Lijst van ingekomen stukken, meldingen integriteit en mededelingen

AB 11-03-2014
WATERSCHAPSBLAD
2014, NUMMER 05
BIJL.: DIV
Agendapunt 3
Sittard, 25 februari 2014
AAN HET ALGEMEEN BESTUUR
Onderwerp:
Lijst van ingekomen stukken, meldingen integriteit en mededelingen
Voorstel
De ingekomen stukken en de mededeling voor kennisgeving aannemen.
Onderstaand treft u aan een overzicht van de ingekomen stukken, meldingen integriteit en
mededelingen voor uw vergadering van 11 maart 2014.
NR
OMSCHRIJVING
I
Ingekomen stukken
I.1
./.
Vastgestelde Begroting 2014 en Meerjarenraming 2014-2018.
I.2
./.
Managementrapportage (MARAP) t/m september 2013.
I.3
./.
Vastgestelde begroting 2014 Unie van Waterschappen.
II
Meldingen integriteit
Niet voorhanden.
III
Mededelingen
III.1
Onderzoek Nationale ombudsman
De heer drs.ing. W. van den Haak heeft er bij de Nationale ombudsman over
geklaagd dat:
1. het waterschap voor werkzaamheden waarbij het zelf betrokken is, toestaat
dat stelselmatig achteraf een waterschaps/keurvergunning wordt aangevraagd en verleend;
2. er bij het waterschap geen onafhankelijke vertrouwenspersoon is voor
klokkenluiders.
./.
Na een langdurig en uitvoerig onderzoek heeft de Nationale ombudsman een
eindrapport opgesteld. Dit (openbare) rapport treft u hierbij aan.
De Nationale ombudsman heeft geconcludeerd dat de onder 1 bedoelde klacht
niet gegrond is.
140492
1/2
NR
OMSCHRIJVING
De Nationale ombudsman acht de onder 2 bedoelde klacht gegrond wegens
strijd met het vereiste van onpartijdigheid, aangezien de aangewezen interne
vertrouwenspersoon in de onderhavige kwestie ook in andere (w.o. rechtspositionele en arbo-gerelateerde) hoedanigheden in het dossier Van den Haak
betrokken is geweest.
Wij delen u in dit verband mee, dat bij het waterschap in het kader van de
klokkenluiderregeling (bedoeld voor de melding van misstanden) drie functionarissen als (interne) vertrouwenspersoon zijn aangewezen, te weten de
coördinator P&O, de secretaris/directeur (indien een misstand wordt gemeld
waarbij de coördinator P&O betrokken is) en de voorzitter van het waterschap
(indien misstanden worden gemeld waarbij de secretaris/directeur betrokken
is).
Gelet op de gegrondverklaring door de Nationale ombudsman van de klacht
van de heer Van den Haak ter zake van de onpartijdigheid van de
vertrouwenspersoon, zullen wij ons beraden of, en zo ja, op welke wijze de
door de Nationale ombudsman aangevoerde bezwaren moeten en kunnen
worden ondervangen.
Er zijn daarnaast nog twee andere redenen om de huidige regeling voor de
behandeling van meldingen van misstanden (klokkenluidermeldingen) te
herzien, te weten het per 1 januari 2014 vervallen van de klokkenluidersregeling in de SAW (waardoor het waterschap zelf een nieuwe regeling moet
vaststellen) en de fusie van het in onze huidige regeling voorziene externe
meldpunt (de Commissie Klokkenluiders Gemeentelijke Overheid) met de
Onderzoeksraad.
Wij zullen u te zijner tijd informeren over de door ons vast te stellen nieuwe
‘klokkenluiderregeling’.
III.2
Risico-inventarisatie en weerstandsvermogen ultimo 2013
Sinds 2010 bepaalt WRO jaarlijks, aan het eind van het jaar, de hoogte van de
financiële risico’s met het oog op het beoordelen van de weerstandscapaciteit
op toereikendheid. Inmiddels zijn de uitkomsten van de risico-inventarisatie
ultimo 2013 bekend.
Op basis van deze uitkomsten bedraagt de minimaal benodigde weerstandscapaciteit € 1.327.500. Gelet op de omvang van de algemene reserve
(€ 4.025.570), is de feitelijke weerstandscapaciteit van het waterschap
derhalve 3 maal zo groot dan het geïnventariseerde risico.
III.3
Voor zover voorhanden, zullen verdere mededelingen mondeling ter vergadering worden gedaan.
Voorstel
Wij stellen u voor de ingekomen stukken en de mededeling voor kennisgeving aan te nemen.
Het dagelijks bestuur,
de secretaris/directeur,
de voorzitter,
ing. J.M.G. In den Kleef
dr. J.J. Schrijen
140492
2/2
WATERSCHAPSBEDRIJF LIMBURG
Maria Theresialaan 99
Postbus 1315
6040 K H Roermond
ISO 9001
ISO 14001
KvK-nr. 504.534.83
O H S A S 18001
Bank: 63.67.60.464
W A T E R S C H A P S B E D R I J F
L I M B U R G
Waterschap
a,
Ö « Overmaas
Ro
131
Tel: 088-8420000
Fax: 0475-311605
B BfWVCXKJ'/t
a7
Waterschap Roer en Overmaas
t.a.v. het Algemeen Bestuur
Postbus 185
6130 A D S I T T A R D
Vz
1
beer.'
AOJ
Oir.
Dir.
2012
www.wbl.nl
[email protected]
NOV. 2013
C.G
aan
Ter «fd
T s UCTee-
Pa
Afgedann d.d.
UW K E N M E R K
B E H A N D E L D DOOR
UW BRIEF VAN
TELEFOONNUMMER
ONS K E N M E R K
BIJLAGE(N)
ONDERWERP
porten/2013.11578
1
Vastgestelde Begroting 2014
en Meerjarenraming 20142018
E-MAIL
DATUM
W . A . S . Pörteners
+31 655742253
W. A. S. [email protected]
6 november 2013
Geacht Bestuur,
Met inachtneming van de door beide waterschappen uitgebrachte zienswijze, inhoudende een positief
advies ten aanzien van de vaststelling van de Meerjarenraming 2014-2018 heeft het Algemeen Bestuur
van het Waterschapsbedrijf Limburg de Meerjarenraming 2014-2018 alsook de Begroting 2014 op 24 juli
2013 definitief vastgesteld.
./.
Een exemplaar van de vastgestelde Meerjarenraming / Begroting is bijgevoegd.
De directeur,
De voorzitter.
ing. E.M. Pelzer M M O
mr. A . M . G . Gresel
Waterschapsbedrijf Limburg is een samenwerkingsverband van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap R o e r en O v e r m a a s
M l I II I III IIIII' III III III
Algemeen Bestuur WBL van 24 juli 2013
Corsa-nr. 2013.08416
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
INHOUD
1
Inleiding
5
2
Uitvoerend beleid in de planperiode 2014-2018
2.1
Het Waterschapsbedrijf in 2014-2018
2.1.1 Missie, visie, strategische doelen
2.1.2 Externe ontwikkelingen relevant voor het WBL
2.1.3 Interne ontwikkelingen relevant voor het WBL
2.1.4 Bestaand uitvoerend beleid
2.2
Financiële gevolgen 2014-2018 van uitvoeringsbeleid Waterschapsbedrijf
2.2.1 Gehanteerde kwantitatieve uitgangspunten (rekenuitgangspunten)
2.2.2 Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018
2.3
Beschouwing bij de Begroting 2014
2.3.1 De ontwikkelingen sinds het begrotingsjaar 2013
2.3.2 Uitgangspunten en normen
2.3.3 Incidentele baten en lasten
2.3.4 Kostentoerekening
2.3.5 Onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves’ en voorzieningen
2.3.6 Waterschapsbelastingen
2.3.7 Reservepositie: het weerstandvermogen en de ontwikkeling van de Netto kosten
2.3.8 Financiering
7
7
7
8
11
14
16
16
16
22
22
24
24
24
25
25
25
26
3
Uitvoerend beleid Zuiveren en verwerken van afvalwater
3.1
Bouwen en Renoveren
3.1.1 Wat willen we bereiken
3.1.2 Wat gaan we doen
3.1.3 In hoofdzaak werkt de unit Bouwen en Renoveren aan:
3.1.4 Wat gaat het kosten
3.2
Informatie-Technologie, Product- en Procesontwikkeling
3.2.1 Wat willen bereiken
3.2.2 Wat gaan we doen
3.2.3 Wat gaat het kosten
3.2.4 Risico’s
3.3
Operations
3.3.1 Wat willen we bereiken
3.3.2 Wat gaan we doen
3.3.3 Wat gaat het kosten
3.3.4 Risico’s
3.4
Onderhoud
3.4.1 Wat willen we bereiken
3.4.2 Wat gaan we doen
3.4.3 Wat gaat het kosten
3.4.4 Risico’s
3.5
Human Resource Management, Facilitair, Bestuurs- en Juridische ondersteuning
3.5.1 Wat willen we bereiken
3.5.2 Wat gaan we doen
3.5.3 Wat gaat het kosten
3.5.4 Risico’s
32
32
33
33
33
34
36
37
38
39
40
41
42
42
43
48
49
50
52
53
55
56
57
57
58
59
-3-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.6
3.6.1
3.6.2
3.6.3
3.7
3.8
3.8.1
3.8.2
3.8.3
Financiën, Planning, Concerncontrol
Wat willen we bereiken
Wat gaan we doen
Wat gaat het kosten
Kapitaallasten
Bestuur, Directie en Bovenformatief
Positionering
Wat gaat het kosten
Bovenformatief
60
61
62
62
63
68
68
68
70
4
Uitgaven Meerjarenraming naar BBP-opzet
4.1
MJR: Netto-kosten Exploitatie-uitgaven naar BBP-opzet
4.2
MJR: Netto-uitgaven Investeringen naar BBP-opzet
72
72
73
5
De Begroting 2014 (naar kostendragers + naar kostensoorten)
5.1
De Begroting 2014 naar kostendragers
5.2
De Begroting 2014 naar kosten- en opbrengstsoorten
5.2.1 De Begroting 2014 naar kostensoorten
5.2.2 De Begroting 2014 naar opbrengstsoorten
5.3
Verdeling van de Begroting 2014 naar de bijdrage van de waterschappen
74
74
76
76
77
78
BIJLAGEN :
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Rekenuitgangspunten MJR 2014-2018 en Begroting 2014
Staat van immateriële, materiële, financiële vaste activa en onderhanden werken
Staat van vaste schulden
Staat van reserves en voorzieningen
Berekening van het rente-omslagpercentage
Staat van personeelslasten
Kostenverdeelstaat met toelichting
Meerjarenraming 2013-2017
-4-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
1
Inleiding
Waterschapswet
Met betrekking tot de Meerjarenraming (MJR) is in de nota van toelichting op de waterschapswet
het volgende opgenomen:
“In de besprekingen ter voorbereiding van en over de meerjarenraming geeft het algemeen bestuur
het dagelijks bestuur de beleidsmatige en financiële kaders mee die gelden voor de uitwerking van
het meerjarenbeleid voor het komende jaar”. Bij de toelichting op artikel 4.6 wordt dit nog eens
benadrukt: “Voor de kaderstellende en beleidsbepalende functies van het algemeen bestuur is het
jaarlijks ontwikkelen en bespreken van het meerjarig beleidskader essentieel”. Verder wordt hierbij
het volgende aangegeven: “De MJR moet in beginsel structureel sluitend zijn, dat wil zeggen dat
lasten en baten aan het einde van de meerjarenperiode in evenwicht moeten zijn”.
De MJR wordt behandeld voorafgaand aan de Begroting. Bij de begroting stelt het algemeen
bestuur de kaders voor zowel het beleid als de financiën voor het komende jaar vast. Bij de
behandeling van de begroting dient te worden aangegeven – in de situatie dat de MJR op een
eerdere datum (bijv. in het voorjaar) behandeld wordt dan de begroting – welke van de
gehanteerde normen en uitgangspunten in belangrijke mate afwijken van het voorafgaande
begrotingsjaar én van de MJR.
Bij het Waterschapsbedrijf Limburg (WBL) worden MJR + Begroting gelijktijdig in het voorjaar
behandeld; voor de beleids- en verantwoordingscyclus betekent dit dat een fysiek gescheiden
document MJR en Begroting niet noodzakelijk is.
In deze opzet worden de beleidsmatige en financiële kaders van en over de MJR door het
Dagelijks Bestuur behandeld in het eerste kwartaal van het jaar van het opstellen van de MJR en
de Begroting.
De indeling van zowel de Meerjarenraming als de Begroting dient te voldoen aan de in de
wetgeving opgenomen kaders, concreet: er dient een programmabegroting te worden opgesteld.
Met de beide waterschappen is afgestemd dat de programma’s voor het WBL overeenkomen met
de taakstelling van de onderscheiden units:
 zuiveren en verwerken van afvalwater
o bouwen en renoveren
o informatie-technologie, product- en procesontwikkeling
o operations (incl. bemonsteren en analyseren)
o onderhoud
o ondersteuning:
 human resource management, facilitair, bestuurs- juridische ondersteuning
 financiën, planning, concerncontrol
 directie en bestuur
Functie van Meerjarenraming en Begroting
De meerjarenraming bevat het beleid dat door de waterschappen zal worden gevoerd en de
financiële gevolgen daarvan voor het waterschapsbedrijf, waaronder de lasten en baten van het
bestaande en het nieuwe beleid.
-5-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
De Begroting 2014 vormt de eerste jaarschijf van de meerjarenraming 2014-2018. In de begroting
wordt de uitvoering van het beleid, de doelstellingen en de daaraan verbonden kosten voor het
desbetreffende jaar toegelicht. De functie van de Begroting is meerledig:
 Allocatiefunctie; toewijzen van middelen naar programma’s en kostensoorten;
 Autorisatiefunctie; door het vaststellen van de begroting wordt het Bestuur van het WBL
gemachtigd om de opgenomen middelen conform de begroting in te zetten;
 Taakstellende functie; uitoefening van de aan het WBL opgedragen activiteiten moet binnen de
vastgestelde begroting blijven;
 Beheersfunctie; tijdens het jaar, en aan het einde van het jaar via de jaarrekening, worden de
werkelijke resultaten getoetst aan de in de begroting opgenomen middelen.
De Begroting 2014 van het WBL vormt input voor de bepaling van de heffingstarieven voor het jaar
2014 door de beide all-in waterschappen.
Inhoudelijk
Na een korte terugblik komt in hoofdstuk 2 de strategie en de hoofdlijnen van de uitvoering van het
beleid van het Waterschapsbedrijf voor de periode 2014-2018 aan de orde alsmede de
beschouwing bij de Begroting 2014.
Hoofdstuk 3 bevat de Meerjarenbegroting en de Begroting 2014 naar de onderscheiden
programma’s. Voor de overzichtelijkheid is bij de toelichtingen steeds hetzelfde stramien
toegepast:
 wat willen we bereiken ( = de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten)
 wat gaan we doen ( = de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te bereiken)
 wat gaat het kosten ( = de netto kosten).
In hoofdstuk 4 is een opstelling van de Begroting 2014 naar de kosten- en opbrengstsoorten
alsmede een presentatie van de cijfers conform het voor de waterschappen gebruikelijke BBPformat opgenomen.
-6-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2
Uitvoerend beleid in de planperiode 2014-2018
2.1
Het Waterschapsbedrijf in 2014-2018
Overeenkomstig het gestelde in de wetgeving voor waterschappen volgt onderstaand een
toelichting op het bestaande respectievelijk het nieuwe uitvoerend beleid, alsmede de
consequenties hiervan voor de baten en de lasten.
2.1.1
Missie, visie, strategische doelen
Het WBL is een bedrijfsmatige organisatie met de kerntaken transporteren afvalwater, zuiveren
afvalwater en verwerken van slib. Ter ondersteuning van een doelgerichte aansturing wordt
gewerkt met een unitstructuur, strakke financiële aansturing, de cultuurcompetenties, servant
leadership, creatief en innovatief gebruik van de technische mogelijkheden.
De missie van het WBL, gerelateerd aan financiële consequenties, kan als volgt beknopt worden
weergegeven:
a. transporteren en zuiveren afvalwater, verwerken van slib
b. een hoogwaardige bestemming voor gezuiverd water / ontwaterd slib
c. het zuiveringsproces vergt een zo laag mogelijke energiebehoefte
d. investeren in kwaliteitsorganisatie
e. voldoen aan wet- en regelgeving
f. bedrijfsvoering tegen zo laag mogelijke kosten
De visie van het WBL kan als volgt beknopt worden weergegeven:
- optimaliseren afvalwaterinfrastructuur
- bedrijfsvoering waarin centraal staat vernieuwing, innovatie en continu verbeteren
- samenwerken met sterke partners waardoor waarde gecreëerd wordt voor WBL
- samenwerken gericht op schaalvoordelen leidend tot lagere kosten en beter en duurzamer
product
- organisatie inrichten naar model van high performance organisatie (betere financiële en
niet-financiële resultaten dan vergelijkbare bedrijven voor periode van minimaal 5 jaar)
De volgende strategische doelen worden onderkend:
a. optimale werking en capaciteit installaties; zuiveren
b. transporteren afvalwater binnen gestelde normen
c. verbruik grondstoffen verminderen en milieubelasting als gevolg van reststoffen beperken
d. kostenreductie op alle processen met behoud van kwaliteit
e. tevredenheid partners verbeteren
f. kwaliteit organisatie aan top in branche met gemotiveerde medewerkers/management in
veilige werkomgeving
g. maatschappelijk verantwoord ondernemen
De transparantie van de kosten, baten in relatie tot de prestaties wordt vergroot, waarbij de
performance door het WBL wordt gevolgd aan de hand van KPI’s (Kritieke Prestatie Indicatoren).
Voorbeelden van Kritieke Prestatie Indicatoren zijn:
a. totaal gestandaardiseerde kosten transport, zuiveren, slib
b. voldoen aan lozingseisen
c. specifiek energieverbruik transport en zuiveren (en deels combinatie)
d. specifiek chemicaliënverbruik
e. KAM certificering
f. medewerkers- en klanttevredenheid
g. extra maatregelen die in het kader van de KRW (Kader Richtlijn Water) getroffen moeten
worden, vallen buiten het scenario voor ombuigen.
-7-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2.1.2
Externe ontwikkelingen relevant voor het WBL
Doelmatigheidswinst Bestuursakkoord Water
De economische situatie en de daaruit voortvloeiende rijksbezuinigingen hebben nu al en zullen
ook de komende jaren een aanzienlijk effect hebben op de samenleving. Ook de waterschappen
blijven hier niet van verschoond en worden geconfronteerd met een financiële situatie die zich
kenmerkt door zuinigheid met vlijt en verantwoord kostenbewustzijn. Op waterschapsniveau
hebben de rijksbezuinigingen hun vertaalslag gevonden in het Bestuursakkoord Water, waarbij een
doelmatig en rationeel waterbeheer als kerntaak voorop staat.
In het Bestuursakkoord Water is vastgelegd dat partijen gezamenlijk streven naar een
doelmatigheidswinst die oploopt tot jaarlijks € 750 miljoen in 2020.
Deze € 750 mln is daarbij als volgt opgebouwd (bron: Bestuursakkoord Water, april 2011):
Te bereiken doelmatigheidswinst volgens Bestuursakkoord Water van April 2011
( in mln € )
Waterketen
- waterschappen en gemeenten
- drinkwaterbedrijven
- rijk, provincies, waterschappen, gemeenten
380
70
300
750
Doelmatigheidswinst van € 750 mln
( in mln € )
- gemeenten (riolering)
140
- waterschappen (zuivering)
100
- waterschappen en gemeenten
140
- drinkwaterbedrijven
70
- overdracht bestrijding muskus- beverratten van provincie naar waterschappen
19
- aanleg/verbetering primaire waterkeringen van rijk naar ws-en (gedeeltelijk) *
181
- waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven
100
750
(*) periode 2011-2013: € 81 mln; in jaar 2014: € 131 mln; vanaf jaar 2015: € 181 mln
Deze doelmatigheidswinst zal door de waterschappen gerealiseerd dienen te worden door
gezamenlijk invulling te geven aan het begrip ‘gematigde lastenontwikkeling’.
In de brief d.d. 27-4-2012 van de Unie van Waterschappen wordt hieromtrent vermeld dat als ieder
individueel waterschap erin slaagt om de ontwikkeling van de waterschapsbelastingen zoals deze
eind 2009 voor de referentieperiode 2010-2013 werd geraamd (landelijk 3,5%), door
doelmatigheidswinst met 0,8% per jaar naar beneden bij te stellen, als sector waterschappen het
vereiste aandeel in de gemaakte afspraken wordt geleverd. Hierbij moeten dan wel de extra kosten
van de muskusrattenbestrijding en HWBP-bijdragen eveneens zijn ‘terugverdiend’.
Om adequaat op bovengenoemde Rijksbezuinigingen te kunnen inspelen hebben de
waterschappen enerzijds gezocht naar ombuigingsmogelijkheden binnen de eigen begrotingen,
maar hebben anderzijds reeds bij het opstellen van de MJR 2012-2016 het WBL verzocht om ook
de ombuigingsmogelijkheden binnen de WBL-begroting te onderzoeken.
Bepaald is dat daarbij het begrotingsjaar 2011 als referentiejaar geldt.
Uit bovenstaande tabel blijkt een voor waterschappen en gemeenten beoogde landelijke
bezuinigingsoperatie van € 380 mln, verdeeld over:
 € 140 mln riolering gemeenten
 € 140 mln integratie riolering en zuiveringen
 € 100 mln zuiveringen
-8-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
De ombuigingsoperatie heeft voor het WBL vooralsnog enkel betrekking op de € 100 mln
Zuiveringen. De overige besparingen vallen op dit moment buiten de ‘invloedscirkel‘ van WBL.
De onderliggende veronderstelling is dat deze besparingen op termijn, mede te realiseren zijn door
optimalisatie in de afvalwaterketen (beheer gemeentelijke rioleringen door de waterschappen).
Qua verantwoordelijkheden en het initiëren van samenwerking in de afvalwaterketen met
gemeenten zijn in de Limburgse situatie de volgende punten relevant:
 de verantwoordelijkheid voor het identificeren, het vormgeven en het organiseren van de
samenwerking met gemeenten ligt bij de twee waterschappen WRO en WPM;
 van de vier essentiële elementen van een geslaagde marktstrategie (prijs, product, plaats en
promotie) kan eigenlijk alleen bij prijs enige eigen invloed worden uitgeoefend door het WBL.
Voor het overige ligt de verantwoordelijkheid voor het grijpen van kansen voor besparingen in
de afvalwaterketen bij WRO en WPM.
In het bijzonder wordt vermeld dat er landelijk geen verdeelsleutel is afgesproken waarbij rekening
is gehouden met de inspanningen van de waterschappen in het afgelopen decennium. De
Limburgse waterschappen hebben zich in deze periode sterk gefocust op het realiseren van zo
laag mogelijke maatschappelijke kosten. De benchmarks, waaronder die van zuiveringsbeheer
laten de effecten daarvan zien. Limburg is voor wat betreft de gestandaardiseerde kosten
(kapitaalslasten en exploitatie) voor transporteren en zuiveren gemiddeld 25% goedkoper dan het
landelijk gemiddelde (*benchmark 2009).
Ontwikkeling van de zuiveringstarieven
Daarnaast is gekeken naar de vergelijking van de zuiveringstarieven zoals gepresenteerd met
Waterschapspeil 2013, ter bepaling van de relatieve positie van de zuiveringsheffing van de
Limburgse waterschappen en het aandeel van het WBL in deze heffing.
Hieruit resulteert het volgende beeld:
 Ontwikkeling landelijk gemiddelde zuiveringstarief:
o periode 2011-2013
4,2%
o periode 2009-2013
9,3%
 tarieven Limburg 2009-2013
2,4%
Onderstaand is een vergelijking weergegeven van de zuiveringsheffing van de top 7 van grootste
zuiverende waterschappen, hieruit blijkt dat Limburg tot de top 3 van laagste zuiveringstarieven
behoort (zie de tabel).
Jaar 2013
tarief in
aantal v.e. euro per v.e.
Amstel, Gooi en Vecht
WRO resp. WPM
Rijnland
Vallei en Veluwe
Hollands Noorderkwartier
Delfland
Hollandse Delta
1.602.000
54,00
1.580.000 49,73 en 49,35
1.525.000
52,38
1.471.000
48,54
1.433.000
52,64
1.402.000
89,40
1.345.000
49,68
Waterschapsbedrijf
- netto kosten per v.e.
- netto kosten per verwijderde i.e.
1.580.000
1.732.000
42,05
38,36
-9-
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
In voorafgaande tabel zijn ter vergelijking tevens netto kosten van het WBL opgenomen, uitgedrukt
in netto kosten per v.e. resp. in netto kosten per verwijderde i.e.
Bij vergelijking van de netto kosten WBL per v.e. met het gemiddelde tarief per v.e. van WRO en
WPM, dan blijkt dat het aandeel van deze netto kosten circa 85% uitmaken van het tarief per v.e.
Het aantal v.e. kan door het WBL echter niet worden beïnvloed. Door het WBL wordt gestuurd op
de hoeveelheid te verwijderen i.e. Geconstateerd wordt dat het aantal verwijderde i.e. significant
hoger ligt dan het aantal geheven v.e. Naarmate de geheven v.e.’s meer in de buurt zouden komen
van de verwijderde i.e.’s dan dalen ook de netto kosten per v.e.
Zoals uit de tabel blijkt zijn de netto kosten per verwijderde i.e. gelijk aan € 38,36
Scenario’s ontwikkeling netto kosten WBL
Onderstaand wordt aangegeven hoe de ontwikkeling van de netto kosten bij het WBL volgens de
Meerjarenraming 2013-2017-2022 zich verhoudt tot de te bereiken doelmatigheidswinst.
Hierbij worden de volgende scenario’s getoond:
1. kosten WBL incl. inflatie - volgens MJR in de periode 2010-2022
2. kosten WBL incl. inflatie op basis van de bijdrage 2010 + de in het feitenrapport
verwachte kostenstijging van 18% tot 2020 (overeenkomend met 1,8% per jaar)
3. kosten volgens variant 2 aangevuld met het halen van de doelmatigheidsreductie van
0,8% per jaar (volgens het Feitenrapport betekent dit voor WBL: kosten incl. inflatie +
stijging kosten met 1% per jaar)
4. kosten volgens variant 3 aangevuld met de volgens het Feitenrapport te behalen extra
doelmatigheidsreductie van 0,5% per jaar bij realisatie van integraal afvalwaterbeheer.
1. netto kosten incl. inf latie - vlgs MJR 2013-2017-2022
2. netto kosten + verwachte stijging waterschapswereld (18%)
3. netto kosten + besparing af valwaterketen (stijging daalt tot 10%)
4. netto kosten + besparing waterketen (stijging daalt tot 5%)
110.000
105.000
100.000
95.000
90.000
85.000
80.000
75.000
70.000
65.000
60.000
55.000
50.000
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Jaar
2010
bedragen x 1.000 euro
1. netto kosten incl. inflatie - vlgs MJR 2013-2017-2022 van het WBL
2. netto kosten incl. inflatie + verwachte stijging waterschapswereld (18%)
3. netto kosten incl. inflatie + besparing afvalwaterketen (stijging daalt tot 10%)
4. netto kosten incl. inflatie + besparing waterketen (stijging daalt tot 5%)
- 10 -
72.510
72.510
72.510
72.510
Jaar stijgings
2020 percent.
76.574
105.652
97.637
92.910
6%
46%
35%
28%
blauwe lijn
rode lijn
groene lijn
paarse lijn
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Uit deze vergelijking blijkt dat de kostenontwikkeling WBL volgens de vastgestelde MJR 2013-2017
(de blauwe lijn) zich al duidelijk beweegt onder het kostenniveau overeenkomend met de landelijk
afgestemde doelmatigheidsreductie van 0,8% per jaar (de groene lijn). Ook ligt die blauwe lijn
(WBL) nog duidelijk lager dan het kostenniveau overeenkomend met de landelijk te behalen
aanvullende doelmatigheidsreductie van 0,5% per jaar, bij realisatie van de voordelen verbonden
aan integraal waterbeheer (zie de paarse lijn).
2.1.3
Interne ontwikkelingen relevant voor het WBL
Uitgangspunten Meerjarenraming 2014-2018 + Begroting 2014
Overeenkomstig het besluit van het Dagelijks Bestuur van 20-3-2013 worden de volgende
uitgangspunten gehanteerd:
1. Referentiekader voor de nieuwe MJR resp. Begroting 2014 vormen:
a. Begroting 2011 (reeds vorig jaar besloten bij de behandeling van de Begroting 2012)
b. MJR 2013 – 2017 + MIP 2013 - 2017
2. Ter beoordeling van de ontwikkeling van de netto kosten op langere termijn, wordt de scope
van een beoordelingsperiode van 10 jaar aangehouden.
3. Uitgangspunt is dat de volgende rwzi’s van het WBL moeten voldoen aan de KRW-normen en
ingangsdata, zoals die door de beide Waterschappen op 20-11-2012 schriftelijk aan het WBL
zijn kenbaar gemaakt. Hierbij is de keuze gemaakt voor chemisch defosfateren op rwzi’s waar
alleen maatregelen nodig zijn voor fosfaatverwijdering (Gennep, Meijel, Hoensbroek) en keuze
voor biologisch defosfateren op rwzi’s waar ook maatregelen nodig zijn voor
stikstofverwijdering (Roermond, Simpelveld).
4. Specifiek voor rwzi Wijlre wordt vooralsnog uitgegaan van het voldoen aan de KRW-eisen per
2020 overeenkomend met de oude KRW-planning van het moment voordat sprake was van
clustering van Simpelveld en Wijlre. Nu de clustering van tafel is, wordt geopteerd voor het
aanhouden van de oude ingangsdatum. In de brief van 20-11-2012 is als ingangsdatum
vermeld 31-12-2014. De rwzi Wijlre zal volgens het MDR-concept worden aangepast.
5. Als vertrekpunt voor de bouw van een MDR (Modulaire Duurzame Rwzi) gelden de door het
Algemeen Bestuur vastgestelde bestuurlijke randvoorwaarden:
a. stel voor elke rwzi een jaartal vast, waarin de conventionele rwzi wordt gesloten en de
bouw van een MDR gereed is, en waarbij sprake is van lagere netto bedrijfskosten. Het
uitwerken van een “stip op de horizon” scenario geschiedt in nauwe samenwerking met
WRO en WPM met aandacht voor locatiekeuze en grootte van de MDR, waarbij het
watersysteem een prominente plaats krijgt in het afwegingskader;
b. kies in overbruggingsperiode tot moment sluiten van conventionele rwzi voor bouwkundige/
elektromechanische renovaties met een technische levensduur voor deze
overbruggingsperiode, die leiden tot lagere netto bedrijfskosten;
c. pas innovaties toe als sprake is van een aanvaardbaar risico. Eventuele risico’s worden
gespreid door samenwerking te zoeken met sterke partners (ondernemingen, overheden,
onderwijs);
d. stel een (Europese) businesscase op, die de basis vormt voor verkrijgen van (Europese)
subsidies;
e. voer onderzoek uit naar noodzaak/ haalbaarheid transformatiefonds voor realisatie
paradigmashift MDR;
f. voer onderzoek uit naar de keuze van de juridische structuur/rechtspersoon van het WBL
met aandacht voor mogelijkheden tot valorisatie van het MDR-concept.
6. In de nieuwe MJR 2014-2018-2022 wordt uitgegaan van de volgende MDR-projecten:
a. Het niet clusteren van Simpelveld en Wijlre
- 11 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
b. MDR-realisatie voortrein Roermond (uiterlijk 2014)
c. MDR-realisatie middentrein KRW-proof rwzi Simpelveld (uiterlijk 2015)
d. MDR-realisatie rwzi Weert (uiterlijk 2018)
Voor de realisatie van een MDR te Maastricht in samenwerking met het bedrijfsleven, wordt in
2013 een businesscase uitgewerkt.
Vooralsnog wordt voor de MDR-uitwerking uitgegaan van een afschrijvingstermijn voor het
bouwkundig gedeelte van 30 jaar en van het elektromechanisch gedeelte van 15 jaar; gelet op
de wens om flexibel in te kunnen spelen op innovatieve ontwikkelingen in combinatie met het
realiseren van verplaatsbare en elders in te zetten installatiecomponenten.
Uitvoeren van een verkenning naar potentiële waardecreërende marktpartijen/fabrikanten in de
keten van ontwikkelen en bouw van onderdelen van de MDR. Na de innovatiesalon van
oktober 2012 hebben zich een aantal marktpartijen gemeld, waarmee verkennende
gesprekken worden gevoerd. Centraal in deze gesprekken staat steeds “wat kan de
wederpartij toevoegen”.
Uitvoeren van een verkenning naar waardecreërende samenwerkingspartners voor het
(internationaal) vermarkten van de MDR. Na de innovatiesalon van oktober 2012 hebben zich
hiervoor grote marktpartijen gemeld en zijn er in het kader van internationaal vermarkten
gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van het EIP (Entrepreneurship and Innovation
Programma) in Brussel en Den Haag. De Europese Commissie is akkoord met de MDR als
Action Group. Middels deze contacten is het mogelijk gebruik te kunnen maken van het
netwerk van de Europese Commissie.
Het WBL stopt met het drogen van slib per 1-7-2018 zijnde de datum van afloop contract met
de Enci. Met betrekking tot slibverwerking heeft het Algemeen Bestuur in maart 2012 de
volgende bestuurlijke randvoorwaarden geformuleerd:
- Behoudt maximale flexibiliteit zodat snel kan worden ingespeeld op de veranderingen in de
afzetmarkten voor zuiveringslib;
- Investeer op dit moment niet zwaar in eigen grootschalige verwerkingscapaciteit;
- Zorg dat verwerkingscapaciteit snel kan worden op- en afgeschaald;
- Duurzaamheid biedt kansen voor lagere kosten;
- Door modulaire opbouw van slibverwerking ontstaan kansen voor diverse vormen van
samenwerking en organisatie;
- Spreidt de risico’s waar mogelijk;
- Zoek naar mogelijkheden voor strategische samenwerking met sterke partners zoals
bijvoorbeeld: Duitse waterschappen en industrie;
- Geef nieuwe innovatieve verwerkingstechnologieën een betere kans door zo kort mogelijke
terugverdientijden;
- Pas innovatieve oplossingen uitsluitend toe indien de risico’s calculeerbaar zijn;
- Maak maximaal gebruik van (Europese) subsidies door (Europese) business cases op te
stellen.
Ondanks alle in het investeringsprogramma opgenomen maatregelen wordt het jaarlijkse
investeringsniveau bij de MJR 2014-2018 verlaagd van € 25 mln naar jaarlijks € 22,5 mln.
Tevens is relevant dat in dit investeringsprogramma geen rekening is gehouden met extra
investeringen (buiten het reguliere investeringsprogramma) voor innovatieve zaken welke zich
binnen 7 of 8 jaar terugverdienen. De accordering van dit soort investeringen zal steeds leiden
tot een verhoging van het investeringsvolume (omdat deze investeringen zichzelf op korte
termijn terug verdienen).
- 12 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Ten opzichte van de vorige MJR zijn in de onderhavige MJR 2014-2018 de volgende
wijzigingen doorgevoerd:







Verhoging BTW-percentage van 19% naar 21%: € 0,45 mln in 2014.
Verwerking effecten nieuwe CAO (introductie Individueel Keuze Budget): € 0,20 mln in 2014.
Treffen van KRW-maatregelen op de door WRO en WPM aangewezen rwzi’s
Besluit tot het niet-clusteren van de rwzi’s Simpelveld en Wijlre
Realiseren van middentrein rwzi Simpelveld volgens MDR-concept
Realiseren van voortrein rwzi Roermond volgens MDR-concept
Effect aanbesteding laboratoriumwerkzaamheden
De volgende punten zullen in de loop van dit jaar of begin volgend jaar voor bestuurlijke
behandeling geagendeerd zullen worden:
 de businesscase met betrekking tot realisatie MDR in Maastricht;
 de toepassing van thermische drukhydrolyse in Hoensbroek;
 de resultaten en toepassingsmogelijkheden van verbeteronderzoeken met betrekking tot
slibontwatering en de daaraan gekoppelde bedrijfsvoering;
 terugwinning van fosfaat (struviet).
De ontwikkeling van de netto kosten ten opzichte van de vorige MJR
De ontwikkeling van de netto kosten ten opzichte van de vorige MJR, is onderstaand zowel in een
tabel als in een grafiek inzichtelijk gemaakt (ten opzichte van referentiejaar 2011).
Uit onderstaande grafiek blijkt dat in het jaar 2014 de netto kosten van het WBL hoger zijn dan in
het vergelijkbare jaar volgens de vorige MJR. Vanaf 2015 ligt het niveau van de netto kosten echter
lager dan in het vergelijkbare jaar van de vorige MJR. Vanaf 2015 blijft het niveau van de netto
kosten ook lager dan het niveau volgens de vorige MJR.
Totaal netto kosten
bedragen x € 1.000
MJR 2013-2017
MJR 2014-2018
mutatie netto kosten
2011
2012
2013
bijgesteld
72.510 69.199 66.440
72.510 69.199 66.440
0
0
MJR 2013-2017
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
67.237
68.615
1.378
72.707
71.829
-878
74.899
72.278
-2.621
76.220
72.924
-3.296
76.432
72.909
-3.523
75.856
72.982
-2.874
76.574
74.534
-2.040
76.728
75.212
-1.516
77.426
75.119
-2.307
75.823
MJR 2014-2018
90.000
85.000
80.000
75.000
70.000
65.000
60.000
55.000
50.000
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023
- 13 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
High Performance Organisatie
Het WBL bevindt zich in een transitieproces naar een High Performance Organisatie, die zich op
financiële en niet-financiële prestaties positief wil onderscheiden van vergelijkbare bedrijven. Het
transitieproces kenmerkt zich verder door het proces van denken naar handelen als een bedrijf.
Waar het WBL staat als organisatie, wordt gemonitord door benchmarks (benchmark
Zuiveringsbeheer; benchmark overhead; e.d.). De bestuurlijke uitgangspunten vormen de
grondslag voor de Begroting en Meerjarenraming. Centraal staat het realiseren van een
kostenbesparing ten opzichte van het begrotingsjaar 2011 met als referentiekader een totaal van
de netto kosten van € 72, 5 mln.
2.1.4
Bestaand uitvoerend beleid
Met betrekking tot het zuiveringsstelsel betreft het met name de sluiting van de zuivering in
Heerlen.
De uitgevoerde studies (veelal samen met het Waterschap Aa en Maas) over de toekomst van de
zuivering in Meijel heeft uitgewezen, dat zelfs met medeneming van de investeringen om deze
zuivering kaderrichtlijn-proof te maken, het openhouden van deze zuivering voorshands goedkoper
is dan welk alternatief dan ook. Zo is dan ook door het bestuur besloten.
De studies over het toekomstige zuiveringsstelsel rond Maastricht zijn nog niet afgerond. Een
daarop afgestemde businesscase op basis van het MDR-concept is gepland voor 2013.
De positieve consequenties voor de geplande energielasten door sluiting van de droger
Hoensbroek, de realisatie van thermische drukhydrolyse te Venlo en bouw van een WKK-installatie
(warmtekrachtkoppeling) op de rwzi Wijlre zijn reeds geëffectueerd bij de vorige MJR.
In de vorige MJR 2013-2017 is rekening gehouden met de effluenteisen die middels een brief van
20-9-2011 in het kader van de KRW zijn geformuleerd door de beide waterschappen (conform de
mededeling aan het DB op 11-11-2011). Het betreft in dezen de installaties Wijlre, Kaffeberg en
Rimburg (vanaf 2015) en Venray (vanaf 2016).
In de onderhavige MJR 2014-2018 zijn op basis van een brief van 20-11-2012 van de beide
waterschappen de normen en ingangsdata waarop de rwzi’s van het WBL moeten gaan voldoen
aan de effluenteisen in het kader van de KRW aangepast. De consequenties voor de rwzi’s in de
periode 2014-2018-2023 zijn in de onderhavige MJR opgenomen conform het voorstel aan het DB
op 20-3-2013. Dit betreft de rwzi’s Gennep, Meijel, Roermond, Hoensbroek. Ten aanzien van rwzi
Wijlre wordt in afwijking van de brief maar overeenkomstig het DB-voorstel uitgegaan van voldoen
aan de KRW-eisen per 2020.
Er zijn de afgelopen jaren belangrijke beslissingen genomen over het beleid met betrekking tot de
verwerking van ons zuiveringsslib. Dit beleid heeft een aantal elementen:
 Sluiting drogers Venlo en Hoensbroek (beide al gerealiseerd)
 Verdergaande ontwatering en vergisten van slib.
 Voortzetten van het drogen van slib tot medio 2018.
 Afzetten van het niet gedroogde maar wel ontwaterde slib naar derden; middels een openbare
aanbesteding (reeds gerealiseerd).
- 14 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Samenwerking in de afvalwaterketen
Landelijk (Bestuursakkoord Water) is er toenemende aandacht voor de mogelijkheden tot
efficiencyverbeteringen in de afvalwaterketen. Inmiddels hebben we veel ervaring opgedaan in 7
samenwerkingsprojecten met gemeenten voor beheer en onderhoud van gemalen (middels Lichte
Gemeenschappelijke Regelingen). Daarnaast werken we al veel samen met gemeenten op
projectplanning, projectmanagement en informatiebeheer. Echter de schaal en het niet
gestructureerde karakter leiden bij het WBL niet tot substantiële inkomsten c.q. kostenverlagingen.
Zowel de schaal (middels een hoger ambitieniveau, met name op beheer en onderhoud van
rioleringen) als een gestructureerde aanpak zullen leiden tot substantiële kostenverlagingen in de
orde zoals aangegeven bij het Bestuursakkoord Water. Alleen bij een gestructureerde aanpak
(kwaliteitsgaranties) is het realistisch om van gemeenten te verwachten dat ze een deel van de
besparingen doorgeven aan het WBL (en dus aan de waterschappen).
In de samenwerking staat centraal de juiste afweging van zowel investerings- als
uitvoeringsbeslissingen, waarbij zowel verhoging van de duurzaamheid als verhoging van de
kosteneffectiviteit de uitdaging is. Middels het optimaliseren van kosten, prestaties en middelen
streeft het WBL ernaar het transportstelsel naar een niveau te brengen dat voldoet aan deze
doelstellingen. Door het tonen van deze expertise laat WBL zien een interessante
samenwerkingspartner te zijn in de afvalwaterketen voor gemeenten.
Eind 2012 is in opdracht van de waterschappen een business case uitgevoerd. De resultaten van
de business case bevestigen dat WBL financieel en kwalitatief een interessante
samenwerkingspartner is.
- 15 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2.2
Financiële gevolgen 2014-2018 van uitvoeringsbeleid Waterschapsbedrijf
2.2.1
Gehanteerde kwantitatieve uitgangspunten (rekenuitgangspunten)
Voor de jaren van de meerjarenraming worden de volgende kwantitatieve uitgangspunten
gehanteerd, voor het doorrekenen van de kostenontwikkeling en de raming van de eigen baten :
Inflatie (excl. energie)
Salaris + sociale lasten
Rente lang
Rente kort
2014
2%
2%
4%
0,75%
2015
2%
2%
4%
1,0%
2016
2%
2%
4,5%
1,5%
2017
2%
2%
4,5%
2%
2018
2%
2%
5%
2,5%
Hierbij dient te worden aangetekend dat over de posten: kapitaallasten, energie en laboratorium,
geen inflatie wordt berekend. De inflatiecorrectie heeft daardoor betrekking op 44% (= € 30,7 mln)
van het begrotingstotaal, waarvan het aandeel personeelslasten € 11,4 mln bedraagt. De
inflatiecorrectie bij personeelslasten wordt daarbij voor een groot deel opgesoupeerd door de
relatief sterker stijgende sociale lasten.
Voor een uitgebreidere toelichting op de rekenuitgangspunten zie bijlage 1.
2.2.2
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018
2.2.2.1
Wat gaan we investeren
Het meerjareninvesteringsprogramma (MIP 2014-2018) is verkort weergegeven (naar de BBP
beleidsproducten) in paragraaf 4.2.
Elk jaar bij het opstellen van de meerjarenraming wordt het investeringsvolume opnieuw
beoordeeld. Bij de vorige MJR (2013-2017-2022) is dit gebeurd op grond van een tweetal van
belang zijnde ontwikkelingen. Enerzijds het streven om te komen tot verlaging van de kosten door
de bestaande installaties langer resp. zo lang mogelijk in bedrijf te houden en anderzijds een
beweging naar een ander concept voor ontwerp en bouw van een zuiveringsinstallatie – de MDR
(modulair van opzet) – waarmee naar de toekomst toe een grotere flexibiliteit wordt gecreëerd om
in te kunnen spelen op nieuwe technologische ontwikkelingen.
In het meerjaren investeringsprogramma voor het WBL (MIP) wordt ten behoeve van de
investeringsplanning en de berekening van de kapitaallasten geanticipeerd op de bovenstaand
vermelde ontwikkelingen. Omdat de omvorming van traditionele naar Modulaire Duurzame Rwzi’s
(MDR) grotendeels niet binnen de planperiode van het MIP plaatsvindt, kenmerkt het MIP zich
vooral door het uitstellen van investeringen en het doen van onderhoudsinvesteringen om de
installaties aan wet- en regelgeving te laten voldoen. Daarnaast bevat het nieuwe MIP (2014-20182023) concrete ramingen om de rwzi’s te laten voldoen aan de gestelde KRW-eisen alsmede
concrete ramingen voor MDR-projecten ter realisatie van de middentrein Simpelveld, van de
voortrein rwzi Roermond en de MDR voor rwzi Weert. In relatie tot Simpelveld is daarbij van belang
dat is afgezien van de voorgenomen clustering van rwzi’s Simpelveld en Wijlre.
Tevens zijn in het nieuwe MIP opgenomen de maatregelen die op de diverse rwzi’s getroffen
moeten worden in het kader van de voorschriften volgens Kader Richtlijn Water, zoals die door de
beide waterschappen kenbaar zijn gemaakt.
Rekening houdend met deze MDR-projecten, de KRW-maatregelen en de concrete verwachtingen
voor de planperiode is het mogelijk gebleken het investeringsniveau voor de nieuwe planperiode te
stellen op gemiddeld € 22,5 mln per jaar. Dit niveau is € 2,5 mln per jaar lager dat het in de vorige
MJR aangehouden gemiddelde niveau aan investeringsuitgaven (was € 25 mln excl. clustering
rwzi’s Simpelveld en Wijlre).
- 16 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2.2.2.2
Wat gaat het kosten
Specifieke ontwikkelingen in de periode 2010 - 2012 van invloed op de MJR
Op landelijk niveau zijn in 2010 afspraken gemaakt over bezuinigingen binnen de
waterschapswereld. Het Bestuursakkoord Water poogt bezuinigingen en doelmatig/rationeel
waterbeheer samen te brengen. De onderhavige MJR borduurt voort op de uitgangspunten die
daartoe zijn behandeld in het bestuur van het WBL. De overige middels bestuursbesluiten
vastgestelde maatregelen zijn in deze begroting / meerjarenbegroting verwerkt.
Ontwikkeling totale kosten volgens de MJR (t.o.v. referentiejaar 2011)
De kosten-/batenontwikkeling ziet er in de periode 2014-2018 ten opzichte van 2011 als volgt uit.
Bedragen x 1.000 euro
kapitaallasten
personeelslasten
goederen en diensten van derden
bijdragen aan derden
toevoeging aan voorzieningen
onvoorzien
totaal lasten
Referentie Bestuurs
Begroting Begroting Begroot
2011
2014
2018
gemiddeld
stijging
vergelijk met
begroot
gemiddelde
stijging
2014-2018
tov 2011
conform inflatie
34.210
11.910
29.314
141
176
130
75.881
31.316
12.233
27.942
152
80
282
72.004
31.497
13.300
31.038
165
86
292
76.378
32.395
12.718
29.465
159
83
288
75.107
-5,3%
6,8%
0,5%
12,5%
-52,9%
121,8%
-1,0%
-20,2%
-8,1%
-14,4%
-2,3%
-67,8%
106,9%
-15,9%
3.371
3.390
3.469
3.397
0,8%
-14,1%
netto kosten
- netto kapitaallasten
- netto bedrijfsvoeringskosten
72.510
33.844
38.666
68.615
30.886
37.729
72.909
31.067
41.842
71.711
31.965
39.746
-1,1%
-5,6%
2,8%
-16,0%
-20,4%
-12,1%
bijdrage waterschappen
exploitatie-saldo
72.510
0
68.615
0
72.909
0
71.711
0
-1,1%
-16,0%
150,6
150,0
146,9
148,1
eigen baten incl. kapitaalbaten
Personeelsformatie
Voor de ontwikkeling van de netto kosten in relatie tot de bijdragen van de beide waterschappen is
door het Algemeen Bestuur besloten om voor de gehele planperiode uit te gaan van op jaarbasis
sluitende begrotingen voor het WBL, waarbij het beheer van een egaliserende reserve volledig ligt
bij de beide moederorganisaties. Het reservebeheer door de moederorganisaties zal er op gericht
zijn om het fluctueren van de bijdrage aan het WBL tijdens de planperiode op te kunnen vangen.
Volgens deze insteek vertoont de bijdrage van de waterschappen het volgende verloop:
- bijdrage in 2011 en 2012 bedroeg € 72,5 mln;
- bijdrage in 2013 bedraagt € 66,4 mln en is daarmee € 6,1 mln lager dan in 2011;
- bijdrage gevraagd voor 2014 bedraagt € 68,6 mln en is daarmee € 3,9 mln lager dan in 2011.
In de opvolgende jaren stijgt de waterschapsbijdrage tot € 72,9 mln in 2018. Gemiddeld over de
vijfjarige planperiode bedraagt de bijdrage € 71,7 mln overeenkomend met een daling van 1,1%
ten opzichte van de bijdrage voor 2011.
De stijging van de netto kosten komt overeen met het verloop van de waterschapsbijdrage, omdat
uitgangspunt is dat sprake moet zijn van een sluitende begroting.
De daling van de netto kosten met € 3,9 mln in 2014 ten opzichte van 2011 bestaat uit:
- daling van de kapitaallasten met € 2,9 mln (van € 33,8 mln in 2011 naar € 30,9 mln);
- daling van de bedrijfsvoeringkosten met € 0,9 mln (van € 38,6 mln in 2011 naar € 37,7 mln).
- 17 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Het bovenstaande blijkt ook uit de navolgende tabel resp. grafiek:
bedragen x € 1.000
netto kapitaallasten
netto bedrijfsvoeringkosten
bijdrage ws-en
procentuele stijging van de bijdrage tov 2011
netto kapitaallasten
Begroot Bijgesteld
2011
2012
33.844
30.720
38.666
38.479
72.510
72.510
0,0%
Begroot
2013
30.176
36.264
66.440
-8,4%
Begroot
2014
30.886
37.729
68.615
-5,4%
Begroot
2015
33.718
38.110
71.829
-0,9%
Begroot
2016
32.238
40.040
72.278
-0,3%
Begroot
2017
31.913
41.011
72.924
0,6%
Begroot
2018
31.067
41.842
72.909
0,6%
netto bedrijf svoeringkosten
bijdrage ws-en
80.000
70.000
60.000
50.000
40.000
30.000
20.000
10.000
0
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
De netto kapitaallasten ten opzichte van referentiejaar 2011
 In de planperiode 2014-2018 ten opzichte van 2011:
De kapitaallasten worden bepaald door twee zaken: de investeringen in het verleden en de
daaraan verbonden vrijval van kapitaallasten én de investeringen zoals geraamd voor de
komende jaren. De kapitaallasten volgend uit de investeringen uit het verleden zijn nauwelijks
te beïnvloeden (zie ook paragraaf 3.7). Als een gevolg van de ontwikkeling van een nieuw
zuiveringsconcept en het zo lang mogelijk in bedrijf houden van bestaande installaties, is een
verhoging van de afschrijfperiode vooralsnog niet aan de orde.
Ten opzichte van 2011 dalen de kapitaallasten in de planperiode eerst van € 33,8 mln naar
€ 30,2 mln in 2013 om in de opvolgende jaren weer te stijgen en zich te stabiliseren rond een
niveau van € 32 mln vanaf het jaar 2016. Deze ontwikkeling is het gevolg van:
o het beëindigen van de droogactiviteiten te Hoensbroek ultimo 2011 en het wegvallen van
2011 op 2012 van de afschrijving ineens als gevolg van het amoveren van de droger Venlo
en van de versnelde afschrijving van onderhoudsinvesteringen op droger Hoensbroek,
hetgeen in 2012 leidt tot ca. € 1,8 mln lagere kapitaallasten;
o het wijzigen van de investeringsraming waarbij wordt afgezien van clustering van de rwzi’s
Simpelveld en Wijlre. Het totale investeringsniveau bedraagt daardoor € 25 mln per jaar;
o aanvullend is op grond van actualisatie van de investeringsplanning besloten tot verdere
verlaging van het gemiddelde investeringsniveau tot € 22,5 mln per jaar. In de periode
2011-2018 bedraagt de gemiddelde daling van de kapitaallasten 5,3% (dit effect is 20,2%
lager dan een stijging overeenkomend met de inflatie).

Ten opzichte van de vorige Meerjarenraming (zie bijlage 8) blijken de kapitaallasten over de
periode 2014-2018 lager te zijn; de aanpassingen in de investeringsplannen, waarbij wordt
afgezien van de voorgenomen clustering van rwzi’s Simpelveld en Wijlre en het
- 18 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
investeringsniveau verder wordt verlaagd van € 25 mln jaarlijks naar € 22,5 mln jaarlijks, leiden
in totaal tot € 12,3 mln lagere netto kapitaallasten ten opzichte van de vorige MJR. De
verlaging bestaat met name uit lagere rentelasten (gemiddeld € 1,5 mln per jaar). Verklaring is
de verlaging van het investeringsvolume ten opzichte van vorige MJR (afzien van clustering
van de rwzi’s Simpelveld en Wijlre + aanvullend de verlaging met gemiddeld € 2,5 mln per jaar
van het investeringsniveau).
De afschrijvingskosten zijn door deze ontwikkeling ten opzichte van de vorige meerjarenraming
gedaald met gemiddeld € 0,9 mln per jaar.
Netto bedrijfsvoeringkosten (dus excl. kapitaallasten) ten opzichte van referentiejaar 2011
 In de periode 2014-2018 ten opzichte van 2011
De netto bedrijfsvoeringkosten bestaan uit de netto kosten van het WBL exclusief de
kapitaallasten.
In het jaar 2018 zijn de gemiddelde netto bedrijfsvoeringkosten € 1,1 mln hoger dan in 2011
overeenkomend met een stijging van 2,8% (dit is 12,1% lager dan de stijging overeenkomend
met inflatiecorrectie). De formatie in de planperiode neemt af met 3,4 fte van 150,3 fte naar
146,9 fte. Dit door de volgende effecten:
- afbouw contracten onderhoud IBA’s: -/- 1,0 fte
- overeenkomst beheer en onderhoud gemalen met gemeente Valkenburg: + 0,7 fte
- stoppen met drogen per juli 2018: -/- 0,25 fte
- verlaging capaciteit bouwen en renoveren: -/- 2,0 fte
- verlaging capaciteit HRM: -/- 0,85 fte.

Ten opzichte van de vorige Meerjarenraming (zie bijlage 8)
In de nu voorliggende meerjarenraming nemen de netto bedrijfsvoeringkosten in de periode
2014-2018 toe met totaal € 3,3 mln (gemiddeld € 0,67 mln per jaar). Redenen hiervoor zijn:
o verlaging kosten met € 0,4 mln door businesscase Abdisschenbosch;
o hogere kosten ad € 0,7 mln voor chemicaliën door prijsaanpassingen en extra verbruik
door wijziging ontwateringlocaties (Venlo, Gennep);
o verlaging kosten met € 2,0 mln door lagere energietarieven alsmede door lager verbruik;
o hogere kosten ad € 2,4 mln door verhoging BTW-percentage van 19% naar 21%;
o hogere kosten ad € 1,5 mln voor personeelslasten als gevolg van CAO-afspraken 2013
inclusief effect individueel keuzebudget;
o verlaging kosten met € 0,2 mln ten gevolge van sluiting droger Susteren in 2018;
o verlaging kosten met € 0,8 mln als gevolg van effect aanbesteding laboratoriumdiensten;
o hogere bedrijfsvoeringkosten ad € 2,1 mln als gevolg van KRW-maatregelen Gennep,
Meijel, Roermond, Hoensbroek;
o hogere bedrijfsvoeringkosten ad € 1,2 mln als gevolg van de clustering rwzi’s Heerlen en
Hoensbroek; hier staat een grotere daling van de kapitaallasten tegenover;
o verlaging kosten met € 0,3 mln als gevolg van realisatie middentrein Simpelveld en
voortrein Roermond volgens MDR-concept;
o verlaging kosten met € 0,5 mln door opheffen BioMill BV;
o lagere netto kosten ad € 0,9 mln als gevolg van het beëindigen van contracten met
gemeenten voor onderhoud IBA’s;
o door verlaging van de personele capaciteit (bij Bouwen & Renoveren en HRM) dalen de
kosten met € 0,6 mln;
o verlaging kosten met € 0,1 mln als saldo van uitbreiding verhuur kantoorgebouw voor
verhuur aan BsGW en aanschaf parkeerabonnementen ten behoeve van BsGW;
o door aanpassing diverse ramingen alsook door overheveling onderzoeksbudget van de
investeringssfeer naar de exploitatiesfeer stijgen de netto kosten met € 1,2 mln.
- 19 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Stoppen met drogen per 1-7-2018
Het WBL heeft in een eerder stadium besloten om te stoppen met drogen, gelet op de
marktontwikkelingen met betrekking tot de afzet van ontwaterd slib.
In onderhavige Meerjarenraming zijn de gevolgen van dit besluit verwerkt, hetgeen resulteert in de
onderstaand financiële verschillen opstelling ten opzichte van de voorgaande Meerjarenraming.
Totaal kostenvermindering
bedragen x € 1.000
personeelskosten
operationele kosten
onderhoud
kapitaallasten
2014
2015
2016
2017
2018
2019
en verder
0
0
-90
0
-90
0
0
-91
0
-91
0
0
-93
0
-93
0
0
-95
0
-95
-14
98
-370
-1.019
-1.305
-90
184
-767
-1.019
-1.691
De effecten van het stoppen met drogen zijn eveneens bij de onderscheiden units toegelicht.
- 20 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Totaal WBL
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Rentelasten
Afschrijving
Totaal kapitaallasten
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
Toevoegingen aan voorzieningen
Onvoorzien
Totaal toevoegingen aan voorzieningen
TOTAAL LASTEN
9.053
22.475
31.528
7.636
1.863
635
360
125
10.619
318
2.648
7.898
150
106
510
8.275
9.105
29.010
8.835
21.769
30.604
8.241
2.007
635
396
174
11.453
311
2.893
8.073
110
131
735
8.708
6.515
27.476
-185
897
712
567
212
22
-26
3
780
8
352
-212
17
-5
17
237
53
466
8.650
22.666
31.316
8.808
2.219
657
370
177
12.233
319
3.245
7.861
127
126
752
8.945
6.568
27.942
9.193
24.955
34.148
8.965
2.261
671
378
181
12.457
326
3.537
7.832
129
128
767
8.687
6.621
28.026
9.220
23.448
32.668
9.143
2.309
684
330
186
12.652
332
4.604
7.803
131
131
782
9.191
6.825
29.799
9.072
23.271
32.343
9.365
2.356
698
338
190
12.947
339
4.701
8.025
133
133
798
9.467
6.926
30.522
9.393
22.105
31.497
9.625
2.424
712
345
194
13.300
346
4.802
7.400
134
136
814
9.312
8.095
31.038
129
129
77
5
5
2
77
71.363
147
147
78
282
360
70.040
2
1.964
152
152
80
282
362
72.004
156
156
81
287
368
75.155
159
159
83
289
372
75.650
162
162
84
292
376
76.350
165
165
86
292
378
76.378
435
8
1.618
78
52
1.641
2
1
-243
80
53
1.398
80
54
1.380
80
55
1.395
80
56
1.419
80
57
1.430
1.258
396
1.479
350
30
1.509
350
1.462
350
1.491
350
1.521
350
1.551
350
3.715
3.600
-210
3.390
3.326
3.372
3.427
3.469
NETTO KOSTEN
- netto kapitaallasten
- netto bedrijfsvoeringskosten
67.648
31.004
36.644
66.440
30.176
36.264
2.175
710
1.465
68.615
30.886
37.729
71.829
33.718
38.110
72.278
32.238
40.040
72.924
31.913
41.011
72.909
31.067
41.842
BIJDRAGE WATERSCHAPPEN
72.510
66.440
2.175
68.615
71.829
72.278
72.924
72.909
150,0
148,3
148,2
147,2
146,9
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde personele lasten
Geactiveerde lasten: bouwrente
Onttrekking aan voorziening
TOTAAL BATEN
EXPLOITATIE-SALDO
4.862
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
150,3
136,9
Ontwikkeling tijdens planperiode
t.o.v. voorafgaand jaar
Netto kapitaallasten
Netto bedrijfsvoeringkosten
Bijdrage waterschappen
0
150,3
Rekening Begroot
2012
2013
-2,7%
-1,0%
-8,4%
- 21 -
-0,3
mutatie
Begroot
2014
2,4%
4,0%
3,3%
Meerjarenraming
2015
2016
2017
9,2%
1,0%
4,7%
-4,4%
5,1%
0,6%
-1,0%
2,4%
0,9%
2018
-2,6%
2,0%
0,0%
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2.3
Beschouwing bij de Begroting 2014
2.3.1
De ontwikkelingen sinds het begrotingsjaar 2013
In deze paragraaf dient aandacht te worden besteed aan:
 de externe en interne ontwikkelingen die zich sinds het vaststellen van de vorige begroting
hebben voorgedaan
 afwijkingen van uitgangspunten en grondslagen zoals deze voor de vorige begroting zijn
gehanteerd
 belangrijke afwijkingen ten opzichte van de cijfers in de meerjarenraming
Het maken van een vergelijking met de meerjarenraming is vanwege het behandelen van beide
stukken in een vergadering niet opportuun. Resteert een vergelijking met het voorgaande
begrotingsjaar.
Relevante ontwikkelingen sinds de vorige begroting:
 Verhoging BTW-percentage van 19% naar 21%
 Verwerking effecten nieuwe CAO (introductie van Individueel Keuze Budget)
 Treffen van KRW-maatregelen op de door WRO en WPM bij brief van 20-11-2012
aangewezen rwzi’s
 Besluit tot het niet-clusteren van de rwzi’s Simpelveld en Wijlre
 Realiseren van middentrein rwzi Simpelveld volgens MDR-concept
 Realiseren van voortrein rwzi Roermond volgens MDR-concept
 Effect aanbesteding laboratoriumwerkzaamheden, na het aflopen van het contract in maart
2013
 Beëindigen van contracten met gemeenten voor onderhoud IBA’s..
In de toelichtingen van de diverse units wordt hier zo nodig verder op ingegaan.
Uitgegaan is van de met de waterschappen afgestemde technische uitgangspunten waarbij voor
2014 een inflatiepercentage van 2% is gehanteerd. Uitzondering hierop vormt de inflatiecorrectie
op de energiekosten; omdat voor het grootste deel van de energiebehoefte de prijzen 2014 al
middels inkoopafspraken zijn vastgezet.
Ontwikkeling kapitaallasten
De kapitaallasten voor 2014 worden bepaald door twee zaken:
- de afschrijving op investeringen in het verleden en de daaraan verbonden vrijval van
kapitaallasten + de afschrijving op investeringen voor zover deze in gebruik worden genomen
in 2013 resp. voor 1 juli 2014;
- de rentelasten verbonden aan de financiering van investeringen.
Ten opzichte van 2013 stijgen de kapitaallasten met € 0,7 mln als een saldo van lagere rentelasten
ad € 0,2 mln en hogere afschrijvingen ad € 0,9 mln. De lagere rentelasten zijn daarbij een gevolg
van de lagere realisatie aan investeringsuitgaven in 2012 dan gepland en de verlaagde planning
van de investeringsuitgaven in 2013 en 2014 (totaal verlaagd over deze 2 jaren: € 14 mln). Dit door
het afzien van de voorgenomen clustering van de rwzi’s Wijlre en Simpelveld.
Het investeringsniveau wordt verlaagd van gemiddeld jaar € 25 mln naar gemiddeld € 22,5 mln.
Dat de afschrijvingskosten toenemen bij een ten opzichte van de vorige MJR verlaagde raming van
het investeringsniveau, is te verklaren uit het feit dat het moment van realisatie van grote
investeringen nu eerder ligt dan in vorige MJR. Daarom treden in 2014 al kapitaallasten op die de
vorige MJR pas in 2015 optraden. Oorzaak hiervan is de realisatie als MDR-concept van
middentrein Simpelveld en voortrein Roermond welke is gepland eind 2013/begin 2014, terwijl de
in de vorige MJR geplande clustering van Simpelveld en Wijlre pas voor eind 2014 was voorzien.
In de huidige MJR is deze clustering komen te vervallen.
- 22 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Personeelslasten
De personeelslasten stijgen van 2013 naar 2014 met € 0,8 mln. Deze toename bestaat uit:
- € 0,6 mln door het effect van de inflatiecorrectie inclusief het effect van de CAO-afspraken
2013 met inbegrip van de introductie van het Individueel Keuzebudget en inclusief aangepaste
raming voor de sociale lasten;
- € 0,2 mln correctie van overheveling budget naar overige diensten door derden, omdat in
2013 een deel van de ruimte in de formatie middels externe inhuur is ingevuld.
De personeelsformatie op WBL-niveau is in 2014 ten opzichte van 2013 verlaagd met 0,3 fte,
bestaande uit:
- afbouw contracten onderhoud IBA’s: -/- 0,2 fte
- overeenkomst beheer en onderhoud gemalen met gemeente Valkenburg: + 0,7 fte
- verlaging capaciteit HRM: -/- 0,8 fte.
Op unitniveau zijn de volgende verschuivingen doorgevoerd:
- een budgettair en formatief neutrale overheveling van 2 fte van unit Operations naar de unit
Financiën, Planning, Concerncontrol. Dit voor een periode van 3 jaar. Per 2016 worden deze
fte’s weer terug verplaatst naar de unit Operations;
- een budgettair en formatief neutrale overheveling van 1 fte van unit Operations naar de unit IT
en Product-, Procesontwikkeling. Dit voor een periode van 3 jaar. Per 2016 wordt deze fte
weer terug verplaatst naar de unit Operations;
Kosten van goederen en diensten van derden
Het totaal van goederen en diensten van derden stijgt van 2013 naar 2014 met € 0,5 mln. Deze
toename is het saldo van:
- een toename met € 0,4 mln ten gevolge van inflatiecorrectie;
- een toename met € 0,4 mln door effect van verhoging BTW-percentage van 19% naar 21%;
- een verlaging met € 0,1 mln door realisatie businesscase Abdisschenbosch;
- een verlaging met € 0,2 mln door lagere tarieven voor en lager verbruik van energie;
- een toename met € 0,1 mln voor chemicaliën door prijsindexering en extra inkoop door
wijziging ontwateringlocaties (Venlo, Gennep);
- een toename met € 0,1 mln voor advies en onderzoek naar nieuwe technologieën; deze
kosten worden voortaan gefinancierd uit de exploitatie in plaats vanuit investeringen;
- een verlaging met € 0,2 mln als gevolg van resultaat aanbesteding laboratoriumdiensten.
Kosten van bijdragen aan derden
Het totaal van bijdragen aan derden stijgt van 2013 naar 2014 met € 5.000,-. Naast de
inflatiecorrectie bestaat deze toename uit een aanpassing van de raming voor bijdrage aan
participaties transportleidingen.
Kosten van toevoegingen aan voorzieningen + onvoorzien
Het totaal van toevoegingen aan voorzieningen is enkel gecorrigeerd voor inflatie.
Het totaal van de post onvoorzien is niet gewijzigd.
Ontwikkeling van de eigen baten
De eigen baten van het WBL zijn de baten die worden gerealiseerd los van de begrotingsbijdrage
die wordt ontvangen van de waterschappen. De eigen baten zijn incl. de van de gemeenten
ontvangen vergoeding van samenwerking in de afvalwaterketen (onderhoud/beheer van gemalen
voor gemeenten). Vanaf 2014 worden deze werkzaamheden tevens uitgevoerd voor gemeente
Valkenburg.
- 23 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Het totaal aan baten daalt van 2013 naar 2014 met € 210.000,- welke het saldo is van:
- een toename met € 103.000,- door de inflatiecorrectie en door de uitbreiding van het aantal
gemeenten met de gemeente Valkenburg;
- een verlaging met € 290.000,- door verlaten van het uitgangspunt dat voor het onderhoud
IBA’s van gemeenten een kostendekkende vergoeding wordt verkregen;
- een verlaging van de opbrengsten met € 23.000,- door het opzeggen van de contracten met
gemeenten voor onderhoud van IBA’s per vervaldatum van de contracten.
2.3.2
Uitgangspunten en normen
Voor het begrotingsjaar 2014 wordt gerekend met een inflatiepercentage van 2% over de directe
kosten en een stijging van de loonkosten met eveneens 2%. Daarnaast wordt voor de loonkosten
nog beperkt rekening gehouden met het effect van periodieke verhogingen.
Het rentepercentage voor het jaar 2014 wordt gesteld op 4% (tegen eveneens 4% voor 2012).
Voor een uitgebreidere toelichting op de rekenuitgangspunten zie bijlage 1.
2.3.3
Incidentele baten en lasten
Bij een vergelijking van de begrotingsjaren 2013 en 2014 dient rekening te worden gehouden met
de onderstaande incidentele componenten:
In de begrotingsjaren zijn de volgende eenmalig optredende lasten en baten opgenomen:
 Vergelijking Lasten 2014 met lasten 2013:
o Er zijn geen incidentele componenten opgenomen.
 Vergelijking Baten 2014 met baten 2013:
o Er zijn geen incidentele componenten opgenomen.
2.3.4
Kostentoerekening
Alle netto kosten binnen het Waterschapsbedrijf – incl. de kosten van ondersteuning - worden
toegerekend aan de taak zuiveringsbeheer.
Uitgangspunt voor de kostentoerekening is dat de kosten worden toegerekend naar rato van het
aandeel van de kosten dat betrekking heeft op de betreffende kostendrager.
Hieruit resulteert de volgende verdeling :
Zuivering
beheer
Planvorming
Eigen plannen
100%
Bouw en exploitatie zuiveringstechnische werken
Getransporteerd afvalwater
Gezuiverd afvalwater
Verwerkt slib
100%
100%
100%
Beheersing van lozingen
Vergunningen en meldingen
Handhaving
Rioleringsplannen en subsidies lozingen
100%
nvt
100%
Bestuur en externe communicatie
Bestuur
Externe communicatie
100%
nvt
Dekkingsmiddelen
Onvoorzien
100%
- 24 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2.3.5
Onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves’ en voorzieningen
Er vindt ten behoeve van de Begroting 2014 geen onttrekking plaats aan ‘overige
bestemmingsreserves’ en voorzieningen.
2.3.6
Waterschapsbelastingen
Het Waterschapsbedrijf is een uitvoeringsorganisatie en is als zodanig ondersteunend aan de
activiteiten van de Waterschappen Roer en Overmaas resp. Peel en Maasvallei. Deze beide all-in
waterschappen stellen de tarieven voor de waterschapsbelastingen vast.
De opbrengsten van het Waterschapsbedrijf bestaan naast de eigen baten uit de verplichte
bijdragen van de beide waterschappen.
Overeenkomstig het voorstel aan het Dagelijks Bestuur van het WBL stijgt in onderhavige
Begroting 2014 de bijdrage door de beide waterschappen met € 2,18 mln naar € 68,62 mln.
2.3.7
Reservepositie: het weerstandvermogen en de ontwikkeling van de Netto kosten
Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de middelen en mogelijkheden waarover de
organisatie beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten en risico’s van materiële betekenis
te dekken. Ultimo 2012 beschikt het WBL over een algemene reserve ad € 2,7 mln ter dekking van
de in 2012 geïnventariseerde risico’s (overeenkomstig AB-besluit).
De bedrijfsreserve WBL is per 1-1-2012 opgeheven (besluit AB 30-5-2012) waarbij het saldo werd
afgedragen aan de beide waterschappen.
Door het Algemeen Bestuur is in 2012 besloten om voor de gehele planperiode uit te gaan van op
jaarbasis sluitende begrotingen voor het WBL, waarbij het beheer van reserves – met uitsluiting
van de algemene reserve - ligt bij de beide moederorganisaties. Het reservebeheer door de
moederorganisaties zal er op gericht zijn om het fluctueren van de bijdrage aan het WBL tijdens de
planperiode op te kunnen vangen.
De noodzaak tot het aanhouden van weerstandsvermogen door het WBL, wordt door dit
uitgangspunt gereduceerd tot het aanhouden van een algemene reserve ter dekking van niet
begrote kosten en risico’s van materiële omvang.
- 25 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Om inzicht te bieden in de mate van fluctuatie van de netto kosten van het WBL resp. de bijdrage
van de waterschappen over een langere periode dan de onderhavige meerjarenraming, is de
ontwikkeling van de netto kosten en dus ook die van de waterschapsbijdrage berekend over een
periode van 10 jaar. De geschetste ontwikkeling is zowel in onderstaande tabel als ook grafisch
weergegeven.
bedragen x € 1.000
netto kapitaallasten
netto bedrijfsvoeringkosten
bijdrage ws-en
Begroot Bijgesteld
2011
2012
33.844
30.720
38.666
38.479
72.510
72.510
netto kapitaallasten
Begroot
2013
30.176
36.264
66.440
Begroot
2014
30.886
37.729
68.615
Begroot
2015
33.718
38.110
71.829
Begroot
2016
32.238
40.040
72.278
netto bedrijfsvoeringkosten
Begroot
2017
31.913
41.011
72.924
Begroot
2018
31.067
41.842
72.909
Begroot
2019
31.054
41.929
72.982
Begroot
2020
32.090
42.444
74.534
Begroot
2021
32.160
43.053
75.212
Begroot
2022
31.653
43.466
75.119
Begroot
2023
31.881
43.943
75.823
bijdrage ws-en
90.000
80.000
70.000
60.000
50.000
40.000
30.000
20.000
10.000
0
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2.3.8
Financiering
2.3.8.1
Treasury-paragraaf (financieringsparagraaf)
Het actuele Financieringsstatuut van het WBL is vastgesteld in de AB-vergadering van 8-12-2010.
Het statuut is gebaseerd op het landelijke conceptmodel. Voor de financiële bedrijfsvoering van het
Waterschapsbedrijf zijn de bepalingen van het BBVW (Bepalingen Beleidsvoorbereiding en
Verantwoording Waterschappen) van toepassing, waarbij een accent wordt gelegd op het naleven
en toetsen van rechtmatigheid. Daartoe is het statuut afgestemd op het vigerende delegatiebesluit
van het Algemeen Bestuur en op de daarvan afgeleide mandaatbesluiten. Tevens geeft het statuut
een nadere invulling aan de uitoefening van de financieringsfunctie (opgedragen aan het Dagelijks
Bestuur bij “Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschapsbedrijf Limburg”).
Verplicht dient in de begroting en de jaarrekening - in de treasuryparagraaf - verslag te worden
gedaan van de uitvoering van het treasurybeleid, bedoeld voor het sturen en beheersen van,
verantwoorden over en toezicht houden op de treasury.
De treasury-onderwerpen in deze begroting zijn de volgende:
A.
Ontwikkelingen met invloed op de treasuryfunctie en het treasurybeleid
A.1 Ontwikkelingen binnen en buiten het waterschap
A.2 Relatie met de meerjarenraming
A.3 Rentevisie / rentegevoeligheid
B.
Treasurybeheer
B.1 Het risicobeheer
- 26 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
B.2
B.3
Bepaling van de financieringsbehoefte 2014
Kas- en liquiditeitenbeheer
A.
Ontwikkelingen met invloed op de treasuryfunctie en het treasurybeleid
A.1
Ontwikkelingen binnen en buiten het waterschap
Het Waterschapsbedrijf haalt haar financiering niet uit de opgelegde belastingaanslagen,
maar verkrijgt deze door ontvangst van maandelijkse bijdragen afkomstig van de beide all-in
waterschappen op basis van de voor het WBL vastgestelde begroting.
Het WBL blijft echter een zelfstandige organisatie die het eenmaal toegewezen budget
zelfstandig besteedt en wanneer nodig zelfstandig geldleningen afsluit.
Op 13-3-2013 werd het Centraal Economisch Plan 2013 gepresenteerd met de volgende
kernpunten.
 Dit en volgend jaar is er voorzichtig herstel van de mondiale economische groei.
 De economie van het eurogebied krimpt dit jaar naar verwachting met 0,5% en groeit in
2014 met 1%. Deze groeicijfers worden ook verwacht voor de Nederlandse economie.
 De groei van de Nederlandse economie komt voor rekening van de aantrekkende uitvoer.
 De consumptie staat onder druk door matige koopkrachtontwikkelingen en dalende
huizenprijzen.
 In 2013 daalt de mediane koopkracht voor het vierde achtereenvolgende jaar, maar in
2014 zal naar verwachting weer sprake zijn van een koopkrachtstijging.
 De werkloosheid loopt in 2013 met 90.000 personen op en stijgt in 2014 nog iets verder
door naar 6,5% van de beroepsbevolking.
 Het overheidstekort neemt naar verwachting af tot 3,3% bruto binnenlands product (bbp)
in 2013, om vervolgens licht op te lopen tot 3,4% bbp in 2014.
 De vermindering van het overheidstekort tussen 2012 en 2014 komt tot stand door
omvangrijke bezuinigingen en lastenverhogingen.
 De overheidsschuld loopt verder op tot 75% bbp in 2014, mede als gevolg van de
nationalisatie van SNS REAAL.
A.2
Relatie met de meerjarenraming
Het uitgewerkte begrotingsjaar 2014 vormt de eerste jaarschijf van de meerjarenbegroting.
In de hoofdstukken 2 en 3 is uitgebreid aandacht besteed aan de door het WBL te volgen
strategie. De financiële consequenties daarvan zijn zo veel als mogelijk in Begroting 2014 en
MJR 2014-2018 opgenomen.
Voor 2014 en volgende jaren zijn in overleg met WRO en WPM uitgangspunten opgenomen
omtrent de ontwikkeling van inflatie, loonkostenstijging en rentestanden.
Bij de investeringsramingen voor de komende jaren wordt gestreefd naar een stabiel
uitgavenniveau, hetgeen een nivellerend effect zal hebben op de ontwikkeling van de
kapitaallasten. Verwezen wordt o.a. naar paragraaf 2.2.2.1.
Indien nodig zullen nieuwe geldleningen worden aangetrokken. De laatst aangetrokken
geldlening, december 2012, bedroeg € 23 mln, aflossing 20 jaar lineair, rente 2,77%
(rentevast over 20 jaar).
De reserves
Het WBL beschikt per 2012 alleen over een algemene reserve ter hoogte van € 2.700.000,-.
Deze algemene reserve komt overeen met het bedrag van de geïnventariseerde risico's bij
een veronderstelde kans van optreden van 10% voor de categorie middelgrote risico's. De
- 27 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
geïnventariseerde risico’s worden jaarlijks geëvalueerd en dientengevolge ook de benodigde
hoogte van de algemene reserve. Op basis van de in 2012 uitgevoerde risico-inventarisatie is
de algemene reserve voor 2012 bepaald op € 2.700.000,-.
In paragraaf 2.3.7 is aangegeven dat per 2012 het vormen van een egalisatiereserve – met
als doel om fluctuaties in de exploitatiesaldi over de jaren heen op te kunnen vangen - niet
meer bij het WBL plaats vindt maar bij de beide moederorganisatie (WRO en WPM). Voor
alle jaren van de planperiode wordt nu uitgegaan van een sluitende begroting met
reservevorming bij de beide waterschappen. Overeenkomstig besluitvorming door het AB van
30-5-2012 is de bedrijfsreserve opgeheven en werd het saldo afgedragen aan de beide
waterschappen.
Optredende exploitatietekorten zullen worden aangevuld door de beide integrale
waterschappen.
A.3
Rentevisie / rentegevoeligheid
De in 2014 gehanteerde rentevoet voor af te sluiten geldleningen (normaliter met een looptijd
van 20 jaar) bedraagt 4,0%. Voor kortlopende financieringsbehoefte (rekeningcouranttegoeden) wordt in 2014 een rentevoet van 0,75% gehanteerd. Verderop in de planperiode
worden deze percentages licht verhoogd.
Gevolg van de afspraken over de liquiditeitsstromen tussen het WBL en de beide
waterschappen is dat het renterisico van te late of te vroege heffingsontvangsten bij de
waterschappen ligt. Het WBL draagt het renterisico van een verschil tussen een gelijkmatige
betaling van de bijdrage door de waterschappen en een ongelijkmatig uitgavenpatroon
gedurende het jaar. Vooralsnog wordt verondersteld dat dit rente-effect budgetneutraal zal
blijven.
-/-
Voor een volledig overzicht van de voor 2014 en volgende jaren gehanteerde (rekenkundige)
uitgangspunten verwijzen wij u hier naar bijlage 1.
- 28 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
B.
Treasurybeheer
B.1
Het risicobeheer
Het risicoprofiel van het Waterschapsbedrijf Limburg kan als laag worden gekwalificeerd.
Onderkende risico’s in dit verband zijn: renterisico’s, kredietrisico’s, liquiditeitsrisico’s,
koersrisico’s en voor zover ter zake doende, valutarisico’s.
 het renterisico van een (te) hoge vlottende schuld wordt ingeperkt door het hanteren van
de kasgeldlimiet (= de maximaal toegestane netto korte schuld). De hoogte van de
kasgeldlimiet is wettelijk bepaald op 23% van het begrotingstotaal bij aanvang van het
jaar;
 naast de kasgeldlimiet geeft de renterisiconorm inzicht in de feitelijke risico’s op de vaste
schuld. In de wet FIDO wordt de renterisiconorm geformuleerd als een percentage van
de omzet: het totaal van verplichte aflossingen en renteherzieningen van de eerste 4
jaren mag niet meer bedragen dan 30% van het begrotingstotaal bij aanvang van het
eerste jaar. Het WBL beperkt het renterisico door regelmatig (= tenminste 1x / jaar)
vaste geldleningen op te nemen met een lineair aflossingsregime.
b edragen x € 1 mln
Begrotingtotaal MJR
Kasgeldlimiet = 23%
Renterisiconorm = 30%
2014
2015
2016
2017
2018
72,0
16,6
21,6
75,2
17,3
22,5
75,6
17,4
22,7
76,4
17,6
22,9
76,4
17,6
22,9
B.2
Bepaling van de financieringsbehoefte 2014
Op basis van onderstaande aspecten kan de financieringsbehoefte voor 2014 worden
berekend op een bedrag van € 18,7 mln ( € 22,5 + 18,9 – 22,7 mln), te financieren met
langlopende geldleningen. Voor de berekening van de rentegevolgen 2013 is uitgegaan van
een renteniveau van 4,0% voor nieuwe leningen.
 het investeringsvolume 2014: € 22,5 mln (voor berekening zie paragraaf 2.2.2.1);
 de te betalen aflossingen op geldleningen in 2014: € 18,9 mln;
 de begrote afschrijvingen in 2014: € 22,7 mln;
 de ontwikkeling van de voorzieningen zal in 2014 naar verwachting saldoneutraal zijn.
B.3
Kas- en liquiditeitenbeheer
Volgens de gehanteerde uitgangspunten zal de financiering van kortlopende schulden de
komende jaren ca. 2,8% goedkoper zijn dan die van langlopende schulden. In het verleden
werd zo veel mogelijk gestreefd naar een gemiddelde nulstand van het rekeningcourantsaldo, waarbij fluctuaties rond dit nulpunt onvermijdelijk waren wegens het nietsynchroon lopen van de uitgaven en ontvangsten. Teneinde te kunnen profiteren van de
goedkopere korte rentetarieven, is deze lijn bewust losgelaten. Voorwaarde daartoe blijft
uiteraard dat wij binnen de marges van de kasgeldlimiet blijven.
Met andere woorden: per jaar is een negatief rekening-courantsaldo acceptabel, zelfs
opportuun, mits dit de limiet van € 16,6 mln (voor het jaar 2014) niet te boven gaat.
Wanneer het saldo in rekening-courant (te) groot wordt, vindt telkens een afweging plaats
wanneer en tot welk bedrag een vaste geldlening moet worden opgenomen.
Van kasgeldleningen is de laatste jaren geen gebruik meer gemaakt. Ook het uitzetten van
overtollige kasgelden in deposito zal de komende jaren niet aan de orde zijn, gezien de
verwachte jaarlijkse financieringstekorten.
- 29 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Het vigerende financieringsstatuut bevat adequate procedurebeschrijvingen voor het
aantrekken van geldleningen en/of kasgeldleningen dan wel uitzetten van kasgelden in
deposito.
2.3.8.2
Risicoparagraaf
Het Waterschapsbedrijf Limburg loopt bij de taakuitoefening bepaalde risico’s waarvan
onderstaand een aantal structurele risico’s worden benoemd:
 financiële risico’s t.a.v. de energieprijzen;
 afzetbeperkingen van zuiveringsslib;
 de gebleken bedrijfsonzekerheid van de slibdroger;
 het niet verzekeren van het brandschaderisico van de installaties;
 milieuaansprakelijkheid.
De onderkende risico’s met hun financieel belang zijn terug te vinden bij de toelichtingen per unit in
het opvolgende hoofdstuk.
In het kader van risicomanagement is in 2012 een risicoanalyse bij het WBL uitgevoerd. Op basis
daarvan is besloten om een algemene reserve te vormen ad € 2,7 mln. Dit bedrag komt overeen
met de geïnventariseerde risico’s bij een veronderstelde kans van optreden van 10% voor de
categorie middelgrote risico’s.
2.3.8.3
Bedrijfsvoering
Onder bedrijfsvoering wordt hier verstaan het geheel van interne organisatie-onderdelen en
processen die ondersteunend zijn ten behoeve van de primaire processen van de waterschappen.
Deze paragraaf omvat de ondersteunde beheerproducten welke hoofdzakelijk zijn ondergebracht
bij de unit Human Resource Management en bij de unit Financiën, Planning, Concerncontrol. De
ondersteunende activiteit bemonsteren en analyseren is ondergebracht bij de unit Operations.
- 30 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
2.3.8.4
EMU-saldo
(bedragen x € 1.000)
Opbouw en berekening van het EMU-saldo
1.
EMU-exploitatiesaldo (voor gebruik van reserves)
0
a
b
c
d
Invloed investeringen (zie staat van vaste activa)
bruto investeringen
investeringssubsidies
verkoop materiële en immateriële activa
afschrijvingen
-2.463
25.279
150
0
22.666
-/+
+
+
a
b
c
d
Invloed voorzieningen (zie staat van reserves en voorzieningen)
toevoegingen aan voorzieningen t.l.v. exploitatie
onttrekkingen aan voorzieningen t.b.v. exploitatie
betalingen rechtsreeks uit voorzieningen
externe vermeerderingen van voorzieningen
0
80
0
80
0
+
-/-/+
Invloed reserves (zie staat van reserves en voorzieningen)
a betalingen rechtstreeks uit reserves
b externe vermeerderingen van reserves
0
0
0
-/+
Deelnemingen en aandelen
a boekwinst
b boekverlies
0
0
0
-/+
2.
3.
4.
5.
EMU-saldo volgens Begroting 2014
Toelichting: 2.a
3.a
3.c
-2.464
bruto investeringen is zonder aftrek van ontvangen bijdragen ( € 150)
is toevoeging aan voorziening mobiliteit (€ 80)
zijn uitgaven voor mobiliteit (€ 80), omdat de inleg in 2014 overeenkomt met de
verwachte uitgave in 2014.
- 31 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3
Uitvoerend beleid Zuiveren en verwerken van afvalwater
3.1
Bouwen en Renoveren
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Bouwen en Renoveren
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2015
2016
2017
2014
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde personele lasten
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
1.268
322
3
42
1.464
375
2
52
72
29
0
2
1.536
404
2
54
1.520
399
2
55
1.565
411
2
1.549
406
2
1.595
418
2
1.635
1
13
1.893
9
24
103
-7
-6
1.996
2
18
1.977
2
18
1.979
2
18
1.958
2
19
2.016
2
19
1
1
0
1
1
1
1
1
203
218
154
188
0
46
33
0
200
221
0
126
147
0
102
124
0
77
99
0
79
101
1.852
2.081
136
2.217
2.124
2.102
2.057
2.117
52
1
53
54
55
56
57
1.252
1.252
1.479
1.531
30
31
1.509
1.562
1.462
1.516
1.491
1.546
1.521
1.577
1.551
1.609
600
550
106
656
608
556
479
508
24,0
21,0
24,0
24,0
23,0
23,0
22,0
22,0
- 32 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.1.1
Wat willen we bereiken
Waar staan we nu
Naast de levering van de ingenieursdiensten voor de uitvoering van de werkzaamheden voor de
instandhouding van de WBL infrastructuur levert Bouwen en Renoveren een grote bijdrage aan het
ontwikkelen en toekomstproof maken van deze infrastructuur. De huidige zeer robuuste
infrastructuur frustreert de noodzakelijke brede innovatie. Deze innovatie is noodzakelijk om de
toekomstige kosten te kunnen beheersen.
Waar willen we naar toe
Een infrastructuur die toekomstproof is. Belangrijke indicatoren zijn lagere maatschappelijke
kosten, duurzaamheid en inspelen op toekomstige ontwikkelingen. Lagere maatschappelijke
kosten betekent naast een samenwerking in de (afval)waterketen ook samenwerking met andere
stakeholders zoals de bedrijven (zeker ook het MKB), de energieproducenten en de agro-wereld.
De MDR (Modulair Duurzame Rwzi) voldoet aan dit toekomstbeeld.
Deze beweging naar een nieuwe infrastructuur houdt in dat op een verantwoorde wijze afscheid
genomen zal moeten worden van de huidige rwzi’s (en mogelijk deels van het transportsysteem).
3.1.2
Wat gaan we doen
3.1.3
In hoofdzaak werkt de unit Bouwen en Renoveren aan:
 Het (mede) ontwikkelen van de MDR;
 Het nieuwe toekomstbeeld in het MIP te verwerken;
 Het ontwerp en uitvoering van het bouwprogramma (MIP jaarschijf);
 Het bevorderen en ontwikkelen van mogelijkheden in de samenwerking in de afvalwaterketen;
 Het planologisch beheer van de infrastructuur.
Bij de voorbereiding van het nieuwe MIP zijn een tweetal ontwikkelingen van belang. Enerzijds het
streven om te komen tot verlaging van de kosten door de bestaande installaties langer resp. zo
lang mogelijk in bedrijf te houden en anderzijds een beweging naar een ander zuiveringsconcept –
modulair van opzet – waarmee naar de toekomst toe een grotere flexibiliteit wordt gecreëerd om in
te kunnen spelen op nieuwe technologische ontwikkelingen. Bij het lopende onderzoek naar de
realisatie van zo’n modulair opgezette rwzi (MDR), zijn als randvoorwaarden gesteld: gebruik
duurzame materialen, flexibel van opzet, korte bouwtijd, lagere kosten (zowel voor de investering
als voor de bedrijfsvoering).
Het voorstel om wel / niet te kiezen voor het nieuwe ontwerp en bouw concept (de MDR) zal
separaat ter besluitvorming in het bestuur aan de orde worden gesteld.
De implementatie van de MDR-gedachte in het MIP betekent dat per rwzi een moment in de
toekomst gekozen zal moeten worden van het bouwen van een MDR.
Dit moment is afhankelijk van de technische staat van de installatie, eisen om te voldoen aan
KRW, de economische afschrijving en het te verwachten kostenvoordeel van de nieuwe MDR.
Een eerste inschatting van de momenten van ombouw zal als een separaat bestuursvoorstel aan
de orde worden gesteld. Een definitief moment van ombouw zal bepaald worden op basis van een
businesscase per rwzi (of stroomgebied).
Het is van belang dat tot het moment van ombouw geen grote investeringen (renovaties) worden
gedaan, maar ook dat geen concessies worden gedaan aan de betrouwbaarheid van werking van
de installaties, m.a.w. wij moeten blijven voldoen aan de lozingseisen. Om dit te kunnen borgen
- 33 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
zullen tussentijds aanpassingen/verbeteringen/kleine renovaties moeten worden doorgevoerd. De
hiervoor noodzakelijke investeringen zijn in het MIP opgenomen.
Ten opzichte van vorig jaar is het investeringsprogramma aangepast voor:
- realisatie middentrein Simpelveld volgens MDR-concept;
- realisatie voortrein Roermond volgens MDR-concept;
- maatregelen om te voldoen aan de KRW-eisen verwoordt in de brief dd. 20-11-2012 van beide
waterschappen omtrent de effluenteisen.
In het kader van het ontwerp en uitvoering van het bouwprogramma wordt op korte termijn gewerkt
aan het professionaliseren van de werkprocessen. Drie grote verbetertrajecten worden uitgevoerd:
 Gezamenlijk vaststellen van de identiteit van de unit Bouwen & Renoveren;
 Het optimaliseren van de werkprocessen in onze voortbrengingsketen;
 Het professionaliseren en het verbeteren van de kwaliteit en betrouwbaarheid van onze
capaciteits- en competentie planning.
Uit deze verbetervoorstellen zullen ten aanzien van de interne ingenieursdiensten
kostenvoordelen, verbeteringen in de arbeidsbeleving en kwaliteit van de geleverde diensten
gegenereerd worden. Deze voordelen zien we terug in de exploitatiebegroting via de lagere
ramingen van de investeringsprojecten in het nieuwe MIP en de afname van het
personeelsbestand; eerst wat betreft inleenkrachten en waar mogelijk in de structurele verlaging
van de formatie.
In het kader van de samenwerking in de afvalwaterketen is op regionaal niveau een aantal
initiatieven ontwikkeld. Vanuit deze initiatieven wordt het WBL regelmatig benaderd met vragen wat
WBL in dit kader kan betekenen.
Passend binnen de beleidslijnen aangegeven door de besturen van WRO en WPM zullen
businesscases geschreven worden, waaruit de evidente voordelen van samenwerking met het
WBL blijken. Basis voor deze businesscases is het rapport van een interne werkgroep die als
opdracht heeft het op een hoger level brengen van het beheer en onderhoud van het
transportsysteem.
3.1.4
Wat gaat het kosten
Om de kosten op langere termijn te kunnen inschatten wordt een planperiode van 10 jaar in acht
genomen.
Voor de instandhouding en verbetering van de infrastructuur van het WBL (excl. KRW
maatregelen) werd in de vorige Meerjarenraming een investeringsniveau van gemiddeld € 25 mln
per jaar aangehouden. Door de genomen maatregelen en investering in verhoging van de kwaliteit,
verhoging van de Arbeidsbeleving en het verlagen van de Netto Kosten, is het verwachte
investeringsniveau verder verlaagd.
Als gevolg van:
 Het professionaliseren van onze werkprocessen, door:
 Het uitvoeren van de genoemde 3 grote verbetertrajecten;
 En het werken aan een HPO-organisatie o.a. met behulp van Lean;
Wordt het investeringsniveau teruggebracht tot gemiddeld € 22,5 mln per jaar, en neemt het aantal
formatieplaatsen en inleenkrachten af.
- 34 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Uit het innovatieprogramma kunnen de komende jaren nog investeringen naar voren komen met
een korte terugverdientijd. Bijvoorbeeld ter besparing van energiekosten. Deze investeringen zullen
het investeringsvolume verhogen, maar de jaarlijkse kosten zullen dan uiteindelijk lager uitvallen.
Netto kosten
De ontwikkeling van de netto kosten wordt enerzijds vergeleken met de begroting van het
voorafgaande jaar en anderzijds wordt gekeken naar de ontwikkeling in de planperiode:
Ten opzichte van de begroting 2013 stijgen de netto kosten in 2014 met € 0,1 mln als gevolg
van inflatiecorrectie en het effect van de CAO-afspraken.
In de planperiode blijven de netto kosten van de unit Bouwen en Renoveren nagenoeg
gelijk.
Baten
De baten bij de unit Bouwen en Renoveren betreffen nagenoeg volledig de werkzaamheden die
ten behoeve van investeringsprojecten worden verricht. De aan deze werkzaamheden verbonden
personele kosten mogen ten laste van de betreffende projecten worden geboekt.
Personeel / Formatie
Voor Bouwen en Renoveren betekent de verlaging van de investeringskosten ook een verlaging
van jaarlijkse omzet. Het aantal fte’s binnen de unit zal gaandeweg worden verlaagd van 24 naar
22 fte, nadat het werk dat nu gedaan wordt door inleenkrachten zo veel mogelijk eerst naar de
vaste krachten is overgeheveld.
- 35 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.2
Informatie-Technologie, Product- en Procesontwikkeling
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
IT en Product-, Procesontwikkeling
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde personele lasten
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
1.052
268
4
1.091
280
2
60
19
0
1.151
299
2
1.185
308
2
1.173
304
2
1.208
314
2
1.243
323
2
1.324
195
9
1.373
121
14
79
4
-4
1.452
125
10
1.494
128
10
1.480
130
10
1.524
133
11
1.569
135
11
110
1
-10
536
920
1.761
51
1
2
0
53
1
54
1
55
1
56
1
57
1
478
861
1.526
18
137
157
496
998
1.683
506
1.018
1.716
842
1.039
2.076
859
1.059
2.118
876
1.081
2.160
3.085
2.899
235
3.134
3.211
3.556
3.642
3.729
2.879
2.899
235
3.134
3.211
3.556
3.642
3.729
17,0
17,0
18,0
18,0
18,0
17,0
17,0
17,0
206
206
- 36 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.2.1
Wat willen bereiken
IT en Product- en Procesontwikkeling is verantwoordelijk voor de ontwikkeling een toekomstvaste
robuuste IT infrastructuur en van toekomstige producten en processen die de marktpositie van het
WBL versterken. De doelen te bereiken in de periode tot en met 2018 zijn:
 Ontwikkelen van technologieën, technieken en zuiverings- en slibverwerkingsprocessen
waarmee wordt bereikt dat:
o kan worden voldaan aan Wet- en regelgeving inclusief Kader Richtlijn Water;
o nieuwe processen en apparatuur past in de gedacht van de Modulaire Duurzame Rwzi
(MDR);
o nieuwe toepassingen voor afvalwater (de rwzi als waterfabriek) worden gevonden;
o energie uit afvalwater (de rwzi of slibverwerkinginstallatie als energiefabriek) kan worden
teruggewonnen;
o nuttige grondstoffen uit afvalwater (de rwzi of slibverwerkinginstallatie als
grondstoffenfabriek) worden teruggewonnen;
o slibontwatering met minder of geen chemicaliën kan worden uitgevoerd;
o de bediening van zuiveringstechnische installaties mensonafhankelijk en op afstand kan
worden uitgevoerd.
 Ontwikkelen en toepassen van technologieën en technieken op het gebied van energie
efficiency (o.a. door efficiëntere beluchtinginstallaties) en toepassing van duurzaam opgewekt
vormen van energie (o.a. zonne- en windenergie en verbeterde vormen van Warmte-Kracht
Koppelingen (WKK);
 Intensievere samenwerking met onderwijsinstellingen, Universiteiten, onderzoekslaboratoria,
sterke (industriële) partners in de afvalwaterketen in binnen- en buitenland (voorbeeld
samenwerking met Zuyd Hogeschool in het kader van de Wijk van Morgen);
 Implementatie van een toekomstvaste IT infrastructuur voor de geautomatiseerde regeling van
zuiveringstechnische installaties;
 Transitie naar een vernieuwde duurzame IT-infrastructuur en applicatielandschap op basis van
het uit de visie en strategische doelen van WBL afgeleide Informatiebeleidsplan waarmee de
verdere integratie van proces- en bedrijfsautomatisering wordt gerealiseerd. Hierdoor wordt de
verdere uitbouw van de online horizontale en verticale integratie van informatie uit de
operationele en ondersteunende (werk)processen van zowel WBL als partners waarmee WBL
samenwerkt mogelijk t.b.v. bestuurs- en management informatie en dashboards;
 Toepassing van nieuwe IT toepassingen die de effectiviteit en efficiency bij de uitvoering van
werkprocessen ondersteunen;
 Verder
doorgroeien
naar
een
High
Performance
Organisatie
met
hoge
medewerkertevredenheid en werkprocessen die erop zijn gericht verspilling te voorkomen.
Waar staan we nu
Met betrekking tot bovengenoemde doelstellingen zijn inmiddels enkele resultaten bereikt, zoals:

De Modulaire Duurzame Rwzi (MDR) en de Modulaire Duurzame Slibverwerking (MDS)
gericht op vergroting van flexibiliteit om sneller, duurzamer en tegen lagere kosten te kunnen
inspelen op veranderende omstandigheden (zuiveren op maat) dan wel nieuwe kansen om
behoefte aan verschillende soorten water te kunnen invullen;

Verdere uitbreiding van slibvergisting en verbeteringen van de regelingen van rwzi’s door
simulatie van rwzi’s in samenwerking met AquaPlus. De revenuen hiervan zullen in 2013 en
2014 worden geëffectueerd;

Een pilot met een fundamenteel andere vorm van beluchting waarmee grote energie efficiency
moet worden bereikt tegen lagere investeringskosten wordt in 2013 uitgevoerd;

Uitwerken business cases betreffende nieuwe technologieën rond slibontwatering;;
- 37 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014






3.2.2
Voorbereiding voor twee installaties voor nutriëntenterugwinning is inmiddels gestart;
Samenwerking met AquaPlus (simulatie van rwzi’s), Duitse waterschappen (toekomstige
slibverwerking), WML (procesautomatisering) en Zuyd Hogeschool (de Wijk van Morgen);
Eerste pilot met een nieuw procesregelingsconcept (CARCON) is gestart op de rwzi Susteren;
De nieuwe vorm van procesautomatisering (project Wauter) waarin de eerste rwzi’s en
gemalen zijn omgebouwd in 2011 en 2012;
Onderzoek naar kleinschalige toepassing van nieuwe technologie op het gebied van zonneenergie;
Second opinion IT uitgevoerd door Price waterhouse Cooper (PwC) en de start van het daaruit
voortvloeiende transitie- en informatiebeleidsplan.
Wat gaan we doen
Het jaar 2014 staat in het teken van de verdere uitbouw van reeds ingezette projecten. Enkele
relevante projecten zijn:
 De verdere uitwerking van de MDR en MDS in samenwerking met kenniscentra, Universiteiten
en industriële partners;
 Intensiveren van de samenwerking met onderwijsinstellingen betreffende de lange termijn
ontwikkelingen van het water- en afvalwater, o.a. met Hogeschool Zuyd in het kader van de
Wijk van Morgen;
 Intensiveren van samenwerking met Business Schools met als doel verhogen van de kennis
betreffende nieuwe businessconcepten en vergroten van ondernemerschap;
 De uitwerking van de samenwerking op het gebied van slibverwerking op lange termijn samen
met industrie en Duitse waterschappen, passend binnen het concept van de MDR;
 Uitwerking en invoeren van verdere toepassingen van thermische druk hydrolyse en vergisting
en onderzoek naar andere vormen van slibdestructie en desintegratie;
 Verder uitwerken en invoeren van de gestandaardiseerde nieuwe regeling (CARCON) van het
zuiveringsproces gericht op vermijden van onnodige investeringen voor KRW, verlagen van het
energieverbruik en groeien naar mensonafhankelijke zuiveringstechnische installaties;
 Uitwerken en invoeren van nutriëntenverwijdering en terugwinning van grondstoffen;
 Uitwerken en invoeren van nieuwe technologie op het gebied van slibontwatering;
 Uitwerken en invoeren van kleinschalige toepassing van nieuwe technologie op het gebied van
windenergie en zonne-energie;
 De verdere uitrol van Wauter;
 Implementatie van nieuwe IT infrastructuur en business applicaties op basis van onderzoek,
nieuwe informatiebeleidsplan en business cases opgesteld in 2012 en 2013;
 De verdere inrichting van de IT organisatie gebaseerd op de second opinion van Price
waterhouse Cooper (PwC).
- 38 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.2.3
Wat gaat het kosten
Netto kosten
De ontwikkeling van de netto kosten wordt enerzijds vergeleken met de begroting van het
voorafgaande jaar en anderzijds wordt gekeken naar de ontwikkeling in de planperiode:
Ten opzichte van de begroting 2013 stijgen de netto kosten in 2014 met € 0,2 mln met name
door hogere kosten voor het uitvoeren van onderzoek en pilots voor nieuwe ontwikkelingen.
In de planperiode stijgen de netto kosten van de unit IT, product- en procesontwikkeling van
€ 2,9 mln in 2013 naar € 3,7 mln in 2018.
De stijging van de netto kosten in de planperiode is 28,6% en bedraagt daarmee 18,2% meer dan
de stijging overeenkomstig de jaarlijkse inflatiecorrectie met 2%.
De stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door toename van de beheerskosten vanaf 2016 door
het project Wauter (procesautomatisering). Vanaf 2008 (besluit tot invoering Wauter) is
successievelijk gestopt met vervangingen en diverse ondersteuningscontracten voor de traditionele
procesautomatisering. Daardoor zijn in 2009 t/m 2012 de uitgaven aanzienlijk teruggelopen. Deze
afname is minimaal gelijk aan de stijging die nu voor beheerkosten Wauter wordt opgevoerd. Deze
over de periode 2008 tot nu doorgevoerde wijzigingen komen overeen met de destijds opgestelde
businesscase: gelijkblijvende integrale kosten met als resultaat een beter beheerste
procesautomatisering met minder verstoringen en minder toekomstige beheerslasten dan wanneer
op traditionele wijze was doorgegaan.
Daarnaast stijgen de kosten vanaf 2014 met jaarlijks € 153.000 ten opzichte van 2013 door het
uitvoeren van onderzoek en pilots voor nieuwe ontwikkelingen. Tot eind 2012 zijn deze uitgaven
gefinancierd uit specifieke investeringskredieten. Echter bij innovatie hoort ook het risico op het niet
haalbaar blijken van business cases. Derhalve wordt met ingang van 2014 gewerkt met een
innovatiebudget in de exploitatiesfeer van jaarlijks € 255.000 (goederen en diensten door derden).
Onderzoeken die tot haalbare business cases leiden (passend binnen de gestelde
randvoorwaarden), worden separaat als kredietvoorstel aangedragen bij het Algemeen Bestuur.
Niet meegenomen in deze MJR: Prognose besparingen op basis van Ontwikkelplan
Jaarlijks wordt een Ontwikkelplan opgesteld (recentelijk eind 2012: voor 2013 en verder). In dit
Ontwikkelplan worden uitgaande van de strategische doelen van WBL onderzoeken geïdentificeerd
die, op basis van het KAN-principe (Kwaliteit, Arbeidsbeleving, Netto kosten), een positieve
bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de Meerjarenraming. In onderstaande prognose is
gekeken naar die ontwikkelingen die als meest realiseerbaar met een positieve business case
worden ingeschat. Alle andere innovaties worden in 2013 op basis van deskstudie opgepakt en
zullen qua besparingspotentieel in het Ontwikkelprogramma 2014 worden opgenomen indien er
voldoende uitzicht is op positieve business cases.
De geprognosticeerde besparingen voortkomend uit dit Ontwikkelprogramma starten beperkt in
2014 (quick wins) en vanaf 2015 worden de jaarlijkse effecten groter.
De netto besparingen (ten opzichte van WBL-begroting 2013) bedragen naar verwachting:
2014: 0,25%
€ 175.000
2015: 0,80%
€ 575.000
2016: 1,25%
€ 865.000
2017: 1,60% € 1.115.000
2018: 1,80% € 1.215.000
Totaal: 5,70% ten opzichte van 2013 ofwel circa € 4 mln.
- 39 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Een belangrijk besparingspotentieel in deze prognose is de Airimplosion (ongeveer € 1 mln), een
innovatie op het gebied van beluchten in de zuiveringsinstallatie. In 2013 wordt een pilot hiermee
uitgevoerd op de rwzi Gennep, indien deze slaagt dan ligt hierin een enorme verbeterpotentieel
waarvan een beperkt deel is meegenomen in deze prognose, omdat beluchtingen vervangen niet
direct voor de hand ligt op bestaande installaties tenzij de besparingen een vervroegd afschrijven
van bestaande installaties verantwoord mogelijk maakt. Het belangrijkste deel zal worden
gerealiseerd in te bouwen MDR’s.
Personeel / Formatie
Op dit moment zijn twee fte’s niet vast ingevuld. Het onderzoek naar insourcing dan wel
outsourcing inzake IT, inclusief de verdere professionalisering op het gebied van informatie
management en informatie analyse kan personele consequenties hebben. Derhalve worden in
2014 en 2015 deze vacatures flexibel ingevuld zodat vlot kan worden ingespeeld op deze
ontwikkelingen.
Verder is relevant dat budgettair en formatief neutraal 1 fte is overgeheveld van unit Operations
naar de unit IT en Product-, Procesontwikkeling. Dit voor een periode van 3 jaar. Per 2016 wordt
deze fte weer terug verplaatst naar de unit Operations.
3.2.4
Risico’s
In 2014 zijn de volledige IT infrastructuur en alle business applicaties afgeschreven. Dat leidt tot
een verlaging van de exploitatiekosten (kapitaallasten) met € 1 mln. In het MIP is een bedrag van
€ 4 mln opgenomen voor noodzakelijke vervanging van deze gehele IT-infrastructuur en applicaties
in 2013, 2014 en 2015. In 2012 is een second opinion uitgevoerd door Price waterhouse Coopers
(PwC) op de hele IT omgeving, waarna verder wordt onderzocht in hoeverre de infrastructuur en
de business applicaties zoals deze nu is opgezet voldoende toekomstvast is. Dit wordt getoetst
aan de hand van het van visie en strategische doelen afgeleide informatiebeleidsplan. Daarin wordt
meegenomen de vraag zelf doen of uitbesteden.
Eveneens te onderzoeken is in hoeverre de huidige “best of breed” aanpak (het beste
softwarepakket per werkproces) op termijn financieel en technisch houdbaar en duurzaam is, of dat
de keuze voor een meer geïntegreerd ERP-systeem (Enterprise Requirement Planning) een betere
toekomstvaste oplossing biedt.
Een investering van € 4 mln in 2013 t/m 2015 zal leiden tot kapitaalslasten van circa € 0,9 mln per
jaar vanaf 2015. Dit investeringsbedrag komt overeen met de historische investeringen in
datacentrum en softwarelicenties voor bedrijfskritische applicaties. Onderzoek in 2013 en 2014
moet uitwijzen in hoeverre deze investering kan worden bijgesteld resp. een andere oplossing kan
worden gekozen.
- 40 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.3
Operations
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Operations
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
TOTAAL BATEN
1.648
389
6
112
2.154
33
2.463
7.696
17
32
515
363
6.574
17.694
1.677
386
10
113
2.186
41
2.616
7.864
30
47
702
387
4.682
16.369
-11
15
1
14
19
-19
340
-221
1
-6
16
15
-89
37
1.666
401
11
127
2.205
22
2.956
7.643
31
41
718
402
4.593
16.406
1.713
413
11
130
2.268
23
3.242
7.616
31
42
732
410
4.684
16.781
1.898
464
11
134
2.507
23
4.306
7.590
32
43
747
418
4.925
18.084
1.953
478
11
137
2.579
24
4.398
7.809
33
43
762
427
5.025
18.520
2.009
493
12
141
2.653
24
4.493
7.180
33
44
777
435
6.156
19.142
40
40
19.888
147
147
18.702
5
5
61
152
152
18.763
156
156
19.204
159
159
20.750
162
162
21.261
165
165
21.961
212
223
-20
203
203
203
203
190
519
223
-20
203
203
203
203
190
19.369
18.479
81
18.560
19.001
20.547
21.058
21.771
33,1
29,6
33,1
-2,0
31,1
31,1
34,1
34,1
34,1
307
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
MJR 2013-2017
MJR 2014-2018
23.000
22.000
21.000
20.000
19.000
18.000
17.000
2011
2012
2013
2014
2015
2016
- 41 -
2017
2018
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.3.1
Wat willen we bereiken
Het WBL wil herkenbaar zijn als een High Performance Organisatie (HPO). Een HPO is een
organisatie die betere financiële en niet-financiële resultaten behaalt dan vergelijkbare organisaties
over een periode van minstens vijf tot tien jaar. Operations zal daar een bijdrage aan leveren door
de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de resultaten daarvan te vergroten onder gelijktijdige
verlaging van de netto kosten. Tevens dient daarbij de arbeidsbeleving van de medewerkers toe te
nemen.
Waar staan we nu
Momenteel zijn er 18 zuiveringsinstallaties, 6 slibontwateringen en 1 slibdroger in bedrijf. Het WBL
beschikt over circa 535 kilometer transportriolen.
In Venlo is eind 2012 de thermische druk hydrolyse (TDH) in bedrijf genomen. Indien deze
installatie begin 2013 optimaal kan worden bedreven zal het ontwaterd slibvolume van Venlo met
40% gereduceerd worden, hetgeen tot gevolg heeft dat onder andere de transportkosten en
externe verwerkingskosten voor ontwaterd slib afnemen.
Belangrijke geplande wijzigingen van de zuiveringstechnische infrastructuur tijdens de planperiode
zijn:
Uit bedrijf nemen van de zuiveringsinstallatie Heerlen in 2014/2015;
De aanleg van een transportriool om het afvalwater van Heerlen naar de zuiveringsinstallatie
van Hoensbroek te vervoeren, lengte ca. 2 km en gereed in 2015;
Uit bedrijf nemen van de slibdroger Susteren in 2018.
De operationele kostengevolgen hiervan zijn verwerkt in de nu voorliggende Meerjarenbegroting.
Waar willen we naar toe?
De medewerkers van de unit Operations dienen zich, meer dan nu, bezig te houden met hun
kerntaken: het proces van het transporteren en zuiveren van afvalwater en het verwerken van slib.
Installaties dienen steeds meer mens- en persoonsonafhankelijk te functioneren. Werkzaamheden
zoals schoonmaak installaties, controle effluentkwaliteit en overig 1e lijns onderhoud dienen
uitgevoerd te worden. Daarnaast vraagt de invulling van wachtdiensten een minimale formatieve
omvang. De processen zullen meer op afstand bestuurd worden. Verdergaande automatisering
van de processen zal dit mogelijk moeten maken. De automatisering stuurt de processen in het
overgrote deel van de tijd. Hierdoor ontstaat een stabielere procesvoering.
Verlaging van de kosten zal mede worden vormgegeven door continue aandacht in de
bedrijfsvoering voor het energie- en chemicaliënverbruik. Met ondersteuning van de unit IT en
Product- en Procesontwikkeling zal middels de introductie van nieuwe technologieën (bijvoorbeeld
de CARCON regeling) een reductie van het energieverbruik worden bewerkstelligd. De maatregelen
zien we in beperkte mate terug in het verbruik per verwijderde i.e. (zie onderstaande tabel). De
reden hiervoor is dat er een deel van de benodigde beluchtingenergie nu opgewekt wordt in Warmte
Kracht Koppelingen (WKK) welke gevoed worden door biogas. Middels diverse maatregelen, zoals
optimalisering bedrijfsvoering en aanpassing van beter renderende beluchtinginstallaties, wordt het
energieverbruik per i.e. positief beïnvloed.
3.3.2
Wat gaan we doen
Zoals hiervoor reeds benoemd zullen de processen meer op afstand bestuurd gaan worden. Dat
zal andere kwaliteiten en competenties van medewerkers vragen. Een toekomstvisie van de
inrichting van Operations is in voorbereiding en zal te zijner tijd aan het bestuur worden
- 42 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
voorgelegd. Ten behoeve van het opstellen van de toekomstvisie is het van belang om de taken,
bevoegdheden en verantwoordelijkheden van zowel de medewerkers van als de gehele unit
Operations in kaart te brengen. Het jaar 2013 zal in het teken staan van het vaststellen van deze
aspecten. Dit zal een hoger verantwoordelijkheidsgevoel tot gevolg hebben en meer duidelijkheid
geven wat er van iedere medewerker wordt verwacht. Dit zal leiden tot een betere arbeidsbeleving
daar men meer invloed kan uitoefenen op het behalen van de meetbare en identificeerbare
individuele en unit brede doelen.
Prestaties
Uitgangspunt is en blijft dat de prestaties van het transportsysteem, de zuiveringsinstallaties en de
droger minimaal voldoen aan de wettelijke vereisten alsook aan de met derden gemaakte
afspraken.
Onderstaand zijn de relevante prestaties weergegeven, bestaande uit de realisatie in 2012 en de
planning voor de jaren 2013 (bijgesteld) en 2014.
Relevante prestaties
Rekening
2012
Begroting
2013
Begroting
2014
153.043
100,0%
155.000
100,0%
155.000
100,0%
Zuiveren van afvalwater
totaal verwijderde i.e.'s ( x 1.000 )
energieverbruik per verwijderde i.e. (in wattuur)
CZV-zuiveringspercentage (doelstelling is 90%)
fosfaatverwijdering (norm = 75%)
stikstofverwijdering (norm = 75%)
1.767
52,0
92,8%
78,6%
79,6%
1.732
54,5
92,2%
76,0%
78,8%
1.732
54,5
92,2%
76,0%
78,8%
Verwerken en afzetten van slib
aantal tds ontwaterd en vervolgens gedroogd
afzet gedroogd slib: tds naar Biomill (Enci)
afzet ontwaterd slib: tds naar verbrandingsinstallatie/ stortplaats
26.806
14.941
11.866
25.500
14.000
11.500
25.500
14.000
11.500
Transport afvalwater
m3 getransporteerd afvalwater ( x 1.000 )
percentage voldoen aan afnameverplichting
In de bovenstaande tabel zijn de relevante prestaties gedefinieerd. Uitgangspunt is het leveren van
prestaties niet hoger dan de wettelijke norm vereist. Dit betekent zo laag mogelijke kosten, minder
verbruik energie en van chemicaliën. Dit uitgangspunt is doorgerekend in de begroting.
Momenteel worden (kritieke) prestatie-indicatoren ontwikkeld die passen in de missie, visie en
strategie van de unit Operations en die maatgevend zijn voor de realisatie hiervan. Bij de kritieke
prestatie-indicatoren valt bijvoorbeeld te denken aan voldoen aan lozingseisen, specifiek
energieverbruik transport en zuiveren en specifiek chemicaliënverbruik.
3.3.3
Wat gaat het kosten
Voor het opstellen van de meerjarenraming 2014-2018 is uitgegaan van de resultaten van 2012, de
aanbestedingen van een aantal diensten en leveringen zoals transport en levering chemicaliën,
lopende contracten en doorgevoerde verbeteringen of geaccordeerde plannen voor verbetering.
Per hoofditem is een opsomming gemaakt met een indicatie van te verwachten kosten dan wel
afwijkingen ten opzichte van de voorgaande ramingen. Tevens is bij het opstellen van deze
meerjarenraming rekening gehouden met de effecten van diverse (kleinere) projecten zoals
bijvoorbeeld de nutriëntenterugwinning, optimalisatieonderzoeken van Aquaplus.
- 43 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Netto kosten
De ontwikkeling van de netto kosten wordt enerzijds vergeleken met de begroting van het
voorafgaande jaar en anderzijds wordt gekeken naar de ontwikkeling in de planperiode:
Ten opzichte van de begroting 2013 stijgen de netto kosten in 2014 met € 0,1 mln door:
o een toename met € 0,2 mln ten gevolge van inflatiecorrectie;
o een toename met € 0,3 mln door effect van verhoging BTW-percentage van 19% naar
21%;
o een verlaging met € 0,1 mln door realisatie businesscase Abdisschenbosch;
o een verlaging met € 0,2 mln door lagere tarieven voor en lager verbruik van energie;
o een toename met € 0,1 mln voor chemicaliën door prijsindexering en extra inkoop door
wijziging ontwateringlocaties (Venlo, Gennep);
o een verlaging met € 0,2 mln als gevolg van resultaat aanbesteding
laboratoriumdiensten.
In de planperiode stijgen de netto kosten van de unit Operations van € 18,4 mln in 2013
naar € 21,4 mln in 2018 (een stijging van 16,4%).
Bij de onderstaande hoofditems worden de netto kosten nader toegelicht.
Personeel / Formatie
De overheveling van een functie naar de unit IT en Product- en Procesontwikkeling en twee naar
FPC betekent een verlaging van het aantal fte’s voor de unit Operations. Vanaf 2016 worden deze
formatieplaatsen weer teruggeplaatst bij de unit Operations.
Als gevolg van sluiting droger Susteren per 1-7-2018 zal de formatie per 2019 met 1 fte worden
verlaagd.
De begrote personele lasten vertonen een overeenkomstige ontwikkeling.
Laboratorium
In 2013 is ten behoeve van de laboratorium analyses op basis van een openbare aanbesteding
een overeenkomst met Omegam afgesloten. Het contract omvat een vaste prijs voor de reguliere
analyse werkzaamheden en een variabel deel afhankelijk van de omvang van extra analyses (als
gevolg van lozingen en/of calamiteiten) en onderhoud van de analyse apparatuur. De totale
jaarlijkse kosten voor laboratoriumdiensten worden geraamd op € 650.000.
Hierbij moet nadrukkelijk worden opgemerkt dat de kosten van extra analyses in het kader van
onderzoeken niet zijn begroot. De kosten voor deze analyses moeten worden gefinancierd vanuit
de betreffende onderzoeken en/of projecten.
Kader Richtlijn Water (KRW)
Het WBL heeft een brief d.d. 20-11-2012 van WRO en WPM ontvangen, waarin door de beide
waterschappen voor de WBL-rwzi’s effluenteisen in relatie tot de KRW bekend zijn gemaakt. De
maatregelen om aan de richtlijn te kunnen voldoen zijn doorgerekend en in het nieuwe
MeerjarenInvesteringsProgramma
2014-2018/2023
opgenomen.
De
daaruit
volgende
kapitaallasten alsook de hieraan verbonden exploitatielasten zijn opgenomen in deze
Meerjarenbegroting.
Thermische Drukhydrolyse (TDH)
Ten tijde van het opstellen van dit document functioneert de TDH te Venlo nog niet optimaal. Dit
heeft mogelijk gevolgen voor de begroting van 2013. De exacte cijfers worden nog inzichtelijk
gemaakt. Uitgangspunt voor 2014 en de daarop volgende jaren is dat de TDH functioneert conform
contractuele afspraken met GMB.
- 44 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
De thermische drukhydrolyse (TDH) van Hoensbroek is in de voorbereidingsfase. In deze
meerjarenbegroting zijn de daaraan verbonden kosten en besparingen niet verwerkt.
Chemicaliën sliblijn
De chemicaliën voor de sliblijn worden gebruikt voor het ontwateren van het slib. Er zijn een aantal
maatregelen genomen, leidend tot het verbeteren van het totale bedrijfsresultaat. De maatregelen
zijn bijvoorbeeld het centraliseren van slibontwateringlocaties (door sluiting van enkele), aankoop
van nieuwe slibontwateringapparatuur en optimalisering van de bestaande slibontwateringapparatuur. De verwerking van het slib op een centrifuge heeft tot gevolg dat de kosten voor
verbruik van PE (chemicaliën) toenemen, maar doordat deze machines minder inzet van personeel
vragen en een beter rendement hebben, nemen de kosten op andere posten juist af. Verhoging
van het percentage droge stof in het ontwaterd slib betekent een afname van transportvolume
(tonnen slib) en dus verlaging van de transportkosten ontwaterd slib. Daarnaast hoeft bij de
slibdroging minder water verdampt te worden met als gevolg verlaging van het gasverbruik voor de
droger te Susteren en er hoeft minder ontwaterd slib in Duitsland en bij SNB te worden afgezet.
De kosten van chemicaliën voor zowel de waterlijn als de sliblijn nemen sterk toe van € 2,5 mln in
2013 tot € 4,2 mln in 2018. Belangrijkste oorzaken zijn:
- KRW-maatregelen op een aantal rwzi’s (Gennep, Meijel, Hoensbroek)
- hogere verbruiken ten behoeve van verbetering van het ontwateringresultaat
Elektriciteit
Voor elektriciteit geldt dat 2014 al volledig is ingekocht en dat voor het jaar 2015 inmiddels (op
moment van samenstellen van deze begroting) grotendeels is ingekocht. Voor de jaren 2016 en
2017 zijn forward-prijzen (verwachte toekomstige prijzen volgens energiebeurs ENDEX) als
uitgangspunt gekozen. Door bij de kostenramingen voor energie dit uitgangspunt te hanteren,
wordt over het nog niet ingekochte deel van de energiebehoefte risico gelopen ten aanzien van
toekomstige prijsontwikkelingen (zie de risicoparagraaf).
De MeerJarenAfspraak (MJA) energie (elektriciteit), waaraan ook door WBL wordt deelgenomen,
bepaalt dat vanaf 2005 voor een periode van 15 jaar gemiddeld jaarlijks 2% bespaard moet worden
op het energieverbruik.
Na uitvoering van de
relevante
MIPprojecten, de bouw en
in bedrijf name van de
thermische
drukhydrolyse in Venlo
en een investering in
en de implementatie
van de maatregelen
voorgesteld
op
de
installaties Limmel en
Hoensbroek
is
de
energiereductie
in
2017
31,5%
ten
opzichte van 2005.
Hiermee wordt het
- 45 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
afgesproken te behalen resultaat uit de MJA ruimschoots gehaald. De daling van
elektriciteitsverbruik is niet alleen te wijten aan relevante investeringen. Ook het optimaliseren van
de bedrijfsvoering, beter en bewuster omgaan met de installaties en voldoende aandacht voor het
eerste en tweede lijnsonderhoud dringen het energieverbruik terug.
Het verwachte verbruik van elektriciteit daalt van 2013 naar 2014 met ruim 0,7 miljoen kWh (van
ca. 50,6 miljoen kWh naar ca. 49,9 miljoen kWh) en vanaf 2015 naar een structureel niveau van
49,7 miljoen kWh; zie de volgende tabel (let wel: het effect van de KRW-maatregelen op het
energieverbruik, alsmede de effecten van de MDR’s en clustering Heerlen-Hoensbroek moeten
nog inzichtelijk worden gemaakt zijn derhalve niet meegenomen).
Elektriciteitsverbruik
(aantallen x 1 MWh)
Begroot
2013
Begroot
2014
Raming
2015
Raming
2016
Raming
2017
Raming
2018
Transporteren afvalwater
Zuiveren afvalwater
Slibontwatering
6.526
43.023
100
6.526
42.188
200
6.526
41.968
200
6.526
41.968
200
6.526
41.968
200
6.526
41.968
200
Centrale huisvesting
Totaal verbruik
1.000
50.649
1.000
49.914
1.000
49.694
1.000
49.694
1.000
49.694
1.000
49.694
6.065
5.925
5.864
5.685
5.867
5.896
Totale kosten ( x € 1.000)
Aardgas
Op een aantal zuiveringen zijn maatregelen getroffen die het aardgasverbruik moeten
terugdringen. De maatregelen variëren van een kleine impact, zoals de plaatsing van een
klokthermostaat op de verwarming van (bedrijfs)gebouwen, tot grotere impact zoals het beperken
van het aardgasverbruik voor de warmtekrachtkoppeling (WKK) op de locaties Limmel, Susteren
en Roermond. Dit laatste houdt in dat bij onvoldoende aanvoer van biogas de WKK (tijdelijk)buiten
bedrijf gesteld wordt omdat inkoop van elektriciteit goedkoper is als de productie van elektriciteit
met behulp van aardgas.
De grootste verbruiker van aardgas is de droger Susteren. Optimalisatie van de ontwateringen
heeft geleid tot een verlaging van het aardgasverbruik zonder dat dit effect heeft op de
productiecapaciteit van de droger. Volgens planning zal de droger medio 2018 buiten bedrijf
worden gesteld.
Gasverbruik
(aantallen x 1.000 m³)
Begroot
2013
Begroot
2014
Raming
2015
Raming
2016
Raming
2017
Raming
2018
Zuiveren afvalwater
Drogen van slib
370
4.250
308
4.250
302
4.250
302
4.250
302
4.250
302
2.125
Centrale huisvesting
Totaal verbruik
160
4.780
160
4.718
160
4.712
160
4.712
160
4.712
160
2.587
Totale kosten ( x € 1.000)
1.916
1.859
1.889
1.925
1.961
1.193
- 46 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Transport derden nat slib
Ten opzichte van de ramingen in de vorige Meerjarenbegroting liggen de jaarlijkse kosten voor
transport van nat slib nu ca. € 70.000 lager. Belangrijkste reden voor deze lagere transportkosten
vormt de renovatie van de slibindikker te Abdissenbosch, waardoor het slib van de rwzi’s Rimburg
en Kaffeberg niet meer in natte vorm naar de rwzi Hoensbroek hoeft te worden vervoerd.
Transport derden ontwaterd slib
Voor deze post geldt dat verhoging van het percentage droge stof van het ontwaterd slib een
verlaging van het volume betekent met als gevolg dat minder ontwaterd slib getransporteerd hoeft
te worden.
Ten opzichte van de ramingen in de vorige Meerjarenbegroting liggen de jaarlijkse kosten voor
transport van ontwaterd slib nu ca. € 80.000 lager. Dit met name als gevolg van wijzigingen in de
transportroutes.
Transport gedroogd slib
Het transport van gedroogd slib wordt in 2013 opnieuw aanbesteed; de financiële gevolgen van
deze aanbesteding zijn momenteel nog niet bekend. Door het opzeggen van de huurovereenkomst
met WPS zullen de kosten op deze post met ingang van 2014 per jaar € 40.000 lager zijn.
Het zal duidelijk zijn dat deze kostenpost nihil zal worden na buiten bedrijfstelling van de droger in
2018.
Afzet ontwaterd slib naar derden
De prognose voor de afzetkosten van ontwaterd slib is hoger dan in de vorige Meerjarenbegroting
De kosten zijn t/m 2017 jaarlijks gemiddeld € 100.000 hoger. Oorzaken zijn o.a. de BTWverhoging, de afzet van ontwaterd slib na gereedkomen van de gerenoveerde slibontwatering te
Abdissenbosch en de noodzakelijke wijzigingen in de transportroutes.
Na buiten bedrijfstelling van de droger Susteren zal deze kostenpost naar verwachting op jaarbasis
met € 2,5 mln toenemen.
Baten
De unit Operations kent een beperkt aantal opbrengstposten. Het betreft met name
pachtopbrengsten en bijdragen in de exploitatielasten voor dienstverleningen op
zuiveringstechnisch gebied, buiten de reguliere zuiveringstaken van het WBL. Deze baten
bedragen in totaal ca. € 175.000 per jaar.
Het gewijzigde contract voor deelname van het WBL in Biomill leidt er toe dat hiervoor in deze
Meerjarenbegroting geen verrekeningen, baten dan wel kosten, meer worden opgevoerd.
Voor de aanlevering van gedroogd slib wordt tot buiten bedrijfstelling van de droger een jaarlijkse
opbrengst van € 27.000 geraamd.
Prognose
Opdracht is het realiseren van een High Performance Organisatie die doelgericht en slagvaardig
werkt. Doel is het bereiken van hogere kwaliteit van dienstverlening, verbeterde arbeidsbeleving en
lagere netto kosten (KAN principe). In het kader van het versnellen van de ontwikkeling van de unit
is een verbeterplan opgesteld. In dit plan ligt de focus op resultaatgericht werken, optimalisatie van
de werkprocessen, een verbeterde inrichting van de organisatie van de unit Operations en een
betere samenwerking met de andere units van het WBL.
De potentiële effecten van de nieuwe manier van werken worden op dit moment in kaart gebracht.
Belangrijke pijlers zijn het borgen van de kwaliteit, het inrichten van de werkprocessen en op basis
van deze werkprocessen inrichten van de organisatie en het verlagen van de kosten. De
verwachting is dat door betere aansturing van de werkprocessen in de komende jaren op jaarbasis
- 47 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
kan worden bespaard op personeelslasten, diensten derden (transport) en gebruiks- en
verbruiksgoederen (chemicaliën). Daarnaast is in samenwerking met de unit IPP mogelijk om te
investeren in de zuiveringsprocessen (zie ook de toelichting bij unit IPP).
Deze kansen tot verlaging van de netto kosten worden opgepakt en uitgewerkt in
verbetervoorstellen en projecten. Om te komen tot de verbeterde aansturing van de unit en het
realiseren van de potentiële verbeteringen wordt de organisatie tijdelijk in capaciteit uitgebreid met
flexibele arbeidskrachten. De verwachting is dat de tijdelijke extra kosten worden gecompenseerd
door lagere toekomstige netto kosten.
3.3.4
Risico’s
Bij het opstellen van de begroting is alleen rekening gehouden met de reguliere stabiele
bedrijfsvoering. Dit betekent dat calamiteiten en andere uitzonderlijke omstandigheden, die in de
praktijk voorkomen maar niet voorspelbaar zijn, niet financieel zijn opgenomen in de
exploitatiebegroting 2013 en de meerjarenraming 2014-2018. Als er calamiteiten en/of andere
uitzonderlijke omstandigheden plaatsvinden (bijvoorbeeld langere stilstand van de droger
Susteren) dan kan dat leiden tot een overschrijding van de exploitatiebegroting van het jaar waarin
zich deze situatie plaatsvindt. Ook het tijdelijk wegvallen van de afzetmogelijkheid naar de Enci of
het verschuiven van de geplande onderhoudsstop bij de Enci betekent een verhoging van
afzetkosten voor het gedroogd en ontwaterd slib.
In het vigerende MIP is een aantal investeringen gepland dat een direct effect op hoeveelheden
(bijvoorbeeld energie en tonnen slib te transporten en te verwerken) en chemicaliënverbruik heeft
en daarmee op de kosten. Op het moment dat de geplande projecten in de tijd verschuiven heeft
dit direct invloed op de verschillende kostenposten.
Een aantal goederen en diensten die ingekocht worden zoals energie, transport en chemicaliën zijn
gekoppeld aan de actuele olieprijzen. Wereldwijde ontwikkelingen hebben direct invloed op de
hoogte van de inkoop. Bij het vaststellen van de begroting is derhalve uitgegaan van de in te kopen
hoeveelheden op basis van het huidige prijspeil of contractueel vastgelegde bedragen voor de
looptijd van het contract.
Brandschaderisico van de installaties
In het kader van het verzekeringsbeleid is bepaald dat de zuiveringsinstallaties niet zijn verzekerd
tegen brandschade c.a. Het daaruit voortvloeiende financiële risico wordt relatief beperkt van
omvang geacht, temeer daar het merendeel van de investeringen in de installaties ondergronds is
gesitueerd, c.q. betonwerken zijn. Evenwel is er een beperkt risico aanwezig.
In dit verband zij opgemerkt dat het kantoor en de slibdroger van Susteren is wél tegen
brandschade zijn verzekerd.
- 48 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.4
Onderhoud
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Onderhoud
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde personele lasten
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
MJR 2013-2017
1.992
497
8
189
2.196
535
13
153
124
53
0
6
2.320
588
13
159
2.358
597
14
162
2.422
614
14
165
2.493
633
14
168
2.554
648
15
172
2.686
44
5
2.897
63
2
183
3
0
3.080
66
2
3.131
67
2
3.216
69
2
3.308
70
2
3.388
71
2
1
7
2
0
0
7
2
7
2
8
2
8
2
8
2
6.908
223
7.182
7.261
72
7.407
182
53
239
7.443
125
7.646
7.156
128
7.362
7.303
131
7.514
7.542
133
7.757
7.348
136
7.567
9.867
10.304
422
10.726
10.493
10.730
11.065
10.955
658
944
-244
700
672
677
691
705
658
944
-244
700
672
677
691
705
9.209
9.360
666
10.026
9.821
10.052
10.374
10.251
44,0
41,0
44,0
0,5
44,5
43,8
43,7
43,7
43,5
MJR 2014-2018
10.500
10.000
9.500
9.000
8.500
2011
2012
2013
2014
2015
2016
- 49 -
2017
2018
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.4.1
Wat willen we bereiken
Unit Onderhoud streeft ernaar een professionele onderhoudsorganisatie te zijn waar de relatie
tussen de technische wereld van het onderhoud, die van de productie (operations en projecten) en
het hogere management geregeld en geborgd is. Centraal staat hierbij de vraag hoe de
onderhoudsdoelen zich verhouden tot de bedrijfsdoelen (missie, visie en strategie). In het bijzonder
het hebben van doelen als vertrekpunt voor bedrijfsactiviteiten is van groot belang.
De bedrijfsdoelstellingen en de onderhoudsstrategie voor de komende jaren zijn:
 Een optimale werking en capaciteit van de installaties en voldoen aan de wettelijke normen die
zijn gesteld aan zuiveren en transporteren van afvalwater;
 Investeren in een kwaliteitsorganisatie;
 Kostenreductie op alle processen met behoud van kwaliteit.
Het onderhoudsbeleid is afgeleid van voorgenoemde bedrijfsdoelstellingen en geeft antwoord op
de vraag: “Waarom voeren wij onderhoud uit”. Onderhoud is met name gericht op het waarborgen
dat de primaire functionaliteit zo lang mogelijk wordt benut binnen de gewenste randvoorwaarden
van veiligheid, gezondheid, milieu, kwaliteit en financiën (VGMKF) en tegen zo laag mogelijke
kosten. De betrouwbaarheid, het product van de beschikbaarheid en de performance, van de
bedrijfsmiddelen (ofwel assets) van de operationele processen moet te allen tijde de vereiste
kwaliteit van het effluent alsook de afgesproken afnameverplichting kunnen waarborgen. De
onderhoudsorganisatie beschikt over een onderhoudsfilosofie die beantwoordt aan de
geformuleerde doelstellingen van een excellerende organisatie.
Om de onderhoudsorganisatie het transitieproces te laten doorlopen in “Groeien naar Pure Klasse”
is het noodzakelijk dat de waarden van de technische bedrijfsmiddelen over de gehele
levenscyclus worden gemaximaliseerd. Asset Management zal worden ingezet voor het bereiken
van dit doel. Vragen die hierbij beantwoord worden zijn:
 Hoe wordt de bedrijfsvoering vanuit organisatorisch oogpunt verbeterd (operational
excellence);
 Hoe wordt de technische betrouwbaarheid verhoogd, en dus het technisch rendement, van de
installaties door een onderbouwde en geborgde onderhoudsaanpak (onderhoud &
betrouwbaarheid);
 Aan welke regels moet de organisatie voldoen om veilig te kunnen opereren (technische
veiligheid);
 Hoe wordt geborgd dat de organisatie steeds aan specifieke kwaliteitseisen voldoet
(kwaliteitsborging).
Waar staan we nu
WBL Transportlijn, waterlijn, sliblijn
Vanaf 2009 is ingezet op meer planmatig werken. Vanaf 2011 is het Periodiek Onderhoud aan
rwzi’s gebundeld uitgevoerd in een “stopachtige vorm”. Dit heeft er toe geleid dat de realisatie van
het planbaar onderhoud substantieel verhoogd is. Tegelijkertijd is waarneembaar dat het aantal
storingen afneemt. Vanaf het laatste kwartaal 2012 wordt het niet urgente Correctief Onderhoud
aan rwzi’s gebundeld uitgevoerd volgens een jaarplan.
Gemeenten / klanten, afvalwaterketen
De unit Onderhoud heeft op dit moment met 7 gemeenten een licht gemeenschappelijke regeling
inclusief uitvoeringsovereenkomsten ten behoeve van beheer en onderhoud van gemeentelijke
gemalen, berg bezink bassins, overstorttellers en/of regenmeters.
- 50 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Voor één waterschap verzorgen we het beheer en onderhoud van de gemalen en kunstwerken.
Gemeenten / IBA’s
Tot en met 2009 had WBL het onderhoud aan IBA-systemen uitbesteed aan een marktpartij. Vanaf
2010 verzorgt de unit Onderhoud van WBL het beheer en onderhoud aan IBA’s in eigen beheer.
Dit heeft geleid tot een verlaging van de kosten, een verbetering van de effluentkwaliteit en een
vermindering van het aantal storingen. In 2011 heeft het DB besloten om vanaf 2012 alle gemaakte
kosten door te berekenen aan de gemeenten. Naar aanleiding van dit besluit heeft een deel van de
gemeenten te kennen gegeven niet akkoord te gaan met het doorbelasten van alle kosten aan de
gemeenten.
Waar willen we naar toe
WBL Transportlijn, waterlijn, sliblijn
Het doel is het zodanig inrichten van de onderhoudsprocessen dat de afgesproken kwaliteitscriteria
optimaal worden bereikt. Betrouwbaarheid, beschikbaarheid en validiteit van gegevens spelen
hierin een grote rol. Het onderhoud evolueert naar het strategische niveau van “Pure Klasse”.
Hiervoor wordt binnen de onderhoudsorganisatie op een integrale en structurele wijze
samengewerkt. Zodoende wordt geborgd dat onderhoud op een correcte wijze wordt uitgevoerd
(“de dingen tijdig en goed doen”) en voor alles dat is geborgd dat de geplande taken de
noodzakelijk uit te voeren taken zijn (“de juiste dingen goed doen”). Het gaat hierbij om het maken
van de juiste keuzes waardoor het mogelijk wordt de prestaties van de installaties te verbeteren
onder gelijkblijvende of dalende onderhoudskosten.
De betrouwbaarheid van de primaire functionaliteit is geborgd, zolang mogelijk tegen de laagste
kosten binnen de randvoorwaarden van VGMKF. De rol van onderhoud is niet het in record tempo
herstellen van een storing; maar, is de rol van het onderhoud het voorkomen van achteruitgang
van de conditie en dien ten gevolge verliezen die worden veroorzaakt door apparatuur of systeem
gerelateerde problemen (risico management). De visie van de onderhoudsorganisatie in een high
performance organisatie is het bereiken en voortzetten / borgen van:
 Betrouwbaarheid van de functionaliteit;

Effectiviteit (“de juiste dingen doen” en “de dingen goed doen”) en efficiëntie (effectief tegen de
laagste kosten);
o
o
Optimale beschikbaarheid;
Optimale conditie van de bedrijfstoestand;
o
Effectief gebruik van de onderhoudsmiddelen;
o
o
Optimale bedrijfseconomische en technische apparatuur levensduur;
Minimale voorraad reservedelen;
o
o
Competentie om snel te kunnen reageren;
Transparantie;
o
Continu verbeteren.
Om de bovenstaande waarden te meten en te monitoren worden conform de SMART methodiek
(S)pecifieke, (M)eetbare, (A)cceptabele, (R)ealistische en (T)ijdgebonden Kritische Prestatie
Indicatoren (KPI’s) ontwikkeld.
Het ultieme doel is portfolio management waarbij het totaal van alle assets, uitgezet in de tijd,
bewaakt en beheerd worden. Vervanging en revisie kunnen dan worden gemanaged. Hiermee
wordt validatie van het beheerssysteem bereikt.
- 51 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Groei binnen de afvalwaterketen
In het beheer van de afvalwaterketen is het zuiveringsbeheer een belangrijk onderdeel. Het
Bestuursakkoord Water vermeldt de doelstellingen om de efficiëntie en de kwaliteit van het
gemeenschappelijke beheer van de (afval)waterketen te verbeteren en de kwetsbaarheid te
verminderen. Basis voor het bereiken van deze doelstellingen is een krachtige samenwerking
tussen gemeenten, drinkwaterbedrijven en waterschappen. In de samenwerking staat centraal de
juiste afweging van zowel investerings- als uitvoeringsbeslissingen, waarbij zowel verhoging van
de duurzaamheid als verhoging van de kosteneffectiviteit de uitdaging is. Middels het optimaliseren
van kosten, prestaties en middelen streeft het WBL ernaar het transportstelsel naar een niveau te
brengen dat voldoet aan deze doelstellingen. Door het tonen van deze expertise laat WBL zien een
interessante samenwerkingspartner te zijn in de afvalwaterketen voor gemeenten. Eind 2012 is in
opdracht van de waterschappen een business case uitgevoerd. De resultaten van de business
case bevestigen dat WBL financieel en kwalitatief een interessante samenwerkingspartner is.
Binnen de planperiode zou een verdere omzetgroei mogelijk zijn door uitbreiding van
samenwerkingsovereenkomsten met gemeenten. De acquisitie ter realisatie van een verdere
toename van het aantal gemeenten waarvoor beheer en onderhoud van gemeentelijke gemalen
wordt verzorgd, behoort volgens afspraak tot de verantwoordelijkheid van de accountmanagers
van de waterschappen.
Gemeenten / IBA’s
De unit Onderhoud zich blijven inzetten om de IBA’s nog optimaler te laten functioneren. Vanaf
2014 zullen conform DB-besluit van 20-03-2013 alle overeenkomsten opgezegd worden met de
mogelijkheid voor elke gemeente een LGR inclusief uitvoeringsovereenkomst aan te gaan met
WBL voor het beheer en onderhoud aan IBA-systemen. In de meerjarenraming is geen rekening
gehouden met het overeenkomen van een LGR’s en uitvoeringsovereenkomsten.
3.4.2
Wat gaan we doen
Ontwikkelen en implementeren onderhoudsbeleid
Middels het vaststellen en ten uitvoer brengen van het onderhoudsbeleid wordt de integriteit en
betrouwbaarheid van de installaties gewaarborgd. Beleid en meer specifiek het onderhoudsbeleid
zal gericht zijn op het voortdurend maken van afwegingen tussen optimaal gebruik van de
technische bedrijfsmiddelen en het noodzakelijk uit te voeren onderhoud aan deze
bedrijfsmiddelen. Hierdoor verkeert de organisatie in een constante status van effectiviteit (de juiste
dingen doen en de dingen tijdig en goed doen) en efficiëntie (effectief tegen de laagste kosten).
Voor het goed, efficiënt en verantwoord uitvoeren wordt vastgesteld welke analysemethoden en
strategie worden toegepast. Het bewaken en controleren van de meetwaarden gebeurt aan de
hand van een set KPI’s waarvan de waarden en toleranties op managementniveau formeel zijn
vastgesteld. De gerealiseerde waarden worden met vooraf vastgestelde intervallen getoetst en
geëvalueerd.
Het ontwikkelen en inzetten van periodiek onderhoud met vaste frequentie naar onderhoud op
basis van faalmechanismen en conditie van de installatieonderdelen wordt geïmplementeerd. Het
inspectie- en onderhoudprogramma (MAXIMO) wordt afgestemd op de resultaten van de verplicht
of gepland uitgevoerde analyses. Dit leidt tot termijnverlenging of flexibilisering van inspectie- en
onderhoudsprogramma's.
- 52 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Het inspectie- en onderhoudsprogramma MAXIMO wordt zodanig ingericht dat de installatie en
installatieonderdelen te allen tijde in een optimale conditie verkeren. Indien de installatie en
installatieonderdelen niet meer voldoen aan de gestelde specificaties worden deze vervangen c.q.
vernieuwd. Hiermee wordt de technische restlevensduur geborgd. Onderzoek naar de
restlevensduur vindt plaats vanuit een technische en een economische invalshoek (LCC en TCO).
Vaststellen van het verbeterpotentieel
De effectiviteit, efficiency en kostenvoorspelbaarheid van de assets van het WBL bevat
verbeterpotentieel. Het is noodzakelijk dat de verbetermogelijkheden worden gedefinieerd in een
verbeterplan.
Een analyse van de huidige Asset Management status, haar doelstellingen, het gevoerde beleid,
de gebruikte processen en concepten zal worden uitgevoerd. In deze analyse zullen tevens de
minder concreet benoembare componenten van de organisatie, zoals taak- en vakvolwassenheid,
eigenaarschap en verantwoordelijkheid van de medewerkers, uitdrukkelijk meegenomen worden.
Deze componenten zijn een belangrijke kritische succesfactor om te komen tot de gewenste
verbeteringen.
De WBL organisatie zal door middel van een Asset Management scan worden geanalyseerd en
beoordeeld. Deze Asset Management scan zal de “nul” situatie (IST) objectief vastleggen. De
uitkomst van de scan geeft een goed overzicht en inzicht in het verbeterpotentieel. Het
verbeterpotentieel zal inzichtelijk worden gemaakt in een verbeterplan, waarin prioriteiten volgens
een duidelijke tijdslijn worden weergegeven.
Binnen de unit lopen onderzoeken naar de inzet van bedrijfsauto’s en het al of niet uitbesteden van
bepaalde onderhoudswerkzaamheden. De verwachting is dat de resultaten leiden tot een
kostenverlaging en een kostenverhoging. Het is nog te vroeg om een range aan te geven voor de
verwachte besparingen en formatie aanpassingen.
Slibdroger
Per 1 juli 2018 wordt geen slib meer gedroogd in Susteren. Het Onderhoudsprogramma voor de
droger wordt afgestemd op sluiting per bovengenoemde datum.
Gemeenten / IBA’s
Aansluitend op een eind 2012, samen met de drie gemeenten met het grootste aantal IBA’s,
uitgevoerde business case zullen er desgewenst voorstellen gedaan worden ten behoeve van het
beheer en onderhoud aan IBA’s voor de komende jaren middels het overeenkomen van een LGR
inclusief uitvoeringsovereenkomst. Hierbij is het uitgangspunt dat dit voor WBL kostenneutraal kan
worden uitgevoerd.
3.4.3
Wat gaat het kosten
Netto Kosten
De ontwikkeling van de netto kosten wordt enerzijds vergeleken met de begroting van het
voorafgaande jaar en anderzijds wordt gekeken naar de ontwikkeling in de planperiode:
- Ten opzichte van de begroting 2013 stijgen de netto kosten in 2014 met € 0,7 mln als een
saldo van enerzijds hogere kosten ad € 0,4 mln met name door de BTW-verhoging van 19%
naar 21% en de reguliere inflatie, anderzijds lagere baten ad € 0,3 mln door het niet
kostendekkend kunnen doorberekenen van de onderhoudskosten IBA’s.
- In de planperiode stijgen de netto kosten van de unit Onderhoud van € 9,4 mln in 2013 naar
€ 10,3 mln in 2018 (een stijging van 9,5%). Deze stijging is 1% lager dan de stijging
overeenkomend met inflatiecorrectie.
- 53 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
-
De LGR met de gemeente Valkenburg is in deze ontwikkeling netto kosten neutraal verwerkt.
Het niveau van de netto kosten is ten opzichte van de vorige MJR verlaagd, met name ten gevolge
van de verlaagde ramingen voor onderhoudswerkzaamheden.
De ontwikkeling van de netto kosten gedurende de planperiode vertoond een vergelijkbaar verloop
als bij de vorige MJR. Onderstaand worden per relevante activiteit de verschillen met de vorige
meerjarenraming toegelicht.
Reinigen zuiveringstechnische werken
De post reinigen zuiveringstechnische werken “onderhoud rwzi” neemt ten opzichte van de vorige
meerjarenraming met gemiddeld € 25.000,- per jaar af. Planmatige uitvoering van het Periodiek
Onderhoud en een juiste afstemming van het naar Operations overgehevelde takenpakket
reinigen, maken dit mogelijk.
CB onderhoud gebouwen/terreinen
Naar aanleiding van een geactualiseerd meerjaren onderhoudsprogramma vertoont de begroting
onderhoud gebouwen/terreinen ten opzichte van de vorige MJR meer fluctuaties over de jaren
binnen de planperiode. In totaliteit gerekend over de vijfjarige planperiode is het bedrag verlaagd
met totaal € 100.000,-.
Onderhoud terreinen/groenvoorziening
De ramingen voor dit onderhoud komen overeen met die in de vorige meerjarenraming. De
jaarlijkse stijging met ca. € 10.000 gemiddeld is het gevolg van het hogere BTW-percentage.
Onderhoud leidingen
Naar aanleiding van een geactualiseerd meerjaren onderhoudsprogramma “onderhoud
transportstelsel” is het begrote bedrag gerekend over de vijfjarige planperiode ten opzichte van de
vorige MJR verlaagd met totaal € 150.000,-.
E/M Onderhoud:
Met het oog op de geplande sluiting van de droger te Susteren medio 2018 wordt in de
onderhavige meerjarenbegroting over de vijfjarige planperiode € 700.000 minder geraamd voor
elektromechanisch onderhoud aan de droger.
Doordat daarnaast sprake is van kostenstijging door inflatie daalt de totale begroting voor
elektromechanisch onderhoud in de vijfjarige planperiode met € 350.000.
Externe adviezen en onderzoek
Ten behoeve van kosten verbonden aan advies en onderzoek wordt in deze MJR een jaarlijks
bedrag begroot van € 50.000. In de vijfjarige planperiode derhalve een verhoging met € 250.000,-.
Baten
De door unit Onderhoud te genereren baten betreffen de vergoedingen voor het beheer en
onderhoud van:
- gemeentelijke gemalen, bergbezinkbassins, overstorttellers en/of regenmeters;
- gemalen en kunstwerken van Waterschap Peel en Maasvallei en
- IBA’s.
De verwachte baten in verband met het doorbelasten van alle kosten met betrekking tot beheer en
onderhoud aan IBA-systemen zijn uit de meerjarenraming gehaald, omdat gemeenten aangegeven
hebben niet bereid te zijn deze kosten te betalen.
De verwachte jaarlijkse opbrengst na correctie bedraagt ca. € 700.000,-
- 54 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Personeel / Formatie
Bij een gelijkblijvende formatie nemen de personeelslasten toe met het effect van de CAOafspraken 2013 (gemiddeld € 75.000 per jaar). Het opzeggen van de overeenkomsten met
gemeenten in verband met beheer en onderhoud aan IBA-systemen leidt tot een vermindering van
0,2 fte in 2014 ten opzichte van 2013 oplopend tot 1 fte per 2016. Als gevolg van het aangaan van
een LGR met gemeente Valkenburg voor beheer en onderhoud van gemalen is er een toename
met 0,7 fte in 2014 ten opzichte van 2013. Het sluiten van de slibdroger Susteren leidt tot een
structurele verlaging van de formatie met 0,5 fte per 2019.
Er is in deze MJR geen rekening gehouden met een stijging van fte in verband met het aangaan
van nieuwe LGR’s en uitvoeringsovereenkomsten met gemeenten voor het beheer en onderhoud
aan IBA-systemen.
Flexibiliteit met betrekking tot formatiebewegingen wordt in stand gehouden door het niet
structureel invullen van een deel van de formatieruimte binnen de bestaande toegestane formatie.
3.4.4
Risico’s
Er wordt gewerkt met een budgetgestuurde exploitatiebegroting. Binnen de waterschapswereld zijn
we gebonden aan de hiervoor geldende inkoop- en aanbestedingswetgeving en het hiernaar
vertaalde inkoop en aanbestedingsbeleid. Teneinde rechtmatig te kunnen inkopen, zijn veel
opdrachten aanbestedingsplichtig. Komende periode lopen een aantal contracten af, die opnieuw
aanbesteed moeten worden. Onzekerheid over de kosten ten gevolge van deze nieuwe
aanbestedingen zijn niet opgenomen in de MJR 2014-2018. Vanwege het voldoen aan
rechtmatigheid zal een steeds groter deel van het exploitatiebudget weggeschreven worden naar
deze contracten. Het “variabel te besteden deel” van de exploitatie, zal naar verhouding steeds
kleiner worden. De begroting zal in de komende jaren steeds nauwkeuriger ingevuld kunnen
worden, waardoor het inzicht in onderhoud naar behoefte groter wordt en de afweging tussen
budgetgestuurde en behoeftegestuurde begroting aan de orde zal komen.
- 55 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.5
Human Resource Management, Facilitair, Bestuurs- en Juridische ondersteuning
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
HRM
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
Toevoegingen aan voorzieningen
Totaal toevoegingen aan voorzieningen
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde personele lasten
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
605
142
565
99
1.411
38
119
202
23
70
5
468
763
1.688
714
160
553
50
143
1.620
37
187
209
22
79
33
582
332
1.481
97
31
14
-45
-23
75
31
17
9
14
2
1
21
-153
-59
811
191
567
5
120
1.695
68
204
218
36
81
34
603
179
1.422
825
197
578
5
122
1.728
69
208
217
36
82
34
615
182
1.445
860
203
590
5
125
1.783
71
212
213
36
84
35
628
186
1.465
922
209
601
5
127
1.865
72
217
217
36
86
36
640
190
1.493
946
215
613
6
130
1.911
74
221
220
36
87
36
653
194
1.521
77
77
3.175
78
78
3.179
2
2
18
80
80
3.197
81
81
3.253
83
83
3.331
84
84
3.442
86
86
3.518
1
521
455
40
495
505
515
525
535
523
455
40
495
505
515
525
535
2.652
2.724
-22
2.702
2.749
2.816
2.917
2.982
14,9
11,5
14,9
-0,9
14,0
14,0
14,0
14,0
14,0
- 56 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.5.1
Wat willen we bereiken
Doelstelling
Evenals voorgaande jaren blijft de oriëntatie van de unit HRM in zijn geheel gericht op
ondersteuning van mensen en bedrijfsprocessen met de focus op strategische en operationele
aspecten waardoor waarde wordt toegevoegd. Zorgen voor perspectief, motivatie, gedrevenheid
en ‘zin hebben in morgen’ blijven belangrijke uitdagingen in deze dynamische perioden.
Waar staan we nu
In 2011 is – met inachtneming van het rapport van Berenschot – de focus gelegd op een verdere
fine tuning van interne processen waardoor vraag en aanbod van de dienstverlening naar de
operationele units nog beter op elkaar aansluiten. Een verdere optimalisatieslag van de back office
van unit HRM heeft plaatsgevonden door middel van implementatie van YOUPP (digitalisering
verlofadministratie en declaratieproces). De vergrijzing van de organisatie en de technologische
ontwikkeling is vanuit een optiek van (strategische) personeelsontwikkeling een toenemend
aandachtspunt om de kwaliteit van dienstverlening ook de komende jaren te kunnen waarborgen
op het niveau van een High Performance organisatie (HPO-organisatie).
Waar willen we naar toe
De ontwikkeling van de organisatie tot een HPO-organisatie staat de komende jaren centraal. De
ondersteuning en facilitering van HRM is hierop gericht, waaronder begrepen de ontwikkeling van
een HRM managementdashboard (HR Metrics) waarin de HR performance van de organisatie
(-onderdelen) is weergegeven. In maart 2013 is een rapport strategische personeelsplanning
genaamd ’Het waterschapsbedrijf Limburg: stabiel en dynamisch, tussen planbaarheid en
wendbaarheid’ in samenwerking met Berenschot en het Managementteam opgesteld. Als
belangrijk onderdeel van het traject rondom planbaar en wendbaar organiseren is de HR functie
meetbaar gemaakt met als doel inzicht en sturingsinstrumenten te geven aan het management van
het WBL.
Het streven van de unit HRM is gericht op verdergaande verlaging van de kosten, dat is gebaseerd
op het gedachtegoed van Lean Six Sigma. Werken vanuit een kernformatie met behoud van
kwaliteit van dienstverlening staat daarbij centraal.
3.5.2
Wat gaan we doen
De aard van de verrichte activiteiten is zodanig dat er geen significant verschil bestaat tussen de
activiteiten in de periode van de meerjarenraming versus de activiteiten volgens de Begroting
2014 respectievelijk het jaar 2013.
Personeelszaken (HRM)
Verdere digitalisering van de HRM back-office waardoor relevante informatie voor management en
medewerk(st)ers eenvoudig toegankelijk is en HRM-processen verder worden gestroomlijnd.
Aandacht voor perspectief, motivatie, gedrevenheid en ‘zin hebben in morgen’ zal in toenemende
mate op individueel niveau (Persoonlijk OntwikkelingsPerspectief; POP) het onderwerp van
gesprek zijn tussen manager en medewerker en speerpunt voor het management en HRM. Vanuit
het groeien naar Pure Klasse zullen twee speerpunten in het POP gesprek centraal staan, nl
performance en ontwikkeling.
- 57 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Talentmanagement is het antwoord op de mogelijke dreiging van leegloop van sleutelfuncties
zodra de economie verder aantrekt waardoor continuïteit in bedrijfsvoering wordt gewaarborgd.
Ook in 2014 zullen wij onze expertise en kwantiteit met name vrijmaken voor ondersteuning op
deze items. In samenspraak met de afzonderlijke units zal op basis van het opgestelde
strategische personeelsbeleid en de daarmee samenhangende speerpunten de agenda´s worden
bepaald.
Facilitaire Zaken
Good hostmanship leidt tot tevreden klanten die graag inspelen op duurzame samenwerking.
Gebouw en bedrijfsvoering zijn hierin bepalend. De groeiscenario’s van de in- en externe “klanten”
die wij huisvesten vragen permanente afstemming en een goed relatiebeheer. Daarnaast vindt er
een onderzoek plaats om steeds meer werkzaamheden (met een facilitair karakter) van de
operationele units over te dragen aan de unit HRM, waardoor deze operationele units nog meer de
focus kunnen leggen op de core business.
Externe communicatie
Op 11 juni 2012 is door het Dagelijks Bestuur ingestemd met het opstellen van een extern
communicatieplan door het WBL dat passend is binnen de externe communicatie van WRO, WPM
en WBL. Op 27 juni 2012 is het Algemeen Bestuur hierover geïnformeerd en is de betreffende
mededeling voor kennisgeving aangenomen. Inmiddels is de innovatiesalon georganiseerd en is
het wenselijk om een communicatieplan MDR uit te werken. Ter verdere uitwerking van het
externe communicatiebeleid is het noodzakelijk dat binnen de beschikbare vacatureruimte van de
unit HRM in totaal 0,5 fte wordt aangewend voor het aantrekken van een communicatie adviseur.
3.5.3
Wat gaat het kosten
Netto kosten
De ontwikkeling van de netto kosten wordt enerzijds vergeleken met de begroting van het
voorafgaande jaar en anderzijds wordt gekeken naar de ontwikkeling in de planperiode:
Ten opzichte van de begroting 2013 dalen de netto kosten in 2014 met € 22.000 als een saldo
-
van verlaging van de formatie met 0,85 fte en een centralisatie van budgetten bij HRM.
In de planperiode stijgen de netto kosten van HRM van € 2,7 mln in 2013 naar € 3,0 mln in
2018 (een stijging van 11,7%).
Voor de begroting 2014 is rekening gehouden met de opbrengst van verhuur van kantoorruimte
aan externe partijen. De huuropbrengst bedraagt in 2014 naar verwachting in totaal € 0,5 mln.
In verband met reorganisatie bij de Provincie Limburg dient rekening te worden gehouden met
beëindiging van het huurcontract per 1-1-2014. Daarnaast huurt het bedrijf Midex vanaf 1-7-2012
minder kantoorruimte. Daarentegen huurt BsGW vanaf 1 april 2012 meer kantoorruimte binnen het
WBL kantoor. Ingeval van verdere uitbreiding van de formatie van BsGW per 1-1-2014 zal BsGW
nog meer kantoorruimte willen gaan huren.
Naar verwachting zal dit ertoe leiden dat per saldo de post baten HRM in 2014 ten opzichte van
2013 gelijk blijft.
Personeel / Formatie
Binnen de unit HRM is momenteel sprake van een vacatureruimte van 3,35 fte. De bestaande
vacature van HR adviseur (1 fte) wordt nu op detacheringsbasis ingevuld en zal per 1 januari 2014
structureel worden ingevuld. Vanwege toename van werkzaamheden op het gebied van
- 58 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
communicatie en facilitaire dienstverlening (centralisering van aktiviteiten) zal binnen de
beschikbare vacatureruimte de formatie voor het taakveld communicatie met 0,5 fte worden
uitgebreid en het taakveld facilitair met 1 fte. De resterende beschikbare vacatureruimte ter grootte
van 0,85 fte vervalt per 1 januari 2014.
De totale formatiecapaciteit van de unit HRM wordt daardoor met ingang van 1 januari 2014
structureel verlaagd van 14,85 fte naar 14 fte.
3.5.4
Risico’s
De begroting 2014 omvat enkele kleine potentiële risico’s, waardoor de kosten enigszins kunnen
toenemen. Een mogelijke kostentoename zal binnen het budget van de unit HRM worden
opgevangen.
- 59 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.6
Financiën, Planning, Concerncontrol
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde personele lasten
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
854
200
3
17
833
208
2
28
236
63
2
-3
1.069
271
4
26
1.101
279
4
26
952
242
4
27
962
245
4
27
990
252
4
28
1.075
7
1.071
20
11
298
-5
2
1.369
15
13
1.409
16
13
1.225
16
11
1.238
16
10
1.275
17
11
1
1
0
1
1
1
1
1
156
164
180
212
60
57
240
269
245
274
201
228
195
222
199
227
1.239
1.283
355
1.638
1.683
1.453
1.461
1.501
21
19
-19
6
27
19
-19
1.212
1.264
374
1.638
1.683
1.453
1.461
1.501
13,4
13,8
12,4
2,0
14,4
14,4
12,4
12,4
12,4
- 60 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.6.1
Wat willen we bereiken
De unit Financiën, Planning, Concerncontrol (FPC) wil als kwalitatief hoogwaardige unit de
opgedragen taken zo efficiënt en effectief mogelijk uitvoeren en het bestuur, management en de
organisatie optimaal ondersteunen bij de beheersing van bedrijfsvoeringprocessen.
Het takenpakket van de unit bestaat uit:
 Het ontwikkelen van financieel beleid en het opstellen van meerjarenraming en begroting.
 Het inrichten en voeren van de financiële administratie en het opstellen van de jaarrekening.
 Het ontwikkelen van inkoop- en aanbestedingsbeleid en het procedureel faciliteren van de
praktische uitvoerbaarheid middels een handboek inkoop- en aanbesteding.
 Het opstellen van management- en bestuursrapportages; opstellen van bedrijfsvergelijkingen.
 Het doorvoeren van concerncontrol / audits op concernniveau, waarmee getoetst wordt of de
uitvoering in de praktijk overeenstemt met het daarvoor geformuleerde beleid en procedures,
incl. het aanreiken van eventuele verbetermogelijkheden.
 Het ontwikkelen van beleid voor KAM (kwaliteit arbeid milieu), het opzetten van KAMprocedures en het ondersteunen van trajecten tot certificering van bedrijfsactiviteiten.
 Het ontwikkelen en implementeren van instrumenten om te komen tot een High Performance
Organisatie (best presterend in de branche). De vijf pijlers hiervoor zijn: Kwaliteit management,
Kwaliteit medewerkers, Open en actiegericht, Lange termijn denken, Continue verbeteren.
Optimalisatie, professionalisering, betrouwbaarheid en innovatief denken zijn daarbij
sleutelbegrippen.
Waar staan we nu
Als gevolg van de per 2011 doorgevoerde organisatie wijziging gerelateerd aan de afsplitsing van
de BsGW, is het takenpakket van de unit uitgebreid.
Begin 2013 is de balans opgemaakt van de ontwikkelingen en de ervaringen tot dusver, met de
volgende bevindingen:
- de omvorming per 2011 van het WBL tot een organisatie die louter is gericht op de wettelijke
taak Zuiveringsbeheer, heeft aan FPC een sterke impuls gegeven tot verdere
professionalisering;
- het toevoegen van andere disciplines (Inkoop, KAM, kwaliteit en organisatie, HPO) heeft
geleidt tot een positieve wisselwerking met de traditionele P&C-taken;
- werkzaamheden in het kader van projectbeheer die in 2009 deels verschoven zijn naar
financieel beleid, zijn in 2012 weer teruggeschoven naar financieel beheer;
- met betrekking tot de nieuwe disciplines is en wordt meer aandacht besteed aan het opzetten
van procedures en het naleven daarvan; eerst bij inkoop en aanbesteding en nu ook bij KAM;
- middels opleidingen, cursussen en middels discussie binnen de unit en aansturing vanuit het
MT wordt gewerkt aan verdere professionalisering.
Waar willen we naar toe
De organisatie is voortdurend in beweging en oriënteert zich steeds opnieuw met betrekking tot
haar eigen positie in relatie tot de veranderende omgeving. Dit vereist een hoge mate van
professionaliteit en flexibiliteit van de unit FPC. De unit FPC wil hieraan invulling geven door:
 aandacht voor en versterken van de professionaliteit van de unit;
 versterken van de rol als onafhankelijke sparringpartner voor de units;
 verbetering van de toegankelijkheid (verzamelen+structureren+aanbieden) en daardoor van
het gebruik van informatie zoals regelgeving, procedures, rapportages, verantwoordingen;
 de uitbouw van de functie concerncontrol waarbij middels audits een vinger aan de pols wordt
gehouden en samen met de geauditeerden verbeterideeën worden geïnitieerd;
- 61 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014

3.6.2
voortdurend streven naar optimalisatie van de verhouding tussen rechtmatigheid en
doelmatigheid ten aanzien van de ontwikkelde procedures
Wat gaan we doen
Het streven naar verbetering van de kwaliteit van de medewerkers wordt ondersteund door een
daarop gericht opleidingsprogramma.
De op organisatieniveau vastgestelde administratief organisatorische procedures worden periodiek
geëvalueerd, ondersteund door daartoe uitgevoerde audits.
In 2012 is door een extern bureau op basis van een vergelijkende meting de inkoopfunctie bij WBL
gepositioneerd ten opzichte van andere organisaties. Deze meting wordt aangevuld met een
diepgaander onderzoek naar de wijze waarop de functie inkoop en aanbesteding bij het WBL in
vergelijking met anderen is georganiseerd. Dit onderzoek vormt de basis voor een volgende stap
op weg naar verbetering van professioneel inkopen.
3.6.3
Wat gaat het kosten
Netto kosten
De ontwikkeling van de netto kosten wordt enerzijds vergeleken met de begroting van het
voorafgaande jaar en anderzijds wordt gekeken naar de ontwikkeling in de planperiode:
 ten opzichte van de begroting 2013 stijgen de netto kosten met € 0,4 mln. Deze toename is
enerzijds het effect van inflatie en CAO-akkoord 2013 en anderzijds gerelateerd aan een
toename van de formatie met 2 fte (tijdelijk overgeheveld vanuit de unit Operations tot 2016);
 in de planperiode stijgen de netto kosten van FPC van € 1,3 mln in 2013 naar € 1,5 mln in
2018 (een stijging met 18,8%). De stijging van de netto kosten komt daarmee overeen met de
jaarlijkse inflatiecorrectie.
Personeel / Formatie
Als gevolg van interne formatief neutrale verschuivingen is de unit voor een periode van drie
uitgebreid met 2 fte, bestaande uit de functies programmamanager duurzaam verbeteren en de
functie programmamanager MDR/afvalwaterketen. Per 2016 gaan 2 fte weer terug naar de unit
Operations.
De formatie van de unit komt daarmee op 14,4 fte en is daarmee – tot het jaar 2016 - 2 fte hoger
dan in de vorige MJR.
- 62 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.7
Kapitaallasten
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Kapitaallasten
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Getransporteerd afvalwater
Rentelasten
Afschrijving
Gezuiverd afvalwater
Rentelasten
Afschrijving
Verwerkt slib
Rentelasten
Afschrijving
Financ.beleid, financ.administratie
Rentelasten
Afschrijving
Human Resource Management
Rentelasten
Afschrijving
Huisvesting + Interne faciliteiten
Rentelasten
Afschrijving
Automatisering
Rentelasten
Afschrijving
Kwaliteit-Arbo-Milieuzorg
Rentelasten
Afschrijving
Overig ondersteunend
Rentelasten
Bouwrente
Afschrijving
totaal rentelasten
totaal afschrijvingen
TOTAAL LASTEN
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Geactiveerde lasten: bouwrente
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
2.048
5.452
1.982
5.366
36
238
2.018
5.604
2.092
6.318
2.263
5.262
2.405
5.391
2.709
5.376
5.322
12.693
5.198
11.857
-64
528
5.134
12.385
5.582
13.510
5.572
13.148
5.441
12.926
5.548
13.574
921
2.814
910
3.147
-91
336
819
3.483
782
2.949
717
3.065
638
3.097
599
2.169
1
18
2
18
2
18
1
18
0
18
2
3
22
3
22
2
22
1
22
0
22
301
853
276
830
-21
-35
255
795
237
782
206
780
177
769
157
586
44
399
111
496
-42
-157
69
339
148
1.356
110
1.153
60
1.067
30
400
14
396
37
9.054
22.474
31.528
8
350
73
8.835
21.769
30.604
-8
350
350
350
350
-54
-185
897
712
0
350
19
8.650
22.666
31.316
9.193
24.955
34.148
9.220
23.448
32.668
9.072
23.271
32.343
9.393
22.105
31.497
128
78
2
80
80
80
80
80
396
524
350
428
2
350
430
350
430
350
430
350
430
350
430
31.004
30.176
710
30.886
33.718
32.238
31.913
31.067
4
209
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
- 63 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Vergelijking ontwikkeling kapitaallasten met ontwikkeling volgens vorige MJR
Ten opzichte van de vorige Meerjarenraming (zie onderstaande grafiek) zijn de kapitaallasten
lager; de aanpassingen in de investeringsplannen, waarbij wordt afgezien van de voorgenomen
clustering van rwzi’s Simpelveld en Wijlre, leiden in totaal tot € 10 mln (5,8%) lagere netto
kapitaallasten ten opzichte van de vorige MJR; dit geldt met name voor de rentelasten. Het
investeringsniveau bedraagt in de MJR 2014-2018 gemiddeld per jaar € 25 mln.
Verklaring voor de lagere rentelasten is dat door de verlaging van het investeringsvolume ten
opzichte van vorige MJR de rentelasten afnemen met gemiddeld € 1 mln per jaar.
De afschrijvingskosten zijn ten opzichte van de vorige meerjarenraming slechts marginaal
gewijzigd. Dit wordt veroorzaakt doordat aan de investeringen voor het langer in bedrijf houden van
de installaties een kortere afschrijvingsduur is gekoppeld dan bij vervanging en nieuwbouw.
Ten opzichte van begrotingsjaar 2013 stijgen de kapitaallasten in het jaar 2014 met € 2,7 mln als
een saldo van:
- lagere rentelasten ad € 0,2 mln
De lagere rentelasten zijn daarbij een gevolg van de lagere realisatie aan investeringsuitgaven
in 2012 dan gepland en de verlaagde planning van de investeringsuitgaven in 2013 en 2014
(totaal verlaagd over deze 2 jaren: € 14 mln). Dit door het afzien van de voorgenomen
clustering van de rwzi’s Wijlre en Simpelveld.
- hogere afschrijvingen ad € 2,9 mln.
Dat de afschrijvingskosten toenemen bij een ten opzichte van de vorige MJR verlaagde
raming van het investeringsniveau, is te verklaren uit het feit dat het moment van realisatie
van grote investeringen nu eerder ligt dan in vorige MJR. Daarom treden in 2014 al
kapitaallasten op die de vorige MJR pas in 2015 optraden. Oorzaak hiervan is de realisatie als
MDR-concept van middentrein Simpelveld en voortrein Roermond welke is gepland eind
2013/begin 2014, terwijl de in de vorige MJR geplande clustering van Simpelveld en Wijlre pas
voor eind 2014 was voorzien. In de huidige MJR is deze clustering komen te vervallen.
In onderstaande grafiek wordt de ontwikkeling volgens de huidige MJR vergeleken met de
ontwikkeling volgens de vorige MJR. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling van de kapitaallasten is
gedaald ten opzichte van de vorige MJR.
MJR 2013-2017-2022
MJR 2014-2018-2023
40.000
35.000
30.000
25.000
20.000
15.000
10.000
5.000
0
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023
- 64 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Ontwikkeling kapitaallasten binnen de planperiode 2014-2018-2023
De kapitaallasten worden bepaald door twee zaken:
 de investeringen in het verleden en de daaraan verbonden vrijval van kapitaallasten;
 de nieuwe investeringen zoals geraamd voor de jaren van de planperiode.
De kapitaallasten volgend uit de investeringen uit het verleden zijn nauwelijks te beïnvloeden.
De ontwikkeling van de kapitaallasten naar deze twee invalshoeken is onderstaand weergegeven:
Meerjarige ontwikkeling kapitaallasten
Jrek
2011
Jrek
2012
Begroot
2013
Begroot
2014
Begroot
2015
Begroot
2016
Begroot
2017
Begroot
2018
kapitaallasten investeringen t/m 2011
vrijval kapitaallasten 2012-2018 (cumulatief)
subtotaal
33.138
33.138
-1.610
31.528
33.138
-2.534
30.604
33.138
-5.522
27.616
33.138
-6.447
26.691
33.138
-9.170
23.968
33.138
-11.337
21.801
33.138
-13.684
19.454
3.700
7.457
8.700
10.542
12.043
31.316
-1.822
34.148
1.010
32.668
-470
32.343
-795
31.497
-1.641
33.138
kapitaallasten nieuwe investeringen 2014-2018
Totaal kapitaallasten 2011-2018
mutatie t.o.v. 2011
33.138
31.528
-1.610
30.604
-2.534
De ontwikkeling van de kapitaallasten is daarnaast in het perspectief geplaatst van een
planperiode van 10 jaar, hetgeen onderstaand grafisch is weergegeven.
netto rentelasten
afschrijvingen
netto kapitaallasten
40.000
35.000
30.000
25.000
20.000
15.000
10.000
5.000
0
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023
Uit bovenstaande grafiek blijkt dat de ontwikkeling van de kapitaallasten zich stabiliseert.
Onderstaand volgt een toelichting op de ontwikkeling van de kapitaallasten per activiteit.
Getransporteerd afvalwater
 Investeringen:
o in het MIP 2014-2018 zijn € 39 mln aan investeringen gepland voor deze activiteit (o.a.
aanpassen afstroomgebied Maasbracht en Stein, transportleiding Heerlen-Hoensbroek,
transportsysteem westelijke mijnstreek).
 Kapitaallasten:
o de kapitaallasten stijgen van 2013 naar 2014 met € 0,3 mln tot € 7,6 mln en van 2014 naar
2015 stijgen deze met € 0,8 mln (saldo van € 0,2 mln grotere vrijval dan kapitaallasten van
nieuwe investeringen, met € 1 mln afschrijving ineens door sloop rwzi Heerlen). In de
- 65 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
planperiode stijgen de kapitaallasten van € 7,3 mln in 2013 naar € 8,1 mln in 2018 als
gevolg van de kapitaallasten van de nieuwe investeringen.
Gezuiverd afvalwater
 Investeringen:
o in het MIP 2014-2018 zijn € 65,3 mln aan investeringen gepland voor deze activiteit (o.a.
MDR Simpelveld; clustering rwzi’s Heerlen-Hoensbroek incl. KRW; renovatie en KRW
rwzi’s Weert, Susteren, Roermond, Rimburg; procesautomatisering WAUTER,
nutriëntenterugwinning Venlo en Susteren, KRW-maatregelen Venray).
 Kapitaallasten:
o de kapitaallasten stijgen van 2013 naar 2014 met € 0,5 mln . In de planperiode stijgen de
kapitaallasten van € 17,1 mln in 2013 naar € 19,1 mln in 2018 doordat de kapitaallasten
van nieuwe investeringen groter zijn dan de vrijval van oude investeringen.
Verwerkt slib
 Investeringen:
o in het MIP 2014-2018 zijn € 6,3 mln aan investeringen gepland voor deze activiteit (o.a.
MDR slibindikking Rimburg/kaffeberg, revisie slibverwerking Bosscherveld, vernieuwen
slibontwatering Hoensbroek).
 Kapitaallasten:
o de kapitaallasten stijgen van 2013 naar 2014 met € 0,2 mln. In de planperiode dalen de
kapitaallasten van € 4,1 mln in 2013 naar € 2,8 mln in 2018.
Financieel beleid, financiële administratie
 Investeringen:
o in het MIP 2014-2018 zijn geen investeringen gepland voor deze activiteit.
 Kapitaallasten:
o de kapitaallasten dalen tot € 0,- in 2013 doordat het financiële pakket in 2011 volledig is
afgeschreven. Een vervanging van het financiële pakket in de planperiode is niet voorzien.
In 2012 is een upgrade voorzien op het bestaande pakket.
Huisvesting + interne faciliteiten:
 Investeringen:
o in het MIP 2014-2018 zijn voor de jaren 2014 en 2018 investeringen voor groot
onderhoud gepland van totaal € 0,9 mln.
 Kapitaallasten:
o de kapitaallasten dalen van € 1,1 mln in 2013 naar € 1,0 mln in 2014 . De daling van de
kapitaallasten is het gevolg van de reguliere afschrijvingen.
o in de planperiode dalen de kapitaallasten van € 1,1 mln. in 2013 naar € 0,7 mln in 2018. De
daling van de kapitaallasten is terug te voeren op de vermindering van de boekwaarde van
investeringen in het kantoorgebouw (omvorming van het laboratorium tot kantoorruimte,
aanleg koelplafonds, luchtbrug 2e etage).
Automatisering:
 Investeringen:
o in het MIP 2014-2018 is in het jaar 2014 € 2,0 mln. en in het jaar 2015 € 1,6 mln
opgenomen voor noodzakelijke vervanging van de volledige IT-infrastructuur. In 2013
wordt onderzocht in hoeverre de infrastructuur zoals deze nu is opgezet voldoende
toekomstvast is. Daarin wordt meegenomen de vraag zelf doen of uitbesteden;
- 66 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014

Kapitaallasten:
o de kapitaallasten dalen van € 0,6 mln in 2013 naar € 0,4 mln in 2014.
o In de planperiode stijgen de kapitaallasten van € 0,6 mln in 2013 naar € 1,5 mln. in 2015
om vervolgens te dalen tot € 0,4 mln in 2018.
o In 2014 is de volledige IT infrastructuur afgeschreven. Dat leidt tot een verlaging van de
kapitaallasten. De investeringen van € 2,0 mln in 2014 en € 1,6 mln in 2015 leiden tot
hogere kapitaalslasten in de jaren 2015 t/m 2018.
Kwaliteit, Arbeid en Milieuzorg
 Investeringen:
o in het bijgevoegde MIP 2014-2018 zijn geen investeringen gepland voor deze activiteit.
 Kapitaallasten:
o de kapitaallasten zijn vanaf 2013 € 0,-. doordat de eerder verrichte investeringen dan
volledig zijn afgeschreven.
- 67 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.8
Bestuur, Directie en Bovenformatief
3.8.1
Positionering
Het Dagelijks Bestuur van het WBL bestaat uit 6 onbezoldigde bestuursleden waarvan er 3 worden
afgevaardigd door het waterschap Roer en Overmaas en eveneens 3 worden afgevaardigd door
het waterschap Peel en Maasvallei.
Het Algemeen Bestuur bestaat uit de leden van het Dagelijks Bestuur aangevuld met 8 leden uit de
algemeen besturen van de waterschappen WRO en WPM (per waterschap 4 leden).
De Directeur van het Waterschapsbedrijf is belast met de dagelijkse aansturing.
3.8.2
Wat gaat het kosten
De uitgaven in het meerjarenperspectief en voor de Begroting 2014 voor Directie en Bestuur zijn
alleen gecorrigeerd voor de inflatie. Verder zijn er geen wijzigingen.
Directie
De post overige diensten door derden wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de personeelsvereniging,
de ondernemingsraad en de vereniging van oud-personeelsleden. Daarnaast is er extra ruimte in
deze post opgenomen om in crisissituaties slagvaardig zonder veel procedurele voorbereiding te
kunnen optreden.
Onvoorzien:
In de onderhavige MJR 2014-2018 en Begroting 2014 is het budget onvoorzien centraal geraamd
bij de directie en wordt bij de andere units geen budget onvoorzien geraamd.
De hoogte van de post onvoorzien is in de planperiode gesteld op het beleidsmatig uitgangspunt
van 0,4% van het begrotingstotaal, voor het jaar 2014 overeenkomend met € 282.000,-.
Bestuur
De uitgaven door het Bestuur behelzen drie posten:
 De uitgaven voor uitkeringen voor voormalige bestuursleden van het voormalige
Zuiveringschap Limburg die zijn begroot conform afspraken uit het verleden, huidige
bestuursleden krijgen geen vergoeding.
 Uitgaven voor overige gebruiksgoederen, dit is een soort verzamelpost voor vele kleine kosten
m.n. vergaderkosten, voorbereiding activiteiten, etc.
 Diensten door derden ten behoeve van, indien nodig, externe adviseurs.
- 68 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Directie
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Toevoegingen aan voorzieningen
Onvoorzien
Totaal toevoegingen aan voorzieningen
TOTAAL LASTEN
113
25
46
183
7
28
265
301
127
28
53
208
20
36
200
256
-1
1
5
5
1
2
15
18
126
29
58
213
21
38
215
274
130
29
59
218
21
39
220
280
133
30
61
224
22
39
224
285
137
31
62
230
22
40
229
291
141
32
63
237
23
41
233
297
484
282
282
746
23
282
282
769
287
287
785
289
289
798
292
292
813
292
292
825
NETTO KOSTEN
484
746
23
769
785
798
813
825
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
1,0
1,0
1,0
1,0
1,0
1,0
1,0
1,0
TOTAAL BATEN
Bestuur
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
TOTAAL LASTEN
26
26
31
31
26
26
57
57
59
59
61
61
62
62
64
64
4
4
3
31
34
1
-16
-15
4
15
19
4
16
20
4
16
20
4
16
21
4
17
21
89
89
119
65
12
77
79
81
83
85
119
65
12
77
79
81
83
85
TOTAAL BATEN
NETTO KOSTEN
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
- 69 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
3.8.3
Bovenformatief
3.8.3.1
Wat willen we bereiken
De organisatorische ontwikkelingen sedert de oprichting van het Waterschapsbedrijf hebben het
nut en de benodigde flexibiliteit aangetoond van een afzonderlijk budget voor bovenformatief.
Ook nu staat het WBL voor tal van uitdagingen met nog onbekende gevolgen voor de
organisatorische ontwikkelingen. In dat licht bezien is het wenselijk en realistisch om het budget
voor medewerkers met een, veelal tijdelijke, bovenformatieve status te handhaven.
3.8.3.2
Wat gaat het kosten
Overeenkomstig de vorige MJR wordt voor de planperiode een omvang van 3 fte geraamd. Gelet
op de nog te verwachten ontwikkelingen en het scherper gevoerde personeelsbeleid met
betrekking tot functioneringsdiscrepanties is het realistisch het budget voor medewerkers met een,
veelal tijdelijke, bovenformatieve status te handhaven.
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2014-2018 + Begroting 2014
Bovenformatief
Omschrijving
Rekening Begroot
2012
2013
mutatie
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Salarissen
Sociale lasten
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
TOTAAL LASTEN
BATEN
Personeelsbaten
TOTAAL BATEN
104
22
126
139
35
174
-9
2
-7
130
37
167
134
38
172
138
39
177
142
40
182
146
41
188
1
1
127
3
3
177
-1
-1
-8
2
2
169
2
2
174
2
2
179
2
2
184
2
2
190
-8
169
174
179
184
190
3,0
3,0
3,0
3,0
3,0
7
7
NETTO KOSTEN
120
177
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
waarvan structureel bezet per ultimo
3,0
2,0
3,0
- 70 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
- 71 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
4
Uitgaven Meerjarenraming naar BBP-opzet
4.1
MJR: Netto-kosten Exploitatie-uitgaven naar BBP-opzet
NETTO - KOSTEN Exploitatie-uitgaven
Begroting
MJR /
2013
Begroting
MJR
2015
MJR
2016
MJR
2017
MJR
2018
2014
(Bedragen * 1000 euro )
1
Planvorming
270
258
231
151
152
147
11
Eigen plannen
270
258
231
151
152
147
2
Zuiveringstechnische werken
65.235
67.497
70.721
71.240
71.877
71.867
21
Getransporteerd afvalw ater
12.640
12.356
13.256
12.584
12.958
13.338
22
Gezuiverd afvalw ater
35.741
37.523
39.939
40.772
40.806
41.562
23
Verw erkt slib
16.854
17.618
17.526
17.884
18.113
16.967
4
Beheersing van lozingen
75
83
82
84
84
82
41
WVO-vergunningen en meldingen
31
35
34
35
35
34
42
Handhaving WVO
0
0
0
43
Rioleringsplannen en subsidies lozingen
44
48
48
49
49
48
6
Bestuur en externe communicatie
578
495
507
513
518
522
61
Bestuur
578
495
507
513
518
522
62
Externe communicatie
0
0
0
0
0
0
81
Dekkingsmiddelen
282
282
287
289
292
292
8101
Onvoorzien
282
282
287
289
292
292
66.440
68.615
71.828
72.277
72.923
72.910
66.440
68.615
71.828
72.277
72.923
72.910
0
0
0
0
0
0
TOTAAL Netto - kosten
Bijdrage van de Waterschappen
Exploitatie-resultaat
- 72 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
4.2
MJR: Netto-uitgaven Investeringen naar BBP-opzet
NETTO - UITGAVEN Investeringen
MIP
MIP
MIP
MIP
MIP
MIP
TOTAAL
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2014
t/m 2018
(bedragen x 1.000 euro )
2
Zuiveringstechnische werken
21 Getransporteerd afvalwater
22 Gezuiverd afvalwater
- waarvan Procesautomatisering (Wauter)
2.411
6.880
7.780
9.819
7.034
6.551
38.065
17.916 15.095 11.205 11.745 14.075 14.916
67.036
2.675
975
350
0
0
0
1.325
1.908
820
1.820
780
1.391
707
5.518
Ondersteunend
535
2.334
1.643
156
0
326
4.459
Automatisering
435
2.000
1.600
0
0
0
3.600
Huisvesting + interne faciliteiten
100
334
43
156
0
326
859
23 Verwerkt slib
9
22.235 22.795 20.805 22.344 22.500 22.175 110.618
TOTAAL Netto - uitgaven
22.770 25.129 22.448 22.500 22.500 22.500 115.077
Bovenstaand overzicht is ontleend aan het parallel aan deze MJR opgestelde MIP 2014-2018.
Het investeringsprogramma is gebaseerd op een uitgewerkte opstelling naar projecten. Deze
opstelling is indicatief in die zin dat wordt aangegeven welke projecten in welk jaar tot
investeringsuitgaven zullen leiden en tot welke geraamde bedragen. Deze opstelling laat onverlet
dat het jaarlijkse uitgavenniveau is gemaximeerd tot het bestuurlijk aangegeven maximum (zie ook
paragraaf 2.2.2.1).
Het voor het jaar 2014 geraamde uitgavenniveau op investeringsprojecten bedraagt € 25 mln.
- 73 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
5
De Begroting 2014 (naar kostendragers + naar kostensoorten)
5.1
De Begroting 2014 naar kostendragers
Onderstaand wordt een overzicht getoond van de bruto kosten en van de netto kosten naar
beleidsvelden en beleidsproducten. Hierbij is per regel aangegeven welk deel van de netto kosten
wordt toegerekend aan de kostendrager zuiveringsbeheer resp. watersysteem.
Bruto
kosten
Begroting 2014
Baten
WBL
Netto
kosten
(Bedragen * 1000 euro )
1
Planvorming
258
11
Eigen plannen
258
2
Zuiveringstechnische werken
68.400
21
Getransporteerd afvalw ater
12.986
22
Gezuiverd afvalw ater
23
Verw erkt slib
4
41
42
Handhaving WVO
43
Aandeel
Water-
beheer
systeem
258
258
258
258
903
67.497
67.497
630
12.356
12.356
37.699
176
37.523
37.523
17.715
97
17.618
17.618
Beheersing van lozingen
83
0
83
83
WVO-vergunningen en meldingen
35
35
35
0
0
Rioleringsplannen en subsidies lozingen
48
48
48
6
Bestuur en externe communicatie
575
80
495
495
61
Bestuur
575
80
495
495
62
Externe communicatie
0
0
81
Dekkingsmiddelen
282
282
282
8101
Onvoorzien
282
282
282
0
Geactiveerde lasten
1.858
1.858
0
0
01
Geactiv. lasten bouw projecten
1.858
1.858
0
0
548
548
0
72.004
3.389
68.615
Door baten gecom penseerde kosten van
ondersteunende beheerproducten (reeds
Totaal
0
Aandeel
Zuiverings-
0
Bijdrage Waterschappen
68.615
Exploitatie-saldo 2014
0
- 74 -
68.615
0
0
0
0
0
0
0
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
Naast de uitsplitsing van de begroting naar het aandeel dat betrekking heeft op de
Zuiveringsheffing resp. op de Watersysteemheffing (zie vorige pagina), is een vergelijking van de
netto-kosten relevant.
Deze vergelijkende opstelling wordt onderstaand gepresenteerd.
Rekening Begroting Begroting
2012
2013
2014
Vergelijking van de NETTO - KOSTEN
(Bedragen * 1000 euro )
1
Planvorming
287
270
258
11
Eigen plannen
287
270
258
2
Bouw / exploitatie zuiveringstechnische werken
65.728
65.235
67.497
21
Getransporteerd afvalw ater
13.402
12.640
12.356
22
Gezuiverd afvalw ater
35.463
35.741
37.523
23
Verw erkt slib
16.863
16.854
17.618
4
Beheersing van lozingen
117
75
83
41
WVO-vergunningen en meldingen
49
31
35
42
Handhaving WVO
0
0
0
43
Rioleringsplannen en subsidies lozingen
68
44
48
6
Bestuur en externe communicatie
716
578
495
61
Bestuur
373
578
495
62
Externe communicatie
343
0
0
81
Dekkingsmiddelen
0
282
282
8101
Onvoorzien
0
282
282
91
Laboratoriumwerk voor WRO / WPM
800
0
0
9115
Kostenaandeel voor LAB-w erkzaamheden
800
0
0
Totaal Netto - kosten
67.648
66.440
68.615
Bijdrage van de Waterschappen
72.510
66.440
68.615
4.862
0
0
Exploitatie-resultaat
- 75 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
5.2
De Begroting 2014 naar kosten- en opbrengstsoorten
5.2.1
De Begroting 2014 naar kostensoorten
Het presenteren van de Begroting naar Kosten- en Opbrengstsoorten, gebaseerd op de BBVWrichtlijnen, is een comptabele verplichting. Onderstaand wordt de begroting naar kostensoorten
weergegeven (x € 1.000). Voor de begroting naar opbrengstsoorten, zie de opvolgende paragraaf
Totaal WBL
Rekening Begroot
Begroot
2012
2013 mutatie 2014
Omschrijving
Meerjarenraming
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
41 Rente en afschrijvingen
4101 Externe rentelasten
4102 Interne rentelasten
4103 Afschrijvingen van activa
4104 Afschrijvingen van boekverliezen
42 Personeelslasten
4201 Salarissen huidig personeel en bestuurders
4202 Sociale premies
4203 Rechtstreekse uitkeringen huidig personeel en bestuur
4204 Overige personeelslasten
4205 Personeel van derden
4206 Uitkeringen voormalig personeel en bestuurders
43 Goederen en diensten van derden
4301 Duurzame gebruiksgoederen
4302 Overige gebruiksgoederen en verbruiksgoederen
4303 Energie
4304 Huren en rechten
4306 Pachten en erfpachten
4307 Verzekeringen
4308 Belastingen
4309 Onderhoud door derden
4310 Overige diensten door derden
44 Bijdragen aan derden
4401 Bijdragen aan bedrijven
4402 Bijdragen aan overheden
4403 Bijdragen aan overigen
45 Toevoegingen aan voorzieningen
4501 Toevoegingen aan voorzieningen
4502 Onvoorzien
Totaal Bruto Kosten
Totaal middelen
Exploitatie-saldo
31.528
8.894
160
22.474
30.604
8.835
712
-185
31.316
8.650
34.148
9.193
32.668
9.220
32.343
9.072
31.497
9.393
21.769
897
22.666
24.955
23.448
23.271
22.104
10.619
7.636
1.379
484
635
360
125
29.011
319
2.649
7.898
149
11.453
8.242
1.506
500
635
396
174
27.476
311
2.893
8.073
110
779
566
166
48
22
-26
3
466
8
352
-213
17
12.232
8.808
1.672
548
657
370
177
27.942
319
3.245
7.860
127
12.456
8.965
1.703
558
671
378
181
28.027
326
3.537
7.832
129
12.652
9.143
1.736
573
684
330
186
29.799
332
4.604
7.803
131
12.947
9.365
1.771
585
698
338
190
30.522
339
4.701
8.025
133
13.300
9.625
1.822
602
712
345
194
31.038
345
4.802
7.400
134
106
510
8.275
9.105
129
131
735
8.708
6.515
147
-5
17
237
53
5
126
752
8.945
6.568
152
128
767
8.687
6.621
156
131
782
9.191
6.825
159
133
798
9.467
6.926
162
136
814
9.312
8.095
165
39
90
76
76
147
5
152
156
159
162
165
360
78
282
2
2
362
80
282
368
81
287
372
83
289
376
84
292
378
86
292
71.363
76.225
4.862
70.040
70.040
1.964
1.964
72.004
72.004
75.155
75.155
75.650
75.650
76.350
76.350
76.378
76.378
- 76 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
5.2.2
De Begroting 2014 naar opbrengstsoorten
Overeenkomstig de comptabele verplichting, worden onderstaand de baten volgens begroting naar
opbrengstsoorten weergegeven (x € 1.000).
Totaal WBL
Rekening Begroot
Begroot
2012
2013 mutatie 2014
Omschrijving
Meerjarenraming
2015
2016
2017
2018
(bedragen x € 1.000)
81 Financiële baten
8101 Externe rentebaten
8102 Interne rentebaten
8103 Dividenden en bonusuitkeringen
82 Personeelsbaten
8201 Baten ivm salarissen en sociale lasten
8202 Uitlening van personeel
83 Goederen en diensten aan derden
8301 Verkoop van grond
8302 Verkoop van duurzame goederen
8303 Verkoop van overige goederen
8304 Opbrengst uit grond en water
8305 Huuropbrengst uit overige eigendommen
8306 Diensten voor derden
436
23
96
317
8
1
7
1.617
78
2
80
80
80
80
80
3
75
52
77
-75
1
80
80
80
80
80
53
54
55
56
57
52
1.641
1
-243
53
1.398
54
1.380
55
1.395
56
1.419
57
1.430
25
54
495
1.043
37
455
1.149
30
40
-313
30
37
495
836
30
37
505
808
30
37
515
813
30
37
525
827
17
37
535
841
1.654
1.829
29
1.858
1.812
1.842
1.871
1.902
1.654
1.829
29
1.858
1.812
1.842
1.871
1.902
3.715
72.510
76.225
3.600
66.440
70.040
-211
2.175
1.964
3.389
68.615
72.004
3.326
71.829
75.155
3.372
72.278
75.650
3.426
72.924
76.350
3.469
72.909
76.378
84 Bijdragen van derden
8401 Bijdragen van overheden
8402 Bijdragen van overigen
86 Interne verrekeningen
8601 Onttrekkingen aan voorzieningen
8603 Geactiveerde lasten
Totaal opbrengsten WBL
Bijdrage Waterschappen
Totaal Middelen
- 77 -
© Waterschapsbedrijf Limburg
Meerjarenraming 2014-2018; Begroting 2014
5.3
Verdeling van de Begroting 2014 naar de bijdrage van de waterschappen
De aan het Waterschapsbedrijf Limburg opgedragen taken worden gefinancierd door de
deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling (Waterschap Roer en Overmaas, Waterschap
Peel en Maasvallei). Vertrekpunt hiervoor vormt de vastgestelde begroting voor het WBL
(kostendrager zuiveringsbeheer); zie hiervoor paragraaf 5.1.
De door elk afzonderlijk waterschap te betalen bijdrage wordt vervolgens bepaald overeenkomstig
de tussen de waterschappen afgesproken verdeelsleutels:

het aandeel voor de kostendrager zuiveringsbeheer op basis van het aantal
vervuilingeenheden per waterschapsgebied voor ongezuiverde lozingen;
Van de aldus bepaalde bijdrage per waterschap wordt door het betreffende all-in waterschap per
maand een betaling verricht aan het WBL, ter grootte van de jaarbijdrage gedeeld door 12.
e
Omdat de prognose van het aantal vervuilingeenheden pas in de 2 helft van het jaar wordt
vastgesteld door de waterschappen, kan op dit moment nog geen (definitieve) berekening worden
gemaakt van het aandeel per waterschap. Er wordt derhalve op dit moment volstaan met het
aangeven van de ontwikkeling van de kosten van het WBL én de bijdrage van de waterschappen
op totaalniveau.
- 78 -
Bijlagen
MJR 2014-2018 en Begroting 2014:
1.
Rekenuitgangspunten MJR 2014-2018 en Begroting 2014
2.
Staat van immateriële, materiële, financiële vaste activa en
onderhanden werk
3.
Staat van vaste schulden
4.
Staat van reserves en voorzieningen
5.
Berekening van het rente-omslagpercentage
6.
Staat van personeelslasten
7.
Kostenverdeelstaat met toelichting
8.
Meerjarenraming 2013 – 2017
Bijlagen Begroting 2014 :
1. Rekenuitgangspunten MJR 2014-2018 en Begroting 2014
Rekenuitgangspunten 2014
Uitgangspunten t.a.v. de Begroting 2014 / de MJR 2014-2018
De algemene ontwikkelingen en uitgangspunten zijn door de drie betrokken organisaties in onderling
overleg bepaald en kunnen worden gesplitst in intern en extern bepaalde factoren.
1. De bedrijfsreserve: zie onderstaand overzicht
Bedrijfsreserve per 1-1-2012
Nog te bestemmen rekeningresultaat 2012
Afdracht aan waterschappen
Totaal
+ 1.000.000
+ 4.861.000
-/- 4.861.000
+ 1.000.000
Voor het jaar 2013 is uitgegaan van een geprognosticeerd resultaat van € 0.
Voor de jaren 2014 t/m 2018 zie de paragraaf 2.3.7.
2. De afschrijvingsmethodiek: voor nieuwe investeringen worden de navolgende afschrijvingstermijnen gehanteerd.
Omschrijving
Afschrijvingstermijn
Civielbouwkundige werken
25 jaar
Electro-mechanische werken
15 jaar
Waterstaatkundige werken
30 jaar
Gebouwen (bedrijfsgebouwen en woonruimten)
30 jaar
Automatisering
5 jaar
Inventaris
10 jaar
Immateriele activa
< 5 jaar
Tractiemiddelen
< 10 jaar
Op grond waarop installaties of gebouwen zijn gesitueerd wordt niet afgeschreven.
3. Inflatie
Voor het jaar 2013 wordt een stijging van 2,75% verwacht (Centraal Economisch Plan, dec 2012).
Gelet op het economisch herstel (verhogend effect op inflatiecijfer) dat in 2014 naar verwachting
zal doorzetten in relatie tot stabiele meerjarenraming, gaan we voor 2014 en verder toch uit van
een inflatiepercentage van 2%. Het is niet zo dat de budgetten automatisch worden verhoogd.
Sinds 2010 hanteren wij de lijn dat we de jaarlijkse toegekende budgetten bevriezen en dat we de
gecalculeerde prijscompensatie ‘parkeren’ op een aparte post. Hiermee krijgen de budgethouders
een jaarlijkse taakstelling ter grootte van de werkelijke inflatie van hun budget als te realiseren
ombuiging (2013 dus 2,75%). Alleen op basis van aangetoonde nut en noodzaak doen we een
beroep op deze post en geven we de ruimte vrij. Daarnaast beoordelen we van jaar tot jaar óf en
in hoeverre de geparkeerde ruimte van voorgaande jaren, nog vastgehouden moet worden. Op
deze manier houden wij strak de hand aan de groei van de budgetten.
4. Salariskosten
Per 1 januari 2012 is een nieuw CAO ingegaan. De CAO loopt 31 december 2013 af. Ten tijde
van het voorbereiden van deze voorjaarsnota, is nog niet bekend hoe de ontwerp CAO er uit ziet
en tot welke kostenstijging die mogelijk leidt voor ons waterschap in 2014. We houden daarom
Begroting 2014, Bijlage 1, blad 1
Rekenuitgangspunten 2014
voorlopig vast aan de gedragslijn die we hebben gevolgd bij het opstellen van de (meerjaren)begroting 2013-2017.
Naast de reguliere verhogingen (o.a. vanwege doorgroei in functieschalen), houden we in 2014
rekening met een indexering van de bruto loonkosten van 2%. Ook voor de jaren 2015-2018 gaan
we uit van een jaarlijkse stijging van 2%. Dit ‘opslagpercentage’ is niet alleen bedoeld voor de bekostiging van bruto loonstijgingen, maar ook voor secundaire arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld
groei Individueel Keuze Budget) die op basis van de CAO worden afgesproken. Hiermee wordt de
bestaande lijn gecontinueerd. Net zoals de inflatie, ‘parkeren’ wij de berekende ‘loonstijging’ op
een aparte post. Op het moment dat er een definitief CAO akkoord is gesloten zullen we voor de
periode waarop de CAO betrekking heeft, het CAO akkoord als uitgangspunt nemen voor de te
door te berekenen van de personeellasten in de begroting.
5.
Rekenrente
Rente langlopende leningen
Medio maart bedroeg het tarief voor een lening met een looptijd 25 jaar rentevast met stortingsdatum 1 juni 2014 zo’n 4,0%. Voor 2014 en 2015 nemen we dat percentage als uitgangspunt. Om
het meerjarig renterisico te beperken, gaan we voor 2016 en 2017 uit van een percentage van
4,5% en de jaren vanaf 2018 van een percentage van 5%. Het meerjarige ontwikkelingspatroon
komt hiermee overeen met het renteontwikkelingspatroon gehanteerd in de meerjarenraming
2013-2017.
Rente kortlopende leningen
Voor 2014 gaan wij uit van een rentepercentage voor kortlopende geldleningen (< 1 jaar) van
1,5%. Op de langere termijn verwachten we dat dit percentage zal stijgen tot 2,5%.
6.
Onvoorzien
In de uitgangspunten met betrekking tot de begroting is opgenomen dat de hoogte van het budget
voor onvoorzien – overeenkomstig het voorstel bij de begroting 2013 – bedraagt 0,4% van het
begrotingstotaal.
7.
Het Meerjaren-Investerings-Plan
Het Masterplan voor de zuiveringstechnische werken van het Waterschapsbedrijf Limburg wordt
jaarlijks geëvalueerd en daarna vertaald in een jaarlijks geactualiseerd meerjareninvesteringsprogramma (MIP).
Bij deze MJR is het investeringsvolume opnieuw beoordeeld voor de jaren 2014-2018. Daarbij is
het maximale uitgavenniveau per jaar vastgesteld, welk bij deze begroting/meerjarenraming als
input geldt voor de berekening (incl. inflatiecorrectie) van de kapitaallasten.
Voor de periode 2014-2018 is in totaal een bedrag van € 115,8 mln. (prijspeil 2013, incl. inflatie)
aan effectieve investeringen meegenomen.
Begroting 2014, Bijlage 1, blad 2
Rekenuitgangspunten 2014
inflatie
salaris
rente lang
rente kort
bedragen x € 1 mln. en excl. inflatie:
investeringsuitgaven
normatieve verlaging
extra uitgaven slibvergisting Venlo
totaal investeringsuitgaven
2014
2015
2016
2017
2018
2%
2%
2%
2%
2%
2%
2%
2%
2%
2%
4,00%
0,75%
4,00%
1,00%
4,50%
1,50%
4,50%
2,00%
5,00%
2,00%
25,1
22,4
22,5
22,5
22,5
25,1
22,4
22,5
22,5
22,5
Begroting 2014, Bijlage 1, blad 3
Totaal
115,0
Bijlagen Begroting 2014 :
2. Staat van immateriële, materiële, financiële vaste activa en onderhanden werk
Staat van materiële, immateriële, financiële vaste activa en onderhanden werken 2014
SVA
nr.
omschrijving
Financiële vaste activa
0301 Aandelen en deelnemingen
0303 Vaste leningen aan ambtenaren
0304 Vaste leningen aan overheden
Cumulatieven per 31-12-2013
AanschafSubsidies
Afschrijving
waarde
/ aflossing
Nieuwbouw
derden /
Uitgaven
Nieuwbouw
derden
Subsidies
Geactiveerde
lasten
uitgaven OHW
naar SVA
2014
subsid. OHW
naar SVA
2014
Inhaalafschrijving
2014
Afschrijving
/ aflossing
2014
Cumulatieven per 31-12-2014
AanschafSubsidies
waarde
Afschrijving
/ aflossing
193.483,18
193.483,18
193.483,18
193.483,18
35.362,56
158.120,62
35.362,56
158.120,62
35.362,56
158.120,62
35.362,56
158.120,62
Immateriële vaste activa
0101 Uitgaven afsluiten geldleningen
0102 Uitgaven onderzoek/ontwikkeling
0103 Subsidies/ bijdragen aan derden
0104 Afkoopsommen aan overheden
0106 Overige immateriële activa
19.237.750,23
5.804.457,01
8.503.958,36
Materiële vaste activa
0201 Gronden
0202 Vervoermiddelen en werktuigen
0203 Overige bedrijfsmiddelen
0204 Kantoren, centrale werkplaatsen
02071 ZTW: Transportsysteem
02072 ZTW: Zuiveringsinstallaties
02073 ZTW: Slibontwateringsinstallaties
02074 ZTW: Drogers
0210 Overige materiële vaste activa
749.403.046,09
8.928.982,08
1.241.071,40
21.956.237,23
21.076.420,50
244.160.781,00
369.104.465,63
42.282.400,62
40.652.687,63
Immateriële vaste activa ( OHW )
A
Onderzoek/ontwikkeling
B
Subsidies / bijdragen aan derden
198.223,93
Materiële vaste activa ( OHW )
C
Gronden
D
Vervoermiddelen en werktuigen
E
Overige bedrijfsmiddelen
F
Kantoren, centrale werkplaatsen
G
Zuiveringstechnische werken
Boekwaarde
31-12-2013
2.348.782,00
2.580.552,86
461.827,53
17.602.111,15
5.804.457,01
7.162.603,61
1.173.811,55
480.797,56
449.227,53
892.127,22
339.955,39
2.067.097,67
2.567.952,86
281.684,33
140.842,17
12.600,00
495.200.379,64
-4.235,67
1.106.769,40
13.427.289,90
14.172.472,45
170.059.578,05
237.749.521,71
23.882.815,05
34.806.168,75
201.161.834,80
8.116.841,96
134.302,00
8.528.947,33
6.460.184,58
45.558.503,35
110.890.629,65
17.250.545,67
4.221.880,26
53.040.831,65
816.375,79
443.763,47
28.542.699,60
20.464.314,27
1.149.039,90
1.624.638,62
22.184.910,14
435.000,00
100.000,00
2.584.133,00
18.947.737,00
702.643,00
72.716,87
1.445.688,29
792.355,32
4.785.979,00
11.603.435,82
1.850.756,30
1.633.978,54
198.223,93
198.223,93
25.149.028,80
22.769.513,00
19.237.750,23
5.804.457,01
8.503.958,36
2.348.782,00
2.580.552,86
772.172.559,09
8.928.982,08
1.241.071,40
22.391.237,23
21.176.420,50
246.744.914,00
388.052.202,63
42.985.043,62
40.652.687,63
461.827,53
18.082.908,71
5.804.457,01
7.502.559,00
693.013,99
449.227,53
2.207.939,84
2.567.952,86
140.842,16
12.600,00
517.385.289,78
-4.235,67
1.179.486,27
14.872.978,19
14.964.827,77
174.845.557,05
249.352.957,53
25.733.571,35
36.440.147,29
201.746.437,66
8.116.841,96
61.585,13
7.518.259,04
5.767.829,26
43.356.657,35
118.234.930,83
16.102.432,37
2.587.901,72
53.040.831,65
816.375,79
443.763,47
28.542.699,60
20.464.314,27
1.149.039,90
1.624.638,62
198.223,93
198.223,93
24.400.288,06
25.129.000,00
1.858.580,00
-22.769.513,00
29.367.095,80
126.675,86
444.554,50
90.034,82
24.487.763,62
748.740,74
126.675,86
444.554,50
90.034,82
23.739.022,88
435.000,00
100.000,00
24.594.000,00
1.858.580,00
-435.000,00
-100.000,00
-22.234.513,00
Totaal activa
794.181.532,23
54.251.399,92
512.995.973,97
226.934.158,34
25.129.000,00
1.858.580,00
Totaal SVA
Totaal OHW
768.834.279,50
25.347.252,73
53.502.659,18
748.740,74
512.995.973,97
202.335.646,35
24.598.511,99
25.129.000,00
1.858.580,00
22.769.513,00
-22.769.513,00
552.171,83
198.223,93
198.223,93
748.740,74
Boekwaarde
31-12-2014
198.223,93
748.740,74
28.618.355,06
126.675,86
444.554,50
90.034,82
28.705.830,62
748.740,74
126.675,86
444.554,50
90.034,82
27.957.089,88
22.665.707,70
821.169.112,23
54.251.399,92
535.661.681,67
231.256.030,64
22.665.707,70
791.603.792,50
29.565.319,73
53.502.659,18
748.740,74
535.661.681,67
202.439.451,65
28.816.578,99
Begroting 2014, Bijlage 2
Bijlagen Begroting 2014 :
3.
Staat van vaste schulden
Staat van vaste schulden per 31-12-2014
nr.
Oorspronkelijk bedrag
van de
lening
4.
S
Loop- A= Vervaltijd annui- dag
in taire rente
jaren afl. betaling
L=
lineaire
afl.
5.
6.
7.
8.
3,970
10 L
1-apr
S
5,830
20 L
5-jun
3.970.576,67
132.460,64
231.484,62
212.561,67
113.537,69
05/06
567.225,27
3.403.351,40
S
5,315
20 L
24-sep
7.623.507,60
109.176,04
405.189,43
391.542,42
95.529,04
01/10
952.938,45
6.670.569,15
S
4,410
15 L
13-dec
1.066.666,56
2.352,00
47.040,00
46.452,00
1.764,00
13/12
266.666,67
799.999,89
20.000.000,00
4,500
20 L
22-dec
10.000.000,00
11.250,00
450.000,00
448.875,00
10.125,00
22/12
1.000.000,00
9.000.000,00
04/01
20.000.000,00
3,980
20 L
1-dec
11.000.000,00
36.483,33
437.800,00
434.483,33
33.166,67
1/12
1.000.000,00
10.000.000,00
05/01
15.000.000,00
3,510
20 L
20-jul
9.000.000,00
141.277,50
315.900,00
304.126,88
129.504,38
20/7
750.000,00
8.250.000,00
06/01
15.000.000,00
4,070
20 L
1-nov
9.750.000,00
66.137,50
396.825,00
391.737,50
61.050,00
1-nov
750.000,00
9.000.000,00
06/02
2.268.901,08
6,800
25 L
1.058.941,48
3.200,36
72.008,02
71.550,92
2.743,26 15-dec
151.244,94
907.696,54
06/03
2.268.901,08
6,970
25 L
1-jan
1.210.186,42
84.349,99
84.349,99
73.808,22
73.808,22
1-jan
151.244,94
1.058.941,48
06/04
1.588.230,00
4,940
25 L
1-jan
847.161,91
41.849,80
41.849,80
36.619,97
36.619,97
1-jan
105.866,87
741.295,04
07/01
15.000.000,00
4,760
20 L
18-dec
10.500.000,00
18.048,33
499.800,00
498.510,83
750.000,00
9.750.000,00
08/01
1.361.340,65
6,080
25 L
20-okt
816.803,94
9.794,39
49.661,68
48.573,41
8.706,12
20-okt
90.756,01
726.047,93
08/02
9.075.604,32
6,750
25 L
1-dec
4.840.428,02
27.227,41
326.728,89
323.325,62
23.824,14
1-dec
605.025,14
4.235.402,88
08/03
2.268.901,08
6,090
25 L
1-dec
1.210.186,42
6.141,70
73.700,36
72.932,78
5.374,13
1-dec
151.244,94
1.058.941,48
08/04
1.500.000,00
5,190
25 L
1-dec
800.000,00
3.460,00
41.520,00
41.087,50
3.027,50
1-dec
100.000,00
700.000,00
08/05
2.500.000,00
4,260
20 L
1-dec
1.499.999,92
5.325,00
63.900,00
63.308,33
4.733,33
1-dec
166.666,68
1.333.333,24
08/06
2.268.901,08
6,980
25 L
15-nov
907.560,40
8.094,43
63.347,72
61.324,11
6.070,82 15-nov
226.890,10
680.670,30
08/07
2.268.901,08
7,250
25 L
15-nov
907.560,40
8.407,54
65.798,13
63.696,24
6.305,65 15-nov
226.890,10
680.670,30
08/08
2.268.901,08
6,950
25 L
15-nov
1.361.431,36
12.090,27
94.619,48
93.276,34
10.747,13 15-nov
151.244,94
1.210.186,42
08/09
2.268.901,08
6,760
20 L
15-nov
1.361.431,36
11.759,74
92.032,76
90.726,34
10.453,32 15-nov
151.244,94
1.210.186,42
08/10
2.268.901,08
6,090
25 L
15-nov
1.361.431,36
10.594,21
82.911,17
81.734,23
9.417,27 15-nov
151.244,94
1.210.186,42
08/11
2.268.901,08
6,140
25 L
15-nov
1.361.431,36
10.681,19
83.591,89
82.405,28
9.494,58 15-nov
151.244,94
1.210.186,42
08/12
2.268.901,08
5,860
25 L
15-nov
1.361.431,36
10.194,10
79.779,88
78.647,39
9.061,61 15-nov
151.244,94
1.210.186,42
1.
99/01
2.
22.689.010,80
00/01
11.344.505,40
01/01
19.058.769,08
02/01
4.000.000,00
03/12
Datum en
nummer van:
a.het bestuursbesluit
b.het goedkeuringsbesluit
3.
a. 11-03-1999
nr.1999LE172
a. 25-5-2000
nr.10020351
a. 13-09-2001
nr. 10021553
a.
nr.10022359
O
S
R
P
of
G
Rentepercentage
15-dec
Restant
bedrag
van de
lening per
31-12-2013
18.
Bedrag van
de in de
loop van het
dienstjaar
opgenomen
geldleningen
11.
Nog niet
verschenen
rente per
31-12-2013
15.
Betaalde
rente of
rentebestanddeel
annuiteit
Ten laste
van het
boekjaar
komende
rente
13.
14.
Nog niet
verschenen
rente per
31-12-2014
15.
Aflossing
Valuta
Regulier
16.
01/04
16.759,17 18-dec
Vervroegde
17.
Restant
bedrag
van de
lening per
31-12-2014
18.
Begroting 2014, Bijlage 3 Blad 1
Staat van vaste schulden per 31-12-2014
nr.
Oorspronkelijk bedrag
van de
lening
Datum en
nummer van:
a.het bestuursbesluit
b.het goedkeuringsbesluit
3.
O
S
R
P
of
G
Loop- A= Vervaltijd annui- dag
in taire rente
jaren afl. betaling
L=
lineaire
afl.
5.
6.
7.
8.
4,890
25 L
15-nov
Nog niet
verschenen
rente per
Betaalde
rente of
rentebestanddeel
annuiteit
Ten laste
van het
boekjaar
komende
rente
14.
25.777,20
12.000.000,00
72.390,00
457.200,00
452.675,63
1-dec
1-dec
21-dec
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
2-jan
1.588.230,70
1.588.230,70
5.000.000,00
1.200.000,00
2.000.000,00
1.800.000,00
4.500.000,00
2.700.000,00
2.500.000,00
4.500.000,00
2.000.000,00
3.000.000,00
2.500.000,00
2.500.000,00
7.888,21
7.901,45
4.958,33
56.817,73
101.916,11
77.544,00
215.848,75
138.663,75
121.661,11
218.990,00
87.356,67
131.035,00
120.763,61
120.763,61
94.658,55
94.817,38
178.500,00
56.976,00
102.200,00
77.760,00
216.450,00
139.050,00
122.000,00
219.600,00
87.600,00
131.400,00
121.100,00
121.100,00
93.531,66
93.688,59
178.500,00
49.873,78
89.460,49
69.144,00
192.466,81
123.642,92
109.833,89
197.701,00
78.864,33
118.296,50
109.023,64
109.023,64
6-dec
1-dec
3-dec
1-dec
18.200.000,00
16.200.000,00
21.850.000,00
20.000.000,00
38.422,22
41.580,00
47.074,61
66.666,67
553.280,00
498.960,00
605.245,00
800.000,00
547.791,11
496.650,00
602.767,39
796.666,67
08/14
15.000.000,00
3,900
5 L
24-dec
09/1
09/1
15.000.000,00
15.000.000,00
3,890
3,810
20 L
20 L
4-nov
4-nov
10/1
10/2
10/3
10/4
10/5
10/6
10/7
10/8
10/9
10/10
10/11
10/12
10/13
10/14
overrname wls
2.268.901,00
2.268.901,00
5.000.000,00
1.500.000,00
2.500.000,00
2.000.000,00
5.000.000,00
3.000.000,00
2.500.000,00
4.500.000,00
2.000.000,00
3.000.000,00
2.500.000,00
2.500.000,00
5,960
5,970
3,570
4,748
5,110
4,320
4,810
5,150
4,880
4,880
4,380
4,380
4,844
4,844
20
20
20
20
20
20
20
20
20
20
20
20
20
20
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
10/15
11/1
12/1
13/1
26.000.000,00
18.000.000,00
23.000.000,00
20.000.000,00
3,040
3,080
2,770
4,000
10
20
20
20
L
L
L
L
31-12-2013
18.
544.536,00
Bedrag van
de in de
loop van het
dienstjaar
opgenomen
geldleningen
13.
26.627,81
2.
1.361.340,65
354.705.613,70
Restant
bedrag
van de
lening per
31-12-2013
15.
3.402,44
1.
08/13
TOTAAL
4.
Rentepercentage
209.987.733,94
11.
Nog niet
verschenen
rente per
Aflossing
Valuta
31-12-2014
15.
16.
2.551,83 15-nov
Regulier
Vervroegde
Restant
bedrag
van de
lening per
136.134,00
31-12-2014
18.
408.402,00
4-nov
750.000,00
11.250.000,00
6.761,32 1-dec
6.772,67 1-dec
4.958,33 21-dec
49.715,52 2-jan
89.176,60 2-jan
68.928,00 2-jan
191.865,56 2-jan
123.256,67 2-jan
109.495,00 2-jan
197.091,00 2-jan
78.621,00 2-jan
117.931,50 2-jan
108.687,25 2-jan
108.687,25 2-jan
226.890,10
226.890,10
150.000,00
250.000,00
200.000,00
500.000,00
300.000,00
250.000,00
450.000,00
200.000,00
300.000,00
250.000,00
250.000,00
1.361.340,60
1.361.340,60
5.000.000,00
1.050.000,00
1.750.000,00
1.600.000,00
4.000.000,00
2.400.000,00
2.250.000,00
4.050.000,00
1.800.000,00
2.700.000,00
2.250.000,00
2.250.000,00
2.600.000,00
900.000,00
1.150.000,00
1.000.000,00
15.600.000,00
15.300.000,00
20.700.000,00
19.000.000,00
18.858.799,01
191.128.934,93
67.865,63
32.933,33
39.270,00
44.597,00
63.333,33
2.451.999,74 8.804.363,56 8.546.685,56 2.194.321,79
6-dec
1-dec
3-dec
1-dec
17.
Begroting 2014, Bijlage 3 Blad 2
Bijlagen Begroting 2014 :
4.
Staat van reserves en voorzieningen
Staat van reserves en voorzieningen
Omschrijving
Stand begin
(+)
(+)
(+)
( -/- )
( -/- )
Stand einde
Berekende rente die niet
Stand begin
(+)
(+)
(+)
( -/- )
van het jaar
Interne
Overige
Externe
Interne
Externe
van het jaar
aan de reserve wordt
van het jaar
Interne
Overige
Externe
Interne
2013
rente
toegevoegd
2014
rente
2013
Bedrag
A.
050101
Stand einde
2014
Rek.nr.
Berekende rente die niet
aan de reserve wordt
toegevoegd
Bedrag
Rek.nr.
Bedrijfsreserve
Algemene reserve
B.
( -/- )
Externe van het jaar
2.700.000
2.700.000
80.000 810202
2.700.000
2.700.000
80.000
80.000
2.700.000
2.700.000
80.000
810202
Bestemmingsreserves:
nog te bestemmen exploitatiesaldo
Totaal eigen vermogen
4.861.510
4.861.510
7.561.510
4.861.510
2.700.000
78.030
518.802
D. Voorzieningen:
050410
voorziening reorganisatie
050414
voorziening mobiliteit
518.802
050415
frictie-voorziening LAB
389.555
Totaal voorzieningen
Totaal eigen vermogen / voorzieningen
78.030
810202
518.802
79.591
79.591
518.802
389.555
389.555
908.357
79.591
79.591
908.357
3.608.357
79.591
79.591
3.608.357
936.396
78.030
78.030
908.357
7.460.180
78.030
4.939.540
3.608.357
80.000
810202
389.555
80.000
Begroting 2014, Bijlage 4
Bijlagen Begroting 2014 :
5.
Berekening van het rente-omslagpercentage
Berekening rente-omslagpercentage
Berekening van het rente-omslagpercentage
Boekwaarde 1-1-2014 van de investeringen
-Staat van activa
-Staat van onderhanden werken
Boekwaarde 31-12-2014 van de investeringen
-Staat van activa
-Staat van onderhanden werken
Totaal
Gemiddelde boekwaarde :
Totaal rentelasten
-Externe rentelasten
-Interne rentelasten
-Afschrijving op boeterente
-Diensten van het bankwezen
-Geactiveerde bouwrente
2014
202.336
24.599
202.439
28.817
458.191
229.096
8.650
-350
Toe te rekenen rentelasten
8.300
Rente-omslagpercentage :
3,62%
Begroting 2014, Bijlage 5
Bijlagen Begroting 2014 :
6.
Staat van personeelslasten
Staat van personeelslasten
Begroting 2014
Bouwen &
renoveren
IT
Operations Onderhoud
HRM
FP&C
Directie
Bestuur
Bovenformatief
Totaal
WBL
aantal formatieplaatsen
42
4201
420101
420103
420105
420106
420107
420108
420109
420110
420111
4202
420201
420202
4203
420301
420302
4204
420401
420402
420403
420404
420405
420410
420411
420412
420413
420420
420421
420422
420423
420499
4205
420501
420502
420503
420510
4206
420601
420602
Personeelslasten
Salaris huidig person./bestuur
salarissen huidig personeel
overwerkvergoeding
regeling pc/fiets
diverse toelagen (maandbasis)
toelage jubilea/bijz.omst.heid
gratificaties personeel
levensloopregeling
vergoeding woon- werkverkeer
verplaatsingskosten
Sociale premies
sociale premies huidig person.
sociale premies huidig bestuur
Rechtstreekse uitkeringen huidig personeel en bestuur
werkgeversaandeel ziektekosten
uitkering bij overlijden
Overige personeelslasten
kosten voorziening vacatures
vorming, training en opleiding
attenties bij ziekte, jubilea
seminars symposia
themamiddag
kosten ondernemingsraad
bijdrage aan personeelsverenig
kosten uitvoering kinderopvang
bijdrage aan PAUW
vergoeding telefoonkosten
vergoeding kosten EHBO/BZB
exploitatiekosten kantine
kosten geneeskundige dienst
overige personeelslasten
Personeel van derden
uitzendkrachten
uitz.kracht vervang.langd.ziek
Personeel andere Overheid
onverdeeld indirect
Uitkeringen voormalig personeel en bestuurders
uitkering, pensioen, wachtgeld
div.toelagen voormalig person.
1.996.498
1.535.989
1.468.647
3.378
1.451.647
1.150.894
1.081.134
10.200
2.204.923
1.665.784
1.418.086
69.085
3.079.625
2.319.732
2.078.012
74.844
15.852
23.993
131.896
103.616
7.485
5.345
10.965
12.304
40.627
30.222
35.752
50.956
309.254
309.254
227.466
227.466
294.569
294.569
95.140
95.140
71.124
71.124
2.163
2.163
1.694.663 1.368.862
811.338 1.068.888
690.940 1.028.903
7.792
3.412
212.514
125.776
121.958
57.165
12.232.796
8.808.479
8.017.582
168.711
26.008
52.873
5.103
12.068
4.648
1.329
19.857
2.489
176
432.266
432.266
10.097
18.525
143.277
143.277
213.791
213.791
24.460
24.460
26.754
26.754
190.176
18.525
1.671.837
1.671.837
106.829
106.829
155.495
155.495
48.134
48.134
56.748
56.748
4.059
4.059
10.067
10.067
547.596
547.596
2.163
10.703
13.450
3.935
58.219
2.163
2.163
5.290
566.752
21.581
283.671
70.724
2.163
3.935
313.433
52.873
47.179
657.385
21.581
283.671
71.785
21.060
16.565
15.099
13.697
1.061
3.183
16.565
15.099
13.697
8.280
53.952
53.952
166.899
130.078
129.902
507
8.033
8.160
127.038
127.038
158.682
158.682
6.812
142.654
28.833
10.314
5.100
5.100
120.062
120.062
8.280
507
23.005
142.654
28.833
10.648
370.272
370.272
334
25.500
25.500
57.165
57.165
177.227
177.227
Begroting 2014, Bijlage 6
Bijlagen Begroting 2014 :
7.
Kostenverdeelstaat met toelichting
19-6-2013 14:10
Kostenverdeelstaat 2014
Bestuursbegroting 2014
Begroting
2014
Begroting
2014
Begroting
2014
Verdeling
kapitaal-
TOTAAL
Begroting
Verdeling
indirecte
Begroting
2014
Kosten
Baten
excl. kap.lst
lasten
2014
kosten
DIRECT
Toerekening
overhead
Toerekening
kosten
Begroting
NETTO
Begroting
BRUTO
desintegratie
TOTAAL
2014
TOTAAL
2014
1
Planvorming
105.190
105.190
105.190
81.976
187.166
73.757
-3.285
257.638
257.638
11
Eigen plannen
105.190
105.190
105.190
81.976
187.166
73.757
-3.285
257.638
257.638
2
Bouw en exploitatie zuiv.techn.werken
21
22
23
Getransporteerd afvalwater
Gezuiverd afvalwater
Verwerkt slib
4
Beheersing van lozingen
41
42
43
WVO-vergunningen en meldingen
Handhaving WVO
Rioleringsplannen en subsidies lozingen
53.819.403
903.280
52.916.123
52.916.123
7.151.471
60.067.594
7.380.623
48.725
67.496.942
68.400.222
11.351.277
29.408.135
13.059.991
630.520
175.760
97.000
10.720.757
29.232.375
12.962.991
10.720.757
29.190.631
13.004.735
-93.214
4.446.034
2.798.651
10.627.543
33.636.665
15.803.386
1.685.841
3.886.690
1.808.092
41.799
271
6.655
12.355.183
37.523.626
17.618.133
12.985.703
37.699.386
17.715.133
43.427
43.427
45.262
-5.256
83.433
83.433
18.094
18.094
18.860
-2.190
34.764
34.764
25.333
25.333
26.402
-3.066
48.669
48.669
-41.744
41.744
6
Bestuur en externe communicatie
196.653
80.000
116.653
116.653
245.185
361.838
130.059
2.866
494.763
574.763
61
62
Bestuur
Externe communicatie
196.653
80.000
116.653
116.653
245.185
361.838
130.059
2.866
494.763
574.763
Dekkingsmiddelen
282.000
68.614.776
-68.332.776
-68.332.776
-68.332.776
-68.332.776
282.000
282.000
-68.614.776
282.000
-68.614.776
282.000
-68.614.776
282.000
68.614.776
282.000
-68.614.776
350.000
1.858.580
-1.508.580
-1.508.580
1.508.580
1.858.580
350.000
1.858.580
-1.508.580
-1.508.580
1.508.580
1.858.580
547.760
547.760
547.760
72.004.396
72.004.396
72.004.396
81
8101
8103
8104
0
onvoorzien
bijdrage waterschappen
kosten LAB - waterschappen
Geactiveerde lasten
7101
Geactiveerde lasten bouwprojecten
Door baten gecompenseerde kosten van
ondersteunende beheerproducten
Totaal Waterschapsbedrijf
282.000
Begroting 2014, Bijlage 7
19-6-2013 14:10
Kostenverdeelstaat 2014
Bestuursbegroting 2014
Bruto
Kosten
Overige
Baten
Netto
Kosten
Zuiveringsbeheer
2014
2014
2014
1.575.000
ve
1
Planvorming
257.638
257.638
257.638
11
Eigen plannen
257.638
257.638
257.638
2
Bouw en exploitatie zuiv.techn.werken
21
22
23
Getransporteerd afvalwater
Gezuiverd afvalwater
Verwerkt slib
68.400.222
903.280
67.496.942
67.496.942
12.985.703
37.699.386
17.715.133
630.520
175.760
97.000
12.355.183
37.523.626
17.618.133
12.355.183
37.523.626
17.618.133
83.433
4
Beheersing van lozingen
83.433
83.433
41
42
43
WVO-vergunningen en meldingen
Handhaving WVO
Rioleringsplannen en subsidies lozingen
34.764
34.764
34.764
48.669
48.669
48.669
6
Bestuur en externe communicatie
574.763
80.000
494.763
494.763
61
62
Bestuur
Externe communicatie
574.763
80.000
494.763
494.763
Dekkingsmiddelen
282.000
282.000
282.000
282.000
282.000
282.000
68.614.776
68.614.776
81
8101
8103
8104
0
onvoorzien
bijdrage waterschappen
kosten LAB - waterschappen
Geactiveerde lasten
7101
Geactiveerde lasten bouwprojecten
Door baten gecompenseerde kosten van
ondersteunende beheerproducten
Totaal Waterschapsbedrijf
1.858.580
1.858.580
1.858.580
1.858.580
547.760
547.760
72.004.396
3.389.620
Watersysteembeheer
Begroting 2014, Bijlage 7
TOELICHTING op de KOSTENVERDEELSTAAT van de BEGROTING 2014
1.
Algemeen
De kostentoerekening gaat overeenkomstig de verslagleggingvoorschriften in op de principes die worden gehanteerd bij de toerekening van de (netto) kosten aan de kostendragers. Zie hiertoe paragraaf
2.3.4. Een kostendrager is in dit verband de reglementaire taak volgens de Waterschapswet. Bij het
Waterschapsbedrijf (WBL) worden in het kader van de aan haar opgedragen uitvoeringsactiviteiten,
de volgende taken geraakt: zuiveringsbeheer en watersysteembeheer.
De kostenverdeelstaat geeft weer op welke wijze uitvoering is gegeven aan de gehanteerde principes.
Om de onderlinge vergelijkbaarheid van de kosten/ opbrengsten van de diverse waterschappen mogelijk te maken, onderscheiden de voorschriften landelijk uniforme beleidsvelden en beleidsproducten
binnen elke reglementaire taak. Het WBL richt zich naar deze landelijke opzet.
De begroting en de jaarrekening worden conform het landelijk uniforme BBP-model opgesteld, waarbij
naast beleidsvelden/ beleidsproducten ook uniforme beheerproducten worden onderscheiden.
Op organisatieniveau kan ten behoeve van de bewaking van begrotingsbudgetten een extra dimensie
worden toegevoegd (werkplanproducten), om kosten/ baten te kunnen indelen naar de (kern)taken
van een organisatieonderdeel. Werkplanproducten zijn in feite een onderverdeling van de beheerproducten, waarbij 1 werkplanproduct slechts 1 keer voorkomt op WBL-niveau en elk werkplanproduct
een relatie heeft naar slechts één beleids- / beheerproduct (en dus ook slechts naar 1 beleidsveld).
2.
Kostenverdeelstaat voor de kosten en de baten
De kostenverdeelstaat is ingedeeld naar de relevante beleidsvelden en beleidsproducten. Deze staat
start met twee kolommen van kostentotalen resp. batentotalen ontleend aan de eerste vastlegging
(naar kostenplaatsen/ werkplanproducten/ kostensoorten) van kosten resp. baten waarbij de kapitaallasten als volgt zijn toegerekend:

de afschrijvingskosten zijn toegerekend op basis van de uitsplitsing van de staat van activa
naar investeringsobjecten;

de rentekosten worden onderscheiden in bouwrente, rente onderhanden werken en overige
rentekosten. De bouwrente wordt toegerekend aan het beleidsveld geactiveerde lasten. De
rente op onderhanden werken wordt specifiek toegerekend aan deze investeringsprojecten.
De overige rentekosten worden toegerekend op basis van de gemiddelde boekwaarde van de
investeringsobjecten zoals deze zijn opgenomen in de staat van activa
In de derde kolom is het saldo van kosten en baten gepresenteerd. In de opvolgende kolommen vinden achtereenvolgens de onderstaande toerekeningen plaats:
Verdeling van de indirecte kosten:
De “indirecte kosten” houden verband met de kosten gemaakt voor de inzet van personele capaciteit.
Deze kosten kunnen niet rechtstreeks aan één bepaald product worden toegerekend omdat de kostentoedeling afhankelijk is van de tijdsbesteding door het personeel.
Begroting 2014, Bijlage 7 blad 1

van de Directie worden deze kosten toegerekend aan het Wpp ‘Algemeen Management’.

van de unithoofden worden deze kosten òf toegerekend aan de directe producten van het betreffende unithoofd naar rato van de voor deze producten geplande uren òf doorbelast aan de andere
tot de unit behorende kostenplaatsen;

van de overige kostenplaatsen worden deze kosten toegerekend aan de directe producten van de
betreffende kostenplaats naar rato van de voor deze producten geplande uren.
Verdeling van de overhead-kosten (= het totaal van de ondersteunende beheerproducten)
De toe te rekenen overhead-kosten bestaan uit het saldo van de kosten en baten zoals die op dit moment van de kostenverdeelstaat zijn verzameld op de ondersteunende beheerproducten.
De ondersteunende beheerproducten en de gehanteerde verdeelsleutel, zijn onderstaand weergegeven.
Ondersteunend beheerproduct
Verdeelsleutel
Centrale huisvestingskosten
aantal toegewezen netto m²
Automatiseringskosten / informatiebeleid
de kosten worden verdeeld over de betreffende units
naar rato van het aantal werkplekken
Centraal management (= leidinggeven door Evenredig aan de betreffende units
directie, plv.directeur (P&C))
Geografische informatie (ZVB)
beheer van het tekeningenbestand en uitvoeren van
tekenwerk:
de kosten worden toegerekend aan de specifieke producten van de afnemende kostenplaatsen (bouwzaken,
optimalisatie afvalwatersysteem) op basis van het gebruik van het archief.
Bemonstering en analysering laboratorium
de kosten worden toegerekend aan de afnemende interne units op basis van het contractueel aantal af te
nemen laboratoriumpunten.
Bedrijfs Interne MilieuZorg (BIMZ)
wordt binnen de betreffende unit toegerekend aan de
producten van die unit.
Catering en interne faciliteiten
Naar rato van de op primaire beheerproducten geplande
uren van het kantoorpersoneel (excl. uren ondersteunende beheerproducten)
Organisatiebeleid / -beheer, personeelsbeleid / -beheer, interne voorlichting, alge-
Naar rato van de op primaire beheerproducten geplande
uren van al het personeel (excl. uren ondersteunende
meen bestuurlijke en juridische ondersteu-
beheerproducten)
ning
Meerjarenraming/ begroting/ comptabiliteit,
Naar rato van het aandeel van de primaire beheerpro-
financiële ondersteuning en managements- ducten in de directe kosten (dus vóór toerekening van
rapportages.
de indirecte kosten maar incl. de kapitaallasten).
Begroting 2014, Bijlage 7 blad 2
Ondersteunend beheerproduct
Verdeelsleutel
Als gevolg van het vertrek van de unit Vergunningen en Handhaving en het Laboratorium zijn desintegratiekosten ontstaan. Deze desintegratiekosten zijn de kosten van de ondersteunende beheerproducten die voorheen aan de vertrokken units werden toegerekend en nog niet zijn gecompenseerd
resp. niet aan andere producten kunnen worden toegerekend. Deze kosten worden aan het eind van
de kostenverdeelstaat omgeslagen over de primaire units.
Desintegratiekosten huisvesting kantoor
aantal toegewezen netto m²
Begroting 2014, Bijlage 7 blad 3
Bijlagen Begroting 2014 :
8.
Meerjarenraming 2013 - 2017
Kosten, Baten en Netto kosten volgens de MJR 2013-2017 + begroting 2013
Totaal WBL
Omschrijving
Rekening Begroot
2011
2012 (*)
mutatie
Begroot
2013
Meerjarenraming
2014
2015
2016
2017
(bedragen x € 1.000)
LASTEN
Rentelasten
Afschrijving
Totaal kapitaallasten
Salarissen
Sociale lasten
Overige personeelslasten
Personeel van derden
Voormalig personeel en bestuur
Totaal personeelslasten
Duurzame gebruiksgoederen
Overige gebruiks- en verbruiksgoederen
Energie
Huren en rechten
Verzekeringen
Belastingen
Onderhoud door derden
Overige diensten door derden
Totaal goederen en diensten van derden
Bijdrage aan bedrijven
Bijdragen aan overheden en overige
Totaal bijdragen aan derden
Toevoegingen aan voorzieningen
Onvoorzien
Totaal toevoegingen aan voorzieningen
TOTAAL LASTEN
9.177
23.961
33.138
7.375
1.703
563
536
95
10.272
349
2.829
9.140
140
130
687
8.764
7.283
29.322
0
88
88
176
0
176
72.996
9.468
21.602
31.070
8.302
1.835
600
421
176
11.334
352
2.581
8.922
217
123
670
8.399
8.355
29.619
0
144
144
77
293
370
72.537
-633
167
-466
-61
172
35
-25
-2
119
-41
312
-849
-107
8
65
309
-1.840
-2.143
0
3
3
1
-11
-10
-2.497
8.835
21.769
30.604
8.241
2.007
635
396
174
11.453
311
2.893
8.073
110
131
735
8.708
6.515
27.476
0
147
147
78
282
360
70.040
9.318
21.475
30.793
8.639
2.102
648
404
178
11.971
317
2.951
7.913
111
135
752
8.847
6.470
27.496
0
152
152
80
284
364
70.776
10.585
24.246
34.831
8.884
2.164
661
412
182
12.303
323
3.402
8.020
113
139
766
9.272
6.521
28.556
0
156
156
81
307
388
76.234
10.871
25.030
35.901
9.144
2.229
673
420
186
12.652
331
3.753
8.151
115
141
782
9.463
6.637
29.373
0
159
159
83
316
399
78.484
11.050
25.183
36.233
9.454
2.296
688
429
190
13.057
337
3.827
8.382
117
143
798
9.648
6.754
30.006
0
162
162
84
321
405
79.863
BATEN
Financiële baten
Personeelsbaten
Goederen en diensten aan derden
Bijdrage van derden
Opbrengst vervolgingskosten
Geactiveerde personele lasten
Geactiveerde lasten: bouwrente
Onttrekking aan voorziening
464
47
1.519
11
0
1.467
542
0
67
25
1.446
0
0
1.450
350
0
11
27
195
0
0
29
0
0
78
52
1.641
0
0
1.479
350
0
-62
53
1.689
0
0
1.509
350
0
-134
54
1.718
0
0
1.539
350
0
-138
55
1.748
0
0
1.570
350
0
-142
56
1.778
0
0
1.601
350
0
TOTAAL BATEN
4.050
3.338
262
3.600
3.539
3.527
3.585
3.643
NETTO KOSTEN
- netto kapitaallasten
- netto bedrijfsvoeringskosten
68.946
32.393
36.553
69.199
30.720
38.479
-2.759
-466
-2.293
66.440
30.254
36.186
67.237
30.443
36.794
72.707
34.481
38.226
74.899
35.551
39.348
76.220
35.883
40.337
BIJDRAGE WATERSCHAPPEN
72.510
72.510
-6.070
66.440
67.237
72.707
74.899
76.220
3.564
3.311
-3.311
0
0
0
0
0
150,60
150,31
0,00
150,31
150,31
150,31
150,31
150,31
RESULTAAT
PERSONEEL
Aantal formatieplaatsen (fte's)
(*) Dit betreft de gewijzigde (actuele) begroting 2012
Begroting 2014, Bijlage 8
W A T E R S C H A P S B E D R I J F
L
I
M
B
U
R
WATERSCHAPSBEDRIJF LIMBURG
Maria Theresialaan 99
Postbus 1315
ISO 9001
6040 KH Roermond
i s o 14001
KvK-nr. 504.534.83
OHSAS 18001
Bank: 63.67.60.464
G
r
Waterschap Roer en Overmaas
het Algemeen Bestuur
Postbus 185
6130 AD SITTARD
www.wbl.nl
[email protected]
1 8 DEC. 2013
ļ MUI
;
ļ
ļ
^
.AJg*d**n ď . d .
UW KENMERK
BEHANDELD DOOR
UW BRIEF VAN
TELEFOONNUMMER
ONS KENMERK
BIJLAGE(N)
ONDERWERP
Tel: 088-8420000
Fax: 0475-311605
porten/2013.12482
geen
Managementrapportage
(MARAP) t/m september 2013
E-MAIL
DATUM
ŕ
W.A.S. Pörteners
+31 655742253
[email protected]
16 december 2013
Geacht Bestuur,
1.
Inleiding
Op 11 december 2013 is de Managementrapportage (MARAP) t/m september 2013 (3 kwartaal)
besproken en vastgesteld in het Algemeen Bestuur van het WBL. Hierbij sturen wij u ter informatie een
e
korte samenvatting van de belangrijkste punten van deze MARAP. Indien u geïnteresseerd bent in de
gehele MARAP dan is deze toegankelijk
ons/bestuur/vergaderagenda' -* vergaderdata).
2.
via
de
internetsite:
www.wbl.nl
(zie
'Over
ExploitatieoverschotZ-tekort t/m 3 kwartaal 2013
e
Tijdens het jaar worden de begrootte netto kosten vergeleken met de gerealiseerde netto kosten.
Daarnaast wordt de geplande bijdrage van de Waterschappen vergeleken met de gerealiseerde bijdrage
(doorgaans zijn planning en realisatie van de waterschapsbijdrage aan elkaar gelijk).
W a t e r s c h a p s b e d r i j f Limburg is een samenwerkingsverband van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas
lllll
De gerealiseerde netto kosten t/m september 2013 zijn C 0,25 min lager dan gepland (begroot); zie ook
onderstaande tabel.
Tot e n m e t k w a r t a a l 3
Netto k o s t e n p e r unit
Bedragen
Totaal jaar
Realisatie Realisatie Begroting
Verschil
Realisatie
2013
2013
2012
1.000
2012
2013
Primitief
Actueel
Begr.2013 Begr.2013
315
392
423
-31
600
656
550
2.185
2.269
2.202
67
2.879
2.874
2.899
Operations
14.008
14.209
13.749
460
19.369
18.722
18.404
Onderhoud
6.304
6.559
7.140
-581
9.209
9.360
9.360
Human Resource Management
1.548
1.543
1.635
-92
2.652
2.481
2.724
Financiën Planning Concerncontrol
829
1.133
1.191
-58
1.212
1.573
1.264
Directie
328
291
350
-59
484
512
746
Bestuur
22
52
57
-5
119
74
65
Bovenformatief
97
78
125
-47
120
177
177
Kapitaallasten
18.698
18.760
18.664
96
31.004
30.011
30.251
T o t a a l netto k o s t e n
44.334
45.286
45.536
-250
67.648
66.440
66.440
Bijdrage W s - e n
54.382
49.830
49.830
0
72.510
66.440
66.440
Exploitatie s a l d o
10.049
4.544
4.294
250
4.862
0
0
Bouwen en Renoveren
IT, P r o d u k t - P r o c e s o n t w i k k e l i n g
De lagere netto kosten dan gepland worden verklaard uít:
»
hogere netto kosten unit operations ad C 0,46 min. Deze worden voornamelijk veroorzaakt door de
hogere kosten voor de TDH Venlo. Doordat de thermische drukhydrolyse nog niet presteerde
conform verwachting, is sprake van hogere kosten voor verbruik van chemicaliën en een lagere
productie van elektriciteit dan gepland. Met de leverancier is afgesproken dat de meerkosten van de
TDH Venlo ten opzichte van begroot voor TDH Venlo (op basis van de businesscase) door de
leverancier zullen worden gecompenseerd. Gecorrigeerd voor de bedrijfsvoering van de TDH Venlo
blijft de unit operations naar verwachting binnen het vastgestelde jaarbudget voor de unit;
«
lagere netto kosten unit onderhoud ad ê 0,58 min doordat de kosten voor onderhoud
slibontwateringen lager zijn uitgevallen dan gepland en doordat de ontvangst van facturen voor
civiel-bouwkundig onderhoud gebouwen en terreinen achterloopt ten opzichte van de planning
(beton- en asfaltreparaties). De onderschrijding bij onderhoud slibontwateringen is het gevolg van
een
gewijzigde
slibstrategie.
Vanuit
de
slibstrategie
is
namelijk
besloten
de
slibontwateringsinstallaties van Gennep, Weert en Wijlre uit bedrijf te nemen;
»
hogere netto kosten voor kapitaallasten ad C 0,1 min doordat er minder bouwrente is geactiveerd
dan gepland. Dit wordt verklaard uit het lagere volume aan onderhanden werken in de
investeringssfeer dan gepland;
»
de netto kosten van de overige units zijn in totaal 6 0,25 min lager dan begroot, grotendeels te
verklaren uit het achterlopen van de facturering door derden ten opzichte van de geplande uitgaven.
3.
Begrotingswijzigingen Marap t/m 3 kwartaal 2013
e
Bij de Marap t/m september 2013 wordt voorgesteld om de onttrekking ad C 42.400,- aan een opgeheven
voorziening, als budgettaire ruimte toe te voegen aan de post onvoorzien (zie onderstaande tabel).
Be stuursB e g r o t i n g 2013
B e g r o t i n g 2013 B e g r o t i n g s ­
Begroting
na wijziging
2013
2e k w a r t a a l
wijziging
Begroting
2013
3e k w a r t a a l n a w i j z i g i n g
N e t t o - k o s t e n p e r unit:
Bouwen en Renoveren
549.587
655.886
655.886
2.899.063
2.874.063
2.874.063
Operations
18.401.929
18.722.350
Onderhoud
9.359.889
9.359.889
9.359.889
Human Resource Management
2.724.197
2.480.617
2.480.617
Financiën Planning Concemcontrol
1.263.646
1.572.801
745.808
511.876
IT, P r o d u k t - P r o c e s o n t w i k k e l i n g
Directie
Bestuur
-42.400
18.679.950
1.572.801
42.400
554.276
64.845
74.545
74.545
177.214
177.214
177.214
Kapitaallasten
30.253.724
30.010.661
30.010.661
T O T A A L netto-kosten
66.439.902
66.439.902
Bovenformatief
0
66.439.902
Voor zover van toepassing zijn daarnaast bij de Marap t/m september 2013 budgettair neutraal per unit
binnen het unitbudget begrotingswijzigingen doorgevoerd.
4.
Investeringsuitgaven t/m 3 kwartaal 2013
e
Voor het jaar 2013 is een uitgavenbudget vastgesteld van C 31,64 min. Op grond van genomen ABbesluiten is dit uitgavenbudget per saldo verlaagd met ê 17,32 min tot ĉ 14,32 min.
Bij deze Marap wordt geen wijziging van het uitgavenvolume voorgesteld.
De gerealiseerde investeringsuitgaven t/m het 3e kwartaal van 2013 bedragen C 9,49 min en zijn
daarmee C 1,84 min lager dan het geplande niveau van C 11,33 min t/m september.
Voor het effect van de wijzigingen in de investeringsuitgaven in 2013 op de kapitaallasten 2013 zie de
onderstaande toelichting.
5.
Kapitaallasten
De kapitaallasten 2013 worden naar verwachting C 355.000,- hoger dan geraamd, bestaande uit:
hogere afschrijvingen ad C 296.000,- worden veroorzaakt door:
i. projecten die eerder gereed zijn gekomen resp. eerder in gebruik zijn genomen (circa
C 295.000). De belangrijkste zijn: vrijvervalriool MAA-rwzi Limmel, slibbuffer rwzi Susteren,
renovatie 4e etage laagbouw, vervanging Front 8c Back-office, aanpassen gemalen met
breektank;
ii.
project ontmantelen (slopen) droger Venlo heeft meer gekost dan gepland (C 110.000). Deze
kosten dienen in 2013 volledig te worden afgeschreven;
«
-4-
iii. daarnaast zijn een aantal kleinere projecten later gereed, hebben lagere uitgaven of zijn niet ten
uitvoer gekomen (-/- C 109.000);
lagere rentekosten ad C 100.000,- bestaande uit bestaat uit een voordeel op rekening-courant
geschat op C 30.000 door lagere investeringsuitgaven en een verwacht rentevoordeel op een nog af
te sluiten langlopende geldlening. Door lagere investeringsuitgaven in 2013 zal eind 2013 een
langlopende lening voor een lager bedrag afgesloten worden. Gelet op de huidige rentetarieven
wordt het rentevoordeel hiervan voor 2013 geschat op C 70.000;
lagere opbrengsten ad C 160.000 doordat minder bouwrente wordt toegerekend aan onderhanden
projecten. Er zijn in 2013 minder grote projecten in uitvoering waardoor de te activeren bouwrente
lager is dan begroot.
Overeenkomstig de nota financieel beleid is voor bepaling van de afschrijving het moment waarop het
actief/project in gebruik is genomen van belang. Is dit in de 1e helft van het jaar dan wordt in 2013 met
de afschrijving gestart. Is dit in de 2e helft van 2013 dan start de afschrijving in 2014.
Het effect van de bijgestelde lagere investeringen in 2013 heeft met name gevolgen voor de jaren na
2013. De projecten die tot hogere afschrijvingskosten leiden in 2013 zijn al voor 2013 gestart en zijn in
de 1e helft van 2013 in gebruik genomen.
De verlaging van de investeringsuitgaven betreffen met name het niet of later doorgaan van de projecten
clustering Simpelveld-Wijlre en transportleiding Simpelveld-Wijlre ad
C 8,5 min., aanpassingen rwzi
Roermond ad C 4,5 min., herziening/vervanging rekenkamer, front S backoffice ad C 1,6 min., vervangen
pompen 2013 ad C 1,2 min. Deze verlaging van de investeringsuitgaven heeft dan ook geen effect op
de afschrijvingskosten voor 2013 omdat de afschrijvingskosten voor deze projecten pas zijn begroot voor
de jaren na 2013.
6. Operations
Dat bij de Marap t/m september de prestaties t/m augustus worden weergegeven wordt verklaard uit de
omstandigheid dat de resultaten van de laboratoriumanalyses t/m september pas na de Marap t/m
september beschikbaar komen.
Prestaties: Zuiveren afvalwater
Bedrijfsvoering waterlijn en sliblijn
p l a n t/m
r e a l i s a t i e t/m
augustus 2013
a u g u s t u s 2013
CZV-verwijdering
92,2
92,3
P-verwijdering
76,0
76,3
N-verwijdering
77,9
78,5
Drogestofgehalte ontwaterd slib
26,4
25,4
Prestaties: Verwerken en afzetten van zuiveringsslib
Bedrijfsvoering
Totaal rendement droger
1) totaal rendement
1)
p l a n t/m
r e a l i s a t i e t/m
augustus 2013
a u g u s t u s 2013
57,7
56,5
: technisch rendement x proces rendement/100
Rechtmatigheid:
»
Tijdens de extreem warme periode in juli zijn er problemen ontstaan met de beluchting van de
areatietanks van de rwzi Susteren. Dit heeft geleidt tot een tijdelijk verhoogde fosfaat-concentratie in
het effluent.
»
Eind september heeft er een gemeentelijke overstort aan de Groot Bollerweg te Venlo
plaatsgevonden. De overstort werd veroorzaakt door een gesloten afsluiter in het ontvangst-werk
van de rwzi Venlo. Hierdoor kon niet voldoende afvalwater worden ingenomen. Na constatering van
deze situatie zijn direct passende maatregelen genomen die voorkomen dat deze afsluiters niet meer
onbewust kunnen worden gesloten.
Naleving wet- en regelgeving:
»
De wet- en regelgeving ondergaat momenteel een aantal wijzigingen in het kader van onder andere
het Activiteiten Besluit. Deze wijzigingen vereisen mogelijk ook wijzigingen in het
vergunningenbeheer. Om de impact van deze wijzigingen in relatie tot het beheer van de aan het
WBL verleende vergunningen te toetsen heeft er een nulmeting van het WBL vergunningenbeheer
plaatsgevonden. Hierbij zijn een aantal aandachtpunten geconstateerd. Om de aandachtpunten
gestructureerd op te pakken is een plan van aanpak opgesteld. Door de uitvoering van dit plan wil
het WBL ook in de toekomst op effectieve en efficiënte wijze aan de wet- en regelgeving blijven
voldoen.
De afgelopen maanden is een financieel model ontwikkeld waarin de financiële resultaten en prognoses
worden gebaseerd op OPEX (operating expenditures) sheets per locatie. Input voor dit model wordt
verkregen van de systemen Coda (financiën) en Prins (prestatieregistratie). Door de betrokken units
wordt continu gewerkt aan het verbeteren van de betrouwbaarheid van de gegevens.
7.
Onderhoud
In 2012 is gestart met het bundelen van Correctief onderhoud (planmatig onderhoud waarbij een
geconstateerd gebrek wordt verholpen), als vervolg op het in 2011 ingezette beleid van bundelen van
alle activiteiten waardoor deze beter planbaar worden gemaakt. Deze maatregel leidt tot efficiënter
werken hetgeen zich vertaalt naar lage kosten voor inhuur van monteurs.
Onderstaand is de kwantitatieve status van de uit te voeren werkzaamheden weergegeven:
»
Realisatie preventief onderhoud is conform planning;
«
Realisatie correctief onderhoud loopt iets achter op planning. Hiervoor worden in de tweede helft van
jaar corrigerende maatregelen getroffen, onder andere door inzet van uren van toezichthouders van
de unit B&R;
«
Het storingsonderhoud geeft over de periode tot en met augustus een dalende trend aan t.o.v.
dezelfde periode in het afgelopen jaar.
In deze grafiek is het aantal storingen in 2013 (paars) en in 2012 (blauw) weergegeven.
Storingen O n d e r h o u d W B L
5
I
Realisatie 2012 [Aantallen]
1
100
8
10
11
Storing Onderhoud Extern (gemalen gemeenten, IBAen WPM) (kwantitatief):
In de grafiek is het aantal storingen in 2013 (paars) en in 2012 (blauw) weergegeven.
Storingen O n d e r h o u d
klanten
75
Realisatie 2013 [Aantallen]
Realisatie 2012 [Aantalen]
15
1
^
1
_
l
Het grotere aantal storingen
1
(SCC/o
5
6
7
8
9
10
11
11
van het totaal) vanaf de maand mei 2013 wordt veroorzaakt door de
gemalen van de gemeente Valkenburg, waarvan per mei het beheer en onderhoud door de gemeente
Valkenburg is opgedragen aan het WBL.
8.
HRM, bestuurs- en juridische ondersteuning, facilitaire zaken
Het WBL streeft ernaar dat iedereen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd vitaal,
gezond en met plezier aan het werk is. Om dit te kunnen realiseren wordt een actief personeelsbeleid
gehanteerd, waarin het bevorderen van gezondheid en welzijn van medewerkers centraal staat. Mede
gelet op de vergrijzing van onze organisatie is duurzame inzetbaarheid van mensen een belangrijk
speerpunt in onze organisatie. In de maanden mei en juni is daarom een Preventief Medisch Onderzoek
(PMO) uitgevoerd binnen onze organisatie, waaraan 91 "/o van de mensen (in totaai 125 personen) heeft
deelgenomen.
Alle medewerkers die hebben deelgenomen aan dit onderzoek hebben een individueel advies gekregen
naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek. Naar aanleiding van het onderzoek is een uitgebreid
rapport met bevindingen opgesteld. Het rapport geeft een gedegen inzicht in de gezondheid en vitaliteit
van de mensen in onze organisatie en/of mogelijke risico's ten aanzien van het (langdurig) uitvallen van
medewerkers.
Uit het onderzoek naar het werkvermogen (- de mate waarin medewerkers aan de fysieke en mentale
eisen van het werk kunnen voldoen) blijkt dat:
-
21 fũ
a
van de medewerkers beschikt over een uitstekend werkvermogen;
0
-
60 Zo van de medewerkers beschikt over een goed werkvermogen;
-
12 /" heeft een matig werkvermogen en
slechts 1Zo heeft een slecht werkvermogen.
0
0
De gemiddelde score van het werkvermogen van het WBL ligt binnen de bandbreedte van 37-43 punten,
hetgeen inhoudt dat het WBL gemiddeld gezien beschikt over een goed werkvermogen, mede gelet op
de gemiddelde leeftijd van 48,15 jaar in onze organisatie. Het huidige WBL ziekteverzuimpercentage van
3,03 Zo (t/m september 2013) bevestigt dit ook. Inmiddels is, in samenspraak met de VGW-commissie,
0
een plan van aanpak opgesteld om de aangedragen aanbevelingen verder uit te werken. Om de
duurzame inzetbaarheid van mensen goed te kunnen blijven monitoren wordt 1x per 2 jaar een
uitgebreid preventief medisch onderzoek uitgevoerd en 1x per jaar een on line vragenlijst uitgezet.
9.
Financiën, Planning, Concemcontrol
Met de invoering van het Handboek Inkoop en Aanbesteding is afgesproken dat verantwoording met
betrekking tot nieuwe opdrachten omtrent de toegepaste wijze van inkoop- en aanbesteding steeds per
kwartaal plaats vindt. M et betrekking tot inkoop en aanbesteding is relevant dat t/m september in totaal
150 nieuwe opdrachten zijn verstrekt resp. nieuwe contracten zijn afgesloten, met een opdrachtwaarde
van C 14,1 min. Van dit volume is C 10,3 min terug te voeren op 5 opdrachten op basis van nationale I
Europese aanbestedingen.
Met betrekking tot de meervoudige onderhandse aanbesteding blijkt dat bij 10 van de 17 opdrachten
gebruik is gemaakt van de hardheidsclausule (afzien op grond van moverende redenen van opvragen
van meerdere offertes).
Uit de hieromtrent afgelegde verantwoording blijkt dat in al deze gevallen sprake is geweest van
rechtmatige aanbesteding.
Namens het Algemeen Bestuur,
Hoogachtend,
de directeur,
de voorzitter,
ing. E.M . Pelzer M M O
mr. A.M.G. Gresel
Bezoekadres
UNIH VAN WATĽRSCHAPPĽN
K o n i n g s k a d e 40
2596 A A D e n H a a g
Postadres
Postbus 93218
2509 A E D e n H a a g
1
iiiii
2
DEC.
Telefoon
2013,
070 351 97 5'
Fax
1
^
070 354 46 42
1
De leden-waterschappen
t.a.v. hoofden Financiën
j s k L Leen o f^ -:
13
Aí a
datum
ons kenmerk
contactpersoon
10 december 2013
-
mr.P.M. Landstra
bijlage(n)
uw kenmerk
e-mail
1
-
[email protected]
betreft
doorkiesnummer
begroting 2014 Unie van Waterschappen
070-351 97 57
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij ontvangt u de op 4 oktober 2014 vastgestelde begroting van de Unie van Waterschap­
pen. Begin januari ontvangt u de factuur inzake uw jaarlijkse bijdrage.
Landstra
U N I Ľ VAN WATĽRSCHAPPĽN
Begroting 2014
Kader
Programma's
M e e r j a r e n b e g r o t i n g o p hoofdlijnen
B e g r o t i n g baten en lasten
Toelichting begroting baten en lasten
Contributiebijdrage W a t e r s c h a p p e n 2 0 1 4
KADER
De Unie van Waterschappen is de vereniging van alle waterschappen in Nederland en de
werkgeversorganisatie van ongeveer 11.000 waterschapsmedewerkers bij 24 waterschappen in
Nederland. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van waterkeringen, het
regionale waterbeheer en het zuiveren van afvalwater. Het bureau van de Unie van Water­
schappen ondersteunt de vereniging op het gebied van beleidsontwikkeling, belangenbeharti­
ging en lobby bij de Europese Unie, het parlement, de ministeries, en de bestuurlijke besluit­
vorming (binnen de vereniging, met het Rijk, IPO en de VNG, het Parlement, de Europese in­
stellingen en andere belangenorganisaties). Daartoe is een uitgebreid netwerk opgebouwd. De­
ze taken worden voor en met de waterschappen voorbereid en uitgevoerd, waarbij bestuurders
en medewerkers van waterschappen betrokken worden bij Uniewerkzaamheden; tevens wordt
bij het implementeren van vastgestelde of nieuwe regelgeving (meer) gebruik gemaakt van de
expertise van medewerkers van waterschappen.
Visie en doelstelling
De Unie van Waterschappen wil leidend zijn in de strategische discussie over regionaal water­
beheer, in zowel de nationale als internationale context, met als doel: 'Duurzaam waterbeheer'.
De Unie streeft ernaar de meest inspirerende gesprekspartner over regionaal waterbeheer te
zijn en dus aanwezig te zijn op plekken waar (belangrijke) besluiten worden genomen. De ambi­
tie is te excelleren in strategisch netwerken, adequaat in te spelen op veranderingen, initiatie­
ven te nemen en communicatief te zijn: te inspireren en te verbinden, kennis van zaken te heb­
ben, inhoudelijk generalist en volwaardige gesprekspartner te zijn en het kennen van de 'ins' en
'outs' van de 'Haagse' en 'Brusselse' bureaucratie. Een vereniging die er ook voor zorgt dat haar
leden als regionale waterbeheerders optimaal kunnen (samen)werken aan waterveiligheid, vol­
doende en schoon water. Kortom, een (h)erkend belangenbehartiger die:
"
de waterschappen in Den Haag en Brussel (via Bureau Brussel) door middel van een
krachtige lobby vertegenwoordigt en zichtbaar laat zijn als een krachtige, doeltreffende,
doelmatige, transparante en dienstverlenende overheid;
« als volwaardige partner meepraat en meebeslist over alle zaken die raken aan 'het zijn' van
een professionele, moderne overheid;
*
beschikt over goede contacten/netwerken bij verschillende ministeries zoals Financiën,
EZI, l&M, BZK, SZW, andere koepelorganisaties, verenigingen, maatschappelijke organisa­
ties en het parlement;
"
zo mogelijk gezamenlijk optrekt met andere koepels zoals VNG en IPO; met als doel de
samenwerking tussen waterschappen, gemeenten en provincies in de regio te bevorderen;
de ervaringen van de waterschappen optimaal inzet als belangenbehartiger; hiertoe zijn er
goede contacten binnen de waterschappen;
"
brede kennisuitwisseling en samenwerking tussen de waterschappen onderling, maar ook
tussen de waterschappen en andere partijen, stimuleert en faciliteert; daarbij worden de
nodige verbanden gelegd en belemmeringen weggenomen;
er voor zorgt dat waterschappen met één mond naar buiten treden en doen wat ze beloven.
Hiermee anticipeert de Unie op veranderende wensen van waterschappen, veranderende
maatschappelijke vraagstukken en toenemende internationalisering. De beoogde proactieve
inzet van het Unie wordt bereikt met een programmaorganisatie die op samenwerking is gericht.
Deze begroting vormt het raamwerk voor de werkzaamheden van de Unie van Waterschappen
in 2014. De begroting is met name gebaseerd op het Bestuursprogramma het Bestuursakkoord
Water en er is, voor zover nodig, rekening gehouden met het Regeerakkoord.
5
Bestuursprogramma
Het bestuur van de Unie van Waterschappen heeft in het Bestuursprogramma 2010- 2013, ge­
naamd Scherp aan de wind, het beleid op hoofdlijnen vastgelegd. Zij streeft hierin naar een
daadkrachtige, zichtbare, eensgezinde en betrouwbare Unie van Waterschappen. Het Be­
stuursprogramma focust op een viertal thema's, te weten:
1. Wateropgaven (kernwoorden: waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit).
2. De kracht van de waterschappen (kernwoorden: slagvaardig, doelmatig, zichtbaar).
3. Innovatieve oplossingen (kernwoorden: innovatieve overheid, internationale samenwerking).
4. De kracht van de Unie (kernwoorden: visievorming, aangaan nieuwe coalities, aantrekkelijk
werkgeverschap).
Deze thema's zijn in het Bestuursprogramma verder uitgewerkt, met onderwerpen als watervei­
ligheid, -kwaliteit en -kwantiteit, doelmatig waterbeheer, waterschapsverkiezingen, internationa­
le samenwerking en aantrekkelijk werkgeverschap. Zichtbaarheid, verbinding met de water­
schappen en het aangaan van (nieuwe) coalities zijn daarbij steeds terugkomende elementen.
In 2013/2014 zal het Bestuursprogramma worden geactualiseerd.
Bestuursakkoord Water
Op 23 mei 2011 is het Bestuursakkoord Water getekend door Rijk, VNG, IPO, VEWIN en Unie.
Waterschappen, gemeenten, provincies, drinkwaterbedrijven en het Rijk hebben concrete af­
spraken gemaakt over het waterbeleid in Nederland. Het belangrijkste doel van het Bestuursak­
koord Water is met minder kosten en minder bestuurlijke drukte Nederland de komende jaren
droog en veilig te houden. Dit is een belangrijke stap vooruit, gezien de uitdagingen waarvoor
de watersector staat. In het akkoord hebben de waterschappen meer taken en verantwoorde­
lijkheden gekregen. De uitdagingen om Nederland nu en in de toekomst droog te houden, en
voldoende schoon water beschikbaar te hebben, zijn groot. Door de klimaatverandering neemt
de wateroverlast toe. Verdroging is een steeds groter probleem voor de landbouw en de natuur.
Het Bestuursakkoord Water anticipeert op deze veranderingen en de benodigde investeringen,
door de komende jaren, onder andere, in te zetten op een doelmatigheidswinst die oploopt tot
750 miljoen euro per jaar in 2020. Naast structurele besparingen voorziet het Bestuursakkoord
Water een stevige reductie van 'bestuurlijke drukte'. Uitgangspunt hierbij is 'je gaat erover of
niet'. Op het gebied van de waterveiligheid krijgen de waterschappen meer verantwoordelijk­
heid. De waterschappen nemen de helft van de financiering en uitvoering van het Hoogwater­
beschermingsprogramma voor hun rekening.
Organisatie
De Unie wordt aangestuurd door een managementteam onder leiding van de Algemeen Direc­
teur. Er wordt gewerkt binnen vier programma's die de doelstellingen van de Unie op een sa­
menhangende wijze clusteren: Vereniging 8. Communicatie, Waterbeleid, Moderne Overheid en
Innovatie&lntemationaal. Hiernaast kent de Unie een Stafbureau Bedrijfsvoering met als apart
onderdeel team Bestuurlijk Juridische Zaken.
De Programma's worden hieronder kort beschreven, verderop in deze begroting volgt een uit­
gebreidere beschrijving.
Programma Vereniging Å Communicatie: sturing van beleids- en besluitvormingsprocessen.
Kenmerkende producten en diensten in dit programma:
»
Lobby/public affairs, communicatie, communicatiebewustzijn, mediabeleid en educatie.
»
Stroomlijning van informatievoorziening via SharePoint, digitale nieuwsbrieven (maan­
delijkse publieke nieuwsbrief en wekelijkse nieuwsbrief aan voorzitters en SD-en), web­
sites www.waterschappen.nl en www.uvw.nl, Twitter, de knipseldienst en bijeenkom­
sten.
6
»
Visievorming over de vereniging, strategieontwikkeling, standpuntbepaling en besluit­
vorming over de vereniging (relatie met uitwerking resultaten commissie Organisatie en
Werking Unie van Waterschappen (Commissie Doornbos).
In 2014 wordt voor dit programma een uitgave begroot van C 773.000,tieprijs en geen sponsoring
Watermuseum
meer; 260.000 euro; communicatie
verkiezingen
(extra to.v. 2013 de innova­
2013: 193.000
Kosten 'Het W a t e r s c h a p '
euro)
162.000
Educatie
25.000
Digitale Media
115.000
Sponsoring ' G e m a l e n Stichting'
8.000
Landelijke Waterschapsverkiezingen
193.000
Waterschapsdag.diner en bestuurdersdagen
107.500
Innovatieprijs
50.000
L o b b y en C o m m u n i c a t i e
112.500
B e s c h i k b a r e f o r m a t i e is 6 . 4
Programma Waterbeleid: de beïnvloeding van het nationale beleid à besluitvormingsproces.
Kenmerkende producten en diensten in dit programma zijn:
»
Richting geven, sturen en bijdragen aan het Hoogwaterbeschermingsbeleid.
»
Volgen van de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Waterkwantiteit (WB21)
en het NBW.
«
Richting geven aan het volgende KRW-proces en agrarische emissies verder terugdrin­
gen.
»
Zorgen dat waterschappen goede instrumenten bezitten om hun taken uit te voeren
(fiscale beleid herijken en waterschappen profileren in Waterwetgevingsprocessen en
onderliggende AMvB's).
In 2014 wordt voor dit programma een uitgave begroot van C 230.000,Waterkwantiteit
60.000
Hoogwaterbescherming
110.000
Waterkwaliteit
60.000
B e s c h i k b a r e f o r m a t i e is 7.7
Programma Moderne Overheid: waterschappen positioneren als volwaardige medeoverheid die
goed toegerust is op zijn taak. Het programma vertegenwoordigt de waterschappen in Den
Haag en Brussel door middel van een krachtige lobby en maakt hen zichtbaar als een krachti­
ge, doeltreffende, doelmatige, transparante en dienstverlenende overheid.
De prioriteiten voor 2014 zijn:
»
Inzet op behoud van financiële ruimte voor de waterschappen om blijvend te kunnen in­
vesteren in waterveiligheid, bestrijding wateroverlast, zoetwatervoorziening, verbetering
van de waterkwaliteit en zuivering van afvalwater.
«
Verankering van informatieveiligheid door de waterschappen met als beoogd einddoel
een verplichtende vorm van zelfregulering.
«
Vergroten van de doelmatigheid, onder andere door de samenwerking tussen water­
schappen onderling, en waterschappen en derden, te versterken. Een van de thema's
waarop wordt ingezet is de samenwerking op het terrein van Inkoop en Aanbesteden.
»
Professionaliseren van de bedrijfsvergelijkingen, monitoring en informatievoorziening.
7
»
Aantrekkelijk werkgeverschap.
In 2014 wordt voor dit programma een uitgave begroot van C 705.000,Waarderingskamer
wordt gecompenseerd
schoven naar programma
Financiële
via Algemene
(waarvan
e 100.000
voor
Reserve; t.o.v. 2013 is 6 200.000,- voor Afvalwaterketen
ver­
l&l))
25.000
onderwerpen, dienstverlening, e-overheid e.d.
225.000
Bedrijfsvergelijkingen
Inkoop en aanbestedingen
90.000
Crisisbeheersing
40.000
Aantrekkelijk Werkgeverschap
75.000
Informatieveiligheid
150.000
Compensatie kosten W a a r d e r i n g s k a m e r
100.000
B e s c h i k b a r e f o r m a t i e is 8.4
Programma Innovatie en Internationaal: het profileren van innovatie en bestuurlijke vernieuwing.
Kenmerkende thema's in dit programma zijn:
»
Kennis en Innovatie.
»
Klimaat en Energie.
»
Europese beleidsontwikkeling en belangenbehartiging.
«
Coördinatie van de sectorale inzet van waterschappen op bepalend (inter) nationaal be­
leid (Water Mondiaal, Water 2020).
»
Versterken strategische positie van waterschappen bij gebiedsontwikkeling.
In 2014 wordt voor dit programma een uitgave begroot van C 782.000,ongeveer 6 130.000 t.b.v. van lidmaatschappen,
programma
contributies
(waarvan
e.d.; t.o.v. 2013 is Afvalwaterketen
toegevoegd
vanuit
MO)
313.000
Internationaal
27.000
Stichting Schildhuisfonds
152.000
Kennis en Innovatie
80.000
Klimaat en Energie
200.000
Afvalwaterketen
10.000
Programmazaken (werksessies)
B e s c h i k b a r e f o r m a t i e is 6.9
Team Bestuurlijk Juridische zaken (onderdeel Bedrijfsvoering), interne afstemming en samen­
werking op bestuurlijk juridisch gebied versterken.
Kenmerkende producten en diensten van dit onderdeel zijn:
«
Participeren/lobby in wetgevingstrajecten met alle nazorg.
»
Algemeen: Grondwet, Wet gemeenschappelijke regelingen, Algemene Wet Bestuurs­
recht e t c .
«
Waterschapswet.
«
Fiscale Wetgeving.
«
Omgevingswetgeving: milieu, water (wijzigingen Waterwet), ruimtelijke ordening en na­
tuur.
8
In 2014 wordt voor dit onderdeel een uitgave begroot van C 73.000,ÉT 25..000
t.b.v. verplichte bijdrage Landelijk Aanpak Toezicht Risico
(waarvan
Bedrijven).
W e t en regelgeving
27.000
Fiscale wetgeving en beleid
46.000
B e s c h i k b a r e f o r m a t i e is 5.0
Daarnaast zorgt het Stafbureau Bedrijfsvoering voorde ondersteuning van het bureau en de
vereniging (inclusief BJZ 1 4 . 3 fte)
Bezetting Uniebureau
Ongeveer 5 5 medewerkers voeren de werkzaamheden uit. Hierbij wordt er naar gestreefd 10 Zo
in te vullen met medewerkers van waterschappen voor tijdelijke projecten, in verband met tijde­
lijke vervanging en uit een oogpunt van loopbaanontwikkeling. Het totale aantal fte zal ook in
2 0 1 4 gelijk blijven ( 5 1 , 7 ) . Dat de totale salariskosten toch stijgen heeft met de gecumuleerde
verhogingen van een aantal onderdelen van de salarissen te maken (ikb, pensioenen e.d.), en
het opnemen van salariskosten welke weer gecompenseerd worden via de post 'teruggave sa­
larissen'. De verhoging van de post 'uitzendkrachten/externen' heeft te maken met de compen­
serende inhuur van capaciteit in verband met detachering medewerkers aan het programma
nHWBP. Daarnaast is gekeken naar de benodigde middelen in de afgelopen jaren.
o
Personeel
De nadruk binnen werkzaamheden van de beleidsmedewerkers ligt op de lobby, communicatie
(in- en extern) en de regie van beleidsprocessen. In 2 0 1 1 is een strategische HR-notitie vastge­
steld waarin dit wordt aangegeven, maar waarin ook de persoonlijke ontwikkeling in relatie tot
de organisatiedoelstellingen centraal staat. De sleutel tot succes is het bieden van richting,
ruimte en resultaat en vanuit die conclusie zijn de benodigde competenties nader beschouwd
en aangepast.
Financiële gevolgen en verwachte contributiestijging
De totale begroting bedraagt ongeveer 9 miljoen euro. Daarvan is ongeveer 6 , 5 miljoen be­
stemd ten bate van de exploitatie (kapitaallasten, personeelslasten, huisvesting et cetera). Dit
betekent dat uiteindelijk circa 2 , 5 miljoen euro bestemd is om de programma's hun activiteiten
te kunnen laten verrichten; hiervan is een deel bestemd voor zogenaamde niet beïnvloedbare
posten zoals contributies, lidmaatschappen e.d. Maar ook voor reeds eerder aangegane ver­
plichtingen als Bedrijfsvergelijkingen en Afvalwaterketen.
Om het juiste percentage in 2 0 1 4 van de contributiebijdrage ten opzichte van 2 0 1 3 te kunnen
bepalen is een aantal zaken van belang. Het Watermuseum wordt niet meer van subsidie voor­
zien; er is reeds een besluit genomen geld uit te trekken voor Informatiebeleid en er wordt reke­
ning gehouden met een inflatiecorrectie. Daarnaast is nog een bedrag gereserveerd voor de
verkiezingen 2 0 1 5 . Samenvattend betekent dit dat de contributiebijdrage ten opzichte van de in
2 0 1 3 gehanteerde nullijn met 1 M zal stijgen (-3,1 Zo vanwege einde bijdrage aan Watermuse­
um, + 1,8 Zo vanwege eenmalig besluit Informatiebeleid, +2Č "/o vanwege een inflatiecorrectie
en + 2 7o vanwege de verkiezingen). Eenmalig zal ë 1 0 0 . 0 0 0 , - extra aan de Algemene Reserve
worden onttrokken ten behoeve van compensatie Waarderingskamer.
0
0
0
0
Risico's en onzekerheden Er is een aantal risico's en onzekerheden in 2 0 1 4 (en daarna) voor
het financieel beheer. Hieronder een overzicht.
In de begroting voor 2 0 1 4 zal conform de meerjarenbegroting gerekend worden met huurop­
brengsten die op ongeveer 2 / 3 van de inkomsten liggen van de huurinkomsten in 2 0 1 1 . Dit on­
danks het feit dat de te verhuren ruimten op dit moment bijna volledig bezet zijn maar nieuwe
contracten moeten voor veel lagere huurprijzen worden afgesloten vanwege de marktwerking.
9
Met de aanname als bovengenoemd wordt er overigens van uitgegaan dat het programmabu­
reau nHWBP in ieder geval in 2014 gehuisvest zal blijven op de K oningskade 40.
Daarnaast is eerder geconstateerd dat de financieringsprojecten de komende jaren naar ver­
wachting 'opdrogen' en dat dit voor een korte periode in het jaar liquiditeitsbehoefte met zich
kan brengen. Door een tijdige betaling van de contributiebijdrage van de leden lijkt dit in 2014
nog niet tot een knelpunt te leiden.
Een ander risico is dat de capaciteit (vaste formatie) van het Uniebureau nog immer krap is voor
de hoeveelheid werk. Dit wordt o.a. opgevangen met de tijdelijk detachering van betaalde
krachten en/of met hulp van waterschappen (zogenaamde flexibele kop). De hoop is dat met
name de inzet van de waterschappen kan worden gecontinueerd.
Extra inzet betekent overigens wel, niet altijd te voorziene, extra kosten.
Voor het overige zijn de volgende zaken van belang:
­Vergaderkosten/Het Waterschapshuis 2.0:
Sinds Het Waterschapshuis een vergadercentrum heeft ingericht worden de kosten van dat
centrum (los van de kosten van bijvoorbeeld lunches e.d.) betaald via de begroting van Het Wa­
terschapshuis. Bezien is of het gewenst is, vanwege de transparantie van de begroting, de kos­
ten op te nemen in de begroting van de organisatie die gebruik heeft gemaakt van het verga­
dercentrum. Bekeken is wat de kosten voor de Unie van Waterschappen zijn. Dit komt neer op
o n g e v e e r d 80.000,­ per jaar. Mede omdat op dit moment wordt nagedacht hoe de organisatie
rond het Waterschapshuis in de toekomst moet worden ingericht en op welke wijze de Unie
daarbij betrokken is, zal nadere integrale besluitvorming later plaatsvinden.
­Verkiezingen
In verband met de waterschapsverkiezingen, en met name de voorbereiding daarvan, is een
bedrag van ê 193.000,­ geraamd voor 2014. De totale lasten voor de waterschappen zullen
vanzelfsprekend hoger zijn.
­Sharepoint
Het gebruik van sharepoint is een succes. De Unie faciliteert dit. Op dit moment zijn er onge­
veer 3000 gebruikers. De verwachting is dat dit aantal de komende jaren stabiel zal blijven. Er
zal een besluit moeten worden genomen om te bezien op welke wijze het gebruik van share­
point zal worden voortgezet. Als gehoor wordt gegeven dan de wens tot optimalisering zullen de
kosten hoger worden. Een voorstel daaromtrent zal later nog worden voorgelegd. Waarschijnlijk
heeft dit echter pas effect in de begroting 2015.
­Algemene Reserve
Sinds een aantal jaren wordt structureel een bedrag van C 189.000,­ uit de Algemene Reserve
gehaald en in 2014 zou dat eenmalig C 289.000,­ zijn (in verband met de weggevallen Rijks­
compensatie waarmee kosten voor Waarderingskamer zijn gedekt). Uiteindelijk zou dan de Al­
gemene Reserve worden afgebouwd naar het berekende benodigde weerstandsvermogen van
ē 1 miljoen in 2020.
Dit was gebaseerd op een aantal risico's waarover tijdens de bespreking van de begroting 2013
op 14 september 2012 in de CBCF en op 5 oktober 2012 in de LV is gesproken.
Eén onderwerp is op dit moment van belang om nader te belichten t.w. de waarde van het vast­
goed (pand van de Unie). Deze is de laatste jaren fors minder geworden. Dit betekent dat er
sprake is/kan zijn van een substantiële negatieve stille reserve. Hoewel geen urgent probleem
omdat geen plannen bestaan om het pand aan de K oningskade te Den Haag te veriaten bete­
kent het wel dat onzekerheid bestaat over het werkelijke weerstandsvermogen. De boekhoud­
kundige Algemene Reserve vormt dus geen echte buffer voor eventuele tegenvallers. In de le­
10
denvergadering van juni 2013 is dit besproken en door de leden aanvaard. In 2014 zal bij het
opstellen van de begroting 2015 nader worden ingegaan op de Algemene Reserve, mede ge­
baseerd op een, vóór de jaarrekening 2013, op te maken taxatie.
Op dit moment ziet de ontwikkeling van de boekhoudkundige Algemene Reserve er als volgt uit.
Ontwikkeling Algemene Reserve grafisch weergegeven (weerstandvermogen van 1 miljoen wordt
ongeveer in 2020/2021 bereikt)
4.500.000
4.000.000
3.500.000
3.000.000
2.500.000
13.
2.000.000
1.500.000
1.000.000
500.000
O
-I
1
2009
1
2010 2011
1
2012
1
1
1
2013
2014
11
2015
1
1
2016
2017
1
2018
1
1
2019
2020
PROGRAMMA VERENIGING EN COMMUNICATIE
Programmaleider:
Portefeuillehouder:
Sonja Timmer
Peter
Brand
Glas
Het programma Vereniging en Communicatie zorgt ervoor dat de Unie toegankelijk en transpa­
rant communiceert. Het programma zorgt voor draagvlak bij de achterban en in het netwerk en
voor het imago van de waterschappen als een daadkrachtige en betrouwbare overheid. Het
programma verbindt de waterschappen in de vereniging en de vereniging met de politiek en
maatschappelijke organisaties. Het programma faciliteert visievorming, strategieontwikkeling,
standpuntbepaling en besluitvorming zodat de waterschappen voor het gezamenlijke belang
gaan. SharePoint is hiervoor een centrale schakel. Communicatiebewustzijn is een voorwaarde
voor goede belangenbehartiging. Het programma geeft bestuur en medewerkers advies op het
gebied van communicatie.
Speerpunten 2014 (sluiten aan bij Bestuursprogramma en het Bestuursakkoord
Water):
-Verkiezingen waterschappen - Provinciale Staten in maart 2015. In 2014 wordt volop begon­
nen met de voorbereiding van deze verkiezingen.
-Verbinding tussen public affairs (Den Haag en Brussel) en communicatie.
-Verbinding vanuit de Unie met het ministerie van lenľvl rondom het nieuwe nationale program­
ma voor sectorcommunicatie (de follow up van Nederland Leeft met Water).
-Mogelijkheden van SharePoint worden op een rij gezet en de koers wordt bepaald.
-Zichtbaarheid naar de leden: accountgesprekken, Roadshow (presentatie) bij de waterschap­
pen, verbinding met de bestuursdiensten, communicatiebewustzijn.
-Nieuwe Unie-huisstijl, in relatie tot het merkenbeleid, loopt door in 2014.
-Communicatiebewustzijn is de rode draad binnen de Unie.
Bestuursprogramma
1. Krachtige organisatie
Het bestuur staat voor een daadkrachtige, eensgezinde en betrouwbare Unie van Waterschap­
pen. Een vereniging die zorgt dat haar leden optimaal kunnen samenwerken.
Het Programma Vereniging en Communicatie zorgt er voor dat de waterschappen zichtbaar
zijn. De belangenbehartiging in Brussel loopt primair via het programma Innovatie en Internatio­
naal, ondersteund door Vereniging en Communicatie.
Unie als
communicatieregisseur
De cultuur van waterschappen is heel aards. Deze staan dichtbij gemeenten en de inwoners.
Dit willen we in beeld brengen. Unie en de waterschappen moeten eikaars boodschap verster­
ken en samen optrekken. De Unie voert de regie waar het landelijke issues betreft.
De Unie is bij landelijke issues de spin in het communicatieweb van de waterschappen en
treedt op als spelverdeler en informatieverstrekker en stimuleert dat de waterschappen elkaar
vinden en goed geïnformeerd zijn. Communicatieprofessionals uit de waterschappen nemen
binnen de werkgroep Communicatie deel aan Unie-activiteiten. Een goede samenwerking ont­
staat door elkaar te leren kennen, kennis en ervaringen te delen en elkaar scherp te houden.
Het geen concreet betekent dat van de waterschappen wordt verwacht dat ze alert zijn op za­
ken die van landelijk belang zijn en dus pro-actief de Unie betrekken wanneer dergelijke zaken
zich aandienen. Dit geldt zowel voor de ambtelijke lijn als de bestuurlijke.
W e investeren in ons netwerk. We zijn op de hoogte van wat er speelt en spelen er op in. We
organiseren bijeenkomsten om onze punten over het voetlicht te brengen en te netwerken.
Samen met de waterschappen wordt een jaarkalender opgesteld met thema's waarmee de wa­
terschappen zich profileren. Deze kalender voegt zich naar nieuwe ontwikkelingen.
12
Samenvattend is onze aanpak:
-Werken met kernboodschappen.
-Unie voert regie bij landelijke issues: initieert, jaagt aan en agendeert.
-Samen met de waterschappen het waterschapswerk zichtbaar maken.
-Focus op gratis publiciteit.
-Communicatie naar/via de media ondersteunt communicatie met politici en beleidmakers.
-Scherp monitoren en inspelen op nieuwe ontwikkelingen.
-Goed voorbereid zijn (Q&A's over alle issues).
-Intensief contact met beslissers en opinieleiders onderhouden.
-Intensief contact met de media onderhouden en deze proactief benaderen.
-Waterschappen geïnformeerd houden: o.a. via de website, social media en de nieuwsbrieven.
-Van waterschappen mag worden verwacht dat ze de Unie 'in de loop' meenemen als zich bij
individuele waterschappen zaken aandien die landelijke implicaties hebben.
/Wed/äsrVaŕeg/e
Het hoofddoel van de mediastrategie is dat de waterschappen actiever naar buiten treden en
zelf mediamomenten bepalen en publiciteit generen. Binnen de mediastrategie kunnen de wa­
terschappen vanzelfsprekend zelf hun persbeleid vormgeven, waarbij de communicatie­
inspanningen van de Unie en de waterschappen elkaar versterken.
De mediastrategie sluit aan bij de communicatiestrategie zoals deze door de Unie van Water­
schappen is geformuleerd. Deze communicatiestrategie heeft vier doelstellingen:
-Politiek en inwoners beslissen op basis van feitelijk juiste informatie over de onderliggende
thema's in lijn met de belangen van de waterschappen
-Politiek en inwoners begrijpen waarom de waterschappen bestaan als aparte bestuurslaag en
geloven in de voordelen. Eigen waterschapsverkiezingen horen daarbij
-De stakeholders voelen zich gebonden aan de waterschappen vanwege hun expertise
-Bestuurders, directies en medewerkers van waterschappen beschikken voortdurend en op tijd
over de benodigde informatie binnen de impliciet en expliciet overeengekomen condities.
De belangrijkste doelgroepen waarop de mediastrategie zich richt: politiek (kabinet, ambtenaren
ministeries, Kamerleden, Brussel), stakeholders, maatschappelijke organisaties en inwoners.
Drie elementen zijn essentieel voor een coherente landelijke mediastrategie:
-Centrale coördinatie.
-Voorzitter is boegbeeld.
-Proactief is beter dan reactief.
Het mediabeleid is in belangrijke mate ondersteunend aan de strategische doelen van het Pu­
blic Affairs beleid. Hierbij is goede afstemming nodig. Door de politieke agenda goed te benut­
ten, kunnen we zowel politiek als publicitair aandacht krijgen.
Het waterschapswerk: werk in uitvoering
We maken het werk van de waterschappen zichtbaar. De waterschappen worden gepositio­
neerd als innovatieve, kostenbewuste, verantwoordelijke en toekomstgerichte organisaties. Niet
alleen het heden is van belang, ook de lange termijn.
Voor wie: De sleutelpersonen in bestuurlijk en politieke kringen en via de media het algemene
publiek.
Met voorbeelden uit de dagelijkse praktijk wordt een issue zichtbaar en concreet gemaakt. Re­
gionaal versterkt nationaal en andersom.
Lobby/Public Affairs, pers,
communicatie
De rechtvaardiging van een eigen functioneel bestuur en het daaraan gekoppelde imago vragen
blijvend aandacht. Sinds 2009 is lobby/public affairs flink uitgebouwd bij de Unie.
Er worden contacten met Kamerleden en de media onderhouden en er worden met koepels en
belangengroeperingen gezamenlijke communicatieactiviteiten gepland. De Unievoorzitter voert
13
jaarlijks gesprekken met belangrijke stakeholders om relaties op te bouwen of te versterken.
Eerste Kamerleden worden vanaf medio 2013 nadrukkelijker betrokken in de lobby.
Aangaan nieuwe coalities
Samenwerken met andere partijen en nieuwe coalities, met bijvoorbeeld het bedrijfsleven en
andere koepelorganisaties, bieden mogelijkheden. De Unie regisseert en verbindt om coalities
tot stand te laten komen. In 2014 ligt de focus, op het versterken van de positie van de water­
schappen, bij de partnerorganisaties. Om als krachtige sector te kunnen opereren wordt de sa­
menwerking met de koepelorganisaties IPO en VNG op strategische onderwerpen versterkt.
Daarnaast dragen het blad Het Waterschap, het Twitter-account, de inbrengen voor Kamerde­
batten, de wekelijkse en maandelijkse nieuwsbrieven en de websites door middel van duidelijke
boodschappen richting pers en politiek er aan bij dat de Unie als inspirerende gesprekspartner
wordt gezien.
Tijdschrift Het Waterschap en Watersch@pp
Het Waterschap brengt het werk van de waterschappen en de belangengroepen daaromheen
vanuit een bestuurlijk perspectief over het voetlicht. Het blad heeft een strategische functie. On­
derzoek laat zien dat e-lezers het blad waarderen met een 7,2 op een schaal van 10 en dat
85 7o van de lezers tevreden is over de inhoud en diepgang van de artikelen. Uit het onderzoek
kwam het verzoek om een digitale uitgave van Het Waterschap. De App-versie is inmiddels ge­
lanceerd voor iOS (Apple). Op termijn wordt het blad ook beschikbaar voor Android.
De kwaliteit van het blad wordt zo mogelijk versterkt. Een bredere verspreiding naar bedrijven
en kennisinstellingen op het gebied van water kan daaraan bijdragen. In overleg met de uitge­
ver wordt nagedacht hoe dit te realiseren.
0
Werkgroep
Communicatie
Het uitstralen van eenheid binnen de waterschappen is een voorwaarde om een goede positio­
nering te waarborgen. Eenheid in strategische keuzes, afstemming van communicatie en een­
heid in visuele uitstraling vormen het uitgangspunt. De waterschappen stemmen een gezamen­
lijke communicatie met elkaar af. De Unie is daarbij faciliterend, niet dirigerend.
Een aantal activiteiten die zijn opgepakt op basis van het communicatieplan Samen
m
-
-
sterker.
In 2012 is een O-meting gehouden over de bekendheid van de waterschappen. In 2014
volgt een 1-meting. Uit de 0-meting bleek dat een grote meerderheid van de Nederlanders
wel eens van het waterschap gehoord heeft. Verder heeft men een goed beeld van het wa­
terschap: de associatie die men heeft bij het waterschap is met name het waterbeheer en
het onderhouden van dijken. Vier op de tien respondenten weten het eigen waterschap te
noemen. Men is over het algemeen redelijk positief over het waterschap. De bekendheid
van het waterschapsbestuur is laag.
Schoon water is een onderwerp waar we veel mee doen. De werkgroep ontwikkelde een
zwemwaterApp waarop men kan zien waar veilig kan worden gezwommen. Er wordt geke­
ken in hoeverre dit middel de communicatie kan ondersteunen.
Veiligheid (voorkomen overstromingen) staat bij alle waterschappen voorop. Weinig mensen
weten dat er veel werk wordt verzet om die veiligheid te behouden. We wonen in een land
dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt en in de overstromingsgebieden van de ri­
vieren. Om mensen bewuster te maken van het feit dat dit niet zo vanzelfsprekend is, orga­
niseren wij de Dag van de Dijk.
14
Corporate story
Het werk van waterschappen is voor de meeste mensen vanzelfsprekend en daarmee onzicht­
baar. Daardoor wordt soms de vraag gesteld of waterschappen wel nodig zijn. We willen als
antwoord daarop een helder verhaal hebben.
Op dit moment vertelt ieder waterschap zijn eigen verhaal en komt het gemeenschappelijke
verhaal niet altijd goed uit de verf.
Er is met medewerking van alle waterschappen een gemeenschappelijk verhaal ontwikkeld. Nu
wordt gericht gekeken hoe het verhaal in middelen vertaald kan worden. Er is een boekje in de
maak en de mogelijkheden van een film worden onderzocht. Ook worden er workshops corpo­
rate story gehouden.
Water-In no vatieprijs
De Water-Innovatieprijs wordt georganiseerd door de werkgroep Communicatie, met de Unie
als trekker. Het doel is om innovatieve projecten van waterschappen, bedrijfsleven, kennisin­
stellingen en particulieren rond de kerntaken van de waterschappen in de schijnwerpers te zet­
ten. De prijs levert veel publiciteit op en is ook een moment voor waterschappen en partners om
elkaar te ontmoeten. In 2014 neemt de Unie de kosten voor haar rekening.
Verkiezingen
De werkgroep Communicatie heeft een werkgroep Verkiezingen samengesteld. Deze werk­
groep bedenkt een landelijke communicatiestrategie als leidraad voor succesvolle water­
schapsverkiezingen in 2015.
Communicatie naar de achterban
Het vergroten van zichtbaarheid van de inspanningen van de Unie van Waterschappen is een
belangrijk aandachtspunt. Ook voor medewerkers van de waterschappen zelf is het belangrijk
te weten wat de Unie voor hen doet en kan doen. De Unie organiseert een roadshow waarin
wordt uitgelegd wat de Unie doet. De taak van de Unie is om de bestuurders bewust te maken
van het feit dat zij verantwoordelijk zijn voor het communiceren van belangrijke resultaten naar
hun eigen organisatie. We zetten in op communicatie via bestaande overlegstructuren en ook
stimuleren we het gebruik van digitale media zoals Twitter en onze eigen websites.
Relatiebeheer
Relatiebeheer is belangrijk bij het zichtbaar maken van de waterschappen en het belang van
hun werk voor Nederland. De Waterschapsdag, Bestuurdersdag, Waterdebat, Waterdiner en
Waterbarbecue zijn hiervoor goede gelegenheden. Voor belangrijke dossiers zijn factsheets
opgesteld. Deze bevatten de punten die onder de aandacht van derden moeten worden ge­
bracht. Vanaf najaar 2013 wordt er een zogenaamde roadshow langs alle waterschappen geor­
ganiseerd om informatie te geven over het belang van de Unie van Waterschappen.
Digitale communicatie
Digitale communicatie is onmisbaar voor het verspreiden van informatie en het creëren van
draagvlak bij achterban, politiek, media en de inwoners van Nederland. Hiermee profileren en
bevestigen we onze corporate identity als leidende waterautoriteit. De Unie communiceert via
de websites www.uvw.nl en www.waterschappen.nl. Op de websites staan onder andere
nieuwsberichten, brochures, ledenbrieven en factsheets, informatie over de onderwerpen waar
de Unie bij betrokken is, en achtergrondinformatie over de vereniging en de waterschappen.
Wekelijks worden voorzitters, secretarissendirecteuren en hoofden communicatie in een
nieuwsbrief geïnformeerd over lopende zaken. Daarnaast is er een maandelijkse nieuwsbrief
15
voor het algemene publiek met een overzicht van de activiteiten en gebeurtenissen op water­
gebied. Ook geeft de Unie haar achterban een media-overzicht met de digitale nieuwsdienst en
knipseldienst. Een gedegen intranetomgeving draagt bij aan de communicatie en verbinding
tussen werknemers. De Unie van Waterschappen is aanwezig op social media-kanaal Twitter
met het account ©waterschappen.
Educatie
Het educatiebeleid richt zich op vergroting van de kennis over en de interesse voor waterbeheer
bij jongeren. Het is gekoppeld aan arbeidsmarktcommunicatie en activiteiten op het gebied van
water governance en de waterleerstoelen. Het educatiebeleid draagt bij aan het creëren van
draagvlak voor de waterschappen. Het Platform Watereducatie, waarbinnen de Unie een trekkersrol vervult, zorgt voor verbinding van educatieactiviteiten op landelijk niveau. De Unie be­
trekt de waterschappen hierbij. Daarnaast faciliteert de Unie het uitwisselen van kennis en erva­
ring.
Om de jeugd te laten meedenken over doelmatig waterbeheer en de wijze waarop waterschap­
pen de jeugd kunnen bereiken, is het jeugdwaterschap geïntroduceerd. De Unie vervult hierbij
een coördinerende rol.
De educatieve Droppie Water website is gemaakt in opdracht van de waterschappen. Droppie
Water blijft een op zichzelf staande organisatie. Zodra alle waterschappen mee doen met Drop­
pie Water kan de Unie eventueel de financiën overnemen. Tot die tijd is de Unie nauw betrok­
ken bij Droppie Water. Droppie Water-producten zijn via de website www.uvw.nl te bestellen.
Interne communicatie
We richten ons ook op interne communicatie. Het is belangrijk te communiceren over voortgang
en resultaten. De communicatieadviseurs zijn vanaf het begin bij een project betrokken, nemen
actief deel aan alle programma's bij de Unie en kunnen zo een gedegen advies geven over de
inzet van communicatie.
2. De kracht van de Unie
Visievorming en standpuntbepaling zijn de belangrijkste taken van de Unie. Een goede vereni­
gingsstructuur is daarvoor onmisbaar. De door de commissie Organisatie en Werking Unie van
Waterschappen (Commissie Doornbos) geformuleerde adviezen, en door het bestuur overge­
nomen voorstellen voor de besluitvorming en samenwerking binnen de verenigingsstructuur,
worden verder vormgegeven. In 2014 worden voorstellen gedaan om tegemoet te komen aan
de noodzaak om als Unie steeds sneller met een standpunt te komen. Daarnaast houden de
portefeuillehouders via de accountgesprekken contact met de besturen van (de andere) water­
schappen. In overleggen wordt het geluid van de waterschappen naar voren gebracht en wor­
den hun belangen behartigd.
SharePoint; binding en zichtbaarheid door online samenwerking
UvW SharePoint is een krachtig communicatie-instrument om waterschappen te verbinden met
de vereniging en met elkaar, om kennis en ervaringen uit te wisselen en om belangrijke infor­
matie uit te wisselen. Themagroepen, commissies, werkgroepen en andere samenwerkingsver­
banden binnen de Unie en waterschappen kunnen met SharePoint online samenwerken. Sha­
repoint is een centrale schakel in het faciliteren van standpuntbepaling en besluitvorming van
de vereniging en waterschappen.
SharePoint heeft een enorme vlucht genomen sinds de introductie in 2010. Het is belangrijk om
een koers te kiezen voor dit medium.
Wordt SharePoint nu zo optimaal mogelijk benut? Wat zijn de behoeften van de gebruikers?
16
Willen wij SharePoint ook aanbieden aan waterschappen om regionale werkgroepen te faciliteren? Zo ja, is dit dan onder verantwoordelijkheid/facilitering van de Unie? Blijft SharePoint be­
staan uit besloten omgevingen of gaan we als vereniging voor transparantie en moet de infor­
matie beschikbaar zijn voor alle gebruikers, in de wetenschap dat het aantal gebruikers nog
steeds groeit?
De antwoorden op deze vragen kunnen consequenties hebben voor de technische beheeromgeving, zoals uitbreiding van servers, een upgrade naar een ander SharePoint-pakket, licentieafname per gebruiker en de helpdeskfunctie vanuit de Unie (menskracht). Dit betekent een gro­
tere kostenpost. In 2014 worden al deze vragen opgepakt, resulterend in een gedragen koers
voor UvW SharePoint richting 2015.
Verenigingsstructuur
De verenigingsstructuur is in 2012 samen met de waterschappen geoptimaliseerd. De toegan­
kelijkheid van vergaderstukken voor alle waterschappers is met de komst van SharePoint sterk
verbeterd. Ook in 2014 zijn de vergaderingen van de commissies zo ingepland dat alle stukken
van de commissies in een bepaalde week beschikbaar zijn voor behandeling in het eigen wa­
terschap. Om als Unie snel met een standpunt of een reactie te kunnen komen wordt de man­
datering van de portefeuillehouder versterkt: van mandatering vooraf naar verantwoording ach­
teraf. Ook wordt een structuur voor snelle besluitvorming ontwikkeld. Er wordt extra aandacht
besteed aan de betrokkenheid van AB-leden en secretarissendirecteuren bij de vereniging.
Secretariaat werkgroepen, commissies,bestuur en LV
Alle beleidsmedewerkers van de Unie (ongeveer 30 fte) leveren een bijdrage om tot besluitvor­
ming te komen. Hun inzet resulteert in beleidsnotities, rapporten en brieven die aan werkgroe­
pen, commissies, bestuur en ledenvergadering worden voorgelegd. Om die stukkenstroom in
goede banen te leiden en vergaderingen te faciliteren heeft elke werkgroep, commissie, het be­
stuur en de ledenvergadering een eigen secretaris. Ze faciliteren de totstandkoming van helde­
re bestuurlijke kaders vooraf en de besluitvorming binnen de Uniestructuur. Ze zorgen voor het
opstellen van de agenda, het verzamelen van de stukken, het maken van het verslag en het
uitzetten van eventuele acties. Daarbij vindt regulier overleg plaats tussen programmaleiders,
secretaris en de portefeuillehouders in de aanloop naar behandeling van stukken in commis­
sies, bestuur en LV. Het overleg met de bestuursdiensten van de waterschappen wordt geïn­
tensiveerd, ondermeer om de uitkomsten van het klanttevredenheidsonderzoek en mogelijke
vervolgacties te toetsen en om tot verdere efficiency in de stukkenstroom en besluitvorming te
kunnen komen. SharePoint is de centrale schakel in de informatievoorziening naar de leden.
Waterschapsaccounts
De leden van het bestuur zijn als waterschapsaccounthouder aanspreekpunt voor de regio. Zij
worden daarbij ondersteund door medewerkers van de Unie. De bestuursleden houden contact
met de besturen van de waterschappen door in elk geval één keer per jaar een bestuursverga­
dering van het waterschap bij te wonen om over bestuurlijke onderwerpen met het bestuurslid
van de Unie van gedachten te wisselen.
Overleggen
Het Bestuursprogramma en het Bestuursakkoord Water worden uitgevoerd via een gestroom­
lijnde interne besluitvormingsstructuur. Waterschappen spreken als regel met één mond. On­
derwerpen worden in de daarvoor geschikte gremia geagendeerd om doelmatig waterbeheer en
de positie van de waterschappen te versterken. Er wordt structureel overleg gepleegd met van
belang zijnde departementen en belangrijke koepelorganisaties. Belangrijke koepelorganisaties
17
zijn bijvoorbeeld: VNG, IPO, VNO-NCW, VEWIN, Landbouw- en Tuinbouworganisatie Neder­
land en Vereniging Eigen Huis. Het betreft ongeveer 40 overleggen. Daarnaast is er regelmatig
inhoudelijk overleg met Kamerleden.
Het in 2011 vastgestelde bestuursprogramma bevat 24 ambities die doorwerken in concrete
acties in de diverse programma's. De voortgang daarvan wordt door het programma Vereniging
en Communicatie bewaakt en geëvalueerd en waar nodig geactualiseerd.
Het Bestuursakkoord
Water
Eind 2011 is een groot aantal acties en maatregelen geformuleerd. De van belang zijnde acties
voor het programma Vereniging en Communicatie zijn:
-het samen met Rijkswaterstaat opstellen van een gezamenlijk mobiliteitsplan.
-het versterken van inspanningen om het onderwijs over water te structureren en te verbeteren.
Eind 2013 wordt het Bestuursakkoord Water geëvalueerd. Het programma Vereniging en
Communicatie speelt een belangrijke rol in het bewaken van de uitvoering van alle acties uit het
Bestuursprogramma. Mogelijke knelpunten worden gesignaleerd en mogelijke oplossingen ge­
formuleerd. In 2014 ligt de focus op evaluatie van de uitvoering zoals overeengekomen in het
Bestuursakkoord Water en op communicatie van de successen om draagvlak voor het proces
te behouden.
18
PROGRAMMAPLAN W A T E R B E L E I D
Programmaleider:
Pierre de Vries
Portefeuillehouders:
voor
Hans Oosters
voor Hoogwaterbescherming,
Stefan Kuks voor Waterkwantiteit
en Hennie
Roorda
Waterkwaliteit
De werkzaamheden van het programma Waterbeleid hebben tot doel de waterschappen te faci­
literen om de Nederlandse regionale waterhuishouding op het gebied van waterkwantiteit, wa­
terkwaliteit en hoogwaterbescherming op orde te krijgen, en te houden, tegen een aanvaardba­
re prijs. Het speerpunt is om de waterschappen in de Haagse discussies over waterbeheer be­
ter te positioneren.
Om de doelen te bereiken richt het programma Waterbeleid zich op de beïnvloeding van het
beleid en het besluitvormingsproces voor de primaire taken van het waterschap (waterkwanti­
teit, waterkwaliteit en hoogwaterbescherming). Dit geschiedt via de Unievereniging (themagroepen, werkgroepen en commissies). Hiervoor worden de ministeries (ambtelijk en bestuurlijk),
koepelorganisaties, verenigingen, maatschappelijke organisaties, het parlement, maar ook de
waterschappen benaderd.
Het programma zorgt verder voor de invulling van de behoefte van beleidsmedewerkers aan
verbondenheid met collega's op inhoud en werkwijze. Het programma zorgt daarom voor in­
houdelijke dwarsverbanden binnen de drie inhoudelijke waterthema's van het programma na­
melijk: Hoogwaterbescherming, waterkwaliteit en waterkwantiteit.
Het BAW en het Bestuursprogramma bepalen voor een groot deel de focus van de werkzaam­
heden. Maar ook lopende zaken, interacties met werkzaamheden uit andere programma's van
de Unie en andere waterbeleidsontwikkelingen zijn medebepalend. Hieronder worden voor de
drie thema's de werkzaamheden toegelicht.
Waterkwaliteit (excl. Zuivering)
De Unie probeert met deze activiteiten de waterschappen te helpen de waterkwaliteit verder te
verbeteren tegen een aanvaardbare prijs.
Het Bestuursprogramma geeft aan dat de waterschappen moeten werken aan het terugdringen
van agrarische diffuse bronnen. De Unie zet zich met waterschappen in om de agrarische
emissies (nutriënten, bestrijdingsmiddelen) verder terug te dringen In 2014 zal de Unie de im­
plementatie van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer verder uitwerken. Daarnaast zal de Unie
inbreng leveren om het vijfde actieprogramma nitraatrichtlijn kaderrichtlijn proef te maken.
In Bestuursprogramma staat verder dat de waterkwaliteit slimmer gemonitord moet worden. De
Unie komt met een voorstel om waterschappen beter inzicht te laten krijgen in de toestand van
de waterkwaliteit, zodat het gesprek met vervuilers kan worden aangegaan. De monitoringsprogramma's worden samen met de waterschappen tegen het licht houden. Er komt naar aanlei­
ding van het BAW een voorstel om op gebied van monitoring verdergaande samenwerking te
bereiken tussen RWS en waterschappen.
De Unie zorgt voor duidelijke standpunten over de KRW-consequenties van de herijking EHS
en voor standpunten over hydrologische maatregelen voor de Programmatische aanpak stikstof
(PAS). Insteek daarbij is synergie te brengen in water en natuur. Tevens zal worden onderzocht
of de waterschappen een actievere rol in het nieuwe natuurbeleid kunnen vervullen.
In het Bestuursprogramma staat dat de Unie invulling moet geven aan de lopende activiteiten.
Het programma Waterbeleid gaat o.a. inzet leveren voor standpunten over visbeheer, medicijnresten, extra prioritaire stoffen, grondwaterkwaliteit, inbreng leveren op de Europese prioritaire
dossiers.
19
Waterkwantiteit:
De Unie stimuleert waterschappen het watersysteem op orde te krijgen en te houden. Dus niet
teveel en niet te weinig water. Daarnaast zorgt de Unie ervoor dat het water- en ruimtelijk orde­
ning-domein dichter bij elkaar worden gebracht, opdat waterschappen meer invloed krijgen op
ruimtelijke ontwikkelingen.
Het BAW en het Delta deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering (dpNH) dragen bij aan
het dichter bij elkaar brengen van de domeinen water en ruimtelijke ordening. De Unie stimu­
leert de waterschappen om meerdere wegen te gaan bewandelen om hun waterdoelen te be­
reiken en zal een actieve inbreng leveren aan de totstandkoming van de Deltabeslissing over
Nieuwbouw en Herstructurering. De verbinding met ontwikkelingen rond de klimaatactieve stad
zal worden versterkt.
De Unie zorgt er voor dat de lessen uit de evaluatie van de Watertoets samen met de BAWgedachte worden overgenomen in het dpNH. De Unie biedt de lerende netwerken (COP's) ac­
tief aan aan dpNH. De inzet is verder om de watertoets te borgen in het nieuwe Omgevingswet.
Het programma maakt samen met de waterschappen een standpunt over integrale gebiedsvisie
en integrale gebiedsopgave om er voor te zorgen dat waterbelangen vanaf het begin worden
meegenomen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Er zal duidelijk worden gemaakt dat water­
schappen flexibel genoeg zijn om de gebiedopgave (groen, rood, blauw, maar ook onder­
grond/grondwater) centraal te stellen in plaats van vast te houden aan eigen waterbelang. Ook
zal er uitvoering worden gegeven aan die acties uit de 'structuurvisie ondergrond' die voor de
waterbeheerders van belang zijn.
De Unie stimuleert samen met de STOWA de waterschappen om hun wateropgave te herijken
volgens een met elkaar afgesproken uniforme werkwijze, de watersysteemtoets. Op die manier
uiten waterbeheerders een vergelijkbare ruimteclaim en kunnen daarmee in gesprek gaan met
de gebiedspartners over de vraag of potentiële overlast acceptabel is of niet. Begin 2014 komt
het KNMI met nieuwe klimaatscenario's. In Unieverband zullen de consequenties daarvan in
beeld worden gebracht en aanvullende acties worden geformuleerd om het watersysteem op
orde te houden.
Het programma zorgt voor actieve inbreng en standpuntbepaling in het Delta(deel)programma
zoetwater. De Unie pleit voor een goede balans tussen hoofdwatersysteem en regionaal water­
systeem oplossingen en de financiering van regionale maartregelen mede vanuit het Delta­
fonds.
Het Bestuursprogramma spreekt over het voortzetten van lopende activiteiten. Het programma
Waterbeleid draagt bij aan verbetering van het beeld en de positie van de waterschappen bij de
beslissers. De waterschappen dienen een krachtige uitvoerder te zijn voor de lopende en ko­
mende uitvoeringsprojecten (KRW, W B 2 1 , Hoogwaterbescherming). Het programma zet in op
de uitvoering van integrale multi-sectorale gebiedprocessen opdat de fysieke ondergrond (water
en bodem) medeordenende principes worden. Tevens wordt ingezet op grondwaterbeheer, on­
der andere door middel van een grondwatervisie, teneinde waterschappen daarin een stap
vooruit te laten maken. De inbreng van de waterschappen zal worden gecoördineerd bij even­
tuele droogte.
Hoogwaterbescherming
De Unie oefent invloed uit op het rijksbeleid om de waterschappen in de discussie over hoog­
waterbescherming beter te positioneren. In 2014 staat hoogwaterbescherming centraal binnen­
liet Deltaprogramma en de start van de uitvoering van het nieuwe Hoogwaterbeschermingspro­
gramma.
20
In 2014 start de uitvoeringsfase van het nieuwe hoogwaterbeschermingsprogramma
(nHWBP).
De Unie denkt mee met het programmabureau over het programma en de invoeging van de
resultaten van de Verlengde 3 toetsing. De implementatie van het subsidiekader en de uitvoe­
ring van de projectoverstijgende verkenningen worden gemonitord. De Unie houdt zicht op de
beheersing van de dijkrekening en interveniėrt zo nodig. Daarnaast monitoren we de verbre­
ding van het nHWBP-bureau naar een programmadirectie Waterveiligheid opdat de verhouding
Rijkswaterstaat-Waterschappen (gezamenlijkheidsdoel) niet wordt belemmerd.
e
Het Deltaprogramma staat in 2014 in het teken van de Deltabeslissingen. De Unie draagt er toe
bij dat het proces helder en transparant verloopt om van kansrijke strategieën naar de voor­
keursstrategieën en de Deltabeslissingen te komen. Position Papers en Uniestandpunten wor­
den opgesteld en ingebracht op de Deltabeslissingen.
Voor het Deelprogramma Veiligheid betekent de Deltabeslissing dat er een voorstel komt voor
de nieuwe veiligheidsnormen. Conform het BAW zal een uitvoerbaarheidstoets voor deze nieu­
we normen plaatsvinden en zal een procesontwerp worden gemaakt (voor zover dit niet gebeurt
door DGRW) voor de nieuwe toetsronde met het nieuwe toetsinstrumentarium en de nieuwe
normen. Tevens zal er naar aanleiding van de nieuwe normering een proces worden gestart
voor een strategie van geleidelijke invoering van nieuwe normen in werken onder het nieuw
Hoogwaterbeschermingsprogramma en de maatregelen die voortkomen uit de Deltabeslissin­
gen.
Daarnaast zullen we voor het Deelprogramma Nieuwbouw en herstructurering inzetten op een
procedure voor de besluitvorming van meerlaagsveiligheid. De waterschappen zijn in de lead,
maar moeten wel de andere partijen voldoende ruimte geven om meerlaagse veiligheid te laten
slagen.
In 2014 zal ook een start moeten worden gemaakt met de implementatie van de Deltabeslissin­
gen in het Nationaal Waterplan of de opvolger daarvan (en de allocatie van de acties die volgen
uit de Deltabeslissingen). Binnen Unieverband zal ook een standpunt worden ingenomen over
de financiële consequenties van de nieuwe normering.
In het kader van de Richtlijn Overstromingsrisico's wordt een Uniestandpunt opgesteld over de
conceptplannen (ORBP's). Daarbij wordt ook ingegaan op de vraag hoe deze plannen zich ver­
houden met de WBP's. Een monitoring van de uitvoering van de maatregelen in het kader van
de ROR wordt opgezet. Tevens sturen we aan op een evaluatie in 2015 van het toepassings­
bereik van de ROR.
De Unie coördineert de landelijke activiteiten van de muskus- en
beverrattenbestrijding.
Grensbestrijding van de beverratten zal ook in 2014 de nodige aandacht vragen en de informa­
tie die uit de veldproef komt zal regelmatig in Unieverband worden besproken. Voorzien wordt
dat de herziening van de gedragscode muskus- en beverratten kan worden afgerond. De ont­
wikkelingen rond het opstelling EU Richtlijn 'diervriendelijk vangen' worden kritisch gevolgd.
In 2014 vervolgen we het spoor om meer te communiceren (ook naar buiten toe) over VNK. We
bepalen samen met DGRW en het projectbureau de contouren van de eindrapportage van 2015
en zullen afspraken moeten maken over beheer en onderhoud van de database.
Tevens zullen we samen met andere partijen (STOWA, IHW, nHWBP-bureau, Rijk) nagaan of
de gegevens over m.n. de primaire waterkeringen voldoende geborgd worden door de toe­
komst.
In het Bestuursprogramma wordt gesproken over het voorzetten van lopende activiteiten. Het
programma draagt bij aan het streven om het beeld en de positie van de waterschappen bij de
beslissers te verbeteren. Daarbij zal worden benadrukt dat waterschappen een krachtiger uit­
voerder zijn voor de lopende en komende uitvoeringsprojecten (KRW, W B 2 1 , Hoogwaterbe­
scherming). De Unie is betrokken bij de volgende dossiers Hoogwaterbeschermingsprogramma
2, Regionale keringen, Ruimte voor de Rivier, Verzekerbaarheid, Areaaloverdracht, Windener­
gie op Land en de verlengde 3 toetsing keringen.
e
21
PROGRAMMA MODERNE OVERHEID
Programmaleider:
Cathelijn
Portefeuillehouders:
Peters
worden genoemd bij de diverse
onderwerpen
Het programma Moderne Overheid draagt eraan bij dat de waterschappen door burgers, be­
drijfsleven en maatschappelijke organisaties worden erkend en gewaardeerd als volwaardige
medeoverheid die goed toegerust is op zijn taak.
Het programma Moderne Overheid houdt zich bezig met de processen die de (kern)taken van
de waterschappen ondersteunen. Sleutelwoorden hierbij zijn zichtbaar, krachtig, transparant,
doeltreffend, doelmatig, rechtmatig, betrouwbaar en dienstverlenend. Het programma levert een
bijdrage aan het zo goed mogelijk functioneren van de waterschappen.
Dit betekent dat wij namens de waterschappen in Den Haag en Brussel als volwaardige partner
meepraten en meebeslissen over zaken die raken aan het zijn van een professionele, moderne
overheid.
Prioriteiten 2014
Het programma Moderne Overheid kent voor 2014 de volgende prioriteiten:
«
Inzet op behoud van financiële ruimte voor de waterschappen om blijvend te kunnen
investeren in waterveiligheid, bestrijding van wateroverlast, zoetwatervoorziening, ver­
betering van de waterkwaliteit en zuivering van afvalwater.
» Verankering van informatieveiligheid door de waterschappen met als beoogd einddoel
een verplichtende vorm van zelfregulering.
» Vergroten van de doelmatigheid, onder andere door de samenwerking tussen water­
schappen onderling, en waterschappen en derden, te versterken. Een van de thema's
waarop wordt ingezet is de samenwerking op het terrein van Inkoop en Aanbesteden.
'
Professionaliseren van de bedrijfsvergelijkingen, monitoring en informatievoorziening.
» Aantrekkelijk werkgeverschap.
Deze speerpunten sluiten nauw aan bij een aantal thema's uit het Bestuursprogramma, het Be­
stuursakkoord Water en het Regeerakkoord.
1. Het programma MO draagt bij aan de volgende thema's van het Bestuursprogramma:
Wateropgaven:
Krachtige organisaties: Om de wateropgaven te kunnen realiseren moeten de waterschappen
kunnen opereren als krachtige, doeltreffende, doelmatige, transparante en dienstverlenende
organisaties. Het programma Moderne Overheid draagt hieraan bij door de waterschappen in
Den Haag en Brussel door middel van een krachtige lobby als zodanig zichtbaar te maken. Het
programma zet zich in op de beïnvloeding van het nationaal en Europees beleid (in samenwer­
king met het programma l&l) als het gaat om zaken die betrekking hebben op de waterschap­
pen als overheidsorganisaties.
Ruimte om te blijven investeren (Portefeuillehouder: Huub Hieltjes)
We hebben begin 2013 een onderhandelingsakkoord gesloten met het Rijk en decentrale over­
heden inzake de Wet Hof en het schatkistbankieren. Aan het kabinet is aangegeven dat wij
zorgen hebben dat de afspraken over de ruimte in het EMU-saldo de waterschappen gaan be­
lemmeren bij het investeren in waterveiligheid, bestrijding van wateroverlast, zoetwatervoorzie­
ning, verbetering van de waterkwaliteit en zuivering van afvalwater (Mede omdat de huidige
ruimte al als knellend wordt ervaren). Een andere zorg is dat waterschappen niet langer kunnen
voldoen aan Europese en nationale wetgeving en bestuurlijke afspraken. In 2015 wordt beoor­
deeld of de geprojecteerde daling in 2016 en 2017 verantwoord en mogelijk is. Wij zullen alles
op alles zetten om ervoor te zorgen dat deze evaluatie gedegen en volledig zal zijn. Er zal niet
alleen naar de realisatie in het verleden moeten worden gekeken, maar ook naar de na 2015
geplande investeringen, de in regelgeving en bestuursafspraken vastgelegde doelen en ver22
plichtingen (waaronder decentralisaties) waaruit deze investeringen voortkomen en de lasten­
ontwikkeling die dan wordt verwacht. Dit traject zullen wij zorgvuldig met maximale input van de
waterschappen vormgeven. Onze inzet: behoud van financiële ruimte voor de waterschappen
om blijvend te kunnen investeren in waterveiligheid, bestrijding van wateroverlast, zoetwater­
voorziening, verbetering van de waterkwaliteit en zuivering van afvalwater.
Voor wat betreft schatkistbankieren houden wij de vinger aan de pols inzake de uitvoerbaarheid
van de regeling. Eventuele bedoelde of onbedoelde nadelige effecten voor de waterschappen
zullen wij krachtig agenderen in Den Haag.
De kracht van de waterschappen
Doelmatig waterbeheer: samenwerken (Portefeuillehouder: Huub Hieltjes): Het programma Mo­
derne Overheid zet zich in om de samenwerking tussen de waterschappen onderling en tussen
de waterschappen en strategische partners zoals Rijkswaterstaat te bevorderen waar dit bij­
draagt aan kostenbesparingen en verbetering van efficiency. Bijkomende doelstelling is dat dit
moet leiden tot het verbeteren van de zichtbaarheid en het imago van de waterschappen. Ook
wordt gekeken naar samenwerkingsvormen met de regionale diensten van RWS om meer ge­
zamenlijk op te trekken als waterbeheerders in de regio. Het programma Moderne overheid faciliteert, ondersteunt, communiceert en monitort deze afspraken.
Bedrijfsvergelijkingen (Portefeuillehouder: Huub Hieltjes): De roep om transparantie en de be­
hoefte aan informatie nemen alleen maar toe. Ook uit het Bestuursakkoord Water en het Re­
geerakkoord komt een extra behoefte aan informatie (en dus monitoring) voort. Het programma
MO draagt er zorg voordat deze extra behoefte wordt ingevuld binnen de huidige jaarlijkse uit­
vraag voor Waterschapspeil en Waterschapsspiegel zodat de toenemende behoefte aan infor­
matie niet leidt tot extra inspanningen van de waterschappen op dit terrein (zie voor verdere
inzet 2014 de paragraaf 'monitoring en bedrijfsvergelijkingen').
Informatieveiligheid (Portefeuillehouder: Hans Oosters)
De uitgangspunten van de Taskforce Bestuur en Informatieveiligheid en Dienstverlening (BID)
zijn door de waterschappen onderschreven. Daarmee hebben wij ons als waterschappen ver­
plicht om de bewustwording van bestuur en directie op het gebied van informatieveiligheid te
versterken en een lange termijn verankering van informatieveiligheid bij de waterschappen te
realiseren met als beoogd einddoel een verplichtende vorm van zelfregulering. De Unie zal de­
ze opdracht samen met Het Waterschapshuis oppakken en waar mogelijk aansluiting zoeken bij
initiatieven die worden ontplooid door VNG/KING.
Na een aantal incidenten op het gebied van cybercrime en informatieveiligheid, zoals het hac­
ken van op afstand bestuurbare sluizen en de Diginotar affaire (certificaten van overheidswebsites die lek waren) is - na aandringen van de Tweede Kamer- door de Minister van BZK besloten
dat het onderwerp informatieveiligheid beter op de agenda van de decentrale overheden en het
Rijk moet komen en dat binnen overheidslagen hier zelf op gestuurd en gereguleerd moet wor­
den.
De zelfregulering moet plaatsvinden op basis van de volgende uitgangspunten:
1.
Een normatieve basis per organisatie en per overheidslaag (ISO 27001 en ISO 27002).
2.
Een verankering van deze normatiek. Elke betrokken organisatie regelt de informatie­
veiligheid op adequaat niveau. Op het niveau van de overheidslagen is er een stelsel
van afspraken over de verantwoordelijkheid van koepelorganisaties. Op landelijk niveau
belegde en daarvoor ingerichte voorzieningen faciliteren deze zelfregulering.
3.
Auditing is hierbij een belangrijk instrument. De ontwikkeling van een stelsel van single
audit is een stimulerende factor voor zelfregulering en vindt zo veel als mogelijk plaats.
4.
Elke organisatie, nader ondersteund per overheidslaag, traint regulier op een actieve
gerichtheid van bestuur, management, ICT-functionarissen en andere medewerkers op
informatieveiligheid.
5.
Voor elke organisatie en elke overheidslaag is een probleemanalyse en veranderplan
opgesteld.
23
De waterschappen zijn als sector verantwoordelijk voor het invullen van de zelfregulering, de
normatieve basis en risico-analyses. In 2014 zal het in 2013 opgestelde programmaplan in de
samenwerking met de Taskforce BID moeten worden uitgevoerd en worden geïmplementeerd.
De Unie coördineert de aanpak op sectoraal niveau. De waterschappen zijn zelf verantwoorde­
lijk voor het op niveau brengen of houden van hun informatiebeleid.
De kracht van de Unie
Aantrekkelijk werkgeverschap (Portefeuillehouder: Gerard Doornbos): Het programma MO zet
zich in om de waterschappen te positioneren als aantrekkelijk werkgever. De waterschappen
moeten blijvend kunnen beschikken over gekwalificeerde en betrokken medewerkers om met
hen de grote opgaven, waarvoor zij zich gesteld zien, in te vullen. Het programma MO zet zich
hiervoor in door met de vakorganisaties een toekomstbestendige CAO af te sluiten en deze uit
te voeren en door invulling te geven aan de visie op arbeidsmarktcommunicatie. We zetten in
op meer evenwicht in arbeidsrelaties zowel in onze relatie met de bonden als in de relatie tus­
sen werkgever en werknemer. Hier geven we invulling aan door waar mogelijk zoveel mogelijk
gezamenlijk met alle stakeholders de agenda voor de toekomst te bepalen. Kernbegrippen
voor onze inzet op dit dossier zijn: in verbinding staan, van buiten naar binnen (goede voor­
beelden andere sectoren, bevorderen verdergaande samenwerking), aansluitend en inspelend
op toekomstige behoeften van de waterschappen.
Transparant over de voortgang:
Monitoring en bedrijfsvergelijkingen
(Portefeuillehouder: Huub Hieltjes):
In het BAW staat verwoord dat we transparant zijn over de voortgang van de uitvoering van het
BAW. W e monitoren de voortgang en rapporteren hier jaarlijks over in Water in beeld. De belas­
tingen van de waterschappen krijgen aandacht in zowel de monitor van het BAW (die deels
wordt gepubliceerd in Water in Beeld) als in de lokale lastenmonitor van het ministerie van BZK.
De Unie is bij beide trajecten betrokken en zorgt voor een zo uniform mogelijke benadering in
beide monitors. De Unie zorgt voor het zo goed mogelijk belichten van de doelmatigheidswinst
die de waterschappen in het kader van het BAW bereiken.
Tevens hebben wij afgesproken dat wij onze driejaarlijkse benchmarks zullen continueren. Het
programma Moderne Overheid geeft hieraan invulling door twee keer per jaar de benodigde
gegevens uit te vragen bij de waterschappen. Jaarlijks brengen wij een boekje uit met informa­
tie over de waterschapsbelastingen (Waterschapspeil light), tweejaarlijks geven wij een totaal­
overzicht van de prestaties van waterschappen door middel van Waterschapspeil en Waterschapsspiegel en daarnaast faciliteren wij de verschillende bedrijfsvergelijkingen. Water­
schapspeil en de bedrijfsvergelijkingen zijn bedoeld om transparant te zijn over het water­
schapswerk, om verantwoording af te leggen, om inzicht te krijgen in het eigen functioneren en
daarvan te leren en zodoende de bedrijfsvoering te verbeteren. In dit kader wordt er naar ge­
streefd deze gegevens steeds meer via open data beschikbaar te stellen. Er worden vier doel­
groepen onderscheiden: externe belanghebbenden, waterschapsbestuurders, direc­
tie/management van waterschappen en de experts op de werkvloer. Transparantie en verant­
woording is vooral verbonden aan WaterschapspeilAspiegel en bedient de externe belangheb­
benden en bestuurders. Externe belanghebbenden krijgen inzicht in de doelstellingen en kosten
van het waterbeheer en bestuurders van een waterschap kunnen kijken hoe de ambities van
hun waterschap zich verhouden met de ambities van andere waterschappen. Het leren en ver­
beteren is vooral gerelateerd aan de bedrijfsvergelijkingen en bedient hoofdzakelijk de water­
schapsorganisaties. Een derde, afgeleid, doel is het positioneren van de waterschapssector als
moderne, professionele, vernieuwende organisaties die efficiënt met de beschikbare middelen
omgaan. Hierin wordt nauw samengewerkt met het programma V&C.
Concrete producten in 2014:
"
In het voorjaar Waterschapspeil Light (de waterschapsbelastingen).
24
«
*
"
In het najaar verschijnt de branche- en vergelijkingsrapportage Waterschapspeil en Waterschapsspiegel. Hierbij wordt optimaal gebruik gemaakt van de database Waves.
In 2014 zal voor het eerst een bedrijfsvergelijking Waterkeringen worden uitgevoerd.
Mogelijk wordt er nog vervolg gegeven aan de pilot Venster Bedrijfsvoering.
Ook gaan we door met de leerkringen om een impuls te geven aan het leren en verbeteren
op basis van de bedrijfsvergelijkingen.
Werkzaamheden 'slim combineren'
Organisatie crisisbeheersing (Portefeuillehouder: Hans Oosters)
Vanuit verschillende kanten wordt er op aangedrongen een versterking van de organisatie van
de crisisbeheersing bij de waterschappen te realiseren. Vanuit de waterschappen zelf, de in
2013 vastgestelde 'Visie op de crisisbeheersing', inzetten op meer samenwerking,efficiency en
een meer uniforme aanpak. De belangrijkste elementen uit deze visie zijn: uniformering van de
calamiteitenorganisaties, informatiemanagement (o.a. Netcentrisch werken), samenwerking bij
Opleiden, Trainen, Oefenen (OTO) en kwaliteitssysteem voor calamiteitenorganisaties. In 2014
zal de implementatie van deze visie verder vorm krijgen. Op het vlak van continuïteitsmanagement (uitval van vitale infrastructuur zoals telecommunicatie en energievoorziening) zijn verbe­
teringen bij de waterschappen gewenst. Een mogelijke overstroming komt bij risicoanalyses nog
altijd als één van de grootste risico's voor de Nederlandse samenleving naar voren. De af­
stemming tussen de verschillende partijen die daarbij acteren, in het bijzonder de waterschap­
pen, Rijkswaterstaat en de veiligheidsregio's is van groot belang en deze afstemming kan en
moet beter.
Het Rijk wil op korte termijn serieus werk maken van de invulling van de derde laag uit het con­
cept meerlaagsveiligheid. Hoewel dit vooral gaat over evacuatieplannen zal er hier toch ook van
de waterschappen een behoorlijke inspanning worden gevraagd: de informatie, maar ook de
oordeelsvorming over de kans dat een kering bezwijkt en dus het oordeel over de noodzaak
van een evacuatie is voor een belangrijk deel de verantwoordelijkheid van het waterschap.
Inkoop en aanbesteding (Portefeuillehouder: Huub Hieltjes)
Op het terrein van inkoop en aanbesteding wordt enerzijds invulling gegeven aan verdergaande
samenwerking met RWS op het terrein van Inkoop en aanbesteden en anderzijds worden door
middel van het project Professionalisering inkoop en aanbesteden waterschappen ingezet op
de verdergaande professionalisering van de waterschapen als het gaat dit onderwerp.
In de samenwerking met RWS is een aantal kansrijke trajecten geïdentificeerd: inkoop van
energie, contractsvorming en ingenieursdiensten. Er is gekozen voor een regionale aanpak
waar waterschappen en regionale diensten van RWS gezamenlijk bepalen op welke terreinen
de samenwerking wordt gezocht.
Met het project Professionalisering inkoop en aanbesteden waterschappen wordt voornamelijk
ingezet op doelmatigheid: door professionalisering en samenwerking geld besparen. De focus
ligt hier met name op de samenwerking tussen de waterschappen onderling.
Het project kent de volgende doelstellingen:
-
«
"
Het verder professionaliseren van de uitvoering van het inkoop- en aanbestedingsproces bij
de waterschappen met daarbij aandacht voor innovatief inkopen en innovatiegericht inkopen
en het bereiken van duurzaamheidswinst.
Het uitwisselen van kennis tussen de waterschappen onderling en tussen de waterschap­
pen en andere overheidsopdrachtgevers.
Het verminderen van de kwetsbaarheid in de uitvoering.
Het bereiken van doelmatigheidswinst door het gecoördineerd samenwerken bij inkooptra­
jecten.
In 2014 zal bezien worden in hoeverre deze doelstellingen zijn bereikt en welke volgende stap­
pen gezet kunnen worden om inkoop en aanbesteden bij de waterschappen verder te professi­
onaliseren.
25
Investeren in menselijk kapitaal (Portefeuillehouder:
Gerard
Doornbos)
In 2014 wordt gezamenlijk met het programma V&C verder invulling gegeven aan de Visie en
strategie Arbeidsmarkt 2020. Met het doel om ook in de toekomst voldoende gekwalificeerde
medewerkers aan de waterschappen te kunnen binden, wordt ingezet op het verbeteren van de
bekendheid van en kennis over de waterschappen. Dit begint al op jonge leeftijd. De aanbeve­
lingen van de stuurgroep watereducatie zullen worden opgevolgd. Er zal worden ingezet op het
stimuleren van de populariteit van bèta onderwijs. Gezamenlijk (ook met het bedrijfsleven)
spannen we ons in om het bestaande wateronderwijs te structureren en te verbeteren. De alli­
anties met de watersector (o.a. RWS) worden verder versterkt. Daarnaast zetten wij ons in om
de waterschappen te positioneren als aantrekkelijk werkgever. De arbeidsvoorwaarden van de
waterschappen zullen moeten blijven aansluiten bij de wensen en behoeften van de toekomsti­
ge waterschapper (zie boven).
2. Het programma MO werkt actief aan een aantal onderwerpen uit het Regeerakkoord.
Nederland uit de crisis
Begrotingsbeleid: Wet Houdbare Overheidsfinanciën: zie voor onze inzet onder 'Ruimte om te
blijven investeren'.
Duurzaam groeien en vernieuwen
Het kabinet zet in op een verbeterde (digitale) dienstverlening door overheden. Digitaal zaken­
doen met de overheid en het verminderen van de regeldruk zijn belangrijke speerpunten hierbij.
Gebruik van de e-overheid is hiervoor randvoorwaardelijk. Dit leidt tot een compacte overheid:
die efficiënt werkt en zo dicht mogelijk bij de burgers staat. Het Programma MO zet zit zich met
de waterschappen en HWH in voor de implementatie van het Nationaal uitvoeringsprogramma
e-overheid (NUP) en het project Digitaal 2017. Belangrijke bouwstenen hiervoor zijn de basis­
registraties (BGT, BRO), elektronisch bekendmaken en Europese regelgeving (zoals INPIRE en
SEIS).
De waterschappen hebben zich net als het Rijk, gemeenten en provincies verbonden om de
administratieve lasten voor burgers en bedrijven met minimaal 5Vo per jaar te verminderen.
Hiertoe is een uitvoeringsagenda opgesteld. De vermindering van regeldruk gaat samen met
een verbeterde dienstverlening. Binnen het Programma MO wordt hier met de waterschappen
hard aan gewerkt. De monitoring van deze afspraak zal via de jaarlijkse uitvraag van Water­
schapspeil plaatsvinden. 2014 staat in het teken van de implementatie van servicenormen bij de
waterschappen.
3. Overig
Naast de onderwerpen die een plek hebben gekregen in het BP, het BAW of het Regeerak­
koord voert het programma MO nog andere werkzaamheden uit.
Overige Financieel economische dossiers (Portefeuillehouder: Huub Hieltjes)
Ook op andere dossiers van financieel-economische dan Wet Hof en schatkistbankieren blijft de
Unie in 2013 de belangen van de waterschappen behartigen. Dit geldt voor onderwerpen zoals
Wet Fido, rechtmatigheid, verslaggeving, markt en overheid, vpb-plicht. Deze belangenbeharti­
ging vindt onder andere plaats in gremia zoals de BZK-werkgroep Fido, de BZK-commissie
BBV (verslaggeving en rechtmatigheid), het Kernteam, het Bestuurlijk Overleg Financiële Ver­
houdingen het OverhedenOverleg en alle voorbereidende overleggen voor deze platforms.
De werkgroep Middelen fungeert als dossierteam om input te verzorgen op de financieeleconomische dossiers die in Brussel spelen, zoals aanbestedingen, mededinging, de diensten
van algemeen belang, PPS etc.
26
Waarderingskamer (Portefeuillehouder: Huub Hieltjes)
De Waarderingskamer, een zelfstandig bestuursorgaan met een publiekrechtelijke rechtsper­
soonlijkheid, bevordert in de rol van toezichthouder het vertrouwen in een juiste uitvoering van
de Wet WOZ. De waterschappen dragen voor een vierde deel bij aan de apparaatskosten en
participeren met de Unie in verschillende commissies (regelgeving en controle, gegevensuitwis­
seling). Jaarlijks is er een bestuurlijk WOZ-overleg met de bewindspersonen van Financiën en
BZK.
Geoinformatie (Portefeuillehouder: Hans Oosters)
De waterschappen hebben een groot belang bij geo-informatie, omdat een groot deel van hun
informatie een topografisch element heeft. De Unie van Waterschappen verzorgt de lobby en
belangenbeharing in de Haagse gremia op dit vakgebied. De input hiervoor wordt geleverd door
de subwerkgroep geo-informatie. De subwerkgroep haakt aan bij de landelijke ontwikkelingen
op het gebied van geo-informatie en zorgt voor vakinhoudelijke coördinatie, de professionalise­
ring van het geo-werkveld en het opstellen van adviezen voor bestuur en andere overleggen.
Op dit dossier wordt nauw samengewerkt met HWH. HWH is de uitvoerder van een aantal be­
langrijke geoprojecten van de waterschappen (AHN, beeldmateriaal).
Wegbeheer (Portefeuillehouder: Hans Oosters)
De Unie faciliteert de kennisuitwisseling tussen de wegbeherende waterschappen. De Unie
fungeert als vraagbaak en makelaar tussen waterschappen en kennisorganisaties op beheer en
mobiliteitsvraagstukken. Het optimaal functioneren als koepelorganisatie vraagt om het opbou­
wen en in stand houden van contacten met andere koepelorganisaties, rijksoverheid, kennis­
centra (innovatie en onderzoek). De Unie behartigt de belangen van de wegbeherende water­
schappen in het bestuurlijk overleg van het verkeersdepartement.
Minder of niet
In zijn algemeenheid zal binnen het programma minder tijd beschikbaar zijn voor de onder­
steuning bij implementatie en uitvoering van beleid (bijvoorbeeld op het gebied van dienst­
verlening, CAO, inkoop en aanbesteden, Europees beleid).
« De (ambtelijke) inzet van de Unie in de Waarderingskamer zal worden beperkt. De inbreng
van de LV WOZ zal door de waterschappen worden ingevuld.
De inzet van de Unie op het dossier dienstverlening/servicenormen zal beperkt blijven tot de
monitoring van de gemaakte afspraken.
27
PROGRAMMA INNOVATIE Å INTERNATIONAAL
Programmaleider
Mark van de Werf
Portefeuillehouders:
hetl
Stefan Kuks (Innovatie),
Gerard Doornbos (Internationaal)
en Hennie Roorda voor onderdelen
van
klimaatakkoord.
Doel
Het programma ondersteunt en profileert de waterschappen op het gebied van innovatie en in­
ternationaal, zodat ze worden gewaardeerd en zich positioneren als duurzame, efficiënte en
innovatieve overheid.
Voor 2014 heeft het programma Innovatie Ä Internationaal de volgende speerpunten:
« Imago versterken door te zorgen dat waterschappen als duurzame, efficiënte en innovatieve
overheid zichtbaar zijn en blijven innoveren op een systematische manier.
"
Nieuwe coalities sluiten met bedrijfsleven, koepels, ministeries.
'
Stimuleren dat waterschappen hun taken beter en goedkoper uitvoeren door innovaties toe
te passen, door samenwerking in de waterketen te stimuleren en door te stimuleren dat wa­
terschappen gebruik gaan maken (en kunnen maken) van subsidies (nationaal S internati­
onaal).
Door middel van krachtenbundeling (capaciteit en focuslanden) invulling geven aan interna­
tionale samenwerking als gerespecteerd partner binnen de gouden driehoek en zichtbaar
maken dat over de grens veel waarde wordt gehecht aan het Nederlandse waterschaps­
kennis en het model.
« Waterschapsinzet coördineren voor OECD studie over de toekomstbestendigheid op het
gebied van fysieke klimaatverandering van de watergovernance.
"
Invloed uitoefenen op Europese beleidsontwikkeling en regelgeving en de implementatie
daarvan in Nederland.
Deze speerpunten sluiten nauw aan bij een aantal thema's uit het bestuursprogramma 'Scherp
aan de Wind', het Bestuursakkoord W a t e r e n de Rijksdoelstellingen (o.a. regeerakkoord).
Het programma zorgt voor inhoudelijke dwarsverbanden binnen de thema's van het programma
namelijk: waterketen, innovatie, duurzaamheid, internationaal. Daarnaast maakt het programma
ook de collectieve dwarsverbanden expliciet die zullen gaan over voornamelijk de werkwijzen
van collega's
Innovatie (R01) en Klimaat en Energie (R02)
Past
bij de
Imago
speerpunten:
versterken
zichtbaar
Nieuwe
coalities
Invulling
geven
sector
door
zijn en blijven
sluiten
te zorgen
innoveren
met bedrijfsleven,
aan internationale
(o.a. binnen
dat
gouden
waterschappen
als duurzame,
op een systematische
koepels,
samenwerking
efficiënte
en innovatieve
overheid
manier;
ministeries;;
als gerespecteerd
partner
binnen
de Nederlandse
water­
driehoek).
De Unie zet in op klimaat, energie en duurzaamheid, omdat de waterschappen op dit vlak zeer
actief zijn en hiermee hun maatschappelijke positie verder kunnen versterken. Veel innovaties
zijn gerelateerd aan duurzaamheid. De waterschappen innoveren binnen de eigen organisaties
om beter en goedkoper hun taken te kunnen vervullen in een veranderende omgeving. De Unie
versterkt het innovatieve vermogen van de waterschappen volgens de lijnen: voorwaarden
scheppen voor innovatie; bundelen van de krachten van waterschappen; kennis delen en het
zichtbaar maken van het innovatieve vermogen van de waterschapssector (Innovatievisie
2011).
28
Activiteiten die de Unie gaat ontplooien:
De Unie draagt, via het Innovatieplatform informatie, over innovatieve ontwikkelingen uit in
de media en de lobby binnen de Topsector Water en naar de politiek. 24 innovatieve coör­
dinatoren (Innovatieplatform) zullen intern bij het waterschap zoeken naar innovaties op be­
stuurlijk, sociaal en technisch gebied. Hiermee kunnen de waterschappen leren van elkaar
(focus), meer gaan innoveren (katalyseren) en dit laten zien aan het publiek (etaleren). Voor
het etaleren van de duurzame en innovatieve activiteiten wordt een aparte websi­
te/webpagina gecreëerd als etalage voor innovatieve projecten van de waterschappen. Het
«
«
-
«
*
vervolg van de Innovatie-estafette 2013 inzetten om nogmaals waterschappen als innova­
tieve overheid 'neer te zetten'.
Inzet op de verbreding van de positie van de waterschappen in Den Haag door in ieder ge­
val het contact met het ministerie van EZ uit te bouwen en daarbij aandacht te vestigen op
het economisch belang van waterschappen voor de thuismarkt en de export. Waterschap­
pen zijn namelijk ideaal voor innovatiegerichte experimenteerruimten. Dit heeft ook een rela­
tie met Rembrandt Water, samenwerking bedrijfsleven en overheid t.b.v. export. De Unie
doet dit door de waterschappen te vertegenwoordigen binnen de Topsector Water zodat in­
teressante allianties met het bedrijfsleven en kennisinstellingen gevormd worden. We gaan
er ook voor zorgen dat het ľvlKB (onze natuurlijke partner in de regionale praktijk) een plek
krijgt in deze Haagse gouden Driehoek. Daarnaast er voor zorgen dat waterschappen ge­
bruik kunnen maken van de regeling Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-regeling).
Samen met de STOWA zoekt de Unie naar de kennisbehoefte van waterschappen zonder
de oplossingen te geven. De innovatiekracht van het bedrijfsleven en kennisinstituten ge­
bruiken om tot innovatieve oplossingen te komen. De Unie 'trekt' aan 5 innovatiekoplopers:
Building with Nature, Flood Control, Leven met Zoet, Digitale Delta en Sociale Innovatie,
zodat samenwerking tussen waterschappen rond innovatiethema's versterkt wordt en het
bedrijfsleven en kennisinstituten een duidelijk aanspreekpunt hebben bij de waterschappen
In de verschillende vakcommissies van de Unie moet innovatie op de agenda komen.
De relatie met VNO-NCW (met betrekking tot het bronbeleid, meer handelspotentieel, steun
voor toekomstige discussie) en Bouwend Nederland wordt versterkt. De Unie en de water­
schappen stimuleren het bedrijfsleven tot het maken van groene producten die goed zijn
voor het watermilieu (bijvoorbeeld Cradle to Cradle). Dit is een mogelijk alternatief voor 'end
of pipe' oplossingen op de zuivering voor problematische stoffen.
Zorgen dat waterschappen een volwaardige partij zijn in landelijke kennis- en innovatienet­
werken (Innovatieberaad l&M, Kernteam Deltatechnologie, Kernteam Watertechnologie,
ProeftuinNL, Innovatie-Estafette, Raad voor Deltaonderzoek en Kennisplatform Water), Na­
tionale klankbordgroep Horizon 2020. Invloed uitoefenen op allerlei subsidievoorwaarden.
Bijzondere aandacht van de Unie zal uitgaan naar energiebesparing, productie van duur­
zame energie en grondstoffenterugwinning. Hierover heeft de Unie met het Rijk voor de pe­
riode tot 201512020 afspraken gemaakt in een aantal convenanten, zoals: het Klimaatak­
koord/ Lokale Klimaatagenda (LKA), Green Deal, Ketenakkoord Fosfaat/Nutriëntenplatform
en het Meerjarenakkoord Energie-efficiency (MJA3). In 2014 verwacht de Unie de positie
via het SER-energieakkoord verder te verstevigen. De inspanningen zijn erop gericht om in
beleid en regelgeving ruimte te scheppen voor het winnen van duurzame energie en grond­
stoffen uit afvalwater. Afval wordt grondstof. Speerpunten zijn duurzame energieproductie
(biogas, warmte, wind en zonne-energie en waterkracht) en integratie met het watersys­
teem. De Energiefabriek en de Grondstoffenfabriek zijn netwerken waarmee nauw wordt af­
gestemd en die ook feitelijk deelnemen in de actieprogramma's.
Een lange termijnvisie op de afvalzuivering is neergelegd in de Routekaart Afvalwaterketen
2030. Dit gedachtegoed wordt geïntegreerd in de lopende programma's. De samenwerking
met de buitenwereld wordt nadrukkelijk opgezocht (gemeenten, bedrijfsleven, landbouw).
29
Afvalwaterketen beleid (L13)
Past bij de speerpunten:
Stimuleren
dat
waterschappen
door samenwerking
maken
hun
in de waterketen
(en kunnen
maken)
taken
beter
en goedkoper
te stimuleren
van subsidies
en door
(nationaal
Ä
uitvoeren
te stimuleren
door
innovaties
toe
dat waterschappen
te
passen,
gebruik
gaan
internationaal).
Belangrijk voor de Unie is laten zien dat waterschappen een betrouwbare partner zijn en de
rijksbegroting ontlasten zonder waterschapstarieven bovenmatig te laten stijgen (bestuursak­
koord water). Een zeer belangrijk onderdeel hiervan is de besparing door samenwerking in de
afvalwaterketen.
Activiteiten die de Unie gaat ontplooien:
Stimuleren dat er in de regio wordt gewerkt aan concrete besparingsprojecten in de afval­
waterketen en zorgen dat er permanente samenwerking tussen rioleurs en waterschappers
blijft bestaan.
« Mede opzetten van een visitatiecommissie en interventieladder.
« Etaleren innovatieve oplossingen (o.a. sluiten kringlopen inzake afvalwater en slib).
"
Met behulp van de Routekaart Afvalwaterketen ervoor zorgen dat de gemeentelijke netwer­
ken van de Lokale Klimaat Agenda, ambtelijk en bestuurlijk, gekoppeld worden aan de samenwerkings-regio's van Samenwerken aan Water (BAW-actie waterketen).
Internationaal 115
Past bij de speerpunten:
Imago
versterken
zichtbaar
Nieuwe
coalities
sluiten
Stimuleren
dat
schappen
gebruik
Door
door
gerespecteerd
gehecht
Invloed
dat
waterschappen
met bedrijfsleven,
waterschappen
gaan
krachtenbundeling
wordt
te zorgen
als duurzame,
efficiënte
en innovatieve
overheid
zijn.
partner
maken
hun
(en kunnen
(capaciteit
binnen
uitoefenen
op Europese
beter
ministeries.
en goedkoper
maken)
en focuslanden)
de gouden
aan het Nederlandse
koepels,
taken
driehoek
van
invulling
geven
en zichtbaar
waterschapskennis
beleidsontwikkeling
uitvoeren
door
te stimuleren
dat
water­
subsidies.
en het
aan internationale
maken
dat over
samenwerking
de grens
veel
als
waarde
model.
en regelgeving
en de implementatie
daarvan
in
Ne­
derland.
Activiteiten die de Unie gaat ontplooien:
Mondiaal:
*
-
"
«
Uitwerking geven en Unie-positie formuleren naar aanleiding van "Rembrandt water" (wat
mag en wil je over de grens ondernemen: passend bij kerntaken, geen risico's lopen, vraag
gestuurd werken en lokaal eigenaarschap).
Zorgen voor meer (inter)sectorale krachtenbundeling op internationaal werk (bundelen ca­
paciteit in 9 focuslanden en professionalisering). Er is grotendeels aangesloten bij keuzes
vanuit het Rijk zodat betere aansluiting gevonden kan worden met andere partijen en om
makkelijker toegang te kunnen krijgen tot andere financieringsbronnen. Het Rijk heeft 'exportpotentieel vergroten' op het netvlies staan. VNG International vindt ook dat een gezond
stabiel lokaal bestuur zorgt voor economische groei en dus handelspotentieel. Waterschap­
pen vinden dat aan de basis van dit lokaal bestuur een gezonde leefomgeving en dus wa­
tersysteem moet liggen. We promoten dus een goede waterhuishouding in de 9 focuslan­
den.
CINTER discussie over toekomst rol commissie, inhoud bij de vakcommissies.
Vanuit het Memorandum of Understanding verdere invulling geven aan de samenwerking
met focusland Roemenie. Stimuleren samenwerking waterschappen, bedrijfsleven en de
Roemeense "Rijkswaterstaat" Apele Romane. Met NWP en Deltares (en mogelijk RWS) or­
ganiseren van een jaarlijks bestuurlijke bijeenkomst en technische workshops.
30
«
«
-
Positie van waterschappen nationaal versterken door te laten zien dat men over de grens
ons model en kennis op waarde schat. In Zuid Afrika CMA's opzetten en in Ethiopië een Ri­
ver basin management system en daarvan in Nederland profiteren ten aanzien van positio­
nering waterschappen. Als waterschapsmodel over de grens wordt toegepast dit nationaal
gebruiken voor profilering.
Betere balans creëren tussen halen en brengen (kennis, ervaringen, publiciteit). Implemen­
teren van onderzoeksresultaten afstudeeronderzoek innovatie en internationale samenwer­
king uit 2013.
Aan de slag met de uitkomsten van de OECD-studie.
De Unie van Waterschappen is betrokken bij toonaangevende (inter)nationale netwerken
zoals UNESCO IHE en NWB-fonds Interdepartementaal overlegorgaan, Topsector Water,
Water Mondiaal en Water OS.
Europa:
*
Inzet op prioritaire dossiers Bureau Brussel (o.a. richtlijn prioritaire stoffen, GLB, aanbeste­
den) waarbij input van beleidsmedewerkers komt. Invloed uitoefenen in samenwerking met
de VEWIN op Europese richtlijnen met betrekking tot re-use, fosfaat, prioritaire stoffen. Alle
Brusselse prioritaire dossiers worden door het bestuur van de Unie op inhoud verdeeld over
de Uniewerkgroepen en -commissies om zorg te dragen voor een goede inhoudelijke dis­
cussie en positiebepaling. Medewerkers van de Unie zijn als dossierhouders 'spin in het
web'.
*
De Unie zoekt actief naar nauwe samenwerking met de nationale vakdepartementen op het
gebied van de Brusselse prioritaire dossiers, om beter invulling te geven aan de Haagse
component van de Brusselse lobby. Relatie met het programma Vereniging S Communica­
tie door Brusselse en Haagse Lobby goed op elkaar af te stemmen.
"
Er is een actieve inzet in de Europese koepelorganisaties (European federation of national
associations of drinking water suppliers and waste water services - EUREAU; European
Union of Water Management Associations - EUWMA; European Centre of Employers and
Enterprises providing public services - CEEP en WsstP). Deze koepels zijn van groot be­
lang om door een actieve inzet de Nederlandse als ook een Europese positie naar voren te
brengen in Brussel.
"
Bureau Brussel houdt contact met waterschappen en organiseert bezoeken van water­
schappen aan Brussel.
* Via Bureau Brussel invloed uitoefenen op Europese richtlijnen en de mogelijkheid creëeren
dat waterschappen gebruik maken van Europese subsidies.
"
Er is een medewerker gedetacheerd bij de Europese Commissie die zich richt op de ontwik­
keling van een Europees Innovatieplatform Water.
» Op strategische momenten wordt de Energiefabriek gepromoot bij de Brusselse instanties
om het pad te effenen voor het oplossen van belemmeringen en het creëren van kansen.
Onderlinge samenhang thema's Innovatie en Internationaal
De thema's Innovatie en Internationaal zijn binnen één programma geplaatst opdat er een dui­
delijke samenhang is tussen beide thema's. In de visie op innovatie van de Unie (december
2011) wordt de verbinding met de positionering van de Nederlandse watersector in het interna­
tionale speelveld gelegd (Topsector Water). De Unie zet waterschappen neer als innovatieve
overheid: zonder ons, minder innovaties en dus minder export potentieel. Eind 2010 is in Unie­
verband geconcludeerd dat waterschappen meer de samenwerking met het bedrijfsleven moe­
ten zoeken, mits het elders in de wereld een maatschappelijk doel dient. Waterschappen zijn
kennisintensieve organisaties, die continu moeten blijven innoveren en daarvoor zijn internatio­
nale contacten onontbeerlijk.
31
Via de lobby in Brussel en door actieve deelname aan WsstP oefent de Unie invloed uit op in­
novatieprogramma's zoals European innovation platform, Horizon 2020 (onderzoeksprogramma
EU). Europese beleidsbeïnvloeding op duurzaamheidsthema's: Ruse-directive, fosfaat directive.
De Unie faciliteert internationale kennisuitwisseling (meer halen over de grens). De beschik­
baarheid van minder middelen maakt de weg vrij voor innovatie, hierbij kunnen we leren van
voorbeelden uit het buitenland.
Minder of niet:
"
Kennis. Hiertoe worden met STOWA afspraken gemaakt over invulling en vertegenwoordi­
-
-
ging.
Ruimtelijke ordening. In 2013 is het actieprogramma Water en Ruimte vervlecht met het
onderdeel Nieuwbouw en Herstructurering vanuit het Deltaprogramma en hoort het bij het
programma Waterbeleid van de Unie.
Recreatie. De afgelopen jaren heeft de Unie de nodige inzet geleverd. Dit wordt in 2014 'low
key' ingevuld.
Voor de aanwezigheid bij internationale evenementen zal de inzet low key worden ingevuld.
EWA lidmaatschap rendeert niet.
Unesco IHE samenwerking onder de loep. De vraag is of de MoU nu werkt.
32
Team B E S T U U R L I J K JURIDISCHE ZAKEN (Onderdeel Bedrijfsvoering)
Hoofd Bedrijfsvoering (portefeuillehouder Huub Hieltjes/Hennie Roorda)
Vanaf 1 januari 2013 zijn de medewerkers van het voorheen zo genoemde Account Bestuurlijk
Juridisch (BJ) bij het bureau Bedrijfsvoering ondergebracht in het team BJZ. Daarbij is de af­
stemming en samenwerking, op met name het juridisch gebied, gewaarborgd.. De medewer­
kers werken, waar nodig, samen met beleidsmedewerkers in verschillende programma's. De
BJZ-werkzaamheden moeten op de juiste plek, op het juiste moment door mensen met de juiste
deskundigheid worden uitgevoerd .
BJZ levert bijdragen in de totstandkoming van tal van nieuwe wet- en regelgeving, voor zover
van belang voor de waterschappen. Met de waterschappen wordt samengewerkt om juridische
producten op te stellen (bijvoorbeeld de actualisatie van de model Keur van de Unie van Water­
schappen of een model aanvraagformulier Watervergunning). Daarbij geldt dat BJZ de regie
heeft op proces en inhoud. Per jaar zijn er circa 5 Bestuurlijk-juridische Netwerkdagen en is er
een fiscalistendag.
Onderdelen
'
Participatie/lobby in wetgevingstrajecten met alle nazorg.
" Algemene aangelegenheden: Grondwet, Wet gemeenschappelijke regelingen, Algemene
wet bestuursrecht, Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, Algemene wet rijksbe­
lastingen.
» Waterschapswet
Fiscale Wetgeving: aanpassing belastingstelsel, modernisering verontreinigingsheffing en
zuiveringsheffing, kwijtscheldingsbeleid en samenwerking met gemeenten op fiscaal gebied.
"
Omgevingswetgeving: water (wijzigingen Waterwet): de werkzaamheden die daar onder
vallen hebben betrekking op ruimte (AMvB Ruimte), milieu (nieuwe AMvB's, vorming regio­
nale uitvoeringsdiensten, natuur (nieuwe Natuurwetgeving), bodem, Omgevingswet, Wetge­
ving die moet worden aangepast naar aanleiding van Bestuursakkoord Water en Hoofdlij­
nenakkoord, service verlenen (zo mogelijk met juristen van waterschappen)
» Organiseren van BJ-Netwerkdagen en fiscale Netwerkdagen (in 2014 zullen dat er onge­
veer 5 zijn); gerechtelijke procedures voeren dan wel waterschappen hierbij ondersteuning
bieden (Raad van State: Gedragscode Flora- en faunawet; Hoge Raad: Wilnisdijk; recht­
banken: bezwaren systeemheffing ongebouwd); schrijven van artikelen voor het blad 'Het
Waterschap' en juridisch vaktijdschriften.
Ook in 2014 zal er aandacht zijn voor de verbinding m e t ' Brussel' en de verbinding met het Wa­
terschapshuis en Stowa voor wat betreft wet- en regelgevende aspecten; het pro-actief acteren
in de voorbereiding van de overdracht van het vaarwegbeheer naar waterschappen en wegenbeheer naar de algemene democratie; aanpassing wet- en regelgeving naar aanleiding van Ac­
tie Storm en Regeerakkoord; netwerken, lobbyen en regievoeren.
Daar staat tegenover dat vanwege de beperkte capaciteit niet (meteen) elke vraag vanuit een
waterschap kan worden beantwoord en dat de Unie meer de regie gaat voeren en juristen uit
waterschappen gaat betrekken bij verschillende onderwerpen in plaats van als Unie zijnde zelf
zaken uit te zoeken.
S T A F B U R E A U BEDRIJFSVOERING
Het doel van het bureau is het primaire proces op adequate, snelle en efficiënte manier te on­
dersteunen/adviseren. Het betreft ondersteunen en adviseren in brede zin waarbij er voor
wordt gezorgd dat werkprocessen effectief en efficiënt kunnen worden uitgevoerd. Het bureau
33
Bedrijfsvoering hecht veel waarde aan de mening van diegenen die ondersteund en geadvi­
seerd worden. Zij worden gezien als (interne) opdrachtgevers die weten wat zij nodig hebben.
Het bureau speelt daar op in, maar adviseert ook pro-actief op basis van verworven nieuwe in­
zichten. Het bureau Bedrijfsvoering onderschrijft het begrip maatschappelijk verantwoord on­
dernemen en is daar alert op bij de inkoop van goederen en diensten en de keuze van leveran­
ciers. De meerwaarde van het feit dat verschillende ondersteunende diensten in één bureau zijn
samengevoegd is evident en voldoet aan hetgeen gebruikelijk is bij andere organisaties. De
flexibele instelling van medewerkers is daarbij een vereiste maar ook een gegeven.
De begroting 2013 van het stafbureau bestaat voornamelijk uit personele kosten en de kosten
die nodig zijn om het proces te laten 'draaien' zoals kantoorkosten, kosten catering, onder­
houdskosten etc.
Taken en ontwikkelingen:
In essentie zorgt Bedrijfsvoering er voor dat er 'gewerkt' kan worden; daarbij is een aantal taken
te onderscheiden.
P&O: Zorg dragen dat medewerkers voldoende plezieren uitdaging in de werkzaamheden
houden. Daarvoor tools en ondersteuning aanbieden. Uitvoering geven aan afspraken die met
waterschappen zijn gemaakt ofwel dat zelfstandig beleid, toegesneden op het Unie, wordt ont­
wikkeld. Zorg voor arbeidsomstandigheden en verzuimbegeleiding. In 2014 zullen adviezen die
in 2011 zijn verwoord in een Strategisch HR document voor zover nog nodig een nadere invul­
ling krijgen en of worden geactualiseerd. Nadruk zal liggen op de kracht van de mensen die bij
de Unie werken. De kernwoorden 'ruimte, richting en resultaat' staan bij de ontwikkeling van het
HR beleid centraal.
Financiën: Financiële administratie en een adequate Planning en Control cyclus. Essentieel is
dat op goede wijze wordt geadministreerd en vervolgens juiste rapportages en waarheidsge­
trouwe prognoses kunnen worden gemaakt.
ICT: Ook In 2014 zal de nadruk gaan liggen op het benutten van de nieuwe mogelijkheden die
er zijn om processen zo efficiënt mogelijk te laten lopen en waarbij met name het tijd- en plaats
onafhankelijk werken aandacht zal krijgen. De activiteiten binnen de ICT zullen zich concentre­
ren op de ondersteuning in de vorm van 1 lijns hulp, adviseren inzake gestroomlijnde proces­
sen en anticiperen op ontwikkelingen die van belang zijn om de Bedrijfsvoering in zijn totaliteit
goed te laten functioneren.
e
Interne zaken: (secretariaat, receptie, post en repro, Digitale Informatie Voorziening, huisves­
tingsbeheer, catering): Onder deze noemer valt een veelheid aan activiteiten. Het secretariaat
zal conform het Handboek Secretariaat ondersteuning op verschillende niveaus geven aan me­
dewerkers, programmaleiders en directie. Bij de Digitale Informatievoorziening zal de aandacht
steeds meer uit gaan naar de actieve informatievoorziening en daar wordt nadrukkelijk een link
gelegd met het Programma Vereniging en Communicatie (bijvoorbeeld de dagelijkse digitale
Nieuwsdienst en Knipseldienst).
Huisvestingsbeheer:
De Unie is eigenaar van het gebouw aan de Koningskade. Dat betekent dat de zorg voor de
huisvesting onderdeel is van het takenpakket. Bureau Bedrijfsvoering voert onderhandelingen
over een veelheid aan contracten en heeft de zorg voor het beheer daarvan. Een aantal taken
zijn uitbesteed die direct of indirect met het beheer te maken hebben zoals de catering, de
schoonmaak, de receptiediensten en de zorg voor alle technische installaties. Om er voor te
zorgen dat een goed werkklimaat ontstaat en het (werk)proces zo min mogelijk wordt onderbro­
ken worden storingen direct gemeld aan de leveranciers en of worden door eigen personeel
opgelost. Elke klacht van medewerkers wordt via een apart mailadres gemeld en zo spoedig
34
mogelijk opgelost. De reserveringen van de vergaderzalen worden centraal via geregeld. Om­
dat het gebouw ook een aantal huurders herbergt betekent dit ook de zorg als verhuurder. Dit
betreft niet alleen de kantoorgebouwen doch ook de 3 appartementen die in eigendom zijn van
de Unie.
Een aantal speerpunten kan, min of meer los van bovenstaande, voor 2014 nog apart worden
benoemd t.w.:
- evaluatie 'het nieuwe werken' evalueren en voor zover mogelijk uitbouwen;
- strategisch HRM beleid actualiseren en samenwerking intern bevorderen;
- mobiele en vaste telefonie zo mogelijk integreren
- aandacht voor servicenormen
- nieuw Medewerkerstevredenheidsonderzoek
- nieuwe 'tender' voor catering en schoonmaak
35
Meerjarenbegroting op hoofdlijnen 2014
Kstsrt
Omschrijving kostensoort/product
JaarRekening
2012
Begroting
2013
Begroting
2014
2015
2016
2017
2018
LASTEN
Exploitatie Bureau
400
410
420
430
500
Kapitaallasten
Personeelslasten
Huisvesting
Algemene lasten
Kosten diensten
721
4.781
378
409
134
727
4.757
312
422
144
603
5.046
330
426
149
615
5.147
337
435
152
627
5.250
344
444
155
640
5.355
351
452
158
653
5.462
358
462
162
Totaal exploitatiekosten
6.423
6.361
6.555
6.686
6.820
6.956
7.095
479
694
650
301
93
398
635
799
690
200
37
293
705
773
782
230
73
290
566
842
798
235
74
296
577
624
814
239
76
302
589
637
830
244
77
308
601
649
846
249
79
314
2.614
2.654
2.853
2.811
2.632
2.685
2.738
48
-337
50
-189
55
-289
56
-295
57
-301
58
-307
60
-313
Programma's
Moderne Overheid
Vereniging en Communicatie
Innovatie en Internationaal
Waterbeleid
Team BJZ
Directie
TOTAAL BELEIDSACTIVITEITEN
Onvoorzien
Toevoegen/onttrekken aan algemene reserve
9.208
36
9.580
Meerjarenbegroting op hoofdlijnen 2014
Kstsrt
823
829
830
Omschri
BATEN
Opbrengsten exploitatie Bureau
Huuropbrengsten
Opbrengsten Algemeen
Rente
JaarRekening
2012
Begroting
2013
Begroting
2014 ~
2015
2016
201
382
282
20
80
426
210
176
40
475
220
185
70
485
224
189
71
494
229
193
73
504
233
196
74
514
238
200
76
Totaal opbrengst activiteiten
12
5
0
0
0
0
0
Opbrengst activiteiten
12
5
8.355
8.445
8.699
8.773
8.714
8.889
9.066
Te dekken uit opbrengst contributie
Contributiestijging
0
3,01 7o
37
0
0,86 7o
o
-0,68 7o
0
2,01 7o
0
1,99 7o
Begroting baten
en
lasten
Begroting
Begroting
2013
2014
8.355.230
8.444.744
8.699.054
281.747
210.000
220.000
I I I . Programma's
19.627
176.000
185.100
IV. Overige baten
11.912
5.000
Werkelijke
cijfers
2012
Begroting baten en lasten
A. B a t e n
I.
Contributies
II.
Verhuur
C
Totaal
8.668.516
C
8.835.744
9.104.154
B. L a s t e n
I.
Projectkosten programma's en directie
2.614.408
2.654.000
2.853.000
II.
Personeelskosten
4.781.219
4.757.244
5.045.993
I I I . Huisvestingskosten
378.374
297.000
330.300
IV. Algemene kosten
409.400
436.500
426.400
V.
133.780
143.500
149.300
245.317
278.575
299.575
48.001
50.000
55.000
9.159.568
Kosten diensten
VI. Afschrijvingen vaste activa
VII. Onvoorzien
Totale bedrijfslasten
Resultaat voor financiële baten en lasten
8.610.499
ĉ
8.616.819
58.017
ĉ
218.925
55.414-
C Financiële baten en lasten
I.
Rentebaten
80.224
40.000
70.000
II.
Rentelasten
333.692
317.925
302.786
141.620
130.000
800
I I I . Overige baten en lasten
Saldo financiële baten en lasten
395.088-
ĉ
407.925-
233.586-
Exploitatieresultaat
337.072-
C
189.000-
289.000-
337.072
C
189.000
289.000
Onttrekkingen via verenigingsvermogen
38
Toelichting begroting baten en lasten
Werkelijke
cijfers
Begroting
Begroting
2012
2013
2014
156.000
162.000
20.000
23.100
Toelichtinq op bearotinq van baten en lasten
A. Baten
Opbrengst "Het Waterschap"
In 2012 is de bijdrage van Het Waterschap in de
contributiebijdrage opgenomen.
Opbrengst overige publicaties
I I I . Proaramma's
19.627
e
19.627
11.912
Diversen
IV. Overiae baten
e
c
11.912
176.000
e
185.100
e
-
5.000
e
5.000
B. Lasten
I. Proiectkosten proqramma's
(Ĺ
2.614.408
I I . Personeelskosten
e 5.045.993
79.516
83.744
106.225
31.847
61.594
15.229
219
80.000
81.500
49.500
30.500
40.000
15.000
500
82.000
79.500
90.000
31.300
30.000
17.500
e
378.374
e
e
409.400
e
80.757
47.582
5.441
c
39
133.780
297.000
e
15.000
127.500
105.500
55.000
50.000
57.500
2.000
24.000
139.343
108.614
51.403
47.720
35.322
1.538
25.462
Restaurant
Receptie
Lasten verhuur
VI. Kosten diensten
4.084.955
608.243
287.500
312.034
1.500
73.500
101.374
85.000
-508.113
3.903.197
585.479
130.000
300.356
5.000
73.500
97.580
74.625
-412.493
e 4.757.244
Leaseauto
Kantoorkosten
Telefoon- en Internetkosten
Accountants- en advieskosten
Documentatie
Portokosten 1 drukwerk
Contributies en abonnementen
Verzekeringen
IV. Alaemene kosten
e 2.853.000
e 4.781.219
Schoonmaak
Energie
Onderhoud gebouw
Belastingen
Kantoor Brussel
Beveiliging gebouw
Overige huisvestingskosten
I I I . Huisvestinaskosten
e 2.654.000
3.898.038
609.108
302.264
316.603
786
115.264
61.305
96.130
-618.280
Salariskosten
Pensioenlasten
Uitzendkrachten
Sociale lasten
Wervingskosten
Overige personeelskosten
Opleidingskosten
Reis- en verblijfkosten
Terug ontvangen salarissen
773.000
230.000
705.000
782.000
73.000
290.000
799.000
200.000
610.000
690.000
37.000
318.000
693.537
300.550
479.030
650.239
93.230
397.822
Vereniging en Communicatie
Waterbeleid
Moderne Overheid
Innovatie en Internationaal
Team BJZ
Directie
436.500
140.400
105.000
48.500
50.000
57.500
25.000
e
143.500
426.400
83.600
48.000
17.700
80.000
50.000
13.500
e
330.300
c
149.300
Toelichting begroting baten en lasten
Toelichtinq op beqrotinq v a n baten en lasten
Afschrijvingslasten
Afschrijvingslasten
Afschrijvingslasten
Afschrijvingslasten
Afschrijvingslasten
Werkelijke
cijfers
2012
162.575
40.670
10.025
32.048
gebouwen
hardware
software
overige inventaris
nieuwe investeringen
e
V I I . Afschriivinaen vaste activa
245.317
e
Begroting
2013
2014
162.575
40.000
16.000
60.000
162.575
41.000
16.000
30.000
50.000
278.575
C
50.000
48.001
Onvoorzien
Begroting
299.575
55.000
e
48.001
e
50.000
e
55.000
Rente betaalrekeningen
e
80.224
e
40.000
c
70.000
I. Rentebaten
e
80.224
e
40.000
e
70.000
V I I I . Onvoorzien
C. F i n a n c i ë l e b a t e n e n l a s t e n
317.925
333.064
628
Rente hypothecaire lening
Financiële lasten
e
I I . Rentelasten
333.692
c
302.786
e
317.925
302.786
Vrijval voorziening groot onderhoud
Vrijval pensioenvoorziening
Dotatie afvloeiingsregelingen
­83.211
­3.941
228.772
120.000
10.000
800
I I I . Overige lasten
141.620
130.000
800
Begroting Muskus­ en Beverratten
Muskusratten
Salaris (incl. werkgverslasten)
Vergaderingen, lunches
Adviesgroep TechniekcVTactïek
Communicatie 8i Website
Huisvesting 8*. accountant (UvW)
Opleidingen, cursussen, congres
110.000
1.500
2.500
3.000
3.000
5.000
12b.0üū"
eei/erraíten
Inzet NONL
Inzet Rivierenland
Inzet Limburg
Adviesgroep beverratten
Kooizenders (afgerond)
225.000
250.000
300.000
1.000
49.000
~
Totale bijdrage
Muskus- en Beverratten
*
825.000
950.000
•Bijdrage Muskus­ en Beverratten
zit niet in de contrubutiebijdrage
ivm andere verdeelsleutel wordt
de bijdrage apart gefactureerd.
40
Contributiebijdrage Waterschappen 2 0 1 4
Contributiebijdrage Waterschappen 2014
ntnbutie 2014
Percentage
aa
stemgerechtigden
Verdeling
Op basis v a n
o b v aantal
• b v aantal
verdeling
gerechtigden
kiesgerechtigden
Bijdrage
Het W a t e r s c h a p
en Muskusratten
(exclusief BTW)
Obv hectares
193.000,00
*
162.000
í
950.000
6
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
7.043
51.778,19
6
Belastingopbrengst
Waterschap
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
2013
206.609.347
7o o p b r e n g s t
8,25"/,,
H o o g h e e m r a a d s c h a p v a n Delfland
215.654.588
8,61 /.
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi e n Vecht
173.908.951
S.95%
H o o g h e e m r a a d s c h a p v a n Rijnland
163.222.354
Waterschap Rivierenland
0
7,160/0
1.572.773
12,230/0
o
1.368.739
10,64 Zo
6,5270
711.593
5,53­/0
150.225.933
6,007o
693.614
5,39 /»
W a t e r s c h a p Hollandse Delta
145.056.252
5,79*
472.471
3,67"/»
Wetterskip Fryslãn
122.115.363
4,88y
W a t e r s c h a p Brabantse Delta
109.578.628
0
o
0
523.093
4,07 Zo
4,38 /»
0
756.363
5,88 /»
0
0
0
Waterschap A a en Maas
108.154.660
4,32 /»
701.831
5,46 /»
H o o g h e e m r a a d s c h a p D e Stichtse Rijnlanden
103.719.634
4,14 /»
317.405
2,47o/»
Waterschap De Dommel
89.130.883
3,56y
461.024
3,58 Zo
Waterschap Roer en Overmaas
79.582.241
3,180/0
550.810
4,280/0
Hoogheemraadschap v a n Schieland en d e K rimpenerwaard
84.073.870
3,360/0
141.109
1,100/0
Waterschap Hunze en Aa's
79.140.009
3.160/0
733.547
5.700/0
113.322.990
4,530/0
0
O.OOo/o
Waterschap Vechtstromen
0
bedrag
'A o p b r e n g s t
920.712
0
0
e
t
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
13.815,40
565.932,48
23.599,66
592.585,09
20.538,10
511.672,66
10.677,54
481.882,81
10.407,77
457.376,18
7.089,49
444.417,03
7.849,08
402.394,47
11.349,32
382.515,13
10.531,06
379.041,33
4.762,70
365.002,15
6.917.72
339.950,80
8.264,97
323.490,92
2.117,36
325.719,68
11.006,97
325.408,20
­
378.148,62
W a t e r s c h a p Rijn S IJssel
73.412.620
2,930/0
533.310
4,150/0
e
8.002,38
311.722,69
Waterschap Zuiderzeeland
69.164.061
2,760/0
299.332
2,330/0 ē
4.491,51
300.288,74
7.043
e
e
e
e
e
e
a
7.043
6
45.724,29
7.043
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
e
43.426,70
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
7.043
120.095.500
4,800/0
763.413
5,940/0
e
11.455,11
402.233,68
7.043
W a t e r s c h a p Groot Salland
61.878.091
2,47o/»
433.693
3,370/0 6
6.507,62
288.717,33
7.043
W a t e r s c h a p Noorderzijlvest
57.132.702
2,280/0
93.923
e
1.409,33
274.769,43
«
7.043
W a t e r s c h a p Peel e n Maasvallei
53.131.962
2,12o/»
372.783
2,900/0 6
5.593,66
271.492,84
7.043
Waterschap Reest en Wieden
45.211.770
136.674
1,060/0
253.179,73
80.292.002
e
e
2.050,81
Waterschap Scheldestromen
1,810/0
3,210/B
4.562,44
321.112,01
e
e
e
W a t e r s c h a p Vallei S V e l u w e
0,730/0
304.059
0
2,36 Zo
41
7.043
7.043
624.754
25.024,78
e
e
e
e
e
e
e
e
e
41.063,99
«
15.109,32
22.049,51
30.905,96
52.863,63
29.458,08
89.202,15
27.026,00
13.720,20
54.279.42
58.773,36
614.738
540.766
519.832
517.283
480.919
498.640
435.283
429.512
397.070
388.058
357.560
e
e
e
346.483
386.731
443.965
51.447,84
370.214
40.829,44
348.162
63.206,66
33.278,58
472.484
e
39.413,66
35.801,04
37.879,89
47.737,30
329.039
321.227
e
e
e
314.337
298.103
375.893
de Nationale
ombudsman
1
111
Postadres
Het dagelijks bestuur van het waterschap Reer-en-Gvęļļrtaas——~-
Postbus 93122
contactpersoon Nationale ombudsman
2509 AC Den Haag
De heer E.H.G.M. Wijnands
Bezoekadres
Postbus 185
Bezuidenhoutseweg 151
0 2 JAN. 2014
6130 AD SITTARD
2594 AG Den Haag
Tel: (070) 356 35 63
„ ,:
0(9
Fax: (070) 360 75 72
Ter afd
[email protected]
aan
www.nationaleombudsman.nl
Doorkiesnummer
Cf
Geacht bestuur,
Afgedaan d.d
Hierbij ontvangt u het rapport dat de Nationale ömbudsmanîiëêft ōpgêštêlĩ
grond van het onderzoek naar de klacht van de heer W. van den Haak te
(070) 356 35 25 RM/gn
Datum
Ons nummer
2013.02700
Uw brief
Hillensberg over het Waterschap Roer en Overmaas. In dit rapport vindt u het
oordeel over de onderzochte klacht. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik
Uw kenmerk
om u te bedanken voor de informatie die u voor dit onderzoek heeft verstrekt.
Bijlagen
Rapporten zijn openbaar
Onze rapporten zijn openbaar en te vinden via www.nationaleombudsman.nl.
Daarnaast verstrekken wij dit rapport op aanvraag aan belangstellenden.
1
Behandelend medewerker
mr. R.E. Miedema
Onderwerp
rapport
Contact
Voor uw reactie en eventuele vragen kunt u contact opnemen met
mr. R.E. Miedema. U kunt hem op ma, di, wo en do bereiken via telefoonnummer
(070) 356 35 25 en e-mailadres [email protected].
Met vriendelijke groet,
de Nationale ombudsman,
mr. F.J.W.M. van Dooren,
substituut-ombudsman
de Nationale
ombudsman
Rapport
Rapport betreffende een klacht over het Waterschap Roer en Overmaas te Sittard.
Datum: 31 december 2013
Rapportnummer: 2013/207
De burger heeft er recht op behoorlijk behandeld te worden door de overheid. En laten we duidelijk zijn:
meestal gebeurt dat ook. Maar het lukt niet altijd. En dan is het goed dat iemand die zich benadeeld of onrechtvaardig behandeld voelt, voor bescherming terecht kan bij een onafhankelijk instituut. Dat instituut is de
Nationale ombudsman.
De Nationale ombudsman levert een bijdrage aan het herstel van vertrouwen in de overheid. Hij doet dit
door zijn kennis te delen met overheidsinstanties, onderzoek te starten of mensen te helpen bij onnodige
bureaucratie. Een onderzoek van de Nationale ombudsman kan worden afgesloten met een rapport.
Daarin staat of de klacht terecht is en wat de overheid kan doen om haar dienstverlening te verbeteren.
Deze rapporten zijn openbaar en worden gepubliceerd op www.nationaleombudsman.nl.
Postadres
Postbus 93 122
2509 AC Den Haag
Bezoekadres
Bezuidenhoutseweg 151
2594 AG Den Haag
www.nationaleombudsman.nl
2
Inleiding
Verzoeker heeft zich tot de Nationale ombudsman gewend omdat hij, in de uitoefening
van zijn functie, een bepaalde werkwijze van zijn werkgever heeft geconstateerd, op
grond waarvan hij vindt dat er sprake is van een misstand. Er is in zijn optiek sprake van
een structurele werkwijze waarbij zijn werkgever, een waterschap, bepaalde vergunningen achteraf verleent. Hetgeen in strijd is met de regels.
Verzoeker ziet zichzelf als klokkenluider omdat hij een vermoeden van een misstand had,
en hij deze misstand heeft aangekaart binnen zijn organisatie.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij vervolgens weerstand en tegenwerking heeft ervaren
vanuit de organisatie, zodanig dat hij uiteindelijk een slechte beoordeling heeft gekregen
waarna hij is ontslagen.
Verder heeft verzoeker aangegeven dat het waterschap geen onafhankelijke vertrouwenspersoon klokkenluiders heeft aangesteld, nu deze functie wordt vervuld door de coördinator
van de Afdeling Personeel en Organisatie. Verzoeker is van mening dat een vertrouwenspersoon voor klokkenluiders niet objectief of betrouwbaar kan zijn als hij tevens betrokken is
bij de beoordeling van een werknemer en dus functioneel nauwe banden heeft met de
directie van de organisatie.
Klachten
De Nationale ombudsman heeft de klacht als volgt geformuleerd:
1. Verzoeker klaagt erover dat het Waterschap Roer en Overmaas voor
werkzaamheden waarbij het waterschap zelf betrokken is, toestaat dat stelselmatig
(nagenoeg) achteraf een waterschaps/keurvergunning wordt aangevraagd en verleend;
2. Verzoeker klaagt er verder over dat er bij het Waterschap Roer en Overmaas geen
onafhankelijke vertrouwenspersoon voor klokkenluiders is.
Klacht 1
Algemeen
Verzoeker geeft aan dat het waterschap grote projecten vaak samen met andere partners
uitvoert. Voor bepaalde activiteiten is op grond van de keur een vergunning nodig. Deze
worden meestal door één van de andere partners (achteraf) aangevraagd (bijvoorbeeld
de gemeente of een landinrichtingscommissie). Bij het waterschap is het gebruik om bij
projecten, waar het zelf een belang bij heeft, de volgorde om te draaien: eerst uitvoeren
en, als het project afgerond is, wordt achteraf de situatie vastgesteld door middel van een
vergunning.
2013.02700
de Nationale ombudsman
Verzoeker is van mening dat het waterschap welbewust een strategie voert om eerst
werkzaamheden te beginnen en pas na de afronding de vergunningprocedure te volgen.
Dit voorkomt complicaties bij het realiseren van projecten.
Verzoeker is van mening dat deze structurele werkwijze een misstand is. Wanneer je als
burger een vergunning nodig hebt, moet je wel die vergunning van te voren verkrijgen.
Het kan niet zo zijn dat een overheidsinstantie zich niet aan de regels hoeft te houden en
altijd achteraf een vergunning verleent.
Verzoeker is verder van mening dat het standpunt van het waterschap dat er in zijn
algemeenheid niets mis is met het verlenen van een vergunning achteraf, niet juist is. De
burger wordt op deze manier het recht ontnomen om zich tegen deze plannen te
verweren middels bezwaar en beroep. De mededeling dat de Raad van State met een
dergelijke werkwijze zou instemmen is in de ogen van verzoeker apert onjuist.
Verzoeker heeft vier projecten genoemd waarbij er in zijn ogen sprake is van een
werkwijze die niet door de beugel kan.
Deze voorbeelden betreffen:
1.
Project Valkenburg
2.
Project Rode Beek
3.
Landinrichtingsprojecten Centraal Plateau en Mergelland Oost.
De Nationale ombudsman heeft zich in het onderzoek gericht op deze vier projecten van
het waterschap, nu verzoeker van mening is dat uit deze projecten blijkt dat er sprake is
van een structureel achteraf verlenen van vergunningen door het waterschap aan zichzelf
of andere overheden.
Het waterschap heeft in het onderzoek meerdere malen schriftelijk en één maal
mondeling een toelichting gegeven op zijn visie op de klacht van verzoeker.
Het waterschap heeft in zijn eerste reactie aangegeven dat er in algemene zin niets mis
is met vergunningverlening achteraf. Indien er vergunningsplichtige activiteiten hebben
plaatsgevonden zonder vergunning, is het op grond van jurisprudentie noodzakelijk om,
alvorens te handhaven, eerst te toetsen of de activiteit legaliseerbaar is. Indien dit het
geval is, dient achteraf een vergunning te worden verleend.
Ook is het waterschap van mening dat op grond van artikel 4.8 van de keur, het
waterschap zichzelf geen vergunning hoeft te verlenen voor activiteiten die het verricht
ter uitvoering van de aan het waterschap opgedragen wettelijke taak.
Het waterschap is nadrukkelijk van mening dat de stelling van verzoeker dat het
waterschap stelselmatig achteraf vergunningen laat aanvragen en verleent, niet juist is.
2013.02700
de Nationale ombudsman
1. Project Valkenburg
Zienswijze verzoeker
In het project aangaande het herstellen van de kademuren in Valkenburg, geeft
verzoeker aan dat het herstel van de kademuur met goede wil nog wel onder de
werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.8 keur kan vallen. Maar de andere
werkzaamheden, zoals de aanleg van uitkijkpunten en plaatsing van staatmeubilair, een
wandelpad aanleggen en een amfitheater maken, vallen hier niet onder.
De genoemde plannen voor aanpak hebben betrekking op herstelmaatregelen van de
kademuur. Voor de andere werkzaamheden had de gemeente Valkenburg vooraf een
vergunning moeten aanvragen, omdat dit geen waterstaatwerken betreft.
Verzoeker is van mening dat er door het waterschap vergunningen zijn overgelegd
waaruit het niet duidelijk is of de overige werkzaamheden hier onder vallen.
De vergunning van 28 oktober 2010 spreekt over een aantal werkzaamheden. Bij deze
vergunning behoort als bijlage een notitie van Royal Haskoning. Verzoeker is van mening
dat een deel van de werkzaamheden die in de notitie worden besproken, niet terug te
vinden is in de vergunning.
Volgens verzoeker waren de genoemde cultuurhistorische objecten in uitvoering of reeds
gerealiseerd, toen de vergunning in oktober 2010 werd verleend. Hij verwijst naar stukken
van het internet op grond waarvan blijkt dat de werkzaamheden al eerder dan de
vergunning van oktober 2010 hebben plaats gevonden.
Zienswijze waterschap
In dit project moesten de kademuren in Valkenburg worden vernieuwd. Samen met de
gemeente heeft het waterschap geld hiervoor beschikbaar gesteld. Met de gemeente en
particuliere eigenaren zijn overeenkomsten gesloten om de werkzaamheden mogelijk te
maken. Het gaat om de Molentak en de Geul.
Er zijn plannen voor renovatie opgesteld en die hebben ter inzage gelegen (vanaf 1997).
Vergunningen zijn noodzakelijk om te toetsen of de geplande werkzaamheden geen
inbreuk maken op het waterstaatkundig functioneren van de Molentak en de Geul.
Aangezien het waterschap het project samen met de gemeente heeft uitgevoerd en als
opdrachtgever heeft gefungeerd, is deze toets uitgevoerd bij het maken van plannen
van aanpak.
Er is een projectbesluit genomen. Op grond van artikel 4.8. van de keur is er dan ook
geen noodzaak tot het verlenen van aparte vergunningen
In 2013 is aan de gemeente een vergunning verleend waarin is opgenomen voor welke
delen van de kademuur de gemeente verantwoordelijk is voor het onderhoud. Daarmee
is de onderhoudsplicht voor de toekomst gewaarborgd. De vergunningen die particulieren
hebben, zijn niet gewijzigd.
2013.02700
de Nationale ombudsman
Nadere toelichting waterschap
Het waterschap heeft vooraf een projectbesluit genomen. Vervolgens is het in het
uiteindelijke 13 jaar durende project niet vooraf duidelijk wat allemaal uitgevoerd zal
moeten worden.
Het plan is geweest dat wanneer de muren van de kade klaar zijn dat dan de oude
(beheer)vergunningen worden ingetrokken en dat de nieuwe vergunningen moeten
worden verleend. Dit betreft dan het regelen van het onderhoud.
De werkzaamheden zijn in twee fases uitgevoerd. Voor de tweede fase zijn op 23 januari
2008 en op 28 oktober 2010 vergunningen verleend voor de nadere invulling.
De verhoging van de balkons vait onder het projectbesluit.
Verder heeft het waterschap aangegeven dat niet alle werkzaamheden die de gemeente
Valkenburg zich in 2005 had voorgenomen, zijn uitgevoerd. Zo is er geen wandelpad en
stadsmuur aangelegd. Er is geen amfitheater gemaakt en er zijn geen open
hekwerk/houten beschoeiing/aarden wal met voetpad aangelegd.
Er is wel een wandelpad langs de Geul aangelegd, hetgeen is opgenomen in de
vergunning van 23 januari 2008.
De uitkijkpunten, balkons genoemd, zijn opgenomen in een aantal vergunningen van
oktober 2010. Het straatmeubilair - in de vergunningen aangeduid als verlichting
elektriciteitskasten, haag en hekwerk - is opgenomen in de vergunningen van januari
2008.
In 2013 heeft het waterschap een vergunning verleend (aan de gemeente) waarbij het
onderhoud voor de toekomst is geregeld.
Het waterschap concludeert dan ook dat er in dit project geen vergunningen achteraf zijn
verleend.
2. Project Rode Beek
Zienswijze verzoeker
Verzoeker heeft wat betreft het project Rode Beek , dat de ontkluizing van de Rode Beek
betrof, verwezen naar de website van het waterschap in 2011:
"Ontkluizing Rode Beek: uitvoering vordert. De werkzaamheden aan de ontkluizing van
de Rode Beek in de kern van Schinveld zijn in volle gang. Er is tot op heden veel werk
verzet, zo is een deel van de Rode Beek weer zichtbaar, zijn de eerste vissen alweer
teruggekeerd in de beek en wordt het riool vervangen. Gemeente Onderbanken,
Waterschap Roer en Overmaas, Waterschapsbedrijf Limburg, directievoerder Plangroep
Heggen en aannemer Arcadis werken samen aan het weer zichtbaar maken van de Rode
Beek ín het centrum van Schinveld. Het openmaken van de beek over een traject van
850 meter is nodig om een ononderbroken verbindingszone tussen natuurgebieden te
maken. Dit zorgt voor minder wateroverlast bij hevige regenval, is goed voor de natuur en
versterkt de levendigheid van de kern van Schinveld".
2013.02700
de Nationale ombudsman
6
Verzoeker is van mening dat voor dit project eveneens achteraf een vergunning (door de
gemeente Onderbanken) is aangevraagd. Het team handhaving mocht hierbij niet te veel
bemoeienis hebben. Verzoeker verwijst hiervoor naar een interne mailwisseling. Ook wijst
verzoeker erop dat hij dit project heeft genoemd in de interne notitie die hij na zijn
indiensttreding heeft opgesteld.
Naar aanleiding van de reactie van het waterschap heeft verzoeker aangegeven dat er
inderdaad een vergunning door het waterschap is verleend. Alleen is er tijdens de
uitvoering van het project in ernstige mate door het waterschap afgeweken van de
verleende vergunning van 2009. Zo ernstig dat een handhaver de projectleider er op
wees. De projectleider heeft in een mail gezegd niet elke wijziging met welk karakter ook
door te geven. Er is nog een calamiteit geweest. Er dreigde meer grondwater te worden
onttrokken dan was vergund. Er dreigden woningen te verzakken. Na contact tussen de
coördinator handhaving en de wethouder, zijn passende maatregelen getroffen, waarvan
de projectleiding (het waterschap) op de hoogte was. Toen de rust is hersteld, heeft de
gemeente later nog een aangepaste vergunning aangevraagd; die is verleend.
Zienswijze waterschap
De gemeente is in dit project opdrachtgever en het waterschap financiert mee, voor zover
het betrekking heeft op de wettelijke taak van het waterschap.
Er is namens de gemeente een vergunning op grond van de keur aangevraagd bij het
waterschap op 30 januari 2009. In de aanvraag wordt aangegeven dat de gemeente
voornemens is medio september 2009 te starten met de uitvoering. Vervolgens is op 22
juli 2009 de vergunning verleend op grond van de keur alsmede een besluit
maatwerkvoorschrift ingevolge het Activiteitenbesluit.
Er is geen sprake van vergunningverlening achteraf.
Het waterschap heeft mondeling ten aanzien van het door verzoeker genoemde incident
aangegeven dat er inderdaad te veel grondwater werd onttrokken en dat daar toen een
nieuwe vergunning voor is verleend. Hiermee is er geen sprake van een
vergunningverlening achteraf omdat er is ingespeeld op een nieuwe omstandigheid.
Hieraan heeft het waterschap toegevoegd dat door de provincie Limburg op 30 juli 2009
een vergunning is verleend aan de gemeente Onderbanken voor het onttrekken van
grondwater op grond van de Grondwaterwet tot 1 januari 2011 (een bemalingsvergunning).
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden en is de Grondwaterwet
ingetrokken. Grondwateronttrekkingen zijn sinds die datum vergunningsplichtig op grond
van de Waterwet en het waterschap is daarvoor het bevoegd gezag.
In 2010 is, ten tijde van de uitvoering van de werken, door de gemeente Onderbanken bij
het waterschap verzocht de werkingsduur van de vergunning van de provincie te
verlengen tot 1 juli 2013 en is gevraagd om meer water te mogen onttrekken om de
2013.02700
de Nationale ombudsman
bouwkuip droog te houden. Na de nodige onderzoeken is op de aanvragen positief
gereageerd bij besluit van 4 oktober 2010.
Er was dus geen sprake van een calamiteit maar van een verzoek om meer grondwater
te mogen onttrekken, hetgeen in 2009 niet te voorzien was.
Het waterschap heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat de gemeente Onderbanken in
maart 2010 bij het waterschap - dat toen inmiddels bevoegd was geworden - een
verzoek had ingediend om de looptijd van de bemalingsvergunning tot 1 januari 2011 te
gaan verlengen tot 1 juli 2013. In een brief van juli 2010 voegt de gemeente hieraan toe
dat er is uitgegaan van een onttrekking van 19.6 m3AJur. En dat op dat moment tijdens
het opstarten van het werk, blijkt dat gemiddeld 50 m3Ajur wordt onttrokken. Er is om
aanpassing van de vergunning naar dit laatste getal gevraagd.
In een brief van 1 september 2010 geeft de gemeente aan dat er op dat moment
65 m3Ajur wordt onttrokken en verzoekt de vergunning daarop aan te passen. Het
waterschap heeft op 4 oktober 2010 de gewijzigde vergunning verleend.
3. Projecten Landherinrichting Centraal Plateau en Mergelland Oost
Zienswijze verzoeker
Verzoeker heeft aangegeven dat het waterschap in het kader van een herinrichtingsprocedure zich niet aan de regels houdt en ook achteraf vergunningen verleent. Hiervoor
geeft verzoeker de projecten Herinrichting Centraal Plateau en Herinrichting Mergelland
Oost aan.
Ten aanzien van het project Centraal Plateau geeft verzoeker het volgende aan.
Op 9 december 2011 is de vergunningaanvraag Herinrichting Centraal Plateau per brief
ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de afronding van het landinrichtingsproject
Centraal Plateau (hierna: "CP"). Een project van jaren, waarbij verschillende overheden
(Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedsel, Provincie Limburg, Waterschappen,
gemeenten en boeren) bij betrokken zijn. De landinrichting is thans (nagenoeg) afgerond.
Datgene wat gerealiseerd is moest worden vastgelegd in een vergunning. Enerzijds om
(achteraf) te voldoen aan de keur, anderzijds wordt in de vergunning ook vastgelegd wie
het onderhoud over de betreffende duiker of brug, etc. dient uit te voeren.
Uit de vergunningaanvraag blijkt dat deze is ingediend door de landinrichtingscommissie
CP; waarin diezelfde overheden en partijen vertegenwoordigd zijn. Van het
eerdergenoemde formulier is geen gebruik gemaakt, van ieder werk (de duiker, de brug,
etc.) is een aparte tekening gemaakt. Er was in dit geval slechts een "situatieschetsje"
bijgevoegd. De aanvraag vermeldt: "De landinrichtingscommissie verzoekt u naar
aanleiding van het bestek BBD, onderdeel Beken door middel van bijgevoegde informatie
de noodzakelijke keurvergunningen af te geven aan de aanliggende eigenaren t.b.v. het
gebruik van veedrinkplaatsen, neuspompen en mogelijke voor het waterschap vergunningsplichtige zaken".
2013.02700
de Nationale ombudsman
8
Uit informatie op internet volgt , aldus verzoeker, dat al op 16 oktober 2009 de akte van
toedeling ten overstaan van een notaris is gepasseerd voor de herinrichting CP. Ook blijkt
uit de zogeheten "Landinrichter" van 10 juli 2008 - een online uitgave van de
Landinrichtingscommissie CP - dat het "Beekherstel, Bermbeplantingen en Dassenvoorzieningen (BBD)" op dat moment volop in uitvoering is. Dit terwijl de vergunningen van
het bestek BBD onderdeel Beken pas op 8 december 2011 bij het waterschap werden
aangevraagd. Hieruit volgt dat deze vergunning dus achteraf is aangevraagd.
Ten aanzien van de herinrichting Mergelland-Oost is verzoeker van mening dat dat een
vergelijkbaar voorbeeld is. In een brief van de landinrichtingscommissie aan het
waterschap, die verzoeker heeft overgelegd, staat: 'Wanneer de uitvoering gereed is
wordt precies op tekening gezet wat, waar is uitgevoerd, zodat alles vergund kan worden.
Verzoeker voegt hieraan toe dat een lid van het dagelijks bestuur van het waterschap de
onafhankelijk voorzitter van de herinrichtingscommissie is. Verzoeker wijst erop dat in de
brief van de commissie aan het waterschap wordt aangegeven dat deze is verstuurd op
advies van de heer C , een projectleider van het waterschap.
Om deze werkwijze te ondervangen, heeft verzoeker intern voorgesteld om vooraf een
raamvergunning te gaan verlenen.
Verzoeker heeft in reactie op het verslag van bevindingen nog verwezen naar de
vergunningenpraktijk die volgens hem bij Rijkswaterstaat zou bestaan; daar zou wel
sprake zijn van een juiste volgorde van vergunningverlening.
Zienswijze waterschap
Het waterschap heeft het volgende aangegeven.
Landinrichting, op grond van Landinrichtingswet, is een procedure van tientallen jaren.
De landinrichtingscommissie richt een gebied opnieuw in en het waterschap is een van
de eigenaren in zo'n gebied.
In het kader van het werk van de landinrichtingscommissie vraagt de landinrichtingscommissie een vergunning op grond van de keur voor de werkzaamheden.
Voorbeeld van die werken zijn het plaatsen van vele duikers, bruggen, toegangen tot
percelen etc.
Bestuurlijk is afgesproken dat het waterschap 50 Zo van de kosten voor beekherstel
betaalt. Dit impliceert dat het waterschap ook mede bepaalt welke werkzaamheden
worden uitgevoerd. Op dat moment wordt getoetst of de werkzaamheden inbreuk maken
op het waterstaatkundig functioneren van de watergangen.
o
Aangezien het waterschap mede zelf het bestek bepaalt, is er voor gekozen geen
vergunning te verlenen aan de landinrichtingscommissie omdat dat op dat moment
slechts een papieren, administratieve handeling zou zijn.
Bovendien is één medewerker van het waterschap betrokken bij de landinrichtingscommissie zodat het waterschap aan de werkzaamheden van de landinrichtings-
2013.02700
de Nationale ombudsman
9
commissie deelneemt en er zo nodig advies kan worden gegeven. Deze werkzaamheden
van de commissie betreffen de feitelijke indeling en inrichting van het gebied waarbij in
overleg wordt getreden met de eigenaren die uiteindelijk bij de toedeling zelf de
vergunningen (dus de plicht tot onderhoud) gaan krijgen.
Het waterschap zou voor aanleg van de werken honderden vergunningen eerst aan de
landinrichtingscommissie moeten verlenen en dan zou het waterschap deze honderden
vergunningen, na het plan van toedeling, weer opnieuw moeten verlenen aan de nieuwe
eigenaren. Aangezien dit slechts een administratieve handeling zou zijn die veel
inzet vraagt en geen inhoud heeft, is hiervoor niet gekozen.
Formeel gezien moet de landinrichtingscommissie vergunningen verkrijgen om de
uitvoering van de werkzaamheden te kunnen doen. Het waterschap moet de
vergunningen hiertoe verlenen. Echter, dit is zo'n administratieve klus, dat er voor
gekozen is om gedurende het project geen vergunning te verlenen aan de commissie,
maar uiteindelijk alleen (na het moment van toedeling) deze vergunningen te verlenen
aan de uiteindelijke eigenaren.
Naar de letter heeft verzoeker dan ook gelijk dat in dit geval de werken eerst zijn gemaakt
en dat naderhand de vergunningen verleend zijn, doch een andere werkwijze levert enkel
administratieve lasten op.
De rechtsbescherming is niet geschaad, aangezien de werken met name bedoeld zijn
voor de ontsluiting van de percelen van de nieuwe eigenaren. Er is niemand die hiervan
enig nadeel ondervindt. De uitvoering van de werken is ten gunste van de nieuwe
eigenaren. Voor deze eigenaren staat bezwaar en beroep open. Hiervan heeft overigens
niemand gebruik gemaakt.
Het waterschap geeft verder aan met verzoeker over zijn visie op het niet verlenen van
de vergunningen aan de landinrichtingscommissie in de uitoefening van zijn functie te
hebben gesproken. Er is met hem over een mogelijke raamvergunning voor de
landinrichtingscommissie gesproken, een soort algemeen kader waarmee de diverse
vergunningen zouden worden ondervangen.
Het waterschap is zich bewust van het feit dat er strikt juridisch gezien aparte
vergunningen verleend zouden moeten worden, maar dit zou ondervangen kunnen
worden door een raamvergunning. Het waterschap ziet in de praktijk geen probleem
aangezien het niet een beperking van rechtsbescherming met zich meebrengt. Immers,
belanghebbenden kunnen tegen de nieuwe plannen bezwaar indienen bij de landinrichtingscommissie en achteraf, na de toedeling, kan men ook bezwaar indienen.
De landinrichtingscommissie heeft voor alle overige benodigde vergunningen, zoals
gemeentelijke vergunningen, gezorgd.
2013.02700
de Nationale ombudsman
10
Nader ingewonnen informatie
De Nationale ombudsman achtte het van belang te weten of dit waterschap deze
werkwijze als enige hanteert in dergelijke projecten.
Hij heeft daarom navraag gedaan bij een deskundige op het gebied van waterschapsrecht van de Universiteit van Utrecht en bij de Unie van Waterschappen.
Door de deskundige van de universiteit, mevrouw professor mr. H.F.M.W. van Rijswick
van het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law, is het volgende naar
voren gebracht:
"Algemeen erkend wordt dat het een complex vraagstuk betreft waar men oplossingen
zoekt die zowel pragmatisch zijn (vermindering administratieve lasten) en die
tegelijkertijd de toets van legitimiteit doorstaan.
Er wordt gewezen op de lange duur van ruilverkavelings/landinrichtingsprocessen (vaak
meer dan 20 jaar) en het belang van privaatrechtelijke verhoudingen daarbij. Door
sommigen wordt gesteld dat de publiekrechtelijke vergunningverlening maar een zeer
beperkt deel van het proces is. Het betreft veel grote, maar soms ook kleinschaliger
gebiedsprocessen waar veel actoren bij betrokken zijn. Enerzijds ziet men dat
waterschappen de legitimiteit trachten te verwezenlijken door in de planfase veel ruimte
te geven voor inspraak en betrokkenheid bij de planontwikkeling. In sommige gevallen
staat in deze fase inspraak en betrokkenheid bij de plan- en besluitvorming voorop en
kiest men voor een vorm waarin na de afronding van het proces vergunningverlening
aan de nieuwe eigenaren plaatsvindt. Deze vergunningverlening betreft dan meer het
formeel vastleggen en formaliseren van de nieuwe juridische verhoudingen, in
overeenstemming met de legger en de onderhoudsverplichtingen die uit de keur voort
kunnen vloeien. Anderzijds ziet men ook een meer strikt-juridische benadering, waarbij
bijvoorbeeld aan de Dienst Landelijk gebied wel vergunningen worden verleend voor de
vele uiteenlopende werkzaamheden waarvoor een watervergunning of keurontheffing
noodzakelijk is (op grond van de Waterschapswet of de Waterwet). De gedachte achter
deze keuze is dat met landinrichting grote (bedrijfseconomische, waterstaatkundige of
landschappelijke) belangen gemoeid kunnen zijn en dat belanghebbenden de nodige
rechtsmiddelen moeten worden geboden om hun belangen ook voor een onafhankelijke
rechter naar voren te kunnen laten brengen. Indien rechtsbescherming slechts open
staat nadat alle feitelijke werkzaamheden al zijn uitgevoerd, is rechtsbescherming tegen
de vergunningverlening aan de nieuwe eigenaren (zoals hierboven beschreven) nog
maar zeer beperkt in de zin dat er juridisch nog wel een rechtsgang open staat, maar
dat aan de gerealiseerde feitelijke situatie niet veel meer veranderd zal kunnen worden.
Wij troffen ook andere variaties aan waarmee een oplossing wordt gezocht voor de
spanning tussen de administratieve lasten die gepaard gaan met het verlenen van vele
vergunningen en ontheffingen en het bieden van een formele rechtsbeschermingsmogelijkheid voordat de werkzaamheden feitelijk worden uitgevoerd. Zo wordt ook
gebruikt gemaakt van parapluvergunningen voor alle werkzaamheden die binnen het
landinrichtingsplan vallen, of van tijdelijke vergunningen aan de landinrichtingscommissie, gevolgd door vergunningen voor onbepaalde tijd aan de nieuwe eigenaren
2013.02700
de Nationale ombudsman
11
en ten slotte de mogelijkheid dat de vergunningen gelijktijdig met het vaststellen van de
definitieve plannen worden verleend, zodat dan de rechtsbeschermingsfase is
afgelopen voor de start van de feitelijke werkzaamheden.
Al met al kan worden geconcludeerd dat er niet gesproken kan worden van één vaste
praktijk. Er wordt gezocht naar manieren om de landinrichting praktisch uitvoerbaar te
houden met voldoende ruimte voor belanghebbenden om hun belangen naar voren te
brengen. Sommige waterschappen doen dit laatste met name via inspraak en
betrokkenheid bij het planproces waarbij de uiteindelijke vergunningverlening pas
plaatsvindt na de afronding van alle feitelijke werkzaamheden, anderen kiezen voor de
meer juridische weg van vergunningverlening voor feitelijke werkzaamheden met
afzonderlijke mogelijkheid van beroep op een onafhankelijke rechter."
Vanuit de Unie van Waterschappen is aangegeven:
"Gebleken is dat de werkwijze voorkomt bij vier van de 21 waterschappen.
12 waterschappen hebben een andere werkwijze, waarbij vergunningen worden
verleend voorafgaand aan de uitvoering van het beekherstel en de aanleg van de
bijbehorende kunstwerken.
Bij de overige 5 waterschappen die gereageerd hebben zijn er geen landinrichtings
projecten aan de orde."
Klacht 2
Onafhankelijk Vertrouwenspersoon Klokkenluiders
Visie verzoeker
Verzoeker stelt dat een vertrouwenspersoon niet objectief of betrouwbaar kan zijn als hij
tevens betrokken is bij de beoordeling van een werknemer, als hij - functioneel- nauwe
banden heeft met de directie. Hij is ook niet betrouwbaar als hij verzoekers vermoeden
van een misstand niet 'onverwijld doorgeleidt naar het dagelijks bestuur'. Een
vertrouwenspersoon is ook niet objectief en betrouwbaar als hij zaken vermengt en
doorspeelt naar de directie.
Verzoeker geeft aan dat de persoon die deze functie vervult, aanwezig was tijdens het
beoordelingsgesprek waarin verzoeker negatief werd beoordeeld vanwege zijn visie op
de vergunningverlening achteraf.
Verder is er veel gebeurd op het arbeidsrechtelijke vlak waarbij de persoon in kwestie
een belangrijke rol speelde, zoals onder andere de eindeloze discussies over
re-integratietrajecten en coaching.
Verzoeker is van mening dat vertrouwen, objectiviteit en onafhankelijkheid in eikaars
verlengde liggen. Iemand heeft niet voor niets de functietitel "vertrouwenspersoon"; het
moet iemand zijn in wie een klokkenluider/werknemer vertrouwen kan en moet hebben.
Daarvan is hier geen sprake.
2013.02700
de Nationale ombudsman
12
Verzoeker is verder van mening dat de vertrouwenspersoon zijn klokkenluidersmelding
niet onverwijld heeft doorgestuurd.
Visie waterschap
De geldende klokkenluiderregeling stelt niet de eis van een onafhankelijke vertrouwenspersoon maar van een vertrouwenspersoon (voor de in de regeling voorziene interne
procedure) en een meldpunt (voor de in de regeling voorziene externe procedure), zo
stelt het waterschap.
De functie van vertrouwenspersoon wordt vervuld door de coördinator van het team
Personeel en Ondersteuning (P&O). De functie van vertrouwenspersoon is vastgelegd in
het reglement van het waterschap.
Hij is gelet op zijn functie zeer wel in staat om de melding van een ambtenaar van een bij
hem levend vermoeden van misstand onverwijld aan het dagelijks bestuur (DB) door te
geleiden en op verzoek van de ambtenaar de naam van die ambtenaar niet te melden.
De functie van vertrouwenspersoon omvat niet tevens de inhoudelijke behandeling van
de melding. Het is een doorgeefluik-functie. Het is aan het DB om naar aanleiding van de
melding van een vermoeden van misstand een onderzoek in te stellen. Daarom is het
mogelijk om deze functie te laten vervullen door de coördinator.
BEOORDELING
Klacht 1
Algemeen
De Nationale ombudsman is van oordeel dat het niet passend is dat een overheid
aangeeft dat er in algemene zin niets mis is met vergunningverlening achteraf. De
hiermee bedoelde legalisatiepraktijk, waarbij bepaalde activiteiten hebben plaatsgevonden en waarvoor, tegen de regelgeving in, niet tijdig een vergunning aangevraagd is,
is gebaseerd op jurisprudentie.
Dat het waterschap in haar reactie hiermee opent, met de bewoordingen dat daarmee
niets mis is, is afkeurenswaardig.
De Nationale ombudsman is van oordeel dat de overheid moet streven naar een situatie
waarbij burger en overheid conform wetgeving handelen. Wanneer dit onverhoopt niet is
gelukt, kan volgens de rechtspraak onder omstandigheden legalisatie plaatsvinden, maar
de overheid dient hierover het standpunt in te nemen dat deze situatie in beginsel
onwenselijk is en zoveel mogelijk voorkomen moet worden.
Het onderzoek van de Nationale ombudsman richt zich op de vraag of er sprake is van
een situatie waarbij het waterschap structureel achteraf vergunningen verleent terwijl
deze vergunning eerder verleend had moeten worden.
2013.02700
de Nationale ombudsman
13
De Nationale ombudsman toetst in dit kader aan het behoorlijkheidsvereiste van
integriteit. De overheid handelt integer en gebruikt een bevoegdheid alleen voor het doel
waarvoor deze is gegeven.
Burgers mogen verwachten dat de overheid haar taken op een gewetensvolle wijze
uitvoert. Van de overheid, en haar medewerkers, mag verwacht worden dat zij hun
positie, hun bevoegdheden, hun tijd en middelen niet misbruiken.
Van een overheid mag je dan ook verwachten dat zij, vanuit haar positie, niet structureel
handelt in strijd met wet- en regelgeving.
De Nationale ombudsman zal eerst ingaan op de afzonderlijke projecten, die verzoeker
heeft genoemd, en daarna een oordeel geven over de klacht met betrekking tot het
stelselmatig achteraf aanvragen en verlenen van vergunningen.
Overweging Project Valkenburg
De gemeente en verzoeker zijn het er over eens dat het herstel van de kademuren onder
de werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.8 van de keur vallen. Ten gevolge van het
vooraf genomen projectbesluit zijn voor deze werkzaamheden geen aparte vergunningen
meer vereist.
Ten aanzien van verzoekers stelling dat niet is gebleken dat voor de overige
werkzaamheden, die niet onder herstelwerkzaamheden vallen, wel tijdig een vergunning
is verleend, stelt de Nationale ombudsman vast dat een aantal voorgenomen
werkzaamheden niet is uitgevoerd. Hiervoor is dus ook geen vergunning aangevraagd en
verleend.
Verzoekers stelling dat de andere werkzaamheden niet onder de vrijstelling van 4.8
vallen en dat daar dus een aparte vergunning voor moeten worden verleend is op zich
juist. Gebleken is echter dat in 2008 en 2010 wel vergunningen zijn verleend door het
waterschap voor de nog wel uit te voeren werkzaamheden. Het waterschap heeft aangegeven welke werkzaamheden nog wel zijn uitgevoerd, en dat daarvoor een vergunning is
verleend.
Voorts is gebleken dat niet alle oorspronkelijk bedoelde werkzaamheden zijn uitgevoerd,
maar een selectie hiervan. Gelet op de toelichting van het waterschap over welke
werkzaamheden wel en niet zijn uitgevoerd, is verzoekers vaststelling dat in de Royal
Haskoning-notitie uit 2005 alle werkzaamheden nog genoemd worden, en niet terug te
vinden zijn in de vergunningen, verklaarbaar. Het is onder de genoemde omstandigheden
begrijpelijk dat er in de Royal Haskoning-notitie meer werkzaamheden worden genoemd
dan uiteindelijk in de vergunningen zijn vastgelegd.
De Nationale ombudsman overweegt dat ten aanzien van het project Valkenburg op
basis van alle verkregen informatie niet is gebleken dat er sprake is van vergunningverlening achteraf.
2013.02700
de Nationale ombudsman
14
Overweging Project Rode Beek
De Nationale ombudsman constateert dat er voor de werkzaamheden die betrekking
hadden op het ontkluizen van de Rode Beek in het voorjaar van 2009 vergunningen zijn
verleend. Niet is gebleken dat de werkzaamheden eerder zijn begonnen en dat er bewust
achteraf een vergunning is verleend.
Verzoeker heeft zich in zijn onderbouwing gebaseerd op de gebeurtenissen rond de
grondwateronttrekking.
Gebleken is dat door de wijziging van wetgeving het waterschap vanaf december 2009
ook het bevoegd gezag werd voor grondwateronttrekkingen.
De Nationale ombudsman constateert dat de gemeente Onderbanken een vergunning
van de provincie had verkregen voor grondwateronttrekking en dat de gemeente tijdig
een verlenging van deze vergunning heeft aangevraagd bij het waterschap.
Toen vervolgens tijdens de gestarte werkzaamheden andere (grotere) hoeveelheden
water onttrokken werden, heeft de gemeente hiervoor twee maal een gewijzigde
verlengingsvergunning aangevraagd, waarop het waterschap in oktober 2010 heeft
besloten.
Onder deze omstandigheden is het de vraag of er gesproken kan worden over een
situatie waarbij een vergunning bewust achteraf is verleend. Immers, de vergunning was
al verleend. Dat de gemeente in het proces van werkzaamheden een aanpassing voor
gewijzigde hoeveelheden wateronttrekking heeft gevraagd, wijst er niet op dat er sprake
is van vergunningverlening achteraf.
Dat verzoeker de wateronttrekking-gebeurtenis als calamiteit benoemt, geeft de Nationale
ombudsman ook aanleiding om te veronderstellen dat hier sprake was van een
onvoorziene situatie, waarop de gemeente haar vergunning wilde aanpassen.
De Nationale ombudsman overweegt dat er sprake is van het wijzigen van voorwaarden
van een reeds door de provincie verleende vergunning, gelet op hetgeen gebeurde
tijdens de feitelijke werkzaamheden. Deze voorwaarden zijn uiteindelijk in een nieuwe,
door het waterschap verleende vergunning vastgelegd. Wellicht had deze vergunning
sneller verleend kunnen worden. Maar al met al lijkt er geen sprake van het bewust
achteraf verlenen van een vergunning voor grondwateronttrekking.
Verzoekers verwijzing naar een interne e-mailwisseling en het noemen van dit voorbeeld
in een notitie van zijn hand, toont niet aan dat er sprake is van het verlenen van
vergunningen achteraf. Verzoeker heeft weliswaar toen hij nog in dienst was ten aanzien
van dit project zijn mening gegeven in de notitie, maar hieruit volgt niet dat er sprake is
van een verlening achteraf, laat staan dat er sprake zou zijn van een standaard
werkwijze.
2013.02700
de Nationale ombudsman
15
Gelet op de toelichting van het waterschap, betreft het hier in het project Rode Beek een
praktische gang van zaken.
Verzoekers stelling dat er in de uitwerking door een projectleider van het waterschap
werd afgeweken, wijst evenm in op een werkwijze waarbij het beleid is om stelselm atig
achteraf vergunningen te verlenen.
Overweging Landinrichtingsprojecten
Het waterschap heeft aangegeven dat er in het langdurige landinrichtingsproces niet voor
alle werkzaam heden, die de landinrichtingscom m issie wil gaan doen, vergunningen
worden verleend. Het waterschap heeft toegelicht dat dit een enorm e adm inistratieve
belasting geeft voorafgaand aan de werkzaamheden. Het gaat nam elijk om vergunningen
voor honderden duikers, bruggen, toegangen tot percelen enz. Er is gekozen om die
vergunningen niet te verlenen aangezien het een papieren adm inistratieve handeling
betreft. Bovendien worden burgers hierdoor niet benadeeld om dat die bij het moment van
toedeling hun bezwaarmogelijkheid krijgen. Verzoeker geeft hierover echter aan dat in de
wet noch in de keur een artikel is opgenomen dat stelt dat er in die om standigheid, een
vergunning vooraf niet nodig is.
De Nationale om budsm an stelt vast dat het waterschap hier bepaalde vergunningen, die
de landinrichtingscom m issie op grond van de regelgeving m oet krijgen, om praktische
redenen niet verleent. Wat ook zij van de beweegredenen van het waterschap, zeker is
dat hier sprake is van een keuze die niet conform de regelgeving is.
De Nationale om budsm an is het dan ook m et verzoeker eens dat het waterschap hier
handelt in strijd met de regelgeving. Dit heeft het waterschap ook erkend.
De Nationale om budsm an kom t m ede op grond van de extern ingewonnen inform atie tot
de conclusie dat er in dit geval sprake is van een praktijk waarbij er m eerdere
waterschappen in Nederland kiezen voor een m ethode in strijd m et de wet, om dat de
wettelijk voorgeschreven procedure, als onnodig administratief belastend wordt ervaren.
De Nationale om budsm an constateert in dit kader dat strikt genom en er in dit geval
sprake is van het achterwege laten van het verlenen van een vergunning, in strijd met de
wetgeving. Het waterschap slaat een stap in het proces over. Daarbij vindt de Nationale
ombudsman het van belang dat het een ontwikkelde praktijk betreft die niet slechts door
dit waterschap wordt uitgevoerd. Bovendien is niet gebleken dat burgers door deze
werkwijze zijn benadeeld of in hun mogelijkheden van rechtsbescherming zijn gekort.
Wel is de Nationale om budsm an van oordeel dat het waterschap m eer in
overeenstemming m et de wet had kunnen handelen door het vooraf verlenen van een
overkoepelende vergunning, of vergunning op hoofdlijnen. Gezien het feit dat er
momenteel geen nieuwe landinrichtingsprojecten zijn, ziet de Nationale om budsm an
geen aanleiding om hierover een aanbeveling te doen.
2Ū13.02700
de Nationale ombudsman
16
Oordeel over klacht over stelselmatig achteraf verlenen
Verzoeker is van mening dat het waterschap stelselmatig achteraf vergunningen verleent.
Hiertoe heeft hij vier voorbeelden gegeven waarop hij zijn mening baseert.
Uit de eerste twee voorbeelden blijkt niet van een vergunningverlening achteraf.
Uit de herinrichtingsprocedures blijkt wel dat er sprake is van een vergunningverlening
achteraf. Dit betreft een specifieke situatie waarin meer waterschappen voor deze
werkwijze kiezen in verband met het praktisch omgaan met moeilijk uitvoerbare
wetgeving.
Al met kunnen deze voorbeelden niet tot het oordeel leiden dat er sprake is van
stelselmatig achteraf verlenen van vergunningen.
De Nationale ombudsman komt dan ook tot het oordeel dat de handelwijze van het
waterschap geen schending van het vereiste van integriteit oplevert. De onderzochte
gedraging is behoorlijk.
Klokkenluider
De Nationale ombudsman komt wel tot de conclusie dat verzoeker voldoende aanleiding
had om zich als klokkenluider te beschouwen. Immers, het feit dat het waterschap in een
aantal gevallen handelde in strijd met de wet en dat het waterschap dit rechtvaardigde
met de algemene stelling dat er niets mis is aan vergunningverlening achteraf,
rechtvaardigde dat verzoeker deze praktijk aan de kaak stelde. Mede om die reden heeft
de Nationale ombudsman het onderzoek ingesteld naar de gestelde werkwijze. Dat de
Nationale ombudsman na onderzoek tot de conclusie komt dat het waterschap niet in
strijd met het integriteitsvereiste heeft gehandeld, betekent niet dat er redelijkerwijs geen
sprake kon zijn van een vermoeden van een misstand. Het zou naar het oordeel van de
Nationale ombudsman dan ook niet terecht zijn indien verzoekers kritiek op de praktijk
van de vergunningverlening consequenties zou hebben voor zijn rechtspositie.
OORDEEL klacht 2
Verzoeker klaagt erover dat de functie van vertrouwenspersoon bij het waterschap wordt
vervuld door de coördinator van de afdeling P&O.
De Nationale ombudsman toetst dit aan het vereiste van onpartijdigheid.
Dit vereiste houdt in dat de overheid zich onpartijdig opstelt. Dat betekent dat de overheid
bij het aanstellen van een vertrouwenspersoon voor klokkenluiders, het vertrouwen wekt
dat deze persoon onpartijdig handelt. Ook alle schijn van partijdigheid dient daarbij te
worden vermeden.
Bij het functioneren van een vertrouwenspersoon klokkenluiders in een organisatie zijn
zaken als vertrouwelijkheid, laagdrempeligheid, objectiviteit en het vermogen om de
vertrouwensfunctie van de andere functies te scheiden van belang.
2013.02700
de Nationale ombudsman
17
De Nationale ombudsman gaat er van uit dat een werknemer die een melding wil doen
over een bepaalde misstand en zichzelf daarbij ziet als klokkenluider, daarvoor terecht
moet kunnen bij een vertrouwenspersoon die de zekerheid biedt dat zijn melding niet
zonder zijn toestemming aan de leiding wordt doorgegeven.
Wanneer iemand nauwe functionele banden heeft met de directie, is het de vraag of hij
als vertrouwenspersoon deze zekerheid in voldoende mate biedt.
In klokkenluiderszaken, waarbij er vaak arbeidsrechtelijke geschillen meespelen, heeft
het niet de voorkeur om een hoofd van de afdeling P&O als vertrouwenspersoon te
benoemen. De banden van deze persoon met bijvoorbeeld de directie zijn zodanig nauw
dat dit onvoldoende vertrouwen biedt. Alle schijn van partijdigheid dient immers te worden
vermeden. Een vertrouwenspersoon moet onafhankelijk zijn.
Dat de geldende klokkenluidersregeling niet de eis stelt van een onafhankelijke
vertrouwenspersoon maakt dit niet anders.
De Nationale ombudsman komt dan ook tot het oordeel dat de onderzochte gedraging
niet behoorlijk is. De uitoefening van de functie van vertrouwenspersoon voor
klokkenluiders door de coördinator P&O is in strijd met het vereiste van onpartijdigheid.
Conclusie
De klacht over het stelselmatig achteraf verlenen van vergunningen door het waterschap
is niet gegrond;
De klacht over de invulling van de functie van de vertrouwenspersoon klokkenluiders is
gegrond wegens strijd met het vereiste van onpartijdigheid.
De Nationale ombudsman,
dr/A.F.M. Brenninkmeijer
2013.02700
de Nationale ombudsman