02 - Verslag Algemeen Bestuur 21 mei 2014

Verslag Algemeen Bestuur
Datum
21-5-2014
Corsanr.
VROSCH/2014.07746
Onderwerp
Verslag Algemeen Bestuur
AB-leden
 Schrijen, J.J. (voorzitter)
 Hanssen, T.J.G.M. (lid)
 Nusteling, A.M.C. (lid)
 Gresel, A.M.G. (vice-voorzitter)  Hoon, J.A.M. de (lid)
 Resoort, A.P. (lid)
 Pelzer, E.M.
 Janssen-Camp, W.D.H.M. (lid)  Stelder, P.J.C.W. (lid)
 Clumpkens, M.J. (lid)
 Dohmen, L.H. (lid)
Unit-manager
Wil Pörteners
Notulist
Kitty Hahnraths
Tijdstip
 Lange, P.J.P. de (lid)
 Lebens, C.H.J.M. (lid)
15.00 uur
 Theelen, P.G.M. (lid)
 Vanhommerig, G.J.O.W. (lid)
DIR
1.
Opening
De voorzitter opent de vergadering en meldt dat mevrouw Janssen-Camp zich heeft afgemeld. Om
16.00 uur lichten de accountants, de heer J. Janssen en mevrouw N. Silverentand, van Ernst&Young de
jaarrekening toe.
De volgorde van de agenda wijzigt: agendapunt 8 wordt behandeld voor agendapunt 6.
Vervolgens geeft de voorzitter het woord aan de heer Pelzer voor een presentatie over de
ontwikkelingen bij het WBL.
De voorzitter dankt de heer Pelzer voor de heldere presentatie.
Naar aanleiding van de presentatie merkt de heer Clumpkens op dat wordt gesproken over het leveren
van gezuiverd water. In dat geval is er sprake van een verkooporganisatie; het WBL is dat echter niet.
Het WBL steekt veel energie in het voortstuwen van de organisatie. Het is van belang om het bestuur
hierin mee te nemen.
De toekomstige ontwikkelingen zorgen ervoor dat minder gezuiverd water naar het oppervlaktewater
wordt afgevoerd en in de plaats daarvan kan worden ingezet voor land- en tuinbouw en bedrijven. Op
dat moment komt het verdienmodel naar voren.
Mevrouw Nusteling vraagt of de TDH Venlo nu voor 100 % functioneert, welk voordeel voor 2014 is te
behalen en wat het vooruitzicht voor 2015 is.
De heer Pelzer licht de stand van zaken betreffende de TDH Venlo toe. Met de algemeen directeur van
GMB is afgesproken dat het WBL zo mogelijk zelf meer slib gaat verwerken. Een aantal rwzi’s komt
hiervoor in aanmerking. Als er een win-win situatie is, dient er een positieve businesscase onder te
liggen. Op het moment dat de TDH beter functioneert en een bedrag boven de € 7 ton wordt gehaald, is
de verdeling met GMB fiftyfifty. Dit betekent dat als het WBL € 100.000,-- verdere kostenreductie kan
bewerkstelligen € 50.000,-- ten goede komt aan GMB en € 50.000,-- aan WBL. Dat kantelpunt is nu
bereikt.
Mevrouw Nusteling vraagt naar de duur van deze afspraak.
1
De heer Pelzer antwoordt dat deze afspraak geldt voor de duur van het contract met GMB; momenteel
is dat maximaal 10 jaar. De universiteit Tilburg vergelijkt een aantal prestatiecontracten die de
afgelopen jaren zijn afgesloten. Daarin wordt ook de casus TDH mee genomen. De keuze die het WBL
heeft gemaakt om te kiezen voor een prestatiecontract met een bepaalde mate van flexibiliteit biedt
bedrijven de mogelijkheid om zaken te veranderen. Vooral bij innovatieve trajecten is dat van belang.
2.
Vaststelling verslag vergadering Algemeen Bestuur d.d. 2 april 2014
Het verslag wordt overeenkomstig het concept vastgesteld. Er wordt een actiepuntenlijst aan het
verslag toegevoegd.
Naar aanleiding van het verslag het volgende: het onderwerp valorisatie wordt eerst behandeld in het 2
D.B.-overleg op 17 juni a.s. en vervolgens is een eindbeslissing te nemen in de A.B.’s van WRO en
WPM. Het definitieve adviesrapport Berenschot is - in tegenstelling tot een eerdere mededeling - eerst
op 28 maart jl. binnen gekomen bij WRO en WPM. De kosten die gemoeid zijn voor het onderzoek naar
governance en valorisatie worden vermeld in het verslag (Naschrift: De kosten gemaakt voor onderzoek
en advies gericht op toekomst en kennisvalorisatie betreffende WBL, bestaan uit door WBL gemaakte
kosten voor onderzoek en advies door Berenschot over de periode oktober 2012 t/m december 2013 ad
€ 57.023,-- en uit door de waterschappen gemaakte kosten in de periode oktober 2010 tot september
2011 voor onderzoek door Conquaestor naar de toekomst van het WBL bedragen € 34.822,--. In
totaliteit derhalve € 91.845,--.)
De heer Pelzer meldt dat aan Berenschot ca. € 57.000,-- is betaald.
Mevrouw Nusteling vraagt een kostenoverzicht van de afgelopen jaren voor adviezen aangaande
governance en valorisatie van Conquaestor, Berenschot alsmede heidagen, etc. Deze kosten over
2013 hadden overigens in de jaarrekening moeten staan.
De voorzitter zegt dat Conquaestor niet door WBL betaald is maar door de moederorganisaties.
Mevrouw Nusteling merkt op dat het dan nog kosten zijn die voor het WBL zijn gemaakt.
De voorzitter zegt toe het gevraagde kostenoverzicht met daarbij behorende data in het verslag op te
nemen.
De heer Vanhommerig vraagt naar aanleiding van agendapunt 3.2 “Rapport commissie systematiek
vergoedingsnormen” naar de stand van zaken.
De heer Pelzer meldt dat het rapport nog niet is opgeleverd. De commissie is nog niet tot een unaniem
standpunt gekomen en hij verwacht ook niet dat dit nog gaat gebeuren. Er is dringend verzocht om het
rapport op te leveren met alle ins en outs. De afspraak is gemaakt dat zodra het rapport er is, dit wordt
voorgelegd aan het A.B.
De heer Resoort vraagt naar aanleiding van agendapunt 8 “Rondvraag: vordering op Maastricht Aachen
Airport” naar de stand van zaken.
De heer Pelzer kan hierover inhoudelijk nog niets meedelen. Vandaag wordt deze zaak bij de rechtbank
behandeld. De uitkomst hiervan wordt meegedeeld aan het A.B.
Mededeling
3.
Kansenkaart Visie afvalwaterketen 2030
Het Algemeen Bestuur neemt kennis van de mededeling.
Voorstellen
4.
IBA-jaarverslag 2013
2
De heer Vanhommerig doet de suggestie aan de hand om voor huizen in het buitengebied in plaats van
IBA’s gierkelders te gebruiken als goedkoper alternatief.
De heer Theelen vraagt of de controle en het onderhoud van IBA’s door het WBL al dan niet wordt
uitbesteed.
De heer Pelzer geeft het alternatieve voorstel van de heer Vanhommerig door aan de organisatie. In
antwoord op de vraag van de heer Theelen zegt hij dat het WBL zelf het beheer en onderhoud van
IBA’s uitvoert in opdracht van de gemeenten.
Mevrouw Nusteling vraagt omtrent het kostenoverzicht (bijlage 2a) om voortaan in het jaarverslag de
kosten van een aantal jaren naast elkaar te zetten om de ontwikkeling te kunnen volgen.
De heer Pelzer zegt toe in het volgende jaarverslag een vijf jarenperspectief toe te voegen dat aansluit
bij de begroting.
Het Algemeen Bestuur besluit het IBA jaarverslag 2013 conform vast te stellen.
5.
Vaststellen Jaarrekening 2013
De behandeling van het accountantsverslag 2013 vindt plaats in aanwezigheid van de accountants van
Ernst&Young (de heer Janssen en mevrouw Silverentand) die de Jaarrekening hebben gecontroleerd.
Mevrouw Silverentand en de heer Janssen lichten het accountantsverslag toe. Zij geven aan
voornemens te zijn om een goedkeurende controleverklaring te verstrekken bij de Jaarrekening 2013.
De voorzitter dankt mevrouw Silverentand en de heer Janssen voor hun toelichting, waarna beiden de
vergadering verlaten.
De heer Clumpkens complimenteert de organisatie dat is begroot op het scherpst van de snede.
De heren Theelen en Vanhommerig sluiten zich bij de woorden van de heer Clumpkens aan.
Mevrouw Nusteling merkt op dat uit de jaarrekening niet blijkt dat er ontwikkelingen en discussies zijn
over governance en valorisatie. Ook mist zij in de jaarrekening de kosten voor Berenschot die te maken
hebben met governance en valorisatie. Deze kosten hoeven overigens niet gespecificeerd te worden.
Ook verzoekt zij om voortaan in een aparte bijlage de verschillende samenwerkingsvormen met naam,
inkomsten en uitgaven te noemen. Aangaande het samenwerkingsverband met Duitsland voor het slib
vraagt zij om de effecten daarvan voortaan in de jaarrekening te benoemen.
Wat opvalt is dat het overwerk (pagina 93) sterk verschilt per unit; wat is hiervan de oorzaak. Bij de unit
Operations gaat het om een groot bedrag. Het WBL is bezig met planmatig onderhoud. Is de conclusie
dan niet gerechtvaardigd dat er minder overgewerkt zou moeten worden en dat die post dus lager
wordt. Ook bij de gratificaties zijn er grote verschillen per unit.
De voorzitter licht de gratificatiesystematiek vanuit de SAW toe.
De heer Pelzer zegt over het onderdeel vermarkten dat het WBL met tal van ontwikkelingen bezig is. Hij
legt hierbij ook de link naar agendapunt 8. Als het WBL stappen gaat zetten op het gebied van
kennisexploratie en kennisexploitatie dan heeft dat betrekking op Verdygo en Wauter. In de toekomst
kunnen er nog andere ontwikkelingen bijkomen zoals airimplosion.
De LGR’s en samenwerkingsverbanden zijn niet in de jaarrekening opgenomen. Het is mogelijk een
overzicht op te maken welke samenwerkingsvormen er op dit moment zijn. Daaraan kunnen de kosten
gekoppeld worden, want die zijn op detailniveau bekend. Het WBL maakt periodiek factsheets van elke
gemeente, waarin vermeld staat welke activiteiten voor de gemeente worden uitgevoerd, wat de kosten
zijn en in historisch perspectief hoe de kostenontwikkeling is geweest inclusief het onderhoud. Aan het
A.B. is de keuze of er op dat detailniveau binnen een jaarrekening gerapporteerd dient te worden.
De heer Pörteners zegt bezig te zijn met het uitwerken van een systematiek waarbij de werkzaamheden
voor gemeenten bijvoorbeeld voor IBA’s en voor onderhoud van gemalen volledig apart gezet worden
3
van het normale onderhoud voor WBL. Als zodanig wordt dit gepresenteerd in de MARAP’s en als dat
wordt doorgetrokken dan komt het ook als apart stuk in de jaarrekening.
De heer Stelder vindt het onwerkbaar en onnodig om aan de voorkant dat soort zaken vast te leggen.
Er wordt een begroting opgemaakt en binnen die begroting is er sprake van budgetten die achteraf
verantwoord worden.
De heer Pelzer deelt betreffende het overwerk mee dat het beleid erop gericht is om overwerk zoveel
mogelijk terug te brengen. Het doel is om het werk af te ronden binnen de reguliere werktijden. De units
Onderhoud en Operations worden in het bijzonder geconfronteerd met overwerk. De unit Onderhoud
probeert zoveel mogelijk storingen terug te brengen door planmatig onderhoud. Er is wel een
storingsdienst voor calamiteiten. Overuren hangen vaak hiermee samen. De unit Operations heeft
daarnaast te maken met de begeleiding van het zuiveringproces, ook in de weekenden. Vandaar dat de
unit Operations meer overwerkt. Kijkend echter naar de cijfers van de afgelopen jaren is een teruggang
in het overwerk te zien en dat wordt ook verder doorgezet.
De heer Hanssen concludeert hieruit dat er geen sprake is van structureel personeelstekort.
De heer Pelzer beaamt dit. Overwerk hangt vooral samen met storingen.
Wat de gratificaties betreft zijn er inderdaad verschillen tussen de units. Het toekennen van gratificaties
is een keuze van de manager en gebeurt op basis van geleverde prestaties.
Het Algemeen Bestuur besluit overeenkomstig het voorstel van het Dagelijks Bestuur:
-
De voorliggende Jaarrekening 2013 conform vast te stellen.
Het exploitatie tekort ad € 14.142,16 aan te zuiveren door de Waterschappen in de verhouding van
het aantal vervuilingeenheden volgens de waterschapsbijdrage over 2013.
6.
Ontwerp Meerjarenraming 2015-2020-2024 + Begroting 2015
De heer Hanssen leest op pagina 10, tweede alinea, dat er landelijk geen verdeelsleutel is afgesproken
in het kader van de bezuinigingen van € 100 miljoen. De meest recente benchmark Bedrijfsvergelijking
Zuiveringsbeheer 2012 toont aan dat de totale directe kosten per gezuiverde i.e. bij het WBL ca. 20 %
lager zijn dan het gemiddelde van alle Nederlandse waterschappen. Verderop staat dat dit niet per se
invloed heeft op de uiteindelijke taakstelling.
De heer Pelzer geeft als reactie op de verdeelsleutel dat 2010 het referentiejaar is voor iedereen.
Destijds is niet de keuze gemaakt voor een verdeelsleutel op basis van reeds geleverde inspanningen
in het verleden en die zal er ook niet komen. Er is toen wel de opmerking gemaakt, kijkend naar de
inspanningen van de Limburgse waterschappen in de afgelopen jaren, dat men aan de goede kant zit
en wordt dezelfde inspanning van het WBL verwacht. Gelet op hoe het WBL opereert verwacht hij dat
dit ook voor de toekomst geen probleem is.
Het Algemeen Bestuur besluit overeenkomstig het voorstel van het Dagelijks Bestuur:
- In te stemmen met de ontwerp-Meerjarenraming 2015-2020 en ontwerp-Begroting 2015.
7.
-
In te stemmen met het voorstel om de bijdrage van de waterschappen voor het jaar 2015 vast te
stellen op € 69,04 miljoen.
-
Zowel de ontwerp-Meerjarenraming 2015-2020 als de ontwerp-Begroting 2015 door het Dagelijks
Bestuur ter advisering aan te bieden aan de Algemeen Besturen van WPM en WRO.
Optimalisatie organisatiestructuur
In de presentatie heeft de heer Pelzer dit kort toegelicht. Er is nu een voorstel in voorbereiding voor het
eerstvolgende D.B. en A.B.
4
8.
Oprichten WBL-entiteit voor kennisexploratie en kennisexploitatie
De voorzitter licht het voorstel kort toe.
De heer Stelder vindt het belangrijk dat een organisatie als het WBL die massa, kennis en toegang
heeft tot infrastructuur die voor het bedrijfsleven vaak niet bereikbaar is, deze expertise deelt. Wat hem
betreft is dat geen punt van discussie. Zijns inziens is er een voortdurende spanning tussen het
overheidsbedrijf WBL en het bedrijf WBL dat de vrijheid wil hebben om te ontwikkelen en meer
marktconform wil werken. De kunst is om het zo te borgen dat het publieke deel publiek blijft en ook niet
geïnfecteerd kan worden door eventuele debacles die elders in het private deel kunnen ontstaan. Hij
vraagt zich af hoe hoogleraren dat doen die enerzijds verplichtingen aan een universiteit hebben en
anderzijds in de markt zitten. Hij denkt ook aan academische ziekenhuizen. Elders hebben ze dit soort
constructies ook. Hij geeft in overweging om te bekijken hoe het daar is aangepakt. Wat het uitwisselen
van expertise betreft gaat hij ervan uit dat kosten hiervoor op uurbasis in rekening worden gebracht. Hij
vraagt of er startkapitaal nodig is en zo ja, hoe dat wordt aangepakt.
De heer Hanssen zegt dat het onderwerp al vaker aan de orde is geweest. Het aanstaande fusieproces
maakt het nog wat gecompliceerder, waarbij in 2017 niet sprake is twee waterschappen maar van één
Waterschap Limburg. Formeel dient dit echter nog bekrachtigd te worden. Op pagina 1, laatste alinea
staat: “Het WBL als onderdeel op basis van een gemeenschappelijke regeling van de waterschappen”.
De vraag is of dat zo blijft. Die discussie is bij de beide A.B.’s van de moeders te voeren. Hij sluit zich
wat de inhoud betreft aan bij de woorden van de heer Stelder. Hij wijst er wel op dat een besluit hierover
in het fusieproces niet zonder meer is terug te draaien. Dat laat onverlet dat het A.B. van het WBL nu
een - al dan niet unaniem – standpunt inneemt..
De heer Clumpkens begrijpt uit de presentatie van de heer Pelzer dat het WBL gezuiverd water gaat
leveren. Het zuiveren van afvalwater is eigenlijk een publieke taak. Niemand heeft hierover een
opmerking gemaakt, dus is er zijns inziens stilzwijgend ingestemd met de aanzet in die richting. Of het
A.B. reageert afwijzend of het stemt toe. Nu stelt het A.B. zich zijns inziens te afwachtend op en handelt
niet.
De heer De Lange beaamt dat de heer Pelzer in zijn presentatie naar voren heeft gebracht dat het WBL
gezuiverd water levert; dus wordt er iets geproduceerd en dat wordt blijkbaar geaccepteerd.
Mevrouw Nusteling wijst erop dat in het waterschapsreglement niet als taak staat het leveren van
gezuiverd water.
De heer Gresel zegt dat er sprake is van een paradigmashift: het WBL gaat zich van het zuiveren van
afvalwater meer oriënteren op het produceren van gezuiverd water wat afgevoerd kan worden naar
oppervlaktewater, maar ook voor andere doelen is te gebruiken. Dat is wat de heer Hanssen zegt; die
shift zit erin en dat is wat dubbel. De op te richten entiteit maakt het mogelijk om ook die kennis en
kunde te exploreren.
De heer Theelen is voorstander van het oprichten van een aparte entiteit. Het borgen van kennis en
kunde ontbreekt echter in dit stuk. Dat is wel een belangrijk aspect.
De heer Vanhommerig merkt op dat water een publiek domein is. Het gaat om publiek geld voor
publieke doeleinden. De waterschappen zijn opgericht om dat publieke domein goed te beheren. Op
zichzelf zijn er kansen en die mogen benut worden als er geen risico’s aan verbonden zijn.
De heer Clumpkens zegt dat op het moment dat het water in het riool terecht komt, het niet meer van
het WBL is, dan is het van de waterschappen of van de gemeente. Alleen als het water vanuit het riool
de rioolwaterzuivering instroomt, is het WBL eigenaar en niet meer de gemeenschap. Als vervolgens
gezegd wordt dat de gemeenschap eigenaar is van het WBL, dan is dat prima; het bestuur heeft dan
inspraak en kan op die manier invloed uitoefenen.
Mevrouw Nusteling is het niet met de redenatie van de heer Clumpkens eens. Het basisprincipe is dat
het waterschap van en voor de burger is en onderdeel uitmaakt van het openbaar bestel. De gelden van
5
het WBL komen voort uit de verontreinigingsheffing; dat is niet bestemd voor Saoedi- Arabië,
Roemenië, etc. Daarom heeft zij moeite met de toelichting onder punt 1 “het verhogen van de kwaliteit
van water- en leefmilieu binnen en buiten Limburg”. Het strookt niet met de WBL-taak om gelden die
vanuit de wet met een bepaalde reden geïnd worden op die manier weg te zetten. Zij vraagt naar de
overweging om ook buiten Limburg te gaan opereren. Het zuiveren van afvalwater is een publieke taak
en is daarom publiek te houden. Het nu voorgestelde kan leiden tot een sluipend proces zodat men
uiteindelijk in een fuik terecht komt. Volgens het instellingsbesluit van de Gemeenschappelijke Regeling
(GR) mag het WBL alleen beleidsarme/beleidsluwe taken uitvoeren. Zij betwijfelt zelfs of het WBL een
samenwerkingsovereenkomst met partners buiten het WBL mag sluiten en of dat niet bij de A.B.’s van
de moeders thuis hoort. De vraag is of het verstandig is om nu een entiteit op te richten terwijl de
bestelstructuur nog niet duidelijk is. Zij wil de besteldiscussie hiermee niet belasten.
De heer Resoort is ook van mening dat het zuiveren van afvalwater een publieke taak is. Ook hij vreest
dat stapsgewijs wordt afgedreven van publieke taken door het anders inrichten dan wel privatiseren van
deze publieke taak. Er dient voor gewaakt te worden dat bij het eventueel oprichten van een WBLentiteit er geen sturing, overzicht en controle meer mogelijk is op activiteiten en financiën.
Onder punt 2 van het besluit staat “in te stemmen met budgettair neutrale inzet van menskracht”. Daar
kan niemand tegen zijn. De vraag is wel wat daaronder wordt verstaan. Van welke kant komt dan de
compensatie om het neutraal te laten uitpakken. Als laatste een formeel punt: het oprichten van een
entiteit is ter besluitvorming van de beide A.B.’s van de moederorganisaties. Hij vraagt of een dergelijk
besluit ook de goedkeuring van G.S. behoeft en of daar moeilijkheden zijn te voorzien.
De voorzitter zegt dat kan worden volstaan met een melding aan G.S. Hij zal dit echter nog juridisch
laten toetsen. Hij zet nogmaals uiteen wat de beweegredenen van het D.B. zijn om dit voorstel voor te
leggen aan het A.B.
Het is van belang om in een publiek-private samenwerking, waarbij kennis van het publieke domein
beschikbaar komt voor het private domein, dat daar een firewall tussen gezet wordt. Met budgettair
neutraal wordt bedoeld dat de uren voor de ingezette menskracht gefactureerd worden. Daarover
worden afspraken met bedrijven gemaakt. Voor het geval een bedrijf failliet gaat mag dat niet terug
slaan op het publieke domein. Daarvoor is die firewall constructie bedoeld. Het WBL is van deze entiteit
de enige aandeelhouder, dus het sturen en controleren is daarmee geborgd. De afspraak zou gemaakt
kunnen worden om over de activiteiten van de WBL-entiteit te rapporteren in de kwartaalMARAP.
Een goed projectplan en statuten zijn essentieel voor een publiek-private samenwerking. Ook bij een
fusie blijft het een no regret beslissing als ook de twee moeders van mening zijn dat het
maatschappelijk van belang is om deze meerwaarde aan het bedrijfsleven te leveren.
De heer Gresel sluit zich hierbij aan. Het WBL is gevraagd om expertise beschikbaar te stellen, maar
daarmee blijven de taken nog steeds beleidsarm. Uiteindelijk nemen de A.B.’s van de beide moeders
het finale besluit.
De heer De Lange onderstreept de woorden van de beide (vice)voorzitters. Hij benadrukt wel dat een
dergelijke entiteit ook geschikt kan zijn voor een samenwerking in de afvalwaterketen, m.n. met
gemeenten.
De heer Lebens kan zich vinden in de woorden van de heer Gresel.
De heer Hanssen zegt dat het andere uiterste zou zijn om de kennis van het publieke domein om niet
ter beschikking te stellen. Bij facturering vloeien de inkomsten echter ook weer terug in het publieke
domein.
De heer Gresel merkt op dat in Nededa € 12 miljoen is geïnvesteerd door STOWA, Unie van
Waterschappen, etc. Door DHV - die uiteindelijk het patent heeft - is gezegd dat alle waterschappen in
Nederland deze kennis van de Nereda-techniek gratis krijgen. Buiten Nederland is het een
exportproduct en dient men ervoor te betalen. Op die manier kan een deel van de investeringskosten
terugvloeien naar de investeerders.
6
De heer Hanssen zegt dat onderaan op pagina 2 staat dat eventueel gelden via de Europese
Investeringsbank zijn binnen te halen. Dan moet er wel sprake zijn van een minimale investering van €
80 miljoen. Daarmee wordt al aangegeven wat voor een impact het uiteindelijk kan gaan krijgen. Hij
ondersteunt de mening van de heer Vogels, concernjurist, om het finale besluit te laten nemen door de
twee A.B.’s van de moeders. Hij wil die stap zetten met alle argumentaties die hij daarvoor heeft
gebruikt. Men dient zich wel te realiseren dat een nieuw bestuur na de fusie zo’n stap niet snel
ongedaan kan maken.
De heer Dohmen wijst erop dat het WBL al eerder een entiteit heeft gehad samen met de ENCI, te
weten het bedrijf BioMill. BioMill is uiteindelijk verstandig opgeheven. Het fenomeen van het oprichten
van een entiteit is het WBL dus niet vreemd. Als in het kader van innovatie het WBL gaat samenwerken
met bedrijven, etc. via een aparte entiteit dient het – ongeacht de structuur van de toekomstige
waterschappen - transparant en inzichtelijk te gebeuren en zijn de aansprakelijkheden goed te regelen.
Dat geldt ook voor het detacheren van medewerkers. Daarvoor is die firewall bedoeld, zodat het WBL
als publiek domein niet indirect aansprakelijk is. Deze entiteit is niets meer of minder dan een
werkbedrijf wat onder de WBL organisatie zit en waarvan het WBL voor 100 % eigenaar is.
De heer Stelder zegt volmondig achter de doelstelling van het voorstel en van een eigen entiteit te
staan. De voorwaarden staan vermeld in het voorstel en de uitwerking volgt later. Hij zal het voorstel
met kracht verdedigen in het A.B. van WPM. Hij is er geen voorstander van om de kennis van het WBL
om niet ter beschikking te stellen. Belanghebbenden zullen veelal bedrijven zijn die winst maken. Het is
niet meer dan billijk dat het WBL voor die kennis betaald krijgt. Hoe deze revenuen uiteindelijk weer
aangewend gaan worden komt te zijner tijd aan de orde.
De heer Clumpkens sluit zich bij de woorden van de heren Dohmen en Stelder aan. Het is een goede
zaak dat als het bedrijfsleven behoefte heeft aan de kennis van het WBL daarvoor betaald wordt, zodat
deze revenuen uiteindelijk ten goede komen aan het publiek domein en daarmee aan de
belastingbetaler.
De heer Theelen heeft al eerder aangegeven te kunnen instemmen met het voorstel met dien verstande
dat de kennis en kunde op een goede wijze geborgd wordt. In het voorstel aan de twee A.B.’s van de
moeders dient daar extra aandacht aan besteed te worden omdat hij op dit punt vragen verwacht.
Mevrouw Nusteling vraagt of het voor de bedrijfsvoering van het WBL geen probleem is dat 4 fte. voor
die entiteit worden ingezet.
De heer Pelzer zegt dat het nemen van dit besluit essentieel is. Als dit besluit niet genomen wordt, zal
het talent de organisatie verlaten. Het exploreren en exploiteren van kennis is belangrijk voor het
doorontwikkelen van mensen; dat is een fundamenteel punt in deze.
Bijkomend positief effect van maatschappelijk ondernemen is dat dit bijdraagt aan een beter
(water)milieu op een plek buiten Limburg.
Mevrouw Nusteling vraagt of het besluit over de samenwerkingsovereenkomst niet door de beide
moeders dient te worden genomen.
Volgens de heer Pelzer is dat niet nodig en kan het WBL-bestuur hierover zelfstandig een besluit
nemen.
Mevrouw Nusteling is van mening dat het gaat over samenwerken met publieke partijen en dus door de
twee moeders geaccordeerd dient te worden.
De voorzitter zet uiteen dat binnen de doelstelling van een entiteit een samenwerkingsovereenkomst
wordt aangegaan. Dat is niets anders dan binnen de LGR een dienstverleningsovereenkomst aan te
gaan met gemeenten wat ook niet is voorgelegd aan de moeders.
De heer Gresel vult aan dat een samenwerkingsovereenkomst iets anders is als een GR. Een GR is
een regeling tussen twee moederbedrijven bijv. de gemeenteraden van gemeente X en het A.B. van het
WBL en dat is iets anders dan een dienstverlening. Blijkbaar wekt het woord
7
samenwerkingsovereenkomst verwarring op. Hij stelt voor hiervoor in de plaats het woord
dienstverleningsovereenkomst te gebruiken.
De voorzitter zegt toe het document op dat punt aan te passen.
Mevrouw Nusteling vraagt de formulering op pagina 2 onderaan “leidt tot minimaal een kostendekkende
WBL begroting” ook aan te passen.
De voorzitter zegt toe de formulering te verduidelijken.
De heer Resoort beschouwt het voorliggend voorstel en het besluit dat nu genomen wordt als een
principebesluit. Dat betekent dat de organisatie- en de juridische structuur alsmede de statuten opnieuw
aan de orde komen waarna finale besluitvorming plaats vindt in de A.B.’s van de moeders.
De voorzitter zegt toe het voorstel met onderliggende documenten voor te leggen aan het 2 D.B.overleg en de twee A.B.’s van de moeders.
Het Algemeen Bestuur besluit vervolgens:
1. In principe in te stemmen met het oprichten van een entiteit voor de kennisexploratie en
kennisexploitatie, waarin de intellectuele eigendomsrechten van WBL worden ondergebracht.
2. In te stemmen met budgettair neutrale inzet van menskracht, in kader van ontwikkelingsperspectief,
op basis van een overeenkomst met vrijwaringclausule tot het moment dat entiteit is opgericht.
3. Het oprichten van een entiteit voor kennisexploratie en kennisexploitatie door het D.B. ter
instemming aan te bieden en voor te leggen aan het 2 D.B. en de A.B.’s van WPM en WRO.
De heer Gresel verlaat de vergadering.
9.
Rondvraag
Van de rondvraag wordt geen gebruik gemaakt.
10. Sluiting
De voorzitter sluit de vergadering.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het Algemeen Bestuur d.d. 18 juni 2014.
De directeur,
De voorzitter,
ing. E.M. Pelzer MMO
dr. J.J. Schrijen
8
A.B.-afsprakenlijst
Nr.
Afdoening
Onderwerp
Termijn
1.
2, 21-5-2014
Rapport cie. systematiek vergoedingsnormen aan A.B.
voorleggen.
Zodra beschikbaar
2
2, 21-5-2014
Uitkomst vordering op Maastricht-Aachen Airport (MAA) aan A.B.
Zodra beschikbaar
meedelen.
3
2, 21-5-2014
Kostenoverzicht maken inz. valorisatie en dit in A.B.-verslag
opnemen.
2014.07977
1
A.B. 18 juni 2014