Klik hier om het memorandum te openen in pdf

Belastingadviseurs
Staatssecretaris beantwoordt vragen Eerste Kamer over Wet modernisering Vpb-plicht
overheidsondernemingen
De staatssecretaris van Financiën heeft recent de memorie van antwoord uitgebracht ter zake van de
behandeling van het voorstel voor de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen in de
Eerste Kamer. Daarin beantwoordt hij vragen van de Eerste Kamer over dit wetsvoorstel. Hieronder
geven wij in het kort de conclusies weer die voor de praktijk het belangrijkst zijn.
Verruiming vrijstelling voor overheidstaken
De suggestie om de vrijstelling voor alle overheidstaken die worden verricht op basis van een
dienstverleningsovereenkomst te verruimen, wordt niet gevolgd. Een dergelijke maatregel zou ertoe
leiden dat ook onderlinge commerciële dienstverlening wordt vrijgesteld en dat is in strijd met het
beoogde gelijke speelveld voor overheidsondernemingen en private ondernemingen.
Wel is aangegeven dat de dienstverleningswinsten zijn vrijgesteld in iedere situatie waarin deze – als
ze door de afnemer zouden zijn behaald – bij de afnemer onbelast zouden zijn gebleven. Dit geldt
dus niet alleen in het geval waarin de winsten onder de vrijstelling voor overheidsdiensten zouden
zijn gevallen.
Exploitatie onroerend goed
De staatssecretaris beantwoordt de vraag of sprake is van normaal vermogensbeheer bij
kostendekkende verhuur aan bedrijven of particulieren uit maatschappelijke overwegingen of
wegens marktfalen. Hij schetst het beeld waarin eerst wordt bezien of vastgoed bij de
vermogensetikettering aan een onderneming moet worden toegerekend. Is dat niet het geval, dan
moet worden bekeken of de exploitatie van het vastgoed zelf een ondernemingsactiviteit vormt.
Komt die exploitatiewijze overeen met die van woningcorporaties of commerciële
vastgoedexploitanten, dan is sprake van een onderneming – dit ondanks het feit dat de rendementen
lager zijn en de exploitatie vanuit maatschappelijke overwegingen plaatsvindt.
Administratieve verplichtingen voor publiekrechtelijke rechtspersonen die geheel of
gedeeltelijk objectief vrijgestelde activiteiten verrichten
Is men geheel vrijgesteld, dan hoeft men niet om aangifte te verzoeken. Ook het opstellen van een
openingsbalans is dan niet aan de orde. Is sprake van een gedeeltelijke vrijstelling, dan moet wel om
een aangifte worden verzocht. In die aangifte moeten zowel de resultaten uit belaste als vrijgestelde
activiteiten worden getoond, zoals ook private instellingen dat moeten doen. De openingsbalans is
niet beperkt tot activa en passiva waarmee belaste activiteiten kunnen worden toegerekend.
Het 90%-criterium
Bij het beantwoorden van de vraag of academische ziekenhuizen voldoen aan het 90%-criterium
loopt men tegen de vraag aan welke factor(en) die 90% moet worden getoetst. De staatssecretaris
schrijft geen vaste maatstaf (bijvoorbeeld het aantal fte’s, de omzet, vierkante meters of loonsom)
voor. Van geval tot geval zal de meest logische maatstaf moeten worden bepaald.
Belastingadviseurs
Pagina 2
Aan gemeenten gelieerde algemeen nut beogende instellingen
Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) die aan een gemeente zijn gelieerd en van een
gemeente subsidie krijgen, worden niet anders behandeld dan ANBI’s die niet aan gemeenten zijn
gelieerd. Indien aan de voorwaarden die zijn verwoord in het besluit CPP2005/2730M wordt
voldaan, leiden overheidssubsidies bij een ANBI niet tot belastingheffing.
Compensatie voor belastingafdracht
Er komt geen compensatie voor het nadeel dat overheden lijden doordat ze vennootschapsbelasting
gaan afdragen. Met een dergelijke compensatie zou het gecreëerde gelijke speelveld weer
oneffenheden gaan vertonen. Volgens de staatssecretaris leidt de afdracht van
vennootschapsbelasting niet automatisch tot een stijging van de lokale lasten voor de burger.
De samenwerkingsvrijstelling en het arm’s length-beginsel
Indien het samenwerkingsverband geen onderneming drijft (het verband verricht geen diensten aan
derden en krijgt van de deelnemers naar rato van de afname de kosten vergoed), dan ontstaat geen
belastingplicht. Drijft het verband wel een onderneming, dan wordt getoetst of de samenwerkende
partijen voldoen aan de gelieerdheidscriteria van artikel 8b van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), dat bewerkstelligt dat ook zeggenschap tot gelieerdheid
leidt. Indien de winst is vrijgesteld, dan blijft toetsing aan de hand van artikel 8b Wet Vpb om
praktische redenen achterwege.
Is geen sprake van een objectvrijstelling en wel van gelieerdheid in de zin van artikel 8b Wet Vpb,
dan dienen de voorwaarden tussen de deelnemende overheid en het belastingplichtige
samenwerkingsverband ‘at arm’s length’ te zijn. De voorwaarde dat de deelnemende partijen naar
evenredigheid in de kosten van het samenwerkingsverband delen (en dus geen winstopslag betalen)
strijdt niet met het arm’s length-beginsel. Als ook aan deze voorwaarde wordt voldaan, heeft men
zekerheid dat het samenwerkingsverband geen onderneming drijft. Het arm’s length-beginsel komt
pas aan de orde als het samenwerkingsverband een onderneming drijft.
Feitelijke en potentiële concurrentie
Bij het beantwoorden van de vraag of een instelling een onderneming drijft wordt bekeken of er
feitelijk dan wel potentieel in concurrentie wordt getreden. Bij het beantwoorden van de vraag of de
onderneming voor een vrijstelling voor overheidstaken in aanmerking komt, wordt alleen gekeken
naar de feitelijke concurrentie.
Het deelnemen in een commanditaire vennootschap
Indien het belang in een besloten commanditaire vennootschap (cv) waarin een onderneming wordt
gedreven niet aan een onderneming van een publiekrechtelijke rechtspersoon of van het
privaatrechtelijke overheidslichaam kan worden toegerekend, leidt het participeren op zich niet tot
het ontstaan van een onderneming. Naamloze of besloten vennootschappen (nv’s of bv’s) in
Belastingadviseurs
Pagina 3
overheidshanden drijven hun onderneming bij fictie met hun gehele vermogen. De winst van de cv
waarin wordt deelgenomen is dan wel belast.
De staatssecretaris bereidt wetgeving voor om een einde te maken aan deze ongelijkheid, die
overigens niet alleen de overheidslichamen betreft. We zien het ook terug bij nv’s en bv’s enerzijds
en private verenigingen en stichtingen. Ook de bij deze lichamen te constateren ongelijke
behandeling wordt door de aangekondigde wetgeving weggenomen. Het geschetste probleem speelt
met name in de sfeer van vastgoedbeleggingen.
Ziekenhuizen die aan winstuitdelingen doen
De zorgvrijstelling is niet van toepassing op ziekenhuizen die een deel van de winst uitkeren.
Voorwaarde voor de vrijstelling is immers dat eventuele winst wordt aangewend ten bate van een
vrijgestelde zorginstelling of een algemeen maatschappelijk belang.
De positie van niet-academische ziekenhuizen
Niet-academische ziekenhuizen vallen buiten het bereik van het wetsvoorstel. Slechts voor
academische ziekenhuizen zijn subjectieve en objectieve vrijstellingen gecreëerd. Toegegeven wordt
dat academische ziekenhuizen concurreren met niet-academische ziekenhuizen. De laatste
zorginstellingen worden echter nadrukkelijk niet betrokken bij het wetsvoorstel.
De bekostigingseis van de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling
Of aan de bekostigingseis is voldaan wordt niet per activiteit bekeken. Het gaat erom dat alle
activiteiten gezamenlijk beschouwd aan de bekostigingseis voldoen.
Verhouding eigen en vreemd vermogen op de openingsbalans
De openingsbalans van een onderneming van een publiekrechtelijk lichaam vertoont niet per
definitie dezelfde verhouding tussen eigen en vreemd vermogen als die van het publiekrechtelijke
lichaam zelf. Activa en passiva worden op basis van vermogensetiketteringsregels aan de
onderneming toegerekend.
De bagatelvrijstelling voor stichtingen en verenigingen is niet van toepassing op
overheidsondernemingen
Voor directe overheidsondernemingen lijkt de vrijstelling voor kleine winsten weinig nut te hebben:
hun resultaat wordt immers geconsolideerd tot één resultaat van het publiekrechtelijke
overheidslichaam. Voor indirecte overheidsondernemingen kan de vrijstelling niet van toepassing
zijn, omdat die ondernemingen daarmee een concurrentievoordeel zouden verkrijgen op private
ondernemingen die in een bv of nv worden gedreven.
De lijst met activiteiten die niet tot belastingplicht leiden
In zijn brief van 18 december 2014 heeft de staatssecretaris een lijst gepubliceerd van activiteiten die
niet tot belastingplicht leiden. Hij is voornemens deze lijst te actualiseren om daarmee te
bewerkstelligen dat potentieel belastingplichtigen onnodig een administratie opzetten of bijhouden.
Belastingadviseurs
Pagina 4
Geen nieuwe vrijstellingen voor de overdrachtsbelasting
De staatssecretaris ziet geen reden een (extra) vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te
introduceren ter zake van de verwerving van onroerende zaken door een privaatrechtelijk lichaam
waarvan de aandelen in het bezit zijn van een publiekrechtelijk lichaam.
Sovereign wealth funds in de vorm van een privaatrechtelijk overheidslichaam
De Nederlandse dochtervennootschap van een buitenlands ‘sovereign wealth fund’ (SWF) zal gelet
op haar doorsneeactiviteiten – het houden van aandelen ter belegging – niet snel aanspraak kunnen
maken op het voorgestelde artikel 8f, lid 1, onderdeel a Wet Vpb, de vrijstelling voor
quasi-inbesteding.
Teruggaaf van dividendbelasting voor overheidslichamen die objectief zijn vrijgesteld
Het bestaande artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 regelt de teruggave van
dividendbelasting voor ondernemingen die subjectief zijn vrijgesteld. De regeling schiet tekort bij
ondernemingen die objectief zijn vrijgesteld. Het kabinet treft maatregelen die de teruggaaf van
dividendbelasting ook mogelijk maken indien de ontvangen dividenden onder een van de drie
objectvrijstellingen van artikel 8e, 8f en 8g Wet Vpb vallen.
De positie van grondbedrijven
Voor grondbedrijven wordt geen uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat de activa en passiva op
de openingsbalans moeten worden opgenomen tegen de waarde in het economische verkeer. Met een
dergelijke maatregel zou het beoogde gelijke speelveld in de optiek van de staatssecretaris worden
verstoord. Volgens hem zal ook de Europese Commissie er niet mee akkoord gaan. De
staatssecretaris gaat eraan voorbij dat juist door het hanteren van de hoofdregel het gelijke speelveld
wordt verstoord. De overheidsondernemingen worden straks belast voor de latere boekwinsten,
terwijl ze – anders dan private partijen – de aanvankelijk geleden boekverliezen niet ten laste van de
fiscale winst hebben kunnen brengen.
Zeehavenbeheerders
Het kabinet acht een vrijstelling voor zeehavenbeheerders gerechtvaardigd op grond van het feit dat
hun Europese concurrenten ook geen belasting naar de winst betalen, maar stelt echter tevens dat het
waarschijnlijk is dat de vrijstelling komt te vervallen. Het kabinet is in overleg met de Europese
Commissie over de houdbaarheid van een tijdelijke vrijstelling. Onder de huidige omstandigheden
acht men het risico niet groot dat na 2016 een bedrag in verband met ten onrechte verstrekte
staatssteun moet worden teruggevorderd.
De toetsing van het winstoogmerk in het eerste jaar
De oogmerktoets wordt voor het eerst over het jaar 2016 aangelegd. Mocht dat jaar een overschot te
zien geven, dan zou men kunnen stellen dat het een incidenteel overschot is. Die stelling wint aan
waarde indien met cijfers over de vorige jaren kan worden aangetoond dat dergelijke overschotten
Belastingadviseurs
Pagina 5
zich in die voorgaande periode niet voordeden. Het is ook mogelijk dat het overheidslichaam aan de
hand van de cijfers over de voorgaande jaren een voorlopige inschatting maakt. Niet duidelijk is of
die inschatting van betekenis is bij de uiteindelijke beantwoording van de vraag of het lichaam in
2016 belastingplichtig wordt.
Ondernemingsactiva worden gebruikt voor niet-ondernemingsactiviteiten
Indien een activum op basis van vermogensetikettering tot het ondernemingsvermogen wordt
gerekend terwijl het ook deels voor niet-ondernemingsdoeleinden wordt gebruikt, zal de
onderneming de kosten van dat laatste gebruik als onttrekking moeten aanmerken. In de omgekeerde
situatie (waarin het bedrijfsmiddel niet tot het ondernemingsvermogen wordt gerekend maar wel
binnen de onderneming wordt gebruikt), kunnen de kosten wel in aftrek worden gebracht.
In beide gevallen gaat het dus om de kosten. Met winstopslagen hoeft men geen rekening te houden.
Voor terbeschikkinggesteld personeel geldt in deze situaties dat met de integrale kostprijs (zowel
directe als indirecte personeelskosten) rekening moet worden gehouden.
Informatie voor de overheidsondernemingen inzake de nieuwe wetgeving
De Belastingdienst heeft op twee locaties teams samengesteld die zich de komende jaren volledig
richten op (voor)overleg en op de afhandeling van de aangiften 2016.
Per (directe) overheidsonderneming opteren voor een vrijstelling
De staatssecretaris acht het onwenselijk om per directe overheidsonderneming de keuze te maken of
al dan niet wordt afgezien van een algemene vrijstelling. Voor verlieslatende onderdelen zou dan van
een vrijstelling worden afgezien, waardoor de gezamenlijke winst van alle niet-vrijgestelde
ondernemingen wordt gedrukt. De keuze is dus beperkt: publiekrechtelijke lichamen moeten voor
alle vrijgestelde ondernemingen dezelfde keuze maken om al dan niet van de vrijstelling af te zien.
Tot slot
Indien u geïnteresseerd bent in de volledige tekst van de memorie van antwoord, verwijzen wij u
graag naar de website van Meijburg & Co. Uiteraard zijn wij te allen tijde bereid om u ter zake van
de komende belastingplicht voor overheidsbedrijven van advies te dienen.
Meijburg & Co
maart 2015
De in dit memorandum opgenomen informatie is van algemene aard en heeft geen betrekking op de specifieke
omstandigheden van een bepaald individu of een bepaalde entiteit. Hoewel bij de totstandkoming van dit
memorandum de grootst mogelijke zorgvuldigheid is betracht, kunnen wij niet garanderen dat de daarin
opgenomen informatie op de datum van ontvangst juist en volledig is of dat in de toekomst zal blijven. Op grond
van deze informatie dient geen actie ondernomen te worden zonder adequate professionele advisering na een
grondig onderzoek van de specifiek van toepassing zijnde situatie.