Handreiking Warmtewet

3 september 2014
Handreiking Warmtewet
voor woningcorporaties
versie 2.0
Auteur:
Albert Koedam van Albert Koedam Consultancy, www.ak-consultancy.nl
In opdracht van Aedes vereniging van woningcorporaties
Aedes vereniging van woningcorporaties
Publicaties
Postbus 29121, 2509 AC Den Haag
088 233 37 00
E-mail [email protected]
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
Voorwoord
De eerste versie van deze Handreiking Warmtewet voor corporaties was primair bedoeld om
corporaties inzicht te geven in de gevolgen die de Warmtewet heeft voor de afrekening van de
kosten van gemeenschappelijke installaties, in het bijzonder bij blokverwarming. De kosten van
deze installaties werden doorgaans via de servicekosten verrekend. Door de Warmtewet
verandert daarin een aantal zaken. Na het inwerkingtreden van de Warmtewet is ook de
regelgeving rond servicekosten en huurcommissie fors veranderd en is er duidelijkheid over
relatie tussen de Warmtewet en de huurwetgeving. In hoofdstuk 4 en bijlage 5 worden deze
wijzigingen uitgebreid behandeld. De belangrijkste wijzigingen in deze tweede versie van de
Handreiking Warmtewet zijn in het blauw aangegeven.
Al bij het schrijven van de versie 1.0, die in oktober 2013 verscheen, bleek dat zich in de
praktijk een aantal knelpunten voordeden of dat de wet op onderdelen niet duidelijk was. In de
versie 1.0 is geprobeerd die knelpunten te benoemen en te voorzien van voor corporaties
werkbare interpretaties. Nadat de wet per 1 januari 2014 in werking is getreden, bleek bij meer
partijen in het veld behoefte aan duidelijkheid. Sommige van de knelpunten waren zodanig
urgent dat het wachten op de aangekondigde evaluatie van de Warmtewet na drie jaar geen
soelaas bood. Naar aanleiding hiervan heeft het Ministerie van EZ op 1 mei 2014 een
stakeholderbijeenkomst georganiseerd waar ondermeer de knelpunten die corporaties ervaren
zijn besproken. In zijn brief van 7 juli 2014 aan de Tweede Kamer gaf minister Kamp
oplossingsrichtingen aan voor deze knelpunten. Enkele van deze oplossingen moeten de
komende tijd nog worden ingevuld. Na de brief van de minister voerde Aedes overleg met de
ministeries van EZ en BZK om definitief uitsluitsel te krijgen op de vragen om ze op te nemen in
deze update. Dat is deels gelukt, soms is alleen duidelijk welke oplossing te verwachten is. In
deze update van de Handreiking is de laatste stand verwerkt, soms dus onder voorbehoud van
definitief uitsluitsel.
Een door veel corporaties gestelde vraag was in de afgelopen maanden welke
geschillencommissie in het kader van de Warmtewet bevoegd is. Eerst leek de huurcommissie
een belangrijke optie, inmiddels is duidelijk dat deze weg slechts voor een deel van de
geschillen aan de orde is. Ook de eigen klachtencommissie van de corporatie is niet geschikt.
Recent besloot Aedes om het proces te starten tot inrichten van een
branchegeschillencommissie. Deze geschillencommissie zal vallen onder de Stichting De
Geschillencommissie in Den Haag, net als de al bestaande Geschillencommissie Energie die door
de energiebedrijven is ingesteld. De nieuwe branchegeschillencommissie zal zich primair richten
op geschillen met betrekking tot levering van warmte door corporaties/verhuurders.
De oprichting van een nieuwe branchegeschillencommissie heeft ook gevolgen voor
de leveringsvoorwaarden. In de Handreiking 1.0 waren leveringsvoorwaarden
opgenomen. Door de komst van de branchegeschillencommissie moeten deze
voorwaarden worden aangepast. In hoofdstuk 6 wordt hier nader op ingegaan.
Leeswijzer
Waar de informatie in deze Handreiking 2.0 duidelijk afwijkt van de eerste versie en extra
aandacht behoeft, zal dit in de tekst in blauw worden aangegeven. De belangrijkste verschillen
met de Handreiking 1.0 zijn op een rij gezet:
 De duidelijkheid dat levering van warmte vanuit de corporatie door de overheid wordt
gezien als levering vanuit de rol als leverancier en niet als verhuurder. Hierdoor is de
huurwetgeving hierop niet van toepassing, dus in beginsel ook niet de huurcommissie.
Zie hoofdstuk 4 en bijlage 5.
3
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)

De met de levering van warmte verbonden kosten dienen als
warmtekosten in rekening gebracht te worden, dus niet
meer als servicekosten met uitzondering de kosten voor de gemeenschappelijke
ruimten. Zie eveneens hoofdstuk 4 en bijlage 5.
 Duidelijkheid over de verplichting voor de centrale GJ-meter, zie hoofdstuk 5.4
 Duidelijkheid over de onafhankelijke geschillencommissie, zie hoofdstuk 7.1.
 Toelichting op de BTW naar aanleiding van vragen, zie hoofdstuk 9.1.
 De leveringsvoorwaarden zijn niet meer opgenomen, omdat deze later separaat zullen
verschijnen, zie hoofdstuk 6.
Daarnaast is ingegaan op de situatie met een onrendabele exploitatie en welke maatregelen dan
overwogen kunnen worden.
Op het concept van deze update heeft Autoriteit Consument en Markt (AMC) een reactie
gegeven. Deze reactie van de ACM is zo goed mogelijk in deze update verwerkt.
De handreiking is zorgvuldig samengesteld op basis van beschikbare teksten van de
parlementaire behandeling, ervaringen in de praktijk en de laatste stand van zaken in het
overleg met het ministerie van EZ, BZK en de ACM. Sommige teksten laten ruimte voor
interpretatie, die ruimte heeft de auteur ook genomen. Waar dat aan de orde is staat dat
vermeld, of is als overweging gegeven hoe de corporatie daarmee om kan gaan.
4
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
Inhoud handreiking
Voorwoord
Inhoud
3
5
1. Achtergrond Warmtewet
1.1 Initiatief uit de Tweede Kamer
1.2 Warmtewet, Warmtebesluit en Warmteregeling
1.3 Warmtewet is energiewet
1.4 Politieke behandeling
1.5 Onderscheid tussen warmteleverancier en corporatie
7
7
7
8
8
8
2. Warmtenetten onder de Warmtewet
2.1 Definitie van verbruiker en warmtenet
2.2 Door de wet geen wijziging van leverancier
2.3 Gemengde VvE’s blijven onder de Warmtewet
10
10
11
11
3. Situatieschets en eisen
3.1 Beschermde afnemers
3.2 Doorlevering
3.3 Eisen die worden gesteld aan de leverancier
3.4 Afrekening verplicht in GJ
3.5 Wat mag de leverancier van warmte in rekening brengen
12
13
13
13
14
15
4. Warmtewet en afrekening warmte- en servicekosten
4.1 Van kostentoerekening naar tarief
4.2 Eén maximumprijs per (kalender)jaar
4.3 Geen overgangstermijn
4.4 Aanpassing van de WWS-punten
17
17
19
19
19
5. Stappenplan voor de corporatie
5.1 Voorbereiding
5.2 Inventarisatie
5.3 Aanmelden van de netten
5.4 Aanpassen installatie en plaatsen GJ-meters
5.5 Inschatten werkelijke kosten en opbrengsten
5.6 Beleidsmatige afwegingen, keuze vastrecht en GJ-tarief
5.7 Draaiboek en werkgroep
5.8 Aanvragen vergunning
21
21
21
21
22
25
25
26
26
6. Leveringscontract en algemene voorwaarden
27
7. Klachten en geschillen
7.1 Afhandeling van geschillen
7.2 Compensatie bij storing
7.3 Afsluitbeleid
28
28
29
30
8. Informatie voor vergunninghouders
22
9. Aanvullende informatie
9.1 BTW
32
32
5
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
9.2 Onrendabele installaties
9.3 Norm voor warmtekostenverdeling
32
34
Bijlagen
Bijlage 1 Warmtewet
Separaat bestand
Bijlage 2 Warmtebesluit
Separaat bestand
Bijlage 3 Warmteregeling
Separaat bestand
Bijlage 4 Brief minister Kamp d.d. 7 juli 2014
Separaat bestand
Bijlage 5 Wijzigingen in de wetgeving m.b.t. huurcommissie en servicekosten
Bijlage 6 Tariefbesluit ACM voor 2014
36
Separaat bestand
6
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
1
Achtergrond Warmtewet
1.1 Initiatief uit de Tweede Kamer
De Warmtewet is ontstaan als initiatiefwet vanuit de Tweede Kamer. CDA-Kamerleden Hessels
en Ten Hoopen (later Ten Hoopen en Samsom) zijn ermee gestart naar aanleiding van een
onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Uit dit onderzoek bleek dat consumenten die
aangesloten zijn op stadsverwarming teveel betalen. Bij stadsverwarming, en volgens de
interpretatie later bij alle warmtenetten, is sprake van monopolie. De consument die is
aangesloten op een warmtenet kan niet zelf kiezen voor een leverancier. De leverancier is
automatisch de eigenaar of exploitant van het net. De Warmtewet moet de bescherming van de
kleinverbruikers regelen tegen mogelijk te hoge warmtetarieven. De wet biedt bescherming
doordat de kosten die voor warmte in rekening worden gebracht niet meer mogen zijn dan de
maximumprijs op basis van de Warmtewet.
Bij de totstandkoming van de wet is aanvankelijk voorbijgegaan aan de bescherming die
huurders al hadden door de regeling van de servicekosten. Daarom pleitten Aedes en Kences er
ook steeds voor de Warmtewet niet van toepassing te verklaren op situaties met
blokverwarming. Daar is door de Kamer en ook door de minister in zijn brief van 7 juli 2014
expliciet geen gehoor aan gegeven. Wel is de Warmtewet in het latere wetgevingsproces
enigszins afgestemd op de wetgeving in de huursector. De Warmtewet blijft echter een wet die
oorspronkelijk is toegesneden op stadsverwarming en niet op kleinere gemeenschappelijke
installaties, zoals blokverwarming. Met de voornemens van de minister in zijn brief van 7 juli
2014 zal de aansluiting verbeteren en daarnaast zal in deze update worden ingegaan op de
relatie verhuurder-huurder en de wijzigingen in het Besluit servicekosten.
1.2 Warmtewet, Warmtebesluit en Warmteregeling
Op 1 januari 2014 is de Warmtewet van kracht geworden. In de periode juli tot en met
september 2013 zijn de wet en alle bijbehorende besluiten en regelingen gepubliceerd in het
Staatsblad:
•
•
•
•
•
Wet van 17 juni 2013, houdende regels omtrent de levering van warmte aan verbruikers
(Warmtewet), gepubliceerd 31 juli 2013 in het Staatsblad onder nummer 325.
Wet van 17 juni 2013 tot wijziging van de Warmtewet in verband met enkele aanpassingen
(Novelle), gepubliceerd 31 juli 2013 in het Staatsblad onder nummer 326.
Besluit van 10 september 2013, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding
van de Wet van 17 juni 2013 tot wijziging van de Warmtewet in verband met enkele
aanpassingen (Koninklijk besluit inwerkingtreding), gepubliceerd in het Staatsblad op 27
september 2013.
Besluit van 10 september 2013, houdende regels ter uitvoering van de Warmtewet
(Warmtebesluit), gepubliceerd in het Staatsblad op 27 september 2013 onder nummer
359.
Regeling van de minister van Economische Zaken van 4 september 2013, houdende
uitvoering van het Warmtebesluit en de Warmtewet (Warmteregeling), gepubliceerd in de
Staatscourant op 13 september 2013.
Vanaf 1 januari 2014 is de integrale tekst van de wet beschikbaar en is deze als bijlage 1 bij
deze update gevoegd. Tevens is als bijlage 6 het tariefbesluit van de ACM voor 2014 gevoegd.
De beide documenten zijn ook te downloaden via:
7
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
http://wetten.overheid.nl/BWBR0033729/
https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/12481/Besluitmaximumprijs-levering-warmte-2014/.
De Warmtewet regelt de hoofdlijnen van het maximumtarief, de criteria voor vergunningplicht,
de geschillen en de procedure bij noodvoorzieningen. In het Warmtebesluit dat bij de wet hoort,
worden de regels voor de berekening van het maximumtarief en een aantal voorwaarden voor
de vergunning verder uitgewerkt. De ministeriële Warmteregeling definieert de
kostenkengetallen die voor de berekening van de maximumprijs moeten worden gebruikt en
bevat de compensatieregeling bij storing en de regels voor afsluiten van het net.
1.3 Warmtewet is energiewet
De Warmtewet is een energiewet en regelt op een vergelijkbare wijze als de Gas- en
Elektriciteitswet de levering van warmte aan eindgebruikers (consumenten). Bij gas- en
elektriciteitslevering is sprake van meerdere potentiële leveranciers op een transportnet dat in
handen is van de overheid. In tegenstelling tot deze wetten is bij warmte de exploitant van het
warmtenet de leverancier. Door de invoering van de Warmtewet worden exploitanten van een
warmtenet behandeld als energieleveranciers, dus ook corporaties die een warmtenet hebben.
Ook het ministerie van BZK stelt zich op het standpunt dat corporaties die warmte leveren dat
met de komst van de Warmtewet doen in hun hoedanigheid als leverancier en niet als
verhuurder (zie hiervoor verder hoofdstuk 4 en bijlage 5). Een andere benadering dus, die
vooral voor de kleine warmtenetten (blokverwarming) leidt tot een aantal nieuwe verplichtingen
ten opzichte van de bestaande levering van warmte. Het toezicht op de wet wordt uitgevoerd
door de ACM, de Autoriteit Consument en Markt.
1.4 Politieke behandeling
Het heeft tien jaar geduurd voor de Warmtewet van initiatief tot wet is gekomen. In de
parlementaire behandeling is de initiatiefwet later overgenomen door de minister van
Economische Zaken. Feitelijk bestond de wet daardoor uit een wetsvoorstel en een novelle. De
novelle was nodig omdat het oorspronkelijke wetsvoorstel een aantal hiaten vertoonde en veel
discussie gaf. Nadat de novelle enige tijd bij de Tweede Kamer lag, is de wet in 2013 vrij vlot
door het parlement geloodst. Bij de finale behandeling in de Tweede Kamer zijn twee moties
aangenomen, waarvan de motie van de PvdA over de toets bij warmtekostenverdeelsystemen
de meeste gevolgen heeft. Deze motie leidde tot een extra artikel: 8a. De uitwerking van deze
toets roept echter nog vragen op.
In het hele traject van wetgeving is veel onderzoek gedaan naar de effecten van de levering van
warmte en naar stadsverwarming. Het enige onderzoek naar het effect van de wet bij
blokverwarming, mislukte door een tekortschietende onderzoeksopzet. Dat is zorgwekkend,
omdat het merendeel van de warmtenetten niet uit stadsverwarming maar juist uit
blokverwarming bestaat. Er zijn echter meer zaken in de wet die nog problemen of vragen op
kunnen roepen. Daarvoor wordt door de minister verwezen naar de evaluatie die drie jaar na
invoering moet plaatsvinden. Omdat zich nu al knelpunten voordoen kondigde de minister in
zijn brief aan de Tweede Kamer van 7 juli 2014 aan begin 2015 met een wetswijzigingsvoorstel
te komen. Daarnaast komt de ACM met een aanvullende Beleidsregel over de
compensatieregeling.
1.5 Onderscheid tussen warmteleverancier en corporatie
Veel warmtenetten betreffen de blokverwarmingsinstallaties. Hoewel daardoor vrijwel altijd de
corporatie de leverancier is, is er in de handreiking voor gekozen het begrip leverancier niet
een-op-een te vervangen door corporatie. De rol van de corporatie gaat verder en is anders dan
8
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
de rol van de leverancier, daarom wordt voor de rol op grond van de
Warmtewet de term leverancier gebruikt.
9
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
2
Warmtenetten onder de Warmtewet
Warmtenetten zijn volgens de wet het geheel van (transport)leidingen, installaties en
hulpmiddelen voor zover die niet liggen in het gebouw van de verbruiker (de klant of afnemer)
of van de producent om warmte te leveren aan die verbruikers. Warmte kan zowel warm water
zijn als warm tapwater. Koud water en levering van koude valt nadrukkelijk niet onder de wet.
In de praktijk begint een warmtenet op de grens van het gebouw of terrein van de producent of
bij het verlaten van de ketel en eindigt bij de aansluiting van de verbruiker. Hiervoor wordt ook
wel de term distributienet gebruikt.
In de praktijk komen ook bronwaternetten voor. Hierbij wordt water van een bron rondgepompt
en zorgen individuele warmtepompen er per woning voor dat aan deze bron warmte wordt
onttrokken. In discussie met het ministerie en de ACM is duidelijk geworden dat zij vinden dat in
deze situatie geen warmte wordt geleverd en dat deze netten niet onder de Warmtewet vallen.
Uit onderzoek van bureau CE uit Delft bleek dat er circa 7.000 warmtenetten zijn in Nederland
die onder de Warmtewet vallen. 13 hiervan zijn de grotere stadsverwarmingsnetten in de grote
steden. De overige netten betreffen een schatting van de kleinere collectieve installaties, zoals
blokverwarming en WKO (warmte-koude-opslaginstallaties). Het aantal kleine netten is geschat.
Uit de eerste inventarisaties door corporaties blijkt dat dit aantal hoger kan zijn.
2.1 Definitie van verbruiker en van warmtenet
In principe vallen alle warmtenetten waarmee in één net warmte wordt geleverd aan meer dan
één verbruiker onder de bescherming van de Warmtewet. In de Warmtewet is het begrip
verbruiker niet eenduidig omschreven als persoon. In de afgelopen maanden was er regelmatig
begripsverwarring over de interpretatie. Soms geeft de definitie van een installatie
aanknopingspunt om te argumenteren dat er geen sprake is van een warmtenet. De minister
heeft nu ook onderkend dat er behoefte aan opheldering is. In de wetswijziging die is
aangekondigd voor voorjaar 2015 wordt de definitie verbeterd. Voor de interpretatie blijft het
naar onze mening logisch als de minister bij de wetswijziging om deze definitie aansluit bij de
huidige definities uit de Gas- en de Elektriciteitswet, die spreekt over een aansluiting als een of
meer verbindingen tussen het gas- respectievelijk elektriciteitstransportnet en een onroerende
zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e van de Wet waardering onroerende
zaken. Een verbruiker is in deze interpretatie een zelfstandige woonruimte, bekend als WOZobject. Het kan wel zijn dat een unit met meerdere onzelfstandige woonruimen wordt gezien als
één WOZ-object met doorgaans een aansluiting van minder dan 100 kW en dus als beschermde
verbruiker onder de Warmtewet. Ook bedrijfsruimte, bekend als één WOZ-object en met een
aansluiting van minder dan 100 kW, dient hier geïnterpreteerd te worden als beschermde
verbruiker.
Het leveren van warmte aan onzelfstandige woonruimten (studentenwoningen met gedeelde
voorzieningen, woningen in zorgcomplexen en kamergewijze verhuur van eengezinswoningen)
valt dus niet onder de Warmtewet. In deze situaties is ook nauwelijks te registreren wat het
individueel aandeel is in alle gemeenschappelijke voorzieningen (warmte in gemeenschappelijke
ruimte/in eigen ruimte, warm tapwater gemeenschappelijk/eigen gebruik). Ook kunnen deze
situaties zelden adequaat worden voorzien van submeters.
Warmtenetten die onder de wet vallen:
1.
Warmtenetten waardoor warmte wordt geleverd in complexen, bij voorbeeld flats, met
een gemeenschappelijke installatie. Dit is de bekende blokverwarming.
10
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
2.
3.
Warmtenetten die warmte (en koude) leveren, zoals bij
warmte-koude installaties (WKO).
Stadsverwarmingsnetten.
2.2 Door de wet geen wijziging van leverancier
Het maakt voor de wet niet uit of de exploitant of eigenaar van dat warmtenet de corporatie,
een energie BV van de corporatie of een derde partij, zoals een warmtebedrijf, is. In de praktijk
kwam naar voren dat na de invoering van de Warmtewet energiebedrijven het argument
gebruikten dat zij geen eigenaar zijn van de installatie in een gebouw en dat zij daardoor niet
meer aangemerkt konden worden als de leverancier aan de individuele huishoudens. Met andere
woorden: in hun interpretatie wijzigde de levering aan huishoudens in een zakelijke aansluiting
waarbij aan de corporatie (of VvE) wordt geleverd. Hierdoor zou de corporatie of VvE opeens
(door)leverancier van warmte worden, zie paragraaf 3.2 De minister gaf in zijn brief echter
ondubbelzinnig aan dat de Warmtewet niet bedoeld is om in te grijpen in de bestaande
leverancier-klantrelatie en dat de Warmtewet niet eist dat de leverancier eigenaar is van de
gebouwinstallatie. De minister onderkent wel dat in het verleden lang niet altijd afspraken zijn
gemaakt over het onderhoud van het leidingennet in het gebouw. Hij vindt dat partijen daarover
in onderling overleg goede afspraken moeten maken.
2.3 Gemengde VvE’s blijven onder de Warmtewet
Al direct bij het verschijnen van de Warmtewet viel de opmerkelijke situatie bij volledige VvE’s
op. Met volledige VvE’s worden VvE’s bedoeld die uitsluitend bestaan uit particuliere eigenaren.
In deze situatie zou bij toepassing van de wet de bewoner niet meer in rekening gebracht
mogen worden dan de maximumprijs, terwijl vervolgens de bewoner als mede-eigenaar van de
VvE het exploitatietekort zou moeten aanvullen. Verder zou bij het uitkeren van een
compensatie bij ernstige storing de compensatie uit de exploitatie komen, daarvoor geldt
hetzelfde vestzak-broekzak bezwaar. De minister heeft aangekondigd dat dit onnodig
belemmerend is en dat in deze situatie de eigenaren niet alleen consumenten zijn, maar ook het
heft in handen hebben en de wet ze daarom niet tegen zichzelf hoeft te beschermen. Deze VvE’s
vallen binnenkort door een wetswijziging niet meer onder de Warmtewet. De ACM is gevraagd
in het toezicht hiermee rekening te houden.
Deze uitzondering geldt echter niet voor de gemengde VvE’s die veel bij corporaties voorkomen.
Voor de huurder in een dergelijk complex vindt de minister de bescherming nog steeds nodig.
Dit kan dus een merkwaardige verschuiving in de (rechts-)verhoudingen opleveren als in een
gemengde VvE uiteindelijk de laatste woning verkocht is. Men gaat dan van beschermde situatie
naar de vrijgestelde. Om daar geen ongewenste situaties te krijgen gaat de minister met Aedes
en de Woonbond overleggen over hoe dit aangepast moet worden. Op dit moment is niet
bekend wanneer hier meer duidelijkheid over komt.
11
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
3
Situatieschets en eisen
3.1 Beschermde afnemers
Niet alle verbruikers worden beschermd door de wet. Oorspronkelijk ging het vooral om de
kleine afnemers en niet alleen consumenten. In het parlement is uitgebreid gesproken over de
grens waaronder verbruikers beschermd moesten worden. Uiteindelijk geldt de bescherming bij
de warmtenetten voor alle verbruikers met een aansluiting van maximaal 100 kW. Het gaat
hierbij om de maximale capaciteit van de aansluiting, niet welk deel daarvan werkelijk wordt
gebruikt. In de praktijk betekent dit alle huishoudensaansluitingen en vrijwel alle aansluitingen
van MKB-bedrijven. Denk daarbij aan winkels en kantoren of praktijkruimtes onder een flat. De
eis van 100 kW wordt soms verward met het vermogen van de verwarmingsketel. Dat laatste is
echter niet relevant. Het gaat om de aansluitcapaciteit van de verbruiker. Binnen één
warmtenet kunnen dus zowel beschermde als niet beschermde afnemers of verbruikers
voorkomen.
Als er sprake is van één warmtedistributienet, waarbij binnen dat net aan meerdere afnemers
wordt geleverd, kan met figuur 1 worden bepaald of de Warmtewet van toepassing is.
Figuur 1
12
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
3.2 Doorlevering
Een bijzondere situatie doet zich voor bij corporaties die voor hun
complexen een aansluiting hebben op een stadsverwarmingsnet, maar de warmte zelf
doorleveren aan hun huurders. Zij zijn zelf niet beschermd als klant op het
stadsverwarmingsnet, want meestal is die aansluiting groter dan 100 kW. Aan de andere kant
moeten zij wel aan hun huurders leveren tegen een tarief dat niet hoger is dan de nieuwe
maximumprijs. Hier ligt dus een risico voor corporaties, waar door Aedes uitgebreid op gewezen
is. De minister heeft echter geen nadere regels voorgesteld om corporaties te beschermen
tegen deze ongunstige tussenpositie. In het debat met de Kamer was de veronderstelling van
de minister van Economische Zaken dat warmteleveranciers juist lagere kosten per GJ hanteren
voor grotere aansluitingen en werd betreurd dat de warmteleveranciers deze situatie gebruiken
om corporaties met kosten op te zadelen die zij niet kunnen doorberekenen. Dat laatste is extra
relevant, omdat die situatie zich ook voor kan doen bij storing, waarbij beschermde verbruikers
volgens de Warmteregeling recht hebben op een compensatie, zie hoofdstuk 7. Het is van
belang deze zaken mee te nemen in contractonderhandelingen met leveranciers van
stadsverwarming en zo nodig contracten aan te passen (open te breken).
3.3 Eisen die worden gesteld aan de leverancier
In artikel 2 van de wet staan de eisen die gesteld worden aan de leverancier. Een leverancier
van warmte, en dat geldt dus ook voor corporaties, moet zorgen voor een betrouwbare levering
tegen redelijke voorwaarden en een goede dienstverlening. Verder moet de leverancier voldoen
aan een aantal administratieve eisen:
•
Eenmaal per jaar moet de leverancier een volledige en voldoende gespecificeerde nota
verstrekken met betrekking tot de door hem geleverde diensten.
•
De leverancier maakt geen ongerechtvaardigd onderscheid tussen zijn afnemers.
•
Wijzigingen in de prijzen voor levering van warmte en/of wijzigen van de voorwaarden
moet tijdig en voldoende duidelijk (toereikend) worden gecommuniceerd met de afnemers.
•
De leverancier moet een duidelijke boekhouding voeren van de kosten enerzijds en de
opbrengsten anderzijds. Zowel de kosten als de opbrengsten worden anders opgebouwd bij
toepassing van de Warmtewet. De inventarisatie van de netten kan gebruikt worden om de
aanvullende onderdelen aan de kant van de kosten te registreren. Het is wel aan te bevelen
baten en lasten op verschillende (grootboek)rekeningen te boeken.
•
Van de storingen moet de leverancier een administratie bijhouden en daar jaarlijks over
publiceren. Dit gaat verder dan de huidige praktijk bij blokverwarming.
•
De leverancier moet (artikel 4) proberen onderbreking van de warmtelevering in de periode
1 oktober tot 1 april te voorkomen. In ieder geval moet de leverancier de onderbreking, bij
voorbeeld dor onderhoud, minimaal drie dagen van te voren melden aan de verbruikers.
Het was niet expliciet vermeld of de wetgever bij het ongerechtvaardigd onderscheid ook
correcties bedoelt die vaak worden toegepast bij warmtekostenverdeling. De trend is wel steeds
meer het ongecorrigeerd doorbelasten van kosten, maar dat staat niet letterlijk in de
Warmtewet. In eerste instantie vermeldde de ACM expliciet op haar site dat met ingang van 1
januari 2014 correcties niet meer toegestaan zijn, waarbij het voorbeeld wordt gegeven van een
liggingscorrectie. Naar aanleiding van de bezwaren uit de markt kondigde de minister in zijn
brief van 7 juli 2014 aan toch bepaalde correcties toe te staan, waaronder correcties voor de
ligging in een complex of flatgebouw. Daarnaast mag gecorrigeerd worden voor de afgifte van
de transportleidingen in een gebouw. Dit laatste sluit aan bij de Europese norm voor
warmtekostenverdeelmeters (EN 834). Deze ‘correctie’ valt eigenlijk ook niet onder de
formulering ongerechtvaardigd onderscheid maken, want warmteafgifte door stijgleidingen in de
woning is wel degelijk aan te merken als warmtelevering aan die woning. Het lastige is alleen
dat daar geen meetmethode voor is, vandaar de terechte correctie.
13
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
Overweging: hoewel de exacte manier waarop de minister de
liggingscorrecties wil toelaten nog niet duidelijk is, kan de corporatie vooralsnog gewoon de
oude correcties toepassen. Het verdient aanbeveling om de wijze waarop de corporatie
(beleidsmatig) omgaat met correcties vast te leggen. In de praktijk kunnen afrekeningen fors
gaan wijzigen als correcties worden geschrapt. NEN 7440 voor warmtekostenverdeling, zie ook
hoofdstuk 9.3, zegt ook iets over het toepassen van liggingscorrecties. De effecten zijn het
grootst bij slecht geïsoleerde complexen. Verder kan ook de manier waarop de installatie is
ingeregeld bijdragen aan de afwijkingen bij woningen aan het eind van de stijgleidingen, zie
hiervoor hoofdstuk 9.2.
Artikel 8a van de wet geeft de mogelijkheid ook op andere wijze dan met een
warmtekostenverdeelsysteem de kosten te verdelen. Bijvoorbeeld op basis van vierkante meter
of hoofdelijke omslag (zie artikel 8a, lid 2). Hoewel ook hier zo nauwkeurig mogelijk het
individuele aandeel van de verbruiker moet worden benaderd, mogen leveranciers wel kosten
van verbruik in algemene zin meenemen.
Verder moet de leverancier met de producent van warmte kunnen onderhandelen. De
leverancier is dit op grond van de Warmtewet verplicht. In de praktijk van blokverwarming en
kleinschalige duurzame energie-installaties zal echter meestal de eigenaar van de warmtebron
ook de exploitant zijn van het net.
3.4 Afrekening verplicht in GJ
De warmte die geleverd wordt moet afgerekend worden in GJ’s. Voor het bepalen van de
hoeveelheid GJ’s zijn er drie opties. De leverancier brengt de kosten in rekening op basis van:
1.
Een individuele warmtemeter (GJ-meter) in de woning. Dit is de eerste voorkeur volgens
artikel 8 in de wet.
2.
Een systeem van individuele warmtekostenverdelers die het warmteverbruik van elke
radiator meten, artikel 8a lid1.
3.
Een voor alle verbruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek, artikel 8a lid 2.
In beginsel dient de leverancier binnen een redelijke termijn aan verbruikers een individuele
meter ter beschikking te stellen door middel van verhuur. Hieronder wordt verstaan een
gigajoulemeter die op afstand uit te lezen is. Deze geeft het actuele warmteverbruik weer en
verstrekt informatie over de tijd waarin sprake was van daadwerkelijk verbruik. Deze
verplichting geldt volgens de wet wanneer:
de gebruiker hierom vraagt, tenzij het technisch onmogelijk of financieel onredelijk is;
bij vervanging, tenzij technisch onmogelijk of financieel onredelijk;
bij aansluiting van nieuwbouw;
bij ingrijpende renovatie.
Hoewel de wet expliciet de voorrang geeft aan de eerste optie, de individuele GJ-meters, zijn
optie twee en drie aanvaardbaar als de installatie van de GJ-meters niet kostenefficiënt is. Dit is
geen optie en kostentechnisch niet verantwoord in een situatie waarin radiatoren in de woning
zijn aangesloten op stijgleidingen die op meerdere plaatsen de woning binnenkomen, zoals in
veel flatgebouwen. In de Q&A’s op haar site bevestigt de ACM deze zienswijze.
Het plaatsen van een individuele GJ-meter is alleen een reële optie bij een volledige renovatie
van het gebouw en vooral de gebouwinstallatie, waarbij ook de woningindeling wijzigt. Hierbij
moeten dan alle stijgleidingen worden vervangen door een centrale toe- en afvoerleiding en een
nieuw binnennet in elke woning. Hoofdstuk 5.4 gaat nader in op de meting in GJ’s.
14
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
Als er sprake is van een warmtewisselaar zegt de wet, naar
aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer, dat deze
warmtewisselaar bij vervanging of bij nieuw geplaatste meters door de warmteleverancier wordt
geplaatst. De warmteleverancier mag hiervoor een redelijke vergoeding als huur aan de
verbruiker in rekening brengen.
3.5 Wat mag de leverancier van warmte in rekening brengen
Over wat de exploitant van een warmtenet in rekening mag brengen is de Warmtewet heel
expliciet. Het is hierbij goed het volgende te realiseren: de Warmtewet is een energiewet en
reguleert dus de dienst van het leveren van warmte. Dat is iets anders dan het verdelen van
kosten. Hoofdstuk 4 gaat verder in op dit verschil.
De exploitant van een warmtenet, de warmteleverancier, mag in principe zelf weten wat hij in
rekening brengt. Bij de beoordeling of deze kosten niet het maximum overschrijden toetst de
ACM, conform het Niet Meer Dan Anders principe (NMDA), op de volgende specifiek in de wet
genoemde posten:
1.
2.
3
De maximumprijs. Deze maximumprijs is een prijs, niet te verwarren met tarief. De
maximumprijs (artikel 5) bestaat uit een gebruiksonafhankelijk deel en een
gebruiksafhankelijk deel. Het gebruiksonafhankelijke deel noemen we het vastrecht en
is een bedrag in euro. Het gebruiksafhankelijke deel is het product van de afgenomen
GJ’s vermenigvuldigd met de maximum GJ-prijs voor dat jaar. Het besluit van de ACM
met het tarief voor 2014 is als bijlage 6 toegevoegd.
Naast de maximumprijs mag de leverancier volgens artikel 2 de redelijke kosten voor
het ter beschikking stellen van de warmtewisselaar rekening brengen. De toets is op de
redelijkheid van dit tarief. Omdat de kosten voor de warmtewisselaar ook in de
berekening van het gebruiksonafhankelijke deel van de maximumprijs terugkomen,
heeft de toezichthouder ACM daar wel een referentie aan. Echter ook niet meer dan dat.
Meetkosten. De kosten voor het meten zijn volgens artikel 8, lid 5, gelijk gesteld aan
het (jaarlijkse) tarief voor individuele gasmeting uitgaande van een G6-meter. De
combinatie van een warmtewisselaar met een GJ-meter komt veel voor en heet een
afleverset. In dat geval gaat het over de totaalkosten van de set, inclusief meetkosten.
De kosten moeten wel uitgesplitst op de afrekening vermeld staan.
De leverancier mag dus niet andere dan deze bedragen in rekening brengen. Bij het uitbrengen
van de Handreiking in 2013 is onderbouwd dat de kosten voor de warmtekostenverdeelmeters
volgens het Warmtebesluit nog steeds als servicekosten in rekening gebracht mochten worden,
naast de kosten voor de warmtelevering. Met het wijzigen van de huurwetgeving per 1 juli 2014
en met de brief van de minister van EZ van 7 juli 2014 is dit echter veranderd. De belangrijke
veranderingen zijn:
1. De kosten van warmtekostenverdeelmeters kunnen als gebruikskosten behorende bij de
warmtekosten in rekening gebracht worden. In de situatie met
warmtekostenverdeelmeters is er geen afleverset of warmtewisselaar en zijn deze
kosten te zien als vergelijkbare gebruikskosten volgens de brief. Uit de brief is op te
maken dat naast de gebruikskosten bij warmtekostenverdeelmeters ook de kosten voor
de centrale GJ-meter in rekening gebracht kunnen worden, namelijk omdat deze gelden
als kosten van een collectief warmtesysteem.
2. Bij het ontbreken van een individuele warmtewisselaar, mogen de kosten voor de
collectieve warmtewisselaar ook als gebruikskosten in rekening gebracht worden. Het
zelfde geldt voor eventuele andere collectieve voorzieningen ten behoeve van de
15
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
levering. Bij al deze kosten van collectieve voorzieningen
gaat het om de redelijke kosten, die gebaseerd zijn op de
werkelijke kosten.
BELANGRIJK
Het gebruiksonafhankelijke deel (vastrecht) en het variabele GJ-tarief in euro’s worden jaarlijks
vooraf door de ACM vastgesteld. Het tariefbesluit van de ACM voor 2014 is als bijlage 6
toegevoegd. De ACM toetst op de maximumprijs en dus niet op de vastgestelde bedragen voor
vastrecht en GJ-tarief. Dit staat expliciet in de wet en in de toelichting.
Deze wijze van toetsing geeft de corporatie als leverancier dus veel vrijheid om een eigen
tariefsysteem te kiezen. Bijvoorbeeld een hoger vastrecht bedrag, gekoppeld aan een lager GJtarief of net andersom vergeleken met de ACM-bedragen. Het is de vraag of dat in de praktijk
gaat werken. Omdat individueel bezwaar gemaakt kan worden door de verbruiker tegen een te
hoog tarief, kan elke toetsing weer anders uitpakken. Dat zal naar alle waarschijnlijkheid dus
heel veel verwarring geven in de praktijk. De leverancier moet dus goed weten waaraan hij
begint.
De minister van EZ kondigde in zijn brief van 7 juli 2014 aan dat hij in 2014 onderzoek laat
doen naar de prijsontwikkeling. Dat kan betekenen dat de bedragen uit het Warmtebesluit
wijzigen ten behoeve van de tariefberekening voor 2015.
Overweging: hanteer bij de eigen tariefstelling een vastrechtbedrag en een GJ-tarief die beiden
onder de berekende waarden voor de maximumprijs liggen. In dat geval voldoet u altijd aan de
eis uit de Warmtewet. De Nederlandse Woonbond beveelt deze insteek aan.
Overweging: bij het in rekening brengen van de kosten moet wel worden gekeken of deze
kosten al niet op een andere wijze worden betaald. Als bij voorbeeld de warmtewisselaar is
betaald door de huurder, dan kunnen hiervoor pas bij vervanging kosten in rekening worden
gebracht. Ten aanzien van de kosten van de installatie (afschrijving en onderhoud) geldt dat
deze eerder in de huur zaten. Ter compensatie hiervan worden de WWS-punten verlaagd. Dit
leidt niet altijd tot verlaging van de werkelijke huur. Uit signalen blijkt dat een aantal
corporaties installatiekosten niet meeneemt in de berekening van het vastrecht om te
voorkomen dat dit leidt tot lastenverzwaring bij de huurder.. Daar moet dan natuurlijk wel
ruimte voor zijn in de exploitatie. Het is wel van belang om in de administratie deze kosten vast
te leggen. Op termijn kan de ACM namelijk een steekproef uitvoeren en nagaan wat de
rendementen zijn. Als deze installatiekosten niet zichtbaar zijn in de exploitatie, dan kan het
lijken of er meer rendement wordt gemaakt dan in werkelijkheid het geval is.
16
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
4
Warmtewet en afrekening warmte en
servicekosten
4.1 Van kostentoerekening naar tarief
Tot 2014 werden de kosten van een gemeenschappelijke installatie verrekend via de
servicekosten. De huurders betalen op die manier de kosten van het gas voor de ketel, de
elektriciteit voor de pompen en de eventuele kosten voor de verdeelmeters en het aflezen
daarvan. Door de invoering van de Warmtewet verandert dit principieel. De huurder gaat een
tarief betalen: een bedrag voor vastrecht en een bedrag voor het variabele deel van zijn
energiegebruik. Het variabele deel wordt, net als bij stadsverwarming, afgerekend in Gigajoules.
In plaats van een kostendekkende toerekening van de werkelijke kosten aan de verbruikers
aangesloten op het warmtenet, wordt nu van de leverancier verwacht dat hij een tarief in
rekening brengt beneden de maximumprijs. Die maximumprijs is bovendien gekoppeld aan de
situatie van een individuele gasgestookte cv-installatie. De leverancier heeft dus niet op
voorhand meer de garantie of de exploitatie van het warmtenet dekkend is. Dat hangt nu af van
de energetische prestatie van dat net en van de gemeenschappelijke verwarmingsinstallatie.
Recent is er meer duidelijkheid gekomen over de relatie tussen de Warmtewet en de
huurwetgeving. Het ministerie van BZK ziet warmtelevering die valt onder de Warmtewet als de
levering vanuit de rol als leverancier. Dus als die leverancier een corporatie is vindt de levering
vanuit de rol van leverancier plaats en niet vanuit de rol van verhuurder. Als de levering valt
onder de Warmtewet, volgens de definities uit de Warmtewet, dan is alles wat met die levering
te maken heeft een zaak tussen leverancier en verbruiker/afnemer en niet tussen verhuurder en
huurder. De energielevering vindt plaats op basis van een separate leveringsovereenkomst.
Deze zienswijze betekent dat ook geschillen niet automatisch meer een zaak zijn van de
huurcommissie. Zie voor de geschillencommissie verder hoofdstuk 7.1. Verder betekent dit een
wijziging voor het overleg tussen verhuurder en huurder op dit punt en wijzigt de situatie rond
de servicekosten.
Door de invoering van de Warmtewet wordt op zich het Besluit servicekosten niet ingetrokken.
Na de invoering van de Warmtewet is er echter ook een verandering op het gebied van de
servicekosten opgetreden. Per 1 juli 2014 zijn een viertal wetten en besluiten van kracht in
verband met de modernisering en vereenvoudiging van de werkwijze van de huurcommissie.
Een uitgebreidere toelichting op deze wijzigingen is opgenomen in bijlage 5. Toen de
Warmtewet van kracht werd leek het alsof de regeling met betrekking tot de servicekosten niet
parallel liep met de nieuwe warmteregels. Met de hierboven genoemde zienswijze van het
ministerie, de invoering van de wijziging van het Besluit servicekosten en met de in de brief van
7 juli 2014 aangekondigde wijzigingen in de Warmtewet zelf, lijken Warmtewet en servicekosten
weer in overeenstemming te zijn. Het was helderder geweest als in de toelichting op de
wijzigingen rond de servicekosten een verwijzing opgenomen was naar afstemming met de
Warmtewet. Er kan nu wel een helderder beeld geschetst worden dan bij de totstandkoming van
de Handreiking versie 1.0. Verder in dit hoofdstuk wordt uitgegaan van de interpretatie van de
wijzigingen in zowel Warmtewet als servicekosten, voor de toelichting wordt verwezen naar de
bijlage 5.
Belangrijkste wijziging in het Besluit servicekosten is dat van Warmtevoorzieningen in de zin
van huurgerelateerde kosten alleen nog maar sprake is bij de gemeenschappelijke ruimten. De
afrekening van het verbruik van het woonruimtegedeelte kan hooguit nog als kosten van
nutsvoorzieningen worden gezien. Ook de kosten voor het gebruik en het aflezen van
17
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
warmtemeters en verbruiksmeters betreffen alleen die voor de
gemeenschappelijke ruimten. Zie verder ook bijlage 5.
In onderstaande tabel is opgenomen welke kosten na deze wijziging op welke wijze in rekening
gebracht kunnen worden. Wat betreft het vastrecht en tarief: dit is een verdeling naar herkomst
van de kosten, maar het staat de leverancier vrij hier anders toe te delen, mits niet meer dan
de maximumprijs wordt gevraagd, zie ook hoofdstuk 3.5.
Afschrijving + onderhoud installaties
Vaste kosten (vastrecht gas etc.)
Variabele kosten (inkoop gas + elektriciteit
pompen)
Kosten warmtewisselaar
Individuele GJ-meter
Verwarming gemeenschappelijke ruimten
WKV-systeem + meters t.b.v. individuele woning
WKV-systeem + meters t.b.v.
gemeenschappelijke ruimten
Individuele GJ-meter
Vastrecht WW
Vastrecht WW
GJ-tarief WW
WKV of KVS
Vastrecht WW
Vastrecht WW
GJ-tarief WW
Redelijke kosten
WW *
Meetkosten WW
Servicekosten
N.v.t.
N.v.t.
Centrale GJ-meter
Kosten GJ-meter
gemeensch. ruimten
> servicekosten
Redelijke kosten
WW *
N.v.t.
Kostenverdeelsysteem
N.v.t.
Gemeenschappelijke warmtepomp etc.
N.v.t.
Servicekosten
Redelijke kosten
WW *
Servicekosten
Redelijke kosten
WW *
Redelijke kosten
WW *
WW
WW = Warmtewet
WKV = Warmtekostenverdeelsysteem
KVS = Kostenverdeelsysteem
* = Zie hoofdstuk 3.5
NB In de oude situatie onder de servicekosten was het mogelijk een opslag te hanteren voor
administratiekosten. Deze opslag is nu alleen nog voorbehouden aan de servicekosten voor de
gemeenschappelijke ruimten. De administratiekosten voor de levering van warmte worden
geacht onderdeel te zijn van het tarief.
18
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
4.2 Eén maximumprijs per (kalender)jaar
De huidige afrekening van de servicekosten houdt rekening met
verschillende gas- en elektriciteitstarieven in het eerste en tweede halfjaar. Meestal worden de
energietarieven tweemaal per jaar aangepast aan de marktontwikkelingen. De ACM stelt maar
één keer per jaar de bedragen voor vastrecht en GJ-prijs vast: voor 1 januari van het jaar
waarop deze maximumprijs van toepassing is. Omdat de parameters waarop met name de GJprijs wordt bepaald vlak voor de jaarwisseling worden vastgesteld en goedgekeurd door de
ACM, zal de maximumprijs ook kort voor de jaarwisseling vastgesteld worden: waarschijnlijk
medio december. Voor de voorschotbedragen in het nieuwe jaar heeft dat niet direct
consequenties. Voor het aanpassen van de voorschotten moet wel ingeschat worden wat de
maximumprijs zal zijn. Omdat ook een aantal componenten op basis van de
Consumentenprijsindex wordt verhoogd, is hier nu al een inschatting van te maken.
4.3 Geen overgangstermijn
De Warmtewet is van kracht per 1 januari 2014 zonder overgangstermijn. Dat betekent dat uw
voorschotberekening voor 2014, en in ieder geval de afrekening, in overeenstemming moet zijn
met de maximumprijs uit de Warmtewet. Als uw servicekosten lopen van 1 juli tot 1 juli het
volgende jaar, moet u de afrekening over de periode tot en met 31 december 2013 op de oude
wijze doen en het eerste half jaar van 2014 op de nieuwe wijze. Vanaf 1-1-2014 oefent de ACM
het toezicht uit. Hoewel het toezicht niet gelijk op stoom zal zijn, zal dat voor o.a. de toetsing
van tarieven geen escape betekenen.
Overweging: als de corporatie nu de servicekosten afrekent over de periode 1 juli tot 1 juli het
volgende jaar, kan dit het moment zijn te heroverwegen of niet beter aangesloten kan worden
op het kalenderjaar. Dat hangt uiteraard ook van andere factoren af. Als de afrekening per
kalenderjaar is hebt u slechts te maken met één tarief en één toetsing per jaar. Daarnaast is
het denkbaar dat, vanwege de verschillende maximumprijzen in de verschillende kalenderjaren,
ook de GJ-verbruiken per halfjaar bekend moeten zijn. Door de recente wijziging van de
servicekosten en de aangekondigde wijzigingen van de Warmtewet is deze overweging alleen
maar versterkt.
Nadeel van de afrekening in kalenderjaren is dat er geen inzicht meer is in de verbruiken over
de verschillende stookseizoenen, omdat het stookseizoen altijd verdeeld wordt over twee
afrekenjaren.
4.4 Aanpassing van de WWS-punten
In de maximumprijs wordt binnen de gebruiksonafhankelijke kosten een post meegenomen voor
de kosten van de installatie en het onderhoud, zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.1. Omdat hierdoor
de huurder bij blokverwarming dubbel betaalt, wordt de puntentelling voor het
Woningwaarderingstelsel (WWS) aangepast. In het Warmtebesluit staat dat het aantal punten
voor een verwarmd vertrek, net als bij stadsverwarming, op 1,5 punt wordt gezet waar voor
een verwarmd vertrek nu 2 punten zijn geteld. Het aantal punten wordt dus afhankelijk van het
exacte aantal verwarmde vertrekken verlaagd met twee tot drie punten per woning. De
maximale huurprijs gaat hierdoor omlaag. Voor woningen die hierdoor een huurprijs krijgen die
boven de nieuwe maximale huur ligt, moet de huurprijs worden verlaagd tot die maximale huur.
Met de voorziene volgende aanpassing van het WWS, waarbij de koppeling wordt gelegd met de
WOZ-waarde, vervalt de puntentelling voor verwarmde vertrekken niet en blijft deze aanpassing
dus van belang.
NB
In de Handleiding behorende bij het waarderingsstelsel voor zelfstandige woonruimte van de
Huurcommissie van 1 januari 2014 heeft de huurcommissie opgenomen dat ook bij overige
19
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
verwarmde ruimten een reductie van 25 procent op de punten moet
worden toegepast, namelijk 0,75 i.p.v. 1 punt. Voor verwarmde
vertrekken staat deze 25 procent-reductie in het bij de Warmtewet behorende Warmtebesluit en
eveneens in de toelichting op het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw). Voor de reductie van
de overige verwarmde ruimten is dus geen wettelijke basis.
20
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
5
Stappenplan voor de corporatie
5.1 Voorbereiding
De Warmtewet is ingegaan per 1 januari 2014, maar het is goed te realiseren dat de eerste
werkelijke toetsing plaatsvindt over de afrekeningen van 2014 in 2015. Dat wil niet zeggen dat
er voorlopig niet veel hoeft te gebeuren. Integendeel. Het zet echter de voorbereiding in een
beter hanteerbaar perspectief. Hieronder een stappenplan. De stappen zijn met name
geschreven voor de situaties met blokverwarming. In gevallen van warmte-koudeopslaginstallaties of stadsverwarming wordt al vaker afgerekend in GJ’s, waardoor de overstap
daar minder problemen oplevert.
5.2 Inventarisatie
De eerste voor de hand liggende stap is het inventariseren van alle complexen met
warmtelevering. Dat is nodig voor:
•
inzicht in welke complexen warmtenetten aanwezig zijn die vallen onder de
prijsbescherming van de Warmtewet;
•
het verzamelen van de gegevens die later gebruikt kunnen worden om voorschotbedragen
te bepalen, mogelijke problemen met de maximumprijs te signaleren en inzicht te krijgen
in de exploitatie;
•
inzicht te krijgen of en zo ja, netten mogelijk onder de vergunningplicht kunnen vallen;
•
de aanmelding van de warmtenetten bij de ACM, zie paragraaf 5.3.
5.3 Aanmelden van de netten
Op grond van artikel 40 moet de leverancier zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding van de
wet op 1 januari 2014 de warmtenetten die hij exploiteert aanmelden bij de ACM. Niet
aanmelden is in strijd met de wet, maar toch is het goed eerst na te gaan of de corporatie wel
alle warmtenetten moet aanmelden. In de volgende situaties hoeft u als corporatie een
warmtenet niet aan te melden:
•
De corporatie heeft de levering van warmte en daarmee de exploitatie uitbesteed aan een
derde partij, bijvoorbeeld een energiebedrijf of uw eigen energie BV. In dat geval is de
corporatie niet de leverancier en moet de derde dit warmtenet melden. Het gaat er bij deze
afweging niet over of u alleen de administratie heeft uitbesteed. Het exploitatierisico moet
liggen bij de derde partij. Bij VvE’s wordt ook vaak het beheer uitbesteed, dit is slechts een
administratieve uitbesteding. De exploitatie en het risico liggen dan nog steeds bij de VvE
en deze dient als warmteleverancier het warmtenet te melden.
•
Het warmtenet kent slechts warmtelevering aan onzelfstandige woonruimten. Dit net valt
buiten de bescherming van de Warmtewet, zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.
•
De corporatie is wel eigenaar van het net, maar heeft de exploitatie uitbesteed aan de
bewoners. Deze variant komt soms bij studentenhuisvesting voor, waarbij bewoners
energie inkopen en de rekening daarvan onderling verdelen. Dit kan overlappen met de
hiervoor beschreven situatie van onzelfstandige woonruimten.
Voor aanmelding bij de ACM zijn de gegevens van de leverancier en een beschrijving van de
geëxploiteerde warmtenetten nodig, waarbij in ieder geval het aantal verbruikers en het aantal
21
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
geleverde GJ’s is opgenomen. Het aanmelden van de netten kan
digitaal via de site van ACM, zie hieronder:
De ACM geeft ook de mogelijkheid van een digitale upload van een totaalbestand met netten.
5.4 Aanpassen installatie en plaatsen GJ-meters
Figuur 2
De afrekening volgens de Warmtewet moet in beginsel plaatsvinden in GJ’s. In artikel 8 lid 2
van de wet staat dat een leverancier binnen redelijke termijn een individuele GJ-meter ter
beschikking moet stellen. Die meter moet het actuele verbruik en de tijd waarin sprake was van
verbruik registeren, zie figuur 2.
22
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
De Warmtewet, en dat geldt ook voor de later in te voeren EED
(European Energy Directive), onderkennen dat in bestaande situaties
het technisch en financieel niet redelijk kan zijn om deze meters te plaatsen. Deze situatie doet
zich voornamelijk voor bij blokverwarming, wanneer er geen centraal invoerpunt is in de
woning, maar de radiatoren worden gevoed door meerdere stijgleidingen langs de gevel. Als er
wel een centrale toevoerleiding is moet de leverancier wel binnen redelijke termijn een GJmeter plaatsen. Ook als in een nieuw gebouw of bij een ingrijpende renovatie van een gebouw
een nieuwe aansluiting wordt gemaakt, moet opnieuw worden beoordeeld of het onmogelijk is
individuele GJ-meters te plaatsen. De wet en de EED gaan er wel vanuit dat het kostenefficiënt
moet zijn om dergelijke meters te plaatsen in verhouding tot de geraamde besparingen op
lange termijn. Zie ook hoofdstuk 3.4.
Centrale GJ-meter wordt verplicht
In de huidige situatie wordt bij blokverwarming nog zelden in GJ’s gemeten, maar wel in
kubieke meter gas en verbruikte kWh elektriciteit. De afrekening van de warmte moet echter in
GJ’s gebeuren. Hoewel de ACM omrekenen mogelijk acht, is omrekenen lastig. De hoeveelheid
gas moet in dat geval omgerekend worden naar GJ’s, rekening houdend met het
gebruiksrendement van de ketel voor ruimteverwarming en warm tapwater en leidingverliezen.
Veel corporaties hikten aan tegen de kosten voor het installeren van de centrale GJ-meters,
mede doordat de verplichting niet duidelijk was. Minister Kamp heeft in zijn brief van 7 juli 2014
ook op dit punt duidelijkheid verschaft. Hij wil de verplichting opnemen in de wetsvoorstellen tot
wijziging van de Warmtewet, die begin 2015 naar de Tweede Kamer gaan. Dit maakt aan alle
onduidelijkheid een einde.
Geijkte meter
Op dit moment wordt een wijziging van het Meetinstrumentenbesluit I en de Regeling
gebruik en installatie EU-meetinstrumenten voorbereid. Hiermee wordt invulling gegeven
aan artikel 8 lid 6 van de Warmtewet waarbij uitwerking wordt gegeven aan de Algemene
Maatregel van Bestuur met eisen aan de meetinrichting. Dit artikel is nu nog niet van
toepassing, maar met de wijziging moeten GJ-meters geregelde meetinstrumenten worden
conform de Metrologiewet. GJ-meters dienen dan te voldoen aan de Europese richtlijn
Meetinstrumenten (MID 2004/22/EG, MI-oo4) en NEN-EN 1434. Dit betekent onder meer
dat de meters geijkt moeten zijn en periodiek geverifieerd worden zodra ze in gebruik zijn.
Het effect van de wijziging moet zijn, net als bij voorbeeld bij weegtoestellen, dat de
consument er altijd op kan vertrouwen dat de meter nauwkeurig is. Dat is overigens ook
een belang van de warmteleverancier. Het is van belang bij aanschaf erop te letten dat de
gehele meter (rekenwerk, temperatuurvoelers en flowmeter) aan deze norm voldoet en ook
geijkt is. Dit voorkomt mogelijk later extra kosten. Hoewel waarschijnlijk (nog) niet
verplicht is het ook voor de centrale GJ-meter aan te raden dat deze op afstand uitleesbaar
is. Hierdoor zijn tussenstanden goed beschikbaar en kunnen ook storingen snel worden
gesignaleerd. De internetconsultatie rond de wijziging is afgerond en het is de bedoeling
dat de wijziging per 1 januari 2015 ingaat.
Als de wijziging van kracht wordt zal ook een protocol moeten worden opgezet om te
borgen dat deze meters voldoen. De energiebedrijven hebben voor hun GJ-meters een
warmtemeterpool ingericht. Dit betreft echter vooral de individuele GJ-meters. De door de
corporaties geïnstalleerde centrale GJ-meters zijn aanzienlijk groter uitgevoerd en zullen op
een andere manier moeten worden geborgd.
De GJ-meter kan in deze situaties het best na de ketel worden geplaatst, kort voor het
verdeelstation van de stijgleidingen (figuur 3). Op deze wijze wordt het totaal van de GJ’s
23
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
gemeten die aan het complex worden geleverd. Deze GJ’s kunnen
vervolgens op basis van het bekende of bestaande
warmtekostenverdeelsysteem over de verbruikers worden verdeeld met in achtneming van de
eerdere kanttekening over het toepassen van liggingscorrecties, zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.
De toetsing van de tarieven over 2014 vindt plaats op basis van de Warmtewet en dus op basis
van GJ’s. Aan het eind van 2014 moet dus beschikt worden over de GJ-gegevens van de
warmtelevering. Het was in de praktijk echter niet haalbaar en dus niet realistisch te
verwachten dat alle ruim 7.000 warmtenetten zijn voorzien van GJ-meters vóór 1 januari 2014.
Er zijn onvoldoende meters en er was onvoldoende installatiekracht beschikbaar. Bovendien
zouden sommige installaties langer buiten bedrijf zijn dan wenselijk binnen het stookseizoen. In
die situaties is namelijk een behoorlijke aanpassing nodig vanwege het leidingverloop in het
ketelhuis en de eisen die worden gesteld aan de opstelling van de GJ-meters.
Overweging: hier kan praktisch mee om worden gegaan, zoals eerder bij de liberalisering van
de energiemarkt gebeurde. Als gedurende het jaar frequent (bv. maandelijks) de
gasmeterstanden worden afgelezen, kan het GJ-verbruik voldoende betrouwbaar worden
geëxtrapoleerd op basis van de maandelijkse vergelijking gasverbruik en GJ-aflezing na het
moment van plaatsen van de centrale meter. Het is dus wel zaak de GJ-meter ruim voor het
eind van 2014 te plaatsen en deze daarna de rest van het jaar (maandelijks) gelijk met de
gasmeter af te lezen.
Een bijzondere situatie doet zich voor bij warmtapwater. Bij blokverwarming is zelden een
individuele GJ-meter aanwezig als de gemeenschappelijke installatie warmtapwater levert aan
de woningen. Vaak vindt afrekening plaats in kubieke meter afgenomen warm water.
Overweging: in deze situaties is het niet kostenefficiënt om in deze individuele
wartapwaterleidingen GJ-meters te plaatsen. In deze gevallen is het denkbaar dat wel
omrekening plaatsvindt, omdat het geleverde warm water moet voldoen aan de
legionellarichtlijnen. Het water zal minimaal 60 graden zijn. Hier is een redelijk nauwkeurige
omrekening naar GJ’s te maken. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met het
opwekkingsrendement en de kosten van het water zelf.
24
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
5.5 Inschatten werkelijke kosten en opbrengsten
Met de gegevens van de inventarisatie kunt u een inschatting maken van de kosten en
maximaal mogelijke opbrengsten van het warmtenet. Enerzijds de bekende inkoopkosten voor
gas en elektriciteit, de leverings- en transportkosten, de investeringskosten, afschrijving en
onderhoud en overige kosten voor bijvoorbeeld het warmtekostenverdeelsysteem en
administratie. Anderzijds de maximale opbrengsten op basis van de maximumprijs: het aantal
woningen vermenigvuldigd met het respectievelijk door de ACM vastgestelde bedrag voor het
vastrecht (voor 2014 254 euro, zie bijlage 6) en het aantal geleverde GJ’s vermenigvuldigd met
de GJ-prijs (voor 2014 24,03 euro).
Voorbeeld:
Bij een complex van 40 woningen met blokverwarming met een gemiddeld GJ-verbruik van 30
(totaal 1.200 GJ) is de maximale prijs die in rekening kan worden gebracht voor het hele
complex: 40 x 254 + 1.200 x 24,03 = 38.996 euro, op basis van de bedragen voor 2014. De
uitkomst van deze inschatting kan de corporatie gebruiken om te beoordelen of de
voorschotbedragen voor de servicekosten redelijkerwijs overeenkomen met de noodzakelijke
inkomsten vanuit de exploitatie.
Daarnaast kan de corporatie dus nog de kosten voor de warmtekostenverdelers (afschrijving,
onderhoud en administratie) en eventuele collectieve warmtekosten (centrale GJ-meter,
collectieve warmtewisselaar) in rekening brengen, zoals uitgebreider beschreven in hoofdstuk 4.
5.6 Beleidsmatige afwegingen, keuze vastrecht en GJ-tarief
Onder de oude regeling, waarbij de kosten op basis van het Besluit servicekosten worden
verdeeld, zijn de voorschot- en afrekenbedragen altijd gebouwgebonden. In de nieuwe situatie
onder de Warmtewet hoeft dat niet meer. Zoals in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 is beschreven,
kan de warmteleverancier ervoor kiezen één tarief voor vastrecht en GJ’s te hanteren voor alle
warmtenetten. Dit is bij stadsverwarming heel gebruikelijk. Daarbij stelt de Warmtewet een
maximumprijs, maar is de leverancier niet verplicht dit in rekening te brengen. De corporatie
kan hiervoor als leverancier beleid opstellen en keuzes maken. De leverancier heeft de volgende
opties:
•
Doorzetten van de huidige benadering, waarbij op basis van de kosten een vastrechttarief
en een GJ-tarief wordt bepaald per complex (oftewel: per warmtenet). Voordeel hiervan is
dat dit de minste verandering geeft ten opzichte van het bestaande systeem en het beste
uit te leggen is aan de huurder. Het nadeel kan zijn dat hierdoor bij sommige complexen de
exploitatie niet dekkend meer is, omdat het tarief wordt afgetopt door de maximumprijs.
•
Het voeren van één vastrecht en één GJ-prijs voor alle warmtenetten van dezelfde
leverancier of corporatie. Voordeel hiervan is dat de tarieven meer uniform zijn en alleen
door het variabele deel op basis van de geleverde GJ’s variëren binnen het woningbezit.
Hierbij worden exploitatieverschillen over de diverse warmtenetten verevend. Met deze
keuze kan bijvoorbeeld beleid zijn om op een percentage van de maximumprijs in rekening
te brengen, vergelijkbaar met de benadering van de huur als percentage van de maximale
huur. Het nadeel van deze keuze is dat er grotere prijsveranderingen in de verschillende
complexen kunnen voorkomen.
Het voeren van een tarief per complex valt niet onder het verbod in artikel 2.4 van de
Warmtewet om geen ongerechtvaardigd onderscheid aan te brengen tussen verbruikers.
Bij de keuze kan ook een rol spelen in hoeverre in het verleden complexen zijn aangepakt en
met huurders afspraken zijn gemaakt over de woonlasten. Wijziging van de tarieven voor
warmtelevering kan een ingreep betekenen in deze afspraken. De invoering van de Warmtewet
betekent dat er op een andere manier gedacht kan worden over energie-exploitatie, waarbij de
25
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
mogelijkheid bestaat om corporatie-breed beleid te ontwikkelen.
Bijvoorbeeld als onderdeel van het vastgoedbeleid. Voor de
corporatie is het zaak dat de exploitatie van alle warmtenetten gezamenlijk geen verlieslatende
activiteit wordt. De omschakeling van verdeling naar kosten naar het leveren van
warmtediensten geeft ook een stimulans om rendementsverbeteringen door te voeren.
5.7 Draaiboek en werkgroep
De Warmtewet beïnvloedt de afrekening van de servicekosten en raakt daarmee aan meerdere
disciplines. Het is raadzaam een werkgroep samen te stellen die het proces van de
aanpassingen en de communicatie met de bewoners oppakt en hiervoor een draaiboek maakt.
Deze werkgroep legt dan ook de nieuwe werkwijze vast in onder meer procedures, modellen en
boekhouding. In deze werkgroep dienen de volgende disciplines betrokken te zijn:
•
iemand (eind)verantwoordelijk voor de exploitatie van het vastgoed en verantwoordelijk
voor het proces en de beleidsmatige keuzen;
•
iemand belast met en/of verantwoordelijk voor de servicekostenafrekening;
•
iemand belast met de financiële administratie vanwege de boekhoudingseisen;
•
iemand die op de hoogte is van de technische uitvoering in de complexen en die kan
beoordelen of er installatietechnische aanpassingen nodig en mogelijk zijn;
•
indien aanwezig de bedrijfsjurist vanwege de leveringsovereenkomst en eventueel
vergunning;
•
iemand verantwoordelijk voor de communicatie naar de huurders (dit kan eventueel ook
iets later in het proces).
Voor het vaststellen van de servicekosten is overleg met de huurders nodig. Zij moeten tijdig
geïnformeerd worden over de wijzigingen. Het is raadzaam de voorlichting naar bewoners op te
bouwen en hen tijdig te informeren over de toepassing van de Warmtewet en de gevolgen.
5.8 Aanvragen vergunning
Op grond van artikel 42 van de wet zijn leveranciers die op het moment van inwerkingtreding
van de wet al leverancier zijn, en op grond van artikel 9 niet onder vrijstelling voor vergunning
vallen, verplicht binnen twee jaar een vergunning aan te vragen. De vergunning moet dus
aangevraagd zijn voor 1 januari 2016. Hoofdstuk 9 gaat nader in op de vergunning. Het is de
verwachting dat corporaties, Verenigingen van Eigenaren en vaak ook Energie BV’s niet onder
de vergunningplicht vallen.
Overweging: er zijn situaties in BV’s denkbaar die, afhankelijk van de interpretatie, mogelijk wel
onder de vergunningplicht vallen. In deze gevallen kan duidelijkheid over de interpretatie
afgewacht worden, alvorens een vergunning aan te vragen. Als de vergunning eenmaal is
aangevraagd is de weg terug moeilijk en zijn mogelijk al onnodige kosten gemaakt.
26
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
6
Leveringscontract en algemene
voorwaarden
Bij de rol als warmteleverancier volgens de Warmtewet hoort ook dat de corporatie als
warmteleverancier een leveringsovereenkomst heeft met de verbruiker. Op grond van artikel 3
van de Warmtewet moet deze overeenkomst tot levering van warmte op schrift worden gesteld
en tenminste de volgende zaken bevatten:
a)
Gegevens van de leverancier.
b)
Duidelijke en volledige omschrijving van de goederen en diensten en kwaliteitsniveaus.
Onder kwaliteit valt in ieder geval de minimum- en maximumtemperatuur van de te
leveren warmte.
c)
Prijzen en voorwaarden van levering.
d)
Voorwaarden voor opschorting en beëindiging.
e)
Vergoedingen, zoals de uitkering van compensatie bij storing en terugbetaling als
goederen en diensten niet voldoen.
f)
De geschillenprocedure.
De bepalingen rond storingscompensatie en afsluitbeleid, die ook in de overeenkomst staan, zijn
uitgebreid beschreven en uitgewerkt in de Warmteregeling. Voor corporaties is het gewenst de
bepalingen te splitsen in een leveringsovereenkomst en algemene voorwaarden. Voor de
Warmtewet zijn de individuele leveringsovereenkomst en de algemene voorwaarden één geheel.
Dit maakt het mogelijk om alleen de specifiek zaken in de individuele overeenkomst op te
nemen en al het overige in de algemene voorwaarden.
Met de inrichting van een branche-geschillencommissie (BGC), zie hoofdstuk 7.1, zijn straks de
Algemene voorwaarden landelijk geldend en algemeen verplicht. Zodra deze voorwaarden in
overleg tussen Aedes en de Woonbond tot stand zijn gekomen, kunnen deze de tot dan
gebruikte corporatievoorwaarden vervangen. In de overeenkomsten die nu worden gebruikt kan
al worden opgenomen dat de algemene voorwaarden op een nader te bepalen tijdstip worden
vervangen door deze nieuwe algemene voorwaarden. Hetzelfde geldt voor de
geschillencommissie. De nieuwe algemene voorwaarden worden zodra zij klaar zijn op Aedes.nl
geplaatst.
27
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
7
Klachten en geschillen
7.1 Afhandeling van geschillen
Volgens de Warmtewet (artikel 3 lid 2) moet een verbruiker geschillen over de overeenkomst
voor kunnen leggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. De procedure moet verder
snel, transparant, eenvoudig en goedkoop zijn. In de eerste versie van de Handreiking werden
voor de geschillen onderstaande instanties genoemd:
1.
klachtencommissie van de corporatie;
2.
huurcommissie;
3.
Geschillencommissie energie;
4.
ACM;
5.
branche-geschillencommissie.
Inmiddels is hier meer duidelijkheid over en vallen enkele opties af.
1. klachtencommissie van de corporatie
Het leek voor de hand te liggen dat de eerste optie de meest aantrekkelijke is, als het gaat om
geschillen over de overeenkomst. De Woonbond was hier geen voorstander van, onder meer
omdat uitspraken niet bindend zijn en deze commissie onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig
is gelet op de vereisten uit de Warmtewet. In de praktijk blijkt deze oplossing ook voor
corporaties niet te werken. De klachtencommissie valt hiermee af als optie.
2. huurcommissie
Volgens de wetgeving op grond van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit servicekosten tot 1
juli 2014 kon de Huurcommissie uitspraken doen in geschillen met betrekking tot de
eindafrekening van en voorschotten voor zogenoemde ‘bijkomende leveringen en diensten’
(servicekosten). Om uitspraken te doen over alle geschillen die de Warmtewet benoemt, zou
echter de wettelijke taak uitgebreid moeten worden. Zoals in bijlage 5 is toegelicht is echter per
1 juli 2014 het Besluit servicekosten gewijzigd vanwege de wet tot wijziging van Boek 7 van het
BW in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de werkwijze van de
huurcommissie. Door deze nieuwe wetgeving wordt de levering van warmte als het ware uit het
‘domein’ van de servicekosten gehaald en als kosten van warmtelevering gezien. Met de
zienswijze van het ministerie van BZK en de wijziging die EZ voorbereidt op de interpretatie van
de Warmtewet, is de levering van warmte (inclusief de bemetering t.b.v. het individuele
huishouden) feitelijk een zaak van de Warmtewet. Alleen de levering en bemetering van de
gemeenschappelijke ruimten is nog een zaak voor de servicekosten en valt zelfs niet onder het
nieuwe onderdeel levering van nutsvoorzieningen in het Ontwerpbesluit Bsk. De kans dat de
wettelijke taak van de Huurcommissie weer wordt uitgebreid, is zeer gering en, zoals het eruit
ziet, politiek niet haalbaar. Daarbij kost het hoe dan ook teveel tijd gelet op de geschillen die al
vragen om een uitspraak. Voor corporaties speelt daarnaast nog mee dat de Huurcommissie ook
uitspraken zou moeten kunnen doen voor de geliberaliseerde huurders en voor huurders en
eigenaar-bewoners die geleverd krijgen door een energie BV van de corporatie. Die kans is zo
mogelijk nog kleiner.
3. Geschillencommissie energie
De huidige Geschillencommissie energie heeft voor corporaties twee nadelen, namelijk de
Algemene voorwaarden die overgenomen zouden moeten worden en de kosten. De
Algemene voorwaarden zijn vastgesteld onder toezicht van de SER met de
Consumentenbond als vertegenwoordiger van de afnemers. De leveranciers zijn vooral de
grote energiebedrijven. De kans dat Aedes en de Woonbond hierop nog veel invloed uit
28
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
kunnen oefenen is gering. De jaarlijkse deelnamekosten en de
geschilkosten voor de leverancier liggen beiden op ongeveer
1.200 euro exclusief BTW. De Geschillencommissie zelf is ook geen voorstander van
uitbreiding van de Geschillencommissie energie met woningcorporaties. Argumenten zijn
het draagvlak naar energiebedrijven en corporaties en het gebrek aan betrokkenheid vanuit
de huurders. Op dit moment is de toegang voor corporaties naar deze geschillencommissie
niet mogelijk.
4. ACM
De ACM houdt toezicht op de warmtemarkt en kan bij discussies over het
warmtekostenverdeelsysteem worden benaderd conform de Warmtewet in artikel 8a lid 8
ingeschakeld worden. De ACM fungeert echter niet als de in de wet genoemde
geschillencommissie.
5. Branche-geschillencommissie
Het voordeel van een nieuwe branche-geschillencommissie (BGC) is dat de Algemene
voorwaarden voor levering tweezijdig kunnen worden vastgesteld door Aedes en de Woonbond.
Dat geeft ook meer en betere mogelijkheden om deze toe te snijden op sectorspecifieke
omstandigheden. Deze BGC zou dan moeten functioneren onder dezelfde Stichting
Geschillencommissie waar ook de Geschillencommissie energie van de energiesector onder valt.
Daarnaast heeft de aansluiting bij de Stichting Geschillencommissie het voordeel dat voldaan
wordt aan Europese regelgeving die op het gebied van geschillenregeling gaat gelden. Het
nadeel is dat de kosten, hoewel lager dan bij de Geschillencommissie energie, licht hoger zullen
zijn dan bij de Huurcommissie. Dit komt vooral omdat de Stichting Geschillencommissie alle
kosten moet dekken, waar de Huurcommissie hoofdzakelijk wordt bekostigd door de
rijksoverheid.
Gelet op bovenstaande heeft Aedes besloten om in overleg met de Woonbond te komen tot een
branche-geschillencommissie. De BGC kan dan voor alle geschillen rond warmtelevering voor
corporaties dienen, ook voor geschillen bij energie BV’s van corporaties. Belangrijk element van
de branchegeschillencommissie is dat lidmaatschap verplicht is voor de leden (corporaties) die
warmte leveren. Vanwege deze verplichting is een verenigingsbesluit noodzakelijk. Dit wordt
geagendeerd voor het Aedes-congres van november 2014.
In overleg met de Woonbond worden parallel de Algemene voorwaarden opgesteld. Zie
daarvoor ook hoofdstuk 6.
7.2 Compensatie bij storing
Nieuw voor corporaties is dat zij bij langdurige en ernstige storing aan het warmtenet een
compensatie aan de klanten moeten betalen. Als de storing meer dan vier, maar minder dan
acht uur duurt, is de compensatie 35 euro per aansluiting. Daarna bedraagt de compensatie 20
euro per periode van vier uur. De eerste dag storing van 24 uur kost dus 115 euro. Dat kan
behoorlijk oplopen en is onevenredig zwaar voor corporaties, omdat de omvang van een storing
snel relatief groot kan zijn ten opzichte van het totaal aantal woningen dat de corporatie bezit.
Dat ligt voor een storing in het landelijk energienet anders.
De corporatie loopt met deze nieuwe verplichting grote (financiële) risico’s. Om de risico’s
beheersbaar te houden zijn specifiek bepalingen opgenomen in de leveringsovereenkomsten
met bijlagen. Verder doet de corporatie er goed aan om in de overeenkomsten met
warmteleveranciers, zoals bij doorlevering van stadsverwarming, deze compensatieregelingen
te verleggen naar de warmteleverancier. Bij gemeenschappelijke installaties is het aan te raden
29
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
de service- en storingsafspraken met de installateur aan te
scherpen, zodat (ernstige) storingen doorgaans binnen vier uur zijn
verholpen.
Knelpunten compensatieregeling
Aedes heeft ten behoeve van het stakeholdersoverleg op het ministerie van EZ de praktische
knelpunten naar voren gebracht, waarbij de compensatieregeling uitgebreid aan de orde is
gesteld. In de afgelopen maanden zijn meerdere corporaties getroffen door uitval van de
installaties, vaak in delen van het warmtenet of bij voorbeeld door lekkages. Of op momenten
dat er eigenlijk niet gestookt hoefde te worden. Naar aanleiding van deze bezwaren, ook van
andere partijen, kondigde de minister in zijn brief van 7 juli 2014 aan dat de ACM komt met een
Beleidsregel om duidelijk te maken wanneer compensatie verplicht is (wanneer de teller gaat
lopen).
Bij VvE’s was het meest duidelijk dat bewoner-eigenaren eigenlijk hun eigen
compensatievergoeding moesten ophoesten. Maar als er nog tariefruimte is, is het ook denkbaar
dat andere leveranciers, waaronder corporaties, reservering in het tarief opnemen om een
eventuele compensatie uit te kunnen betalen. De ACM heeft eerder gesteld dat leveranciers in
hun tarief rekening moeten houden met storingscompensatie. Het is naar onze mening gewenst
dat de Beleidsregel zich richt op de formulering uit de wet zelf, die spreekt van ernstige storing.
Naar onze mening zou dit zich vooral moeten richten op een storing van de
verwarmingsinstallatie zelf waar de leverancier invloed op heeft. In de Handreiking 1.0 was om
die reden al opgenomen in het model van de algemene voorwaarden dat buiten het
stookseizoen en bij overmacht door uitval in het elektriciteits- of gasnet geen sprake was van
compensatie. De Beleidsregel zal straks onderdeel uitmaken van de Algemene voorwaarden die
door de Branche-geschillencommissie wordt gehanteerd.
7.3 Afsluitbeleid
Ook nieuw is de bepaling dat een exploitant van een warmtenet niet zomaar een klant af mag
sluiten. In de periode van 1 oktober tot 1 april mag de klant of huurder zelfs helemaal niet
worden afgesloten, behoudens zeer ernstige redenen. In de Warmteregeling zijn deze eisen
uitgewerkt.
30
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
8
Informatie voor vergunninghouders
In beginsel heeft een warmteleverancier een vergunning nodig, net als een elektriciteit- en
gasleverancier. Voor kleine netten en voor corporaties die warmte leveren aan hun huurders, is
echter een vrijstelling opgenomen in de wet. Voor de meeste corporaties is hiermee de
vergunning niet nodig. Er zijn nog wel vragen over de interpretatie rond de levering door
Energie BV’s.
In artikel 9 van de Warmtewet is opgenomen onder welke condities een leverancier vrijstelling
heeft voor de vergunning:
a)
de leverancier levert aan niet meer dan 10 verbruikers tegelijk;
b)
de leverancier levert niet meer warmte dan 10.000 GJ (equivalent met 200-300
woningen);
c)
de leverancier is verhuurder of eigenaar van het gebouw waaraan de warmte wordt
geleverd.
Volgens het verslag van de parlementaire behandeling is voldoen aan één van deze criteria
voldoende. De definitie van verhuurder in de wet spreekt over de toegelaten instelling
(corporatie), dan wel de eigenaar van tenminste 25 voor verhuur bestemde woongelegenheden
of degene die door de eigenaar gevolmachtigd is namens hem op te treden. De gevolmachtigde
is later toegevoegd, zodat er ook geen vergunning nodig is als een corporatie het beheer van
een complex voor een andere corporatie uitvoert.
De extra eisen aan de vergunninghouder betreft vooral een beoordeling van de leverancier op
organisatorische, financiële en technische kwaliteit. Bovendien moet de vergunninghouder
inzicht geven aan de ACM in prognoses van de warmtevraag en de manier waarop daarin wordt
voorzien. Ook juridische structuur, offertes en overeenkomsten worden beoordeeld. Daarnaast
moet een jaarrekening over de warmtelevering worden gemaakt met een uitgebreidere
specificatie dan van een niet-vergunninghouder wordt gevraagd.
Overweging: als door één warmtenet binnen een totaal van netten een leverancier niet voldoet
aan de vrijstellingscriteria, kan de corporatie overwegen de warmtelevering aan dat net onder
te brengen in een Energie BV. Risicobeheersing maakt deze keuze ook aantrekkelijk.
31
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
9
Aanvullende informatie
9.1 BTW
Na de publicatie van de Handreiking 1.0 ontving Aedes regelmatig vragen over de
consequenties van de Warmtewet voor de verplichtingen van de corporatie ten aanzien van de
omzetbelasting. Op zich zegt de Warmtewet niets over voor de BTW (behalve dan dat de Niet
meer dan anders prijs inclusief BTW is) en is het ook niet de intentie van de wetgever om in te
grijpen in de huidige BTW-behandeling.
In die zin blijft de BTW-afrekening zoals voorheen. De Belastingdienst is van mening dat
warmte die de corporatie levert, ook al is het in de hoedanigheid van leverancier, valt onder
dezelfde verplichting als de overige activiteiten van de corporatie (‘gaat op in de verhuur’). Deze
levering is dan (vanwege de veelal BTW-vrijgestelde verhuur) niet belast door BTW en de
betaalde BTW kan niet verrekend worden. De corporatie dient hiermee rekening te houden.
Mogelijk kan sprake zijn van een terugbetaling van BTW als deze eerder is geclaimd. Voor
energie BV’s kan afhankelijk van de situatie de levering BTW-belast en de BTW op de
investeringen verrekenbaar zijn, tenzij de BV een fiscale eenheid vormt met de corporatie.
Kortom: op grond van de Warmtewet blijft de benadering van de BTW hetzelfde.
Het BTW-dossier voor corporaties is echter aanzienlijk uitgebreider en complexer dan alleen de
levering van warmte. Op dit moment kan er voor alle diensten die de corporatie levert geen
verwijzing worden gemaakt naar een set van algemeen geldende regels. Op verzoek van Aedes
komt er wel binnenkort een Q&A van de Belastingdienst, waarmee corporaties zelf hun afweging
kunnen maken. Deze informatie voor corporaties verschijnt naar verwachting eind 2014 op
Aedes.nl.
9.2 Onrendabele installaties
Het is mogelijk en denkbaar dat zelfs met het in rekening brengen van de maximumprijs een
(blokverwarmings)installatie niet rendabel is. Dit exploitatieverlies is voor de warmteleverancier
(de corporatie). Een negatieve exploitatie kan de volgende oorzaken hebben:
 Slecht rendement ketel. Dit zal zich vooral bij oudere ketels voordoen. Hierover was de
parlementaire behandeling duidelijk: het slechte rendement van deze ketel mag niet op
de afnemers worden afgewenteld. Het vervangen van de ketel is een voor de hand
liggende optie.
 Te dure inkoop gas en elektriciteit. Dit spreekt voor zich en is op te lossen door goed
zelf in te kopen of aan te sluiten bij een sterk collectief met een aantrekkelijk aanbod.
Hetzelfde kan gelden bij doorlevering van stadswarmte, zeker als hier sprake is van
contracten met een lange doorlooptijd.
 Hoog leidingverlies in terrein. De geleverde GJ’s moeten hier volgens EZ en de ACM
worden gecorrigeerd, dus is isoleren van de leidingen een optie. De aantrekkelijkheid
hangt af van de situering van de leidingen en de bereikbaarheid.
 Niet goed ingeregeld systeem. Vaak komt het voor dat op basis van klachten wordt
gestuurd op de installatie. Als een bewoner klaagt dat het niet warm wordt, zet de
leverancier de stooklijn omhoog. Dit leidt uiteraard tot meer stookkosten, vaak ook
omdat andere woningen relatief te warm worden door deze aanpassing. De oorzaak ligt
dan aan een slecht ingeregelde installatie, zie ook het volgende punt
 Te lang doorstoken buiten echte stookseizoen. Dit lijkt op het vorige, maar betekent
vooral dat er meer gestookt wordt als de ketel niet optimaal rendeert, namelijk in vooren naseizoen bij een kleine warmtevraag. Het rendement van de ketel is dan minder
gunstig. Het oplossen hiervan vereist zorgvuldige communicatie met de bewoner over
welk comfort zij willen en waarvoor zij willen betalen.
32
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)

Slecht ingeregelde installaties. Hiermee wordt onder ander
bedoeld dat installaties niet in balans zijn en dat over
sommige radiatoren veel meer water wordt gestuurd dan over andere. Dit komt door
wat genoemd wordt het niet waterzijdig inregelen. Door waterzijdig inregelen wordt de
installatie uitgebreid met een drukregeling. Daardoor wordt de hoeveelheid water die
door het systeem gaat beperkt als er bijvoorbeeld veel radiatoren dicht zijn gezet. Vaak
krijgen echter de radiatoren vlak achter de ketel het meeste warmwater, terwijl aan het
eind van de stijgleiding er nauwelijks meer druk is en de meeste warmte al uit het water
is verdwenen. Waterzijdig inregelen heeft een aantal voordelen:
o Alle radiatoren krijgen in principe dezelfde warmte toegevoerd.
o Er is minder verlies in de stijgleidingen.
o De leidingen achter de ketel geven geen geluidhinder, ze ‘ruisen’ niet meer.
o Er is minder elektriciteit nodig voor de pompen, deze hoeven minder hard te
werken.
o Er zijn geen stooklijnaanpassingen meer nodig.
Waterzijdig inregelen is helaas in onbruik geraakt, omdat degene die investeert in een goede
inregeling niet profiteert. Dat verandert nu door de Warmtewet. Uit de praktijk blijkt dat als
bijvoorbeeld radiatorkranen worden vervangen, de meerinvestering voor de waterzijdige
regeling binnen een jaar is terugverdiend.
Uit recent onderzoek van Danfoss, zie onderstaande figuur, blijkt dat niet waterzijdig inregelen
ook grote afwijkingen kan geven op de uitlezingen van de warmtekostenverdelers. Met name als
er relatief weinig water door de radiator stroomt kan de uitlezing fors afwijken van de werkelijke
warmteafgifte. Deze afwijkingen zijn het grootst bij de radiatoren aan het eind van een
stijgleiding, bij voorbeeld woningen onder het dak. Hier stroomt vaak minder warm water door
de radiator, waardoor de radiator niet of in mindere mate over het totale oppervlak warm
wordt.
33
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
9.3 Norm voor warmtekostenverdeling
Sinds 1998 wordt voor warmtekostenverdeling gebruikt gemaakt van de Nederlandse normen
NEN 7440 en NPR 7441. Met de komst van de Warmtewet zijn deze normen aan vernieuwing
toe. Deze normen bepalen de toedeling van de kosten van de totale energielevering aan de
afzonderlijke wooneenheden. Door de komst van de Warmtewet moeten de normen zich
beperken tot de verdeling van de warmte over de wooneenheden. Deze aanpassing van de
norm start in september 2014. De norm is van belang, omdat daar ook de toepassing van de
correctiefactoren wordt beschreven.
34
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
Bijlagen
35
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
BIJLAGE 5
Wijzigingen in de wetgeving m.b.t. huurcommissie en
servicekosten
Het ministerie van BZK ziet warmtelevering die valt onder de Warmtewet als de levering vanuit
de rol als leverancier. Ook als die leverancier een corporatie is vindt de levering vanuit die rol
plaats en niet vanuit de rol van verhuurder.
Daarnaast is op 1 juli 2014 door het Koninklijk Besluit van 25 juni 2014 een aantal wijzigingen
met betrekking tot de werkwijze van de huurcommissie en de servicekosten van kracht
geworden. Het betreft:
 De wet van 4 juni 2014 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
 De Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte in verband met de modernisering en
vereenvoudiging van de werkwijze van de huurcommissie (Staatsblad 205) (Uhw).
 Het besluit van 17 juni 2014 tot wijziging van het Besluit servicekosten (Bsk).
 Het Beluit huurprijzen woonruimte in verband met de modernisering en vereenvoudiging
van de werkwijze van de huurcommissie (Bhw).
Essentie van deze wijzigingen, in het perspectief van de Warmtewet, is dat de levering van
warmte nauwelijks meer wordt genoemd in beschrijving van de servicekosten. In de
toelichtingen op de wijzigen wordt echter helemaal niet ingegaan op de achtergronden hiervan
en de relatie tot de Warmtewet. Deze verandering is vooral van belang voor de
blokverwarmingssituaties, waar via een warmtekostenverdeelsysteem wordt afgerekend.
In de nieuwe regelgeving is alleen nog maar sprake van:
1. Kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter.
2. Servicekosten.
Onder Kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter wordt verstaan de vergoeding
in verband met de levering van elektriciteit, gas en water voor het verbruik in het
woonruimtegedeelte van het gehuurde op basis van een zich in dat gedeelte bevindende
individuele meter. Voor deze kosten gaat de beoordeling over de redelijkheid van het voorschot
en de juistheid van de jaarlijkse afrekening, in overeenstemming met wettelijke voorschriften
en of het als een redelijke vergoeding kan worden beschouwd voor de geleverde zaken en
diensten. Strikt genomen wordt hier warmtelevering niet genoemd. Het ligt echter in de rede,
dat zelfs al zou hier warm water ten behoeve van verwarming kunnen betreffen, het alleen gaat
om de warmtekostenafrekening in relatie tot de voorschriften van de Warmtewet.
Onder Servicekosten wordt verstaan de vergoeding voor de overige zaken en diensten die
geleverd worden in verband met de bewoning van de woonruimte. In het Bsk staat dit
vervolgens in de bijlage uitgewerkt als de kosten voor warmtevoorzieningen, namelijk de
levering van elektriciteit, gas, olie en verwarmd water, dan wel een andere vorm van energie
voor het verwarmen van de gemeenschappelijke gedeelten. Alsmede het gebruik en het
aflezen van warmtemeters en verbruiksmeters van de gemeenschappelijke gedeelten. Ook de
levering van elektriciteit, gas etc. voor gemeenschappelijke gedeelten kan nog steeds als
servicekosten worden aangemerkt.
In de huurwetgeving wordt dus onder servicekosten alleen nog de kosten verstaan die te maken
hebben met de verwarming van gemeenschappelijke gedeelten of ruimten. De kosten voor
warmtelevering aan de woonruimten wordt niet meer expliciet genoemd en zelfs als dat wel het
geval zal zijn, zal het ook hier hooguit om de bevoorschotting gaan en de toets aan de
36
Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0)
wettelijke voorschriften, dus de Warmtewet. De bemetering ten
behoeve van de individuele woonruimten (bv. kostenverdeelmeters)
wordt verder niet meer genoemd. Dit is dus, met ingang van 1 juli 2014) een forse wijziging ten
opzichte van de zienswijze in de versie 1.0 van de Handreiking waar de kosten van het
warmtekostenverdeelsysteem als servicekosten werden gezien, temeer omdat de Warmtewet
daar toen geen soelaas voor bood. Met de zienswijze dat warmtelevering een zaak van
leverancier-verbruiker is en de in de brief van de minister van EZ aankomende wijzigingen van
de Warmtewet, worden de kosten van de verbruiksmeters gezien als gebruikskosten van de
warmtelevering. Met deze wijziging wordt de doorberekening van de
warmtekostenverdeelsystemen dus verschoven van servicekosten naar kosten behorende bij de
warmtekosten.
Hiermee levert de afrekening van de warmtekosten het volgende beeld op voor de
blokverwarming:
1
Vastrecht
2
Kosten per toegerekende of gemeten
GJ voor de woonruimte
Meting in GJ per individuele
woonruimte
Meting via warmtekostenverdelers
t.b.v. woonruimten
Kostenverdeelsysteem t.b.v.
woonruimten
Kosten collectieve GJ-meter
3
4
5
6
7
8
Kosten warmtelevering
gemeenschappelijke gedeelten
Kosten gebruik en aflezing
warmtemeters en verbruiksmeters
gemeenschappelijke gedeelten
In rekening te brengen als:
Vaste kosten warmtelevering o.b.v. Warmtewet
(artikel 5, lid 2a)
Gebruiksafhankelijke kosten o.b.v. Warmtewet
(artikel 5, lid 2b)
Meetkosten o.b.v. Warmtewet (artikel 2, lid 3c)
Gebruikskosten o.b.v. Warmtewet (brief minister
EZ 07072014), redelijke kosten
Gebruikskosten o.b.v. Warmtewet (artikel 8a, lid
4 Warmtewet)
Gebruikskosten o.b.v. Warmtewet (brief minister
EZ 07072014), redelijke kosten
Servicekosten Warmtevoorzieningen (artikel 1,
lid a Bijlage bij artikel 1 Bsk)
Servicekosten Warmtevoorzieningen (artikel 1,
lid b Bijlage bij artikel 1 Bsk)
Doordat de invoering van de Warmtewet en de wijziging van de servicekosten langs
afzonderlijke paden is verlopen, lopen de perioden niet synchroon. Vanaf 1 juli 2014 zijn de
wijzigingen in het huurrecht ingegaan, de Warmtewet daarentegen per 1 januari 2014. Omdat
de essentiële wijziging het veranderen van de relatie verhuurder(corporatie)-huurder in een
relatie leverancier-verbruiker is, geldt bovenstaand overzicht feitelijk voor het hele jaar 2014.
Overweging: In het belang van de huurders is het transparant communiceren van de afrekening
erg belangrijk. Dit pleit ervoor, ondanks de niet aansluitende regelgeving, voor heel 2014 de
interpretatie in bovenstaand schema te hanteren. In ieder geval als de afrekening gelijk loopt
met het kalenderjaar.
37