. Ondanks deze
criteria, bevat de steekproef toch één vrouw met een leeftijd van 17 jaar, wat getolereerd werd.
Daarnaast werd bij de mannen de leeftijd van één persoon opgegeven als missing value, daar
deze persoon een foutieve leeftijd van 2 jaar had ingegeven. De personen in onze steekproef
werden niet op toevallige wijze geselecteerd voor deelname aan deze studie, waardoor de
steekproef niet gezien mag worden als representatief voor de Vlaamse populatie tussen 17 en
77 jaar.
Onze steekproef omvat 153 (37.5%) mannen en 255 (62.5%) vrouwen. De gemiddelde
leeftijd van de mannelijke deelnemers bedraagt 37.23 jaar (SD = 14.33; range 18-77); van de
vrouwen bedraagt dit 29.96 jaar (SD = 12.95; range 17-74). De gemiddelde relatieduur van de
participanten bedraagt 10.6 jaar. Het merendeel van deze personen bevindt zich in een relatie
zonder getrouwd of samenwonend te zijn (44.1%). Van de resterende groep is 28.2%
getrouwd of samenwonend met kinderen, 19.9% is getrouwd of samenwonend zonder
kinderen, 6.4% is getrouwd of samenwonend met kinderen die niet meer thuis wonen en
tenslotte betreft 1.5% een nieuw samengesteld gezin. Daarnaast heeft 12% reeds een breuk of
echtscheiding met de huidige partner meegemaakt en is 7.1% van de steekproef (wettelijke)
gescheiden van een ex-partner. Wat betreft de seksuele oriëntatie is nagenoeg iedereen
(97.5%) heteroseksueel georiënteerd. Een aantal personen geven aan biseksueel georiënteerd
te zijn (2.0%), één persoon in de steekproef rapporteert homoseksueel te zijn (0.2%) en één
persoon rapporteert aseksueel (0.2%) georiënteerd te zijn. Het dient in rekening gebracht te
worden dat dit geen louter heteroseksuele steekproef betreft, hoewel dit oorspronkelijk wel de
bedoeling was.
Inzake hoogst behaalde diploma heeft het merendeel van de steekproef een diploma
hoger onderwijs van 1 cyclus behaald (41.4%), wat een professionele of academische
bachelor inhoudt. Verder bezit 28.9% een diploma hoger secundair onderwijs, 23.3% bezit
18 een diploma hoger onderwijs van 2 cycli (master of master-na-master) en 3.9% heeft een
diploma lager secundair onderwijs als hoogst behaalde diploma. Een diploma hoger onderwijs
van 3 cycli (doctoraat) werd behaald door 1.7% van de steekproef. Tenslotte bezit 0.7% het
diploma lager onderwijs als hoogst behaalde diploma. Voor wat betreft de huidige
beroepssituatie in onze steekproef is de meerderheid nog student (38.7%). Van de resterende
groep werkt 29.7% als bediende, 8.6% bezit de functie van midden kaderlid, 7.8% werkt als
zelfstandige, 5.9% is arbeider en 1.0% hoger kaderlid. Verder rapporteert 2.2% huisvrouw of
huisman te zijn, 3.7% is gepensioneerd, 2.0% is werkloos of werkzoekend en ten slotte
rapporteert 0.5% van de steekproef arbeidsongeschikt te zijn.
Meetinstrumenten
Behoeftebevrediging / behoeftefrustratie.
De New Basic Psychological Needs in Relationships Scale (Chen et al., 2012) wordt
gehanteerd om behoeftebevrediging en behoeftefrustratie te meten. Deze Nederlandstalige
vragenlijst bestaat uit 24 items, die ervaringen bevatten die men kan hebben in de relatie met
de partner. De vragenlijst bevat drie subschalen van behoeften die bevredigd dan wel
gefrustreerd kunnen worden, namelijk de behoeften aan autonomie, competentie en
verbondenheid. Een aantal stellingen die binnen de vragenlijst aan bod komen, zijn “In de
relatie met mijn partner heb ik het gevoel van keuze en vrijheid in de dingen die ik
onderneem” (autonomie), “In de relatie met mijn partner voel ik me teleurgesteld in veel van
mijn prestaties” (competentie), “In de relatie met mijn partner ervaar ik een hechte band”
(verbondenheid). De items moeten beoordeeld worden op een 5-punts Likert schaal die
varieert van 1 (“Helemaal niet”) tot 5 (“Helemaal wel”). De totaalscore van
behoeftebevrediging kan variëren van 12 tot 60, waarbij een hogere score wijst op meer
behoeftebevrediging. De totaalscore van behoeftefrustratie varieert ook van 12 tot 60, met een
hogere score als indicatie voor een hogere mate van behoeftefrustratie. Op basis hiervan kan
de mate van bevrediging en frustratie berekend worden. De vervulling dan wel frustratie van
de drie afzonderlijke behoeften kan nagegaan worden op basis van de drie subscores die
kunnen variëren van 8 tot 40. De NBPNS wordt beschouwd als een intern consistent
instrument. Voor de behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid bedragen
Cronbach’s alphas respectievelijk .85, .88 en .83 (Chen et al., 2012).
19 Relationele tevredenheid.
De Quality of Marriage Index (Norton, 1983) peilt naar de kwaliteit van de echtelijke relatie.
Uit deze vragenlijst werden 5 items gehaald en in functie van de huidige studie aangepast aan
partnerrelaties. De items bevatten uitspraken over de partnerrelatie en dienen beoordeeld te
worden op een 7-punts Likert schaal die varieert van 1 (“Helemaal oneens”) tot 7 (“Helemaal
eens”). Uitspraken die aan bod komen zijn bijvoorbeeld “Mijn relatie met mijn partner is heel
stabiel” en “Mijn relatie met mijn partner maakt me gelukkig”. Daarnaast wordt één algemene
vraag gesteld die peilt naar de relationele tevredenheid. Deze vraag moet beoordeeld worden
op een 10-punts schaal die varieert van 1 (“Zeer ongelukkig”) tot 10 (“Perfect gelukkig”). De
totaalscore kan variëren van 6 tot 45, waarbij een hogere score een sterkere relationele
tevredenheid aangeeft. De 6 gehanteerde items van de QMI resulteren in een Cronbach’s
alpha van .94 en zijn hiermee intern consistent.
Conflictfrequentie.
Om dit construct te meten werden twee items geconstrueerd, namelijk “Hoe vaak begint u een
conflict met uw partner over problemen die binnen uw relatie of tussen u beiden optreden?”
en “Hoe vaak begint uw partner een conflict met u over problemen die binnen uw relatie of
tussen u beiden optreden?”. Deze items worden gescoord op een 6-punts Likert schaal die
varieert van 1 (“Minder dan 1 keer per maand”) tot 6 (“Vaker dan 2 keer per week”). De items
resulteren in een Cronbach’s alpha van .78. Aangezien de huidige studie focust op het
individueel perspectief wordt in de analyses enkel gebruik gemaakt van het eerste item (“Hoe
vaak begint u een conflict?”). Hierdoor wordt een totaalscore tussen 1 en 6 verkregen, met een
hogere score als indicatie voor het frequenter voorkomen van conflict dat het individu
zelf opstart binnen de partnerrelatie.
Conflictueuze communicatiepatronen.
De Communication Patterns Questionnaire (CPQ, Christensen, 1988) peilt naar de manier
waarop partners omgaan met de problemen binnen hun relatie. Meer specifiek wordt gevraagd
aan te geven in welke mate een aantal symmetrische en asymmetrische communicatiepatronen
bij hen voorkomen tijdens relationeel conflict (Christensen & Sullaway, 1984). De vragenlijst
bevat 23 items, opgedeeld in 3 componenten met respectievelijk 3, 11, en 9 items. De eerste
component gaat na hoe problemen binnen de relatie aangepakt worden op het moment dat er
een probleem ontstaat. Een voorbeelditem hierbij is “Wanneer een probleem in de relatie
20 ontstaat, hoe waarschijnlijk is het dat de vrouw probeert het probleem aan te snijden, terwijl
de man probeert een bespreking te vermijden?”. De tweede component onderzoekt de wijze
waarop partners met hun problemen omgaan tijdens een discussie over een relatieprobleem.
Een item binnen deze categorie is bijvoorbeeld “Hoe waarschijnlijk is het dat tijdens een
discussie over een relatieprobleem beide partners elkaar de schuld geven en kritiek hebben op
elkaar?”. De derde component probeert tenslotte te achterhalen hoe partners na een
bespreking van een relationeel probleem de situatie hanteren. Hierbij komen items voor als
“Hoe waarschijnlijk is het dat na een bespreking van een relationeel probleem beide partners
extra lief proberen te zijn voor elkaar?”. Deze items dienen beoordeeld te worden op een
negenpuntenschaal die loopt van 1 (heel onwaarschijnlijk) tot 9 (heel waarschijnlijk). De
totaalscore van de wederzijds constructieve communicatie varieert tussen -33 en 23.
Daarnaast kan de totaalscore van de demand-withdraw communicatiepatronen variëren van 6
tot 54. De totaalscore van wederzijdse vermijding en terughoudendheid varieert vervolgens
van 3 tot 27. Een hogere score wijst op een sterker gebruik van bovenstaande
communicatiepatronen. Voor de CPQ bedraagt Cronbach’s alpha .79.
Conflictonderwerpen.
De topics die beschreven worden door Kurdek worden binnen de huidige studie gehanteerd
om conflictonderwerpen te meten (Kurdek, 1994). Deze bestaande lijst werd aangepast;
bepaalde onderwerpen werden weggelaten, terwijl andere werden toegevoegd. De vragenlijst
is opgebouwd uit 23 mogelijke conflictonderwerpen die beoordeeld moeten worden op een 5punts Likert schaal die varieert van 1 (“Nooit”) tot 5 (“Voortdurend”). Een aantal
conflictonderwerpen die aan bod komen zijn “affectie en genegenheid van de partner”, “seks”
en “persoonlijkheid of temperament van de partner”. De items worden gescoord volgens twee
verschillende vragen, namelijk “Hoe vaak begint u een conflict of discussie rond onderstaande
onderwerpen?” en “Hoe vaak begint uw partner een conflict of discussie rond onderstaande
onderwerpen?”. Cronbach’s alpha bedraagt .95; de meting van de conficttopics wordt hiermee
beschouwd als intern consistent.
Procedure
De online vragenlijst werd via verschillende wegen verspreid. Hiervoor werd voornamelijk
gebruik gemaakt van sociale media zoals facebook en internetfora. Daarnaast werden ook heel
21 wat deelnemers persoonlijk aangesproken. Er werd getracht een ruime populatie aan te
spreken. Tijdens de rekrutering werden een aantal inclusie- en exclusiecriteria gehanteerd.
Enkel individuen ouder dan 18 die zich in een vaste heteroseksuele relatie bevinden, mochten
deelnemen aan de studie. Daarnaast mocht slechts één partner per koppel deelnemen.
Aangezien we de beleving van de individuen willen bestuderen, werd de deelname van beide
partners uitgesloten om overlappende data te vermijden.
Deelnemers werden doorverwezen naar een online vragenlijst die peilt naar
demografische gegevens en bovenstaande constructen. Om sociaal wenselijke antwoorden te
vermijden, werd de anonimiteit van de informatieverzameling benadrukt. Daarnaast werd het
doel van de studie uitgelegd, namelijk zicht krijgen op verschillende aspecten van
partnerrelaties. De gemiddelde tijd die het onderzoek in beslag neemt werd meegedeeld (25
minuten) en de vrijwillige basis van de deelname werd vermeld. De deelnemers
ondertekenden een informed consent wanneer ze doorklikten naar de vragenlijst. Het
onderzoek ontving goedkeuring van het ethisch comité van de Faculteit voor Psychologie en
Pedagogische Wetenschappen (FPPW).
22 Resultaten
Overzicht van de Analyses
Allereerst worden de descriptieve kenmerken van de studievariabelen besproken. Vervolgens
worden Pearson-correlaties tussen deze variabelen berekend als eerste screening op de te
onderzoeken associaties. Conflicttopics worden systematisch weggelaten uit de beschrijvende
statistiek, daar deze verdergaande analyses vereisen.
Daaropvolgend worden univariate regressie-analyses uitgevoerd om de acht
hypothesen te onderzoeken, met uitzondering van de zesde hypothese waarbij een
multivariate regressie-analyse wordt gehanteerd. Om de onderzoeksvragen te kunnen
beantwoorden dient de grote hoeveelheid conflicttopics eerst gereduceerd te worden door
middel van een Principale Componenten Analyse (PCA). Op basis van deze PCA kan
opnieuw gebruik gemaakt worden van multivariate regressie-analyses en een univariate
regressie-analyse om respectievelijk de eerste twee onderzoeksvragen en ten slotte de derde
en laatste onderzoeksvraag te beantwoorden.
Beschrijvende Statistiek
Gemiddelden en standaarddeviaties.
De gemiddelden en standaarddeviaties van de studievariabelen worden afgebeeld in Tabel 1.
Uit de vergelijking van de bekomen scores op de schalen voor behoeftebevrediging en –
frustratie, waarbij de scores kunnen variëren van 12 tot 60, kan afgeleid worden dat de
participanten een eerder hoge mate van behoeftebevrediging en een eerder lage mate van
behoeftefrustratie ervaren. De gemiddelde score op relationele tevredenheid, waarbij de
scores variëren tussen 6 en 45, ligt eveneens relatief hoog, wat indiceert dat de deelnemers
vrij tevreden zijn met hun relatie. Verder blijkt de gemiddelde score op conflictfrequentie
relatief laag te liggen, wanneer we in rekening brengen dat deze scores kunnen variëren van 1
tot 6. Dit geeft aan dat de participanten in eerder beperkte mate zelf een conflict opstarten.
Ten slotte wijst een hogere score op de subschalen voor de betreffende communicatiepatronen
op een sterker gebruik van deze communicatiepatronen tijdens relationeel conflict. Uit de
verkregen gemiddelden kunnen we opmaken dat wederzijds constructieve communicatie,
23 waarvan de scores kunnen variëren tussen -33 en 23, relatief vaak gehanteerd wordt. De
vergelijking van de verkregen gemiddelden bij demand-withdraw communicatie en
wederzijdse vermijding, waarbij de scores kunnen variëren tussen respectievelijk 6 en 54 en
tussen 3 en 27, wijst uit dat tijdens partnerconflict voornamelijk demand-withdraw
communicatiepatronen aangewend worden.
Tabel 1.
Gemiddelden
en
standaarddeviaties
van
de
studievariabelen
behoeftebevrediging,
behoeftefrustratie, relationele tevredenheid, conflictfrequentie, functionele en disfunctionele
communicatiepatronen
Variabelen
M
SD
Behoeftebevrediging
51.50
5.85
Behoeftefrustratie
19.79
7.04
Relationele tevredenheid
39.31
6.50
Conflictfrequentie
2.26
1.08
Functionele communicatiepatronen:
10.33
8.94
21.05
8.95
8.24
4.71
Wederzijds constructieve communicatie
Disfunctionele communicatiepatronen:
Demand-withdraw communicatie
Disfunctionele communicatiepatronen:
Wederzijdse vermijding en terughoudendheid
Noot: M = gemiddelde; SD = standaarddeviatie
Correlationele analyses.
Als eerste screening voor de hypothesen worden de correlaties berekend tussen de variabelen
die verder in de hypothesen onderzocht worden. De correlaties tussen deze studievariabelen
worden gepresenteerd in Tabel 2. Er blijkt in lijn met de verwachtingen een positieve
associatie te bestaan tussen behoeftebevrediging en relationele tevredenheid (r = .66, p
< .001), terwijl behoeftefrustratie negatief gerelateerd is aan relationele tevredenheid (r = -.56,
p < .001). Naarmate een individu meer behoeftebevrediging ervaart binnen de relatie, zal een
hogere
relationele
tevredenheid
gerapporteerd
worden.
Een
hogere
mate
van
behoeftefrustratie heeft daarentegen een negatieve impact op de ervaren relationele
tevredenheid. Daarnaast bestaat een negatieve correlatie tussen behoeftebevrediging en
24 conflictfrequentie (r = -.25, p < .001) en een positieve correlatie tussen behoeftefrustratie en
conflictfrequentie (r = .26, p < .001). Tevens consistent met de verwachtingen blijken
individuen die een hogere behoeftebevrediging ervaren minder frequent conflict te
rapporteren, terwijl conflict frequenter voorkomt bij individuen die zich meer gefrustreerd
voelen in hun behoeften. Uit de correlationele analyses kunnen verder positieve verbanden
afgeleid worden tussen behoeftebevrediging en functionele communicatiepatronen (r = .50, p
< .001) en tussen behoeftefrustratie en beide disfunctionele communicatiepatronen, namelijk
de demand-withdraw communicatie (r = .41, p < .001) en de wederzijds vermijding (r = .50, p
< .001). Ten slotte is de relationele tevredenheid negatief geassocieerd met een verhoogde
conflictfrequentie (r = -.26, p < .001) en met een toegenomen gebruik van demand-withdraw
communicatiepatronen (r = -.34, p < .001) en wederzijdse vermijding binnen de
communicatie (r = -.42, p < .001). Individuen die rapporteren vaker conflict te initiëren,
voelen zich minder tevreden in hun relatie. Wanneer daarnaast meer gebruik gemaakt wordt
van demand-withdraw communicatiepatronen en wederzijdse vermijding tijdens relationeel
conflict,
resulteert
ook
dit
in
een
verminderde
relationele
tevredenheid
25 Tabel 2.
Pearson correlaties tussen de studievariabelen behoeftebevrediging, behoeftefrustratie, relationele tevredenheid, conflictfrequentie, functionele
en disfunctionele communicatiepatronen
Variabelen
Relationele
tevredenheid
Conflictfrequentie
Functionele
Disfunctionele
communicatiepatronen communicatiepatronen:
Demand-withdraw
communicatie
Behoeftebevrediging
.66***
-.25***
.50***
Behoeftefrustratie
-.56***
.26***
Conflictfrequentie
-.26***
Disfunctionele
-.34***
communicatiepatronen:
Demand-withdraw
communicatie
-.42***
Disfunctionele
communicatiepatronen:
Wederzijdse
vermijding en
terughoudendheid
***
26 p
.41***
<
Disfunctionele
communicatiepatronen:
Wederzijdse
vermijding en
terughoudendheid
.50***
.001
Verklarende Statistiek: Toetsing van de Hypothesen en Onderzoeksvragen
Het verband tussen behoeften en relationele tevredenheid.
Het verband tussen behoeftebevrediging en relationele tevredenheid.
De eerste hypothese stelt dat er een positieve associatie verwacht wordt tussen
behoeftebevrediging en relationele tevredenheid. Om deze hypothese te toetsen wordt een
univariate regressie-analyse uitgevoerd met relationele tevredenheid als afhankelijke
variabele en behoeftebevrediging als onafhankelijke variabele. De resultaten van de
regressie-analyse worden gepresenteerd in Tabel 3. Uit de resultaten blijkt dat
behoeftebevrediging een significante voorspeller is van relationele tevredenheid (β = 8.82,
p < .001). Meer behoeftebevrediging door de partner voorspelt een hogere mate van
relationele tevredenheid.
Vervolgens wordt een meervoudige univariate regressie-analyse uitgevoerd met
relationele tevredenheid als afhankelijke variabele en de bevrediging van de behoefte aan
autonomie, competentie en verbondenheid als onafhankelijke variabelen. Uit de resultaten
van deze analyse, tevens weergegeven in Tabel 3, blijkt dat enkel bevrediging van de
behoefte aan verbondenheid een significante voorspeller is van relationele tevredenheid (β
= 6.73, p < .001). De eerste hypothese wordt aldus bevestigd. Er bestaat een positieve
associatie tussen behoeftebevrediging en relationele tevredenheid, dewelke voornamelijk
verklaard kan worden door de bevrediging van de behoefte aan verbondenheid.
27 Tabel 3.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftebevrediging
tot de predictie van relationele tevredenheid
Variabelen
β
t
R²
Algemene behoeftebevrediging
8.82
17.78***
.44
F (1, 406) = 315.99***
Autonomie bevrediging
.70
1.42
.56
1.78
.56
17.35***
.56
F (1, 404) = 2.00
Competentie bevrediging
.87
F (1, 404) = 3.18
Verbondenheid bevrediging
6.73
F (1, 404) = 301.03***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
*** p < .001
Het verband tussen behoeftefrustratie en relationele tevredenheid.
Een univariate regressie-analyse wordt gehanteerd om de tweede hypothese, die een
negatieve associatie veronderstelt tussen behoeftefrustratie en relationele tevredenheid, te
toetsen. Deze analyse wordt uitgevoerd met relationele tevredenheid als afhankelijk
variabele en behoeftefrustratie als onafhankelijke variabele. De resultaten van deze
regressie-analyse worden gepresenteerd in Tabel 4. Hieruit blijkt dat behoeftefrustratie een
significante voorspeller van relationele tevredenheid is (β = -6.17, p < .001). Een hogere
mate van behoeftefrustratie voorspelt een verminderde relationele tevredenheid.
Ook hier wordt een meervoudige univariate regressie-analyse uitgevoerd waarbij
een onderscheid gemaakt wordt tussen de behoefte aan autonomie, competentie en
verbondenheid. De frustratie van deze behoeften worden beschouwd als onafhankelijke
variabelen; de relationele tevredenheid als afhankelijke variabele. Frustratie van de
behoefte aan autonomie (β = -.98, p < .05) en de behoefte aan verbondenheid (β = -4.97, p
< .001) komen hieruit naar voor als significante voorspellers van relationele tevredenheid.
De frustratie van de behoefte aan autonomie en de behoefte aan verbondenheid resulteert
in een verminderde relationele tevredenheid, waarbij de behoefte aan verbondenheid de
28 sterkst verklarende factor is. De tweede hypothese, die een negatieve associatie tussen
behoeftefrustratie en relationele tevredenheid veronderstelt, wordt hiermee bevestigd.
Tabel 4.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftefrustratie tot
de predictie van relationele tevredenheid
Variabelen
β
t
R²
Algemene behoeftefrustratie
-6.17
-13.51***
.31
F (1, 406) = 182.57***
Autonomie frustratie
-.98
-2.22*
.38
-1.63
.38
-10.43***
.38
F (1, 404) = 4.92*
Competentie frustratie
-.71
F (1, 404) = 2.66
Verbondenheid frustratie
-4.97
F (1, 404) = 108.69***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
* p < .05; *** p < .001
Het verband tussen behoeften en conflict.
Het verband tussen behoeftebevrediging en conflictfrequentie.
Wat betreft relationeel conflict wordt verwacht dat men minder frequent een conflict zal
initiëren, wanneer men een hogere mate van behoeftebevrediging ervaart. Deze derde
hypothese wordt getoetst door middel van twee univariate regressie-analyses met
conflictfrequentie, meer specifiek de frequentie waarmee de participant aangeeft zelf een
conflict te starten met de partner, als afhankelijke variabele. De eerste analyse wordt
uitgevoerd met de algemene behoeftebevrediging als onafhankelijke variabele, bij de
tweede analyse wordt een onderscheid gemaakt tussen de bevrediging van de behoefte aan
autonomie, competentie en verbondenheid. De resultaten van deze analyses worden
gepresenteerd in Tabel 5. Uit deze resultaten kunnen we besluiten dat een hogere mate van
behoeftebevrediging tot minder frequent conflict leidt (β = -.54, p < .001) en deze
29 negatieve associatie bepaald wordt door de bevrediging van de behoefte aan autonomie (β
= -.32, p < .01). De derde hypothese wordt bijgevolg bevestigd.
Tabel 5.
Resultaten univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftebevrediging tot de
predictie van conflictfrequentie
Variabelen
β
t
R²
Algemene behoeftebevrediging
-.54
-5.09***
.06
-2.68**
.06
-1.12
.06
-1.05
.06
F (1, 406) = 25.95***
Autonomie bevrediging
-.32
F (1, 404) = 7.20**
Competentie bevrediging
-.13
F (1, 404) = 1.26
Verbondenheid bevrediging
-.10
F (1, 404) = 1.09
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
** p < .01; *** p < .001
Het verband tussen behoeftefrustratie en conflictfrequentie.
Om de verwachting dat een sterkere mate van behoeftefrustratie meer frequent conflict in
de hand werkt te toetsen, worden tevens twee univariate regressie-analyses uitgevoerd.
Opnieuw wordt de frequentie waarmee de participant aangeeft zelf een conflict te starten
met de partner opgenomen als afhankelijke variabele. De onafhankelijke variabelen in de
twee analyses omvatten respectievelijk de algemene behoeftefrustratie en de frustratie van
de drie specifieke behoeften. In Tabel 6 worden de resultaten van deze analyses
aangeboden. Hieruit komt een significant positief verband naar voor tussen
behoeftefrustratie en conflictfrequentie (β = .47, p < .001). In lijn met bovenstaande
resultaten wordt deze associatie voornamelijk bepaald door de frustratie van de behoefte
aan autonomie (β = .19, p < .05). Een verhoogde aanwezigheid van behoeftefrustratie in
partnerrelaties, meer specifiek van de behoefte aan autonomie, resulteert aldus in een
verhoogde conflictfrequentie. Er kan geconcludeerd worden dat de vierde hypothese
eveneens bevestigd wordt.
30 Tabel 6.
Resultaten univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftefrustratie tot de predictie
van conflictfrequentie
Variabelen
β
t
R²
Algemene behoeftefrustratie
.47
5.34***
.07
2.11*
.07
1.71
.07
1.31
.07
F (1, 406) = 28.55***
Autonomie bevrediging
.19
F (1, 404) = 4.45*
Competentie bevrediging
.15
F (1, 404) = 2.92
Verbondenheid bevrediging
.13
F (1, 404) = 1.72
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
* p < .05; *** p < .001
Het verband tussen behoeftebevrediging en functionele
communicatiepatronen.
De vijfde hypothese voorspelt meer gebruik van functionele communicatiepatronen ten
gevolge van een hogere mate van behoeftebevrediging. Om deze hypothese te toetsen
wordt een univariate regressie-analye uitgevoerd met de CPQ subschaal “Wederzijdse
constructieve communicatie” als afhankelijke variabele en behoeftebevrediging als
onafhankelijke variabele. De resultaten van deze regressie-analyse worden weergegeven in
Tabel 7. Uit de resultaten blijkt een significant verband te bestaan tussen
behoeftebevrediging en functionele communicatiepatronen (β = 9.21, p < .001). Een
hogere mate van behoeftebevrediging brengt een verhoogd gebruik van functionele
communicatiepatronen teweeg. Vervolgens wordt een meervoudige univariate regressieanalyse uitgevoerd waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de bevrediging van de
behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid. Deze omvatten de onafhankelijke
variabelen; de CPQ subschaal “Wederzijdse constructieve communicatie” is opnieuw de
afhankelijke variabele. Uit de resultaten, eveneens weergegeven in Tabel 7, blijkt dat de
bevrediging van de behoefte aan autonomie (β = 2.17, p < .05) en verbondenheid (β = 5.31,
31 p < .001) significante voorspellers van functionele communicatie zijn. De bevrediging van
de behoefte aan verbondenheid komt naar voor als de sterkste voorspeller van functionele
communicatiepatronen. Er kan besloten worden dat ook de vijfde hypothese bevestigd
wordt. Er bestaat een positieve associatie tussen behoeftebevrediging en functionele
communicatiepatronen, dewelke verklaard kan worden vanuit de bevrediging van de
behoefte aan verbondenheid en, in mindere mate, vanuit de behoefte aan autonomie.
Tabel 7.
Resultaten univariate regressie-analyses: bijdrage van behoeftebevrediging tot de
predictie van functionele communicatiepatronen
Variabelen
β
t
R²
Algemene behoeftebevrediging
9.21
11.71***
.25
F (1, 406) = 137.09***
Autonomie bevrediging
2.17
2.47*
.28
1.66
.28
7.77***
.28
F (1, 404) = 6.12*
Competentie bevrediging
1.42
F (1, 404) = 2.76
Verbondenheid bevrediging
5.31
F (1, 404) = 60.33***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
* p < .05; *** p < .001
Het verband tussen behoeftefrustratie en disfunctionele
communicatiepatronen.
Hypothese 6 stelt dat een hoge mate van behoeftefrustratie verwacht wordt te resulteren in
meer gebruik van disfunctionele communicatiepatronen. Om dit na te gaan wordt een
multivariate regressie-analyse uitgevoerd. Hierbij worden twee afhankelijke variabelen
opgenomen, namelijk de CPQ subschaal “Totale hoeveelheid demand-withdraw
communicatie” en de CPQ subschaal “Wederzijdse vermijding en terughoudendheid”.
Behoeftefrustratie wordt opgenomen als onafhankelijke variabele. De resultaten worden
gepresenteerd in Tabel 8a. De multivariate toets geeft aan of er een globaal effect is van de
predictor behoeftefrustratie op de disfunctionele communicatiepatronen. Uit de resultaten
32 blijkt dat het effect van behoeftefrustratie significant is. Voor het rapporteren van de Ftoets baseren we ons op Wilks’ Lambda, F(2, 405) = 82.41, p < .001. Aangezien de toets
significant blijkt, wordt op basis van de univariate toetsen nagegaan of er een effect is van
de predictor op elk van de afhankelijke variabelen afzonderlijk. Behoeftefrustratie blijkt
inderdaad zowel een effect te hebben op de demand-withdraw communicatiepatronen (β =
6.28, p < .001) als op de wederzijdse vermijding en terughoudendheid binnen de
communicatie (β = 3.98, p < .001). Er blijkt sprake van een positieve associatie, waarmee
de hypothese bevestigd wordt. Indien een hogere mate van behoeftefrustratie in de relatie
aanwezig is, blijkt men meer demand-withdraw communicatiepatronen te hanteren en zal
binnen
de
communicatie
vaker
sprake
zijn
van
wederzijdse
vermijding
en
terughoudendheid.
Tabel 8a.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van behoeftefrustratie tot de predictie
van disfunctionele communicatiepatronen
Multivariate toets
Algemene behoeftefrustratie
F (2, 405) = 82.41***
Univariate toetsen
Demand-withdraw communicatie
β
t
R²
6.28
9.10***
.17
F (1, 406) = 82.77***
Wederzijdse vermijding en
terughoudendheid
3.98
11.49***
.25
F (1, 406) = 131.92***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
*** p < .001
In lijn met voorgaande analyses wordt vervolgens een onderscheid gemaakt tussen de
frustratie van de behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid. Er wordt aan de
hand van een multivariate regressie-analyse nagegaan door welke van deze drie behoeften
de positieve associatie tussen behoeftefrustratie en disfunctionele communicatiepatronen
33 voornamelijk verklaard kan worden. De twee CPQ subschalen “Totale hoeveelheid
demand-withdraw communicatie” en “Wederzijdse vermijding en terughoudendheid”
worden hierbij opgenomen als afhankelijke variabelen. De drie vormen van
behoeftefrustratie worden opgenomen als onafhankelijke variabelen. De resultaten worden
gepresenteerd in Tabel 8b. De multivariate toetsen tonen aan dat er een globaal effect is
van de drie vormen van behoeftefrustratie op de disfunctionele communicatiepatronen.
Zowel voor de behoefte aan autonomie, F(2, 403) = 9.98, p < .001, de behoefte aan
competentie, F(2, 403) = 7.57, p = .001, als voor de behoefte aan verbondenheid, F(2, 403)
= 17.44, p < .001, wordt een significant effect verkregen. Voor het rapporteren van deze Ftoetsen baseren we ons op Wilks’ Lambda. De behoefte aan autonomie en de behoefte aan
verbondenheid
blijken
het
sterkste
effect
te
hebben
op
de
disfunctionele
communicatiepatronen.
Aan de hand van de univariate toetsen wordt nagegaan of het effect van de drie vormen
van behoeftefrustratie van toepassing is op elk van de afhankelijke variabelen afzonderlijk.
Ten eerste blijkt uit deze resultaten dat frustratie van de behoefte aan autonomie
zowel een effect heeft op de demand-withdraw communicatiepatronen, F (1, 404) = 5.79, p
< .05, als op de wederzijdse vermijding en terughoudendheid binnen de communicatie, F
(1, 404) = 18.90, p < .001. Indien een hogere mate van autonomiefrustratie in de relatie
aanwezig is, blijkt men meer demand-withdraw communicatiepatronen te hanteren (β =
1.68, p < .05) en zal binnen de communicatie vaker sprake zijn van wederzijdse vermijding
en terughoudendheid (β = 1.51, p < .001). Dit laatste effect is iets sterker maar we kunnen
afleiden dat autonomiefrustratie zowel wederzijdse vermijding en terughoudendheid als
demand-withdraw communicatiepatronen in de hand werkt.
Ten tweede komt een significant verband naar voor tussen competentiefrustratie en
demand-withdraw communicatiepatronen (β = 2.68, p < .001). Een verhoogde
aanwezigheid van competentiefrustratie binnen de relatie werkt een sterker gebruik van
demand-withdraw communicatiepatronen in de hand. De frustratie van deze behoefte is
niet significant gerelateerd aan het voorkomen van wederzijdse vermijding binnen de
communicatie.
Ten derde heeft de frustratie van de behoefte aan verbondenheid een significante
impact op zowel de demand-withdraw communicatiepatronen (β = 1.89, p < .05) als en
vooral op de wederzijdse vermijding en terughoudendheid binnen de communicatie (β =
2.21, p < .001). Een hogere mate van verbondenheidfrustratie in de partnerrelatie resulteert
aldus in een toegenomen gebruik van demand-withdraw communicatiepatronen, maar
34 vertoont voornamelijk een sterk verband met een verhoogde wederzijdse vermijding en
terughoudendheid binnen de communicatie.
We kunnen concluderen dat de sterkste positieve associaties die uit de resultaten
naar voor komen, deze zijn tussen de frustratie van de behoefte aan autonomie en
wederzijdse
vermijding
en
terughoudendheid
binnen
de
communicatie,
tussen
competentiefrustratie en de hantering van demand-withdraw communicatiepatronen, en
tenslotte de positieve associatie tussen de frustratie van de behoefte aan verbondenheid en
wederzijdse vermijding en terughoudendheid.
35 Tabel 8b.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van frustratie van de behoefte aan
autonomie, competentie en verbondenheid tot de predictie van disfunctionele
communicatiepatronen
Multivariate toetsen
Autonomie frustratie
F (2, 403) = 9.98***
Competentie frustratie
F (2, 403) = 7.57**
Verbondenheid frustratie
F (2, 403) = 17.44***
Univariate toetsen
Autonomie
Demand-withdraw
frustratie
communicatie
β
t
R²
1.68
2.41*
.17
F (1, 404) = 5.79*
Wederzijdse vermijding
1.51
4.35***
.26
en terughoudendheid
F (1, 404) = 18.90***
Competentie
Demand-withdraw
frustratie
communicatie
2.68
3.90***
.17
F (1, 404) = 15.17***
Wederzijdse vermijding
.40
1.18
.26
en terughoudendheid
F (1, 404) = 1.38
Verbondenheid
Demand-withdraw
frustratie
communicatie
1.89
2.50*
.17
F (1, 404) = 6.27*
Wederzijdse vermijding
2.21
5.88***
.26
en terughoudendheid
F (1, 404) = 34.57***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
* p < .05; ** p < .01; *** p < .001
36 Het verband tussen behoeftebevrediging en conflicttopics.
Het verband tussen behoeftebevrediging en conflicttopics wordt onderzocht door middel
van een multivariate regressie-analyse. Om deze te kunnen uitvoeren diende eerst een
bijkomende analyse te gebeuren, daar de afhankelijke variabele ‘conflicttopics’ 27
verschillende topics omvat. Deze grote hoeveelheid topics werd gereduceerd met behulp
van een Principale Componenten Analyse. Enkel factoren met Eigenvalues hoger dan 1
werden weerhouden. De 6 factoren die op deze manier verkregen werden, verklaren samen
55.28% van de totale variantie. Aangezien verwacht kan worden dat de factoren
gecorreleerd zouden zijn, werd een oblique rotatie toegepast om de interpreteerbaarheid te
verhogen. De factorladingen worden weergegeven in bijlage 1. Factor 2, 3 en 4 resulteren
in negatieve factorladingen wat impliceert dat scores op deze factoren omgekeerd
geïnterpreteerd dienen te worden. Meer specifiek houdt dit in dat wanneer tijdens verdere
analyses negatieve β-waarden en scores op de t-toetsen verkregen worden, deze wijzen op
een positieve associatie. Omgekeerd wijzen positieve β-waarden en t-toetsen bij deze drie
factoren op een negatief verband.
De eerste component kreeg de benaming ‘Eigenheid’ en omvat conflicttopics
omtrent de mate waarin men zichzelf mag zijn binnen de relatie, zoals persoonlijke
waarden en buitensporige eisen. De tweede component ‘Praktische zaken’ bevat
onderwerpen als huishoudelijke taken en financiën. Component 3 ‘Aandacht’ omvat topics
als de waardering van de partner en het te weinig tijd met elkaar doorbrengen. Voor
component 4 werd de term ‘Intimiteit’ gekozen, dewelke seksuele thema’s bevat. Bij de
vijfde component werden twee zaken gecombineerd; deze kreeg de benaming ‘Uiterlijk en
sociale relaties’ en houdt onderwerpen in als persoonlijke verzorging, vrienden en familie.
De zesde en laatste component ‘Vertrouwen’ betreft ten slotte conflicttopics als
buitenechtelijke relaties en vorige partners. Deze 6 componenten werden aangewend voor
de regressie-analyse.
De
6
factorscores
werden
opgenomen
als
afhankelijke
variabelen
en
behoeftebevrediging als onafhankelijke variabele. De resultaten worden gepresenteerd in
Tabel 9a. Uit de resultaten blijkt dat het effect van behoeftebevrediging op conflicttopics
significant is. Voor het rapporteren van de F-toets baseren we ons op Wilks’ Lambda, F(6,
401) = 14.02, p < .001. Op basis van de univariate toetsen wordt het effect van de predictor
op elk van de afhankelijke variabelen afzonderlijk nagegaan. Deze resultaten tonen aan dat
het significant effect van behoeftebevrediging geldt voor alle 6 de componenten van
conflicttopics. Een hogere mate van behoeftebevrediging resulteert in minder conflict
omtrent de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie (β = -.61, p < .001), omtrent
37 praktische zaken (β = .41, p < .001), aandacht (β = .58, p < .001), intimiteit (β = .45, p
< .001), uiterlijk en sociale relaties (β = -.38, p < .001) en vertrouwen (β = -.39, p < .001).
Deze eerste onderzoeksvraag kan dan ook beantwoord worden met een negatieve
associatie tussen behoeftebevrediging en conflicttopics. Indien individuen een hogere mate
van
behoeftebevrediging
in
de
relatie
ervaren,
blijken
de
hier
onderzochte
conflictonderwerpen minder voor te komen.
Tabel 9a.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van behoeftebevrediging tot de
predictie van conflicttopics
Multivariate toets
Algemene behoeftebevrediging
F (6, 401) = 14.02***
Univariate toetsen
Eigenheid
β
t
R²
-.61
-6.26***
.09
F (1, 406) = 39.22***
Praktische zaken a
.41
4.14***
.04
F (1, 406) = 17.15***
Aandacht a
.58
5.99***
.08
F (1, 406) = 35.84***
Intimiteit a
.45
4.50***
.05
F (1, 406) = 20.28***
Uiterlijk en sociale relaties
-.38
-3.76***
.03
F (1, 406) = 14.15***
Vertrouwen
-.39
-3.94***
.04
F (1, 406) = 15.56***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
a scores
op deze variabele worden omgekeerd geïnterpreteerd
*** p < .001
38 In aanvulling op bovenstaande analyse, wordt een multivariate regressie-analyse
uitgevoerd waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de bevrediging van de behoefte
aan autonomie, competentie en verbondenheid. Aan de hand van deze analyse wordt
nagegaan door welke van de drie behoeften de negatieve associatie tussen
behoeftebevrediging en conflicttopics voornamelijk verklaard kan worden. De 6
factorscores werden opgenomen als afhankelijke variabelen, de drie vormen van
behoeftebevrediging als onafhankelijke variabele. De resultaten worden gepresenteerd in
Tabel 9b. Er wordt een significant effect verkregen voor de behoefte aan autonomie F (6,
399) = 3.95, p < .01 en verbondenheid F (6, 399) = 5.17, p < .001 waarbij we ons baseren
op Wilks’ Lambda. De bevrediging van de behoefte aan verbondenheid heeft het sterkste
effect op de conflicttopics. Competentiebevrediging blijkt daarentegen niet significant
gerelateerd aan de onderwerpen die aangehaald worden tijdens een conflict.
Uit de univariate toetsen kan afgeleid worden dat autonomiebevrediging een
significant effect heeft op conflicttopics omtrent praktische zaken (β = .25, p < .05),
aandacht (β = .39, p < .001), intimiteit (β = .30, p < .01), en vertrouwen (β = -.28, p < .05).
Er is sprake van een negatieve associatie tussen bevrediging van de behoefte aan
autonomie en deze conflicttopics. Een hogere mate van autonomiebevrediging resulteert in
minder conflict omtrent praktische zaken, aandacht, intimiteit en vertrouwen. Daarnaast
heeft de bevrediging van de behoefte aan verbondenheid een significant effect op conflict
omtrent de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie (β = -.41, p < .001), op conflict
omtrent uiterlijk en sociale relaties (β = -.30, p < .01) alsook op conflict over praktische
zaken (β = .23, p < .01). Ook hier is sprake van een negatieve associatie tussen de
bevrediging van de behoefte aan verbondenheid en deze conflicttopics. Een verhoogde
verbondenheidbevrediging leidt tot het minder voorkomen van conflict omtrent de mate
waarin men zichzelf mag zijn in de relatie, omtrent uiterlijk en sociale relaties en ten slotte
omtrent praktische zaken.
Er
kan
geconcludeerd
worden
dat
de
negatieve
associatie
tussen
behoeftebevrediging en conflicttopics verklaard kan worden vanuit de bevrediging van de
behoefte aan autonomie en de behoefte aan verbondenheid, waarbij deze laatste de sterkst
bepalende rol speelt. Er bestaat een negatief verband tussen beide vormen van
behoeftebevrediging en het voorkomen van conflict omtrent praktische zaken. Daarnaast
leidt een hogere mate van autonomiebevrediging tot het minder vaak voorkomen van
conflict omtrent aandacht, intimiteit en vertrouwen. Meer bevrediging van de behoefte aan
verbondenheid is ten slotte een unieke voorspeller van verminderd conflict omtrent
uiterlijk, sociale relaties en mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie.
39 Tabel 9b.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van bevrediging van de behoefte aan
autonomie, competentie en verbondenheid tot de predictie van conflicttopics
Multivariate toetsen
Autonomie bevrediging
F (6, 399) = 3.95**
Competentie bevrediging
F (6, 399) = .88
Verbondenheid bevrediging
F (6, 399) = 5.17***
Univariate toetsen
Autonomie
Praktische zaken a
β
t
R²
.25
2.22*
.05
bevrediging
F (1, 404) = 4.93*
Aandacht a
.39
3.56***
.09
F (1, 404) = 12.64***
Intimiteit a
.30
2.70**
.05
F (1, 404) = 7.27**
Vertrouwen
-.28
-2.49*
.05
F (1, 404) = 6.18*
Verbondenheid
Eigenheid
-.41
-4.80***
.11
bevrediging
F (1, 404) = 23.04***
Praktische zaken a
.23
2.63**
.05
F (1, 404) = 6.94**
Uiterlijk en sociale
-.30
-3.42**
.05
relaties
F (1, 404) = 11.72**
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
a scores
op deze variabele worden omgekeerd geïnterpreteerd
* p < .05; ** p < .01; *** p < .001
40 Het verband tussen behoeftefrustratie en conflicttopics.
De associatie tussen behoeftefrustratie en conflicttopics wordt nagegaan door middel van
een multivariate regressie-analyse. De 6 factorscores die verkregen werden uit de
hierboven beschreven Principale Componenten Analyse worden opgenomen als
afhankelijke variabelen, behoeftefrustratie wordt beschouwd als onafhankelijke variabele.
In Tabel 10a worden de resultaten van deze analyse gepresenteerd. Hieruit komt een
significant effect van behoeftefrustratie op conflicttopics naar voor, F (6, 401) = 22.90, p
< .001. De gerapporteerde F-toets is gebaseerd op Wilks’ Lambda. De resultaten van de
univariate toetsen tonen een significant positief verband aan tussen behoeftefrustratie en
alle 6 de conflicttopics. Een hogere mate van behoeftefrustratie leidt tot meer conflict
omtrent de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie (β = .67, p < .001), omtrent
praktische zaken (β = -.37, p < .001), aandacht (β = -.65, p < .001), intimiteit (β = -.29, p
< .001), uiterlijk en sociale relaties (β = .43, p < .001) en omtrent vertrouwen (β = .34, p
< .001). Onderzoeksvraag 2 kan positief beantwoord worden; er is wel degelijk een
associatie aanwezig tussen behoeftefrustratie en conflicttopics. Meer specifiek is sprake
van een positieve associatie, wat aangeeft dat hoe hoger de mate van behoeftefrustratie
binnen de relatie is, hoe sterker deze conflicttopics naar boven komen.
41 Tabel 10a.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van behoeftefrustratie tot de predictie
van conflicttopics
Multivariate toets
Algemene
behoeftebevrediging
F (6, 401) = 22.90***
Univariate toetsen
Eigenheid
β
t
R²
.67
8.57***
.15
F (1, 406) = 73.45***
Praktische zaken a
-.37
-4.50***
.05
F (1, 406) = 20.26***
Aandacht a
-.65
-8.37***
.15
F (1, 406) = 69.97***
Intimiteit a
-.29
-3.51***
.03
F (1, 406) = 12.32***
Uiterlijk en sociale
relaties
.43
5.26***
.06
F (1, 406) = 27.66***
Vertrouwen
.34
4.06***
.04
F (1, 406) = 16.49***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
a scores
op deze variabele worden omgekeerd geïnterpreteerd
*** p < .001
Vervolgens wordt een multivariate regressie-analyse uitgevoerd waarbij een onderscheid
gemaakt wordt tussen de frustratie van de behoefte aan autonomie, competentie en
verbondenheid. De resultaten van deze analyse met de 6 factorscores als afhankelijke
variabelen en de drie vormen van behoeftefrustratie als onafhankelijke variabelen, worden
gepresenteerd in Tabel 10b. Hieruit komen significante effecten naar voor bij zowel de
42 behoefte aan autonomie, F (6, 399) = 7.39, p < .001, de behoefte aan competentie, F (6,
399) = 3.57, p < .01, als bij de behoefte aan verbondenheid, F (6, 399) = 4.42, p < .001.
Deze F-waarden zijn gebaseerd op Wilks’ Lambda. De autonomiefrustratie en
verbondenheidfrustratie blijken het sterkste effect te hebben op de onderwerpen die
aangehaald worden tijdens conflict binnen partnerrelaties.
Uit de univariate toetsen kan afgeleid worden dat autonomiefrustratie een significant effect
heeft op de conflicttopics omtrent de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie (β
= .27, p < .01), praktische zaken (β = -.49, p < .001) en aandacht (β = -.17, p < .05).
Competentiefrustratie is significant gerelateerd aan conflict omtrent aandacht (β = -.30, p
< .001), uiterlijk en sociale relaties (β = .17, p < .05) en vertrouwen (β = .17, p < .05).
Verder blijkt verbondenheidfrustratie een significant effect te hebben op conflict omtrent
de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie (β = .29, p < .01), op conflict omtrent
aandacht (β = -.19, p < .05), intimiteit (β = -.27, p < .01) en ten slotte vertrouwen (β = .21,
p < .05). Er kan geconcludeerd worden dat bij alle effecten sprake is van een positieve
associatie. Een hogere mate van autonomiefrustratie resulteert in het sterker aan bod
komen van conflictonderwerpen als praktische zaken, zichzelf kunnen zijn binnen de
relatie en aandacht. Vooral conflict omtrent praktische zaken wordt uitgelokt bij een
verhoogde autonomiefrustratie. Een verhoogde competentiefrustratie werkt voornamelijk
conflict omtrent aandacht in de hand. Ook conflict omtrent uiterlijk, sociale relaties en
vertrouwen worden hierdoor ontlokt, dan wel in mindere mate. De frustratie van de
behoefte aan verbondenheid brengt ten slotte voornamelijk een hogere mate van conflict
teweeg omtrent intimiteit en het zichzelf kunnen zijn binnen de relatie. Ook de
onderwerpen aandacht en vertrouwen komen vaker aan bod tijdens conflict ten gevolge
van een verhoogde frustratie van de behoefte aan verbondenheid.
Op basis van deze resultaten kan gesteld worden dat een persoon die zich gefrustreerd
voelt in de behoefte aan autonomie en verbondenheid, tijdens conflict voornamelijk
ongenoegen uitdrukt over de mate waarin men zichzelf mag zijn binnen de relatie. Een
individu dat zich gefrustreerd voelt in de behoefte aan competentie en verbondenheid, zal
tijdens relationeel conflict geregeld het thema vertrouwen bovenhalen. Kenmerkend voor
individuen die zich gefrustreerd voelen in alle drie de psychologische basisbehoeften, maar
voornamelijk in hun behoefte aan competentie, is het tijdens conflict herhaaldelijk aan bod
brengen van het onderwerp aandacht. Ten slotte komt het tijdens relationeel conflict
geregeld aanhalen van thema’s als intimiteit, praktische zaken en uiterlijk en sociale
relaties voort uit een frustratie van respectievelijk de behoefte aan verbondenheid,
autonomie en competentie.
43 Tabel 10b.
Resultaten multivariate regressie-analyse: bijdrage van frustratie van de behoefte aan
autonomie, competentie en verbondenheid tot de predictie van conflicttopics
Multivariate toetsen
Autonomie frustratie
F (6, 399) = 7.39***
Competentie frustratie
F (6, 399) = 3.57**
Verbondenheid frustratie
F (6, 399) = 4.42***
Univariate toetsen
Autonomie
Eigenheid
β
t
R²
.27
3.41**
.16
frustratie
F (1, 404) = 11.64**
Praktische zaken a
-.49
-6.03***
.10
F (1, 404) = 36.31***
Aandacht a
-.17
-2.11*
.15
F (1, 404) = 4.46*
Competentie
Aandacht a
-.30
-3.80***
.15
frustratie
F (1, 404) = 14.43***
Uiterlijk en sociale
.17
2.06*
.07
relaties
F (1, 404) = 4.24*
Vertrouwen
.17
2.05*
.05
F (1, 404) = 4.21*
Verbondenheid
Eigenheid
.29
3.37**
.16
frustratie
F (1, 404) = 11.38**
Aandacht a
-.19
-2.18*
.15
F (1, 404) = 4.76*
44 Intimiteit a
-.27
-2.98**
.04
F (1, 404) = 8.90**
Vertrouwen
.21
2.33*
.05
F (1, 404) = 5.42*
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
a scores
op deze variabele worden omgekeerd geïnterpreteerd
* p < .05; ** p < .01; *** p < .001
Het verband tussen conflict en relationele tevredenheid.
Het verband tussen conflictfrequentie en relationele tevredenheid.
Om het verwachte negatieve verband tussen conflictfrequentie en relationele tevredenheid
te toetsten, wordt een univariate regressie-analyse uitgevoerd. Relationele tevredenheid
wordt hierbij opgenomen als afhankelijk variabele en conflictfrequentie, meer specifiek de
frequentie waarmee de participant aangeeft zelf een conflict te starten met de partner, als
onafhankelijke variabele. De resultaten worden weergegeven in Tabel 11 en tonen aan dat
er een significante negatieve associatie aanwezig is tussen conflictfrequentie en relationele
tevredenheid (β = -1.56, p < .001). Hypothese 7 wordt bevestigd; de aanwezigheid van
meer frequent conflict resulteert in een verminderde relationele tevredenheid binnen
partnerrelaties.
Tabel 11.
Resultaten univariate regressie-analyse: bijdrage van conflictfrequentie tot de predictie
van relationele tevredenheid
Variabelen
β
t
R²
Conflictfrequentie
-1.56
-5.38***
.07
F (1, 406) = 28.96***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
*** p < .001
45 Het verband tussen disfunctionele communicatiepatronen en relationele
tevredenheid.
Hypothese 8 stelt dat een negatieve associatie verwacht wordt tussen de hantering van
disfunctionele communicatiepatronen en relationele tevredenheid. Om dit na te gaan wordt
een meervoudige univariate regressie-analyse uitgevoerd met relationele tevredenheid als
afhankelijke variabele en de CPQ subschalen “Totale hoeveelheid demand-withdraw
communicatie” en “Wederzijdse vermijding en terughoudendheid” als onafhankelijke
variabelen. De resultaten worden gepresenteerd in Tabel 12 en bevestigen de achtste
hypothese. Beide disfunctionele communicatiepatronen zijn significante voorspellers van
een verminderde relationele tevredenheid. Een verhoogde hantering van demand-withdraw
communicatiepatronen binnen de partnerrelatie resulteert in een zwakkere relationele
tevredenheid (β = -.14, p < .001), evenals een hoge mate van wederzijds vermijding en
terughoudendheid binnen de communicatie hierin blijkt te resulteren (β = -.46, p < .001).
Deze laatste associatie is beduidend sterker en geeft hiermee aan dat vooral de wederzijdse
vermijding en terughoudendheid binnen de communicatie een nefaste impact heeft op de
relationele tevredenheid.
Tabel 12.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyse: bijdrage van disfunctionele
communicatiepatronen tot de predictie van relationele tevredenheid
Variabelen
β
t
R²
Demand-withdraw communicatie
-.14
-3.78***
.20
-6.71***
.20
F (1, 405) = 14.30***
Wederzijdse vermijding en
-.46
terughoudendheid
F (1, 405) = 45.07***
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
*** p < .001
Het verband tussen conflicttopics en relationele tevredenheid.
Om de laatste onderzoeksvraag te toetsen wordt een meervoudige univariate regressieanalyse uitgevoerd waarbij de relationele tevredenheid opgenomen wordt als afhankelijke
46 variabele en de 6 factorscores die verkregen werden uit de Principale Componenten
Analyse als onafhankelijke variabelen. De resultaten die hieruit verkregen werden, staan
weergegeven in Tabel 13. Er komt een significant verband naar voor tussen relationele
tevredenheid en twee conflicttopics, namelijk ‘Eigenheid’ (β = -1.15, p < .01) en
‘Aandacht’ (β = 1.30, p < .001). Tussen deze conflicttopics en relationele tevredenheid
bestaat een negatieve associatie. Een verhoogde mate van conflict omtrent aandacht en de
mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie resulteert in een verminderde relationele
tevredenheid. Onderzoeksvraag 3 kan aldus beantwoord worden met een negatieve
associatie tussen de conflicttopics ‘Eigenheid’ en ‘Aandacht’ enerzijds en relationele
tevredenheid anderzijds, waarmee wordt aangegeven dat conflict omtrent deze
onderwerpen een uitlokkende factor betreft voor een verzwakte relationele tevredenheid.
Tabel 13.
Resultaten meervoudige univariate regressie-analyse: bijdrage van conflicttopics tot de
predictie van relationele tevredenheid
Variabelen
β
t
R²
Eigenheid
-1.15
-3.48**
.14
-.20
.14
3.83***
.14
.57
.14
-1.37
.14
-1.74
.14
F (1, 401) = 12.12**
Praktische zaken
-.06
F (1, 401) = .04
Aandacht a
1.30
F (1, 401) = 14.68***
Intimiteit
.18
F (1, 401) = .33
Uiterlijk en sociale relaties
-.47
F (1, 401) = 1.87
Vertrouwen
-.55
F (1, 401) = 3.04
Noot: β = gestandaardiseerd regressiegewicht; t = t-toetsstatistiek; R² = verklaarde
variantie van predictoren; F = F-statistiek
a scores
op deze variabele worden omgekeerd geïnterpreteerd
** p < .01; *** p < .001
47 Discussie
Vanwege het aangetoonde belang van behoeftebevrediging voor individueel en relationeel
welzijn (Deci & Ryan, 2000; Patrick et al., 2007, Reis et al., 2000; Sheldon et al., 1996)
lijkt het ons cruciaal om dit onderzoeksdomein verder te exploreren. Na een grondige
studie van de huidige literatuur werden verscheidene leemtes ontdekt binnen de
wetenschappelijke literatuur omtrent behoeftebevrediging, behoeftefrustratie en hun
relationele uitkomsten. Zo blijken voornamelijk wetenschappelijke studies omtrent
behoeftefrustratie en de consequenties hiervan binnen partnerrelaties gering. Het leek ons
dan ook noodzakelijk om de verbanden tussen behoeftebevrediging, behoeftefrustratie,
relationeel conflict en relationele tevredenheid binnen partnerrelaties verder te
onderzoeken. Deze associaties werden onderzocht binnen het perspectief van de
Zelfdeterminatie theorie, wat als voordeel heeft dat een kader geboden wordt waarbinnen
zowel de persoonlijkheid van het individu, als de context begrepen kunnen worden (La
Guardia & Patrick, 2008).
De eerste doelstelling van de huidige studie was om
het verband tussen
behoeftebevrediging en –frustratie enerzijds en relationele tevredenheid anderzijds te
onderzoeken.
Daaropvolgend
werd
als
tweede
doelstelling
de
relatie
tussen
behoeftebevrediging en –frustratie enerzijds en relationeel conflict anderzijds nagegaan. Er
werd gedifferentieerd tussen conflictfrequentie, communicatiepatronen binnen conflict en
conflicttopics. Als derde en laatste doel bekeken we de associatie tussen relationeel
conflict en relationele tevredenheid, waarbij opnieuw gedifferentieerd werd tussen
conflictfrequentie, communicatiepatronen en conflicttopics.
De doelstellingen van deze studie werden bereikt door middel van een online
vragenlijstonderzoek bij 408 deelnemers van 17 tot 77 jaar die zich in een vaste relatie
bevinden. Door partnerrelaties in het algemeen te beschouwen, hadden we de intentie om
onderzoek naar behoeftebevrediging en de link met relationele uitkomsten, wat tot nog toe
hoofdzakelijk uitgevoerd werd bij gehuwde koppels, uit te breiden.
Bespreking van de Onderzoeksresultaten
Vooraleer de hypothesen en onderzoeksvragen te bespreken, behandelen we de
beschrijvende gegevens omtrent de mate waarin individuen zich bevredigd dan wel
gefrustreerd voelen in hun behoeften, relationeel tevreden zijn, conflict ervaren en
48 aanpakken. De deelnemers binnen onze steekproef rapporteerden een eerder hoge mate van
behoeftebevrediging te ervaren, een eerder lage mate van behoeftefrustratie te ervaren en
vrij tevreden te zijn met hun relatie. Verder werd aangegeven dat het zelf initiëren van
conflict in eerder beperkte mate voorkomt en dat relatief vaak wederzijds constructieve
communicatie gehanteerd wordt. Wanneer de communicatie tijdens partnerconflict
disfunctioneel wordt, rapporteerden de deelnemers dat voornamelijk demand-withdraw
communicatiepatronen aangewend worden. Hoewel dit positieve bevindingen betreffen,
dienen we er rekening mee te houden dat in studies rond partnerrelaties mogelijk een
selectiebias optreedt. Aangezien bij relationeel ontevreden individuen een verhoogd risico
aanwezig is op reeds verbroken relaties, is het minder waarschijnlijk dat deze individuen
opgenomen worden binnen partneronderzoek (Christopher & Sprecher, 2000).
Verder bleek behoeftebevrediging gecorreleerd aan meer relationele tevredenheid,
minder frequent conflict en meer gebruik van functionele communicatiepatronen.
Behoeftefrustratie bleek daarnaast te correleren met een verminderde relationele
tevredenheid, meer frequent conflict en een verhoogd gebruik van beide disfunctionele
communicatiepatronen. Ten slotte werd aangetoond dat relationele tevredenheid negatief
gecorreleerd
is
met
conflictfrequentie,
het
gebruik
van
demand-withdraw
communicatiepatronen en wederzijdse vermijding binnen de communicatie.
Het verband tussen behoeften en relationele tevredenheid.
Onze eerste hypothese, die we baseerden op verscheidene studies waarin een significant
positief verband tussen behoeftebevrediging en relationele tevredenheid werd aangetoond
(zie o.a. Patrick et al., 2007; Sheldon et al., 1996), werd bevestigd. We vonden dat
naarmate individuen meer behoeftebevrediging door de partner ondervonden, ze een
hogere relationele tevredenheid rapporteerden. Meer specifiek vonden we dat enkel
bevrediging van de behoefte aan verbondenheid een unieke voorspeller was van relationele
tevredenheid, in tegenstelling tot voorgaand onderzoek waarin een positieve associatie
werd aangetoond tussen iedere behoefte en relationele tevredenheid (Patrick et al., 2007).
De bevrediging van de behoefte aan verbondenheid kwam hierbij wel naar voor als de
sterkst bepalende factor (Patrick et al., 2007), wat door onze resultaten bevestigd werd.
Door Gottman (1994) werd reeds aangetoond dat bij de behoefte aan verbondenheid
voornamelijk het zich bevestigd weten door de partner in een hogere relationele
tevredenheid resulteert. Het gevoel een zorgende, liefhebbende partner te hebben brengt
daarnaast sterkere gevoelens van veiligheid binnen de relatie met zich mee (Collins &
49 Miller, 1994). Het is mogelijk dat gevoelens van veiligheid, naast gevoelens van
bevestiging door de partner, een belangrijke rol spelen in het bepalen van de relationele
tevredenheid en hiermee een mogelijke verklaring bieden voor de sterke positieve
associatie tussen de bevrediging van de behoefte aan verbondenheid en relationele
tevredenheid.
Bij de tweede hypothese veronderstelden we een negatieve associatie tussen
behoeftefrustratie en relationele tevredenheid. De hypothese werd bevestigd en toonde
hiermee aan dat individuen die aangaven een hogere mate van behoeftefrustratie binnen de
partnerrelatie te ervaren, een afgenomen relationele tevredenheid rapporteerden. Ook dit
verband bleek niet van toepassing op iedere behoefte afzonderlijk. Enkel frustratie van de
behoefte aan autonomie en de behoefte aan verbondenheid waren significant geassocieerd
met een verminderde relationele tevredenheid. In lijn met de resultaten bij
behoeftebevrediging, bleek ook hier de behoefte aan verbondenheid duidelijk de sterkst
verklarende factor. Wegens gebrek aan wetenschappelijke studies omtrent de specifieke
relatie tussen behoeftefrustratie en relationele uitkomsten, konden we ons hiervoor niet op
eerder onderzoek baseren. De huidige resultaten kunnen wel gekaderd worden binnen
ruimer onderzoek omtrent behoeftefrustratie. De Zelfdeterminatie theorie schuift namelijk
verminderd welzijn naar voor als één van de aannemelijke gevolgen van behoeftefrustratie
(Deci & Ryan, 2000; Ryan et al., 2006). Aangezien relationele tevredenheid één van de
aspecten is die het relationeel welzijn bepaalt (Patrick et al., 2007; Sheldon et al., 1996),
sluit de negatieve associatie tussen behoeftefrustratie en relationele tevredenheid die in de
huidige resultaten aangetoond werd aan bij de bevindingen uit voorgaande studies.
We kunnen concluderen dat er wel degelijk sprake is van een verband tussen
behoeften en relationele tevredenheid, dewelke voornamelijk verklaard kan worden door
de bevrediging dan wel frustratie van de behoefte aan verbondenheid.
Het verband tussen behoeften en conflict.
Bij het verband tussen behoeften en conflict wordt gedifferentieerd tussen respectievelijk
conflictfrequentie, communicatiepatronen tijdens conflict en conflicttopics.
In de derde hypothese werd verondersteld dat een hogere mate van
behoeftebevrediging zou leiden tot het minder frequent initiëren van conflict. De hypothese
werd bevestigd en deze negatieve associatie bleek bijgevolg bepaald te worden door de
bevrediging van de behoefte aan autonomie. Meer specifiek toonden we aan dat individuen
die zich meer bevredigd voelen in hun behoefte aan autonomie, minder frequent conflict
50 initiëren. Voor deze hypothese baseerden we ons op voorgaand onderzoek (La Guardia &
Patrick, 2008; Patrick et al., 2007) waarin gesteld werd dat behoeftebevrediging resulteert
in een aantal positieve relationele uitkomsten met betrekking tot relationeel conflict,
waaronder minder frequent eerder conflict omtrent het onderwerp in kwestie. De huidige
resultaten betekenen een belangrijke aanvulling op dit voorafgaand onderzoek van Patrick
et al. (2007) waarin werd aangetoond dat partners met een hogere mate van
behoeftebevrediging minder vaak eerdere discussie hadden gehad over het onderwerp in
kwestie en daarnaast minder conflict waarnamen. Het aantal onenigheden werd hier
daarentegen niet significant door beïnvloed (Patrick et al., 2007). Volgens deze studie
resulteert een hogere mate van behoeftebevrediging aldus niet in een verminderde
conflictfrequentie, maar zorgt het er enkel voor dat dezelfde conflictonderwerpen minder
terugkeren. Op het eerste zicht lijken onze bevindingen deze voorafgaande resultaten tegen
te spreken, wat echter niet noodzakelijk het geval is. In deze eerdere studie werd namelijk
conflictfrequentie in het algemeen nagegaan, terwijl wij focusten op de frequentie waarmee
individuen zelf conflict initiëren. Deze resultaten kunnen dan ook niet zonder meer
vergeleken worden met de bevindingen uit ons onderzoek. Het is mogelijk dat
behoeftebevrediging de algemene conflictfrequentie niet significant beïnvloedt terwijl deze
wel significant geassocieerd is met de frequentie waarmee individuen zelf conflict initiëren.
Een andere mogelijke verklaring van deze op het eerste zicht tegenstrijdige resultaten heeft
betrekking op de mate waarin conflict wordt waargenomen. Patrick et al. (2007) toonden
aan dat een hogere mate van behoeftebevrediging geassocieerd is met het minder
waarnemen van relationeel conflict. Mogelijk is er in onze steekproef objectief ook geen
sprake van minder frequent conflict, maar nemen de individuen wegens een hogere mate
van behoeftebevrediging minder conflict waar waardoor een lagere conflictfrequentie
gerapporteerd werd. In de huidige studie werd dan ook geen objectieve maat van conflict
maar de perceptie van de individuen gemeten. Verder onderzoek is noodzakelijk om dit uit
te klaren.
Wat betreft het verband tussen behoeftefrustratie en conflictfrequentie werd een
positieve associatie verondersteld. Deze vierde hypothese werd eveneens bevestigd,
waarmee werd aangetoond dat individuen die zich meer gefrustreerd voelen in hun
behoeften, vaker conflict initiëren. In lijn met het voorgaande werd deze associatie
voornamelijk bepaald door de frustratie van de behoefte aan autonomie. Een mogelijke
verklaring voor deze resultaten kan zich situeren in de verhoogde gevoeligheid voor
defensiviteit die uitgelokt wordt door behoeftefrustratie, waardoor mogelijk sneller conflict
geïnitieerd wordt. Hiervoor baseren we ons op voorgaande studies waarin een verband
51 werd aangetoond tussen behoeftefrustratie en het gevoeliger worden voor defensiviteit (zie
o.a. Deci & Vansteenkiste, 2004; Ryan & Deci, 2000a; Ryan & Vansteenkiste, n.d.). Meer
specifiek bleek uit onze resultaten dat de frustratie van de behoefte aan autonomie de
belangrijkste bijdrage levert aan de positieve associatie tussen behoeftefrustratie en
conflictfrequentie. In voorafgaande studies werd aangegeven dat frustratie van de behoefte
aan autonomie leidt tot het zich gecontroleerd voelen door een extern afgedwongen of een
zelf opgelegde druk (deCharms, 1968; Deci & Ryan, 1985). Het is mogelijk dat het gevoel
gecontroleerd te worden door de partner, dat verkregen wordt ten gevolge van de
autonomiefrustratie, resulteert in het vaker in opstand komen en hiermee in het frequenter
initiëren van conflict.
In onze vijfde hypothese verwachtten we een positief verband tussen behoeftebevrediging
en de hantering van functionele communicatiepatronen tijdens conflict. Conform onze
verwachtingen, vonden we dat naarmate individuen meer behoeftebevrediging ervaarden
binnen hun relatie, ze een verhoogd gebruik van functionele communicatiepatronen tijdens
conflict rapporteerden. In het bijzonder vonden we dat de bevrediging van de behoefte aan
autonomie en vooral van de behoefte aan verbondenheid bijdroegen tot een toegenomen
gebruik van functionele communicatiepatronen. Deze resultaten sluiten aan bij voorgaand
onderzoek waarin een associatie werd achterhaald tussen een hogere mate van
behoeftebevrediging en meer begripvolle en minder defensieve reacties tijdens conflict,
dewelke het duidelijkst naar voor kwam wanneer beide partners een sterk gevoel van
verbondenheid rapporteerden (Patrick et al., 2007). Terwijl in dit voorafgaand onderzoek
een effect werd aangetroffen van de ervaren behoeftebevrediging bij beide partners op
communicatiepatronen tijdens conflict, bevestigden onze resultaten dit tevens op
individueel niveau.
Vervolgens werd in de zesde hypothese een positieve associatie verondersteld tussen
behoeftefrustratie en het gebruik van disfunctionele communicatiepatronen. Er werd een
onderscheid gemaakt tussen twee vormen van disfunctionele communicatie, namelijk
demand-withdraw communicatiepatronen en wederzijdse vermijding en terughoudendheid
binnen de communicatie. De hypothese werd bevestigd voor beide disfunctionele
communicatiepatronen, met de sterkste associatie tussen behoeftefrustratie en demandwithdraw communicatie. Verder toonden we aan dat frustratie van zowel de behoefte aan
autonomie, competentie als verbondenheid geassocieerd waren met de disfunctionele
communicatiepatronen, waarbij de frustratie van de behoefte aan verbondenheid duidelijk
naar voor kwam als de sterkste voorspeller van disfunctionele communicatie. Meer
52 specifiek toonden we aan dat individuen die zich in hogere mate gefrustreerd voelden in
hun behoefte aan verbondenheid, vaker demand-withdraw communicatiepatronen
gebruikten, maar voornamelijk een sterk verhoogde aanwezigheid van wederzijdse
vermijding en terughoudendheid binnen de communicatie rapporteerden. Vervolgens
vonden we dat individuen meer demand-withdraw communicatiepatronen hanteerden en
binnen de communicatie daarnaast vaker sprake was van wederzijdse vermijding en
terughoudendheid indien een hogere mate van autonomiefrustratie in de relatie ervaren
werd. Tenslotte toonden we aan dat een verhoogde aanwezigheid van competentiefrustratie
binnen de partnerrelatie een sterker gebruik van demand-withdraw communicatiepatronen
in de hand werkte, maar daarentegen niet significant gerelateerd was aan het voorkomen
van wederzijdse vermijding binnen de communicatie. We konden concluderen dat het
verband
tussen
competentiefrustratie
en
de
hantering
van
demand-withdraw
communicatiepatronen en het verband tussen verbondenheidfrustratie en wederzijds
vermijding tijdens de communicatie, naar voor kwamen als de twee sterke associaties. Dit
betekent dat demand-withdraw communicatiepatronen voornamelijk uitgelokt worden
wanneer individuen zich gefrustreerd voelen in hun behoefte aan competentie.
Competentiefrustratie brengt gevoelens van falen en twijfels omtrent de eigen capaciteiten
met zich mee (Chen et al., 2012). We vermoeden dat dergelijke gevoelens van
incompetentie
een
rol
spelen
in
het
uitlokken
van
demand-withdraw
communicatiepatronen. Huidig onderzoek geeft echter geen uitsluitsel met betrekking tot
het zich meer eisend dan wel terugtrekkend opstellen ten gevolge van competentiefrustratie.
Het uitgelokt worden van een eisende dan wel distantiërende houding door de genoemde
gevoelens van incompetentie, lijkt ons een interessant aanknopingspunt voor toekomstig
onderzoek. Daarnaast wordt wederzijdse vermijding en terughoudendheid het duidelijkst
teweeggebracht wanneer individuen zich gefrustreerd voelen in de behoefte aan
verbondenheid. In de studie van Chen et al. (2012) werd aangegeven dat frustratie van de
behoefte aan verbondenheid resulteert in de ervaring van relationele spanningen en
eenzaamheid. Opnieuw vermoeden we dat deze ervaringen bijdragen tot terughoudendheid
en vermijding van de partner binnen relationeel conflict. Verder onderzoek is nodig om
deze mogelijke verklaringen na te gaan.
Aangezien uit voorafgaand onderzoek reeds evidentie naar voor kwam voor een relatie
tussen behoeftebevrediging en de hierboven bestudeerde aspecten van conflict (La Guardia
& Patrick, 2008; Patrick et al., 2007), werd verwacht dat ook conflicttopics geassocieerd
zijn met behoeftebevrediging en –frustratie.
53 In de eerste onderzoeksvraag werd onderzocht of er een verband bestaat tussen
behoeftebevrediging en conflicttopics. Er werd een negatieve associatie aangetoond tussen
behoeftebevrediging
en
conflicttopics.
Individuen
die
een
hogere
mate
van
behoeftebevrediging ondervonden, rapporteerden minder conflict omtrent eigenheid,
praktische zaken, aandacht, intimiteit, uiterlijk en sociale relaties en ten slotte vertrouwen.
Meer specifiek werd aangetoond dat de negatieve associatie tussen behoeftebevrediging en
conflicttopics verklaard kan worden vanuit de bevrediging van de behoefte aan autonomie
en de behoefte aan verbondenheid, waarbij deze laatste de sterkst bepalende rol speelt.
Competentiebevrediging was daarentegen niet significant gerelateerd aan de onderwerpen
die aangehaald worden tijdens een conflict. In het bijzonder vonden we dat individuen die
een hogere mate van autonomiebevrediging en/of verbondenheidbevrediging ervaarden,
minder conflict omtrent praktische zaken rapporteerden. Verder toonden we aan dat
individuen die een hogere mate van autonomiebevrediging ondervonden minder vaak
conflict hadden omtrent aandacht, intimiteit en vertrouwen. Meer bevrediging van de
behoefte aan verbondenheid bleek ten slotte een unieke voorspeller van minder conflict
omtrent uiterlijk, sociale relaties en de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie.
Bij onze tweede onderzoeksvraag werd de aanwezigheid van een verband tussen
behoeftefrustratie en conflicttopics achterhaald. We toonden aan dat hoe hoger de mate van
behoeftefrustratie die individuen ondervonden binnen de partnerrelatie, hoe meer conflict
gerapporteerd werd omtrent de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie, omtrent
praktische zaken, aandacht, intimiteit, uiterlijk en sociale relaties en vertrouwen. Deze
positieve associatie bleek zowel te gelden voor de behoefte aan autonomie, competentie als
verbondenheid. De autonomiefrustratie en verbondenheidfrustratie hadden het sterkste
effect op de onderwerpen die aangehaald werden tijdens conflict binnen partnerrelaties.
Meer specifiek kon aangetoond worden dat individuen die zich gefrustreerd voelden in de
behoefte aan autonomie en verbondenheid, tijdens conflict voornamelijk ongenoegen
uitdrukten over de mate waarin ze al dan niet zichzelf konden zijn binnen de relatie.
Daarnaast vonden we dat personen die zich gefrustreerd voelden in de behoefte aan
competentie en verbondenheid, tijdens relationeel conflict geregeld het thema vertrouwen
bovenhaalden. Kenmerkend voor individuen die zich gefrustreerd voelden in alle drie de
psychologische basisbehoeften, maar voornamelijk in hun behoefte aan competentie, bleek
het tijdens conflict herhaaldelijk aan bod brengen van het onderwerp aandacht. Ten slotte
toonden we aan dat het tijdens relationeel conflict geregeld aanhalen van thema’s als
intimiteit, praktische zaken en uiterlijk en sociale relaties voort kwam uit een frustratie van
respectievelijk de behoefte aan verbondenheid, autonomie en competentie.
54 Wegens een gebrek aan bestaande literatuur omtrent het verband tussen
behoeftebevrediging en –frustratie enerzijds en conflicttopics anderzijds, konden onze
resultaten niet verder gekaderd worden. Uitgebreider onderzoek naar mogelijke
verklaringen van de verbanden die in de huidige studie ontdekt werden, is dan ook
noodzakelijk.
Het verband tussen conflict en relationele tevredenheid.
Binnen de uiteenzetting van de het verband tussen conflict en relationele tevredenheid
wordt opnieuw gedifferentieerd tussen conflictfrequentie, communicatiepatronen tijdens
conflict en conflicttopics.
In onze zevende hypothese werd een negatief verband verondersteld tussen
conflictfrequentie en relationele tevredenheid. Deze hypothese werd in ons onderzoek
bevestigd. Individuen die meer frequent conflict initieerden binnen de partnerrelatie
rapporteerden een verminderde relationele tevredenheid. Deze bevindingen sluiten aan bij
de meerderheid van de voorgaande studies waarin tevens negatieve consequenties van
frequent conflict voor de relationele tevredenheid werden aangetoond (zie o.a. Kluwer &
Johnson, 2007; Kurdek, 1991a, 1991b). Voor het verband tussen conflictfrequentie
gerapporteerd door mannen en toenames in de relationele kwaliteit, dat gevonden werd
door Heavey et al. (1993), konden we aldus geen verdere evidentie bieden. In de huidige
studie werd echter ook geen onderscheid gemaakt tussen de rapportage van mannen en
vrouwen. Het lijkt interessant dit binnen verder onderzoek na te gaan.
Een belangrijke bedenking bij onze resultaten komt naar voor wanneer we
voorafgaand onderzoek van Christensen & Schenk (1991) in rekening brengen. In deze
studie werd aangetoond dat de negatieve uitkomsten van conflict het sterkst ervaren
worden bij koppels die reeds een hoge mate van relationele ontevredenheid ondervinden
(Christensen & Schenk, 1991). Relationele ontevredenheid wordt vaak geuit in de vorm
van discussies. De ontevredenheid die reeds aanwezig is, zorgt er echter voor dat er tijdens
deze discussies meer negatieve attributies gemaakt worden en de negatieve uitkomsten van
conflict dan ook sterker ervaren worden. Dit doet op zijn beurt de conflictfrequentie
toenemen. Dergelijke observaties doen vermoeden dat er na verloop van tijd een negatief
wederkerig verband ontstaat tussen conflictfrequentie en relationeel welzijn (Bradbury &
Fincham, 1990; Kluwer & Johnson, 2007). In tegenstelling tot de meest voorkomende visie
waarbij een verhoogde conflictfrequentie gezien wordt als de oorzaak van een lagere
relationele kwaliteit, kan de frequentie van het conflict dus eveneens een consequentie zijn
55 van de associatie tussen relationele ontevredenheid en negatieve uitkomsten van conflict
(Karney & Bradbury, 1995).
Wat betreft het verband tussen disfunctionele communicatiepatronen en relationele
tevredenheid, werd als achtste hypothese een negatieve associatie verwacht, dewelke in de
huidige studie bevestigd werd. Deze bevinding is in lijn met voorafgaande studies waarin
werd aangetoond dat partners als gevolg van dergelijke destructieve communicatiepatronen
terechtkomen in een wederkerige cyclus van relationeel disfunctioneren, wat zeker op
lange termijn negatieve consequenties voor de relationele tevredenheid met zich meebrengt
(zie o.a. Guay et al., 2003; Orbuch et al., 2002; Papp et al., 2009). In de huidige studie
werd daarenboven evidentie geboden voor een rechtstreeks verband tussen disfunctionele
communicatie en verminderde relationele tevredenheid. Meer specifiek werd dit negatieve
verband aangetoond voor beide vormen van disfunctionele communicatiepatronen. Zowel
een verhoogde hantering van demand-withdraw communicatiepatronen als van wederzijdse
vermijding en terughoudendheid binnen de communicatie resulteerde in een verzwakte
relationele tevredenheid. Deze laatste associatie was echter beduidend sterker en gaf
hiermee aan dat voornamelijk de wederzijdse vermijding en terughoudendheid binnen de
communicatie een nefaste impact had op de relationele tevredenheid.
Ten slotte werd in de derde en laatste onderzoeksvraag de aanwezigheid van een verband
tussen het voorkomen van bepaalde conflicttopics en relationele tevredenheid onderzocht.
Deze onderzoeksvraag kwam voort uit eerder onderzoek waarin gesteld werd dat de mate
waarin conflict relationele tevredenheid beïnvloedt, varieert naargelang de verschillende
conflictgebieden (Storaasli & Markman, 1990; Vangelisti & Huston, 1994). In de huidige
studie werd dit bekrachtigd, daar een negatief verband werd aangetoond voor twee van de
zes onderzochte conflicttopics, namelijk ‘Eigenheid’ en ‘Aandacht’. Een verhoogde mate
van conflict omtrent aandacht en de mate waarin men zichzelf mag zijn in de relatie bleek
een uitlokkende factor voor een verzwakte relationele tevredenheid. Deze resultaten zijn
consistent met de bevinding van Kurdek (1994) dat vooral conflict omtrent zaken waarbij
de partners elkaars uitkomsten sterk beïnvloeden en waarbij beide partners dus sterk
afhankelijk zijn van elkaar, in hoge mate gerelateerd is aan een verminderde relationele
tevredenheid. Twee voorbeelden van zo’n conflictgebieden die in voorafgaande studies
werden aangehaald, zijn macht en intimiteit (zie o.a. Braiker & Kelley, 1979; Kelley &
Thibaut, 1978; Kurdek, 1994). Nadere bestudering toonde duidelijke overeenkomsten aan
tussen deze conflictgebieden en de significante conflicttopics die in de huidige studie
56 werden achterhaald. Zo omvat het thema ‘macht’ het overdreven kritisch zijn van de
partner, waardoor men zich vaak niet bevestigd, gerespecteerd of competent voelt
(Greenberg & Goldman, 2008; Kurdek, 1994). Dit thema is duidelijk gerelateerd aan onze
conflicttopic ‘Eigenheid’ die eveneens conflictonderwerpen omvat als het bezitten van
buitensporige eisen en het overdreven kritisch zijn van de partner. Daarnaast wordt bij het
thema ‘intimiteit’ door Kluwer & Johnson (2007) een onderscheid gemaakt tussen
lichamelijke en emotionele intimiteit. Hoewel onze conflicttopic ‘Intimiteit’, die
onmiskenbaar doelde op het lichamelijke aspect, niet significant gerelateerd bleek aan
relationele tevredenheid, vertoont onze significante topic ‘Aandacht’ wel sterke
overeenkomsten met de emotionele intimiteit die door Kluwer & Johnson (2007) werd
beschreven. De conflicttopic ‘Aandacht’ omvat namelijk topics als de waardering van de
partner en het aantal tijd die met elkaar wordt doorgebracht. Verdergaand op deze twee
aspecten van intimiteit binnen partnerrelaties, biedt de huidige studie dan ook een
mogelijke evidentie voor een beduidend sterker verband tussen emotionele intimiteit en
relationele tevredenheid. Verder onderzoek is noodzakelijk om deze veronderstelling
kracht bij te zetten. Ten slotte kon de bevinding van Kurdek (1994) dat enkel conflict
omtrent macht een verandering in relationele tevredenheid voorspelt, geen kracht worden
bijgezet. Longitudinaal onderzoek is vereist om hieromtrent een sluitend antwoord te
bieden.
Sterktes, Beperkingen en Indicaties voor Toekomstig Onderzoek
Een belangrijke sterkte van deze studie betreft de steekproef. De steekproef bevat een groot
aantal deelnemers die zich situeren in een ruime leeftijdscategorie en die over het
algemeen reeds een relatief lange relatieduur hebben. De reeds bestaande literatuur omtrent
de concepten en verbanden die in de huidige studie onderzocht werden, spitste zich
voornamelijk toe op adolescenten (Carbery & Buhrmester, 1998; Véronneau et al., 2005)
en gehuwde koppels (Bohlander, 1999; Christensen & Heavey, 1990; Gottman & Krokoff,
1989; Patrick et al., 2007; Prager & Buhrmester, 1998). Adolescenten hebben doorgaans
nog geen langdurige, toegewijde partnerrelatie ontwikkeld. Daarnaast wordt voorgaand
onderzoek dat enkel focust op gehuwde koppels minder relevant in de huidige samenleving
waarin koppels veel minder vaak en veel minder snel huwen. De beschouwing van de
onderzochte concepten en verbanden binnen een oudere populatie met eerder langdurige
57 partnerrelaties levert bijgevolg een betekenisvolle uitbreiding van de reeds bestaande
literatuur.
Een tweede sterkte is het gebruik van de Zelfdeterminatie theorie als invalshoek.
Dit theoretisch kader werd tot nog toe zelden gehanteerd bij de bestudering van de relaties
tussen behoeften, conflict en relationele tevredenheid. De theoretische fundering in de
huidige studie kan dan ook als meerwaarde beschouwd worden.
Naast de sterktes van huidig onderzoek, erkennen we eveneens een aantal beperkingen
binnen deze studie. In de voorafgaande uiteenzetting werden reeds een aantal punten
aangehaald. Een eerste beperking heeft betrekking op de steekproef. De deelnemers in de
steekproef werden niet op toevallige wijze geselecteerd voor deelname en bestaan uit
procentueel meer vrouwen, meer specifiek 62.5% vrouwen. Dit houdt in dat de resultaten
niet zonder meer gegeneraliseerd kunnen worden naar de Vlaamse populatie tussen 17 en
77 jaar die zich in een vaste partnerrelatie bevindt.
Een tweede belangrijke beperking betreft de onderzoeksopzet. Er werd namelijk
uitsluitend gebruik gemaakt van zelfrapportage onderzoek. Deze methode is gevoelig voor
sociaal wenselijke responsen en voor positieve of negatieve antwoordtendenties. Hoewel
we hieraan trachtten tegemoet te komen door de anonimiteit van de informatieverzameling
te benadrukken, biedt dit geen garantie voor de afwezigheid van dergelijke
responstendenties. Daarenboven betreft dit een uitermate geschikte methode voor het
achterhalen van het subjectieve facet van de variabelen, die echter slechts die gedachten,
gevoelens en gedragingen waarvan individuen zich bewust zijn in kaart kan brengen
(Dewitte, 2012). Het is aan te raden deze methode binnen toekomstig onderzoek te
combineren met observationele of experimentele designs. De combinatie van verscheidene
methodes binnen eenzelfde studie kan de verklaarde variantie door de methode inperken
(Vanhee, 2012).
Daarnaast vormt de cross-sectionele onderzoeksopzet van deze studie vermoedelijk
de belangrijkste beperking, daar deze het onmogelijk maakt uitspraken te doen met
betrekking tot de causaliteit en de richting van de gevonden associaties. Zo werd
bijvoorbeeld een positief verband gevonden tussen behoeftebevrediging en functionele
communicatiepatronen tijdens conflict. Of behoeftebevrediging deze functionele
communicatie in de hand werkt, dan wel meer constructief conflict een hogere mate van
behoeftebevrediging teweeg brengt, kan hieruit echter niet afgeleid worden. Dit geldt voor
alle onderzochte associaties. Longitudinaal onderzoek is vereist om de huidige
bevindingen te specificeren en mogelijke bidirectionele verbanden bloot te leggen.
58 Vervolgens kunnen een aantal suggesties voor toekomstig onderzoek aangereikt worden.
Naast het tegemoet komen aan bovengenoemde beperkingen, kan de studie gerepliceerd
worden met beide partners. Daar de studievariabelen en verbanden in de huidige studie
uitsluitend vanuit een individueel perspectief bestudeerd werden, zou het interessant zijn
binnen toekomstig onderzoek eveneens de partner te betrekken. Op deze manier kunnen de
kenmerken van de partner in rekening gebracht worden en kunnen interacties tussen beide
partners bestudeerd worden binnen de dyadische context.
Tevens omvat een replicatie van de huidige studie binnen meer specifieke
doelgroepen een veelbelovende suggestie voor toekomstig onderzoek. Zo kan toegespitst
worden op een klinische populatie van koppels met relationele problemen, wat kan
resulteren in meer relevante bevindingen en implicaties voor de klinische praktijk. In deze
context kan verder geëxploreerd worden of de associaties binnen deze populatie al dan niet
op analoge manier aan bod komen.
Daarnaast zou het onderzoek van mogelijke mediatoren binnen de verbanden tussen
behoeftebevrediging en –frustratie, relationele tevredenheid en conflictaspecten een
boeiend onderzoeksdomein vormen. Er is weinig wetenschappelijk onderzoek voorhanden
omtrent de onderliggende mechanismen van dergelijke verbanden, wat verder onderzoek
hieromtrent uitermate zinvol maakt.
Theoretische en Praktische Implicaties
Onze bevindingen bevestigen in het algemeen de Zelfdeterminatie theorie en tonen aan dat
de bevrediging van de psychologische basisnoden niet louter positief geassocieerd is met
psychologisch welzijn (zie o.a. Ahmad et al., in press; Deci & Ryan, 2000; Jang et al.,
2009; Sheldon et al., 2011; Vansteenkiste et al., 2006) maar tevens met relationeel welzijn.
Deze theorie vormt dan ook een belangrijke basis van waaruit studies omtrent relationeel
welzijn uitgevoerd kunnen worden. Bovendien biedt de huidige studie evidentie voor
associaties tussen behoeftefrustratie en relationele uitkomsten, dewelke in reeds bestaande
wetenschappelijke literatuur nog niet onderzocht werden. De bevindingen liggen evenwel
in lijn met de theorie omtrent behoeftefrustratie. Dit impliceert de noodzaak om in
toekomstig onderzoek niet uitsluitend behoeftebevrediging op een continuüm van weinig
tot sterke bevrediging te zien, maar eveneens het continuüm behoeftefrustratie op te nemen.
59 Naast de theoretische implicaties, kunnen we vervolgens een praktische implicatie van de
studie benoemen. De verkregen inzichten kunnen namelijk zinvol zijn bij het diagnostisch
onderzoek dat uitgevoerd kan worden bij koppels met relatieproblemen. De onderliggende
behoeftefrustraties en de wijze waarop deze de hantering van relationeel conflict en
hiermee de relationele tevredenheid beïnvloeden kunnen op deze manier onthuld worden.
Door middel van psycho-educatie kunnen koppels inzicht krijgen in dergelijke patronen,
wat reeds een eerste stap kan betekenen in het anders leren kijken naar en omgaan met
relationele moeilijkheden. Vervolgens kan inzicht in deze specifieke patronen de
therapiedoelstellingen helpen bepalen en hulp op maat trachten te bewerkstelligen. Een
replicatie van de huidige studie bij koppels met relatieproblemen zou echter een nauwere
aansluiting bij de klinische praktijk betekenen.
Algemene Conclusie
Binnen deze studie was het onze doelstelling het onderzoeksdomein omtrent
behoeftebevrediging en –frustratie, conflict
en
relationele tevredenheid
binnen
partnerrelaties verder te exploreren en uit te breiden. De onderlinge associaties tussen deze
concepten werden onderzocht binnen het perspectief van de Zelfdeterminatie theorie.
Vooreerst vonden we een positieve associatie tussen behoeftebevrediging en relationele
tevredenheid en een negatieve associatie tussen behoeftefrustratie en relationele
tevredenheid, dewelke voornamelijk verklaard werden door de bevrediging dan wel
frustratie van de behoefte aan verbondenheid. Daarnaast toonden we tussen
behoeftebevrediging en conflictfrequentie en tussen behoeftefrustratie en conflictfrequentie
respectievelijk een negatief en positief verband aan dat voornamelijk bepaald werd door de
behoefte aan autonomie. Vervolgens vonden we evidentie voor een positieve associatie
tussen behoeftebevrediging en de hantering van functionele communicatiepatronen,
waaraan de bevrediging van de behoefte aan autonomie en vooral verbondenheid
bijdroegen. Tevens werd een positieve relatie aangetoond tussen behoeftefrustratie en
beide disfunctionele communicatiepatronen. Meer bepaald vonden we dat demandwithdraw communicatiepatronen voornamelijk uitgelokt werden wanneer individuen zich
gefrustreerd voelden in hun behoefte aan competentie. Wederzijdse vermijding en
terughoudendheid werd het duidelijkst teweeggebracht wanneer individuen zich
gefrustreerd voelden in de behoefte aan verbondenheid. Verder werd een negatief verband
gevonden tussen behoeftebevrediging en conflicttopics. Meer specifiek werd aangetoond
60 dat de negatieve associatie tussen behoeftebevrediging en conflicttopics verklaard kan
worden vanuit de bevrediging van de behoefte aan autonomie en voornamelijk vanuit de
behoefte aan verbondenheid. Ook tussen behoeftefrustratie en conflicttopics werd een
verband gevonden. Deze concepten bleken positief geassocieerd, tevens met het sterkste
effect van autonomiefrustratie en verbondenheidfrustratie. Tot slot bekeken we de
associatie tussen relationeel conflict en relationele tevredenheid. Voor de drie onderzochte
aspecten van conflict, namelijk conflictfrequentie, disfunctionele communicatiepatronen en
conflicttopics, werd een negatief verband met relationele tevredenheid aangetoond. Met
betrekking tot de disfunctionele communicatie vonden we dat voornamelijk de wederzijdse
vermijding en terughoudendheid binnen de communicatie een nefaste impact had op de
relationele tevredenheid. De negatieve associatie met conflicttopics beperkte zich
uiteindelijk tot de onderwerpen ‘Eigenheid’ en ‘Aandacht’. Deze bevindingen bevatten
theoretische en praktische implicaties en stimuleren tot uitgebreider onderzoek naar
onderlinge relaties tussen behoeftebevrediging, behoeftefrustratie, relationeel conflict en
relationele tevredenheid.
61 Bijlagen
Bijlage 1.
Factorladingen van conflicttopics verkregen uit de Principale Componenten Analyse
Factor
1
2
3
4
5
6
‘Eigenheid’
‘Praktische
‘Aandacht’
‘Intimiteit’
‘Uiterlijk en
‘Vertrouwen’
zaken’
Conflicttopic item 17:
sociale relaties’
.56
Persoonlijke waarden
Conflicttopic item 11:
.56
Buitensporige eisen of
bezitterigheid
Conflicttopic item 24:
.51
Overmatig kritisch zijn
Conflicttopic item 18:
.50
Politieke en sociale thema’s
Conflicttopic item 15:
-.67
Huishoudelijke taken
Conflicttopic item 1:
-.65
62 Financiën
Conflicttopic item 12:
-.85
Te weinig tijd met elkaar
doorbrengen
Conflicttopic item 26:
-.63
Aandacht, waardering van
de partner
Conflicttopic item 4:
-.71
Seks
Conflicttopic item 21:
.71
Persoonlijke verzorging
Conflicttopic item 14:
.63
Vrienden
Conflicttopic item 22:
.58
Familie
Conflicttopic item 25:
.74
Buitenechtelijke relaties
Conflicttopic item 5:
.66
Vorige partners
Noot: Factor 2, 3 en 4 resulteren in negatieve factorladingen wat impliceert dat scores op deze factoren omgekeerd geïnterpreteerd dienen te worden.
63 Referentielijst
Ahmad, I., Vansteenkiste, M., & Soenens, B. (in press). The relations of Arab Jordanian
adolescents' perceived maternal parenting to teacher-rated adjustment and
problems: The intervening role of perceived need satisfaction. Developmental
Psychology.
Argyle, M., & Furnham, A. (1983). Sources of Satisfaction and Conflict in Long-Term
Relationships. Journal of Marriage and Family, 45 (3), 481-493.
Bartholomew, K. J., Ntoumanis, N., Ryan, R. M., Bosch, J. A., & Thogersen-Ntoumani, C.
(2011). Self-Determination Theory and diminished functioning: The role of
interpersonal control and psychological need thwarting. Personality and Social
Psychology Bulletin, 37, 1459-1473. doi: 10.1177/0146167211413125
Baucom, D. H., Epstein, N., Sayers, S., & Sher, T. S. (1989). The role of cognitions in
marital relationships: Definitional, methodological and conceptual issues. Journal
of Counseling and Clinical Journal, 57, 31-38.
Baumeister, R., & Leary, M. R. (1995). The need to belong: Desire for interpersonal
attachments as a fundamental human motivation. Psychological Bulletin, 117, 497529.
Bohlander, R. W. (1999). Differentiation of self, need fulfilment, and psychological wellbeing in married men. Psychological Reports, 84, 1274-1280.
Bowlby, J. (1969). Attachment and loss: Vol. 1: Attachment. New York: Basic Books.
Bowlby, J. (1973). Attachment and loss: Vol. 2. Separation: Anxiety and anger. (2nd ed.).
New York: Basic Books.
Bowlby, J. (1980). Attachment and loss: Vol. 3: Loss. New York: Basic Books.
Bradbury, T. N., & Fincham, F. D. (1990). Attributions in marriage: Review and critique.
Psychological Bulletin, 107, 3-33.
Bradbury, T. N., & Fincham, F. D. (1993). Assessing dysfunctional cognition in marriage.
Psychological Assessment, 5, 92-101.
64 Bradbury, T. N., Fincham, F. D., & Beach, S. R. H. (2000). Research on the nature and
determinants of marital satisfaction: A decade in review. Journal of Marriage and
Family, 62, 964-980.
Braiker, H. B., & Kelley, H. H. (1979). Conflict in the development of close relationships.
In R. L. Burgess & T. L. Huston (Eds.), Social exchange in developing
relationships (pp. 135-168). New York: Academic Press.
Bretherton, I. (1987). New perspectives on attachment relations: Security, communication
and internal working models. In J. Osofsky (Ed.), Handbook of infant development
(pp. 1061-1100). New York: Wiley.
Carbery, J., & Buhrmester, D. (1998). Friendship and need fulfillment during three phases
of young adulthood. Journal of Social and Personal Relationships, 15 (3), 393-409.
Caughlin, J. P. (2002). The demand-withdraw pattern of communication as a predictor of
marital satisfaction over time: Unresolved issues and future directions. Human
Communication Research, 28 , 49-85.
Caughlin, J. P., & Huston, T. L. (2002). A contextual analysis of the association between
demand-withdraw and marital satisfaction. Personal Relationships, 9 , 95-119.
Chen, H., Cohen, P., Kasen, S., Johnson, J., Ehrensaft, M., & Gordon, K. (2006).
Predicting conflict within romantic relationships during the transition to adulthood.
Personal Relationships, 13, 411-427.
Chen, B., Vansteenkiste, M., & Byers, W. (2012). Psychological need satisfaction and
desire for need satisfaction across four cultures. Manuscript submitted for
publication.
Chirkov, V., Ryan, R. M., Kim, Y., & Kaplan, U. (2003). Differentiating autonomy from
individualism and independence: A self-determination theory perspective on
internalization of cultural orientations and well-being. Journal of Personality and
Social Psychology. 84, 97-110.
Christensen, A. (1988). Dysfunctional interaction patterns in couples. In P. Noller & M. A.
Fitzpatrick (Eds.), Perspectives on marital interaction (pp. 31-52). Clevedon,
Avon, England: Multilingual Matters.
65 Christensen, A. (1988). Dysfunctional interaction patterns in couples. In P. Noller & M. A.
Fitzpatrick (Eds.), Perspectives on marital interaction (pp. 31-52). Philadelphia:
Multilingual Matters.
Christensen, A., Eldridge, K. A., Catta-Preta, A. B., Lim, V. R., & Santagata, R. (2006).
Cross-cultural consistency of the demand-withdraw interaction pattern in couples.
Journal of Marriage and Family, 68 , 1029-1044.
Christensen, A., & Heavey, C. L. (1990). Gender and social structure in the demandwithdraw pattern of marital conflict. Journal of Personality and Social Psychology,
59 , 73-81.
Christensen, A., & Shenk, J. L. (1991). Communication, conflict, and psychological
distance in nondistressed, clinic, and divorcing couples. Journal of Consulting and
Clinical Psychology, 59 , 458-463.
Christensen, A., & Sullaway, M. (1984). Communications Patterns Questionnaire.
Unpublished manuscript, University of California, Los Angeles.
Christopher, F. S., & Sprecher, S. (2000). Sexuality in marriage, dating, and other
relationships: A decade review. Journal of Marriage and the Family, 62, 9991017.
Collins, N. L., & Miller, L. C. (1994). Self-disclosure and liking: A meta-analytic review.
Psychological Bulletin, 116, 457-475.
Conradi, H.J., Gerlsma, C., van Duijn, M., & de Jonge, P. (2006). Internal and external
validity of the experiences in close relationships questionnaire in an american and
two dutch samples. European Journal of Psychiatry, 20, 258-269.
Cummings, E. M., Goeke-Morey, M. C., & Papp, L. M. (2003). Children’s responses to
everyday marital conflict tactics in the home. Child Development, 74 , 1918-1929.
deCharms, R. (1968). Personal causation: The internal affective determinants of behavior.
New York: Academic Press.
Deci, E. L. (1975). Intrinsic motivation. New York: Plenum Press.
Deci, E. L., & Ryan, R. M. (1985). The General Causality Orientations Scale:
Selfdetermination in personality. Journal of Research in Personality, 19, 109-134.
66 Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs
and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11, 227-268.
Deci, E. L., & Vansteenkiste, M. (2004). Self-determination theory and basic need
satisfaction: Understanding human development in positive psychology. Ricerche
di Psichologia, 27, 17-34.
De Dreu, C. K. W., & Weingart, L. R. (2003). Task versus relationship conflict, team
member satisfaction, and team effectiveness: A meta-analysis. Journal of Applied
Psychology, 88, 741-749.
Dewitte, M. (2012). Different perspectives on the sex-attachment link: Towards an
emotion-motivational account. Annual Review of Sex Research,105-124.
Di Domenico, S. I., Fournier, M. A., Ayaz, H., & Ruocco, A. C. (2012). In search of
integrative processes: Basic psychological need satisfaction predicts medial
prefrontal activation during decisional conflict. Journal of Experimental
Psychology: General. Advance online publication. doi: 10.1037/a0030257
DiGuiseppe, R., & Zee, C. (1986). A rational emotive theory of marital dysfunction and
marital therapy. Journal of Rational Emotive and Cognitive Behavioral Therapy, 4,
22-37.
Ducat, W., & Zimmer-Gembeck, M. (2007). A model of romantic relationship quality,
psychological need fulfillment, and well-being in emerging adulthood. Poster
presented at the Third International Conference on Self-Determination Theory,
Toronto, Ontario, Canada.
Eldridge, K. A., Sevier, M., Jones, J., Atkins, D. C., & Christensen, A. (2007). Demandwithdraw communication in severely distressed, moderately distressed, and
nondistressed couples: Rigidity and polarity during relationship and personal
problem discussions. Journal of Family Psychology, 21, 218-226.
Ellis, A. (1962). Reason and emotion in psychotherapy. New York: Lyle Stuart.
Ellis, A. (1986). Rational emotive therapy applied to relationships therapy. Journal of
Rational Emotive Behavior Therapy, 4, 14-21.
Ellis, A., Sichel, J., Yeager, R., DiMattia, D., & DiGuiseppe, R. (1989). Rational Emotive
Couples Therapy. New York: Pergmanon.
67 Fincham, F. D., & Beach, S. R. H. (1999). Conflict in marriage: Implications for working
with couples. Annual Review of Psychology, 50, 47-77.
Fincham, F. D., Beach, S. R. H., & Kemp-Fincham, S. (1997). Marital quality: A new
theoretical perspective. In R. J. Sternberg & M. Hojjat (Eds.), Satisfaction in close
relationships (pp. 275-304). New York: Guilford Press.
Fletcher, G. (2002). The new science of intimate relationships. Malden, MA: Blackwell
Publishing.
Foscoe, G. M., DeBoard, R. L., & Grych, J. H. (2007). Making sense of family violence:
Implications of children’s aggression for their short and long-term functioning.
European Psychologist, 12, 6-16.
Furman, W., & Buhrmester, D. (1992). Age and sex differences in perceptions of networks
of personal relationships. Child Development, 63, 103-115.
Glenn, N. D. (1998). The course of marital success and failure in five American 10-year
marriage cohorts. Journal of Marriage and the Family, 60, 569-576.
Goeke-Morey, M. C., Cummings, E. M., & Papp, L. M. (2007). Children and marital
conflict resolution: Implications for emotional security and adjustment. Journal of
Family Psychology, 21 , 744-753.
Gottman, J. M. (1979). Marital interaction: Experimental investigations. New York:
Academic Press.
Gottman, J. M. (1994). What predicts divorce? The relationship between marital processes
and marital outcomes. Hillsdale, NJ: Erlbaum.
Gottman, J. M., & Krokoff, L. J. (1989). Marital interaction and satisfaction: A
longitudinal view. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 57 (1), 47-52.
Greenberg, L. S., & Goldmand, R. N. (2008). The dynamics of emotion, love and power in
an emotion-focused approach to couple therapy. Person-Centered and Experiential
Psychotherapies, 7 (4), 279-293.
Guay, S., Boisvert, J-M., & Freeston, M. H. (2003). Validity of three measures of
communication for predicting relationship adjustment and stability among a sample
of young couples. Psychological Assessment, 15 , 392-398.
68 Haferkamp, C. J. (1994). Dysfunctional beliefs, self-monitoring, and marital conflict.
Current Psychology. 13, 248-263.
Hamamci, Z. (2005). Dysfunctional relationship beliefs in marital satisfaction and
adjustment. Social Behavior and Personality: an international journal, 33 (4), 313328.
Heaven, P. C. L., Smith, L., Prabhakar, S. M., Abraham, J., & Mete, M. E. (2006).
Personality and conflict communication patterns in cohabiting couples. Journal of
Research in Personality, 40 , 829-840.
Heavey, C. L., Layne, C., & Christensen, A. (1993). Gender and conflict structure in
marital interaction: A replication and extension. Journal of Consulting and Clinical
Psychology, 61 , 16-27.
Hodgins, H. S., Koestner, R., & Duncan, N. (1996). On the compatibility of autonomy and
relatedness. Personality and Social Psychology Bulletin, 22, 227-237.
Holtzworth-Munroe, A., Smutzler, N., & Stuart, G. L. (1998). Demand and withdraw
communication among couples experiencing husband violence. Journal of
Consulting and Clinical Psychology, 66 , 731-743.
Huston, T. L., Caughlin, J. P., Houts, R. M., Smith, S. E., & George, L. J. (2001). The
connubial crucible: Newlywed years as predictors of marital delight, distress, and
divorce. Journal of Personality and Social Psychology, 80, 237-252.
Jang, H., Reeve, J., & Ryan, R. M. (2009). Can self-determination theory explain what
underlies the productive, satisfying learning experiences of collectivistically
oriented Korean adolescents? Journal of Educational Psychology, 101, 644-661.
Karney, B. R., & Bradbury, T. N. (1995). Assessing longitudinal change in marriage: An
introduction to the analysis of growth curves. Journal of Marriage and the Family,
57, 1091-1108.
Kelley, H. H., Berscheid, E., Christensen, A., Harvey, J. H., Huston, T. L., Levinger, G., et
al. (1983). Close relationships. New York: Freeman.
Kelley, H. H., & Thibaut, J. W. (1978). Interpersonal relations: A theory of
interdependence. New York: Wiley.
69 Klinetob, N. A., & Smith, D. A. (1996). Demandwithdraw communication in marital
interaction: Tests of interspousal contingency and gender role hypotheses. Journal
of Marriage and the Family, 58 , 945-957.
Kluwer, E. S., Heesink, J. A. M., & Van de Vliert, E. (1996). Marital conflict about the
division of household labor and paid work. Journal of Marriage and the Family, 58,
958-969.
Kluwer, E. S., Heesink, J. A. M., & Van de Vliert, E. (1997). The marital dynamics of
conflict over the division of labor. Journal of Marriage and the Family, 59, 635-653.
Kluwer, E. S., Heesink, J. A. M., & Van de Vliert, E. (2002). The division of labor across
the transition to parenthood: A justice perspective. Journal of Marriage and Family,
64, 930-943.
Kluwer, E. S., & Johnson, M. D. (2007). Conflict frequency and relationship quality across
the transition to parenthood. Journal of Marriage and Family, 69, 1089-1106.
Kobak, R. (1994). Adult attachment: A personality or relationship construct?
Psychological Inquiry, 5, 42-44.
Kurdek, L. A. (199la). Correlates of relationship satisfaction in cohabiting gay and lesbian
couples: Integration of contextual, investment, and problem-solving models.
Journal of Personality and Social Psychology, 61, 910-922.
Kurdek, L. A. (1991b). Predictors of increases in marital distress in newlywed couples: A
3-year prospective longitudinal study. Developmental Psychology, 27, 627-636.
Kurdek, L.A. (1994). Areas of conflict for gay, lesbian, and heterosexual couples: What
couples argue about influences relationship satisfaction. Journal of Marriage and
the Family, 56 (4), 923-934.
La Guardia, J. G., & Patrick, H. (2008). Self-determination theory as a fundamental theory
of close relationships. Canadian Psychology, 49 (3), 201-209.
La Guardia, J., Ryan, R. M., Couchman, C., & Deci, E. L. (2000). Within-person variation
in security of attachment: A self-determination theory perspective on attachment,
need fulfillment, and well-being. Journal of Personality and Social Psychology, 79,
367-384.
70 Laursen, B., & Collins, W. A. (1994). Interpersonal conflict during adolescence.
Psychological Bulletin, 115, 197-209.
Le, B., & Agnew, C. R. (2001). Need fulfillment and emotional experience in
interdependent romantic relationships. Journal of Social and Personal
Relationships, 18 (3), 423-440.
Leak, G. K., & Cooney, R. R. (2001). Self-determination, attachment styles, and wellbeing in adult romantic relationships. Representative Research in Social
Psychology, 25, 55-62.
Markman, H., Stanley, S., & Blumberg, S. L. (1994). Fighting for your marriage: Positive
steps for preventing divorce and preserving a lasting love. San Francisco: JosseyBass.
McGonagle, K. A., Kessler, R. C., & Gotlib, I. H. (1993). The effects of marital
disagreement style, frequency, and outcome on marital disruption. Journal of
Social and Personal Relationships, 10, 385-404.
Murray, S. L., Holmes, J. G., & Griffin, D. W. (1996). The self-fulfilling nature of positive
illusions in romantic relationships: Love is not blind, but prescient. Journal of
Personality and Social Psychology, 71, 1155-1188.
Norton, R. (1983). Measuring marital quality: A critical look at the dependent variable.
Journal of Marriage and Family, 45 (1), 141-151.
Orbuch, T. L., Veroff, J., Hassan, H., & Horrocks, J. (2002). Who will divorce: A 14-year
longitudinal study of black couples and white couples. Journal of Social and
Personal Relationships, 19, 179-202.
Papp, L. M., Kouros, C. D., & Cummings, E. M. (2009). Demand-withdraw patterns in
marital conflict in the home. Personal Relationships, 16, 285-300.
Patrick, H., Knee, C. R., Canevello, A., & Lonsbary, C. (2007). The role of need
fulfillment in relationship functioning and well-being: A self-determination theory
perspective. Journal of Personality and Social Psychology, 92 (3), 434-457.
Patrick, S., Sells, J. N., Giordano, F. G., & Tollerud, T. R. (2007). Intimacy, differentiation,
and personality variables as predictors of marital satisfaction. The Family Journal,
15 (4), 359-367.
71 Prager, K., & Buhrmester, D. (1998). Intimacy and need fulfillment in couple
relationships. Journal of Social and Personal Relationships, 15 (4), 436-469.
Rehman, U. S., & Holtzworth-Munroe, A. (2006). A cross-cultural analysis of the demandwithdraw marital interaction: Observing couples from a developing country.
Journal of Consulting and Clinical Psychology, 74 , 755-766.
Reis, H. T., Clark, M. S., & Holmes, J. G. (2004). Perceived partner responsiveness as an
organizing construct in the study of intimacy and closeness. In D. J. Mashek & A.
Aron (Eds.), The handbook of closeness and intimacy (pp. 201-228). Mahwah, NJ:
Erlbaum.
Reis, H. T., Collins, W. A., & Berscheid, E. (2000). The relationship context of human
behavior and development. Psychological Bulletin, 126, 844-872.
Reis, H. T., Sheldon, K. M., Gable, S. L., Roscoe, J., & Ryan, R. M. (2000). Daily wellbeing: The role of autonomy, competence, and relatedness. Personality and Social
Psychology Bulletin, 26, 419-435.
Rollins, B. C., & Feldman, H. (1970). Marital satisfaction over the family life cycle.
Journal of Marriage and the Family, 32, 20-28.
Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000a). The darker and brighter sides of human existence:
Basic psychological needs as a unifying concept. Psychological Inquiry, 11, 319338.
Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000b). Self-determination theory and the facilitation of
intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist,
55, 68-78.
Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2001). On happiness and human potentials: A review of
research on hedonic and eudaimonic well-being. Annual Review of Psychology, 52,
141-166.
Ryan, R. M., Deci, E. L., Grolnick, W. S., & La Guardia, J. G. (2006). Autonomy,
relatedness, and the self: Their relation to development and psychopathology. In D.
Cicchetti & D. J. Cohen (Eds.), Developmental psychopathology: Vol. 1. Theory
and methods (pp. 618-655). New York: Wiley.
72 Ryan, R. M., & Lynch, J. H. (1989). Emotional autonomy versus detachment: Revisiting
the vicissitudes of adolescence and young adulthood. Child Development, 60, 340356.
Ryan, M. R., Vansteenkiste, M. (n.d.). On psychological growth and vulnerability: Basic
psychological need satisfaction and need frustration as a unifying principle.
Manuscript in preparation.
Sagrestano, L. M., Heavey, C. L., & Christensen, A. (1999). Perceived power and physical
violence in marital conflict. Journal of Social Issues, 55 , 65-79.
Self-determination theory: An approach to human motivation and personality. (n.d.).
About the theory. Geraadpleegd op 12 december 2012 op
http://www.selfdeterminationtheory.org/theory
Sevier, M., Simpson, L. E., & Christensen, A. (2004). Observational coding of demandwithdraw interactions in couples. In P. K. Kerig & D. H. Baucom (Eds.), Couple
observational coding systems (pp. 159-172). Mahwah, NJ: Erlbaum.
Shaver, P. R., Collins, N. L., & Clark, C. L. (1996). Attachment styles and internal
working models of self and relationship partners. In G. J. O. Fletcher & J. Fitness
(Eds.), Knowledge structures in close relationships: A social psychological
approach (pp. 25-61). Hillsdale, NJ: Erlbaum.
Sheldon, K. M., Cheng, C., & Hilpert, J. (2011). Understanding well-being and optimal
functioning: Applying the multilevel personality in context (MPIC) model.
Psychological Inquiry, 22, 1-16.
Sheldon, K. M., Ryan, R. M., & Reis, H. T. (1996). What makes for a good day?
Competence and autonomy in the day and in the person. Personality and Social
Psychology Bulletin, 22, 1270-1279.
Shoham, V., & Rohrbaugh, M. J. (2002). Brief strategic couple therapy. In A. S. Gurman
& N. S. Jacobson (Eds.), Clinical handbook of couple therapy (3rd ed., pp. 5-25).
New York: Guilford.
Simon, V. A., & Kobielski, S. (2006). Beliefs about conflict, conflict goals, and conflict
behavior in adolescents’ romantic relationships. Poster presented at the Society for
Research on Adolescence, San Francisco, CA, April 2006.
73 Simon, V. A., Kobielski, S. J., & Martin, S. (2008). Conflict beliefs, goals, and behavior in
romantic relationships during late adolescence. Journal of Youth and Adolescence,
37 (3), 324-335.
Slotter, E. B., & Finkel, E. J. (2009). The Strange Case of Sustained Dedication to an
Unfulfilling Relationship: Predicting Commitment and Breakup From Attachment
Anxiety and Need Fulfillment Within Relationships. Personality and Social
Psychology Bulletin, 35, 85-100.
Sroufe, L. A., & Waters, E. (1977). Attachment as an organizational construct. Child
Development, 48, 1184-1199.
Stackert, R. A., & Bursik, K. (2003). Why am I unsatisfied? Adult attachment style,
gendered irrational relationship beliefs, and young adult romantic relationship
satisfaction. Personality and Individual Differences, 34, 1419-1429.
Storaasli, R. D. & Markman, H. J. (1990). Relationship problems in the early stages of
marriage: A longitu-dinal investigation. Journal of Family Psychology, 4, 80-98.
Vaillant, C. O., & Vaillant, G. E. (1993). Is the U-curve of marital satisfaction an illusion?
A 40-year study of marriage. Journal of Marriage and the Family, 55, 230-239.
Vangelisti, A. L., & Huston, T. L. (1994). Maintaining marital satisfaction and love. In D.
J. Canary & L. Stafford (Eds.), Communication and relational maintenance (pp.
165-186). New York: Academic Press.
Vanhee, G. (2012). De relatie tussen seksuele communicatie en seksuele tevredenheid
gezien vanuit een hechtingsperspectief (Ongepubliceerd proefschrift). Universiteit,
Gent.
Vansteenkiste, M., Lens, W., Soenens, B., & Luyckx, K. (2006). Autonomy and
relatedness among Chinese sojourners and applicants: Conflictual or independent
predictors of well-being and adjustment? Motivation and Emotion, 30, 273-282.
Véronneau, M. H., Koestner, R. F., & Abela, J. R. Z. (2005). Intrinsic need satisfaction and
well–being in children and adolescents: An application of the self–determination
theory. Journal of Social and Clinical Psychology, 24 (2), 280-292.
74 Wei, M., Russell, D. W., Mallinckrodt, B., & Vogel, D. L. (2007). The experiences in
Close Relationship Scale (ECR)-Short Form: Reliability, validity, and factor
structure. Journal of Personality Assessment, 88, 187-204.
Weiss, R. L., Birchler, G. R. (1975). Areas of change. Eugene, OR: University of Oregon.
Unpublished manuscript.
White, R. W. (1959). Motivation reconsidered: The concept of competence. Psychological
Review, 66, 297-333.
75