140302 psalm 32: Vergeving

Psalm 32: Over schuldbelijdenis, vergeving en geluk.
Orde van dienst:
Welkom.
Psalm 23
Votum en zegengroet
GK 76
Wet
Psalm 130 (Psalmen voor nu.)
Gebed
Voor de kinderen: Boos.
GK 28
Inleiding: vergeving.
Schriftlezing: Cantorij zingt Psalm 32.
Samen zingen: GK 22
Preek
Psalm 32: 1, 2, 5
Dankgebed en voorbede + Onze Vader.
Collecte (zingen: LB 463)
Slotzang: Liedb 460: 1, 2, 5
Zegen.
--------------Inleiding op de dienst/preek: Vergeving.
Wat kan dat moeilijk zijn.
Als iemand jou echt pijn heeft gedaan. Jou heeft vernederd. Over jou geroddeld. Leugens
achter je rug om. Als je vrouw ontrouw was. Als een vriend jou heeft laten vallen. Als je vader
alleen maar kritiek op je had. Je buurman, die je dochter misbruikte.
Diep van binnen zit de pijn. De wrok.
Vergeven?
Erg moeilijk.
Maar wat gebeurt het veel.
In gezinnen, huwelijken, gemeenten….
Ook in onze gemeente kom ik die pijn tegen. Er zijn zelfs mensen daarom weggegaan.
Er is veel gebeurd in de jaren die voorbij gingen.
Veel mooie dingen. Er is veel liefde en hulp in onze gemeente. Erg mooi.
Maar er is ook pijn.
Vandaar deze serie over vergeving.
Over zonde, schuld en verzoening.
Wat is vergeving? Wanneer vergeef je? Altijd? Hoe doe je dat?
Het lijkt alsof Jezus dat zo leert in het Onze Vader: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook
wij onze schuldenaren vergeven”.
En Paulus schrijft dat in Kolossenzen 3: “Verdraag elkaar en vergeef elkaar, als iemand een
ander iets te verwijten heeft: zoals de Heer u vergeven heeft, moet u ook elkaar vergeven”.
Het staat er zo mooi en eenvoudig.
Maar tegelijk: wat een hoge berg!
Hoe kan ik dat ooit?
Dat kun je ook niet.
Maar God kan het je wel geven om te kunnen vergeven.
Voor de kinderen: boos.
Broeders en zusters, jongens en meisjes, gasten,
Wilt u gelukkig worden?
Ja, da’s een domme vraag: natuurlijk willen we gelukkig worden. Wie niet!
Gezondheid, genoeg te eten en veel vrije tijd. Mensen om ons heen, die van ons houden.
Een mooi huis om in te wonen. Niets meer te wensen over.
En, jongens en meisjes, zakgeld, zoveel als je wilt!
Wie wil dat niet?!!
In ieder mensenhart leeft een heimwee naar een geluk, dat er eens geweest moet zijn en
waar we voor geschapen zijn. Mensen zijn niet geschapen voor pijn en strijd, voor een leven
minachting of een leven met handicaps. Je bent niet geboren om te sterven.
En mensen voelen dat.
De mens heeft een Paradijs achter zich. Vandaar.
En nu lezen we op zomaar een zondagmorgen een Psalm van David. Een lied van 3000 jaar
geleden. Nog veel ouder dan de gedichten van Shakespaere of de Ilias van Homerus .
En David schrijft over geluk.
Ja, en niet zomaar een geluk, maar een geluk waar je door gaat juichen.
Gejuich van bevrijding!
En je denkt bij jezelf: “Wat is dat voor een geluk, waar David over schrijft? Is dat ook voor mij
bereikbaar? In onze moderne tijd?”.
Ja, dat is ook voor ons bereikbaar.
De Heilige geest heeft deze Psalm in de Bijbel voor ons bewaard, zodat mensen van alle
tijden dit kunstige lied van David kunnen lezen.
Thema: Vergeving brengt geluk.
We zien 1. Davids ongeluk
2. Davids geluk.
1. Davids ongeluk.
Wat is er met David aan de hand?
Want hij moet het heel erg moeilijk gehad hebben. Let maar eens op wat hij zegt: “Zolang ik
zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag”.
Dat is niet mis! David leed bijna ondragelijk. Huilde de hele dag. Hij brulde het uit.
Wat was er?
Was David ziek?
Was zijn werk als koning te zwaar voor hem? Al die mensen, die maar aandacht vroegen?
Was hij depressief?
Nee, er was iets heel anders aan de hand.
Want David zegt er iets bij.
Hij zegt: “Zolang ik zweeg, teerde mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag”.
Zolang ik zweeg.
Zweeg tot wie? Tot zijn vrouw? Tot zijn dienaren of vrienden?
Nee, David zweeg tot zijn grootste vriend. Hij zweeg naar God toe.
Het lijkt alsof David wil zeggen, dat hij niet bad: “Zolang ik zweeg…….”.
En nu lijkt het alsof David zijn volk wil leren, dat zij moeten bidden: “Laten uw getrouwen tot u
bidden…”.
Misschien zegt u: ‘Nou, dat weet ik wel. Dat hoor ik in bijna iedere preek”.
Ja. Dat is waar. En dat wisten de Israëlieten vast ook wel. Er waren zo de vaste
gebedstijden. En daar zal ook David zich wel aan gehouden hebben.
Ja, en toch is dat ook weer niet waar.
Want David belijdt, dat hij een tijdlang gezwegen heeft tot God: “Zolang ik zweeg….”.
David bedoelt niet, dat hij helemaal niet meer bad.
Dat hij al die tijd niet in de tempel kwam om te bidden en te offeren.
Dat kan bijna niet: hij was koning en de koning moest wel naar de tempel.
Nee, er was iets anders aan de hand. Het zat veel dieper. Het was veel erger.
Wat was er aan de hand?
Nou, uit de psalm maken we op dat David een heel concrete zonde had gedaan. Een heel
erge, bewuste zonde, en over dié zonde sprak hij niet met de HERE. Als hij in gebed was,
sprak hij wel in het algemeen over zijn zonden en vroeg hij vergeving, maar die ene zonde,
die er in zijn leven was, die stopte hij weg. Die verborg hij in de schuilhoek van zijn hart. Die
verzweeg hij. Want hij wilde die zonde niet kwijt.
Ook al besefte hij heel goed, dat de HERE die zonde wel kende.
Daarom zegt hij ook: “Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht. Mijn kracht smolt weg als
in de zomerhitte”.
Davids geweten was heel onrustig. Hij wist wel, dat God het wist. En toch kon hij het niet
laten. En hij deed alsof er niets aan de hand was.
Alleen, dat lukte helemaal niet. Van buiten was David vrolijk en deed hij zijn werk.
In zijn hart was het een woestijn: “Mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte”.
Zijn leven met God was een marteling.
Heel waarschijnlijk moeten we denken aan Davids zonde met Bathseba.
Aan zijn moord op haar man Uriah.
Op een dag, als de legers zijn uitgetrokken, zit David thuis in zijn paleis in Jeruzalem. En hij
ziet van af zijn balkon een vrouw zichzelf baden in een van de huisjes rond zijn paleis.
Bathseba. En Bathseba is mooi.
David verlangt naar haar.
Haar man, Uriah, is soldaat in zijn leger en uitgetrokken om voor David te strijden. Bathseba
is alleen. David laat haar halen en verleidt haar.
Maar, wat blijkt, Bathseba is zwanger!
David schrikt.
Want Uriah is al weken weg en dus zal zijn zonde straks op straat liggen!
Daarom laat hij Uriah van het front halen, vraagt hoe het met hem is en naar de stand van de
oorlog. Dan zegt hij: “Ga maar lekker naar huis, Uriah”.
En hij hoopt, dat Uriah bij zijn vrouw Bathseba zal liggen en gemeenschap met haar zal
hebben. Dan zal iedereen denken, dat het kindje van uriah is en niet van David. , Maar
Davids list mislukt:
Uriah gaat niet naar huis.
Hij gaat niet fijn naar huis bij zijn vrouw slapen als zijn kameraden dat allemaal moeten
missen en aan het front staan in gevaar en hitte.
Hij slaapt in de vertrekken van de knechten en gaat daarna terug naar het front.
Zo grootmoedig is Uriah.
Daarom nodigt David Uriah uit om te komen eten en drinken met de koning.
David wil Uriah zoveel laten drinken, dat hij dronken wordt en niet meer goed weet wat hij
doet. Dan zal hij wel naar zijn vrouw gaan en met haar slapen.
Maar ook deze list lukt niet.
Uriah slaapt weer bij de knechten en niet bij zijn mooie vrouw Bathseba.
De volgende dag gaat Uriah terug naar het front.
Maar de slimme David heeft nog een list: hij geeft Uriah een verzegelde brief mee voor de
aanvoerder van het leger, Joab, met de boodschap: “Zet de brenger van deze brief, de hetiet
Uriah, voorin aan het front. Trekt u dan terug, zodat hij alleen staat in de strijd, gedood wordt
en sneuvelt.
Ja, en zo vindt de grootmoedige Uriah dan de dood.
En weet u waarom deze daad van David zo erg is? Of, beter, dubbel zo erg is? Omdat Uriah
een vriend was van David. Hij was één van Davids helden.
U weet, dat David een tijdlang, jarenlang, voor Saul heeft moeten vluchten.
De jaloerse koning Saul.
David vluchtte de woestijn in. Daar ontmoette hij meer mannen, die voor Saul hadden
moeten vluchten. Sommigen waren gewoon criminelen. Anderen politieke tegenstanders van
Saul. Maar al deze mannen schaarden zich achter David.
David de doder van Goliath. David de koning.
En zij vormden zo een klein leger rond David. Een paar honderd man. En al deze mannen
gingen voor David door het vuur. Dat kunt u lezen in 1Kronieken 11. Alles hadden ze voor
David over. Zelfs hun leven. En één van deze helden was de Hethiet Uriah.
Deze Uriah, wordt door David laf vermoord.
En als Uriah dood is, ontfermt de koning zich over de verdrietige weduwe. David had wel
gewild, dat de mensen zouden zeggen: “Tsjonge, wat is die David toch een fijne man!!”.
Dat is Davids grote zonde.
En al die tijd doet David alsof er niets aan de hand is. Al die tijd blijft hij naar de tempel gaan
en offeren en zijn gebeden uitspreken. Maar David zwijgt over wat hij gedaan heeft met
Bathseba en Uriah.
Maandenlang deed hij voor God en mensen alsof alles goed was.
Totdat na maanden zwijgen de HERE zijn profeet Nathan stuurt en David op zijn zonde wijst.
David breekt.
Dat was er aan de hand. David verzweeg die ene zonde voor zijn God. Zijn boezemzonde.
Terwijl David heel goed wist, dat hij de HERE met dat kwaad veel verdriet had gedaan.
De HERE, die hem al die jaren had bewaard. Die hem de troon in Jeruzalem had
geschonken. Zijn trouwe God, waarvoor David zijn psalmen zong, toen hij als jongen bij de
schapen van zijn vader waakte in de velden rond Bethlehem. De HERE, die al die jaren zijn
Herder was geweest. De man naar Gods hart.
“Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg”, zingt David.
David leed eronder. David leed een dubbelleven.
Dat was er aan de hand: David leidde een dubbelleven. Een leven onder de mensen en een
leven in het verborgene.
Een dubbelleven.
Ja, en dat maakt deze oude psalm heel actueel.
Want je denkt bij jezelf: “Ach, zo’n oud boek, die bijbel, en zo’n oude psalm, wat moet ik
daarmee in onze moderne tijd?
Maar, wat David vertelt, dat kennen wij toch ook?
Dat we wel bidden en naar de kerk gaan, maar dat we niet echt onze zonden belijden voor
de HERE. In het algemeen zeg je: “Vergeef ons onze zonden”, maar die ene zonde noem je
niet. Want dan moet je die loslaten en dat wil je niet.
Een dubbelleven. Zelfs in de kerk.
Misschien wel jaren lang.
En geen preek of bezoek of bijbelstudie, die jou open krijgt.
Zelfs je eigen man of vrouw niet.
En je reageert vaak wat geprikkeld als het over het geloof of de kerk gaat of over de preek.
Je bidt niet meer voor jezelf. Je hebt makkelijk kritiek op de kerk, op broeders en zusters, op
dominees en je bekleedt je ambt plichtmatig. Zonder echte blijdschap.
Want een dubbelleven neemt je blijdschap weg. Je geluk. Je liefde.
Dat was zijn ongeluk: zijn zonde maakte scheiding tussen hem en de HERE.
“Zolang ik zweeg….”.
2. Davids geluk.
U kunt zich misschien wel voorstellen, waarom David zo lang zweeg: het was allemaal zo
bewust geweest. Zo gepland. David wist zo goed waar hij mee bezig was.
Dat verleiden van Bathseba, die moord op zijn vriend Uriah, het was zo doelbewust. Vanaf
het moment, dat David Bathseba zag, bande hij God uit zijn hart. Want in dat hart moesten
plannen gesmeed en kregen brandende begeerten een ruime plek.
En daardoor was er geen plaats meer voor God.
Snapt u: David struikelde maar niet even, maar hij deed alles zo bewust.
En daarom was hij bang om de HERE onder de ogen te komen. Dat kon nu toch niet meer.
Niet na alles wat hij had gedaan. Na al dat toneelspel en dat bedrog. En David zweeg.
Maandenlang.
Ja, en toch heeft David de HERE weer gevonden. Want anders had hij Psalm 32 nooit
kunnen gedichten. Want daar zingt hij erover, dat hij niet langer zweeg, maar dat hij zijn
zonde aan de HERE heeft beleden.
Maar hoe kan dat?
Hoe heeft David de HERE weer gevonden, als zijn hart zo dicht zat?
Ja, het wonder is, dat de HERE David vond. Hij kwam naar David toe. Zijn lieve kind David.
En doorbrak zijn koppige stilzwijgen.
Hij zond zijn profeet Nathan en die wees David op zijn schuld: “Er was eens een rijk man,
David, die honderden schapen had. En naast hem woonde een arm man met zijn vrouw en
kinderen. En die arme man en zijn gezin hadden maar ene lammetje. Zij waren daar zo blij
mee, dat dat lammetje bij hun in huis leefde en opgroeide. Je ziet de kinderen spelen met dat
kleine huppelende bolletje wol.
Maar op een dag kreeg de rijke man bezoek en toen kon die rijke man er niet toe komen om
een lammetje van zijn eigen kudde te nemen en te slachten om samen op te eten. Hij nam
het ene lammetje van die arme buurman af, slachtte dat en zette het de reiziger voor”.
Langzaam staat David op van zijn troon en zegt woedend tegen Nathan, de profeet: “Wie is
die man?!! Zo’n man hoort te sterven!”.
Dan wijst Nathan naar David: “Jij bent die man David!”.
En David breekt.
Dan belijdt hij zijn zonde voor Nathan en de HERE.
Ziet u: niet David zocht de HERE, maar de HERE zocht David, zijn kind. Ja, en dan zoekt
David de HERE ook weer en belijdt zijn kwaad. En Nathan mag dan zeggen: “De HERE
heeft je zonde vergeven, David”.
Was dat niet moeilijk voor David?
Ja, natuurlijk! Wat moeilijk om je zonden, je zwakheden te belijden.
Maar tegelijk: Wat een bevrijding! Wat een bevrijding!
Want er kwam zo weer vrede met God. En dat is het allermooiste.
Vrede met mensen is mooi. Vrede met je Schepper het diepste. Dan is er een blijdschap in je
leven, die niemand van je af kan pakken.
David zingt het uit: “Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven…”.
(…) Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood
En omringt mij met gejuich van bevrijding.”
Wat mooi, als je weer opnieuw mag beginnen. als God het kwaad uit je leven wegneemt. Het
kwaad, dat je aan de ene kant haatte en toch ook weer koesterde.
Geen dubbelleven meer. Niets meer te verbergen.
“Gejuich van bevrijding”.
David leert ons iets heel belangrijks: hij leert ons dat geloven in God, wandelen met Hem en
leven naar zijn geboden, dat je daar gelukkig van wordt.
Er zijn mensen, die de kerk maar niks vinden.
Zij zeggen : “In de kerk wordt alleen maar over zonden gepraat. Daar wordt je somber van.
Het is nooit goed en je schiet altijd tekort. Je moet je natuurlijke driften en lusten verdringen.
Want die zijn allemaal zondig. Daar word ik niet echt gelukkig van”.
Als we goed naar David luisteren is het juist andersom: hij is ongelukkig zonder God. Hij is
ongelukkig als hij niet tegen verkeerde lusten vecht. Hij jubelt als de band met God weer
goed is en open.
Gelukkig, dat er een plekje in deze wereld is waar inderdaad over zonde gepraat wordt en
over oordeel. Gelukkig! Een plek waar vergeving is. Voor het meisje, dat abortus heeft laten
plegen. Voor de jongen, die met vallen-en-opstaan leert omgaan met zijn seksuele
verlangens. Voor de man, die kwaadsprak en voor de vrouw, die zo vaak kritiek heeft en
roddelt. Voor vaders en moeders, die hun kinderen veel liefde hebben onthouden. Voor
kinderen, die hun ouders veel pijn hebben gedaan. Een plek waar je zonden kunt belijden en
waar God zelf de last van je schouders afneemt en je bevrijdt. Waar het over Jezus gaat, die
voor ons stierf aan een kruis.
Dat is de kerk: mensen, die bij elkaar komen om samen te juichen over de bevrijding, die
God gaf.
Dat is toch tussen mensen toch ook al zo.
Je kon altijd goed met elkaar opschieten. Je praatte samen en je lachte samen. Samen op
vakantie. Maar op een dag: Je kreeg ruzie. En toen heb je elkaar pijn gedaan, je hebt
verwijten gemaakt, je was kwaad en hebt dingen gezegd, die je broeder, je zuster, hard
troffen…. Je bent elkaar kwijtgeraakt. Je mijdt elkaar. Je hebt slechte gevoelens, als je aan
elkaar denkt. Je zit er mee. Maar wat heerlijk als je weer met elkaar kunt spreken. Als je kunt
vergeven. Als het weer goed is. Als je weer samen in de tuin wat kunt drinken op een mooie
zomer avond. Als het weer is zoals het was.
Hoe maak je het weer goed?
Ook daarover leren we iets in deze psalm.
Nou, niet door te zwijgen. Door als een David langs elkaar heen te leven.
Dan wordt het alleen maar erger.
De gedachten over elkaar en de verwijten krijgen dan ruimte om te woekeren.
En daar kan de satan wel wat mee.
David is op dit punt geen goed voorbeeld.
De HERE zelf wijst hier de weg: hij ging naar David toe.
Zoals Hij ook door Jezus naar ons toekwam.
Daar begint het mee: elkaar durven opzoeken.
En dan?
Verwijten maken? Even zeggen wat je ervan denkt?
Nee.
Eerst heel open en eerlijk je eigen zwakheid en je eigen aandeel belijden. Uit jezelf.
Daarna de pijn van de ander willen zien. Die pijn erkennen. Beseffen, wat je je broer of zus
hebt aangedaan.
Moeilijk?
Ja, erg moeilijk. Want we begrijpen onszelf vaak erg goed en we weten vaak ook erg goed
wat die ander precies heeft gezegd en verkeerd heeft gedaan.
De ander opzoeken en vergeving vragen of schenken, gaat vaak dwars tegen je gevoel in.
Het is een keus, die je maakt.
Maar als je allebei bij jezelf durft te beginnen, ontstaat er opening.
Een weg naar vergeving.
Ja, het was een oude psalm. Die psalm van David. Uit een ver verleden.
En tegelijk zo actueel. Zo relevant voor mensen vandaag.
Voor mensen, die beschadigd zijn. Door eigen kwaad of door kwaad van anderen.
Er is vergeving. Er is genezing.
Gejuich van bevrijding.
Amen.
Praatpapier bij Psalm 32: Vergeving brengt geluk”.
In de komende weken een preken-serie over het thema “Vergeef me…”.
Tot op Goede Vrijdag.
Bij de preek:
De boodschap van de preek is eigenlijk heel eenvoudig: David lijdt
eronder, dat de band met zijn God gebroken lijkt. Hij beseft, dat zijn zonde
ertussen staat. Maar hij heeft niet de kracht om daarmee te breken of die
bij God te brengen.
Dus komt God naar David toe. Door Natan. Zoals hij ook door Jezus naar ons toe komt.
Als David zijn zonde heeft beleden en vergeving gevraagd, komt de blijdschap weer terug.
Dat kan tussen God gebeuren. Maar ook tussen mensen.
De boodschap is eigenlijk even eenvoudig als herkenbaar.
Om thuis over na te denken en na te praten:
1. Vind je het ook lastig, dat er in de kerk open over zonde wordt gesproken?
2. Kun je je vinden in de hoofdlijn: “Vergeving brengt geluk”?
3. Bij vergeving hoort belijdenis van schuld. Berouw. Naar God en mensen.
4. Bij vergeving gaat het niet alleen om vergeving, maar ook om een herstelde relatie.
Om verzoening. Is dat zo? Kan of moet dat ook altijd?
5. Een oefening: denk eens aan iemand, die jou pijn heeft gedaan. Waarmee de relatie
daarom is bekoeld. Eigenlijk praat je niet meer met elkaar. Vraag God eens in je
gebed of hij je wil helpen om naar die ander toe te gaan en het weer goed te maken.
Te vergeven.
Bedenk wat jij die ander hebt aangedaan. (En even niet andersom!) Zou je dat
kunnen zeggen? Zeggen dat het je spijt? Verzoenen?
Moeilijk? Ja. Maar je hebt een belofte: “Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar,
dan zult u genezen…”, Jakobus 5: 16.
Bijbelleesrooster:
We willen u voor deze 40-dagenperiode graag een bijbelleesrooster aanbieden. Rond de
themazondagen zijn teksten gekozen die te maken hebben met het thema Vergeving.
Op de andere dagen vindt u teksten over het optreden van Jezus op aarde. Vanaf Johannes
de Doper tot aan de opstanding. Voor de keuze van die teksten hebben we gebruik gemaakt
van het boek 'Christus op aarde' van prof. Jacob van Bruggen.
Bij week 1 (dinsdag t/m vrijdag):
Het optreden van Jezus begint bij de doop door Johannes bij de Jordaan. Johannes de
Doper wordt door Van Bruggen wel 'de grootste profeet van het Oude Testament' genoemd!
Negen maanden lang hebben Johannes de Doper en Jezus gelijktijdig gepredikt.
Totdat Johannes werd gearresteerd.
Zondag 2 maart:
Maandag 3 maart:
Dinsdag 4 maart:
Woensdag 5 maart:
Donderdag 6 maart:
Vrijdag 7 maart:
Zaterdag 8 maart
Psalm 51 een psalm, die David dichtte na zijn zonde met Bathseba.
1Johannes 3:18-24 over Gods liefde die ons hart tot rust brengt.
Lukas 3:1-22 Johannes de Doper over bekering en de doop van Jezus.
Johannes 1:19-36 Verdieping: Hij wijst Jezus aan als het Lam van God.
Johannes 2:23-3:7 en 3:14-21 uit het gesprek met Nicodemus – de
mensenzoon moet hoog verheven worden.
Johannes 3:22-36 het getuigenis van Johannes.
Mattheus 18:1-14 ingeschakeld om elkaar te beschermen tegen de
brekende macht van het kwaad.
Preek en Praatpapier staan ook op onze website: www.deschaapskooi.info onder Actueel