Lees meer over inzicht en verantwoording borgingsplafonds.

Inzicht en verantwoording toekenning borgingsplafond
Samenvatting en conclusie algemeen
WSW is tevreden over het resultaat, gelet op de beperkte tijdsperiode waarin de
borgingsbehoefte van alle corporaties door ons beoordeeld moest worden en in aanmerking
nemend dat er sprake was van een nieuw proces en een nieuwe werkwijze. De reacties van
de corporaties bevestigen dat. Wel vraagt de nieuwe methode ook bij de corporaties een
zekere gewenning. Dit betreft dan met name de nieuwe terminologie die WSW gebruikt in
combinatie met de correcties die worden aangebracht op de gevraagde financieringsbehoefte
die nu meer expliciet zijn. Het kan daardoor nodig zijn bestaande patronen ten aanzien van
treasury binnen een corporatie te doorbreken.
Onderstaande rapportage met de uitkomsten van de vaststelling van het borgingsplafond laat
zien dat dat de nieuwe methode bijdraagt aan meer transparantie en een betere beheersing
van de toekenning van borgingsruimte.
De belangrijkste cijfermatige resultaten
 90% van de corporaties kunnen op voorhand al hun geplande activiteiten in 2014
uitvoeren met het vastgestelde borgingsplafond. De correcties die hebben
plaatsgevonden op de gevraagde financieringsbehoefte (in totaal € 200 miljoen)
komen voort uit onder andere niet goedgekeurde projecten die zijn gecorrigeerd
vanuit risico-optiek en uit foutieve invullingen van de dPi.
 Voor corporaties die niet-DAEB-activiteiten hebben gepland in 2014, kende WSW
een bedrag toe van in totaal € 0,7 miljard aan “eigen middelen”.
 Er was op 31 december 2013 reeds voor € 2,5 miljard financieringsruimte bij
corporaties beschikbaar voor geplande DAEB-activiteiten (borgingstegoed). Hierdoor
is de toename van de netto schuldpositie in 2014 sector breed weliswaar nul, maar
toch kunnen corporaties hun plannen realiseren. Van de € 2,5 miljard is € 0,5 miljard
beschikbaar in de ruimte van de variabele hoofdsomleningen.
 Er zijn na beschikbaarstelling van het borgingsplafond 210 corporaties die een
hogere schuldpositie hebben dan benodigd voor de financiering van hun plannen;
hier zijn afspraken nodig om te komen tot de afbouw van de leningenportefeuille.
Relevant beleid en beoordelingskader
Voor het overgangsjaar 2014 is bij de vaststelling van het borgingsplafond voor de
corporaties met de risicoklasse “geel” het volgende beleid ten aanzien van de “groei van de
portefeuille” gehanteerd: WSW neemt bestaande verplichtingen en eerdere toezeggingen in
Faciliteringsvolume op in het borgingsplafond.
Figuur 1. Toekenning borgingsplafond in relatie tot risicoclassificatie.
Conclusies financieringsbehoefte en interne financiering
Zoals ook uit de trendnotitie blijkt, daalt de totale extra financieringsbehoefte ten behoeve van
DAEB-activiteiten de komende jaren. Mede doordat de interne financieringsbronnen
(verkopen en operationele kasstromen) iets stijgen (van € 4,9 mld. naar € 5,4 mld.) daalt de
vraag naar nieuwe geborgde financiering: van € 1,5 mld. in 2014 naar een overschot aan
geborgde financiering in 2016. De netto financieringsbehoefte neemt in de periode 2014-2016
af tot het niveau dat corporaties € 0,8 miljard meer interne financieringsbronnen hebben dan
hun bruto financieringsbehoefte.
Al in 2014 is sprake van 125 corporaties die geen extra financieringsbehoefte hebben voor
DAEB-activiteiten, en dat aantal verdubbelt bijna in 2016 (216 corporaties).
Figuur 2: Financieringsbehoefte (geborgd) in relatie tot geplande netto financieringsvraag.
Toekenning borgingsruimte in borgingsplafond
Volgens het beleid verstrekt WSW geen borgingsruimte (ruimte voor extra geborgde
leningen) als de corporatie nog voldoende eigen middelen beschikbaar heeft om de
financieringsbehoefte te kunnen invullen.
Daarnaast verstrekt WSW op voorhand geen borgingsruimte als dat vanuit risicoperspectief
niet verantwoord is. Figuur 3 geeft weer welke gevraagde extra financieringsbehoefte WSW
niet opneemt in het toegekende borgingsplafond.
Voor de jaren 2014, 2015 en 2016 is dat ongeveer een vergelijkbaar bedrag.
Figuur 3: Vraag naar ruimte voor extra geborgde leningen door corporaties in relatie tot de
ontwikkeling van het vastgestelde borgingsplafond.
N.B. Voor niet DAEB-activiteiten geeft WSW in 2014 additioneel € 0,7 miljard aan eigen
middelen vrij aan 215 corporaties.
De reden voor het niet toekennen van extra financieringsruimte is echter voor het jaar 2014
anders dan voor de jaren 2015 en 2016. In 2014 betreft de correctie voornamelijk de reeds
beschikbare eigen middelen die corporaties moeten inzetten voor de financiering
(borgingstegoed) alvorens WSW aanvullend geborgde leningen verstrekt. Voor het totaal van
de deelnemers is dat een bedrag van € 2,5 miljard inclusief de resterende ruimte (€ 0,5
miljard) in de aangetrokken leningen met variabele hoofdsom. In 2014 vindt verder een
positieve correctie plaats (€ 0,7 miljard) vanuit de eigen middelen voor de financiering van
niet-DAEB-activiteiten. Een analyse daarvan treft u in figuur 4.
De conclusie is dat 331 corporaties in 2014 al hun geplande activiteiten kunnen uitvoeren met
het toegekende borgingsplafond. Aan 36 corporaties geeft WSW deze ruimte vanuit
voorzichtigheid op voorhand niet. De correcties op het borgingsplafond betreft een bedrag
van ongeveer € 200 miljoen en komt onder andere voort uit foutieve invullingen van dPi.
Voor 2015 en 2016 houden de correcties verband met het risicobeleid zoals dat hiervoor is
gesteld.
Figuur 4: Ontwikkeling borgingsplafond 2014.
Toepassing risicobeleid 2015 en 2016
Onderstaande figuur maakt het risicobeleid zichtbaar ten aanzien van het op voorhand ter
beschikking stellen van het borgingsplafond. Totaal kent WSW voor € 814 miljoen in 2015 en
voor € 315 miljoen in 2016 toe aan groei bij de groene corporaties.
Figuur 5: Ontwikkeling gevraagd en vastgesteld borgingsplafond voor 2014 – 2016 per
risicocategorie.
Reacties corporaties na ontvangst vastgesteld borgingsplafond.
In de weken na de verzending van de brieven met de borgbaarheidsverklaring en het
borgingsplafond zijn er veel reacties van corporaties binnengekomen.
De reacties zijn als volgt onder te verdelen.
- Het overgrote deel van de reacties betrof vragen om uitleg. Die vragen zijn door de
accountmanagers telefonisch of schriftelijk beantwoord; soms is er een afspraak ingepland
voor een persoonlijke uitleg.
- De tweede categorie bestond uit opmerkingen over de hoogte van het borgingsplafond.
Deze vragen zijn per ommegaande beantwoord door de accountmanagers.
-
De laatste en kleinste categorie bestond uit de opmerking dat afspraken die in het
verleden zijn gemaakt, niet in het borgingsplafond zijn verwerkt. Voor zover deze
opmerkingen terecht waren, zijn de borgingsplafonds per ommegaande aangepast.
De tweede categorie reactie is nog als volgt te splitsen:
o Niet correcte beginstand per 1 januari 2014.
Analyse leerde dat de oorzaken hiervan enerzijds lagen in het niet doorgeven door de
corporatie aan WSW van vervroegde aflossingen en anderzijds in de niet correcte
verwerking van aflossingen in de administratie van WSW. Voor wat betreft de foutieve
verwerking door WSW namen wij het hele bestand door; van alle corporaties waarbij
er sprake was van een fout en het een bedrag betrof groter dan 0,1% van de
geborgde leningenportefeuille, paste WSW het borgingsplafond aan. Die corporaties
hebben inmiddels een correctiebrief ontvangen. WSW werkt nu aan maatregelen om
deze fout in de toekomst te voorkomen. In het geval dat corporaties niet alle
gegevens aan ons hadden doorgegeven, heeft WSW die informatie alsnog in de
systemen verwerkt en - indien nodig – correcties aangebracht op het
borgingsplafond.
o Aangeleverde dPi-informatie die inmiddels achterhaald bleek.
Gevolg hiervan was dat WSW een lager borgingsplafond vaststelde dan de corporatie
nodig heeft om de plannen uit te voeren. Voor zover dit voor 2014 implicaties heeft is
de vraag door de accountmanager in behandeling genomen. Indien dit alleen in 2015
en verder tot implicaties leidt zal WSW dit bij inlevering van de dPi2014 worden
rechttrekken.
o Aangeleverde dPi-informatie die fouten blijkt te bevatten.
Gevolg hiervan was dat WSW een te laag borgingsplafond vaststelde. Voor zover het
een ‘slordigheid’ van de corporatie betrof en het risicoprofiel van de corporatie dit
toeliet paste WSW het borgingsplafond aan. In de gevallen dat er sprake leek te zijn
van meer dan slordigheid wees WSW de corporatie erop dat het niet serieus invullen
van de dPi voor WSW niet acceptabel is en dat WSW maatregelen verwacht die ertoe
leiden dat de kwaliteit van de dPi-informatie in de toekomst verbeterd. Wij zullen
speciale aandacht besteden aan de administratieve organisatie van de
desbetreffende corporaties en zullen deze corporaties met voorrang reviewen.
Op dit moment ontvangt WSW nog sporadisch opmerkingen; ingrijpende zaken verwacht
WSW niet meer.