2013284 en 284.1 - College van Beroep voor het Hoger Onderwijs

Zaaknummer
Rechter[s]
Datum
Partijen
Trefwoorden
:
:
:
:
:
2013/283 en 283.1 en 2013/284 en 284.1
mr. Nijenhof
30 januari 2014
Verzoeker tegen CBE Universiteit van Amsterdam
AIESA, bijzondere omstandigheden, harde knip, herkansing,
inherente bevoegdheid, kortsluiting, overmacht, voorlopige
voorziening
Artikelen
: WHW artikel 7.30a lid 1; Awb artikel 8:81, 8:86; OER
Rechtsgeleerdheid UvA artikel 25 lid 3 en 4
Uitspraak
: Beroepen Ongegrond; verzoeken afgewezen
Hoofdoverwegingen : 2.3.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid van
de examencommissie bij ontheffing van de harde knip met de
toepassing van de gehanteerde cumulatieve criteria niet onredelijk
is. Nu verzoeker niet voldoet aan eerdergenoemde cumulatie van
criteria is een ontheffing van de harde knip aan verzoeker op
goede gronden geweigerd.
2.3.3 De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in diens
betoog dat de examencommissie het lidmaatschap van het bestuur
van de studentenorganisatie AIESA had moeten aanmerken als
bijzondere persoonlijke omstandigheid. Het door verzoeker
aangevoerde lidmaatschap kan niet worden gekwalificeerd als
overmacht nu hij daar zelf voor gekozen heeft. Met de
examencommissie is de voorzieningenrechter van oordeel dat de
gevolgen van die keuze voor diens rekening en risico dienen te
blijven.
2.4.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de decaan een
inherente bevoegdheid heeft om in bijzondere gevallen
beslissingen te nemen in situaties waarin de OER niet voorziet. De
ter zitting uiteengezette complicaties van de invoering van een
nieuw onderwijs systeem als het 8-8-4 systeem, kunnen als een
bijzonder geval worden aangemerkt. Met gebruikmaking van die
bevoegdheid heeft de decaan de beslissing kunnen nemen tot
vaststelling van een op 28 augustus 2013 af te nemen herkansing
voor studenten die getroffen zouden kunnen worden door de
systeemwijziging. Dat deze herkansing als een herkansing in de
zin van artikel 26, derde en vierde OER is aangemerkt is niet
onredelijk, nu voor de aanvang van het nieuwe studiejaar op
1 september 2013 de herkansingen afgelegd moesten worden om
bij goed gevolg per
1 september 2013 aan de masteropleiding te kunnen beginnen.
2.4.4. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd bevestigd dat hij
op of omstreeks
28 augustus 2013 zijn individuele extra herkansing had willen
afleggen om zo op
1 september 2013 met zijn masteropleiding te kunnen aanvangen.
De voorzieningenrechter is met examencommissie van oordeel dat
gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4.3 en de keuze van
verzoeker om niet deel te nemen aan de vastgelegde extra
herkansing op 28 augustus 2013 de gevolgen daarvan voor zijn
rekening en risico dienen te blijven.
Uitspraak in de zaak tussen:
[naam], wonend te [naam woonplaats], verzoeker,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam,
verweerder.
1.
Procesverloop
Bij beslissing van 8 oktober 2013 heeft de examencommissie van de Faculteit der
Rechtsgeleerdheid het verzoek om ontheffing van de zogenoemde harde knip afgewezen.
Bij beslissing I van 16 januari 2014 heeft het CBE het daartegen ingediende
beroep ongegrond verklaard.
Bij beslissing van 29 oktober 2013 heeft de examencommissie van de Faculteit
der Rechtsgeleerdheid het verzoek om extra herkansing voor het tentamen
Personen-, familie- en erfrecht: nationaal en IPR afgewezen.
Bij beslissing II van 22 januari 2014 heeft het CBE het daartegen ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Bij brief ingekomen bij het College op 31 december 2013 heeft verzoeker tegen
beide beslissingen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van het College verzocht
voorlopige voorzieningen te treffen.
De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek behandeld op 27
januari 2014 waar verzoeker, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. N. van den Brink,
zijn verschenen. Namens de examencommissie is mr. C.W. Gittens verschenen.
2.
Overwegingen
2.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW), gelezen in verbinding met
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan op verzoek een
voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de WHW, gelezen in verbinding met
artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, kan de voorzitter na behandeling ter zitting van het
verzoek om een voorlopige voorziening, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak
doen in de hoofdzaak.
2.2
In dit geval kan nader onderzoek naar het oordeel van de voorzitter redelijkerwijs
niet bijdragen aan de beoordeling van de zaken en bestaat ook overigens geen beletsel
om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaken.
Beslissing I
2.3
Ingevolge artikel 7.30a, eerste lid van de WHW kan het instellingsbestuur
desgevraagd beslissen dat degene die voor een bacheloropleiding is ingeschreven, toch
wordt ingeschreven voor een masteropleiding voor zover het achterwege laten van die
inschrijving zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard
2.3.1. De examencommissie hanteert voor bij de toepassing van de ontheffing van de
harde knip cumulatief de volgende criteria:
a. er moet een reëel zicht zijn op (snel) afstuderen (het moet dus gaan om een
enkel ontbrekend vak) én
b. er moet sprake zijn van bijzondere persoonlijke omstandigheden (een situatie
van overmacht), én
c. er moet sprake zijn van ernstige studievertraging (meer dan één semester
indien een ontheffing van de harde knip niet zou worden verleend.
2.3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid van de examencommissie
bij ontheffing van de harde knip met de toepassing van de gehanteerde cumulatieve
criteria niet onredelijk is. Nu verzoeker niet voldoet aan eerdergenoemde cumulatie van
criteria is een ontheffing van de harde knip aan verzoeker op goede gronden geweigerd.
2.3.3. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in diens betoog dat de
examencommissie het lidmaatschap van het bestuur van de studentenorganisatie AIESA
had moeten aanmerken als bijzondere persoonlijke omstandigheid. Het door verzoeker
aangevoerde lidmaatschap kan niet worden gekwalificeerd als overmacht nu hij daar zelf
voor gekozen heeft. Met de examencommissie is de voorzieningenrechter van oordeel dat
de gevolgen van die keuze voor diens rekening en risico dienen te blijven.
Het betoog faalt.
Beslissing II
2.4.
Ingevolge artikel 26, derde en vierde lid van de OER, voor zover hier van belang,
dient de datum voor het extra tentamen ten minste drie maanden te liggen vóór de
datum van het eerstvolgende reguliere tentamen in het desbetreffende studieonderdeel.
Hiervan kan in geval van bijzondere persoonlijke omstandigheden worden afgeweken.
2.4.1. De decaan heeft op 17 juli 2013 de beslissing genomen om complicaties bij de
invoering van een systeemwijziging in het curriculum, het zogenoemde 8-4-4 model, te
voorkomen, studenten op 28 augustus 2013 een extra herkansing te geven, waarbij is
overwogen dat die extra kans moet aangemerkt als een extra tentamen in de zin van
artikel 26, derde en vierde lid, van de OER.
2.4.2. Verzoeker betoogt dat de decaan niet de bevoegdheid toekomt om een beslissing
als die van 17 juli 2013 te nemen en dat hij op grond van zijn persoonlijke
omstandigheden recht heeft op een individuele extra herkansing.
2.4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de decaan een inherente bevoegdheid
heeft om in bijzondere gevallen beslissingen te nemen in situaties waarin de OER niet
voorziet. De ter zitting uiteengezette complicaties van de invoering van een nieuw
onderwijs systeem als het 8-8-4 systeem, kunnen als een bijzonder geval worden
aangemerkt. Met gebruikmaking van die bevoegdheid heeft de decaan de beslissing
kunnen nemen tot vaststelling van een op 28 augustus 2013 af te nemen herkansing
voor studenten die getroffen zouden kunnen worden door de systeemwijziging. Dat deze
herkansing als een herkansing in de zin van artikel 26, derde en vierde OER is
aangemerkt is niet onredelijk, nu voor de aanvang van het nieuwe studiejaar op
1 september 2013 de herkansingen afgelegd moesten worden om bij goed gevolg per
1 september 2013 aan de masteropleiding te kunnen beginnen.
2.4.4. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd bevestigd dat hij op of omstreeks
28 augustus 2013 zijn individuele extra herkansing had willen afleggen om zo op
1 september 2013 met zijn masteropleiding te kunnen aanvangen.
De voorzieningenrechter is met examencommissie van oordeel dat gelet op hetgeen is
overwogen onder 2.4.3 en de keuze van verzoeker om niet deel te nemen aan de
vastgelegde extra herkansing op 28 augustus 2013 de gevolgen daarvan voor zijn
rekening en risico dienen te blijven.
2.5.
Het CBE heeft gelet op het voorgaande terecht geen reden gezien om de
beslissingen I en II van de examencommissie te vernietigen.
2.6.
De beroepen zijn ongegrond. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het
treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.7
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.
Beslissing
De voorzieningenrechter van het College
Rechtdoende:
1.
verklaart de beroepen ongegrond,
2.
wijst de verzoeken af.