hesterhoeve omgevingsvergunning

OMGEVINGSVERGUNNING
Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
datum: 28 oktober 2014 Gemeente: Oude IJsselstreek nr.: 14ink01564
Gegevens aanvrager
Op 31 januari 2014 ontvingen wij een aanvraag voor een omgevingsvergunning
(activiteit milieu, revisie) van het dierenpension Hesterhoeve in Varsselder. De
aanvraag betreft het veranderen van een hondenkennel en dierenpension met
trimsalon aan de Hesterweg 5a in Varsselder. Het zaaknummer van het bevoegd
gezag is 14ink01564. De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal
bekend gemeente Gendringen, sectie L, nummer 1700 en 3640.
Projectbeschrijving
Voor de verandering van de inrichting aan de Hesterweg 5a in Varsselder wordt
een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning (revisievergunning)
aangevraagd. De belangrijkste wijzigingen binnen de inrichting zijn dat er honden
worden gehouden met een mogelijk bronvermogen tot 120 dB(A) en het met
name in het hoogseizoen plaatsen van grote honden in de aan de noordzijde
gelegen buitenrennen van de inrichting. Gelet op bovenstaande omschrijving
wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteit:
Het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting of
mijnbouwwerk (milieu, artikel 2.1, lid 1, onder e).
Melding Activiteitenbesluit
De aanvrager heeft aangegeven dat het de bedoeling is de aanvraag om een
omgevingsvergunning tevens te zien als een melding in het kader van het
Activiteitbesluit milieubeheer. Dit is toegestaan als wordt voldaan aan de
meldingsvereisten uit artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Omdat de aanvraag
voldoende gegevens bevat beschouwen wij deze aanvraag ook als een melding in
het kader van het Activiteitenbesluit.
Bevoegd gezag
Op basis van het bepaalde in artikel 2.4 van de Wabo, artikel 3.3 van het Besluit
omgevingsrecht en onder andere categorie 8 uit onderdeel C bij de bijbehorende
bijlage I zijn burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek bevoegd gezag
om de omgevingsvergunning te verlenen of (gedeeltelijk) te weigeren. Daarbij
dienen zij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden
voorschriften op elkaar zijn afgestemd.
Vergunning verleend
Wij hebben de door u gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hierbij ontvangt
u de vergunning. In deze vergunning staan per activiteit voorschriften
aangegeven. Lees deze goed door. De volgende stukken maken onderdeel uit van
de vergunning:
1
Aanvraagformulier OLO, ingediend op 31 januari 2014 onder nummer
1123963;
Akoestisch onderzoek van Know How Acoustics (rapport: HESLL/1301/R002) met datum 23 oktober 2014;
Overzicht emissies;
Document betreffende melding Activiteitenbesluit;
Plattegrondtekening van 18-11-2013;
Situatieschets van 21-01-2014.
Beoordeling
Wij hebben de aanvraag getoetst aan de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriele
regeling omgevingsrecht (Mor). De uitgebreide voorbereidingsprocedure is
gevolgd (paragraaf 3.3 van de Wabo).
Na de publicatie van de ontwerpbeschikking is door de aanvrager een nieuw
akoestisch rapport, uitgevoerd door Know How Acoustics (rapport: HESLL/1301/R002 met datum 23 oktober 2014) ingediend.
In situaties waarin voor de publicatie van de beschikking en na de publicatie van
de ontwerpbeschikking de aanvraag wijzigt kan het bevoegd gezag besluiten om
een tweede ontwerpbeschikking op te stellen. Bij deze procedure is na de
publicatie het akoestisch rapport vervangen door een nieuw rapport. De
wijzigingen zijn neutraal ten aanzien van de indieners van de zienswijzen (zie
hoofdstuk Geluid). Het definitieve besluit wijzigt ten opzichte van het
ontwerpbesluit nagenoeg niet. Er is daarom voor gekozen om geen tweede
ontwerpbeschikking op te stellen omdat het belang van de omwonenden niet
wordt geschaad door het opstellen van een beschikking. Bovendien levert het
direct opstellen van een beschikking minder tijdvertraging op dan het opstellen
van een tweede ontwerpbeschikking.
Volledigheid
De aanvraag bestaat uit de volgende onderdelen:
Aanvraagformulier OLO, ingediend op 31 januari 2014 onder nummer
1123963;
Akoestisch onderzoek van Know How Acoustics (rapport: HESLL/1301/R001) met datum 18 december 2013;
Akoestisch onderzoek van Know How Acoustics (rapport: HESLL/1301/R002) met datum 23 oktober 2014;
Overzicht emissies;
Document betreffende melding Activiteitenbesluit;
Plattegrondtekening van 18-11-2013;
Situatieschets van 21-01-2014.
Artikel 2.8 van de Wabo biedt de grondslag voor een geharmoniseerde regeling
van de indieningsvereisten. Dit betreft de gegevens en bescheiden die bij een
aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden gesteld om tot een
ontvankelijke aanvraag te komen. De regeling is uitgewerkt in paragraaf 4.2 van
het Bor, met een nadere uitwerking in de Mor.
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze aan de hand van de Mor getoetst
op ontvankelijkheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie
2
bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke
leefomgeving. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen.
Volgens artikel 2.7 lid 1 van de Wabo dient de aanvrager ervoor zorg te dragen
dat de aanvraag om de omgevingsvergunning betrekking heeft op alle
deelactiviteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Is de aanvraag
hiermee in strijd, dan moet de aanvraag worden geacht onvolledig dan wel
onjuist te zijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Van eventuele strijd is in dit geval niet gebleken. De aanvraag is in dat
opzicht ontvankelijk.
Zienswijzen
De ontwerpbeschikking heeft van 1 mei tot en met 11 juni 2014 ter inzage
gelegen. Er zijn bij aangetekende brieven d.d. 5 juni 2014 en 11 juni 2014, beide
kenmerk 2014023298-01 door ARAG Rechtsbijstand namens de heer L.J.M. Kok
en mevrouw A.B.W. Kok-Tiggelovend, Hesterweg 8, 7076 AW Varsselder en de
heer H. Helmink en mevrouw W.A.M. Helmink- Oorthuis, Hesterweg 6, 7076 AW
Varsselder zienswijzen ingediend.
Voor de behandeling van deze zienswijzen wordt verwezen naar de
overwegingen.
Beoordeling en voorschriften milieu
De beoordeling van de activiteit milieu is zo uitgebreid dat deze in bijlage 1 van
dit besluit is opgenomen. In bijlage 2 van dit besluit staan de voorschriften.
Ondertekening
Met vriendelijke groet,
het burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek,
namens deze
Petra G.M. van Oosterbosch
directeur Omgevingsdienst Achterhoek
3
BIJLAGE 1 BEOORDELING EN OVERWEGINGEN ACTVITEIT MILIEU
Behorende bij omgevingsvergunning voor de locatie Hesterweg 5a in Varsselder.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wabo is het niet toegestaan
zonder vergunning een inrichting op te richten of te veranderen. In bijlage I van
het Besluit omgevingsrecht staat welke activiteiten vergunningplichtig zijn.
De aangevraagde vergunningplichtige activiteit is als volgt:
Het in de buitenlucht houden van honden.
De activiteit is aangewezen in de categorie 8 van bijlage I, behorende bij het
Besluit omgevingsrecht (Bor). De vergunningplicht volgt uit categorie 8.3. onder
a.
Algemene regels
Naast de voorschriften uit deze vergunning gelden voor een vergunningplichtige
inrichting ook regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende
Regeling zijn in deze vergunning geen voorschriften opgenomen die betrekking
hebben op daarin opgenomen activiteiten en aspecten.
Vergunde situatie
Voor de inrichting is op 9 februari 2009 een revisievergunning op grond van de
Wet milieubeheer verleend.
Op basis van de revisievergunning mogen de volgende dieren worden gehouden:
Tabel 1: Vergunde situatie
Dieraantal
OMREKENFACTOREN
BEREKENING
hoofdcategorie aantal OU per dier NH3 per emissie
PM10 per
dieren
dier
toegestaan dier
Kippen
Konijnen
Honden
Katten
25 0,34
0,315
25 niet
1,2
vastgesteld
250 niet
0
vastgesteld
60 niet
0
vastgesteld
0,315
84
1,2
niet
vastgesteld
niet
vastgesteld
niet
vastgesteld
0
0
aantal OU/ ammoniak in emissie
PM10 in
seconde
kg/jaar
toegestaan gram/jaar
totaal:
8,5
7,875
7,875
2100
0
30
30
0
0
0
0
0
0
0
0
0
8,5
37,9
37,9
2100,0
De ammoniakemissie is berekend overeenkomstig de „Regeling ammoniak
en veehouderij‟ van 13 december 2013 (in werking getreden op 1 januari
2014).
4
Verzoek om vergunning
Hieronder zijn de dieren weergegeven die zijn aangevraagd.
Tabel 2: Aangevraagde vergunning
Dieraantal
OMREKENFACTOREN
BEREKENING
hoofdcategorie aantal OU per dier NH3 per emissie
PM10 per
dieren
dier
toegestaan dier
Kippen
Konijnen
Honden
Katten
25 0,34
0,315
25 niet
1,2
vastgesteld
250 niet
0
vastgesteld
60 niet
0
vastgesteld
0,315
84
1,2
niet
vastgesteld
niet
vastgesteld
niet
vastgesteld
0
0
aantal OU/ ammoniak in emissie
PM10 in
seconde
kg/jaar
toegestaan gram/jaar
totaal:
8,5
7,875
7,875
2100
0
30
30
0
0
0
0
0
0
0
0
0
8,5
37,9
37,9
2100,0
De ammoniakemissie is berekend overeenkomstig de „Regeling ammoniak
en veehouderij‟ van 13 december 2013 (in werking getreden op 1 januari
2014).
De belangrijkste wijzigingen binnen de inrichting waarvoor deze aanvraag is
ingediend zijn als volgt:
Het houden van honden met een mogelijk bronvermogen tot 120 dB(A)
(harde blaffers);
Het met name in het hoogseizoen plaatsen van grote honden in de aan de
noordzijde gelegen buitenrennen van de inrichting.
Aangehaakte procedures
De aanvraag betreft activiteiten (houden van kippen en konijnen) die gevolgen
kan hebben voor beschermde natuurgebieden. Hierdoor kan de activiteit
„handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden‟ aanhaken bij deze
omgevingsvergunning. Het houden van 25 kippen en 25 konijnen heeft echter
geen significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied De Gelderse Poort welke
op 13 km ligt. De activiteit haakt daarom niet aan bij deze aanvraag om een
omgevingsvergunning.
Procedure
Artikel 2.14 (Wabo) vormt het toetsingskader voor de beslissing op de aanvraag
voor wat betreft een inrichting. Hierbij gaat het met name om de
weigeringsgronden voor een vergunning en de mogelijkheden om de nadelige
gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt zoveel mogelijk te
voorkomen. Bij de toepassing van genoemd artikel komt aan ons een zekere
beoordelingsvrijheid toe. Die vindt haar begrenzing onder meer in hetgeen
voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.
Op basis van artikel 2.14, lid 1, onder c, (Wabo) moet in vergunningen worden
voorgeschreven dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting best
beschikbare technieken worden toegepast (BBT). Artikel 5.4, lid 2 van de Bor
bepaalt dat wij bij de beslissing op de aanvraag rekening moeten houden met
5
informatiedocumenten over BBT, afhankelijk van de installaties en activiteiten
waarvoor vergunning wordt aangevraagd. In de Ministeriële regeling
omgevingsrecht (Mor) zijn in bijlage 1 de aangewezen BBT-documenten
opgenomen.
Gelet op de activiteiten die in deze inrichting plaatsvinden, zijn de volgende
Nederlandse BBT-documenten van toepassing: BREF‟s, de Handreiking en het
Werkboek „Wegen naar preventie bij bedrijven‟, de „Circulaire energie in de
milieuvergunning‟, de NeR, de NRB en de PGS 30. Deze documenten hebben wij
bij de behandeling van de aanvraag betrokken.
De aanvraag is ten aanzien van de aspecten ammoniak en geur getoetst aan de
Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij
(Rav), aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder
en veehouderij (Rgv).
Gezien de installaties en activiteiten die in de aanvraag zijn genoemd, wordt
daarnaast getoetst aan de volgende milieuaspecten: water, bodem, afval,
afvalwater, geluid, luchtkwaliteit, energie en veiligheid.
Uit het samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden
geweigerd als de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan
veroorzaken door het stellen van beperkingen en voorschriften onvoldoende
kunnen worden beperkt.
AFSTEMMING/COÖRDINATIE WET MILIEUBEHEER MET ANDERE
WETGEVING
Bestemmingsplan
De inrichting is gelegen op een terrein dat op grond van het ter plaatse geldende
bestemmingsplan Buitengebied 2000, herziening 2002, is bestemd tot agrarisch
gebied met de bestemming bedrijven. In de directe omgeving van de inrichting
zijn geen wezenlijke bestemmingsveranderingen of andere toekomstige
ontwikkelingen te verwachten.
MER-richtlijn1 en de RIE
Algemeen
Bij vergunningverlening moet worden voorkomen dat er strijd ontstaat met de
bepalingen uit de Europese MER- en de Richtlijn Industriële Emissies (RIE, de
voormalige IPPC-richtlijn). De RIE omvat een integratie van de IPPC-richtlijn met
Richtlijn nr. 97/II/EG van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG
betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten (pbeG L73) .
1
6
de Richtlijn grote stookinstallaties, de Afvalverbrandingsrichtlijn, de
Oplosmiddelenrichtlijn en drie Richtlijnen voor de titaandioxide-industrie.
MER-richtlijn
Algemeen
In het Besluit m.e.r. zijn drempelwaarden (onderdeel D) opgenomen voor het
verplicht uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, wanneer een veehouderij wordt
opgericht of wanneer een bestaande veehouderij wordt uitgebreid. Een m.e.r.beoordelingsplicht geldt bij uitbreiding van een veehouderij met meer dan:
- 40.000 stuks pluimvee;
- 2000 stuks mestvarkens;
- 750 stuks zeugen;
- 2700 stuks gespeende biggen;
- 5000 stuks pelsdieren;
- 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd;
- 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar;
- 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar;
- 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee
tot 2 jaar;
- 1200 stuks vleesrunderen;
- 2000 stuks schapen of geiten;
- 100 stuks paarden of pony‟s;
- 1000 stuks struisvogels.
Toetsing en conclusie
De aanvraag heeft betrekking op een activiteit die de drempelwaarden van de
onderdelen C en D van het Besluit m.e.r. niet overschrijdt. In die zin bestaat er
geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Op grond artikel 2, lid 5 onder b
van het Besluit m.e.r. moeten voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en
die beneden de drempelwaarde vallen een toets worden uitgevoerd of belangrijke
nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten, een zogenoemde “vormvrije
m.e.r. beoordeling”. De vormvrije m.e.r. beoordeling is het gevolg van de
uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijnen in de
Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd en is opgenomen in het Besluit
milieueffectrapportage.
Wij hebben de aanvraag getoetst (gevolgen milieu) en geconcludeerd dat er
geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals vastgelegd
in bijlage III van Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging
van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde
openbare en particuliere projecten. Hierbij hebben wij rekening gehouden met de
kenmerken van de activiteit, de plaats waar de activiteit wordt verricht en de
kenmerken van de gevolgen voor het milieu van de activiteit (zoals bereik van
het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de orde van grootte en
complexiteit).
Er zijn geen bijzondere omstandigheden waaronder de voorgenomen activiteiten
worden ondernomen die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk
maakt.
7
Richtlijn Industriële Emissies (RIE)
Algemeen
De RIE is gericht op de integratie van preventie en beperking van verontreiniging
door industriële activiteiten en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau
van bescherming van het milieu. Deze richtlijn kan ook bij het oprichten of
veranderen van een veehouderij van toepassing zijn.
Hierbij gaat het om installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderijen
met meer dan:
40.000 plaatsen voor pluimvee;
2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg);
750 plaatsen voor zeugen.
Met installaties wordt bedoeld de gehele inrichting en niet de afzonderlijke
stallen.
Beoordeling en conclusie
Het aantal dieren binnen de inrichting overschrijdt de drempel van de RIE niet.
De RIE is daarom niet van toepassing
DE GEVOLGEN VOOR HET MILIEU, DIE DE INRICHTING KAN
VEROORZAKEN
Wet ammoniak en veehouderij
Algemeen
De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor
het aspect „ammoniak‟ als gevolg van het houden van dieren.
Onder de Wav worden de zeer kwetsbare gebieden extra beschermd. Zeer
kwetsbare gebieden zijn alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een
beschermd gebied als bedoeld in artikel 10 of 10a van de Natuurbeschermingswet
1998, dan wel binnen een gebied dat op grond van artikel 4 van richtlijn (EEG)
nr. 92/43 van communautair belang is verklaard. Daarnaast kunnen andere voor
verzuring gevoelige gebieden (of delen daarvan) die zijn gelegen in een
ecologische hoofdstructuur worden aangewezen als zeer kwetsbaar gebied.
Op 9 december 2009 is het besluit tot aanwijzing van zeer kwetsbare gebieden
van Provinciale Staten van Gelderland in werking getreden. Daarmee zijn de zeer
kwetsbare gebieden binnen Gelderland definitief aangewezen.
Zonering Wav
Op grond van de Wav, mag de ammoniakuitstoot van een inrichting toenemen
wanneer de betrokken inrichting buiten de 250-meter zone van een zeer
kwetsbaar gebied ligt.
Toetsing Wav
Binnen 250 meter van de inrichting bevindt zich geen zeer kwetsbaar gebied dat
is gelegen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De toepassing van de
Wet ammoniak en veehouderij geeft geen aanleiding tot het weigeren van de
gevraagde vergunning.
8
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting)
Algemeen
De ammoniakemissie van de veehouderijen kan fors worden verminderd door
dieren onder te brengen in emissiearme huisvestingssystemen. Om te bereiken
dat dieren zoveel mogelijk in emissiearme stallen worden gehuisvest, is op 8
december 2005 het Besluit huisvesting vastgesteld. In het Besluit huisvesting is
opgenomen welke technieken worden gezien als BBT.
Op 1 april 2008 is het Besluit huisvesting in werking getreden. Het bevoegd
gezag moet bij de vergunningverlening zorgen dat er geen strijdigheid met het
besluit ontstaat (2.14 Wabo). Er mogen geen nieuwe huisvestingssystemen
vergund worden met een emissiefactor die hoger is dan de maximale
emissiewaarde van het Besluit huisvesting.
Alle bestaande stallen moeten per 1 januari 2010 voldoen aan de maximale
emissiewaarde. Wel voorziet het Besluit huisvesting in de mogelijkheid tot „intern
salderen‟. Dit houdt in dat stallen niet afzonderlijk aan de maximale
emissiewaarde hoeven te voldoen, maar wel op bedrijfsniveau.
Beoordeling
Overeenkomstig artikel 3, lid 2 van het Besluit huisvesting hoeft door het kleine
aantal te houden dieren, het huisvestingsysteem voor kippen niet te voldoen aan
de maximale emissiewaarde, zoals genoemd in artikel 2 van dit besluit.
Voor konijnen zijn geen maximale emissiewaarden genoemd in het Besluit
huisvesting. Verder zijn honden en katten niet als een diercategorie in bijlage 1
van de Regeling ammoniak en veehouderij opgenomen.
Conclusie
De aanvraag voldoet aan het Besluit huisvesting.
Directe ammoniakschade
Algemeen
Bij de beslissing over een vergunning voor het oprichten of veranderen van een
veehouderij moet tevens rekening worden gehouden met directe
ammoniakschade.
Onder directe ammoniakschade wordt verstaan de directe opname door planten
en bomen van ammoniak, die afkomstig is uit dierenverblijven. Deze schade blijkt
in de praktijk vooral plaats te vinden bij coniferen en fruitbomen, maar ook
andere gewassen kunnen er gevoelig voor zijn. Of er sprake is van
onaanvaardbare ammoniakschade kan beoordeeld worden aan de hand van het
rapport "Stallucht en Planten" van het IMAG in Wageningen van juli 1981. De
Raad van State heeft bij uitspraak van 29 september 2000 (ABRvS, E03.98.1149)
beoordeeld dat het genoemde rapport primair bedoeld is om schade aan planten
bij teeltbedrijven te kunnen bepalen.
Het in het genoemde rapport aanbevolen beschermingsniveau hoeft dan ook niet
zonder meer in situaties waarbij geen sprake is van teeltbedrijven te worden
toegepast.
9
Beoordeling
In de nabijheid van de inrichting bevinden zich geen gevoelige gewasgroepen.
Conclusie
De aangevraagde situatie zal niet leiden tot directe ammoniakschade.
Geurbeoordeling
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (Staatsblad 671, 2006) vormt het
toetsingskader voor de omgevingsvergunning als het gaat om geurhinder
vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Daarnaast is de Regeling
geurhinder en veehouderij van belang. Hierin zijn onder andere de
geuremissiefactoren vastgelegd en de wijze van afstandsmeting.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een
veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt
berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt
alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling
geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden
minimaal aan te houden afstanden.
Ten opzichte van de vergunde situatie vinden er geen veranderingen plaats in
aantallen dieren of huisvestingsysteem.
Conclusie
Aan de vereiste afstanden wordt voldaan. De toepassing van de Wet geurhinder
en veehouderij geeft geen aanleiding tot het weigeren van de gevraagde
vergunning.
Geluid
Algemeen
De beoordeling van de geluidbelasting, veroorzaakt door bronnen binnen de
inrichting, vindt plaats aan de hand van de Handreiking industrielawaai en
vergunningverlening d.d. 21 oktober 1998 (hierna te noemen: de Handreiking).
Er worden twee geluidsbelastingen getoetst en wel de gemiddelde
geluidsbelasting (LAlrt) en de maximale geluidsbelasting (LAmax), ook wel
piekgeluiden genoemd.
Voor het toetsen van indirecte hinder door het komen en gaan van verkeer van
en naar de inrichting wordt getoetst aan de Circulaire "Geluidhinder veroorzaakt
door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de
vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996 (de
Circulaire).
Gemiddelde geluidsbelasting (LAlrt)
De gemiddelde geluidsbelasting is de totale geluidsbelasting over een bepaalde
periode gecorrigeerd door de tijd. Het geeft een gemiddelde waarde aan voor de
geluidsbelasting. Tijden met veel lawaai worden gecorrigeerd met tijden met
weinig lawaai.
10
De perioden, etmaalperioden genaamd, waarover zo‟n gemiddelde wordt
berekend zijn:
de dagperiode van 7:00 tot 19:00 uur;
de avondperiode van 19:00 tot 23:00 uur;
de nachtperiode van 23:00 tot 7:00 uur.
Bij het opstellen van geluidsnormen voor de gemiddelde geluidsbelasting wordt
de volgende methodiek gevolgd:
Voor bestaande inrichtingen:
bij herziening van vergunningen worden de richtwaarden volgens tabel 4 van de
Handreiking steeds opnieuw getoetst;
overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het
omgevingsgeluid;
overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een
maximum "etmaalwaarde" van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar
worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de
geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.
Voor het bovenstaande geldt steeds dat een verhoging van de richtwaarden
alleen kan worden toegestaan na toepassing van het "BBT-beginsel", de best
beschikbare technieken.
Tabel 3: Richtwaarden voor woonomgevingen (Tabel 4 van de Handreiking):
Beoordeling
Aan de hand van de bedrijfsgegevens wordt gekeken of in de nabije omgeving
van de inrichting geluidsgevoelige objecten voorkomen, zoals woningen. Is dit het
geval dan wordt, aan de hand van tabel 4 van de Handreiking, de aard van de
omgeving waarin deze objecten liggen vastgesteld. Vervolgens wordt de
geluidsbelasting op deze geluidsgevoelige objecten bepaald. Deze
geluidsbelasting wordt getoetst aan de richtwaarden voor de aard van de
woonomgeving, zoals vastgelegd in tabel 4 van de Handreiking industrielawaai en
vergunningverlening. Is de geluidsbelasting lager of gelijk aan de richtwaarde,
dan kunnen de richtwaarden als geluidsnorm worden opgenomen in de
vergunning. De aard van de omgeving kan worden getypeerd als “Landelijke
omgeving”.
De akoestische situatie is in beeld gebracht in het akoestisch rapport: HESLL/1301/R001 van 18 december 2013, uitgevoerd door Know How Acoustics. Dit
rapport is op 23 oktober 2014 vervangen door het akoestisch rapport: HESLL/1301/R002 van 23 oktober 2014, tevens uitgevoerd door Know How Acoustics.
11
De reden hiervan is dat naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen door de
aanvrager is besloten om ter bevestiging van de gehanteerde uitgangspunten in
het hoogseizoen van 2014 nogmaals het langtijdgemiddelde bronvermogen van
de honden te meten. De meetgegevens zijn in het nieuwe akoestisch rapport
verwerkt. Hieruit blijkt dat de langtijdgemiddelde geluidsniveaus lager uitkomen
dan in het akoestisch rapport van 18 december 2013. Dit komt ondermeer omdat
er in de zomer van 2014 langs de bovenrand van de schermen tussen de
speelweiden op een hoek van 45° nog planken zijn aangebracht zodat de honden
niet tegen de afscheidingen op kunnen springen en zodoende minder visueel
contact hebben met elkaar.
Verder is in het nieuwe akoestisch rapport op alle beoordelingspunten in de
avond- en nachtperiode uitgegaan van een beoordelingshoogte van 5 meter
terwijl in het rapport van 18 december 2013 bij de woning Hesterweg 6 is
uitgegaan van een beoordelingshoogte van 4,5 meter. Het blijkt echter dat de
woning Hesterweg 6 niet beduidend lager is dan een standaard woning en er kan
daarom overeenkomstig de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening
bij deze woning ook worden uitgegaan van een meethoogte van 5 meter. Gevolg
van deze hogere beoordelingshoogte (0,5 meter) is dat de maximale
geluidsbelasting (LAmax) in de avond- en nachtperiode op deze hoogte 0,3 dB(A)
hoger is. Ten opzichte van de ontwerpbeschikking is de grenswaarde voor het
maximale geluidniveau (LAmax) voor de avondperiode in de voorschriften bij deze
definitieve beschikking (door afronding) daarom met 1 dB(A) verhoogd.
Tot slot is het akoestisch rapport op een aantal punten verduidelijkt.
Uit het rapport blijkt dat de voornaamste activiteiten die geluidoverlast zouden
kunnen geven zijn: het blaffen van de honden, het afleveren en ophalen van de
dieren en het laden en lossen van voer en andere materialen.
Uit het akoestische rapport blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie in de
dag-, avond- en nachtperiode op de woningen van derden wordt voldaan aan de
genoemde richtwaarden van 40 en 35 en 30 dB(A).
Maximale geluidsbelasting (LAmax)
De maximale geluidsbelasting bestaat uit kortdurende hoge geluidsniveaus. Deze
worden vaak piekgeluiden genoemd.
In navolging van de Handreiking moet ernaar worden gestreefd deze piekgeluiden
te voorkomen of wanneer deze onvermijdelijk zijn, deze zo laag mogelijk te
houden.
Als ondergrens voor de maximale geluidniveaus (LAmax) wordt in de handreiking
50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode
aangehouden zijnde de richtwaarde voor het LAeq + 10 dB voor stille landelijke
gebieden. Lagere maximale geluidniveaus (LAmax) worden gezien de van nature
aanwezige geluiden niet als hinderlijk beschouwd. Mede door de beperkte
handhaafbaarheid voegen lagere grenswaarden niets toe aan het voorkomen of
beperken van geluidhinder. Mocht deze norm niet haalbaar zijn dan kan er tot
een waarde van 70 dB(A) etmaalwaarde worden vergund.
12
Inrichtinghouder heeft in 2009 de buitenrennen aan de noordzijde van de
inrichting van 2 meter hoge geluidschermen voorzien. Om de geluidoverlast voor
de omgeving zoveel mogelijk te beperken zijn deze afschermingen in 2013 tevens
voorzien van geluidsabsorberende panelen (“Noise-Reducer”). Verder zijn tussen
de rennen visuele afscheidingen met een minimale hoogte van 1 meter
aangebracht. Zoals al aangegeven zijn in de zomer van 2014 langs de bovenrand
van deze schermen op een hoek van 45° ook nog planken aangebracht zodat de
honden niet tegen de afscheidingen op kunnen springen. Het verlangen van nog
verdergaande reducerende maatregelen wordt als niet redelijk beschouwd en
daarom zijn in deze vergunning geen aanvullende voorzieningen vastgelegd.
Aangezien de geluidspieken inherent zijn aan de bedrijfsactiviteiten kan aan
bovengenoemde ondergrenzen in de dag- en avondperiode niet geheel worden
voldaan. In voorschrift 5.2. is daarom voor de dag- en avondperiode voor de
woningen van derden een hogere grenswaarde opgenomen (60 en 64 dB(A)). De
toegestane geluidsnormen blijven echter nog beneden de hoogst toelaatbare
grenswaarden voor de dag- en avondperiode van respectievelijk 70 en 65 dB(A).
Indirecte hinder
Inrichtingen hebben een verkeersaantrekkende werking. Er zullen altijd
vervoersbewegingen zijn van en naar een inrichting. De ene inrichting meer dan
de ander. De mate van hinder die hierdoor wordt ondervonden wordt bepaald aan
de hand van de Circulaire.
Aan de hand van de Circulaire dient de ligging van de 50 dB(A) contour te worden
bepaald van het verkeer van en naar de inrichting. Als binnen deze contour geen
woningen of andere geluidsgevoelige objecten zijn gelegen, dan is de situatie ten
aanzien van dit aspect vergunbaar. Als dit wel het geval is kunnen aan de hand
van de Circulaire hogere waarden worden toegepast. Hieraan zijn dan wel
voorwaarden verbonden. Uit het akoestisch rapport blijkt dat er geen woningen of
andere geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen de 50 dB(A) contour.
Conclusie
Door het stellen van geluidsvoorschriften wordt geen onaanvaardbare
geluidsoverlast verwacht. Wij verwachten dat aan de geldende geluidsnormen ter
plaatse van geluidgevoelige objecten kan worden voldaan.
Luchtkwaliteit
Algemeen
In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5) zijn normen vastgelegd voor de
concentraties van diverse stoffen in de lucht, met als doel het beschermen van
mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor
veehouderijen is de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties voor
zwevende deeltjes (fijnstof: PM10) van belang. Daarnaast is voor fijnstof een
maximaal toegestaan aantal overschrijdingsuren respectievelijk
overschrijdingsdagen opgenomen waarop de (24)-uurgemiddelde concentratie
overschreden mag worden.
De grenswaarden voor fijnstof zijn volgens bijlage 2 van de Wet milieubeheer als
volgt:
13
Tabel 4: Landelijke normen fijnstof PM10
Parameter
Norm
Jaargemiddelde concentratie
40 µg per m3
Daggemiddelde concentratie:
50 µg per m3
Aantal toegestane overschrijdingen van
daggemiddelde:
35 keer
maximaal
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5
van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen
(luchtkwaliteitseisen) (NIBM) in werking getreden.
In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt
bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen
zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de
buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de 3% grens
overschrijdt. De 3% grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde
concentratie van fijnstof (PM10). 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde
concentratie is 1,2 μg fijnstof (PM10 per m3).
Beoordeling
Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie
fijn stof kan de vergunning verleend worden. Dit volgt uit art. 5.16 Wm en het
Besluit NIBM. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van
de grenswaarde) op het beoordelingspunt. In de Handreiking Fijn stof en
veehouderijen zijn vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een
bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a.
In de volgende tabel (gebaseerd op de 3% NIBM grens) is af te lezen waarmee
een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen.
Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen
in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM.
Afstand tot te
toetsen plaats
Totale emissie in g/jr
van uitbreiding /
oprichting
70 m
80 m
90 m
100 m
120 m
160 m
324000
387000
473000
581000
817000
1376000
Vergund PM10 emissie: 2.100 gr per jaar (tabel 1 – vergund);
Aanvraag PM10 emissie: 2.100 gr per jaar (tabel 2 – aanvraag).
Conclusie
Er vindt geen wijziging van de stofemissie (luchtkwaliteit) plaats. Fijnstof geeft
daarom geen aanleiding tot het weigeren van de gevraagde vergunning.
14
Energie
Algemeen
In de circulaire Energie in de milieuvergunning van oktober 1999 geven de
ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne en
Economische Zaken een advies over de te volgen aanpak met betrekking tot
energiebesparing in de omgevingsvergunning. Naast de circulaire is in de
Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven de kern van de zaak verwoord.
De circulaire voor energiebesparing blijft als zelfstandig document naast de
handreiking bestaan. In de Circulaire wordt geadviseerd om bij een jaarlijks
energieverbruik van minder dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas
geen verdergaand onderzoek voor te schrijven. Dit advies hanteren wij bij
vergunningverlening.
Beoordeling
Uit de vergunningaanvraag blijkt dat het huidig aardgasverbruik 6.428 m 3 per
jaar is. Het huidige elektriciteitsverbruik komt neer op 23.475 kWh. Het geschatte
energieverbruik na verandering van de inrichting blijft hetzelfde. De normen uit
het Activiteitenbesluit zijn afdoende en worden vastgelegd in de voorschriften van
dit beslui.
Bodem
Algemeen
Voor het bepalen van de risico van bodembedreigende activiteiten en voor het
beoordelen van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende
voorzieningen en maatregelen sluiten wij zoveel mogelijk aan bij de Nederlandse
richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna te noemen: de
NRB). De NRB beschrijft de risico‟s van bodembedreigende activiteiten en het
effect van de bodembeschermende voorzieningen.
Beoordeling
De aanvraag heeft geen betrekking op veranderingen van bodembedreigende
activiteiten.
Door het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen
moet een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging van enige relevantie
worden gerealiseerd. Om dit te beoordelen is het in hoofdstuk 3 van de NRB
opgenomen stappenplan doorlopen. In dit geval leidt dit tot het gewenst
bodemrisico: verwaarloosbaar.
De bodembedreigende activiteiten van onderhavige inrichting kunnen worden
beschouwd als reguliere activiteiten. Het betreffen activiteiten die periodiek maar
niet frequent nodig zijn en met naleving van voorschriften en gedragsregels de
kwaliteit van de bodem niet in relevante mate nadelig zullen beïnvloeden. Gezien
de ontwikkelingen in de jurisprudentie, waarin is uitgesproken dat onvoldoende
reden is om daarnaast een nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek te eisen,
zijn deze niet in de vergunningvoorschriften opgenomen.
15
Afval
Afvalpreventie
Bij het beoordelen van het aspect afval hanteren wij, evenals bij het aspect
water, de Handreiking wegen naar preventie als uitgangspunt. Afvalpreventie is
het voorkomen of beperken van het ontstaan van afval door reductie aan de bron
en/of door intern hergebruik. Preventie is met name van toepassing op bedrijven
waar sprake is van relevante hoeveelheden afval. In de Handreiking wordt
verwezen naar de ondergrenzen (25 ton bedrijfsafval en 2,5 ton gevaarlijk afval).
Bij de indicatie „geringe omvang‟ is de aandacht voor preventie van ondergeschikt
belang.
Beoordeling
De volgende afvalstromen komen vrij:
papier
kadavers
oud ijzer
GFT / grijs afval
Conclusie
In de inrichting komen slechts geringe hoeveelheden afvalstoffen vrij, zodat de
aandacht voor preventie van ondergeschikt belang is. Wij hebben dan ook geen
voorschriften opgenomen voor afvalpreventie. Wel is een aantal algemene
voorschriften voor afvalstoffen aan de vergunning verbonden.
Afvalwater
Algemeen
Afvalwater is in de Wm gedefinieerd als alle water waarvan de houder zich – met
het oog op de verwijdering daarvan – ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of
zich moet ontdoen. Onder dit begrip valt zowel huishoudelijk als
bedrijfsafvalwater dat in de meeste gevallen op een openbaar riool wordt geloosd.
Dit zijn de zogeheten indirecte lozingen. Voor indirecte lozingen uit de
onderhavige inrichting stellen wij, indien nodig, voorschriften ter bescherming
van het openbaar riool, de zuiveringstechnische werken en het oppervlaktewater.
Het ministerie van VROM heeft in de circulaire van 6 maart 1997 richtlijnen
uitgevaardigd die betrekking hebben op het lozen van agrarische
afvalwaterstromen. Dit is de circulaire inhoudende voorlopige richtlijnen voor het
bevoegd gezag ten aanzien van agrarische afvalwaterlozingen (hierna te noemen:
de Circulaire). Wij hanteren de Circulaire bij vergunningverlening als het gaat om
agrarische afvalwaterstromen.
Bij een dierenpension komen afvalwaterstromen vrij waarvoor in de Circulaire
richtlijnen zijn opgenomen. Deze richtlijnen hebben betrekking op de
verwijderingsopties die onder voorwaarden mogelijk zijn.
Beoordeling
Uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van de volgende afvalwaterstromen:
afvalwater van sanitaire voorzieningen;
reinigingswater van de dierenverblijven;
hemelwater.
16
Het afvalwater van de sanitaire voorzieningen en van de honden- en
kattenverblijven wordt op het gemeentelijk rioolstelsel geloosd. Het niet
verontreinigd hemelwater wordt geloosd op de kikkerpoel. Het reinigingswater
van de kippen- en konijnenverblijven dient op de mestkelder te worden geloosd.
Het Activiteitenbesluit geeft regels met betrekking tot lozen van hemelwater dat
niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening en algemene regels
voor lozen.
Algemeen
Onvoorziene voorvallen
Algemeen
Voor het optreden door de inrichtinghouder bij onvoorziene voorvallen, zijn in de
vergunning geen voorschriften opgenomen. Hierop zijn de artikelen 17.1 en 17.2
van de Wet milieubeheer namelijk al van toepassing. Deze voorschriften hebben
een rechtstreekse werking.
Kort samengevat is de strekking van deze artikelen dat bij een onvoorzien
voorval onmiddellijk die maatregelen getroffen moeten worden die nodig zijn om
de gevolgen van die gebeurtenis voor het milieu te voorkomen, dan wel zoveel
mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Daarnaast moet die gebeurtenis zo
spoedig mogelijk gemeld worden aan het bevoegd gezag.
Ingebrachte zienswijzen
De door bezwaarde ingebrachte zienswijzen zijn binnen de termijn van ter inzage
legging ingediend en zijn op dit punt ontvankelijk.
Hieronder volgt puntsgewijs een samenvatting van de ingediende zienswijzen:
De waarde van 75 dB(A) van blaffende honden voor het
Langtijdgemiddelde bronniveau is extreem laag en niet reëel. Verder wordt
er uitgegaan van een te korte blafduur;
Het is niet op voorhand aannemelijk dat pups geheel verwaarloosd kunnen
worden voor wat betreft de bepaling van het langtijdgemiddelde
geluidniveau temeer omdat niet duidelijk is om hoeveel pups het gaat;
Er wordt in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening gehouden
met jankers;
Het verdient aanbeveling om de in het akoestisch rapport geopperde
maatregel om de uitlaadtijd in de avondperiode te verkorten, als
middelvoorschrift op te nemen;
Het bronvermogen voor de maximale geluidsniveaus is onvoldoende
onderbouwd als weergave van een worst-case situatie;
Er is onvoldoende onderbouwd dat harde blaffers niet zoveel mogelijk aan
de noordwestzijde van het speelterrein aan de noordzijde kunnen worden
geplaatst;
Door de meethoogte in de avond- en nachtperiode van 4,5 meter geven
de geluidsvoorschriften onvoldoende bescherming;
In bijlage 3 van het akoestisch rapport wordt de geluidbelasting per bron
opgesomd. Deze opsomming is echter niet volledig. De restwaarde is
17
groter dan de grootste individuele bron en daarmee de maatgevende
geluidsbron;
Gelet op de aard van de inrichting, alsmede gelet op de voorgeschiedenis
is het opnemen van een controlevoorschrift gewenst;
Het dierenpension heeft onvoldoende parkeerplaatsen. Bezoekers rijden
door tot aan de binnenweg van bezwaarden om daar te keren.
Reactie op de zienswijzen
In onderstaande tekst is per punt de reactie op de zienswijzen weergegeven.
Met genoemde stelling zijn wij het niet eens. Bij het opstellen van het
akoestisch rapport van 18 december 2013 is gerekend met de
meetresultaten van Adviesbureau Van Der Boom, gemeten op 4 november
2008. De meetresultaten zijn in een rekenmodel verwerkt waarbij ervan
wordt uitgegaan dat als iedere hond 100% blaft, het bronvermogen 75
dB(A) bedraagt. In werkelijkheid blaft een hond echter niet meer dan 5 %.
Dit wordt in het model weer gecorrigeerd. Door deze methode van
moduleren lijkt het bronvermogen erg laag maar is rekentechnisch niet
onjuist. Ook zijn er tijdens de vorige vergunningprocedure door Wensink
akoestiek & milieu nogmaals metingen uitgevoerd. Hieruit blijkt ook dat
Adviesbureau Van De Boom van een juist bronniveau is uitgegaan.
Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen heeft aanvrager besloten
om in het hoogseizoen van 2014 het langetijdgemiddelde bronvermogen
nogmaals te meten. Deze metingen zijn in het nieuwe akoestisch rapport
(d.d. 23 oktober 2014) verwerkt. Door een andere manier van modelleren
bedraagt het gemeten gemiddelde bronvermogen, waarbij iedere hond 5%
blaft, 85 dB(A). Het verschil tussen de bronvermogens bedraagt 10 dB(A).
Dit verschil komt door het verschil in bedrijfsduurcorrectie (100 % en 5
%). Er is geen reden om aan te nemen dat van te lage bronniveaus wordt
uitgegaan. Dat bezwaarden aangeven dat het gebruikelijk is dat wordt
gerekend met hogere waarden doet hieraan niets af. In het onderzoek
wordt uitgegaan van 5 % blaftijd per hond.
Aan deze zienswijze wordt niet tegemoet gekomen.
Het klopt dat de pups in het akoestisch rapport van 18 december 2013
buiten beschouwing zijn gelaten. Ook was het aantal pups in de
speelweiden niet duidelijk aangegeven. In het nieuwe akoestisch rapport is
de geluidsbelasting van de pups wel meegenomen. Ook is het aantal pups
in het nieuwe rapport aangegeven zodat er genoeg gegevens zijn om het
geluidsniveau te bepalen.
De uitkomst van de berekeningen in het nieuwe akoestisch rapport hebben
overigens geen invloed op de hoogte van de in de vergunning op te nemen
geluidsvoorschriften.
Het is juist dat bij de uitwerking van de metingen het janken van honden
niet apart is beschouwd. Het janken zou echter beschouwd kunnen worden
als tonaal geluid waarvoor een strafcorrectie dient te worden toegepast. Er
is in het rapport ook een toeslag van 5 dB(A) op het langetijdgemiddelde
geluidniveau in rekening gebracht zodat janken voldoende is meegenomen
in de beoordeling van de hoogte van het geluidniveau.
18
Het is overbodig de maatregel, om de uitlaadtijd in de avondperiode te
verkorten, als middelvoorschrift op te nemen. De aanvraag en het daarbij
behorende akoestische rapport maakt namelijk onderdeel uit van de
vergunning. In het akoestisch rapport staat dat besloten is de uitlaadtijd
per hond in de avondperiode te verlagen naar 30 minuten. Overschrijden
van deze periode is een handhavingaspect.
Uit diverse metingen ter plaatse van de inrichting door verschillende
akoestische bureaus blijkt dat van een juist maximaal
bronvermogenniveau (LWmax) is uitgegaan. Dat bezwaarden aangeven dat
het gebruikelijk is dat wordt gerekend met hogere waarden doet hieraan
niets af. Bij dit dierenpension wordt gewerkt met een streng
acceptatiebeleid. Door deze bedrijfsvoering kan worden voldaan aan de
maximale geluidnormen, zoals vastgelegd in voorschrift 5.2 van de
vergunning. Er is geen sprake van een fictieve weigering. Bij overtreding
van genoemd voorschrift zal handhavend worden opgetreden.
Zoals aanvrager in het akoestisch rapport aangeeft is het niet altijd
mogelijk om op voorhand een goede selectie te maken. Het is voor
inrichtinghouder dan ook niet altijd te voorkomen dat er met name in het
hoogseizoen “harde blaffers” aan de noordoostzijde van de uitlaten aan de
noordzijde worden geplaatst. Daarom wordt voor deze situatie uitgegaan
van een worstcase benadering.
De woning aan de Hesterweg 8, opgenomen als punt 2 in het akoestisch
rapport ligt 50 meter verder van de inrichting dan de woning op punt 1
(Hesterweg 6). Als op punt 1 aan de geluidvoorschriften wordt voldaan,
dan wordt een woning welke 50 meter verder van de inrichting is gelegen
ook voldoende beschermd ook onder de omstandigheid dat bij die woning
in het akoestisch rapport in de avond- en nachtperiode is uitgegaan van
meethoogte van 5 meter.
Overigens blijkt dat de woning Hesterweg 6 niet beduidend lager is dan
een standaard woning en kan er overeenkomstig de Handreiking
industrielawaai en vergunningverlening bij deze woning ook worden
uitgegaan van een meethoogte van 5 meter. Deze meethoogte is in het
nieuwe akoestische rapport vastgelegd. De van toepassing zijnde
voorschriften in de vergunning zijn hierop aangepast.
Bij de opsomming van de individuele geluidsbronnen in bijlage 3 is de
grootste bron bovenaan gezet en is de lijst aflopend qua grootte. De
kleinste, in bijlage 3 aangegeven bron, heeft als individuele bron al geen
relevantie meer. De niet weergegeven restbronnen, die individueel nog
kleiner zijn dan de kleinst genoemde restbron, hebben dit ook niet.
Overigens zijn al deze restbronnen wel meegenomen voor het berekenen
van de geluidbelasting.
Er zijn meerdere malen geluidmetingen bij de inrichting uitgevoerd. Het
opnemen van een controlevoorschrift in de vergunning geeft daarom geen
meerwaarde. Het controleren of de geluidsvoorschriften worden nageleefd
is een handhavingaspect.
Het dierenpension beschikt over een aantal parkeerplaatsen. Bovendien is
er naast de rijbaan ter hoogte van het dierenpension voldoende ruimte om
de auto te parkeren. Dit is overeenkomstig het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens 1990 toegestaan. Dat bezoekers niet altijd direct de
19
bestemmingslocatie kunnen vinden is inrichtinghouder niet aan te
rekenen.
Conclusie
Wij hebben de gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken
beoordeeld, en daarbij hun onderlinge samenhang, de technische kenmerken en
de geografische ligging van de inrichting in acht genomen. Binnen de inrichting
worden de van toepassing zijnde en in aanmerking komende beste beschikbare
technieken die in redelijkheid van de inrichting gevergd kunnen worden, zoveel
als mogelijk is en binnen de daarbij gestelde grenzen, toegepast. Op grond van
bovenstaande overwegingen hebben wij besloten de gevraagde
omgevingsvergunning te verlenen. Ter bescherming van het milieu verbinden wij
voorschriften aan de vergunning.
Voorschriften
Bij de aan deze omgevingsvergunning verbonden voorschriften is rekening
gehouden met de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden
tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen in verband met de kwaliteit
van het milieu.
20
Bijlage 2 Voorschriften onderdeel milieuactiviteit
1 Algemeen
1.1 De aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Wabo) en de bij dit besluit vastgestelde overige bescheiden
maken deel uit van deze vergunning.
1.2 De inrichting, met inbegrip van het open terrein, moet schoon worden
gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.3 Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld,
moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren.
1.4 De opslag, overslag, bewerking en/of verwerking van materialen,
grondstoffen, hulpstoffen, producten en nevenproducten moeten zodanig
geschieden dat vermeden wordt dat daardoor het van vloer- en
terreinoppervlakken afkomstige schrob- en hemelwater onnodig wordt
verontreinigd.
1.5 Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet zoveel
mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding
geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander
ongedierte plaatsvinden.
1.6 De verpakking van K3-vloeistoffen en van chemicaliën moet dicht zijn,
geschikt voor de desbetreffende stof en voldoende sterk.
1.7 Tijdens het bevoorraden van de inrichting en tijdens het afvoeren van
producten moet ten allen tijden zijn gewaarborgd dat hulpdiensten niet worden
belemmerd.
1.8 In de inrichting mogen gelijktijdig niet meer dieren worden gehouden dan
25 kippen, 25 konijnen (exclusief jongen), 60 katten (exclusief kittens) en 150
honden (exclusief puppy‟s). Onverminderd de genoemde aantallen mogen in de
inrichting in juli en augustus 100 honden extra worden gehouden.
1.9 Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste een keer per
maand geregistreerd, waarbij de periode tussen de registraties van een
vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en
worden gedurende 10 jaren bewaard.
1.10 Het reinigingswater van de kippen- en konijnenverblijven dient te worden
geloosd op de mestkelder(s).
2. Elektrische installatie
2.1 De elektrische installatie moet voldoen aan NEN 1010.
3. Afvalstoffen
3.1 Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze geschieden.
21
3.2 Het in de inrichting vrijkomende afval, moet worden bewaard in doelmatige,
tegen de betreffende afvalstof bestand zijnde, goed gesloten afvalcontainers van
onbrandbaar materiaal.
3.3 Een afvalcontainer moet, telkenmale wanneer deze vol is, op gezette tijden
worden afgevoerd en onmiddellijk worden vervangen door een lege
afvalcontainer, dan wel moet de container worden geledigd en de inhoud moet
door middel van een daartoe geschikt gesloten transportmiddel uit de inrichting
worden afgevoerd naar de daartoe ingerichte verwerkingsinstallaties. Het
afvoeren moet zodanig geschieden dat zich geen afval in of buiten de inrichting
kan verspreiden.
3.4 Afvalstoffen mogen niet in de inrichting, met inbegrip van het bij de
inrichting behorende open terrein, worden verbrand.
3.5 Kadavers van dieren en afval van dierlijke aard mogen niet op het terrein
worden begraven.
3.6 In de inrichting mag geen afval worden gestort of begraven en mogen geen
afvalvloeistoffen of met afvalstoffen verontreinigd water op of in de bodem
worden gebracht.
4. Energie
4.1 Het energiegebruik (gas, water, electra) van de inrichting moet elk jaar
worden geregistreerd. Deze registratie betreft alle ingekochte energiedragers en
mag bestaan uit de energienota's. Deze gegevens moeten ten minste vijf jaren
worden bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag
worden getoond.
4.2 Voor de verlichting moet gebruik gemaakt worden van energiezuinige
armaturen en lampen, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is.
4.3 Indien uit de energie- en waterverbruikregistratie blijkt dat het verbruik
bovennormaal is gestegen dient de vergunninghouder onverwijld te onderzoeken
waar dit verhoogd verbruik aan te wijten is en maatregelen te treffen om dit
verhoogd verbruik te beëindigen.
4.4 Bij vervanging of nieuwplaatsing van toestellen, installaties, verlichtingsapparatuur (inclusief lampen) en verwarmingsketels dienen de
energiearmste technieken te worden toegepast, waarbij rekening wordt gehouden
met de laatste stand der techniek tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
22
5. Geluid- en trillinghinder
5.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de binnen de
perceelgrens van de inrichting aanwezige toestellen, installaties en dieren en door de
binnen de perceelgrens van de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten,
bepaald volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai uitgave 1999”, mag op
de gevels van de omringende woningen niet meer bedragen dan:
- 40 dB(A) in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;
- 35 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;
- 30 dB(A) op in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
5.2
Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de binnen de perceelgrens van
de inrichting aanwezige toestellen, installaties en dieren en door de binnen de perceelgrens
van de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, en laad – en losactiviteiten
bepaald volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai uitgave 1999", mag op
de gevels van omringende woningen niet meer bedragen dan:
- 60 dB(A) in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;
- 64 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;
- 40 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
5.3
De beoordeling van de in voorschrift 5.1 en 5.2 gestelde grenswaarden dienen op de
genoemde punten in de dagperiode op 1,5 meter, en in de avond- en nachtperiode op 5
meter hoogte plaats te vinden.
5.4
In de periode tussen 22.00 en 07.00 uur mogen geen honden buiten verblijven.
5.5
Het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de
meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen
industrielawaai (1999).
6. Nazorgverplichting
6.1 In het belang van de bescherming van het milieu blijven de aan deze
vergunning verbonden voorschriften ten miste vijf jaar nadat deze vergunning
haar geldigheid heeft verloren onverminderd van kracht. Bij toepassing van dit
voorschrift wordt onder „degene die de inrichting drijft‟ ook begrepen „degene die
de inrichting als laatste heeft gedreven‟.
6.2 Onder de in het vorige voorschrift genoemde zinsnede "aan deze
vergunning
verbonden voorschriften" dient tevens te worden verstaan "voorschriften die aan
de vergunning verbonden zijn geweest".
23