Redactioneel Met de oprichting van het Tijdschrift voor

Redactioneel
Met de oprichting van het Tijdschrift voor Muziektheorie is er een platform gekomen voor de
uitwisseling van ideeën, meningen, kennis en inzichten op het gebied van de Theorie der Muziek.
Muziektheorie in Nederland is in beweging. Door de studieduurverkorting aan de conservatoria dringt
zich de vraag op naar de juiste inpassing van het theorieonderwijs in het curriculum. Aan
verschillende muziekvakopleidingen wordt gewerkt aan een nieuw onderwijsprogramma. En in het
kader daarvan vinden fundamentele discussies plaats over het hoe en waarom van de afzonderlijke
theorievakken. Er vinden gesprekken plaats over de verhouding van theorie en praktijk in de
opleiding, over de structuur van het onderwijs, over de ontwikkeling van lesmateriaal, over de
aansluiting bij de beroepspraktijk, en over de eisen die aan studenten en docenten gesteld moeten
worden. Ook de inhoudelijke discussie over het vak - waar gaat het bijvoorbeeld bij analyse of bij
contrapunt of bij jazztheorie om - wordt daardoor gestimuleerd.
Het Tijdschrift voor Muziektheorie wil een orgaan zijn waarin de verschillende standpunten en
inzichten elkaar ontmoeten.
Muziektheorie in Nederland bevindt zich op het snijvlak van technische vakleer, normatieve
kunsttheorie, muziekpedagogie en wetenschap. Als conservatoriumvak dient zij de algemene
muzikale vorming van de student. Als onderdeel van de muziekwetenschap is haar status omstreden.
Hoewel bron, object en methode van de muziekgeschiedschrijving weet die wetenschap met de
impliciete normatieve aanspraken ervan vaak geen raad.
In een vak als harmonieleer, bijvoorbeeld, zijn cognitieve aspecten met normatieve en expressieve
aspecten verweven. In het onderwijs lopen vakinhoudelijke en didactische oriëntaties door elkaar. En
wat voor harmonieleer geldt, geldt voor de Theorie der Muziek in het algemeen: juist die vermenging
van vakmanschap en vakkennis, van vaardigheid en waarheid, maakt dat de muziektheorie niet tot
abstract kennen of tot instrumenteel kunnen gereduceerd kan worden.
Het Tijdschrift voor Muziektheorie wil ruimte bieden aan bijdragen van zowel vakinhoudelijke als
didactische aard, aan wetenschappelijke inzichten alsook aan opvattingen over de methode.
Muziektheorie in Nederland bevindt zich in een isolement. Allereerst zijn theoriedocenten aan het ene
conservatorium niet of slecht op de hoogte van wat hun collega’s op het andere instituut doen.
Daarnaast komt de muziektheorie aan de muziekvakopleidingen te weinig in contact met de
theorievorming aan de vakgroepen muziekwetenschap (en omgekeerd). Tenslotte staat de
muziektheorie in Nederland geïsoleerd in de wereld; te weinig wordt zij gevoed door ontwikkelingen in
het buitenland.
Het Tijdschrift voor Muziektheorie kan ook in dit opzicht - door een brug tussen de verschillende
muziektheoretische eilanden te slaan - van betekenis zijn.
De verhouding van de muziektheorie tot de muziekwetenschap is zoals gezegd problematisch. In
1991 schreven Paul Op de Coul, hoogleraar in de muziekgeschiedenis na 1600 aan de Universiteit
Utrecht, en Frits de Haen, toen nog als docent verbonden aan dezelfde vakgroep muziekwetenschap,
hierover:
“The only official program in the Netherlands for training music theorists is that offered by
conservatories. (...) This means that the theory of music as a scholarly discipline (...) hardly exists in
the Netherlands. A consequence of this lack of a scholarly component is that theorists are generally
not trained in the tradition of scholarly publishing. Because there is no ‘literary infrastructure’, Dutch
music theorists seldom take part in scholarly discussions. As a result, new questions, opinions and
research findings in this sector become known very late, if at all. In addition, the lack of a research
component means that the task of a theorist affiliated with a conservatory is strictly limited to teaching,
and this in turn will stand in the way of further development of the field. If a theorist at some point
conducts research for the sake of his teaching, the results will never be noticed outside the
classroom; there is absolutly no inventory of current topics and projects.” (“Musicology in the 1990s”,
in: Muziek en Wetenschap, Jrg. I, nr. 4 (1991), p.195-217.)
Uit de context wordt niet duidelijk of deze stand van zaken betreurd of aanvaard wordt. In de laatste
paragraaf van het artikel - “Recent developments” -, waar een poging wordt ondernomen in de
toekomst te kijken, komt het onderwerp muziektheorie niet meer ter sprake. Het lijkt erop alsof de
muziekwetenschappelijke wereld zich niet geroepen voelt de achterstand op dit gebied in te halen,
maar zich heeft neergelegd bij een onuitgesproken taakverdeling: we beperken ons in Nederland tot
historische muziekwetenschap en etnomusicologie; aan muziektheorie doen we niet of nauwelijks, dat
laten we aan het buitenland over, en aan het naïef pragmatisme van docenten muziektheorie aan de
conservatoria.
We zijn nu bijna vijf jaar verder en het wordt tijd om een antwoord te formuleren. Wij zijn van mening
dat de kloof, die in Nederland de muziekwetenschap van het muziekvak scheidt, overbrugd kan en
moet worden. Het muziekonderwijs in Nederland zou erbij gebaat zijn als wetenschappelijke inzichten
praktisch-didactische inzichten zouden kruisen. Het vakonderwijs, met de strenge selectie aan de
poort en de eisen die aan het métier worden gesteld, hoeft de wetenschap ook niet te vrezen, beiden
richten zich immers op verschillende gebieden.
Maar juist omdat zij niet in elkaars vaarwater zitten is er het gevaar van isolement. Het vakonderwijs in het bijzonder het theorieonderwijs - wordt in onvoldoende mate gevoed door de resultaten van
wetenschappelijk onderzoek. En omgekeerd dreigen onderzoekingen te geïsoleerd te raken wanneer
ze te ver van het conservatorium staan. Het is waar, al enkele decennia is er een wederzijdse
bevruchting van de twee culturen op het gebied van de (historische) uitvoeringspraktijk. Het wordt tijd
dat nu ook op het gebied van de Theorie der Muziek deze toenadering wordt gezocht.
Muziektheoretici aan de conservatoria moeten hun oor te luisteren leggen bij ‘scholars’ in binnen- en
buitenland. Ze moeten hun lokale bevindingen uitdragen en toetsen aan die van anderen. Omgekeerd
mag van de muziekwetenschap worden verwacht dat zij belangstelling aan de dag legt voor de
analytische scherpte en het inzicht die in de onderwijspraktijk zijn ontstaan en getoetst.
Niet alleen de scheiding tussen vakonderwijs en wetenschapsbeoefening is een sta-in-de-weg voor
een verdere ontwikkeling van het vakgebied, ook de cultuur aan de conservatoria zelf draagt daar toe
bij.
Het verdwijnen van het zgn. ‘blauwe boek’ begin jaren zeventig - waarin de eisen voor de algemene
vakken aan de conservatoria werden beschreven - heeft weliswaar aan de ene kant noodzakelijke
onderwijsvernieuwingen mogelijk gemaakt, aan de andere kant heeft het er toe geleid dat er een
situatie ontstond waarin ieder conservatorium zijn eigen koers kon varen. Het muziektheorieonderwijs
werd hier zus en daar zo bedreven, zonder dat er een ijkpunt was waaraan de verschillende
methodieken konden worden gemeten. Al snel wist men niet meer van elkaar wat men deed, een
situatie die tot op de dag van vandaag bestaat. Het gesprek over het vak blijft binnen de beperktheid
van de eigen vakgroep, en wat ze elders doen zal wel niet deugen; een vorm van isolationisme die
ook in de hand wordt gewerkt door de weer sterk toegenomen rivaliteit tussen de conservatoria.
Maar nog bepalender voor het gebrekkig ‘scholarship’ bij muziektheoretici aan de conservatoria is de
totale afwezigheid van onderzoeksruimte in de aanstellingen. Als docent aan het conservatorium
wordt je geacht les te geven. Onderzoek, of alleen maar het op de hoogte blijven van je vakgebied,
doe je maar in je vrije tijd; een stand van zaken die door velen als norm verinnerlijkt is.
En, laten we wel zijn: niet het ontbreken van onderzoek is er de oorzaak van dat de taak van de
theoriedocent zich tot lesgeven beperkt, zoals Op de Coul en De Haen ons willen doen geloven.
Omgekeerd: wanneer conservatoriumdocenten evenals hun wetenschappelijke collega’s
onderzoeksruimte zouden hebben zou het voor hen ook mogelijk zijn aan discours over het vak deel
te nemen.
Gelukkig lijken de tijden te veranderen. Docenten aan het Utrechts Conservatorium worden sinds kort
in de gelegenheid gesteld een aanvraag voor onderzoek te doen bij een zgn. ‘centrum voor research’.
En ook in het nieuwe curriculum van het Conservatorium van Amsterdam wordt ruimte gecreëerd - zij
het minimaal - voor onderzoek en ontwikkeling.
Wij hopen dat vanaf nu de ontwikkelingen op het vakgebied en het onderzoek van docenten in het
Tijdschrift voor Muziektheorie gepubliceerd zullen worden.
Het Tijdschrift voor Muziektheorie richt zich in de eerste plaats tot professionele muziektheoretici;
degenen die - als docent, of als onderzoeker - muziektheorie als vak beoefenen. Dat wil echter niet
zeggen dat de inhoud van de bijdragen ook te allen tijde tot zuivere muziektheorie beperkt zal moeten
blijven.
Het Tijdschrift wil ruimte bieden aan een breed spectrum van bijdragen die op een of andere manier
met het muziektheorievak zijn verbonden. Naast artikelen, essays, besprekingen of polemieken op
het gebied van de muziektheorie, is er ook ruimte voor muziekhistorische onderwerpen, zeker als die
betrekking hebben op het onderwijs. Een belangrijk bestanddeel kunnen de bijdragen worden die de
didactische, methodische en pedagogische kant van het muziektheorievak betreffen: een discussie
over de methodiek van het solfègeonderwijs, bijvoorbeeld. Zo kunnen in het tijdschrift
belangwekkende analyses (ook van studenten) worden opgenomen, maar ook een polemiek over
vorm en inhoud van het toelatingsexamen; een essay over het vak instrumentatie, naast aandacht
voor leerplanvernieuwing; een bespreking van een nieuwe compositie, een bijdrage over het
contrapuntonderwijs, aankondigingen en verslagen, stellingen en reacties. Het tijdschrift wil
nadrukkelijk ook een platform zijn voor de uitwisseling van inzichten op het gebied van (het onderwijs
in) de jazztheorie.
Dit eerste nummer van het Tijdschrift voor Muziektheorie kan verschijnen dankzij de financiële steun
van het Conservatorium van Amsterdam, het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en het
Rotterdams Conservatorium. Vanaf het tweede nummer zal geprobeerd worden iets van de kosten
voor het tijdschrift door abonnementen terug te verdienen. Wij zijn uitgeverij Donemus erkentelijk dat
zij de administratie hiervan wil voeren.
Het Tijdschrift voor Muziektheorie wordt gedragen door een redactie waarin verschillende
muziekinstituten zijn vertegenwoordigd. Wij hopen dat het vakblad gevoed zal worden door
muziektheoretici uit heel Nederland en Vlaanderen, en dat het ook buiten de kring van het onderwijs
gelezen zal worden.
Hoewel de redactie er zich van bewust is dat het, door het ontbreken van enige traditie op dit gebied,
voor veel muziektheoretici (nog) niet vanzelfsprekend is te publiceren, doet zij hierbij een oproep aan
allen bijdragen te leveren aan het tijdschrift. In het bijzonder wil de redactie oproepen te reageren op
gepubliceerde bijdragen, zodat er een levendige uitwisseling van meningen en inzichten onstaat.
Reacties kunnen in de vorm van ingezonden brieven, korte discussiebijdragen of langere essays
worden gegeven.
De redactie