JAARVERSLAG 2013 - Stichting Pensioenfonds Grontmij

JAARVERSLAG 2013
STICHTING PENSIOENFONDS GRONTMIJ
De Bilt, 12 juni 2014
1
Inhoudsopgave
Kerncijfers................................................................................................................................................... 3
1
Karakteristieken van het pensioenfonds ............................................................................................... 4
2
Verslag van het Verantwoordingsorgaan ............................................................................................ 19
3
Reactie Bestuur op Verantwoordingsorgaan ...................................................................................... 20
4
Actuele ontwikkelingen ...................................................................................................................... 21
5
Beleggingen ...................................................................................................................................... 22
6
Actuarieel Verslag ............................................................................................................................. 26
7
Risico ................................................................................................................................................ 28
8
Jaarrekening ..................................................................................................................................... 31
9
Overige gegevens ............................................................................................................................. 57
10
Personalia ......................................................................................................................................... 61
11
Colofon.............................................................................................................................................. 62
2
Kerncijfers
2013
2012
2011
2010
2009
2008
1.960
2.128
2.322
2.433
2.708
2.716
1.420
1.371
1.281
1.211
1.140
1.095
2.845
2.774
2.698
2.660
2.475
2.399
6.225
6.273
6.301
6.304
6.323
6.210
31%
34%
37%
39%
43%
44%
761.653
760.217
679.177
630.880
562.280
504.191
698.494
728.978
671.452
572.376
504.241
471.887
68.421
53.708
29.106
77.984
76.677
48.854
Aantal verzekerden en pensioengerechtigden
Deelnemers
Pensioengerechtigden
Gewezen deelnemers met premievrije rechten
Totaal
% deelnemers
Financiële gegevens (bedragen in € 1.000)
Beleggingen voor risico fonds (incl. derivaten)
Technische voorzieningen voor risico fonds
Reserves
2,75%
2,44%
2,74%
3,46%
3,85%
3,60%
19.037
20.560
22.199
21.188
22.160
21.526
22.567
21.470
20.024
18.577
17.008
16.200
9.696
4.854
5.390
1.059
8.027
12.015
-17.656
80.330
43.824
65.292
48.690
-42.696
-7.960
85.184
49.214
66.351
56.717
-30.681
387
390
Vermogensbeheer ****
0,34%
0,36%
Transactiekosten ****
0,09%
0,10%
-0,8%
12,7%
8,0%
11,9%
11,7%
-5,5%
109,8%
107,4%
104,3%
113,6%
115,2%
110,4%
108,0%
102,5%
111,7%
111,2%
112,2%
113,8%
114,6%
110,5%
104,1%
104,1%
104,2%
104,2%
104,2%
105,0%
Gewogen gemiddelde rekenrente
Premie-inkomsten (incl. DC)
Uitkeringen
Directe beleggingsopbrengsten voor risico fonds*
Indirecte beleggingsopbrengsten voor risico fonds**
Totale beleggingsopbrengsten voor risico fonds
Kostenratio's
Kosten per deelnemer (in euro's)***
Rendement
Totaal rendement op beleggingen
Dekkingsgraad
Nominale dekkingsgraad
Economische dekkingsgraad
Vereiste dekkingsgraad
Minimaal vereiste dekkingsgraad
*
Directe beleggingsopbrengsten: dividend en rente
**
Indirecte beleggingsopbrengsten: verk oopresultaat en herwaardering
*** Deelnemers zijn actieven en pensioengerechtigden
**** % van gemiddeld belegd vermogen
3
1
Karakteristieken van het pensioenfonds
Profiel en doelstelling
Stichting Pensioenfonds Grontmij (hierna: SPG) is statutair gevestigd te De Bilt. De Stichting is
ingeschreven in de Kamer van Koophandel, Handelsregister 41177281. Het pensioenfonds is een
ondernemingspensioenfonds en is aangesloten bij de Pensioenfederatie. De Pensioenfederatie is in 2010
voortgekomen uit de samenwerking van de koepels voor ondernemings- (OPF), beroeps- (UvB) en
bedrijfstakpensioenfondsen (VB).
Het bestuur stelt het beleid van het Pensioenfonds vast en is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit
beleid. Het bestuur heeft acht leden.
Het pensioenfonds heeft tot doel het verlenen of doen verlenen van pensioenen en toeslagen daarop aan
de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioensgerechtigden of hun nagelaten betrekkingen. De
aangesloten ondernemingen zijn Grontmij Nederland Holding B.V. gevestigd in De Bilt, ten deze
handelend voor zich en als gevolmachtigde van Grontmij N.V., Grontmij Business Services B.V. en
Grontmij Assetmanagement Holding B.V. en als zodanig deze vennootschappen rechtsgeldig
vertegenwoordigend. SPG verzorgt de pensioenen van ongeveer 6.300 medewerkers,
pensioengerechtigden en gewezen deelnemers (slapers) met premievrije rechten. Voor hen wordt € 762
miljoen vermogen beheerd.
Het bestuur van Stichting Pensioenfonds Grontmij heeft in juni van 2012 een missie, een visie en een
ambitie vastgesteld. Deze zijn leidend voor alle doelstellingen die het fonds nastreeft en inspanningen die
het fonds daarvoor doet.
Missie
Stichting Pensioenfonds Grontmij (SPG) geeft professionele invulling aan de pensioenovereenkomsten die
de werkgever heeft afgesloten met haar (gewezen) medewerkers.
Visie
Binnen zowel de huidige als de komende wettelijke kaders streeft SPG naar een goede
pensioenvoorziening door de koopkracht van de rechten van deelnemers, zowel nu als in de toekomst, zo
goed als mogelijk in stand te houden. De uitdaging daarbij is om pensioenbewustzijn en reële
pensioenverwachtingen te realiseren. Om deze te kunnen realiseren staat voorop dat zowel communicatie
als transparantie door het Pensioenfonds van groot belang wordt geacht, zodat het fonds betrokkenheid
realiseert. Om onze missie uit te voeren en hoge kwaliteit te leveren, is sprake van een robuust
beleidskader, goed pensioenfondsbestuur en wordt goed samengewerkt met de werkgever, adviseurs en
uitvoerende partijen op het gebied van vermogensbeheer.
Ambitie
De ambitie is de missie en de visie tot uiting te laten komen, waarmee het gewenste imago bereikt wordt.
Deze ambitie wordt bereikt met behulp van een vaste stijl die gekenmerkt wordt door transparantie en
begrijpelijkheid.
4
Bestuur, uitvoering en verantwoordingsorgaan (situatie op 31 december 2013)
Bestuur
Aftredend
Bestuursleden namens de aangesloten ondernemingen:
ing. E.R. Visser
Voorzitter
H.W. Groenevelt
Lid
ir. H. Snoek
Plv. Voorzitter
M. van der Spek QC
Lid
1 november 2017
1 november 2016
1 november 2015
1 november 2014
Bestuursleden namens de deelnemers:
ir. N.J.M. van Dalen
Lid
drs. ing. J.J. Reeskamp
Secretaris
drs. M.A.H. Schoppink
Lid
1 november 2017
1 november 2016
1 november 2015
Bestuurslid namens de pensioengerechtigden:
ir. J.J. Betzema
Plv Secretaris
1 november 2016
Beleggingscommissie
mr. ing. W.J.M. Berndsen
ing. E.R. Visser
ir. H. Snoek
ir. J.J. Betzema
drs. ing. J.J. Reeskamp
J. Kuiper
Voorzitter
Lid
Lid
Lid
Lid
Adviseur
Commissie Governance
ing. E.R. Visser
drs. M.A.H. Schoppink
H.W. Groenevelt
mr. ing. W.J.M. Berndsen
J.M. Kühne
Voorzitter
Lid
Lid
Adviseur
Adviseur
Auditcommissie
M. van der Spek QC
ing. E.R. Visser
ir. N.J.M. van Dalen
drs. ing. J.J. Reeskamp
mr. ing. W.J.M. Berndsen
J. Kuiper
Voorzitter
Lid
Lid
Lid
Adviseur
Adviseur
Pensioenbureau
mr. ing. W.J.M. Berndsen
G.A. Hardeman
A.A.M. Krooder-de Groot
J.M. Kühne
J. Kuiper
H. Tiesman-Parastatidis
Directeur
Financieel administratief medewerker
Secretarieel administratief medewerker
Adviseur
Controller
Secretarieel administratief medewerker
Verantwoordingsorgaan
Aftredend
Leden namens de aangesloten ondernemingen:
J.P. Bosman
Lid
H. Lubberts
Voorzitter
1 januari 2016
1 januari 2018
Leden namens de werknemers:
A.C.J. Sengers
Secretaris
R. Meijer
Lid
1 januari 2018
1 januari 2016
Leden namens de pensioengerechtigden:
A. Nijmeijer
Plv. Voorzitter
ir. H. van Diggelen
Plv. Secretaris
1 januari 2018
1 januari 2016
Compliance officer
B.M. Peters van het Nederlands Compliance Instituut
Certificerend actuaris
drs. T.J.R. Veerman AAG van Towers Watson B.V.
Adviserend actuaris
drs. H. Zaghdoudi AAG van Towers Watson B.V.
Accountant
N.M. Pul RA van Ernst & Young Accountants LLP
Adviseur beleggingen
dr. P.A. van Aalst van Strategeon Investment Consultancy B.V.
5
Verslag van het bestuur
Bestuur
Het Algemeen Bestuur bestond op 1 januari 2013 uit vier vertegenwoordigers van de aangesloten
ondernemingen, drie vertegenwoordigers van de (gewezen) deelnemers en één vertegenwoordiger van de
pensioengerechtigden. Er waren drie vacatures. In 2012 heeft er een verkiezing plaatsgevonden voor de
zetels van de heer ir. J.J. Betzema en mevrouw K.C.C. van Os onder de (gewezen) werknemers. Mevrouw
Van Os en de heer Helder traden af als bestuurslid per 1 januari 2013. De verkiezingen onder de
pensioengerechtigden voor de functie van de heer J. Helder heeft geleid tot de benoeming van de heer ir.
J.J. Betzema. Hij meldde zich als enige kandidaat en werd benoemd als bestuurslid namens de
pensioengerechtigden. De heren ir. N.J.M. van Dalen en drs. M.A.H. Schoppink zijn gekozen door de
(gewezen) deelnemers. De heer drs. ing. J.J. Reeskamp is benoemd tot secretaris. De heer Betzema is
benoemd tot plaatsvervangend secretaris.
Het Verantwoordingsorgaan heeft zes leden, iedere geleding is evenredig vertegenwoordigd. Er is een
rooster van aftreden waarbij afgetreden wordt na vier jaar. Iedere twee jaar treedt de helft van iedere
geleding af. Per 1 januari 2014 stonden op de nominatie om af te treden de heer H. Lubberts, namens de
werkgever, de heer A.C.J. Sengers namens de werknemers, en de heer A. Nijmeijer namens de
pensioengerechtigden. Hierop is aktie ondernomen in 2013. De werkgever en de ondernemingsraad
hebben dezelfde personen weer voorgedragen. Zij zijn beiden door het bestuur in 2013 herbenoemd per 1
januari 2014. Onder de pensioengerechtigden is een uitvraag gedaan naar kandidaten terwijl de heer A.
Nijmeijer zich verkiesbaar heeft gesteld. Er zijn geen tegenkandidaten aangedragen. Ook de heer A.
Nijmeijer is herbenoemd door het bestuur.
Het Algemeen Bestuur is in 2013 acht keer bijeen geweest ter vergadering. Nagenoeg alle onderwerpen
worden voorbereid in commissies: de Auditcommissie, de Beleggingscommissie en de Commissie
Governance. Het Dagelijks Bestuur treedt met name op als agendacommissie voor de vergaderingen van
het Algemeen Bestuur.
Hierna wordt een toelichting gegeven op een aantal van de door het bestuur besproken onderwerpen.
Pensioenregeling
Nieuw pensioenreglement 2014
Het bestuur van het pensioenfonds is verantwoordelijk voor en draagt zorg voor de uitvoering van de
pensioenregeling. De inhoud van de pensioenregeling is in 2013 tussen werkgever en vakbonden
besproken. Tussen hen is een akkoord tot wijzigen gesloten op de volgende punten:
1. De eindleeftijd wezenpensioen wordt 23 jaar.
2. De Individueel beschikbare premieregeling stopt. Evenals de basispensioenregeling wordt dit een
Collectief DC met een middelloonsystematiek. Voor de opbouw is 75% premie beschikbaar ten opzichte
van de basisregeling.
3. De pensioenleeftijd is 66 jaar en wordt 67 jaar vanaf 2014. Dit gezien de aanpassing in de
PensioenWet.
4. Er zal een interne collectieve waardeoverdracht plaatsvinden, zowel van de pensioenaanspraken
binnen het fonds, als van de pensioenkapitalen bij Robeco. Hiervan is melding gemaakt aan DNB.
5. Het pensioenfonds zal vanaf 2014 geen bemoeienis meer hebben met pensioenopbouw buiten de
salarisschalen (bijsparen) en pensioenopbouw boven het maximum van salarisschaal 17 uit de Cao.
De pensioenopbouw in het aangepaste pensioenreglement 2014 start voor iedereen per 1 januari 2014. In
2013 zijn de voorbereidingen getroffen om op 1 januari de nieuwe pensioenregeling van kracht te laten zijn.
Het bestuur voert de overeengekomen regeling uit op basis van een uitvoeringsovereenkomst tussen
werkgever en pensioenfonds.
De term Collective Defined Contribution-regeling blijft in 2014 van toepassing op de basisregeling en wordt
van toepassing op de aanvullende excedent regeling. Een CDC-regeling is een pensioenregeling waarbij de
werkgever zonder verdere verplichtingen zich verbindt een vast premiepercentage over de
pensioengrondslag te betalen. Het aanwenden van de premie vindt plaats in de vorm van een
pensioenreglement met een middelloonsystematiek.
De pensioenopbouw in pensioenreglement 2001 is in 2013 geen onderwerp van gesprek geweest. Dit
reglement betreft in 2013 een zeer kleine groep deelnemers geboren vóór 1950 én in dienst op 31
december 2005. In 2013 gingen de laatste actieve medewerkers van Grontmij onder dit pensioenreglement
op 64 jaar met Tijdelijk Ouderdomspensioen (TOP).
6
Opbouw actieven 2013
Voor actieven onder Reglement 2012 kon in 2013 de opbouw van 2,1% (reglement 2012) toegekend
worden en er was een saldo voor het premiedepot beschikbaar en nodig van € 1,425 miljoen. De inhoud
van het premiedepot werd in 2013 geheel aangewend voor de pensioenopbouw. Omdat er in 2012 geen
algemene Cao-verhoging bij Grontmij is geweest, werd er geen premie ingezet voor toeslagverlening voor
de actieven. Hier was ook geen ruimte voor.
Eindloonregeling voor actieve medewerkers versus toeslagverlening
In een eindloonregeling wordt de opbouw van pensioenaanspraken mede bepaald op basis van het
laatstverdiende loon. Het laatstverdiende loon is gebaseerd op de Cao-verhoging (1% in 2013) en
eventuele toegekende individuele en algemene salarisverhoging gedurende het jaar. De eindloonregeling
valt ook onder de CDC-regeling, dus ook hier is meegewogen of de ambitie in de eindloonregeling in 2013
volledig uitgevoerd kon worden. Deze vraag is positief beantwoord. SPG kent in 2013 nog één
eindloonregeling in Reglement 2001 voor actieve deelnemers. Dit is in 2014 niet meer van toepassing
omdat er geen actieve deelnemers met reglement 2001 meer zijn. Concrete toeslagverlening vindt in een
eindloonregeling niet plaats. De toeslagverlening wordt vervangen door de zogenaamde backservice in een
eindloonregeling.
Voorwaardelijk toeslagenbeleid (Indexatiebeleid) actieven
Deze voorwaardelijke toeslagverlening wordt voor zover mogelijk gefinancierd uit de doorsneepremie, het
premiedepot actieven en uit de algemene middelen van het fonds, waarbij wordt aangesloten bij de
beleidsstaffel voor toeslagen zoals deze geldt voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, en
opgenomen in pensioenreglement 2012 (art. 18 lid 3). Het bestuur zal verwachtingen betreffende de
lastenontwikkeling van de pensioenregeling als geheel, of van onderdelen daarvan, in toekomstige jaren in
zijn beoordeling bij de toeslagverlening mee laten wegen. Eén en ander brengt mee dat het bestuur te allen
tijde bevoegd is de systematiek van toeslagverlening en de geformuleerde ambitie aan de omstandigheden
aan te passen. Er is geen recht op toekomstige toeslagverlening. Het is daarmee niet zeker of en in
hoeverre in de toekomst een toeslag wordt verleend.
Indien wordt aangesloten bij de hierboven genoemde beleidsstaffel voor toeslagen, dan vindt
toeslagverlening voor actieve deelnemers en de pensioenaanspraken bij voortzetting deelnemerschap als
gevolg van arbeidsongeschiktheid plaats op basis van de Cao-verhoging over het vorige boekjaar, met een
maximum van 2% op jaarbasis op basis van het totaal van de in de vorige alinea genoemde
financieringsbronnen.
Op de pensioenaanspraken voor actieven wordt dus jaarlijks per 1 januari toeslag verleend van maximaal
de stijging van de Cao-verhoging over het vorige boekjaar met een maximum van 2% op jaarbasis. Het
bestuur beslist jaarlijks in hoeverre pensioenaanspraken worden aangepast. Op 1 januari 2013 is geen
toeslag verleend aan de actieven, omdat er binnen de Cao van Grontmij geen algemene salarisverhoging in
2012 heeft plaatsgevonden.
Inhaaltoeslagen
Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van inhaaltoeslagen. Als leidraad voor inhaaltoeslagen zijn door
het bestuur uitgangspunten geformuleerd, die in artikel 25 van het pensioenreglement 2012 en in de ABTN
zijn opgenomen.
Voorwaardelijke toeslagverlening premievrije aanspraken en pensioengerechtigden
SPG streeft een toekomstbestendige pensioenregeling na, waarbij een waardevast pensioen hoog in het
vaandel staat. Een pensioenaanspraak die niet aan inflatie wordt aangepast, zal op den duur sterk in
koopkracht verminderen. Daarom is het van belang dat de opgebouwde pensioenaanspraken jaarlijks
worden aangepast aan de inflatie. Deze indexatie wordt toeslagverlening genoemd. De toeslagverlening is
voorwaardelijk; er wordt pas toeslag verleend als er voldoende geld is en er dus aan strenge eisen wordt
voldaan.
Beleidsmatig leidt een dekkingsgraad gelijk of lager dan het minimaal vereist eigen vermogen niet tot
toeslagverlening per 1 januari. Bij de bepaling van de dekkingsgraad wordt het premiedepot buiten het
fondsvermogen gehouden. Op 31 december 2013 was de geschatte economische dekkingsgraad 108%. De
minimaal vereiste dekkingsgraad 104,1%, de vereiste dekkingsgraad is 111,7%. De nominale
dekkingsgraad, dit is de dekkingsgraad waarmee DNB rekent was 109,8%. DNB publiceert en hanteert een
andere rente termijnstructuur dan op basis van de werkelijke dagelijkse marktrente waarmee het vermogen
van het fonds wordt bepaald. Naar mening van het bestuur kan de nominale dekkingsgraad een vertekend
beeld geven van de werkelijke financiële situatie van het fonds. Het bestuur acht het daarom meer prudent
om met de economische dekkingsgraad te werken, die op dezelfde basis wordt vastgesteld als het
vermogen van het fonds.
7
Naast de beleidsstaffel is de economische dekkingsgraad de basis voor het bepalen van de
toeslagverlening. Het bestuur heeft mede op basis van de economische dekkingsgraad van 108% op 31
december 2013, begin 2014 besloten om per 1 januari 2014 een toeslag te verlenen van 0,5% aan
premievrije aanspraken en pensioengerechtigden.
Achterstand in de toeslagverlening
In de tabel wordt een overzicht gegeven van de toeslagverlening van de ingegane pensioenen en van de
premievrije pensioenrechten sinds 2007. Tevens is de verhoging van de Grontmij Cao toegevoegd over
deze periode. Sinds 2012 is in het pensioenreglement opgenomen dat een achterstand in de
toeslagverlening in de toekomst van maximaal 10 jaar onder voorwaarden ingehaald zou kunnen worden. In
de tabel is af te lezen dat de jaren 2012, 2013 en 2014 daarvoor in aanmerking komen omdat de
gehanteerde prijsindex hoger is dan de feitelijke toeslagverlening.
Jaar
CPI Prijsindex
CPI Prijsindex
Toeslagverlening
Cao Grontmij
alle huishoudens ter herstel (%)
pensioenfonds
verhoging (%)
afgeleid (%)
(%)
2007
1,40
2,30
2,50
2008
1,19
1,19
2,50
2009
2,82
2,82*
1,90
2010
0,07
0,07
0,00
2011
1,35
0,00
0,50 + 1,00**
2012
2,47
2,47
0,00
0,00
2013
2,10
2,10
0,00
1,00
2014
1,10
0,60
0,50
1,00
* Toegekend vanaf januari 2010
** 0,5% per 1 maart 2011 en 1,0% per 1 december 2011
Voor de actieven is er geen achterstand in toeslagverlening.
De AOW
In Nederland bestaat het pensioenstelsel uit drie pijlers. De eerste pijler, de AOW het basispensioen
genoemd, ging in op 65 jaar en komt van de Nederlandse overheid. In de tweede pijler bouwen werknemers
via hun werkgever vaak een aanvullend ouderdomspensioen op. In de derde pijler kan zelf voor extra
pensioen gezorgd worden door bijvoorbeeld een lijfrenteverzekering af te sluiten of te sparen. Omdat iedere
ingezetene (onder voorwaarden) AOW ontvangt, wordt bij het bepalen van het aanvullend pensioen bij de
werkgever, rekening gehouden met die AOW. Bij een pensioenregeling is de AOW-franchise dat deel van
het salaris waarover geen pensioen wordt opgebouwd. Dit bedrag wordt van het salaris afgetrokken, het
bedrag dat overblijft heet de pensioengrondslag. Er wordt alleen premie betaald en pensioen opgebouwd
over het deel van het salaris dat boven de AOW-franchise ligt, dus over de pensioengrondslag.
AOW-ingangsdatum
De overheid verhoogt voor de AOW getrapt per jaar de AOW-leeftijd. Voor pensioen is de leeftijd in 2013
nog 66 jaar, maar dit wordt per 1 januari 2014 67 jaar. Beide besluiten vallen onder verschillende
wetgeving. Dit is complex, maar voor iedereen is het mogelijk het pensioen vanaf de gewenste leeftijd uit te
laten betalen. Wil een deelnemer vroeger met pensioen dan vraagt de deelnemer dit aan bij het
pensioenfonds op basis van de flexibiliseringsmogelijkheden in het pensioenreglement.
Voor deelnemers die werken onder de Grontmij Cao kent Grontmij een functioneel leeftijdsontslag op de
AOW-gerechtigde leeftijd. Dit is opgenomen in de Cao. Op die leeftijd worden alle Grontmij-ers
‘automatisch’ ontslagen; de diensttijd loopt af op de AOW-gerechtigde leeftijd. Omdat de deelnemers hun
pensioeningangsdatum kunnen wijzigen zullen velen het pensioen in willen laten gaan op de AOWgerechtigde leeftijd. Als het pensioen eerder ingaat wordt het pensioen wel lager. Wijzigingen (en daarmee
kortingen) op de AOW worden niet door het pensioenfonds gecompenseerd.
Vervallen partnertoeslag 2015: het AOW-hiaat
Een AOW-er met een jongere partner, krijgt, tot het moment dat de partner AOW-er is, een partnertoeslag.
De hoogte van de partnertoeslag is afhankelijk van de inkomsten die de partner dan heeft, en ook van het
feit of de partner buiten Nederland gewoond of gewerkt heeft. De partnertoeslag wordt vanaf 2015
afgeschaft voor wie vanaf 2015 65 jaar wordt. Heeft de partner zelf geen inkomen dan ontstaat het
zogenaamde AOW-hiaat. Het hiaat verdwijnt op het moment dat de jongere partner zelf ook AOW krijgt.
8
Tweeverdienershiaat
Het zogenaamde tweeverdienershiaat ontstaat doordat pensioenfondsen bij het bepalen van de AOWfranchise in de pensioenregeling rekening houden met de AOW van ongehuwden. De AOW voor
ongehuwden ligt ongeveer € 5.000 bruto hoger dan voor een gehuwde. Hoe hoger de AOW-franchise, hoe
lager de pensioengrondslag.
Pensioenpremies 2013
De ontvangen premies (excl. Individueel DC) bedragen in 2013 € 18.280.000 ( 2012 € 19.818.000). De
conform de ABTN vastgestelde interne (zuivere) kostendekkende premie was € 19.552.000 (2012: €
19.181.000).
Automatisering Pensioenbureau
In 2011 is een nieuw automatiseringspakket voor de administratie van pensioenen in gebruik genomen
(IVPA). Het Reglement 2012 is begin 2012 in dit pensioenpakket ingericht. In de afgelopen jaren is veel
geïnvesteerd om het geautomatiseerd werken verder door te voeren, maar ook om te voldoen aan de
steeds hogere controle behoeften en eisen van deze tijd. De investering hierin brengt niet direct een
kostenverlaging met zich mee. Wel brengt dit een betere risicobeheersing met zich mee. In dit
bestuursverslag is eerder ingegaan op het nieuwe pensioenreglement 2014. Ook voor de inrichting hiervan
in de automatisering is in 2013 geïnvesteerd en zal in 2014 geïnvesteerd worden. Denk hierbij ook aan de
informatieplicht aan deelnemers rechtstreeks en via de website www.mijnpensioenoverzicht.nl .
Vakbonden
De werknemersvertegenwoordigers in het bestuur hebben in 2012 en 2013 contact gehad met de
vakbonden om behoefte aan informatief overleg in te vullen. Dit is een continu proces.
Kostenvergoedingen Bestuursleden
Per 1-1-2012 zijn vergoedingen vastgesteld voor bestuursleden die geen dienstverband met Grontmij meer
hebben. Een bestuurslid met een enkelvoudige taak ontvangt € 500,-- per jaar, een bestuurslid met een
meervoudige taak ontvangt € 1.000 per jaar, en een bestuurslid met een complexe portefeuille ontvangt
€ 1.500,- per jaar. De leden van het Verantwoordingsorgaan (hierna VO) die geen dienstverband meer met
Grontmij hebben ontvangen € 200,- per jaar.
In 2013 is op verzoek van de werkgever overleg geweest over meer kostendekkende vergoedingen op
basis van de markt, de normen van de pensioenfederatie en een kleinschalig onderzoek bij
ondernemingspensioenfondsen in dezelfde branche. Vanaf 2014 zal op basis van een Reglement
Vergoedingen aangepaste vergoedingen aan en voor bestuursleden en de organen van het pensioenfonds
betaald worden. Het Verantwoordingsorgaan heeft een positief advies gegeven op een voorgenomen
besluit, gevolgd door een definitief besluit van het bestuur.
Beleggingen
Het totaal aan pensioenuitkeringen vindt bij de meeste pensioenfondsen haar herkomst grofweg gemiddeld
slechts voor 20% uit premie. De rest van het pensioen wordt opgebouwd door rendement uit beleggingen.
Om rendement te kunnen halen, wordt risico genomen. Tussen rendement en risico bestaat een duidelijk
verband. Een hoger rendement kan alleen behaald worden met een hoger risico. Omgekeerd is de belegger
bereid met minder genoegen te nemen als de onzekerheid kleiner is. Het is een continue afweging tussen
gewenst rendement en acceptabel risico. Beleggen en risico’s nemen gebeurt binnen een kader van weten regelgeving, alsook onder toezicht van DNB.
9
De prudent person-regel (art 135 PW)
Het prudent person principe moet getoetst worden aan de regels die verzekeraars zijn opgelegd bij het
naleven van dit principe. Dit betekent voor pensioenfondsen, dat zeer uitgebreide studies worden gedaan
over ontwikkelingen in verschillende effecten als aandelen en obligaties en er verschillende scenario’s
worden doorgerekend. Het beleggingsprofiel dat het beste resultaat en de meest optimale verhouding geeft
tussen rendement en garantie voldoet aan het prudent person principe.1 In dit kader is in 2012 de
strategische beleggingsmix aangepast en zijn de aanpassingen in 2013 verder doorgevoerd. Ten aanzien
van het vastgoed is echter een terughoudend beleid gevoerd, afwijkend van het staande beleid. De reden
hiervan is dat het voor vastgoed nog steeds moeilijk is de waarde objectief vast te stellen. Taxaties zijn een
benadering. De taxatiewaarde kan stabieler ogen dan de werkelijke waarde, het zogenaamde ‘smoothingeffect’. Smoothing kan leiden tot onderschatting van het risico van rendement. Reden voor het bestuur om
in 2013 terughoudend op te treden.
Het loyaliteitsbeginsel
In de Pensioenwet is direct in aansluiting op de prudent person-regel het loyaliteitsbeginsel opgenomen: “de
2
waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden”.
Daarna volgt de regel dat een pensioenfonds niet meer dan 5% van zijn activa mag beleggen in de
bijdragende onderneming (de ‘sponsor’). Als die onderneming tot een concern behoort, mag het
pensioenfonds maximaal 10% beleggen in dat concern. Vervolgens bepaalt de Pensioenwet dat bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur “ter waarborging van het prudente beleggingsbeleid” nadere
regels worden gesteld. Die mogen uiteraard geen afbreuk doen aan de prudent person regel, de
loyaliteitsregel en de beperkingen die gelden voor beleggingen in de bijdragende onderneming. SPG heeft
ook in 2013 geen beleggingen in Grontmij.
De desbetreffende nadere regels zijn opgenomen in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
(‘Besluit FTK’).3. Die regels komen deels overeen met de nadere voorschriften in de Pensioenrichtlijn
omtrent de prudent person-regel. 4 Het Besluit FTK laat de vrijheid van pensioenfondsen om te beleggen in
markten, asset classes en beleggingsinstrumenten zoveel mogelijk intact. 5 Beleggingsrestricties die
eventueel uit het Besluit FTK voortvloeien, zijn prudentieel van karakter; zij houden verband met de
balansverhoudingen van het pensioenfonds en de door de wetgever en de toezichthouder geformuleerde
solvabiliteitseisen. DNB beoordeelt het risicoprofiel van de activa (beleggingen) van het pensioenfonds.
Afhankelijk van het type asset gelden bepaalde risicowegingsfactoren. Die kunnen ertoe leiden dat een
pensioenfonds bij een lage dekkingsgraad wordt gedwongen zich terug te trekken uit bepaalde
beleggingscategorieën. De Pensioenrichtlijn geeft zélf de grondslag voor een dergelijke toezichtmaatregel
door op diverse plaatsen te bepalen dat uitzonderingen op de beleggingsvrijheid mogelijk zijn indien deze
vanuit prudentieel oogpunt (dat wil zeggen: met het oog op de solvabiliteit) worden gerechtvaardigd. 6 Ons
fonds is in 2013 zo kortstondig in een dekkingstekort geweest dat geen maatregelen zijn vereist en
daarmee niet in de situatie dat het fonds gedwongen is zich terug te trekken uit bepaalde
beleggingscategorieën.
Beleggingsproces
Het beleggingsproces is een continu proces dat uit de volgende stappen bestaat:
· Formuleren van het strategisch beleggingsbeleid, waarbij de asset allocatie de belangrijkste keuze is;
· Uitvoeren van het gekozen beleid;
· Controleren of het beleid aan de doelstellingen en verwachtingen voldoet.
Cruciaal voor het formuleren van de strategie, is inzicht in de kern van het pensioenfonds. De basis is de
pensioenovereenkomst tussen sociale partners, aangevuld met inzicht in de risicobereidheid van de
belanghebbenden. Het bestuur maakt zich de relevante risico’s eigen en vormt zich een oordeel over het al
dan niet acceptabel zijn daarvan.
1
Bron: NPB Nieuwsbrief nr.40 /2008: Uitleg Prudent person principe.
Bron: Pensioenfederatie: 18 dec. 2006 – Prudent person-regel; interpretatie naar Nederlands recht
3
Besluit van 18 december 2006, houdende regels met betrekking tot het financiële toetsingskader op grond
van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit financieel toetsingskader
2
pensioenfondsen), Stb. 710.
4
Richtlijn 2003/41 EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening, aanvaard op 3 juni 2003.
5
Vgl. de toelichting bij het Besluit FTK, Stb. 2006, 710, p. 16.
6
Zie bijv. de artikelen 17 lid 3, 18 lid 5, 18 lid 5 onder a. en 18 lid 6 Pensioenrichtlijn alsook de punt (18),
(20), (32), (33) en (36) van de Pre-ambule.
10
Beleggingsbeleid en investment beliefs
Eind 2012 heeft het bestuur het beleggingsbeleid 2012 (en verder) vastgesteld. Eerder al waren er
investment beliefs; deze zijn ook opgenomen in de ABTN. In 2013 is dit beleid verder uitgerold en ingevuld.
Met behulp van investment beliefs, cq het vastleggen van beleggingsbeginselen, heeft het bestuur een
kader geformuleerd hoe het omgaat met financiële markten en producten. Deze opgestelde investment
beliefs vormen een visie op de werking van financiële markten en de manier waarop het pensioenfonds
hierin acteert om zijn doelstellingen te behalen. De beliefs geven daarmee een kader voor de
beleggingscommissie om nieuwe beleggingsmogelijkheden te beoordelen, zijn een ijkpunt voor het bestuur
en maken een duidelijkere verantwoording naar de deelnemers, toezichthouder en andere stakeholders
mogelijk. Er wordt gewerkt met het zogenaamde “pas toe of leg uit”-principe.
Rebalancebeleid
Rebalancen is het (periodiek) bijsturen van de beleggingsportefeuille zodat de gewichten van de
verschillende beleggingscategorieën zich weer binnen de afgesproken bandbreedte bevinden. In 2013 is de
rebalancing van de renteafdekking van 65,6% naar 70% afgerond. Extra alertheid is er op de liquiditeit bij
de tegenpartijen. Het bestuur acht dit van groot belang, naast goed collateral management.
Het jaar 2013 eindigt met het besluit de emerging markets totaal op 30% van de totale aandelenportefeuille
te houden, met een bandbreedte van minimaal 25% en maximaal 35%. Binnen de emerging markets is de
ondergrens voor het Opportunity Fund op 10% gezet (was 12,5%) en de bovengrens van het Free Fund is
verhoogd van 17,5% naar 20%. Reden hiervoor is het besluit van de beheerder om het Opportunity Fund te
sluiten in verband met capaciteitsbeperkingen voor nieuwe beleggingen om hiermee bestaande beleggers
te beschermen.
Het afgelopen jaar is de rente opgelopen en SPG profiteert hier enigszins van. In een periode van
reservetekort mag het fonds echter haar risico profiel niet vergroten. Verlaging van de renteafdekking
vergroot het risicoprofiel. Indien daarvoor wordt gekozen, moet op een andere categorie het risico verkleind
worden (bijvoorbeeld minder beleggen in aandelen).
Bijdrageregeling en pensioenspaarregeling
Het pensioenreglement 2012 is een hybride regeling, met voor het excedentgedeelte een bijdrageregeling
(individueel DC). Deze premies worden gestort bij Robeco in de flexioenregeling. Grontmij-medewerkers
hebben in de Cao de mogelijkheid om bij Robeco deel te nemen aan een pensioenspaarregeling. Robeco
biedt in nauw overleg met het bestuur standaard adviesmixen aan voor de bijdrageregeling en de
spaarregeling; deelnemers kunnen kiezen voor een eigen beleggingsmix.
Inflatie
Er wordt gestudeerd op het inflatierisico en welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. In 2012 is
ondermeer onderzocht in hoeverre de huidige beleggingen al bescherming tegen inflatie bieden (met name
vastgoed en commodities). In 2013 zijn nog geen concrete maatregelen genomen, mede gelet op de
ontwikkelingen op de financiële markten en de inflatieverwachting.
Een mogelijke bescherming tegen inflatie wordt gevormd door Commodities. Met de Commodities is de
benchmark niet verslagen in 2013. Er is ook een negatief rendement ontstaan door waardedalingen van
Commodities zelf maar ook door andere oorzaken, zoals verlies op onderpand. Met name in 2008 is
hierdoor verlies opgetreden. Per jaar gekeken heeft het fonds van 2009 t/m 2012 beter dan de benchmark
gepresteerd. In 2008 en 2013 is dit niet het geval. Gezien het lage inflatieniveau de afgelopen jaren en het
niet voorkomen van grote inflatieschokken is dit aspect moeilijk te beoordelen. De lange termijn verwachting
is dat er schaarste zal gaan optreden van bepaalde grondstoffen. Met betrekking tot de inflatiehedge wordt
in studies voor commodities nog steeds uitgegaan van een positieve hedge.
Reservemanagers
In 2011 is het traject gestart om te komen tot reservemanagers voor het vermogensbeheer op de diverse
portefeuilles. Reden hiervan is de kwetsbaarheid van het fonds te verlagen op het moment dat de huidige
vermogensbeheerder niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen vanwege bijvoorbeeld faillissement. In
2013 zijn de contracten met de geselecteerde reservemanagers afgesloten.
Vermogensbeheer
Ook in 2013 is er een evaluatie gestart van de vermogensbeheerders in de totale breedte: organisatie,
beleggingsproces, risicomanagement, service en fees/perfomances. De uitkomst hiervan komt in 2014
beschikbaar.
11
Uitvoeringskosten
Introductie
De uitvoeringskosten houden de pensioensector al langer bezig. In het jaarverslag 2011 is voor het eerst
aandacht besteed aan de uitvoeringskosten en voor zover mogelijk aan de kosten van vermogensbeheer. In
het jaarverslag 2012 wordt ook aandacht besteed aan de directe en indirecte kosten van vermogensbeheer
en aan transactiekosten. Daar waar exacte cijfers niet beschikbaar zijn, is gebruik gemaakt van schattingen.
In 2013 zijn de schattingen verbeterd en kunnen vergelijkende cijfers van het vorige boekjaar worden
getoond.
Drie soorten uitvoeringskosten
· Pensioenbeheer
De pensioenbeheerskosten bestaan uit: kosten deelnemer en gepensioneerde, werkgeverskosten, kosten
bestuur en financieel beheer en projectkosten. Kosten die zowel op pensioenbeheer als vermogensbeheer
betrekking hebben worden naar rato verdeeld. Dit betreft kosten van het pensioenbureau,
accountantskosten en actuarieel advies. Hierbij wordt gebruik gemaakt van schattingen. Projectkosten voor
automatisering worden afgeschreven over 10 jaar.
· Vermogensbeheer
De vermogensbeheerkosten bestaan uit: vaste beheerskosten van beleggingen, prestatieafhankelijke
vergoedingen, kosten bewaarloon, belastingen, overige kosten en kosten van bijzondere
beleggingscategorieën, zoals vastgoed.
· Transactiekosten
Transactiekosten zijn de kosten die gemaakt moeten worden om een (beleggings-)transactie tot stand te
brengen en uit te voeren. Dit zijn geen kosten die aan de vermogensbeheerder worden betaald, maar
kosten die bijvoorbeeld aan de beurs of broker worden betaald.
Situatie SPG
· Pensioenbeheer
Totaal uitvoeringskosten (cf. jaarrekening)
Allocatie naar vermogensbeheer
Investeringskosten automatisering
Afschrijvingskosten automatisering
2013
€ 1.793.000
-/- € 484.000
-/- € 100.000
€ 99.000
2012
€ 2.102.000
-/- € 398.000
-/- € 292.000
€ 73.000
Totaal Kosten pensioenbeheer
Actieve deelnemers en pensioengerechtigden
Kosten per deelnemer
€ 1.308.000
3.380
€ 387
€ 1.364.000
3.499
€ 390
Mutatie
-/- 15%
+ 22%
-/- 66%
+ 36%
-/- 4 %
-/- 3 %
-/- 1 %
In 2013 zijn bestuurskosten gedaald vanwege lagere actuariële advieskosten en personeelsreductie op
het pensioenbureau. Het aantal actieve deelnemers en pensioengerechtigden is ook gedaald (3%),
maar de kosten zijn sneller gedaald (4%), waardoor de kosten per deelnemer dalen met 1%. Indien de
slapers met een wegingsfactor 0,25 worden meegenomen zijn de kosten per deelnemer in 2013: € 320
(2012: € 325).
· Vermogensbeheer (% van gemiddeld belegd vermogen)
2013:
0,34%
2012 0,36%
De vermogensbeheerkosten zijn totaal € 2,5 miljoen (2012: € 2,6 miljoen) en bestaat uit de volgende
onderdelen:
Direct in rekening gebrachte vermogensbeheerskosten
Outperformance fee
Aandeel in algemene kosten pensioenbureau
Beheerskosten binnen de fondsen
Beleggingsadministratie en custody
12
2013
mln
1,1
0,0
0,5
0,8
0,1
2,5
%
0,14
0,01
0,07
0,10
0,02
0,34
2012
mln
1,0
0,3
0,4
0,8
0,1
2,6
%
0,14
0,04
0,05
0,11
0,02
0,36
De beheerskosten binnen de fondsen zijn deels door middel van schatting tot stand gekomen, conform
de aanbevelingen van de Pensioenfederatie. Hiervoor is onder andere de TER (Total Expense Ratio)
van fondsen gebruikt. De outperformance fee is lager: de outperformance in de emerging markets was
lager. Het gemiddelde belegde vermogen in 2013 was € 743 miljoen (2012: € 726 miljoen). Ongeveer
50% (2012: 45%) van de kosten van vermogensbeheer is door middel van schatting tot stand gekomen.
· Transactiekosten (% van gemiddeld belegd vermogen)
2013: 0,09%
2012: 0,10%
De transactiekosten zijn totaal € 0,7 miljoen (2012: 0,7 miljoen) en bevat zowel de kosten die binnen de
beleggingsfondsen zijn gemaakt als wel kosten die ontstaan zijn als gevolg van het zelf handelen in
fondsen. Ongeveer 78% (2012: 70%) van de transactiekosten is door middel van schatting tot stand
gekomen, conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.
Benchmarking
In oktober 2013 is door Lane Clark Peacock Netherlands B.V. het rapport ‘Inzicht in de uitvoeringskosten en
vermogensbeheerkosten van Nederlandse pensioenfondsen’ uitgebracht. Hierin zijn benchmark gegevens
voor de pensioensector opgenomen. Van de 151 onderzochte pensioenfondsen met 1.000 tot 10.000
deelnemers bedragen de gemiddelde uitvoeringskosten (3-jaarsgemiddelde 2010-2012) € 326 per jaar
(SPG 2012: € 390, bij een deelnemersaantal van circa 3.500, dus een relatief beperkt aantal deelnemers
t.o.v. de onderzochte groep).
Van 242 onderzochte pensioenfondsen zijn de gewogen gemiddelde vermogensbeheerkosten 0,53% van
het gemiddelde pensioenvermogen (SPG 2012: 0,36%) en de transactiekosten 0,10% (SPG 2012: 0,10%).
Daar er geen onderscheid is gemaakt in omvang van fondsen is het moeilijk conclusies aan de uitkomsten
te verbinden.
Financiële ontwikkeling van het fonds
Continuïteitsanalyse
Periodiek wordt er een continuïteitsanalyse gedaan. Aan de hand van ALM-studies komt de
continuïteitsanalyse tot stand. De term asset-liability management wordt gebruikt in de beleggerswereld:
een proces voor het verkrijgen van inzicht in de onderlinge afhankelijkheden in de ontwikkeling van rechten
en verplichtingen van ons pensioenfonds. De term wordt afgekort tot ALM. Aan de hand van deze ALMstudie wordt het beleid geformuleerd en geactualiseerd. In de Continuïteitsanalyse (CA) wordt het huidige
beleid doorgerekend en worden de zwakheden zichtbaar gemaakt. Uit de analyse lijkt de kans op
toeslagverlening iets te worden vergroot door een defensievere belegging. In 2012 is dit meer defensieve
beleid geïmplementeerd en in 2013 gecontinueerd.
Rekenleeftijd
De levensverwachting is afhankelijk van de huidige leeftijd van de deelnemer. Gemiddeld over de leeftijden
30 t/m 75 komt de AG Prognosetafel 2012-2062 met SPG-Fondsspecifieke ervaringssterfte 2012 neer op
een levensverwachting voor mannen van 87,6 jaar en voor vrouwen van 88,9 jaar.
Bij de vaststelling van de technische voorziening wordt verondersteld dat er jaarlijks een aantal deelnemers
overlijdt. In 2013 is er sprake van winst op langlevenrisico van € 2.648.000 (in 2012 was er sprake van een
verlies op langlevenrisico van € 950.000). De winst op langlevenrisico in 2013 wordt veroorzaakt doordat er
meer pensioengerechtigde deelnemers zijn overleden dan verwacht volgens de gehanteerde
overlevingstafel. De ontwikkeling wordt de komende jaren gevolgd.
Publicatie dekkingsgraden
De dekkingsgraad is de verhouding tussen het aanwezige vermogen en de contante waarde van de op dat
moment geldende reglementaire pensioenaanspraken.
Vanaf eind september 2012 publiceert De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) de rekenrente voor
pensioenfondsen op basis van de Ultimate Forward Rate (hierna: UFR). Deze UFR is met name ingevoerd
om te voorkomen dat veel pensioenfondsen in 2013 op grote schaal kortingen moeten gaan doorvoeren. Dit
korten is overigens bij SPG niet aan de orde. De dekkingsgraad op basis van UFR moet maandelijks aan
DNB worden gerapporteerd. Echter, deze UFR-dekkingsgraad is geen weergave van de feitelijke financiële
situatie van een pensioenfonds. De feitelijke rente op de economische markten is nu aanmerkelijk lager dan
de rente die gebruikt wordt bij de UFR. Bij een hoge(re) rente dalen de toekomstige verplichtingen van
pensioenfondsen. Het gevolg hiervan is dan dat de reserves van het fonds stijgen. Hierdoor stijgt de
dekkingsgraad van het fonds. Het bestuur beoordeelt de dekkingsgraad op basis van de UFR als te positief
en derhalve niet prudent. Daarom bepalen wij een tweede dekkingsgraad: de economische dekkingsgraad.
13
In deze economische dekkingsgraad wordt de marktrente gebruikt. De economische dekkingsgraad vormt
de basis voor het besluit over de toeslagverlening.
SPG
Dekkingsgraad
Nominale dekkingsgraad %
Vereiste dekkingsgraad %
Minimaal vereiste dekkingsgraad %
Econom ische dekkingsgraad %
130
%
120
110
UFR
AG-tafel
100
De TV voor risico van het fonds zijn in 2013 gedaald van € 729 miljoen (2012) naar € 698 miljoen (2013).
Dit is een daling van € 31 miljoen. Het belegd vermogen was eind 2013 € 762 miljoen (2012 € 760 miljoen).
Langetermijnherstelplan
Door de afgenomen vermogenspositie van SPG is er in 2009 een reservetekort ontstaan. Daarom heeft ons
fonds een langetermijnherstelplan opgesteld en ingediend bij DNB. In dit plan wordt aangegeven hoe de
buffers weer op het vereiste reserveniveau worden gebracht. DNB heeft goedkeuring gegeven aan het
langetermijnherstelplan. Zodra een pensioenfonds drie kwartalen aaneengesloten gepresteerd heeft boven
de vereiste dekkingsgraad, vervalt de eis van uitvoering van het langetermijnherstelplan onder controle van
DNB. Op 30 september 2011 was de dekkingsgraad 102% en verkeerde het fonds in een dekkingstekort.
Omdat het fonds slechts een maand in onderdekking is geweest is er geen kortetermijnherstelplan van
toepassing en zijn er geen kortingsmaatregelen aangekondigd. Deze situatie heeft zich in 2012 herhaald.
Aanvankelijk was er in 2013 weer kortstondig een dekkingstekort. Dit gebeurde echter de maand voordat
DNB de toezichtregels wijzigde en het fonds daarmee weer uit het dekkingstekort was. DNB achtte daarom
deze situatie niet van toepassing op de technische term dekkingstekort. Het fonds is in 2013 niet uit het
reservetekort gekomen. De nominale dekkingsgraad is 109,8% (2012: 107,4%) en is lager dan de vereiste
dekkingsgraad van 111,7% (2012: 111,2%).
Belegd vermogen
De vastrentende waarden bedragen eind 2013 € 433 miljoen (eind 2012 € 477 miljoen). In het vierde
kwartaal van 2013 zijn de LDI fondsen verkocht en is overgegaan naar een discretionair mandaat. Een
evenredig deel van de derivaten in de LDI fondsen is overgenomen. De vastrentende waarden bestaan nu
uit twee cash funds en één credit fund. Daarnaast worden nu rentederivaten op eigen naam aangehouden,
eind 2013 ter waarde van € 34 miljoen (2012: € 0).
Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV)
Iedere drie jaar wordt gecontroleerd of het MVEV nog aan de wettelijke eisen voldoet. In 2012 is voor het
laatst gecontroleerd of het MVEV nog aan de wettelijke eisen voldoet. Deze toets heeft destijds geleid tot
een MVEV van 4,1%.
14
Pension Fund Governance
In 2013 heeft de focus gelegen op voorbereidingen, voorlichting en communicatie met betrekking tot het
nieuwe pensioenreglement 2014, de Code Pensioenfondsen maar zeker ook op implementatie van de
nieuwe Wet Versterking Bestuur Pensioenfondsen; aan deze wet moet per 1 juli 2014 voldaan worden. Er is
een plan van aanpak en een planning gemaakt; het fonds zal voor 1 juli gereed zijn met de implementatie.
Goed Pensioenfondsbestuur (Pension Fund Governance, PFG)
Sinds 2007 is ’goed pensioenfondsbestuur’ verankerd in de Pensioenwet. Het bestuur volgt consequent het
eigen beleid van gedegen governance. Dit beleid biedt kaders voor intern toezicht, zorgvuldig bestuur,
verantwoordelijkheid, beleggingsbeleid, openheid en communicatie.
Beperkte compliance check
In 2013 is een beperkte compliance check uitgevoerd door een adviseur van PWC. De check betrof het
toetsen van alle fondsdocumenten in het kader van artikel 5 PW en zal in 2014/2015 verder opgepakt
worden.
Crisisplan
Het bestaande crisisplan is op een detailpunt aangepast, zoals het aanpassen aan het meest recente
deelnemersbestand. Daarnaast is een kleine wijziging doorgevoerd m.b.t. het communicatiebeleid.
Herverzekerde contracten
Er is onderzoek geweest naar de herverzekerde contracten en de mogelijkheid tot afkoop hiervan. Door de
lage rentestand en de daarmee samenhangende verhoogde voorzieningen in de loop der jaren heeft het
bestuur dit traject in 2014 stil gelegd.
Er is onderzoek opgestart naar uitbreiding van de risicoherverzekering partnerpensioen met
arbeidsongeschiktheidpensioen. Dit traject heeft uiteindelijk in 2014 geleid tot een nieuw contract.
Code Pensioenfondsen
De Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid hebben samen de Code Pensioenfondsen opgesteld
over bestuurlijk functioneren. De Code bevat bepalingen over het functioneren van de verschillende
bestuurlijke organen binnen een pensioenfonds en gaat ook uitgebreid in op de daaraan gekoppelde
thema’s als benoemingen en zittingstermijnen. Onderwerpen als integraal risicomanagement, beloningen,
diversiteit en verantwoord beleggen komen ook aan bod. Partijen beogen met de Code de verhoudingen
binnen het pensioenfonds en de communicatie met de belanghebbenden transparanter te maken en bij te
dragen aan het versterken van ‘goed pensioenfondsbestuur’. De Code richt zich op de drie bestuurlijke
kernfuncties: besturen, toezicht houden en verantwoording afleggen. Dit alles in goede balans via een
sluitend systeem van controle en evenwicht tussen de functies. Er wordt gewerkt met het zogenaamde “pas
toe of leg uit”-principe.
De Code is de opvolger van de Principes voor Goed Pensioenfondsbestuur (2007). Een speciale
monitoringcommissie, in hoofdzaak bestaande uit onafhankelijke deskundigen, zal gaan toezien op de
naleving van de Code en gaat daarover jaarlijks schriftelijk rapporteren aan de staatssecretaris van SZW,
de Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid.
Wet Versterking Bestuur Pensioenfondsen (WVBP)
In 2013 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel ter versterking bestuur pensioenfondsen ingediend. De
Eerste Kamer heeft het voorstel op 9 juli 2013 aangenomen. De wet moet 1 juli 2014 door de
pensioenfondsen geïmplementeerd zijn. Deze wet herziet de wettelijke regels voor de governance en
medezeggenschap voor pensioenfondsen. Er zijn drie aanleidingen voor deze herziening:
1. Noodzaak tot versterking van deskundigheid en versterking intern toezicht1;
2. Noodzaak tot adequatere vertegenwoordiging van alle risicodragers2:
3. Stroomlijning van taken en organen3.
1
het onderzoek van de Commissie Frijns (Commissie Beleggingsbeleid en risicobeheer). De Commissie Frijns heeft
onderzoek gedaan naar de wijze waarop het beleggingsbeleid, het risicobeheer, de uitvoering en de governance van
pensioenfondsen zich sinds 1990 heeft ontwikkeld in relatie tot de doelstelling en het risicodraagvlak van
pensioenfondsen.
2
de verschuiving van het risicodragerschap richting deelnemers, pensioengerechtigden en andere
aanspraakgerechtigden. De Commissie Goudswaard (Commissie Toekomstbestendigheid Aanvullende
Pensioenregelingen) concludeert dat werknemers en pensioengerechtigden nu al risico’s lopen ten aanzien van hun
pensioenaanspraken en –rechten.
3
de onduidelijkheid over en overlap van taken van de verschillende organen.
15
Bestuur
De WVBP geeft nieuwe bestuursmodellen. Het bestuur heeft mede aan de hand van een SWOT-analyse in
december 2013 zich voorgenomen te kiezen voor het model Paritair bestuur. Dit wijkt niet aanmerkelijk af
van het huidige bestuursmodel. De getalsverhouding binnen de geledingen wijzigt van werkgever (4) en
werknemers+pensioengerechtigden (4) naar werkgever (3) en werknemers (3). en pensioengerechtigden
(2). Er is niet gekozen voor gewogen stemverhouding, maar voor het principe van one man / one vote. Voor
de tweede zetel in de geleding pensioengerechtigden zal een verkiezing uitgeschreven worden. Ook in de
overige bestuursorganen vinden wijzigingen plaats.
Verantwoordingsorgaan
De medezeggenschap wordt ingevuld door het Verantwoordingsorgaan. Voor het Verantwoordingsorgaan
verandert de gelijke verhouding van geledingen van 2 staat tot 2 staat tot 2, naar een verhouding die recht
doet aan de getalsverhouding binnen de geleding. Werkgever en pensioengerechtigden geleding blijven op
twee vertegenwoordigers, maar de werknemersgeleding zal uitgebreid worden naar drie, hier wordt een
verkiezing voor uitgeschreven in 2014.
Visitatiecommissie
Het intern toezicht wordt ingevuld door de Visitatie Commissie. De Visitatiecommissie is een zelfstandige
onafhankelijke entiteit, die extern wordt ingehuurd. Intern toezicht heeft betrekking op het kritisch bezien
van het functioneren van (het bestuur van) het pensioenfonds door onafhankelijke deskundigen. De
visitatiecommissie toets binnen pensioenfondsen op basis van de bestaande structuren en procedures.
Conform de nieuwe wet zal vanaf 2015 een Visitatiecommissie jaarlijks een onderzoek instellen. Verderop
wordt uitgebreider verslag gedaan van de aanpak van het fonds.
Statuten
Alle studie in 2013 is erop gericht geweest goed kennis te hebben van de Code pensioenfondsen en de Wet
Versterking Bestuur Pensioenfondsen. Beide samen geven het bestuur een verstevigde basis waarmee
voor belanghebbenden duidelijker en transparanter wordt hoe een pensioenfonds het toevertrouwde geld
beheert en hoe alle belangen evenwichtig afgewogen worden. In 2014 zullen de statuten aangepast worden
en zal een aantal Reglementen ter uitvoering van bijvoorbeeld verkiezingen en beloning opgesteld worden.
Deskundigheidsbevordering en zelfevaluatie
Geschiktheidtoets vervangt deskundigheid: Kennis, vaardigheden en professioneel gedrag
In vervolg op het plan van aanpak is in 2011 een nieuw deskundigheidsbeleid en daaruit voortvloeiend een
nieuw opleidingsplan opgesteld en vastgesteld. Hiermee beoogt het bestuur de kwaliteit van de
deskundigheid op gestructureerde wijze te vergroten. De noodzakelijke deskundigheidsniveaus zijn over de
verschillende onderwerpen vastgesteld en geadresseerd. De bestuursleden volgen door het jaar heen
verschillende workshops, seminars en cursussen om de eigen deskundigheid verder te ontwikkelen. Het is
van groot belang op de hoogte te blijven van belangrijke ontwikkelingen op gebied van besturen,
pensioenen, beleggingen en risicomanagement. In 2013 is uitvoering gegeven aan scholing en ontwikkeling
binnen de kaders van dit opleidingsplan. Ook de leden van verantwoordingsorgaan zijn hierin betrokken.
Sinds 2011 vindt er een individuele zelfevaluatie met de bestuursleden plaats. Voor de groepsevaluatie is
een assessment afgenomen. In 2014 zal dit verder zijn beslag krijgen door te bezien hoe de uitslag van het
assessment kan leiden tot een versterking van de groepsdynamiek binnen het bestuur.
Communicatie
Conform het beleidsplan uit 2012 wordt veel energie besteed aan het managen van de
pensioenverwachtingen bij deelnemers, zodanig dat dit leidt tot pensioenbewustzijn. Belangrijk onderdeel
van de uitvoering is het opmaken van teksten in begrijpelijke taal voor iedereen. De AFM noemt het
zogenaamde taalniveau B1. Alle standaardcorrespondentie is hier sinds 2012 op afgestemd. Er zijn in 2013
pensioenbijeenkomsten georganiseerd voor actieve deelnemers van 63, 62, 55 en 40 jaar. De opkomst is
nog te mager. Na 2014 zullen de informatiebijeenkomsten geëvalueerd worden. Daarnaast is er voorlichting
gegeven aan individuele deelnemers en aan individuele pensioengerechtigden. Er is pensioeninformatie
verstrekt aan leden van de Landelijke Personeelsvereniging.
Transparante pensioeninformatie en financiële planning
Onze communicatie haakt in op het belang van een individuele financiële planning: “de burger dient
voorzien te worden van transparante pensioeninformatie en de mate van zekerheid van pensioenen”. Of
een deelnemer daadwerkelijk een hiaat in zijn pensioenvoorziening heeft en wat de grootte hiervan is, hangt
van veel factoren af. Dit zal van deelnemer tot deelnemer verschillen. Vroegtijdig informeren geeft onze
deelnemers de gelegenheid om een financiële planning te maken, daardoor te kunnen anticiperen en
daarmee de zelfredzaamheid te vergroten. In 2013 is schriftelijke voorlichting gegeven, mede aan de hand
van een pensioenkrant over het nieuwe pensioenreglement 2014 en de consequenties daarvan. In 2014 zal
iedere deelnemer een individuele brief ontvangen met de persoonlijke consequenties.
16
Collectieve schriftelijke informatieverstrekking zijn het jaarverslag, het verkort jaarverslag in de
pensioenkrant, pensioenkrant reglement 2014 en mededelingen op Insite van Grontmij. Algemene
informatie is voor iedereen toegankelijk op de website www.pensioenfonds.grontmij.nl.
Het pensioenbureau neemt het initiatief tot communicatie naar individuele deelnemers bij zogenaamde
‘events’ als in- en uitdiensttreding, huwelijk, scheiding en overlijden. Jaarlijks wordt het Uniform Pensioen
Overzicht (UPO) aan alle deelnemers verstrekt. Naar aanleiding van het UPO zijn individuele vragen
beantwoord. De website van Het Pensioenregister (www.mijnpensioenoverzicht.nl) geeft iedere
Nederlander beknopt informatie over zijn/haar pensioensituatie.
Bij diverse vormen van schriftelijke communicatie met individuele deelnemers wordt geïnventariseerd of de
communicatie helder en begrijpelijk is; indien de reacties daar aanleiding toe geven, past het
pensioenbureau de communicatie aan.
Medezeggenschap
De medezeggenschap in het pensioenfonds is gewaarborgd door de aanwezigheid van vertegenwoordigers
van zowel deelnemers als pensioengerechtigden in het Bestuur en het Verantwoordingsorgaan.
De visitatie
Einde 2012, evenals in 2010, heeft het Bestuur opdracht gegeven aan VCHolland voor een visitatie bij ons
fonds. In het algemeen beoordeelt de visitatiecommissie (het wettelijk kader in aanmerking genomen) het
functioneren van het bestuur, daarbij ondersteund door een deskundig pensioenbureau, als goed. In het
jaarverslag 2012 zijn de aanbevelingen van de visitatiecommissie opgenomen. In 2013 zijn de meeste
aanbevelingen opgepakt.
Verantwoordingsorgaan (VO)
Met betrekking tot het Verantwoordingsorgaan werd aanbevolen het VO te betrekken bij de
ontwikkelingen die voortvloeien uit de nieuwe wetgeving en na te gaan of dit orgaan voldoende zicht
heeft op de ontwikkelingen ter zake van evenwichtige belangenbehartiging. In 2013 is het overleg
tussen bestuur en VO verdubbeld.
Governance en Deskundigheid
De visitatiecommissie beveelt aan onderzoek te doen naar mogelijke alternatieven in het
benoemingsproces en daarbij onderzoek te doen naar mogelijk noodzakelijke wijzigingen in het
bestuursmodel. De commissie beveelt aan na te gaan of voldoende borging aanwezig is voor
evenwichtige belangenbehartiging. Het bestuur heeft een uitgebreide evaluatie gehouden over het
eigen functioneren aan de hand van een SWOT-analyse. Er is conform de WVBP een
bestuursmodel gekozen dat past bij het fonds.
Beleggingen
Als vermogensbeheerder is BlackRock dominant, gelet op de omvang van het vermogen dat door
deze beheerder voor het Fonds wordt beheerd. De visitatiecommissie vraagt het Bestuur aandacht
te hebben voor de risico’s die samenhangen met deze situatie en de afspraken met BlackRock, in
geval van tegenspoed, nauwkeurig vast te leggen. De commissie heeft vastgesteld dat het bestuur
reeds doende is reservemanagers aan te stellen. Voorts beveelt de commissie het bestuur aan het
beleid met betrekking tot securities lending te heroverwegen. In 2013 is in het risicodashboard is het
percentage aan uitgeleende stukken opgenomen en wordt dit onderwerp regelmatig in de
beleggingscommissie besproken met de vermogensbeheerder.
Risico’s
De commissie heeft het bestuur aanbevolen aandacht te besteden aan de toekomstige afdekking
van het inflatierisico. Dit proces was in 2012 al door het bestuur opgestart en is een constante zorg
van het bestuur. Tevens vraagt de commissie aandacht voor de liquiditeit van de beleggingen, de
vastlegging van de omgevingsrisico’s en de beperking van de juridische risico’s. Met de invoer van
het risicodashboard wordt goed overzicht gehouden op alle genoemde terreinen. De commissie
beveelt aan onderzoek te doen naar al dan niet handhaven van de maximering van de toeslag voor
actieven. Echter, dit is een verantwoordelijkheid van de sociale partners. Tenslotte beveelt de
commissie aan om de uitkomsten van de continuïteitsanalyse nog eens te heroverwegen op grond
van minder florissante parameters en veronderstellingen. Bij een volgende
ALM/continuïteitsanalyse wordt dit punt opgepakt.
17
Communicatie
De visitatiecommissie beveelt wel aan voor deelnemers aan de excedentregeling een
pensioenoverzicht te doen samenstellen dat is gebaseerd op realistische veronderstellingen.
Echter, omdat bij het opstellen van de UPO’s de excedentregeling al ter discussie stond, is er voor
gekozen geen wijziging aan te brengen in de gebruikelijke wijze van communiceren in het laatste
jaar dat deze excedentregeling werd uitgevoerd.
Tenslotte beveelt de commissie aan - gezien de turbulentie op het gebied van pensioenen - op een
meer reguliere basis in de communicatie met deelnemers aandacht te besteden aan de risico’s,
maar op dit punt heeft het bestuur nog niet de juiste vorm en eigen positiebepaling kunnen vinden.
Er is een onderzoek geweest hoe de risicobereidheid onder deelnemers vorm kan krijgen.
Auditcommissie
De rol van de Auditcommissie is vooral interne controle. De Auditcommissie beoordeelt of deugdelijke
analyses, rationele overwegingen, weldoordachte besluitvormingsprocessen, open besprekingen en/of
vernieuwende benaderingswijzen door het bestuur worden gehanteerd om het doel binnen de gestelde
kaders te bereiken.
Doel van de Auditcommissie is dus de werkzaamheden van het bestuur kritisch te bezien. De
Auditcommissie verricht in het kader van intern toezicht de volgende werkzaamheden:
· het beoordelen van beleids- en bestuursprocedures en de evenwichtige controlemechanismen binnen
het fonds;
· het beoordelen van de wijze waarop door het bestuur wordt omgegaan met de risico’s op de korte,
middellange en langere termijn.
Die controle spitst zich toe op de controle en beoordeling van procedures. Dit komt tot uitdrukking in
bijvoorbeeld het risicomanagement. Het risicomanagement heeft een dominante plaats gekregen in de
Auditcommissie. Het bestuur heeft zich ten doel gesteld van risicometing en –monitoring achteraf, steeds
meer vooraf te beoordelen en te classificeren in relatie tot acceptabel risicomanagement. De eerste stappen
hiertoe zijn in 2011 gemaakt doordat voorbereidingen zijn getroffen om een risicomanagement ‘dashboard’
in te richten. Met ingang van het 3de kwartaal van 2012 wordt er periodiek een dashboard samengesteld.
Het ingerichte dashboard blijft dynamisch; wijzigingen kunnen steeds doorgevoerd worden. Zo zijn in 2013
indicatoren voor valutarisico, security lending, bijdrage van beleggingscategorieën aan totaal rendement en
de kritische dekkingsgraad aan het dashboard toegevoegd. In 2014 staat risicobudgettering op de agenda.
De Auditcommissie vergadert naast haar reguliere vergaderingen minimaal één keer per jaar als financiële
commissie, als de jaarstukken worden besproken in aanwezigheid van de accountant en certificerend
actuaris. Daarnaast is er een evaluatie met de accountant.
Compliance
Het bestuur ziet toe op naleving van wet- en regelgeving door het fonds. Bij het bestuur zijn over 2013 geen
overtredingen van wet- en regelgeving bekend. Het bestuur concludeert dat de manier waarop het
Pensioenfonds is ingericht (de ‘governance’) in het algemeen doeltreffend is en functioneert.
In 2013 is een nieuwe externe Compliance Officer aangesteld. Deze externe Compliance Officer is belast
met het toezicht op de naleving van de regels die voortvloeien uit het Effectief Typisch Gedrags Toezicht
(ETGT). Onze gedragscode bevordert transparantie, maar geeft ook aan hoe om te gaan met vertrouwelijke
informatie. De code geeft aan hoe belangenconflicten tussen het fonds en de betrokkenen in
privéomstandigheden of -situaties voorkomen worden. Elk bestuurslid, alsmede elke medewerker van het
pensioenbureau, verklaart schriftelijk de gedragscode te zullen naleven.
Verantwoordingsorgaan
De reactie op dit bestuursverslag van het Verantwoordingsorgaan wordt hierna onverkort weergegeven,
evenals de reactie van het bestuur hierop.
Tenslotte
De werkzaamheden op het gebied de uitvoering van de nieuwe regeling, de advisering en de voorlichting op
pensioen- en het beleggingsgebied, Pension Fund Governance, automatisering en de ontwikkelingen op de
financiële markten hebben in het verslagjaar 2013 veel inspanningen vereist. Het bestuur dankt de
medewerkers van het pensioenbureau en adviseurs van het fonds voor hun grote inzet.
18
2
Verslag van het Verantwoordingsorgaan
Verslag verantwoordingsorgaan over het jaarverslag 2013
Het verantwoordingsorgaan heeft dit verslag gebaseerd op de jaarstukken van het bestuur en het
certificeringsrapport c.q. actuarieel rapport van Towers Watson.
In de vergadering van 10 oktober 2013 en 21 maart 2014 met de directie van het SPG zijn de laatste
ontwikkelingen besproken.
In het kader van bijscholing van het VO is er op 26 november 2013 een presentatie gegeven door Black
Rock, fondsbeheerder van het SPG, waarin uitleg gegeven werd over allerlei aspecten van beleggingen.
Op 23 mei 2014 is in een vergadering met het bestuur en de externe actuaris het jaarverslag 2013
besproken. Op basis van kritische vragen van het verantwoordingsorgaan, heeft het bestuur van het SPG
de vragen naar volle tevredenheid beantwoord.
Het verantwoordingsorgaan constateert dat over 2013 het beleid van het bestuur actief is geweest en dat
het bestuur goed anticipeert op de ontwikkelingen in de markt. Het bestuur heeft inzicht gegeven in de
mogelijkheden om te kunnen anticiperen op nieuwe ontwikkelingen.
Het verantwoordingsorgaan heeft de volgende bevindingen:
Wetgeving en reglementen
De pensioenleeftijd in het pensioenfonds was in 2013 66 jaar. Vanaf 1 januari 2014 is de pensioenleeftijd
verhoogd naar 67 jaar. Dit naar aanleiding van de Pensioenwet waarbij de leeftijd naar 67 jaar is gegaan.
In 2013 zijn de laatste deelnemers op 64 jaar met het tijdelijk ouderdomspensioen gegaan.
Premie- en risicobeleid
Het premiebeleid is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Naast de ontvangen premie is er een bedrag
uit het premiedepot overgeheveld. Ook in 2013 is het aantal actieve deelnemers verder gedaald. Aangezien
de dekkingsgraad op peil blijft, heeft deze tendens geen invloed op de degelijkheid van het SPG.
Financiële positie van het SPG
De financiële positie van het SPG is per ultimo 2013 t.o.v. 2012 verder verbeterd. De dekkingsgraad was
hoger dan de minimaal vereiste dekkingsgraad. (109,8 % versus 104,1 %). Dit betekent dat er geen sprake
is van een dekkingstekort t.o.v. de minimaal vereiste dekkingsgraad. Er is wel een reservetekort aangezien
de werkelijke dekkingsgraad lager is dan het vereist eigen vermogen. (109,8 % versus 111,2%) In het lange
termijn herstelplan is aangegeven hoe we uit dit tekort willen komen. Per eind 2013 liggen we voor op dit
herstelplan.
Beleggingsbeleid en beleggingsresultaten
Het verantwoordingsorgaan heeft kennis genomen van het beleggingsbeleid en de toepassing hiervan. Het
beleid is op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Hierbij wordt het rente risico voor 70% afgedekt.
Jaarverslag
Het jaarverslag geeft een helder beeld van de financiële positie van het pensioenfonds en het gevoerde
beleid en is een gedegen en goed leesbaar document.
Financiële ontwikkelingen
Op dit moment liggen er nog diverse wetsvoorstellen in de 2 e Kamer ter behandeling. Doelstelling van de
Staatssecretaris is om deze dit jaar nog te behandelen en per 1 januari 2015 in werking te laten treden. Het
betreft het Financieel Toetsingskader, verlaging van de pensioenopbouw naar 1,875% (nu 2,1%) en de
pensioencommunicatie. Door de relatief korte tijd tot 1 januari wordt getwijfeld aan de haalbaarheid van
deze wetsvoorstellen.
De Bilt, 2 juni 2014
H. Lubberts
Voorzitter
A.C.J Sengers
Secretaris
19
3
Reactie Bestuur op Verantwoordingsorgaan
Het bestuur bedankt het Verantwoordingsorgaan voor het commentaar op het gevoerde beleid in 2013. Het
bestuur bedankt de leden van het Verantwoordingsorgaan voor hun inspanningen in 2013.
ing. E.R. Visser
Voorzitter
drs. Ing. J.J. Reeskamp
Secretaris
20
4
Actuele ontwikkelingen
Toekomstbestendig houden pensioenregelingen in Nederland
Nieuw Financieel Toetsingskader pensioenfondsen
Het nieuwe FTK moet onderdeel worden van het beleid voor een nieuw toekomstbestendig pensioenstelsel.
Sinds mei 2012 is er veel turbulentie rondom het nieuwe Financieel Toetsingskader (hierna: FTK) maar
helaas zonder resultaat. Op 1 oktober 2013 heeft staatssecretaris Klijnsma, mede naar aanleiding van de
reacties op de consultatie over de herziening van het FTK, laten weten dat het nominale en reële contract
zoals in de consultatiestukken beschreven van de baan zijn. Eind 2013 is er nog geen wetgeving voor
invoering van een nieuw FTK. Op dat moment leek er een ‘tussenvariant’ te komen. Invoering van het
nieuwe FTK wordt verwacht per 1 januari 2015.
Ook liet staatssecretaris Klijnsma in 2013 aan de Tweede Kamer weten het advies van de
UFR-commissie met betrekking tot de wijziging van de UFR-methodiek te volgen. Het belangrijkste kenmerk
van dat advies is dat het UFR-niveau, nu gefixeerd op 4,2%, wordt vervangen door een voortschrijdend
gemiddelde van de forward rate in jaar 20. Oktober 2013 bedroeg dat gemiddelde 3,9%. Dit betekent dat
hoogstwaarschijnlijk dit percentage zal blijven dalen, waardoor de voorzieningen en de kostendekkende
premie stijgen. DNB heeft laten weten dat de methodiek niet eerder dan 1 januari 2015 zal worden
ingevoerd. Zo is de berichtgeving nu.
Beperking fiscaal kader
Een andere wijziging die komt is de beperking van het fiscaal vrij opbouwen van pensioen.
Het opbouwpercentage voor middelloonregelingen wordt verlaagd naar 1,875%, terwijl het inkomen
waarover fiscaal vrij pensioen kan worden opgebouwd wordt gemaximeerd op 100.000 euro. De
invoeringsdatum wordt 1 januari 2015. Nog niet alle details zijn bekend.
Uitvoeringskosten
Op 22 oktober 2013 heeft de Pensioenfederatie een herziene versie gepubliceerd van het eerder
verschenen document ‘Aanbevelingen Uitvoeringskosten – Nadere Uitwerking Kosten Vermogensbeheer’.
Op basis van de ervaringen van belanghebbenden zijn handvatten opgenomen voor de verantwoording van
vermogensbeheerkosten. Aan de hand hiervan wordt het mogelijk meer transparantie te verschaffen, waar
deze kosten voorheen direct in mindering werden gebracht op het rendement. SPG heeft deze
aanbevelingen, voor zover van toepassing, overgenomen.
Pensioencommunicatie
Het streven is om per 1 januari 2015 wetswijzigingen door te voeren met betrekking tot de
Pensioencommunicatie. Van tastbare schriftelijke communicatie met een brengplicht voor de fondsen wijzigt
dit naar een digitale haalplicht voor de deelnemers. Natuurlijk mag de oude post nog wel blijven bestaan,
maar vooral het principe wijzigt.
21
5
Beleggingen
Op grond van de Asset Liability Management-Studie (ALM) uit 2012, heeft het pensioenfonds gekozen voor
de volgende beleggingsmix:
Vastrentende waarden
(inclusief derivaten)
Aandelen
Vastgoed
Commodities
Liquide middelen
Strategische mix
65%
Minimum
60%
Maximum
70%
23%
7%
5%
0%
18%
4%
3%
-3%
28%
10%
7%
3%
In deze strategische mix is de categorie aandelen met 3% verhoogd ten koste van vastgoed. In vastgoed
zullen op korte termijn geen investeringen plaatsvinden gezien de rendementsverwachting in deze
categorie. Eind 2013 was de werkelijke aandelenbelegging ongeveer 29% en viel daarmee buiten de
bandbreedte. Het bestuur heeft in december 2013 een besluit genomen om weer binnen de bandbreedte te
komen. De belegging in vastrentende waarden te verhogen. In januari 2014 is dit besluit geëffectueerd.
Alle beleggingen betreffen niet-beursgenoteerde fondsen waarin alleen institutionele beleggers kunnen
toetreden.
Terugblik economie
Het afgelopen jaar heeft in het teken gestaan van het beperkte, economische herstel. Ook zijn de zorgen
rondom de Euro nog niet voorbij. Toenemende tekorten bij overheden nopen tot bezuinigingen wat op korte
termijn een negatieve invloed heeft op de economische groei. De ECB heeft de rente laag gehouden. De
onzekerheid over de economische situatie leidt tot het ontbreken van vertrouwen bij consumenten en dit
heeft gevolgen voor de bestedingen
De aandelenbeurzen hebben zich in 2013 verder hersteld, met name in Europa en de Verenigde Staten.
Het economisch herstel in de Verenigde Staten heeft zich doorgezet.
Vermogensbeheer
Eind 2013 was 93% (2012: 94%) van de beleggingen voor risico pensioenfonds in beheer bij externe
partijen. Het resterende deel, beleggingen in niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen (Altera, CBRE, UBS
en Q-Park) werd in eigen beheer uitgevoerd.
Het belegd vermogen was ultimo 2013 als volgt verdeeld over de beheerders:
Vastrentend mandaat (BlackRock)
Aandelen mandaat (BlackRock)
Commodities (Credit Suisse)
Vastgoed (Eigen Beheer)
€ 467 miljoen
€ 217 miljoen
€ 33 miljoen
€ 45 miljoen
De samenstelling van de portefeuille was ultimo boekjaar als volgt:
Vastrentende waarden
(inclusief derivaten)
Aandelen
Vastgoed
Commodities
22
2013
61,3%
2012
63,0%
28,5%
5,9%
4,3%
26,0%
6,3%
4,7%
Belegd vermogen
Het belegd vermogen neemt toe in 2013 met € 1,4 miljoen (2012: + € 81,0 miljoen)
De toename is tot stand gekomen door de volgende mutaties:
2013
19,1
-/-17,7
1,4
Netto beleggingen
Indirect beleggingsresultaat
Totaal
2012
0,7
80,3
81,0
De netto beleggingen bestaan uit het saldo van aan- en verkopen. Het indirecte beleggingsresultaat bestaat
uit het verkoopresultaat en het niet-gerealiseerde resultaat, ook wel herwaardering genoemd.
Rendement
In 2013 bedroeg het totale rendement op de beleggingen van het fonds -/- 0,8% (2012: + 12,7%).
Het benchmark rendement was -/- 2,2% (2012: + 12,7%). Het meest bepalend waren de resultaten op
aandelen en vastrentende waarden. Het beleggingsresultaat op de aandelen in 2013 was + 12,8% (2012:
20,5%). Het rendement op vastrentende waarden was -/- 5,8% (2012: + 12,8%).
De resultaten over de afgelopen vijf jaar zijn als volgt:
Jaar
2009
2010
2011
2012
2013
Totaal
Vermogen
11,7%
11,9%
8,0%
12,7%
-/-0,8%
Vastrentende
Waarden (incl.
derivaten)
3,3%
9,3%
23,9%
12,8%
-/-5,8%
Aandelen
38,3%
17,5%
-/-13,9%
20,5%
12,8%
Vastgoed
-/-4,9%
3,4%
3,6%
-/-3,7%
-/-1,5%
Commodities
26,6%
17,6%
-/-12,3%
-/-3,0%
-/-10,3%
Vastrentende waarden (incl. derivaten)
De balanswaarde van de vastrentende waarden is in het verslagjaar afgenomen met € 43,8 miljoen (2012:
€ 54,2 miljoen). Deze mutatie bestaat voor -/ € 17,5 miljoen uit netto beleggingen en voor -/- € 26,3 miljoen
uit indirecte opbrengsten. Vanwege de rentestijging daalt de waarde. In het vierde kwartaal zijn de LDI
fondsen verkocht. De vastrentende waarden bestaat nu uit cash funds en een credit fund. De
renteafdekking vindt nu plaats middels rentederivaten.
De balanswaarde van derivaten is in 2013 toegenomen met € 34,4 miljoen (2012: € 0). Er is gekocht voor
€ 44,4 miljoen (2012: € 0) en het indirecte resultaat is -/- € 10,0 miljoen.
Aandelen
De balanswaarde van de aandelen is in 2013 toegenomen met € 17,9 miljoen (2012: + € 20,7 miljoen).
Deze mutatie bestaat voor -/- € 7,9 miljoen uit netto beleggingen en voor + € 25,8 miljoen uit indirecte
beleggingsresultaten (koersresultaten).
Vastgoed
Vaste eigendommen
Het fonds bezit één woning (in Bilthoven).
Indirect Vastgoed
De balanswaarde van de niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen is in het verslagjaar afgenomen met
€ 3,4 miljoen (2012: € 0,4 miljoen). Er is niet geïnvesteerd in vastgoed en de indirecte
beleggingsopbrengsten bedroegen -/- € 3,4 miljoen. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door
negatieve waardeontwikkelingen van de belegging in Q-Park en UBS Real Estate.
23
De karakteristieken van de fondsen zijn als volgt:
Naam
Categorie
Land
Methode van taxeren
Altera
Woningen en winkels
Nederland
IPD/ROZ standaard
CBRE DRES
Woningen
Nederland
IPD/ROZ standaard
CBRE DRET
Winkels
Nederland
IPD/ROZ standaard
CBRE DOF
Kantoren
Nederland
IPD/ROZ standaard
CBRE EIF
Bedrijfsruimten
Europa
Fair value RICS red book valuation
standards
UBS Real
Estate
Winkels,
kantoren,bedrijfsruimten
Europa
Market value RICS red valuation
standards
Q-Park
Parkeerfaciliteiten
Europa
IPD/ROZ standard
Commodities
In 2013 is niet in commodities geïnvesteerd (2012: € 7,0 miljoen). De balanswaarde van commodities is in
2013 afgenomen met €3,8 miljoen (2012: -/- € 1,2 miljoen). Dit is enkel het gevolg van nadelige indirecte
beleggingsopbrengsten. De wereldwijde economische crisis leidt tot dit negatieve resultaat. Er hebben geen
aan- of verkopen plaatsgevonden in 2013.
Verwachtingen 2014
Het komende jaar is de verwachting dat er wereldwijd een beperkte economische groei zal zijn. De groei zal
vooral uit de Verenigde Staten en China moeten komen. De inflatieverwachtingen voor de komende jaren
zijn laag. De zorgen over de euro zijn nog niet voorbij en aanvullende steunpakketten voor zwakke landen
blijven nodig. Ook zullen er nog miljarden nodig zijn om de buffers van de banken te versterkten.
Overheden zullen alle moeite hebben om binnen de begrotingseisen van de Europese Unie te blijven.
Maatschappelijk verantwoord beleggen
De afgelopen jaren heeft het bestuur zich verdiept in en gediscussieerd over het onderwerp
maatschappelijk verantwoord beleggen. Maatschappelijk verantwoord beleggen is het beleggen op grond
van financiële, sociale, governance en milieuoverwegingen en/of de beïnvloeding van bedrijven, overheden
en andere relevante actoren op grond van deze overwegingen. In verkorte vorm wordt wel gesproken over
ESG-onderwerpen: environmental, social en governance onderwerpen. Het bestuur heeft het standpunt
ingenomen om de algemeen aanvaarde principes, zoals vastgelegd in de UN Global Compact Principles,
na te leven.
Met betrekking tot maatschappelijk verantwoord beleggen worden de volgende strategieën onderscheiden:
· Negatieve screening/uitsluiting: beleggingen in bepaalde bedrijven, economische sectoren of
landen zijn niet toegestaan om redenen die betrekking hebben op corporate governance of ESGonderwerpen.
· Positieve screening: selectie, binnen een gegeven beleggingsuniversum, van bedrijven die het best
presteren op bepaalde duurzame criteria. De populairste vorm van positieve screening wordt bestin-class genoemd.
· Engagement: het beïnvloeden van het bedrijfsbeleid op grond van de positie als belegger en de
rechten die hiermee verbonden zijn. Het fundamentele verschil met screening is dat engagement de
selectie niet beïnvloedt, omdat deze strategie pas na de aankoop van een aandeel wordt toegepast.
Het bestuur is van oordeel dat gezien de omvang van de beleggingsportefeuille, de wijze van beleggen
(grotendeels passief beleggen) en de uitvoerbaarheid de vorm van engagement het beste aansluit bij de
mogelijkheden en wensen van het pensioenfonds. Dit vanuit de overtuiging dat engagement weliswaar niet
onmiddellijk, maar wel uiteindelijk bijdraagt aan de vermindering van de ESG-problematiek en dat dit op
lange termijn ook een positieve bijdrage levert aan het rendement op beleggingen.
24
De beleggingscommissie probeert in gesprekken met de vermogensbeheerders hen ertoe aan te zetten om
andere producten aan te bieden die beter aansluiten bij de ESG-problematiek. Vervolgens zal het bestuur
bepalen of zij in deze producten wil beleggen. De managers van de beleggingsfondsen, waarin wordt belegd
bij met name BlackRock, passen een engagement beleid toe.
Toepassing van ESG criteria mag volgens het bestuur niet ten koste gaan van het rendement. Tevens moet
worden voldaan aan de overige investment beliefs van het fonds.
Op 1 januari 2013 is het Nederlands wettelijk verbod op investeren in bedrijven die betrokken zijn in de
productie van clustermunitie van kracht geworden. Het verbod vraagt van investeerders om investeringen te
vermijden in bedrijven die te maken hebben met productie van clustermunitie, en ook in
beleggingsinstellingen en indexen waar clustermunitie-ondernemingen meer dan 5 procent van uitmaken. Het
pensioenfonds streeft naar volledige uitsluiting van clustermunitie in de beleggingsportefeuille.
Alle vastgoedfondsen waarin SPG belegt (CBRE, Altera, Q-Park en UBS) nemen deel aan de Global Real
Estate Sustainability Benchmark (GRESB). Dit betekent dat er continue wordt ingezet op en geïnvesteerd in
maatregelen om de duurzaamheid van het beheerde vastgoed te verbeteren.
25
6
Actuarieel Verslag
in miljoenen euro’s
Voorzieningen en reserves
De TV zijn in 2013 afgenomen met 30,1 (2012: + 59,3).
Technische Voorzieningen ultimo 2013
Technische Voorzieningen ultimo 2012
Mutatie
706,2
736,3
-/- 30,1
De mutatie kan als volgt worden gespecificeerd:
Opbouw pensioenen (= comingservice)
Indexering ingegane pensioenen en premievrije rechten
Koopsom rechtentoename (= backservice)
Benodigde interest
Inkoop rechten (uit waardeoverdracht)
Afkoop rechten (inclusief waardeoverdracht)
Uitkeringen
Wijziging rekenrente
VPL-regeling
Verhoging voorziening i.v.m. actuele ontwikkeling op het
gebied van overlevingskansen
Diversen
Totaal
2013
12,9
0,0
0,1
2,5
1,0
-/-2,9
-/-24,3
-/-22,8
0,9
0,0
2012
13,8
0,1
0,0
10,2
0,4
-/-1,2
-/-21,5
45,8
0,6
7,0
2,5
-/- 30,1
4,1
59,3
2013
81,4
-/-13,0
68,4
2012
81,6
-/-27,9
53,7
De reserves ultimo boekjaar bedragen:
Bestemmingsreserve
Algemene reserve
Totaal
Dekkingsgraad
De dekkingsgraad bedraagt per ultimo 2013 109,8% (2012: 107,4%).
De ontwikkeling naar de bijdrage van de diverse elementen wordt in de onderstaande tabel weergegeven:
2013
107,4
0,3
0,2
0,0
3,5
-/- 1,2
-/- 0,4
109,8
In %
Primo
Premie
Uitkering
Indexering
Renteverandering
Overrendement
Overig
Ultimo
26
2012
104,3
0,1
0,1
0,0
-/-6,6
11,5
-/-2,0
107,4
Resultaat verslagjaar
In 2013 is een resultaat behaald van afgerond + 14,7 (2012: 24,6). Dit resultaat kan als volgt naar de
verschillende technische verlies- en winstbronnen worden uitgesplitst:
2013
3,8
11,9
0,0
-/- 0,6
2,6
-/-1,2
0,0
0,1
-/-1,9
14,7
Premies
Beleggingen
Indexaties
Mutaties
Risicoproces
Kosten
Grondslagen
Inkoop depot VPL-regeling
Diversen
Totaal
2012
1,5
31,1
-/-0,1
0,2
-/-1,2
0,0
-/-6,8
0,1
-/-0,2
24,6
Actuariële grondslagen
Voor de waardering van de TV wordt uitgegaan van de volgende veronderstellingen.
Berekeningsmethoden
De TV zijn gelijk aan de actuariële contante waarde per 31 december 2013 van de tot en met die datum
opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten. Hierbij merken we het volgende op:
· voor arbeidsongeschikte deelnemers wordt mede rekening gehouden met het premievrijgestelde deel
van de toekomstige pensioenopbouw;
· voor deelnemers die op balansdatum ziek zijn, is rekening gehouden met de verwachte toekomstige
schadelast.
· In het boekjaar was door het pensioenfonds nog geen besluit genomen over een verhoging als gevolg
van een toeslag van de opgebouwde pensioenen per 1 januari 2014. In de TV per 31 december is
zodoende geen rekening gehouden met de toeslag per 1 januari 2014.
Waarderingsgrondslagen
De belangrijkste waarderingsgrondslagen zijn:
Sterfte
Volgens de Prognosetafel 2012-2062 (zoals gepubliceerd door het AG).
Ervaringssterfte
Er wordt rekening gehouden met het verschil in overlevingskansen tussen de
werkende en de totale bevolking door toepassing van fondsspecifieke
ervaringssterfte (Towers Watson Ervaringssterftemodel 2012).
Interest
Conform de rentetermijnstructuur van de nominale marktrente per 31 december
2013 zoals gepubliceerd door DNB ( inclusief 3-maandsmiddeling en Ultimate
Forward Rate).
Gehuwdheid
Het (uitgesteld) latent partnerpensioen is gebaseerd op een bepaald partner
systeem.
Leeftijdsverschil
Het leeftijdsverschil tussen man en vrouw waarmee rekening wordt gehouden bij de
reservering voor het latent partnerpensioen is op drie jaar gesteld (man ouder dan
vrouw).
Wezenopslag
Voor wezenpensioen zijn de verplichtingen van het latent nabestaandenpensioen
van de premievrijen met 5% verhoogd.
Kosten
Voor kosten zijn de actuariële tarieven met 1,5% verhoogd.
Vanaf 1 januari 2006 is bij SPG sprake van een DC-regeling boven een bepaalde salarisgrens (maximum
functieschaal 13). De in deze DC-regeling opgebouwde kapitalen zijn aan de voorziening toegevoegd.
27
7
Risico
Introductie
Het bestuur is verantwoordelijk voor de inrichting en goede werking van het interne risicobeheersings- en
controlesysteem ten behoeve van alle risico’s waaraan het pensioenfonds zich ziet blootgesteld. In
november 2009 heeft het pensioenfonds een risicoanalyse uit laten voeren. Onderdeel van de analyse is
een deskresearch door een externe adviseur en een workshop waarin het bestuur een aantal vragen
voorgelegd heeft gekregen over de hoogte en beheersing van specifieke risico’s. In 2010 zijn de uitkomsten
in een workshop besproken. In 2011 is gestart met de implementatie van risicomanagement.
Er heeft een nadere analyse van de risicomanagementprocessen plaatsgevonden. Vervolgens is er een
beleidsdocument opgesteld. Hierin wordt ingegaan op de doelstellingen, de invulling van het
risicomanagementbeleid, de governancestructuur en de rollen en taken binnen integraal risicomanagement.
In het najaar van 2011 is de Financiële Commissie verbreed tot Auditcommissie met als specifiek
aandachtsgebied integraal risicomanagement. Deze commissie wordt door een externe risicoadviseur
ondersteund. In het najaar van 2012 is de eerste versie van het dashboard gepresenteerd. Hiermee worden
op overzichtelijke wijze de relevante risico’s in beeld gebracht.
In 2013 is er elk kwartaal een risicodashboard opgesteld, dat in de vergadering van het algemeen bestuur is
besproken.
In de jaarrekening worden in de toelichting op de balans de belangrijkste financiële risico’s gekwantificeerd.
Daarnaast worden ook niet-financiële risico’s genoemd.
Risicoprofiel Pensioenregeling
Als gevolg van de wijziging van pensioenregeling per 1 januari 2012 zijn risico’s verschoven van werkgever
naar deelnemers. Mede in dit kader is een ALM-studie uitgevoerd. Op basis van de resultaten van deze
studie heeft het bestuur besloten tot een meer defensieve beleggingsstrategie (minder aandelen en meer
vastrentende waarden).
Individuele risico’s
Voor het pensioenfonds zijn in ieder geval de volgende risico’s van toepassing.
Matching risico
Matching risico is het risico als gevolg van niet gematcht zijn van passiva en activa (inclusief offbalanceposten) in termen van rentevoet, rentetypische looptijden, basisvaluta en gevoeligheid voor
ontwikkeling in prijspeil.
· Rente
De matching van de vastrentende waarden met de verplichtingen wordt door BlackRock uitgevoerd.
Bij overschrijding van de door het fonds gedefinieerde bandbreedtes vindt rebalancing plaats.
· Valuta
Het grootste deel van het vermogen is belegd in euro’s. Het risico van de resterende valuta’s is niet
afgedekt.
· Inflatie
De ontwikkeling van de inflatie wordt o.a. middels het risicodashboard gevolgd.
Marktrisico
Marktrisico is het risico als gevolg van het blootstaan aan wijzigingen in marktprijzen van verhandelbare
financiële instrumenten binnen een (handels-)portefeuille. Het beleid op het gebied van marktrisico is
vastgelegd in de beleggingsrichtlijnen en is vastgesteld op basis van een ALM-studie. In de
beleggingsrichtlijnen is vastgesteld door welke partij en op welke wijze (spreiding en soorten beleggingen)
het vermogen belegd dient te worden. De beleggingsrichtlijnen worden vastgesteld onder
verantwoordelijkheid van het bestuur en bevatten alle restricties waarbinnen een vermogensbeheerder
vervolgens naar eigen inzicht mag beleggen.
28
Kredietrisico
Kredietrisico is het risico dat een tegenpartij contractueel of andere overeengekomen verplichtingen
(waaronder verstrekte kredieten, leningen, vorderingen, ontvangen garanties) niet nakomt al dan niet als
gevolg van het aan restricties onderhevig zijn van buitenlandse betalingen. Stresstesting van kredietrisico
wordt per kwartaal uitgevoerd door middel van een Liability Watch en een periodieke ALM-studie,
uitgevoerd door Towers Watson. De monitoring van het beleid vindt plaats op basis van de
kwartaalrapportages die ontvangen worden van BlackRock en Kas Bank.
Verzekeringtechnische risico
Verzekeringtechnische risico is het risico dat uitkeringen (nu dan wel in de toekomst) niet gefinancierd
kunnen worden vanuit premie- en/of beleggingsinkomsten als gevolg van onjuiste en/of onvolledige
(technische) aannames en grondslagen bij de ontwikkeling en premiestelling van het product.
De belangrijkste risico’s in dit kader zijn het langlevenrisico, het overlijdensrisico en het
arbeidsongeschiktheidsrisico.
Het langlevenrisico is niet elders verzekerd, maar een risico voor het pensioenfonds. Ten behoeve van het
overlijdensrisico worden jaarlijks risicokapitalen elders verzekerd (herverzekering). De risico’s van
arbeidsongeschiktheid zijn niet herverzekerd. Vanaf 1 april 2014 is dit wel het geval.
Jaarlijks doet de certificerende actuaris in het actuarieel rapport verslag van het technisch resultaat. Op
basis hiervan monitort het bestuur het verzekeringstechnisch risico.
Operationeel risico
Operationeel risico betreft het risico dat ontstaat als gevolg van het falen of tekortschieten van interne
processen, menselijke en technische tekortkomingen en onverwachte gebeurtenissen. Voor het fonds heeft
het operationeel risico betrekking op de administratie aangezien de deelnemers-, pensioen- en financiële
administratie worden uitgevoerd door het pensioenbureau.
Elk jaar worden afspraken gemaakt met het pensioenbureau en vervolgens vertaalt de directeur deze naar
de medewerkers. De processen zijn vastgelegd in een handboek voor Administratieve Organisatie en
Interne Controle (AO/IC). Er wordt gewerkt aan het actualiseren van het handboek. Mede als gevolg van
veranderingen in de automatisering en de invoering van een nieuwe pensioenregeling zijn de processen
gewijzigd. De conceptversie is in 2013 gereed gekomen en wordt toegepast voor het uitvoeren van de
processen. Er wordt naar gestreefd in 2014 de definitieve versie vast te stellen.
Eenmaal per jaar wordt het functioneren van de directeur van het pensioenfonds geëvalueerd door de
voorzitter.
IT-risico
IT-risico is het risico dat bedrijfsprocessen en informatievoorziening onvoldoende integer, niet-continu of
onvoldoende beveiligd worden ondersteund door IT-processen.
Afspraken zijn gemaakt met leveranciers die systemen leveren ter ondersteuning van tijdskritische
systemen. Er wordt dagelijks een back-up gemaakt van het pensioenpakket door Innovact, de leverancier
van het pakket. De managementinformatie wordt via het Dagelijks Bestuur naar het Algemeen Bestuur
gestuurd.
Uitbestedingsrisico
Uitbestedingrisico is het risico dat continuïteit, integriteit en/of kwaliteit van de aan derden (al dan niet
binnen een groep, al dan niet aan de werkgever) uitbestede werkzaamheden dan wel door deze derden ter
beschikking gestelde apparatuur en personeel wordt geschaad. Bij het fonds heeft het uitbestedingsrisico
betrekking op het vermogensbeheer, automatisering van de pensioenadministratie en de
bestuursondersteuning. Met ingang van 1 januari 2013 is de uitkeringenadministratie uitbesteed.
De selectie van externe vermogensbeheerders vindt plaats volgens een gestructureerd proces waarbij
externe adviseurs ondersteunen. De afspraken met de vermogensbeheerders worden, voor zover
beschikbaar, vastgelegd in SLA’s.
Eens per kwartaal worden de beleggingsresultaten geëvalueerd door de beleggingscommissie aan de hand
van kwartaalrapportages. De beheerders lichten periodiek het beleggingsbeleid toe en leggen
verantwoording af aan de Beleggingscommissie. De Beleggingscommissie wordt door een externe adviseur
ondersteund. Uiteindelijk rapporteert de directie over het handelen van de vermogensbeheerders aan het
bestuur. De beleggingsadministratie is gescheiden van het vermogensbeheer.
29
Jaarlijks wordt de samenwerking met de externe partijen geëvalueerd en waar nodig worden maatregelen
getroffen.
Om te voorkomen dat bij een acuut probleem van de grootste vermogensbeheerder het vermogen voor
langere tijd niet beheerd is een selectie uitgevoerd van reservemanagers voor de mandaten vastrentende
waarden en aandelen. In geval van een calamiteit kan opvolging relatief snel worden geïmplementeerd.
Begin 2013 zijn overeenkomsten getekend.
Omgevingsrisico
Omgevingsrisico is het risico als gevolg van buiten de instelling of groep komende veranderingen op het
gebied van concurrentieverhoudingen, belanghebbenden, reputatie, ondernemingsklimaat en
maatschappelijke ontwikkelingen.
Er worden geen expliciete omgevingsanalyses uitgevoerd door het fonds. Wel vindt er continu een enquête
plaats onder deelnemers. Verder vindt er overleg plaats met andere ondernemingspensioenfondsen. Het
fonds heeft een communicatiebeleidsplan, waarin doelstellingen met betrekking tot communicatie zijn
opgenomen
Kostenrisico
Het kostenrisico is het risico dat de werkelijke kosten afwijken van de gebudgetteerde kosten. Aan de
monitoring van dit risico is in 2013 aandacht gegeven door het tussentijds maken van prognoses.
Integriteitsrisico
Integriteitsrisico is het risico dat de integriteit van de instelling dan wel het financiële stelsel wordt beïnvloed
als gevolg van niet integere, onethische gedragingen van de organisatie, medewerkers dan wel van de
leiding in het kader van wet- en regelgeving en maatschappelijke en door de instelling opgestelde normen.
Er is een gedragscode opgesteld die voldoet aan de eisen van de DNB en de Autoriteit Financiële Markten.
In 2013 is er een nieuwe externe compliance officer aangesteld. De compliance officer houdt toezicht op
naleving van de gedragscode en van de regels die voortvloeien uit het Effecten Typisch Gedrags Toezicht.
Deze gedragscode wordt jaarlijks getekend en getoetst.
Juridisch risico
Juridisch risico is het risico samenhangend met (veranderingen in en naleving van) wet- en regelgeving, het
mogelijk bedreigd worden van haar rechtspositie, met inbegrip van de mogelijkheid dat contractuele
bepalingen niet afdwingbaar of niet correct gedocumenteerd zijn.
Met betrekking tot de beheersing van het juridisch risico is geen specifiek beleid vastgelegd. (Toenemende)
veranderingen in wet- en regelgeving worden als belangrijk onderkend. Het pensioenfonds maakt gebruik
van informatie/kennisoverdracht van de pensioenkoepels. Volgens het bestuur beschikt het
pensioenbureau over voldoende juridische basiskennis. Naast de aanwezige juridische kennis binnen het
pensioenbureau wordt gebruik gemaakt van een externe adviseur op juridisch gebied.
De Bilt, 12 juni 2014
Het bestuur
30
8
Jaarrekening
31
Balans
(na voorgestelde bestemming van het saldo van baten en lasten)
in duizenden euro's
Activa
Toelichting
Beleggingen voor risico pensioenfonds
Vastrentende waarden
Aandelen
Vastgoed
Commodities
Derivaten
1
2
3
4
5
2013
2012
433.298
216.707
44.670
32.545
37.904
477.061
198.772
48.086
36.298
0
765.124
Beleggingen voor risico deelnemers
Vastrentende waarden
Aandelen
Vastgoed
Commodities
6
7
8
9
4.887
2.284
151
413
Pensioenspaarregeling
760.217
4.723
2.071
165
404
7.735
7.363
572
622
Herverzekeringsdeel technische voorziening
10
19.166
20.196
Vorderingen
11
3.391
3.681
Liquide middelen
12
10.035
5.876
806.023
797.955
Passiva
Reserves
Bestemmingsreserve
Overige reserve
13
14
81.437
-13.016
81.646
-27.938
68.421
Technische voorzieningen
Pensioenverplichtingen voor risico pensioenfonds
Pensioenverplichtingen voor risico herverzekeraar
15
15
Pensioenverplichtingen voor risico deelnemers
Pensioenspaarregeling
16
679.328
19.166
698.494
7.735
572
53.708
708.782
20.196
728.978
7.363
622
706.801
736.963
17
0
1.425
Langlopende schulden
VPL-regeling
18
2.181
1.514
Kortlopende schulden
Schulden inzake beleggingen
Overige kortlopende schulden
19
20
Overige voorzieningen
Premiedepot actieven
32
21.867
6.753
0
4.345
28.620
4.345
806.023
797.955
Staat van baten en lasten
in duizenden euro's
Toelichting
2013
2012
Baten
Premiebijdragen (van werkgevers en werknemers)
Premiebijdragen risico deelnemers
Directe beleggingsopbrengsten
21
22
18.280
757
9.696
19.818
742
4.854
28.733
25.414
Uitkeringen herverzekering - periodiek
518
389
Overgenomen pensioenverplichtingen
907
350
Indirecte beleggingsresultaten voor risico fonds
23
-17.656
80.330
Indirecte beleggingsresultaten voor risico deelnemers
24
37
1.093
Overige baten
25
1.033
678
13.572
108.254
Lasten
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico pensioenfonds
Pensioenopbouw
Indexering en overige toeslagen
Rentetoevoeging
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Wijziging marktrente
Wijziging uit hoofde van overdracht rechten
VPL-regeling
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
Verhoging i.v.m. actuele ontw. op het gebied van levensverwachting
Mutatie pensioenverplichtingen voor risico deelnemers
Mutatie overige voorzieningen
26
Premies herverzekering
Pensioenuitkeringen
27
Overgedragen pensioenverplichtingen
13.032
0
2.457
-23.895
-22.267
-2.081
929
2.371
0
13.802
126
9.879
-23.140
44.243
-798
604
4.470
6.816
-29.454
56.002
372
1.835
-1.425
1.425
23
24
22.567
21.470
2.845
794
Pensioenuitvoeringskosten
28
1.793
2.102
Overige lasten
29
2.138
0
-1.141
83.652
14.713
24.602
14.922
-209
14.713
24.596
6
24.602
RESULTAAT
Resultaatbestemming
Het bestuur heeft besloten het resultaat op de volgende wijze te bestemmen:
Toevoeging aan Overige reserve
Toevoeging aan Bestemmingsreserve
33
Kasstroomoverzicht
in duizenden euro's
Toelichting
Kasstroom uit pensioenactiviteiten
Bijdragen van werkgevers en werknemers
Premiebijdragen risico deelnemers
Van herverzekeraars ontvangen uitkeringen
Ontvangsten wegens overgenomen verplichtingen
Uitgekeerde pensioenen
Uitgaven wegens overgedragen pensioenverplichtingen
Betaalde premies herverzekering
Pensioenuitvoeringskosten
2013
2012
20.382
734
512
861
-22.490
-2.276
-23
-1.888
20.112
765
407
350
-21.451
-794
-24
-1.886
-4.188
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten
Directe beleggingsopbrengsten
Verkopen en aflossingen van beleggingen
Aankopen en verstrekkingen van beleggingen
Mutatie onderpand derivaten
Betaalde kosten vermogensbeheer
10.831
390.648
-410.074
18.396
-1.454
Netto-kasstroom in het jaar
Saldo liquide middelen ultimo boekjaar
Saldo liquide middelen primo boekjaar
Mutatie liquide middelen
12
12
6.588
76.376
-77.828
-1.424
8.347
3.712
4.159
1.191
10.035
5.876
5.876
4.685
4.159
34
-2.521
1.191
Toelichting op de Jaarrekening
Bedragen in deze toelichting luiden in duizenden euro, tenzij expliciet anders aangegeven.
Algemene grondslagen
Informatie over het pensioenfonds
Grontmij heeft sinds 1953 een eigen pensioenfonds. Het fonds stelt zich ten doel het verlenen of doen
verlenen van pensioenen en toeslagen daarop aan de deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden of hun nagelaten betrekkingen.
Overeenstemmingsverklaring
De jaarrekening van het pensioenfonds is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals
deze zijn vermeld in Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en met inachtneming van de Richtlijnen voor
de Jaarverslaggeving, in het bijzonder Richtlijn 610 Pensioenfondsen. Het bestuur heeft op 12 juni 2014 de
jaarrekening vastgesteld.
Presentatiewijzigingen
VPL regeling
De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft de ontwerp-richtlijn RJ 610.270 uitgebracht. Deze
ontwerprichtlijn stelt dat ontvangen, maar nog niet aangewende middelen uit hoofde van VPL verantwoord
dienen te worden als afzonderlijke verplichting. Tot boekjaar 2013 werden deze middelen door het fonds als
overige voorziening verantwoord. Het bestuur van het fonds heeft besloten om de ontwerp-richtlijn te volgen
en de VPL-middelen te verantwoorden als langlopende schuld vanaf boekjaar 2013. Deze
presentatiewijziging heeft derhalve een herrubricering van de overige voorzieningen naar de langlopende
schulden tot gevolg. De presentatiewijziging heeft geen resultaatseffect. Omwille van de vergelijkbaarheid
zijn de vergelijkende cijfers aangepast. Er heeft een herrubricering van de overige voorzieningen naar de
langlopende schulden plaatsgevonden ad € 1.514.
Grondslagen bij de opstelling van de jaarrekening
Algemeen
De beleggingen en de voorziening voor pensioenverplichtingen worden gewaardeerd tegen actuele waarde.
Overige activa en passiva worden gewaardeerd tegen nominale waarde, tenzij anders vermeld. Baten en
lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop deze betrekking hebben. Vergelijkende cijfers zijn,
waar nodig, voor vergelijkingsdoeleinden aangepast.
Schattingen en veronderstellingen
Bij de opstelling van de jaarrekening worden door het bestuur schattingen en veronderstellingen gemaakt
en oordelen gevormd die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen, op de waardebepaling van
activa en passiva en van baten en lasten. Het betreft de boekwaarde van activa en passiva waarvan de
waarden niet op eenvoudige wijze uit andere bronnen blijkt. De schattingen en de hiermee verbonden
veronderstellingen zijn gebaseerd op ervaringen uit het verleden en verschillende andere factoren, die
gezien de omstandigheden als redelijk worden beschouwd. De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken
van deze schattingen. Hier wordt prudent mee omgegaan. De schattingen en veronderstellingen worden
voortdurend beoordeeld. Herziening van schattingen worden opgenomen in de periode waarop de
herziening betrekking heeft.
Opname van een actief of verplichting
Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische
voordelen naar het pensioenfonds zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden
vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de
afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag
daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Verantwoording van baten en lasten
Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch
potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting,
heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld. Lasten worden verwerkt
wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een
actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar
kan worden vastgesteld.
35
Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of
nagenoeg alle risico’s met betrekking tot een actief of een verplichting aan een derde zijn overgedragen,
wordt het actief of de verplichting niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en
verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van
de bepaling van de waarde. Dit betekent dat transacties worden verwerkt op transactiedatum en niet op
afwikkelingsdatum.
Saldering van een actief en een verplichting
Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag in de balans
opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting
gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te
wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende
rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.
Valutaomrekening
De jaarrekening luidt in euro’s en alle bedragen zijn afgerond naar duizendtallen (€000), tenzij anders is
vermeld. De euro is tevens de functionele valuta van het fonds. Activa en passiva luidende in vreemde
valuta worden omgerekend tegen de valutakoersen per balansdatum, tenzij afdekking heeft plaats gehad. In
dat geval wordt gewaardeerd tegen de koers van afdekking.
Bij het bepalen van de waarde van effecten die in buitenlandse valuta zijn genoteerd, zijn de volgende, voor
het fonds meest belangrijke valutakoersen ultimo 2013 gehanteerd:
Valutaverhouding
Koers
Australische Dollar
0,649
Zwitserse Frank
0,683
Deense Kroon
0,134
Britse Pond Sterling
1,202
Hong Kong Dollar
0,094
Noorse Kroon
0,120
Zweedse Kroon
0,113
Amerikaanse Dollar
0,726
Grondslagen voor de balans
Beleggingen
In overeenstemming met de Pensioenwet en RJ610 worden beleggingen gewaardeerd tegen actuele
waarde. Overlopende activa en passiva alsmede liquiditeiten vermogensbeheer worden gewaardeerd tegen
nominale waarde. Het verschil tussen marktwaarde en nominale waarde is bij deze activa en passiva in het
algemeen gering.
Participatie in beleggingsfondsen, die gespecialiseerd zijn in een bepaald soort beleggingen worden
gerubriceerd en gewaardeerd volgens de grondslagen van dat soort beleggingen. Bij gemengde
beleggingsfondsen wordt aangesloten bij de hoofdcategorie, bepaald op basis van marktwaarde.
Financiële instrumenten worden gebruikt ter afdekking van beleggingsrisico’s en het realiseren van het
vastgelegde beleggingsbeleid. Met ingang van het vierde kwartaal van 2013 wordt dit bereikt door
beleggingen in derivaten en credit en cash funds.
Aankopen en verkopen worden verwerkt op transactiedatum.
Vastrentende waarden
Beursgenoteerde obligaties en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen die beleggen in
obligaties worden gewaardeerd tegen de beurskoers per balansdatum. Voor niet ter beurze genoteerde
participaties in vastrentende waardefondsen is dit de berekende intrinsieke waarde, die de actuele waarde
van de onderliggende beleggingen representeert. Hypothecaire leningen, leningen op schuldbekentenis en
andere waardepapieren met een vaste of variabele rente worden gewaardeerd tegen de geschatte,
toekomstige netto kasstromen die uit de beleggingen zullen toevloeien, contant gemaakt tegen de geldende
marktrente, rekening houdend met het risicoprofiel, waaronder het krediet- en liquiditeitsrisico, en de looptijd
van de belegging.
Derivaten
Derivaten worden gewaardeerd op reële waarde, te weten de relevante marktnoteringen of, als die niet
beschikbaar zijn, de waarde die wordt bepaald met behulp van waarderingsmodellen. Voor de waardering is
de OIS-curve gebruikt. Negatieve derivaten worden onder kortlopende schulden opgenomen.
36
Aandelen
Beursgenoteerde aandelen en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen die beleggen in
aandelen worden gewaardeerd tegen de beurskoers per balansdatum. Voor niet ter beurze genoteerde
participaties in aandelenfondsen is dit de berekende intrinsieke waarde, die de actuele waarde van de
onderliggende beleggingen representeert.
Vastgoed
Directe vastgoedbeleggingen worden gewaardeerd tegen reële waarde. Deze wordt gebaseerd op taxaties
welke worden verricht door externe deskundigen. Beleggingen in indirect vastgoed worden gewaardeerd
tegen reële waarde. Voor beursgenoteerde aandelen en participaties in beursgenoteerde
beleggingsinstellingen is dit de beurswaarde. Voor niet ter beurze genoteerde participaties in
vastgoedfondsen is dit de berekende intrinsieke waarde, die de actuele waarde van de onderliggende
beleggingen representeert.
Commodities
Commodities worden gewaardeerd tegen reële waarde. Voor participaties in beursgenoteerde
beleggingsinstellingen is dit de beurswaarde. Voor niet ter beurze genoteerde participaties in commodity
fondsen is dit de berekende intrinsieke waarde, die de actuele waarde van de onderliggende beleggingen
representeert.
Beleggingen voor risico deelnemers
Bijdrageregeling
De voor de deelnemers aan de bijdrageregeling beschikbare premie is ondergebracht bij Robeco. Voor
deze datum maakten deze beleggingen onderdeel uit van de totale beleggingen van het fonds. De
waardering van de beleggingen vindt plaats tegen de grondslagen zoals hiervoor opgenomen.
Pensioenspaarregeling
Het voor de deelnemers aan de Pensioenspaarregeling beschikbare vermogen, dat is belegd bij Robeco,
wordt gewaardeerd tegen beurswaarde.
Herverzekeraar
Herverzekerde pensioenen
Onder deze post zijn herverzekerde pensioenverplichtingen opgenomen. De verplichtingen hebben
betrekking op de pensioenrechten van een klein aantal deelnemers, vooral afkomstig uit overgenomen
bedrijven, die zijn herverzekerd bij Nationale Nederlanden, Aegon en Centraal Beheer. Er is geen sprake
van verzekeringstechnisch risico voor SPG met betrekking tot de herverzekerde verplichtingen.
De verplichtingen worden gewaardeerd op basis van marktwaarderingen. In de waardering van
herverzekerde aanspraken moet aan de vermogenskant rekening worden gehouden met de
kredietwaardigheid van de herverzekeraar. DNB heeft richtlijnen opgesteld voor de bepaling van de omvang
van kosten- en kredietrisico op de herverzekeraar voor volledig herverzekerde fondsen (Toepassing FTK op
volledig herverzekerde fondsen).
Risicoherverzekering
De herverzekerde risicokapitalen gelden als dekking voor het overlijdensrisico van actieve deelnemers. Het
eigen behoud van deze, via een stoploss contract bij Zwitserleven ondergebrachte verzekering, bedraagt
150% van de totale risicopremie. De risico’s bij arbeidsongeschiktheid zijn niet herverzekerd en komen dus
voor rekening van het fonds.
Vorderingen, liquide middelen en schulden
De vorderingen, liquide middelen en schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Bij de
waardering van vorderingen wordt zo nodig rekening gehouden met waardeverminderingen wegens
oninbaarheid. Het verschil tussen actuele waarden en nominale waarden is bij de activa en passiva in het
algemeen gering. Alle vorderingen en kortlopende schulden hebben een resterende looptijd van korter dan
één jaar, tenzij anders aangegeven.
Reserves
De Bestemmingsreserve geeft de benodigde solvabiliteitsbuffer weer. Dit bestaat uit het minimaal vereist
vermogen en de dekkingspositie. De Overige reserve geeft het surplus of tekort aan reserves weer.
37
Technische voorzieningen
Technische voorzieningen voor risico pensioenfonds
De voorziening pensioenverplichtingen wordt gewaardeerd tegen reële waarde. De reële waarde is bepaald
op basis van de contante waarde van de beste inschatting van toekomstige kasstromen die samenhangen
met de op balansdatum onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen. Voor arbeidsongeschikte deelnemers
wordt mede rekening gehouden met het premievrijgestelde deel van de toekomstige pensioenopbouw. Voor
deelnemers die op de balansdatum ziek zijn, is rekening gehouden met de verwachte toekomstige
schadelast. De contante waarde wordt bepaald met gebruikmaking van de marktrente welke is gebaseerd
op de actuele rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB. Op grond van de samenstelling van de
TV komt de nominale rente einde boekjaar ongeveer overeen met een contante rekenrente van 2,75%
(2012: 2,44%).
Bij de vaststelling van de overlevingskansen is uitgegaan van de door het Actuarieel Genootschap
gepubliceerde “Prognosetafel 2012-2062”. Daarnaast is er rekening gehouden met het verschil in
overlevingskansen tussen de werkende en de totale bevolking door toepassing van fondsspecifieke
ervaringssterfte (Towers Watson Ervaringssterftemodel 2012).
Het leeftijdsverschil tussen man en vrouw is op drie jaar gesteld (gemiddeld is een man drie jaar ouder dan
zijn vrouwelijke partner).
Voor wezenpensioen zijn de verplichtingen van het latent nabestaandenpensioen van de premievrijen met
5% verhoogd (2012: 5%).
Voor excassokosten zijn de verplichtingen verhoogd met 1,5% (2012: 1,5%).
Voor de verzekerde partner wordt uitgegaan van een bepaald partner systeem. Voor de arbeidsongeschikte
wordt rekening gehouden met de voorziening premievrijstelling bij invaliditeit (PVI). Het pensioenfonds kent
in reglement 2013 een hybride regeling, bestaande uit een CDC-regeling met een middelloonsystematiek
tot een bepaald salaris en daarboven een beschikbare premieregeling. Bij de berekening van de
voorziening pensioenverplichtingen is uitgegaan van de op de balansdatum geldende pensioenreglementen
en van de over de verstreken dienstjaren verworven aanspraken. Jaarlijks wordt door het bestuur besloten
of de aanspraken en de reeds ingegane pensioenen geïndexeerd worden en in hoeverre dit zal gebeuren.
Voorwaardelijk toeslagenbeleid actieven
Het bestuur kan, zolang er voldoende middelen zijn en met inachtneming van het in de overige leden van
pensioenreglement 2012 Artikel 17 bepaalde, jaarlijks besluiten toeslagen te verlenen op:
a. de pensioenaanspraken van actieve deelnemers;
b. aanspraken bij voortzetting deelnemerschap als gevolg van arbeidsongeschiktheid.
Op de pensioenaanspraken, zoals hierboven beschreven, wordt jaarlijks per 1 januari (voor het eerst per 1
januari 2013) toeslag verleend van maximaal de stijging van de Cao-verhoging over het vorige boekjaar met
een maximum van 2% op jaarbasis. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenaanspraken
worden aangepast.
Deze voorwaardelijke toeslagverlening wordt voor zover mogelijk gefinancierd uit de doorsneepremie, het
premiedepot actieven en uit de algemene middelen van het fonds, waarbij wordt aangesloten bij de
beleidsstaffel voor toeslagen zoals deze geldt voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, zoals
opgenomen in pensioenreglement 2012 (art. 18 lid 3).
Indien wordt aangesloten bij de hierboven genoemde beleidsstaffel voor toeslagen, dan vindt
toeslagverlening voor actieve deelnemers en de pensioenaanspraken bij voortzetting deelnemerschap als
gevolg van arbeidsongeschiktheid plaats op basis van de Cao-verhoging over het vorige boekjaar, met een
maximum van 2% op jaarbasis op basis van het totaal van de in de vorige alinea genoemde
financieringsbronnen.
Het bestuur zal verwachtingen betreffende de lastenontwikkeling van de pensioenregeling als geheel, of
van onderdelen daarvan, in toekomstige jaren in zijn beoordeling bij de toeslagverlening mee laten wegen.
Eén en ander brengt mee dat het bestuur te allen tijde bevoegd is de systematiek van toeslagverlening en
de geformuleerde ambitie aan de omstandigheden aan te passen. Er is geen recht op toekomstige
toeslagverlening. Het is daarmee niet zeker of en in hoeverre in de toekomst een toeslag wordt verleend.
38
Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van inhaaltoeslagen. Als leidraad voor inhaaltoeslagen zijn door
het bestuur uitgangspunten geformuleerd, die in artikel 25 van het pensioenreglement 2012 en in de ABTN
zijn opgenomen.
Voorwaardelijk toeslagenbeleid premievrij- en pensioengerechtigden
Het bestuur zal, zolang er voldoende middelen zijn, jaarlijks besluiten toeslagen te verlenen op:
a. de ingegane pensioenen;
b. de premievrije pensioenaanspraken van deelnemers en gewezen deelnemers;
c. de bij scheiding aan de ex-partners toegekende pensioenaanspraken;
d. het arbeidsongeschiktheidspensioen.
Op de pensioenrechten en pensioenaanspraken wordt jaarlijks per 1 januari toeslag verleend van maximaal
de stijging van het percentage van de consumentenprijsindex voor alle huishoudens (afgeleid) over de
laatst verstreken periode van oktober tot oktober (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek). Het bestuur
beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. Voor
deze voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd en wordt geen premie betaald. De
toeslagverlening wordt uit beleggingsrendement en uit algemene middelen van het fonds gefinancierd. Bij
het bepalen van de hoogte van de toeslag voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden wordt de
volgende beleidsstaffel toegepast:
· wanneer de dekkingsgraad* lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad (104,1% niveau 2013),
wordt geen toeslag verleend.
· wanneer de dekkingsgraad* hoger of gelijk is aan de vereiste dekkingsgraad (111,7% niveau 2013)
wordt een volledige toeslag toegekend.
· bij een tussenliggende dekkingsgraad* wordt naar rato toeslag verleend.
* In voorgenoemde beleidsstaffel wordt met dekkingsgraad bedoeld: de dekkingsgraad na toekenning van
de voorgenomen toeslag.
Het bestuur zal verwachtingen betreffende de lastenontwikkeling van de pensioenregeling als geheel, of
van onderdelen daarvan, in toekomstige jaren in zijn beoordeling bij de toeslagverlening mee laten wegen.
Eén en ander brengt mee dat het bestuur te allen tijde bevoegd is de systematiek van toeslagverlening en
de geformuleerde ambitie aan de omstandigheden aan te passen, ook ten aanzien van gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden. Er is geen recht op toekomstige toeslagverlening. Het is daarmee
niet zeker of en in hoeverre in de toekomst een toeslag wordt verleend.
Toeslagen worden verwerkt in het boekjaar waarin daartoe door het bestuur is besloten. In boekjaar 2013 is
besloten per 1 januari 2013 geen toeslag te verlenen. In boekjaar 2014 is besloten per 1 januari 2014 0,5%
toeslag te verlenen aan premievrijen en pensioengerechtigden en 1,0% aan actieven. De toeslagverlening
per 1 januari 2014 wordt in de technische voorzieningen van 2014 verwerkt.
Technische voorziening voor risico deelnemers
De voorziening voor risico deelnemer wordt bepaald op basis van de door de werkgever gedane stortingen
en de behaalde beleggingsopbrengsten. De waardering volgt de waardering van de hier tegenoverstaande
beleggingen voor risico deelnemers.
Pensioenspaarregeling
De voorziening inzake de Pensioenspaarregeling wordt bepaald op basis van de door de werknemers
gedane stortingen en de behaalde beleggingsopbrengsten. De waardering volgt de waardering van de hier
tegenoverstaande beleggingen voor risico deelnemers.
Overige voorzieningen
VPL-regeling
Onder VPL-regeling wordt de reeds beschikbare financiering voor de uitvoering van de door sociale
partners overeengekomen VPL (Vut, Prepensioen, Levensloop) verantwoord. Door het fonds wordt een
overgangsregeling uitgevoerd in het kader van de Wet VPL. Deze regeling voorziet in een voorwaardelijke
aanspraak op pensioen. Voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een dienstverband. Op het moment van
het bereiken van de 62-jarige leeftijd, dan wel bij overlijden, en uiterlijk op 31 december 2020, worden de
voorwaardelijke aanspraken omgezet in onvoorwaardelijk pensioenaanspraken. De inkoop van de
onvoorwaardelijke pensioenaanspraken geschiedt op basis van de fondsgrondslagen op het moment van
inkoop. De financiering geschiedt in termijnen zoals is overeengekomen in de uitvoeringsovereenkomst of
door een aanvullende afspraak. De ontvangen gelden maken op dit moment onderdeel uit van de totale
beleggingen. De sociale partners hebben een overeenkomst opgesteld over de manier van beheer van de
ontvangen termijnen en over het te vergoeden rendement over het saldo van de financiering. In 2014 zal
deze getekend worden.
39
Premiedepot actieven
Indien de ontvangen premie in enig jaar hoger is dan de zuiver kostendekkende premie, dan wordt het
saldo toegevoegd aan het premiedepot actieven. Het premieoverschot komt niet in de algemene reserve
van het fonds. Het doel van het premiedepot actieven is de premie zoveel mogelijk ten goede te laten
komen aan de actieven. Het premiedepot kan worden gebruikt voor financiering van toeslagverlening en in
de situatie dat de ontvangen premie lager is dan de interne (zuivere) kostendekkende premie. Bij een
premiedepot actieven groter dan 10% van de technische voorziening actieven, wordt het meerder
overgeheveld naar de algemene reserve van het fonds. Het fondsrendement wordt toegevoegd over het
berekende gemiddelde saldo in een jaar. De hoogte van de mutatie van het depot wordt middels
bestuursbesluit vastgesteld aan het begin van het boekjaar. Hierbij wordt uitgegaan van schattingen.
Bij het bepalen van de interne (zuivere) kostendekkende premie wordt uitgegaan van de nominale
rentetermijnstructuur per 1 januari van het boekjaar zonder rekening te houden met UFR –methodiek en
driemaandsmiddeling. Besluitvorming vindt plaats aan de hand van de interne (zuivere) kostendekkende
premie.
Grondslagen voor de staat van baten en lasten
Baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop deze betrekking hebben.
Premiebijdragen
Als premiebijdragen worden verantwoord de op het boekjaar betrekking hebbende bijdragen van
werkgevers en deelnemers welke voor het boekjaar zijn vastgesteld, respectievelijk bekend zijn geworden,
waarbij rekening is gehouden met eventueel verleende premiekortingen en/of premieopslagen.
Beleggingsopbrengsten
Beleggingsresultaten bestaan uit:
- Directe beleggingsopbrengsten;
- Indirecte beleggingsopbrengsten;
- In aftrek gebrachte kosten van vermogensbeheer.
De directe beleggingsopbrengsten hebben betrekking op ontvangen huren, dividenden en rente.
Huuropbrengsten worden lineair opgenomen gedurende de huurperiode. Dividenden worden in de staat van
baten en lasten verwerkt, indien het fonds daarop recht heeft verkregen en hun ontvangst waarschijnlijk is.
Renteopbrengsten worden tijdsevenredig in de staat van baten en lasten verwerkt, indien hun bedrag
bepaalbaar is en hun ontvangst waarschijnlijk. Valutaverschillen worden opgenomen onder de post directe
beleggingsopbrengsten.
De indirecte beleggingsopbrengsten hebben betrekking op gerealiseerde en ongerealiseerde
waardestijgingen of waardedalingen van de beleggingen. In de jaarrekening wordt hier geen onderscheid
tussen gemaakt. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als
beleggingsopbrengst in de staat van baten en lasten opgenomen
De in aftrek gebrachte kosten van vermogensbeheer hebben betrekking op de beheerskosten die door
vermogensbeheerders in rekening worden gebracht, alsmede de kosten van de beleggingsadministratie.
Pensioenuitkeringen
Pensioenen worden in de staat van baten en lasten opgenomen in de periode waarop zij betrekking
hebben.
Pensioenuitvoeringskosten
De kosten worden in de staat van baten en lasten opgenomen in de periode waarop zij betrekking
hebben.
Overgenomen en overgedragen pensioenverplichtingen
De bij overdracht van pensioenen bepaalde overdrachtswaarden zijn gebaseerd op de wettelijke
berekeningsgrondslagen. De inkomende en uitgaande waardeoverdrachten worden toegerekend aan het
verslagjaar waarin de bijbehorende pensioenaanspraken zijn verwerkt.
40
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen
De mutatie voorziening voor pensioenverplichtingen bestaat uit de volgende componenten:
· Pensioenopbouw: de kosten van één jaar inkoop; toerekening vindt plaats aan de periode waarin de
opbouw van pensioenrechten plaatsvindt.
· Toeslagverlening en overige toeslagen: de toeslagverlening wordt als last verwerkt voor zover vóór
balansdatum een besluit daartoe genomen is.
· Rentetoevoeging: de voorziening wordt opgerent op basis van de nominale rente op basis van de door
DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur met een looptijd van één jaar.
· Onttrekkingen voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten: de vrijval wordt ten gunste van
het resultaat verwerkt in de periode waarin de lasten bij de berekening aan de voorziening waren
voorzien.
· Wijziging marktrente: het effect van de aanpassing van de marktrente gedurende het jaar op basis van
de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur wordt ultimo het verslagjaar bepaald en in de staat van
baten en lasten opgenomen.
· Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten: het saldo van actuariële inkomende en uitgaande
waardeoverdrachten wordt toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.
· Verhoging i.v.m. actuele ontwikkelingen op het gebied van levensverwachting: de
pensioenverplichtingen worden berekend aan de hand van de Prognosetafel 2012-2062 zoals
gepubliceerd door het Actuarieel Genootschap op 10 september 2012. Voorts wordt er rekening
gehouden met het verschil in overlevingskansen tussen de werkende en de totale bevolking door
toepassing van fondsspecifieke ervaringssterfte (Towers Watson Ervaringssterftemodel 2012).
Overige baten en lasten
Overige baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop zij betrekking hebben. Verliezen
worden in aanmerking genomen zodra zij voorzienbaar zijn.
Dekkingsgraad
De dekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen het aanwezige vermogen en de contante waarde
van de op dat moment geldende reglementaire pensioenaanspraken. Bij de berekening van de nominale
dekkingsgraad wordt gebruik gemaakt van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur. Deze is
samengesteld op basis van de UFR (Ultimate Forward Rate). In de economische dekkingsgraad wordt
de rentetermijnstructuur op basis van marktrente gebruikt.
Grondslagen voor het kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is opgesteld op basis van de directe methode. Onderscheid wordt gemaakt tussen
kasstromen uit pensioenactiviteiten en beleggingsactiviteiten. Onder liquide middelen zijn opgenomen de bij
banken aangehouden rekening-courantsaldi alsmede het bedrag dat beschikbaar is voor
beleggingstransacties.
Risicobeheersing
Algemeen
In het bestuursverslag is uiteengezet welke risico’s het pensioenfonds ondermeer loopt en welk beleid
wordt gevoerd ter beheersing van die risico’s. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de
kwantitatieve en kwalitatieve aspecten.
Solvabiliteitsrisico
In 2013 heeft de solvabiliteit van het fonds zich positief ontwikkeld. In de pensioenwet en in het
pensioenreglement zijn maatregelen opgenomen voor elke situatie. Indien de solvabiliteit zich negatief
ontwikkelt, kan het fonds in een situatie van onderdekking terecht komen. In een situatie van
onderdekking heeft het pensioenfonds geen ruimte beschikbaar voor een eventuele toeslagverlening.
Ook kunnen pensioenfondsen in een financiële situatie terecht komen dat de pensioenpremie moet
bijdragen aan herstel. In de huidige pensioenwet wordt het korten (afstempelen) van pensioenrechten
als uiterst herstelmiddel gehanteerd.
De solvabiliteit van het fonds wordt gemeten zowel op basis van algemeen geldende normen alsook
naar de specifieke normen welke door de toezichthouder op basis van de Pensioenwet en het Financieel
Toetsingskader worden opgelegd.
41
De toezichthouder DNB hanteert hiertoe een gestandaardiseerde methode om te toetsen of er
voldoende vermogen aanwezig is om de risico’s van het pensioenfonds te kunnen opvangen. Bij deze
toets wordt voor een aantal scenario’s het effect van de diverse risico’s op het vermogen bepaald. De
uitkomsten worden mede bepaald door marktomstandigheden en het risicoprofiel van de beleggingen.
Volgens de standaardmethode is er sprake van voldoende eigen vermogen, indien het eigen vermogen
groter is dan de vereiste buffer. Ter bepaling van het vereist eigen vermogen wordt voor een negental
risicofactoren bepaald wat het effect van een onmiddellijke verandering daarin is op het eigen
vermogen. Voor ieder van deze effecten dient dan een opslag op de TV gelegd te worden. De TV,
tezamen met deze opslagen, vormt dan het vereist eigen vermogen.
De portefeuille vastgoed en portefeuille aandelen in opkomende markten wordt (deels) actief beheerd.
Bij de berekening van het vereist eigen vermogen is daarom rekening gehouden met het risico van actief
beheer door de schokken ter bepaling van het risico zakelijke waarden (S2) aan te passen. De
gehanteerde indicator voor aanvullend risico is de met de vermogensbeheerder afgesproken “tracking
error”. Dit is de mate waarmee de beheerder mag afwijken van de benchmark.
Bij de vaststelling van de buffer wordt uitgegaan van de meest waarschijnlijke beleggingsmix voor het
aankomende jaar. In de regel is dat de strategische mix, tenzij er gegronde redenen zijn om te
veronderstellen dat die beleggingsmix gedurende het eerstvolgende jaar niet gerealiseerd zal worden.
Indien de feitelijke mix risicovoller is dan de meest risicovolle variant binnen de bandbreedtes van de
strategische mix, dan geldt de buffereis die volgt conform de feitelijke beleggingsmix.
Voor 2013 is, evenals in 2012, uitgegaan van de strategische, is meest waarschijnlijke, mix bij de
berekening van de buffer.
De uitkomsten van de toets zijn als volgt (in duizenden euro’s):
Eind 2013
Eind 2012
S1 Renterisico
22.149
21.037
S2 Risico zakelijke waarden
60.526
61.644
S3 Valutarisico
22.287
19.512
S4 Grondstoffenrisico
11.699
12.194
S5 Kredietrisico
621
1.719
S6 Verzekeringtechnisch risico
22.439
24.381
S7 Liquiditeitsrisico
0
0
S8 Concentratierisico
0
0
S9 Operationeel risico
0
0
Diversificatie-effect
-/-58.284
-/- 58.841
Totaal vereiste buffer (S)
81.437
81.646
% van TV
11,7%
11,2%
Totale reserves
68.421
53.708
Reservetekort/-overschot
-/-13.016
-/-27.938
De effecten S1 t/m S6 worden met behulp van de door DNB voorgeschreven ‘wortelformule’
omgerekend tot een totaal effect op de solvabiliteit van het pensioenfonds. In deze wortelformule wordt
er rekening mee gehouden dat niet alle risico’s tegelijk optreden (diversificatie-effect) en is een
correlatie tussen de effecten aangenomen.
Dit resulteert in een minimaal vereiste buffer van 11,7% (2012: 11,2%). Ten opzichte van voorgaand jaar
is dit percentage gestegen met 0,5%. Het reservetekort per 31 december 2013 betekent dat het
pensioenfonds volgens het standaardmodel naar verwachting onvoldoende vermogen heeft om de
nominale pensioenaanspraken en pensioenrechten te dekken. SPG heeft een lager eigen vermogen dan
het vereist eigen vermogen.
Renterisico (S1)
Het renterisico is het effect van de meest ongunstige wijziging van de rente/rentetermijnstructuur
volgens de tabel in de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Doorgaans
zal dit een rentedaling betreffen. Een daling van de rente leidt tot een verhoging van de TV en tot een
waardestijging van de vastrentende waarden. Het saldo van deze beide effecten geeft het renterisico
(S1) weer. Bij de berekening zijn toekomstige kasstromen gehanteerd. Bij de bepaling van het
renterisico is er rekening mee gehouden dat het renterisico voor 70% wordt afgedekt. Dit betreft het
strategische renteafdekkingspercentage zoals gedefinieerd in de ABTN van het pensioenfonds. Omdat
gebruik wordt gemaakt van het strategische renteafdekkingspercentage van 70%, wordt de wijziging van
de vastrentende waarden als gevolg van de renteschok berekend als 70% van het effect van de
renteschok op de TV. Deze bedraagt ultimo 2013 22.149 (2012: 21.037).
42
De beheersing vindt plaats door middel van het strategische beleggingsbeleid en de duration.
In 2013 zijn de LDI fondsen verkocht. De renteafdekking vindt nu plaats door middel van de beleggingen
in cash funds, een credit fund en renteswaps. De effectieve duration van de vastrentende portefeuille is
17,1 (2012: 18,7%). De duration van de verplichtingen is 16,2 (2012: 17,3). Daarmee is de
rentegevoeligheid van de vastrentende portefeuille vrijwel gelijk aan de verplichtingen. Eind 2013 is het
renterisico voor 70,1% afgedekt (2012: 69%).
Het pensioenfonds heeft aan het eind van het verslagjaar 61% belegd in vastrentende waarden en
derivaten (2012: 63%).
Risico zakelijke waarden (S2)
Voor de bepaling van de buffer voor het zakelijke waarden risico wordt verondersteld dat een
procentuele daling moet kunnen worden opgevangen op de verschillende beleggingen. Het risico op
zakelijke waarden kan worden opgevangen door diversificatie.
De segmentatie van de aandelenportefeuille is als volgt (in duizenden euro’s):
2013
%
2012
Europe (excl. UK)
138.708
64
120.633
Emerging Markets
54.683
26
55.021
Pacific Rim (excl. Japan)
23.316
10
23.118
216.707
100
198.772
Totaal
%
61
28
11
100
Het risico van zakelijke waarden (S2) daalt van 61.644 per eind 2012 naar 60.526 per eind 2013.
Valutarisico (S3)
De omvang van de buffer voor het valutarisico moet dusdanig zijn dat een waardedaling van 20% moet
kunnen worden opgevangen voor dat deel van de portefeuille dat niet in euro’s is belegd.
Over 17,1% van het vermogen (exclusief derivaten) wordt valutarisico gelopen.
97% van het valutarisico wordt veroorzaakt door beleggen in aandelen, 3% door vastgoedbeleggingen.
De segmentatie over de valuta is als volgt*:
2013
%
Euro
602.837
82,9
Zwitserse Frank
26.882
3,7
Hong Kong Dollar
16.660
2,3
Australische Dollar
15.018
2,1
Zweedse Kroon
7.212
1,0
Noorse Kroon
4.896
0,7
Overige valuta
53.717
7,4
Totaal
727.220
100
* Over 2012 zijn geen vergelijkende cijfers beschikbaar
Deze tabel is op basis van doorkijk tot stand gekomen.
Het valutarisico (S3) bedraagt ultimo 2013 22.287 (2012: 19.512).
Grondstoffenrisico (S4)
Een kenmerk van grondstoffen is dat er grote waardeschommelingen kunnen optreden. In deze toets
moet het effect van een waardedaling van 30% kunnen worden opgevangen.
Het grondstoffenrisico per ultimo 2013 bedraagt 11.699 (2012: 12.194). De buffer die voor dit risico moet
worden aangehouden is beperkt, omdat slechts 4 % van het vermogen in grondstoffen is belegd. In
2012 was dit 5 %.
Kredietrisico (S5)
Het kredietrisico wordt gemeten door het effect van een toename met 40% van de actuele opslag voor
kredietrisico (de “credit spread”) in het marktsegment vast te stellen, op de portefeuille vastrentende
waarden met kredietrisico (“credits”). Bij de berekening zijn toekomstige kasstromen gehanteerd. Het
kredietrisico (S5) bedraagt ultimo 2013 621 (2012: 1.719). De daling wordt veroorzaakt door een afname
van de duration (credits), de lagere marktwaarde van de credits en de lagere credit spread.
43
De verdeling van de vastrentende waarden over de verschillende categorieën is als volgt (in duizenden
euro’s):
2013
%
2012
%
LDI fondsen
0
0
374.603
79
Credits fonds
104.452
24
102.452
21
Cash fondsen
328.846
76
6
0
433.298
100
477.061
100
Totaal
Het kredietrisico wordt ook beïnvloed door de kwaliteit van de tegenpartijen waarop het pensioenfonds
vorderingen heeft. De gemiddelde rating van de debiteuren van de vastrentende waarde is als volgt:
2013
%
2012
%
AAA
42.114
10
114.545
24
AA
140.167
32
119.298
25
A
154.896
36
204.380
43
BBB
22.206
5
20.316
4
Lager dan BBB
543
0
359
0
Geen rating
73.371
17
18.163
4
Totaal
433.298
100
477.061
100
Het onderdeel ‘Geen rating’ bestaat voornamelijk uit de beleggingen in de cash funds, waarbij de
onderliggende beleggingen niet van een rating zijn voorzien. In 2013 is de belegging in cash funds
toegenomen vanwege de overgang naar een discretionair mandaat.
Landenrisico
Landenrisico wordt gedefinieerd als het risico waarbij een tegenpartij niet in staat is aan zijn
kredietverplichtingen te voldoen wegens politieke, sociale, economische of overige gebeurtenissen in
een land. In 2013 zijn er geen directe beleggingen in vastrentende waarden die zijn uitgegeven door
GIIPS-landen en Cyprus. Ook in de beleggingsfondsen is niet belegd in staatspapier van deze landen.
Verzekeringstechnisch risico (S6)
De vereiste buffer voor verzekeringstechnische risico’s wordt bepaald door de technische voorzieningen
2
2
te vermenigvuldigen met de som van het procesrisico en
+
. Het procesrisico, de TSO
(onzekerheid in de sterftetrend) en de NSA (stochastische onzekerheid) zijn afhankelijk van:
- de naar de TV gewogen gemiddelde leeftijd van het pensioenfonds;
- het aantal deelnemers;
- de vorm van dekking inzake nabestaandenpensioen en;
- de in tabellen door DNB voorgeschreven parameters.
Het verzekeringstechnisch risico (S6) bedraagt ultimo 2013 22.439 (2012: 24.381).
Langlevenrisico
Dit is het gegeven dat een verzekerde persoon langer kan leven dan op basis van de gehanteerde
sterftekansen wordt verwacht. Dit risico is van belang voor onder andere het ouderdomspensioen. Het
langlevenrisico draagt het fonds in eigen beheer. Het fonds past de meest recente AG tafels toe. Het
fonds monitoort de toegepaste ervaringssterfte door middel van analyse van het langlevenresultaat over
meerdere jaren.
Impactanalyse
De impact van een stijging van 1% in de risicocategorieën rente (S1) en zakelijke waarden (S2) heeft
het volgende effect op de aanwezige en vereiste dekkingsgraad:
Risico
Stijging met 1%
Mutatie aanwezige
Mutatie vereiste
dekkingsgraad
dekkingsgraad*
Rente
Rentecurve
6,2%
0,6%
Zakelijke waarden
Beurskoersen
0,4%
0,0%
(incl. commodities)
* Uitgaande van strategische mix
44
Liquiditeitsrisico (S7)
Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen
worden omgezet in liquide middelen, waardoor het fonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan
voldoen. Dit risico wordt door het fonds beheerd door in het strategisch en tactisch beleggingsbeleid
voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Van dit risico is geen sprake. Het grootste
deel van de beleggingen kan binnen een maand liquide worden gemaakt. Daarnaast zijn er nog directe
beleggingsopbrengsten bij de vastgoedfondsen.
Concentratierisico (S8)
Concentraties kunnen ertoe leiden dat het fonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering
(marktrisico) of de financiële posities van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële)
gevolgen hiervan ondervindt. Voor het concentratierisico wordt geen buffer aangehouden. Het fonds
belegt voornamelijk in beleggingsfondsen, waarbinnen een brede spreiding is aangebracht.
Eind 2013 is de top 5 aan individuele beleggingen (excl. derivaten) is als volgt:
BlackRock LSF Euro Cash Fund
265.066
BlackRock ex UK Alpha Tilts Fund
138.708
BlackRock Euro Corporate Bond Index
104.452
BlackRock ICS Euro Liquidity Fund
63.779
Credit Suisse Fund Lux Commodity Index Plus
32.545
Totaal
604.303
Dit is 79% van het totale belegde vermogen (761.654). Van het totale vermogen is ongeveer 90% in
beheer bij BlackRock.
In 2011 is het traject gestart om te komen tot reservemanagers voor het vermogensbeheer op de
diverse grote portefeuilles. Reden hiervan is de kwetsbaarheid van het fonds te verlagen op het moment
dat de huidige vermogensbeheerders niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen vanwege
faillissement. In 2013 zijn de contracten met de geselecteerde reservemanager afgerond.
Eind 2012 is de top 5 aan individuele beleggingen als volgt:
BlackRock LSF Euro Fixed 2030-2039
153.464
BlackRock ex UK Alpha Tilts Fund
120.633
BlackRock LSF Leverage Euro Fixed 2040-2049
104.563
BlackRock Euro Corporate Bond Index
102.452
BlackRock LSF Leverage Euro Fixed 2025-2029
61.013
Totaal
542.125
Dit is 71% van het totale belegde vermogen (760.217). Van het totale vermogen is ongeveer 89% in
beheer bij BlackRock.
Operationeel risico (S9)
Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in de verwerking van
gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke. Deze risico’s worden beheerst door
het stellen van hoge kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering zijn betrokken.
Aangezien hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico’s worden door het
fonds hiervoor geen buffers aangehouden in de solvabiliteitstoets.
Bepaling boekwaarde financiële activa en financiële verplichtingen
Voor financiële activa en financiële verplichtingen die gewaardeerd worden tegen reële waarde, zijn
boekwaarden afgeleid van:
1. genoteerde marktprijzen
2. onafhankelijke taxaties
3 netto-contante-waardeberekeningen
4. dat een andere geschikte methode is gehanteerd.
Vastgoedbeleggingen welke gewaardeerd zijn op basis van onafhankelijke taxaties, zijnde de WOZ opgave,
betreft een pand in De Bilt. Bij de waardering van derivaten op basis van NCW-berekeningen is de OIScurve gehanteerd. De andere methode betreft beleggingsfondsen waarbij de waardering wordt gebaseerd
op de NAV van het fonds.
45
De beleggingen van SPG zijn als volgt ingedeeld (€ 1.000):
2013
Genoteerde
prijzen
Onafhankelijke
taxaties
Vastgoedbeleggingen
NCWberekeningen
259
Aandelen
Derivaten
Totaal
0
Genoteerde
prijzen
259
Onafhankelijke
taxaties
Vastgoedbeleggingen
34.433
NCWberekeningen
268
Aandelen
44.411
44.670
216.707
216.707
34.433
465.843
465.843
726.961
761.653
Andere
methode
Totaal
47.818
48.086
198.772
198.772
Derivaten
0
Overige beleggingen
Totaal
Totaal
34.433
Overige beleggingen
2012
Andere
methode
0
268
46
0
513.359
513.359
759.949
760.217
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
Beleggingen voor risico fonds
2013
1. Vastrentende waarden
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
2012
477.061
361.420
-378.928
-26.255
422.864
58.220
-53.788
49.765
433.298
477.061
Er wordt belegd in niet-beursgenoteerde fondsen.
Voor deze fondsen zijn geen gecertificeerde opgaven per 31 december 2013 ontvangen, evenwel is beoogd
een indirecte vorm van zekerheid te verkrijgen door middel van back-testing prijzen en periodieke bespreking
performance met beheerders. De waardering kan hoger of lager zijn, maar het bestuur verwacht op basis van
uitgevoerde controles, waaronder vergelijking prijzen afgegeven in het verleden met later gecontroleerde
jaarrekeningen, dat dit niet materieel zal zijn.
De mutaties in aan- en verkopen worden veroorzaakt door het inrichten van een discretionaire portefeuille ten
behoeve van de renteafdekking. Negatieve indirecte beleggingsopbrengsten worden veroorzaakt door een
stijging van de rente.
2. Aandelen
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
198.772
3.260
-11.119
25.794
178.112
7.609
-22.393
35.444
216.707
198.772
Er wordt niet belegd in premiebijdragende ondernemingen (2012: 0).
De beheerder van de aandelen heeft eind 2013 ongeveer 4% (2012: 4%) van de
aandelen uitgeleend (Security Lending). De belegging in aandelen vindt plaats in
niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen die beleggen in beursgenoteerde aandelen.
3. Vastgoed
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
48.086
0
-1
-3.415
47.706
4.061
0
-3.681
44.670
Er wordt belegd in niet beursgenoteerde vastgoedfondsen. Er wordt zowel belegd in fondsen
met vastgoed in Nederland (74%) als in andere Europese landen (26%). Het vastgoed betreft
woningen (30%), winkels (33%), kantoren (13%) bedrijfsruimten (8%) en parkeerfaciliteiten (18%).
4% van de bezittingen bevinden zich in de GIIPS* landen (2012:4%).
* Griek enland, Ierland, Italië, Portugal, Spanje
47
48.086
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
4. Commodities
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
2012
36.298
0
-1
-3.752
30.495
7.001
0
-1.198
32.545
36.298
Voor dit fonds is geen gecertificeerde opgave per 31 december 2013 ontvangen, evenwel is beoogd een
indirecte vorm van zekerheid te verkrijgen door back-testing prijzen en periodieke bespreking
performance met beheerder. De waardering kan hoger of lager zijn, maar het bestuur verwacht op basis
van uitgevoerde controles, waaronder vergelijking prijzen afgegeven in het verleden met later
gecontroleerde jaarrekeningen, dat dit niet materieel zal zijn.
5. Derivaten
Stand per 1 januari
Mutatie van creditpositie balans
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
0
3.471
44.461
0
-10.028
0
0
0
0
0
37.904
0
Het fonds gebruikt rentederivaten om het renterisico af te dekken. In 2012 werd belegd in LDI fondsen. In
het vierde kwartaal van 2013 is een discretionaire portefeuille ingericht, waarbij rentederivaten worden
aangehouden ter afdekking van het renterisico. Derivaten met een negatieve waarde worden aan de
passivakant van de balans verantwoord. Het saldo van de debet- en creditpositie is 34.433.
Op 31 december 2013 is 18.396 ontvangen als cash collateral. Dit onderpand is belegd in cash funds
en verantwoord onder de vastrentende waarden aan de activazijde van de balans. De hieraan
gerelateerde verplichting is verantwoord onder de kortlopende schulden aan de passivazijde van de balans.
Daarnaast zijn er Franse staatsobligaties als collateral ontvangen ten bedrage van 10.900.
Deze obligaties staan niet ter vrije beschikking van het pensioenfonds.
Beleggingen voor risico deelnemers
6. Vastrentende waarden
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
4.723
558
-174
-220
7. Aandelen
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
2.071
286
-393
320
8. Vastgoed
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
165
26
-35
-5
9. Commodities
Stand per 1 januari
Aankopen
Verkopen
Indirecte beleggingsopbrengsten
Stand per 31 december
404
63
3
-57
3.601
452
-158
828
4.887
4.723
1.503
341
-3
230
2.284
2.071
146
21
-33
31
151
278
123
-1
4
413
48
165
404
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
2012
Overig
10. Herverzekeringsdeel Technische Voorziening
Stand per 1 januari
Mutaties lopend boekjaar
Afwaardering i.v.m. kredietrisico
Stand per 31 december
20.196
-1.030
0
19.166
18.672
1.524
0
20.196
273
160
2.580
378
3.391
203
0
2.955
523
3.681
4.109
5.926
10.035
1.146
4.730
5.876
De voorziening kan wijzigen door uitkeren van pensioenen, wijziging van de rente,
overlijden van deelnemers of aanpassing van de sterftetafels.
De herverzekerdelen zijn ondergebracht bij Nationale Nederlanden (62%, rating A),
Aegon (30%, rating AA-), en Centraal Beheer (8%, rating A+). Het bestuur ziet geen
aanleiding een afslag toe te passen of een voorziening te nemen.
11. Vorderingen
Dividendbelasting
Opgelopen rente IRS
Premiedebiteuren
Overige vorderingen
Premiedebiteuren betreft een vordering op de aangesloten werkgever
(Grontmij Nederland Holding B.V.). Alle vorderingen hebben een looptijd korter dan een jaar.
12. Liquide middelen
ABN AMRO
Kas Bank
De liquide middelen staan ter vrije beschikking van het pensioenfonds.
Het saldo bij Kas Bank is het bedrag dat beschikbaar is voor beleggingstransacties.
13. Bestemmingsreserve
Stand per 1 januari
Uit resultaatbestemming
Stand per 31 december
81.646
-209
81.437
49
81.640
6
81.646
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
14. Overige reserve
Stand per 1 januari
Uit resultaatbestemming
Stand per 31 december
2012
-27.938
14.922
-13.016
-52.534
24.596
-27.938
De reserves zijn als volgt bepaald:
Aanwezig vermogen (risico fonds en herverzekeraar)
Af: TV
Af: Minimaal vereist vermogen
Dekkingspositie
Af: Vereist eigen vermogen (excl. min. vereist vermogen)
Reservepositie
766.915
-698.494
-28.638
39.783
-52.799
-13.016
%
109,8%
-100,0%
-4,1%
5,7%
-7,6%
-1,9%
782.686
-728.978
-29.888
23.820
-51.758
-27.938
%
107,4%
-100,0%
-4,1%
3,3%
-7,1%
-3,8%
Herstelplan
Per 31 december 2008 bedroeg de dekkingsgraad 110,4%. Het vereiste eigen vermogen
was op dat moment 110,5%. Dit betekende dat er sprake was van een reservetekort
en dat er een langetermijnherstelplan moest worden opgesteld.
Eind februari 2009 was de dekkingsgraad 104,6%. Bij de toen nog gehanteerde grens
van 105% voor het minimaal vereiste vermogen (MVEV) betekende dit, dat er sprake was
van een dekkingstekort en dat er een kortetermijnherstelplan moest worden ingediend.
In overleg met DNB is per 1 mei 2009 een gecombineerd korte- en langetermijnplan ingediend.
In de loop van mei 2009 gaf DNB aan dat het MVEV fondspecifiek moest worden vastgesteld.
Deze berekening leidde tot een MVEV van 104,2%.
Gevolg hiervan is dat er geen dekkingstekort is geweest. In overleg met DNB is het ingediende
gecombineerde herstelplan vervangen door een langetermijnherstelplan per 30 juli 2009.
Dit plan is op hoofdlijnen goedgekeurd. Omdat een relatief klein deel is herverzekerd heeft
DNB in eerste instantie zijn goedkeuring aan het plan onthouden.
In een brief gedateerd 3 februari 2011 is door DNB medegedeeld dat het ingezonden langetermijnherstelplan
als concreet en haalbaar in de zin van artikel 128 lid 2 van de Pensioenwet moet worden aangemerkt.
Het uitgangspunt van het herstelplan is het voortzetten van het vastgestelde beleid.
Op 30 september 2011 was de dekkingsgraad 102% en verkeerde het fonds in een dekkingstekort.
Omdat het fonds slechts een maand in onderdekking is geweest is er geen kortetermijnherstelplan ingediend.
Eind juni 2012 was de dekkingsgraad 101,1% en raakte het fonds opnieuw in onderdekking.
Begin september 2012 wordt een gecombineerd korte- en langetermijnherstelplan ingediend.
Omdat het fonds vanwege de invoering van de UFR per eind september weer uit onderdekking komt,
geeft DNB SPG de mogelijkheid om het ingediende plan niet te laten beoordelen. Het bestuur besluit dit te doen.
Het eerder ingediende langetermijnherstelplan blijft van kracht.
Aanvankelijk was er in 2013 weer kortstondig sprake van een dekkingstekort. Dit gebeurde echter de maand voordat
de minister van sociale zaken en werkgelegenheid maatregelen had getroffen in verband met het overgangsjaar naar het
nieuwe pensioencontract. DNB stond het fonds toe geen formele ontheffing aan te vragen.
Op 31 december 2013 is er sprake van een reservetekort. De dekkingsgraad is 109,8% bij een
vereiste dekkingsgraad van 111,7%.
Het reservetekort is opgeheven als er in drie aansluitende kwartalen geen sprake is van een reservetekort.
De dekkingsgraad per 31 december 2013 zou volgens de update van het herstelplan 109,5% moeten zijn.
De feitelijke dekkingsgraad is 109,8%. De feitelijke dekkingsgraad is dus hoger dan de in het
herstelplan geschatte dekkingsgraad. De verwachting is dat uiteindelijk wordt voldaan aan het
ingediende herstelplan.
50
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
15. Pensioenverplichtingen voor risico fonds en herverzekeraar
Stand per 1 januari
Pensioenopbouw
Indexering en overige toeslagen
Rentetoevoeging
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en -uitvoeringskosten
Wijziging marktrente
Wijziging uit hoofde van overdracht rechten
VPL-regeling
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
Verhoging i.v.m. actuele ontw. op het gebied van levensverwachting
Mutatie Herverzekeraars
2012
728.978
13.032
0
2.457
-23.895
-22.267
-1.899
929
2.189
0
-29.454
-1.030
671.452
13.802
126
9.879
-23.140
44.243
-798
604
4.470
6.816
56.002
1.524
-30.484
698.494
Stand per 31 december
Specificatie:
Actieven
Arbeidsongeschikten
Premievrije rechten
Ingegane pensioenen
226.644
12.597
142.967
316.286
698.494
De post pensioenopbouw betreft de kosten van één jaar diensttijdopbouw (inclusief backservice).
In 2013 heeft geen indexatie plaatsgevonden.
De rentetoevoeging is gebaseerd op 0,351% (2012: 1,544%) en betreft de éénjaarsrente
uit de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur aan het begin van het boekjaar.
De marktrente op basis van de rentetermijnstructuur behorend bij het profiel van de verplichtingen bedraagt
per ultimo verslagjaar 2,75% (2012: 2,44%) tegen 2,44% (2012: 2,74%) aan het begin van het verslagjaar.
De door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur van 31 december 2013 is gehanteerd.
In deze rentetermijnstructuur is voor looptijden vanaf 20 jaar gebruik gemaakt van de
zogenaamde UFR-methode. Voorts is de rentetermijnstructuur vastgesteld op basis van het
gemiddelde van alle handelsdagen in de laatste 3 maanden van 2013. De stijging van de rente
gedurende 2013 heeft geresulteerd in een afname van de voorziening pensioenverplichtingen.
De wijziging uit hoofde van overdracht van rechten heeft voor 821 (2012: 393) betrekking
op de actuariële waarde van inkomende waardeoverdrachten en voor 2.902 (2012: 1.191) op
uitgaande waardeoverdrachten.
De mutatie herverzekeraars ontstaat door wijziging van de sterftetafels en rente, overlijden
van deelnemers en pensioenuitkeringen aan het fonds.
Waardering voorziening pensioenverplichtingen
De pensioenverplichtingen worden berekend aan de hand van de Prognosetafel 2012-2062
zoals gepubliceerd door het Actuarieel Genootschap op 10 september 2012.
Voorts wordt rekening gehouden met het verschil in overlevingskansen tussen de werkende
en de totale bevolking door toepassing van fondsspecifieke ervaringssterfte
(Towers Watson Ervaringssterftemodel 2012). In 2013 zijn dezelfde prognosetafel en
ervaringssterftemodel toegepast als in 2012.
De waardering van de technische voorzieningen wordt vastgesteld met behulp van schattingen
en aannames. De belangrijkste schattingen betreffen de bepaling van de levensverwachting,
de fondspecifieke ervaringssterfte en de kostenopslag. Inherent aan schattingen, zoals de
ervaringsterfte, is dat deze onnauwkeurigheid kunnen bevatten en dienaangaande op een later
noemt op basis van meer recente informatie bijgesteld moeten worden. De voorziening voor
pensioenverplichtingen kan hierdoor hoger of lager uitkomen. Het pensioenfonds monitort
jaarlijks de resultaten op langleven en kosten ter toetsing van de inschatting. De analyse van
het langleven resultaat geeft geen aanleiding tot bijstelling van de toegepaste ervaringsterfte
per 31 december 2013.
51
57.526
728.978
262.635
13.510
139.791
313.042
728.978
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
16. Pensioenverplichtingen voor risico deelnemers
Stand per 1 januari
Stortingen
Opnames
Dividend en rentes
Koersresultaat
Mutatie lopend jaar
Stand per 31 december
2012
7.363
935
-600
29
8
5.528
749
-6
36
1.056
372
7.735
17. Overige voorzieningen
Premiedepot actieven
Stand per 1 januari
Dotatie
Rendementstoekenning
Onttrekking
Stand per 31 december
1.425
0
0
-1.425
1.835
7.363
0
1.340
85
0
0
1.425
Per 1 januari 2012 is het nieuwe Pensioenreglement 2012 van kracht. Hierin is de vorming van een premiedepot
opgenomen. Aan het begin van het boekjaar wordt een zo goed mogelijke inschatting van de kostendekkende
premie gemaakt. Op basis van deze berekening wordt de toevoeging aan of onttrekking uit het premiedepot
bepaald. In 2013 is de onttrekking 1.425.
18. Langlopende schulden
VPL-regeling
Stand per 1 januari
Toevoeging
Onttrekking
Stand per 31 december
1.514
1.700
-1.033
492
1.700
-678
2.181
1.514
In het kader van de financiering van de 15-jaarsregeling als bedoeld in het Uitvoeringbesluit Pensioenaspecten Sociaal
Akkoord 2004 is de onderneming premie verschuldigd. Uiterlijk eind 2020 vindt voor het laatst toekenning van
rechten op basis van deze regeling plaats. Als voorschot betaalt de onderneming elk jaar een deel van de premie.
De wijze van bepaling van dit voorschot is beschreven in de Uitvoeringsovereenkomst of via een separate afspraak
tussen onderneming en SPG geregeld. In 2013 is het voorschot 1.700 (2012: 1.700). In 2013 zijn op basis van deze
regeling pensioenrechten toegekend. Het bedrag dat aan het resultaat is toegekend omvat de toekenning van rechten
(929) en de hierbij behorende bufferopslag (104). De ontvangen gelden maken op dit moment onderdeel uit van de
totale beleggingen. De sociale partners hebben een overeenkomst opgesteld over de manier van beheer van de
ontvangen termijnen en over het te vergoeden rendement over het saldo van de financiering. In 2014 zal deze
getekend worden en zal alsnog rendementstoekenning plaatsvinden.
19. Schulden inzake beleggingen
Derivaten
Ontvangen onderpand derivaten
3.471
18.396
21.867
Derivaten met een negatieve waarde worden op de passiefzijde van de balans opgenomen.
Het pensioenfonds heeft eind 2013 18.396 (2012: 0) aan onderpand ontvangen in de vorm van liquiditeiten als gevolg
van positieve waardeontwikkeling van de derivaten. Het verstrekte onderpand staat niet ter vrije beschikking.
Daarnaast heeft het fonds voor 10.900 (2012: 0) aan hoogwaardige staatsobligaties ontvangen.
52
0
0
0
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
20. Overige kortlopende schulden
Belastingen en sociale premies
Waardeoverdrachten IMS
Overige crediteuren
Overlopende passiva
Vooruit ontvangen posten
2012
530
4.700
304
1.219
0
6.753
Gedurende 2007 is het bedrijfsonderdeel IMS verkocht.
De collectieve waardeoverdracht is in gang gezet, maar kon nog niet worden voltooid in verband met de
financiële situatie van het ontvangende fonds. Aan het eind van 2013 is de waardeoverdracht opnieuw
gewaardeerd, omdat waardeoverdracht binnenkort waarschijnlijk weer mogelijk zal zijn. Als
gevolg hiervan is de schuld verhoogd met 2.029 naar 4.700.
Niet uit de balans blijkende verplichtingen
Vastgoed
Inzake private equity in vastgoed bedragen de verplichtingen ultimo 2013 nihil.
(Eind 2012: 8.000). Het verzoek van het fonds om af te zien van de investeringverplichting is gehonoreerd.
Verbonden partijen
De aangesloten werkgevers, bestuurders van de aangesloten werkgever en de bestuurders van het
Pensioenfonds zijn te kwalificeren als verbonden partijen.
Voor de bezoldiging van de bestuurders van het Pensioenfonds wordt verwezen naar de
toelichting "pensioenuitvoeringskosten" in de toelichting op de staat van baten en lasten.
Ultimo 2013 zijn er geen leningen verstrekt aan of vorderingen op bestuurders van het Pensioenfonds.
Per 1 januari 2012 is een uitvoeringsovereenkomst gesloten voor de periode van 5 jaar.
Inzake deze uitvoeringsovereenkomst tussen het Pensioenfonds en de aangesloten werkgevers
met betrekking tot de financiering van de aanspraken en de uitvoering van de pensioenregeling
geldt dat de aangesloten werkgevers zich jegens het Pensioenfonds hebben verplicht een vast
premiepercentage over de pensioengrondslag te betalen.
Daarnaast vindt doorbelasting van personeelskosten en huur van kantoren plaats door de
aangesloten werkgevers aan het Pensioenfonds.
53
453
2.671
399
662
160
4.345
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
21. Premiebijdragen van werkgevers en werknemers
Werkgeversdeel:
- Ouderdomspensioen
- Arbeidsongeschiktheidspensioen
2012
13.787
646
14.987
703
14.433
Werknemersdeel:
- Ouderdomspensioen
- Arbeidsongeschiktheidspensioen
- Nabestaandenpensioen
2.438
116
1.293
15.690
2.613
125
1.390
3.847
18.280
4.128
19.818
De aan het pensioenfonds betaalde pensioenpremie (excl. DC) van 18.280 (2012: 19.818) is lager
dan op basis van de in de abtn beschreven zuivere kostendekkende premie van 19.552 (2012:19.181).
De interne (zuivere) kostendekkende premie is als volgt samengesteld:
1. Actuarieel benodigde koopsom voor pensioenopbouw en risicodekking
tijdens het verslagjaar in verband met de aangroei van pensioenverplichtingen
2. Opslag voor het bij de aangroei van pensioenverplichtingen behorende
vereist vermogen
3. Opslag voor de bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende
uitvoeringskosten
4. Actuarieel benodigde premie m.b.t. de voorwaardelijke onderdelen van de
pensioenregeling (met inachtneming van de geformuleerde ambitie en de
afgesproken wijze van financieren)
16.302
15.530
1.826
1.895
1.424
1.756
0
19.552
0
19.181
De vaststelling van de pensioenopbouw, (eventueel) toeslagverlening van actieve deelnemers en het
bedrag dat gedurende het boekjaar aan het premiedepot kan worden toegevoegd of kan worden
onttrokken is gebaseerd op de schatting van de interne (zuivere) kostendekkende premie aan het
begin van het jaar. In 2013 is 1.425 onttrokken aan het premiedepot.
22. Directe beleggingsopbrengsten
Vastrentende waarden
Aandelen
Vastgoed
Derivaten
Rekening couranten
Kosten vermogensbeheer
2
131
2.117
8.795
6
-1.355
9.696
Ten aanzien van de beleggingen in fondsen geldt dat rendementen met de direct toe te
rekenen beleggingskosten zijn verlaagd. In de jaarrekening wordt derhalve voor deze
posities het netto rendement getoond.
De directe beleggingsopbrengsten bij vastrentende waarden ontstaan door afwikkeling
van swaps in een LDI-fonds. In het vierde kwartaal is overgaan naar een discretionair mandaat
en is er afscheid genomen van de LDI-fondsen. Er worden nu individuele renteswaps aangehouden.
Hierdoor ontstaan er in 2013 directe beleggingsresultaten op derivaten van 8.795 als gevolg van
afwikkeling van derivaten met per saldi een positieve waarde. Voor zover kosten direct in
rekening zijn gebracht bij het pensioenfonds, worden deze separaat getoond als aftrekpost op de
directe beleggingsopbrengsten. Dit betreffen de beheerskosten die door vermogensbeheerders in
rekening worden gebracht alsmede de kosten van de beleggingsadministratie (beide verantwoord
onder kosten vermogensbeheer). De kosten van vermogensbeheer kunnen niet naar de
verschillende beleggingscategorieën worden uitgesplitst. In 2013 is 491 minder betaald aan
outperformance fee.
54
4.560
204
1.786
0
10
-1.706
4.854
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
23. Indirecte beleggingsresultaten voor risico fonds
Vastrentende waarden
Aandelen
Vastgoed
Commodities
Derivaten
2012
-26.255
25.794
-3.415
-3.752
-10.028
-17.656
49.765
35.444
-3.681
-1.198
0
80.330
-220
320
-5
-58
37
828
230
31
4
1.093
1.033
1.033
678
678
-1.425
1.425
Als gevolg van stijging van de rente is het resultaat op derivaten negatief.
24. Indirecte beleggingsresultaten voor risico deelnemers
Vastrentende waarden
Aandelen
Vastgoed
Commodities
25. Overige baten
VPL-regeling
26. Mutatie overige voorzieningen
Premiedepot
Aan het begin van het jaar wordt op basis van schattingen de dotatie aan of onttrekking uit
het premiedepot actieven bepaald. Begin 2013 is berekend dat in 2013 de feitelijk te ontvangen
premie lager zal zijn dan de interne (zuivere) kostendekkende premie. In 2013 is 1.425 onttrokken
aan het depot.
27. Pensioenuitkeringen
Ouderdomspensioen
Tijdelijk ouderdomspensioen
Arbeidsongeschiktheidspensioen
Nabestaandenpensioen
Wezenpensioen
28. Pensioenuitvoeringskosten
Pensioenfonds en bestuur
Diensten van derden
Overige kosten
In Diensten van derden zijn de kosten van automatiseringsadvies opgenomen.
Deze kosten zijn 179 afgenomen.
Verder zijn accountantskosten in de Diensten van derden opgenomen, te weten:
- Onderzoek jaarrekening en verslagstaten
- Overige controle opdrachten
- Belastingdiensten
- Overige dienstverlening
16.240
2.422
267
3.577
61
22.567
15.016
2.655
276
3.472
51
21.470
630
1.101
62
1.793
722
1.318
62
2.102
87
0
20
0
107
Bij het pensioenbureau zijn eind 2013 6 medewerkers (2012:7), 4,75 FTE's (2012:5,6), werkzaam.
Bestuursleden en leden van het verantwoordingsorgaan die niet meer in actieve dienst zijn
kunnen hun kosten declareren bij het fonds. Dit betreft reis- en verblijfskosten en een
forfaitair bedrag per jaar. In 2012 bedragen deze kosten: 9 (2011: 8).
55
81
9
17
18
125
Toelichting op de jaarrekening
in duizenden euro's
2013
29. Overige Lasten
Herwaardering waardeoverdracht IMS
Te betalen naheffing BTW
2012
2.029
109
2.138
Gedurende 2007 is het bedrijfsonderdeel IMS verkocht. De collectieve waardeoverdracht is toen in gang gezet,
maar kon nog niet worden voltooid in verband met de financiële situatie van het ontvangende fonds.
Aan het eind van 2013 is de waardeoverdracht opnieuw gewaardeerd, omdat waardeoverdracht binnenkort
waarschijnlijk weer mogelijk zal zijn. Als gevolg hiervan is de schuld verhoogd met 2.029.
In 2013 is een naheffing voor BTW ontvangen. Dit betreft btw-heffing op
vermogensbeheeractiviteiten in 2008 en 2009 voor de discretionaire portefeuille en
buitenlandse adviesdiensten in 2012.
56
0
0
0
9
Overige gegevens
57
Actuariële verklaring
Opdracht
Door Stichting Pensioenfonds Grontmij te De Bilt is aan Towers Watson Netherlands B.V. de opdracht
verleend tot het afgeven van een actuariële verklaring als bedoeld in de Pensioenwet over het boekjaar
2013.
Gegevens
De gegevens waarop mijn onderzoek is gebaseerd, zijn verstrekt door en tot stand gekomen onder de
verantwoordelijkheid van het bestuur van het pensioenfonds.
Voor de toetsing van de fondsmiddelen en voor de beoordeling van de vermogenspositie heb ik mij
gebaseerd op de financiële gegevens die ten grondslag liggen aan de jaarrekening.
De accountant van het pensioenfonds heeft mij geïnformeerd over zijn bevindingen ten aanzien van de
betrouwbaarheid (materiële juistheid en volledigheid) van de basisgegevens en de overige uitgangspunten
die voor mijn oordeel van belang zijn.
Werkzaamheden
Ter uitvoering van de opdracht heb ik onderzocht of is voldaan aan de artikelen 126 tot en met 140 van de
Pensioenwet.
De door het pensioenfonds verstrekte administratieve basisgegevens zijn zodanig dat ik die gegevens als
uitgangspunt van de door mij beoordeelde berekeningen heb aanvaard.
Als onderdeel van de werkzaamheden voor de opdracht:
· heb ik ondermeer onderzocht of de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen vermogen en
het vereist eigen vermogen toereikend zijn vastgesteld; en
· heb ik mij een oordeel gevormd over de vermogenspositie van het pensioenfonds.
Mijn onderzoek heb ik zodanig uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de
resultaten geen onjuistheden van materieel belang bevatten. Ik heb mij een oordeel gevormd over de
waarschijnlijkheid waarmee het pensioenfonds de tot balansdatum aangegane verplichtingen kan nakomen,
mede in aanmerking nemend het financieel beleid van het pensioenfonds.
De beschreven werkzaamheden en de uitvoering daarvan zijn in overeenstemming met de binnen het
Koninklijk Actuarieel Genootschap geldende normen en gebruiken, en vormen naar mijn mening een
deugdelijke grondslag voor mijn oordeel.
Oordeel
De technische voorzieningen zijn, overeenkomstig de beschreven berekeningsregels en uitgangspunten,
als geheel bezien, toereikend vastgesteld.
Het eigen vermogen van het pensioenfonds is op de balansdatum lager dan het wettelijk vereist eigen
vermogen, maar niet lager dan het wettelijk minimaal vereist eigen vermogen.
Gemeten naar de wettelijke maatstaf is ten aanzien van de verplichtingen, aangegaan tot balansdatum,
sprake van een reservetekort.
Met inachtneming van het voorafgaande heb ik mij ervan overtuigd dat is voldaan aan de artikelen 126 tot
en met 140 van de Pensioenwet, met uitzondering van artikel 132.
De vermogenspositie van Stichting Pensioenfonds Grontmij is naar mijn mening niet voldoende, vanwege
het reservetekort.
Purmerend, 12 juni 2014
drs. T.J.R. Veerman AAG
Verbonden aan Towers Watson Netherlands B.V.
58
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Aan: het bestuur van Stichting Pensioenfonds Grontmij
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de in dit verslag opgenomen jaarrekening 2013 van Stichting Pensioenfonds Grontmij te De Bilt
gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december 2013 en de staat van baten en
lasten over 2013 met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen
voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Het bestuur van de stichting is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en
het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het jaarverslag, beide in
overeenstemming met Titel 9 Boek 2 van het in Nederland geldende Burgerlijk Wetboek (BW). Het bestuur
is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken
van de jaarrekening mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of
fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle.
Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse
controlestandaarden. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij
onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de
jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de
bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de
door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico's dat de
jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.
Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die
relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan, gericht op het
opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen
hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne
beheersing van de stichting. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte
grondslagen voor financiële verslaggeving en van de redelijkheid van de door het bestuur van de stichting
gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een
onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Oordeel betreffende de jaarrekening
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en samenstelling van het
vermogen van Stichting Pensioenfonds Grontmij per 31 december 2013 en van het resultaat over 2013 in
overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar
aanleiding van het onderzoek of het jaarverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig
Titel 9 Boek 2 BW is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens
zijn toegevoegd. Tevens vermelden wij dat het jaarverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen,
verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW.
Utrecht, 12 juni 2014
Ernst & Young Accountants LLP
w.g. N.M.Pul RA
59
Resultaatbestemming
Statutaire regeling bestemming resultaat
Ten aanzien van de bestemming van het resultaat is geen bepaling opgenomen in de statuten van het
fonds.
Bestemming resultaat
Het bestuur heeft besloten het resultaat op de volgende wijze te bestemmen:
Toevoeging aan Overige Reserve
Toevoeging aan Bestemmingsreserve
+ 14.922
-/- 209
+ 14.713
De consequentie van dit besluit is reeds in de jaarrekening verwerkt.
Gebeurtenissen na balansdatum
Het bestuur heeft besloten om per 1 januari 2014 aan premievrijen en pensioengerechtigden een toeslag te
verlenen van 0,5% en aan actieven van 1%.
Per 1 januari 2014 is een nieuw pensioenreglement van kracht geworden. Onderdeel van deze nieuwe
regeling is dat de individuele beschikbare premieregeling is gestopt. Evenals de basisregeling is dit nu een
Collectief DC met middelloonsystematiek. Er heeft een interne waardeoverdracht plaatsgevonden, waarvan
melding is gemaakt bij DNB. De waarde op 31 december 2013 is ingebracht. Koersontwikkelingen na deze
datum zijn voor risico van het fonds. Ook heeft het fonds vanaf 2014 geen bemoeienis meer met de
vrijwillige bijspaarregeling.
De nominale dekkingsgraad per 31 mei 2014 is 112,1% bij een vereiste dekkingsgraad van 111,6%.
Voor de waardering van de verplichtingen wordt de door DNB gepubliceerde rentestructuur gehanteerd.
Per 31 mei 2014 is de rente voor SPG 2,50%.
De economische dekkingsgraad is 105,8%. Bij de berekening van deze dekkingsgraad worden de
verplichtingen bepaald met gebruikmaking van de marktrente. Deze is per 31 mei 2014 2,17%.
60
10
Personalia
In 2013 zijn de volgende personen overleden: In 2013 gingen de volgende personen met (tijdelijk)
ouderdomspensioen:
Aktief
Avezaat, G.A.N.
Huls, A.
31
63
Pensioengerechtigden
Bok, H.M.
Bresser, D.
Brouwer, J.J.M. de
Bruins, B.
Dongen, W.L.A. van
Erkelens , J.
Frei, P.
Koeslag, G.J.
Koetsier, D.J.
Kolsteren, B.W.
Maalderink, D.J.
Martinus, A.
Oom en, A.M.J.H.
Oom en, P.C.C.M.
Oort, H.T. van
Oosterbaan, W.
Oosterveld, G.J.
Pot, R.A.
Sijbring, H.
Smits, J.R.
Stuijvenberg, W.J.
Tabak, K.G.
Vastenburg, G.
Velde, G. van der
Vent, B.J.H. de
Versteegh, C.G.
Wielsma, S.
Wilde, H. de
90
73
68
77
69
74
84
79
78
85
76
97
78
70
73
66
76
74
70
85
81
66
88
84
66
82
87
73
Nabestaanden
Beringen-Jaspers, H.M.G.
Bruin-Voermans, S. de
Calsteren-Westland, Z. van
Eerden-Scheffers, M.C.H.
Geurse-van Gulik, T.
Haasnoot-Potters , A.J.
Kleppe-Kollis, A.M.
Kramer-van Kapel, N.J.
Lägers-Ballast, F.A.
Lindeman-de Groot, M.E.A.
Mansvelt Beck-van Bakergem , J.W.M.
Muskee-Koops, W.A.
Oosterveld-de Jong, A.J.
Plaat-Schelfhorst, K.G.
Rosier-Adriaanse, M.
Schaafsma-Oosterbaan, F.A.S.
Tap-Muilenburg, J.
Verkerk-Boot, H.
Visser-Burgers , C.L.M.
Wildeman-de Boer, M.
75
80
67
83
80
74
88
89
88
85
99
94
74
86
82
88
85
96
95
90
Premievrije polis
Beerepoot, G.E.
Hekker, H.W.
Meijer, D.
Schipper, P.J.
Sengers, P.
Stroeve, J.G.
50
54
58
56
33
63
Vanuit aktief dienstverband
Belcher, I.G.
Berg-Klarenbeek, A.J.W. van
Bijl, D.J. de
Bil, A.
Blommendal, H.P.A.R.
Bouw, J.
Boxhoorn, S.A.
Broeren, G.C,
Dekker-van de Parel, L.C. den
Duijzend, R.P.
Geleijnse, A.
Goosen, P.C.
Hamersma, C.A.A.
Hardeveld, H.L. van
Hateren, R. van
Heerdt, J. van
Hennik, H.S. van
Hesse, R.R.
Jong, E.G. de
Kieft, H.
Kommer-Frey, R. van
Kruizinga, S.W.H.
Kuit, J.
Lange, G.R. de
Leenknegt, J.M.
Maanen, H. van
Mierlo, C.G. van
Moerkerk, C.P.M.
Monfrooij, E.J.
Nagengast, C.M.L.
Nagtegaal, C.
Odijk, S.A.
Oortwijn, P.J.A.
Pater, H.
Ploeg, G.C. van der
Pooter, S.C. de
Prikken, L.J.J.
Raedts, W.J.M.
Reeskamp, J.J.
Rollingswier, H.
Rombaut, A.J.
Runia, P.
Spruyt, M.A.J.
Tjepkema, W.S.
Veerhoek, C.M.
Veld, W. van 't
Verspuij, A.H.W.
Visser, A.J.
Vliet, G. van
Vries, R.D. de
Wellner, R.
Weperen, J.R. van
Wiel, A. van de
Wijnen, J.B.
Wildt, M.G. de
Wingens, M.G.J.
Zaal, J.
61
Vanuit premievrije polissen
Antonis, J.H.
Bakker, M.T.
Berg, B. van den
Bergsma, L.
Blaauw, J.E.H.
Blaeser, H.
Boer, T. de
Comello, H.J.
Dekker, J.
Dongen, E.E.P.C. van
Donselaar, E.G.
Dubbers, A.G.
Engelsma-van Asch, E.
Hattum, T.A.J. van
Havenga, A.E.
Hellinga, E.
Hoebé, C.
Hors ten-van Santen, Y.
Janssen, J.G.M.
Kamminga, F.E.
Klaaijsen, A.H.
Koelman, J.M.J.
Koiter-Luttmer, J.
Kots, R.
Kreuwels, J.A.J.
Kriek-Jager, G.H.
Luijten, A.M.J.C.
Nimwegen, J.J.P. van
Padmos, J.M.
Pieterse, A.J.
Pronk, J.W.
Schotgerrits-Molenaar, H.C.A.
Sm edema, H.
Sm its, S.
Thiescheffer, J.H.
Triesm an, M.L.
Valk, G.J.
Veen, L. van
Vries, A.A. de
Vries, J. de
Weidijk, F.
Wilschut, C.
Zandijk, I.P.
11
Colofon
Digitaal jaarverslag
Dit jaarverslag is digitaal beschikbaar op de website van Stichting Pensioenfonds Grontmij. U kunt het
downloaden via www.pensioenfonds.grontmij.nl. Wilt u een digitale versie via mail toegestuurd krijgen,
stuur dan een e-mail naar [email protected] .
Telefoon
030 220 77 41
Bezoekadres
De Holle Bilt 22
9732 HM De Bilt
Postadres
Postbus 203
3730 AE De Bilt
Redactie
Stichting Pensioenfonds Grontmij
62