SAMENVATTING UITSPRAAK

Commissie van Beroep
BVE
SAMENVATTING
106179 - Beroep tegen direct onthouden van promotie; BVE
De werknemer is formeel werkzaam als afdelingsmanager en heeft de werkgever verzocht hem te
plaatsen in de (hogere) functie van unitdirecteur. De werkgever heeft dit verzoek afgewezen.
In de marginale toetsing van de beslissing wordt beoordeeld of de werkgever in procedureel opzicht
zorgvuldig heeft gehandeld en of de werkgever in dat licht bezien in redelijkheid, gelet op de
betrokken belangen, tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
Vaststaat dat de wijziging van de organisatiestructuur destijds niet gepaard is gegaan met een
aanpassing van het formele functiebouwwerk. Voorts heeft de werkgever, ondanks herhaalde
toezeggingen, de door de werknemer vervulde functie tot op heden niet aan een herwaardering
onderworpen. Wel heeft de werkgever de werknemer ter overbrugging gedurende enige tijd een
toelage toegekend. Deze toelage is echter stopgezet zonder dat daarvoor een objectieve
rechtvaardiging wordt gegeven.
De werkgever heeft in procedureel opzicht ernstig onzorgvuldig jegens de werknemer gehandeld en
zijn belangen geschaad.
Beroep gegrond.
106179
UITSPRAAK
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant, hierna te noemen
A
en
het College van Bestuur van C, gevestigd te D, verweerder, hierna te noemen de werkgever
1.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Bij beroepschrift met bijlagen van 12 maart 2014, ingekomen op 14 maart 2014 en aangevuld op 26
maart 2014, heeft A beroep ingesteld tegen de beslissing van de werkgever van 30 januari 2014 om
hem niet te plaatsen in de functie van unitdirecteur.
De werkgever heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, ingekomen op 22 april 2014.
De mondelinge behandeling van het beroep vond plaats op 19 mei 2014 te Utrecht.
A verscheen in persoon.
De werkgever werd ter zitting vertegenwoordigd door E, juridisch medewerker P&O.
A heeft een pleitnotitie overgelegd.
2.
DE FEITEN
106179/uitspraak d.d. 23 juni 2014
Pagina 1 van 4
Commissie van Beroep
BVE
A, geboren 22 oktober 1959, is sinds 27 jaar werkzaam op het onder C vallende Z in een vast
dienstverband met een volledige betrekkingsomvang. Op de arbeidsverhouding is van toepassing de
cao bve.
Binnen het functiebouwwerk van de werkgever bestaan de volgende managementfuncties:
instituutsdirecteur (schaal 14), unitdirecteur (schaal 13) en afdelingsmanager (schaal 12). A is sedert
2003 werkzaam als afdelingsmanager. In juli 2010 is de bestaande afdelingsstructuur omgezet in een
clusterstructuur. In dat kader werd de samenstelling van het managementteam veranderd. Dit bestaat
sindsdien uit de instituutsdirecteur en drie clustermanagers. De unitdirecteur vertrok en werd niet
vervangen. A maakte deel uit van het nieuwe managementteam. Omdat de functie van
clustermanager formeel nog niet in het functiebouwwerk voorhanden was, heeft de werkgever
besloten A tijdelijk een overbruggingstoelage toe te kennen ten bedrage van het verschil tussen
salarisschaal 12.12 en 13.13. Deze toelage werd jaarlijks opnieuw toegekend, het laatst op 13 maart
2013.
Bij brief van 16 september 2013 heeft A de werkgever verzocht hem te plaatsen in de functie van
unitdirecteur. De werkgever heeft op dit verzoek bij brief van 30 september 2013 afwijzend
gereageerd, waarbij hij A tevens heeft meegedeeld dat de overbruggingstoelage per 1 januari 2014
beëindigd zou worden. Bij bezwaarschrift van 3 oktober 2013 heeft A de kwestie voorgelegd aan de
Interne Geschillencommissie Personeelsbeleid (IGP) van de werkgever. De IGP heeft de werkgever
op 6 november 2013 geadviseerd het bezwaar van A ongegrond te verklaren. De IGP heeft in haar
advies de werkgever tevens in overweging gegeven te bezien of de aan A feitelijk opgedragen taken
in voldoende mate overeenkomen met de in zijn functiebeschrijving vermelde taken.
De werkgever heeft A op 13 december 2013 schriftelijk bericht dat de toegekende toelage definitief
per 1 januari 2014 niet meer wordt uitgekeerd. Ook heeft de werkgever aangegeven dat in 2014 een
herwaardering van het managementbouwwerk zal plaatsvinden. Deze herwaardering had ten tijde van
de mondelinge behandeling van het onderhavige beroep nog niet plaatsgevonden.
Bij brief van 12 januari 2014 heeft A de werkgever verzocht duidelijk te maken of zijn verzoek om
geplaatst te worden in de functie van unitdirecteur al dan niet gehonoreerd wordt. De werkgever heeft
A op 30 januari 2014 schriftelijk bevestigd hem niet te plaatsen in de functie van unitdirecteur. Tegen
deze beslissing is het beroep gericht.
3.
STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
A voert aan dat de werkgever vanaf 2009 herhaaldelijk heeft toegezegd dat de functie van
afdelingsmanager opnieuw tegen het licht gehouden zou worden. Tot op heden heeft dit echter niet
plaatsgevonden. Daarom heeft A er op enig moment voor gekozen om de werkgever te verzoeken
hem in de – formeel nog bestaande – functie van unitdirecteur te plaatsen.
De overbruggingstoelage is destijds toegekend in afwachting van definitieve plaatsing in schaal 13.
Voorts bevat het takenpakket van A aantoonbaar en structureel een groot aantal taken en
verantwoordelijkheden die horen bij de functie van unitdirecteur. Twee instituutsdirecteuren hebben
afzonderlijk van elkaar aangegeven dat de werkzaamheden van A aansluiten bij een hogere
functie/schaal. Het niet plaatsen in de functie van unitdirecteur dient te worden aangemerkt als een
beslissing tot het direct onthouden van promotie, aldus A.
De werkgever voert aan dat de functie van unitdirecteur op papier nog wel bestaat, maar in de nieuwe
organisatie niet meer wordt ingevuld en dat deze, voor zover nog aanwezig, wordt ‘uitgefaseerd’.
Plaatsing van A in deze functie kan reeds daarom niet aan de orde zijn. De naam ‘clustermanager’
komt weliswaar in officiële documenten voor, maar de functie is in het functiebouwwerk formeel niet
aanwezig en dat blijft ook zo. Wel zal de functie van afdelingsmanager binnenkort opnieuw tegen het
licht gehouden worden. Dit zal naar verwachting echter voor A geen hogere functieschaal opleveren.
106179/uitspraak d.d. 23 juni 2014
Pagina 2 van 4
Commissie van Beroep
BVE
Alle taken die A op dit moment vervult passen bij de functie van afdelingsmanager. Slechts incidenteel
voert hij een taak uit die op een breder/hoger niveau ligt.
De uitgekeerde toelage had achteraf bezien eerder geschrapt moeten worden, aangezien die ten
onrechte de suggestie heeft gewekt dat A zijn taken uitvoert op het niveau van schaal 13. De stelling
van A dat de toelage destijds is toegekend in afwachting van plaatsing in schaal 13, is niet juist. Uit de
opmerkingen van de door A genoemde instituutsdirecteuren kan niet worden afgeleid dat zijn taken op
het niveau van unitdirecteur liggen, aldus de werkgever.
4.
OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
De bevoegdheid en de ontvankelijkheid
De instelling is aangesloten bij deze Commissie. Het beroep is gericht tegen één van de beslissingen,
genoemd in artikel 4.1.5 Wet educatie en beroepsonderwijs, en is binnen de daartoe geldende termijn
ingesteld. Derhalve is de Commissie bevoegd van het beroep kennis te nemen en is het beroep
ontvankelijk.
De bestreden beslissing
De Commissie overweegt allereerst dat zij, anders dan bijvoorbeeld de Landelijke
Bezwarencommissie Functiewaardering, in beginsel niet als taak heeft zich inhoudelijk uit te spreken
over de beschrijving en/of de waardering van een bepaalde functie. Evenmin kan de Commissie zich
uitspreken over het feitelijk gewicht van de thans door A uitgevoerde werkzaamheden en van de door
hem gewenste werkzaamheden. De vraag of A op grond van de thans door hem uitgevoerde
werkzaamheden in aanmerking komt voor promotie valt daarmee buiten de reikwijdte van de
onderhavige beoordeling. Aldus kan de door A bestreden beslissing slechts marginaal worden
getoetst. Dit houdt hier in dat de Commissie toetst of de werkgever in procedureel opzicht zorgvuldig
heeft gehandeld en of de werkgever in dat licht bezien, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid
tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
Dienaangaande stelt de Commissie vast dat de wijziging van de organisatiestructuur in 2010 niet
gepaard is gegaan met een aanpassing van het formele functiebouwwerk. Voorts heeft de werkgever,
ondanks herhaaldelijke toezeggingen, de formeel door A vervulde functie van afdelingsmanager tot op
heden niet aan een herwaardering onderworpen. Wel heeft de werkgever A ter overbrugging
gedurende enige tijd een toelage toegekend (waarmee in beginsel gegeven lijkt dat A de
werkzaamheden vervult van de functie(schaal) waarvoor hij in aanmerking wenst te komen en dat het
voorshands niet onaannemelijk is te achten dat hij voor promotie c.q. salariëring in een hogere schaal
in aanmerking zal komen). Deze toelage is echter door de werkgever recent eenzijdig stopgezet,
zonder dat het functiebouwwerk inmiddels is aangepast, zonder dat de werkzaamheden van A zijn
veranderd en zonder dat de functie van A opnieuw tegen het licht is gehouden, derhalve zonder dat
voor deze stopzetting een objectieve rechtvaardiging wordt gegeven. Daaraan kan de werkgever dan
ook geen grond ontlenen om A de promotie c.q. de hogere salariëring te onthouden.
De werkgever heeft daarmee in procedureel opzicht ernstig onzorgvuldig jegens A gehandeld en
diens belangen geschaad, hetgeen naar het oordeel van de Commissie leidt tot gegrondheid van het
beroep.
Ten overvloede merkt de Commissie op dat zij met de gegrondverklaring van het beroep niet
uitspreekt dat A op grond van de feitelijk door hem verrichte en opgedragen werkzaamheden in
aanmerking komt voor plaatsing in een hogere functie(schaal). Dit nu zal in eerste instantie ter
beoordeling aan de werkgever zijn, waarna de kwestie eventueel nog voorgelegd kan worden aan de
106179/uitspraak d.d. 23 juni 2014
Pagina 3 van 4
Commissie van Beroep
BVE
Landelijke Bezwarencommissie Functiewaardering. Daartoe lijkt in ieder geval vereist dat de
werkgever een formele beslissing neemt inzake de beschrijving en/of de waardering van de door A
uitgeoefende functie.
5.
OORDEEL
Op grond van bovenstaande overwegingen verklaart de Commissie het beroep gegrond.
Aldus gedaan te Utrecht op 23 juni 2014 door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter,
mr. C.H. Kemp-Randewijk, drs. K.A. Kool, drs. P. Koppe en mr. K.P. Piena, leden,
in aanwezigheid van mr. J.J. van Beek, secretaris.
mr. W.H.B. den Hartog Jager
voorzitter
106179/uitspraak d.d. 23 juni 2014
Pagina 4 van 4
mr. J.J. van Beek
secretaris