Gunnewick Mengvoeders B.V. De heer T. Gunnewick

Gunnewick Mengvoeders B.V.
De heer T. Gunnewick
Winterswijkseweg 16
7134 ND VRAGENDER
Datum
Ons kenmerk
Uw brief van
Januari 2014
WABO13.0789
19-07-2013
Uw kenmerk
Behandeld door
Doorkiesnummer
Philippe Kromjong
0544-393600
Verzonden op:
Onderwerp
Omgevingsvergunning voor bouwen en milieu
Beste meneer Gunnewick,
Op 19 juli 2013 hebben wij uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen. U vraagt om een
vergunning voor het oprichten van een zakgoed- en grondstoffenloods op het adres
Winterswijkseweg 16 in Vragender. In deze brief leest u het door ons genomen besluit.
Verlening vergunning
Wij verlenen aan u een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu voor het
oprichten van een zakgoed- en grondstoffenloods op het adres Winterswijkseweg 16 in Vragender.
De gestempelde stukken en bijlagen maken deel uit van deze omgevingsvergunning.
Inwerkingtreding
Conform artikel 6.1 lid 2 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht treedt dit besluit
in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepsschrift.
Dit betreft een termijn van 6 weken die ingaat na de dag waarop wij u deze vergunning hebben
gestuurd.
De volgende voorwaarden zijn aan de vergunning verbonden:
Brandveiligheid:
 De aanwezige blusmiddelen moeten zijn afgestemd op het beoogde gebruik en de minimale
inhoud dient 6 kg poeder of 6 liter sproeischuim te bedragen.
Constructie (de volgende stukken minimaal 3 weken voor aanvang van de bouw ter goedkeuring
overleggen):
 Geotechnisch rapport met een beschouwing van de volgende onderdelen:
o resultaten van het grondonderzoek, bestaande uit voldoende sonderingen;
advies aangaande het type fundering;
o berekening van de grondmechanische draagkracht van de ondergrond voor een
fundering op staal of op palen (trek en/of druk);
Procedure
Wij hebben uw aanvraag behandeld op basis van de uitgebreide procedure.
1
Het ontwerpbesluit op uw aanvraag omgevingsvergunning heeft van 30 januari 2014 tot en met 13
maart 2014 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen naar
voren gebracht. Hieronder leest u hoe wij tot ons besluit zijn gekomen.
BOUWEN
Uw aanvraag is voor wat betreft de activiteit bouwen getoetst aan artikel 2.1 en 2.10 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 2.10 Wabo bepaalt onder meer dat uw
aanvraag moet voldoen aan het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke
eisen van welstand.
Bouwbesluit/bouwverordening
Uw aanvraag voldoet aan het Bouwbesluit en de bouwverordening, waarbij ten aanzien van de
brandveiligheid en de constructie nog voorwaarden zijn gesteld.
Ook bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden moet u er voor zorgen dat u handelt
overeenkomstig de bepalingen uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Bij deze vergunning vindt
u een bijlage met daarin een samenvatting van de belangrijkste plichten tijdens de bouw.
Bestemmingsplan
Het perceel Winterswijkseweg 16 in Vragender ligt binnen het bestemmingsplan ‘Vragender
herziening Gunnewick Winterswijkseweg 16’. Hierbinnen heeft het perceel de bestemming ‘Bedrijf –
specifieke vorm van bedrijf: mengvoederbedrijf’. Binnen deze bestemming is het mogelijk om binnen
het bouwvlak bedrijfsbebouwing op te richten met een maximale goothoogte van 8 meter en een
maximale hoogte van 12 meter. Uw bouwplan voldoet hieraan.
Welstand
Uw bouwplan hebben wij voorgelegd aan de welstandscommissie ‘het Gelders Genootschap’. Op 19
september 2013 heeft deze commissie advies uitgebracht waaruit blijkt dat uw bouwplan voldoet aan
de redelijke eisen van welstand. Dit advies hebben wij overgenomen.
MILIEU
Voor wat betreft de activiteit milieu is uw aanvraag getoetst aan de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht en de Ministeriele regeling omgevingsrecht. De
uitgebreide voorbereidingsprocedure is van toepassing (paragraaf 3.3 van de Wabo).
Het bedrijf is een type C als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Naast de vergunning geldt voor
bepaalde activiteiten het Activiteitenbesluit. De beschreven activiteiten in de aanvraag die geregeld
worden in het Activiteitenbesluit worden beschouwd als een melding op grond van dit besluit.
Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting of
mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 aanhef en onder e Wabo. De Wabo omschrijft in artikel
2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft
plaatsgevonden.
Bij de beslissing op de aanvraag zijn:
de aspecten genoemd in artikel 2.14 lid 1 onder a van de Wabo betrokken;
met de aspecten genoemd in artikel 2.14 lid 1 onder b van de Wabo rekening gehouden;
de aspecten genoemd in artikel 2.14 lid 1 onder c van de Wabo in acht genomen.
In de onderstaande hoofdstukken is dit nader toegelicht, waarbij alleen die onderdelen van het
toetsingskader zijn meegenomen die ook daadwerkelijk op de beslissing van invloed (kunnen) zijn.
Algemeen
De aanvraag (inclusief bijbehorende onderzoeken) maakt onderdeel uit van de vergunning.
Afvalstoffen
Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer is van toepassing. Dat wat geregeld is in wetgeving, mag niet in een
vergunning worden geregeld.
2
Bodem
Voor het bepalen van de risico van bodembedreigende activiteiten en voor het beoordelen van de
noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen wordt aangesloten
bij de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). De NRB beschrijft
de risico’s van bodembedreigende activiteiten en het effect van de bodembeschermende
voorzieningen.
Het bij de aanvraag ingediende rapport Verkennend bodemonderzoek d.d. 23 februari 2011 is actueel
voor wat betreft de onderzoeks- en rapportagedatum, maar onvolledig voor wat betreft de
onderzochte bodembedreigende locaties ten behoeve van het vastleggen van de nulsituaties. De
overgelegde rapportage heeft betrekking op verricht onderzoek, ter plaatse van de locatie van de
voorgenomen bouw van een hal en wasplaats. Uit de aanvraag om de revisievergunning blijkt dat er
meerdere potentiële bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting plaatsvinden, zoals:
opslag 2x 3000 l dieselolie in bovengrondse tanks
smeerolie 4 X 200 l in vaatwerk
wasplaats incl. reinigingsmiddel 1000 l
aftanken dieselolie t.b.v. eigen voertuigen
opslag soja-olie 35 ton in silo’s/tanks
opslag visolie 30 ton in silo’s/tanks
opslag melasse 95 ton in silo’s/tanks
opslag in afvalcontainers
opslag afgewerkte olie
opslag kuilvoer
werkplaats technische dienst.
De volgende activiteiten worden geregeld in het Activiteitenbesluit:
opslag oliën in bovengrondse tanks
wasplaats, wassen en stallen van motorvoertuigen
opslag agrarische bedrijfsstoffen
De onvolledigheden in het bij de aanvraag overlegde bodemrapport wordt deels geregeld via het
Activiteitenbesluit. In de vergunning zal een nieuwe nulsituatie worden voorgeschreven. Daar hoort
ook een eindsituatieonderzoek bij. Indien in het verleden voor (deel-)locaties met bodembedreigende
activiteiten de nulsituatie al is vastgelegd en geaccepteerd door het bevoegd gezag, dan kunnen die
documenten onderdeel uit maken van de in deze vergunning en op grond van het Activiteitenbesluit
voorgeschreven nulsituatie- en eindonderzoek. Als dit niet het geval is, dient bij het aantreffen van
een verontreiniging bij het eindonderzoek te worden nagegaan of deze in het verleden is veroorzaakt
door het bedrijf. Zo ja, dan dient ook deze historische verontreiniging afhankelijk van de ernst, in ieder
geval na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (inrichting), te worden verwijderd.
Energie
In het landelijke beleid worden bedrijven met een jaarlijks energieverbruik hoger dan 75.000 m3
aardgas(equivalent) als energierelevant bestempeld. Uit de aanvraag blijkt dat het verbruik van
elektriciteit ver boven de grenswaarde ligt. In deze vergunning zijn voorschriften opgenomen die
overeenkomen met het Activiteitenbesluit.
Externe Veiligheid
Voor de opslag en/of overslag van gevaarlijke stoffen in emballage is de PGS 15 opgesteld. In deze
vergunning zijn voorschriften opgenomen.
Kunstmest
Binnen de inrichting vindt opslag plaats van 500 ton vaste kunstmest klasse C in zakken. Het gaat om
kalkammon, magnesamon, kieseriet, landbouwzout en kalimeststoffen. De PGS 7 is van toepassing
en voorgeschreven naar analogie met het Activiteitenbesluit.
Geluid
De beoordeling van de geluidbelasting, veroorzaakt door bronnen binnen de inrichting, vindt plaats
aan de hand van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening d.d. 21 oktober 1998 (hierna
3
te noemen: de Handreiking). Er worden twee geluidsbelastingen getoetst en wel de gemiddelde
geluidsbelasting (LAr,LT) en de maximale geluidsbelasting (LAmax). Door geluidbeleid kan nadere
invulling gegeven worden aan de Handreiking. De gemeente Oost Gelre heeft in april 2008 beleid
vastgesteld genaamd “Geluidbeleid gemeente Oost Gelre”. Voor LAmax is in het beleid geen kader
gegeven zodat de Handreiking van toepassing is. De locatie van het bedrijf is aangeduid als
bedrijventerrein in het beleid. Hiervoor geldt een streefwaarde van 45-50 dB(A).
Voor het toetsen van indirecte hinder door het komen en gaan van verkeer van en naar de inrichting
wordt getoetst aan de Circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de
inrichting" van 29 februari 1996 (de Circulaire).
In de vigerende vergunning van 1995 staat als norm voor LAmax 60 dB(A) etmaalwaarde. Het laden
en lossen alsmede aan- en afrijden is echter niet uitgezonderd van de normering. Er is wel een
verbod voor laden/lossen en vrachtwagenbewegingen tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode)
opgenomen.
Uit het akoestisch onderzoek bij de aanvraag blijkt dat:
de voertuigbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van goederen plaats vinden
tussen 07:00 uur en 19:00 uur (dagperiode);
inpandig geladen en gelost wordt;
er maximale niveaus optreden van boven de 60 dB(A) met als uitschieter op 1 punt 74 dB(A)
en dat deze waarden veroorzaakt worden door de vrachtwagenbewegingen op het terrein.
Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het
voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente
niveau uitkomen. De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in
respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de dagperiode kan zich de volgende
ontheffingsmogelijkheid voordoen:
in het geval dat er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin
technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken,
zou los van het bovenstaande de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5
dB mogen worden overschreden. Deze uitzonderlijke bedrijfssituaties dienen in de vergunning te
worden aangegeven.
De vrachtwagenbewegingen zijn al vergund en zijn noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Het bedrijf
heeft er voor gezorgd dat het laden/lossen inpandig gebeurt. Maar de vrachtwagenbewegingen
moeten plaatsvinden en zijn niet te vermijden. Bovendien ligt het bedrijf aan een verkeersweg
(Winterswijkseweg) waar ook vrachtverkeer over heen gaat.
Uit het bovenstaande en het akoestisch onderzoek blijkt dat het aangevraagde maximale
geluidsniveau (LAmax) van 74 dB(A) tengevolge van vrachtwagenbewegingen op het terrein van de
inrichting uitsluitend voor de dagperiode vergunbaar is. Dit is in voorschriften vastgelegd.
Geur en Lucht
Het Activiteitenbesluit kent geen specifieke voorschriften voor mengvoerbedrijven. De aspecten lucht
(emissie-eisen voor verschillende stoffen) en geur moet in de vergunning geregeld worden. De
bijzondere regeling “A3 – Diervoederindustrie” van de Nederlandse emissierichtlijn is van toepassing.
Er zijn geuremissiefactoren gedefinieerd voor geperste voeders voor varkens, pluimvee en rundvee
plus overige landbouwhuisdieren. Voor bestaande situaties geldt een acceptabel hinderniveau van
1,4 ouE/m3 als 98-percentiel. In een bestaande situatie mag de geurbelasting bij geurgevoelige
objecten deze waarde niet overschrijden. Uit het bij de aanvraag gevoegde rapport geuremissie en
geurcontouren d.d. 25 mei 2012 blijkt dat voldaan kan worden aan een acceptabel hinderniveau van
1,4 ouE/m3 als 98-percentiel.
Voor andere parameters dan geur zijn in de bijzondere regeling geen emissie-eisen opgenomen,
zodat hiervoor de algemene bepalingen van de NeR gelden zoals de standaardnorm voor stof van 5
mg/m03. Deze norm voor stof is strenger dan wat al vergund is. In het bij de aanvraag gevoegde
4
luchtrapport is aangegeven dat aan deze norm voldaan kan worden met de voorzieningen die in de
inrichting aanwezig zijn.
Leges
De kosten voor het in behandeling nemen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen
zijn gekoppeld aan de bouwkosten. De bouwkosten van uw bouwplan zijn conform uw opgave
vastgesteld op € 650.000,00.
De kosten voor het in behandeling nemen van deze omgevingsvergunning bedragen hiermee:
Statiegeldregeling
Aanvraag omgevingsvergunning bouwen
Totaal
€
€
€
100,00
Later in te vullen
U ontvangt voor deze kosten een aparte factuur.
Vragen?
Als u vragen heeft over de uitvoering van uw bouwplan dan kunt u contact opnemen met Marco
Böhmer. Hij is te bereiken via 0544- 393522. Voor overige vragen kunt u terecht bij Philippe
Kromjong. Hij is te bereiken via 0544-393600 of [email protected].
Met vriendelijke groet,
Namens burgemeester en wethouders van Oost Gelre,
Marcel Reintjes
Afdeling Bouwen en Milieu
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
geadresseerde
archief
BEO
BM/Eenheid Bouwen/Handhaving
GEO/BAG
Belastingen
i.a.a. gemachtigde: Dhr. B.H. Wopereis, Varsseveldseweg 65d, 7131 JA Lichtenvoorde
Bent u het er niet mee eens?
Bent u het met dit besluit niet eens, dan kunt u beroep aantekenen. U kunt dit doen op basis van de
Algemene wet bestuursrecht. Hoe u dat kunt doen, leest u hier.
Beroep
U kunt beroep aantekenen bij de Rechtbank Gelderland, Team Bestuursrecht, Postbus 9030, 6800
EM Arnhem.
Zorgt u ervoor dat u het beroepschrift schriftelijk indient binnen zes weken na de dag waarop wij deze
brief hebben verstuurd. Daarmee voorkomt u dat de rechtbank het beroep niet meer kan behandelen.
Het is niet mogelijk om uw beroepschrift via e-mail in te dienen.
In uw beroepschrift moet in ieder geval staan:
Uw naam en adres, de datum waarop u het beroep schrijft, een omschrijving van het besluit waar het
beroepschrift tegen gericht is (u kunt bijvoorbeeld een kopie van deze brief meesturen of u vermeldt
datum en kenmerk van deze brief), de reden waarom u beroep aantekent en uw handtekening.
Voorlopige voorziening
5
Als u in beroep gaat tegen dit besluit, blijft het besluit wel van kracht. Heeft dit voor u op korte termijn
gevolgen en wilt u hier iets tegen doen, dan kunt u de rechtbank vragen een voorlopige voorziening te
treffen. Dit kunt u doen door in het beroepschrift aan te geven dat u de rechtbank om een voorlopige
voorziening vraagt. Dit kan eventueel ook nog op een later moment in een aparte brief aan de
rechtbank. De rechtbank zal dan in de regel op korte termijn een spoedzitting plannen.
6
Plichten tijdens de bouw
Dit is een samenvatting van enkele plichten die u volgens onder andere hoofdstuk 2 en 4 van de
bouwverordening van de gemeente Oost Gelre heeft bij het bouwen. De volledige tekst van de
bouwverordening kunt u raadplegen op onze website.
1.
De omgevingsvergunning moet op het terrein aanwezig zijn en op verzoek van de
gemeentelijk toezichthouder worden getoond. Voor zover van toepassing geldt dit ook voor
andere vergunningen, ontheffingen, het bouwveiligheidsplan en aanschrijvingen volgens de
Woningwet.
2. U mag niet met bouwen beginnen voordat het peil is aangegeven en de rooilijnen en/of
bebouwingsgrenzen zijn uitgezet of gecontroleerd door de toezichthouder Bouwen.
3.
Onmiddellijk na gereedkomen, dienen riolering en afvoerputten zonder dat deze door
grondbedekking aan het oog zijn onttrokken te worden gecontroleerd door de toezichthouder
Bouwen.
4.
Het opslaan van bouwmaterialen dient op eigen terrein te gebeuren. Als dit niet mogelijk is,
dient u vooraf de opslag van deze materialen op de openbare weg schriftelijk te melden bij de
afdeling Bestuurszaken.
5.
Indien tijdens de bouw wijzigingen doorgevoerd moeten worden, meldt dit dan zo snel
mogelijk aan de toezichthouder bouwen van de gemeente, zodat samen gekeken kan worden
naar een oplossing. Indien u dit niet doet en bouwt in afwijking van de omgevingsvergunning
of in strijd met het Bouwbesluit kan er besloten worden de bouwwerkzaamheden stil te leggen
en handhavend op te treden door middel van het toepassen van bestuursdwang.
6.
U dient melding te maken van het volgende:
a. Aanvang bouwwerkzaamheden, uiterlijk twee dagen van tevoren (middels bijgevoegd
formulier);
b. Betonstorten, uiterlijk één dag van tevoren (bij voorkeur telefonisch aan
toezichthouder Bouwen);
c. Beëindiging bouwwerkzaamheden, uiterlijk op de dag van beëindiging (middels
bijgevoegd formulier).
Als u zich niet aan deze voorwaarden houdt kunnen burgemeester en wethouders de
omgevingsvergunning intrekken op grond van artikel 5.19 Wet Algemene Bepalingen
Omgevingsrecht.
7
MILIEUVOORCHRIFTEN
1 ALGEMEEN
1.1 Gedragsvoorschriften
1.1.1 De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud
verkeren.
1.1.2 Alle binnen de inrichting aanwezige machines, installaties en voorzieningen moeten
overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn. Installaties of onderdelen van
installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede
staat van onderhoud verkeren.
1.1.3 De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn
afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.
1.1.4 Vóór beëindiging van het gebruik van de inrichting moeten, indien en voor zover door
het bevoegd gezag noodzakelijk geacht, alle (afval)stoffen, materialen en installaties van het
terrein van de inrichting worden verwijderd en afgevoerd naar een daartoe bevoegde
verwerkingsinrichting.
1.2 Registratie
1.2.1 In de inrichting moet een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie
omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieuonderzoeken worden bijgehouden. In het registratiesysteem moet ten minste de volgende
informatie zijn opgenomen:
- de resultaten van in de inrichting uitgevoerde milieucontroles, keuringen, inspecties,
metingen, registraties en onderzoeken (zoals keuringen van brandblusmiddelen, visuele
inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bodemonderzoek, keuringen van
stookinstallaties, etc);
- meldingen van ongewone voorvallen, die van invloed zijn op het milieu, met vermelding
van datum, tijdstip en de genomen maatregelen;
- afgiftebewijzen van afvalstoffen;
- registratie van het energie- en waterverbruik;
- een afschrift van de vigerende milieuvergunning(en) met bijbehorende voorschriften en
meldingen.
1.2.2 De onderstaande documenten moeten in ieder geval tot aan het beschikbaar zijn van
de resultaten van de eerst volgende meting, keuring, controle of analyse, maar ten minste
gedurende vijf jaar in de inrichting worden bewaard en ter inzage gehouden voor daartoe
bevoegde ambtenaren:
- metingen, keuringen en controles aan installaties of installatie-onderdelen welke zijn
voorgeschreven in deze vergunning;
- registers, rapporten en analyseresultaten welke ingevolge deze vergunning moeten worden
bijgehouden.
2 Instructie personeel
2.1 De in de inrichting werkzame personen moeten zodanig zijn geïnstrueerd dat zij de aan
hen opgedragen werkzaamheden kunnen verrichten conform deze vergunning.
8
2.2 In de inrichting moet tijdens de werktijden altijd ten minste één verantwoordelijk persoon
aanwezig zijn, die ter zake kundig is en bekend is met de bestaande veiligheidsmaatregelen,
om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen.
2.3 Voordat personeelsleden van derden werkzaamheden mogen verrichten op het terrein
van de inrichting moeten zij zodanig zijn geïnstrueerd, dat de door hen te verrichten
werkzaamheden geen gevaar opleveren voor de installaties, opslagen en dergelijke en niet
in strijd zijn met het gestelde in deze vergunning.
3 ENERGIE
3.1. Wanneer uit de energieregistratie blijkt dat het verbruik bovennormaal is gestegen, moet
de vergunninghouder onverwijld onderzoeken waar dit verhoogd verbruik aan te wijten is, en
maatregelen treffen om dit verhoogd verbruik te beëindigen.
3.2. Het verbruik van energie binnen de inrichting is zo laag als redelijkerwijs mogelijk is. Dat
houdt in elk geval het volgende in:
bij nieuw- en/of verbouw dienen energiezuinige maatregelen te worden getroffen die voldoen
aan de stand der techniek van dat moment.
energiebesparende maatregelen worden getroffen met een terugverdientijd van vijf jaar of
minder of energiebesparende maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben
bij een interne rentevoet van 15%.
4 LUCHT EN GEUR
4.1 Algemeen
4.1.1 De emissies die vrijkomen moeten zich goed kunnen verspreiden zodat opeenhoping
wordt voorkomen.
4.1.2 Emissiepunten van de afgezogen stromen moet zodanig zijn uitgevoerd, dat elke
afgezogen stroom geen hinder ondervindt van de invloed van gebouwen.
4.1.3 Uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen,
luchtbehandelinginstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in deze vergunning
geen andere voorschriften zijn gesteld, moeten zodanig zijn gesitueerd dat van de hierdoor
uittredende lucht en de daarin aanwezige stoffen geen hinder wordt ondervonden buiten de
inrichting.
4.2 Inspectie en onderhoud
4.2.1 Er dient een inspectie- en onderhoudssysteem opgezet te zijn dat periodiek onderhoud
en controle van filtrerende afscheiders zoals doekfilters met een afdoende frequentie en
diepgang waarborgt.
4.2.2 Het inspectie- en onderhoudssysteem dient ten minste te omvatten:
a. de verantwoordelijkheden van de betrokken functionarissen;
b. de onderdelen van de inrichting die aan inspectie en onderhoud worden onderworpen;
c. een beschrijving van de preventieve onderhoudsactiviteiten, alsmede van de volgorde en
de frequentie waarin deze worden uitgevoerd;
d. de wijze waarop registraties, alsmede interne en externe rapportages plaatsvinden.
4.2.3 Controle op de juiste werking van afzuig- en reinigingsinstallaties dient op eenvoudige
wijze te kunnen geschieden.
4.2.4 Emissiepunten moeten gemakkelijk bereikbaar en toegankelijk zijn voor het doen van
emissiemetingen.
9
4.3 Geur
4.3.1 De geurconcentratie behorend bij het acceptabel hinderniveau van de inrichting
bedraagt maximaal 1,4 ouE /m3 als 98 percentielwaarde ter plaatse van de dichts bijgelegen
woningen en andere geurgevoelige objecten.
4.3.2 Ter beperking van geurhinder dient het emissiepunt (de schoorsteen) van de afvoer
van de lucht van de koelers tenminste 22 meter boven maaiveld te zijn.
4.4 Stof
4.4.1 Buiten de inrichting mag geen visueel waarneembare stofverspreiding optreden.
4.4.2 De vloeren van de werkruimten en machines moeten regelmatig van stof worden
ontdaan. Het afgescheiden stof moet worden verzameld, bewaard en afgevoerd zonder dat
het stof zich in de omgeving kan verspreiden.
4.4.3 Stofoverlast op het buitenterrein van de inrichting moet worden voorkomen
door het treffen van passende maatregelen.
4.4.4 Het laden en lossen van licht verstuivende, poedervormige stoffen met behulp van
open laad- en losmiddelen als bijvoorbeeld grijpers, laadschoppen, etc. op het tot de
inrichting behorend open terrein is verboden.
4.4.5 Een stortput voor het lossen van bulkgrondstoffen moet deugdelijk overkapt zijn. De
stortput moet tijdens het lossen minimale open verbindingen hebben met de buitenlucht. De
overkapte ruimte moet zijn voorzien van luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht een
doelmatige doekfilterinstallatie moet passeren. De afzui-ging moet onder alle
omstandigheden zo sterk zijn dat in de openin¬gen steeds een naar binnen gerichte
luchtstroming blijft gehand¬haafd.
4.4.6 Silo’s dienen te zijn uitgerust met een overvul- of overdruksigna¬lering die bij overdruk
of overvulling (maximaal 90%) in werking worden gesteld.
4.4.7 De signaleringen als bedoeld in het vorige voorschrift moeten in de meet- en
regelruimte een duidelijk waarneembaar signaal geven indien een silo voor meer dan 90%
gevuld is. Het vullen moet dan onmiddellijk worden gestaakt en mag pas weer worden
hervat als de oorzaak van het in werking treden van de signalering is weggenomen.
4.4.8 Indien de bij het vullen van de grondstoffen en productsilo’s ontwijkende
verdringingslucht in de buitenlucht wordt geëmitteerd moet dit geschieden via een
doekfilterinstallatie, zodanig dat zich geen stof in de omgeving kan verspreiden.
4.4.9 Alle transportsystemen en machines moeten stofdicht zijn uitgevoerd.
4.4.10 Het laden van losgestort product in open vrachtwagens moet geschie¬den in een
gesloten gebouw.
4.4.11 De concentratie stof in de uittredende lucht (emissie), mag niet meer dan 5 mg/m03
bedragen.
4.5 Filterinstallaties
10
4.5.1 Een filterinstallatie moet in goede staat van onderhoud verkeren, periodiek worden
geïnspecteerd en regelmatig worden schoongemaakt. De inspecties en reiniging moeten zo
vaak als noodzakelijk, maar tenminste éénmaal per jaar plaatsvinden.
4.5.2 De in de filterinstallatie afgescheiden stoffen moeten worden verzameld zonder dat de
goede werking van de installatie wordt verstoord.
4.5.3 Het bewaren en afvoeren van de in het vorige voorschrift bedoelde stoffen moet
plaatsvinden zonder dat deze zich in de omgeving kunnen verspreiden.
5 GELUID
5.1 Het invallend langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de
inrichting aanwezige toestellen en installaties en de verrichte werkzaamheden en
plaatsvindende activiteiten, mag ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen van derden
en geluidgevoelige bestemmingen, niet meer bedragen dan:
- 45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode), op 1,5 m hoogte;
- 40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode), op 5 m hoogte;
- 35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode), op 5 m hoogte.
5.2 Het maximale geluidsniveau LAmax, gemeten in de meterstand "fast", veroorzaakt door
de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de verrichte werkzaamheden en
plaatsvindende activiteiten, mag ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen van derden
en geluidgevoelige bestemmingen, niet meer bedragen dan:
- 60 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);
- 55 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);
- 50 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).
5.3 In afwijking van voorschrift 5.2 mag het maximale geluidsniveau LAmax, gemeten in de
meterstand "fast", veroorzaakt door de in de inrichting plaatsvindende bewegingen van
vrachtverkeer, tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode) op 1,5 meter hoogte niet meer
bedragen dan:
- 65 dB(A) ter plaatse van de school (geluidgevoelige bestemming);
- 66 dB(A) ter plaatse van de Winterswijkseweg nummer 12;
- 70 dB(A) ter plaatse van de Winterswijkseweg nummer 15;
- 74 dB(A) ter plaatse van de Winterswijkseweg nummer 17;
- 62 dB(A) ter plaatse van de Winterswijkseweg nummer 19.
5.4 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus, alsmede de beoordeling van de
meetresultaten moet gebeuren overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen
Industrielawaai (uitgave 1999, Ministerie van VROM).
6 GEVAARLIJKE STOFFEN
6.1 De opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen, inclusief gevaarlijke afvalstoffen,
voldoet aan de richtlijn PGS15 hoofdstuk 3 met uitzondering van de voorschriften die zijn
aangeduid met alleen ‘Al’.
6.2 De opslag en het gebruik van gasflessen voldoet aan de richtlijn PGS15 hoofdstuk 6 met
uitzondering van de voorschriften die zijn aangeduid met alleen ‘Al’.
7 BODEM
7.1 De inrichting is zodanig uitgevoerd en in werking dat te allen tijde sprake is van een
verwaarloosbaar risico (bodemrisicocategorie A) in de zin van de NRB.
11
7.2 Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet uiterlijk binnen
3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden een nulsituatieonderzoek zijn
uitgevoerd. Het onderzoek moet betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting
waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op
de NEN 5725 en NEN 5740 'Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige
bodembelasting' en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.
De resultaten moeten uiterlijk 4 maanden nadat de vergunning in werking is getreden aan
het bevoegd gezag zijn overgelegd.
7.3 Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen - binnen 3 maanden nadat
voornoemde rapportage is overgelegd - nadere eisen worden gesteld door het bevoegd
gezag. Inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht,
indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk
blijkt.
7.4 Bij beëindiging van (een deel van) de bedrijfsactiviteiten waarbij potentieel
bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden, moet ter vaststelling van de
kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd
(eindonderzoek). Het eindonderzoek moet worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 5725 en
NEN 5740. Het eindsituatieonderzoek moet binnen 3 maanden na beëindiging van (een deel
van) de bedrijfsactiviteiten aan het college van burgemeester en wethouders zijn gezonden.
De resultaten moeten uiterlijk 4 maanden na beëindiging van (een deel van) de getreden
aan het bevoegd gezag zijn overgelegd.
7.5 Het eindonderzoek moet worden verricht op die locaties van de inrichting die bij het
nulsituatieonderzoek en een eventueel (laatste) herhalingsonderzoek relevant zijn gebleken
en op alle overige locaties in de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben
plaatsgevonden. Monsterneming moet zo spoedig mogelijk na beëindiging van (de inrichting/
de activiteiten) plaatsvinden. Monsterneming en analyse van de monsters dient te zijn
uitgevoerd conform NEN 5740.
7.6 Ter zake van de uitvoering van het eindonderzoek kunnen - binnen 3 maanden nadat
voornoemde rapportage is overgelegd – nadere eisen worden gesteld door het bevoegd
gezag. Inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht,
indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk
blijkt.
7.7 Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek en een eventueel (laatste)
herhalingsonderzoek onderzochte locaties moet het eindsituatieonderzoek dezelfde opzet
en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek of het eventueel uitgevoerde
herhalingsonderzoek.
7.8 Indien uit eindonderzoek, bedoeld in voorschrift 7.4 blijkt dat de bodem als gevolg van de
activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft
er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag
de bodemkwaliteit is hersteld tot:
a.
de nulsituatie zoals vastgelegd in het onderzoek als bedoeld in voorschrift 7.2.
b.
de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen
rapport als bedoeld onder a. beschikbaar is.
7.9 Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die
beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
8 OPSLAG VASTE KUNSTMESTSTOFFEN
12
8.1 De opslag van vaste kunstmeststoffen van meer dan 250 ton behorende tot klasse C
respectievelijk de meststoffengroep 1.1, 1.2 of 1.3 als bedoeld in PGS 7 voldoet aan:
1°.
de voorschriften genoemd in paragraaf 4.2 met uitzondering van de voorschriften
4.2.13 en 4.2.17;
2°.
de voorschriften genoemd in de paragrafen 5.2 en 6.1;
3°.
de voorschriften in paragraaf 7.2.2 met uitzondering van voorschrift 7.2.9;
4°.
de voorschriften van de paragrafen 8.1 en 9.1 tot en met 9.3 van de PGS 7. De
opslagvoorziening bestemd voor de opslag van vaste kunstmeststoffen behorende tot de
meststoffengroep 1.2 of 1.3 voldoet tevens aan de voorschriften genoemd in de paragrafen
4.3 en 8.2 van PGS 7.
9 NAZORG
9.1 Tenminste één maand voor het (geheel of deels) beëindigen van bedrijfsmatige
activiteiten waarvoor deze vergunning is verleend, dient hiervan schriftelijk melding te
worden gedaan bij het college van burgemeester en wethouders.
9.2 Na beëindiging van de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor deze vergunning is verleend,
dienen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden na de beëindiging van de
activiteiten, alle afvalstoffen, gevaarlijke afvalstoffen, gasflessen en gevaarlijke stoffen op
een milieuverantwoorde wijze te zijn verwijderd.
9.3 Bij (gedeeltelijke) beëindiging van bedrijfsactiviteiten moeten de in de inrichting
aanwezige grond- en hulpstoffen die voor deze activiteiten aanwezig zijn en niet meer
bruikbaar zijn voor de overige binnen de inrichting voorkomende activiteiten, evenals de
afvalstoffen die bij deze activiteit(en) zijn ontstaan, uiterlijk binnen twee maanden na de
beëindiging worden afgevoerd uit de inrichting.
9.4 Indien de bedrijfsriolering of een deel ervan buiten gebruik wordt gesteld, moet het niet
meer in gebruik zijnde gedeelte op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd
of worden afgedicht.
BIJLAGE: BEGRIPPEN
In deze beschikking wordt verstaan onder:
PGS 7:
Richtlijn PGS 7, getiteld ‘Opslag van vaste minerale anorganische
meststoffen’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 7: 2007
versie 0.1 (2-2009);
PGS 15:
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15, Opslag van verpakte gevaarlijke
stoffen; Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid, december 2011;
NeR: de Nederlandse emissierichtlijn;
NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming;
geluidsniveau in dB(A):
het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in
dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC)
terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in NEN 10651;
geluidgevoelige bestemming:
woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van
de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met
uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
geurgevoelige bestemming: geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geurhinder en veehouderij;
13
gevaarlijke stoffen
stoffen als bedoeld in de richtlijn PGS 15;
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT):
het energetisch gemiddelde van de
afwisselende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende
geluid, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai",
uitgave 1999;
maximale geluidsniveau (LAmax): de waarde die resteert na toepassing van de
meteocorrectieterm Cm (conform de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”,
uitgave 1999) op de hoogste aflezing van de geluidmeter in de meterstand "fast";
Voor zover een norm of richtlijn, waarnaar in een voorschrift of in de begrippenlijst verwezen
wordt, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt
bedoeld de vóór de datum, waarop de onderwerpelijke vergunning is verleend, laatst
uitgegeven norm of richtlijn met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of
correctiebladen dan wel - voor zover het op voornoemde datum reeds bestaande
constructies, toestellen en apparaten betreft - de norm of richtlijn die bij de aanleg c.q.
installatie van die constructies, toestellen en apparaten geldig was, tenzij in het voorschrift
anders is bepaald.
14