Nieuwenbroek, Ard 2

Zodra het nacht wordt
bedelroept een uilenjong —
tot de dageraad;
in uren van donkerte
zorgzaam gevoed te worden!
Hoe twee kerkuilen
om en om prooi aanbrengen,
de nacht maanverlicht;
hun lijf — een donkere vlek
in een stilte die voortijlt.
SB
Als ik erop wacht komt ze niet en als ik niet wacht, komt ze onverwachts: de kerkuil van
ons eeuwenoude parochiekerkje. In mijn, naar beginnende-avond geurende achtertuin
heeft ze een centimeternauwkeurige vlucht.
Rakelings langs de door merels leeggevreten lijsterbes zweeft ze in een paar seconden
door mijn tuin, langs de verlaten vlinderstruiken richting het veelbelovende bos waar muizen en andere lekkerbekkies op haar wachten.
Wat rest is de stilte van de nacht. Telkens weer word ik omhuld door het gelukzalige gevoel dat de nacht, ondanks haar dreigende duisternis, bij mij oproept.
Ik kan maar geen woorden vinden voor die aparte nachtgeur die je alleen maar ’s nachts
kunt ruiken. De wereld is anders. Geluiden zijn er wel, heel ver weg. Ze klinken anders
vanuit de diepte van de nachtelijke stilte.
Is dat de stilte van wat we vrede noemen?
Ard Nieuwenbroek