Zo 24A 2014: Kruisverheffing Joh 3,13-17

Zo 24A 2014: Kruisverheffing Num 21,4-9 Joh 3,13-17
Het evangelie van vandaag bevat een belangrijk zinnetje, een zinnetje dat onze
protestantse christenen bij hun geloofsonderricht van buiten krijgen te leren. Dat is
een benijdenswaardige maatregel, want het formuleert als een glanzende kiemcel
de kern van ons hele christelijk geloof. Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij
zijn eengeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan,
maar eeuwig leven zal hebben.
Deze uitspraak doet Jezus in het kader van zijn nachtelijk gesprek met
Nikodemus, de rabbi die nieuwsgierig was naar Jezus’ optreden. Jezus spreekt
dan van zijn hemelse Vader die uit liefde de wereld geschapen heeft. Op zichzelf
is dit al een geloofspunt. Is die liefde van de schepper voor ons, mensen, altijd zo
klaarblijkelijk? zo onomstotelijk en onaanvechtbaar? Die schepping is immers
vergankelijk, ze is eindig en kwetsbaar, dat zien we vooral aan het levende natuur.
Het leven groeit en ontplooit zich in stofwisseling en spijsvertering. Al wat leeft
bestaat niet anders dan ten koste van ander leven. De schepping is een dynamisch
gebeuren, het is werk in uitvoering. Zich verplaatsend in zo’n levend kwetsbaar
schepseltje zou je kunnen denken: is geschapen-zijn per se een onbetwist
genoegen? Kun je daar altijd liefde achter denken?
Een bedenking als deze plaatst zichzelf offside, buiten spel. Buiten onze
oerervaring. Dat het een feest is om te leven, dat valt af te lezen aan de passie
waarmee elk schepsel zich tracht te handhaven. Als wij daarin soms iets tragisch
beleven, dan komt dat omdat ons een verlangen naar gaafheid en duurzaamheid
is ingeschapen. Wij verlangen naar bestendiging, zozeer genieten wij eigenlijk van
te leven.
Omdat de goedheid van de schepping in onze ervaring zo klaarblijkelijk is,
durven wij van de schepper te verhopen en erop te vertrouwen dat wij in dit
verlangen niet zullen worden beschaamd. Dat dankbare vertrouwen zijn wij aan
Gods goedheid wel verplicht. God schept zijn wereld als in persoonlijke relatie tot
zijn schepselen. Dat dankbare vertrouwen wil Hij terugkrijgen. Maar in dit smalle
kiertje van onze vrijheid schuilt wel de mogelijkheid van onze weigering: de
zonde van het niet-aanvaarden. Dat risico heeft God blijkbaar willen lopen om ons
het grote geschenk van die vrijheid tot dank te gunnen. Zodra wij dit weigeren,
gaat de eindigheid drukken: de dood wordt voelbaar, ja als een absurd kwaad. Die
last heeft de mens over zich afgeroepen. Sinds de zondeval lijden wij aan ons
sterfelijk bestaan. Volgens het paradijsverhaal in Genesis is de kern daarvan
hoogmoed, afgunst tegenover God, Hem gelijk willen zijn.
In het boek der Wijsheid staat het kernachtig geformuleerd: ‘Door de
afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen.’ De oerzonde is jaloezie,
afgunst, de zon niet in het water kunnen zien schijnen, altijd denken dat de ander
het beter getroffen heeft dan jij en hem dat misgunnen, dat is de kiem van alle
kwaad. Dat zien we al bij Kaïn en Abel. Dat onafgebroken vergelijken en zich
verongelijkt voelen speelt ook bij de uittocht van het volk Gods onderweg in de
woestijn. Ook daar steekt bij sommigen de vraag op: waren we niet beter in
Egypte gebleven? Die onvrede grijpt altijd als een ziekte om zich heen, als een
plaag van giftig ongedierte, dat de samenleving verpest. God straft dit kwaad in
de woestijn af door giftige slangen op hen los te laten. En als Mozes de Heer bidt
om vergiffenis, dan laat hij het volk naar dat kwaad opkijken om ze tot bekering te
brengen.
Jaloezie, wantrouwen en misgunst, dat is en blijft het kwaad dat de
mensenwereld dodelijk vergiftigt. We kunnen hier denken aan de jodenhaat die in
de voorbij eeuw de nazi’s tot genocide dreef. Was het ten diepste iets anders dan
angst, afgunst en wantrouwen tegenover de financiële en culturele macht die men
in de joden vreesde? We zagen het in onze eeuw op 11 september dertien jaar
geleden. En de represailles daarop tot op vandaag zijn van hetzelfde laken een
pak. Als de spiraalbeweging eenmaal op gang is, dan wordt het te veel gevraagd
om de terroristen de andere wang aan te bieden.
Wat Jezus van Godswege op aarde is komen brengen is liefde, de tegenpool
van afgunst. Liefde die geeft en duldt, en zelfs vergeeft. Vergevende liefde is het
enige wat onze door afgunst geschonden samenleving geneest. De ander die je iets
heeft misdaan vergeven is voorwaarde om zelf vergeving te kunnen krijgen. Wat
Jezus aan Nikodemus voorhoudt is het verhaal van Gods barmhartigheid. Hij
heeft zich zozeer met ons, mensen, vereenzelvigd dat Hij ons in Jezus zijn
vergevende liefde heeft voorgeleefd. Jezus liet zich schuldeloos uit de weg ruimen
om staande te houden dat God liefde is. Naar dit kwaad, naar Jezus’ kruis moeten
wij opkijken om tot bekering te komen.
Dat antwoord van ons op die verheffing van het kruis, betekent op slag
onze verheffing, onze opstanding, onze verrijzenis. In de voorstelling van de
evangelist Johannes is Jezus’ verheffing aan het kruis tegelijk zijn verheffing door
zijn hemelse Vader: Goede vrijdag en Pasen zijn bij hem één. Maar ook voor ons
geldt, dat gelovig opkijken naar Jezus’ kruis onze eigen opstanding betekent:
‘Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken’,
zegt Jezus elders in het evangelie.
Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft
gegeven, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven
zal hebben. AMEN.