Uittreksel 2

BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1311 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1311
D EEL X V I I
Onroerende goederen in het stelsel
van de btw
SOPHIE CLOCHERET
Advocaat balie Brussel
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1312 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1313 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1313
Inleiding – Historiek
2521. De onroerende goederen worden nergens apart behandeld in het btwstelsel en wij wijken dan ook af van de systematiek van ons Btw-Wetboek door
de onroerende goederen een aparte behandeling te geven in een bijzonder deel
van dit werk. Toch is dit verantwoord omdat de onroerende goederen beheerst
worden door aparte regels. Om het stelsel van de onroerende goederen te
begrijpen dient men in wezen eerst de rest van het btw-stelsel te kennen.4179
Wij volgen in onderhavig deel de systematiek van het wetboek opnieuw, zodat
alle facetten van de btw-wetgeving (belastingplicht, goederen, levering, diensten,
maatstaf van heffing, tarief, aftrek enz.) opnieuw aan bod zullen komen, maar
nu specifiek toegespitst op de onroerende goederen.
Natuurlijk zal op de eerste plaats aandacht geschonken worden aan de bepalingen in de Btw-Richtlijn.
De redenen voor het onderwerpen van onroerende goederen aan btw vonden
hun oorsprong in het stelsel dat bestond onder de met het zegel gelijkgestelde
taksen4180. Onder de Btw-Richtlijn zijn deze redenen niet meer geldig. Vermits
wij ons niet teveel zullen inlaten met louter theoretische beschouwingen gaan wij
hier niet verder op in. Het huidig stelsel vindt zijn oorsprong in de vroegere
taksen, maar onder de Btw-Richtlijn is het niet meer dan logisch dat gebouwen
onder het btw-stelsel ressorteren. Zij zijn immers ook goederen welke in het
economisch verkeer verhandeld worden4181. Toch is ook onder dit stelsel de
onderwerping van onroerende goederen aan de btw niet zo vanzelfsprekend.
2522.
De toelichting bij het ontwerp van Zesde Richtlijn4182 stelde terzake:
“In deze richtlijn komen de onroerende goederen (...) op tweeërlei wijze
aan de orde:
4179
4180
4181
4182
Voor een grondige bespreking van het stelsel der onroerende goederen, kan naast de algemene werken
geciteerd in de bibliografie met zeer veel vrucht geraadpleegd worden: M. DONNAY, “Les cessions de
bâtiments à construire ou récemment construits et les répercussions de l’instauration de la T.V.A. en
matière de droits d’enregistrement”, Rec.gén.enr.not. 1971, nr. 21.423; M. DONNAY, “Cessions à titre
onéreux de bâtiments à construire, en cours de construction ou récemment construits”,
Rec.gén.enr.not. 1980, nr. 22.480; J.C. SCHOLSEM, “L’application de la T.V.A. aux transactions et
travaux en matière immobilière’, Journ.prat.dr.fisc.fin. 1970, 161. De lezer zal o.m. kunnen vaststellen hoe men in den beginne (1970) de onderwerping van onroerende goederen aan de btw bekeek
vanuit de traditie uit de met zegel gelijkgestelde taksen, en niet vanuit de basisfilosofie van de btw,
dat alle goederen in het economisch verkeer op dezelfde wijze moeten belast worden volgens een
neutraal stelsel.
Zie MvT bij het Wbtw, art. 8; Rapport Maes, Parl.St. Senaat 1968-69, nr. 455, 82-83.
Lees over de historiek ter zake: M. DONNAY, “Cessions à titre onéreux de bâtiments à construire en
cours de construction ou récemment construits”, Rec.gén.enr.not. 1980, nr. 22480; J.C. SCHOLSEM,
“La T.V.A. européenne face au phénomène immobilier”, Collection Scientifique de la Faculté de
Droits de Liège 1976; J.C. SCHOLSEM, “L’application de la T.V.A. aux transactions et travaux en
matière immobilière”, Journ.prat.dr.fisc.fin. 1970, 161.
Commissie van de Europese Gemeenschappen, “Voorstel voor een Zesde Richtlijn van de Raad
betreffende de harmonisatie van de wetgeving der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme belastinggrondslag”, Brussel 20 juni
1973, BTW Rev. 1973, nr. 13, 487.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1314 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1314
1)
2)
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
als voorwerpen die bij het verlaten van het economisch productieproces worden geleverd voor verbruik door particulieren;
als productiemiddelen waarvan de kosten een bestanddeel vormen
van de prijzen van de goederen en diensten.
Uit dit oogpunt gezien vergt dit beginsel dat de gehele productie- en
distributiesector van nieuwe onroerende goederen aan de belasting moet
worden onderworpen, ongeacht de hoedanigheid van de verkoper. Ter
voorkoming van moeilijkheden bij het maken van een onderscheid tussen
nieuwe en oude gebouwen, is het criterium van de eerste ingebruikneming
aangehouden als zijnde beslissend voor het tijdstip waarop het product
het productieproces verlaat en in de consumptiesector terechtkomt,
d.w.z. het gebruik van het goed door de eigenaar daarvan of een huurder.
Bij oude gebouwen moet onderscheid worden gemaakt tussen woninggebouwen en gebouwen voor andere doeleinden. De woninggebouwen
vallen in beginsel buiten de werkingssfeer van de belasting over de
toegevoegde waarde als zijnde goederen welke ter zake van hun eerste
ingebruikneming worden ‘verbruikt’. De verkoop van een dergelijk
gebouw aan een belastingplichtige, zoals bv. een handelaar in onroerende
goederen, leidt evenwel tot de terugkeer van het gebouw in de distributiesfeer. Daar het belasten van het opnieuw verhandelen van het gebouw
voor de handel in onroerende goederen tot een zware belastingdruk zou
leiden, moest worden afgeweken van de algemene beginselen van heffing.
Ingevolge artikel 12A punt 1 sub d) kunnen de lidstaten dan ook de
grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde vaststellen op het
verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs.
Voor wat betreft de levering van oude gebouwen andere dan woninggebouwen, zijn deze handelingen belastbaar en wel omdat de verkoper in
het algemeen een belastingplichtige is die een economische bedrijvigheid
in de zin van artikel 4, lid 2 uitoefent en voorts omdat iedere levering
onder bezwarende titel door een belastingplichtige een belastbare handeling vormt. De in artikel 14B sub 1) en m) opgenomen vrijstellingen
behelzen evenwel de noodzakelijke correcties op het algemene beginsel
van de belastingheffing.
Beschouwt men de belasting over de toegevoegde waarde als een belasting welke van toepassing is op alle stadia van ‘productie’ en van distributie en welke drukt op het ‘verbruik’, dan schijnen terreinen volledig
ongeschikt om als basis te dienen voor de belasting over de toegevoegde
waarde, daar deze geproduceerd noch geconsumeerd worden. Toch kan,
hoewel de grond als zodanig niet kan worden ‘geproduceerd’, deze wel
het voorwerp uitmaken van economische productiehandelingen die
hieraan een zekere waarde toevoegen. Zo heeft een bouwrijp gemaakt
terrein meer waarde dan braakliggend terrein; immers de economische
bedrijvigheid is de bron van de meerwaarde van het terrein. Bij de
verkoopprijs wordt geen onderscheid gemaakt tussen de prijs van enkel
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1315 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1315
INLEIDING – HISTORIEK
de grond en de prijs van de hierin begrepen arbeid. Indien de levering van
terreinen wordt vrijgesteld van belasting over de toegevoegde waarde,
wordt bij levering van het goed aan een particulier tevens de arbeid welke
in de waarde daarvan kan zijn begrepen, vrijgesteld; evenzo ontstaat bij
levering aan een onderneming een dubbele belastingheffing op de arbeid.
Bovendien is het onderscheid tussen een bouwrijp gemaakt terrein (door
infrastructuurwerken, wegenaanleg, egalisatie, aanleg van waterleiding,
riolering, elektrische installaties, enz.) en een bebouwd terrein volkomen
kunstmatig, daar in beide gevallen een zekere hoeveelheid arbeid op
onverbrekelijke wijze met de grond verbonden is. Uiteindelijk blijken de
terreinen ‘grondstof’ te zijn voor een economische bedrijvigheid. Zelfs
indien in aanmerking wordt genomen dat zij niet in de strikte zin des
woords kunnen worden verbruikt, dienen zij niettemin ter bevrediging
van de behoeften van particulieren (woonhuizen), in welk geval zij
gebruiksgoederen zijn, of dienen zij ten behoeve van ondernemingen, in
welk geval zij investeringsgoederen zijn.
Om bovengenoemde redenen bleek het noodzakelijk de bouwterreinen
aan de belasting over de toegevoegde waarde te onderwerpen.
Een van de kenmerken van grondbezit in privaatrechtelijke zin is het
bestaan van zakelijke rechten die de houder daarvan economisch
gebruiksrecht geven over de zaak waarop zij betrekking hebben (vruchtgebruik, erfpacht, opstal, enz.); de overdracht van een dergelijk recht
houdt in dat de bevoegdheid om, binnen de grenzen van het recht, over
de zaak als een eigemnaar te beschikken, wordt overgedragen. Anderzijds
kan het bezit van deelnemingen in en aandelen van maatschappijen in
onroerende goederen in feite gelijk staan met de eigendom van een
onroerend goed. De in het eerste lid opgenomen gelijkstellingen beogen
handelingen die in economisch opzicht gelijkwaardig zijn aan de levering
van een onroerend goed of een deel ervan uit vanzelfsprekende overwegingen van belastingneutraliteit, aan de belasting over de toegevoegde
waarde te onderwerpen.
Het belasten van de levering van nieuwe gebouwen en bouwterreinen zou
evenwel niet mogen leiden tot een belastingdruk die zwaarder drukt op
dit soort handelingen. Bijgevolg is het noodzakelijk dat de lidstaten, om
redenen van sociale aard, tenminste bepaalde handelingen niet aan het
registratierecht onderwerpen, doch bedoelde operaties van deze aard
belasten met een verlaagd tarief van de belasting over de toegevoegde
waarde.”
Waar de herschikking van de Zesde Richtlijn4183 als hoofddoelstelling had de
structuur en de formulering van de Europese wetgeving te herschikken om deze
4183
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke
stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, kortweg “Btw-Richtlijn”, Pb.L., 347, 11 december
2006, vervangt de Zesde Richtlijn, die wordt ingetrokken.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1316 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1316
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
een heldere en rationele presentatie te geven, werden, op een gering aantal kleine
wijzigingen na, die inherent zijn aan een herschikkingsoefening, in principe geen
materiële wijzigingen in de bestaande wetgeving aangebracht.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1317 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1317
H OOFDSTUK I
Onroerende goederen en rechten m.b.t. onroerende
goederen in de Btw-Richtlijn
2523. Artikel 9, lid 1 Btw-Richtlijn stelt dat eenieder die de economische
activiteiten van handelaar, fabrikant of dienstverrichter verricht, een belastingplichtige is. En artikel 2 Btw-Richtlijn voegt eraan toe dat alle leveringen van
goederen en diensten welke een als dusdanig handelende belastingplichtige
onder bezwarende titel stelt, aan btw zijn onderworpen. De levering wordt in
artikel 14 gedefinieerd als de overdracht van de macht om als eigenaar over een
lichamelijke zaak te beschikken. De goederen worden gedefinieerd als een
lichamelijk goed. Derhalve zijn onder de goederen in de Btw-Richtlijn ook de
onroerende goederen begrepen4184. Ons Nationaal Wetboek sluit hierbij aan.
Artikel 135, lid 1, l°, l en artikel 135, lid 2 stellen de verpachting en verhuur van
onroerende goederen vrij van btw met uitzondering van:
1) hotelverhuring en kampeerterreinen;
2) verhuur van parkeerruimten;
3) verhuur van geïnstalleerde machines en werktuigen;
4) verhuur van safeloketten.
Deze vier soorten verhuring zijn ook in ons Nationaal Wetboek niet vrijgesteld.
De verhuring van geïnstalleerde machines en uitrusting is aan btw onderworpen
als een roerende verhuur. Het zijn immers roerende goederen of onroerende
goederen door bestemming, maar inzake btw blijven het dan roerende goederen.
Zouden om één of andere reden de machines en uitrusting onroerend uit hun
aard zijn, dan zal de verhuring niet onder de btw ressorteren. De vraag rijst dus
of het niet strijdig is met de Btw-Richtlijn.
De andere drie soorten verhuur zijn in artikel 44, § 3 Wbtw uitgezonderd van
de vrijstelling van btw.
2524. De levering (verkoop) zelf van gebouwen is in beginsel niet vrijgesteld
van btw. Artikel 12, lid 1 Btw-Richtlijn geeft de lidstaten de bevoegdheid om
ook incidentele verhandelingen van gebouwen en bouwterreinen aan btw te
onderwerpen.
De levering van dergelijke goederen in het kader van een geregelde werkzaamheid is belastbaar op grond van de gewone definitie van belastingplicht en
levering.
Wat betreft incidentele verrichtingen wordt er dus aan de lidstaten een keuzerecht verleend. Dit keuzerecht geldt alleen voor nieuwe gebouwen, t.t.z.
gebouwen welke verhandeld worden vóór de eerste ingebruikneming. Als
4184
J.C. SCHOLSEM, “L’application de la T.V.A. aux transactions et travaux en matière immobilière”,
Journ.prat.dr.fisc.fin. 1970, 163.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1318 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1318
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
gebouw wordt beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden
(art. 12, lid 2 Btw-Richtlijn).
De lidstaten kunnen de voorwaarden voor de toepassing van dit criterium op de
verbouwing van gebouwen, alsmede het begrip ‘erbij behorend terrein’ bepalen.
De lidstaten kunnen andere criteria dan dat van eerste ingebruikneming
toepassen, zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het
gebouw en die van eerste levering, of het tijdvak tussen de datum van eerste
ingebruikneming en die van uiteindelijke levering, mits deze tijdvakken niet
langer duren dan respectievelijk vijf en twee jaar.
Het keuzerecht geldt ook voor bouwterreinen.
Als bouwterreinen worden beschouwd de door de lidstaten als zodanig
omschreven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen (art. 12, lid 3 Btw-Richtlijn). Het Europees Hof beklemtoonde dit. Daaruit volgt dat het aan de lidstaten
toekomt om te omschrijven welke terreinen zowel voor de toepassing van deze
bepaling als voor de toepassing van artikel 135, lid 1, k Btw-Richtlijn, gelet op
de daarin vervatte verwijzing, als bouwterrein moeten worden aangemerkt.
Deze uitlegging wordt volgens het Hof eveneens bevestigd door het feit dat
zowel het aanvankelijke als het gewijzigde voorstel van de commissie voor de
Zesde Richtlijn een gemeenschappelijke definitie van bouwterrein bevatte. De
Raad heeft evenwel geen van deze voorstellen aanvaard en zich uiteindelijk
verlaten op de definities van de lidstaten. Weliswaar is het vaste rechtspraak (zo
benadrukt het Hof) dat de vrijstellingen van de artikels 132 tot 137 BtwRichtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen zijn4185. De lidstaten
kunnen bijgevolg de inhoud van deze vrijstellingen niet wijzigen. Hiervan kan
echter geen sprake zijn wanneer de Raad de omschrijving van bepaalde termen
van een vrijstelling juist aan de lidstaten heeft overgelaten, met dien verstande
dat zij daarbij het doel van artikel 135, lid 1, k Btw-Richtlijn dienen te eerbiedigen, dat enkel de leveringen van onbebouwde terreinen die niet als ondergrond
voor een opstal bestemd zijn, van belasting vrijstelt4186.
Aansluitend bij artikel 12, stelt artikel 135, lid 1, j en k Btw-Richtlijn van btw
vrij:
–
de levering van andere dan nieuwe gebouwen bedoeld in artikel 12, lid 1
punt a) Btw-Richtlijn;
–
de levering van andere gronden dan de bouwterreinen bedoeld in
artikel 12, lid 1 punt b) Btw-Richtlijn.
Deze vrijstellingen zijn gerechtvaardigd:
–
op oude gebouwen is wellicht geen belastingaftrek zodat zij buiten het
toepassingsgebied van de btw vallen;
4185
4186
HvJ 11 augustus 1995, C-453/93, Bulthuis-Griffioen, BTW Rev. 1996, nr. 122, 642, Jur. 1995, I,
2341; HvJ 18 november 2004, C-284/03, Temco Europe SA, FJF 2005, afl. 3, 257 en TFR 2005, 87
met noot B. PEETERS, “Verhuur en verpachting van onroerende goederen: een van btw vrijgestelde
handeling”.
HvJ 28 maart 1996, C-468/93, Gemeente Emmen, BTW Rev. 1996, nr. 124, 1067, Jur. 1996, I,
1721.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1319 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
HOOFDSTUK I • ONROERENDE GOEDEREN EN RECHTEN M.B.T. ONROERENDE GOEDEREN
–
1319
wat betreft gronden dienen alleen bouwterreinen onder de btw te ressorteren4187.
De combinatie van die twee bepalingen heeft dus tot gevolg dat alleen nieuwe
gebouwen en bouwterreinen onder de btw ressorteren, al dan niet incidenteel
verhandeld.
Dit stelsel vinden wij niet volledig terug in de Belgische wetgeving.
Artikel 371 jo bijlage X, deel B, punt 9 Btw-Richtlijn geven de lidstaten echter
de mogelijkheid de levering van nieuwe gebouwen gedurende de overgangsfase
te blijven vrijstellen van btw onder de in de lidstaten geldende voorwaarden4188.
België heeft aldus de mogelijkheid de bestaande beperkte regeling van btwheffing op nieuwe gebouwen (zie verder) te handhaven totdat er op Europees
niveau terzake bepalingen worden uitgevoerd over de opheffing van deze vrijstelling. Bovendien, na de overgangsperiode, zal België de bevoegdheid hebben
om incidentele verhandelingen van onroerende goederen aan de btw te onderwerpen. Artikel 12, lid 1 Btw-Richtlijn laat echter niet toe dat terzake een
keuzerecht door de lidstaten wordt ingesteld; men is belastingplichtige of men is
het niet.
Alleen degene die gebouwen levert is momenteel een belastingplichtige of kan
voor belastingplicht kiezen.
Echter ook de levering van bouwterreinen zal aan btw mogen onderworpen
worden. De Btw-Richtlijn bevat niet de bepaling dat alleen gebouwen goederen
zijn inzake btw; ook gronden kunnen goederen zijn.
Inmiddels heeft het Europees Hof van Justitie bevestigd dat het keuzerecht dat
artikel 12, lid 1 Btw-Richtlijn aan de lidstaten verleent, betrekking moet hebben
op het gebouw of het gedeelte van gebouw en het erbij behorend terrein4189. In
navolging van deze rechtspraak heeft de Belgische wetgever inmiddels de nodige
aanpassingen doorgevoerd in het Wbtw zodat, met ingang van 1 januari 2011,
zowel gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein aan btw
onderworpen kunnen worden.
2525. Hoe zit het echter met andere rechten op gebouwen?
Onroerende leasing wordt in België belast als een dienst (art. 44, § 3, 2°, b
Wbtw).
De Btw-Richtlijn stelt in artikel 15, lid 2 echter dat de lidstaten als lichamelijke
zaken kunnen beschouwen:
a) bepaalde rechten op onroerende goederen;
4187
4188
4189
Zie de toelichting bij het ontwerp van Zesde Richtlijn geciteerd in de inleiding van dit deel.
Deze mogelijke vrijstelling geldt echter niet voor het ‘pakket’ van overeenkomsten van aanneming van
werk en het verrichten van diensten met het oog op de oprichting van een gebouw. HvJ 8 juli 1986,
C-73/85, Kerrutt, Jur. 1986, I, 2219.
HvJ 8 juni 2000, zaak C-400/98, Breitsohl, AFT 2000, 477, FJF, No. 2000/187, Jur. 2000, I, 4321,
Rec.gén.enr.not. 2000, nr. 25.059, 8, RGF 2000, 346, RW 2001-02, 212 en TFR 2001, nr. 198, 322,
noot D. STAS; Zie ook A. THEISSEN, “Cession des bâtiments et de leurs terrains: la Cour de Justice des
Communautés européennes considère que les bâtiments et le sol y attenant ne peuvent être dissociés
aux fins de la T.V.A.”, Rec.gén.enr.not. nr. 25.058, 6.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1320 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1320
b)
c)
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
de zakelijke rechten welke aan de rechthebbende de bevoegdheid
verschaffen om een onroerend goed te gebruiken;
de deelbewijzen of aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht
geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel
ervan.
Deze bepaling roept heel wat vragen op. In Nederland wordt deze bepaling
uitgelegd als zou zij de lidstaten een keuzerecht verlenen om de genoemde
verrichtingen te beschouwen als een levering of een dienst4190.
Artikel 24, lid 1 Btw-Richtlijn beschouwt alles wat geen levering is als een
dienst, dus zouden de genoemde verrichtingen als een dienst moeten belast
worden, tenzij bevoegde lidstaat deze op grond van artikel 15, lid 2 BtwRichtlijn als een levering beschouwt.
Nu is dit wel een vreemd keuzerecht omdat men zich:
1) kan afvragen waarom een dergelijk keuzerecht moet bestaan;
2) omdat er daardoor in het intracommunautair verkeer distorsies kunnen
ontstaan en er dubbele belasting ofwel totale vrijstelling van belasting kan
plaatsvinden doordat het ene land een verrichting als een levering gaat
beschouwen en het andere land dezelfde verrichting als een dienst, waardoor dus andere criteria zullen gelden in verband met de plaats van de
handeling en het tijdstip en plaats van belastbaarheid.
Het woord ‘kunnen’ in artikel 15, lid 2 Btw-Richtlijn duidt in elk geval op een
keuzerecht; de vraag is echter: gaat het om een keuzerecht tussen levering of
dienst dan wel een keuzerecht het al dan niet aan btw te onderwerpen?
De voorbereidende werken bij de Zesde Richtlijn (in zover men hiervan kan
spreken, want er bestaat geen officiële memorie van toelichting) brengen ons
geen soelaas.
In het eerste ontwerp van Zesde Richtlijn werden de zakelijke rechten eenvoudig
beschouwd als een goed. Zij werden ermee gelijkgesteld4191. In de definitieve
tekst wordt er een keuzerecht verleend.
De tekst van artikel 24, lid 1 Btw-Richtlijn is echter zeer ruim; alles wat geen
levering is, is een dienst. Derhalve zouden de zakelijke rechten in beginsel dus
als dienst kunnen belast worden.
Dat het inderdaad om een keuzerecht tussen levering en dienst gaat werd reeds
door andere auteurs verdedigd4192. Wijzelf hebben sceptisch gestaan tegen dergelijk besluit.
4190
4191
4192
Zie D.B. BIJL en D.G. VAN VLIET, “Europese btw en Nederlandse omzetbelasting”, Fiscale monografieën, nr. 46, Kluwer, Deventer, 1988, 166.
Commissie van de Europese Gemeenschappen, “Voorstel voor een Zesde Richtlijn van de Raad
betreffende de harmonisatie van de wetgeving der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme belastinggrondslag”, Brussel 20 juni
1973, BTW Rev. 1973, nr. 13, 487.
Zie C. AMAND, “Recht van opstal en btw: Is de Belgische praktijk wettelijk?”, TFR 1992, nr. 107, 40;
B. PEETERS, “Fiscale aspecten van het recht van opstal en erfpacht”, Fiscale Praktijkstudies, Kluwer,
Antwerpen, 113.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1321 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
HOOFDSTUK I • ONROERENDE GOEDEREN EN RECHTEN M.B.T. ONROERENDE GOEDEREN
1321
Inderdaad, de tekst is niet gans duidelijk. Het verlenen van een zakelijk recht op
een onroerend goed wordt in België gevoelsmatig niet als een dienst beschouwd.
Verhuur en dergelijke natuurlijk wel, omdat dit nauwer aansluit bij ons burgerrechtelijke rechtsgevoel. In het Burgerlijk Wetboek wordt immers onderscheid
gemaakt tussen contracten van aanneming (diensten) en verkoopcontracten, en
daarnaast, in het deel ‘Eigendom’ heeft men het over de zakelijke rechten. Zij
zijn in ons nationaal rechtsstelsel geen diensten.
De vraag is echter of wij inzake btw wel mogen blijven denken in ons nationaal
en traditioneel begrippenarsenaal. Wij moeten ermee rekening houden dat de
Europese richtlijnen een versmelting zijn van de verzuchtingen die onder diverse
rechtsstelsels leven waarbinnen andere begrippen gehanteerd worden of waarbinnen begrippen een andere inhoud kunnen krijgen.
Een letterlijke tekstinterpretatie van de Btw-Richtlijn leidt tot het besluit dat
artikel 24, lid 1 als dienst ook de zakelijke rechten en andere rechten op onroerende goederen kan omvatten en dus dat artikel 15, lid 2 Btw-Richtlijn terzake
een keuzerecht bevat. Het besluit is dan dat opstal, erfpacht, het verlenen van
een recht van gebruik en bewoning, onder btw zullen ressorteren ook al zouden
zij in ons Nationaal Wetboek niet als dienst, noch als levering vermeld zijn. Zij
vallen bovendien niet onder de vrijstellingen van artikel 135 Btw-Richtlijn4193.
Artikel 24, lid 1 Btw-Richtlijn heeft echter directe werking, zodat op grond van
deze bepaling de onderworpenheid aan de btw kan afgedwongen worden.
Sinds 1993 is ons Wbtw terzake echter aangepast en zijn de zakelijke rechten als
goederen aan btw onderworpen.
Hiervoor stelden wij dat alleen de levering van ‘nieuwe gebouwen’ in de BtwRichtlijn belastbaar worden gesteld. Deze beperking vinden wij in de richtlijn
niet terug in verband met zakelijke rechten.
2526. In de richtlijn kunnen de zakelijke rechten op zichzelf als een lichamelijke zaak worden beschouwd. Het vruchtgebruik, het recht van opstal, enz. zijn
op zichzelf dus goederen inzake btw. Ook in ons Nationaal Wetboek is dit zo.
2527. Verder is de vraag aan de orde of artikel 15, lid 2 Btw-Richtlijn de
lidstaten toelaat slechts bepaalde zakelijke rechten als lichamelijke zaak te
beschouwen. Artikel 15, lid 2 Btw-Richtlijn, stelt namelijk dat de lidstaten als
lichamelijke zaken kunnen beschouwen: ‘De zakelijke rechten die de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen een onroerend goed te gebruiken’. Deze
bepaling geeft niet zo direct de mogelijkheid hierin een onderscheid te maken.
Deze bepaling geeft eerder de indruk dat ofwel alle zakelijke rechten ofwel geen
enkel zakelijk recht als lichamelijke zaak moet beschouwd worden.
Het verlenen van volgende rechten die ook wel eens als zakelijke rechten worden
gekwalificeerd lijkt ons in elk geval niet als levering onder het btw-stelsel te
kunnen ressorteren, omdat artikel 15, lid 2 van de Btw-Richtlijn alleen gewaagt
4193
Zie C. AMAND, “Recht van opstal en btw: Is de Belgische praktijk wettelijk?”, TFR 1992, nr. 107,
405.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1322 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1322
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
van zakelijke rechten die de bevoegdheid verlenen tot gebruik: voorrechten,
hypotheken, burgerlijk pand, handelspand en genotspand. Deze rechten houden
immers geen bevoegdheid tot gebruik in. Het gaat eerder om ‘zekerheden’4194.
Het verlenen van erfdienstbaarheden kwalificeert dan weer wel als levering die
in het btw stelsel kan ressorteren vermits de erfdienstbaarheid een zakelijk recht
is dat op een erf wordt gelegd tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar
behoort4195.
Het recht van eigendom of mede-eigendom blijft sowieso buiten beschouwing,
want dit is vervat in het begrip levering en valt dus per definitie onder btw.
Zakelijke rechten die dan wel als levering zouden mogen gekwalificeerd worden
zijn, naast het vruchtgebruik: het recht op gebruik en bewoning, erfpacht, opstal
en eventueel de afstand van recht van natrekking (voor zover dit als een
afzonderlijk zakelijk recht zou kunnen beschouwd worden)4196.
Nochtans stelt artikel 135 1, l) van de Btw-Richtlijn dat de lidstaten de verpachting van onroerende goederen vrijstellen van btw.
Dacht men hierbij naar Belgisch recht alleen aan erfpacht (wet 10 januari
1824)? Of dacht men aan ‘pacht’ (uit het Burgerlijk Wetboek), zijnde een louter
persoonlijk recht en geen zakelijk recht?
De vestiging, voor een overeengekomen duur en tegen vergoeding, van een
zakelijk recht dat aan de houder de bevoegdheid verschaft om een onroerend
goed te gebruiken, zoals het recht van vruchtgebruik, mag volgens het Hof van
Justitie voor de toepassing van de vrijstelling van de btw door een lidstaat in een
nationale regeling met verpachting en verhuur van onroerend goed worden
gelijkgesteld4197. Aldus zou erfpacht ook bedoeld kunnen zijn indien het aan de
door het Hof van Justitie gestelde voorwaarden voldoet.
Het recht van ‘gebruik en bewoning’ is alleen een recht van genot en geen recht
van beschikking. Derhalve kon men eventueel stellen dat dergelijk recht uitgesloten is. De btw-administratie heeft in dit verband inmiddels uitdrukkelijk
aanvaard dat ook het recht van “gebruik en bewoning” het voorwerp kan
uitmaken van een met btw belastbare levering4198.
4194
4195
4196
4197
4198
R. DERINE, “Zakelijke rechten” in Het onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, I C.4-1 en
I. C.6-1.
BTW-Handleiding, nr. 20.
F. VAN NESTE, “Natrekking” in Het onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, I.G.4 – 13
en 14, met verdere verwijzingen.
HvJ 4 oktober 2001, C-326/99, Stichting Goed Wonen, Intern.Fisc.Act. 2001, afl. 9, 6 en Jur. 2001,
I, 6831.
BTW-Handleiding, nr. 20; zie ook K. VERHEYDEN, “De rechten van gebruik en bewoning”, AFT 2007/
02,4.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1323 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1323
H OOFDSTUK I I
De belastingplicht inzake onroerende goederen
2528. Artikel 4 Wbtw omschrijft de belastingplichtige als de persoon die in de
uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig leveringen
van goederen of diensten verricht.
Artikel 9 Wbtw definieert goederen als ‘lichamelijke goederen’. Er wordt aldus
geen onderscheid meer gemaakt tussen roerende goederen en onroerende
goederen door bestemming en onroerende goederen uit hun aard. Alle lichamelijke goederen ressorteren in principe onder de btw ongeacht of zij roerend dan
wel onroerend zijn. Onroerende goederen zijn dus goederen inzake btw, zowel
gronden als gebouwen. Artikel 1, § 9 Wbtw definieert een gebouw als ieder
bouwwerk dat vast met de grond is verbonden. Als bijhorend terrein wordt
beschouwd, het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om er op te
bouwen en dat door eenzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk met het
gebouw waartoe het behoort. Wie een economische activiteit uitoefent die
bestaat in het verhandelen (vervreemden) van onroerende goederen is dus van
rechtswege een belastingplichtige overeenkomstig de algemene definitie terzake.
§ 1.
Gewone belastingplicht
2529. Wie gebouwen (en desgevallend bijhorende terreinen) opricht of
aankoopt met de bedoeling ze te verkopen, is dus van rechtswege een belastingplichtige overeenkomstig de algemene definitie van belastingplichtige. Het gaat
hier om iemand die belastingplichtige is in de zin van artikel 4 Wbtw4199.
Derhalve moeten dezelfde beginselen en principes toegepast worden als in
verband met de gewone belastingplichtige om uit te maken of en vanaf wanneer
iemand beroepsoprichter is4200. Het gaat om de persoon die geregeld gebouwen
opricht voor zichzelf om ze te verkopen. Het gaat hier niet om de aannemer
welke voor anderen bouwt, men bouwt zelf of laat de aannemer voor hem
bouwen4201.
De hoedanigheid van beroepsoprichter wordt van rechtswege verworven; eens
men de activiteiten uitoefent en een geregelde werkzaamheid heeft, zal men
automatisch belastingplichtige zijn4202.
Wat betreft het begrip ‘geregelde werkzaamheid’, kan verwezen worden naar
hetgeen terzake reeds gesteld werd bij de bespreking van het begrip belastingplichtige.
4199
4200
4201
4202
MvT bij art. 8 Wbtw.
J.C. SCHOLSEM, “La T.V.A. européenne face au phénomène immobilier”, Collection scientifique de la
faculté de droits de Liège, 1976, 174.
J.C. SCHOLSEM, “La T.V.A. européenne face au phénomène immobilier”, Collection scientifique de la
faculté de droits de Liège, 1976, 174.
J.C. SCHOLSEM, “La T.V.A. européenne face au phénomène immobilier”, Collection scientifique de la
faculté de droits de Liège, 1976, 174.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1324 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1324
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
Problemen rijzen wanneer moet uitgemaakt worden vanaf wanneer men de
hoedanigheid van beroepsoprichter zal bezitten, of met andere woorden vanaf
wanneer iemand mag geacht worden een geregelde werkzaamheid uit te
oefenen. Wij hadden het ook hierover reeds in het deel over de belastingplicht.
Eenieder is belastingplichtige zodra hij de intentie heeft een beroepswerkzaamheid te zullen gaan uitoefenen en alleen nog maar voorbereidende handelingen
stelt met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheid. Het speelt geen rol of
de intenties daadwerkelijk verwezenlijkt worden.
Voldoende is dat er een serene oprechte intentie is; de handelingen van voorbereidende aard geven dan reeds recht op aftrek ook al worden er nog geen
handelingen verricht welke onder de btw ressorteren4203 (zie Hoofdstuk: Belastingplicht).
De toepassing van deze beginselen op een beroepsoprichter is in de praktijk
enigszins delicaat.
Immers het is niet zo moeilijk te stellen dat men gebouwen wil oprichten om ze
te verkopen; men kan een intentie hebben, maar de vraag is hoe oprecht deze
intentie is.
Het feit gebouwen op te richten, kantoren in te richten, aankopen te doen,
investeringen te doen, personeel aan te werven, dit alles zijn wellicht goede
aanduidingen van het feit dat men een werkzaamheid, een activiteit wil
uitbouwen, maar dit alles bewijst nog niet dat men gebouwen wil ‘verkopen’.
Men kan gebouwen oprichten, maar in afwachting dat er kopers opdagen,
verhuurt men bijvoorbeeld. Heeft men dan werkelijk de intentie gebouwen te
willen verkopen of gaat het er in de eerste plaats om te verhuren en is de verkoop
maar bijkomstig? De feitelijke omstandigheden zullen terzake een zeer grote rol
spelen. Het is niet voldoende te beweren dat men gebouwen wil verkopen; het is
niet voldoende dit in de statuten op te nemen of in de inschrijving in het
handelsregister. Men moet door daden duidelijk kunnen maken dat men daadwerkelijk zijn intenties in realiteit wil omzetten.
De administratie is van oordeel dat beroepsoprichters en -verkopers van nieuwe
gebouwen in de zin van artikel 12, § 2 Wbtw, belastingplichtigen zijn in de zin
van artikel 4 Wbtw en dat zij onmiddellijk als dusdanig dienen te worden
geïdentificeerd zonder te moeten wachten tot daadwerkelijk een aanvang wordt
genomen met de geregelde verkoop van nieuwe gebouwen4204. Het is niet nodig
dat er effectief handelingen gesteld worden opdat men belastingplichtige zou
zijn. Voldoende is de intentie en het feit van voorbereidende handelingen te
stellen. (Het Hof van Justitie is duidelijk terzake – zie Deel: Belastingplicht).
De administratie moet de intenties van de persoon in kwestie evalueren aan de
hand van concrete omstandigheden. Zodra men kan besluiten dat iemand serene
intenties heeft een belastingplichtige activiteit te zullen uitoefenen, moet men
4203
4204
Antwerpen 23 november 2010, Fiscoloog nr. 1231, 18; besl. nr. ET 77.712, 28 april 1994,
BTW Rev. nr. 109, 627.
BTW-Handleiding, nr. 83.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1325 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
HOOFDSTUK II • DE BELASTINGPLICHT INZAKE ONROERENDE GOEDEREN
1325
zijn statuut als belastingplichtige erkennen, en hem een recht op aftrek toestaan
met betrekking tot de voorbereidende kosten.
Voor het overige gelden hier de beginselen welke reeds in verband met de
gewone belastingplicht werden uiteengezet. Zo moet ook hier opgemerkt
worden dat een geregelde werkzaamheid niet noodzakelijk een echt beroep
veronderstelt.
De hoedanigheid van belastingplichtige geldt alleen voor de verhandeling van
gebouwen, en desgevallend bijhorende terreinen, nooit voor gronden alleen (zie
in dit verband onder meer supra: Hof van Justitie, 8 juni 2000, Breitsohl). Gelet
op het feit dat sedert 1 januari 2011 ook grond (bijhorend terrein) aan btw
onderworpen kan worden, zal de beroepsoprichter minder vaak dan voorheen
een gemengde belastingplichtige zijn, vermits de verkoop van gronden niet
langer automatisch zonder btw zal geschieden.
De beroepsoprichter zal de bestemming van de door hem opgerichte of aangekochte gebouwen moeten bewijzen. Zijn privéwoning zal niet op grond van een
wettelijk vermoeden geacht kunnen worden te zijn opgericht met de bedoeling
verkocht te worden; hij zal dus de btw op dit gebouw niet kunnen aftrekken. Dit
gebouw behoort niet tot zijn economische activiteit en dus zal het met btw
bezwaard blijven. Hij zal dit gebouw dan ook niet met btw kunnen verkopen
tenzij volgens één van de nog bestaande keuzestelsels (zie verder).
Wie gebouwen heeft aangekocht met de bedoeling ze te verkopen en dit doet in
het kader van een economische activiteit, zal van rechtswege een belastingplichtige zijn. Er moet wel mee rekening gehouden worden dat gebouwen slechts
gedurende een bepaalde termijn met btw kunnen verhandeld worden (zie
verder)4205.
§ 2.
De toevallige oprichter of verkrijger van gebouwen
2530. Er bestaat een keuzestelsel voor de toevallige oprichter of verkrijger van
gebouwen en bijhorende terreinen.
Artikel 8, § 1 Wbtw bepaalt terzake:
“Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten
oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting, en het
uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de
eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder
bezwarende titel vervreemdt, heeft ten aanzien van de vervreemding van
dit goed en het bijhorende terrein de hoedanigheid van belastingplichtige,
wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven
van zijn bedoeling de vervreemding te doen met voldoening van de
belasting.”
4205
Overdracht van nieuwe gebouwen onder toepassing van de btw door beroepsoprichters: besl. nr. E.T.
77.712, 28 april 1994, Rec.gén.enr.not. nr. 24511.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1326 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1326
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
2531. De voorwaarden voor toepassing van dit keuzestelsel zijn duidelijk:
1) eenieder kan van het keuzestelsel genieten;
2) het moet gaan om iemand die buiten de uitoefening van een economische
activiteit een goed bedoeld in artikel 1 § 9, 1° Wbtw heeft opgericht of
heeft verkregen met betaling van de btw4206.
Enige verwarring bestaat rond de term ‘buiten de uitoefening van een
economische activiteit’.
Valt hier ook onder: de belastingplichtige die in het kader van een belastingplichtige activiteit een gebouw oprichtte of bedoelt men alleen degene
die geen activiteit heeft die bestaat uit het verhandelen van onroerende
goederen?
Gebouwen zijn steeds goederen inzake btw. Artikel 44, § 3 Wbtw stelt het
verhandelen ervan na een bepaalde periode weliswaar vrij (zie het Deel:
Levering van onroerende goederen) maar principieel zijn onroerende
goederen dus een goed in het kader van de btw-wetgeving. De verhandeling
met btw is slechts gedurende een bepaalde tijdspanne mogelijk. Zolang
men maar belastingplichtige is, kan men gebouwen met btw verkopen
gedurende een bepaalde periode. De belastingplichtige die een gebouw als
bedrijfsmiddel in gebruik heeft, doch geen ‘handelaar’ in onroerende
goederen is, zou dus onder het gewone stelsel zijn bedrijfsmiddel (het
gebouw) met btw kunnen verkopen, zolang hij zich maar binnen de
bepaalde periode bevindt. Hij zou niet moeten handelen overeenkomstige
het keuzestelsel van artikel 8 Wbtw Hij verkoopt zijn gebouw immers in
het kader van “een” economische activiteit, zij het niet in het kader van een
economische activiteit die bestaat in het verhandelen van onroerend goed.
Er is in wezen geen onderscheid tussen de vervreemding van een gebouw
dat een bedrijfsmiddel is en de vervreemding van eender welk ander
bedrijfsmiddel in het Wbtw; niettemin lijkt de bedoeling van artikel 8, § 1
Wbtw erin te bestaan dat iedereen die niet als beroepsoprichter kan
beschouwd worden, voor de toepassing van btw dient te opteren teneinde
een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1° Wbtw te kunnen vervreemden met
btw, dus evenzeer de particulier als de btw plichtige wiens economische
activiteit niet bestaat in het verhandelen van onroerend goed;
3) het gebouw wordt vervreemd uiterlijk op 31 december van het tweede jaar
volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw. (Wat betreft deze termijn zie verder “Een gebouw
een goed inzake btw”, en “Levering van gebouwen”);
4) de vervreemding gebeurt onder bezwarende titel.
De vervreemding mag betrekking hebben op een deel van het gebouw;
5) de vervreemder moet kiezen voor de toepassing van het btw-stelsel op een
bepaalde voorgeschreven wijze (zie verder “Formaliteiten”).
4206
Indien hij het gebouw slechts gedeeltelijk heeft verkregen met toepassing van de btw, kan hij dit
gebouw ook maar ten belope van dat gedeelte vervreemden met toepassing van de btw. Rb. Brugge
9 februari 1988, FJF, No. 89/21, bevestigd door Gent 24 oktober 1989, FJF, No. 90/228;
Rec.gén.enr.not. 1991, nr. 23.921, 5.
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1327 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
HOOFDSTUK II • DE BELASTINGPLICHT INZAKE ONROERENDE GOEDEREN
1327
Deze keuzeregeling is bijvoorbeeld van toepassing op een privépersoon die een
gezinswoning bouwt, doch om een of andere reden deze verkoopt.
Zo zal het stelsel eventueel kunnen toegepast worden bij de openbare verkoop
van een gebouw op last van de leningmaatschappij omdat de ontleners hun
lening niet konden aflossen.
Ook hier gaat het weerom alleen om gebouwen en desgevallend bijhorende
terreinen; gronden alleen zijn dus nogmaals uitgesloten.
Benadrukt weze dat het gebouw binnen een bepaalde termijn moet vervreemd
zijn.
Er moet een eigendomsovergang plaatsvinden. (Wat betreft het begrip
vervreemding wordt eveneens verwezen naar het hoofdstuk over gebouwen als
goederen inzake btw).
§ 3.
Het vestigen van een zakelijk recht met betrekking tot een
gebouw
2532. Ook het vestigen van zakelijke rechten zal met btw kunnen geschieden
zelfs al gebeurt dit buiten de uitoefening van een economische activiteit die dus
tot belastingplicht aanleiding zou geven.
Artikel 8, § 2 Wbtw bepaalt terzake:
“Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1° heeft opgericht, heeft laten
oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop
hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder
bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede
lid, 2°, heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis
heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen
met voldoening van de belasting.”
2533. De voorwaarden zijn ongeveer dezelfde als met betrekking tot het
vervreemden van gebouwen (zie vorige paragraaf):
1) eenieder kan van de regeling genieten;
2) wanneer hij anders dan in de uitoefening van een economische activiteit
een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1° Wbtw verwierf of liet oprichten met
betaling van de btw.
Hiervoor gelden dezelfde bemerkingen als supra;
3) er wordt een zakelijk recht gevestigd dat een gebruiksrecht verleent op het
goed. (Wat betreft dit begrip wordt verwezen naar het Hoofdstuk Leveringen en diensten; zie ook het volgende Hoofdstuk; zie ook supra);
4) deze vestiging gebeurt binnen een welbepaalde periode, namelijk uiterlijk
31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van het goed (zie het volgende
Hoofdstuk en ook het Hoofdstuk: Levering van onroerende goederen);
larcier
BTW-Handboek.2013.vol.2.book Page 1328 Tuesday, February 4, 2014 4:07 PM
1328
5)
DEEL XVII • ONROERENDE GOEDEREN IN HET STELSEL VAN DE BTW
van zijn bedoeling met btw te vervreemden moet men kennis geven aan de
controledienst op een bepaalde wijze (zie Hoofdstuk: Formaliteiten).
De belastingplicht lijkt in dit geval beperkt te zijn tot de overdracht van het
zakelijk recht. De wet stelt duidelijk dat men belastingplichtige is ‘ten aanzien
van de vestiging’.
Zoals ook in het vorige geval gaat het hier dus om een keuzerecht.
§ 4.
De overdracht van een zakelijk recht op een gebouw
2534. Ook de overdracht van een zakelijk recht kan onder het stelsel van de
btw gebeuren.
Artikel 8, § 3 Wbtw bepaalt terzake:
“Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, dat met
voldoening van de belasting te zijnen bate werd gevestigd of aan hem
werd overgedragen, binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder
bezwarende titel, overdraagt of wederoverdraagt, heeft ten aanzien van
de overdracht of wederoverdracht van dit zakelijk recht op een goed
bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, de hoedanigheid van belastingplichtige,
wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven
van zijn bedoeling het zakelijk recht met voldoening van de belasting over
te dragen of weder over te dragen.”
2535. Ook hier zijn de voorwaarden omzeggens dezelfde:
1) eenieder kan kiezen voor belastingplicht;
2) die een zakelijk recht op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1° Wbtw
verwierf met betaling van de btw.
Het gaat weerom om een zakelijk recht van gebruik zoals in de vorige
situatie;
3) hij draagt dit recht over binnen weerom de reeds gekende termijn;
4) de overdracht gebeurt weerom onder bezwarende titel;
5) men moet zijn keuze voor belastingplicht te kennen geven op een welbepaalde wijze.
Wij kunnen dus verwijzen naar hetgeen supra werd gesteld.
larcier