MI-1 Rookkast

Nederlands Centrum voor Vleestechnologie (NCV)
Afdeling van TNO
MINIMUM EISEN VOOR INSTALLATIES
Rookkast
Blad MI-1
Inleiding
Het roken heeft tot doel een product een bepaalde kleur, smaak en houdbaarheid
te geven. De houdbaarheid wordt voornamelijk gerealiseerd door middel van de
warmtebehandeling. Voor het roken kunnen verschillende typen rookinstallaties
worden toegepast:
o Verbrandingsrookinstallatie
o Wrijvingsrookinstallatie
o Rookvernevelingsinstallatie
Al deze systemen hebben specifieke voor- en nadelen. Hieronder volgt een kort
overzicht van de verschillen tussen deze systemen.
Verbrandings- Dit type is het meest gebaseerd op het traditionele rookproces waarbij
rookinstallatie houtspaanders of -zaagsel in smeulende toestand worden gebracht en de rook
langs het product wordt geleid. De temperatuur in de verbrandingszone kan in dit
type installaties hoog oplopen (tot boven 1 100 "C). De hoeveelheid lucht die via
de rookgenerator de rookkamer in wordt geleid, is zeer kritisch. Indien deze
hoeveelheid te groot is, vliegt de generator in brand en bij te weinig lucht,
ontstaat er explosiegevaar. Het is daarom belangrijk dat de toevoeropening van
de verse lucht onbelemmerd is en regelmatig gecontroleerd wordt. Veranderingen
in de vochtigheid van de omgevingslucht en het hout hebben invloed op de
rooksamenstelling. De soort en de grootte van de houtspaanders heeft invloed op
de ontbrandingssnelheid en ook op de rooksamenstelling.
WrijvingsHierbij wordt een blok hout tegen een draaiende cilinder aangedrukt en wordt
rookinstallatie door de wrijving warmte ontwikkeld en begint het blok te smeulen. 0ok hier is de
luchttoevoer kritisch en geldt hetzelfde als bij de verbrandingsrook. Het voordeel
van dit type rookproces is dat de hoeveelheid opgewekte rook te controleren is
aan de hand van de lengteverandering van het houtblok.
Rookvernevelingsinstallaties
Dit zijn rookinstallaties die vloeibare rook vernevelen waardoor een kunstmatige
rook ontstaat. Het voordeel bij dit type rook is dat geen naverbrandingsinstallatie
nodig is en er geen teerafzet optreedt.
Hierbij is de hoeveelheid rook goed te doseren.
Rookproces
Het rookproces bestaat, ongeacht de gebruikte rookinstallatie, uit de volgende
fasen:
1. Doorkleuren
2. Conditioneren
3. Roken
4. Nabehandelen
5. Koelen
De doorkleurfase, ook wel "umröten" genoemd, is bedoeld om kleurvorming te
laten plaatsvinden. Uit stikstofoxyde dat in een reducerend milieu uit nitriet
wordt gevormd en myoglobine dat in een reducerend milieu uit met myoglobine
ontstaat, wordt het roodgekleurde nitrosomyoglobine gevormd (de kleur van
rauwe vleeswaren). Na verhitting ontstaat uit nitrosomyoglobine
nitrosomyochromogeen (de kleur van verhitte vleeswaren).
Blad MI-1
pagina. 1
Nederlands Centrum voor Vleestechnologie (NCV)
Afdeling van TNO
Tijdens deze fase dient de relatieve vochtigheid hoog te zijn ten behoeve van een
zo goed mogelijke warmteoverdracht en het voorkomen van onnodig
vochtverlies.
Het conditioneren vindt plaats om de te roken producten een uniforme
temperatuur te geven en aan te drogen. Dit is nodig om kleurverschillen en een
vlekkerig uiterlijk te voorkomen. Het aandrogen dient snel te gebeuren omdat
tijdens dit proces het vocht dat aan de buitenzijde verdampt, door migratie van
binnenuit het product weer wordt aangevuld. Als dit proces te langzaam gaat,
vindt onnodig veel vochtverlies plaats. De temperatuur tijdens het conditioneren
moet bil voorkeur enkele graden hoger zijn dan de temperatuur tijdens het roken
om condensatie van de vloeibare rookdeeltjes (teer) op het product te voorkomen.
Tijdens het conditioneren zijn de instellingen voor tijd, temperatuur,
luchtsnelheid en relatieve vochtigheid zeer kritisch. De juiste instellingen worden
bepaald door het soort product en het type rookkast.
De temperatuur tijdens het roken moet voor rauwe producten laag (15-25°C) zijn
om coagulatie van eiwitten te voorkomen. Bil verhitte producten moet de
temperatuur hoog zijn (55-80°C) omdat bij een hogere temperatuur de
kleurvorming sneller verloopt en de afdoding van micro-organismen bij deze
temperatuur plaatsvindt. Het traject tussen 25 en 55°C dient te worden vermeden,
omdat dit een zeer gunstig traject is voor de groei van micro-organismen.
Om de kleur te fixeren en te voorkomen dat, bijvoorbeeld tijdens de koelfase, een
deel van de kleur weer afgespoeld wordt, dient het product nabehandeld te
worden. Dit kan door middel van een nadroogfase voor rauwe producten en door
middel van een naverhittingsfase voor producten waarbij een bepaalde
houdbaarheid gerealiseerd moet worden. Hierbij is de kerntemperatuur van
belang.
Problemen
1. Vlekkerig uiterlijk
Door verkeerd voordrogen of een verkeerde rookbehandeling kan een
ongelijkmatig vlekkerig uiterlijk ontstaan. Door het aanpassen van de tijd
/temperatuur combinatie tijdens het voordroogprogramma en/of het herzien van
het rookprogramma kan dit probleem worden verholpen.
2. Rookrand
Dit kan ontstaan door een te sterke rookopname of een te sterke indroging. Het
probleem is te voorkomen door het beter aandrogen voordat er gestart wordt met
het roken, het verkorten van de rooktijd of het verhogen van de relatieve
vochtigheid bij het nadrogen.
3. Doffe kleur
Tijdens het rookproces is sprake van een te hoge relatieve vochtigheid. Het
probleem is te voorkomen door de producten beter aan te drogen.
Blad MI-1
pagina. 2