EUROPESE UNIE: DEMOCRATISCH EXPERIMENT

NEDERLANDS JURISTENBLAD
EUROPESE UNIE:
DEMOCRATISCH
EXPERIMENT
ž Beperkingen van forensisch
psychiatrische rapportages
ž Vragen aan Kluwer
ž Mishandeling door de politie
ž Caribisch voorbeeld
P. 892-974 JAARGANG 89 11 APRIL 2014
10304666
14
Ingezonden Mededeling
Bestuursrecht. Dé specialisten.
ďĞǀĞƐƟŐƚĞdžƉĞƌƟƐĞ
Op deze plaats een overzicht van advocaten en
partners/kantoren die gespecialiseerd zijn in bestuursrecht.
/ŶĨŽƌŵĂƟĞ͗ĂƉŝƚĂůDĞĚŝĂ^ĞƌǀŝĐĞƐϬϮϰͲϯϲϬϳϳϭϬ
Dudink & Starink Advocaten
ǁǁǁ͘ĚƵĚŝŶŬƐƚĂƌŝŶŬ͘ŶůͲĞǀĞƌǁŝũŬͲϬϮϱϭϮϮϰϲϰϲ
Mr. Hein Dudink, advocaat/partner
Oplossingsgericht, bevlogen, betrokken
en in heldere taal communicerend.
sŽŽƌnjŝũŶĐůŝģŶƚĞŶ͕ƉĂƌƟĐƵůŝĞƌĞŶĞŶ
ŽŶĚĞƌŶĞŵĞƌƐ͕ϮϰͬϳďĞƌĞŝŬďĂĂƌ͘
[email protected]
Bruinsma Advocaten
ǁǁǁ͘ďƌƵŝŶƐŵĂĂĚǀŽĐĂƚĞŶ͘ŶůͲ>ĞŵŵĞƌͲϬϱϭϰϱϲϯϳϳϬ
Mr. Bert de Haan, advocaat
^ůĂŐǀĂĂƌĚŝŐĞĞŶƉƌĂŬƟƐĐŚŝŶŐĞƐƚĞůĚĞ
advocaat met zeer ruime ervaring in het
bestuursrecht. Weet uit professionele
ervaring hoe overheden werken en zet
deze kennis in voor cliënten.
Lexington advocaten
ǁǁǁ͘ůĞdžĂĚǀ͘ŶůͲ,ŽŽĨĚĚŽƌƉͲϬϮϯϱϲϰϯϮϮϳ
Mr. Wim Roelink, advocaat
Wim adviseert ondernemers, maar ook
ƉĂƌƟĐƵůŝĞƌĞŶ͕ŽƉǀĞƌƐĐŚŝůůĞŶĚĞƌĞĐŚƚƐͲ
gebieden en hoewel zijn beroepshouding
erop gericht is procedures zoveel mogelijk
te voorkomen, beschikt hij over zeer
ƌƵŝŵĞĞƌǀĂƌŝŶŐŝŶĚĞƉƌŽĐĞƐƉƌĂŬƟũŬ͘
Rotterdam
Bos van der Burg Advocaten
ǁǁǁ͘ďŽƐǀĂŶĚĞƌďƵƌŐ͘ŶůͲŽĞƚĞƌŵĞĞƌͲϬϲϯϳϯϱϱϵϴϰ
Mr. drs. Marleen Schulte, advocaat
Gespecialiseerd in het omgevingsrecht,
algemeen bestuursrecht en vastgoed. Zij
adviseert en procedeert over bestemmingsplannen, milieurecht, planschade en vastgoed, voor ondernemers en overheden.
ĞŶƉƌĂŐŵĂƟƐĐŚĞĞŶŽƉůŽƐƐŝŶŐƐŐĞƌŝĐŚƚĞ
aanpak - voor een transparant tarief.
Boudesteijn Advocatuur
ǁǁǁ͘ďŽƵĚĞƐƚĞŝũŶĂĚǀŽĐĂƚƵƵƌ͘ŶůͲZŽƩĞƌĚĂŵͲϬϲϯϬϯϴϰϲϰϴ
Mr. Maartje Boudesteijn, advocaat
Maartje is gespecialiseerd in bestuurs- en
vastgoedrecht en treedt met name op
ǀŽŽƌƉĂƌƟũĞŶŝŶĚĞnjĂŬĞůŝũŬĞŵĂƌŬƚ͘,ĂĂƌ
dienstverlening is snel, persoonlijk en
betrokken.
Direct naar kantoor/specialist?
Bezoek www.mr-online.nl/specialisme
Inhoud
893
Prof. mr. P.J. Wattel
Nog vragen?
Essay 720
894
902
909
910
911
Prof. mr. D.J.G. Visser e.a.
Een paar vragen aan Kluwer
Antwoord 725
726-754 Rechtspraak
755 Boeken
756-767 Tijdschriften
768-782 Wetgeving
783-787 Nieuws
788 Universitair nieuws
789 Personalia
790 Agenda
psychiatrische rapportages
ž Vragen aan Kluwer
ž Mishandeling door de politie
ž Caribisch voorbeeld
P. 892-974 JAARGANG 89 11 APRIL 2014
14
Pagina 893
De EU probeert de klassieke
TEGENSTELLING tussen
bondsstaat en statenbond te
boven te komen door de
BEGINSELEN van
DEMOCRATIE en rechtsstaat
toe te passen op een
INTERNATIONALE
ORGANISATIE Pagina 894
914
Frank Vrancken Peeters
Reactie Kluwer
Rubrieken
ž Beperkingen van forensisch
tijdens GEBED, maar om
tijdens het ROKEN”
Mr. drs. L.A. van Montfoort
Caribisch Nederland of
Nederland Caribisch?
Vragen 724
helemaal NIET VRAGEN
te mogen BIDDEN
Mr. S.M. Diekstra
Hof: politie niet verplicht
om op te treden bij
mishandeling
Opinie 723
EUROPESE UNIE:
DEMOCRATISCH
EXPERIMENT
om te mogen ROKEN
Prof. dr. A.J.M. Loonen
Dr. P.J.A. van Panhuis
Prof. dr. R.W.J. Meester
Belangrijke beperkingen
van de gerechtelijke
onderzoekmethode
Opinie 722
NEDERLANDS JURISTENBLAD
“Maar je MOET ook
Mr. J.A. Hoeksma
De EU als democratisch
experiment
Focus 721
De Jezuïet antwoordt:
916
945
946
955
966
971
972
973
10304666
Vooraf 719
De RECHTER moet op basis
van soms PREMATURE
INFORMATIE in het vonnis
een KEUZE maken voor een
traject met DETENTIE dan
wel voor een traject met
behandeling in TBS
Pagina 902
De UITSPRAAK VAN HET
HOF betekent de facto dat de
BURGER VOGELVRIJ wordt
verklaard
De VRAAG aan KLUWER is
om aan deze PRAKTIJK een
EINDE te maken
Pagina 911
WIJ ZIJN als commercieel
bedrijf GECOMMITTEERD
om op een maatschappelijk
VERANTWOORDELIJKE
manier ONZE ROL te spelen
Pagina 914
Naarmate de UITOEFENING
van overheidsmacht MINDER
aanspreekbaar en controleerbaar
is, zal de LEGITIMERING
daarvan STERKER afhankelijk
zijn van het RECHTERLIJK
TOEZICHT
Pagina 966
Pagina 909
Doe HET op zijn CARIBISCH
Pagina 910
Omslag: Europa Munzer © Mary Evans
Picture Library / Alamy
Dit beleid is NIET uit te leggen:
aan de VOORDEUR wordt de
verkoop van CANNABIS
gedoogd, terwijl aan de
ACHTERDEUR de aanvoer
wordt bestreden
Pagina 970
NEDERLANDS JURISTENBLAD
Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven
toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging
vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de vol-
Erevoorzitter J.M. Polak
t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
ledige periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie
Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion,
Logo Artikelen met dit logo zijn door externe peer
maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnements-
Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins (vz.), Taru Spronken,
reviewers beoordeeld.
jaar worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het
Peter J. Wattel
Citeerwijze NJB 2014/[publicatienr.], [afl.], [pag.]
abonnement automatisch met een jaar verlengd.
Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialeze-
Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,
Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens
kerheidsrecht), Stefaan Van den Bogaert, Europees recht,
Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,
van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonne-
Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen-
tel. (0172) 466399, e-mail [email protected]
ments-)overeenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer,
beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en
Internet www.njb.nl en www.kluwer.nl
of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te
rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,
Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman
informeren over relevante producten en diensten. Indien u
Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder,
Adjunct-secretaris Berber Goris
hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen.
bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en
Secretariaat Nel Andrea-Lemmers
Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél
jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens,
Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, www.colorscan.nl.
Capital Media Services
Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechtspleging,
Uitgever Simon van der Linde
Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen
Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechts-
Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.
Tel. 024 - 360 77 10, [email protected]
sociologie, P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht,
Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leverings-
ISSN 0165-0483 NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en
C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen,
voorwaarden van toepassing, zie www.kluwer.nl.
augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van
straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemings-
Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer
deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de
recht, Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel,
Afdeling Klantcontacten, www.kluwer.nl/klantenservice,
auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijk-
arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der
tel. (0570) 673 555.
heid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch
intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht,
Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: € 310 (incl. btw.).
voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën
Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai,
NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.
uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m
verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht,
btw), extra gebruiker € 100 (excl. btw). Combinatieabon-
16m Auteurswet j°. Besluit van 29 december 2008, Stb.
Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom,
nement: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.
2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde
Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling,
btw). Prijs ieder volgende gebruiker € 100 (excl. btw). Bij
vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te
mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht,
dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u
Hoofddorp (Postbus 3051, 2130 KB).
Willem J. Witteveen, staatsrecht
toegang tot NJB Online. Zie voor details: www.njb.nl (bij
abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers
Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op
€ 7,50. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment
verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert
worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar
Vooraf
719
Nog vragen?
14
Er is een - wellicht apocrief - verhaal over een
bezoek van een delegatie nationale rechters aan
het Hof van Justitie van de EU. Tijdens de
ontmoeting vraagt de voorzitter van het HvJ-ontvangstcomité de bezoekende nationale rechters wat hun beleid
is ter zake van al dan niet verwijzen van prejudiciële
vragen naar het HvJ EU. Na enige gefluisterde ruggenspraak antwoordt de voorzitter van de nationale delegatie
dat zij in beginsel alleen vragen aan het HvJ EU stellen
waarop zij het antwoord weten. Op de verbaasde vraag
van het HvJ-comité naar de ratio van dat beleid, volgt
weer enig onderling gefluister, waarna de nationale voorzitter aarzelend antwoordt: “Maar als wij zelf het antwoord niet weten, hoe zou u het dan moeten weten?”
Sommige nationale rechters houden het simpel: zij
stellen gewoon geen vragen. Dat kan allerlei redenen hebben, zoals: geen zin in pottenkijkers, duurt te lang, zelf
beter weten; niet vertrouwd met of argwanend tegenover
EU-recht; niet voor joker willen staan; etc. En in sommige
landen wellicht ook: niet je baan of je promotie op het
spel willen zetten. Er zijn lidstaten waar, afhankelijk van
het rechtsgebied, nauwelijks of geen prejudiciële vragen
uit komen, hoewel het niet aannemelijk is dat die landen
Europeesrechtelijk de kat geheel en al in het bakkie hebben. In sommige andere lidstaten gebruiken lagere rechters, omgekeerd, de prejudiciële procedure wel eens om
hun eigen hoogste rechter te passeren, hetgeen het HvJEU
ook graag gehandhaafd ziet, want veel vernieuwing komt
van de werkvloer, en hoogste rechters, hoewel als enigen
verwijzingsplichtig, hebben wel eens de neiging het beter
te weten. Constitutionele rechters hebben lange tijd überhaupt geen vragen gesteld. Het Italiaanse Corte Costituzionale deed dat pas voor het eerst in de zaak C-169/08
Regione Sardegna, en het Duitse BundesVerfassungsGericht pas zeer onlangs, in de Verfassungsbeschwerdezaak C-62/14, Gauweiler e.a., over de vraag of de Europese
Centrale Bank wel bevoegd is tot outright monetary transactions (OMT: indirecte opkoop van staatsobligaties van
Eurolanden in problemen) als die nodig zijn om de Euro
te redden (ECB-president Draghi: “Believe me; it will be
enough”). Het BVerfG zegt er bij dat volgens hem de ECB
daartoe niet bevoegd is, maar juist door er een prejudiciële vraag over te stellen, heeft het BVerfG de politieke angel
uit de kwestie gehaald: het HvJ EU gaat minstens twee
jaar over het antwoord doen,1 en tegen die tijd is de Euro
nog minder in gevaar dan nu (juist als gevolg van Draghi’s
uitspraken heeft het niet tot OMT hoeven komen), terwijl
het antwoord te voorspellen valt, waarna het BVerfG desgewenst nog een jaar kan delibereren over wat te doen
met dat antwoord.
Dat het soms lang duurt, kan dus ook een groot
(rechts)politiek voordeel zijn. Of een bureaucratisch voordeel. Ik vroeg eens aan een mijner medewerkers die een
concept-conclusie had geschreven in een hoogst onoverzichtelijke zaak of hij ook een voorstel tot prejudiciële vra-
Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf
gen had overwogen: na een verbouwereerde blik klaarde
zijn gezicht helemaal op: “natuurlijk! Waarom heb ik daar
niet aan gedacht! Dan zijn we twee jaar van die zaak af!”
Britse rechters, zeker belastingrechters in group litigations, hebben de neiging zeer gedetailleerde en technische
vragen te stellen, met vele subvragen en vertakkingen (“als
het antwoord op vraag 1c bevestigend is, maar dat op
vraag 3a ontkennend, hoe zit het dan met …?”), waar het
HvJ wel eens vrij algemene antwoorden op geeft, of die
door hem worden geherformuleerd (“wat de verwijzende
rechter in wezen wenst te vernemen, …”). Dat heeft in het
VK geleid tot de kennelijk running gag dat rechters die
prejudicieel willen verwijzen, dat als volgt moeten doen:
“Question 1: which question should I have asked?
Question 2: what is the answer to that question?
Question 3: would you be so kind as to also please
answer the following question: …..”
De voormalige advocaat-generaal bij het HvJ Sir
Francis Jacobs benadrukte op symposia dat veel afhangt
van de presentatie van de vraag. Hij deed dat met het
verhaal over de monnik die zich bij een Jezuïet beklaagt
dat zijn verzoek om te mogen roken tijdens gebed is afgewezen door de abt. De Jezuïet antwoordt: maar je moet
ook helemaal niet vragen om te mogen roken tijdens
gebed, maar om te mogen bidden tijdens het roken.
Blijkens zijn aanwijzingen voor prejudiciële vraagstelling juicht het HvJ toe dat verwijzende rechters een
concept-antwoord meesturen, zoals het BVerfG dus ook
deed in de OMT-zaak. Dat biedt mogelijkheden. Bijvoorbeeld een leading ja/neen question (“verzet het EU-recht
zich tegen ….?”), gevolgd door:
◊ ja
◊ neen
◊ geen mening
Die laatste box is overigens niet zo gek als misschien
lijkt. Aan te nemen valt dat het HvJ EU bij veel zaken, bijvoorbeeld (Britse) belastingzaken graag de bevoegdheid
zou hebben gehad om géén mening te hebben, dus om
net als het US Supreme Court onder diens certoriari systeem, een zaak niet in behandeling te hoeven nemen. Er
is een – wellicht eveneens apocrief – verhaal over één van
de brethren in dat Hof die een door zijn law clerk voorbereid dossier voorgelegd krijgt met het advies de zaak in
behandeling te nemen. Na even in het dossier gebladerd
te hebben, zegt de rechter tegen zijn law clerk: “But … but
… this is a tax case!” En hij slaat het dossier resoluut dicht.
“Denied!”
Peter Wattel
1. De gemiddelde doorlooptijd is gedaald naar anderhalf jaar, maar moeilijke zaken zoals
Kadi (plaatsing op de VN-terroristenlijst) en Cartesio (vennootschappelijke emigratie onder
een siège réèl-stelsel) duurden 30 tot 33 maanden.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
893
720
Essay
De EU als democratisch
experiment
Jaap Hoeksma1
Politici die de aard en het functioneren van de EU willen verklaren, dienen het statelijke paradigma van het
Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen te vervangen door het burgerlijke perspectief van democratie en rechtsstaat. Het oude debat over de vraag of de EU een staat moet worden of zich het best als statenbond
kan profileren, draagt niet bij aan het oplossen van de problemen waar de Unie nu voor staat. Het proces van
Europese integratie leidt van de constructie van een gemeenschappelijke markt via de invoering van het burgerschap van de EU tot de opkomst van een gemeenschappelijke democratie. Dit soort processen neemt tijd.
De democratisering van de EU is amper begonnen. De kritiek die door velen op het gebrekkige karakter van de
Europese democratie wordt uitgeoefend, kan worden onderschreven en aangevuld. De richting is echter
onmiskenbaar: from common market to common democracy.
Wat is de Europese Unie?
Het debat over de Europese integratie heeft van meet af
aan in het teken van de tegenstelling tussen bondsstaat
en statenbond gestaan. Volgens de heersende staatsleer
zijn er niet meer mogelijkheden. In de loop der jaren is
echter duidelijk geworden dat het Europese samenwerkingsverband tot geen van beide categorieën behoort. De
Europese Unie is geen statenbond omdat zij ook uit burgers bestaat. De EU kan evenmin als een staat worden
aangemerkt, aangezien de soevereiniteit in de Unie bij de
lidstaten ligt. De onzekerheid die uit deze begripsverwarring voortvloeit, belemmert de ontwikkeling van de EU en
vergroot de afstand tot de burgers. Deze twijfel is vooral
fnuikend voor de bereidheid van burgers om deel te
nemen aan het democratisch leven van de Unie. De verwachtingen omtrent de opkomst bij de verkiezingen voor
het Europese Parlement van mei a.s. mogen daarom niet
te hoog gespannen worden. De bedoeling van dit essay is
om in heldere woorden te zeggen wat de EU is en waar de
Unie naar toe gaat.
Bondsstaat of statenbond
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog waren veel burgers
en politici ervan overtuigd dat er een Europese federatie
naar het voorbeeld van de USA moest komen, een soort
Verenigde Staten van Europa. Vooraanstaande Nederlanders als Hendrik Brugmans en Max Kohnstamm meenden
dat er maar één les uit de steeds terugkerende oorlogen
geleerd kon worden. Als de Europeanen in de toekomst
nieuwe oorlogen wilden voorkomen, zouden de afzonderlijke landen moeten opgaan in één Europese staat. Europa
had in hun woorden een ‘federale roeping’.2 Deze mening
werd onderschreven door veel van de 800 afgevaardigden
894
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
die in mei 1948 naar Den Haag waren gekomen om het
Congres van Europa bij te wonen.
De Nederlandse minister-president Willem Drees die
in de jaren vijftig van de vorige eeuw vier regeringen leidde, was veel voorzichtiger. Hij zag het belang van Europese
eenwording wel, maar vond dat het doel ook door samenwerking tussen staten bereikt kon worden. De Franse president Charles de Gaulle prees deze vorm van samenwerking aan als ‘l’Europe des Patries’, het Europa van de
Vaderlanden. In deze visie die later ook door Lady Thatcher en Pim Fortuyn uitgedragen zou worden, konden de
Europese landen onderling afspraken maken zonder dat
daar een federale staat voor opgetuigd hoefde te worden.
De overtuiging dat Europa na de twee vernietigende
wereldoorlogen van de eerste helft van de twintigste eeuw
niet nog eens aan oorlog ten prooi mocht vallen, werd algemeen gedeeld. Het debat over de vraag of dat doel lag in de
vorming van een federale bondsstaat of van een confederale statenbond, leidde echter tot scherpe meningsverschillen. De keuze die volgens de bestaande theorie onontkoombaar was, had vergaande consequenties. Als het einddoel
van de samenwerking bestond in de oprichting van de Verenigde Staten van Europa, zouden de deelnemende landen
hun zelfstandigheid moeten opgeven. Ze zouden in dat
geval hun soevereiniteit overdragen aan de nieuwe Verenigde Staten. De prijs die dan voor het voorkomen van oorlogen betaald zou moeten worden, lag in het opgeven van de
nationale zelfstandigheid van de lidstaten.
Het Westfaalse stelsel van internationale
betrekkingen
De tegenstelling tussen (federale) staten en unies van staten (confederaties) gaat terug op de Vrede van Westfalen
uit 1648. Deze vrede staat in Nederland bekend als de Vrede van Münster, waarbij de onafhankelijkheid van de
Republiek der Verenigde Nederlanden na de tachtigjarige
oorlog tegen Spanje formeel werd erkend. De vredesonderhandelingen die vanaf 1646 werden gevoerd, hadden
eveneens ten doel de dertigjarige oorlog in Duitsland tot
een einde te brengen. Er waren veel staten bij die onderhandelingen betrokken en het geheel van afspraken dat
de rust in Duitsland herstelde, zou de geschiedenis ingaan
als de Vrede van Westfalen.
Oorlog was in de 17e en 18e eeuw in Europa een
regelmatig voorkomend verschijnsel. Vredesonderhandelingen waren net zo gewoon. De reden waarom de Vrede
van Westfalen een bijzondere plaats in de geschiedenis
inneemt, is dat door deze vrede ook de grondslag voor het
huidige systeem van internationale betrekkingen werd
gelegd. Het moderne stelsel vormde een reactie op de
Middeleeuwse verdeling van macht tussen de vorsten en
hun leenmannen. Tegelijkertijd bestonden er in de Mid-
In de Westfaalse benadering
heeft soevereiniteit een
binnenlandse en een
buitenlandse dimensie
deleeuwen voortdurend conflicten tussen de wereldlijke
en de geestelijke macht. De kerk had niet alleen een religieuze opdracht, maar mengde zich ook in de strijd om
aardse bezittingen. De opkomst van steden bracht nieuwe
complicaties in de machtsverhoudingen met zich mee. De
vraag wie waar de baas was en aan welke wetten de mensen zich moest houden, hing vaak van toevalligheden af.3
Het Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen dat op de vrede van 1648 gebaseerd is, maakte een
einde aan deze onzekerheid. Het wordt gekenmerkt door
het uitgangspunt dat soevereiniteit één en ondeelbaar is.
De staten die – zoals de Republiek der Verenigde Nederlanden – uit de oude keizerrijken voortkwamen, waren
soeverein. Zij hoefden geen hogere macht boven zich te
dulden, noch in wereldlijke noch in geestelijke zin. Binnen
een staat kon de soevereiniteit in de persoon van de vorst
liggen, zoals dat bij de Franse en Engelse koningen het
geval was, maar het was ook mogelijk dat de burgers de
soevereiniteit uitoefenden (Zwitserland, Nederland). Latere denkers legden de soevereiniteit bij het volk en spraken
van volkssoevereiniteit.4
In de Westfaalse benadering heeft soevereiniteit een
binnenlandse en een buitenlandse dimensie. Op het bin-
nenlandse vlak geldt dat een staat zelf bepaalt wat de
hoogste bron van recht is. In een democratische rechtsstaat is dat de grondwet; in andere politieke systemen kan
een religieus leider of een dictator de wet stellen. Het uitgangspunt van het Westfaalse stelsel is dat andere landen
zich niet met de inrichting en de politiek van een soevereine staat mogen bemoeien. Het beginsel van nietinmenging of non-interventie staat centraal.
In het buitenlands beleid gaan staten op voet van
gelijkheid met elkaar om. Soevereine staten kunnen diplomatieke betrekkingen met elkaar aanknopen. De samenwerking tussen staten wordt geregeld in verdragen. Verdragen hebben soms betrekking op een specifiek
onderwerp, zoals het bevaarbaar houden van een rivier,
maar soms ook op het geheel van de betrekkingen tussen
twee of meer landen. Als staten het niet met elkaar eens
kunnen worden, kan oorlog een gerechtvaardigd middel
van conflictoplossing vormen. Er moet een aanleiding
voor oorlog zijn of worden gevonden (casus belli) en de
oorlog moet volgens de regels worden verklaard.
Naar eeuwige vrede
In het Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen
vormt oorlog dus geen uitzonderingssituatie. Militaire conflictoplossing maakt er juist integraal onderdeel van uit. De
Pruisische generaal Von Clausewitz onderstreepte dat
beginsel in de negentiende eeuw met zijn spreuk dat oorlog de voortzetting van diplomatie met andere middelen
vormt. Immanuël Kant bestreed deze opvatting. Hij brak
zich als filosoof het hoofd over de vraag hoe het mogelijk
was dat de Europese staten die zich erop voor lieten staan
dat zij beschaafde naties waren, telkens weer tegen elkaar
ten strijde trokken. In een beknopte verhandeling die hij in
1796 onder de titel Zum ewigen Frieden publiceerde, vergeleek Kant het gedrag van de Europese staten met dat van
de zogenaamde wilden uit Amerika. Hij stelde vast dat de
laatsten heel wat menselijker met elkaar omgingen dan de
eersten en wierp de vraag op hoe staten het uitbreken van
nieuwe oorlogen kunnen voorkomen.5
Kant concludeerde dat staten die met elkaar willen
samenwerken om oorlog te voorkomen, in beginsel twee
mogelijkheden hebben. Zij kunnen afspreken om een
bond van vrije staten te vormen of ze kunnen opgaan in
een nieuwe staat en uiteindelijk zelfs in een wereldrepubliek. Omdat Kant er rekening mee hield dat een wereldrepubliek maar al te gauw zou kunnen verworden tot een
werelddictatuur, gaf hij zelf de voorkeur aan de oprichting
van een statenbond.
Kant heeft grote invloed uitgeoefend op de initiatieven die na de Tweede Wereldoorlog zijn ondernomen om
volgende generaties voor het uitbreken van nieuwe oorlogen te behoeden. De organisatie van de Verenigde Naties
is in hoge mate naar zijn denkbeelden ingericht. De opzet
van de VN is dat de lidstaten als soevereine landen afspraken met elkaar maken om politieke problemen zonder
Auteur
Verenigd Europa, Amsterdam 1998.
niet expliciet wordt opgevoerd als de drager
5. I. Kant, Zum Ewigen Frieden, Königsber-
1. Mr. J.A. Hoeksma is rechtsfilosoof
3. L.J.Brinkhorst, Europese unie en nationa-
van de nationale soevereiniteit. F.H. van der
gen 1796.
le soevereiniteit, Leiden 2008.
Burg en W.J.M, Voermans, Unierecht in de
Noten
4. Van der Burg en Voermans wijzen erop
Nederlandse rechtsorde, 4e druk, Deventer
2. A. van Heerikhuizen, Pioniers van een
dat het volk in de Nederlandse Grondwet
2012, p. 17.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
895
Essay
geweld op te lossen. De Raad van Europa die in 1949 in
het leven werd geroepen, is als organisatie van soevereine
staten nauw aan de VN verwant. Beide organisaties benadrukken het belang van de rechten van de mens en stellen grenzen aan het gedrag van staten. Door middel van
afzonderlijke verdragen wordt volkerenmoord verboden
en moeten vluchtelingen worden beschermd tegen
gedwongen terugkeer naar gebieden, waarin zij vervolgd
dreigen te worden. De volkenrechtelijke afspraken die in
het verband van de VN of de Raad van Europa werden
gemaakt, deden geen afbreuk aan het beginsel van de
staatssoevereiniteit. In de praktijk zou blijken dat nieuwe
896
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
oorlogen er ook niet door werden voorkomen. De uitgangspunten van het Westfaalse stelsel van internationale
betrekkingen bleven bij de inrichting van een nieuwe
wereldorde na de twee Europese burgeroorlogen dus grotendeels intact.6
Het testament van Huizinga
De Nederlandse historicus Johan Huizinga was een van de
Europese intellectuelen die er in de periode tussen de
twee wereldoorlogen van overtuigd raakten dat de absolute soevereiniteit van staten juist een van de oorzaken voor
het uitbreken van oorlogen vormde. Huizinga werd tij-
Uitoefening van soevereiniteit is pas legitiem als er ook adequate
democratische controle is, ongeacht de vraag of de soevereiniteit
op het nationale niveau of op dat van de Unie wordt uitgeoefend
dens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter
geïnterneerd in het Gelderse De Steeg. Hij schreef in ballingschap en bijna uit zijn hoofd een beschouwing over
‘de kansen op herstel van onze beschaving’. In dit boek dat
in 1945 onder de titel Geschonden wereld verscheen,
betoogt Huizinga dat er één ding moet verdwijnen als de
kans op een ordelijk statensysteem en een ongehinderd
bestaan van kleine staten ooit zal terugkeren. Hij
omschrijft dat ene ding als ‘de onbeperkte en volstrekte
nationale souvereiniteit’. Hij licht deze stelling met een
verwijzing naar Gulliver’s Reizen van Jonathan Swift als
volgt toe: ‘Het is een van de groote fouten van de vredemakers van 1919 geweest, dat zij, toen de gelegenheid om
de wereld te vernieuwen zich bood, niet hebben ingezien
dat de absolute nationale souvereiniteit uit den tijd was
geraakt. Het zal binnenkort niet meer mogelijk moeten
zijn, dat Lilliput zich militair tracht op te blazen tot Brobdingnag, maar ook niet, dat ergens ter wereld de Yahoos
aanspraken maken op de rechten van de Houyhnhms. De
kleine staat zal vastheid en veiligheid moeten verwerven
door zich in één rechtsverband opgenomen te weten met
de grooten (cursivering JH).’7
Het testament van Huizinga vormt geen pleidooi
voor een federale Europese staat. Zijn betoog is er evenmin op gericht alles bij het oude te laten. Huizinga wilde
dat de verhoudingen tussen staten evenzeer aan de werking van het recht onderworpen zouden zijn als die binnen een staatsverband. Het denken over internationale
betrekkingen, volkenrecht en staatsinrichting werd in
zijn tijd zó door het Westfaalse paradigma gedomineerd
dat de begrippen waarmee hij zijn visie tot uitdrukking
wilde brengen, nog niet beschikbaar waren. Het proces
van Europese integratie dat na de oorlog in gang werd
gezet, zou ook nog lang door de tegenstelling tussen
bondsstaat en statenbond beheerst worden. Pas na de
afwijzing van de Grondwet voor Europa in 2005 trad de
noodzaak om nieuwe woorden te vinden in volle omvang
aan het licht.
Het perspectief van de burger
Dit essay is geschreven met de bedoeling om aannemelijk
te maken dat het debat over de Europese Unie niet alleen
vanuit het perspectief van staten, maar ook vanuit de
optiek van burgers gevoerd kan worden. De burgers van
de lidstaten zijn krachtens het Verdrag van Maastricht
tevens burgers van de Unie geworden. In die hoedanigheid mogen zij verwachten dat de Unie als gemeenschappelijke organisatie, waaraan de uitoefening van soevereiniteit op bepaalde gebieden is overgedragen, aan
soortgelijke maatstaven van democratie en rechtsstaat
voldoet als hun eigen land. Het gaat niet langer om de
theoretische kwestie of de EU een internationale organisatie of een staat dan wel een staat-in-wording is, maar om
de concrete vraag of de EU haar burgers in de praktijk ver-
gelijkbare garanties van rechtszekerheid en burgerinvloed
biedt als het land van hun nationaliteit. In deze benadering ligt de nadruk op het vereiste dat de uitoefening van
soevereiniteit op alle niveaus democratisch gecontroleerd
wordt. Uitoefening van soevereiniteit is pas legitiem als er
ook adequate democratische controle is, ongeacht de
vraag of de soevereiniteit nu op het nationale niveau of
op dat van de Unie wordt uitgeoefend. De stelling van dit
essay luidt dat, als twee of meer democratische rechtsstaten de uitoefening van soevereiniteit met elkaar delen om
gezamenlijke doelstellingen te bereiken, het samenwerkingsverband dat zij daarvoor in het leven roepen zelf ook
aan essentiële vereisten van democratie en rechtsstaat
moet voldoen.
Van economie naar democratie
De invoering van het burgerschap van de Unie stond niet
op zich, maar vormde een essentiële schakel in de ontwikkeling van de EU van een economische gemeenschap naar
een democratisch samenwerkingsverband. Deze evolutie
kan toegelicht worden aan de hand van de verschillen
met het Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen die in de loop van de tijd zijn ontstaan.
De belangrijkste afwijking van de Europese Gemeenschappen ten opzichte van het vigerende paradigma lag
in de omgang met het begrip soevereiniteit. Volgens de
klassieke leer van het Westfaalse stelstel is soevereiniteit
één en ondeelbaar, terwijl het functioneren van de EG
juist gebaseerd was op de overdracht van uitoefening van
soevereiniteit aan een hogere instantie die de deelnemende partijen daartoe gezamenlijk in het leven hadden
geroepen. Tegenover de statische opvatting van het soevereiniteitsbegrip in de Westfaalse leer kwam een flexibele interpretatie van het begrip soevereiniteit te staan. Het
doel van deze nieuwe benadering bestond niet alleen uit
het voorkomen van oorlog, maar lag volgens de preambule bij het Verdrag van Rome ook in het vestigen van ‘een
steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa’.
Het EG-Hof van Justitie stelde in een baanbrekende uitspraak uit 1963 vast dat de oprichting van het economisch samenwerkingsverband met zich mee bracht dat er
eveneens een nieuwe rechtsorde was gecreëerd.8 De kleine staten van Europa konden zich – in de woorden van
Huizinga – ‘in één rechtsverband opgenomen weten met
de grooten’.
Het experiment met gedeelde uitoefening van soevereiniteit ging voortvarend van start. Het aantal terreinen
6. Voor een heldere beschrijving van het
7. J. Huizinga, Geschonden wereld, Haar-
verband tussen het Westfaalse stelsel en de
lem 1945, p. 198.
inrichting van de VN zie: W. van Gerven,
8. Zaak C-26/62, Van Gend & Loos, 5
The European Union: A Polity of States and
februari 1963.
Peoples, Stanford USA, p 36 e.v.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
897
Essay
van samenwerking nam toe, terwijl steeds meer landen
aan het experiment mee wilden doen. De EG breidde in
twee decennia uit van 6 naar 12 lidstaten. Het groeiend
succes droeg echter de kiem van mislukking in zich. De
beperkte overdracht van uitoefening van soevereiniteit
garandeerde weliswaar de vrede, maar omdat de soevereiniteit op een steeds groter aantal beleidsterreinen werd
gedeeld, kwam de vraag naar de democratische controle
op de uitoefening van de overgedragen soevereiniteit ook
steeds sterker naar voren. De lidstaten stonden in toenemende mate voor het dilemma dat meer Europese samenwerking minder democratische controle inhield. Intellectuelen begonnen zich zorgen te maken over de uitholling
van de democratie,9 terwijl bij de burgers het beeld van
‘Brussel’ als een bureaucratisch monster postvatte. Naarmate het succes van de samenwerking toenam, groeide
het democratisch tekort.
De oprichting van de EU in 1992 en de invoering van
het burgerschap van de Unie brachten een tweede afwijking van het Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen teweeg. De achterliggende vraag tijdens de beraadslagingen over het Verdrag van Maastricht was hoe het
democratisch tekort aangepakt kon worden. De invoering
van het burgerschap van de Unie vormde daar een onmisbare voorwaarde voor. Het democratisch tekort kon namelijk alleen worden verholpen door het samenwerkingsverband te transformeren van een internationale organisatie
tot een Europese democratie. Hoewel de invoering van het
EU-burgerschap indertijd veel verwarring veroorzaakte,10
blijkt achteraf dat het de basis legde voor het vestigen van
een stelsel van democratische controle over de gezamenlijk uitgeoefende macht. De invoering van het Unieburgerschap was dus geen doel in zich, maar vormde voorwaarde voor en onderdeel van de evolutie van de EU naar een
democratisch verband.
De kern van deze ontwikkeling kan als volgt worden
samengevat: Waar het bij de EG ging om het delen van
soevereiniteit in een economische gemeenschap, kwam de
nadruk bij de EU op de democratische controle van de
gedeelde uitoefening van de macht in een politiek samenwerkingsverband te liggen. Deze dubbele afwijking van
het Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen
bracht met zich mee dat de EU zich geleidelijk ontwikkelde tot een nieuw verschijnsel in het staats- en volkenrecht, dat niet langer met de begrippen van het oude stelsel beschreven kon worden.11
pese Raad presenteerde het nieuwe verdrag met veel vertoon als een ‘Grondwet’ en riep daarmee de nodige argwaan op. Een verdrag hoort in het algemeen aanvaard
taalgebruik immers bij de samenwerking tussen staten,
terwijl een grondwet de basis voor de inrichting van een
(gemeenschappelijke) staat legt. De burgers vatten het signaal opnieuw anders op dan de regeringsleiders gehoopt
of bedoeld hadden en wezen de Grondwet voor Europa
met ruime meerderheden af.12
Dertien jaar na haar oprichting verkeerde de EU in
een fundamentele impasse. Als gevolg van de invoering
van het Unieburgerschap kon de EU niet (meer) als een
statenbond worden beschouwd. Tegelijkertijd was de weg
naar een federale staat door de verwerping van de Grondwet voor Europa afgesneden. Deze gebeurtenissen leidden
samen tot de ongerijmde situatie dat de Europese Unie in
theorie niet mogelijk was maar in de werkelijkheid wel
bestond. Deze paradox werd malgré lui onderstreept door
de voorzitter van de Europese Commissie Barroso die de
EU eerst omschreef als een Unidentified Political Object
(UPO) en vervolgens als een ‘non-imperial empire’.13
De patstelling van de EU
De constructie van de EU is nieuw en nooit eerder
geprobeerd. De inrichting van de EU als een Europese
democratie is mogelijk omdat het Verdrag van Lissabon
zowel de positie van de lidstaten als die van de burgers
versterkt. In reactie op de afwijzing van de Grondwet
benadrukt het nieuwe verdrag dat de soevereiniteit in de
Unie bij de lidstaten ligt. Zij zijn meer dan ooit de ‘heren
der verdragen’. De lidstaten dragen de uitoefening van
soevereinteit op bepaalde, in het Verdrag omschreven
gebieden over aan de Unie en voor het overige blijft de
soevereiniteit waar zij was. De EU mag zich dus geen
macht toeëigenen, niet in het openbaar en ook niet heimelijk.
Het Verdrag van Lissabon geeft tegelijkertijd een
belangrijke impuls aan het burgerschap van de Unie. Het
Een belangrijke reden waarom deze ontwikkeling lang aan
het oog onttrokken bleef, was dat de pleitbezorgers van
het federale gedachtegoed de invoering van het burgerschap zagen als opmaat voor de vestiging van een Verenigde Staten van Europa. Zij beschouwden het burgerschap van de Unie als voorbode van een Europese federale
staat. De Deense kiezers die het Verdrag van Maastricht in
1992 bij een referendum afwezen, trokken dezelfde conclusie, zij het dan ook vanuit het tegenovergestelde perspectief. Zij waren er juist beducht voor dat de beoogde
VSE de nationale identiteit en onafhankelijkheid van hun
Denemarken zou ondermijnen.
Hetzelfde patroon herhaalde zich tijdens de debatten
over de Grondwet voor Europa in 2004 en 2005. De Euro-
898
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Een Unie van staten en burgers
Het Verdrag van Lissabon dat op 1 december 2009 in werking trad, doorbrak de patstelling door de EU in te richten
als een democratie zonder er een staat van te maken. Volgens artikel 10 van het Verdrag over Europese Unie (VEU)
is het functioneren van de Unie gebaseerd op het stelsel
van representatieve democratie. De burgers worden op het
niveau van de Unie vertegenwoordigd door het rechtstreeks gekozen Europees Parlement. Het eigen en oorspronkelijke karakter van de EU komt in deze drieslag duidelijk tot uiting. De EU is de enige internationale
organisatie die ook uit burgers bestaat, die over een rechtstreeks gekozen parlement beschikt en die wil functioneren als een democratie.
Naarmate het succes van de
samenwerking toenam,
groeide het democratisch tekort
nieuwe verdrag maakt de burger niet alleen tot hoeksteen
van de politieke inrichting van de EU,14 maar versterkt ook
de rechtspositie van de burgers in het verband van de
Unie. Het Handvest van de Grondrechten van de EU dat in
december 2000 was afgekondigd, krijgt namelijk kracht
van verdrag. De grondrechten van de burgers worden dus
integraal onderdeel van de constructie van de EU. Het EUHof van Justitie bevestigde deze ontwikkeling door te
bepalen dat het burgerschap van de Unie de eerste hoedanigheid van de burgers van de lidstaten dient te zijn.15 In
een latere uitspraak rondde het Hof deze benadering af
met de vaststelling dat de Unieburgers de bescherming
van deze grondrechten genieten in alle gevallen, waarin
het EU-recht toepasselijk is.16 Op deze wijze heeft het Hof
ook antwoord gegeven op de vraag wat het begrip ‘primaire hoedanigheid inhoudt: voor de toepassing van het
Europese recht is men geen Belg, Let of Tsjech, maar in de
eerste plaats Unieburger.
Zo bezien bevat het Verdrag van Lissabon ook een
antwoord op de vraag wat de EU eigenlijk is. In het statelijke perspectief van het Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen vormt de EU een onmogelijkheid
omdat de Unie noch als een federale staat noch als een
confederale statenbond omschreven kan worden. Anders
dan andere verdragen betreffende internationale organisaties spreekt het Verdrag van Lissabon zowel over ‘Unie
en haar burgers’ als over de ‘Unie en haar lidstaten’. De
Unie respecteert haar lidstaten en geeft haar burgers een
ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Het ligt daarom
voor de hand de EU met een nieuwe term te omschrijven
als een Unie van staten en burgers.17
Markt en munt
De vorm die de EU zou aannemen, werd weerspiegeld in
de voorwaarden voor de toetreding van nieuwe lidstaten
die de Europese Raad in 1993 opstelde. Volgens de zogenoemde Kopenhagen-criteria moeten landen die lid van
de EU willen worden aan drie essentiële voorwaarden voldoen: ze moeten a) over een goed functionerende vrijemarkteconomie beschikken, b) de regels van de rechtsstaat respecteren en c) democratisch ingericht zijn. Het
verschil met de vroegere Gemeenschappen wordt zodoende nog eens geaccentueerd. Het draait in de EU niet langer alleen om de economie, maar ook om de beginselen
van democratie en rechtsstaat.
De bekroning van de gemeenschappelijke markt
met een gemeenschappelijke munt die rond de eeuwwisseling plaatsvond, betekende nóg een weloverwogen
afwijking van het Westfaalse stelsel van internationale
betrekkingen.18 De belangrijkste consequentie van dat
stelsel op het monetaire vlak is dat elke staat zijn eigen
munt heeft. Het uitgangspunt is anders gezegd dat er
achter elke munt een soevereine staat moet staan. De
schulden die staten aangaan, worden daarom aangeduid
als soevereine schulden. De botsing tussen het oude
Westfaalse en het nieuwe Europese paradigma kan aan de
Deze gebeurtenissen leidden
samen tot de ongerijmde situatie
dat de Europese Unie in theorie
niet mogelijk was maar in de
werkelijkheid wel bestond
hand van de munt treffend geïllustreerd worden. In de
klassieke leer is een gemeenschappelijke munt onmogelijk, omdat elke munt gesteund moet worden door een
staat. Vanuit het Europese perspectief vormt de gemeenschappelijke munt juist de afronding van en de kroon op
de gemeenschappelijke markt.
Met de kennis van nu vormde het eerste decennium
van de euro een soort verlengde wittebroodsweken. De
gemeenschappelijke munt werd niet op de proef gesteld,
de lidstaten genoten van een lage rente en lapten de zelfgestelde regels naar believen aan hun laars. De financiële
crisis die in 2008 na de val van een grote Amerikaanse
bank uitbrak, legde ernstige tekortkomingen in de constructie van de EMU bloot. Critici betoogden dat het experiment met de euro mislukt was en dat de lidstaten uiteindelijk toch zouden moeten kiezen tussen de vorming
van een federale staat en de terugkeer naar het vertrouwde stelsel van nationale munten.19 Na een hectische periode waarin het voortbestaan van de euro aan een zijden
draad hing en waarin een aantal lidstaten beschermd en
ondersteund moesten worden, bleken de regeringsleiders
en de Europese instituties een samenstel van maatregelen
genomen te hebben die ertoe strekten om de euro als
gemeenschappelijke munt overeind te houden zonder de
zelfstandigheid van de lidstaten op te geven. De leidende
gedachte achter deze benadering is dat de lidstaten ieder
voor zich niet meer, maar ook niet minder uitoefening
van soevereiniteit overdragen dan voor de realisering van
de gemeenschappelijke doelstellingen noodzakelijk is. Zo
bezien toont de bestrijding van de financieel-economische
crisis aan dat de EU een eigen bestuursmodel heeft ont-
9. Getuige de oprichting van de Commissie
van mei/juni 2005.
van Gerven, The European Union. A Polity
stelsel van internationale betrekkingen en
Meijers in 1990, vervolgens de Vereniging
13. J.A. Hoeksma, De EU als Unie van
of States and Peoples, Stanford 2005. De
het monetaire stelsel is uitgewerkt in: R.
Democratisch Europa en onlangs het Bur-
burgers en lidstaten, Deventer 2009
Tweede Kamer onderschreef deze benade-
Lastra, Legal Foundations of Internatiional
gerforum EU.
14. In deze zin ook: W.T. Eijsbouts, Onze
ring in de motie-Ormel van 11 november
Monetary Stability, Oxford 2006.
10. Nader in: A. Schrauwen, Burgerschap
primaire hoedanigheid, Leiden 2011.
2008, Handelingen II 2008/09, 31 702-3.
19. O.a. P. Stephens, ‘Europe’s return to
onder gedeeld gezag, Amsterdam 2013
15. Zaak C-184/99, Grzelczyk, 20 septem-
In de Staat van de Europese Unie 2013
Westphalia’, Financial Times 23 juni 2011.
11. Zo ook: Raad van State, Kamerstukken
ber 2001.
sprak de regering over een unie van staten
II, 2004/05, 30025 (R 1783), nr. 4, p. 5.
16. Zaak C-617/10, Akerberg, 7 mei 2013
en van burgers, Minbuza-2013.13317.
12. Bij referenda in Frankrijk en Nederland
17. Deze conclusie is voorbereid door W.
18. Het verband tussen het Westfaalse
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
899
Essay
wikkeld, dat weliswaar op belangrijke punten verbeterd
moet worden, maar toch tegen de uitdagingen van de 21e
eeuw opgewassen is. De kern van dit model is dat staten
soevereiniteit kunnen delen zonder hun hoedanigheid
van staat te verliezen.20
De EU in mondiaal perspectief21
Het eigen karakter van de Europese Unie komt ook tot uitdrukking binnen het stelsel van de Organisatie der Verenigde Naties. De EU is geen lid van de VN. De reden daarvoor hangt samen met het Westfaalse stelsel van
internationale betrekkingen. De VN is volledig op basis
van dit systeem ingericht. Het uitgangspunt is dat alleen
soevereine staten lid van de VN kunnen worden. De Europese Gemeenschappen vormden in de ogen van de VN
een regionale organisatie zoals de Afrikaanse Unie (AU),
de Arabische Liga, de Asean, de Nafta, de Mercosur e.a.
Het Verdrag van Lissabon geeft het buitenlands
beleid van de EU nieuwe impulsen, onder meer door de
invoering van een gemeenschappelijke buitenlandse
dienst van de Unie en het scheppen van twee nieuwe posten op het vlak van het buitenlands beleid van de EU, te
weten de Voorzitter van de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken.
Deze intensivering van de samenwerking op het terrein
van de diplomatie heeft geleid tot een versterking van de
positie van de EU binnen de VN. Als uitvloeisel daarvan
beschikt de Voorzitter van de Europese Raad sinds kort
over het recht om het woord te voeren in de Algemene
Achteraf blijkt dat de invoering van
het Unieburgerschap het begin van
een antwoord op het democratisch
tekort van de Unie inhield
Vergadering van de VN.
Hoewel de Europese Unie theoretisch gezien nog
altijd een vreemde eend in de bijt van de Verenigde Naties
is, werken beide organisaties in de praktijk nauw met
elkaar samen. De EU is partij bij meer dan vijftig VN-verdragen en heeft volledig stemrecht in drie organisaties
van de VN, waaronder de Wereldvoedsel- en de Wereldhandelsorganisatie. De EU is de grootste verlener van humanitaire hulp en staat bovenaan de lijst van hulpverleners
900
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
aan ontwikkelingslanden. De Unie verplicht zich ertoe
haar eigen waarden van democratie en rechtsstaat in de
samenwerking met derde landen uit te dragen.
Het democratisch tekort van de Unie
De Europese Unie heeft zich in de eerste jaren van haar
bestaan ontwikkeld op een manier die tijdens de oprichting in 1992 nauwelijks is voorzien. Achteraf blijkt dat de
invoering van het Unieburgerschap het begin van een antwoord op het democratisch tekort van de Unie inhield. De
lege huls die het nieuwe burgerschap volgens critici vormde, kreeg in korte tijd een dynamische lading. In de criteria voor toetreding tot de EU van 1993 werd de nadruk
gelegd op het rechtsstatelijk karakter en het democratisch
gehalte van de nieuwe lidstaten. In het Verdrag van
Amsterdam uit 1997 dat de grondslag legde voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie, werd
het begrip democratie ook omschreven als kernwaarde
van de EU zelf.22 De Unie zou in het vervolg zelf moeten
voldoen aan de voorwaarden die zij op het terrein van
rechtsstaat en democratie aan de lidstaten stelt. Deze ontwikkeling vindt bevestiging in de preambule bij het Handvest van de Grondrechten van de EU dat in 2000 is afgekondigd. De verklaring zegt onomwonden dat de Unie
‘berust op het beginsel van de democratie en op het beginsel van de rechtsstaat’. Het Verdrag van Lissabon werkt
deze beginselverklaring uit in de bepaling van artikel 10,
eerste lid, dat de werking van de Unie gegrond is op de
representatieve democratie. In dezelfde periode is het
Unieburgerschap ook uitgegroeid tot de primaire hoedanigheid van de burgers van de lidstaten en is het Handvest toepasselijk verklaard in alle gevallen waarin het EUrecht van kracht is.
Dankzij de dynamische ontwikkeling van het Unieburgerschap heeft de EU een vorm gekregen die definitief
niet langer in het klassieke denkmodel past.23 De emancipatie van de burger werpt nieuw licht op het democratisch tekort van de Unie. Na de inwerkingtreding van het
Verdrag van Lissabon kan de EU namelijk in post-Westfaalse termen omschreven worden als een ‘unie van staten,
waarin de burgers zowel kunnen deelnemen aan de nationale democratie van hun lidstaat als aan de gemeenschappelijke democratie van de Unie’.24
Conclusie
Het betoog dat in dit essay is ontwikkeld, mondt uit in de
conclusie dat politici die de aard en het functioneren van
de EU willen verklaren, het statelijke paradigma van het
Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen dienen
te vervangen door het burgerlijke perspectief van democratie en rechtsstaat. Het oude debat over de vraag of de
EU een staat moet worden of zich het best als statenbond
kan profileren, draagt niet bij aan het oplossen van de
problemen waar de Unie nu voor staat. De visie van het
Duitse Bundesverfassungsgericht op het Europees Parlement illustreert de problemen die uit het vasthouden aan
dit gedateerde denkpatroon voortvloeien. Welke burger
zou nog de moeite nemen om naar de stembus te gaan,
wanneer de hoogste rechter als zijn oordeel uitspreekt dat
het EP een schijnparlement is?
Veranderingen van paradigma
zijn onontkoombaar
wanneer er binnen de oude
denkmodellen geen
vooruitgang meer mogelijk is
De EU probeert de klassieke tegenstelling tussen
bondsstaat en statenbond te boven te komen door de
beginselen van democratie en rechtsstaat toe te passen op
een internationale organisatie. Dit experiment werd
mogelijk én noodzakelijk door de invoering van de interne markt. Het proces van Europese integratie leidt van de
constructie van een gemeenschappelijke markt via de
invoering van het burgerschap van de EU tot de opkomst
van een gemeenschappelijke democratie. Dit soort proces-
sen neemt tijd. De democratisering van de EU is amper
begonnen. De kritiek die door velen op het gebrekkige
karakter van de Europese democratie wordt uitgeoefend,
kan worden onderschreven en aangevuld.25 De richting is
echter onmiskenbaar: from common market to common
democracy.26
Op basis van de bovenstaande analyse kan de situatie
waarin de EU zich momenteel bevindt, beschreven worden
in termen van een paradigmawisseling. Volgens het heersende Westfaalse stelsel van internationale betrekkingen
kunnen de concepten ‘democratie’ en ‘rechtsstaat’ alleen tot
ontwikkeling komen binnen de grenzen van een soevereine nationale staat. De EU streeft er juist naar deze beginselen te integreren in het bestuursmodel van een internationale organisatie. In de klassieke benadering hoort
burgerschap exclusief bij een staat; de EU verbindt het concept met een unie van staten. Krachtens de oude leer moet
elke munt gesteund worden door een soevereine staat,
maar in de EMU vormen de lidstaten en de Unie samen de
soeverein achter de euro.
Veranderingen van paradigma zijn onontkoombaar
wanneer er binnen de oude denkmodellen geen vooruitgang meer mogelijk is. Dat is bij de EU het geval. In de traditionele benadering kan het democratisch tekort alleen
overwonnen worden door een terugkeer naar bondsstaat
of statenbond. In het nieuwe model ontwikkelt de EU zich
van een gemeenschappelijke markt naar een gemeenschappelijke democratie. De EU is niet af, maar begint aan
een nieuwe fase. Er is uiteraard geen garantie dat het
experiment zal slagen. De opkomst bij en uitslag van de
komende verkiezingen voor het Europees Parlement vormen hooguit een eerste indicatie.
20. Uitgebreider in: D. Schoenmaker, en
nale Identity, Leiden 2013.
van 30 juni 2009 de stelling dat het Euro-
24. Vergelijk J. Habermas, Over de consti-
J.A. Hoeksma, ,’The Sovereign behind the
22. A. von Bogdandy, ‘The European Les-
pees Parlement ‘kein Repräsentationsorgan
tutie van Europa, Zoetermeer 2012.
Euro’, in: idem A poltiy called EU, Nijme-
son for International Democracy’, EJIL Vol
eines souveränen europäischen Volkes’ is.
25. Bijvoorbeeld: Van der Burg en Voer-
gen 2011.
23 no. 2.
Deze stelling is vanuit het Westfaalse para-
mans, op. cit. pp. 235-241.
21. Voor een accurate actuele stand van
23. De hoogste administratieve rechter van
digma weliswaar begrijpelijk, maar doet niet
26. In deze zin ook Herman van Rompuy
zaken zie H. de Waele en J-J. Kuipers, (eds),
Duitsland, het BundesVerfassungsGericht,
ter zake, omdat het EP de toegedichte
(PCE 015/11, PCE 017/11 en PCE 019/11).
The European Union’s Emerging Internatio-
poneerde in het bekende Lissabon-Urteil
ambitie niet heeft.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
901
721
Focus
Belangrijke beperkingen
van de gerechtelijke
onderzoekmethode
Anton Loonen, Peter van Panhuis en Ronald Meester1
In het strafproces gaat het om achtereenvolgens de vragen: heeft verdachte het strafbare feit begaan, is hij of
zij daarvoor verantwoordelijk en welke straf moet daarvoor worden toegekend? De beantwoording van de eerste twee vragen betreft waarheidsvinding. Hierop is de wetenschapstheorie onverkort van toepassing. Dit
geldt ook wanneer een psychiatrische stoornis of het gebruik van medicatie de verantwoordelijkheid van verdachte beperkt. Echter, de forensische rapportage heeft belangrijke beperkingen waarmee in de strafrechtspraak rekening moet worden gehouden. Hierdoor moet de rechter op basis van soms premature of zelfs
onjuiste informatie in het vonnis een keuze maken voor een traject met detentie (volledig toerekenen) dan
wel voor een traject met behandeling in TBS (verminderd of niet toerekenen). Bepleit moet worden om de
rechtszaak gemakkelijker te heropenen op basis van belangrijke nieuwe informatie over het beloop van de
psychische stoornis.
Doel van de forensische rapportage en van
dit artikel
In de strafrechtspraak moet regelmatig recht worden
gesproken over mensen, die het tenlastegelegde hebben
gepleegd terwijl zij lijden aan een geestesziekte. Gewoonlijk worden dan getuige-deskundigen op het terrein van
de psychiatrie en/of geesteswetenschappen ingeschakeld.
Hen wordt gevraagd om te adviseren over de betekenis
van de stoornis voor het gedrag kort voorafgaand aan en
ten tijde van het ten laste gelegde en het gewicht dat
daaraan moet worden toegekend. De rechter maakt
gebruik van dit advies bij het bepalen of de ten laste
gelegde feiten geheel, verminderd of niet moeten worden
toegerekend aan betrokkene.
Deze verwoordingen zijn ontleend aan de in het
voorjaar van 2013 door de Nederlandse Vereniging voor
Psychiatrie uitgebrachte richtlijn Psychiatrische rapportage in het strafrecht. In de formulering van de richtlijn ligt
besloten dat de activiteiten en bijdragen van de psychiater
en psycholoog transparant gescheiden zijn van die van de
rechter die in een normatief en wegend proces uiteindelijk toerekent. Daarmee wordt afstand genomen van het
begrip toerekeningsvatbaarheid waarin deze scheiding
van de verschillende activiteiten veel minder goed valt
aan te brengen.
Vervolgens adviseren psychiater en/of psycholoog
ook over de kans op herhaling van delicten, in het bijzonder wanneer daar componenten van geweld, seks of
brandstichting een rol bij spelen.
902
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Op basis van de vastgestelde psychopathologie, de
recidivekans en de mogelijkheden van gedrag-beïnvloedende interventies moet de rechter dan in het Nederlandse tweesporenbeleid een keuze maken tussen het opleggen van een straf of een maatregel zoals bijvoorbeeld
terbeschikkingstelling (TBS). Een complicerende factor is
daarbij dat het regelmatig voorkomt dat een psychiatrische diagnose na het volgen van een beloop van een half
jaar of langer nog moet worden bijgesteld. Psychiatrische
pathologie is immers zelden stabiel en in het overgrote
deel van de gevallen chronisch. De nu gesignaleerde problematiek speelt in het bijzonder bij (chronische) psychotische ziekte, die zich soms pas na vele maanden duidelijk
manifesteert of omgekeerd na verloop van vele maanden
helemaal niet zo psychotisch en/of chronisch blijkt te zijn.
Het hier gesignaleerde probleem wordt regelmatig
teruggezien bij de onafhankelijke onderzoeken na zes jaar
TBS of nadat een patiënt in een kliniek is geplaatst. Het is
misschien goed hierbij expliciet te vermelden dat in een
belangrijk aantal van de gevallen ook een observatie van
zes weken zoals te doen gebruikelijk in het Pieter Baan
Centrum geen helderheid biedt. Vooral bij psychotische
pathologie is een dergelijke periode niet lang genoeg om
tot definitieve diagnostiek te komen.
In feite staat hier dat de methode van de psychologie
en psychiatrie, zeker voor wat betreft ernstiger psychopathologie, een behoorlijke foutmarge kent. Deze foutmarge
wordt vergroot door het tempo waarin nu in de rechtspleging om diagnostiek wordt gevraagd.
In feite staat hier dat de methode van de psychologie en
psychiatrie, zeker voor wat betreft ernstiger psychopathologie,
een behoorlijke foutmarge kent
De consequentie hiervan is dat de rechter de wissel
‘straf of maatregel’ soms op basis van onvoldoende uitgewerkte en onderbouwde informatie moet nemen, met als
gevolg dat de trein van de strafrechtspleging in een dergelijk geval later ontspoord blijkt te zijn. In concreto: soms is
ernstige pathologie in het vonnis over het hoofd gezien
en daarom zijn lange gevangenisstraffen opgelegd dan
wel is een belangrijk(e) rol en gewicht toegekend aan
pathologie die naderhand veel minder ernstig blijkt te
zijn. In het laatste geval is dan regelmatig sprake van het
opleggen van een TBS die niet meer proportioneel zou
zijn bevonden bij betere informatie op het moment van
beslissen.
Los van vermindering van de tijdsdruk zijn er vanuit
de methodiek van de geneeskunde en de exacte wetenschappen wel een aantal overwegingen te geven die
mogelijk de foutgevoeligheid van het redeneerproces van
de rechter kunnen verminderen. Dat is de bedoeling van
dit artikel. Wij gaan daarbij in eerste instantie uit van een
in de praktijk veelvoorkomende moeilijkheid bij de diagnostiek van een stoornis die voortkomt uit de invloed van
toxische stoffen op het gedrag ten tijde van het plegen
van het ten laste gelegde. In de meeste gevallen zal het
hier gaan om alcohol en drugs. Van geregistreerde forensisch psychologen en psychiaters mag worden verwacht
dat zij goed zijn ingevoerd in de verslavingspathologie en
de behandeling, maar dan nog is het vaak moeilijk de causale rol van deze stoffen ‘uit te filteren’. Een bijzondere
omstandigheid is, wanneer mogelijk het gebruik of het
staken van geneesmiddelen tot het ten laste gelegde heeft
geleid. Op dat moment kan advies worden gevraagd aan
een medisch specialist op dat terrein: de klinisch farmacoloog met als aandachtsgebied effecten op het centrale
zenuwstelsel. Juist een dergelijke bijzondere inbreng en
casuïstiek levert een goed model om in dit artikel deze
complexe materie systematisch te bespreken. Wij zullen
proberen om vanuit het denkmodel van de bètawetenschappen enkele belangrijke aandachtspunten naar voren
te brengen.
Vooraf moet nog worden opgemerkt dat de auteurs
zich bewust zijn van het normatieve karakter van de rechterlijke oordeelsvorming. Bij het strafproces moeten dus
ook andere parameters zoals de gevoelens van de samenleving meegewogen worden. Ook moet het vonnis rechtvaardig zijn. Ons artikel richt zich vooral op het omgaan
door de rechter met de uitkomsten van onderzoeken en
de adviezen van deskundigen.
Aanleiding
Op een avond in 2011 ging een uit westelijk Afrika afkomstige asielzoeker volledig uit zijn dak en richtte een bloedbad aan in een Gronings dorpje. Hij doodde zijn vriendin,
vervolgens een politieagent die hem staande probeerde te
houden en verwondde diverse andere personen.2 Hoewel
het hier ging om een man met recidiverende psychosen,
die daarvoor langdurig onder behandeling was van een
ambulant werkend zogenoemd FACT-team van een instelling voor Geestelijke Gezondheidszorg, rekende de rechtbank hem het feit volledig toe en veroordeelde hem tot
een gevangenisstraf van 28 jaar. De rechtbank deed dit
conform het advies van het Pieter Baan Centrum, waar
betrokkene gedurende zeven weken was geobserveerd.
In het verband van deze uitspraak is echter het verdere beloop van de mentale toestand van deze man relevant. Hierbij speelt niet alleen het feit dat betrokkene al
lang onder behandeling was, maar ook het gegeven dat hij
psychofarmaca gebruikte en deze aan het afbouwen was.
Blijkt namelijk op basis van het verdere beloop dat het
toch gaat om een psychiatrisch zieke man, wiens delict
heeft samengehangen met zijn ziekte of de afbouw van
zijn psychofarmaca, dan zou een andere weging en het
inzetten van een ander traject ook een reëel spoor zijn
geweest. In dat geval zou namelijk een naar het oordeel
van de rechtbank passende vermindering van toerekenen
in combinatie met het opleggen van een TBS een optie
zijn geweest. Deze mogelijkheid zou in ieder geval meer
recht doen aan de mogelijkheden om door behandelinterventie eventuele kansen op herhaling van ernstige
geweldsfeiten te verminderen. Deze recidive kan zich
immers ook in detentie voordoen.
Omgekeerd heeft ook de keuze voor het spoor van de
TBS nadelen, als die op onjuiste diagnostische basis is
gemaakt. Immers, betrokkene wordt dan geplaatst en
(zelfs na bijstelling van zo’n diagnose) behandeld in een
veel te beperkend kader. Mede omdat onnodige en vergaande hospitalisatie remmend werkt, kan op het
moment van resocialisatie nog onvoldoende gebruik
gemaakt worden van mogelijkheden.
Foutgevoeligheid van het gerechtelijk
onderzoek
Uit bovenstaande valt af te leiden dat de psychiatrische
diagnostiek in deze gevallen behept is met een belangrijke kans op fouten. Deze foutgevoeligheid van de psychiatrische diagnostiek stelt dus in het huidige stelsel de
rechtbank of het gerechtshof voor een onmogelijke en
misschien ook wel meer dan noodzakelijke taak. De rechter moet op basis van soms premature informatie in het
vonnis een keuze maken voor een traject met detentie
Auteurs
ling Wiskunde, Faculteit der Exacte Weten-
1. Prof. dr. A.J.M. Loonen is arts/klinisch
schappen, Vrije Universiteit Amsterdam.
farmacoloog, farmacotherapie bij psychiatrische patiënten, afdeling farmacie, Rijksuni-
Noten
versiteit Groningen (RUG). Dr. P.J.A. van
2. b. Noord-Nederland 5 maart 2013,
Panhuis is forensisch psychiater. Prof. dr.
18-670213-11
R.W.J. Meester is verbonden aan de afde-
ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ3265.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
903
Focus
Gespräch unter Gelehrten © die Kleinert / Alamy
Zwakheden in de adviezen van deskundigen kunnen niet alleen
over het hoofd worden gezien, maar zelfs een extra onjuiste
betekenis krijgen
904
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
(volledig toerekenen) dan wel voor een traject met behandeling in TBS (verminderd of niet toerekenen). Bepleit
moet worden om de rechtszaak op basis van dit soort
nieuwe informatie gemakkelijker te heropenen.
Behalve deze forensisch psychiatrische foutenbronnen bestaan ook foutgevoeligheden in het toepassen van
de juridische uitgangspunten en de wijze waarop hiermee
in het redeneerproces van de rechter wordt omgegaan.
Hierdoor kunnen zwakheden in de adviezen van deskundigen niet alleen over het hoofd worden gezien, maar zelfs
een extra onjuiste betekenis krijgen. De bedoeling van dit
artikel is ook het onderwerpen van juist deze uitgangspunten en redeneerprocessen aan een kritische beschouwing.
Bewijs, toerekenbaarheid en straftoemeting
Bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte schuldig is aan het plegen van een delict, gaat het in de rechtspraak in de eerste plaats om de vraag of juridisch bewezen
kan worden dat de verdachte het feit heeft begaan en of
het feit ook strafbaar is. Een kleinere rol speelt vervolgens
of dat gedrag betrokkene ook kan worden aangerekend.
Met medeneming van dit laatste volgt de straftoemeting.3
De beperkingen van de methode die wordt gebruikt
om aan te tonen dat de verdachte het feit heeft begaan, is
al eerder door één van ons kritisch aan de orde gesteld.4
In de rechtspraak wordt veel aandacht besteed aan de
vraag of het feit bewezen mag worden geacht. Bij psychiatrische patiënten is dit bewijs vaak niet zo moeilijk te
leveren. In veel gevallen is betrokkene tamelijk impulsief
tot de verweten gedragingen gekomen en wordt het
bewijs min of meer op een presenteerblaadje aangeboden.
Naast bewijzen of betrokkene het strafbare feit heeft
begaan speelt ook de vraag of dit met opzet is gebeurd en
uit vrije wil. Het is vanzelfsprekend dat van opzet geen
sprake kan zijn wanneer een persoon niet over een vrije
wil beschikt. Het wordt algemeen aanvaard dat het handelen uit vrije wil kan worden beperkt door het bestaan van
een psychotische stoornis. Een psychotische stoornis leidt
in die gevallen tot een vermindering van de toerekenbaarheid van het ten laste gelegde. Bij het beoordelen of sprake
is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten
tijde van het delict en bij het inschatten van de daaruit
voortvloeiende consequenties voor het toerekenen van het
bewezen delict handelt de jurist, vanuit kennistheoretische
principes gezien, in essentie niet juist. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt immers bepaald dat
het delict betrokkene slechts dan niet kan worden aangerekend, wanneer het ‘bij de verdachte ten tijde van zijn handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke
gevolgen heeft ontbroken’.5 De rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie
staat ook, zeker in de hier besproken zaak, geheel in dit
De auteurs zijn in verschillende
opzichten bepaald ongelukkig met
deze juridische omgang met de
toerekeningvraag
teken. Wanneer niet uitgesloten kan worden dat iemand
wel enig inzicht had in zijn of haar handelen, wordt deze
persoon geheel of grotendeels toerekeningsvatbaar geacht.
De auteurs zijn in verschillende opzichten bepaald ongelukkig met deze juridische omgang met de toerekeningvraag. De werkwijze van het bestaande strafrechtelijke systeem resulteert erin dat mensen met een beperking in het
uitoefenen van hun vrije wil door een psychische stoornis
als er geen TBS aan de orde komt soms langdurige vrijheidsstraffen krijgen opgelegd. In het vervolg van dit artikel zullen wij onze bezwaren toelichten.
De betekenis van het bestreden uitgangspunt
Ook bij het toerekenen is sprake van waarheidsvinding.
Het gaat er immers om zich een goed beeld te verwerven
over de waarheid wat betreft de rol van eventuele pathologie. Dat betekent dat ook wat betreft het toerekenen de
principes van de kennistheorie van toepassing zijn.
De door de auteurs gewraakte juridische redeneertrant kan worden vergeleken met het bewijzen van het
geslacht, waarbij ervan wordt uitgegaan dat in principe
iedereen vrouw is en moet worden bewezen dat iemand
van het mannelijk geslacht is. Wat niet klopt aan deze
redeneerwijze, is dat in werkelijkheid ongeveer de helft
van de mensen geen vrouw maar man is. Om de werkelijkheid dichter te benaderen mag daarom de a priori kans
dat iemand van het mannelijk geslacht is niet zo laag worden gemaakt.
Bij het beoordelen van de geestelijke vermogens van
verdachten van levensdelicten doet zich een soortgelijk
probleem voor. Uit allerlei onafhankelijk bronnen, bijvoorbeeld de resultaten van epidemiologisch onderzoek, weten
wij dat ziekelijke stoornissen van de geestvermogens veel
voorkomen.6 In Nederland lijden, alle leeftijdsgroepen
meegeteld, naar schatting 281.000 mensen aan een zogenaamde Ernstige Psychiatrische Stoornis (EPA, volgens de
betreffende consensusdefinitie).7 60 tot 80% van de EPApatiënten is periodiek of permanent psychotisch.8 Ook
weten wij dat mensen met bepaalde psychische ziekten
een gevaar kunnen vormen voor zichzelf en anderen.
Mensen met een depressie kunnen zichzelf en hun geliefden om het leven brengen en mensen met een paranoïde
3. R.C. Brouwers, A.J.M. Loonen, E.M.C.
delsblad, 19 maart 2007; A.J.M. Loonen,
en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-Insti-
land’, Tijdschrift Psychiatrie 2013/55, p.
Groenewoud-van Nielen & T.I. Oei, Causa-
‘Juridisch bewijs gezien door een biomedi-
tuut 2010.
427-438.
liteitsbeoordeling: bespreking van een
sche wetenschapper’, NJB 2008/83, p.
7. P.A.E.G. Delespaul, Terug naar af met de
8. Infra noot 7 en GGZ Nederland, Naar
casus met paroxtinegebruik naar aanleiding
158-160.
ggz? (oratie Maastricht), Maastricht: Uni-
herstel en gelijkwaardig burgerschap,
van de uitspraak (ongepubliceerd manus-
5. Supra noot 2.
versiteit Maastricht 11 april 2013; Ph.
Amersfoort: GGZ Nederland 2009.
cript).
6. R. de Graaf, M. ten Have & S. van Dors-
Delespaul e.a. ‘Consensus over de definitie
4. A.J.M. Loonen, ‘Juridische bewijsvoering
selaer, De psychische gezondheid van de
van mensen met een ernstige psychische
zou wetenschapper verbazen’, NRC Han-
Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet
aandoening (EPA) en hun aantal in Neder-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
905
Focus
waan kunnen agressief worden naar anderen, vooral wanneer zij ook alcohol of drugs gebruiken.9 Dit wordt ook
door de wetgever onderkend: krachtens de Wet Bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) kunnen deze mensen tegen hun wil in een ggz-instelling worden opgenomen en kunnen bij hen dwangmiddelen worden toegepast. Dit heeft als consequentie dat in ieder
geval statistisch bezien onder de plegers van levensdelicten vaker mensen met dit soort psychische stoornissen
worden aangetroffen dan hun frequentie van voorkomen
is binnen de algemene bevolking.10 Dit maakt de stelling
dat iedere delinquent toerekeningsvatbaar is zolang het
tegendeel niet is bewezen, onhoudbaar en daardoor levert
de beschreven werkwijze onjuiste resultaten op.
De stelling dat iedere delinquent
toerekeningsvatbaar is zolang
het tegendeel niet is bewezen
is onhoudbaar
We kunnen dit punt ook met een rekenvoorbeeld
toelichten. Beschouw een fictieve populatie van 2000
mensen, en veronderstel dat er in die populatie 30 personen zijn met een psychische stoornis.
Levensdelict
Stoornis
3
Geen stoornis 2
Totaal
5
Geen levensdelict
27
1968
1995
Totaal
30
1970
2000
Puur ter illustratie poneren we dat de kans dat een
persoon met een stoornis een levensdelict pleegt ongeveer
1 op 10 is, terwijl dit voor anderen ongeveer 1 op 1000 is.11
De tabel laat nu zien dat wanneer gegeven is dat een persoon een levensdelict heeft gepleegd, de kans op een stoornis 3/5= 60% is, terwijl zonder deze informatie deze kans
30/2000=1,5% is. De feitelijkheid van het hebben gepleegd
van een levensdelict heeft dus een grote impact op de
kans dat een persoon een stoornis heeft: de a priori kans
van 1,5% loopt op tot 60%. Verder bewijsmateriaal zal nu
deze 60% als nieuwe a priori kans moeten nemen, en de
prior aanname dat iedereen psychisch gezond is tenzij het
tegendeel bewezen wordt is in deze situatie dus misleidend en niet adequaat. Het zal leiden tot een te conservatieve inschatting van de geestelijke vermogens.
We merken nog op dat deze situatie wezenlijk anders
is dan het principe in onze rechtsstaat dat iedereen
onschuldig is tenzij het tegendeel is bewezen. In die situatie is zonder verder bewijsmateriaal de a priori kans dermate laag dat dit principe van onschuldpresumptie
gerechtvaardigd is. Kortom, het is niet mogelijk om iedereen over één kam te scheren.
906
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Waarheidsvinding bij beperkte zekerheid
Ook een andere beperking van de gerechtelijke onderzoeksmethode blijft actueel. Rechters baseren hun conclusies inzake de werkelijkheid soms niet op het berekenen
van kansen, maar (althans in het vonnis) op het beoordelen van de afzonderlijke argumenten. Bij de gerechtelijke
onderzoeksmethode wordt in principe (kort door de
bocht) argument voor argument op betrouwbaarheid
onderzocht en terzijde geschoven wanneer het onvoldoende betrouwbaar wordt geacht (het heet dan dat het argument onvoldoende overtuigend was). Wanneer er tenminste één argument bestaat dat voldoende betrouwbaar
wordt geacht, wordt (nogmaals voor de duidelijkheid sterk
overdreven) rustig het gehele eindoordeel daarop gebaseerd. Ook strafpleiters maken regelmatig gebruik van
deze redeneerwijze; alle afzonderlijke aanwijzingen zijn
zwak, dus de officier van justitie heeft eigenlijk geen zaak,
heet het dan.
We kunnen het probleem ook hier illustreren met
een rekenvoorbeeld. Stel, we werpen een dobbelsteen en
willen aantonen, op basis van beperkte informatie, dat
twee ogen bovenkwamen. Als ik alleen de informatie geef
dat het aantal ogen even is, dan is er slechts een kans van
een op drie dat het aantal ogen twee is. Als ik alleen de
informatie geef dat het aantal ogen hooguit drie was, dan
is opnieuw de kans op twee ogen een op drie. Als ik echter
de informatie combineer, en zeg dat het aantal ogen zowel
even als hooguit drie is, dan is twee de enig overgebleven
mogelijkheid, en het geheel van de informatie is voldoende om te kunnen concluderen dat er met zekerheid twee
ogen gegooid zijn. Met andere woorden: het feit dat de
verschillende argumenten ieder afzonderlijk niet betrouwbaar genoeg zijn, betekent nog niet dat de combinatie van
de argumenten dat ook niet is.
Tegenover deze juridische selectiemethode mogen bij
de biomedische en natuurwetenschappelijke onderzoeksmethoden bevindingen (argumenten) zelden geheel buiten beschouwing worden gelaten. Van iedere bevinding
wordt de betrouwbaarheid gewogen en het eindoordeel
berust op het totaal van deze gewogen bevindingen. Het
spreekt vanzelf dat wij de natuurwetenschappelijke onderzoeksmethoden niet willen verschonen van kritiek. Desalniettemin levert de combinatie van argumenten in de
bètawetenschappen waarschijnlijk in de hier besproken
context een goede weergave van de onderzochte werkelijkheid. Systematisch toepassen van deze methode kan bijdragen aan het optimaliseren van de rechtspraak.
De causaliteitsrelatie in de geneeskunde
In de rechtspraak gaat het regelmatig om de vraag in hoeverre de verweten gedragingen zijn toe te schrijven aan
het gebruik of het staken van (genees)middelen. Hiervoor
bestaat belangstelling omdat, wanneer dit deel van de
handelingen zich onttrekt aan de vrije wil van betrokkene,
dit hem of haar ook niet is aan te rekenen. Het gaat daarbij om het beoordelen van de (mede)causaliteit. In dit
opzicht is het werk van een rechter vergelijkbaar met dat
van een diagnosticus in de geneeskunde, die belangstelling heeft voor de veroorzaker van ziekteverschijnselen.
Mogelijk kunnen de rechtspraak en de geneeskunde dan
ook van elkaar leren waar het gaat over het afwegen van
argumenten bij het vinden van de oorzaak van handelen
Systematisch toepassen van
deze methode kan bijdragen
aan het optimaliseren van de
rechtspraak
en gedrag. Het tegen elkaar afwegen van verschillende
argumenten is een normaal onderdeel van het diagnostisch proces in de geneeskunde. Het is heel gebruikelijk
om een lijst van mogelijke aandoeningen op te stellen die
zouden kunnen passen bij de verschillende klachten en
verschijnselen, om daaruit vervolgens een beredeneerde
keuze te maken. Men noemt dit proces differentiële diagnostiek. Dit geldt ook bij het inschatten of een bepaald
klinisch fenomeen samenhangt met het gebruik van een
bepaald geneesmiddel, dat wil zeggen de specifieke causaliteitsrelatie: wat is de kans dat het gebruik van dit middel
een relevante bijdrage heeft geleverd aan het opgetreden
klinische fenomeen onder deze omstandigheden en bij dit
beloop van de verschijnselen? Meestal bestaan ook diverse
andere kanshebbers om het klinische fenomeen te veroorzaken. Sommige daarvan maken het klinische fenomeen
instrumenteel mogelijk: er kan geen stollingsprobleem
optreden wanneer bloed niet kan stollen. Andere factoren
kunnen het ook hebben veroorzaakt of een bijdrage hebben geleverd aan het verschijnsel. Zo levert ook roken
vaak een bijdrage aan het optreden van een stollingsprobleem. Geheel zeker kan de keuze eigenlijk nooit worden
gemaakt. Met deze onzekerheid moet rekening worden
gehouden en het mag handelend optreden niet in de weg
staan. Voor het op reproduceerbare en verifieerbare wijze
beoordelen van de causaliteitsrelatie tussen een klinisch
fenomeen en het gebruik van een geneesmiddel zijn verschillende hulpmiddelen ontwikkeld.12 Deze hulpmiddelen hebben vaak de vorm van een beslisboom of een waarschijnlijkheidstabel. Een veelgebruikt voorbeeld is het
schema van Naranjo (Figuur 1),13 dat ook wordt toegepast
door het Nederlands centrum voor bijwerkingenregistratie Lareb14 en wordt vermeld in het farmacotherapeutisch
kompas.15 In dit schema wordt een aantal argumenten die
voor een causale relatie pleiten op een rij gezet en gewaardeerd door middel van een punttoekenning. De som van
alle punten wordt gebruikt om de waarschijnlijkheid van
een causale relatie in te schatten. De uitkomst betekent
niet dat het gebruik van een geneesmiddel de enige factor
is die het klinische fenomeen heeft veroorzaakt, wel dat
de invloed groot genoeg is geweest om tot uitdrukking te
komen in de loop der gebeurtenissen.
Figuur 1
Causaliteitsschaal volgens Naranjo
Are there previous conclusive reports on this reaction?
Did the adverse event appear after the suspected drug was administered?
Did the adverse reaction improve when the drug was discontinued or a specific
antagonist was administered?
Did the adverse reaction reappear when the drug was re-administered?
Are there alternative causes (other than the drug) that could on their own have
caused the reaction?
Did the reaction reappear when a placebo was given?
Was the drug detected in the blood (or other fluids) in concentrations known to be
toxic?
Was the reaction more severe when the dose was increased, or less severe when the
dose was decreased?
Did the patient have a similar reaction to the same or similar drugs in any previous
exposure?
Was the adverse event confirmed by any objective evidence?
Yes
No
Unknown
+1
+2
+1
0
-1
0
0
0
0
+2
-1
-1
+2
0
0
-1
+1
+1
0
0
0
+1
0
0
+1
0
0
+1
0
0
Score: ≥9 definite; 5-8 probable; 1-4 possible; 0 doubtful
9. A.F. Nederlof, Psychotic Symptoms,
beschouwd moeten worden als potentiële
operationele definiëring en structurering’,
reactions’, Clinical Pharmacology & Thera-
Anger, and Anxiety as Determinants of
daders van ernstige delicten.
Pharmaceutisch Weekblad 1990/125, p.
peutics, 1981/30, p. 239-245.
Aggressive Behavior (diss. Rotterdam),
11. De getallen zijn geheel fictief. In werke-
36-44.
14. www.lareb.nl.
Rotterdam: Erasmus Universiteit 6 januari
lijkheid zijn de verschillen veel minder uitge-
13. C.A. Naranjo, U. Busto, E.M. Sellers, P.
15. www.cvz.fk.nl.
2012.
sproken.
Sandor, I. Ruiz, E.A. Roberts, E. Janecek, C.
10. Dit houdt omgekeerd niet in dat alle
12. A.J.M. Loonen, ‘Klinisch veiligheidson-
Domecq & D.J. Greenblatt, ‘A method for
mensen met een psychiatrische ziekte
derzoek van geneesmiddelen: classificering,
estimating the probability of adverse drug
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
907
Focus
Waarschuwing
In dit artikel wordt misschien de indruk gewekt dat mensen met een psychotische stoornis maar gevaarlijk zijn en
beter niet los kunnen rondlopen. De redenatie mag echter
niet worden omgedraaid: het feit dat onder de plegers van
een levensdelict vaker mensen met een ernstige psychische
stoornis voorkomen dan in de maatschappij betekent volstrekt niet dat veel mensen met een ernstige psychische
stoornis levensdelicten plegen. Ook mag hieruit niet zonder meer worden geconcludeerd dat bij deze delinquenten
een hoge kans op recidive bestaat. Het is bepaald onterecht
dat vanuit dit oogpunt gemakkelijk tbs wordt opgelegd.
Conclusie
De rechtspraak in Nederland wordt in het algemeen van
hoge kwaliteit geacht, ook in vergelijking met de ons
omringende landen. Juist wat betreft het rechtspreken
over gestoorde daders maakt het Nederlandse systeem het
de rechter echter wel erg moeilijk. Het Nederlandse tweesporenbeleid – straffen of in TBS plaatsen – waarbij de
beslissing sterk is gebaseerd op een te prematuur beslissingstraject op basis van adviezen met een grote foutmarge, kan gemakkelijk in onjuistheden in vonnissen resulteren. Wanneer dan ook nog intrinsiek beperkingen van het
juridisch redeneren en beschouwen weinig tot geen correctie kennen, kunnen de uitkomsten voor juist de meest
kwetsbare en gestoorde daders erg onevenwichtig worden.
Hopelijk komt door dit artikel de gedachtewisseling tussen verschillende disciplines over het vermijden van deze
onevenwichtigheden op gang. In feite zijn de problemen
uit de rechtspraak en de geneeskunde in vele opzichten
parallel. Met een uitwisseling van ideeën kunnen dan ook
wellicht beide disciplines hun voordeel doen.
Aanbevelingen
In dit artikel wordt bepleit om een rechtszaak gemakkelijker te heropenen, wanneer tijdens detentie of tbs uit het
verdere beloop van de psychische stoornis blijkt dat de
medische informatie waarop het vonnis is gebaseerd niet
908
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
juist was. Verder wordt bepleit om het argument te corrigeren uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat
iedereen wilsbekwaam kan worden geacht voor zover
onzeker is dat het hem ten tijde van zijn handelen aan
ieder inzicht in de draagwijdte daarvan en de mogelijke
gevolgen heeft ontbroken. Bovendien willen de auteurs
aandringen op het vervangen van de term ‘toerekeningsvatbaarheid’. Het is beter om de toerekening geheel te
baseren op het combineren van een stelsel van toepasselijke argumenten die ieder voor zich met een geschatte
waarschijnlijkheid pleiten voor een beperking van het
Wanneer dan ook nog
intrinsiek beperkingen van het
juridisch redeneren en
beschouwen weinig tot geen
correctie kennen, kunnen de
uitkomsten voor juist de meest
kwetsbare en gestoorde daders
erg onevenwichtig worden
kunnen uitoefenen van de vrije wil. Dit is vergelijkbaar
met de werkwijze binnen de medische differentiële diagnostiek. De in dit artikel geschetste werkwijze om te
komen tot een inschatting van de bijdrage van het
gebruik of het staken van geneesmiddelen aan het opreden van het verweten gedrag vormt daarvan een goed
voorbeeld.
Opinie
722
Hof: politie niet
verplicht om op te
treden bij mishandeling
Sébas Diekstra1
Burgers filmen of fotograferen de politie dagelijks tijdens de uitvoering van de politietaak. De politie heeft
geen bevoegdheden om daar zomaar tegen op te treden. Dat gebeurt echter soms toch met verstrekkende
gevolgen zoals blijkt uit een zaak die zich af heeft gespeeld op 4 juli 2012 in Den Haag. Een politieagent heeft
met toepassing van grof geweld een jongeman gedwongen om foto’s van zijn telefoon te wissen die hij zojuist
van een politieoptreden had gemaakt. De politieambtenaren die daarbij stonden hebben niet ingegrepen. Het
Gerechtshof Den Haag heeft in een proces dat is voortgevloeid uit het gewelddadige en onrechtmatige handelen van de betreffende politieagent geoordeeld dat er op de andere politieambtenaren geen rechtsplicht rustte
om in te grijpen. Een oordeel dat tal van vraagtekens oproept.
I
n de nacht van dinsdag 3 op woensdag 4 juli 2012
zijn een tweetal vrouwelijke politieambtenaren in
uniform gekleed nabij een tankstation in Den Haag
bezig met het uitschrijven van een bekeuring aan een jongeman voor wildplassen. In de directe omgeving staat een
groep vrienden van de jongeman. Eén van de jongemannen uit die groep besluit om een aantal foto’s van de
bekeuringssituatie te maken met de camera op zijn
mobiele telefoon. Niet veel later lopen er twee politiemannen, in burger gekleed, in de richting van deze fotograferende jongeman. Hij wordt direct door één van de politiemannen in burger hardhandig bij zijn keel vastgegrepen.
De politieman dwingt hem vervolgens om de foto’s die hij
zojuist heeft gemaakt van zijn telefoon te wissen. De politieman blijft hem gedurende langere tijd bij zijn keel vasthouden. De drie overige aanwezige politieambtenaren
zien opmerkelijk genoeg geen enkele aanleiding om in te
grijpen. De jongeman wist de foto’s van zijn telefoon in de
hoop dat de agressieve politieman zijn keel loslaat. Een
vriend van de jongeman vindt het zo bizar dat geen van
de politieambtenaren ingrijpt dat hij naar hen een aantal
woorden in de richting van de politie schreeuwt mede om
duidelijk te maken hoe idioot hij het vindt dat zij werkeloos staan toe te kijken. Hij schreeuwt: ‘Jullie zijn een stelletje idioten met een Godcomplex’. De fotograferende jongeman wordt uiteindelijk door de agressieve politieman
los gelaten, maar zijn vriend wordt direct daarop aangehouden voor belediging van politieambtenaren.
Kort na zijn aanhouding ontvangt de jongeman die
de uitlatingen heeft gedaan een strafbeschikking met een
boete van € 450. Hij is het hier totaal mee oneens en gaat
direct in verzet. De zaak komt uiteindelijk op zitting bij
een Haagse politierechter. Ter zitting wordt duidelijk dat
de politierechter het dossier niet goed gelezen heeft, want
zij vraagt: waarom maak je dan ook foto’s van de politie
als zij aan het werk zijn?’. Een vraag die de uitspraak al
doet voorzien. De verdediging voert het verweer dat de
politieambtenaren onrechtmatig handelden en dus niet
in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.
Dat verweer wordt verworpen en de jongen wordt direct
veroordeeld voor belediging van de politieambtenaren.2
Wel wordt de opgelegde boete verminderd tot € 200. Tijdens het doen van de uitspraak vroeg de politierechter
ook nog op retorische wijze aan de jongen of hij het zelf
leuk zou vinden als er een foto van hem werd gemaakt.
Een vraag die weinig op zijn plaats was.
De jongeman gaat tegen het vonnis in hoger beroep.
Enige tijd voor de zitting in hoger beroep komt er een
brief van een bureauchef van de politie beschikbaar waarin het gedrag van de agressieve politieman wordt veroordeeld en als grensoverschrijdend en als onrechtmatig
wordt bestempeld. Deze brief wordt aan het strafdossier
toegevoegd. Er volgt een zitting bij het Hof. Door de verdediging wordt wederom aangevoerd dat de belediging niet
bewezen kan worden, omdat het gedrag van de agressieve
politieman onrechtmatig was. De verdediging stelt dat er
overduidelijk geen enkele grond was voor toepassing van
geweld. En doordat de andere politieambtenaren niet hebben ingegrepen, hebben ook zij onrechtmatig gehandeld.
Veertien dagen later volgt de uitspraak.3 De jongen wordt
nu vrijgesproken voor de belediging van de agressieve
politieman die zijn vriend langere tijd hardhandig bij zijn
keel heeft vastgegrepen en gedwongen heeft de foto’s te
wissen. Maar het Hof veroordeelt hem wel voor belediging
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
909
Opinie
van de overige aanwezige politieambtenaren. Ten aanzien
van de genoemde verweren oordeelt het Hof als volgt:
‘Het optreden van verbalisant A was onrechtmatig en ten
aanzien van deze verbalisant zal het hof de verdachte dan
ook vrijspreken van belediging. Ten aanzien van de overige
verbalisanten bestond er naar het oordeel van het hof in
het onderhavige geval geen rechtsplicht om in te grijpen
en kan de belediging derhalve worden bewezen.’ Het Hof
stelt aldus vast dat er geen rechtsplicht op de andere politieambtenaren rustte om in te grijpen bij het onrechtmatige en excessief gewelddadige optreden van hun collega.
De feiten in deze zaak hebben nimmer ter discussie
gestaan. De kern van de zaak was en is nog steeds de vraag
of de politieambtenaren hadden moeten optreden tegen
het bij de keel pakken en gedurende langere tijd vastpakken van de jongen en hem daarmee te dwingen de foto’s te
wissen. Het Hof is van oordeel dat de aanwezige politieambtenaren dit niet hadden hoeven te doen. Dit omdat er
naar haar oordeel geen rechtsplicht op hen rustte. Inmiddels is er cassatie ingesteld door de verdediging en daarbij
is onder meer aangevoerd dat de politie op grond van de
wettelijke taakstelling, welke onder meer is vastgelegd in
artikel 3 (2 oud) van de Politiewet, verplicht is tot de daad-
werkelijke handhaving van de rechtsorde.4 Politieambtenaren zijn voor die politietaak opgeleid en getraind en
beschikken ook over de wapens en uitrusting om die taak
desnoods met dwang en geweld te kunnen uitoefenen. Juist
van politieambtenaren mag daarom worden verwacht dat
zij optreden waar burgers mogen stilzitten of vluchten.
De conclusie zou geen andere mogen zijn dan dat de
betreffende politieambtenaren onrechtmatig gehandeld
hebben door niet op te treden en de jongeman daarbij
aan zijn lot over te laten. De uitspraak van het Hof, inhoudende dat politieambtenaren niet verplicht zijn om op te
treden wanneer een burger op gewelddadige wijze wordt
mishandeld, betekent de facto dat de burger vogelvrij
wordt verklaard. Deze uitspraak is onbegrijpelijk.
Auteur
3. Hof Den Haag 13 juni 2013 (niet gepu-
1. Mr. S.M. Diekstra is advocaat te Den
bliceerd).
Haag.
4. Zie hierover: J. Naeyé, (2011) ‘Burgerarrest’, p. 215. In: L.G. Moor, F. Hutsebaut, P.
Noten
van Os & D. van Ryckeghem (red.). Burger-
2. Rb. Den Haag 23 november 2012 (niet
participatie. Antwerpen: Maklu (Cahiers
gepubliceerd).
Politiestudie 2011-2, 213-226).
723
Caribisch Nederland of
Nederland Caribisch ?
Leo van Montfoort1
Het uiteenvallen van het Koninkrijksland Nederlandse Antillen heeft onder meer tot gevolg gehad dat binnen
het Koninkrijksland Nederland de bijzondere openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn ontstaan.
E
en van de vele vragen die dat oproept is in hoeverre
en in welk tempo Nederlandse wetgeving op deze
eilanden dient te worden ingevoerd. Er zijn daarvoor commissies en werkgroepen, bijgestaan door vele
ambtenaren.
Nadat ik het voorrecht heb gehad op elk van deze
eilanden enige tijd te hebben kunnen doorbrengen, acht
ik mij gekwalificeerd hierover een afwijkende mening te
hebben, met name op het gebied van mijn eigen expertise, die van het ruimtelijk bestuursrecht.
Waarom draaien we de zaak niet om? Waarom leert
het Europese Nederland niet van de BES-eilanden? Met
minder regelgeving, meer participatie en veel meer normaal maatschappelijk risico kan het ook, en beter. Uiter-
910
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
aard helpt de zonneschijn, maar toch: is het nu echt nodig
om elke maatschappelijke activiteit op voorhand te regelen en aan banden te leggen? Van het begrip deregulering
weet eenieder dat het meer regelgeving en meer ambtenaren oplevert.
Doe het op zijn Caribisch en begin aan de onderkant.
Dus niet de BES-eilanden vernederlandsen, maar – om te
beginnen – de Waddeneilanden caribiseren.
Schiermonnikoog met de regelgeving van Saba: wie zou
daar slechter van worden??
Auteur
1. Mr.drs L.A. van Montfoort is juridisch adviseur te Amersfoort
Vragen
724
Een paar vragen aan
Kluwer
Dirk Visser en anderen1
Uitgeverij Kluwer heeft sinds jaar en dag een dominante positie op de Nederlandse markt voor Nederlandstalige juridische informatie, met een marktaandeel van naar verluidt tussen de 50 en 75%.2 Veel professionele
gebruikers, waaronder universiteiten en overheidsinstellingen, maar ook studenten en scholieren, kunnen
niet zonder de juridische informatie van Kluwer.
Kluwer biedt sinds kort een flink aantal bestaande juridische handboeken, zogenaamde Expert-titels, aan als
e-book, af te nemen in pakketten. Als de juridische faculteiten in Nederland deze digitale boeken voor hun
studenten beschikbaar willen krijgen, zullen ze daarvoor apart moeten gaan betalen. Het is de vraag of de
faculteitsbibliotheken die kosten zullen kunnen opbrengen. Mogelijk moeten zij afzien van het aanschaffen
van deze informatie of bezuinigen op andere bronnen.
Kluwer gaat kennelijk ervan uit vrij te zijn in het uitbrengen
van digitale uitgaven. Zo is aan de eerste auteur van dit stuk,
tevens auteur van één van die Expert-titels, nooit gevraagd of
hij akkoord was met het aanbieden van zijn boek als e-book.
Het is hem slechts medegedeeld dat dit gaat gebeuren. Niet is
verteld of en wat voor royalty’s daartegenover zouden staan.
Hij zou overigens graag zien dat deze (enigszins verouderde
titel uit 2005) gratis voor de universitaire wereld beschikbaar
zou komen en hoeft er dan uiteraard ook geen royalty’s voor
te ontvangen. Maar de zojuist geschetste ontwikkeling is ook
om andere, nog veel belangrijker redenen zorgwekkend en
geeft aanleiding tot een aantal kritische vragen.
publicatie als geheel te verwijzen. Deze wijze van beschikbaar stellen door Kluwer voldoet niet aan de maatstaven
die voor deugdelijke wetenschappelijke literatuur worden
aangehouden.
De universiteiten betalen al bijna € 1 miljoen
per jaar aan Kluwer voor juridische digitale
content
De Nederlandse universiteiten betalen bij elkaar al bijna
€ 1 miljoen per jaar aan Kluwer om alle juridische digitale
tijdschriften en naslagwerken van Kluwer voor hun studenten beschikbaar te krijgen.3
Geen pdf ’s, geen paginanummers
Het is zeer waarschijnlijk dat universiteiten (nog) meer
papieren abonnementen gaan opzeggen. Dat zou op zichzelf geen groot probleem zijn als de digitale varianten een
volwaardig alternatief zouden zijn. Helaas is dat bij Kluwer niet het geval. De digitale variant in de Kluwer Navigator is slecht leesbaar, biedt geen pdf’s en er staan geen
paginanummers in de publicaties. Daardoor is het voor
gebruikers noch auteurs mogelijk naar paginanummers te
verwijzen. Weliswaar biedt Kluwer digitale publicatienummers, maar dat biedt alleen de mogelijkheid om naar de
Deze wijze van beschikbaar stellen
door Kluwer voldoet niet aan de
maatstaven die voor deugdelijke
wetenschappelijke literatuur worden
aangehouden
Auteurs
bij Kluwer. Een eerdere versie van deze tekst is
vóór de aanbieding ervan ter publicatie aan de
aandeel van tussen de 20 en 30%, de
1. Prof. mr. D.J.G. Visser (d.j.g.visser@law.
door eerst ondergetekende besproken met de
redactie van NJB aan Vrancken Peeters gezon-
rest bij elkaar de resterende 10%.
leidenuniv.nl) is hoogleraar intellectuele eigen-
heer Frank Vrancken Peeters, CEO van Wol-
den, met de suggestie op het stuk, ná publica-
3. In 2014 om precies te zijn € 970.793,-
domsrecht in Leiden, advocaat in Amsterdam
ters Kluwer Nederland. Naar aanleiding daar-
tie ervan in NJB, te reageren.
exclusief btw. Bron: Contract Surf
en auteur bij Kluwer. De overige onderteke-
van zijn enkele correcties aangebracht. Vervol-
naars zijn ook werkzaam (geweest) bij een
gens zijn tekstuele suggesties van verschillende
Noten
Nederlandse universiteit en auteur (geweest)
ondertekenaars verwerkt. De huidige tekst is
2. SDU heeft naar verluidt een markt-
(namens de universiteiten) / Kluwer uit
november 2013, p. 10, bijlage B-a.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
911
Vragen
De meeste juridische boeken en
artikelen die bij Kluwer verschijnen
en worden afgenomen door de
universiteiten worden geschreven
door auteurs die in dienst zijn van
diezelfde universiteiten
De universiteiten betalen al ruim € 1 miljoen
per jaar voor korte overnames in readers
Voor korte overnames in readers en in digitale leeromgevingen betalen Nederlandse universiteiten een bedrag per
student, in totaal ruim € 1 miljoen per jaar, aan digitale
rechtenorganisatie Stichting PRO.4 De Leidse universiteit
betaalt in totaal € 200.000 per jaar. Op grond van haar
marktaandeel komt een aanzienlijk deel van dat geld via
Stichting PRO bij Kluwer terecht. Daarnaast gaat er een
deel naar de auteurs. Per auteur is dit echter echt peanuts,
zo weinig dat je je afvraagt of de administratiekosten niet
onverantwoord hoog zijn.
De universiteiten betalen al ruim € 1 miljoen
per jaar voor langere overnames in readers
Voor langere overnames in readers en in digitale
leeromgevingen betalen Nederlandse universiteiten een
bedrag per overname, in totaal ruim nog eens € 1 miljoen per jaar, aan Stichting PRO. 5 Alleen de Leidse rechtenfaculteit betaalt per jaar bijvoorbeeld al € 80.000,-.
Op grond van haar marktaandeel komt ook van dat geld
een aanzienlijk deel bij Kluwer terecht. Een deel wordt
ook hier, met relatief hoge administratiekosten, aan
auteurs overgemaakt. Per auteur is dat heel weinig.
Op grond van een contract uit oktober 2013 is met
terugwerkende kracht sinds medio 2013 op aandringen
van Kluwer de readerregeling weer volledig van toepassing op langere overnames uit Kluwer-materiaal. Tot
medio 2013 behoefde voor dergelijke lange overnames
uit Kluwer-materiaal niet afzonderlijk te worden betaald.
Die overnames vielen onder de licentie voor de digitale
tijdschriften en naslagwerken. Nu dus niet meer:
‘Uitsluitend gedurende de periode van 1 januari 2013
tot en met 5 juni 2013 is onder de Gebruiksrechten
tevens begrepen het zonder te betalen van een nadere
billijke vergoeding opnemen van delen van de Content in elektronische dan wel papieren publicaties die
worden gemaakt als toelichting bij het onderwijs. Partijen komen echter uitdrukkelijk overeen dat dit
Gebruiksrecht vervalt na 5 juni 2013 en dat na deze
datum het gebruik van de Content voor dit doel niet
langer deel uitmaakt van deze Overeenkomst.’6
De universiteiten worden hiermee dus expliciet
gedwongen om voor langere overnames uit het Kluwermateriaal naast de contractuele vergoeding via Stichting
PRO ook (nogmaals) aan Kluwer te betalen. Mogelijk is dit
een reactie van Kluwer op de door Stichting PRO in haar
jaarverslag over 2012 geconstateerde ‘dramatische krimp’
van dit deel van de readerinkomsten.7
De readerregeling voor lange overnames is administratief zeer belastend voor universitaire medewerkers. Zij
begrijpen de regeling meestal niet goed en maken daardoor fouten, die leiden tot het verbeuren van contractuele boetes. Dat leidt weer tot grote terughoudendheid,
waardoor er steeds minder lange overnames in readers
worden opgenomen of opname in readers alleen plaatsvindt uit rechtenvrije bronnen, zoals te vinden op rechtspraak.nl. Daarnaast worden er hyperlinks geplaatst naar
digitale versies in de Kluwer Navigator, waarvan vaak
geen pdf-versie bestaat. Dat is voor niemand goed, maar
het systeem dwingt daartoe, nu Kluwer zich voor de lange readerovernames weer dubbel laat betalen.
De universiteiten betalen bijna € 2 miljoen
per jaar voor losse fotokopieën
Met deze dubbele betalingen zijn we er nog niet. Voor de losse fotokopieën die studenten en medewerkers maken, betalen de Nederlandse universiteiten gezamenlijk ook nog eens
€ 2 miljoen per jaar aan de Stichting Reprorecht.8 Op grond
van haar marktaandeel komt uiteraard ook hiervan weer een
aanzienlijk deel bij Kluwer terecht. Ook hier weer hetzelfde
liedje: veel administratieve rompslomp om zeer bescheiden
tot verwaarloosbare bedragen aan auteurs over te maken.
De universiteiten betalen de salarissen van
de juridische auteurs
De meeste juridische boeken en tijdschriftartikelen die bij
Kluwer verschijnen en worden afgenomen door de universiteiten worden geschreven door auteurs die in dienst zijn
van diezelfde universiteiten. Ter illustratie: de afgelopen
jaren verschenen er per jaar bij Kluwer ruim meer dan
tweehonderd boeken, boekdelen en tijdschriftartikelen
geschreven door auteurs verbonden aan de Leidse juridische faculteit. De universiteiten hebben dus al betaald
voor de productie van de meeste juridische literatuur,
waarvoor ze dus ook nog eens dubbel moeten betalen.
Open Access
Kluwer voert het meest restrictieve beleid van alle Nederlandse juridische uitgevers ten aanzien van het toestaan
van plaatsing van pdf’s van artikelen in Open Access. In
de meeste gevallen staat Kluwer dat gewoon niet toe. Het
plaatsen van artikelen in Open Access is steeds gebruikelijker en een goede manier voor in het bijzonder jongere
auteurs om hun bekendheid te vergroten.
4. Bron: Jaarverslag Stichting PRO 2012, p.
6. Bron: Contract Surf (namens de universi-
ke readergelden kent een dramatische
PRO 2012, p. 12.
12. Zie verder over Stichting Pro: www.
teiten) / Kluwer uit november 2013, p. 14,
krimp. In 2012 is er € 1,1 miljoen gefactu-
8. Bron: Jaarverslag Reprorecht 2012,
stichting-pro.nl.
art. 1.13, laatste punt.
reerd aan titelspecifieke readergelden
p. 12. Zie verder over Stichting Reprorecht:
5. Bron: Jaarverslag Stichting PRO 2012, p. 12.
7. ‘De reguliere facturatie van titelspecifie-
(2011: € 1,9 miljoen)’, Jaarverslag Stichting
www.reprorecht.nl.
912
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Vragen
1) Kluwer, wij vragen pdf’s beschikbaar te stellen in de Kluwer Navigator waardoor artikelen beter leesbaar worden
en verwijzing naar paginanummers mogelijk wordt.
2) Kluwer, wij vragen bij de prijsstelling voor de digitale
Expert-titels voor de universiteiten rekening te houden
met het feit dat deze grotendeels zijn geschreven door
auteurs die aan dezelfde universiteiten werkzaam zijn
en dus door dezelfde universiteiten al zijn betaald.
3) Kluwer, wij vragen toe te staan dat universitaire medewerkers hun artikelen direct of na verloop van een
redelijke termijn, bijvoorbeeld drie maanden, in originele pdf-vorm in Open Access plaatsen.
4) Kluwer, wij vragen de maatregel terug te draaien die
maakt dat het niet meer toegestaan is om langere overnames in readers en in elektronische leeromgevingen
op te nemen zonder afzonderlijke betalingen via de
Stichting PRO. Kluwer schiet weinig op met die maatregel, want men zal noodgedwongen uitwijken naar andere bronnen (niet van Kluwer) en overgaan tot linken
naar de Navigator, hetgeen zowel voor studenten als
docenten minder prettig is. Dit hangt deels samen met
het ontbreken van de pdf’s en deels met het feit dat het
vaak prettiger is om verschillende stukken als leerstof
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
Prof. mr. D.J.G. Visser (Universiteit Leiden)
Prof. mr. A.J. Akkermans (Vrije Universiteit)
Prof. mr. M.V. Antokolskaia (Vrije Universiteit)
Prof. mr. J.M. Barendrecht (Universiteit van Tilburg en
HiiL)
Prof. mr. S.E. Bartels (Radboud Universiteit)
Prof. mr. S.M. Bartman (Universiteit Leiden)
Prof. dr. L.F.M. Besselink (Universiteit van Amsterdam)
Prof. dr. K. Boele-Woelki (Universiteit Utrecht)
Prof. mr. P.P.T. Bovend’Eert (Radboud Universiteit)
Prof. mr. C.G. Breedveld (Universiteit Leiden)
Prof. mr. C.D.J. Bulten (Radboud Universiteit)
Prof. mr. D. Busch (Radboud Universiteit)
Prof. mr. A.G. Castermans (Universiteit Leiden)
Prof. dr. P.B. Cliteur (Universiteit Leiden)
Prof. mr. J.H. Crijns (Universiteit Leiden)
Prof. dr. D.M. Curtin (Universiteit van Amsterdam)
Prof. mr. Th.C.J.A. van Engelen (Universiteit Utrecht)
Prof. mr. Ch. Gielen (Universiteit Groningen)
Prof. mr. I. Giesen (Universiteit Utrecht)
Prof. mr. drs. M. Haentjens (Universiteit Leiden)
Prof. mr. T. Hartlief (Universiteit Maastricht)
Prof. mr. J.J. van Hees (Radboud Universiteit)
Prof. mr. A.W. Hins (Universiteit Leiden)
Prof. dr. A. A.H. van Hoek (Universiteit van Amsterdam)
Prof. mr. S. van der Hof (Universiteit Leiden)
Prof. mr. A.M. Hol (Universiteit Utrecht)
Prof. mr. W.A. Hoyng (Universiteit Tilburg)
Prof. mr. P.B. Hugenholtz (Universiteit van Amsterdam)
Prof. mr. C.J.H. Jansen (Radboud Universiteit)
Prof. mr. J.H.A. Lokin (Rijksuniversiteit Groningen)
Prof. mr. W.D. Kolkman (Rijksuniversiteit Groningen)
bij elkaar te presenteren. De readerinkomsten voor lange overnames zullen dus sowieso blijven dalen.
5) Kluwer, zullen we niet helemaal stoppen met de individuele repartitie van repro- en readergelden aan wetenschappelijke auteurs? De administratiekosten zijn
ongetwijfeld hoog en de bedragen die individuele
auteurs ontvangen in de meeste gevallen verwaarloosbaar. Kunnen we reader- en repro-inkomsten van
wetenschappelijke publicaties van uitgever en auteurs
niet allemaal in een pot stoppen en daar de vergoeding
die universiteiten aan Kluwer betalen voor de Navigator en straks de Expert-titels mee verlagen? Of er andere nuttige dingen mee doen?
De essentie van het voorgaande kan in twee punten worden samengevat:
a. Er is sprake van een niet-gerechtvaardigde stapeling van bij
de juridische faculteiten in rekening gebrachte vergoedingen voor juridische teksten die voor een zeer groot deel
door werknemers van deze faculteiten zijn geschreven.
b. Kluwer is te terughoudend bij het beschikbaar stellen
van pdf’s en het toestaan van de plaatsing van pdf’s
van artikelen in Open Access.
De vraag aan Kluwer is om aan deze praktijk een einde te
maken.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
49.
50.
51.
52.
53.
54.
55.
56.
57.
58.
59.
60.
61.
62.
Prof. mr. C.A.J.M. Kortmann (Radboud Universiteit)
Prof. mr. S.C.J.J. Kortmann (Radboud Universiteit)
Prof. mr. H.B. Krans (Rijksuniversiteit Groningen)
Prof. mr. M.J. Kroeze (Erasmus Universiteit)
Prof. mr. drs. M.P. Nieuwe Weme (Radboud Universiteit)
Prof. mr. J.H. Nieuwenhuis (Universiteit Leiden)
Prof. mr. A.J.M. Nuytinck (Erasmus Universiteit en
Radboud Universiteit)
Prof. mr. C.E. du Perron (Universiteit van Amsterdam)
Prof.mr. J.A. Peters (Universiteit van Amsterdam)
Prof. mr. J.E.J. Prins (Universiteit Tilburg)
Prof. mr. H.F.M.W. van Rijswick (Universiteit Utrecht)
Prof. mr. T.A. de Roos (Universiteit Tilburg)
Prof. mr. A.F. Salomons (Universiteit van Amsterdam)
Prof. mr. M. W. Scheltema (Erasmus Universiteit)
Prof. mr. R.J.B. Schutgens (Radboud Universiteit)
Prof. mr. J.L. Smeehuijzen (Vrije Universiteit)
Prof. mr. G. van Solinge (Radboud Universiteit)
Prof. mr. J.M. Smits (Universiteit Maastricht)
Prof. mr. J.B. Spath (Radboud Universiteit)
Prof. mr. P.M. Veder (Radboud Universiteit)
Prof. mr. H.L.E. Verhagen (Radboud Universiteit)
Prof. mr. A.J. Verheij (Rijksuniversiteit Groningen)
Prof. mr. D.W.F. Verkade (Universiteit Leiden / UvA)
Prof. mr. L.C.A. Verstappen (Rijksuniversiteit Groningen)
Prof. mr. F.M.J. Verstijlen (Rijksuniversiteit Groningen)
Prof. dr. W.J.M. Voermans (Universiteit Leiden)
Prof. mr. B. Wessels (Universiteit Leiden)
Prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven (Universiteit Utrecht)
Prof. dr. M.Y.A. Zieck (Universiteit van Amsterdam)
Prof. dr. J.W. Zwemmer (Universiteit van Amsterdam)
Prof. mr. G.J. Zwenne (Universiteit Leiden)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
913
Antwoord
725
Reactie Kluwer
In zijn bijdrage stelt prof. mr. D.J.G. Visser enkele belangrijke vraagstukken aan de orde, waar wij als Kluwer
graag op ingaan. In deze snel veranderende wereld zijn wij als bedrijf continu aan het kijken hoe wij onze producten en diensten kunnen verbeteren. Hieronder lichten wij de relevante punten uit Vissers bijdrage toe.
De essentie
Visser vat de kern van zijn betoog samen in twee punten,
namelijk de vergoedingen die universiteiten betalen voor
juridische teksten en het beschikbaar stellen van artikelen
in Open Access. Wij willen graag met de Nederlandse
wetenschappelijke en onderwijsinstellingen samenwerken
via bijvoorbeeld SURFmarket – de ICT-samenwerkingsorganisatie van het Nederlandse hoger onderwijs en onderzoek – om de vergoedingenmethodiek voor de juridische
kennis die wij aanbieden te vereenvoudigen. Dit met het
oog op een efficiënt gebruik, een brede beschikbaarheid
en een rechtvaardige financiële vergoeding voor zowel
auteurs als uitgever. Wij vragen de betrokken instellingen
dan ook in dit kader om aan SURFmarket een dergelijk
mandaat te verlenen.
Daarnaast herkennen wij als uitgever de fundamentele behoefte achter Open Access. Op dit moment staan
wij auteurs van wetenschappelijke publicaties toe hun
materiaal na een periode in een Institutional Repository te
plaatsen. Wij spelen hier verder op in (en zullen dat blijven doen) door middel van weloverwogen beleid en door
gebruik te maken van technologische ontwikkelingen.
Hierbij zoeken wij de balans tussen de behoefte aan
bekendheid van de auteur en de beschikbaarheid van zijn
werk, de behoefte van de gebruiker aan betrouwbaarheid
van de informatie en ten slotte het belang van de uitgeverij bij continuïteit van bedrijfsvoering. Aanvullende opties
worden op dit moment bekeken.
Auteurs
Wij hebben sympathie voor het standpunt van Visser
om auteurs te vragen af te zien van hun vergoedingen
voor readers, overnames en fotokopieën en die aan te
wenden voor andere doeleinden. Wij zijn echter van
mening dat het niet aan Kluwer is om hierover een
standpunt in te nemen, het is aan de auteurs zelf. De
hoogte van de vergoedingen is in dit perspectief wellicht minder relevant. Slechts een gedeelte van onze uitgaven wordt gecreëerd door auteurs die verbonden zijn
aan een universiteit. Bovendien zal een structurele
oplossing ook draagvlak van andere Nederlandse en buitenlandse uitgevers vragen.
Als uitgever vormen wij een belangrijke schakel tussen auteurs en gebruikers. Wij willen auteurs maximale
bekendheid bieden en gebruikers actuele, juiste en relevante informatie om hun werk te kunnen doen. Wij vergoeden auteurs voor hun bijdragen. Als uitgever voegen
wij vervolgens waarde toe: wij verzorgen de peer review,
verrijken de teksten zodat ze goed vindbaar worden in
een online omgeving, investeren in digitalisering zodat
kennis ook voor de lange termijn beschikbaar blijft, wij
914
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
investeren in online technologie om op gebruiksvriendelijke wijze toegang te bieden, wij verzorgen de papieren
uitgave, zijn verantwoordelijk voor de verkoop en klantondersteuning, doen de marketing, ontwikkelen nieuwe proposities en… Ten slotte nemen wij het ondernemersrisico.
Uiteindelijk zullen al deze activiteiten minimaal kostendekkend moeten worden uitgevoerd.
Auteurs zijn de cruciale partners voor ons bedrijf,
immers geen uitgeverij zonder auteurs. Wij investeren in
onze relaties met auteurs door middel van een uitgebreid
auteursprogramma. Wij onderzoeken iedere twee jaar de
tevredenheid van onze auteurs. Uit deze onderzoeken
blijkt dat auteurs de relatie met Kluwer als positief ervaren. Onlangs is dit onderzoek opnieuw afgerond. Op
grond van de feedback van onze auteurs blijven wij investeren. De ontwikkeling van de Creator is hier een voorbeeld van. Met deze tool kunnen auteurs hun bijdrage
eenvoudig online creëren en actualiseren.
Open Access
Onder het huidige Open Access-beleid van Kluwer staat
het auteurs na overleg vrij om wetenschappelijke publicaties in het geval van tijdschriften na zes maanden en in
het geval van boeken na twaalf maanden in een Institutional Repository op te nemen. In de praktijk zijn wij overigens bereid de embargotermijn te verkorten, bijvoorbeeld
wegens een komend congres of seminar.
In dit dynamische veld bekijken wij ook verschillende andere opties. Zo onderzoeken wij de mogelijkheid of
wij hyperlinks beschikbaar kunnen stellen aan auteurs en
instellingen die direct toegang geven tot de bijdrage van
de auteur in de Kluwer Navigator vanaf bepaalde websites.
Ook bekijken wij of tegen een bepaalde vergoeding – een
Open Access Fee – bijdragen van auteurs via de Navigator
beschikbaar worden gesteld en bijvoorbeeld ook vindbaar
zullen zijn via Google.
Dit terrein is continu in beweging en dat zal voorlopig zo blijven. De behoefte van auteurs en instellingen
om de bekendheid van hun werk te verhogen door het
openbaar beschikbaar te stellen onderkennen wij en als
uitgever spelen wij hier traditioneel een belangrijke rol
in. Ook moeten wij aan gebruikers kunnen garanderen
dat ze, als zij een werk van Kluwer gebruiken, er zeker
van kunnen zijn dat het de juiste en definitieve versie is.
Een situatie waarbij documenten na publicatie aangepast en online beschikbaar worden gesteld, is voor
iedereen nadelig.
Betrouwbaarheid, toegankelijkheid en stabiliteit van
juridische informatie zijn van grote waarde. Uitgevers
nemen hierin hun verantwoordelijkheid met inachtneming van hun economische belangen.
Betrouwbaarheid, toegankelijkheid en stabiliteit van juridische
informatie zijn van grote waarde. Uitgevers nemen hierin hun
verantwoordelijkheid met inachtneming van hun economische
belangen
Korte en lange overnames en prijsstelling
Expert-titels
Met Visser zijn wij het geheel eens dat de huidige structuur van afrekeningen van zowel korte als lange overnames alsmede van fotokopieën complex is. De regelingen
die aan deze structuur ten grondslag liggen zijn ontstaan
in het papieren tijdperk waarin afnemers betaalden per
overgenomen exemplaar en separaat voor additionele
gebruiksrechten. Met de opkomst van digitale uitgaven,
waarbij brede ontsluiting gebruikelijk is, is actualisering
van deze papieren regeling dus zeker aan de orde. Hierbij
zijn wel enkele punten van belang:
– Slechts een deel van onze uitgaven is door SURFmarket
in het huidige contract opgenomen. Een groot aantal
van onze uitgaven wordt alleen in papieren vorm afgenomen.
– Stichting PRO is opgericht om de collectieve exploitatie
van auteursrechten namens alle uitgevers en auteurs te
organiseren. Kluwer als juridische uitgever is hierin
slechts een van de vele partijen.
– Onderwijsinstellingen geven readers uit, waarvoor ze in
de regel aan studenten een vergoeding vragen. Deze
readers worden samengesteld uit delen van producten
van uitgevers.
Ook wij zijn van mening dat het digitale tijdperk om
een nieuw systeem vraagt, bij voorkeur een digitale licentie die de verschillende niet-commerciële gebruiksvormen
en informatiebehoeften ondervangt. Wij zijn daarover in
gesprek met een aantal belanghebbenden. De uitdaging
hierbij is wel dat wij met elkaar eens moeten worden wie
hiervoor het mandaat heeft. Wat ons betreft is bijvoorbeeld SURFmarket met een breed mandaat een logische
optie. SURFmarket zou hierbij een overkoepelende zienswijze moeten hanteren ten aanzien van de financiële stromen en de totale informatiebehoefte (papier, digitaal, boeken, tijdschriften, archief, hergebruik, readers, …).
Wij zijn ons bewust van onze prominente positie bij
wetenschappelijke en onderwijsinstellingen als belangrijke juridische uitgever in Nederland. Adequate toegang tot
informatie bieden aan wetenschappelijke en onderwijsinstellingen is immers een belangrijk onderdeel van onze
maatschappelijke rol. Daarom rekenen wij voor dit
gebruik een vergoeding die beperkt is ten opzichte van
onze commerciële tarieven. Deze zienswijze zal ook mee-
genomen worden in de prijsstelling voor de Expert-titels,
de ruim driehonderd boektitels die wij het afgelopen jaar
online hebben gezet.
pdf ’s
De leesbaarheid van onze online geplaatste informatie
heeft onze permanente aandacht en het is een onderwerp
dat continu in ontwikkeling is. Zo hebben wij twee jaar
geleden de Navigator volledig herzien en gaan wij dit jaar
een grote verbetering in de online leesbaarheid van onze
documenten in de Navigator introduceren.
Van de genoemde Expert-titels is het merendeel ook
beschikbaar in de pdf-versie. Kluwer biedt sinds een aantal jaren de applicatie eDis aan, waarin gebruikers onze
tijdschriften van kaft tot kaft – inclusief paginanummering – kunnen lezen. eDis zal in de Navigator geïntegreerd
worden. Voor wat betreft paginering worden diverse
opties geëvalueerd. Zo bekijken wij bijvoorbeeld hoe wij
paginanummers kunnen opnemen in de XML en doen wij
een test met het tijdschrift Delikt en Delinkwent, waarbij
de pdf-versie wordt toegevoegd.
Ten slotte zijn wij met verschillende marktpartijen
in overleg om tot een referentiesystematiek voor de toekomst te komen. Iedereen zal het ermee eens zijn dat het
tijdschrift in zijn huidige papieren vorm op den duur zal
verdwijnen en dus moet er een vervangende methodiek
komen. Nu al verschijnen onze tijdschriften eerst online.
Daardoor is de paginanummering niet meteen voorhanden, waardoor de pdf-versie (enkele dagen) later volgt.
Wachten met publiceren tot er een pdf is, zou een teruggang van actualiteit betekenen en daar kiezen wij niet
voor.
Tot slot
Wij danken prof. mr. Visser en zijn ondersteuners voor de
bijdrage in het NJB en de uitnodiging om onze zienswijze
te delen. Wij zijn als commercieel bedrijf gecommitteerd
om op een maatschappelijk verantwoordelijke manier
onze rol te spelen en blijven graag in gesprek over innovaties in de creatie en ontsluiting van juridische kennis.
Namens Kluwer,
Frank Vrancken Peeters
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
915
Rechtspraak
Aanbevolen citeerwijze:
Zonder ingrijpen van de minister zou SNS
C. Beslissing van het Hof
NJB 2014/ … (nummer uitspraak)
zeer waarschijnlijk failliet zijn gegaan. Verder
(Derde Kamer: Josep Casadevall (president),
zou een faillissement door het depositoga-
Alvina Gyulumyan, Ján Šikuta, Luis López
Eur. Hof v.d. Rechten v.d. Mens
916
rantiestelsel grote gevolgen hebben gehad
Guerra, Kristina Pardalos, Johannes Silvis,
Hof van justitie EU
917
voor de Nederlandse banken en de staat.
Valeriu Griţco)
Hoge Raad (civiele kamer)
919
Gelet op deze feiten en omstandigheden
Ten aanzien van de eerste artikel 6-klacht
Hoge Raad (strafkamer)
929
mocht de minister zich volgens de Afdeling
(onvoldoende gelegenheid voor adequate
Hoge Raad (belastingkamer)
934
op het standpunt stellen dat de stabiliteit
verdediging) overweegt het Hof dat het op
Afd. Bestuursrechtspraak RvS
941
van het financiële stelsel ernstig en onmid-
basis van het dossier onvoldoende informatie
Centrale Raad van Beroep
941
dellijk in gevaar was. Veel bezwaren waren
heeft om een beslissing te nemen over de
College Beroep Bedrijfsleven
943
gericht tegen het feit dat de minister zich
ontvankelijkheid. Het legt dit deel van de
had gebaseerd op het rapport van Cushman
klacht dan ook voor nader commentaar voor
& Wakefield over de waardering van de vast-
aan de Nederlandse regering.
Europees Hof voor de
Rechten van de Mens
goedportefeuille. De minister mocht echter
Ten aanzien van de tweede serie klachten
naar het oordeel van de Afdeling dit rapport
over artikel 6 lid 1 overweegt het Hof dat er
Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoe-
aan zijn besluit ten grondslag leggen. De
gezien de voorhanden zijnde informatie geen
kers van de Universiteit Leiden, de VU Amster-
Afdeling heeft het onteigeningsbesluit ver-
enkele schijn bestaat van een schending van
dam en de RU Nijmegen. Onderstaande
nietigd voor zover de minister ook alle vorde-
het EVRM, zodat deze klachten kennelijk
bewerkingen zijn verzorgd door M.L. van
ringen heeft onteigend die voormalige aan-
ongegrond zijn.
Emmerik en F.M.J. den Houdijker (UL). Alle
deel- en obligatiehouders in de toekomst
Ten aanzien van de klacht onder artikel 1
uitspraken van het EHRM staan op www.echr.
zouden kunnen instellen.
Eerste Protocol overweegt het Hof dat deze
coe.int; een selectie verschijnt uiteindelijk in
Daarnaast verzocht de minister van Financi-
prematuur is, nu deze zaak nog aanhangig is
Reports of Judgments and Decisions. De uit-
en op 4 maart 2013 aan de Ondernemingska-
voor de Hoge Raad en daarmee de nationale
spraken van kamers van het EHRM worden
mer om de schadeloosstelling aan de voor-
rechtsmiddelen niet zijn uitgeput.
drie maanden na de uitspraakdatum defini-
malige aandeelhouders op nihil te stellen. De
tief, tenzij er intern appel wordt ingesteld bij
Ondernemingskamer gaf in een tussenuit-
D. Slotsom
de Grote Kamer van het Hof.
spraak van 11 juli 2013 aan dat dit aanbod
Het Hof houdt de behandeling van de eerste
van de minister naar alle waarschijnlijkheid
klacht onder artikel 6 lid 1 EVRM (de tien
onvoldoende was en gelastte dat een deskun-
dagen beroepstermijn bij de Afdeling is te
digenrapport zou worden opgesteld. De staat
kort; er was onvoldoende tijd het verweer-
ging in cassatie tegen deze tussenuitspraak
schrift van de minister de bestuderen en
en deze zaak is thans nog aanhangig voor de
klagers hadden slechts gedeeltelijk toegang
Hoge Raad.
tot het belangrijke rapport van Cushman &
726
14 januari 2014, nr. 47315/13
Wakefield over de waardering van de vast-
Nationalisatie SNS Reaal. Aandeelhouders.
Effectieve toegang tot de rechter. Adequate
B. Procedure in Straatsburg
goedportefeuille). De rest van de klachten
voorbereiding verdediging. Regering om
De klagers stellen in de kern dat de procedu-
onder artikel 6 lid 1 EVRM en onder artikel
nadere informatie gevraagd. Recht op
re voor de Afdeling te snel is gevoerd, waar-
1 Eerste Protocol verklaart het Hof niet-ont-
eigendom. Niet-uitputting nationale rechts-
door zij hun belangen niet voldoende hebben
vankelijk.
middelen op dit punt.
kunnen verdedigen. Hierbij verwijzen klagers
in het bijzonder naar de beroepstermijn van
(EVRM art. 6 lid 1; EVRM Eerste protocol art. 1)
tien dagen, die in het bijzonder belastend is
727
voor in het buitenland wonende klagers.
Adoriosio e.a. vs. Nederland
Bovendien werd het verweerschrift van de
14 januari 2014, appl. no. 21563/08 (ontv.)
minister (105 pagina’s dik) pas laat in de
14 januari 2014 appl. no. 15439/09 (ontv.)
A. Feiten
middag voorafgaand aan de zittingsdag ont-
Deze klacht is ingediend door ruim 380
vangen, terwijl de Afdeling het verzoek
Artikel 3 EVRM. Artikel 8 EVRM. Uitzetting
rechts(personen) die aandeelhouder waren
afwees om de hoorzitting op vrijdag uit te
naar Afghanistan voorlopig niet aan de
van SNS Reaal N.V. Op 1 februari 2013 heeft
stellen naar de maandag, zodat er nog een
orde. Geen slachtoffer, respectievelijk ken-
de minister van Financiën SNS Reaal en SNS
weekeinde ter voorbereiding was. Bovendien
nelijk ongegronde klacht. Effectief rechts-
Bank (verder: SNS) onteigend en daarmee
klagen zij dat zij niet de volledige beschik-
middel was in het verleden en is ook voor
onder meer de aandelen en achtergestelde
king hadden over het genoemde rapport van
de toekomst beschikbaar. Klacht onder arti-
onderhandse leningen van klagers. Het ontei-
Cushman & Wakefield over de waardering
kel 13 EVRM kennelijk ongegrond. Niet-ont-
geningsbesluit is gebaseerd op de zogenaam-
van de vastgoedportefeuille. Hiermee is hun
vankelijkverklaring.
de Interventiewet op grond waarvan sinds
recht op een eerlijk proces zoals gegaran-
2012 interventiemogelijkheden zijn opgeno-
deerd door artikel 6 lid 1 EVRM geschonden.
men voor de minister van Financiën.
Verder stellen de klagers dat artikel 6 lid 1
In een uitspraak van 25 februari 2013 was de
op diverse andere punten is geschonden,
Afdeling bestuursrechtspraak – kort gezegd –
onder meer nu zij als aandeelhouders niet
van oordeel dat de minister van Financiën deze
van tevoren individueel op de hoogte zijn
A. Feiten
aandelen en de achtergestelde onderhandse
gesteld van de onteigening en dat zij bij de
Klagers zijn geboren in 1961, respectievelijk
leningen van SNS mocht onteigenen. Dat gold
hoorzitting bij de Afdeling slechts zeer
1953 en van Afghaanse nationaliteit. Beiden
echter niet voor de toekomstige vorderingen.
weinig spreektijd kregen.
hebben in Nederland een asielprocedure
916
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
(EVRM, art. 3, 8, 13, 34 en 35)
N.F. vs. Nederland, Y.A. vs. Nederland
Rechtspraak
728
doorlopen. Y.A. is daarbij in het bezit gesteld
dan kunnen klagers die beslissing aanvech-
van een verblijfsvergunning, welke later
ten. Onder verwijzing naar vergelijkbare
onder tegenwerping van artikel 1F van het
zaken (met name de beslissing van 25 sep-
Vluchtelingenverdrag is ingetrokken vanwe-
tember 2012 in de zaak K. tegen Nederland,
ge zijn lidmaatschap van de KhAd/WAD (een
appl.no. 33403/11) oordeelt het Hof dat kla-
Grote kamer: V. Skouris, president,
veiligheidsdienst in communistisch Afghani-
gers, bij de afwezigheid van een reëel vooruit-
K. Lenaerts (rapporteur), vicepresident, R.
stan). Om dezelfde reden is de asielaanvraag
zicht op uitzetting naar Afghanistan geen
Silva de Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen,
van N.F. nooit ingewilligd. Beide klagers zijn
slachtoffer zijn als bedoeld in artikel 34
A. Borg Barthet en C. G. Fernlund, kamer-
daarnaast tot ongewenst vreemdeling ver-
EVRM. Hun verzoekschriften vallen ratione
presidenten, G. Arestis, J. Malenovský,
klaard. De oorspronkelijke beslissing hiertoe
personae buiten de bevoegdheid van het Hof
E. Levits, A. Ó Caoimh, D. Šváby, M. Berger,
is op enig moment vervangen door een
en worden daarom niet-ontvankelijk ver-
A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters
beslissing waarbij een inreisverbod is opge-
klaard. Voor zover klagers als slachtoffer kun-
legd (N.F.), dan wel een beslissing die nog
nen worden aangemerkt met betrekking tot
Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 21, lid 1,
altijd een ongewenstverklaring omvat (Y.A.),
hun klacht onder artikel 8 EVRM, is hun
VWEU – Recht van vrij verkeer en verblijf
maar waarin in beide gevallen het artikel 3
klacht kennelijk ongegrond. Nu klagers geen
op grondgebied van lidstaten – Begunstig-
EVRM-risico van een gedwongen terugkeer
uitzetting boven het hoofd hangt, zullen zij
den – Verblijfsrecht van derdelander die
naar Afghanistan wordt onderkend. Dit
niet gescheiden worden van hun familiele-
familielid is van burger van de Unie, in lid-
houdt in dat zolang het 3 EVRM-risico aan-
den. Wederom onder verwijzing naar verge-
staat van nationaliteit van die burger –
wezig is, er niet tot uitzetting zal worden
lijkbare zaken en de specifieke omstandighe-
Terugkeer van burger van de Unie naar die
overgegaan; een verblijfsvergunning zal ech-
den van klagers in aanmerking nemend, is
lidstaat na verblijven van korte duur in
ter evenmin worden verleend. De nationale
hun situatie naar het oordeel van het Hof
andere lidstaat
procedures tegen het inreisverbod, respectie-
niet in strijd met artikel 8 EVRM. Ook de
velijk de ongewenstverklaring lopen nog. De
klacht onder artikel 13 EVRM in samenhang
(Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 21, lid 1,
echtgenotes en kinderen van beide klagers
met artikel 3 EVRM (N.F.), dan wel de artike-
VWEU)
hebben in de loop der jaren rechtmatig ver-
len 3 en 8 EVRM (Y.A.) verklaart het Hof ken-
blijf in Nederland gekregen en behouden en
nelijk ongegrond. Het Hof roept daarbij in
O. tegen Minister voor Immigratie, Integratie
sommige van hen beschikken inmiddels over
herinnering dat een “remedy” als bedoeld in
en Asiel en Minister voor Immigratie, Inte-
de Nederlandse nationaliteit. N.F. is in 2001
artikel 13 EVRM niet doelt op een hoe dan
gratie en Asiel vs. B.
bekeerd tot het christendom.
ook succesvolle remedie, maar op een toegan-
Arrest van 12 maart 2014, C-456/12
kelijke remedie bij een bevoegde instantie.
Feiten en nationale procedure
B. Procedure
Klagers hebben in het verleden gebruik
De Nigeriaan O. is in 2006 gehuwde met een
Klagers dienen op 6 mei 2008, respectievelijk
gemaakt van de mogelijkheden om op te
Nederlandse. Hij heeft verklaard tussen 2007
15 maart 2009 een verzoekschrift in bij het
komen tegen de weigering (N.F.), respectieve-
en april 2010 in Spanje te hebben gewoond. In
Hof. Zij stellen dat hun uitzetting naar
lijk de intrekking (Y.A.) van hun verblijfsver-
die periode heeft zijn echtgenote twee maan-
Afghanistan zal leiden tot een schending van
gunning en de ongewenstverklaring en latere
den bij hem in Spanje gewoond. Verder heeft
de artikelen 3 en 8 EVRM. Ook klagen zij over
inreisverbod (N.F.). De procedures tegen deze
zij regelmatig in Spanje vakanties bij hem
het gebrek aan een effectief rechtsmiddel als
laatste maatregelen zijn zelfs nog aanhangig.
doorgebracht. Sinds 7 augustus 2009 staan
bedoeld in artikel 13 EVRM. Op 6 mei 2008,
Bovendien kunnen klagers in geval van een
beiden ingeschreven op hetzelfde adres in
respectievelijk 25 maart 2009 verbiedt de
op handen zijnde uitzetting in de toekomst,
Malaga. Sinds 1 juli 2010 staan beiden inge-
Derde Kamer op grond van Rule 39 van de
via een procedure op grond van artikel 72,
schreven op het zelfde adres in Nederland.
Rules of Court de uitzetting van klagers. In
derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000,
De Marokkaanse B. heeft verklaard sinds
beide gevallen wordt dit verbod korte tijd
een oordeel verkrijgen over de vraag of hun
december 2002 enige jaren in Nederland te
later tot nader order verlengd.
uitzetting zich verdraagt met artikel 3 EVRM.
hebben gewoond met zijn Nederlandse part-
Gelet op het voorgaande ziet het Hof aanlei-
ner. In 2005 wordt B. ongewenst verklaard. B.
ding de Rule 39-beslissingen in te trekken.
woont vervolgens in België in een door zijn
C. Uitspraak van het Hof
partner gehuurd appartement. Zijn partner
(Derde Kamer: Casadevall, Gyulumyan, Šikuta,
López Guerra, Tsotsoria, Silvis, Griţco)
D. Slotsom
zoekt hem daar elk weekend op. In april 2007
Het Hof stelt voorop dat betwijfeld kan wor-
Een unaniem EHRM verklaart beide verzoek-
moet B. vanwege de Nederlandse ongewenst-
den of klagers de nationale rechtsmiddelen
schriften niet-ontvankelijk.
verklaring ook België verlaten en vertrekt hij
naar Marokko. Op 31 juli 2007 trouwt B. met
hebben uitgeput, zoals vereist op grond van
zijn partner. Zijn ongewenstverkaring wordt
artikel 35, eerste lid, van het EVRM, nu de
op 16 maart 2009 opgeheven.
velijk de ongewenstverklaring nog lopen. Het
Hof van Justitie van de
Europese Unie
Hof laat deze kwestie rusten, nu het van oor-
Deze rubriek is verzorgd door M. Bulterman,
ment. Beide verzoeken worden afgewezen. O.
deel is dat de verzoekschriften van klagers
medewerker van de Directie Juridische Zaken,
en B. vechten de afwijzing aan voor de rech-
om andere redenen niet-ontvankelijk moeten
Afdeling Europees Recht van het Ministerie
ter. In die procedure komt de vraag op of zij
worden verklaard.
van Buitenlandse Zaken. De volledige uit-
zich kunnen beroepen op de verblijfsrechten
Het Hof wijst er hierbij in de eerste plaats op
spraken van het EU-Hof zijn beschikbaar via
die uit Richtlijn 2004/48 en artikel 21, lid 1
dat de Nederlandse autoriteiten om artikel 3
www.curia.europa.eu
VWEU voortvloeien voor familieleden van
procedures tegen het inreisverbod, respectie-
Zowel O. als B. verzoekt om een verblijfsdocu-
EVRM-redenen voorlopig niet de intentie
een Unieburger. Over deze kwestie legt de
hebben klagers naar Afghanistan uit te zet-
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
ten. Mocht hiertoe alsnog worden besloten,
van State vragen voor aan het Hof.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
917
Rechtspraak
Prejudiciële vragen
het betrokken familielid in het gastland een
familielid is van burger van de Unie, in lid-
De Afdeling legt het Hof vier vragen voor. De
duurzaam verblijfsrecht hebben verworven
staat van nationaliteit van die burger –
eerste drie vragen komen in wezen neer op
krachtens artikel 16, lid 1 respectievelijk lid 2,
Burger van de Unie die woont in lidstaat
de vraag of richtlijn 2004/38 en artikel 21, lid
van richtlijn 2004/38.
waarvan hij nationaliteit bezit – Beroepsac-
1, VWEU zich ertegen verzetten dat een lid-
Het is aan de verwijzende rechter om na te
tiviteiten – Regelmatige verplaatsingen
staat bij de terugkeer van een burger van de
gaan of de echtgenoten van O. en B. zich in het
naar andere lidstaat
Unie naar de lidstaat van zijn nationaliteit
gastland hebben gevestigd, en daar dus daad-
weigert een verblijfsrecht toe te kennen aan
werkelijk hebben verbleven, en of O. en B. van-
(VWEU art. 20, 21, lid 1, 45; Richtlijn
een derdelander die familielid is van die bur-
wege het tijdens dat daadwerkelijke verblijf
2004/38/EG)
ger, wanneer deze burger vóór zijn terugkeer
geleide gezinsleven krachtens en onder eerbie-
zijn recht van vrij verkeer uit hoofde van arti-
diging van artikel 7, lid 2, of artikel 16, lid 2,
S. vs. Minister voor Immigratie, Integratie en
kel 21, lid 1, VWEU heeft uitgeoefend door
van richtlijn 2004/38 een afgeleid verblijfsrecht
Asiel en Minister voor Immigratie, Integratie
met het betrokken familielid in een andere
hadden in het gastland. Het Hof merkt verder
en Asiel vs. G.
lidstaat te verblijven louter in zijn hoedanig-
op dat verblijven van korte duur, zoals week-
heid van burger van de Unie. In het geding
ends of vakanties in een andere lidstaat, zelfs
Feiten en nationale procedure
betreffende B. vraagt de Afdeling tevens aan
samengenomen, onder artikel 6 van richtlijn
De Oekraïense S. stelt op grond van het
het verblijfsrecht van B. in Nederland krach-
2004/38 vallen en dus geen grond kunnen vor-
Unierecht recht op verblijf te hebben bij haar
tens richtlijn 2004/38 wordt afgedaan door
men voor aan afgeleid verblijfsrecht.
Nederlandse schoonzoon. Zij voert daarbij
de omstandigheid dat hij zich pas meer dan
Ten slotte merkt het Hof op dat de vierde
aan voor haar kleinzoon te zorgen. Haar
twee jaar na de terugkeer van zijn partner
vraag niet hoeft te worden beantwoord. B.
schoonzoon woont in Nederland en verricht
naar de lidstaat waarvan zij de nationaliteit
heeft de hoedanigheid van familielid van een
arbeid in loondienst voor een Nederlandse
heeft, bij haar heeft gevoegd in die staat.
Unieburger pas verworven op een tijdstip ná
werkgever. 30 procent van zijn werk besteedt
het verblijf van zijn partner in het gastland.
hij aan zakelijke bezoeken in België. Het ver-
De uitspraak van het Hof
Een derdelander die – althans gedurende een
zoek van S. om afgifte van een verblijfsdocu-
In antwoord op de eerste drie vragen merkt
gedeelte van zijn verblijf in het gastland – niet
ment wordt afgewezen.
het Hof op dat uit een letterlijke, een syste-
de hoedanigheid had van familielid in de zin
De Peruaanse G. is op 6 maart 2009 gehuwd
matische en een teleologische uitlegging van
van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38,
met een Nederlandse staatsburger. Ze hebben
richtlijn 2004/38 blijkt dat daarop geen afge-
had in dat gastland geen recht op een afgeleid
samen een dochter. De echtgenoot van G.
leid verblijfsrecht voortvloeit voor familiele-
verblijfsrecht uit hoofde van artikel 7, lid 2, of
woont in Nederland en is werkzaam voor een
den van Unie-burgers, in de lidstaat waarvan
artikel 16, lid 2, van richtlijn 2004/38.
Belgische werkgever. Hij reist dagelijks heen
en weer tussen Nederland en Belgie. Het ver-
die burger de nationaliteit heeft. Richtlijn
2004/38 voorziet uitsluitend in een afgeleid
Conclusie
zoek van G. om afgifte van een verblijfsdocu-
verblijfsrecht voor familieleden van een
Artikel 21, lid 1, VWEU moet in die zin wor-
ment wordt afgewezen.
Unieburger, wanneer laatstgenoemde zijn
den uitgelegd dat in een situatie waarin een
S. en G. vechten de afwijzing van hun aan-
recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door
Unieburger met een derdelander een gezins-
vraag voor een verblijfsdocument aan voor
zich te vestigen in een andere lidstaat dan
leven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens
de rechter. In die procedure komt de vraag op
die waarvan hij de nationaliteit heeft. Vervol-
een daadwerkelijk verblijf in een andere lid-
of zij zich op het Unierecht kunnen beroepen
gens onderzoekt het Hof of een afgeleid ver-
staat krachtens en onder eerbiediging van de
om een verblijfsrecht in Nederland te clai-
blijfsrecht voor O. en B. op artikel 21, lid 1,
in artikel 7, leden 1 en 2, of artikel 16, leden
men. Over deze kwestie legt de Afdeling
VWEU kan worden gebaseerd. Het Hof over-
1 en 2, van richtlijn 2004/38 genoemde voor-
Bestuursrechtspraak van de Raad van State
weegt dat uit de weigering om een verblijfs-
waarden deze richtlijn naar analogie toepas-
vragen voor aan het Hof.
recht toe te kennen aan een familielid dat
sing vindt wanneer die burger van de Unie
met een Unieburger krachtens en onder eer-
met het betrokken familielid terugkeert naar
Prejudiciële vragen
biediging van het Unierecht in een andere
zijn lidstaat van oorsprong.
De Afdeling legt het Hof de vraag voor of
lidstaat heeft verbleven een belemmering
oplevert van de door artikel 21, lid 1, VWEU
verleende rechten. In een dergelijke situatie
richtlijn 2004/38 alsmede de artikelen 20
729
moeten de bepalingen van richtlijn 2004/38
analoog worden toegepast.
VWEU, 21, lid 1, VWEU en 45 VWEU zich ertegen verzetten dat een lidstaat weigert een
verblijfsrecht toe te kennen aan een derde-
Arrest van 12 maart 2014, C-457/12
Het Hof merkt verder op dat van een belem-
lander die familielid is van een burger van de
Unie in de zin van artikel 2, punt 2, van richt-
mering van de rechten die voortvloeien uit
Grote kamer: V. Skouris, president, K.
lijn 2004/38, wanneer deze burger de natio-
artikel 21, lid 1, VWEU slechts sprake is indien
Lenaerts (rapporteur), vicepresident, R. Sil-
naliteit heeft van die lidstaat en aldaar
het verblijf van de burger van de Unie in het
va de Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen, A.
woont, maar zich in het kader van zijn
gastland van dien aard is geweest dat hij in
Borg Barthet en C. G. Fernlund, kamerpresi-
beroepswerkzaamheden regelmatig naar een
staat is gesteld in die lidstaat een gezinsleven
denten, G. Arestis, J. Malenovský, E. Levits, A.
andere lidstaat begeeft.
op te bouwen of te bestendigen. Dat is het
Ó Caoimh, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal en
geval wanneer bij een daadwerkelijk verblijf
E. Jarašiūnas, rechters
van een burger van de Unie in het gastland
De uitspraak van het Hof
Met een verwijzing naar zijn uitspraak in de
krachtens en onder eerbiediging van artikel 7,
Artikelen 20, 21 lid 1, 45 VWEU – Richtlijn
zaak O. en B. (C-456/12, hierboven samenge-
leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38, aldaar een
2004/38/EG – Recht van vrij verkeer en ver-
vat) overweegt het Hof dat aan deze richtlijn
gezinsleven is opgebouwd of bestendigd. En
blijf op grondgebied van lidstaten – Begun-
geen afgeleid verblijfsrecht kan worden ont-
dit geldt a fortiori wanneer de Unieburger en
stigden – Verblijfsrecht van derdelander die
leend in de lidstaat waarvan de Unieburger
918
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
de nationaliteit bezit.
om een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen
(SatKabRichtlijn art. 1 lid 3, WNR art. 4, 7, 14a,
Vervolgens merkt het Hof op dat Unieburgers
tot gevolg heeft dat de betrokken werknemer
15, Aw art. 45d, BW art. 3:84 lid 2; Rv art. 612)
die zich bevinden in de situaties van de
ervan wordt weerhouden de rechten die hij
schoonzoon van S. en echtgenoot van G. val-
aan artikel 45 VWEU ontleent, daadwerkelijk
De stichting Norma, adv. mr. K.T.B. Salomons,
len binnen de werkingssfeer van artikel 45
uit te oefenen.
vs. de vereniging NLKabel c.s., adv. mrs. R.S.
Meijer en A.M. van Aerde.
VWEU. Elke burger van de Unie die in het
kader van een arbeidsovereenkomst beroepswerkzaamheden in een andere lidstaat dan
Hoge Raad (civiele kamer)
Feiten en procesverloop
zijn woonstaat uitoefent, valt immers binnen
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C.
In de jaren zeventig is de kabel in Nederland
de werkingssfeer van deze bepaling. Volgens
Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof
opgekomen als distributiekanaal voor radio-
het Hof kan de uitleg van artikel 56 VWEU
van Justitie van het Caribische deel van het
en televisieprogramma’s (RTV-programma’s),
die het in het arrest Carpenter heeft gegeven
Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te
aanvankelijk doordat kabelexploitanten in de
ongetwijfeld worden toegepast op artikel 45
zien op www.rechtspraak.nl.
ether uitgezonden RTV-programma’s opvin-
VWEU. Voor de nuttige werking van het vrije
verkeer van werknemers kan het immers
nodig zijn dat aan een derdelander die fami-
gen om deze verder te verspreiden. Sinds 11
730
lielid is van de werknemer die burger van de
december 2006 (hierna: de ‘switch off’) worden RTV-programma’s door de omroepen
‘klaargezet’ in de ‘Media Gateway’ in Hilver-
Unie is, een afgeleid verblijfsrecht wordt toe-
28 maart 2014, 12/03490
sum. Aldaar worden zij door de kabelexploi-
gekend in de lidstaat waarvan die werknemer
(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, G. Snijders,
tanten ‘opgehaald’ en vervolgens op de kabel
de nationaliteit heeft. Evenwel berusten de
G. de Groot en M.V. Polak;
gezet ter distributie naar het publiek. Norma
doelstelling en de rechtvaardiging van een
A-G mr. D.W.F. Verkade)
stelt zich ten doel het behartigen van de
dergelijk afgeleid verblijfsrecht op de vast-
ECLI:NL:HR:2014:735
belangen van uitvoerende kunstenaars ter
stelling dat de weigering om dit recht te
zake van de uitoefening en handhaving van
erkennen afbreuk kan doen aan de gebruik-
Naburige rechten. Norma behartigt de belan-
hun naburige rechten. NLKabel is een bran-
making van de door het VWEU gewaarborgde
gen van uitvoerend kunstenaars. Hebben
chevereniging van kabelexploitanten.
fundamentele vrijheden (zie in die zin o.a.
kabelexploitanten toestemming van Norma
In dit geding heeft Norma verklaringen voor
arrest van 8 november 2012, Iida, C-40/11,
nodig voor de verspreiding van radio- en
recht gevorderd (a) dat zij het recht heeft
nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie,
televisieprogramma’s? HR: 1. Heruitzenden.
om de kabelmaatschappijen toe te staan of
punt 68). Het is dus aan de verwijzende
Van heruitzenden in de zin van art. 14a lid 1
te verbieden uitvoeringen van houders van
rechter om na te gaan of de toekenning van
WNR kan alleen sprake zijn als daaraan een
naburige rechten door te geven via de kabel,
een afgeleid verblijfsrecht aan de betrokken
primaire openbaarmaking voorafgaat. Het
(b) dat zij op grond van art. 14a Wet op de
derdelander die familielid is van een burger
oordeel van het hof dat bij de aanlevering
naburige rechten (WNR) belast is met het
van de Unie, noodzakelijk is om te garande-
van signalen via de Media Gateway te Hil-
beheer van de rechten van houders van
ren dat die burger daadwerkelijk gebruik kan
versum geen sprake is van openbaarmaking,
naburige rechten, en (c) dat zij rechthebben-
maken van de door artikel 45 VWEU gewaar-
geeft geen blijk van een onjuiste rechtsop-
de is ten aanzien van uitvoeringen van bij
borgde fundamentele vrijheid. Het Hof geeft
vatting en is genoegzaam gemotiveerd. 2.
haar aangesloten uitvoerende kunstenaars.
nog mee dat de omstandigheid dat de
Overdracht van een goed. Bepaalbaarheids-
Voorts vordert zij (d) schadevergoeding, op
betrokken derdelander voor het kind van de
toets. Door te oordelen dat alle over te dra-
te maken bij staat. NLKabel c.s. hebben pri-
Unieburger zorgt, blijkens het arrest
gen naburige rechten aan de hand van de
mair het verweer gevoerd dat de kabelmaat-
Carpenter een relevant gegeven kan vormen
leveringsakte moeten kunnen worden
schappijen als regel de vereiste toestem-
bij deze toets. Evenwel dient erop te worden
geïdentificeerd, heeft het hof geen aanvul-
ming reeds hebben verkregen van de
gewezen dat, het in de zaak Carpenter de
lend vereiste in de bepaalbaarheidstoets
producenten van de programma’s. Subsidiair
echtgenote van de Unieburger was die zich
geïntroduceerd. 3. Hoofdprocedure. Schade-
hebben zij aangevoerd (a) dat de wijze van
over het kind ontfermde. Het enkele feit dat
staatprocedure. Collectieve beheersorganisa-
verspreiden van RTV-programma’s via de
het wenselijk zou kunnen lijken dat een der-
tie. Voor toewijzing van de vordering tot
kabel niet is aan te merken als ‘heruitzen-
gelijke zorg wordt geboden door een recht-
schadevergoeding op te maken bij staat,
den’ in de zin van art. 14a WNR. Voor zover
streekse bloedverwant in opgaande lijn van
behoeft niet vastgesteld te worden welke
de vorderingen van Norma zijn gegrond op
de echtgenoot van de Unieburger volstaat
afzonderlijke inbreuken (van welke kabelex-
de stelling dat de uitvoerende kunstenaars
bijgevolg op zich niet om vast te stellen dat
ploitant, jegens welke rechthebbende en met
hun naburige rechten krachtens exploitatie-
die burger er van wordt weerhouden de door
betrekking tot welke heruitzendingen) heb-
overeenkomsten aan haar hebben overge-
artikel 45 VWEU gewaarborgde rechten uit te
ben plaatsgevonden. Een andere opvatting
dragen, stellen zij (b) dat art. 3:84 lid 2 BW
oefenen.
zou onaanvaardbaar afbreuk doen aan een
in de weg staat aan de overdracht van alle
effectieve belangenbehartiging door een col-
toekomstige rechten van de uitvoerende
Conclusie
lectieve beheersorganisatie. 4. Overdracht
kunstenaar. De rechtbank heeft de vorderin-
Artikel 45 VWEU verleent aan een familielid
van exploitatierechten. Het Unierecht verzet
gen afgewezen. Het hof heeft de juistheid
van een burger van de Unie, dat een derde-
zich er niet tegen dat een uitvoerende kun-
van het primaire verweer in het midden
lander is, een afgeleid verblijfsrecht in de
stenaar op grond van art. 45d Aw geacht
gelaten. Het heeft de subsidiaire verweren
lidstaat waarvan die burger de nationaliteit
wordt zijn exploitatierechten met betrek-
onder (a) en (b) aanvaard en op die grond de
bezit, wanneer deze burger in laatstbedoelde
king tot televisieprogramma’s aan de produ-
vorderingen van Norma grotendeels afgewe-
lidstaat woont, maar zich als werknemer in
cent te hebben overgedragen, tenzij de uit-
zen; het heeft de vordering alleen met
de zin van die bepaling regelmatig naar een
voerende kunstenaar schriftelijk anders is
betrekking tot de hierna te vermelden ‘cate-
andere lidstaat begeeft, indien de weigering
overeengekomen met de producent.
gorie A-inbreuken’ toegewezen.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
919
Rechtspraak
Hoge Raad
steld dat de aanlevering door de omroepen
de leveringsakte (in dit geval de exploitatie-
In het principale beroep: onderdeel IA klaagt
van signalen via de Media Gateway plaats-
overeenkomsten) moeten kunnen worden
dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld
vindt door middel van een niet voor het
geïdentificeerd, heeft het hof geen aanvul-
dat van ‘heruitzenden’ in de zin van art. 14a
algemene publiek toegankelijke één-op-één-
lend vereiste in de bepaalbaarheidstoets
lid 1 WNR alleen sprake kan zijn als met de
verbinding tussen de omroepen en de kabel-
geïntroduceerd, doch slechts tot uitdrukking
aanlevering van de signalen aan de kabel
exploitanten, dat de aanlevering via satelliet
gebracht dat die eis betrekking heeft op elk
door de omroepen een ‘primaire openbaar-
en kabelkopstation in gecodeerde, voor het
van de over te dragen goederen. Dat oordeel
making’ plaatsvindt. Het begrip ‘heruitzen-
algemene publiek niet toegankelijke vorm
is juist. Het onderdeel faalt.
den’ in art. 14a WNR moet worden uitgelegd
plaatsvindt, en dat het ook bij aanlevering
In het incidentele beroep: het hof heeft de
overeenkomstig het begrip ‘doorgifte via de
via glasvezelinternet om een rechtstreekse
vordering met betrekking tot de zogenoemde
kabel’, bedoeld in de SatKabRichtlijn (Richt-
(één-op-één-)verbinding gaat. Het hof heeft
categorie A-inbreuken toewijsbaar geacht. Het
lijn 93/83/EEG, Pb L 248/15). De formulering
daaruit geconcludeerd dat de programmadra-
hof heeft aannemelijk geoordeeld dat de
van art. 1 lid 3 SatKabRichtlijn wijst erop dat
gende signalen die de omroepen aan de
rechthebbenden schade hebben geleden door-
‘doorgifte via de kabel’ een eerdere openbaar-
kabelexploitanten aanleveren, niet op zoda-
dat in de periode van 1 september 2006 tot
makingshandeling veronderstelt. Dit blijkt
nige wijze aan het algemene publiek ter
11 december 2006, in welke periode ook nog
ook uit de Franse, Duitse en Engelse taalver-
beschikking zijn gesteld dat dit publiek toe-
signalen via de ether werden verstuurd,
sies van de SatKabRichtlijn. Een en ander
gang heeft tot de daarin vervatte program-
inbreuk op hun rechten is gemaakt door
strookt met de strekking van de SatKabRicht-
ma’s, en dat het publiek die toegang pas kan
secundaire openbaarmaking (heruitzenden)
lijn, die beoogt de doorgifte via de kabel van
krijgen na doorgifte van die signalen via de
door de kabelexploitanten. Het overwoog
een eerste uitzending uit een andere lidstaat
kabel. Deze vaststellingen zijn in cassatie op
voorts dat Norma ingevolge de exploitatie-
mogelijk te maken. Deze uitleg stemt voorts
zichzelf niet bestreden. Door op grond van
overeenkomsten van 15 september 2005 en
overeen met de considerans van de Auteurs-
deze vaststellingen te oordelen dat de aanle-
24 mei 2006 gehouden is de door haar te ont-
rechtrichtlijn (Richtlijn 2001/29/EG, Pb L
vering van signalen aan de kabelexploitanten
vangen gelden wegens inbreuken op de nabu-
167/10) en HvJEU 7 maart 2013, C-607/11
niet als ‘mededeling aan het publiek’ valt aan
rige rechten van bij haar aangesloten recht-
(ITV/TVCatchup), ECLI:NL:XX:2013:BZ4617.
te merken, heeft het hof geen blijk gegeven
hebbenden, aan de deelgerechtigde
Blijkens punt 20 van de considerans bestaat
van een onjuiste rechtsopvatting en heeft
uitvoerende kunstenaars uit te betalen. Het
samenhang tussen de Auteursrechtrichtlijn
het zijn oordeel genoegzaam gemotiveerd.
incidentele beroep komt op tegen de toewij-
en de SatKabRichtlijn. Het hof heeft daarom
Daaraan doet niet af dat de omroepen een
zing van deze vordering van Norma. Onder-
terecht geoordeeld dat aan ‘doorgifte via de
exploitatiehandeling verrichten met het aan-
deel 1.3 klaagt dat het hof ten onrechte heeft
kabel’ (en daarmee aan ‘heruitzenden’) een
leveren van de programma’s, noch dat het
geoordeeld dat pas in de schadestaatprocedu-
primaire openbaarmaking voorafgaat. De
aantal kabelexploitanten dat toegang heeft
re behoeft te worden vastgesteld welke kabel-
klacht faalt.
tot de Media Gateway in theorie eindeloos
exploitanten door middel van welke heruit-
Onderdeel IB klaagt over de uitleg van het
kan variëren. Evenmin is onjuist dat het hof
zendingen inbreuk hebben gemaakt op welke
begrip ‘publiek’. Gelet op art. 1 lid 3 SatKab-
geen betekenis heeft toegekend aan het
of wiens naburige rechten. Het onderdeel
Richtlijn kan, indien geen sprake is (geweest)
gestelde feit dat de omroepen gelijktijdig
neemt terecht tot uitgangspunt dat de hoofd-
van een eerste uitzending die voor ontvangst
met de aanlevering aan de kabel (andere)
procedure ertoe dient om de grondslag van
door het publiek bestemd is, niet van een
openbaarmakingshandelingen verrichten bij
de verplichting tot schadevergoeding vast te
‘doorgifte’ via de kabel gesproken worden.
de distributie van programma’s waarbij de
stellen (HR 25 januari 2013,
Daarom heeft het hof terecht onderzocht of
kabel geen rol speelt. Onderdeel IB faalt.
ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69). Het hof
de aanlevering van programma’s door de
Onderdeel IIB komt op tegen het oordeel van
heeft dat evenwel niet miskend. Het gaat in
omroepen aan de Media Gateway aange-
het hof over verweer (b). Het hof heeft geoor-
deze procedure om een vordering van Norma
merkt kan worden als een ‘mededeling aan
deeld dat voor een rechtsgeldige levering van
in haar hoedanigheid van collectieve beheers-
het publiek’ zoals dat begrip door het HvJEU
alle bestaande en toekomstige naburige rech-
organisatie. Het hof heeft geoordeeld dat de
is uitgelegd. Anders dan in het onderdeel
ten tenminste vereist is dat, eventueel ach-
exploitatieovereenkomsten die uitvoerende
wordt betoogd, is het begrip ‘publiek’ ook
teraf, ‘alle’ naburige rechten die de desbetref-
kunstenaars met Norma hebben gesloten,
voor de naburige rechten geharmoniseerd.
fende kunstenaar heeft verkregen, kunnen
mede de bevoegdheid (en verplichting) voor
Aangenomen moet worden dat het begrip
worden geïdentificeerd. Volgens het onder-
Norma meebrengen ten behoeve van alle bij
‘(mededeling aan) het publiek’ in de Auteurs-
deel heeft het hof hiermee een aanvullend
haar aangesloten uitvoerende kunstenaars
rechtrichtlijn, de SatKabRichtlijn en de Ver-
vereiste in de bepaalbaarheidseis van art.
schadevergoeding te vorderen ter zake van
huurrichtlijn (Richtlijn 2006/115/EG, PbEU L
3:84 lid 2 BW geïntroduceerd. Art. 3:84 lid 2
inbreuken op het recht toestemming te geven
376/28) telkens eenzelfde betekenis heeft,
BW vereist dat het over te dragen goed met
voor heruitzenden; dat oordeel is in cassatie
ongeacht of het om auteursrechten dan wel
voldoende bepaaldheid is omschreven. Deze
niet bestreden. Het hof heeft aangenomen
om naburige rechten gaat. In HvJEU 14 juli
eis geldt ook in geval van overdracht van toe-
dat NLKabel c.s. in de periode tussen 1 sep-
2005, C-192/04 (Lagardère),
komstige goederen en betreft mede de over-
tember 1996 en 11 december 2006 hebben
ECLI:NL:XX:2005:AY7996, NJ 2006/467, HvJEU
dracht van naburige rechten. Aan deze eis is
‘heruitgezonden’ en daarvoor geen toestem-
7 december 2006, C-306/05 (Rafael Hoteles),
in het algemeen voldaan als de akte van leve-
ming van Norma hebben verkregen. Op
het hiervoor genoemde arrest ITV/TVCatchup
ring zodanige gegevens bevat dat, eventueel
grond hiervan heeft het hof kunnen aanne-
en HvJEU 27 februari 2014, C-351/12 (OSA/
achteraf, aan de hand daarvan kan worden
men dat NLKabel c.s. tussen de data waarop
Léčebné lázně) is overwogen dat het begrip
vastgesteld om welk goed het gaat (vgl. HR
naburig rechthebbenden exploitatieovereen-
‘publiek’ ziet op een onbepaald aantal poten-
20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381,
komsten met Norma hebben gesloten (15
tiële kijkers en overigens een vrij groot aan-
NJ 2002/610). Door te oordelen dat alle over
september 2005 en 24 mei 2006) en de
tal personen impliceert. Het hof heeft vastge-
te dragen naburige rechten aan de hand van
datum van de ‘switch-off’ (11 december 2006),
920
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
door secundaire openbaarmakingen inbreu-
‘rechthebbende’ in de zin van art. 14a WNR
in het incidentele beroep gedeeltelijke ver-
ken hebben gepleegd op naburige rechten
verliest en dat elke rechtsverhouding tussen
nietiging en veroordeling tot vergoeding van
van rechthebbenden die exploitatieovereen-
hem en de collectieve beheersorganisatie als
de als gevolg van de ‘categorie A- inbreuken’
komsten met Norma hebben gesloten (‘cate-
bedoeld in deze bepaling wordt verbroken.
geleden schade, op te maken bij staat, doch
gorie A-inbreuken’). Voor toewijzing van de
Dit brengt mee dat de collectieve beheersor-
uitsluitend voor zover (bij heruitzenden van
vordering van een collectieve beheersorgani-
ganisatie (Norma) niet meer op grond van
televisieprogramma’s) tussen de betrokken
satie als Norma tot schadevergoeding op te
art. 14a WNR ten behoeve van deze uitvoe-
uitvoerende kunstenaars en de producent
maken bij staat, is daarmee voldaan aan de
rende kunstenaar (die immers geen recht-
schriftelijk anders is overeengekomen als
eis dat in de hoofdprocedure de grondslag
hebbende meer is) kan optreden. Dit vermoe-
bedoeld in de aanhef van art. 45d Aw, en voor
van de verplichting tot schadevergoeding
den van overdracht kan worden weerlegd
zover (bij heruitzenden van radioprogram-
wordt vastgesteld. Daartoe behoeft niet
indien de uitvoerende kunstenaar met de
ma’s) de betrokken uitvoerende kunstenaars
tevens aangevoerd en vastgesteld te worden
producent schriftelijk anders is overeengeko-
hun rechten niet hebben overgedragen aan
welke afzonderlijke ‘categorie A-inbreuken’
men. Het betoog van Norma dat aldus het
de producent.
(van welke kabelexploitant, jegens welke
systeem van collectieve belangenbehartiging
De A-G concludeert in het principale beroep
rechthebbende en met betrekking tot welke
wordt doorkruist en dat daardoor mede de
tot verwerping en in het incidentele beroep
heruitzendingen) hebben plaatsgevonden. Die
(onderhandelings)positie van de uitvoerende
tot vernietiging en verwijzing. Zijn conclusie
vragen kunnen in de schadestaatprocedure
kunstenaars wordt verzwakt, stuit op boven-
bevat een inhoudsopgave. Hoofdstuk 4 geeft
beantwoord worden teneinde de omvang van
staande rechtspraak van het HvJEU af. Dit
het juridische kader.
de schadevergoeding te bepalen. Een andere
brengt mee dat het primaire verweer van
opvatting zou onaanvaardbaar afbreuk doen
NLKabel c.s., voor zover het de heruitzending
aan een, mede op art. 14a WNR gebaseerde,
van filmwerken betreft, op een juiste rechts-
effectieve belangenbehartiging door een col-
opvatting berust. Het hof heeft dit ten
lectieve beheersorganisatie als Norma. In het
onrechte niet in zijn beoordeling betrokken.
28 maart 2014, 12/05436
licht van het zojuist overwogene geven de
Het hiervoor overwogene geldt niet voor
(Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T.
oordelen van het hof geen blijk van een
zover de vordering van Norma met betrek-
Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak; A-G
onjuiste rechtsopvatting en zijn deze naar
king tot de ‘categorie A-inbreuken’ ziet op
mr. J.C. van Oven)
behoren gemotiveerd. Onderdeel 1.3 faalt.
doorgifte via de kabel van radioprogramma’s.
ECLI:NL:HR:2014:736
Onderdeel 2.1 betoogt dat het hof heeft mis-
Overigens hebben NLKabel c.s. terecht aange-
kend dat het primaire verweer van NLKabel
voerd dat het belang van deze doorgifte voor
De gemeente onteigent twee percelen
c.s. in de weg staat aan toewijzing van de
de vordering van Norma beperkt is, omdat
grond teneinde die te zuiveren van een erf-
schadevordering van Norma ter zake van de
Norma, gelet op het bepaalde in de art. 7 en
dienstbaarheid. Eigenaren van heersende
‘categorie A-inbreuken’. Dat verweer komt
15 WNR, geen rechten kan doen gelden ter
erven verzoeken als tussengekomen partij-
erop neer dat Norma het in art. 14a lid 1
zake van het (her)uitzenden of anderszins
en in de onteigeningsprocedure om een
WNR bedoelde recht van de uitvoerende kun-
openbaar maken door de kabelexploitanten
schadeloosstelling wegens het vervallen
stenaar om toestemming voor heruitzending
van voor commerciële doeleinden uitge-
van de erfdienstbaarheid, en ook om scha-
te geven niet kan uitoefenen, omdat dat
brachte fonogrammen.
devergoeding wegens overschrijding van de
recht in de regel niet meer aan de uitvoeren-
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het
redelijke termijn. HR: 1. Erfdienstbaarheid.
de kunstenaar toekomt maar aan de produ-
primaire verweer van NLKabel c.s. vereist
Opheffing. Redelijk belang bij uitoefening.
cent, hetzij krachtens afzonderlijke overeen-
met betrekking tot de door Norma gestelde
In de beoordelingsmaatstaf van art. 5:79
komst van overdracht, hetzij krachtens het
‘categorie A-inbreuken’ een onderzoek naar
BW (opheffing van een erfdienstbaarheid
wettelijk vermoeden van overdracht als
de vraag of ten aanzien van de door Norma
op de grond dat de eigenaar van het heer-
bedoeld in art. 45d Aw in verbinding met art.
hieraan ten grondslag gelegde televisiepro-
sende erf geen redelijk belang meer heeft
4 WNR.
gramma’s sprake is geweest van een anders-
bij de uitoefening) spelen de belangen van
Voor zover de vordering van Norma betrek-
luidende overeenkomst tussen de betrokken
de eigenaar van het dienende erf geen rol.
king heeft op doorgifte via de kabel van tele-
uitvoerende kunstenaars en de producent als
2. Redelijke termijn. Schadevergoeding. In
visieprogramma’s, speelt een belangrijke rol
bedoeld in art. 45d Aw, en of ten aanzien van
geval van overschrijding van de redelijke
welke betekenis toekomt aan art. 45d Aw (in
de door Norma aan de gestelde inbreuken
termijn in een civiele procedure, moet een
verbinding met art. 4 WNR) en hoe deze
ten grondslag gelegde radioprogramma’s
daarop gerichte vordering tot schadevergoe-
bepaling zich verhoudt tot art. 14a WNR.
sprake is geweest van een afzonderlijke over-
ding worden ingesteld in een afzonderlijke
Hetgeen in HvJEU 1 juni 2006, zaak C-169/05
dracht van rechten door de uitvoerende kun-
procedure tegen de Staat. De Hoge Raad
(Uradex) en HvJEU 9 februari 2012, C-277/10
stenaars aan de producent. Gelet op hetgeen
maakt algemene opmerkingen over die
(Luksan), ECLI:NL:XX:2012:BV6223, NJ
hiervoor is overwogen in verband met het
afzonderlijke procedure: zie hoofdtekst
2013/196, is beslist, stelt buiten redelijke
collectieve karakter van de vordering van
(onder meer: geen griffierecht; vergoeding
twijfel dat het Unierecht, en in het bijzonder
Norma, kan een dergelijk onderzoek echter
van € 500 per half jaar overschrijding).
de SatKabRichtlijn, zich niet ertegen verzet
niet zinvol in de onderhavige hoofdprocedu-
dat een uitvoerende kunstenaar op grond
re plaatsvinden, aangezien dit onderzoek
(Ow art. 40c, 44, 59 lid 3; BW art. 5:78, 5:79,
van art. 45d Aw (in verbinding met art. 4
voor elke afzonderlijke (gestelde) ‘categorie
5:81; EVRM art. 6, 13; Rv art. 79 lid 1, 93, aan-
WNR) geacht wordt zijn exploitatierechten
A-inbreuk’ uitgevoerd moet worden. Dat
hef en onder a, 118; Wgbz art. 4 leden 1 en 2)
als bedoeld in eerstgenoemde bepaling aan
onderzoek dient derhalve in de schadestaat-
de producent van het filmwerk te hebben
procedure plaats te vinden. Dit leidt ertoe
A c.s., adv. mr. J.F. de Groot, vs. de gemeente
overgedragen, met als gevolg dat de uitvoe-
dat het dictum van het hof wordt aangepast.
De Bilt, adv. mrs. M.W. Scheltema en
rende kunstenaar zijn hoedanigheid van
Volgt in het principale beroep verwerping en
R.T. Wiegerink.
731
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
921
Rechtspraak
Feiten en procesverloop
van de vragen of bij een onteigening een
immateriële schade heeft gelegd. Volgens
De gemeenteraad heeft op 31 mei 2007
schadeloosstelling moet worden toegekend
vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6
besloten tot onteigening van een perceel te
wegens het vervallen van een erfdienstbaar-
EVRM is immers uitgangspunt dat het uit-
Maartensdijk en een perceel te De Bilt, ter
heid en zo ja, hoe hoog die schadeloosstel-
blijven van een rechterlijke beslissing binnen
uitvoering van een bestemmingsplan ten
ling moet zijn, wordt ingevolge art. 44 Ow
redelijke termijn leidt tot spanning en frus-
behoeve van een bedrijvenpark. Bij de ontei-
rekening gehouden met hetgeen te verwach-
tratie, hetgeen een grond vormt voor toeken-
gening was beoogd dat de hierna te vermel-
ten is omtrent (onder meer) de opheffing van
ning van een vergoeding voor immateriële
den op het onteigende rustende erfdienst-
de erfdienstbaarheid op grond van het
schade (EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00,
baarheid zou eindigen. A c.s. waren
bepaalde in art. 5:79 BW. Daarbij blijft art. 40c
ECLI:NL:XX:2006:AX7382 (Riccardi Pizzati/Ita-
rechthebbenden tot een erfdienstbaarheid
Ow buiten toepassing, hetgeen meebrengt
lië)). Dit is ook voor het nationale recht de
die eruit bestond dat op de lijdende erven
dat rekening mag worden gehouden met
maatstaf (vgl. HR 11 januari 2013,
“geen gebouwen, opstallen, getimmerten en
nadelen verbonden aan het werk waarvoor
ECLI:NL:HR:2013:BX8360), en betekent dat
dergelijke ruimte- en beschutting gevende
onteigend wordt. In het onderhavige geval
geen stelplicht ter zake van zodanige schade
zaken mogen worden opgericht of gehouden,
betekent dit dat de onteigeningsrechter, gelet
rust op de partij die zich op schending van
met uitzondering van de opstallen welke die-
op de plannen van de Gemeente, ervan zal
art. 6 EVRM beroept. De vordering van A c.s.
nen als magazijncomplex voor militaire doel-
moeten uitgaan dat daadwerkelijk een vorde-
strekt tot vergoeding van schade die zij heb-
einden in ’s lands belang en als huisvesting
ring tot opheffing zou worden ingesteld en
ben geleden door de lange duur van behan-
van toezichthoudend personeel.” Deze erf-
dient te beoordelen of die vordering zou wor-
deling van hun zaak door de rechtbank. Die
dienstbaarheid is gevestigd in 1953. De heer-
den toegewezen. Bij bevestigende beantwoor-
schade staat in onvoldoende verband tot de
sende erven bestonden toen uit gedeelten
ding dient hij bovendien te beoordelen of
onteigening om te worden aangemerkt als
van een landgoed die resteerden na verkoop
aan de opheffing voorwaarden – zoals beta-
onteigeningsgevolg. A c.s. kunnen derhalve
van de thans onteigende percelen aan de
ling van een schadevergoeding – zouden
niet met succes van hun processuele weder-
Staat (Ministerie van Defensie). De heersende
worden verbonden. Voor deze beoordeling
partij, de Gemeente, vergoeding van dergelij-
erven zijn later verkocht aan de Gemeente. In
zijn de art. 5:79 en 5:81 BW bepalend. Reeds
ke schade eisen. Hun aanspraak dient te wor-
de jaren zestig en zeventig is ter plaatse een
uit de bewoordingen van art. 5:79 BW volgt
den gericht tot de Staat. Dit is in
woonwijk gebouwd, waarbij de heersende
dat de beoordelingsmaatstaf uitgaat van
overeenstemming met de inmiddels vaste
erven na verschillende splitsingen zijn opge-
alleen het belang van de gerechtigde bij de
rechtspraak van de hoogste bestuursrechters,
deeld in circa 800 kleine percelen, waaronder
uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent
vgl. onder meer ABRvS 4 juni 2008,
de percelen van A c.s. De rechtbank heeft bij
dat de belangen van de eigenaar van het die-
ECLI:NL:RVS:2008:BD3121, AB 2008/229,
vonnis van 22 juli 2009 vervroegd de ontei-
nende erf bij opheffing geen rol spelen
CRvB 26 januari 2009,
gening van de percelen uitgesproken. Het
(behoudens in het geval van misbruik van
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, AB 2009/241, HR
vonnis is op 12 oktober 2009 ingeschreven in
bevoegdheid). Dit volgt ook uit de totstand-
(derde kamer) 10 juni 2011,
de openbare registers. Door de onteigening is
komingsgeschiedenis van de art. 5:78 en 5:79
ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232 en
de erfdienstbaarheid op de voet van art. 59
BW. Gelet hierop is de rechtbank uitgegaan
HR (derde kamer) 7 juni 2013,
lid 3 Ow vervallen. De rechtbank heeft A c.s.
van een onjuiste rechtsopvatting door te oor-
ECLI:NL:HR:2013:CA2313. De hoogste Neder-
toegelaten als tussenkomende partijen. Zij
delen dat art. 5:79 BW een afweging vereist
landse bestuursrechters hebben een stelsel
heeft bij het in cassatie bestreden vonnis van
van de belangen van de eigenaren van de
ontwikkeld dat de mogelijkheid biedt om de
19 december 2012 de aan de tussenkomende
heersende erven tegen die van de eigenaar
Staat in bestuursrechtelijke procedures te
partijen verschuldigde schadeloosstelling
van de dienende erven. Voorts valt zonder
veroordelen tot vergoeding van immateriële
vastgesteld op nihil. Daartoe heeft zij over-
motivering, die de rechtbank niet heeft gege-
schade wegens overschrijding van de redelij-
wogen dat het belang van de tussenkomende
ven, niet in te zien waarom niet ook de door
ke termijn. Daartoe wordt, nadat een beroep
partijen als eigenaren van de heersende
A c.s. gebruikte argumenten van behoud van
op een zodanige overschrijding is gedaan, de
erven moet worden afgewogen tegen het
een groen, rustig en spaarzaam gebruikt
Minister van Veiligheid en Justitie in het
belang van de Gemeente als eigenaar van de
gebied achter hun woningen en het daarmee
geding opgeroepen. Dit stelsel is in bestuurs-
dienende erven. De tussenkomende partijen
samenhangende tegengaan van stigmatise-
rechtelijke geschillen inmiddels vergaand
hebben de rechtbank verzocht de Gemeente
ring van het tot bedrijventerrein om te vor-
geüniformeerd (vgl. laatstelijk ABRvS 29
te veroordelen tot vergoeding van de (imma-
men gebied, alsmede voorkoming van geluid-
januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Nu aan-
teriële) schade die zij hebben geleden als
en verkeershinder, kunnen bijdragen tot het
genomen moet worden dat niet binnen
gevolg van de omstandigheid dat de procedu-
aannemen van een redelijk belang bij
afzienbare tijd wetgevingsinitiatieven voor
re niet is afgerond binnen een redelijke ter-
behoud van de erfdienstbaarheid in de zin
vergoeding van schade wegens overschrij-
mijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Dit verzoek
van art. 5:79 BW.
ding van de redelijke termijn in civiele proce-
heeft de rechtbank afgewezen op de grond
Onderdeel 2 heeft betrekking op het verzoek
dures zijn te verwachten, rijst de vraag of een
dat de tussenkomende partijen niet hebben
om toekenning van een schadevergoeding
gelijksoortige voorziening dient te worden
voldaan aan hun stelplicht ter zake van hun
wegens overschrijding van de redelijke ter-
opengesteld binnen procedures voor de bur-
immateriële schade.
mijn voor berechting. Nu de rechtbank in het
gerlijke rechter – waaronder de onderhavige
midden heeft gelaten of sprake is geweest
procedure –, in de plaats van of naast de
Hoge Raad
van een schending van art. 6 EVRM, dient bij
reeds thans bestaande mogelijkheid om in
Onderdeel 1 is gericht tegen de beslissing
de beoordeling van dit onderdeel veronder-
een afzonderlijke procedure tegen de Staat
van de rechtbank dat de schadeloosstelling
stellenderwijs van een zodanige schending te
schadevergoeding uit onrechtmatige daad te
dient te worden vastgesteld op nihil. Bij de
worden uitgegaan. Daarvan uitgaande klaagt
vorderen. Uit de rechtspraak van het EHRM
beoordeling van het onderdeel wordt het vol-
het onderdeel terecht erover dat de recht-
volgt dat het nationale recht in verband met
gende vooropgesteld. Voor de beantwoording
bank op A c.s. een stelplicht ter zake van hun
art. 13 EVRM moet voorzien in een effectieve
922
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
mogelijkheid voor vergoeding van schade
in een afzonderlijke procedure uit onrecht-
berechting is overschreden. Over de vraag of
wegens overschrijding van de redelijke ter-
matige daad tegen de Staat. Daarom bestaat
in een concreet geval sprake is van over-
mijn (vgl. onder meer EHRM 26 oktober
voor A c.s. geen mogelijkheid om binnen de
schrijding van de redelijke termijn van
2000, ECLI:NL:XX:2000:AD5181, NJ 2001/594
onderhavige (onteigenings)procedure zodani-
berechting kunnen de volgende algemene
(Kudla/Polen) en EHRM 8 juni 2006,
ge schadevergoeding te verkrijgen. Dit bete-
opmerkingen worden gemaakt. Uit hetgeen
ECLI:NL:XX:2006:AY5760 (Sürmeli/Duits-
kent dat de gegrondheid van onderdeel 2
hiervoor is overwogen volgt dat bij de beoor-
land)). Een op grond van onrechtmatige daad
niet tot cassatie kan leiden. In het algemeen
deling van geschillen over overschrijding van
in te stellen afzonderlijke procedure tegen de
wordt nog het volgende opgemerkt. Voor toe-
de redelijke termijn, de jurisprudentie van
Staat kan een voldoende effectief rechtsmid-
kenning van een vergoeding voor immaterië-
het EHRM over art. 6 EVRM tot richtsnoer
del bieden tot verkrijging van schadevergoe-
le schade wegens overschrijding van de rede-
kan dienen. Het EHRM oordeelt naar aanlei-
ding wegens overschrijding van de redelijke
lijke termijn voor berechting van de zaak, is
ding van de omstandigheden van het concre-
termijn, vgl. EHRM 11 september 2002, nr.
niet vereist dat die zaak zelf onder het bereik
te geval, hetgeen betekent dat mede rekening
57220/00 (Mifsud/Frankrijk) en EHRM 15 mei
van art. 6 EVRM valt. Het aan art. 6 EVRM ten
wordt gehouden met de aard, de ingewik-
2007, nr. 2115/04 (Depauw/België). In
grondslag liggende rechtsbeginsel geldt
keldheid en het belang van de zaak en met
bestuursrechtelijke procedures bestaan goe-
immers eveneens, ook afgezien van die bepa-
het (procedeer)gedrag van partijen. Gelet
de redenen om de beoordeling van een over-
ling, binnen de nationale rechtsorde, en
wordt op de totale duur van berechting, maar
schrijding van de redelijke termijn te laten
noopt ertoe dat geschillen voor de burgerlij-
ook onaanvaardbaar lange perioden van tus-
plaatsvinden binnen de lopende procedure,
ke rechter binnen een redelijke termijn wor-
sentijdse inactiviteit kunnen overschrijding
met name de reden dat de bestuursrechter
den beslecht (vgl. onder meer HR (derde
van de redelijke termijn meebrengen. Kwes-
zelf beter toegerust is om de redelijkheid van
kamer) 10 juni 2011,
ties die verband houden met de organisatie
de lengte van die procedure, gelet op de ter
ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234
van de rechterlijke macht (zoals achterstan-
zake dienende omstandigheden, te beoorde-
inzake belastinggeschillen en ABRvS 17 april
den bij het desbetreffende gerecht of ziekte
len dan de civiele rechter die dit zou moeten
2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2283 inzake ver-
van behandelende rechters) staan niet aan
doen in een afzonderlijke procedure tegen de
blijfsrechtelijke procedures). Bij de beoorde-
aansprakelijkheid in de weg. Deze en andere
Staat. Indien de gestelde termijnoverschrij-
ling van een aanspraak wegens overschrij-
door het EHRM gegeven uitgangspunten zijn
ding echter plaatsvindt in een civiele proce-
ding van de redelijke termijn behoeft de
ook voor de nationale beoordeling richtsnoer.
dure, is voor een beoordeling daarvan door
burgerlijke rechter dus niet te onderzoeken
(Zie voor een beknopt en recent (2013) over-
de civiele rechter niet nodig dat deze in de
of de procedure waarin de redelijke termijn
zicht van de EHRM-rechtspraak op dit punt,
lopende procedure plaatsvindt. Het betrek-
is overschreden, betrekking had op rechten
in de Engelse taal: www.echr.coe.int/Docu-
ken van de Staat in een lopende civiele pro-
die vallen binnen de reikwijdte van art. 6
ments/Guide_Art_6_ENG.pdf (p. 50-55)). Pro-
cedure is bovendien bezwaarlijk in te passen
EVRM. Nu de partijen in de zaak waarin
cedures voor de Nederlandse burgerlijke
in het Nederlandse burgerlijk procesrecht.
(beweerdelijk) de redelijke termijn is over-
rechter lopen zodanig uiteen in aard, inge-
Weliswaar zou art. 118 Rv naar de letter daar-
schreden in de regel reeds griffierecht heb-
wikkeldheid en procesvoering, dat de zaaks-
voor een grondslag kunnen bieden, maar die
ben betaald, kan van hen, op gelijke voet met
gerichte benadering van het EHRM niet kan
bepaling is bedoeld voor gevallen waarin het
de gevallen bedoeld in art. 4 leden 1 en 2 Wet
worden geconcretiseerd in algemene richtter-
voor de beslissing over de rechtsbetrekking
griffierechten burgerlijke zaken, geen griffie-
mijnen voor een redelijke duur van die pro-
in geschil noodzakelijk is (vgl. Parl. Gesch.
recht worden geheven in de hiervoor bedoel-
cedures.
Wijziging Rv, p. 18-20) of zinvol is (vgl. HR 14
de afzonderlijke procedure tegen de Staat,
Van een partij die een beroep doet op over-
oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ
mede gelet op het feit dat het gaat om een
schrijding van de redelijke termijn mag wor-
1995/564 en HR 12 april 1996,
aantasting van een door het EVRM
den verwacht dat zij voldoende inzicht heeft
ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437) om de
beschermde aanspraak waartegen op grond
in de aard, de ingewikkeldheid en het proces-
derde als partij in het geding te betrekken. In
van art. 13 EVRM een ‘effective remedy’ dient
verloop van de desbetreffende zaak om haar
het algemeen is het betrekken van de Staat
te bestaan. Voor het overige dient die proce-
eis naar behoren te onderbouwen met feiten
in een lopend civiel geding met als enig doel
dure te verlopen volgens de in het algemeen
en omstandigheden. Er is dan ook geen aan-
een vordering tot schadevergoeding wegens
geldende regels. Gelet op de hierna te ver-
leiding voor een afwijking van de in het alge-
overschrijding van de redelijke termijn aan
melden hoogte van de vergoeding voor over-
meen geldende regels van stelplicht en
de rechter voor te leggen, een niet-noodzake-
schrijding van de redelijke termijn, kan wor-
bewijslast. Wel kan een zeer lange feitelijke
lijke belemmering voor een voortvarende
den aangenomen dat de vordering in vrijwel
duur van de procedure aanleiding vormen
verdere afhandeling van het geding. Ten slot-
alle gevallen het bedrag genoemd in art. 93,
om overschrijding van de redelijke termijn
te is in dit verband van belang dat in de ons
aanhef en onder a, Rv niet zal overschrijden.
voorshands bewezen te achten, behoudens
omringende landen de beoordeling van een
In die gevallen dient de vordering door de
door de Staat te leveren tegenbewijs. Omdat
vordering tot schadevergoeding wegens over-
kantonrechter te worden behandeld en is
bij de beoordeling van een vordering wegens
schrijding van de redelijke termijn in civiele
ingevolge art. 79 lid 1 Rv rechtsbijstand niet
overschrijding van de redelijke termijn de
procedures, plaatsvindt in een afzonderlijke
verplicht. Voor de hoogte van de toe te ken-
duur van de gehele procedure mede van
procedure, hetzij op grond van een specifieke
nen vergoedingen voor immateriële schade
belang is, kan pas over een vordering wegens
wet (Duitsland), hetzij op grond van algeme-
kan aansluiting worden gezocht bij de ver-
een zodanige overschrijding worden geoor-
ne acties, zoals die uit onrechtmatige daad
goedingen die de bestuursrechters plegen
deeld wanneer die duur van de gehele proce-
(België, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk). Gelet
toe te kennen (€ 500 per half jaar overschrij-
dure kan worden vastgesteld. Dit betekent
op het vorenstaande moet in geval van over-
ding van de redelijke termijn, naar boven
dat de behandelende rechter in voorkomend
schrijding van de redelijke termijn in een
afgerond). In gevallen van geringe overschrij-
geval de beoordeling van een vordering
civiele procedure, een daarop gerichte vorde-
ding kan echter worden volstaan met de con-
wegens overschrijding van de redelijke ter-
ring tot schadevergoeding worden ingesteld
statering dat de redelijke termijn voor
mijn zal moeten aanhouden totdat de
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
923
Rechtspraak
einduitspraak in het oorspronkelijke geschil
1 december 2007 ruimtes in die panden ver-
deel van het hof aldus moet worden verstaan
in kracht van gewijsde is gegaan of die zaak
huurd aan X tegen betaling van € 9.500 res-
dat Y geen belanghebbende is bij het onder-
is geroyeerd.
pectievelijk € 7.500 per maand met het oog
havige besluit in de zin van de Awb, treft
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
op de exploitatie van een prostitutiebedrijf
onderdeel 1.1 doel. Hierbij wordt het volgen-
komstig de conclusie van de A-G.
(raambordeel) door X. Art. 3 van de huurover-
de vooropgesteld. Het besluit van 11 augus-
De A-G bespreekt onder 4.5-4.10 de wettelijke
eenkomsten bepaalt dat de overeenkomsten
tus 2008 is vernietigd wegens strijd met art.
regeling van wijziging en opheffing van erf-
pas in werking treden vanaf de dag nadat
7:12 lid 1 Awb. Ingevolge deze bepaling dient
dienstbaarheden. Hij meent dat de rechter in
bekend is geworden dat de vereiste vergun-
een beslissing op bezwaar te berusten op een
deze onteigeningsprocedure kan oordelen
ningen zijn verstrekt. Op 5 december 2007
deugdelijke motivering. Deze motiverings-
over het verzoek om schadevergoeding
heeft X de vergunningen aangevraagd. De
plicht strekt ertoe, met name ingeval de
wegens overschrijding van de redelijke ter-
burgemeester heeft bij besluit van 3 april
bezwaren ongegrond worden verklaard, dat
mijn (4.42, 4.45 en 4.51).
2008 geweigerd de vergunningen te verlenen.
degene die tegen het besluit bezwaar heeft
Bij brief van 15 augustus 2008 heeft Y de
gemaakt en eventuele andere belanghebben-
Gemeente aansprakelijk gesteld voor de scha-
den uit de beslissing kunnen opmaken waar-
de die zij ten gevolge van de weigering leed
om aan de aangevoerde bezwaren niet is
en zou lijden. X heeft bezwaar gemaakt. Dit
tegemoetgekomen. Dat is onder meer van
28 maart 2014, 13/00355
is bij besluit van 11 augustus 2008 onge-
belang voor de beantwoording van de vraag
(Mrs. F.B. Bakels, C.E. Drion, G. de Groot, M.V.
grond verklaard. X heeft beroep ingesteld. Bij
of een vervolgprocedure met kans op succes
Polak en T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr.
uitspraak van 3 april 2009 heeft de recht-
gevoerd kan worden (vgl. Parl. Gesch. Awb I,
L.A.D. Keus)
bank het beroep gegrond verklaard en het
blz. 351). Hoewel de gehoudenheid om een
ECLI:NL:HR:2014:767
besluit vernietigd. De burgemeester heeft
besluit toereikend te motiveren mede kwali-
hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 18
teitsbevordering en -bewaking tot doel heeft,
Onrechtmatige overheidsdaad. Besluitaan-
november 2009 heeft de Afdeling de uit-
strekt zij niet tot bescherming van vermo-
sprakelijkheid. Deugdelijke motivering.
spraak van de rechtbank bevestigd. De Afde-
gensbelangen van personen die niet kunnen
Relativiteit. Y heeft ruimtes aan X verhuurd
ling heeft overwogen dat de rechtbank met
worden aangemerkt als belanghebbende bij
met het oog op de exploitatie van raambor-
juistheid had geoordeeld dat het bestreden
een besluit in de zin van de Awb.
delen door X. De huurovereenkomsten
besluit niet op een deugdelijke motivering
Bij het uitgangspunt dat Y geen belangheb-
bepalen dat zij pas in werking treden nadat
berustte. Bij besluit van 23 november 2009
bende in de zin van de Awb was, is de vernie-
de vereiste vergunningen aan X zijn ver-
heeft de burgemeester alsnog vergunningen
tiging van het door X bestreden besluit op de
strekt. Bij primair besluit worden de door X
aan X verleend.
grond dat het niet overeenkomstig art. 7:12
aangevraagde vergunningen geweigerd. Het
In dit geding heeft € 373.809 aan schadever-
lid 1 Awb gemotiveerd is, niet onrechtmatig
bezwaar van X wordt ongegrond verklaard.
goeding gevorderd. De rechtbank heeft de
jegens Y, ook niet in de door het hof genoem-
In beroep en hoger beroep oordeelt de
vordering afgewezen. Het hof heeft de
de omstandigheden. In de verhouding tot Y
bestuursrechter dat de beslissing op
Gemeente alsnog veroordeeld tot schadever-
is ter zake van de schending van art. 7:12 lid
bezwaar niet berust op een deugdelijke
goeding van € 212.297.
1 Awb dus niet voldaan aan het relativiteits-
732
vereiste van art. 6:163 BW. Het voorgaande
motivering. Daarna worden de vergunningen alsnog verleend. Y vordert schadever-
Hoge Raad
laat onverlet dat onder omstandigheden
goeding van de gemeente wegens gederfde
De onderdelen 1.1-1.2 zijn gericht tegen het
sprake kan zijn van schending van een ande-
huurinkomsten. HR: De in art. 7:12 lid 1
oordeel van het hof dat de strekking van de
re, jegens Y in acht te nemen zorgvuldig-
Awb neergelegde gehoudenheid om een
door de Gemeente geschonden norm (art.
heidsnorm. Daaromtrent heeft het hof echter
besluit toereikend te motiveren, strekt niet
7:12 lid 1 Awb) zodanig ruim is dat schen-
niets vastgesteld.
tot bescherming van vermogensbelangen
ding van deze norm onder omstandigheden
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
van personen die niet kunnen worden aan-
onrechtmatig kan zijn jegens derden-belang-
komstig de conclusie van de A-G.
gemerkt als belanghebbende bij het besluit
hebbenden zoals Y.
De A-G bespreekt onder 2.1-2.14 de leer van
in de zin van de Awb. Bij het uitgangspunt
Indien het oordeel van het hof aldus moet
de formele rechtskracht en de leer van de
dat Y geen belanghebbende in de zin van de
worden verstaan dat Y, anders dan de recht-
besluitaansprakelijkheid.
Awb was, is de vernietiging van het besluit
bank heeft geoordeeld, belanghebbende is bij
op de grond dat het niet overeenkomstig
het onderhavige besluit in de zin van de Awb,
art. 7:12 lid 1 Awb gemotiveerd is, niet
is onderdeel 1.2 gegrond. Het hof heeft dan
onrechtmatig jegens Y. Dit laat onverlet dat
immers miskend dat het slechts anders kon
onder omstandigheden sprake kan zijn van
oordelen over een door de rechtbank uit-
28 maart 2014, 13/02184
schending van een andere, jegens Y in acht
drukkelijk en zonder voorbehoud gegeven
(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, G. Snijders,
te nemen zorgvuldigheidsnorm.
beslissing ten aanzien van enig geschilpunt,
G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek;
naar aanleiding van een behoorlijk in het
A-G mr. J. Spier)
geding naar voren gebrachte grief. Het onder-
ECLI:NL:HR:2014:740
(BW art. 6:163, Awb art. 7:12 lid 1)
733
deel klaagt bovendien terecht dat het hof
De gemeente Amsterdam, adv. mr. M.W.
dan mede de formele rechtskracht heeft mis-
Onrechtmatige daad. Profiteren van wan-
Scheltema, vs. Y, niet verschenen.
kend die het desbetreffende besluit van de
prestatie. Nadat Joba een aantal panden
burgemeester jegens Y had, aangezien zij in
heeft gekocht en een deel daarvan heeft
Feiten en procesverloop
dat geval als belanghebbende een rechtsmid-
doorverkocht, maar voordat de panden aan
Y is eigenares van panden te Amsterdam. Zij
del tegen dat besluit had kunnen aanwen-
haar zijn geleverd of door haar zijn doorge-
heeft blijkens twee huurovereenkomsten van
den, maar dit heeft nagelaten. Indien het oor-
leverd, raakt Joba ermee bekend dat een
924
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
734
huurder van een van de panden een con-
gevolg van beslaglegging door H’. Joba heeft
tractueel voorkeursrecht op het pand heeft.
daaraan meegewerkt en vervolgens het pand
Vervolgens werkt Joba mee aan vervroegde
eveneens vervroegd doorgeleverd aan C.
28 maart 2013, 13/02422
levering en doorlevering van dat pand. Het
In dit geding heeft H veroordeling van A,
(Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-Spa-
hof oordeelt dat Joba onrechtmatig jegens
Joba en C tot schadevergoeding gevorderd.
pens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G.
de huurder heeft gehandeld door te profite-
Aan de vorderingen voor zover gericht tegen
de Groot; A-G mr. A. Hammerstein)
ren van de wanprestatie van de verhuurder.
Joba en C heeft H ten grondslag gelegd dat
ECLI:NL:HR:2014:768
HR: Het stond Joba in beginsel vrij om de
Joba en C door te profiteren van de wanpres-
nakoming van de koopovereenkomsten na
tatie van A onrechtmatig jegens H hebben
Voeging. Tussenkomst. Thuiskopie vordert
te streven. Zodanige handelwijze kan onder
gehandeld. De kantonrechter heeft de vorde-
schadevergoeding van de Staat, stellende
bijzondere omstandigheden onrechtmatig
ringen tegen A afgewezen en de behandeling
dat deze ten onrechte niet heeft bepaald
zijn jegens degene die het voorkeursrecht
van de vorderingen tegen Joba en C aange-
dat een thuiskopievergoeding verschuldigd
heeft, waarbij met name valt te denken aan
houden. In het (uitsluitend) tegen de afwij-
is ten aanzien van harddisk-apparatuur.
het geval dat sprake is van onevenredigheid
zing van de vorderingen tegen A gerichte
FIAR c.s., die de belangen behartigen van
tussen het belang bij nakoming van de
hoger beroep heeft het hof A alsnog veroor-
importeurs en fabrikanten van harddisk-
koopovereenkomsten en het belang dat
deeld tot betaling van schadevergoeding. De
apparatuur, vorderen toelating tot het
bestaat bij het kunnen uitoefenen van het
Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen dit
geding, primair als gevoegde partij en sub-
voorkeursrecht.
arrest verworpen (HR 15 juni 2012,
sidiair als tussenkomende partij. HR: 1. Voe-
ECLI:NL:HR:2012:BW3210). De kantonrechter
ging. Afwijzing van een incidentele vorde-
heeft ook de vorderingen tegen Joba en C
ring tot voeging wegens strijd met de goede
afgewezen. Het hof heeft Joba en C alsnog
procesorde is onder meer mogelijk indien
Joba, adv. mr. P.J.M. von Schmidt auf
veroordeeld tot schadevergoeding, op te
toewijzing tot onredelijke vertraging van de
Altenstadt, vs. H (de huurder),
maken bij staat.
hoofdzaak zou leiden. Het hof heeft zijn
(BW art. 6:74 lid 1, 6:162)
adv. mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.
oordeel dat daarvan sprake is, onvoldoende
Hoge Raad
gemotiveerd. 2. Tussenkomst. Aan de toe-
Feiten en procesverloop
Uitgangspunt in deze zaak is dat Joba ten
wijsbaarheid van een vordering tot tussen-
H huurt vanaf 1 januari 1990 de winkelruim-
tijde van de totstandkoming van de koop-
komst kunnen de eisen van een goede pro-
te op de begane grond van een pand te
overeenkomsten niet bekend was met het
cesorde in de weg staan. Een partij die
Amsterdam (hierna: het pand). Verhuurster
voorkeursrecht van H. Het stond Joba daar-
verlangt te worden toegelaten tot tussen-
was laatstelijk A. Op de achterzijde van het
om in beginsel vrij, ook nadat zij alsnog van
komst, moet kenbaar maken wat zij wenst
exemplaar van het huurcontract van H staat
dat recht op de hoogte raakte, om de nako-
te vorderen en van wie. FIAR c.s. hebben
bijgeschreven: ‘Indien de verhuurder het
ming van die overeenkomsten na te streven,
onvoldoende toegelicht dat de vorderingen
pand wil verkopen, zal de eerste partij aan
ook door vervroeging van de levering. Zoda-
die zij wensen in te stellen, voldoende
welke hij het pand dient aan te bieden, de
nige handelwijze kan onder bijzondere
samenhang vertonen met het onderwerp
huurder zijn. De huurder dient binnen twee
omstandigheden onrechtmatig zijn jegens
van de hoofdzaak.
weken hierover uitsluitsel te geven.’ Op 18 en
degene die zoals H een voorkeursrecht heeft
24 januari 2007 heeft A vijftien panden,
dat daardoor wordt gefrustreerd, waarbij met
waaronder het pand, verkocht aan Joba. Op
name valt te denken aan het geval dat sprake
24 januari 2007 heeft Joba vier panden, waar-
is van onevenredigheid tussen het belang bij
Fiar c.s., adv. mrs. R.S. Meijer en A.M. van
onder het pand, doorverkocht aan C. Bij brief
nakoming van de koopovereenkomsten en
Aerde, vs. 1. Thuiskopie, adv. mrs. T. Cohen
van 12 februari 2007 heeft A aan H bericht
het belang dat bestaat bij het kunnen uitoe-
Jehoram en V. Rörsch, 2. Staat der Nederlan-
dat het pand ‘per 23 februari 2007 is ver-
fenen van het voorkeursrecht. Dergelijke
den, adv. mrs. M.W. Scheltema en S.M. King-
kocht’. Naar aanleiding hiervan heeft (een
omstandigheden zijn door het hof echter
ma, 3. SONT, niet verschenen.
vertegenwoordiger van) H op 19 en 20 febru-
niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd.
ari 2007 contact met A en de makelaar
Joba heeft gesteld dat zij belang erbij had de
Feiten en procesverloop
gehad, waarbij hij een beroep heeft gedaan
jegens C aangegane leveringsverplichting na
Thuiskopie heeft schadevergoeding van de
op het voorkeursrecht dat is vervat in het
te komen, waartoe zij zich volgens haar op
Staat en van onderhandelingsorganisatie
hiervoor vermelde beding. A en Joba hebben
straffe van een boete van 10% van de koop-
SONT gevorderd, onder meer op grond van de
op 20 februari 2007 om 10.10 uur een notari-
som had verbonden. In het licht van deze
stelling dat de Staat in een reeks algemene
ele akte houdende verklaring inzake koopak-
stelling, behoefde het oordeel van het hof dat
maatregelen van bestuur tussen 2006 en
te doen passeren, waarin als leveringsdatum
het handelen van Joba jegens H onrechtma-
2012 digitale audiospelers en digitale video-
voor alle aan Joba verkochte panden wordt
tig was, nadere motivering.
recorders ten onrechte niet heeft aangewezen
genoemd: 23 februari 2007. Daarna, op 20
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
als voorwerpen ten aanzien waarvan een
februari 2007 om 18.45 uur, heeft A uitslui-
komstig de conclusie van de A-G.
thuiskopievergoeding verschuldigd is. De
tend het pand vervroegd aan Joba geleverd.
De A-G geeft onder 4.2 en 4.3 regels over het
rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In
Aansluitend, op 20 februari 2007 om 18.50
profiteren van wanprestatie in gevallen als de
het door Thuiskopie ingestelde hoger beroep
uur, heeft Joba het pand aan C geleverd, even-
onderhavige.
hebben FIAR c.s., die de belangen behartigen
(Rv art. 20, 217, 218)
eens eerder dan oorspronkelijk afgesproken.
van importeurs en fabrikanten van harddisk-
Joba heeft in deze procedure erkend dat A
apparatuur, een incidentele memorie inge-
haar heeft verzocht om vervroegde levering
diend, waarbij zij toelating tot het geding vor-
om te voorkomen dat zij wanprestatie zou
deren, primair als gevoegde partij aan de
moeten plegen jegens Joba, ‘bijvoorbeeld als
zijde van de Staat en SONT en subsidiair als
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
925
Rechtspraak
tussenkomende partij. Het hof heeft de vor-
zijn geweest. Aldus hebben FIAR c.s. onvol-
niet – behoudens bijzondere omstandighe-
deringen in het incident afgewezen.
doende toegelicht dat de vorderingen die zij
den waaromtrent het hof niets heeft vastge-
wensen in te stellen tegen de Staat in de
steld – wegens strijd met de eisen van een
Hoge Raad
hoofdzaak, voldoende samenhang vertonen
goede procesorde worden afgewezen op de
In het principale beroep: vooropgesteld wordt
met het onderwerp van de hoofdzaak om tot
grond dat de procedure in de hoofdzaak als
dat een partij op de voet van art. 217 Rv in
het oordeel te kunnen leiden dat FIAR c.s.
gevolg van de voeging wordt vertraagd.
een aanhangig geding kan vorderen te
voldoende belang hebben bij tussenkomst in
Het derde argument verdraagt zich niet met
mogen tussenkomen indien zij een eigen
verband met de gevolgen die zij van de uit-
het oordeel van het hof dat FIAR c.s. voldoen-
vordering wenst in te stellen tegen (een van)
spraak in de hoofdzaak kunnen ondervinden.
de belang hebben bij voeging. Op grond van
de procederende partijen en voldoende
De gedingstukken laten dan ook geen andere
het voorgaande is het bestreden oordeel
belang heeft zich met dat doel in te mengen
conclusie toe dan dat het hof na verwijzing
onvoldoende gemotiveerd.
in het aanhangige geding in verband met de
de verzochte tussenkomst (opnieuw) zal moe-
In het voorwaardelijke incidentele beroep:
nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in
ten weigeren.
het middel richt klachten tegen het oordeel
de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. HR 6 sep-
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van
dat FIAR c.s. voldoende belang hebben om
tember 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ
het hof dat de procedure door het toestaan
zich aan de zijde van de Staat en SONT te
2014/58). Dat belang kan erin bestaan dat in
van voeging onredelijk zou worden ver-
voegen. Eenieder die belang heeft bij een tus-
verband met de gevolgen die de uitspraak in
traagd. Op de voet van art. 217 Rv kan ieder
sen andere partijen aanhangig geding, kan
de hoofdzaak kan hebben, benadeling of ver-
die een belang heeft bij een tussen andere
vorderen zich daarin te mogen voegen (art.
lies van een recht van de tussenkomende par-
partijen aanhangig geding, vorderen zich
217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig
tij dreigt, dan wel diens positie anderszins
daarin te mogen voegen. Indien aan deze eis
belang is voldoende dat de partij die voeging
kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaar-
is voldaan en de incidentele vordering tot
vordert nadelige gevolgen kan ondervinden
heid van een vordering tot tussenkomst kun-
voeging volgens art. 218 Rv tijdig is inge-
van een uitkomst van de procedure die
nen niettemin de eisen van een goede pro-
steld, is die vordering in beginsel toewijsbaar.
ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij
cesorde in de weg staan. Voor zover onderdeel
Aan de toewijsbaarheid kunnen niettemin de
zich voegt (vgl. HR 14 maart 2008,
1 klaagt dat het hof heeft miskend dat een
eisen van een goede procesorde in de weg
ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168; HR 6
partij die verlangt te worden toegelaten tot
staan. Afwijzing van een incidentele vorde-
september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ
tussenkomst, daarbij niet kenbaar behoeft te
ring tot voeging wegens strijd met de goede
2014/58). Het hof heeft in de beoordeling
maken wat zij wenst te vorderen en van wie,
procesorde is onder meer mogelijk indien
betrokken dat in de hoofdzaak onder meer
berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
toewijzing tot onredelijke vertraging van de
een oordeel wordt gevraagd over de rechtma-
Een oordeel over de gerechtvaardigdheid van
hoofdzaak zou leiden (art. 20 Rv). Het hof
tigheid van de algemene maatregelen van
de verlangde tussenkomst is immers alleen
heeft zijn oordeel dat toewijzing van de inci-
bestuur waarin bepaalde voorwerpen buiten
mogelijk indien duidelijk is wat de interveni-
dentele vordering tot voeging de procedure
de heffing zijn gebleven. Het bestreden oor-
ent wenst te bewerkstelligen. Voor zover het
in de hoofdzaak onnodig vertraagt, erop
deel komt erop neer dat een op dit punt voor
onderdeel klaagt over onbegrijpelijkheid van
gestoeld dat 1) FIAR c.s. de incidentele vorde-
de Staat en SONT ongunstige uitspraak nade-
het oordeel van het hof dat niet blijkt dat
ring eerder hadden kunnen instellen, 2) na
lige gevolgen kan hebben voor FIAR c.s.,
FIAR c.s. een vordering tegen de partijen in
voeging het partijdebat moet worden ver-
omdat zij als (belangenbehartigers van)
de hoofdzaak wensen in te stellen, is het
volgd en 3) onduidelijk is wat FIAR c.s. zou-
importeurs en fabrikanten van harddisk-
evenwel terecht voorgesteld, gelet op hetgeen
den kunnen bijdragen aan de beslechting
apparatuur belang erbij hebben dat SONT zo
zij in de incidentele memorie en in hun pleit-
van het geschil in de hoofdzaak. Het eerste
veel mogelijk vrij is om te bepalen welke
nota hebben aangevoerd. De gegrondbevin-
argument kan het bestreden oordeel niet
voorwerpen aan heffing onderworpen zijn.
ding van onderdeel 1 leidt echter niet tot cas-
dragen. In cassatie moet als vaststaand wor-
Aldus geeft het bestreden oordeel geen blijk
satie, aangezien FIAR c.s. daarbij geen belang
den aangenomen dat FIAR c.s. hebben vol-
van miskenning van de hiervoor vermelde
hebben. De hoofdzaak waarin FIAR c.s. willen
daan aan de eisen van art. 218 Rv, te weten
maatstaven. Het is ook niet onbegrijpelijk of
tussenkomen, gaat over de vraag of de Staat
dat de vordering tot voeging wordt ingesteld
onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt.
jegens Thuiskopie onrechtmatig heeft gehan-
bij incidentele conclusie vóór of op de rolda-
Volgt in het principale beroep vernietiging
deld door digitale audiospelers en digitale
tum waarop de laatste conclusie in het aan-
en verwijzing en in het in het incidentele
videorecorders ten onrechte niet aan te wij-
hangige geding wordt genomen. Als voor het
beroep verwerping, overeenkomstig de con-
zen als voorwerpen ten aanzien waarvan een
instellen van een incidentele vordering een
clusie van de A-G.
thuis-kopievergoeding verschuldigd is. De
wettelijke termijn geldt en die termijn niet is
De A-G verwijst naar een conclusie van de
(voorwaardelijke) vorderingen die FIAR c.s. in
overschreden, kan het oordeel dat de proce-
toenmalige A-G Bakels over voeging (2.3). Hij
de hoofdzaak willen instellen, zijn vorderin-
dure in de hoofdzaak bij toewijzing van de
meent dat de motiveringsklachten van onder-
gen tegen de Staat tot vergoeding van schade
incidentele vordering onredelijk wordt ver-
deel 1 van het principale beroep niet gegrond
die zij, bij toewijzing van de vorderingen in
traagd, niet worden gegrond op de enkele
zijn (2.4).
de hoofdzaak en de als gevolg daarvan te ver-
omstandigheid dat de incidentele vordering
wachten wijziging van de heffingsregeling,
ook eerder dan op de wettelijk laatst mogelij-
stellen te zullen lijden door omzetderving als
ke dag had kunnen worden ingesteld. Het
gevolg van de dan te verwachten heffing die
tweede argument kan het bestreden oordeel
zal worden gelegd op apparaten voorzien van
evenmin dragen. Voeging strekt ertoe dat
28 maart 2014, 13/02653
een hard disk, respectievelijk van schade die
een derde zich mengt in het processuele
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens,
zij in dat geval stellen te hebben geleden
debat van partijen. Daarmee zal in het alge-
A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion;
doordat in het verleden de heffing op cd’s en
meen tijd zijn gemoeid. Een in beginsel toe-
A-G mr. L.A.D. Keus)
dvd’s (wellicht) onevenwichtig hoog blijkt te
wijsbare vordering tot voeging kan dan ook
ECLI:NL:HR:2014:769
926
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
735
Rechtspraak
Alimentatie. Wettelijke maatstaven. Wijzi-
omstandigheden heeft voorgedaan in de zin
waarbij het vaststellen van de vorm, frequen-
ging. HR: Het hof heeft miskend dat in het
van art. 1:401 lid 1 BW.
tie en duur van de omgang aan een instelling
hoger beroep tegen de beschikking waarbij
Volgt vernietiging en verwijzing, voor zover
als het Omgangshuis wordt overgelaten, geen
de rechtbank de eerste vaststelling van de
de beschikking van het hof betrekking heeft
wettelijke of verdragsrechtelijke basis heeft.
kinderalimentatie had gegeven, aan de orde
op het hoger beroep tegen de beschikking
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het
was of die vaststelling, beoordeeld naar de
van 9 juni 2010, overeenkomstig de conclusie
volgende vooropgesteld. Een kind en zijn niet
actuele situatie, beantwoordde aan de wet-
van de A-G.
met het gezag belaste ouder hebben recht op
omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de
telijke maatstaven, en niet of zich een wijziging van omstandigheden had voorge-
niet met het gezag belaste ouder betreft,
daan in de zin van art. 1:401 lid 1 BW.
736
(BW art. 1:397 lid 1, 1:401 lid 1)
28 maart 2014, 13/03866
door die laatstgenoemde bepaling, maar ook
(Mrs. F.B. Bakels, G. Snijders, G. de Groot,
door de art. 9 lid 3 IVRK en 24 lid 3 Handvest
De man, adv. mr. J.C.J. Smallenbroek, vs. de
M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek;
van de grondrechten van de EU. De rechter
vrouw, adv. mr. S. Kousedghi.
A-G mr. F.F. Langemeijer)
kan de niet met het gezag belaste ouder het
ECLI:NL:HR:2014:748
recht op omgang met het kind uitsluitend
gewaarborgd door de art. 8 EVRM en 1:377a
lid 1 BW, en wat het kind aangaat niet alleen
Feiten en procesverloop
ontzeggen op de in art. 1:377a lid 3 BW limi-
Partijen zijn in 1989 gehuwd. Uit het huwe-
Omgangsregeling. HR: 1. Omgangshuis. De
tatief opgesomde gronden (vgl. HR 17 januari
lijk zijn drie kinderen geboren.
beslissing van het hof om de moeder te ver-
2014, ECLI:NL:HR:2014:91). Op de ouder die
Bij beschikking van 13 februari 2008 heeft de
plichten medewerking te verlenen aan een
met het gezag is belast, rust de verplichting
rechtbank de echtscheiding tussen partijen
voorlopige omgangsregeling waarbij vorm,
om de ontwikkeling van de banden van zijn
uitgesproken, de door de man te betalen kin-
frequentie en duur van de omgang aan het
kind met de andere ouder te bevorderen (art.
deralimentatie voorlopig vastgesteld op €
Omgangshuis worden overgelaten, berust
1:247 lid 3 BW). De rechter aan wie wordt ver-
300 per kind per maand, een beslissing gege-
op een wettelijke grondslag en is niet in
zocht op de voet van art. 1:377a lid 1 BW een
ven over de partneralimentatie en de behan-
strijd met art. 8 EVRM. Dit laat onverlet dat
omgangsregeling vast te stellen, kan zijn
deling ten aanzien van andere geschilpunten
het in het algemeen aanbeveling verdient
beslissing zo nodig aanhouden in afwachting
aangehouden. Bij beschikking van 14 oktober
dat de rechter aanwijzingen geeft over fre-
van (nader) onderzoek, een voorlopige
2008 heeft het hof de beschikking van 13
quentie en duur van de aldus te organise-
omgangsregeling vaststellen, en partijen aan-
februari 2008 vernietigd op het punt van de
ren contacten. 2. Omvang appel. Het hof is
wijzingen geven om mee te werken aan de
partneralimentatie en de partneralimentatie
buiten de grenzen van de rechtsstrijd getre-
verdere voorbereiding van zijn beslissing op
anders bepaald. De man heeft de rechtbank
den door een dwangsom op te leggen zon-
het verzoek (vgl. HR 17 november 2000,
verzocht de beschikking van het hof van 14
der dat de rechtbank dit had gedaan en
ECLI:NL:HR:2000:AA8360, NJ 2001/121). Werkt
oktober 2008 te wijzigen in die zin dat de
zonder dat dit in hoger beroep was ver-
de met het gezag belaste ouder niet mee aan
partneralimentatie en de kinderalimentatie
zocht.
de totstandkoming of de uitvoering van een
(voorlopige) omgangsregeling, dan kan de
op nihil worden gesteld. Bij beschikking van
15 juni 2010 heeft de rechtbank de man niet-
(IVRK art. 9 lid 3; Handvest van de grond-
rechter desverlangd maatregelen treffen om
ontvankelijk verklaard in dat verzoek. In de
rechten van de EU art. 24 lid 3; EVRM art. 8;
die ouder te bewegen tot naleving van zijn
procedure waarin de echtscheidingsbeschik-
BW art. 1:247 lid 3, 1:377a lid 1 en 3)
verplichtingen die corresponderen met het
recht op omgang van de andere ouder en het
king is gegeven, heeft de rechtbank bij
beschikking van 9 juni 2010 de door de man
De moeder, adv. mr. K. Aantjes, vs. de vader,
kind met elkaar (vgl. de beschikking van de
te betalen kinderalimentatie definitief vast-
niet verschenen.
Hoge Raad van 17 januari 2014). In dit verband kan de rechter onder meer van partijen
gesteld.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen
Feiten en procesverloop
verlangen dat zij zich bij de totstandkoming
de beschikkingen van 9 en 15 juni 2010 en
Uit een affectieve relatie van partijen is in
of de uitvoering van een (voorlopige)
verzocht de kinderalimentatie en de partner-
2010 een dochter geboren. De vader heeft
omgangsregeling laten begeleiden door een
alimentatie op nihil te stellen. Het hof heeft
haar erkend. De moeder heeft het ouderlijk
derde of een instelling die daartoe naar zijn
beide zaken gezamenlijk behandeld en alle
gezag. De dochter heeft haar hoofdverblijf-
oordeel voldoende gekwalificeerd is. Een en
verzoeken afgewezen. Daarbij heeft het over-
plaats bij de moeder.
ander strookt met het belang van het kind
wogen dat zich geen relevante wijziging van
In dit geding heeft de vader verzocht om een
dat een regeling betreffende zijn omgang
omstandigheden in de zin van artikel 1:401
omgangsregeling met de dochter. De recht-
met de niet met het gezag belaste ouder op
lid 1 BW heeft voorgedaan.
bank heeft bepaald dat de vader met de
zorgvuldige wijze tot stand komt. Gelet op
dochter omgang zal hebben onder begelei-
het voorgaande berust de beslissing van het
Hoge Raad
ding van het Omgangshuis. De moeder heeft
hof om de moeder te verplichten medewer-
In het hoger beroep tegen de beschikking
hoger beroep ingesteld. Het hof heeft
king te verlenen aan een voorlopige
van de rechtbank van 9 juni 2010 was aan de
bepaald dat op korte termijn een omgangsre-
omgangsregeling waarbij vorm, frequentie en
orde of de eerste (definitieve) vaststelling van
geling tot stand dient te komen waarvan de
duur van de omgang aan het Omgangshuis
de kinderalimentatie, beoordeeld naar de
invulling door het Omgangshuis dient te
worden overgelaten, op een wettelijke grond-
actuele situatie, beantwoordde aan de wette-
worden bepaald. Voorts heeft het hof een
slag en is dit oordeel niet in strijd met art. 8
lijke maatstaven. Het hof heeft miskend dat
dwangsom opgelegd aan de moeder.
EVRM. Daarop stuit het onderdeel af. Dit laat
onverlet dat het in het algemeen aanbeveling
in het hoger beroep tegen die beschikking
voor het oordeel inzake de kinderalimentatie
Hoge Raad
verdient dat de rechter aanwijzingen geeft
niet van belang was of zich een wijziging van
Onderdeel I bevat de klacht dat een beslissing
over frequentie en duur van de aldus te orga-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
927
Rechtspraak
niseren contacten tussen het kind en de niet-
betekenen. Is deze collectieve stuitingshan-
van rechtsvorderingen van personen wier
verzorgende ouder. Voorts kan iedere ouder
deling rechtsgeldig? HR: Bevestigend. Een
gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn sta-
zich tot de rechter wenden indien hij of zij
rechtspersoon in de zin van art. 3:305a lid 1
tuten behartigt, strekkend tot nakoming van
meent dat de nadere vormgeving van de
BW kan door een aanmaning of medede-
verbintenissen tot schadevergoeding te vol-
omgangsregeling door het Omgangshuis op
ling op de voet van art. 3:317 lid 1 BW de
doen in geld?’
enig punt niet aanvaardbaar is. De rechter die
verjaring stuiten van rechtsvorderingen
de nadere vormgeving van een voorlopige
van personen wier gelijksoortige belangen
Hoge Raad
omgangsregeling overlaat aan een instantie
hij ingevolge zijn statuten behartigt, ook
Art. 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een stichting
als het Omgangshuis, blijft immers verant-
voor zover deze rechtsvorderingen strekken
of vereniging met volledige rechtsbevoegd-
woordelijk voor de vaststelling van de
tot nakoming van verbintenissen tot scha-
heid een rechtsvordering kan instellen die
omgangsregeling en behoudt dan ook de
devergoeding te voldoen in geld.
strekt tot bescherming van gelijksoortige
mogelijkheid deze te veranderen.
belangen van andere personen, voor zover zij
Het onderdeel klaagt voorts dat het hof het
(BW art. 3:305a lid 1, 2 en 3, 3:316 lid 1, 3:317
deze belangen ingevolge haar statuten behar-
verbod van reformatio in peius heeft
lid 1)
tigt (hierna ook: collectieve actie). Met de
geschonden, omdat de rechtbank omgang
wettelijke regeling van de collectieve actie is
heeft opgelegd volgens een bij het Omgangs-
VEB, adv. mr. E.H. van Staden ten Brink, vs.
onder meer beoogd een effectieve en effici-
huis gangbare en haalbare frequentie en het
Deloitte c.s., adv. mr. F.E. Vermeulen.
ente rechtsbescherming ten behoeve van de
hof de bepaling van de vorm, frequentie en
belanghebbenden te bevorderen (vgl. HR 26
duur van de contacten heeft overgelaten aan
Feiten en procesverloop
februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, NJ
het Omgangshuis. Deze klacht mist feitelijke
Deloitte heeft de jaarrekeningen van Ahold
2011/473).
grondslag. Ook de rechtbank heeft geen
over de boekjaren 1999, 2000 en 2001 van
De rechtsvordering van art. 3:305a lid 1 BW
beperking gesteld aan de vorm, frequentie en
een goedkeurende accountantsverklaring
kan volgens lid 3 van die bepaling niet strek-
duur van de omgang onder begeleiding van
voorzien. VEB meent dat deze goedkeurende
ken tot schadevergoeding te voldoen in geld.
het Omgangshuis.
verklaringen voldoende grondslag misten,
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat
In onderdeel II klaagt de moeder dat het hof
dat beleggers daardoor op het verkeerde
de wetgever verder geen beperkingen heeft
een dwangsom heeft opgelegd, zonder dat dit
been zijn gezet en schade hebben geleden, en
willen stellen aan de aard van de in te stellen
door de vader was verzocht. Deze klacht is
dat de Deloitte Maatschap en aan haar geli-
vorderingen, dat een rechtspersoon die op de
gegrond. De rechtbank heeft voorzien in een
eerde personen aansprakelijk zijn voor die
voet van die bepaling een collectieve actie
omgangsregeling, zonder oplegging van een
schade. Bij exploten van februari 2008 heeft
kan instellen, tevens bevoegd is de schulde-
dwangsom, hoewel dat door de vader was ver-
VEB aan Deloitte c.s. een brief doen beteke-
naar door middel van een aanmaning ten
zocht. In zijn verweerschrift in hoger beroep
nen, waarin onder meer is vermeld:
behoeve van de belanghebbenden in gebreke
heeft de vader verzocht de beschikking waar-
‘Met deze brief stuit de VEB namens zichzelf
te stellen, en dat met art. 3:305a lid 2 BW is
van beroep te bekrachtigen. Door de moeder
en alle (voormalige) aandeelhouders van
bedoeld dat belangenorganisaties eerst pro-
desalniettemin te veroordelen tot betaling
Ahold, waaronder in ieder geval de aandeel-
beren in overleg met de wederpartij(en) tot
van een dwangsom voor het geval zij niet
houders die aandelen hebben gekocht in de
een oplossing te komen, voordat zij ervoor
meewerkt, is het hof dus buiten de grenzen
periode 30 juli 1999 tot en met 23 februari
kiezen een geschil aan de rechter voor te leg-
van de rechtsstrijd getreden.
2003 (waaronder de personen en eenheden/
gen, om te bevorderen dat het collectief actie-
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
entiteiten die zodanige aandelen als divi-
recht mede kan dienen als voortraject voor
komstig de conclusie van de A-G.
dend hebben ontvangen), wier belangen zij
de totstandkoming van een collectieve schik-
De A-G geeft onder 2.1-2.13 een inleiding over
in overeenstemming met haar statutaire
king (Kamerstukken II, 1991/92, 22 486, nr. 3,
de overheidsbemoeienis met Omgangshuizen.
doel als artikel 3:305a BW vereniging behar-
p. 24-28; Kamerstukken II 2012/13, 33 126, nr.
Onder 3.7 legt hij de beschikking van het hof
tigt, in het kader van artikel 3:317 BW voor
7, p. 3). De verjaring van een rechtsvordering
aldus uit dat het hof de beslissing niet uit han-
zover nodig alle vorderingen die mede op
kan worden gestuit door het instellen van
den heeft gegeven aan het Omgangshuis.
grond van de artikelen 6:162 en/of 6:170 en/
een eis, alsmede door iedere andere daad van
of 6:171 en 6:172 BW voortvloeien uit de
rechtsvervolging van de zijde van de gerech-
maatschap Deloitte en/of haar afzonderlijke
tigde die in de vereiste vorm geschiedt (art.
maten en Van den Dries en/of diens als maat
3:316 lid 1 BW). Blijkens de totstandkomings-
handelende besloten vennootschap (…) toe te
geschiedenis van art. 3:305a BW stuit het
28 maart 2014, 13/04530
rekenen handelen en/of nalaten. Deze stui-
instellen van een rechtsvordering op de voet
(Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp,
ting brengt de VEB uit namens zichzelf en
van art. 3:316 lid 1 BW ook de verjaring van
C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak;
voormelde (voormalige) aandeelhouders op
de vorderingen van degenen wier belangen
A-G mr. A. Hammerstein)
grond van haar bevoegdheid krachtens arti-
met de collectieve actie worden behartigd
ECLI:NL:HR:2014:766
kel 3:305a BW, althans op grond van zaak-
(Kamerstukken II, 1992/93, 22 486, nr. 5, p. 4).
waarneming in de zin van artikel 6:198 BW.’
De verjaring van een rechtsvordering tot
Prejudiciële vraag. Collectieve stuiting. VEB
In dit geding heeft VEB op de voet van art.
nakoming van een verbintenis kan ook wor-
meent dat Deloitte onrechtmatig jegens
3:305a lid 1 BW diverse vorderingen tegen
den gestuit door een op de voet van art.
beleggers heeft gehandeld door jaarreke-
Deloitte c.s. ingesteld. De rechtbank heeft de
3:317 lid 1 BW uitgebrachte aanmaning of
ningen van Ahold van een goedkeurende
volgende prejudiciële vraag gesteld:
mededeling waarin de schuldeiser zich
accountantsverklaring te voorzien en dat de
‘Kan een rechtspersoon in de zin van art.
ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voor-
beleggers daardoor schade hebben geleden.
3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit
behoudt. Hierbij gaat het erom dat een vol-
VEB stelt een collectieve actie in. In 2008
artikel ontleende bevoegdheid, op de voet
doende duidelijke waarschuwing aan de
doet VEB een stuitingsbrief aan Deloitte
van art. 3:317 lid 1 BW de verjaring stuiten
schuldenaar wordt gegeven dat hij rekening
737
928
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
moet blijven houden met de aanspraak van
hebben dan ook belang erbij dat de verjaring
Inleiding:
de schuldeiser (vgl. HR 14 februari 1997,
kan worden gestuit op een wijze die niet
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzit-
ECLI:NL:HR:1997:ZC2274, NJ 1997/244).
onnodig belastend is.
ting in hoger beroep van 7 mei 2012 en dat
Deloitte c.s. betogen dat de prejudiciële vraag
Gelet op het voorgaande moet worden aange-
van de terechtzitting van 13 augustus 2012
ontkennend moet worden beantwoord, en
nomen dat de rechtspersoon ook door een
zijn aldaar de verdachte noch een raadsman
voeren daartoe aan dat het belang van de
aanmaning of mededeling zoals bedoeld in
verschenen. Beide middelen behelzen de
schuldenaar bij rechtszekerheid vergt dat de
art. 3:317 lid 1 BW de verjaring kan stuiten
klacht dat in hoger beroep het voorschrift
toepasselijke wettelijke bepalingen restrictief
van vorderingen van degenen voor wier
van art. 51 Sv niet is nageleefd.
worden uitgelegd. In het licht van hetgeen
belangen hij opkomt. De slotsom is dat de
Art. 51 Sv luidt: ‘Ten aanzien van de bevoegd-
hiervoor is vooropgesteld, kan dat betoog
prejudiciële vraag bevestigend moet worden
heid van den raadsman tot de kennisneming
niet worden aanvaard. Met de regeling van
beantwoord.
van processtukken en het bekomen van
art. 3:305a BW is beoogd een effectieve en
Volgt als dictum beantwoording van de pre-
afschrift daarvan vinden de artikelen 30 tot
efficiënte rechtsbescherming te bieden aan
judiciële vraag aldus dat een rechtspersoon
en met 34 overeenkomstige toepassing. Van
personen voor wier belangen een rechtsper-
in de zin van art. 3:305a lid 1 BW, door een
alle stukken die ingevolge dit wetboek ter
soon als bedoeld in die bepaling (hierna: de
aanmaning of mededeling op de voet van
kennis van de verdachte worden gebracht
rechtspersoon) opkomt. Een collectieve actie
art. 3:317 lid 1 BW de verjaring kan stuiten
ontvangt de raadsman, behoudens het
is in beginsel mogelijk als de bij de vordering
van rechtsvorderingen van personen wier
bepaalde in artikel 32, tweede lid, onverwijld
betrokken belangen zich voor bundeling
gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn sta-
afschrift.’
lenen. De enige beperking is dat door middel
tuten behartigt, ook voor zover deze rechts-
Bij de stukken van het geding bevinden zich:
van een collectieve actie geen schadevergoe-
vorderingen strekken tot nakoming van ver-
(i) een akte rechtsmiddel inhoudende dat mr.
ding kan worden gevorderd (art. 3:305a lid 3
bintenissen tot schadevergoeding te voldoen
P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, op 21 april
BW). Deze beperking is ingegeven door de
in geld.
2011 namens de verdachte hoger beroep
omstandigheid dat schadevergoeding aan
De A-G concludeert dienovereenkomstig. Hij
instelt tegen het door de Rechtbank op 7
individuele personen moet worden uitge-
geeft zijn beoordeling onder 4.10-4.15. Voor
april 2011 gewezen vonnis; (ii) een brief van
keerd, en door de juridisch-technische com-
hem geeft de doorslag dat bevestigende
mr. P.J. Silvis van 9 mei 2011 gericht aan de
plicaties waartoe het toelaten van een collec-
beantwoording past in een rechtsontwikke-
strafgriffie van de Rechtbank, die inhoudt:
tieve actie op dit punt aanleiding kan geven
ling waarbij de Hoge Raad ruim baan geeft
‘Op 7 april 2011 is vonnis gewezen en op 21
(vgl. Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p.
aan collectieve acties.
april 2011 is hoger beroep ingesteld. Bij-
29-30). Dergelijke complicaties doen zich niet
gaand gelieve u mijn appelmemorie aan te
voor bij de collectieve stuiting van verjaring
treffen (bijlage I).’; (iii) de in (ii) bedoelde bij-
van vorderingen tot vergoeding van schade.
Hoge Raad (strafkamer)
lage, die onder meer inhoudt: ‘In de strafzaak
Door een procedure op de voet van art.
Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr.
tegen [verdachte], bij u bekend onder parket-
3:305a BW bij de rechter aanhangig te
P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar
nummer 10.631245-08 verzoek ik de A-G
maken, kan de rechtspersoon de verjaring
straf(proces)recht Radboud Universiteit
middels deze appelmemorie om voor de zit-
stuiten van vorderingen van personen voor
Nijmegen.
ting in hoger beroep de volgende getuigen
wier belangen hij opkomt, waaronder de vordering tot vergoeding van schade. Ook kan
de rechtspersoon de schuldenaar door een
op te roepen (...)’. Bij de stukken bevindt zich
738
aanmaning rechtsgeldig in gebreke stellen
voorts het dubbel van de dagvaarding van de
verdachte om te verschijnen voor de terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2012 en
ten behoeve van de belanghebbenden. Een
18 maart 2014, nr. 12/04334
het dubbel van de oproeping van de verdach-
dergelijke ingebrekestelling voldoet tevens
(Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-
te om te verschijnen voor de terechtzitting
aan de vereisten die art. 3:317 lid 1 BW stelt
van Kan en Y. Buruma)
in hoger beroep van 13 augustus 2012. Noch
voor stuiting van een verjaring. Het argu-
(na conclusie van wnd. A-G mr. N. Jörg,
uit mededelingen gesteld op die stukken
ment van Deloitte c.s. dat de omvang van de
strekkende tot vernietiging en tot terugwij-
noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezon-
vorderingen voor de schuldenaar onzeker
zing; adv. mr. O.J. Much, te Rotterdam)
den stuk kan blijken dat een afschrift van die
blijft indien collectieve stuiting kan plaats-
ECLI:NL:HR:2014:660
dagvaarding en die oproeping aan een raads-
vinden, kan in deze twee gevallen een zoda-
man is gezonden.
nige stuiting niet verhinderen. Dan valt niet
Kennisgeving van optreden door gekozen
in te zien waarom dat argument in de weg
raadsman art. 39 Sv: de regeling in deze
Hoge Raad, onder meer:
staat aan de mogelijkheid voor de rechtsper-
bepaling geldt als een ordemaatregel en
2.5. Bij de beoordeling van de middelen dient
soon om de verjaring te stuiten door middel
een schriftelijke kennisgeving vormt geen
het volgende voorop te worden gesteld.
van een aanmaning of mededeling in de zin
noodzakelijke voorwaarde om als raadsman
Art. 38, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte
van art. 3:317 lid 1 BW. Daarbij verdient
te kunnen optreden. Indien uit enig in het
te allen tijde bevoegd is een of meer raadslie-
opmerking dat met de regeling van art.
dossier aanwezig stuk aan de rechter of de
den te kiezen. Behoudens in het geval van
3:305a BW tevens is beoogd de totstandko-
andere justitiële autoriteiten kan blijken
voortijdige beëindiging van diens werkzaam-
ming van collectieve schikkingen te bevorde-
dat de verdachte voor de desbetreffende
heid, geldt de keuze van een raadsman –
ren. Denkbaar is dat vorderingen van belang-
aanleg voorzien is van rechtsbijstand door
evenals ingevolge art. 43, eerste lid, Sv de toe-
hebbenden voor wie de rechtspersoon
een raadsman, dan behoort deze raadsman
voeging van een raadsman – voor de gehele
opkomt, tijdens onderhandelingen over een
als zodanig te worden erkend.
aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aan-
collectieve schikking dreigen te verjaren. De
rechtspersoon, de belanghebbenden voor wie
hij opkomt, maar evenzeer de schuldenaar,
leg is beëindigd als de betreffende uitspraak
(Sv art. 38, 39, 51)
in kracht van gewijsde is gegaan of als daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
929
Rechtspraak
(vgl. HR 9 juni 1998, LJN ZD1192, NJ
– ten laste gelegd dat hij tezamen en in ver-
wezenlijke informatie buiten het dossier
1998/784). Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv
eniging met anderen, opzettelijk valse euro-
wordt gehouden).
geeft de gekozen raadsman van zijn optreden
bankbiljetten, met het oogmerk om die bank-
Het hof is van oordeel dat door:
als zodanig, wanneer de officier van justitie
biljetten als echt en onvervalst uit te geven
1. de gebrekkige controle van het CIE op het
reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk
of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad
handelen van [medeverdachte 6] (waardoor
kennis aan de griffier of, als dat nog niet het
en/of zich heeft verschaft en/of heeft ontvan-
verdachte via [medeverdachte 1] werd uitge-
geval is, aan de betrokken hulpofficier.
gen en/of vervoerd en/of heeft ingevoerd,
lokt de strafbare feiten te plegen),
De regeling van art. 39 Sv moet worden
subsidiair dit feit opzettelijk heeft uitgelokt,
2. de gebrekkige controle van het OM op de
beschouwd als een ordemaatregel en een
en meer subsidiair medeplichtig is geweest
CIE waardoor, hoewel de feiten (mede door
schriftelijke kennisgeving vormt geen nood-
aan dit feit.
de verklaring van [medeverdachte 1]) er
zakelijke voorwaarde om als raadsman te
In het opsporingsonderzoek werd gebruik
lagen, pas op 13 september 2005 in volle
kunnen optreden. Indien uit enig in het dos-
gemaakt van een burgerinformant die zijn
omvang duidelijk werd dat er was uitgelokt
sier aanwezig stuk aan de rechter of de ande-
werkzaamheden als burgerinformant voor de
door een informant en
re justitiële autoriteiten kan blijken dat de
overheid tegen betaling placht te verrichten.
3. het feit dat de verdachte niet zo spoedig
verdachte voor de desbetreffende aanleg
Door de verdediging in deze zaak en in de
mogelijk op de hoogte is gesteld van de door
voorzien is van rechtsbijstand door een
verwante zaken tegen gelijktijdig terecht-
[medeverdachte 6] afgelegde verklaringen,
raadsman, dan behoort deze raadsman als
staande verdachten zijn verweren gevoerd
sprake is van een grove veronachtzaming van
zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 decem-
met betrekking tot het optreden van de
de belangen van verdachte waardoor tekort is
ber 2000, LJN ZD2182, NJ 2001/161).
informant, het doen en/of nalaten van de
gedaan aan zijn recht op een eerlijke behan-
2.6. Het kennelijke oordeel van het Hof dat
betrokken CIE dienaangaande en de verant-
deling.
uit de hiervoor onder 2.2.2 sub (ii) en (iii)
woordelijkheid van het openbaar ministerie
Daarnaast is ook sprake van een schending
genoemde stukken niet kan blijken dat de
daarvoor. Naar aanleiding daarvan heeft het
van het publieke belang.
verdachte zich in hoger beroep van rechtsbij-
Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvanke-
Immers, het feit dat door financiële belonin-
stand door mr. Silvis had voorzien en het
lijk verklaard in de vervolging van de ver-
gen van de overheid en gebrekkige controle
voorschrift van art. 51 Sv in het onderhavige
dachte. Het hof overweegt daartoe onder
van de CIE strafbare feiten gepleegd worden
geval niet van toepassing is, geeft, gelet op
meer: ‘Onder andere het feit dat [medever-
(waarop de overheid geen zicht heeft) raakt
hetgeen onder 2.5 is overwogen, ofwel blijk
dachte 6] door de overheid kreeg betaald
de integriteit van de overheid. Dit in de ogen
van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is
voor het verstrekken van informatie over
van het hof ernstige probleem, wordt naar de
niet begrijpelijk.
strafbare feiten heeft hem er kennelijk toe
indruk van het hof in de onderhavige zaak
2.7. De middelen zijn terecht voorgesteld.
gebracht [medeverdachte 1] over te halen om
noch door de CIE, noch door het OM onder-
Volgt vernietiging en terugwijzing.
te bemiddelen bij de vals geld transactie.
kend. De voormalig CIE-chef [betrokkene]
[medeverdachte 6] heeft kunnen handelen
heeft ter zitting van het gerechtshof volge-
zoals hij gehandeld heeft, omdat het toezicht
houden dat er door de CIE geen fouten zijn
van de CIE faalde. Het hof is daarom van oor-
gemaakt en ook van de zijde van het OM is
deel dat de verdachte als gevolg van aan de
niet gebleken van een negatief oordeel over
overheid toe te rekenen omstandigheden is
het functioneren van de CIE in deze zaak.
gebracht tot andere strafbare feiten dan
Vanwege de grove veronachtzaming van de
(Mrs. A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en
waarop zijn opzet was gericht en dat alleen
belangen van de verdachte en het publieke
E.S.G.N.A.I. van de Griend)
al om die reden geen veroordeling kan vol-
belang, is het hof van oordeel dat het Open-
(na conclusie van A-G mr. P.C. Vegter, strek-
gen.
baar ministerie niet-ontvankelijk in zijn
kende tot vernietiging en tot terugwijzing;
Dat de verdachte (via [medeverdachte 1]) is
strafvervolging verklaard dient te worden.’
OM-cassatie)
uitgelokt door een door de CIE gerunde infor-
Het middel klaagt dat het Hof zijn beslissing
ECLI:NL:HR:2014:637
mant was in ieder geval op 13 september
dat het Openbaar Ministerie niet-ontvanke-
2005 bij het OM bekend en had overigens
lijk is in de vervolging ontoereikend heeft
Niet-ontvankelijkheid ingevolge art. 359a
eerder bekend kunnen zijn als de controle
gemotiveerd.
Sv vanwege uitlokking verdachte door een
beter was geweest. Het OM had in ieder geval
door de CIE gerunde informant? Tallon-cri-
zo spoedig mogelijk na 13 september 2005
Hoge Raad, onder meer:
terium. In casu is het oordeel dat aan ver-
de verdachte en zijn raadsman op de hoogte
2.3. Bij de beoordeling van het middel moet
dachtes recht op een eerlijke behandeling
moeten stellen van de informatie die van
het volgende worden vooropgesteld. Ingeval
van zijn zaak is tekortgedaan, niet begrijpe-
belang was voor een door de rechter te
sprake is van een vormverzuim als bedoeld
lijk mede nu niet is vastgesteld dat de ver-
nemen eindbeslissing en beslissingen inzake
in art. 359a Sv en de rechtsgevolgen daarvan
dachte door een opsporingsambtenaar dan
de voorlopige hechtenis. Dat heeft het OM
niet uit de wet blijken, moet de rechter
wel een persoon voor wiens handelen de
niet gedaan. Het lijkt er zelfs op dat als
beoordelen of aan dat vormverzuim enig
politie of het Openbaar Ministerie verant-
[medeverdachte 6] er voor gekozen had niet
rechtsgevolg dient te worden verbonden en,
woordelijk is, is gebracht tot het begaan
te verklaren over zijn relatie met de CIE, die
zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking
van de strafbare feiten waarvoor hij wordt
informatie (hoewel aanwezig bij het OM)
komt. Daarbij dient hij rekening te houden
vervolgd.
nooit ter kennis was gekomen van de ver-
met de in het tweede lid van art. 359a Sv
dachte. Als het argument daarvoor zou zijn
genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal
dat dit ter bescherming van [medeverdachte
immers door deze factoren moeten worden
6] was, dan stelt het hof daar tegen over dat
gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het
Inleiding:
die keuze consequenties had moeten hebben
belang dat het geschonden voorschrift dient’.
OM-cassatie. Aan verdachte is – kort gezegd
voor de verdachte (zoals een sepot, omdat
De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’.
739
18 maart 2014, nr. 13/03122
(Sv art. 126ij, 359a)
930
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
Bij de beoordeling daarvan zijn de omstan-
neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het
een (na het vonnis van de Rechtbank en
digheden van belang waaronder het verzuim
Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte
voorafgaand aan het onderzoek ter terecht-
is begaan. Daarbij kan ook de mate van ver-
door een opsporingsambtenaar dan wel een
zitting in hoger beroep plaatsgevonden heb-
wijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.
persoon voor wiens handelen de politie of
bend) verhoor van [betrokkene 2] als getuige
De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor
het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is,
opzettelijk op ambtseed een onjuist proces-
wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daar-
is gebracht tot het begaan van de strafbare
verbaal heeft opgemaakt door daarin een
van is onder meer van belang of en in hoe-
feiten waarvoor hij wordt vervolgd.
deel van de verklaring van de getuige onjuist
verre de verdachte door het verzuim daad-
2.5. Het middel is gegrond.
en in een voor de verdachte belastende zin
werkelijk in zijn verdediging is geschaad.
Volgt vernietiging en verwijzing.
heeft weer te geven (2.4.1). Een tweede in het
middel bedoeld verweer houdt in dat het
Opmerking verdient dat indien het niet de
verdachte is die door de niet-naleving van
het voorschrift is getroffen in het belang dat
740
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet
worden verklaard in zijn strafvervolging van
de verdachte, aangezien het door de betref-
de overtreden norm beoogt te beschermen,
in de te berechten zaak als regel geen rechts-
18 maart 2014, nr. 12/02631
fende verbalisant opgemaakte proces-verbaal
gevolg zal behoeven te worden verbonden
(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin
van het (na het vonnis van de Rechtbank en
aan het verzuim.
Lohman en Y. Buruma)
voorafgaand aan het onderzoek ter terecht-
Indien de rechter op grond van de hiervoor
(na conclusie van A-G mr. D.J.C. Aben, strek-
zitting in hoger beroep plaatsgevonden heb-
bedoelde weging en waardering van de wet-
kende tot vernietiging van de bestreden
bend) verhoor van [betrokkene 1] als getuige
telijke beoordelingsfactoren en aan de hand
uitspraak uitsluitend wat betreft de straf-
niet een correcte zakelijke weergave bevat en
van alle omstandigheden van het geval tot
oplegging, tot vermindering van de straf en
deels in strijd met de waarheid is, nu het pro-
het oordeel komt dat niet kan worden vol-
tot verwerping voor het overige; adv. mr.
ces-verbaal ‘een sturende vraag [bevat] en het
staan met de vaststelling dat een onherstel-
R.D.A. van Boom en mr. M. Berndsen,
geverbaliseerde antwoord (...) het [doet] voor-
baar vormverzuim is begaan, maar dat het
beiden Utrecht)
komen alsof de getuige antwoordt met een
verzuim niet zonder consequentie kan blij-
ECLI:NL:HR:2014:639
eigen waarneming’ (2.4.2).
Het hof constateerde dat bij vergelijking en
ven, zal hij daaraan een van de in art. 359a,
eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen ver-
Niet-ontvankelijkheid ingevolge art. 359a
controle van het bewuste proces-verbaal van
binden, te weten strafvermindering, bewijs-
Sv vanwege onjuist opgemaakt proces-ver-
verhoor van de getuige [betrokkene 2],
uitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van
baal door daarin getuigenverklaring onjuist
genummerd 20110727.16.08, gesloten op 27
het openbaar ministerie in de vervolging.
en in een voor de verdachte belastende zin
juli 2011, met de daarbij behorende audio-
Het vorenoverwogene brengt mee dat een
weer te geven? In casu daarvoor geen aan-
banden is gebleken dat de betreffende verba-
beslissing tot toepassing van een rechtsge-
leiding mede omdat de verdediging door de
lisant het verhoor van de getuige op één
volg als bedoeld in art. 359a Sv dient te wor-
beschikbaarheid van geluidsopnamen van
onderdeel onjuist heeft gerelateerd. Het hof
den genomen en gemotiveerd aan de hand
de verhoren op de onjuiste weergave heeft
acht dit een ernstige fout, maar deze geeft
van de factoren die in het tweede lid van het
kunnen wijzen en het verzuim is hersteld
het hof geen aanleiding tot niet-ontvankelijk-
artikel zijn genoemd.
doordat de advocaat-generaal bij het hof
verklaring van het openbaar ministerie in de
Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar
een aanvullend proces-verbaal heeft doen
vervolging. Het hof overweegt onder meer
ministerie in de vervolging komt als in art.
opmaken waarin een juiste weergave van
dat voor toepassing van de door de raads-
359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uit-
de verklaring van de getuige is gerelateerd.
man bepleite sanctie vereist is dat de desbe-
zonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor
Niet-ontvankelijkheid ingevolge art. 359a Sv
treffende opsporingsambtenaar door zijn
is alleen plaats ingeval het in het voorberei-
omdat het opgemaakte proces-verbaal een
handelen een ernstige inbreuk heeft
dend onderzoek begane vormverzuim daarin
sturende vraag bevat en het geverbaliseerde
gemaakt op beginselen van een behoorlijke
bestaat dat met de opsporing of vervolging
antwoord het doet voorkomen alsof de
procesorde waardoor doelbewust of met gro-
belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben
getuige antwoordt met een eigen waarne-
ve veronachtzaming van de belangen van de
gemaakt op beginselen van behoorlijke pro-
ming? In casu daarvoor geen aanleiding
verdachte aan diens recht op een eerlijke
cesorde waardoor doelbewust of met grove
mede omdat de verdediging op grond van
behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.
veronachtzaming van de belangen van de
de audioregistratie van het desbetreffende
Naar het oordeel van het hof is hiervan geen
verdachte aan diens recht op een eerlijke
verhoor en op grond van het verhoor van de
sprake. Het hof constateert in de eerste
behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
getuige bij de rechter-commissaris het hof
plaats dat het gaat om een passage in één
(Vgl. HR 30 maart 2004,
heeft gewezen op de volgens haar aan het
proces-verbaal van verhoor van een getuige,
ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.)
proces-verbaal klevende gebreken, terwijl
namelijk om de woorden: ‘Ik heb van [ver-
Daarvan is sprake ingeval de verdachte door
het hof de inhoud van het proces-verbaal
dachte] gehoord dat hij er wel vrede mee had
een opsporingsambtenaar dan wel door een
ook niet voor het bewijs heeft gebezigd.
dat als hij 12 jaar zou krijgen voor deze zaak’
alsmede: ‘Bij dat gesprek was niemand
persoon voor wiens handelen de politie of
het openbaar ministerie verantwoordelijk is,
(Sv art. 152, 359a)
anders aanwezig’ die gerelateerd hadden
moeten worden als: ‘Ik heb wel gehoord nee
is gebracht tot het begaan van het strafbare
feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn
Inleiding:
hij zei: hij was tevreden dat als hij 12 jaar zou
opzet tevoren niet reeds daarop was gericht
Zaak moord zonder lijk. Een van de in het
krijgen zou die tevreden zijn, maar ik heb het
(vgl. HR 29 juni 2010,
cassatiemiddel bedoelde verweren houdt in
hem niet uit zijn eigen mond horen zeggen.
ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441).
dat het Openbaar Ministerie niet-ontvanke-
Maar ik heb het wel gehoord. Maar van wie?’
2.4. ’s Hofs oordeel dat aan verdachtes recht
lijk moet worden verklaard in de strafvervol-
Bij de beoordeling van een verzuim als hier
op een eerlijke behandeling van zijn zaak is
ging van de verdachte, aangezien de betref-
gesteld is van belang of mogelijkheden voor
tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij
fende verbalisant bij de verslaglegging van
controle achteraf aanwezig zijn. In dit geval
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
931
Rechtspraak
waren de geluidsbanden van de verhoren
wijzen en, zoals het Hof – niet onbegrijpelijk
Opiumwetfeit) en veroordeeld voor feit 2 (te
beschikbaar, waaronder de opname van het
– heeft vastgesteld, het verzuim is hersteld
Utrecht, als vreemdeling hebben verbleven,
gewraakte verhoor. Aan de hand daarvan kon
doordat de Advocaat-Generaal bij het Hof een
terwijl verdachte wist dat hij op grond van
door de verdediging op de onjuiste weergave
aanvullend proces-verbaal heeft doen opma-
artikel 67 Vreemdelingenwet, tot ongewenst
worden gewezen - hetgeen in dit geval ook is
ken waarin een juiste weergave van de verkla-
vreemdeling was verklaard).
geschied. Het hof constateert in dit verband
ring van de getuige is gerelateerd.
De raadsman van verdachte heeft ter terecht-
voorts dat de advocaat-generaal direct bij de
Voor zover het middel dit oordeel van het
zitting bepleit dat verdachte dient te worden
politie opheldering heeft gevraagd over dit
Hof bestrijdt, is het tevergeefs voorgesteld.
vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 ten-
punt en aanvullend een proces-verbaal heeft
2.7. Het middel behelst voorts de klacht dat
lastegelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd
laten opmaken, waarin de juiste weergave
het Hof heeft verzuimd in het bestreden
dat de aanhouding van verdachte onrecht-
van de verklaring van de getuige is gerela-
arrest een oordeel te geven over het hiervoor
matig heeft plaatsgevonden omdat jegens
teerd. In zoverre is het geconstateerde vorm-
in 2.4.2 aangeduide verweer. Deze klacht kan,
verdachte geen redelijk vermoeden van
verzuim hersteld en reeds daarom is het hof
hoewel op zichzelf terecht voorgesteld, niet
schuld aan een strafbaar feit bestond. Het uit
van oordeel dat er onvoldoende grond
tot cassatie leiden, omdat het Hof het ver-
de onrechtmatige aanhouding voortvloeien-
bestaat om aan de fout het door de raads-
weer slechts had kunnen verwerpen. Hetgeen
de bewijsmateriaal dient, gelet op artikel
man beoogde gevolg te verbinden. Evenmin
door de verdediging te dier zake is aange-
359a Sv van het bewijs te worden uitgesloten,
is aannemelijk geworden dat door of vanwe-
voerd is niet van dien aard dat daaraan de
aldus de raadsman.
ge het openbaar ministerie doelbewust of
gevolgtrekking kan worden verbonden dat
Het Hof heeft het in het middel bedoelde
met grove veronachtzaming van de belangen
zich het uitzonderlijke, hiervoor in 2.5
verweer verworpen en daartoe onder meer
van de verdachte aan het recht van verdachte
bedoelde geval voordoet. Daarbij wordt mede
overwogen: ‘De vraag die het hof heeft te
op een eerlijk proces tekort is gedaan. Ook
in aanmerking genomen dat de verdediging,
beantwoorden is of in dit geval de verdachte
kan niet gesteld worden dat dit verzuim
blijkens hetgeen zij op dit punt bij pleidooi
terecht is aangemerkt als degene tegen wie
zozeer raakt aan de kern van het strafproces
heeft aangevoerd, op grond van de audiore-
uit feiten en omstandigheden een redelijk
dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid van
gistratie van het desbetreffende verhoor en
vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit
het openbaar ministerie daaraan verbonden
op grond van het verhoor van [betrokkene 1]
voortvloeit. Het hof beantwoordt die vraag
zou moeten worden. Voorts zal, nu vaststaat
bij de Rechter-Commissaris het Hof heeft
ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
dat het oorspronkelijke proces-verbaal op het
gewezen op de volgens haar aan het proces-
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt
bewuste onderdeel een onjuiste weergave
verbaal klevende gebreken, de inhoud van
het volgende. Op 1 augustus 2011 reden twee
bevat van hetgeen de getuige heeft verklaard,
welk proces-verbaal het Hof ook niet voor het
verbalisanten in een onopvallend dienstvoer-
het hof geen gebruik maken van dit proces-
bewijs heeft gebezigd.
tuig op de Brailledreef te Utrecht. Verbalisanten zagen op een gegeven moment dat twee
verbaal en ziet het hof, zoals subsidiair door
de raadsman is verzocht, ook geen noodzaak
aanwezig om de verbalisant omtrent het
741
onbekende personen naast hun fiets stonden.
Zij zagen dat een van de personen iets overhandigde aan de tweede persoon. Voorts
opmaken van dit proces-verbaal te horen.
Het verweer wordt verworpen en het daaraan
18 maart 2014, nr. 13/00971
zagen zij dat de twee personen schichtig om
verbonden verzoek wordt afgewezen.
(Mrs. A.J.A. van Dorst, V. van den Brink en
zich heen keken. Daarbij rees bij de verbali-
E.S.G.N.A.I. van de Griend)
santen het vermoeden dat de twee personen
Hoge Raad, onder meer
(na conclusie van A-G mr. W.H. Vellinga,
met een drugsdeal bezig waren. Verbalisanten
2.5. Bij de beoordeling van het middel staat
strekkende tot vernietiging wat betreft het
begaven zich in de richting van de twee perso-
voorop dat, zoals het Hof terecht als maatstaf
onder 2 bewezenverklaarde feit en tot
nen, waarop deze op hun fiets stapten en weg-
heeft aangelegd, de omstandigheid dat een
terugwijzing dan wel verwijzing; adv. mr. A.
reden. Uit het proces-verbaal van bevindingen
onjuist proces-verbaal is opgemaakt slechts
Boumanjal, Utrecht)
gedateerd 3 augustus 2011 blijkt dat de twee
tot niet-ontvankelijkverklaring van het open-
ECLI:NL:HR:2014:638
personen op de parkeerhaven bij de Brailledreef stonden, die een 100 meter van het
baar ministerie in de vervolging kan leiden,
indien aannemelijk is dat door toedoen van
Bewijsuitsluiting ingevolge art. 359a Sv
Zandpad is verwijderd. Het is verbalisant
de met opsporing en vervolging belaste func-
vanwege onrechtmatige aanhouding? Nu
ambtshalve bekend dat op het Zandpad veel
tionarissen een ernstige inbreuk is gemaakt
het hof tot uitgangspunt heeft genomen
gedeald wordt. Naar het oordeel van het hof
op beginselen van een behoorlijke procesor-
dat sprake was van een onrechtmatige aan-
vormen de bevindingen zoals hierboven aan-
de, en daardoor doelbewust of met grove ver-
houding van de verdachte, is niet zonder
gegeven onvoldoende aanwijzing om te kun-
onachtzaming van de belangen van de ver-
meer begrijpelijk dat die onrechtmatige
nen spreken van een redelijk vermoeden van
dachte tekort is gedaan aan diens recht op
aanhouding geen invloed had op het
schuld aan een strafbaar feit om als verdachte
een eerlijke behandeling van zijn zaak.
bewijsmateriaal betreffende het aan ver-
als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van
2.6. Het (hiervoor in 2.3 weergegeven) oordeel
dachte tenlastegelegde feit dat hij als
Strafvordering te kunnen worden aangemerkt.
van het Hof dat het hiervoor in 2.4.1 aange-
vreemdeling in Nederland heeft verbleven,
Derhalve hadden de verbalisanten niet mogen
duide verweer moet worden verworpen
terwijl hij wist dat hij op grond van artikel
overgaan tot de aanhouding van verdachte.
omdat aan de zojuist vermelde vereisten niet
67 Vreemdelingenwet tot ongewenst vreem-
Met deze onrechtmatige aanhouding is spra-
is voldaan, is niet onbegrijpelijk en is toerei-
deling was verklaard.
ke van een onherstelbaar verzuim als bedoeld
in artikel 359a, eerste lid [Sv]. Nu er sprake is
kend gemotiveerd. Daarbij wordt mede in
aanmerking genomen dat, zoals het Hof heeft
(Sv art. 359a)
van een direct causaal verband tussen de
onrechtmatige aanhouding van verdachte en
overwogen, de verdediging door de beschikbaarheid van geluidsopnamen van de verho-
Inleiding:
het aantreffen van de drugs bij verdachte zal
ren op de onjuiste weergave heeft kunnen
Verdachte is vrijgesproken van feit 1 (een
het hof dit bewijsmateriaal uitsluiten van het
932
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
bewijs. Bij deze stand van zaken is het hof met
overeenkomstig art. 6 lid 2 en lid 3 OLW in
buiten toepassing te laten. Vervolgens heeft
de raadsman van oordeel dat niet wettig en
Nederland ten uitvoer te leggen. In samen-
de Rechtbank toepassing gegeven aan art. 6
overtuigend bewezen kan worden wat de ver-
hang met de omstandigheid dat bij niet-
lid 2 OLW en de overlevering geweigerd.
dachte onder 1 ten laste is gelegd, zodat de
overlevering aan de andere EU-lidstaat de
Art. 6 OLW luidt: ‘1. Overlevering van een
verdachte daarvan behoort te worden vrijge-
opgeëiste persoon niet alsnog in Nederland
Nederlander kan worden toegestaan voor
sproken. Voorts overweegt het hof nog dat uit
kan worden vervolgd voor het misdrijf
zover deze is gevraagd ten behoeve van een
de beschikking van de Minister voor Vreemde-
waarvoor hij in die andere lidstaat is ver-
tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek
lingenzaken en Integratie, die op 6 juli 2006
oordeeld, terwijl een Nederlander in zo’n
en naar het oordeel van de uitvoerende justi-
aan verdachte is betekend, blijkt dat verdachte
geval volgens art. 5 Sr wel alsnog hier te
tiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter
reeds ver voordat hij ter zake van het onder 1
lande vervolgd kan worden, bestaat reeds
zake van de feiten waarvoor de overlevering
tenlastegelegde werd aangehouden, onge-
daarom in het onderhavige geval een rede-
kan worden toegestaan in de uitvaardigende
wenst was verklaard. De onrechtmatige aan-
lijke en objectieve rechtvaardiging voor de
lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheids-
houding heeft derhalve geen invloed op het
ongelijke behandeling.
straf wordt veroordeeld, hij deze straf in
Nederland zal mogen ondergaan. 2. Overleve-
bewijsmateriaal met betrekking tot het onder
2 aan verdachte tenlastegelegde.’
(Sr art. 5; Overleveringswet art. 6)
ring van een Nederlander wordt niet toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve
Het middel klaagt dat het Hof het verweer
strekkende tot bewijsuitsluiting ten onrech-
Inleiding:
van de tenuitvoerlegging van een hem bij
te, dan wel ontoereikend gemotiveerd, heeft
Deze vordering tot cassatie in het belang der
onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheids-
verworpen.
wet betreft een uitspraak van de Rechtbank
straf. 3. Bij een weigering van de overlevering
Amsterdam, internationale rechtshulpkamer,
uitsluitend op grond van het bepaalde in het
Hoge Raad, onder meer:
van 25 juni 2013, RK nummer 13/2384.1 De
tweede lid stelt de officier van justitie de uit-
2.3. Blijkens zijn hiervoor weergegeven over-
Rechtbank heeft de overlevering van de opge-
vaardigende justitiële autoriteit in kennis
weging heeft het Hof bij de verwerping van
eiste persoon aan de regional Court Judge,
van de bereidheid om de tenuitvoerlegging
het verweer tot uitgangspunt genomen dat
Head of the 3rd Penal Division of Regional
van het vonnis over te nemen. 4. De officier
sprake was van een onrechtmatige aanhou-
Court in Szczecin (Polen) ten behoeve van de
van justitie stelt Onze Minister onverwijld in
ding van de verdachte. Voorts heeft het Hof
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te
kennis van elke overlevering onder garantie
geoordeeld dat die onrechtmatige aanhou-
ondergaan op het grondgebied van de uit-
van teruglevering als bedoeld in het eerste
ding ‘geen invloed [had] op het bewijsmateri-
vaardigende lidstaat, geweigerd. De overleve-
lid en elke weigering tot overlevering onder
aal met betrekking tot het onder 2 aan ver-
ring werd verzocht ten behoeve van de ten-
de bereidverklaring om de tenuitvoerlegging
dachte tenlastegelegde’. Dat oordeel is niet
uitvoerlegging van een door de Poolse
van het buitenlandse vonnis over te nemen,
zonder meer begrijpelijk.
rechter opgelegde vrijheidsstraf voor de duur
bedoeld in het derde lid. 5. Het eerste tot en
2.4. Het middel slaagt.
van twee jaar en twee maanden. De straf was
met het vierde lid is eveneens van toepassing
opgelegd ter zake van de volgende feiten,
op een vreemdeling met een verblijfsvergun-
kortgezegd: 1. het verkopen van één gram
ning voor onbepaalde tijd, voor zover hij in
amfetamine; 2. het vervoeren en doorverko-
Nederland kan worden vervolgd voor de fei-
pen van 101,870 gram marihuana; 3. het
ten welke aan het Europees aanhoudingsbe-
18 maart 2014, nr. 13/05071
samen met (een) ander(en) aanwezig hebben
vel ten grondslag liggen en voor zover ten
(Mrs. A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin
van 11 gram en 1,8 gram marihuana.
aanzien van hem de verwachting bestaat dat
Lohman, J. de Hullu, N. Jörg en V. van den
De Rechtbank heeft geoordeeld – kort weer-
hij niet zijn recht van verblijf in Nederland
Brink)
gegeven – dat art. 6 lid 5 OLW een onder-
verliest ten gevolge van een hem na overleve-
(na beroep in cassatie in het belang van de
scheid maakt op grond van nationaliteit tus-
ring opgelegde straf of maatregel.’
wet door A-G Vegter, strekkende tot vernie-
sen de in die bepaling bedoelde vreemdeling
Art. 4, aanhef en onder 6, Kaderbesluit van de
tiging in het belang der wet van de uit-
(onder wie te begrijpen de opgeëiste per-
Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002
spraak van de Rechtbank Amsterdam, num-
soon) en Nederlanders, door voor deze
betreffende het Europees aanhoudingsbevel
mer 13/2384, van 25 juni 2013)
vreemdeling aan de overeenkomstige toepas-
en de procedures van overlevering tussen de
ECLI:NL:HR:2014:650
sing van art. 6 lid 2 en lid 3 OLW de voor-
lidstaten van de Europese Unie (PbEG 2002 L
waarde te verbinden dat de vreemdeling in
190; hierna: het Kaderbesluit) luidt: ‘De uit-
Cassatie in het belang der wet inzake Over-
Nederland kan worden vervolgd voor de fei-
voerende rechterlijke autoriteit kan de ten-
leveringswet. De Rechtbank heeft ten
ten welke aan het jegens hem uitgevaardigde
uitvoerlegging van het Europees aanhou-
onrechte de in art. 6 lid 5 OLW gestelde
Europees aanhoudingsbevel ten grondslag
dingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
voorwaarde van rechtsmacht buiten toepas-
liggen (ook wel aangeduid als de ‘voorwaarde
(...) het Europees aanhoudingsbevel is uitge-
sing gelaten in een zaak die een niet-Neder-
van rechtsmacht’). Voorts heeft de Rechtbank
vaardigd met het oog op de tenuitvoerleg-
lander betreft. Nu in casu tussen Nederland
geoordeeld dat in het onderhavige geval voor
ging van een vrijheidsstraf of een tot vrij-
en de uitvaardigende EU-lidstaat niet een
dit onderscheid geen redelijke en objectieve
heidsbeneming strekkende maatregel, terwijl
verdrag als bedoeld in art. 6 lid 3 OLW van
rechtvaardiging bestaat. Op grond daarvan
de gezochte persoon verblijft in of onder-
kracht is op grond waarvan Nederland de
heeft de Rechtbank geoordeeld dat art. 6 lid 5
daan of ingezetene is van de uitvoerende
tenuitvoerlegging van het vonnis kan over-
OLW, voor zover het de overeenkomstige toe-
lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die
nemen, is het – anders dan zou gelden wan-
passing van art. 6 lid 2 en lid 3 OLW afhanke-
straf of maatregel overeenkomstig zijn natio-
neer de opgeëiste persoon de Nederlandse
lijk stelt van de voorwaarde van rechtsmacht,
nale recht zelf ten uitvoer te leggen.’
nationaliteit zou hebben – niet mogelijk de
‘in het onderhavige geval in strijd [is] met
Art. 18 Verdrag betreffende de werking van
door de buitenlandse rechter aan de opge-
art. 18 VWEU’, zodat de Rechtbank zich
de Europese Unie (VWEU) luidt: ‘Binnen de
eiste persoon opgelegde gevangenisstraf
gehouden achtte deze bepaling in zoverre
werkingssfeer van de Verdragen en onver-
742
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
933
Rechtspraak
minderd de bijzondere bepalingen, daarin
A-G Vegter, onder meer:
ringsstelsel moet mede in aanmerking wor-
gesteld, is elke discriminatie op grond van
13. Middel van cassatie
den genomen of de gehanteerde kostprijzen
nationaliteit verboden. (...)’
Er is volgens de Rechtbank sprake van discri-
op een betrouwbare en controleerbare wijze
In zijn uitspraak van 5 september 2012 heeft
minatie van vreemdelingen omdat zij tenein-
worden vastgesteld.
het Hof van Justitie van de Europese Unie in
de straffeloosheid te voorkomen anders dan
de zaak C-42/11 (LJN: BX7394, Lopes da Silva
Nederlanders zullen worden overgeleverd.
Jorge) voor recht verklaard: ‘Artikel 4, punt 6,
Dat onderscheid acht de Rechtbank niet gele-
van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad
gitimeerd enerzijds gelet op de onjuiste
van 13 juni 2002 betreffende het Europees
implementatie van het kaderbesluit en
aanhoudingsbevel en de procedures van
anderzijds gelet op het onvoldoende gewicht
Hoge Raad, onder meer:
overlevering tussen de lidstaten en artikel 18
(in concreto) van het belang van het voorko-
3.1.1. Belanghebbende is marketmaker. Zij is
VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat
men van straffeloosheid. Om de juistheid
verplicht de beurshandel in opties te onder-
een lidstaat bij de omzetting van bedoeld
van die opvatting van de Rechtbank te doen
houden. Uit dien hoofde neemt belangheb-
artikel 4, punt 6, weliswaar kan beslissen de
toetsen door de Hoge Raad stel ik het volgen-
bende posities in derivaten en onderliggende
gevallen te beperken waarin de nationale
de middel van cassatie voor.
waarden (hierna afzonderlijk en samen ook
uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weige-
Schending dan wel verkeerde toepassing van
aangeduid als: effecten) in, in het bijzonder
ren een binnen de werkingssfeer van deze
het recht en/of verzuim van vormen in het
opties en aandelen. Daarnaast maakt belang-
bepaling vallende persoon over te leveren,
bijzonder van artikel 6 Overleveringswet
hebbende gebruik van prijsverschillen tussen
doch dat hij staatsburgers van andere lidsta-
doordat de Rechtbank te Amsterdam ten
de diverse financiële markten en financiële
ten die op zijn grondgebied verblijven of er
onrechte althans onvoldoende gemotiveerd
instrumenten (arbitrage) en probeert zij een
ingezetenen van zijn, niet volledig en auto-
heeft beslist dat het in lid 5 van die bepaling
extra rendement te behalen door zogenoem-
matisch van de werkingssfeer van dit artikel
vervatte rechtsmachtvereiste gelet op het
de hedge-activiteiten.
kan uitsluiten, ongeacht de banden die deze
bepaalde in art. 18 VWEU, buiten toepassing
3.1.2. Belanghebbende streeft ernaar – onder
staatsburgers met die lidstaat hebben.’
moet blijven, dan wel ten onrechte althans
andere door middel van delta hedging – de
Het middel klaagt dat de Rechtbank ten
onvoldoende gemotiveerd heeft beslist dat
risico’s van haar posities optimaal af te dek-
onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd,
het in art. 6, vijfde lid, OLW vervatte rechts-
ken. Zij gaat daartoe transacties aan in ande-
heeft geoordeeld dat art. 6 lid 5 Overleve-
machtvereiste in het algemeen dan wel in
re opties van hetzelfde fonds, koopt en ver-
ringswet (hierna: OLW) buiten toepassing
het concrete geval discriminatoir is.
koopt onderliggende waarden en creëert
moet blijven voor zover daarin de voorwaar-
Op grond van het vorenstaande vorder ik dat
zogenoemde synthetische equivalenten, dat
de van rechtsmacht wordt gesteld.
de Hoge Raad de bestreden uitspraak van de
wil zeggen dat in plaats van aandelen een
Rechtbank te Amsterdam in het belang der
combinatie van opties wordt gekocht. Qua
Hoge Raad, onder meer:
wet zal vernietigen en zal verstaan dat de
dekking functioneert het synthetische equi-
3.5. Het middel slaagt. De Rechtbank heeft
door de Hoge Raad gegeven beslissing geen
valent op vergelijkbare, doch niet op identie-
vastgesteld dat zich in het onderhavige geval
nadeel zal toebrengen aan de door partijen
ke wijze als het aandeel. Het risico van de
de situatie voordoet dat ‘tussen Nederland en
verkregen rechten.
koersbeweging komt tot uitdrukking in de
(Wet Vpb 1969 art. 8; Wet IB 2001 art. 3.25)
Cassatieberoep belanghebbende
zogenoemde delta. Daarnaast zijn er risico’s
de uitvaardigende lidstaat (...) niet een ver-
die tot uitdrukking komen in de zogenoemde
drag als bedoeld in art. 6, derde lid, OLW van
kracht [is] op grond waarvan Nederland de
Hoge Raad (belastingkamer)
“overige grieken”, te weten de vega (volatili-
tenuitvoerlegging van het vonnis kan over-
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. dr.
teit), theta (tijdsverloop), gamma (mutatie
nemen’. Dat brengt mee dat – anders dan zou
M.R.T. Pauwels verbonden aan het Fiscaal
delta) en rho (rente). Voorts zijn er dividend-
gelden wanneer de opgeëiste persoon de
Instituut Tilburg van de Tilburg University
en liquiditeitsrisico’s. Belanghebbende tracht
Nederlandse nationaliteit zou hebben – het
en werkzaam bij Rechtbank Zeeland-West-
ook deze overige risico’s zoveel mogelijk te
niet mogelijk is de door de Poolse rechter
Brabant.
beheersen. Met het veranderen van de koers
van een fonds verandert ook de delta, het-
aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf overeenkomstig art. 6, tweede en derde lid, OLW in Nederland ten uitvoer te leg-
743
geen voor belanghebbende aanleiding is
steeds opnieuw posities in te nemen (rebalancing). Belanghebbende streeft naar een
gen. In samenhang met de omstandigheid
dat in geval van niet-overlevering aan Polen
21 maart 2014, nr. 12/02793
deltaneutrale positie.
de opgeëiste persoon niet alsnog in Neder-
(Mrs. Overgaauw, Lourens, Bavinck, Van
3.1.3. Voor de vennootschappelijke (commer-
land kan worden vervolgd voor het misdrijf
Loon en Koopman; na conclusie Wattel tot
ciële) jaarrekening worden de aandelen en
waarvoor hij in Polen is veroordeeld, terwijl
gegrondverklaring van het beroep in cassa-
derivaten gewaardeerd op de beurswaarde
een Nederlander in zo een geval op grond
tie)
per balansdatum (marktwaarde). Voor de fis-
van art. 5 Sr wel alsnog hier te lande vervolgd
ECLI:NL:HR:2014:635
cale aangifte waardeert belanghebbende haar
longposities (posities in gekochte aandelen
kan worden, bestaat reeds daarom in het
onderhavige geval een redelijke en objectieve
Goed koopmansgebruik. Realiteitsbeginsel.
en derivaten) – na een ‘vertaalslag’ (…) – op
rechtvaardiging voor de door de Rechtbank
Rechtsontwikkeling. Wijze verliesneming
kostprijs of lagere marktwaarde en haar
aangenomen ongelijke behandeling. De
en waardering van effecten bij een market-
shortposities (posities in verkochte aandelen
Rechtbank heeft dan ook ten onrechte de in
maker. Verdere ontwikkeling van het leer-
en derivaten) op het bedrag van de ontvan-
art. 6, vijfde lid, OLW gestelde voorwaarde
stuk van samenhangende waardering
gen optiepremie/aandelenprijs of hogere
van rechtsmacht buiten toepassing gelaten.
(‘Thans oordeelt de Hoge Raad …’). Delta
marktwaarde. (…)
Volgt vernietigt in het belang van de wet van
hedging. Waardering op kostprijs of beurs-
(…)
de bestreden uitspraak.
waarde? Bij beoordeling van het waarde-
3.1.5. Belanghebbende heeft voor het jaar
934
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
2001 aangifte voor de vennootschapsbelasting
vermogensbestanddelen waarvan het waar-
volgt op zichzelf beschouwd nog niet dat op
gedaan overeenkomstig de hiervoor in 3.1.3
deverloop direct samenhangt met het waar-
balansdatum is voldaan aan de in het hier-
vermelde afspraak. De Inspecteur heeft het
deverloop van aandelen (hierna tezamen met
voor in 3.5.1 vermelde arrest van 10 april
belastbaar bedrag verhoogd met het verschil
die aandelen ook: een groep effecten) goed
2009 gestelde vereisten voor samenhangen-
tussen de commerciële en de fiscale waarde-
koopmansgebruik gezamenlijke waardering
de waardering. Ook doet hieraan niet af dat
ring van de effecten per 31 december 2001.
vereist. Het zou in strijd zijn met het aan
belanghebbende in haar commerciële
(…)
goed koopmansgebruik ten grondslag liggen-
bedrijfsvoering uitgaat van waardering van
3.5. Middel I keert zich tegen ’s Hofs oordeel
de realiteitsbeginsel in een zodanig geval een
de effecten op beurskoers.
dat de door belanghebbende gehanteerde
verlies in aanmerking te nemen indien dat
3.5.5. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.1 tot
waarderingsmethode met betrekking tot de
voor de groep effecten niet (latent) aanwezig
en met 3.5.4 is overwogen slaagt middel I.
door haar ingenomen posities in - kort
is.
Aangezien uit deze overwegingen volgt dat
gezegd - opties en aandelen in strijd is met
Voor vermogensbestanddelen die op verschil-
goed koopmansgebruik niet meebrengt dat
goed koopmansgebruik en dat goed koop-
lende aandelen betrekking hebben, zal alleen
in een geval als het onderhavige waardering
mansgebruik, naar de eisen des tijds uitge-
een samenhangende waardering als hiervoor
dient plaats te vinden op de actuele waarde
legd, meebrengt dat belanghebbende haar
bedoeld moeten plaatsvinden indien de
van de vermogensbestanddelen, behoeft mid-
financiële waarden in de ten behoeve van de
hedge zeer effectief is in de zin van het hier-
del II geen behandeling.
fiscale winstberekening op te stellen balans
voor in 3.5.1 vermelde arrest van 10 april
3.6. De uitspraak van het Hof kan niet in
dient op te nemen tegen de actuele waarde.
2009.
stand blijven. Verwijzing moet volgen.
Bij de behandeling van dit middel stelt de
3.5.3. Voor de Rechtbank en het Hof heeft de
Opmerking verdient dat het verwijzingshof bij
Hoge Raad het volgende voorop.
Inspecteur het standpunt verdedigd dat, naar
de beoordeling van het door belanghebbende
3.5.1. In beginsel is het in overeenstemming
de Hoge Raad begrijpt, inhoudt dat een belas-
gehanteerde waarderingsstelsel mede in aan-
met goed koopmansgebruik bezittingen te
tingplichtige die een groep effecten op kost-
merking zal moeten nemen of belanghebben-
waarderen op kostprijs en een eventuele
prijs waardeert, in geval van verkoop van tot
de de door haar gehanteerde kostprijzen op
meerwaarde pas in aanmerking te nemen op
de groep behorende effecten tegen een prijs
een betrouwbare en controleerbare wijze vast-
het moment waarop deze wordt gerealiseerd
die lager is dan de voor die effecten geldende
stelt. Alleen dan kan een op kostprijzen geba-
door levering aan een derde (vgl. onder meer
kostprijs, het daaruit voortvloeiende verlies
seerd waarderingsstelsel in overeenstemming
HR 17 juni 1959, nr. 13902, BNB 1959/304). Is
niet op dat moment in aanmerking mag
zijn met goed koopmansgebruik.”
de waarde in het economische verkeer van de
nemen indien tegenover dat verlies een ten
bezittingen lager dan de kostprijs, dan staat
minste even grote (latente) winst staat op
goed koopmansgebruik toe te waarderen op
andere (niet verkochte) effecten van die
die lagere waarde.
groep. Dit standpunt is juist.
Indien echter een samenhangende waarde-
Indien een belastingplichtige, zoals in het
28 maart 2014, nr. 12/03888
ring met andere vermogensbestanddelen is
onderhavige geval, bij voortduring ernaar
(Mrs. Schaap, Van Loon, Fierstra, Koopman
vereist, is een zodanige afwaardering pas toe-
streeft met betrekking tot een groep effecten
en Groeneveld; na conclusie IJzerman tot
gestaan voor zover de gezamenlijke waarde
door middel van hedging het koersrisico te
ongegrondverklaring van het cassatiebe-
in het economische verkeer lager is dan de
minimaliseren, is het niet in overeenstem-
roep)
gezamenlijke kostprijs. Een samenhangende
ming met goed koopmansgebruik om, indien
ECLI:NL:HR:2014:699
waardering als hiervoor bedoeld, moet
de tot die groep behorende effecten op kost-
plaatsvinden indien sprake is van een zeer
prijs worden gewaardeerd, bij realisatie van
Griffierecht vs recht op toegang tot de rech-
effectieve hedge. Daarvan is sprake indien op
een verlies op tot de groep behorende effecten
ter. Rechtseenheid. Waarborg van dit recht
balansdatum te verwachten is dat de waarde-
dat verlies op dat moment in aanmerking te
kan in boetezaken rechtstreeks op art. 6
ontwikkelingen van de desbetreffende ver-
nemen ingeval de totale kostprijs van de
EVRM worden gebaseerd, maar kan deze
mogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk
groep effecten - inclusief de kostprijs van de
waarborg ook in zuivere belastingzaken
zullen correleren binnen een bandbreedte
tot de groep behoord hebbende met verlies
(waarop art. 6 EVRM niet van toepassing is)
van 80 tot 125 percent (vgl. HR 10 april 2009,
verkochte effecten - lager is dan de beurswaar-
worden geëffectueerd en, zo ja, wat is de
nr. 42916, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, BNB
de van de overblijvende effecten van die groep
grondslag? In het algemeen kan aangeno-
2009/271).
vermeerderd met de gerealiseerde verkoopop-
men worden dat regeling in het bestuurs-
3.5.2. De hiervoor in 3.5.1 vermelde uitgangs-
brengst van de verkochte effecten van die
recht over heffing van griffierecht van dien
punten gelden ook voor ter beurze genoteer-
groep. In een zodanig geval vereist goed koop-
aard is dat rechtzoekenden daarmee de toe-
de effecten. Voor in samenhang te waarderen
mansgebruik dat de gezamenlijke kostprijs
gang tot de rechter niet wordt ontnomen.
effecten heeft daarom te gelden dat zij niet
van de overblijvende effecten van die groep
I.c. evenwel zodanige omstandigheden dat
lager mogen worden gewaardeerd dan de
wordt verhoogd met dit (gerealiseerde) verlies.
niet-ontvankelijkverklaring wegens niet
gezamenlijke beurswaarde van die effecten
3.5.4. Aan het hiervoor in 3.5.2 vermelde uit-
betaling van griffierecht achterwege dient
(vgl. HR 16 november 2007, nr. 42970,
gangspunt dat voor vermogensbestanddelen
te blijven.
ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, BNB 2008/26). Naar
die op verschillende aandelen betrekking
de Hoge Raad in dit arrest heeft geoordeeld,
hebben alleen een samenhangende waarde-
dient een verplichting uit hoofde van een
ring als hiervoor bedoeld moet plaatsvinden
geschreven calloptie die volledig wordt
indien de hedge zeer effectief is, wordt niet
gedekt door het bezit van de desbetreffende
afgedaan indien, zoals het Hof ten aanzien
beursaandelen in samenhang met die aande-
van belanghebbende heeft vastgesteld, door
Hoge Raad, onder meer:
len te worden gewaardeerd.
middel van delta hedging de koersrisico’s vrij-
‘3.1.1. De griffier van het Hof heeft belang-
Thans oordeelt de Hoge Raad dat voor alle
wel zijn uitgedoofd. Uit die omstandigheid
hebbende bij aangetekende brief van 5 janua-
744
(EVRM art. 6; Awb art. 8:41)
Cassatieberoep Staatssecretaris
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
935
Rechtspraak
ri 2012 gewezen op de verschuldigdheid van
zodanig bedrag aan griffierecht, dat dit -
EVRM en artikel 47 van het Handvest van de
griffierecht ten bedrage van € 112 ter zake
mede gelet op de voor de belastingplichtige
Grondrechten van de Europese Unie, kan
van het hoger beroep, te betalen binnen vier
in het geding zijnde belangen - een wezenlij-
daarom in een dergelijk geval ook buiten de
weken na dagtekening van de brief.
ke belemmering van de toegang tot de rech-
werkingssfeer van de genoemde artikelen
3.1.2. Bij op 17 januari 2012 ter griffie van
ter vormt (zie HR 10 januari 2001, nr. 35782,
niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep
het Hof ingekomen brief heeft belangheb-
ECLI:NL:HR:2001:AA9393, BNB 2001/270).
wegens het onbetaald blijven van griffierecht
bende verzocht de verplichting tot betaling
3.3.3. Voor zover het geschil de naheffings-
niet-ontvankelijk wordt verklaard. Binnen het
van griffierecht buiten beschouwing te laten,
aanslagen betreft valt het volgens vaste
kader van de hier toepasselijke wettelijke
omdat hij zodanig onvermogend is dat hij
rechtspraak van het EHRM buiten het bereik
regeling kan dit gevolg worden voorkomen
niet in staat is om het griffierecht te voldoen.
van artikel 6 EVRM (vgl. onder meer EHRM
door aan te nemen dat de betrokkene in deze
Deze brief heeft niet geleid tot vermindering
12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen
gevallen met het achterwege laten van een
van het in rekening gebrachte griffierecht.
Italië, NJ 2004/435, BNB 2005/222). De door
betaling van griffierecht niet in verzuim is,
3.1.3. Belanghebbende heeft het griffierecht
het Hof toegepaste vermindering van griffie-
als bedoeld in artikel 8:41, lid 2 (thans lid 6),
niet betaald. Daarop heeft het Hof bij zijn
recht kan in zoverre daarom niet op deze
Awb (vgl. de uitspraak van de Afdeling
uitspraak van 8 maart 2012 het hoger beroep
verdragsbepaling worden gebaseerd.
Bestuursrechtspraak van de Raad van State
van belanghebbende niet-ontvankelijk ver-
3.3.4. Daarmee is echter niet gezegd dat het
van 6 maart 2013, nr. 201110325/1/V2,
klaard.
griffierecht in een geschil over een belasting-
ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443, JB 2013/78).
3.2. Het Hof heeft op het verzet van belang-
aanslag in alle gevallen op straffe van (niet-)
3.3.8. Het Hof heeft vastgesteld dat het (geza-
hebbende tegen de in 3.1.3 genoemde uit-
ontvankelijkheid dient te worden betaald.
menlijke) inkomen van belanghebbende en
spraak geoordeeld dat de financiële omstan-
3.3.5. Met de heffing van het griffierecht in
zijn echtgenote bestond uit een netto WWB-
digheden van belanghebbende zodanig zijn
bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever
uitkering van € 1033,49 per maand, waarop
dat deze aan betaling van het volledige
onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan
maandelijks een bedrag van € 133,64 werd
bedrag van griffierecht in de weg staan. Het
de hand van de daaraan verbonden kosten
ingehouden in verband met een daarop
Hof heeft zijn oordeel voor wat betreft de
een zorgvuldige afweging maken of het zin
gelegd beslag. Voorts heeft het Hof vastge-
opgelegde vergrijpboeten gegrond op het in
heeft een zaak aan de bestuursrechter voor
steld dat hun vermogenspositie negatief was.
artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op
te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, 18
Deze vaststellingen zijn in cassatie niet
toegang tot de rechter. Wat betreft de nahef-
835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92,
bestreden. Onder deze omstandigheden kan
fingsaanslagen heeft het Hof zijn oordeel
22 495, nr. 3, blz. 125). Daarbij is de wetgever
redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat
gegrond op een algemeen rechtsbeginsel van
ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht
belanghebbende door het niet betalen van
een effectief recht op toegang tot de rechter,
niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde
het griffierecht in verzuim is geweest, zodat
dat volgens het Hof evenzeer geldt binnen de
groepen rechtzoekenden in feite de toegang
het Hof de niet-ontvankelijkverklaring van
nationale rechtsorde van een rechtsstaat en
tot de bestuursrechter wordt ontnomen
het hoger beroep terecht achterwege heeft
evenzeer los van enige verdragsbepaling. Dit
(Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz.
gelaten. Het middel faalt dus.’
geldt volgens het Hof zeker ook indien het
125). Hieruit moet worden afgeleid dat de
gaat om geschillen die zien op gedwongen
wetgever als uitgangspunt heeft genomen
bijdragen aan de overheid als zodanig. Het
gevallen waarin de betrokkenen over de
Hof heeft het griffierecht verminderd tot een
financiële middelen beschikken om het ver-
bedrag van € 20. Tegen dit oordeel is het
schuldigde griffierecht te betalen, en dus in
21 maart 2014, nr. 12/04057
middel gericht.
staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te
(Mrs. Feteris, Schaap, Fierstra, Groeneveld
3.3.1. Op grond van artikel 27l van de AWR
wegen tegen het nut van het voeren van een
en Wortel)
(tekst voor het jaar 2012) is de indiener van
gerechtelijke procedure.
ECLI:NL:HR:2014:540
een beroepschrift voor de behandeling van
3.3.6. In het algemeen kan worden aangeno-
het hoger beroep griffierecht verschuldigd.
men dat de regeling in het bestuursrecht
Immateriëleschadevergoeding. Rechtseen-
Ingevolge artikel 8:41, lid 2 (thans lid 6), Awb
over heffing van griffierecht, inclusief de
heid. Bij zaken die in hoofdzaak op hetzelf-
wijst de griffier de indiener van het beroep-
thans daarbij behorende bedragen aan grif-
de onderwerp betrekking hebben, geldt een
schrift op de verschuldigdheid van het grif-
fierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden
schadevergoeding naar het ‘Tarief’ dat geldt
fierecht en deelt hem mee dat het verschul-
daarmee de toegang tot de rechter niet wordt
voor één zaak (idem CRvB); geen toepassing
digde bedrag binnen vier weken na
ontnomen.
1.5-factor. Indien de desbetreffende rechts-
verzending van zijn mededeling dient te zijn
3.3.7. Dit laat onverlet dat zich gevallen kun-
middelen niet tegelijkertijd zijn aange-
bijgeschreven op de rekening van het gerecht
nen voordoen waarin heffing van het inge-
wend, moet worden gerekend met het tijd-
dan wel ter griffie dient te zijn gestort.
volge de wet verschuldigde bedrag aan grif-
stip van indiening van het eerst
Indien het bedrag niet binnen deze termijn
fierecht het voor de rechtzoekende
aangewende rechtsmiddel
is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger
onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt
beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij
om gebruik te maken van een door de wet
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld
opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.
dat de indiener in verzuim is geweest.
In een dergelijk geval kan de hiervoor in
Hoge Raad, onder meer:
3.3.2. Voor zover het beroep de boeten
onderdeel 3.3.5 bedoelde, door de wetgever
2 Beoordeling van de door de Staatssecretaris
betreft, geldt dat niet iedere heffing van grif-
beoogde, afweging naar haar aard niet plaats-
voorgestelde middelen
fierecht in strijd is met het in artikel 6, lid 1,
vinden. Mede gelet op het belang dat in een
(…)
EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de
rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een
2.5.1. Middel IV, onderdeel d, behelst de
rechter, aangezien deze verdragsbepaling
onafhankelijke rechterlijke instantie, welk
klacht dat het Hof in onderdeel 8.2.3 van zijn
zich slechts verzet tegen heffing van een
belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6
uitspraak bij de berekening van de immateri-
936
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
745
(Awb art. 8:73)
Rechtspraak
ele schadevergoeding wegens overschrijding
(Awb art. 5:46)
basisbedrag van € 500 per (afgerond) half
3.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet
worden vooropgesteld dat zowel ter beoorde-
van de redelijke termijn ten onrechte het
Cassatieberoep belanghebbende
ling van de mate van verwijtbaarheid als ter
beoordeling van de mate waarin een boete
jaar overschrijding van die termijn heeft vermenigvuldigd met de factor 1,5 onder aan-
Hoge Raad, onder meer:
de betrokkene treft, de financiële omstandig-
sluiting bij de factor ‘samenhang’ die is neer-
‘3.1.1. Naar aanleiding van de bevindingen
heden van belang kunnen zijn (vgl. HR 8
gelegd in het Besluit proceskosten
van een strafrechtelijk onderzoek is aan
december 1982, nr. 21363, BNB 1983/50). In
bestuursrecht.
belanghebbende over het tijdvak 1 januari
overeenstemming hiermee is in de memorie
2.5.2. Bij de beoordeling van dit middelonder-
2006 tot en met 31 december 2006 een
van toelichting bij artikel 5:46 van de Awb
deel dient het volgende te worden vooropge-
naheffingsaanslag loonbelasting/premie
vermeld dat het bestuursorgaan zich zeker
steld. Indien in een belastinggeschil de rede-
volksverzekeringen opgelegd. Belangheb-
bij hogere boeten ervan zal moeten vergewis-
lijke termijn is overschreden, dient als
bende is strafrechtelijk vervolgd en veroor-
sen dat de boete, mede gelet op de draag-
uitgangspunt voor de schadevergoeding een
deeld tot het betalen van een geldboete van
kracht van de overtreder, geen onevenredige
tarief te worden gehanteerd van € 500 per
€ 50.000 wegens het opzettelijk onjuist of
gevolgen heeft (Kamerstukken II, 2003/04, 29
halfjaar dat de redelijke termijn is overschre-
onvolledig doen van aangiften voor de loon-
702, nr. 3, blz. 142).
den, waarbij het totaal van de overschrijding
belasting/premie volksverzekeringen voor de
3.4.2. Indien een bestuursorgaan een
naar boven wordt afgerond (zie HR 10 juni
tijdvakken gelegen in de periode van 1 janua-
bestuurlijke boete oplegt en daarbij, gelet op
2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046,
ri 2006 tot en met 31 december 2006.
het voorgaande, rekening houdt met de
BNB 2011/232, onderdeel 3.3.3). In een geval
3.1.2. Naar aanleiding van de bevindingen van
draagkracht van de overtreder, moet het
als het onderhavige, waarin meerdere zaken
een boekenonderzoek heeft de Inspecteur
daarbij acht slaan op diens financiële positie
van een belanghebbende gezamenlijk zijn
over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31
ten tijde van het besluit tot het opleggen van
behandeld, dient in dit verband te worden
december 2005 een naheffingsaanslag loonbe-
de boete.
beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrek-
lasting/premie volksverzekeringen opgelegd
3.4.3. Wordt de beslissing van een bestuursor-
king hebben op hetzelfde onderwerp (in deze
aan belanghebbende, alsmede een boete ten
gaan over de hoogte van een boete aan het
zin ook CRvB 30 juni 2009, nrs. 08/4752, 4756
bedrage van € 145.624, zijnde 50 percent van
oordeel van de rechter onderworpen, dan
t/m 4759 BESLU en 09/1277, 1278, 1280,
de aanvankelijk te weinig geheven loonbelas-
dient deze zijn oordeel dienaangaande te vor-
1282 BESLU, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125, JB
ting/premie volksverzekeringen.
men met inachtneming van de te zijnen over-
2009/208). Indien hiervan sprake is, wordt
3.1.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de
staan aannemelijk geworden omstandigheden
per fase van de procedure waarin sprake is
Inspecteur de boete wegens overschrijding
waarin de belanghebbende op dat moment
geweest van gezamenlijke behandeling, voor
van de redelijke termijn met 20 percent
verkeert, waaronder diens draagkracht.
die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het
gematigd tot een bedrag van € 116.499.
Hierbij verdient aantekening dat de rechter
tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd.
3.1.4. De Rechtbank heeft de boete in ver-
alleen naar aanleiding van een uitdrukkelijk
Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase
band met overschrijding van de redelijke
onderbouwd standpunt ten aanzien van het
van de procedure in de betrokken zaken is
termijn verder gematigd tot een bedrag van
ontbreken van draagkracht gehouden is om
ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend,
€ 109.218.
zijn uitspraak op dat punt van een nadere
dient daarbij ter bepaling van de mate van
3.2. Voor het Hof was in geschil of de boete
motivering te voorzien.
overschrijding van de redelijke termijn te
nog verder moet worden gematigd in het
3.4.4. Het Hof heeft zijn oordeel dat in het
worden gerekend vanaf het tijdstip van indie-
kader van een passende straftoemeting.
kader van de straftoemeting geen rekening
ning van het eerst aangewende rechtsmiddel,
Belanghebbende heeft zich – onder verwij-
dient te worden gehouden met de negatieve
in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst
zing naar haar negatieve eigen vermogen en
vermogenspositie van belanghebbende enkel
ingediende bezwaarschrift.
de omstandigheid dat haar bedrijfsactivitei-
doen steunen op de omstandigheid dat die
2.5.3. ‘s Hofs oordeel geeft blijk van misken-
ten sinds 2007 zijn beëindigd – op het stand-
negatieve positie volledig werd veroorzaakt
ning van het hiervoor in onderdeel 2.5.2
punt gesteld dat zij niet over de financiële
door de verplichting tot betaling van de hier-
overwogene. Het middelonderdeel slaagt
middelen beschikte om de boete te betalen,
voor in 3.1.1 en 3.1.2 bedoelde naheffingsaan-
daarom.
en dat de boete daarom verder moet worden
slagen. Die omstandigheid vormt evenwel
(…)”
gematigd.
onvoldoende grond om de slechte financiële
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat het negatie-
positie van belanghebbende bij de bepaling
ve vermogen van belanghebbende eind 2006
van de hoogte van de boete buiten beschou-
volledig wordt veroorzaakt door het passive-
wing te laten. Voorts is het Hof blijkens zijn
ren van de bedragen die zij moet betalen op
overwegingen uitgegaan van de vermogenspo-
28 maart 2014, nr. 13/00279
grond van de naheffingsaanslagen loonbelas-
sitie van belanghebbende aan het einde van
(Mrs. Feteris, Van Loon, Fierstra, Groeneveld
ting/premie volksverzekeringen over de jaren
het jaar 2006. In zoverre heeft het Hof mis-
en Wortel)
2003 tot en met 2006. Bij ontbreken van een
kend hetgeen in 3.4.3 hiervoor is overwogen.
ECLI:NL:HR:2014:685
nadere toelichting heeft het Hof in die
3.4.5. Gelet op het voorgaande is het middel
omstandigheid geen aanleiding gevonden
gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet
Beoordeling rechter hoogte bestuurlijke
om in het kader van de straftoemeting reke-
in stand blijven en verwijzing moet volgen.
boete: ex tunc of ex nunc? Verder: zakelijke
ning te houden met de slechte financiële
3.5. Met het oog op de verdere behandeling na
karakter van loonbelastingschulden vormt
positie van belanghebbende. Het Hof heeft
verwijzing merkt de Hoge Raad nog het vol-
geen goede grond om de verplichting loon-
het beroep op matiging van de boete op
gende op. Eerder in dit geding heeft de Inspec-
belastingschulden te betalen buiten
grond van financiële omstandigheden daar-
teur het standpunt ingenomen dat het zakelij-
beschouwing te laten bij de bepaling van de
om afgewezen. Tegen dit oordeel keert zich
ke karakter van loonbelastingschulden er als
proportionaliteit van een boete.
het middel.
regel aan in de weg staat om een boete
746
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
937
Rechtspraak
wegens het niet (tijdig) afdragen van deze
spanning en frustratie over zichzelf heeft
verwijzingsuitspraak door de nationale rech-
belasting te matigen op grond van de financi-
afgeroepen en ook niet heeft bijgedragen aan
ter en eindigt op de dag van openbaarmaking
ele positie van de inhoudingsplichtige. Dit
een snelle afwikkeling door openheid van
van de prejudiciële beslissing door het Hof
standpunt moet worden verworpen. De finan-
zaken te geven.
van Justitie. In een geval als hier aan de orde,
ciële positie van een inhoudingsplichtige
2.1.3. Het Hof heeft in onderdeel 4.2.3 van
waarin de behandeling van een zaak door de
wordt mede bepaald door diens verplichting
zijn uitspraak geoordeeld dat de mate waarin
rechter is aangehouden in afwachting van de
loonbelastingschulden te betalen. Het karak-
laakbare of onrechtmatige gedragingen van
beantwoording van prejudiciële vragen die in
ter van deze schulden vormt geen goede
de belastingplichtige ten grondslag liggen
een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld,
grond om dit element van zijn draagkracht
aan het geschil, niet van belang is bij het ant-
vangt vorenbedoelde buiten beschouwing te
buiten beschouwing te laten bij de bepaling
woord op de vraag of er grond is voor toeken-
laten periode niet eerder aan dan op het
van de proportionaliteit van een boete.’
ning van een schadevergoeding wegens over-
moment dat de aanhoudende rechter partij-
schrijding van de redelijke termijn. Naar ’s
en schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn
Hofs oordeel geldt dat ook voor zover deze
beslissing om de zaak aan te houden in
gedragingen worden opgevat als eigen schuld
afwachting van de beantwoording van de
van de belastingplichtige. Deze oordelen zijn
gestelde vragen door het Hof van Justitie.”
21 maart 2014, nr. 13/00478
juist. Het middelonderdeel faalt daarom.
3.1.4. De Hoge Raad maakt deze overweging
(Mrs. Schaap, Fierstra, Koopman, Groene-
Opmerking verdient nog dat een gebrek aan
tot de zijne. Hij merkt daarbij op dat het
veld en Wortel)
medewerking door een partij aan de vaststel-
tijdsverloop dat is gemoeid met het afwach-
ECLI:NL:HR:2014:636
ling van de feiten er wel toe kan leiden dat
ten van een beslissing van het Hof van Justi-
een zaak gecompliceerder wordt. Dat is een
tie, zolang geen schriftelijke kennisgeving
Immateriëleschadevergoeding bij over-
factor die meeweegt bij het oordeel of de
daarvan aan partijen heeft plaatsgevonden,
schrijding van de redelijke termijn. Rechts-
redelijke termijn is overschreden. Ook het
niet alsnog kan worden aanvaard met een
eenheid. Rechterlijk overgangsrecht. De
Hof is daar – terecht – van uitgegaan.
beroep op de complexiteit van de zaak.
mate waarin onrechtmatige gedragingen
(…)
3.1.5. De hiervoor in 3.1.3 bedoelde, en thans
van de belastingplichtige ten grondslag lig-
3 Beoordeling van de in het incidentele
door de Hoge Raad aanvaarde eis van een
gen aan het geschil, is niet van belang bij
beroep aangevoerde klachten
schriftelijke kennisgeving was niet gesteld in
beoordeling of er grond is voor toekenning
3.1.1. Het Hof heeft (…) de redelijke termijn
het arrest van 9 april 2010. Aangezien
van een immateriëleschadevergoeding.
voor de behandeling van het beroep, gelet op
bestuursorganen en rechters in belastingza-
Indirect mogelijk wel via de factor com-
de ingewikkeldheid van de hoofdzaak en
ken daarom tot op heden geen rekening
plexiteit van de zaak. Hoge Raad maakt een
mede gezien de voor de behandeling van die
daarmee hoefden te houden, zal die eis in
rechtsoverweging van de zogenoemde grote
zaak relevante prejudiciële verwijzing door
belastingzaken eerst worden gesteld in geval-
kamer tot de zijne. Voor buiten beschou-
de Hoge Raad, gesteld op vier jaar. Hiertegen
len waarin de behandeling van de zaak wordt
wing laten van de termijn die gemoeid is
richt zich de eerste klacht met het betoog dat
aangehouden in afwachting van de beant-
geweest met het afwachten van een preju-
de omstandigheid dat prejudiciële vragen
woording van prejudiciële vragen die zijn
diciële beslissing van het Hof van Justitie,
zijn gesteld geen onderbouwing kan zijn
gesteld na 1 april 2014.
wordt als eis een schriftelijke kennisgeving
voor het desbetreffende tijdsverloop, aange-
3.1.6. Het voorgaande brengt mee dat het
gesteld. Deze (nieuwe) eis geldt eerst voor
zien die vragen niet door het Hof zelf maar
Hof bij de beoordeling van de redelijkheid
gevallen waarin de behandeling wordt aan-
door de Hoge Raad zijn gesteld.
van de duur van de procedure zonder schen-
gehouden in afwachting van de beantwoor-
3.1.2. Bij de beoordeling van de vraag of spra-
ding van het recht het tijdsverloop heeft kun-
ding van prejudiciële vragen die zijn
ke is van overschrijding van de redelijke ter-
nen aanvaarden dat gemoeid was met het
gesteld na 1 april 2014.
mijn wordt de tijd die gemoeid is geweest
afwachten van een prejudiciële beslissing
met het afwachten van een prejudiciële
van het Hof van Justitie. Kennelijk is het Hof
beslissing van het Hof van Justitie buiten
er daarbij van uitgegaan dat zijn beslissing
beschouwing gelaten, indien het afwachten
om de behandeling van de zaak in afwach-
Cassatieberoep Staatsecretaris van
van die beslissing redelijk is. Dit geldt zowel
ting van de beslissing van het Hof van Justi-
Financiën
in zaken waarin prejudiciële vragen zijn
tie aan te houden redelijk was. Dat uitgangs-
gesteld als in zaken die zijn aangehouden in
punt geeft geen blijk van een onjuiste
Hoge Raad, onder meer:
afwachting van de beantwoording van preju-
rechtsopvatting; het is ook niet onbegrijpe-
‘2 Beoordeling van het in het principale
diciële vragen die in een vergelijkbare andere
lijk en behoefde geen nadere motivering (vgl.
beroep voorgestelde middel
zaak zijn gesteld (vgl. HR 9 april 2010, nr.
het arrest van 9 april 2010). De hiervoor in
2.1.1. Het Hof heeft in het kader van het door
07/10306, ECLI:NL:HR:2010:BJ8465, BNB
3.1.1 vermelde klacht faalt daarom.
belanghebbende gedane verzoek om vergoe-
2010/203; hierna: het arrest van 9 april 2010).
(…)’
ding van immateriële schade wegens over-
3.1.3. Opmerking verdient nog dat dienaan-
schrijding van de redelijke termijn geoor-
gaande als volgt is beslist in de uitspraak van
deeld dat de redelijke termijn is
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
overschreden (…)
van State (grote kamer) van 29 januari 2014,
2.1.2. Het tweede middelonderdeel behelst de
nr. 201302106/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:188,
28 maart 2014, nr. 13/00923
klacht dat het Hof in dit verband onvoldoen-
onderdeel 4.7.1:
(Mrs. Overgaauw, Van Vliet, Bavinck,
de belang heeft gehecht aan het feit dat
“De buiten beschouwing te laten termijn die
Koopman en Van Kalmthout; na conclusie
belanghebbende, door bewust inkomen en
gemoeid is geweest met het verkrijgen van
Wattel tot ongegrondverklaring van het
vermogen te verzwijgen en na ontdekking
een prejudiciële beslissing in die zaak zelf
cassatieberoep)
daarvan elke medewerking te weigeren, de
vangt aan op de dag na verzending van de
ECLI:NL:HR:2014:666
747
(Awb art. 8:73)
938
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
748
Rechtspraak
Rechtsvinding; grenzen aan ruime wetsuit-
lener de werkzaamheden niet naar
Bezien vanuit de zorgvragers moet de zorg
leg. Onderhavige AWBZ-thuiszorginstelling
tevredenheid van de zorgvrager verricht, kan
worden verricht door de zorginstelling.
komt niet in aanmerking voor zogenoemde
een klacht worden ingediend bij belangheb-
3.3.2. De uitspraak van het Hof en de stukken
zorgvrijstelling in de vennootschapsbelas-
bende.
van het geding laten geen andere conclusie
ting (anders: de A-G). Geen zodanige ruime
3.1.5. De activiteiten van belanghebbende
toe dan dat belanghebbende niet voldoet aan
uitleg dat in een geval waarin de in de wet-
bestaan onder meer uit:
de hiervoor in 3.3.1 omschreven vereisten. De
tekst genoemde werkzaamheden (genezen,
[volgt opsomming van activiteiten, die veelal
zorgvragers richten zich bij het vragen om
verplegen of verzorgen van zieken, kraam-
in de kern organisatorisch of administratief
zorg tot de (van belanghebbende onafhanke-
vrouwen of gebrekkigen) niet door een
van aard zijn; MP]
lijke) steunpunten die ervoor zorgen dat een
belastingplichtige zelf worden verricht, de
(…)
(zelfstandige) zorgverlener de gevraagde zorg
daarmee samenhangende werkzaamheden
3.2. Voor het Hof was, voor zover in cassatie
verleent. Dat belanghebbende een toegelaten
van administratieve en organisatorische
van belang, in geschil of op belanghebbende
AWBZ-thuiszorginstelling is en de uiteindelij-
aard onder het bereik van de vrijstelling
de vrijstelling van artikel 5, lid 1, aanhef en
ke verantwoordelijkheid voor de werkzaam-
vallen.
letter c, ten eerste, van de Wet op de vennoot-
heden van de zorgverleners bij belangheb-
schapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) van
bende berust, betekent niet dat, bezien
toepassing is.
vanuit de zorgvragers, belanghebbende de
(…)
instelling is die de zorg verleent. Reeds daar-
Cassatieberoep Staatssecretaris van Financi-
Ten aanzien van de werkzaamhedentoets
om komt aan belanghebbende geen beroep
en
heeft het Hof geoordeeld dat de door derden
op de in artikel 5, lid 1, aanhef en letter c, ten
(ZZP-ers) verrichte zorgwerkzaamheden niet
eerste, van de Wet vervatte vrijstelling toe. De
Hoge Raad, onder meer:
kunnen worden beschouwd als werkzaamhe-
omstandigheid dat “werkzaamheden die uit-
‘3.1.1. Belanghebbende is een zogeheten toe-
den die door belanghebbende zelf worden
sluitend of nagenoeg uitsluitend dienen te
gelaten AWBZ-thuiszorginstelling. Op basis
verricht. Voor de vraag of belanghebbende
bestaan uit het genezen, verplegen of verzor-
van deze toelating mag belanghebbende uit
aan de werkzaamhedentoets voldoet dienen
gen van zieken, kraamvrouwen of gebrekki-
AWBZ-middelen gefinancierde zorg in natura
deze werkzaamheden buiten beschouwing te
gen”, ruimte biedt voor interpretatie overeen-
verlenen aan zorgvragers. De AWBZ-zorg is
worden gelaten. De uiteindelijke verantwoor-
komstig de daarover heersende
regionaal georganiseerd. Per regio voert een
delijkheid voor de werkzaamheden van de
maatschappelijke opvattingen, houdt niet in
zorgkantoor namens de gezamenlijke zorg-
zorgverleners berust echter onverminderd bij
dat de tekst van artikel 5, lid 1, aanhef en
verzekeraars de AWBZ uit. Het zorgkantoor
belanghebbende en het is belanghebbende
letter c, ten eerste, van de Wet ook ruimte
stemt de zorgvraag en het zorgaanbod voor
die op de kwantiteit en kwaliteit ervan –
biedt om in een geval waarin dergelijke werk-
de AWBZ zo goed mogelijk op elkaar af. Het
onder meer door middel van een klachtenre-
zaamheden door een belastingplichtige niet
zorgkantoor koopt onder andere de zorg in
geling – kan worden aangesproken. De met
zelf worden verricht, daarmee samenhangen-
en sluit contracten af met de zorgaanbieders
de organisatorisch/bestuurlijke taak verband
de werkzaamheden van administratieve en
(waaronder belanghebbende) en ziet toe op
houdende werkzaamheden van belangheb-
organisatorische aard onder het bereik van
de juiste besteding van de AWBZ-gelden.
bende zijn, aldus het Hof, zozeer ‘zorgspeci-
de vrijstelling te brengen. Het middel slaagt
3.1.2. Aangezien belanghebbende landelijk
fiek’ – ook de complexe regelgeving op het
mitsdien.’
opereert en daarmee in verschillende regio’s
terrein van de (financiering van de) zorg
activiteiten verricht, werkt zij met regionale
vormt hiervoor een aanwijzing – dat zij moe-
steunpunten (hierna: de steunpunten). De
ten worden aangemerkt als werkzaamheden
steunpunten zijn zelfstandig werkende
in de zin van artikel 5, lid 1, aanhef en letter
bureaus met een eigen directie en van
c, ten eerste, van de Wet. Het Hof heeft geoor-
28 maart 2014, nr. 13/03554
belanghebbende onafhankelijke eigenaren.
deeld dat belanghebbende uitsluitend of in
(Mrs. Feteris, Schaap, Fierstra, Groeneveld
De steunpunten hebben merendeels zelf
ieder geval nagenoeg uitsluitend werkzaam-
en Wortel; na conclusie Niessen tot onge-
geen AWBZ-toelating. De steunpunten coördi-
heden verricht als bedoeld in artikel 5, lid 1,
grondverklaring van het cassatieberoep)
neren voor hun cliënten, de zorgvragers,
aanhef en letter c, ten eerste, van de Wet.
ECLI:NL:HR:2014:689
behalve zorg in natura tevens persoonsge-
Hiertegen keert zich het middel.
bonden budgetten of particulier gefinancier-
3.3.1. Bij de behandeling van het middel
Diverse kwesties in verband met de op
de zorg.
wordt het volgende vooropgesteld.
grond van een arrest van het HvJ geldende
3.1.3. De activiteiten in het kader van de
Uit de tekst van artikel 5, lid 1, aanhef en let-
voortvarendheidseis voor het met toepas-
zorgverlening worden verricht door zogehe-
ter c, ten eerste, van de Wet volgt dat om in
sing van de verlengde navorderingstermijn
ten ‘zelfstandigen zonder personeel’ (hierna:
aanmerking te kunnen komen voor de in dit
opleggen van navorderingsaanslagen: (i)
ZZP-ers). Voor de aan de zorgvrager geleverde
artikel vervatte vrijstelling de werkzaamhe-
met welke ‘aanwijzingen’ begint de termijn
uren thuiszorg ontvangt belanghebbende
den van een belastingplichtige uitsluitend of
te lopen?, (ii) is de FIOD-ECD i.c. aan te mer-
een vergoeding van het zorgkantoor uit het
nagenoeg uitsluitend dienen te bestaan uit
ken als Nederlandse belastingautoriteit als
AWBZ-fonds.
het genezen, verplegen of verzorgen van zie-
bedoeld in het arrest van het HvJ, (iii) nade-
3.1.4. Wanneer een zorgvrager met een indi-
ken, kraamvrouwen of gebrekkigen. Voor het
re uitgangspunten voor de beoordeling of
catie van de Regionale Indicatie Organen (tot
van toepassing zijn van de vrijstelling is
voortvarend genoeg gehandeld is, waarbij
en met 2004) of het Centrum Indicatiestel-
noodzakelijk dat de zorginstelling zich recht-
oa aan de orde komt de verhouding tot de
ling Zorg (vanaf 2005) bij een steunpunt
streeks ten opzichte van de zorgvragers ver-
beoordelingsvrijheid van belastingautori-
komt, zoekt het steunpunt naar een zorgver-
plicht de gevraagde zorg te verlenen, welke
teiten bij de organisatie en inrichting van
lener die beschikt over de benodigde kwali-
wordt verricht door voor haar al dan niet in
de werkzaamheden. In casu acht de HR het
teiten en beschikbaar is. Wanneer de zorgver-
loondienst werkzaam zijnde zorgverleners.
oordeel van het Hof dat in de onderzoeksfa-
(Wet Vpb 1969 art. 5)
749
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
939
Rechtspraak
se niet aan de voortvarendseis is voldaan,
motivering. Aan dat oordeel kan niet afdoen
of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van
onvoldoende gemotiveerd (anders: de A-G).
dat enkel aan de hand van die gegevens nog
hen kan worden nagevorderd. In gevallen als
niet met zekerheid kon worden vastgesteld
het onderhavige kan de Belastingdienst ver-
om welke individuele belastingplichtigen het
der in redelijkheid tot het oordeel komen dat
ging. Wel dient het tijdsverloop dat noodza-
een landelijke coördinatie en een projectma-
Cassatieberoep Staatssecretaris van
kelijkerwijs met het onderzoek daarnaar
tige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor
Financiën
gemoeid is, in aanmerking te worden geno-
wordt gekozen moet tevens rekening worden
men bij het oordeel of de navorderingsaan-
gehouden met de tijd die met een zodanige
Hoge Raad, onder meer:
slag met de vereiste voortvarendheid is opge-
aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder
‘3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil
legd.
begrepen de tijd die benodigd is voor het ont-
of bij het voorbereiden en opleggen van de
Dat heeft het Hof ook – terecht – gedaan.
wikkelen van beleid voor de behandeling van
onderhavige navorderingsaanslagen, die met
3.3.5. Verder is het Hof ervan uitgegaan dat
individuele gevallen, ook ten aanzien van het
toepassing van de verlengde navorderingster-
de FIOD-ECD in het onderhavige geval is aan
opleggen van boeten waartoe gelet op het
mijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene
te merken als Nederlandse belastingautori-
bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook
wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)
teit in de zin van de hiervoor in 3.3.2 bedoel-
overleg met het openbaar ministerie geboden
zijn vastgesteld, de vereiste voortvarendheid
de rechtspraak van het Hof van Justitie. Dit
kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij
is betracht. Het Hof heeft deze vraag ontken-
oordeel is juist, in aanmerking genomen (i)
ook in het belang van de betrokken belasting-
nend beantwoord.
dat het hier gaat om gegevens die door de
plichtigen zorgvuldigheid moet worden
3.3.1. Het eerste middelonderdeel klaagt
Belgische autoriteiten verstrekt zijn op grond
betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.
erover dat het Hof bij zijn oordeel over de
van de Richtlijn, (ii) dat die gegevens zijn ver-
3.4.3. De belastingautoriteiten hebben beoor-
voortvarendheid waarmee de navorderings-
strekt aan de FIOD-ECD als bevoegde Neder-
delingsvrijheid bij de organisatie en inrich-
aanslagen zijn opgelegd, is uitgegaan van de
landse autoriteit in de zin van de Richtlijn,
ting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid
tijd die is verstreken vanaf het moment waar-
en (iii) dat de Richtlijn gelet op het bepaalde
is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen
op de door de Belgische autoriteiten verstrek-
in artikel 1, lid 1, ertoe strekt dat de bevoeg-
die voortvloeien uit het recht van de Europe-
te gegevens ter beschikking van de FIOD-ECD
de autoriteiten van de lidstaten elkaar inlich-
se Unie mogen de werkzaamheden niet wor-
zijn gekomen. In de toelichting op het mid-
tingen verstrekken die hun van nut kunnen
den georganiseerd en ingericht op een zoda-
del wordt betoogd dat het Hof alleen in aan-
zijn voor een juiste vaststelling van de belas-
nige wijze dat een voortvarende behandeling
merking had moeten nemen het tijdsverloop
tingschuld op het gebied van de belastingen
onvoldoende gewaarborgd is.
vanaf het moment waarop de bevoegde
naar het inkomen en het vermogen.
3.4.4. Opmerking verdient dat de vereiste
inspecteur in het bezit van de relevante gege-
3.3.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.4 en
voortvarendheid in ieder geval niet is
vens is gesteld.
3.3.5 is overwogen moet worden aangeno-
betracht indien bij de werkzaamheden als
3.3.2. Bij de beoordeling van dit middelonder-
men dat de Nederlandse belastingautoritei-
vermeld in 3.4.2 een onverklaarbare vertra-
deel moet worden vooropgesteld dat het oor-
ten vanaf het moment van ontvangst door de
ging is opgetreden van meer dan zes maan-
deel over de voortvarendheid waarmee een
FIOD-ECD van de gegevens van de Belgische
den (vgl. HR 27 september 2013, nr.
navorderingsaanslag met toepassing van arti-
autoriteiten, aan de hand daarvan een onder-
12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB
kel 16, lid 4, AWR is opgelegd, op grond van
zoek konden instellen met het oog op de
2013/234).
de rechtspraak van het Hof van Justitie
(eventuele) vaststelling van navorderingsaan-
3.4.5. De door het Hof vastgestelde feiten
betrekking dient te hebben op het tijdsver-
slagen. Daaraan kan niet afdoen dat de FIOD-
houden in dat er tussen de ontvangst van de
loop nadat de belastingautoriteiten van een
ECD niet bevoegd is tot het vaststellen van
gegevens van de Belgische autoriteiten en de
lidstaat de beschikking hebben gekregen
navorderingsaanslagen. Evenmin kan daar-
afronding van het (…) onderzoek (de zoge-
over aanwijzingen met betrekking tot in een
aan afdoen dat de FIOD-ECD mede een
noemde onderzoeksfase) een jaar is verstre-
andere lidstaat ondergebrachte belastbare
opsporingstaak heeft die hij onder het gezag
ken.
bestanddelen op basis waarvan zij een onder-
van het openbaar ministerie vervult. Het
3.4.6. Bij de beoordeling van dit tijdsverloop
zoek kunnen instellen (HvJ 11 juni 2009, X
middelonderdeel faalt daarom.
heeft het Hof grote betekenis toegekend aan
en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08
3.4.1. Het tweede middelonderdeel bevat de
de omstandigheid dat de “geautomatiseerde
en C-157/08, BNB 2009/222, punt 74).
klacht dat het Hof op onjuiste en/of ontoerei-
zoekslag is uitgevoerd door één EDP-mede-
3.3.3. In het onderhavige geval hebben de
kende gronden heeft geoordeeld dat er in de
werker die daaraan (…) een gedeelte van zijn
Belgische autoriteiten in februari 2005 op
hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het
werktijd heeft besteed”. Zonder nadere moti-
basis van de Richtlijn gegevens verstrekt aan
onderzoek meer tijd is verstreken dan nood-
vering, die in de bestreden uitspraak niet is
de FIOD-ECD als bevoegde Nederlandse auto-
zakelijk is.
gegeven, is evenwel niet begrijpelijk dat het
riteit in de zin van de Richtlijn. Die gegevens
3.4.2. De Hoge Raad neemt bij de beoordeling
Hof deze omstandigheid redengevend heeft
over bank- en beleggingsrekeningen van
van dit middelonderdeel tot uitgangspunt
geacht voor zijn oordeel dat niet de vereiste
(onder meer) ingezetenen van Nederland ver-
dat in een geval als het onderhavige, waarin
voortvarendheid in acht is genomen. Om dat
melden de namen van de rekeninghouders,
gegevens over in het buitenland onderge-
oordeel begrijpelijk te doen zijn zou ten min-
soms alleen hun achternamen en soms ook
bracht vermogen zijn verkregen die een groot
ste nader uiteengezet moeten zijn welke
voornamen of voorletters, maar veelal geen
aantal in Nederland wonende personen
omstandigheden het oordeel kunnen dragen
adres- of woonplaatsgegevens.
betreffen, de Belastingdienst over voldoende
dat van de Belastingdienst met het oog op de
3.3.4. In ’s Hofs uitspraak ligt het oordeel
tijd moet kunnen beschikken om met vol-
vereiste voortvarendheid, en met inachtne-
besloten dat deze gegevens aanwijzingen
doende mate van zekerheid vast te stellen
ming van het hiervoor in 3.4.3 overwogene,
opleverden als hiervoor in 3.3.2 bedoeld. Dat
om welke individuele belastingplichtigen het
redelijkerwijs een andere organisatie van de
oordeel geeft geen blijk van een onjuiste
gaat en vervolgens ten aanzien van de
te verrichten werkzaamheden verlangd had
rechtsopvatting en behoefde geen nadere
betrokken belastingplichtigen te beoordelen
mogen worden.
(AWR art. 16; VWEU art. 63)
940
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Rechtspraak
Het Hof heeft zijn oordeel mede gebaseerd
gemachtigde van [wederpartij] optrad.
(…)
op de overweging dat het niet aannemelijk
4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwo-
13. [wederpartij] betoogt tenslotte dat de
acht dat met de hiervoor in 3.1.3 bedoelde
gen dat in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb
korpsbeheerder heeft miskend dat hij in aan-
fase van het onderzoek, die een jaar in beslag
de bevoegdheid is neergelegd om van een
merking dient te komen voor een proceskos-
heeft genomen, bij een voortvarende behan-
gemachtigde een schriftelijke machtiging te
tenvergoeding, nu hij zich heeft laten verte-
deling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit
verlangen en dat, anders dan in artikel 8:24
genwoordigen door een advocaat. Volgens
enkele maanden zouden zijn gemoeid. Ook
van die wet, in artikel 2:1 geen uitzondering is
hem doet hieraan niet af dat die advocaat
in zoverre is de uitspraak van het Hof niet
gemaakt voor advocaten. Uit de memorie van
een kantoorgenoot is.
toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de
toelichting bij dit artikel volgt dat het
13.1. Het betoog slaagt. Anders dan in eerde-
Inspecteur heeft aangevoerd over de aard en
bestuursorgaan de mogelijkheid is gegeven
re uitspraken is overwogen en anders dan
de omvang van de werkzaamheden die na
om na te gaan of degene die zich als gemach-
waarvan de korpsbeheerder in het besluit
ontvangst van de door de Belgische autoritei-
tigde van een bepaalde belanghebbende aan-
van 10 december 2012 is uitgegaan, ziet de
ten verstrekte gegevens in deze fase moesten
dient daartoe werkelijk bevoegd is zonder de
Afdeling aanleiding te oordelen dat door een
worden uitgevoerd.
uitzondering van advocaten, omdat van
kantoorgenoot, zijnde een advocaat, verleen-
Voor zover het middel zich tegen dat oordeel
bestuursorganen niet kan worden gevergd dat
de rechtsbijstand in beginsel kan worden
keert, is het daarom terecht voorgesteld.
zij steeds weten wie wel en wie geen advocaat
aangemerkt als door een derde beroepsmatig
3.5. Het hiervoor overwogene brengt mee dat
is (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3., pp.
verleende rechtsbijstand als bedoeld in arti-
de bestreden uitspraak niet in stand kan blij-
49 en 50). Hieruit vloeit voort dat de wetgever
kel 1 van het Besluit proceskosten bestuurs-
ven. Verwijzing moet volgen.’
ervan uit is gegaan dat wanneer het het
recht. De voor door een dergelijke kantoorge-
bestuur redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de
noot verleende rechtsbijstand gemaakte
gemachtigde advocaat is, niet om een machti-
proceskosten komen om deze reden in begin-
Raad van State
ging zal worden gevraagd. Voorts geldt in
sel voor vergoeding in aanmerking. Een kan-
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B.
beroep ingevolge artikel 8:24, derde lid, van de
toorgenoot heeft niet zonder meer een per-
Klein Nulent en mr. drs. J. de Vries werkzaam
Awb het uitgangspunt dat van een advocaat
soonlijk belang bij de zaak waarin hij als
bij de directie bestuursrechtspraak van de
geen machtiging wordt verlangd, aangezien
advocaat optreedt. Dat voorts een advocaat
Raad van State. Volledige versies van deze
van een advocaat mag worden verwacht, mede
een kantoorgenoot is, laat onverlet dat hij
uitspraken zijn te vinden op www.raad-
gelet op de disciplinaire maatregelen die de
zich beroepsmatig bezighoudt met het voe-
vanstate.nl
Advocatenwet mogelijk maakt, dat hij niet
ren van juridische procedures.
voor iemand optreedt zonder daartoe
De korpschef heeft geen omstandigheden
opdracht te hebben gekregen. Als het het
aangevoerd die maken dat van dit uitgangs-
bestuur duidelijk is dat de indiener van een
punt dient te worden afgeweken.
bezwaarschrift een advocaat is, heeft dit
(…)
750
19 maart 2014, nr. 201210017/1/A3
beginsel ook in de bezwaarfase te gelden.
(mrs. Vlasblom, Bijloos, Vermeulen)
Anders dan de korpschef betoogt, volgt uit
ECLI:NL:RVS:2014:916
het door Gans gebruikte briefpapier dat zij
Centrale Raad van Beroep
als advocaat bij Helgers Advocaten werkzaam
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. A.B.J.
De korpsbeheerder mocht geen schriftelijke
is. Gelet op de door haar gevoerde correspon-
van der Ham, vice-president van de Centrale
machtiging verlangen van de advocaat van
dentie, alsmede het met het advocatenkan-
Raad van Beroep, en mr. J.E. Jansen, hoofd
wederpartij. De kosten van door de advo-
toor gevoerde telefoongesprek, had het de
Wetenschappelijk bureau van de Centrale
caat verleende rechtsbijstand komen voor
korpsbeheerder duidelijk moeten zijn dat
Raad van Beroep.
vergoeding in aanmerking, ondanks dat
Gans advocaat is en als gemachtigde van
deze een kantoorgenoot van wederpartij is.
[wederpartij] optreedt. Dat, naar de korpschef
stelt, Gans niet eerder als gemachtigde van
751
(Awb art. 2:1, 8:24; Besluit proceskosten
[wederpartij] is opgetreden en altijd van iede-
bestuursrecht art. 1)
re gemachtigde een schriftelijke machtiging
5 maart 2014, nr. 13/748 WW-T
wordt verlangd, doet hieraan niet af. Gelet
(mrs. Rottier, Van Dun, Lange)
Uitspraak op het hoger beroep van: de korps-
hierop acht de Afdeling met de rechtbank het
ECLI:NL:CRVB:2014:987
beheerder van de politieregio Limburg-Zuid
door de korpschef gestelde doel van het ver-
(thans: de korpschef van politie), appellant,
langen van een schriftelijke machtiging van
Geslaagd beroep op het vertrouwensbegin-
tegen de uitspraak van de rechtbank Maas-
Gans, namelijk het bepalen van de omvang
sel
tricht van 11 september 2012 in zaak nr.
van de bevoegdheid van de gemachtigde, in
12/812 in het geding tussen: [wederpartij] en
dit geval niet begrijpelijk. Daarbij komt dat
de korpsbeheerder.
uit het bezwaarschrift de omvang van de
(…)
bevoegdheid van Gans volgt, nu daarin is
4. De korpschef betoogt dat de rechtbank ten
vermeld dat Gans door [wederpartij] is
onrechte heeft geoordeeld dat de korpsbe-
gemachtigd namens hem bezwaar te maken.
Overwegingen
heerder niet in redelijkheid gebruik heeft
De rechtbank heeft dan ook terecht geoor-
4.2. Een beroep op het vertrouwensbeginsel
kunnen maken van zijn bevoegdheid een
deeld dat de korpsbeheerder niet in redelijk-
kan volgens vaste rechtspraak van de Raad
schriftelijke machtiging van Gans te verlan-
heid gebruik heeft kunnen maken van de in
(CRvB 19 november 2009,
gen. Volgens hem was het de korpsbeheerder
artikel 2:1, tweede lid, van de Awb neergeleg-
ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als
niet bekend dat Gans advocaat is en had
de bevoegdheid een schriftelijke machtiging
van de kant van het tot beslissen bevoegde
evenmin bekend kunnen zijn dat zij als
van Gans te verlangen.
orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en
(Awb art. 3:4)
(….)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
941
Rechtspraak
onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan,
bleem is om gebruik te maken van de Startpe-
geniet, appellant en zijn collega’s heeft mede-
die bij de betrokkene gerechtvaardigde ver-
riode en dat er bij de verrekening gekeken
gedeeld dat bij de vaststelling van de inkom-
wachtingen hebben gewekt.
wordt naar de winst uit de onderneming.
sten die met de WW-uitkering verrekend
4.3. Appellant was werkzaam bij de vestiging
(…)
moeten worden enkel en alleen uitgegaan
van [naam N.V.]([naam N.V.]) te [vestigings-
Nogmaals, tijdens de voorlichting betreffen-
zou worden van de winst uit onderneming.
plaats]. Eind 2007 heeft [naam N.V.] haar
de de Startperiode Zelfstandige heb ik de
Daarmee is sprake van toezeggingen als
werknemers ervan in kennis gesteld dat de
heren medegedeeld dat bij de berekening
bedoeld in 4.2. Het is voorts aannemelijk dat
vestiging in [vestigingsplaats] gesloten zou
van de eventuele terugvordering enkel en
deze toezeggingen gedragsbepalend zijn
worden, en dat de arbeidsovereenkomsten
alleen gekeken zou worden naar de winst uit
geweest voor de door appellant en zijn colle-
met de aldaar werkzame werknemers beëin-
onderneming.’
ga’s gekozen structuur van de in mei 2008
digd zouden worden. Appellant heeft vervol-
4.4.3. Op 14 maart 2013 heeft een medewer-
opgerichte onderneming [naam bedrijf
gens met zijn collega’s [C.D.],
ker van het Uwv een telefoongesprek gevoerd
appellant] Appellant had uit latere corres-
[A.B.] en [E.F.] het plan opgevat gezamenlijk
met de re-integratiecoach. Blijkens een daar-
pondentie van het Uwv niet behoeven te
een onderneming te starten. In dat kader
van opgemaakte telefoonnotitie heeft de
begrijpen dat in zijn geval toch zou worden
heeft appellant, met zijn collega’s, een aantal
re-integratiecoach toen onder meer gezegd
uitgegaan van het door hem genoten belast-
gesprekken gevoerd met medewerkers van
dat tijdens het oriënterende gesprek te ken-
baar loon als
het Uwv. Op 6 februari 2008 heeft appellant
nen is gegeven dat men van plan was om als
directeur-grootaandeelhouder. Het beroep op
met zijn collega’s een gesprek gevoerd met K.
zelfstandige te gaan werken en dat dit moge-
gewekt vertrouwen wordt dan ook gehono-
Heijnen, vestigingsmanager CWI, en de op
lijk in de vorm van een B.V. gegoten zou wor-
reerd.
initiatief van Heijnen erbij betrokken
den. Op dat moment, halverwege 2008, was bij
re-integratiecoach. De B.V.-constructie is toen
de re-integratiecoach nog niet bekend dat
aan de orde geweest. Appellant en zijn colle-
zelfstandigen die in een B.V. gaan werken niet
ga’s hebben vervolgens in mei 2008 het
voor de startersregeling in aanmerking
bedrijf [naam bedrijf appellant] opgericht,
komen. Tijdens dit gesprek is in algemene
19 maart 2014, nr. 13/4256 WAO
waarin zij via hun management-B.V.’s (in het
zin gesproken over de mogelijkheden met
(mrs. Van den Hurk, Rottier, Lange)
geval van appellant [naam B.V.]) deelnemen.
betrekking tot de startersregeling en is te
ECLI:NL:CRVB:2014:899
Appellant en zijn collega’s zijn enig aandeel-
kennen gegeven dat de winst uit onderne-
houder van hun management-B.V. en ontvan-
ming voor aftrek in aanmerking zou komen.
De rechtbank heeft ten onrechte de rechts-
gen daaruit als directeur-grootaandeelhou-
De DGA-vergoeding is niet aan de orde
gevolgen van het vernietigde besluit in
der een vergoeding.
geweest. Wel is het zo dat de re-integratie-
stand gelaten
4.4. Op verzoek van appellant heeft de re-
coach bekend is met het feit dat de DGA van
integratiecoach zowel in de bezwaarfase
een B.V. een vergoeding geniet; dit is voor
(op 24 juni 2011) als in de beroepsfase (op 8
hem een algemeen bekend gegeven.
juni 2012) als in de hoger beroepsfase
4.4.4. In de verklaring van 4 december 2013
(op 4 december 2013) verklaard over hetgeen
heeft de re-integratiecoach, voor zover hier
(….)
hij tijdens het gesprek op 6 februari 2008 aan
van belang, het volgende verklaard:
Overwegingen
appellant en zijn collega’s heeft medegedeeld.
‘Het klopt dat wij ergens in 2008 een oriënte-
5.1. Ten aanzien van de door de rechtbank
Op 14 maart 2013 heeft hij telefonisch infor-
rend gesprek hebben gehad over het starten
geraadpleegde deskundige geldt volgens vas-
matie gegeven aan het Uwv.
van zelfstandige. Tijdens dit gesprek hebben
te rechtspraak dat de bestuursrechter het
4.4.1. In de verklaring van 24 juni 2011 heeft
wij gesproken over het starten als zelfstandi-
oordeel van een onafhankelijke, door hem
de re-integratiecoach, voor zover hier van
ge vanuit een WW situatie. Ook is naar aan-
ingeschakelde deskundige kan volgen, indien
belang, het volgende verklaard over het
leiding van een vraag van jullie kant gespro-
de door deze deskundige gebezigde motive-
gesprek op 6 februari 2008:
ken over het starten als zelfstandige vanuit
ring hem overtuigend voorkomt. De recht-
‘Er is toen gesproken over de mogelijkheden
de positie van DGA. Ik heb toen gezegd dat
bank heeft op goede gronden geoordeeld dat
van het starten van een eigen bedrijf vanuit
het starten als zelfstandige vanuit de WW
deze situatie zich hier voordoet en dat het
de WW.
met de status als DGA net zo behandeld
uitgebrachte deskundigenrapport blijk geeft
Ik heb de heer [C.D.] en zijn twee collega’s
wordt als het starten als bijvoorbeeld een
van een zorgvuldig onderzoek, inzichtelijk en
toen medegedeeld dat er een mogelijkheid
ZZP’er, er wordt alleen gekeken naar de netto-
consistent is.
bestaat vanuit de WW te starten met een
winst. Toen (in 2008) was het namelijk hele-
5.2. Wat betreft het tegen het rapport inge-
eigen bedrijf met behoud van uitkering
maal nog niet bekend dat het starten als zelf-
brachte bezwaar van appellant dat hij in april
“Startperiode Zelfstandige”. Tijdens dit
standige met DGA status leidt tot volledige
1993 meer beperkingen had voor de rug en
gesprek is ook aangegeven dat 70% van de
terugbetaling van de WW, sterker nog dat een
schouder en dat ook de psychische klachten
fiscale winst over de Startperiode + 26 weken
DGA helemaal gebruik kan maken op een
al in 1993 aanwezig waren, wordt als volgt
wordt terug gevorderd maar niet meer dan
Startperiode.’
geoordeeld. Er wordt geen aanleiding gezien
maximaal aan WW is uitgekeerd.’
4.5. Met de verklaringen van de re-integratie-
voor twijfel aan de juistheid van het oordeel
4.4.2. In de verklaring van 8 juni 2012 heeft
coach heeft appellant aannemelijk gemaakt
van Knepper dat het Uwv weliswaar wat
de re-integratiecoach, voor zover hier van
dat de re-integratiecoach tijdens het gesprek
betreft de rug- en schouderklachten onvol-
belang, het volgende verklaard over het
op 6 februari 2008, in de wetenschap dat
doende vergaande beperkingen heeft aange-
gesprek op 6 februari 2008:
appellant en zijn collega’s als directeur-groot-
nomen, maar dat de geselecteerde functies
‘In het gesprek hebben de heren medegedeeld
aandeelhouder werkzaam zouden zijn in een
– op één na – fysiek dusdanig licht zijn, dat
dat zij een BV gaan oprichten. Ik heb toen
B.V. en van het feit dat een directeur-groot-
deze per april 1993 door appellant vervuld
aangegeven dat de bedrijfsvorm geen pro-
aandeelhouder aan een B.V. een vergoeding
konden worden. Ook wordt het standpunt
942
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
752
(Art. 8:72, lid 3, Awb)
Rechtspraak
van Knepper gevolgd, dat appellant welis-
orde kunnen komen bij een eventueel
len uitspraak voor vernietiging in aanmer-
waar mogelijk vanaf 1989 gevoelens van
bezwaar tegen een nadien genomen besluit
king komt. Doende wat de rechtbank zou
somberheid en heimwee heeft gehad, maar
op de aanvraag, te minder nu onzeker is of
behoren te doen, zal de Raad het beroep
dat hieruit geen ernstige beperkingen voort-
nog wel een (nieuwe) aanvraag volgt.
gegrond verklaren en het bestreden besluit
wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van
vloeien, omdat de controlerend arts van de
CNSS eerst in november 1994 psychische
(Awb art. 1:3, art. 6:3)
de Awb vernietigen.
klachten heeft genoemd en ook de huisarts
hiervan rond de datum in geding geen mel-
(….)
eerste bericht van de behandelend psychiater
Overwegingen
College van Beroep voor het
bedrijfsleven
van februari 1995 en daarmee eveneens van
4.7. Ingevolge artikel , eerste lid, aanhef en
Deze rubriek wordt verzorgd door mw. mr.
ruim na de datum in geding.
onder a, van de WWB – voor zover van belang
J.M.M. Bancken, auditeur bij het College en
5.3. Ten aanzien van de stelling van appellant
– is de belanghebbende vanaf de dag van
mw. mr. A. Bruining, voorheen gerechtsaudi-
dat in de vraagstelling aan de deskundige
melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid,
teur bij het College.
ten onrechte de vraag naar de passendheid
verplicht naar vermogen algemeen geaccep-
van de voorgehouden functies is opgenomen,
teerde arbeid te verkrijgen en deze te aan-
wordt overwogen dat de rechtbank destijds
vaarden.
de conceptvraagstelling voor eventueel com-
4.8. Vaststaat dat het in de brief van 1 decem-
mentaar aan partijen had toegezonden en
ber 2011 aangeduide aantal sollicitaties een
31 januari 2014, AWB 13/244
appellant zich daarmee uitdrukkelijk
nadere concretisering inhoudt van de in arti-
(Mrs. Van Dorst-Tatomir, Winter en
akkoord heeft verklaard. Verder wordt het
kel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Vermeulen)
oordeel van de rechtbank op dit punt onder-
WWB neergelegde sollicitatieverplichting.
ECLI:NL:CBB:2014:36
schreven, dat Knepper een verzekeringsarts
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie de
is en deze zich in beginsel ook mag uitlaten
uitspraak van 2 november 2011,
Lasten onder bestuursdwang. Keuze voor
over de medische haalbaarheid van de door
ECLI:NL:CRVB:2010:BO2800) is een dergelijke
een andere dan de wettelijk voorgeschreven
een arbeidsdeskundige geselecteerde func-
nadere concretisering gericht op zelfstandig
wijze van voederen, waarmee materieel aan
ties. Het oordeel van Knepper hierover is dan
rechtsgevolg en om die reden aan te merken
de norm wordt voldaan. Geen bijzondere
ook terecht gevolgd.
als een besluit in de zin van artikel 1:3, eer-
omstandigheid om van handhavend optre-
5.4. De vraag of de rechtbank op goede gron-
ste lid, van de Awb.
den af te zien.
den de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten
4.9. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld
wordt echter, zij het op andere gronden dan
kan het besluit van 1 december 2011 niet wor-
(Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
aangevoerd door appellant, ontkennend
den aangemerkt als een besluit in de zin van
Varkensbesluit, artikel 11, tweede lid)
beantwoord. In dit verband wordt opgemerkt
artikel 6:3 van de Awb inzake de procedure ter
dat het rechtsgevolg van een besluit dat op
voorbereiding van het besluit van het college
Bij besluit van 10 april 2013 (het bestreden
grond van artikel 30a van de WAO is geno-
op de aanvraag om bijstand van appellant.
besluit) heeft de Staatssecretaris van Econo-
men, namelijk dat een eventuele aanspraak
Met het besluit van 1 december 2011 heeft
mische Zaken (hierna: verweerder) de bezwa-
op uitkering op grond van de WAO buiten
het college aan appellant een zogenoemde
ren van een varkenshouder tegen de aan
aanmerking wordt gelaten, wezenlijk ver-
‘zoektermijn’ opgelegd, inhoudende de ver-
hem opgelegde lasten onder bestuursdwang
schilt van het rechtsgevolg dat de rechtbank
plichting om binnen twee weken 30 sollicita-
ongegrond verklaard. De varkenshouder
blijkens de aangevallen uitspraak in stand
ties te verrichten voordat het college tot
(hierna appellante) heeft bij het College
heeft willen laten, namelijk het afwijzen van
behandeling van zijn aanvraag overgaat. Blij-
beroep ingesteld tegen het bestreden besluit,
een aanvraag. De rechtbank had op na te
kens de inhoud van dat besluit, en de
alsmede een verzoek om voorlopige voorzie-
melden wijze zelf in de zaak moeten voor-
namens het college ter zitting van de Raad
ning ingediend. Het verzoek om voorlopige
zien. De aangevallen uitspraak wordt om die
gegeven toelichting, strekt deze zoektermijn
voorziening is bij uitspraak van 18 april 2013
reden vernietigd voor zover aangevochten.
ertoe om appellant te wijzen op de verplich-
(ECLI:NL:CBB:2013:CA1015) toegewezen, voor
tingen zoals neergelegd in artikel 9, eerste
zover het maatregelen betreft die zien op de
lid, aanhef en onder a, van de WWB en hem
maatvoering van de troggen, tot het College
te activeren zelf betaald werk te zoeken,
uitspraak zal hebben gedaan in de bodem-
zodat mogelijk geen beroep op de bijstand
procedure.
18 maart 2014, nr. 12/5589 WWB
(meer) hoeft te worden gedaan. Een dergelijk
Verweerder had de onderhavige lasten onder
(mrs. Roelofs, Hoogendijk, Hink)
besluit heeft zelfstandige betekenis en kan
bestuursdwang opgelegd omdat bij controles
ECLI:NL:CRVB:2014:925
niet effectief worden aangevochten als de
was geconstateerd dat de troggen in het
bezwaren daartegen pas aan de orde kunnen
bedrijf van appellante niet lang genoeg
Met het besluit van 1 december 2011 heeft
komen bij een eventueel bezwaar tegen een
waren, dat deze leeg waren en dat de in groe-
het college aan appellant een zogenoemde
nadien genomen besluit op de aanvraag, te
pen gehouden varkens niet ad libitum (onbe-
“zoektermijn” opgelegd, inhoudende de ver-
minder nu onzeker is of nog wel een (nieu-
perkt) werden gevoerd. Dit was volgens ver-
plichting om binnen twee weken 30 sollici-
we) aanvraag volgt.
weerder in strijd met artikel 11, tweede lid
taties te verrichten voordat het college tot
4.10. Uit het voorgaande volgt dat het college
van het Varkensbesluit. Daarin is bepaald:
behandeling van zijn aanvraag overgaat. Een
het bezwaar van appellant tegen het besluit
“Indien varkens in een groep worden gehou-
dergelijk besluit heeft zelfstandige beteke-
van 1 december 2011 ten onrechte niet-ont-
den en niet ad libitum of via een automatisch
nis en kan niet effectief worden aangevoch-
vankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat
individueel voedersysteem worden gevoederd,
ten als de bezwaren daartegen pas aan de
het hoger beroep slaagt, zodat de aangeval-
is de lengte van de rechte trog zodanig dat
ding heeft gemaakt. Bovendien dateert het
753
754
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
943
Rechtspraak
alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De
omstandigheden: de varkens op haar bedrijf
mogelijk anders kunnen zijn in een geval
lengte van de trog bedraagt ten minste 0,30
worden namelijk met behulp van een hoge
waarin betrokken wel materieel aan de
m per geslachtsrijp varken.”
voederfrequentie (18 keer per dag met tus-
gestelde norm voldoet, maar sprake is van
In de lasten onder bestuursdwang heeft ver-
senpozen van een half uur) gevoerd met brij-
een situatie waarin deze noodgedwongen op
weerder onder meer als maatregel opgelegd
voer, hetgeen volgens appellante op één lijn
een van de voorgeschreven wijze van voede-
dat appellante er zorg voor dient te dragen
kan worden gesteld met ad libitum voeren.
ren afwijkende manier voedert. Naar het oor-
dat indien de varkens in een groep worden
Hoewel formeel niet aan de voorgeschreven
deel van het College is daarvan niet gebleken.
gehouden en niet ad libitum of via een auto-
maatvoering van de troggen wordt voldaan,
Appellaten heeft ter zitting te kennen gege-
matisch individueel voedersysteem worden
is appellante van mening dat zij voldoet aan
ven dat zij een “voorkeur” heeft voor dit sys-
gevoederd, de lengte van de troggen zodanig
het doel van de regelgeving, namelijk het
teem van voederen. Dit betreft naar het oor-
is dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten.
welzijn van de varkens. De varkens zijn vol-
deel van het College veeleer een
In de onderhavige bodemprocedure spitst
gens appellante fysiek in goede conditie en
ondernemersbeslissing. Niet is komen vast te
het geschil tussen partijen zich toe op de
er zijn geen gevolgen van agressie zichtbaar.
staan dat het voor appellante onmogelijk is
vraag of verweerder terecht zijn besluiten tot
Appellante voert voorts aan dat het bedrag
om aan de norm die voortvloeit uit het Var-
oplegging van de lasten onder bestuurs-
dat zij zou moeten investeren om aan de
kensbesluit te voldoen. Appellante heeft
dwang heeft gehandhaafd. Het College over-
regelgeving te voldoen moet worden betrok-
voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij in
weegt daartoe allereerst dat appellante de
ken bij de vraag of verweerder tot handha-
redelijkheid van haar niet te vergen investe-
constateringen van de toezichthouders niet
vend optreden zou moeten overgaan.
ringen zal moeten doen om aan deze norm
heeft betwist, zodat de overtreding van arti-
Het College is van oordeel dat de door appel-
te voldoen. Dat het onbeperkt voeren zal lei-
kel 11, tweede lid van het Varkensbesluit vast
lante ingenomen stelling dat haar wijze van
den tot een hoger spekpercentage van de var-
staat. Hieruit volgt dat verweerder in begin-
voederen materieel het doel bereikt dat de
kens, zodat appellante dan een product op de
sel de bevoegdheid toekwam om handha-
regelgever met de introductie van de norm
markt moet aanbieden waar geen vraag naar
vend op te treden. Het College overweegt
zoals neergelegd in artikel 11, tweede lid, van
is, heeft voor verweerder evenmin aanleiding
voorts dat volgens vaste jurisprudentie ver-
het Varkensbesluit heeft nagestreefd, op zich-
hoeven te vormen om van handhavend
weerder slechts indien sprake is van bijzon-
zelf niet leidt tot de conclusie dat sprake is
optreden af te zien.
dere omstandigheden gehouden is om af te
van een bijzondere omstandigheid die voor
Volgt: ongegrondverklaring van het beroep.
zien van handhavend optreden. Volgens
verweerder aanleiding had moeten zijn om
appellante is sprake van zodanige bijzondere
van handhavend optreden af te zien. Dit zou
AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS
Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact
op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk
voorkomen.
žOpinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.
Dit is 800 woorden.
žôüàėÐðäąĭĊĊėàäėĤÛėôäýO&M omvatten maximaal 1200 woorden.
žôüàėÐðäąĭĊĊėàäėĤÛėôäýReacties blijven binnen de 600 woorden
Het NJB kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen
en een naschrift binnen de 300 woorden.
geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de NJBlezers waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.
- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen
meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen
žWetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat
3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen
op de NJB-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de
maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de
vindplaatsen.
- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending zal worden geplaatst.
- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelf-
bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch
de vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.
worden verantwoord.
Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de
Auteurs van wetenschappelijke artikelen kunnen de redactie verzoeken hun artikel aan peer review te laten onderwerpen. Meer informatie op www.njb.nl onder Voor Auteurs
žLessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als
doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.
žFocus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woor-
andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.
- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het NJB willen
schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te
vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.
- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen
aan het NJB impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
den. Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante
actuele ontwikkelingen in een deelgebied.
žEssays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikkelende beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan
bij voorkeur in de tekst zelf.
944
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de
brochure Schrijven voor het NJB, te vinden op www.njb.nl onder
Voor Auteurs
Boeken
Het is de bedoeling dat u in
dit mediacircus blijft
achterlopen
Notities over journalistiek en recht
Wie kijkt er nog
naar de televisie,
iedereen heeft toch
een iPad? Waarom
zijn de blote
borsten van Kate
Middleton nieuws?
Mogen journalisten
zo maar alles opschrijven of is er nog
een rechter die daar een stokje voor
kan steken? In ‘Het is de bedoeling
dat u in dit mediacircus blijft achterlopen’ geeft Hugo Arlman een onversneden en goed onderbouwd antwoord op dergelijke vragen en
verbindt hij de media met de wereld
van het recht. Wat rechters zeggen is
toch ook maar een mening? Waarom
staan er niet altijd camera’s in de
rechtzaal? De Telegraaf tegen de AIVD,
‘Jezus Redt’ tegen het recht van
bestuurders, Zembla en Vrij Nederland tegen het Openbaar Ministerie.
Hugo Arlman
Uitsluitend als e-boek te koop bij bol.com, € 7,49
ISBN 978 94 0211 682 3
Onrechtmatige daad in
groepsverband
De aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad in groepsverband is
aldus steeds belangrijker geworden.
Telkens zal van geval tot geval moeten worden uitgemaakt of aan de vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan en waar de grenzen van de
potentieel vergaande aansprakelijkheid liggen. Dat is bij art. 6:166 niet
een eenvoudige zaak. De bepaling is
op zichzelf tamelijk ingewikkeld. Een
juiste toepassing in het concrete
geval vergt een goed inzicht in de
diverse in art. 6:166 gebruikte begrippen, hun onderlinge samenhang en
de wijze waarop die praktisch in
elkaar grijpen. De werking van deze
bepaling wordt in dit boek duidelijk
uiteengezet en aan de hand van vele
voorbeelden gedemonstreerd. Daarnaast komen vele kwesties bij de
praktische toepassing van art. 6:166
aan bod, waarop dit boek de gebruiker een antwoord biedt. Sinds de eerste druk in 1990, aan de vooravond
van de invoering van art. 6:166 als
onderdeel van het Nieuw BW, is er
veel lagere jurisprudentie verschenen
die zicht biedt op de contouren van
de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad in groepsverband zoals die
in de rechtspraak worden gehanteerd.
Die rechtspraak is in deze tweede
druk verwerkt en waar nodig becommentarieerd. In dit boek wordt het
leerstuk van de onrechtmatige daad
in groepsverband integraal behandeld. De in art. 6:166 BW geregelde
aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad in groepsverband leent zich
in beginsel voor toepassing in veel,
uiteenlopende gevallen.
Ronald Boonekamp
Uitgeverij Kluwer BV 2014, 240 p., € 65,00
ISBN 978 90 1311 336 5
Mensenrechten en
toezichthouders
Deze bundel gaat over het spanningsveld tussen bestuursrechtelijk
toezicht en mensenrechtelijke
bescherming en over de vraag hoe de
vrije bewijsgaring in het bestuursrecht zich verhoudt tot de beginselen
die voortvloeien uit de universele
mensenrechten en zijn vastgelegd in
het EVRM en het EU-Handvest.
Een aantal toezichthouders en ondernemingen die onder hun toezicht
vallen laat in deze bundel hun licht
schijnen over dit onderwerp. Hun bijdragen zijn voorzien van een wetenschappelijke beschouwing vanuit
EVRM-oogpunt en vanuit het oogpunt van het toezichtrecht. Het boek
schetst de huidige en recente toezichtpraktijk vanuit het perspectief
van toezichthouders en onder toezicht staande bedrijven.
Jan-Koen Sluijs, Anne Marie de
Koning, Coosje Peterse (red.)
Boom Juridische uitgevers 2014, 175 p., € 40,00
ISBN 978 90 8974 863 8
Een decennium nieuw
erfrecht
Deze uitgave in de serie Ars Notariatus bevat een verslag van het Landelijk Notarieel Studentencongres
(LNSC) dat op donderdag 18 april
2013 in Nijmegen plaatsvond.
Begin 2003 werd na een vijftig jaar
durende discussie het nieuwe erfrecht geïntroduceerd. De discussie
stond met name in het teken van de
positie van de langstlevende echtgenoot. Onder het oude recht werd in
uiterste wilsbeschikkingen veelvuldig gebruik gemaakt van de ouderlijke boedelverdeling. Bij de wetswijziging is gekozen voor de wettelijke
verdeling. Daarnaast werd onder
meer de legitieme portie gedegradeerd tot een geldvordering.
Tien jaar later was het een goed
moment om op de ingrijpende wetswijziging terug te kijken, maar zeker
ook vooruit te blikken. Het thema
van het congres luidde dan ook: ‘Een
decennium nieuw erfrecht’.
Stichting LNSC Nijmegen (red.)
Uitgeverij Kluwer BV 2014, 90 p., € 29,00
ISBN 978 90 1312 320 3
De onafhankelijke
strafrechter
Na een hoogleraarschap van 26 jaar,
heeft prof. mr. H. (Hans) de Doelder
afscheid genomen van Erasmus
School of Law. Ter gelegenheid hiervan werd een groots symposium
getiteld ‘Het Openbaar Ministerie na
25 jaar – nog steeds in positie?’ georganiseerd. Aansluitend hield de
hoogleraar straf- en strafprocesrecht
in de Aula van de Erasmus Universiteit Rotterdam zijn afscheidsrede,
getiteld ‘De onafhankelijke strafrechter’. Centraal in het betoog stonden
de positie en de rol van de – benoemde – strafrechter, met name in relatie
tot de uitvoerende macht. Nadat De
Doelder een uitgebreide reflectie op
de huidige rechterlijke macht had
besproken, kwam hij tot tien aanbevelingen voor een onafhankelijke
maar realistische strafrechter.
Samengevat zei hij dat de rechter een
ambtenaar is die – zo veel mogelijk
vrij van emotie en vooroordelen –
onderzoekt, luistert en zich breed orienteert. Hij houdt rekening met alle
partijen inclusief ‘de samenleving’.
Hij durft zijn vonnis te baseren op
niet alleen de wet en de jurisprudentie, maar ook op kennis van het
maatschappelijk discours. Hij is
bereid zijn uitspraak te duiden en
staat open voor andere meningen.
De rechter is geen activist, maar ook
geen ‘coûte que coûte’-verdediger van
het huidige systeem. Als de rechter
deze uitgangspunten ter harte
neemt, zal hij volgens De Doelder
veel begrip en respect onder de
bevolking terugwinnen. De tekst van
de afscheidsrede is in deze uitgave
opgenomen.
H. de Doelder
Boom Juridische uitgevers 2014, 24 p., € 19,00
ISBN 978 90 8974 884 3
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
945
755
Tijdschriften
756
Burgerlijk (proces)recht
Nederlands Tijdschrift voor
Burgerlijk Recht
Nr. 3, maart 2014
A.J. Verheij, NTBR 2014/12
De Hoge Raad en de relativiteit.
Voorstel voor een hanteerbare toets
– De wijze waarop de Hoge Raad het
relativiteitsvereiste uitlegt, geeft
geen duidelijke informatie over hoe
de rechter de relativiteitstoets moet
uitvoeren. Bovendien is de verhouding tussen relativiteit (art. 6:163
BW) en juridische causaliteit (art.
6:98 BW) onduidelijk. Het gevolg is
dat het rechtspolitieke aspect van
een uitspraak omtrent aansprakelijkheid onderbelicht blijft, waardoor
uitspraken niet overtuigen en
onvoorspelbaar worden. Om verbetering aan te brengen, wordt in dit artikel één en dezelfde gezichtspuntencatalogus voorgesteld voor beide
leerstukken.
J.L.R.A. Huydecoper, NTBR 2014/13
Huurrecht: de eigenheid van
andermans goed
– Het Duitse Bundesgerichtshof
wees in 2012 twee arresten over
huurrechtelijke vragen: de aanspraak
van de verhuurder van woonruimte
op ‘eigen gebruik’ van het gehuurde;
en de aanspraak van de verhuurder
van woonruimte op het verwezenlijken van verbeteringen – renovatie
– aan het gehuurde. Beide onderwerpen hebben in de Nederlandse praktijk volop de aandacht. Interessant
dus (misschien) om eens te kijken
hoe de Duitse rechter daar, overigens
in de voetsporen van de Duitse wetgever, mee omgaat; en hoe dat zich
verhoudt tot het Nederlandse recht.
Wat de schrijver betreft liggen de
Duitsers vóór. Schr. gaat onder andere in op het onderwerp ‘Huurbeeïndiging in verband met eigen gebruik’,
en vergelijkt de Nederlandse en Duitse regelingen.
E.H. Hondius NTBR 2014/14
Kroniek Algemeen
– De Kroniek Algemeen opent met
de aankondiging van een viertal
publicaties over fundamentele rechten. Dan volgen twee dissertaties:
één over klimaatverandering en één
over de overheidsonderneming. België en de Belgisch-Nederlandse
946
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
samenwerking staan deze maand in
de schijnwerpers. Uit eigen land is er
een handboek over algemene voorwaarden. Rechtsvergelijkend van
opzet zijn bundels over het algemeen
deel van privaatrechtelijke codificaties, massageschillen en ADRADR,
rechtsfamilies uit Italië en vergelijkend contractenrecht uit Spanje.
Onder het kopje Europees privaatrecht wordt aandacht besteed aan
het voorstel voor een gemeenschappelijk kooprecht en aan de grondslagen van dat gemeenschappelijke
recht. De kroniek wordt afgesloten
met korte bijdragen over octrooirecht en smartengeld.
Nieuw Juridisch Weekblad
13e jrg. nr. 299, 26 maart 2014
T. Wuyts
Wettelijke samenwoning
– (België) De rechtsfiguur ‘wettelijke
samenwoning’ wint aan populariteit.
Niettemin onderzoekt schr. of de
wettelijke samenwoning moet blijven
bestaan en, zo ja, wat deze rechtsfiguur beoogt te omkaderen. Hij
behandelt achtereenvolgens de ontwikkelingen van deze rechtsfiguur in
het recht, de opgeworpen problemen,
het maatschappelijk nut en de vraag
waarin de populariteit gelegen kan
zijn. Deze bijdrage beoogt niet
exhaustief te zijn, maar wil enkel het
debat over wettelijke samenwoning
voeden. Schr. wil ook een aanzet
geven tot verder wetenschappelijk
onderzoek over deze rechtsfiguur.
Tijdschrift voor Privaatrecht
50e jrg. nr. 4, 2013
I. Vandevelde, C. van der Elst
De redelijke opzeggingstermijn
bij het beëindigen van de
verkoopconcessie van
onbepaalde duur: een objectieve
concessieformule. Een empirisch
onderzoek naar de determinanten
van de opzeggingstermijn
– De Alleenverkoopwet
regelt de beëindiging
van een concessie van
onbepaalde duur door
de enkele wil van één
van de partijen. De
opzegging moet
gepaard gaan met “een
redelijke” opzeggingstermijn of een
“billijke” vergoeding. Uit de rechtspraak van de laatste vijftig jaar
heeft de rechtsleer criteria afgeleid
die de “redelijke” opzeggingstermijn
kaderen. Deze bijdrage onderzoekt
empirisch welke criteria de opzeggingstermijn significant hebben
beïnvloed alsook op welke wijze deze
criteria een invloed uitoefenen.
E. de Baere
De Nederlandse class settlement:
over de Wet Collectieve Afwikkeling
Massaschade en haar internationale
impact
– De Wet Collectieve Afwikkeling
Massaschade laat toe een schaderegelingsovereenkomst die werd gesloten tussen vertegenwoordigers van
slachtoffers van massaschade enerzijds en (rechts)personen die zich
hebben verbonden tot het vergoeden
van de schade anderzijds, algemeen
verbindend te laten verklaren door
het Gerechtshof te Amsterdam. De
praktijk heeft inmiddels aangetoond
dat de wet een succesvol mechanisme is om complexe schadegevallen
op efficiënte wijze af te handelen. De
internationale ambitie van het
Gerechtshof te Amsterdam leidt er
toe dat de impact en de relevantie
van de Wet Collectieve Afwikkeling
Massaschade over de Nederlandse
landsgrenzen heen reikt.
K. Byttebier, T. Wera
Discriminatie in verzekeringen,
m.i.v. discriminatie op basis van
handicap en leeftijd
– Niettegenstaande de recente(re)
ontwikkelingen in de nationale en
Europese wetgeving en rechtspraak,
kan worden aangenomen dat de
doelstellingen van segmentatie in
verzekeringszaken, te weten het
afhankelijk stellen van verzekeringspremies en -prestaties van een wettelijk beschermde discriminatiegrond,
nog steeds als passend en noodzakelijk kan worden beschouwd en niet
aan legitimiteit heeft ingeboet.
F. Peeraer
De verhouding tussen openbare
orde en dwingend recht sensu
stricto in het Belgische
verbintenissenrecht
– Dwingende rechtsregels worden
onderverdeeld in (regels van) openbare orde en regels van (louter) dwingend recht. Aan de schending van
een regel van openbare orde verbindt men de sanctie van de absolute
nietigheid, terwijl aan de schending
van een regel van dwingend recht de
relatieve nietigheid wordt gekoppeld.
Doelstelling van deze bijdrage is een
Tijdschriften
kritische reflectie over dit onderscheid, met een blik op de toekomst.
WPNR
145e jrg. nr. 7012, 29 maart 2014
Prof. mr. P. Abas
Nieuw verbintenissenrecht in
Zwitserland
– In 2013 is in Zwitserland een conceptvoorstel tot wijziging van het
algemene deel van het Wetboek van
verbintenissen gepubliceerd. In deze
bijdrage bespreekt schr. een aantal
belangrijke bepalingen uit het voorstel, bijvoorbeeld over onvoorziene
omstandigheden, (de matiging van)
het boetebeding, misbruik van
omstandigheden. Veel nieuws ten
opzichte van het bestaande recht is
er volgens schr. niet. Dat komt mede
doordat Zwitserland weinig EU-regelgeving heeft overgenomen. Zo kent
het wetboek geen regeling over algemene voorwaarden en oneerlijke
bedingen.
757
Europees recht
Advocatenblad
94e jrg. nr. 4, april 2014
P. Louwerse
Europa: wat staat juristen te
wachten?
– Op 22 mei stemt Nederland voor
het Europees Parlement. Binnenkort
wordt ook het zogeheten Stockholmprogramma voor justitieel beleid uitgebreid. Welke veranderingen in
Europees recht staan er op stapel?
SEW Tijdschrift voor
Europees en economisch
recht
62e jrg. nr. 3, maart 2014
Mr. drs. R. van der Hulle,
mr. R. van der Hulle
De arresten Åkerberg Fransson en
Melloni gerelativeerd
– Het op 26 februari
2013 gewezen arrest
Åkerberg Fransson
en het op dezelfde
dag gewezen arrest
Melloni hebben in
de literatuur tot de
nodige opschudding
geleid. In deze bijdrage proberen
schrs. beide arresten te relativeren. In
beide arresten komt de verhouding
tussen het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de
door het nationale recht geboden
grondrechtenbescherming aan de
orde. Het Hof heeft geoordeeld dat
het lidstaten is toegestaan de nationale grondrechtenbescherming toe
te passen in zaken die vallen binnen
het toepassingsgebied van het Unierecht en daarmee binnen dat van
het Handvest. Ingegaan wordt op de
mogelijke gevolgen van deze arresten
voor de verhouding tussen het Hof
van Justitie en nationale constitutionele rechters. Kunnen de arresten
daadwerkelijk op verzet van nationale constitutionele rechters stuiten?
Schrs. beperken zich tot de constitutionele rechters van Duitsland,
Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Polen.
De keuze voor de constitutionele
rechters van deze lidstaten is vooral
ingegeven door het feit dat dit rechters zijn die zich recentelijk nog kritisch, of op zijn minst genuanceerd,
hebben uitgelaten over de doorwerking van het Unierecht in de nationale rechtsorde.
758
Fiscaal recht
Weekblad Fiscaal Recht
143e jrg. nr. 7042, 27 maart 2014
Prof. dr. J.P. Boer, prof. dr. A.O. Lubbers,
prof. dr. H. Vording, WFR 2014/408
De BOF-zaken: de Hoge Raad grijpt
niet in bij kwalitatief ondermaatse
belastingwetgeving
– In dit artikel wordt aandacht
besteed aan de arresten van de Hoge
Raad van 22 november 2013 waarin
wordt geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet
1956 niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Schrs. onderschrijven
het oordeel van de Hoge Raad, maar
hebben begrip voor de zorg “wie in
de trias politica de kwaliteit van fiscale wetgeving nog bewaakt?” Het
antwoord op deze vraag is dat de
wetgever zelf meer werk moet maken
van de kwaliteit van fiscale wetgeving. Gelet op de door schrs. beschreven complicaties die daaraan kleven,
moet de belastingrechter niet worden opgezadeld met een grotere taak
op het punt van de bewaking van de
kwaliteit van fiscale wetgeving dan
uit de arresten van 22 november
2013 voortvloeit.
Mr. drs. M. Chin-Oldenziel,
WFR 2014/418
Het Douanewetboek van de Unie:
wat gaat er veranderen?
– Onlangs is het Douanewetboek
van de Unie (DWU) gepubliceerd. In
dit artikel wordt gekeken welke veranderingen het DWU met zich brengt
voor de douaneregelingen, douanewaarde en douaneschuld en douaneschuldenaar. In dat kader zijn vereenvoudigingen doorgevoerd, maar ook
substantiële wijzigingen. Ook zijn er
nog veranderingen te verwachten in
de nog vast te stellen uitvoerings- en
delegatiehandelingen.
Weekblad Fiscaal Recht
143e jrg. nr. 7043, 3 april 2014
Prof. mr. R.J. de vries,
mr. G.C. van der Burgt, WFR 2014/438
Wisselwerking tussen
(ruisende) juridische fusie en
deelnemingsvrijstelling (deel 1)
– De samenloop van (rechts)figuren
binnen de vennootschapsbelasting is
uitermate complex. Schrs. bespreken
in een tweeluik de wisselwerking tussen een ruisende juridische fusie en
(deelonderwerpen van) de deelnemingsvrijstelling. In het eerste deel
wordt deze interactie besproken vanuit het perspectief van de bij de juridische fusie als verdwijnende rechtspersoonbetrokken belastingplichtige. Het tweede deel bevat een analyse van deze wisselwerking vanuit
het perspectief van de verkrijgende
rechtspersoon. Mede aan de hand
van diverse casusposities demonstreren schrs. dat de complexiteit draconische vormen kan aannemen op het
moment dat de ruisende juridische
fusie en deelnemingsvrijstelling
elkaar kruisen. Bovendien signaleren
zij dat de wisselwerking tussen beide
(rechts)figuren bij een letterlijke
interpretatie in uitkomsten kan
resulteren die geen recht doen aan
doel en strekking van de toe te passen fiscale bepalingen.
Prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis,
WFR 2014/451
Nogmaals de onzakelijke lening
‘opzij’
– In dit artikel verduidelijkt schr. zijn
in WFR 2013/998 ingenomen standpunten, mede naar aanleiding van
recente jurisprudentie. Tevens geeft
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
947
Tijdschriften
schr. aan dat het niet-aftrekbare
onzakelijkeleningverlies betrekkelijk
eenvoudig kan worden getransformeerd in een aftrekbaar liquidatieverlies, waardoor de discussie of een
geldlening zakelijk of onzakelijk is,
feitelijk irrelevant is (geworden).
Drs. B. Kortenbach, WFR 2014/458
Andere oplossingen voor
knelpunten pensioen eigen beheer
– Een analyse van knelpunten bij
pensioen in eigen beheer. De knelpunten kunnen aanzienlijk worden
beperkt door beter aan te sluiten bij
de geldende rechtspraak en het juist
redigeren van de pensioenovereenkomst. Is de directeur-grootaandeelhouders fiscale oudedagsreserve echt
de beste oplossing of zijn er betere
alternatieven?
Mr. R.L.M. Helsloot, WFR 2014/464
Fiscale facetten van de
personeelsvereniging
– De personeelsvereniging biedt
werkgevers door de fondsenvrijstelling de mogelijkheid geheel onbelast
de helft van uitkeringen en verstrekkingen aan werknemers te financieren. Hiervoor is echter wel vereist dat
de bijdragen aan de vereniging en de
uitkeringen door de vereniging op de
juiste wijze worden vormgegeven.
759
Handels- & economisch recht
Bedrijfsjuridische berichten
Nr. 6, 25 maart 2014
Mr. W.A.T. Thijssen, Bb 2014/15
Onbelangrijk verzuim bij te laat
publiceren van de jaarrekening ziet
op taakvervulling door gehele
bestuur
– Aan de hand van het arrest van de
Hoge Raad van 1 november 2013
(Lensing q.q./Verify) wordt aandacht
besteed aan het (onbelangrijk) verzuim bij te laat publiceren van de
jaarrekening. Aan de orde komt
onder meer: het onbelangrijk verzuim en willekeurige termijnoverschrijdingen en de verantwoordelijkheid voor het publiceren van de
jaarrekening.
Mr. B.I. Kraaipoel, Bb 2014/16
Kwijting is nog geen kwijtschelding: de uitleg van een finale kwijting in een (kavelruil-)overeekomst
– Dit artikel gaat over de uitleg van
een overeenkomst, meer specifiek
een (veelvoorkomende) bepaling dat
partijen elkaar finale kwijting over
en weer verlenen. Door een misverstand wordt een overeengekomen
koopprijs voor een stuk grond niet
betaald. Als de ene partij dat ontdekt
en om betaling vraagt, meent de
andere partij dat de finale kwijting
ertoe leidt dat de koopprijs niet
(meer) verschuldigd is. De Hoge Raad
oordeelt dat de overeenkomst niet zo
kan worden uitgelegd. De koper, die
de gekochte grond had geleverd
gekregen, moet ook de koopprijs
daarvoor betalen.
Advocatenblad Kronieken
94e jrg. nr. 1, april 2014
B. Visée, R. Analbers
Kroniek Vennootschapsrecht
– Deze kroniek staat vooral stil bij de
belangrijkste vennootschapsrechtelijke jurisprudentie van het afgelopen
jaar. In het bijzonder komt de rechtspraak van de Hoge Raad over
bestuurdersaansprakelijkheid aan de
orde. Verder wordt het Spaanse
vakantievilla-arrest besproken. Andere onderwerpen die aan bod komen
zijn de bevoegdheid tot het instellen
van een enquêteprocedure, de responstijd bij beursvennootschappen
waarover de Hoge Raad en de Ondernemingskamer zich het afgelopen
jaar hebben uitgesproken en een kort
overzicht van de ontwikkelingen op
het gebied van de wetgeving.
948
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Maandblad voor
Vermogensrecht
24e jrg. nr. 3, maart 2014
Mr. C.A. Hage
Telecomtoezicht door de ACM
en de handhaving van het
contractenrecht
– De Autoriteit Consument en Markt (ACM)
houdt toezicht op de
geprivatiseerde en
gereguleerde telecommunicatiemarkt. Dit
heeft gevolgen voor
het contractenrecht.
In deze bijdrage wordt door schr. aan
de hand van een geschil tussen Alticom en Novec (2012) ingegaan op de
geschilbeslechtende bevoegdheid
van de ACM (art. 12.2 Telecommunicatiewet) en de gevolgen daarvan
voor het contractenrecht.
Mr. E.D. Glerum-van Aalst,
mr. drs. J. Smeets, mr. L.G. Gerding
Onlineverkoop in exclusieve
distributiesystemen. Een
verkenning van de juridische
beperkingen voor het geografisch
sturen van onlineverkoop
– Een beperking van onlineprijzen of
onlineaanbod kan de concurrentie
beperken. Schrs. bespreken of het
aan banden leggen van onlineverkopen mededingingsrechtelijke overtredingen oplevert. Ook bespreken zij
hoe juridisch moet worden gekeken
naar (informatie)technologische toepassingen om sturing te geven aan
onlinebezoekers.
Mr. drs. M. van Kogelenberg
Verdient de naïeve bedrogene altijd
bescherming? Annotatie bij Hof
Amsterdam 17 september 2013, NJF
2014/12 (Pizzeria)
– Anders dan in het geval van dwaling biedt de wettelijke regeling van
bedrog nauwelijks ruimte met het
gedrag van de bedrogene rekening te
houden bij de beoordeling van de
vraag of de rechtshandeling vernietigbaar is. Niettemin blijkt uit ten
minste sommige literatuur dat van
de bedrogene toch wel een bepaalde
mate van oplettendheid mag worden
verwacht, zij het in andere en (veel)
mindere mate dan bij de dwaling.
Deze uitspraak biedt aanleiding op
dit specifieke punt nader in te gaan.
Mr. J.H.C. van Hövell tot Westerflier
– Mediation: een nieuwe state of
mind in het recht? Gevolgen voor de
commerciële rechtspraktijk De
opmars van mediation zet door in de
commerciële rechtspraktijk. Als het
aan de regering ligt, krijgt binnenkort ook nationale mediation een
plek in de wet. In dit artikel wordt
besproken of het wetsvoorstel ter
bevordering van mediation in het
burgerlijk recht tegemoetkomt aan
verschillende knelpunten bij mediation.
Ondernemingsrecht
Nr. 4, maart 2014
Mr. J.D.M. Schoonbrood,
mr. P. Ravensbergen,
Ondernemingsrecht 2014/33
Stockdividend: getapt uit twee
vaatjes
– In deze bijdrage wordt het hybride
karakter van stockdividend bij beursfondsen uiteengezet voor wat betreft
de vennootschapsrechtelijke en effec-
Tijdschriften
tenrechtelijke aspecten. Er moeten
vennootschapsrechtelijk twee regelsystemen worden doorlopen, in elk
waarvan verschillende organen verschillende bevoegdheden kunnen
hebben. Voor de toekenning van
stockdividend is vaak een uitgifte
van (nieuwe) aandelen nodig. Voor de
besluitvorming wordt gekeken naar
de regels omtrent uitgifte van aandelen enerzijds maar ook naar die
omtrent (winst)uitkeringen anderzijds. Hierin schuilt juridisch gezien
het hybridische karakter van stockdividend. Naast een technische uitwerking besteden schrs. aandacht aan de
prospectusplicht, voorwetenschap en
publicatie van stockdividend.
Mr. M.H. Muller,
Ondernemingsrecht 2014/34
Publicatieverplichtingen bij een
eenzijdige voorbereiding van een
mogelijk openbaar verbod
– Wat zijn de publicatieverplichtingen van een partij die zonder overleg
met de doelvennootschap voorbereidingen treft voor een openbaar verbod? In deze voorbereidende fase
speelt een aantal bepalingen van het
Besluit openbare biedingen Wft een
belangrijke rol. De verhouding tussen deze verschillende bepalingen is
niet in alle gevallen even helder. Aan
één van deze bepalingen bestaat niet
langer behoefte.
Chr. de Brauw,
Ondernemingsrecht 2014/35
Tijd voor herziening Nederlands
toezichtsysteem op de biedplicht,
met AFM als benaderbare, actieve
hoofdrolspeler
– Dit artikel behandelt de white list
van de European Securities and Markets Authority (ESMA) over ‘acting in
concert’ in de context van de biedplicht en de onduidelijkheid van dat
begrip. De white list geeft slechts
bescheiden houvast en gaat vooral
uit van afstemming in de praktijk
met de nationale toezichthouder. Het
Nederlandse toezicht op de biedplicht is opgedragen aan de passieve
en niet voor afstemming benaderbare Ondernemingskamer. Het artikel
schetst een gewenste herziening van
het toezichtsysteem met de Autoriteit Financiële markten als hoofdtoezichthouder.
SEW Tijdschrift voor
Europees en economisch
recht
62e jrg. nr. 3, maart 2014
A. Ortega González
De moeilijke balans tussen het
clementieprogramma en schadevergoedingsvorderingen: where do we
come from, where do we go?
– In de praktijk is de kwestie van de
verhouding tussen de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht bijzonder controversieel
gebleken. EU-rechtscolleges en de
Commissie bogen zich over de vraag
in welke mate kartelslachtoffers toegang mogen krijgen tot clementiegerelateerde informatie. Uit de analyse
van de Europese rechtspraak en van
het recente voorstel van de Commissie voor een Richtlijn betreffende
schadevorderingen blijkt dat er spanningen zijn tussen de arresten van
het Hof en het Gerecht enerzijds, en
tussen de rechtspraak en het Commissievoorstel anderzijds. Deze bijdrage gaat dieper in op de evolutie
van de interactie tussen de clementieregeling en de schadevergoedingsacties.
Tijdschrift voor Financieel
Recht
16e jrg. nr. 3, maart 2014
Prof. dr. B.P.M. Joosen
Inwerkingtreding can CRR en CRD
IV: de voltooiing van de Bazel III
implementatie
– Op 1 januari 2014
werden de meeste
bepalingen uit de Verordening betreffende
prudentiële vereisten
voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRR)
van kracht. De dag ervoor diende de
Richtlijn betreffende toegang tot het
bedrijf van kredietinstellingen en het
prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
(CRD IV-Richtlijn) in de nationale wetgeving van
de lidstaten van de Europese Unie te
zijn omgezet. Deze implementatie
deadline heeft Nederland niet
gehaald. CRR en CRD IV vormen tezamen genomen de Europese omzetting van het Bazels kapitaal- en liquiditeitsakkoord van 2010 (Bazel III).
Deze grootscheepse aanpassing van
de Europese en Nederlandse regelgeving voor banken en beleggingsondernemingen is een alomvattende
respons op de tijdens de crisis in de
financiële markten geïdentificeerde
tekortkomingen in de toezichtregels
en het uitgeoefende toezicht. In dit
artikel wordt ingegaan op enkele
aspecten van de CRR en op de Nederlandse wetgeving zoals deze na de
implementatie van de CRD IV luidt.
Mr. R.A. Stegeman, mr. P. Heemskerk
Een introductie tot het nieuwe
standaard clearingcontract voor
otc-derivaten; het ISDA/FOA Client
Cleared OTC Derivatives Addendum
(Deel 1)
– De centrale clearing-plicht uit de
EMIR is volgens het laatste nieuws
van de European Securities and Markets Authority (ESMA) komen te liggen tussen juli 2014 op zijn vroegst
en juni 2015 op zijn laatst. Voor
SwapClear, één van de clearingdiensten van de Engelse CCP LCH.Clearnet
Ltd (LCH), is reeds sinds eind 2010
standaard clearingdocumentatie
beschikbaar. Maar naast LCH zijn er
meerdere andere CCP’s die straks, om
zo veel mogelijk aftrek te krijgen van
hun clearingdiensten, hun clearing
members eveneens de mogelijkheid
tot client clearing willen bieden.
Denk hierbij aan onder meer CME
Clearing Europe, Eurex Clearing en
ICE Clear Europe. De documentatie
voor SwapClear is echter toegespitst
op de bederijfsprocessen van LCH, en
daarmee niet geschikt voor de andere CCP’s. Tegen deze achtergrond is
door de ISDA en de FOA het Client
Cleared OTC Derivatives Addendum
gepubliceerd. Het Addendum wordt
namelijk geacht het standaarddocument te worden voor het documenteren van de relatie tussen klanten en
hun clearing members. Hiermee
wordt het een must have voor alle
derivatengebruikers in de financiële
sector die in de (nabije) toekomst
clearingplichtige derivaten willen
blijven gebruiken. In deze bijdrage
bespreken schrs. de achtergrond en
het doel, de architectuur en enkele
kernbepalingen van het Addendum.
In deel 2 bespreken zij de onderpandverstrekking onder het Addendum.
Mr. A.L. Wissing, mr. E.M. Dieben
Kapers op de kust van de financieel
toezichthouders
– In deze bijdrage bezien schrs. welke nieuwe kapers (stakeholders) op
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
949
Tijdschriften
de kust van de financieel toezichthouders en het financieel toezichtrecht zijn te ontdekken. Eerst wordt
kort uiteengezet op welke wijze Europa de macht van De Nederlandsche
Bank (DNB) en de Autoriteit Financiele Markten (AFM) beteugelt. Schrs.
geven een beknopte beschrijving van
de Europese toezichtstructuur en leggen daarbij de focus op de voornaamste taken en bevoegdheden van
de Europese financieel toezichthouders die ingrijpen op het functioneren van DNB en de AFM. Vervolgens
signaleren zij twee trends binnen het
Nederlandse toezichtstelsel die een
mogelijke ‘bedreiging’ zijn voor het
werkterrein van DNB en de AFM. Bij
de beschouwing van deze trends stellen zij de vraag centraal of de intrede
van deze nationale kapers op de kust
(mede) gevolgen heeft voor onder
toezicht staande instellingen.
Vennootschap &
Onderneming
24e jrg. nr. 3, maart 2014
Mr. R.P. Schrooten, mr. E. Shirzadi
Toezicht gewaarborgd bij
structuurvennootschappen met
een one-tier board?
– Schrs. staan stil bij
het toezicht binnen
vennootschappen,
de one-tier board en
de verschillen tussen niet-uitvoerende bestuurders en
commissarissen, om
vervolgens te kunnen concluderen
dat het toezicht binnen structuurvennootschappen met een one-tier
board minder goed is gewaarborgd.
Mr. A.Q. Vis
Spoedeisend belang vereist bij
opheffingskorting?
– In deze bijdrage beschrijft schr. dat
in de jurisprudentie geen consensus
bestaat ten aanzien van de vraag of
spoedeisendheid vereist is voor het
entameren van een opheffingskortgeding. Zij betoogt dat spoedeisendheid geen vereiste dient te zijn.
Mr. C.S. van Weert
Flexibele bestuursbesluitvorming
in de joint venture
– In deze bijdrage bespreekt de schr.
welke bepalingen ten aanzien van het
bestuur in de statuten van een vennootschap, joint venture, kunnen worden opgenomen om de deelnemende
partijen afwisselend controle over de
950
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
joint venture te laten uitoefenen.
Mr. H.P. Wiersema
Publiek aandeelhoudersbelang?
Een kijkje achter de schermen bij de
aandeelhoudende overheid
– In deze bijdrage worden de procedurele en beleidsmatige kaders voor
overheden als aandeelhouder in een
vennootschap (BV en NV) geschetst.
Schr. beperkt zich daarbij hoofdzakelijk tot de publiekrechtelijke kaders
voor gemeenten en provincies, nu
die decentrale overheden een meerderheid van de publieke deelnemingen aangaat. De wettelijke kaders
voor gemeenten en provincies zijn
grotendeels gelijkluidend. Schr.
behandelt achtereenvolgens onder
andere de privaatrechtelijke en
publiekrechtelijke hoedanigheid van
de aandeelhoudende overheid, de
publiekrechtelijke regeling voor deelnemingen en het goedkeuringsrecht
van Gedeputeerde Staten.
Mr. N. Sipkens
Is substitutie bij schade door voortijdige beëindiging van huurcontracten voor banken de regenboog
die wel naar de pot met goud leidt?
– In deze bijdrage bespreekt schr. of
hypotheekhouders op basis van art.
3:229 BW aanspraak kunnen maken
op vergoedingsvorderingen ter zake
van voortijdige beëindiging van de
huurovereenkomst.
760
Intellectuele eigendom,
mediarecht & informatierecht
Berichten industriële
eigendom
5e jrg. nr. 3, maart 2014
Mr. R. van der Zaal
De nieuwe
Anti-Piraterijverordening:
krachtiger geschut tegen namaak
en piraterij dan zijn voorganger?
– De douaneautoriteiten spelen een
belangrijke rol bij de handhaving van
intellectuele eigendomsrechten. De
Anti-Piraterij Verordening (APV)
voorziet daarbij in de voorwaarden
waaronder de douane kan optreden
als een vermoeden van inbreuk op
deze intellectuele eigendomsrechten
bestaat. Ook geeft de APV aan hoe
vervolgens door de douane dient te
worden gehandeld als inbreuk is
komen vast te staan. De Europese
Raad heeft in september 2008, als
onderdeel van een meeromvattend
Europees plan ter bestrijding van
namaak en piraterij, verzocht om een
evaluatie van de op dat moment geldende APV. Daarop werd door de
Europese Commissie een impact
assessment uitgevoerd, waaruit bleek
dat er behoefte was aan herziening
van deze verordening. Op 1 januari
2014 is de nieuwe APV van kracht
geworden. In dit artikel wordt
beknopt besproken hoe deze nieuwe
APV zich verhoudt tot zijn voorganger, met als centrale vraag in hoeverre rechthebbenden er met deze nieuwe APV in hun strijd tegen namaak
en piraterij op vooruit zijn gegaan.
Mediaforum
26e jrg. nr. 3, maart 2014
Mr. drs. S.B. Pack
Overdaad schaadt. Afwegingen bij
het recht om te worden vergeten
– De privacyrichtlijn 95/46 EG kent
binnen de Europese Unie verschillende interpretaties. Dit heeft geleid tot
rechtsonzekerheid en verschillen in
rechtsbescherming. Dit maakte een
herziening van de gegevensbescherming noodzakelijk. Met het voorstel
voor een dataprotectieverordening
wordt een alomvattend kader voor
gegevensbescherming tot stand
gebracht. In het voorstel van de Europese Commissie voor een Dataprotectieverordening is een recht om te
worden vergeten geformuleerd. Dit
recht, dat in art. 17 van het voorstel
is opgenomen, maakt het voor burgers mogelijk om bij ondernemingen
en overheidsinstanties af te dwingen
dat hun persoonsgegevens niet meer
worden verwerkt of worden gewist.
Het recht om te worden vergeten
neemt de verwerking van persoonsgegevens als uitgangspunt. Schr. is
van mening dat hiermee te weinig
recht wordt gedaan aan het belang
van de vrijheid van meningsuiting
en de toegang tot informatie. Dit
maakt dat naar de mening van schr.
de praktische uitvoerbaarheid en
juridische wenselijkheid van dit
recht te wensen overlaat.
Mr. N. Wolters Ruckert
Reclame op Twitter bekeken door
een juridische bril
– Gebruikers van Twitter worden
steeds vaker geconfronteerd met
reclame. Voor schr. is dit een reden
Tijdschriften
om een overzicht te geven van de
regels die in Nederland gelden voor
de verschillende reclame-uitingen op
Twitter. De hoofdregel is dat op
grond van art. 11.7 Telecommunicatiewet voor ongevraagde reclame de
verzender moet kunnen aantonen
dat de abonnee of gebruiker voorafgaand toestemming heeft verleend.
Schr. bespreekt de toepassing van dit
artikel op reclame via tweets en de
belangrijkste beginselen van de
Reclame Code Social Media (RSA) van
de branche van adverteerders Dialogue Direct Marketing Association
(DDMA) die op 1 januari 2014 in werking is getreden. Volgens schr. zijn
met betrekking tot de toepasselijkheid van art. 11.7 Telecommunicatiewet op reclame via Twitter enkele
rechtsvragen nog niet beantwoord.
Het is aan de Autoriteit Consument
& Markt (ACM) om hierop met de tijd
eenduidige antwoorden te geven.
Daarnaast is het de verwachting dat
op termijn door de ACM moet worden gehandhaafd ten aanzien van
reclame op sociale media.
761
Mediation, alternatieve
geschillenbeslechting &
herstelrecht
De Gemeentestem
164e jrg. nr. 7401, 28 maart 2014
Mr. A.G. Wennekes, Gst. 2014/27
Alternatieve geschillenbeslechting
in het bestuursrecht
– Deze bijdrage gaat in op de mogelijkheden die alternatieve geschillenbeslechting in het bestuursrecht
biedt. Het blijkt dat de informele
aanpak van bezwaarschriften en bijvoorbeeld een klacht ten aanzien van
een bestuursorgaan, succesvol is en
voor burgers en bedrijven als prettig
wordt ervaren. De informele aanpak
geeft bovendien meer vertrouwen in
de overheid en voor de overheid
betekent deze aanpak een aanzienlijke efficiencywinst ten opzichte van
de reguliere procedure. De informele
aanpak wordt extra gestimuleerd
door het wetsvoorstel ‘Wet bevordering van mediation in het bestuursrecht’ die op 11 september 2013 aan
de Tweede Kamer is aangeboden. Dit
wetsvoorstel bepaalt dat een
bestuursorgaan, wanneer deze voorziet dat een belanghebbende bezwaar
maakt tegen een besluit of wanneer
een bezwaarschrift al is ingediend,
zich moet inspannen om in contact
te treden met belanghebbenden.
Ingevolge dit wetsvoorstel stelt ook
de bestuursrechter partijen in de
gelegenheid deel te nemen aan
mediation.
762
Omgevingsrecht
Tijdschrift voor Agrarisch
Recht
74e jrg. nr. 3, maart 2014
Themanummer: Preadviezen
Vereniging voor Agrarisch Recht
– In dit nummer van Agrarisch Recht
zijn opgenomen drie preadviezen
voor de jaarvergadering van de Vereniging voor Agrarisch recht.
Prof. mr. D.W. Bruil
Inter easdem partes de eadem re ne
bis sit actio
– Het ne bis in idem beginsel is sterk
in onze rechtsorde verankerd. Aanleiding om dit beginsel eens aan een
nadere beschouwing te onderwerpen
is het verschijnsel waarbij in geval
van overtreding van een beheerseis
die voortvloeit uit de regelingen voor
de toeslagrechten – de cross-compliance – de betrokkene twee ‘reacties’
van de overheid te verwerken krijgt:
een sanctie op basis van de regeling
die is overtreden en een korting op
de toeslagrechten, de zogenaamde
randvoorwaardenkorting. In de praktijk wordt dit als een dubbele straf
gezien en dat kan dan een schending
van het ne bis in idem beginsel betekenen. In 2012 heeft het Europees
Hof van Justitie in de zaak Polen/
Bonda geoordeeld dat de randvoorwaardenkorting niet als een punitieve sanctie moet worden gezien, maar
als een middel om fraude met Europese gelden tegen te gaan. Dat was
een duidelijke conclusie. Toch wil
schr. nog eens nagaan of er niet
anders over kan worden gedacht.
Ofwel: kan het rechtsgevoel ook een
goede juridische basis krijgen?
Mr. W.M.A.K. Parmet
Tuchtrecht in de landbouw
– Tuchtrecht speelt al sinds 1933
een rol in de landbouw. Met de Wet
tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie
2004 heeft het tuchtrecht van de
publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
voor een periode van tien jaar een
belangrijke plek ingenomen bij de
handhaving van agrarische regelgeving. Nu de Wet opheffing bedrijfslichamen naar verwachting eind 2014
in werking treedt, vervalt daarmee
ook het tuchtrecht voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Dit
betekent niet het einde voor het
tuchtrecht in de landbouw. Bij het
traject van de opheffing van de
publiekrechtelijk bedrijfsorganisatie
en de wijze waarop over de mogelijkheid van tuchtrecht in de toekomstige organisatie wordt heengestapt,
bekruipt schr. soms het gevoel dat
ten aanzien van tuchtrecht ‘onbekend maakt onbemind’ een rol
speelt. Met deze bijdrage vraagt hij
aandacht voor het tuchtrecht als
waardevol handhavingsinstrument
in de agrarische sector.
Mr. dr. J.J.J. de Rooij
Bestuursrechtelijke boetes en het
EVRM
– De bestuurlijke boete wordt al
sinds jaar en dag beschouwd als criminal charge in de zin van art. 6
EVRM en moet voor de rechtszoekende in ieder geval waar het art. 6
EVRM betreft dezelfde waarborgen
bieden. In deze bijdrage gaat schr. na,
met name aan de hand van actuele
rechtspraak, in hoeverre de rechtspraak van de bestuursrechter enerzijds en strafrechter anderzijds verschillen vertonen, met name als het
gaat om de toepassing van een aantal waarborgen van art. 6 EVRM.
763
Rechten van de mens
Nederlands Tijdschrift voor
de Mensenrechten
39e jrg. nr. 1, januari-februari 2014
Mr. dr. A.J. Nieuwenhuis
Pressing social need; op zoek
naar het dringende karakter van
de maatschappelijke behoefte
– Het EHRM leidt uit het vereiste, dat
een inmenging noodzakelijk is in
een democratische samenleving, af
dat voor een inmenging een pressing
social need dient te bestaan. Tegelijkertijd dient een inmenging propor-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
951
Tijdschriften
tioneel te zijn. In
deze bijdrage wordt
de vraag gesteld in
hoeverre het vereiste van een pressing
social need een zelfstandige betekeneis
toekomt. Deze vraag
wordt beantwoord op grond van een
analyse van onder meer alle arresten
van de Grote Kamer waarin het vereiste met zoveel woorden wordt
genoemd.
Mr. dr. M.R.T. Pauwels
Belastingen en mensenrechtenverdragen: kroniek 2011-2013
– In deze kroniek wordt verslag
gedaan van de ontwikkelingen in de
fiscaalrechtelijke jurisprudentie, voor
zover deze wordt beïnvloed door
mensenrechtelijke normen. Aan bod
komt zowel de nationale jurisprudentie, hoofdzakelijk van de Hoge Raad,
als de internationale jurisprudentie,
vooral die van het EHRM. De periode
betreft 1 juli 2011 tot 1 januari 2013.
764
Rechtspleging & procesrecht
Tijdschrift voor Arbitrage
Nr. 1, maart 2014
Dr. H. Verbist, TvA 2014/2
Gedisserteerd: De
rechtsbescherming van partijen in
privaatrechtelijke handelsarbitrage
– Arbitrage kent een
groeiend succes als
geschillenbeslechtingsmethode. Voor
verschillende sectoren van de maatschappij bestaan
reeds arbitrageinstellingen die hun diensten aanbieden voor het beslechten van geschillen als een alternatief voor de
overheidsrechtbanken. Verlopen arbitrages wel zo snel zoals vaak gezegd
wordt en verlopen ze wel behoorlijk?
Ook in Nederland werden er recent
kritische vragen gesteld over rechtsbescherming in arbitrage. De vrees
bestaat dat in arbitrage niet de
rechtsbescherming geldt die procedures voor de gewone rechtbanken
kenmerken. Is deze vrees evenwel
terecht?
952
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
765
Sociaal Recht
Advocatenblad
94e jrg. nr. 4, april 2014
T. Sillevis Smitt
Zoeken naar het muizengaatje
– Arbeidsrechtadvocaten staat een
ingrijpende wijziging van het ontslagrecht te wachten. Wat gaat dat
voor hun praktijk betekenen? Wordt
het ontslagrecht, zoals de memorie
van toelichting belooft, sneller, goedkoper en eerlijker? In elk geval levert
het ‘ongelooflijk veel werk’ op.
Advocatenblad Kronieken
94e jrg. nr. 1, april 2014
B. Bodewes. A. Cramer,
J.A. van de Hoef, W. Thijssen
Kroniek Pensioenrecht
– Voor de pensioenwetgeving waren
in de periode 2012-2013 de highlights het aannemen van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen,
de verhoging van de AOW-leeftijd in
combinatie met de beperking van
het fiscale Witteveenkader voor pensioenverwerving, de internetconsultatie voor het voorontwerp van de
Wet invoering reële ambitieovereenkomst en Vraag & Antwoord 12-008
van de Belastingdienst inzake pensioen/stamrecht eigen beheer en
terugbetalen aandelenkapitaal of uitkeren dividend.
C. Oberman, K. Hillebrandt
Kroniek Arbeidsrecht
– Voor de arbeidsrechtjurist stond
het afgelopen jaar in het teken van
diverse ontwikkelingen op het gebied
van wetgeving. Veel aandacht was er
natuurlijk voor het wetsvoorstel Wet
werk en zekerheid, dat momenteel
bij de Eerste Kamer ligt. Daarnaast
hebben de Wet normering topinkomens, het afschaffen van de stamrechtvrijstelling voor ontslagvergoedingen en de wijzigingen van de
Ziektewet tot de nodige discussies
geleid. Het afgelopen jaar is ook een
aantal ontwikkelingen zichtbaar
geweest in de rechtspraak, bijvoorbeeld op het gebied van payrolling.
Voorts zijn belangwekkende arresten
gewezen op het gebied van onder
meer het garantieloon, de Ragetlieregel, werkgeversaansprakelijkheid en
overgang van onderneming.
Het Verzekerings-Archief
90e jrg., 4e kwartaal 2013
Prof. dr. P.L.C. Hilbers, dr. J.K. Gorter
Langlevenrisico: dragen of
overdragen
– De houdbaarbeid van pensioenstelsels staat internationaal ter discussie. Pensioendeelnemers worden
gemiddeld steeds ouder en de stijgende levensduur is voor een belangrijk deel onvoorzien. Het risico van
stijgende pensioenlasten door onverwachte stijgingen van de levensverwachting wordt langlevenrisico
genoemd. Hoewel dit risico primair
bij de pensioenfondsen resideert,
begint een markt te ontstaan voor de
overdracht van langlevenrisico. Dit
artikel analyseert de markt voor
langlevenrisico, de drijfveren om al
dan niet tot risico-overdracht over te
gaan en de risico’s die met overdracht
kunnen ontstaan. Beleidsaanbevelingen worden gedaan om een goed
functionerende markt voor langlevenrisico te bevorderen.
Drs. ir. M.J. van den Heuvel AAG
Belangrijk akkoord over Solvency II:
een terugblik op de Long-Term
Guarantees Assessment van EIOPA
– Midden november 2013 is een
akkoord bereikt over de Omnibus II
richtlijn en daarmee over de Solvency II. Een essentieel onderwerp bij de
recente onderhandelingen was de
waardering van langetermijnverzekeringsverplichtingen en dan met
name de voor de discontering te
gebruiken rentetermijnstructuur. Die
structuur heeft juist op de waardering van dit type verplichtingeneen
groot effect. In de Long-Term Guarantees Assessment (LTGA) heeft de
Europese Autoriteit voor verzekeringen- en bedrijfspensioenen (EIOPA)
onderzocht hoe de invloed van
kunstmatige marktvolatiliteit op de
financiële positie van verzekeraars
met langetermijnverplichtingen kan
worden tegengegaan. Dit artikel blikt
terug op deze LTGA-studie.
Mr. S.C. van Dijke
De overstromingsverzekering in
Nederland
– Het risico op watersnoodschade
ligt op de loer in het laaggelegen
Nederland. Afspraken tussen verzekeraars hebben het lange tijd onmogelijk gemaakt om daarvoor verzekeringsdekking te verkrijgen. Sinds
1993 zijn deze afspraken door de verbodsbepalingen van de mededin-
Tijdschriften
gingswetgeving beëindigd. Niettemin
wordt op de Nederlandse verzekeringsmarkt nog steeds geen dekking
aangeboden. Naar aanleiding van
verschillende overstromingsincidenten is tot drie keer toe getracht om
een publiek-private overstromingsverzekering in het leven te roepen.
Deze pogingen zijn op niets uitgelopen. In dit artikel wordt ingegaan op
het verzekeren van watersnood en
wordt getracht te verklaren waarom
het niet is gelukt om een publiek-private verzekering op de markt te brengen. Tevens wordt ingegaan op het
recente initiatief voor het watersnoodrisico een private dekking te
introduceren op de huidige brandverzekeringspolissen.
Mr. J. Bjelic
Het terrorismerisico en de
terrorismepool
– Na 9/11 heeft de Nederlandse overheid samen met verzekeraars een
terrorismepool opgezet om het terrorismerisico beperkt verzekerbaar te
houden. Waarom is gekozen voor de
oprichting van een terrorismepool
en waarom neemt de Staat deel in de
pool? Hoe dient de rol van de Staat
in de toekomst te zijn?
Mr. drs. W.F. Muler, drs. T. Sips,
mr. Th.B. Timmermans
Positieve Europese ontwikkelingen
op pensioengebied die bijdragen
aan de mobiliteit van werknemers
– Dit artikel beschrijft de stand van
zaken betreffende de EU-coördinatie
van regels voor aanvullende pensioenen en de informatie daarover, alsmede het ontwikkelen van een Europees pensioenzoeksysteem.
Drs. C.A.M. Warmerdam
Indicatoren liquidatie Nederlandse
ondernemingspensioenfondsen
– In dit artikel wordt onderzocht wat
de belangrijkste indicatoren zijn voor
de voorspelbaarheid van liquidatie
van ondernemingspensioenfondsen
in Nederland. Het onderzoek laat zien
dat fondsen die liquideren een minder risicovolle beleggingsmix hebben,
en dat kleinere fondsen en fondsen
die alleen Defined Benefit-regelingen
aanbieden, vaker liquideren.
766
Staats- & bestuursrecht
Advocatenblad
94e jrg. nr. 4, april 2014
R. Sanders
Reden voor een feestje?
– Op 29 maart bestond de Grondwet
tweehonderd jaar. Maar wat vierden
we eigenlijk? De Grondwet van 1814
was nu niet bepaald een Bill of Rights
vol burgerrechten.
Rechtskundig Weekblad
77e jrg. nr. 29, 22 maart 2014
D. van Eeckhoutte, M. Vidal
Internationaal en
grensoverschrijdend bestuursrecht
– (België) In de klassieke Belgische
handboeken bestuursrecht lijken
enkele hoofdstukken te ontbreken,
die schrs. in deze bijdrage als internationaal en grensoverschrijdend
bestuursrecht (IGBR) bestempelen.
Schrs. hebben het hierbij over onder
meer het bestuursrecht van de internationale betrekkingen, over interne
bestuursbeslissingen die het klassieke
paradigma van de territoriale werking
van het bestuursrecht doorbreken en
over een Europees en een zich globaliserend bestuursrecht dat doorwerking
vindt in de Belgische rechtsorde. In
deze bijdrage wensen schrs. de positie
van het IGBR in de Belgische rechtsorde in kaart te brengen en nodigen ze
uit tot verder onderzoek.
Tijdschrift voor Praktisch
Bestuursrecht
Nr. 2, april 2014
J.H.I. van Dijk
Woningsluiting wegens drugs op
grond van de Opiumwet en de
Woningwet
– Op grond van art. 13b van de Opiumwet en art. 17 van de Woningwet
kan de burgemeester onder meer in
geval van hennepkwekerijen de
maatregel last onder bestuursdwang
opleggen en een woning sluiten.
Over het toepassingsbereik van art.
13b Opiumwet bestond onduidelijkheid. Schr. bespreekt een aantal
recente uitspraken van de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van
State, waarin de bevoegdheid om
woningen te sluiten op grond van
art. 13b Opiumwet en art. 17
Woningwet en de onderlingen ver-
houding tussen beide artikelen
wordt uiteengezet. Volgens deze
jurisprudentie is de burgemeester op
grond van art. 13b Opiumwet
bevoegd een woning te sluiten als er
een handelshoeveelheid drugs wordt
aangetroffen. Dat woningsluiting
onder bepaalde omstandigheden ook
kan plaatsvinden op grond van art.
17 Woningwet doet hier niets aan af.
Y. Schönfeld
Is het uitvoering geven
aan een handhavingsbesluit
vergunningsplichtig?
– Door de inwerkingtreding van het
Besluit omgevingsrecht (Bor) op 1
oktober 2010 is onduidelijkheid ontstaan over de vraag of bij het voldoen aan een handhavingsbeschikking een vergunning moet worden
aangevraagd. Aanleiding hiervoor is
de in een passage uit de nota van
toelichting suggestie gewekte indruk
dat het uitvoering geven aan een
handhavingsbesluit niet altijd vergunningvrij is. Voorheen gold dat
echter niet. Schr. bespreekt aan de
hand van recente jurisprudentie hoe
met dit leerstuk moet worden omgegaan. Op grond van deze jurisprudentie kan volgens schr. worden
gesteld dat wanneer een bestuursorgaan bevoegd is tot het nemen van
handhavingsmaatregelen, het door
dit bestuursorgaan genomen handhavingsbesluit tevens toestemming
tot uitvoering omvat.
Tijdschrift voor Religie,
Recht en Beleid
5e jrg. nr. 1, april 2014
K. de Wildt, R. Plum
Godsdienstonderwijs in Nederland
en Duitsland. Een spagaat tussen
religie en staat
– In deze bijdrage vergelijken schrs. het
Nederlandse met het
Duitse godsdienstonderwijs. De plek die
godsdienst kan en
mag innemen in het
onderwijs, gezien de
scheiding van kerk en staat, is in beide landen sinds enige tijd weer een
brisant thema. Het hoofdthema van
dit artikel is of het wel zo verstandig
is om het Nederlandse model in te
ruilen voor een model dat, zoals het
Duitse, godsdienstonderwijs als een
vak wil invoeren binnen het openbaar onderwijs.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
953
Tijdschriften
A. Nieuwenhuis
De grondrechtelijke positie van de
jongensbesnijdenis
– Deze bijdrage onderzoekt de
grondrechtelijke positie van de jongensbesnijdenis. In dat kader wordt
eerst ingegaan op de achtergrond
van de jongensbesnijdenis en op de
medische aspecten. Daarna volgt een
analyse van de jongensbesnijdenis in
het licht van het recht op lichamelijke integriteit van het kind en van
het recht op vrijheid van godsdienst
van de ouders – en van het kind. Bijzondere aandacht is er voor de verschillen met de meisjesbesnijdenis.
Na een blik op het strafrecht worden
alle aspecten samengebracht en
wordt ook de vraag gesteld of er een
taak voor de wetgever ligt.
J. Jansen
Onverdoofd slachten.
Dierenwelzijnargumenten tegen
en godsdienstige argumenten voor
deze slachtmethode
– Welke argumenten op basis van
dierenwelzijn en godsdienst tegen en
voor de praktijk van het onverdoofd
slachten zijn naar aanleiding van het
parlementaire debat en ontleend aan
de literatuur naar voren gebracht?
Welke redenen voeren critici uit de
hoek van dierenwelzijn aan tegen
deze vorm van slacht en op welke
gronden beroepen gelovigen zich
voor behoud van het onverdoofd
slachten? Voordat aan de beantwoording van deze vragen wordt toegekomen, wordt eerst aandacht besteed
aan wat ritueel slachten concreet
betekent voor joden en moslims en
welke plek de onverdoofde slacht binnen deze rituele context inneemt.
Daarbij wordt ook stilgestaan bij de
vraag hoe vaak de onverdoofde slacht
in Nederland eigenlijk plaatsvindt.
Vervolgens wordt aandacht besteed
aan argumenten op het terrein van
dierenwelzijn contra het onverdoofd
slachten en het beroep op godsdienstvrijheid om de onverdoofde
slacht als essentieel onderdeel van de
rituele slacht te behouden. Tot slot
wordt een kort pleidooi gehouden
voor het in stand houden van een
dialoog tussen voorvechters van dierenwelzijn en gelovigen.
954
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
767
Straf (proces)recht,
penitentiair recht &
criminologie
Advocatenblad
94e jrg. nr. 4, april 2014
L. van Almelo
Worstelen met DNA-bewijs
– Rapportages over
DNA-bewijs kunnen
leesbaarder en
begrijpelijker, leert
onderzoek. Het
Nederlands Forensisch Instituut ziet
geen reden haar rapporten te herschrijven.
Sancties
Nr. 1, maart 2014
P. Jacobs, Sancties 2014/2
Detentiekwesties en het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens:
actuele ontwikkelingen
– Alhoewel het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens (EVRM)
geen artikelen kent die zich expliciet
richten tot de gedetineerde, heeft het
Hof in zijn uitspraken een systeem
van rechtsbescherming ontwikkeld
voor degene die rechtens van zijn
vrijheid is beroofd. Zo heeft art. 2
EVRM, dat het recht op leven waarborgt, een belangrijke rol gespeeld bij
het formuleren van positieve verplichtingen voor lidstaten om de
levens te beschermen van degene die
onder zijn gezag zijn opgesloten. Art.
3 EVRM bevat verder een negatieve
verplichting voor staten om zich te
onthouden van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling
of bestraffing. In de afgelopen drie
jaar hebben veel gedetineerden de
weg naar Straatsburg weten te vinden, waarbij velerlei kwesties aan
bod zijn gekomen, die niet alleen de
artt. 2 en 3, maar evenzeer belangrijke kwesties rondom de artt. 5, 6 en 8
EVRM betroffen. Vanwege de omvang
van deze bijdrage beperkt schr. zich
in navolgende beschouwing tot twee
kwesties die de afgelopen drie jaar de
buitengewone belangstelling van het
Hof hebben gehad: detentieomstandigheden pilot judgments en het
kiesrecht van gedetineerden.
J.W. Fokkens, Sancties 2014/3
Tenuitvoerlegging van straffen:
Openbaar Ministerie of Minister
van Veiligheid en Justitie?
– De rechter legt de straf op, het
Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging
ervan. Dat is op dit moment het wettelijk systeem in Nederland. Er staat
echter een verandering op stapel. Op
3 november 2013 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
een conceptwetsvoorstel voor een
Wet herziening tenuitvoerlegging
strafrechtelijke beslissingen naar verschillende instanties gestuurd voor
advies. Centraal in dit conceptwetsvoorstel staat het verleggen van de
verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen van
het Openbaar Ministerie naar de
Minister van Veiligheid en Justitie.
De voorgestelde herziening van de
tenuitvoerlegging heeft als doel de
verbetering van de tenuitvoerlegging
van opgelegde straffen en maatregelen. Gestreefd wordt naar een snelle
en zekere tenuitvoerlegging en een
betere informatieverschaffing aan de
verschillende partners die betrokken
zijn bij de uitvoeringsketen. Om te
voorkomen dat veroordeelden hun
straf te laat of niet volledig ondergaan, of zelfs ontlopen, komt de regie
over de tenuitvoerlegging in handen
van de Minister van Veiligheid en
Justitie in plaats van het Openbaar
Ministerie.
C. Kelk, Sancties 2014/4
Hongerstaking van gedetineerden,
een veelzijdig vraagstuk
– Enkele beschouwingen naar aanleiding van ‘Force-Feeding of Prisoners
and Detainees on Hunger Strike,
Right to Self-Determination versus
Right to Intervention’, het proefschrift dat Pauline Jacobs in september 2012 in Tilburg heeft verdedigd.
Het proefschrift behandelt de dwangvoeding aan gedetineerden en andere categorieën personen die rechtens
van hun vrijheid zijn benomen, zoals
bijvoorbeeld asielzoekers.
Wetgeving
Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen en gepubliceerde staatsbladen met links naar de integrale
Kamerstukken is opgenomen op de
NJB-site www.njb.nl
Staatsblad
Langdurig ingezetenen met
internationale bescherming
Vreemdelingenwet
768 - Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie
van Richtlijn 2011/51/EU van het
Europees Parlement en de Raad van
11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad
teneinde haar werkingssfeer uit te
breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU
2011, L 132)
– De richtlijn langdurig ingezetenen
geeft onderdanen van derde landen
die minimaal gedurende vijf jaren
ononderbroken legaal op het grondgebied van een lidstaat hebben verbleven, de mogelijkheid om op aanvraag en onder voorwaarden de
EU-status van langdurig ingezetene
toegekend te krijgen. Door middel
van de wijzigingsrichtlijn is de werkingssfeer van de richtlijn langdurig
ingezetenen uitgebreid tot personen
die internationale bescherming
genieten. Dit betreffen categorieën
onderdanen van derde landen die in
de Nederlandse situatie overeenkomen met de categorieën die zijn vermeld in artikel 29, eerste lid, onder a
en b, van de Vw 2000. Het betreft de
vreemdeling die: a. verdragsvluchteling is, dan wel b. die aannemelijk
heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij
bij uitzetting een reëel risico loopt
om te worden onderworpen aan: 1.
doodstraf of executie; 2. folteringen,
onmenselijke of vernederende
behandelingen of bestraffingen; of 3.
ernstige en individuele bedreiging
van het leven of de persoon van een
burger als gevolg van willekeurig
geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend
conflict. Voortaan kunnen dus ook
deze groepen vreemdelingen in aan-
merking komen voor de toekenning
van de EU-status van langdurig ingezetene. Zij moeten daartoe voldoen
aan dezelfde voorwaarden als de
vreemdelingen die voor andere doeleinden zijn toegelaten (migratie). De
wijzigingsrichtlijn voorziet verder
vooral in bepalingen die veiligstellen
dat uit het aan de betrokken onderdaan van een derde land af te geven
verblijfsdocument kenbaar blijft welke lidstaat verantwoordelijk is voor
de internationale bescherming. Ter
implementatie is ervoor gekozen de
EU-status voor langdurig ingezetenen op te nemen in een nieuwe afdeling in de Vw 2000. Dit heeft tevens
als voordeel dat de voorwaarden voor
verkrijging van de EU-status één op
één in nationaal recht worden omgezet en er duidelijker dan voorheen
onderscheid tussen de EU-verblijfsvergunning en de permanente nationale verblijfsvergunningen kan worden aangebracht.
Inwerkingtreding 29-03-2014.
Wet van 18-12-2013, Stb. 2014, 110
(Kamerstukken 33 581)
Landurig ingezetenen met
internationale bescherming
Vreemdelingenbesluit
769 - Besluit tot wijziging van het
Vreemdelingenbesluit 2000 ter
implementatie van de Richtlijn nr.
2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011
tot wijziging van de Richtlijn nr.
2003/109/EG van de Raad teneinde
haar werkingssfeer uit te breiden tot
personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132)
– Deze algemene maatregel van
bestuur strekt tot nadere omzetting
van Richtlijn nr. 2011/51/EU van
11 mei 2011 tot wijziging van de
Richtlijn nr. 2003/109/EG van de
Raad, teneinde haar werkingssfeer
uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten
(PbEU 2011, L 132). Bij de omzetting
van de richtlijn langdurig ingezetenen is er in 2006 voor gekozen zoveel
mogelijk aan te sluiten bij het
bestaande vergunningenstelsel van
de Vreemdelingenwet 2000 (hierna:
Vw2000). Bedoelde aansluiting werd
gemaakt door de permanente statussen (de Europese status voor langdurig ingezetenen en de nationale ver-
blijfsvergunning regulier voor
onbepaalde tijd) met elkaar te verenigen in de reeds bestaande verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Dit lag voor de hand,
aangezien de EU-verblijfsvergunning
voor langdurig ingezetenen op grond
van de richtlijn langdurig ingezetenen uitsluitend gebaseerd was op
langdurig rechtmatig verblijf op
reguliere toelatingsgronden.
Nu de reikwijdte van de richtlijn
langdurig ingezetenen door middel
van de de wijzigingsrichtlijn is uitgebreid in die zin dat ook verblijf,
gegrond op internationale bescherming, de basis voor de EU-status van
langdurig ingezetene kan vormen, is,
mede gelet op de complicaties die
deze uitbreiding in de Nederlandse
situatie met zich brengt wegens de
scheiding tussen asiel en regulier in
de Vw2000, ervoor gekozen om de
aanvankelijk gemaakte keuze los te
laten. Daarbij is ervoor gekozen om
de bepalingen betreffende de verlening van de EU-verblijfsvergunning
voor langdurig ingezetenen onder te
brengen in een nieuwe afdeling 5
van hoofdstuk 3 van de Vw2000. Bij
die gelegenheid zijn de bepalingen
omtrent de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zoveel
mogelijk teruggezet naar de situatie
direct voorafgaand aan de datum
van de oorspronkelijke omzetting
van de richtlijn langdurig ingezetenen (1 december 2006). In aansluiting op de vorenbedoelde wetswijzigingen zijn de bepalingen in het
Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna:
Vb2000) betreffende de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen thans ondergebracht in de nu
ingevoegde afdeling 6 van hoofdstuk
3. Tegelijkertijd zijn ook de bepalingen in het Vb2000 met betrekking
tot de verblijfsvergunning regulier
voor onbepaalde tijd, die golden
direct voorafgaand aan de omzetting
van de richtlijn langdurig ingezetenen van 1 december 2006
teruggezet. Daarin zijn echter nog
wel latere aanpassingen daarvan, die
verband hielden met andere, latere
regelgeving, zoals het Besluit modern
migratiebeleid, verwerkt, alsmede
enkele aanpassingen aangebracht
van redactionele aard dan wel op
wetsystematische gronden.
Inwerkingtreding 29-03-2014.
Besluit van 04-03-2014, Stb. 2014, 111
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
955
Wetgeving
Gecombineerde vergunning
verblijf en arbeid
Aansprakelijkheid
kernongevallen
770 - Wet tot wijziging van de Wet
arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de
implementatie van Richtlijn
2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december
2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen
van derde landen om te verblijven en
te werken op het grondgebied van
een lidstaat, alsmede inzake een
gemeenschappelijk pakket rechten
voor werknemers uit derde landen
die legaal in een lidstaat verblijven
(PbEU 2011, L 343).
– De richtlijn heeft als doel de procedure voor de vreemdeling efficiënter
te maken. Met deze wet wordt de
richtlijn geïmplementeerd. De richtlijn verplicht dat er voor een deel
van de derdelanders die met het doel
om arbeid te verrichten naar een lidstaat van de Europese Unie willen
komen één aanvraagprocedure wordt
ingevoerd die leidt tot één gecombineerde vergunning voor zowel verblijf als arbeid, de GVVA. De GVVA
wordt alleen ingevoerd voor dat deel
van de derdelanders waar de richtlijn
het voor verplicht. De andere derdelanders blijven onder het huidige systeem vallen. De GVVA is verplicht
voor arbeid in loondienst voor zover
niet uitgezonderd, stagiaires en practicanten (lerend werken), kennismigranten en houders van een Europese blauwe kaart. De GVVA is niet
verplicht voor: seizoenswerkers, studenten, au-pairs, asielzoekers, asielstatushouders, ter beschikking
gestelde werknemers, zeevarenden,
langdurig ingezetenen, EU-burgers
en hun gezinsleden, personen die op
een visum komen en zelfstandigen,
binnen een onderneming overplaatsbare personen. De GVVA wordt door
de IND verleend na een positief
advies van UWV over de toelating tot
de arbeidsmarkt.
Inwerkingtreding 1 april 2014. Zie
ook NJB 2014/707, afl. 13 voor het
uitvoeringsbesluit (Stb. 2014, 124)
771 - Wet tot wijziging van de Wet
aansprakelijkheid kernongevallen in
verband met de toepassing van artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag
van 29 juli 1960 inzake wettelijke
aansprakelijkheid op het gebied van
kernenergie
– Het Verdrag van Parijs regelt de
aansprakelijkheid van exploitanten
van kerninstallaties voor schade uit
kernongevallen en de verplichting
hiervoor een verzekering of andere
financiële zekerheid te hebben en in
stand te houden. De definitie van de
kerninstallatie in het Verdrag van
Parijs is ruim. Om te voorkomen dat
hierdoor installaties onder de reikwijdte van het Verdrag van Parijs
zouden vallen waarvan de risico’s dit
niet rechtvaardigen, is in artikel 1,
onderdeel b, van het Verdrag van
Parijs de mogelijkheid opgenomen
om kerninstallaties van de toepassing van het Verdrag uit te sluiten. In
1990 heeft de Bestuurscommissie
een dergelijk besluit genomen ten
aanzien van kerninstallaties die in
het proces van ontmanteling verkeren (NE/M(90)1). Hierbij is bepaald
dat de radioactieve waarden van de
installatie onder vastgestelde limieten moeten liggen en dat het uiteindelijk de verdragsstaat blijft die
besluit of er van deze mogelijkheid
gebruik wordt gemaakt. Onze nationale wetgeving dient hierin ook te
voorzien en deze wet strekt daartoe.
Inwerkingtreding op een bij kb te
bepalen tijdstip.
Wet van 11-12-2013, Stb. 2014, 128
(Kamerstukken 33 749)
956
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Wet van 01-03-2014, Stb. 2014, 129
(Kamerstukken 33 660)
Herziening kinderbeschermingsmaatregelen
772 - Wet tot wijziging van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de
Pleegkinderenwet in verband met
herziening van de maatregelen van
kinderbescherming.
– Deze wet verruimt de mogelijkheden om een minderjarige onder toezicht te stellen. De rechter kan deze
maatregel ook opleggen aan kinderen met minder ernstige problemen
waar ingrijpen toch gewenst is. Ook
de uitvoering van de ondertoezichtstelling wordt verbeterd. De kinderrechter kan op verzoek het ouderlijk
gezag op specifieke punten laten uitoefenen door het bureau jeugdzorg
als een jongere uit huis is geplaatst,
bijvoorbeeld bij aanmelding bij een
onderwijsinstelling. Ook wordt het
eenvoudiger die maatregel te kiezen
die het meest aansluit bij de omstandigheden waarin de minderjarige
zich bevindt. Nieuw is de maatregel
van opgroeiondersteuning (MvO).
Deze maatregel is een extra kinderbeschermingsmaatregel die wordt
opgenomen in artikel 1:253z BW. De
opvoedondersteuning is bedoeld om
in een vroeg stadium hulp te kunnen
bieden, zelfs voordat aan de kinderrechter wordt verzocht om een kind
onder toezicht te stellen. De grond
waarop de kinderrechter de
opvoedondersteuning kan opleggen
is nagenoeg gelijk aan de grond van
de ondertoezichtstelling. Daarnaast
komt er - in plaats van de huidige
twee kinderbeschermingsmaatregelen - één maatregel om het ouderlijk
gezag te beëindigen. Voor de nieuwe,
gezagsbeëindigende maatregel is
instemming van de ouders niet vereist. Wanneer het bij aanvang van het
kinderbeschermingstraject al duidelijk is dat de ouders hun opvoedingsverantwoordelijkheid niet binnen
een aanvaardbare termijn waarmaken (bijv. als de ouders al jarenlang
aan drugs verslaafd zijn), kan direct
de gezagsbeëindigende maatregel
worden getroffen. Een andere wijziging is de verbetering van de
rechtspositie van de pleegouders. Zij
krijgen een ‘blokkaderecht’. Een
pleegkind dat langer dan een jaar bij
zijn pleegouders woont, mag niet
door het bureau jeugdzorg uit het
pleeggezin worden weggehaald zonder toestemming van de pleegouders
of vervangende toestemming van de
kinderrechter. Verder moet het
bureau jeugdzorg zowel over de uitvoering van de ondertoezichtstelling
als over de uitoefening van de voogdij aan de raad voor de kinderbescherming verantwoording afleggen.
Tot slot is de gegevensuitwisseling
vereenvoudigd tussen instellingen in
de jeugdzorg bij een lopende ondertoezichtstelling. Bureau jeugdzorg
krijgt het recht om zonder toestemming van de ouders, van wie het
kind onder toezicht is gesteld, infor-
Wetgeving
matie op te vragen bij derden. Voor
een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling speelt informatieverstrekking aan het bureau jeugdzorg
uit de omgeving van de minderjarige
immers een cruciale rol. Deze samenvatting is grotendeels gebaseerd op
de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel dat op 18 juli 2009 werd
ingediend.
Inwerkingtreding op een bij kb te
bepalen tijdstip.
Wet van 12-03-2014, Stb. 2014, 130
(Kamerstukken 32 015)
Lesbisch ouderschap
Inwerkingtreding en AMvB
773 - Besluit houdende vaststelling
van het tijdstip van inwerkingtreding
van de wet van 25 november 2013
tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het
juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders
dan door adoptie (Stb. 2013, 480) en
tot wijziging van het Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand,
het Besluit gezagsregisters en het
Besluit burgerlijke stand 1994 in verband met het juridisch ouderschap
van de vrouwelijke partner van de
moeder anders dan door adoptie
– De wet Lesbisch ouderschap treedt
in werking op 1 april 2014.
Zie voor een beschrijving van de wet:
NJB 2013/2649, afl. 45.
Het Besluit wijzigt tevens het Besluit
gezagsregisters en het Besluit burgerlijke stand 1994 en het Besluit bijzondere akten van de burgerlijke
stand op enkele punten. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk in verband
met de totstandkoming en inwerkingtreding van de Wet Lesbisch
ouderschap. Dit besluit treedt tevens
op 1 april 2014 in werking.
Besluit van 20-03-2014, Stb. 2014, 132
Lesbisch ouderschap
(Rijkswet)
Inwerkingtreding
774 - Besluit houdende vaststelling
van het tijdstip van inwerkingtreding
van de rijkswet van 25 november
2013 tot wijziging van de Rijkswet op
het Nederlanderschap in verband
met de wijziging van Boek 1 van het
Nederlandse Burgerlijk Wetboek
betreffende het ontstaan van het
juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders
dan door adoptie (Stb. 2013, 481)
– Aan het juridisch ouderschap zijn
rechtsgevolgen verbonden, onder
meer wat betreft nationaliteit. In
deze wijziging van de Rijkswet op het
Nederlanderschap (RWN) wordt geregeld dat de duomoeder die het
ouderschap van rechtswege door
huwelijk, door erkenning of door
gerechtelijke vaststelling verkrijgt
het Nederlanderschap kan doorgeven
aan haar kind. Het betreft uitsluitend een wijziging van het Nederlandse afstammingsrecht, het heeft
geen gevolgen voor het afstammingsrecht van de andere landen
van het Koninkrijk.
De wijziging van de Rijkswet treedt
in werking op 1 april 2014.
Inwerkingtredingsbesluit van 20-03-2014, Stb. 2014, 133
huidige digitale voorzieningen. Van
de gelegenheid is gebruik gemaakt
om te regelen dat in het gezagsregister worden opgenomen de beslissingen op het terrein van het gezag op
grond van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming, de
gezagsbeslissingen gegeven in het
Caribisch deel van het Koninkrijk
voor minderjarigen die zich in
Nederland willen vestigen en de buitenslands gegeven gezagsbeslissingen die van rechtswege worden
erkend. Het Besluit Burgerlijke Stand
1994 is aangepast naar aanleiding
van wijzigingen in de hiervoor
genoemde wet en de Wet lesbisch
ouderschap die samen het ouderschap tot gevolg hebben van de persoon die ten tijde van de geboorte
van het kind met de moeder door
een geregistreerd partnerschap is
verbonden. Ook het besluit treedt op
1 april 2014 in werking.
Besluit van 20-03-2014, Stb. 2014, 134
Geregistreerd partnerschap
Inwerkingtreding en AMvB
775 - Besluit houdende wijziging van
het Besluit gezagsregisters mede
i.v.m. de uitbreiding van aantekeningen in het gezagsregister en het
Besluit burgerlijke stand i.v.m. het
juridisch ouderschap door geregistreerd partnerschap alsmede
vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van de Wet van 27
november 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek en het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering
mede in verband met de evaluatie
van de Wet openstelling huwelijk en
de Wet geregistreerd partnerschap
(Stb. 2013, 486).
– In die wet worden enkele verschillen tussen het geregistreerd partnerschap en het huwelijk opgeheven. Zie
voor een beschrijving van de wet:
NJB 2013/2653, afl. 45.
Deze wet treedt in werking met
ingang van 1 april 2014.
In die wet is tevens opgenomen dat
ouders in het gezag na hun overlijden kunnen voorzien door een aantekening in het gezagsregister. Het
besluit is op dit punt aangevuld. In
het Besluit gezagsregisters is rekening gehouden met het door de Raad
voor de rechtspraak ontwikkelde
Centraal Gezagsregister waarop alle
rechtbanken zijn aangesloten. Het
besluit is daarnaast aangepast aan de
Stroomlijning toelating +
Verlaging rechtsbijstandvergoeding verblijfsvergunning
Inwerkingtreding
776 - Besluit tot vaststelling van het
tijdstip van inwerkingtreding van
enkele onderdelen van het besluit
van 17 december 2013 tot wijziging
van het Vreemdelingenbesluit 2000
(stroomlijning toelatingsprocedures)
(Stb. 2013, 580) en van artikel I,
onderdeel B, van het Besluit aanpassing vergoeding tweede of volgende
aanvragen vreemdelingen (Stb. 2013,
585)
– Met ingang van 1 april 2014 treden
in werking: a.) artikel I, onderdelen B,
L, M, N, O, W, punten 1 en 2, en Z, van
het besluit van 17 december 2013 tot
wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures)(Stb. 2013, 580);
b.) artikel I, onderdeel B, van het
Besluit aanpassing vergoeding tweede of volgende aanvragen vreemdelingen (Stb. Stb. 2013, 585).
– Stb. 2013, 580 (Stroomlijning toelating) is beschreven in NJB 2014/62,
afl. 1. Stb. 2013, 585 (Verlaging rechtsbijstandvergoeding verblijfsvergunning) is beschreven in NJB 2014/65,
afl. 1.
Inwerkingtredingsesluit van 25-03-2014, Stb. 2014, 135
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
957
Wetgeving
Nederlands Zorginstituut
Inwerkingtreding
777 - Besluit tot wijziging van het
besluit van 11 februari 2014 (Stb.
2014, 93) houdende vaststelling van
het tijdstip van inwerkingtreding
van de Wet van 11 december 2013
tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in
verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit
van de zorg (Stb. 2013, 578).
– Als gevolg van een misslag zijn in
het inwerkingtredingsbesluit van 11
februari 2014 (Stb. 2014, 93) de Artikelen I tot en met VI van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet clientenrechten zorg en andere wetten
in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit
van de zorg niet uitgezonderd van
het tijdstip waarop het wetsvoorstel
in werking treedt. Vóór de zinsnede
‘in werking met ingang van 1 april
2014’ wordt ingevoegd: met uitzondering van de Artikelen I t/m VI.
Inwerkingtredingsbesluit van 24-03-2014, Stb. 2014, 136
Implementatie
consumentenrechten
778 - Wet tot wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere
wetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/83/EU van
het Europees Parlement en de Raad
van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en
van Richtlijn 1999/44/EG van het
Europees Parlement en de Raad en
tot intrekking van Richtlijn 85/577/
EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het
Europees Parlement en de Raad
(PbEU L 304/64) (Implementatiewet
richtlijn consumentenrechten)
– Op 25 oktober 2011 is de richtlijn
2011/83 betreffende consumentenrechten tot stand gekomen. De richtlijn voegt twee eerdere richtlijnen, te
weten richtlijn 97/7/EG betreffende
de bescherming van de consument
bij op afstand gesloten overeenkomsten en richtlijn 85/577/EEG betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten
gesloten overeenkomsten samen tot
één nieuwe richtlijn. De richtlijn
958
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
beoogt de bestaande Europese regels
over overeenkomsten gesloten tussen consumenten en handelaren te
actualiseren, te vereenvoudigen en te
verbeteren en door de realisatie van
een hoog niveau van consumentenbescherming bij te dragen aan een
goede werking van de interne markt.
Het toepassingsgebied van de richtlijn ziet op alle overeenkomsten die
tussen handelaren en consumenten
zijn gesloten a) op afstand b) buiten
verkoopruimten en c) overeenkomsten anders dan op afstand en buiten
verkoopruimten gesloten. Er zijn vijf
belangrijke wijzigingen ten opzichte
van de oude richtlijnen. Ten eerste
berust de nieuwe richtlijn vooral op
volledige harmonisatie, doelend op
uniforme regels binnen de lidstaten,
terwijl de oude en ingetrokken richtlijnen inzake colportage en koop op
afstand nog berustten op minimumharmonisatie. Voorts worden de
bestaande definities geactualiseerd
en aangevuld, waarbij rekening is
gehouden met de ontwikkelingen in
de digitale wereld. Ten derde is de
termijn waarbinnen, ingeval van een
overeenkomst op afstand of een
overeenkomst buiten de verkoopruimte, een beroep gedaan kan worden op het herroepingsrecht (de
bedenktermijn) verlengd naar 14
kalenderdagen en kent de richtlijn
duidelijke regels over de uitoefening
van het herroepingsrecht en de
gevolgen hiervan. Ten vierde voorziet
de richtlijn in een uniforme regeling
met betrekking tot de leveringstermijn, risico-overgang en remedies bij
ontijdige levering. Ten slotte kent de
richtlijn een duidelijker regime voor
digitale producten. Niet alleen is een
definitie van digitale inhoud opgenomen; de richtlijn bevat ook specifieke
informatieplichten bij de aankoop
van digitale producten, aangevuld
met een specifiek regime voor de
herroeping bij dergelijke aankopen.
Deze wet strekt tot implementatie
van de richtlijn. De belangrijkste wijzigingen betreffen het afschaffen van
de regeling inzake afstandskoop (art.
7:46a e.v. BW) en verkoop op afstand
financiële diensten (afd. 4.2.5 Wft);
het invoeren van nieuwe regels in
art. 6:230g-z BW, alsmede wijziging
van de artt. 7:5, 6, 7,9,11, 13 BW, een
nieuwe regeling in art. 7:19a BW en
aanpassing van de Wet handhaving
consumentenbescherming. Met de
wet wordt consumenteninformatie
voor verkoop in de winkel, op afstand
(via onder andere het internet en
telefoon) en buiten verkoopruimten
(bijvoorbeeld colportage) geregeld.
Hierdoor worden de consumentenbescherming, de werking van de interne markt en de bestaande Europese
regels over overeenkomsten tussen
consumenten en handelaren verbeterd, aldus de toelichting. Ook wordt
voor verkoop op afstand en buiten
verkoopruimten het herroepingsrecht (bedenktijd voor de consument) geregeld. Daarnaast komen er
nieuwe regels over de manier waarop
een zaak wordt geleverd en het
moment waarop het risico voor
beschadiging en verlies van de
betrokken zaak overgaat van de handelaar op de consument.
Inwerkingtreding 13 juni 2014.
Wet van 12-04-2014, Stb. 2014, 140
(Kamerstukken 33 520
Nieuwe
wetsvoorstellen
Kiesrecht niet-Nederlandse
ingezetenen BES-eilanden
779 - Wetsvoorstel (31-03-2014) tot
Wijziging van de Kieswet en de Wet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende aanpassing
van de regeling met betrekking tot
het kiesrecht van niet-Nederlanders
bij eilandsraadsverkiezingen
– In de wet van 3 juli 2013 tot wijziging van de Kieswet houdende maatregelen om het eenvoudiger te
maken voor Nederlanders in het buitenland om hun stem uit te brengen,
etc. (Stb. 2013, 289; de Kieswetwijziging) is onder meer voorzien in de
toekenning van het actief en passief
kiesrecht aan niet-Nederlandse ingezetenen van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor
de verkiezing van de leden van de
eilandsraad. Het onderdeel met
betrekking tot het actief kiesrecht
strekt tot codificatie van een uitspraak van het Gemeenschappelijk
Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba van 10 januari
2011. In deze uitspraak bepaalde het
Wetgeving
Hof dat artikel Ya 14 van de Kieswet,
waarin was vastgelegd dat het kiesrecht voor de eilandsraadverkiezingen alleen toekwam aan Nederlanders, buiten toepassing moet worden
gelaten wegens strijd met de artikelen 26 van het BuPo-verdrag en 1,
eerste lid, van het Twaalfde Protocol
bij het EVRM. In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 33 268 dat
leidde tot die Kieswetwijziging is
opgemerkt dat indien de Grondwet
zal zijn gewijzigd en aan de leden
van de eilandsraad het kiesrecht voor
de leden van de Eerste Kamer zal zijn
toegekend, de regering zal bezien of
alsdan de regeling met betrekking
tot het actief en passief kiesrecht van
niet-Nederlandse ingezetenen van de
openbare lichamen voor de verkiezing van de leden van de eilandsraad
moet worden aangepast. Het kabinet
is van oordeel dat niet-Nederlanders
geen invloed moeten krijgen op het
op nationaal niveau gevoerde beleid,
waaronder het buitenlands- en
defensiebeleid. Daarom deelt het
kabinet het standpunt dat nietNederlandse ingezetenen direct noch
indirect invloed zouden moeten hebben op de samenstelling van de beide Kamers der Staten-Generaal.
Aldus ontstaat wel een ongelijkheid
tussen niet-Nederlandse ingezetenen
in het Europese deel van Nederland
en niet-Nederlandse ingezetenen van
de openbare lichamen. De eerste
groep heeft immers wel kiesrecht
voor de gemeenteraden, terwijl de
tweede groep geen kiesrecht heeft
voor de eilandsraden. Deze ongelijkheid is naar het oordeel van het kabinet gerechtvaardigd, aangezien de
leden van de gemeenteraad geen
kiesrecht hebben of zullen krijgen
voor de Eerste Kamer. De Afdeling
advisering van de Raad van State
acht deze overwegingen in haar
advies van 13 december 2013 echter
onvoldoende om een inbreuk op het
BuPo-Verdrag en het Twaalfde Protocol bij het EVRM te rechtvaardigen.
Tegelijkertijd merkt de Afdeling advisering op dat indien de hiervoor
genoemde grondwetswijziging in
werking treedt, het maken van een
onderscheid tussen de eilandsraden
en de gemeenteraden bij de toekenning van het kiesrecht voor nietNederlandse ingezetenen mogelijk
kan worden gerechtvaardigd. Het
kabinet volgt dan ook niet het advies
van de Afdeling advisering om artikel II van het oorspronkelijke wetsvoorstel – dat betrekking heeft op
het passief kiesrecht – te schrappen
en artikel V van de Kieswetwijziging
zonder meer in werking te laten treden. Wel is het kabinet van oordeel
dat het advies noopt tot het ongedaan maken van het onderscheid dat
in het wetsvoorstel werd gemaakt
tussen het actief en het passief kiesrecht voor niet-Nederlandse ingezetenen voor de eilandsraden en ook ten
aanzien van het passief kiesrecht te
bepalen dat dit vervalt op het tijdstip
waarop een wijziging van de Grondwet die voorziet in het kiesrecht van
de leden van de eilandsraden van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor
de verkiezing van de leden van de
Eerste Kamer in werking treedt.
Kamerstukken II 2013/14, 33 900, nrs. 1 t/m 4
Uitzondering cookiebepaling
780 - Wetsvoorstel (31-03-2014) tot
wijziging van de Telecommunicatiewet (wijziging artikel 11.7a)
– In juni 2012 is art. 11.7a van de
Telecommunicatiewet (Tw) geïntroduceerd. Dit artikel schrijft voor dat
degene die via een elektronisch communicatienetwerk gegevens wenst
op te slaan in de randapparatuur van
een gebruiker of toegang wenst te
verkrijgen tot opgeslagen gegevens
in de randapparatuur, daarvoor vooraf toestemming van de gebruiker
moet hebben verkregen, na de
gebruiker duidelijk en volledig over
de doeleinden te hebben geïnformeerd. Art. 11.7a vormt de implementatie van art. 5, derde lid, van
richtlijn 2002/58/EG (de Bijzondere
privacyrichtlijn). De gedachte hierachter is dat de gegevens op een
randapparaat zoals een computer of
smartphone deel uitmaken van de
persoonlijke levenssfeer van de
gebruiker. Art. 11.7a zorgt er dan ook
in de eerste plaats voor dat het niet
is toegestaan om zonder medeweten
en geïnformeerde toestemming van
de gebruiker persoonlijke informatie
op de computer of smartphone van
een gebruiker te lezen of te kopiëren.
De meest voorkomende situatie
waarin informatie wordt opgeslagen
op en gelezen van een randapparaat
van een gebruiker, is het gebruik van
cookies. Cookies zijn kleine tekstbe-
standen die worden geplaatst en
gelezen als een gebruiker een internetpagina bezoekt. Cookies kunnen
een legitiem en nuttig hulpmiddel
zijn om ervoor te zorgen dat de
dienstverlening via internet naar
behoren functioneert. Cookies kunnen echter ook worden gebruikt op
een manier die de privacy van de
gebruiker en de vertrouwelijkheid
van diens communicatie raakt. Ten
tijde van de totstandkoming van het
Nederlandse implementatiewetsvoorstel was er in de lidstaten veel onduidelijkheid over de manier waarop
aan de cookiebepaling kon worden
voldaan op een gebruiksvriendelijke
manier. Nu in de praktijk enige tijd
ervaring is opgedaan met artikel
11.7a, zijn internetgebruikers bewuster geworden van het feit dat veel
websites cookies plaatsen op hun
computers. In dat opzicht heeft artikel 11.7a een positief effect. Maar er
is ook veel ergernis over de effecten
van de bepaling. Deze ergernis ziet
op het feit dat nu voor alle cookies,
behalve technisch noodzakelijke cookies, toestemming wordt gevraagd.
Door de huidige opzet van de cookiebepaling, waarbij toestemming vereist is voor alle soorten cookies
behalve technisch noodzakelijke cookies, is het voor de bezoeker moeilijk
om de privacygevoelige cookies te
onderscheiden van de cookies die
nauwelijks gevolgen hebben voor de
persoonlijke levenssfeer van de
bezoeker, zoals sommige analytic
cookies die door veel websitehouders
worden gebruikt om informatie te
verkrijgen over de kwaliteit en effectiviteit van hun website. Dat voor
deze cookies ook toestemming moet
worden verkregen is eigenlijk niet in
het belang van de privacybescherming van internetgebruikers. Integendeel, het kan juist verwarrend
werken en er voor zorgen dat de
internetgebruiker automatisch toestemming verleent voor alle typen
cookies zonder erbij stil te staan of
dit gevolgen heeft voor zijn privacy.
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd
om ook dit type cookies onder de uitzondering in het derde lid van artikel
11.7a Tw te brengen, mits het
gebruik van dit type cookies geen of
slechts geringe gevolgen heeft voor
de persoonlijke levenssfeer van de
internetgebruiker.
Kamerstukken II 2013/14, 33 902, nrs. 1 t/m 4
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
959
Wetgeving
781
Vervolgstukken
de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking
van gegevens).
Kamerstukken II 2013/14, 33 509, nr. 10
Aanpassingen Wgr
Correctief referendum
Verslag van een schriftelijk overleg
(02-04-2014) over het wetsvoorstel
van de leden Fokke, Voortman en
Schouw, houdende verklaring dat er
grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in
de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake het correctief referendum.
Tekst van het gewijzigd wetsvoorstel
(25-03-2014) tot wijziging van de
Wet gemeenschappelijke regelingen
en een aantal andere wetten in verband met de dualisering van het
gemeente en provinciebestuur en de
invoering van een bedrijfsvoeringsorganisatie met rechtspersoonlijkheid, alsmede regeling van diverse
andere onderwerpen.
Kamerstukken I 2013/14, 30 174, I
Kamerstukken I 2013/14, 33 597, A
Grondwetswijziging BES
Pensioenaanvullingsregelingen
Brief van de Minister van BZK (24-032014) over het wetsvoorstel houdende
verklaring dat er grond bestaat een
voorstel in overweging te nemen tot
verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
en het regelen van de betrokkenheid
van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van
de leden van de Eerste Kamer.
– Brief inzake een kiescollege voor de
BES-eilanden.
Kamerstukken II 2013/14, 33 131, nr. 15
Huwelijksdwang
Tekst van het gewijzigd wetsvoorstel
(25-03-2014) tot wijziging van Boek 1
en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de huwelijksleeftijd,
de huwelijksbeletselen, de nietigverklaring van een huwelijk en de
erkenning van in het buitenland
gesloten huwelijken (Wet tegengaan
huwelijksdwang).
Verslag van een schriftelijk overleg
(27-03-2014) en brief van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens
de Staatssecretaris van SZW (28-032014) over de wijziging van de Wet
inkomstenbelasting 2001, de Wet op
de loonbelasting 1964, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet in verband met de aanpassing van het fiscale kader voor oudedagsvoorzieningen (Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen).
– Schriftelijk overleg over wijzigingsvoorstellen Witteveen-kader (K) en
brief inzake Toezegging richtinggevende brief Wijziging van de Wet
verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en
Belastingplan 2014 (L).
Kamerstukken I 2013/14, 33 610, K en L
Kamerstukken I 2013/14, 33 488, A
Kwaliteit jeugdzorg
Actieve donorregistratie
Verslag (01-04-2014) over het voorstel van wet van het lid Pia Dijkstra
tot wijziging van de Wet op de
orgaandonatie in verband met het
opnemen van een actief donorregistratiesysteem.
Kamerstukken II 2013/14, 33 506, nr. 7
Brief van de Staatsecretaris van VWS
(28-03-2014) over de aanpassingen
van de Wet op de jeugdzorg en
enkele andere wetten ten behoeve
van de professionalisering van de
jeugdzorg.
– Brief ter aanbieding van het Kwaliteitskader jeugdzorg.
niet-betalen van de premie en de
bestuursrechtelijke premie en enkele
andere wijzigingen (verbetering wanbetalersmaatregelen).
– Brief over invoering van een
bestuursrechtelijke premie op basis
van de nominale premie.
Kamerstukken II 2013/14, 33 683, nr. 26
Digitale handhaving
Nota n.a.v. het verslag (12-02-2014)
bij de wijziging van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeervoorschriften, het Wetboek van
Strafvordering en de Gemeentewet
in verband met de digitalisering van
de handhaving van veelvoorkomende overtredingen (Wet digitale handhaving veelvoorkomende overtredingen).
Kamerstukken II 2013/14, 33 697, nr. 6 herdruk
Luchtvaartcriminaliteit
Uitvoering
Eindverslag van de vaste commissie
voor Veiligheid en Justitie (01-042014) over de uitvoering van het op
10 september 2010 te Beijing tot
stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart
(Trb. 2013, 134) en het op 10 september 2010 te Beijing tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het
Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van
luchtvaartuigen (Trb. 2013, 133).
Kamerstukken I 2013/14, 33 759, B
Luchtvaartcriminaliteit
Goedkeuring
Eindverslag van de vaste commissie
voor Veiligheid en Justitie (01-042014) over de goedkeuring van het
op 10 september 2010 te Beijing tot
stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart
(Trb. 2013, 134) en het op 10 september 2010 te Beijing tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van
luchtvaartuigen (Trb. 2013, 133).
Kamerstukken I 2013/14, 33 760, B
Kamerstukken II 2013/14, 33 619, nr. 15
Elektronische
patiëntgegevens
Wanbetalers zorgverzekering
Uitbreiding maatregelen
grootstedelijke problematiek
Tweede nota van wijziging (27-032014) bij de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet
marktordening gezondheidszorg en
Brief van de Minister van VWS (2503-2014) over wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met verbetering van de maatregelen bij
Nota n.a.v. het verslag (28-03-2014)
bij de wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek en de Huisvestingswet
960
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Wetgeving
n.a.v. de evaluatie van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wet uitbreiding Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke
problematiek).
Kamerstukken I 2013/14, 33 797, C
Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015
Verslag van een rondetafelgesprek
(31-3-2014) over de regels inzake de
gemeentelijke ondersteuning op het
gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang
(Wet maatschappelijke ondersteuning 2015).
Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 49
Novelle aanpassing
Witteveenkader
Brief van de Staatssecretaris van
Financiën (28-03-2014) over de wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages
pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014.
– Brief over onder meer het onderbrengen van de nettolijfrente in de
tweede pijler.
Kamerstukken II 2013/14, 33 847, nr. 25
Uitvoering Wijziging Statuut
van Rome
Brief van de Staatssecretaris van
VWS (24-03-2014) bij het wetsvoorstel met regels inzake de verzekering
van zorg aan mensen die zijn aangewezen op langdurige zorg (Wet langdurige zorg).
– Brief over onder meer de positie
van de langdurige ggz, en van ZZP3
en 4.
voorkomen dat zorgverzekeraars zelf
zorg verlenen of zorg laten aanbieden door zorgaanbieders waarin zij
zelf zeggenschap hebben. Die nota
van wijziging zal zo spoedig mogelijk
worden ingediend. De afspraken
komen er in de kern op neer dat
zorgverzekeraars in hun polissen een
mogelijkheid opnemen om voor een
afgebakende doelgroep en onder toepassing van in de afspraken geformuleerde criteria een Zvw-pgb aan te
bieden voor de aanspraak wijkverpleging. De afspraken dienen vooral
voor de invulling van deze mogelijkheid in naturapolissen, omdat het
voor die polissen een aanvulling
betreft. Restitutiepolissen bieden de
afgesproken mogelijkheden vanuit
hun aard al.
Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 5
Kamerstukken II 2013/14, 25 657, nr. 104
Verslag (31-03-2014) over de uitvoering van de op 10 en 11 juni 2010 te
Kampala aanvaarde wijzigingen van
het Statuut van Rome inzake het
Internationaal Strafhof (Trb. 2011,
73).
Kamerstukken II 2013/14, 33 866, nr. 5
Langdurige zorg
782
Nota’s,
rapporten &
verslagen
Erfrechtverordening
Verslag (24-03-2014) over de Uitvoeringswet van de Verordening (EU)
nr.650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012
betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de
tenuitvoerlegging van beslissingen
en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het
gebied van erfopvolging, alsmede
betreffende de instelling van een
Europese erfrechtverklaring (PbEU
2012, L 201) .
Kamerstukken II 2013/14, 33 851, nr. 5
Disciplinaire maatregelen
rechterlijke macht
Verslag (31-03-2014) over de wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere
wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten
aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en
tevens andere maatregelen te treffen.
Kamerstukken II 2013/14, 33 861, nr. 5
PGB’s
Brief van de Minister en Staatssecretaris van VWS (25-03-2014) over de
verankering van het persoonsgebonden budget in de Zorgverzekeringswet.
– Eind vorig jaar zijn verschillende
debatten gevoerd over het persoonsgebonden budget (pgb) en de hervorming van de langdurige zorg. In die
debatten kwam de vraag aan de orde
of, en zo ja in welke vorm, het instrument van het pgb een plek kan
krijgen in de Zorgverzekeringswet
(Zvw). De regering is in overleg
gegaan met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Per Saldo over de
manier waarop de bouwstenen van
het pgb in de Zvw verankerd worden.
het overleg heeft geleid tot afspraken
over de inzet van een pgb in de Zvw.
Afgesproken is een voorstel voor te
leggen om het Zvw-pgb een wettelijke basis te geven. Het voornemen is
een nota van wijziging in te dienen
op het wetsvoorstel Wijziging van de
Wet marktordening gezondheidszorg
en enkele andere wetten, teneinde te
Risico’s in de vleesketen
Brief van de Staatssecretaris van EZ
(26-03-2014) bij het aanbieden van
het rapport ‘Risico’s in de Vleesketen’
van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV).
– Het onderzoek is gedaan vanwege
de omvang en de maatschappelijke
en economische impact van een
aantal incidenten in de vleessector,
waaronder rundvlees vermengd met
paardenvlees terwijl dat niet op het
etiket stond en met aflatoxine
besmet maïs in veevoer. Het rapport
is als bijlage bij deze brief te vinden.
Kamerstukken II 2013/14, 26 991, nr. 413
Jaarverslag ACM
Brief van de minsiter van EZ (21-032014) met een reactie op het Jaarverslag van de Autoriteit Consument en
Markt 2013.
– Het jaarverslag is te vinden op
http://jaarverslag.acm.nl/ en is het
eerste jaarverslag van de ACM, want
opgericht 1 april 2013. Op die datum
zijn de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de Onafhankelijke
Post en Telecommunicatie Autoriteit
(OPTA) en de Consumentenautoriteit
(CA) opgegaan in de ACM. De resultaten van de ACM in 2013 laten zien
dat synergievoordelen die met de
oprichting van de ACM – en de
daaruit voortvloeiende bundeling
van expertise op het gebied van
mededinging, sectorspecifiek markttoezicht en consumentenbescherming – waren beoogd ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Het
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
961
Wetgeving
effectieve optreden van de ACM blijkt
ook uit de cijfers. De ACM publiceert
jaarlijks een schatting van de directe
effecten van haar optreden voor de
consumentenwelvaart. Hierin worden
dit jaar voor het eerst de economische effecten van het optreden op
alle toezichtsterreinen meegenomen
en per toezichtterrein apart vermeld.
De positieve economische effecten
worden geschat op € 1,85 miljard in
2013, waarvan € 860 miljoen voortvloeit uit activiteiten in 2013 en
€ 990 miljoen uit eerdere activiteiten
in 2011 en 2012 waarvan het effect
langer doorloopt dan een jaar. Tegelijkertijd heeft het optreden van de
ACM in 2013 ook de komende twee
jaren nog economische effecten. Die
worden meegenomen in de schattingen over 2014 en 2015. Het CPB concludeert dat de berekening zorgvuldig is uitgevoerd. De doorlooptijden
blijven voor de minister een belangrijk punt van aandacht. Uit het jaarverslag is niet af te leiden of de ACM
de wettelijke of interne normen
gehaald heeft. In de komende periode wordt met twee wetsvoorstellen
beoogd een bijdrage te leveren aan
de verdere verbetering van de slagkracht van het markttoezicht van de
ACM: het wetsvoorstel Stroomlijningswet ACM en een wetsvoorstel
verhoging boetemaxima ACM. De
afschrikkende werking van het
markttoezicht van de ACM wordt vergroot door het verhogen van de wettelijke maxima van de bestuurlijke
boetes die de ACM kan opleggen.
Kamerstukken II 2013/14, 27 879, nr. 47
Inkomensafhankelijk huren
Brief van de Minister voor WenR (2103-2014) waarbij hij een aantal rapporten over scheefwonen en inkomensafhankelijk verhuren toestuurt.
– De volgende rapporten zijn als bijlage bij deze brief te vinden: Hierbij
doe ik u het volgende toekomen:
1) Analyse ‘dure scheefwoners’;
2) Informatie over experimenten met
inkomensafhankelijk verhuren;
3) Het rapport ‘Sturen op inkomen’;
4) Het rapport ‘De laagste inkomens
in de huursector’.
Kamerstukken II 2013/14, 27 926, nr. 216
EU-herziening
auteursrechtelijk kader
Brief van de Staatssecretaris van VenJ
(26-03-2014) met het antwoord van
962
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
het kabinet op de consultatie van de
Commissie inzake de EU-herziening
van het auteursrechtelijk kader.
– Bijna twintig jaar na de totstandkoming van de/het WCT en WPPT en
ruim tien jaar na het van toepassing
worden van de auteursrechtrichtlijn is
het Europese kader voor verdere vernieuwing en verbetering vatbaar. Het
huidige kader kan leiden tot rechtsonzekerheid en de mogelijkheden om
gebruik te maken van beschermd
materiaal sluiten niet meer aan bij de
huidige digitale en welhaast grenzeloze omgeving, waarin technologische
ontwikkelingen elkaar in hoog tempo
opvolgen. Nederland meent daarom
dat het huidige kader aan (gedegen
onderzoek naar) herziening toe is, en
acht daarbij in elk geval deze zeven
punten van belang:
1. Rechthebbenden verdienen het
dat hun creatieve prestaties worden
beschermd, maar de balans moet
behouden blijven: voor de bevordering van innovatie is ook aandacht
nodig voor de gerechtvaardigde
belangen van gebruikers van
beschermde prestaties en de aanbieders van nieuwe producten en diensten.
2. In het belang van de rechtszekerheid en voor een blijvende bruikbaarheid van het regelgevend kader
is het noodzakelijk na te denken over
een Europese auteursrechttitel, aangezien gebruik van auteursrechtelijk
materiaal allang niet meer aan landsgrenzen is gebonden.
3. Het huidige systeem van uitzonderingen en beperkingen op het
auteursrecht voldoet niet meer. Het
is teveel nationaal gefragmenteerd,
te weinig ingesteld op nieuwe ontwikkelingen en leidt tot rechtsonzekerheid. Voortdurend aanpassen is
moeilijk en tijdrovend. Een flexibeler
en toekomstbestendiger systeem van
excepties dat meer rechtszekerheid
biedt en algemene gelding heeft in
de EU is gewenst en kan worden
bereikt door:
A. De invoering van één algemene
exceptie of van meerdere bijzondere
excepties aan de hand waarvan het
gebruik van beschermde prestaties
zonder voorafgaande toestemming
van rechthebbenden kan worden
beoordeeld op basis van open normen, met inachtneming van de driestappen-toets;
B. Ruimere mogelijkheden te schep-
pen voor de interpretatie van
bestaande excepties door meer open
formulering daarvan, met inachtneming van de drie-stappen-toets en
C. Het creëren van een Europese
ondergrens van een aantal verplichte
excepties, waarbij de toepassing van
door fundamentele rechten ingegeven excepties niet contractueel kan
worden beperkt of verhinderd. Dat
bevordert de rechtszekerheid en de
bescherming van de gebruikers en is
gunstig voor de interne markt.
4. De thuiskopie-exceptie moet door
de EU wetgever zo spoedig mogelijk
worden herzien. Harmonisatie verdient daarbij de voorkeur boven de
huidige interpretatie door de rechter.
5. Toestemming voor mededeling
aan het publiek impliceert toestemming voor reproductie.
6. Een goed vormgegeven systeem
van vrijwillige registratie kan bijdragen aan betrouwbare, openbaar toegankelijke informatie over rechtenbeheer, vergemakkelijkt licentiëren en
zorgt ervoor dat eenvoudig is na te
gaan wanneer werken in het publieke domein vallen.
7. Verbreding en aanscherping van
de handhavingsrichtlijn is niet
nodig: in combinatie met de via het
nationale recht beschikbare middelen
biedt zij rechthebbenden voldoende
mogelijkheden zich te beschermen.
Verdere verlenging van de beschermingsduur van auteurs- en naburige
rechten is niet aangewezen.
Kamerstukken II 2013/14, 29 838, nr. 71
Wederverkopen tv diensten
Brief van de Minister van EZ (26-032014) waarin hij aangeeft een wetsvoorstel voor te bereiden waarin
gewraakte bepalingen uit de Telecommunicatiewet respectievelijk de
Mediawet worden gehaald.
– Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie
van de herziene telecommunicatierichtlijnen in 2011 zijn bij amendement bepalingen in de Telecommunicatiewet en de Mediawet 2008
opgenomen. Deze amendementen
hebben tot doel de kabelmaatschappijen te verplichten hun televisiedienst (inclusief de aansluiting) te
laten wederverkopen door concurrenten. Vanaf het begin af aan is het
de vraag geweest of de bepalingen
(art. 6a.21a van de Telecommunica-
Wetgeving
tiewet, resp. art. 6.14a van de Mediawet 2008) in lijn waren met het
Europese recht, in het bijzonder met
richtlijn 2002/21/EG (de Kaderrichtlijn) en de daarmee verbandhoudende richtlijnen. Na het van kracht
worden van beide bepalingen is door
de Europese Commissie een infractieprocedure tegen Nederland
gestart. De Commissie is van oordeel
dat beide bepalingen strijdig zijn
met het Europese recht en dat de
wederverkoopverplichting waar beide artikelen op zien slechts door de
nationale regelgevende instantie, in
Nederland de ACM, kunnen worden
opgelegd als die instantie het op
grond van een analyse van de relevante markt passend vindt om een
zodanige verplichting op te leggen.
Op dit moment is deze infractieprocedure in een stadium beland waarop de Europese Commissie moet
beslissen of zij de zaak aan het Europese Hof van Justitie voorlegt. Indien
de Nederlandse Staat bij zijn opvatting blijft dat de beide bepalingen
niet strijdig zijn met het Europese
recht zal de Europese Commissie dit
vrijwel zeker doen. De kabelmaatschappijen hebben een civiele procedure aangespannen waarin zij Rechtbank Den Haag hebben gevraagd de
beide bepalingen onverbindend te
verklaren wegens strijd met het
Europese recht (verklaring voor
recht). De Nederlandse Staat heeft in
deze procedure verweer gevoerd. Het
belangrijkste verweer van de Staat
was daarbij dat er geen strijdigheid
met de telecommunicatierichtlijnen
is omdat het bij de wederverkoop
niet gaat om elektronische communicatiediensten waar de richtlijnen
op zien, maar om televisiediensten
die buiten het bestek van die richtlijnen vallen.
Op 29 januari j.l. heeft Rechtbank Den
Haag de vordering van de kabelmaatschappijen toegewezen en beide bepalingen onverbindend verklaard
wegens strijd met het Europese recht.
De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op een uitspraak van het Europese Hof in een geschil tussen de
gemeente Hilversum en kabelmaatschappij UPC waarin de toepasselijkheid van het Europese kader op de
televisiediensten van de kabelmaatschappijen ter discussie stond. Het
Europese Hof komt daarbij tot de conclusie dat televisiediensten zoals die
door de kabel worden geboden onder
het Europese telecommunicatiekader
vallen. Kort gezegd is het gevolg van
die conclusie van het Europese Hof
dat de wederverkoopverplichting,
waar beide bepalingen op zien, alleen
kan worden opgelegd door ACM na
een marktanalyse waarbij ACM tot de
conclusie komt dat een dergelijke verplichting passend is gezien de
marktomstandigheden. Opleggen bij
wet (zoals is gedaan met art. 6.14a
van de Mediawet 2008) of voorschrijven aan ACM dat zij een dergelijke
verplichting op moet leggen (zoals is
gedaan in art. 6a.21a van de Telecommunicatiewet) is gelet op deze uitspraak van het Hof dus niet mogelijk.
Gezien de uitspraak van het Europese
Hof van Justitie in de zaak UPC
Hilversum is het dan ook zeer onwaarschijnlijk dat het Hof Den Haag in een
eventueel hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag
tot een ander oordeel zal komen en
de Staat alsnog in het gelijk zal stellen. De minister heeft daarop besloten besloten van hoger beroep af te
zien en een wetsvoorstel voor te
bereiden waarin bedoelde bepalingen uit de Telecommunicatiewet
respectievelijk de Mediawet worden
gehaald. Hierdoor zal ook de
Commissie afzien van het vervolg
van de infractieprocedure en wordt
een langdurige rechtszaak zonder
reële kans op succes voor Nederland
vermeden.
Kamerstukken II 2013/14, 32 459, nr. 50
Passend onderwijs
Brief van de Staatssecretaris van
OCW (27-03-2014) waarin hij de
voortgang van de voorbereidingen
op ‘passend onderwijs’ schetst.
- Op 1 augustus 2014 wordt de Wet
passend onderwijs van kracht. Daarmee wordt meer maatwerk voor leerlingen mogelijk. Passend onderwijs
maakt samenwerking tussen het
regulier en speciaal onderwijs
gemakkelijker en scholen en samenwerkingsverbanden krijgen meer
mogelijkheden om hun eigen keuzes
te maken. De voortgang in de samenwerkingsverbanden is in kaart
gebracht. Samengevat kan gesteld
worden dat de samenwerkingsverbanden op koers liggen om op 1
augustus 2014 te starten. De conceptplannen van de samenwerkingsverbanden zijn afgerond en daaruit
blijkt dat er komend schooljaar geen
grote veranderingen optreden. Dat
geeft scholen de kans om passend
onderwijs in de komende jaren
samen met leraren, ouders en leerlingen zorgvuldig en geleidelijk vorm
en inhoud te geven. Ouders en leraren voelen zich nu echter nog onvoldoende geïnformeerd. Nu de plannen
zijn afgerond zijn schoolleiders in
staat om leraren en ouders duidelijkheid te geven over hoe passend
onderwijs er in het nieuwe schooljaar
uit zal zien. De staatssecretaris wil
dat ouders en leraren voor 1 mei a.s.
geïnformeerd zijn.
Kamerstukken I 2013/14, 33 106, nr. T
Europees Openbaar
Ministerie
žėôäíĭÐąàäĤėĊĔäěäĊĄĄôěěôä
(13-03-2014) met een reactie op het
advies van de Tweede Kamer over het
voorstel tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie.
– Deze brief betreft de argumenten
van de Tweede Kamer die volgens de
Commissie geen verband houden
met het subsidiariteitsbeginsel en
derhalve buiten het toepassingsgebied van het subsidiariteitscontrolemechanisme vallen.
1) De Tweede Kamer heeft aangegeven van mening te zijn dat het
strafrecht primair een nationale
bevoegdheid is en dat opsporing en
vervolging derhalve primair een taak
zijn van de nationale autoriteiten.
Hoewel het strafrecht in de eerste
plaats een bevoegdheid van de
lidstaten blijft, is de Commissie van
oordeel dat zowel de lidstaten als de
Unie de plicht hebben misdrijven die
de financiële belangen van de Unie
schaden, te bestrijden. Het voorgestelde gedecentraliseerde en geïntegreerde model is gebaseerd op de
eerbiediging van de nationale
rechts-tradities en rechtsstelsels van
de lidstaten.
2) De Tweede Kamer is verder van
mening dat de aan het Europees
Openbaar Ministerie toegekende
bevoegdheden te ver reiken en aan
de nationale autoriteiten moeten
worden voorbehouden. De meerwaarde van het Europees Openbaar Ministerie ligt erin een consistente en
efficiënte bescherming van de EUbegrofing in de hele Unie te waarborgen. Hiertoe moet het Europees
Openbaar Ministerie alle bevoegdhe-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
963
Wetgeving
den kunnen uitoefenen die nodig
zijn voor de daadwerkelijke uitvoering van zijn taken. Het moet kunnen beslissen een zaak voor de rechter te brengen, om consequente
vervolging te garanderen. Voorts
ĄĊäġäąàäðäàäÿäðääėàäĤėĊĔäěä
aanklagers gebruik kunnen maken
van alle onderzoeksmaatregelen die
nodig zijn om de strafbare feiten die
onder hun bevoegdheid vallen, te
onderzoeken.
ƣƁäTĮääàä1ÐĄäėôěÛäijĊėðààÐġ
àäôąěġäÿÿôąðĭÐąóäġĤėĊĔääě
>ĔäąÛÐÐė8ôąôěġäėôäääąÛäĔäėýôąð
zou betekenen van het voorrecht van
de nationale autoriteiten om onderzoek en vervolging in hun eigen
strafrechtstelsels te prioriteren.
De Commissie wenst te benadrukken
dat een van de voornaamste doelstellingen van het voorstel erin bestaat
het aantal onderzoeken naar en vervolgingen van misdrijven die de
financiële belangen van de Unie
schaden, te verhogen.
Kamerstukken II 2013/14, 33 709, nr. 5
žėôäíĭÐąàä8ôąôěġäėĭÐą`äą/ƀƢƦź
ƠƣźƢƠơƤƁôąĭäėĭĊÿðĊĔóäġĭäėěÿÐð
ĭÐąàä/fźKÐÐàĭÐąƣäąƤĄÐÐėġ
ƢƠơƤƀKamerstukƣƢƣơƧŧąėŪƢƢƢŧijôä
ook NJBƢƠơƤŶƧơƢŧÐïŪơƣƁĄäġääą
voorstel van het Griekse Voorzitterschap over de oprichting van het
ĤėĊĔääě>ĔäąÛÐÐė8ôąôěġäėôä
- Het voorstel bevat voorstellen over
de taken, onafhankelijkheid, strucġĤĤėäąÛäĭĊäðàóäàäąĭÐąóäġĤėĊĔääě>ĔäąÛÐÐė8ôąôěġäėôäŪ&äġôěääą
eerste uitwerking door het Voorzitterschap van de collegiale structuur
ĮÐÐėĭĊĊėġôüàäąěàäÿÐÐġěġä/fźKÐÐà
door de meerderheid van lidstaten
ěġäĤąôěĤôġðäěĔėĊýäąŪ>ĄàÐġàä
ġäýěġąôäġġôüàäąěàäÿÐÐġěġä/fźKÐÐà
is aangekondigd, heeft de minister
geen zicht op de mate waarin het
voorstel draagvlak onder de lidstaten
zal hebben. De door het Voorzitterschap opgestelde tekst gaat weliswaar uit van een collegestructuur,
maar de uitwerking ervan bevat ook
ÜäąġėÐÿôěġôěÜóääÿäĄäąġäąŪTôüàäąěàä
ÿÐÐġěġä/fźKÐÐàěġäĤąàäąÐÜóġġôäą
ÿôàěġÐġäąàäĊĔėôÜóġôąðĭÐąóäġ>8
op basis van een collegiale structuur.
De concrete invulling van de collegiale structuur is toen niet uitvoerig
besproken. Duidelijk was wel dat er
binnen de Raad verschil van mening
bestaat over de vraag of een college
964
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
de centrale structuur van het Commissievoorstel moet vervangen of
daaraan juist moet worden toegevoegd. De opvattingen over een
college lopen tussen de voorstanders
daarvan dus sterk uiteen.
Kamerstukken II 2013/14, 33 709, nr. 6
Voorwaardelijke invrijheidstelling Volkert van der G.
Brief van de Staatssecretaris van
`äą/ƀƢƦźƠƣźƢƠơƤƁĊĭäėàäĭĊĊėĮÐÐėdelijke invrijheidstelling van Volkert
van der G.
– De voorwaardelijke invrijheidstelling heeft tot doel de samenleving te
beschermen door het verminderen
van de kans op recidive. De voorwaaràäÿôüýäôąĭėôüóäôàěġäÿÿôąðƀĭŪôŪƁýÐą
alleen worden uitgesteld of afgesteld
als sprake is van één van de gronden
die limitatief opgenomen zijn in art.
ơƥàÿôàơOėŪäėäÜóġäėÛäěÿôěġĊĭäė
het uit- of afstel, op vordering van
óäġ>ĔäąÛÐÐė8ôąôěġäėôäƀ>8ƁŪ`ĊÿýäėġĭÐąàäė#ŪôěĊĔƢÐĤðĤěġĤěƢƠƠƣ
onherroepelijk veroordeeld tot een
gevangenisstraf van achttien jaar. Hij
komt, conform de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling, met ingang
ĭÐąƢĄäôƢƠơƤôąÐÐąĄäėýôąðĭĊĊė
voorwaardelijke invrijheidstelling.
&äġ>8àôäąàäàÐÐėĊĄġäġĊäġěäąĊí
één van de gronden voor uitstel of
afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in het geval van Van der
G. van toepassing was. Bij de voorbeėäôàôąðĭÐąóäġÛäěÿĤôġĭÐąóäġ>8
over de voorwaardelijke invrijheiděġäÿÿôąðóääíġóäġ>8ĭäėěÜóôÿÿäąàä
adviezen ingewonnen. Deze adviezen
hebben geresulteerd in de conclusie
dat bij Van der G. thans sprake is van
een laag recidiverisico. Door aan de
voorwaardelijke invrijheidstelling
zowel algemene als bijzondere voorwaarden te verbinden, wordt dit, weliswaar lage, risico op recidive zoveel
ÐÿěĄĊðäÿôüýÛäĔäėýġŪ&äġ>8ijôäġ
geen reden om een vordering tot uitstel of afstel van de voorwaardelijke
invrijheidstelling van Van der G. in te
àôäąäąÛôüàäėäÜóġäėŪ&äġ>8ôěĭĊĊėnemens aan Van der G. voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen
onder de verplichte algemene en de
hieronder genoemde bijzondere
ĭĊĊėĮÐÐėàäąĔäėƢĄäôƢƠơƤŪä
algemene voorwaarde is dat Van der
G. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een
strafbaar feit. De proeftijd betreft in
deze zaak zes jaar. De bijzondere
voorwaarden dienen ter bescherming
van de samenleving door voorkoming van recidive door Van der G.,
een risico dat op zichzelf al laag is,
en ook om het risico op problemen
die opdoemen na de terugkeer in de
samenleving zo veel mogelijk te
beperken. Deze bijzondere voorwaarden houden in:
žäąĮäýäÿôüýěäĄäÿàĔÿôÜóġÛôüàä
reclassering.
žäąÿĊÜÐġôäĭäėÛĊàŪ`Ðąàäė#ŪĮĊėàġ
verboden om zich gedurende de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling binnen de gemeente Rotterdam, Hilversum, Den Haag en de
woonplaats van nabestaanden en
slachtoffer te bevinden, zolang de
reclassering dit in overleg met de
`ĭôąĊĊàijÐýäÿôüýÐÜóġŪÿäýġėĊąôěÜó
toezicht hierop zal plaatsvinden middels GPS.
žäąÜĊąġÐÜġĭäėÛĊàŪ>ĄġäĭĊĊėýĊmen dat de nabestaanden onverwacht en ongewenst door Van der G.
worden benaderd mag deze geen
contact met hen opnemen.
žäąĄäàôÐĭäėÛĊàŪ`Ðąàäė#ŪĮĊėàġ
verplicht geen contact te hebben met
de media, zolang de reclassering dit
in overleg met de CVvi noodzakelijk
acht.
žäąðäàėÐðěĭĊĊėĮÐÐėàäôąóĊĤàäąde verplichte begeleiding door een
psycholoog of psychiater.
äÜĊąÜÿĤěôäĭÐąóäġ>8ôěðäàäðäą
voorbereid en de staatssecretaris verwacht van alle betrokken instanties
een optimale samenwerking. Reclassering Nederland heeft laten weten
de uitvoering van het toezicht nauwgezet ter hand te zullen nemen.
Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VI, nr. 115
Rolodex-onderzoek
ėôäíĭÐąàä8ôąôěġäėĭÐą`äą/ƀƢƧź
ƠƣźƢƠơƤƁĮÐÐėôąóôüääąġĊäÿôÜóġôąð
geeft op de Rolodex-zaak en het daarin al dan niet voorkomen van de
naam van een oud-secretaris-geneėÐÐÿĭÐąóäġ8ôąôěġäėôäĭÐą`äą/Ū
– Het Rolodex-onderzoek is in augusġĤěơƩƩƨðäěġÐėġąÐÐėÐÐąÿäôàôąðĭÐą
een verklaring die door een verdachte van zedenmisdrijven in een ander
strafrechtelijk onderzoek was afgelegd. Deze verklaring had geen
betrekking op de oud-secretarisðäąäėÐÐÿŪ>ĊýôąàäěġÐėġôąíĊėĄÐġôä
die destijds betrokken is in het Rolodex-onderzoek, kwam de naam van
Wetgeving
de oud-secretaris-generaal niet voor.
De minister benadrukt dat er over
twee hoofdofficieren van justitie die
in het Rolodex-onderzoek wel zijn
genoemd, geen informatie naar
voren is gekomen op grond waarvan
een strafrechtelijk (vervolg)onderzoek gerechtvaardigd zou zijn. Beiden zijn dan ook niet als verdachte
aangemerkt. Zoals gebruikelijk bij
vertrouwensfuncties is met regelmaat door de AIVD ten aanzien van
betrokkene onderzoek gedaan naar
de vraag of er bezwaren bestaan
tegen de vervulling van zijn functie.
Dit is een dynamisch proces. Zo’n
onderzoek door de AIVD is bij uitstek
geschikt om eventuele aantijgingen
te onderzoeken. Ten aanzien van de
oud-secretaris-generaal wordt opgemerkt dat alle informatie waarover
de AIVD beschikte, ook als opvolger
van de Binnenlandse veiligheidsdienst, altijd is betrokken en gewogen in de onderzoeken. De AIVD
heeft nimmer aanleiding gevonden
om een verklaring van geen bezwaar
te weigeren of deze te heroverwegen.
Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VI, nr. 116
Burgemeesters
Brief van de Minister van BZK (27-032014) ter aanbieding van het rapport
‘Majesteitelijk en magistratelijk, de
Nederlandse burgemeester en de
staat van het ambt’.
– Het onderzoek gaat in op de staat
van het burgemeestersambt anno
2013 en is te vinden als bijlage bij dit
kamerstuk.
Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VII, nr. 52
Integriteit van bestuur
Brief van de Minister van BZK (25-032014) met een overzicht van de weten regelgeving op het gebied van
integriteit van het bestuur in
Nederland.
– In Nederland is het integriteitsbeleid van het openbaar bestuur in
belangrijke mate gericht op het
bevorderen van een klimaat waarin
ethisch wordt gehandeld en men respectvol met elkaar omgaat. De
centrale wet- en regelgeving met verbods- en gebodsbepalingen is
beperkt en bestaat voornamelijk uit
verplichtingen voor overheden en
bestuurders om een samenhangend
integriteitsbeleid te voeren dat dient
te voldoen aan de algemene normen
die gesteld zijn. Dit behelst naast het
stellen van gedragsregels diverse activiteiten, zoals het bevorderen van
bewustwording van integriteitsrisico’s, het vaststellen van kwetsbare
plekken binnen de overheidorganisatie en het kunnen omgaan met
integriteitsaantastingen. De verplichting voor de overheid om een
samenhangend integriteitsbeleid te
voeren is een aantal jaren geleden
ingevoerd. Daarbij is het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid
voor integer handelen tot op zekere
hoogte bij de bestuurder of de ambtenaar zelf wordt gelaten.
De minister gaat vervolgens afzonàäėÿôüýôąĊĔũžàäÛÐěôěąĊėĄäąŨ
žàä8ĊàäÿðäàėÐðěÜĊàäijĊÐÿěĊĔðäąĊmen in de ‘Handreiking integriteit
van politiek ambtsdragers bij
gemeente, provincies en waterschapĔäąŭŨžôąġäðėôġäôġěĮäġðäĭôąðŶźėäðäÿôąð乥äġÛäġėäýýôąðġĊġóäġÛäěġĤĤėŨ
žôąġäðėôġäôġěĮäġðäĭôąðŶźėäðäÿôąðäą
ĄäġÛäġėäýýôąðġĊġÐĄÛġäąÐėäąŨź
integriteitsregelingen met betrekking tot de overheden in Caribisch
Nederland.
Staten-Generaal 2013/14, 33 845, nr. 2/B
Jaarverslag Nationale
Ombudsman
Brief van de Nationale Ombudsman
(26-03-2014) waarbij hij zijn jaarverslag over 2013 aanbiedt.
- De overheidsdienstverlening
bevindt zich in een transitiefase.
Door digitalisering, bezuinigingen en
decentralisatie is veel in beweging.
De Nationale ombudsman wil goede
dienstverlening door de overheid
bevorderen. In dit jaarverslag geeft
hij een visie op de kwaliteit van de
overheidsdienstverlening die hierbij
kan helpen. Belangrijk is dat de overheidsdienstverlening goed aansluit
op de behoeften van burgers. De
overheid moet investeren in zaken
die burgers prettig vinden in het
contact met de overheid. Zoals in het
vorige jaarverslag is vermeld, is de
organisatie van de Nationale
ombudsman in de loop van 2012
overgegaan op een andere werkwijze:
‘direct aanpakken’. Burgers die bellen
naar de ombudsman komen nu
direct terecht bij deskundige onderzoekers. Gebleken is dat de burger
deze snelle wijze van werken waardeert. Deze werkwijze heeft ook
gevolgen voor de registratie van
zaken nu er een ontwikkeling plaatsvindt van minder schriftelijke naar
steeds meer mondelinge klachtafdoening. Het totaal aantal (mondelinge
en schriftelijke) klachten bedroeg in
2013 ruim 38.000 tegen ongeveer
40.000 in 2012. Bij vrijwel alle
beleidsterreinen zien we een afname
van het aantal klachten. Alleen bij
het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de instanties die daaronder
vallen, is sprake van een forse toename van het aantal klachten. De top
vijftien van overheidsinstanties geeft
nog steeds eenzelfde beeld. De volgorde van de eerste vier is ongewijzigd
(Belastingdienst, gemeenten, politie
en UWV), maar het aantal klachten
over deze instanties is afgenomen
(variërend van 5% tot 12% per organisatie). Het aantal klachten over het
CJIB (nr. 5) blijft met de jaren toenemen en steeg het afgelopen jaar met
12%. De klachten over gerechtsdeurwaarders maken een enorme sprong
omhoog (toename van 115%).
Ook voor de nieuwe taken van de
Nationale ombudsman weet de burger de ombudsman steeds beter te
vinden. Over Caribisch Nederland
ontving de ombudsman in 2013 95
klachten. In de nieuwe hoedanigheid
van Veteranen-ombudsman werden
er 69 klachten ontvangen.
Inmiddels heeft de Tweede Kamer
het initiatief-wetsvoorstel aangenomen waarin de Nationale ombudsman nog een nieuwe taak wordt toebedeeld: het Huis voor
Klokkenluiders. In afwachting van de
besluitvorming in de Eerste Kamer
wordt intern vast begonnen met de
voorbereiding op die nieuwe taak.
Kamerstukken II 2013/14, 33 876, nr. 1 en 2
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
965
Nieuws
783
Jaarverslag Raad van State 2013
Verwevenheid en afhankelijkheid bepalen
handelingsvermogen van de overheid
Besluitvorming door onderhandelen bepaalde in hoge mate het
beeld in 2013. Het kabinet sloot
akkoorden met sociale partners en
maatschappelijke groeperingen en
met oppositiepartijen over de invulling van de binnenlandse hervormingen. Ook in Europees verband
werd het beeld bepaald door overleg en onderhandeling over begrotingsdiscipline en bankentoezicht.
Onderhandelingen en akkoorden
vormen vanouds een kenmerkend
aspect van regeren in Nederland.
Beslissen onder druk van internationale politieke, economische of
monetaire ontwikkelingen is ook
niet nieuw. Maar de toename,
omvattendheid en indringendheid
van deze ontwikkelingen en het
heterogene karakter van de afspraken en de akkoorden zijn symptomen van het veranderend handelingsvermogen van de nationale
overheid. Internationale verwevenheid maakt dat internationale en
Europese afspraken en regels steeds
meer nodig zijn. Maar daarmee
worden ook grenzen gesteld aan
nationale besluitvorming. Politieke
verscheidenheid en uiteenlopende
belangen leiden tegelijkertijd tot
verzwakking van de besluitvaardigheid bij bestuursorganen.
D
it is te lezen in de inleidende
beschouwing in het jaarverslag van de Raad van State
over 2013. Hierin laat de Raad van
State zijn licht schijnen over de veranderende politiek-bestuurlijke
omgeving waarin hij zijn taken en
functie uitoefent.
Wat oogt als vermindering van de
betekenis van nationale staten en de
beperking van handelingsvermogen
van centrale bestuursorganen, is echter ook een uitbreiding van overheidsmacht. Die overheidsmacht
wordt steeds meer in onderlinge
966
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
samenwerking tussen overheden uitgeoefend. Niet alleen internationaal
en Europees, maar ook in het binnenland, op verschillende bestuursniveaus. Overheden zijn almaar meer
acteurs in een systeem geworden in
plaats van quasi-autonome entiteiten. Het is uitdrukking van een werkelijkheid waarin verwevenheid en
afhankelijkheid toenemen. De veranderingen in de wijze waarop overheidsmacht wordt uitgeoefend, verklaren veel van de onvrede over het
functioneren van overheden. Besluitvorming door meerzijdige onderhandeling zal bijvoorbeeld minder slagvaardig en daadkrachtig zijn en
openbaarheid bij deze besluitvorming is moeilijk. Men wil zich niet
op voorhand in de kaarten laten kijken. Eenvoudige oplossingen hiervoor zijn er niet. Gesuggereerde
oplossingen berusten vaak op herstel
van één verantwoordelijke persoon
of instantie of herstel van nationale
autonomie. Ontwikkelingen terugdraaien is niet realistisch, omdat
oude problemen dan juist herleven.
In de praktijk van de nationale
democratische besluitvorming moeten antwoorden worden gevonden
voor de beperkingen van deze wijze
van besluitvorming en de onvrede
daarover.
In januari 2013 heeft de Afdeling
advisering van de Raad van State
voorlichting aan de Eerste Kamer uitgebracht over de implicaties van de
Europese regels van begrotingsdiscipline. Daarin heeft ze een aantal
richtingen gegeven waarin oplossingen zouden kunnen liggen. Zo zouden het publieke debat en de democratische verantwoording naar een
eerder moment in het proces van
besluitvorming verschoven kunnen
worden. Debat en verantwoording
moeten zich daarbij richten op de
inbreng in de besluitvorming en niet
op de uitkomst daarvan. Bovendien
is bij dit soort besluitvorming voorbereiding essentieel.
Legitimatie
In het bijzonder is aandacht nodig
voor de legitimering van de wijze
van bestuurlijke uitoefening van
overheidsmacht. Naarmate de uitoefening van overheidsmacht minder
aanspreekbaar en controleerbaar is,
zal de legitimering daarvan sterker
afhankelijk zijn van het rechterlijk
toezicht. Daarmee wordt de legitimering van het rechterlijk optreden
belangrijker. Het lijkt op voorhand
een Europees en internationaal
vraagstuk. Maar met de decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor
zorg en sociale zekerheid naar
gemeenten en met de nadruk op
beleid op maat, is er een ontwikkeling in de binnenlandse rechtsorde
waar rechter en bestuur in conflict
zouden kunnen komen over de verhouding tussen verscheidenheid en
eenheid. Ook nationaal is dus aandacht nodig voor de verhouding tussen de rechtsvormende rol van rechter, bestuur en wetgever en de
legitimering van de rechtsvormende
rol van rechters bij het stellen van
grenzen aan de verscheidenheid.
De Raad als institutie
In essentie zijn advisering en
bestuursrechtspraak vanouds nauw
verweven, wat samenhangt met de
eigen aard van het bestuursrecht. De
combinatie van wetgevingsadvisering en bestuursrechtspraak biedt
vruchtbare mogelijkheden om de
rechtsvorming te versterken.
In essentie gaat het bij beide taken
om één functie: door middel van
advisering en bestuursrechtspraak
waarborgen dat overheidsmacht
rechtmatig en doelmatig wordt uitgeoefend om te bevorderen dat
macht rechtmatig is en recht machtig. De verwevenheid van beide taken
Nieuws
maakt dat er in het functioneren van
beide Afdelingen gelijke vragen spelen. Adviezen en uitspraken die in
2013 zijn vastgesteld en gedaan,
laten dit zien. Wetsvoorstellen en
bestuursbesluiten werden aan gelijke
uitgangspunten en beginselen
getoetst. In het jaarverslag zijn voorbeelden opgenomen van concrete
adviezen en uitspraken in dit verband. De verankering van de taken
van de Raad in afzonderlijke Afdelingen binnen één institutie biedt waarborgen voor de gescheiden uitoefening van wetgevingsadvisering en
bestuursrechtspraak, zonder de voordelen van de synergie van de kennis
en ervaring op verschillende terreinen van het recht te verliezen.
De Raad als adviseur
De advisering is erop gericht de
waarborgende, ordenende en rechtsvormende functie van wetgeving tot
haar recht te laten komen.
Advisering in cijfers
In 2013 legden regering en parlement in totaal 474 zaken ter advisering voor aan de Afdeling advisering.
Dat is minder dan in voorgaande
jaren. In 2013 heeft de Afdeling advisering 442 wetgevingsadviezen uitgebracht. Dat is ook minder dan in
2012, toen 566 adviezen werden vastgesteld. De gemiddelde adviesduur is
in 2013 aanzienlijk bekort tot 28
dagen, tegen 39 dagen in het jaar
daarvoor. Bijna 90% van alle adviesaanvragen werd binnen twee maanden afgedaan; meer dan 63% binnen
één maand.
32 van de in totaal 442 adviezen die
de Afdeling advisering in 2013 heeft
vastgesteld, mondden uit in een
‘zwaar dictum’. Dit komt neer op 7,5%
van het geheel. Voor het dictum
wordt gebruik gemaakt van zes standaardformuleringen die de ‘zwaarte’
van het advies aangeven. Is er ingrijpende kritiek op het voorstel, dan zal
dit tot een ‘zwaar dictum’ leiden.
Advisering naar inhoud
De herverdeling van overheidstaken
door decentralisatie en de verhoudingen tussen bestuursorganen kwamen in de adviserende taak van de
Raad van State in 2013 regelmatig
aan de orde. In de derde periodieke
beschouwing over de interbestuurlijke verhoudingen die in 2013 open-
baar werd, ging de Afdeling advisering in op het voornemen van de
regering om op een breed terrein
van overheidstaken de verantwoordelijkheid daarvoor naar gemeenten te
decentraliseren. Zij formuleerde een
aantal cruciale voorwaarden:
ž'ąġäðėÐÿäĊĭäėàėÐÜóġĭÐąĭäėÐąġwoordelijkheden en bevoegdheden
op brede terreinen die met elkaar
samenhangen. Het is essentieel om
hernieuwde verkokering van de
beleidsterreinen te vermijden en
budgetten te ontschotten.
ž8ÐÐġĮäėýĭäėäôěġàÐġÐÿÿääąàä
opdracht om taken uit te voeren
wordt gedecentraliseerd (de ‘watvraag’), niet de wijze waarop die taken
worden uitgevoerd (de ‘hoe-vraag’).
žäÜäąġėÐÿäĭäėěÜóôÿÿ乥ĊäġäąĮĊėden aanvaard.
De decentralisatieoperatie kan ertoe
leiden dat bepaalde overheidstaken
niet meer of niet meer geheel kunnen worden uitgevoerd. De samenleving moet duidelijkheid worden verschaft over wat de overheid wel en
wat zij niet meer kan uitvoeren.
In 2013 kreeg de Afdeling advisering
wetsvoorstellen in het ‘sociale
domein’ ter advies voorgelegd die
moeten zorgen dat de integrale uitvoering van wetten dichter bij de
burger plaatsvindt: de Jeugdwet, de
Wet maatschappelijke ondersteuning
2015 en de Participatiewet. Doel van
deze decentralisatie is dat gemeenten een regiefunctie en financiële
verantwoordelijkheid krijgen op een
aantal belangrijke beleidsterreinen.
De Afdeling advisering wees in haar
adviezen op verschillende aspecten
die een risico vormen voor het slagen van die doelen, waaronder het
hoge tempo waarin de regering de
decentralisaties wil uitvoeren.
Wetten als wegwerpartikel
Burgers, bedrijven en overheden
moeten op de wet kunnen rekenen.
8äàäàĊĊėàäĔĊÿôġôäýäàİąÐĄôäý
van de afgelopen jaren krijgt wetgeving een onevenwichtig karakter en
worden budgettaire overwegingen
gebruikt als primaire motivering
voor ingrijpende voorstellen. Bovendien worden bevoegdheden gecreeerd zonder dat aannemelijk is
gemaakt dat de bestaande bevoegdheden onvoldoende zijn om de
gestelde problemen aan te pakken.
Noodzakelijke stappen in het wetge-
vingsproces worden niet altijd volgtijdelijk gezet, waardoor het proces
onder druk komt te staan. Achtereenvolgende en soms aan elkaar tegengestelde wijzigingen volgen elkaar in
snel tempo op. Wetgeving krijgt hierdoor soms het karakter van een wegwerpartikel. Onbestendigheid van
wetgeving heeft gevolgen voor de
doeltreffendheid ervan en leidt tot
een fragmentarische aanpak. In tijden van economische recessie of
beperkte economische groei, spelen
budgettaire overwegingen uiteraard
ääąÛäÿÐąðėôüýäėĊÿŪ8ÐÐėĤôġóäġĊĊðpunt van de democratische rechtsstaat kunnen bepaalde beslissingen
niet alléén uit budgettaire overwegingen worden gemotiveerd. Daarnaast moet de regering terughoudend omgaan met het creëren van
nieuwe regels en bevoegdheden. Het
heeft alleen zin om een nieuwe regel
te introduceren als vaststaat dat de
bestaande regeling een leemte of een
gebrek vertoont. In het jaarverslag
zijn wetgevingsadviezen uit 2013
opgesomd waarin deze aspecten aan
de orde komen.
In het bestuursrecht en het strafrecht lijkt een trend waarneembaar
om strengere verplichtingen te introduceren en die bij overtreding hard
te bestraffen, naast het creëren van
meer bevoegdheden voor het
bestuur. In 2013 bracht de Afdeling
adviezen uit over voorgestelde verhogingen van de strafmaat, over verzwaringen van boetes en maatregelen en over het toenemend aantal
bevoegdheden in wetten om zonder
toestemming van de bewoner binnen
te treden in een woning.
De hervormingen op het terrein van
de zorg en de sociale zekerheid gaan
gepaard met grootschalige gegevensverwerking en -uitwisseling door
diverse instanties. In het kader van
de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer wees de Afdeling advisering erop dat het internationale en
nationale juridische kader voor gegevensverwerking nauwgezet moet
worden nagekomen.
De Raad als bestuursrechter
Bestuursrechtspraak in cijfers
De Afdeling bestuursrechtspraak
deed in 2013 ruim 14.200 zaken af.
Dat zijn er 600 meer dan in 2012. Zij
heeft ruim 13.200 nieuwe procedures
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
967
Nieuws
ontvangen. Dat is vergelijkbaar met
het jaar daarvoor. In de Ruimtelijkeordeningskamer was er in 2013 een
fors hogere instroom van zaken. De
instroom in de Vreemdelingenkamer
bleef op een hoog niveau, maar was
lager dan voorgaande jaren. In de
Vreemdelingenkamer was de uitstroom flink hoger dan in 2012.
Mede hierdoor kon de voorraad aan
vreemdelingenzaken met ongeveer
1.350 zaken worden teruggebracht.
In 2013 is de gemiddelde doorlooptijd stabiel gebleven. De gemiddelde
doorlooptijd van het totaal was 27
weken. Uitgesplitst over de drie
kamers van de Afdeling bestuursrechtspraak is het beeld: gemiddeld
28 weken in de Ruimtelijke-ordeningskamer, 24 weken in de Vreemdelingenkamer en 33 weken in de
Algemene kamer.
Bestuursrechtspraak naar inhoud
Als hoogste algemene bestuursrechter van Nederland heeft de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van
State twee hoofdfuncties:
žàäîąôġôäĭäðäěÜóôÿÛäěÿäÜóġôąðĊĔ
het niveau van de individuele zaak
žÛäĭĊėàäėôąðĭÐąàäėäÜóġěĊąġĮôýýäling en het bewaken van de rechtseenheid
In 2013 hebben zich hierin belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.
Sinds begin 2013 bestaat ten behoeve van het bewaken van de rechtseenheid het instrument van de grote
kamer van vijf leden en de mogelijkheid om een conclusie te vragen aan
een staatsraad advocaat-generaal.
Een conclusie biedt meer gelegenheid om een rechtsvraag in een breder verband te plaatsen dan de rechterlijke uitspraak zelf.
In 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak drie keer gebruik
gemaakt van deze mogelijkheid: in
een zaak over de redelijke termijn
voor de duur van een bestuursrechtelijke procedure, in een zaak over de
bescherming van getuigen voor het
Internationaal Strafhof en in een
zaak over het besloten clubcriterium
en ingezetenencriterium voor coffeeshops. Deze conclusies zijn in het
jaarverslag beschreven. Voor de zaak
over de redelijke termijn heeft de
Afdeling bestuursrechtspraak een
grote kamer samengesteld, bestaande uit leden van de Afdeling, de twee
andere bestuursrechtelijke appelcolleges en de Hoge Raad. In de uitspraak van 29 januari 2014 over de
redelijke termijn is bepaald dat de
totale duur van de behandeling in
beroep en twee instanties binnen
vier jaar moet zijn afgerond wil zij
nog als redelijk zijn aan te merken.
äÛäóĊäíġäÐÐąàäîąôġôäĭäðäěÜóôÿbeslechting heeft ook in 2013 veel
aandacht gekregen in de praktijk van
de Afdeling bestuursrechtspraak.
Hiervoor kan zij diverse instrumenten gebruiken, zoals de bestuurlijke
lus, de judiciële lus of door ‘de rechts-
gevolgen in stand te laten’. Ook het
relativiteitsvereiste is een instrument
dat vanaf 1 januari 2013 kan worden
toegepast in het algemeen bestuursrecht. Buiten het kader van de Crisisen herstelwet, paste de Afdeling
bestuursrechtspraak het relativiteitsvereiste voor het eerst toe in de
bekende onteigeningszaak van SNS
REAAL en SNS Bank in februari 2013.
Europees recht
Het recht van de Europese Unie en
het mensenrechtenverdrag EVRM
spelen een grote rol in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Zo nodig stelt de Afdeling bestuursrechtspraak prejudiciële
vragen aan het Hof van Justitie in
Luxemburg over de uitleg van het
recht van de Europese Unie. In 2013
deed ze dat tien keer. De Afdeling
bestuursrechtspraak oordeelde in
december 2013 op basis van een
arrest van het Hof bijvoorbeeld dat
de staatssecretaris van Veiligheid en
Justitie asielaanvragen van homoseksuele vreemdelingen anders moet
gaan beoordelen. Het Europese recht
speelde in 2013 in veel uitspraken
een rol, zoals in de onteigeningszaak
van SNS REAAL en SNS Bank, in de
zaak over het opleggen van een alcoholslotprogramma aan vrachtwagenchauffeurs en in zaken over intensieve veehouderijen in Noord-Brabant.
raadvanstate.nl
784
Nieuwe prejudiciële vragen ABRvS
Over Tamiltijgers op Europese terrorismelijst en
‘integratievoorwaarden’ in gezinsherenigingsregels
De Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State heeft op 31
maart 2014 in twee zaken prejudiciele vragen gesteld aan het Hof van
Justitie in Luxemburg. De procedures hebben betrekking op de weigering door de staatssecretaris om een
968
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
Azerbeidzjaanse en een Nigeriaanse
vrouw tot Nederland toe te laten,
omdat zij het Nederlandse inburgeringsexamen in het buitenland niet
hadden gehaald. De vrouwen moeten het inburgeringsexamen afleggen, omdat zij bij hun echtgenoten
in Nederland willen wonen. De
Afdeling stelde op 2 april 2014 in
vier zaken prejudiciële vragen. De
Afdeling wil met deze vragen van
het Hof uitleg over Europese terrorismebegrippen.
Nieuws
Gezinshereninging
De Raad van State wil in deze twee
zaken uitleg van het Hof over de
Europese gezinsherenigingsrichtlijn
waarin is geregeld dat lidstaten van
de Europese Unie van vreemdelingen
mogen verlangen dat zij aan zogenoemde integratievoorwaarden voldoen, vóórdat zij tot Nederland worden toegelaten. De Raad van State
constateert dat uit de richtlijn niet
blijkt hoe ver de staatssecretaris mag
gaan bij het stellen van integratievoorwaarden. De Raad van State wil
daarom van het Hof weten of het toelaatbaar is dat de staatssecretaris van
vreemdelingen verlangt dat zij over
een bepaald kennisniveau beschikken van de Nederlandse taal en van
de samenleving vóórdat zij tot Nederland worden toegelaten. Daarnaast
wil de Raad van State uitleg over de
vraag onder welke omstandigheden
de toegang van vreemdelingen tot
Nederland mag worden geweigerd als
zij stellen niet in staat te zijn om het
inburgeringsexamen af te leggen.
Ten slotte wil de Raad van State van
het Hof weten of het toelaatbaar is
dat een examenkandidaat € 350
moet betalen voor iedere keer dat hij
het inburgeringsexamen aflegt en
dat de eenmalige kosten voor het
pakket om het examen voor te bereiden € 110 bedragen.
Terrorisme
In deze zaken heeft de minister van
Buitenlandse Zaken de financiële
tegoeden van vier mannen bevroren.
De mannen zouden zich volgens de
minister bezighouden met fondsenwerving voor de Liberation Tigers of
Tamil Eelam (LTTE), beter bekend als
de Tamiltijgers.
De minister heeft de besluiten genomen op grond van de Nederlandse
Sanctieregeling terrorisme 2007-II.
De Nederlandse besluiten vloeien
voort uit internationale en Europese
antiterrorismeregels. Deze besluiten
zijn onder meer gebaseerd op het
besluit van de Raad van de Europese
Unie om de LTTE op de Europese terrorismelijst te plaatsen.
De Raad van State ziet zich in deze
zaken voor de vraag gesteld of de
Raad van de Europese Unie de LTTE
terecht op de Europese terrorismelijst
heeft geplaatst. De Raad van State
betwijfelt dat, omdat onzeker is of
handelingen van strijdkrachten in
een gewapend conflict als terroristische daden kunnen worden
beschouwd. Omdat alleen het Hof
van Justitie uitsluitsel kan geven over
de geldigheid van Europese besluiten,
stelt de Raad van State prejudiciële
vragen aan het Hof. Allereerst wil hij
weten of de mannen zelf de geldigheid van het Europese besluit tot
plaatsing van de LTTE op de Europese
terrorismelijst hadden kunnen aanvechten in Luxemburg. Mocht dat het
geval zijn, dan moet de Raad van State – omdat de mannen het Europese
besluit niet aangevochten hebben ervan uitgaan dat de LTTE terecht op
de terrorismelijst is geplaatst. Als dat
niet het geval is, dan vraagt de Raad
van State het Hof te oordelen over de
geldigheid van het Europese besluit.
Van belang daarbij is de uitleg van
het Hof over enkele Europese terrorismebegrippen.
raadvanstate.nl
785
RSJ tegen eigen bijdrage gedetineerden
De Raad voor Strafrechtstoepassing
en Jeugdbescherming is tegen de
plannen zoals neergelegd in het
concept-wetsvoorstel ‘Wijziging van
de Penitentiaire beginselenwet, de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enige andere wetten
in verband met de eigen bijdrage
voor verblijf in een justitiële inrichting’ dat voorstelt een bijdrage te
vragen van gedetineerden voor hun
verblijf in een inrichting. Op 7
maart bracht de RSJ een daartoe
strekkend advies uit.
H
et conceptwetsvoorstel
‘Eigen bijdrage verblijf gedetineerden’ maakt het mogelijk om een eigen bijdrage van €16
per dag te vragen van gedetineerden
en tbs-gestelden voor hun verblijf in
een justitiële inrichting en van elektronisch gedetineerden voor de huur
van een enkelband. Daarnaast wordt
een ouderbijdrage geïntroduceerd
voor ouders van jeugdigen die in een
justitiële jeugdinrichting verblijven.
De Raad acht het conceptwetsvoorstel contraproductief en adviseert
het niet in te dienen. Er is geen
onderbouwing noch aanleiding om
het huidige principe los te laten dat
de Staat de kosten van detentie
draagt. De wetgever heeft eerder
bewust ervoor gekozen om in plaats
van een eigen bijdrage te heffen,
eventuele uitkeringen van gedetineerden stop te zetten.
De Raad acht het conceptwetsvoorstel, gezien de kenmerken van de
doelgroepen en gezien de zeer geringe mogelijkheden om in detentie
inkomen te genereren, in strijd met
het beginsel van resocialisatie. De
voorgestelde eigen bijdrage bedraagt
€ 112 per week, terwijl gedetineerden
geen uitkering ontvangen en afgerond € 15 per week kunnen verdienen (tbs-gestelden ontvangen € 33
inclusief zak- en kleedgeld). Per saldo
betekent dit dat schulden worden
opgebouwd of dat reeds bestaande
schulden worden verhoogd. Dit terwijl het hebben van schulden een
criminogene factor is.
Het feit dat vaak sprake zal zijn van
het opbouwen (of vergroten van)
schulden die nog vele jaren terugbetaald moeten en verhaald kunnen
worden, zal als een bijkomende straf
(leedtoevoeging) worden ervaren die
jaren kan doorlopen nadat aan de
vrijheidsstraf zelf een einde is gekomen. In het conceptwetsvoorstel lijkt
voorts als rechtsgrond de schuld
ofwel de verwijtbaarheid te worden
verondersteld met betrekking tot de
kosten die de samenleving moet
maken om de straf ten uitvoer te leg-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
969
Nieuws
gen. De verwijtbaarheid vormt echter
grond voor de straf als zodanig en
heeft betrekking op het gepleegde
delict. Voor tbs-gestelden geldt dat de
verwijtbaarheid zich slecht verhoudt
tot het feit dat zij door de rechter
geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar zijn verklaard.
€1.570 per zaak hanteert. Jaarlijks
gaat het naar verwachting minstens
om circa 29.000 zaken. Mede gelet op
het verhoogde risico op recidive is
het daarom zeer twijfelachtig of de
beoogde netto-opbrengst van €60
mln gerealiseerd kan worden.
Ouderbijdrage
Uitvoeringskosten
Te verwachten valt dat de uitvoeringskosten hoog zijn. In 2008 liet de
toenmalige staatssecretaris van Justitie nog weten dat het CJIB in verband met de inning een kostprijs van
Het conceptwetsvoorstel beoogt met
een ouderbijdrage voor jeugdigen die
in een justitiële jeugdinrichting verblijven aan te sluiten op de Wet op
de jeugdzorg, maar wijkt hier op
belangrijke onderdelen (zoals de leef-
tijdsgrens, uitzonderingsbepalingen
en de voorgestelde omvang van de
bijdrage) van af. De Raad acht het
daarnaast in verband met een succesvolle terugkeer van de jeugdige in
de maatschappij wenselijk om de
ouders bij de tenuitvoerlegging van
de straf te betrekken en, mede gelet
op de hiermee gepaard gaande reiskosten in verband met bezoek, voor
hen niet nog meer (financiële) drempels op te werpen.
rsj.nl
786
20.000 Nederlandse zelfstandige vrouwen
hebben recht op zwangerschapsverlof uitkering
Het Comité dat gaat over de naleving van het VN Vrouwenverdrag
(CEDAW) dat Nederland in 1991
ondertekende heeft uitgesproken
dat de Nederlandse Staat zwangere
zelfstandige vrouwen zonder uitkering moet compenseren. Nederland
heeft zwangere zelfstandigen benadeeld door in 2004 de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor vrouwelijke zelfstandigen (WAZ) af te
schaffen zonder een nieuwe regeling te treffen. Toen in 2008 een
nieuwe wettelijke regeling voor
zwangere zelfstandigen tot stand
kwam, heeft de Staat daaraan geen
terugwerkende kracht toegekend en
de circa 20.000 zelfstandig ondernemende vrouwen die in de tussenliggende tijd een kind kregen niet
gecompenseerd.
H
et Proefprocessenfonds Clara
Wichmann is daarom tot bij
de Hoge Raad blijven strijden
voor een zorgplicht van de overheid
voor een zwangerschapsuitkering voor
zelfstandigen. En dus ook voor een uitkering met terugwerkende kracht voor
die vrouwen die tussen 2004 en 2008
zwanger waren en zich niet particulier
konden verzekeren. De Hoge Raad oordeelde begin 2011 dat op de Staat geen
zorgverplichting rust om voor zwangere zelfstandigen betaald zwangerschapsverlof te regelen. Het Proefpro-
970
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
cessenfonds heeft een individuele
klachtprocedure bij het CEDAW geëntameerd. Het CEDAW Comité beveelt de
Nederlandse Staat nu alle klaagsters
en ook andere vrouwen die geen uitkering hebben gehad, schadeloos te
stellen. Artikel 11 van het Vrouwenverdrag geeft niet alleen werkneem-
sters maar ook zwangere zelfstandigen het recht op een uitkering tijdens
het zwangerschaps- en bevallingsverlof. De Staat dient binnen zes maanden aan het CEDAW te rapporteren
welke actie zij heeft ondernomen.
www.clara-wichmann.nl
787
Bezinning op drugsbeleid
De Stichting Maatschappij en Veiligheid (SMV) heeft een oriënterende achtergrondstudie verricht
naar het Nederlandse drugsbeleid.
D
at wordt sinds de jaren zestig gekenmerkt door repressie. Geconcludeerd moet
worden dat dit beleid níet heeft
geleid tot een vermindering van het
gebruik. Integendeel. De SMV pleit
voor een discussie over alternatieven, gericht op het verminderen van
het gebruik van drugs én het verminderen van de negatieve bijwerkingen van de huidige sterk strafrechtelijk gedomineerde aanpak.
De SMV stelt voor de discussie in
eerste instantie toe te spitsen op het
cannabis- en coffeeshopbeleid. Dit
beleid is niet uit te leggen: aan de
voordeur wordt de verkoop van cannabis gedoogd, terwijl aan de achterdeur de aanvoer wordt bestreden.
Het voorstel van de SMV is om serieus te kijken naar een beleid rondom regulering, zoals ook wordt
bepleit in het Manifest Joint Regulation dat op 31 januari 2014 door een
veertigtal gemeenten is opgesteld
In het manifest wordt gepleit voor:
- Het vooropstellen van de volksgezondheid, - legaliseren van gecertificeerde coffeeshops, door het certificeren en reguleren van de teelt,
- repressief aanpakken van niet
gecertificeerde en gereguleerde cannabisteelt, en - een strengere aanpak van de georganiseerde criminaliteit achter de illegale teelt.
maatschappijenveiligheid.nl
Universitair Nieuws
Wilt u dat uw (juridische) proefschrift of dat van iemand die u kent
aangekondigd wordt in deze rubriek
dan kunt u het proefschrift en een
samenvatting sturen naar het redactiebureau; zie colofon.
Promoties
Ontwikkelingsgeschiedenis
van de Nederlandse kapitaalvennootschap
Aandeelhouders vervullen een centrale
rol in kapitaalvennootschappen. In dit
proefschrift geeft
Matthijs de Jongh een
ontwikkelingsgeschiedenis van de Nederlandse kapitaalvennootschap. Hij
gaat terug naar de wortels van het
vennootschapsrecht en onderzoekt
hoe de kapitaalvennootschap, in het
bijzonder de beursvennootschap, in
de loop van eeuwen is geëvolueerd.
De positie van aandeelhouders in de
vennootschap staat daarbij centraal.
Twee Romeinsrechtelijke rechtsvormen spelen in het boek een belangrijke rol: societas (maatschap) en universitas (corporatie). Deze
rechtsvormen zijn in veel opzichten
elkaars tegenpool. De societas was
privaatrechtelijk van aard, berustte
op contractuele grondslag en was
winstgericht. Het Romeinse recht
behandelde voornamelijk de verhoudingen tussen de vennoten onderling. Het contractuele karakter van
de societas bracht mee dat groot
gewicht toekwam aan de belangen
van de individuele vennoten. Bij de
universitas stond daarentegen eerder
het collectieve belang van de organisatie voorop. De universitas had een
publiekrechtelijke oorsprong en was
niet (in de eerste plaats) winstgericht. Het Romeinse recht behandelde vooral de verhouding tussen de
universitas en derden.
De Jongh laat zien hoe in de loop van
eeuwen binnen het rechtspersonenen vennootschapsrecht telkens is
teruggegrepen op de beide rechtsvormen. Hij gebruikt societas en universitas bovendien in overdrachtelijke
zin voor een problematiek die telkens in andere gedaante naar voren
komt: de belangentegenstelling tussen (individuele) aandeelhouders en
de vennootschap. Dergelijke belangenconflicten speelden bijvoorbeeld
in 1622 tijdens het conflict tussen
VOC en bewindhebbers, bij de invoering van een beschermingsconstructie door Koninklijke Olie in 1898 en
toen aandeelhoudersactivisten in
2007 aandrongen op de splitsing van
Stork. De Jongh betoogt dat aan het
einde van de jaren ’80 behoefte
bestond aan herstel van het machtsevenwicht. Beschermingsconstructies
en het structuurregime hadden de
macht van aandeelhouders ver uitgehold. In de jaren ’90 en 2000 bewoog
de slinger de andere kant op, niet
alleen door wetswijzigingen en door
de corporate governance code, maar
vooral door niet-juridische oorzaken.
Vanaf 2007 valt een tegenbeweging
waar te nemen: het discours is minder gericht op de versterking van de
zeggenschap van aandeelhouders,
maar meer op de verbetering van de
kwaliteit van hun betrokkenheid.
In zijn studie onderwerpt De Jongh
de invloedrijke agency-theorie aan
een kritische analyse en doet hij
voorstellen om kortetermijngedrag
van aandeelhouders tegen te gaan. In
het slothoofdstuk behandelt hij de
belangentegenstelling tussen individuele aandeelhouders en het vennootschapsbelang vanuit eigentijds
perspectief. Weliswaar kunnen aandeelhouders het initiatief nemen
dankzij het agenderings- en convocatierecht en het benoemings- en ontslagrecht, deze rechten doen niet af
aan de autonomie van het bestuur. In
de regel ligt het initiatief bij het
bestuur en keuren aandeelhouders
voorstellen van het bestuur goed of
af. Met een voornamelijk reactieve
uitoefening van zeggenschap door
beursaandeelhouders wordt een
evenwicht bereikt tussen de legitieme belangen van aandeelhouders en
het belang van de beurs-NV bij een
slagvaardig bestuur. In geval van conflict vervullen de redelijkheid en billijkheid, in te vullen aan de hand van
het evenredigheidsbeginsel, een
belangrijke rol bij het vinden van een
oplossing die recht doet aan alle
betrokken belangen.
J.M. de Jongh
‘Tussen societas en universitas. De
beursvennootschap en haar aandeel-
houders in historisch perspectief’
Kluwer 2014, 712 p., € 98,00
ISBN 978 90 1312 042 4
Intergenerationele
overdracht van
geweldsdelinquentie
De afgelopen decennia
hebben diverse grootschalige, prospectieve,
multigenerationele
studies aangetoond
dat crimineel gedrag
wordt overgedragen
van ouder op kind. De
respondenten van deze studies werden echter vaak maar over een
beperkte tijdspanne gevolgd waardoor er voor de jongste generatie
vaak geen informatie over crimineel
gedrag tijdens de volwassenheid
beschikbaar is. Daarnaast volgen veel
van deze multigenerationale studies
slechts twee opeenvolgende generaties waardoor er geen informatie
beschikbaar is over familieleden buiten het gezin. Ook richtten deze eerdere studies zich voornamelijk op de
algehele criminaliteit waartoe zeer
diverse delicten behoren en waardoor
verschillende mechanismen verantwoordelijk kunnen zijn voor de overdracht van verschillende delicten.
Dit proefschrift van Steve van de
Weijer onderzoekt de mate van intergenerationele overdracht en de achterliggende mechanismen van een
meer homogene groep delicten,
namelijk geweldsdelinquentie.
In het proefschrift is gebruik
gemaakt van data van de Transfive
studie. Het startpunt van deze studie
zijn 198 jongens die, tussen 1911 en
1914, in een Nederlandse tuchtschool werden geplaatst vanwege
probleemgedrag of omdat hun
ouders niet in staat waren om goed
voor hen te zorgen. De ouders en alle
afstammelingen van deze 198 jongens zijn opgezocht in Nederlandse
genealogische en gemeentelijke
administraties, wat resulteerde in
een steekproef met vijf opeenvolgende generaties. In het proefschrift is
alleen het crimineel gedrag van de
jongste drie generaties onderzocht
omdat zij gedurende het gehele leven
prospectief gevolgd zijn. Daarnaast
komen de justitiële gegevens over
het crimineel gedrag van de oudste
twee generaties uit andere, waarschijnlijk minder complete, bronnen.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
971
788
Universitair Nieuws
Het onderzoek richt zich verder met
name op de mannelijke familieleden
omdat veroordelingen voor geweldsdelicten slechts zelden voorkomen
onder de vrouwelijke familieleden.
De resultaten van het promotieonderzoek tonen aan dat er een grote
concentratie van geweldsdelicten
binnen gezinnen bestaat: vijf procent
van de gezinnen is verantwoordelijk
voor meer dan de helft van alle
geweldsdelicten gepleegd door de
personen in de steekproef en alle
geweldsdelicten zijn gepleegd door
een kwart van de gezinnen. Ook is er
empirisch bewijs gevonden voor
intergenerationele overdracht van
geweld. Zonen uit de vierde generatie
met een gewelddadige vader hebben
2,3 keer zoveel risico om veroordeeld
te worden voor een geweldsdelict, in
vergelijking met zonen zonder
gewelddadige vader. Voor de zonen
uit de vijfde generatie is dit risico
zelfs 3,4 keer zo groot. Ook een specifiek soort geweldsdelinquentie,
namelijk zedendelinquentie, blijkt te
worden overgedragen tussen familieleden en te concentreren binnen
families. De resultaten tonen verder
aan dat de timing van het geweld
van de vader van invloed is op de
mate van overdracht. Er is namelijk
alleen sprake van intergenerationele
overdracht van geweld wanneer de
789
vader geweldsdelicten pleegde tijdens de jeugd van zijn zoon, en niet
wanneer hij deze pleegde voor de
geboorte of tijdens de volwassenheid
van de zoon. Echtscheiding van de
ouders blijkt ook van invloed: alleen
wanneer de ouders gedurende de
gehele jeugd van het kind getrouwd
blijven vindt er intergenerationele
overdracht van geweld plaats. Ten
slotte heeft ook de lage hartslag van
de zoon (een belangrijke biologische
risicofactor) een modererende
invloed op de overdracht van geweld
aangezien deze overdracht alleen
blijkt plaats te vinden bij mannen
met een lage hartslag en niet bij
mannen met een hoge hartslag.
Concluderend kan gesteld worden
dat er een aanzienlijke intergenerationele overdracht van geweldsdelinquentie bestaat. Het is daarbij opvallend dat deze overdracht lijkt toe te
nemen onder meer recentere generaties. Verder lijkt blootstelling aan het
gewelddadig gedrag van de vader een
belangrijke rol te spelen, wat het
meest in lijn is met social learning
theorieën die stellen dat (gewelddadig) gedrag wordt aangeleerd in
interactie met anderen. Genetische
mechanismen kunnen echter niet
helemaal uitgesloten worden.
S.G.A. van de Weijer
The intergenerational transmission
of violent offending
Uitgave in eigen beheer
Scripties
De redactie biedt aan studenten de
mogelijkheid om met een korte
samenvatting van hun masterscriptie in dit tijdschrift te komen. Hiernaast wordt de gehele versie van
het document op het blog van het
NJB geplaatst (www.njblog.nl). De
redactie wil graag een podium bieden voor de vele mooie juridische
teksten en innovatieve opvattingen
van studenten die tot nu toe nog te
weinig onder de aandacht komen
van de vele juristen die in ons land
werkzaam zijn. Heb je belangstelling om te worden geselecteerd
voor opname van een samenvatting van je masterscriptie in het
NJB? Stuur dan je scriptie, voorzien
van een samenvatting van maximaal 200 woorden, het eindcijfer
(minimaal een acht) dat je voor de
scriptie hebt ontvangen en ook je
afstudeerrichting en de naam van
je scriptiebegeleider, naar het
redactiebureau van het NJB, postbus 30104, 2500 GC Den Haag of
e-mail: [email protected].
Personalia
Hoogleraar
Mr. Job Cohen is
benoemd tot bijzonder hoogleraar
van de ThorbeckeLeerstoel, gevestigd
aan de Leidse Faculteit der Rechtsgeleerdheid. De benoeming ging in per 1 april 2014. Cohen
volgt prof. mr. J.W.M. (Hans) Engels op,
die de leerstoel sinds 2002 bekleedde.
De Thorbecke-leerstoel is in 1988
opgericht ter gelegenheid van het
75-jarig bestaan van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG).
De leeropdracht betreft de leer van
de gemeente als bestuurlijk, politiek
972
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
en juridisch systeem. Deze opdracht
is onlangs uitgebreid naar de provincie, waarmee het centrale thema is
verbreed naar lokaal en midden
bestuur. Cohen houdt zich als leerstoelhouder bezig met wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Hij zal
daarbij de dialoog tussen onderzoekers en vertegenwoordigers van het
Rijk, decentrale overheden en maatschappelijke groeperingen stimuleren, faciliteren en van nieuwe
gezichtspunten voorzien.
Remco Nehmelman is per 1 januari
2014 benoemd als hoogleraar
Publiek organisatierecht, in het bij-
Voor het plaatsen van berichten
in deze rubriek kunt u uw tips
en informatie sturen naar
[email protected].
zonder op het gebied
van het waterbeheer
aan de Universiteit
Utrecht. De leerstoel
wordt mede gefinancierd door de stichting het Schilthuisfonds. De leerstoelopdracht omvat het onderzoeken en
onderwijzen op uiteenlopende terreinen van het publiek organisatierecht
Personalia
waarbij vraagstukken met betrekking
tot staatsrechtelijke instituties zoals
de organen en bevoegdheden van
centrale en decentrale overheden tot
de kernopdracht behoren. Bijzondere
aandacht wordt daarbij besteed aan
de bestudering van het waterbeheer.
Nehmelman was onder meer werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de
Vrije Universiteit van Amsterdam.
Sinds 2013 is hij tevens lid van de
Raad voor het Openbaar Bestuur.
European Law Moot Court
Competition
Voor de zesde keer
schreef een team
rechtenstudenten
van de Universiteit
Maastricht een
prestigieuze Europese pleitwedstrijd op haar naam. De
European Law Moot Court Competition (ELMC), georganiseerd door het
Europese Hof van Justitie in Luxemburg, vond vrijdag 28 maart plaats in
Straatsburg. Het thema was de erkenning van het homohuwelijk en de
erkenning van een adoptie door personen van hetzelfde geslacht in de
Europese Unie. De pleidooien werden
gehouden voor hoge Europese rechters. Geen enkele andere Nederlandse
universiteit behaalde zo vaak een
overwinning binnen de ELMC. Het
team, bestaande uit studenten Eva
van Ooij, Pauline Melin, Myriam
Douo en Vilma Imahaki, streed tegen
de winnaars van de andere regionale
finales; Lund, Leuven en Michigan. De
studenten bevochten een fictieve
casus over twee mannen (één met en
één zonder de nationaliteit van een
EU-land) die van EU-lidstaat A samen
waren verhuisd naar EU-lidstaat B. In
dat land besloten de mannen te trouwen. De niet EU-partner besloot
bovendien het kind te adopteren dat
de andere man al had uit zijn eerder
huwelijk met een vrouw in land A.
Toen zij samen wilden terugkeren
naar land A weigerde land A dit
homohuwelijk en de adoptie te erkennen aangezien de nationale identiteit
van het land zich tegen het homohuwelijk zou verzetten. Na een maandenlange, intensieve voorbereiding
en een overtuigende overwinning in
de regionale finale in Portugal, wist
het team in de finale hun tegenstanders weer uit te schakelen.
Advocatuur
Internationaal
arbeidsrechtadvocate
Mariëlle Daudt sluit
zich per 1 mei aan als
partner arbeidsrecht
bij de Amsterdamse
vestiging van Jones Day. Daudt heeft
veel ervaring in het vertegenwoordigen van onder meer ondernemingen,
aandeelhouders en raden van commissarissen in verschillende
arbeidgerelateerde en corporate
governance zaken en adviseert en
procedeert op het gebied van onder
andere collectieve ontslagen, grote
fraudezaken, herstructureringen en
reorganisaties en internationale compliance-programma’s.
Grondwetstrijd
In het kader van de recente festiviteiten over de Grondwet heeft het
Comité 200 jaar Koninkrijk in de
zomer van 2013 tezamen met de Academie voor wetgeving de Grondwetstrijd uitgeschreven. Het idee achter
de wedstrijd was burgers meer
bewust maken van het belang van de
Grondwet en wat er komt kijken bij
het schrijven van een wet. Op 28
maart koos de jury, onder voorzitterschap van oud-PvdA senator Joop van
den Berg, voor het gecombineerde
team van de Universiteit van Utrecht
en de Universiteit van Amsterdam.
Het winnende team bestaat uit:
Mathilde de Boer, Karin Haan, Max
Vetzo, Remco Nehmelman, Jan Willem van Rossem en Rik Dekker. Hun
voorstel beoogt de wijzigingsprocedure van de Grondwet zodanig te
veranderen dat alleen in geval van
een wijziging in de identiteit van het
Nederlandse constitutionele bestel
een tweede lezing nodig is. In ‘eerste
lezing’ is dan wel een tweederde
meerderheid vereist. De tweede
lezing, die ook via een burger-initiatief met handtekeningen van minimaal 2,5% van de kiesgerechtigden is
af te dwingen, wordt behandeld in
een speciale Grondwetskamer
bestaande uit de Staten Generaal en
een zelfde aantal door loting aan te
wijzen burgers. De jury koos voor dit
voorstel, omdat het belang van een
versoepeling van de herzieningsprocedure met ruime betrokkenheid van
burgers werd verenigd. De winnaars
kregen de gelegenheid op 29 maart
hun voorstel te presenteren aan
Minister Plasterk van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. De
hoofdprijs is een reis naar Philadelphia, de bakermat van de Amerikaanse Grondwet.
Agenda
15 04 2014
Studiemiddag uitspraak
AFM vs. Meeùs
De uitspraakvan het College van
Beroep voor het Bedrijfsleven inzake
AFM versus Meeùs, is voor pensioen-
adviseurs van eminent belang. De
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
heeft hierbij stelling genomen met
betrekking tot haar uitleg van de Wft
en de daarop gebaseerde Leidraden
en haar gelijk gekregen. Tijdens deze
studiemiddag wordt deze uitspraak
uitvoerig besproken, toegelicht en
gekoppeld aan de werkzaamheden
als pensioenadviseur.
Tijd: dinsdag 15 april van 14.00 tot 17.00 uur
Plaats: Van der Valk Houten, Hoofdveste 25 te Houten
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
973
790
Agenda
Inlichtingen en aanmelding: via: www.gommeradvoca-
Tijd: donderdag 24 april van 12.00 tot 17.15 uur
ten.nl/onze-diensten/studiemiddag-afm-meeus, tel: 013
Plaats: Forum, Kanaalweg 86 te Utrecht
507 07 40. Deelname kost € 75.
Inlichtingen en aanmelding: Aanmelding tot 17 april
2014 via: www.forum.nl/wrvcursussen. Deelname kost
15 t/m 19 04 2014
Congres International
Association of Democratic
Lawyers
Het centrale thema van het 18e IADL
congres luidt: ‘De rechten van het
volk verdedigen’. De vereniging is een
wereldwijde organisatie van progressieve juristen en heeft de ambitie via
dit congres juridische activisten uit
verscheidene werelddelen de kans te
bieden tot ontmoeting, netwerken en
uitwisseling. Tijdens het congres worden tien commissies georganiseerd
die de deelnemers de kans bieden tot
ervaringsuitwisseling op het gebied
van hun juridische activiteiten rond
onder meer de volgende thema’s: het
recht op vrede en crisis van het
internationaal recht; een democratische justitie voor het volk, de onafhankelijkheid van het gerecht en de
bescherming van de advocaten; de
rechten van migranten en de strijd
tegen het racisme; straffeloosheid en
de internationale gerechtshoven; het
mensenrecht op een zuivere en
gezonde leefomgeving.
Tijd: dinsdag 15 t/m zaterdag 19 april
Plaats: Brussel, België
Inlichtingen en aanmelding: via: www.iadllaw.org, e-mail:
[email protected]
24 04 2014
WRV werkcursus Kinderen in
het migratierecht
De bijzondere positie van kinderen
en het VN-Kinderverdrag (IVRK)
krijgt steeds meer aandacht en
dringt via het EU-recht, met name
artikel 24 Handvest voor de Grondrechten, en het EVRM binnen in het
Nederlandse vreemdelingenrecht.
Het kan ook van groot nut zijn om
over de grenzen van het vreemdelingenrecht een blik te werpen naar het
familierecht. Ouderlijk gezag en de
mate waarin het kind ten laste komt
van de ouder(s) kunnen bepalende
factoren zijn voor het verblijfsrecht,
zo laat bijvoorbeeld de Zambranojurisprudentie zien. Welke gronden
kan men het beste aanvoeren in verblijfsprocedures om de belangen van
het kind zo sterk mogelijk te bepleiten? Naast een (inter)nationaal rechtelijk kader biedt deze cursus praktische handvatten.
974
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 11-04-2014 – AFL. 14
€ 365,- voor WRV leden, € 425,- voor niet-WRV leden. 4
PO punten
24 04 2014
NJCM seminar: Europeanizing human rights advocacy
Advocating for human rights in the
Netherlands can no longer be focused just on Dutch law and policy
makers. Nowadays, the origin of
many Dutch laws and policies that
affect human rights lies in the European Union. Take, for instance, the
European Arrest Warrant or the right
to access to a lawyer in criminal proceedings. Protecting human rights in
the Netherlands requires that NJCM
exercises its influence not just in The
Hague but also in Brussels. It is time
for NJCM to ‘Europeanize human
rights advocacy’. With this seminar,
NJCM will explore the various avenues for human rights advocacy at
the EU level. After all, the EU has its
own particular decision-making processes, which present new challenges
for the way NJCM conducts human
rights advocacy. Speakers from the
European institutions, NGOs and academia will speak about how best to
engage in this process. Speakers are:
Róisín Pillay (Director of the Europe
Regional Programme, International
Commission of Jurists), Wouter van
Ballegooij (Advisor on civil liberties,
justice and home affairs, European
Parliament), Balazs Denes (Project
Director European Civil Liberties Project, The Open Society). Tijdens het
aansluitende seminar vindt de uitreiking van de vijfde Thoolen NJCMScriptieprijs plaats.
Tijd: Donderdag 24 april van 19.00 tot 21.00
Plaats: Het Nutshuis, Commissarissenzaal, Riviervismarkt
5 te Den Haag
Inlichtingen en aanmelding: via: www.njcm.nl/site/
events/show/154. Deelname is gratis
25 04 2014
Seminar internationaal
financieel recht
On Friday 25 April, Omar Salah, lawyer at De Brauw Blackstone Westbroek and PhD Candidate at Tilburg
University, will defend his dissertation on Islamic finance titled: “Sukuk
Structures: Legal Engineering under
Dutch Law”. On the same day, Tilburg
University and De Brauw Blackstone
Westbroek will be holding a conference on International Finance Law.
Internationally renowned academics
and practitioners in the field of
finance law will present lectures on
different topics with a common
denominator: international aspects
of finance law. The speakers will
cover areas of securities law, aviation
finance law, enforcement of financial
law and proprietary aspects of banking law. After the conference, Omar
Salah will defend his dissertation on
Islamic finance law in an academic
session in the auditorium of Tilburg
University.
Tijd: vrijdag 25 april van 9.30 tot 15.30 uur
Plaats: Tilburg University
Inlichtingen en aanmelding: via: www.debrauw.com,
e-mail: [email protected], tel: 020 577 1465
25 09 2014
Jaarcongres Independent
Legal Professional 2014
Independent Legal Professional (ILP)
is een jaarcongres voor zelfstandige
juristen en advocaten die zich focussen op de zakelijke markt. Vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en
overheden en veelbelovende ‘challengers’ in de juridische markt gaan in
plenaire sessies in op hoe de markt
voor solo juridisch ondernemers er
op dit moment uitziet, welke kansen
er zijn en wat dit van hen vraagt in
termen van ondernemerschap nu
steeds duidelijker wordt dat inhoudelijke deskundigheid alleen niet
voldoende is. Verder worden zogeheten break out-sessies georganiseerd
over onderwerpen als juridisch projectmanagement, sales voor juristen,
de wensen van het MKB en ICToplossingen. Tijdens ILP 2014 wordt
ook de ‘Dutch Independent Legal
Award’ uitgereikt. Een onderscheiding die wordt toegekend aan de
zelfstandig juridische professional
die zich bijzonder verdienstelijk
heeft gemaakt voor zijn opdrachtgevers en de professionalisering van
het juridisch ondernemerschap in
het bijzonder.
Tijd: donderdag 25 september van 13.00 tot 20.30 uur
Plaats: Slot Zeist, Zinzendorflaan 1 te Zeist
Inlichtingen en aanmelding: via: www.ILP2014.nl.
Deelname kost € 245.
Een uitgebreide versie van deze agenda is te raadplegen op www.njb.nl
Aan wiens kant
staat het recht
als beide partijen
gelijk hebben?
Het gerechtshof Amsterdam zoekt voor de teams handelsrecht
(afdeling civiel recht en belastingrecht) meerdere
Raadsheren m/v
Het gerechtshof Amsterdam heeft
voering. De afdelingen bestaan uit
Solliciteren: U kunt tot 25 april 2014
de ambitie toonaangevend te zijn in
verschillende teams met ieder een
een sollicitatiebrief met vermelding van
de appelrechtspraak in Nederland.
omvang van ongeveer 25 medewerkers.
drie referenten sturen naar de president
Zoekt u inhoudelijke verdieping, ruimte
Centraal in de ontwikkeling van de
van het gerechtshof Amsterdam, mr.
voor kwaliteit en meervoudige recht-
cultuur van het gerechtshof staat de
H.T. van der Meer, Postbus 1312, 1000
spraak met zeer ervaren collega's?
ruimte om verantwoordelijkheid te
BH Amsterdam of per email via:
Bent u bereid hard te werken aan
nemen voor de kwaliteit en de effecti-
[email protected].
kwalitatief hoogwaardige arresten? Wij
viteit van het hof. Dit veronderstelt
Een eerste gesprek zal naar ver-
bieden een plezierige werkomgeving,
ondermeer een open houding en
wachting plaatsvinden op 22 of 28 mei
een goede collegiale werksfeer en
nieuwsgierigheid
2014.
uitstekende arbeidsomstandigheden.
mogelijke verbeteringen.
ten
aanzien
van
De tweede gespreksronde zal naar
Wegens uitbreiding en pensionering
Het landelijke profiel van raadsheer
zijn wij op zoek naar nieuwe raads-
en meer informatie over het gerechts-
heren voor de afdeling civiel recht en
hof Amsterdam kunt u vinden op
belastingrecht, teams handelsrecht.
www. Rechtspraak.nl.
Organisatie. Vanaf half april 2013 is
Inlichtingen Voor nadere inlichtingen
het gerechtshof Amsterdam gevestigd
over de vacatures kunt u telefonisch
in het nieuwe Paleis van Justitie aan
contact opnemen met mr. H.T. van der
het IJ. Het gerechtshof Amsterdam
Meer, president, tel. nr. 088 – 361 3632
kent drie afdelingen: de afdeling
of mr. C. Hummel, voorzitter afdeling
strafrecht, de afdeling civiel recht en
civiel recht en belastingrecht, tel. nr.
Acquisitie naar aanleiding van deze
belastingrecht en de afdeling bedrijfs-
088 – 361 3802.
advertentie wordt niet op prijs gesteld.
verwachting plaatsvinden in de 2e helft
van de maand juni 2014.
“De loonbelasting
wordt misbruikt als
politiek speelgoed”
Mr. Gerard van Westen
A D V O C A A T- B E L A S T I N G K U N D I G E E N R A A D S H E E R - P LV.
BIJ HET GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH EN DE CRVB,
TEVENS OF COUNSEL BIJ STIBBE ADVOCATEN
Lees meer op verderdenken.nl
Verder denken over arbeidsrecht
Mr. Gerard van Westen verzorgt in het voorjaar voor het CPO de volgende cursus:
 “Fiscale actualiteiten” voor arbeidsrechtadvocaten en -juristen
Kijk voor meer informatie op www.cpo.nl
Voor scherpe denkers.