Informatie omtrent beleggingsinstrumenten

MiFID
Informatie omtrent
beleggingsinstrumenten
MiFID |3
INLEIDING
Aan ieder beleggers- of risicoprofiel hangen bepaalde financiële risico’s vast, afhankelijk onder meer van de financiële
activa die deel uitmaken van de daarmee samenhangende portefeuille. Optima benadrukt in dit kader dat de keuze
voor een beleggers­profiel die meer bescherming biedt, geen volledige uitsluiting van de beleggings­r isico’s kan
bieden.
Hieronder worden de aard van de meest courante beleggingsinstrumenten besproken, alsook de daarmee verband
houdende risico’s. Het gaat zowel om financiële instrumenten waarop MiFID betrekking heeft (vb. schatkistcer­
tificaten, deposito- en thesauriebewijzen, deelnemingsrechten in een ICB, obligaties, beleggingsverzekeringen,
aandelen, opties, warrants, futures, forwards, enz.) als belegging­instrumenten die niet door MiFID worden geviseerd
(vb. zichtrekeningen, termijnrekeningen, spaarrekeningen).
Deze informatie is gebaseerd op de Febelfin1-uitgave “Beleggingsinstrumenten (2009)”, die kan geraadpleegd
worden op de website www.febelfin.be en waarin de verschillende beleggingsinstrumenten nog meer in detail
worden beschreven.
Daarnaast dient u als cliënt vanzelfsprekend de documenten, die beschikbaar zijn voor een specifiek financieel
actief (vb. uitgifte­prospectus, essentiële beleggersinformatie, reglement voor deposito’s, productfiches, enz.), te
raadplegen om een volledig inzicht te krijgen in de aard en de risico’s van een welbepaald beleggingsinstrument.
Optima merkt verder op dat de hieronder beschreven financiële activa niet altijd door haar te koop worden aangeboden,
maar indirect in andere beleggingsinstrumenten (vb. deelnemingsrechten in een ICB) kunnen zijn begrepen.
SOORTEN BELEGGINGSRISICO’S
Het risico van een belegging komt tot uitdrukking op verschillende vlakken. Onderstaand treft u een overzicht en
een definitie aan van de algemene risico’s bij financiële beleggingen.
Het insolventierisico is het risico dat de emittent (en in voorkomend geval de garant of de tegenpartij) van de
belegging niet in staat is om zijn verbintenissen tot betaling na te komen, ingevolge bijvoorbeeld een faillissement.
Dit risico moet goed worden ingeschat: de emittent (en in voorkomend geval de garant of de tegenpartij) is namelijk verantwoordelijk voor, onder andere, de terugbetaling van de kapitaalinleg.
Het kapitaalrisico is het risico dat de belegger zijn kapitaalinleg niet volledig terugkrijgt op de vervaldatum of
wanneer hij tussentijds uit de belegging stapt.
Het rendementsrisico is het risico dat de belegging geen inkomsten oplevert. Het resultaat is een absoluut verlies
als gevolg van de inflatie en een relatief verlies in vergelijking met een renderende belegging.
Het liquiditeitsrisico is het risico dat het beleggingsinstrument moeilijk verhandelbaar is vóór de vervaldatum.
Het wisselkoersrisico is het risico van waardeschommelingen van de belegging, in een ander valuta dan de euro,
ten gevolge van wisselkoersschommelingen.
Het renterisico is het risico van waardeschommelingen van de belegging ten gevolge van wijzigingen van de rente­
tarieven op de markt. Bij vastrentende activa, zoals obligaties, leidt een wijziging van de rentetarieven tot een wijziging van de beurskoers van het financiële instrument. Wordt de obligatie bijvoorbeeld vóór de vervaldatum op de
secundaire markt verkocht op een ogenblik dat de marktrente hoger ligt dan de nominale rente van de
obligatie, dan zal de belegger een minwaarde boeken op de obligatie; ligt de marktrente daarentegen lager dan de
Febelfin is de overkoepelende federatie voor de Belgische financiële sector.
1
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
4 |MiFID
nominale rente, dan zal de belegger een meerwaarde realiseren. Bij niet-vastrentende activa, zoals aandelen, heeft
een stijging van de rentetarieven op de markt over het algemeen een negatieve invloed op het verloop van de beurskoersen.
Het inflatierisico is het risico dat de waarde van de (middellanglopende, langlopende of zeer langlopende) belegging wordt aangetast door een stijging van het algemene prijspeil.
Het volatiliteitsrisico is het risico bij niet-vastrentende activa dat de belegging onderhevig is aan sterke waardeschommelingen.
(NIET-EXHAUSTIEF) OVERZICHT VAN BELEGGINGSINSTRUMENTEN
1 DEPOSITO’S
Beschrijving
Zichtrekeningen zijn cashdeposito’s bij een kredietinstelling die steeds een kapitaalwaarborg genieten en die
credit­interesten opbrengen. Deze rekeningen kunnen ofwel in euro ofwel in andere valuta’s (vb. dollar) worden
uitgedrukt. De cliënten gebruiken deze rekeningen als draaischijf voor hun inkomende en uitgaande gelden (vb.
stortingen, geldafhalingen, overschrijvingen, betalingen via debetkaart, enz.).
Spaarrekeningen zijn cashdeposito’s bij een kredietinstelling die steeds een kapitaalwaarborg genieten en die
credit­interesten opbrengen. Daarnaast wordt een getrouwheidspremie toegekend voor de bedragen die 12 opeenvolgende maanden op de betrokken rekening blijven staan. Deze rekeningen worden altijd in euro uitgedrukt.
Onder bepaalde wettelijke voorwaarden op het vlak van de renteberekening en de opvragingen, gaat het – vanuit
fiscaal oogpunt – om “gereglementeerde” spaarrekeningen, waarvan de interesten vrijgesteld zijn van roerende
voorheffing tot een welbepaalde limiet voor natuurlijke personen die in België wonen.
Termijnrekeningen zijn cashdeposito’s bij een kredietinstelling waarvan het tegoed slechts opvraagbaar is op een
vooraf afgesproken datum. Deze cashdeposito’s genieten een kapitaalwaarborg en een gewaarborgde bruto-interestvoet op jaar­basis. De rente is ten vroegste beschikbaar op de vervaldag. Meestal gaat het om kortlopende termijnrekeningen (met een looptijd van maximum één jaar), maar langlopende termijnrekeningen (met een looptijd
van meer dan één jaar) zijn mogelijk. Deze rekeningen worden doorgaans in euro uitgedrukt, maar kunnen ook in
andere valuta’s (vb. dollar) luiden.
Risico’s
Insolventierisico
Laag, aangezien de deposito’s worden toevertrouwd aan kredietinstellingen die onder het strenge toezicht staan
van de Nationale Bank van België (NBB). Voor het geval een Belgische kredietinstelling toch failliet zou gaan, geldt
een deposito­beschermingssysteem dat de terugbetaling waarborgt per rekeninghouder van een bedrag van maximum 100.000 EUR, voor zover het om een rekening gaat in een munt van de Europese Unie.
Liquiditeitsrisico
Heel laag voor zicht- en spaarrekeningen, aangezien op elk ogenblik de deposito’s kunnen worden opgevraagd
(tenzij voor heel grote bedragen, waar de kredietinstelling op voorhand moet worden verwittigd).
Laag voor termijnrekeningen. In principe zijn de deposito’s belegd op een termijnrekening niet beschikbaar vóór de
vervaldatum, doch in de meeste gevallen kunnen zij toch vervroegd worden opgevraagd mits betaling van een
herbeleggings­vergoeding aan de kredietinstelling.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor rekeningen in euro.
Voor zicht- en termijnrekeningen die in een andere valuta dan de euro worden uitgedrukt, is het risico laag, matig
tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |5
Renterisico
Heel laag voor zicht- en spaarrekeningen, doch de toegepaste rentevoet kan op elk ogenblik worden gewijzigd door
de krediet­instelling.
Laag, matig tot hoog voor termijnrekeningen met een looptijd van respectievelijk minder dan 3 jaar, tussen 3 en 5
jaar of meer dan 5 jaar.
Inflatierisico
Als gevolg van de inflatie, kan de waarde van het kapitaal op datum van terugbetaling een lagere koopkracht hebben
dan op het moment van storting. Als de rente op de rekening hoger ligt dan de gemiddelde inflatie over dezelfde
periode, dan compenseert de rente deze inflatie.
2 SCHATKISTCERTIFICATEN
Beschrijving
Schatkistcertificaten zijn kortlopende schuldbewijzen (met een looptijd van maximum één jaar) in euro, door de
overheid uitgegeven door middel van aanbestedingen (opbodsysteem). Ze representeren een lening door de belegger aan de overheid voor een korte periode, in ruil voor een bepaalde rente.
Deze financiële instrumenten zijn bedoeld voor professionele en institutionele beleggers, maar particuliere beleggers kunnen ze eveneens aanschaffen op de secundaire markt (d.i. de markt voor de verhandeling van financiële
instrumenten).
Risico’s
Insolventierisico
Heel laag, aangezien de overheid door de OESO-landen2 als de beste schuldenaar wordt beschouwd.
Liquiditeitsrisico
Heel laag, gelet op het omvangrijke volume van schatkistcertificaten in omloop en de actieve secundaire markt op
dit vlak.
Wisselkoersrisico
Onbestaand, aangezien schatkistcertificaten worden uitgedrukt in euro.
Renterisico
Laag, gelet op de korte looptijd van schatkistcertificaten.
3 DESPOSITO- EN THESAURIEBEWIJZEN
Beschrijving
Deposito- en thesauriebewijzen zijn kortlopende schuldbewijzen (met een looptijd van maximum één jaar), voor
een bedrag van minstens 250.000 EUR of het equivalent daarvan in een vreemde munt. Depositobewijzen worden
uitgegeven door kredietinstellingen, terwijl thesauriebewijzen worden uitgegeven door grote ondernemingen,
fondsen voor beleggingen in schuldvorderingen en bepaalde overheden. Ze vertegenwoordigen in beide gevallen
een lening door de belegger aan de emittent voor een korte periode, in ruil voor een bepaalde rente.
Deze financiële instrumenten zijn bedoeld voor professionele en institutionele beleggers.
OESO, wat staat voor Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, heeft thans 34 staten als leden.
2
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
6 |MiFID
Risico’s
Insolventierisico
Laag voor depositobewijzen aangezien ze worden uitgegeven door kredietinstellingen die onder het strenge toezicht staan van de Nationale Bank van België (NBB).
Laag, matig tot hoog voor thesauriebewijzen, afhankelijk van de kwaliteit van de emittent.
Liquiditeitsrisico
Matig, gelet op het gebrek aan uitgebouwde secundaire markt op het vlak van deposito- en thesauriebewijzen.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor deposito- en thesauriebewijzen in euro.
Voor deposito- en thesauriebewijzen in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk
van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, gelet op de korte looptijd van deposito- en thesauriebewijzen.
4 OBLIGATIES
Beschrijving
Obligaties zijn middellanglopende, langlopende of zeer langlopende schuldbewijzen (d.i. in ieder geval met een
looptijd van meer dan één jaar) in euro of een andere valuta (vb. dollar) die een schuldbekentenis van de emittent
belichamen. Vanuit het oogpunt van de obligatiehouder, gaat het om een bewijs van deelneming in een lening op
middellange, lange of zeer lange termijn, waarvoor hij meestal interesten krijgt.
Obligaties worden in principe uitgegeven op de primaire markt (d.i. de markt voor de uitgifte van nieuwe financiële
instrumenten) gedurende een welbepaalde periode (uitgifteperiode) en tegen een welbepaalde uitgifteprijs. Nadien
dient de belegger zich te wenden tot de secundaire markt (d.i. de markt voor de verhandeling van financiële instrumenten). Op de secundaire markt schommelen de prijzen dagelijks: als de rentevoeten stijgen, dalen de koersen
van de obligaties; bij dalende rentevoeten, stijgen de koersen van de obligaties.
De voornaamste kenmerken van obligaties zijn de volgende:
Emittent
Obligaties kunnen worden uitgegeven door een Belgische of buitenlandse overheidsinstelling, onderneming of
krediet­instelling dan wel een internationale instelling.
Om de solvabiliteit of kredietwaardigheid van een emittent te beoordelen, kan de belegger zich beroepen op de
ratings die worden toegekend door gespecialiseerde bureau’s (vb. Moody’s, Standard & Poor’s, enz.). Hoe beter de
rating, hoe kleiner het insolventierisico. Obligaties van goede kwaliteit hebben een rating van AAA tot BBB-; obligaties met een hoog risico hebben een rating van BB+ tot D (telkens toegekend door het ratingbureau Standard &
Poor’s). De ratings kunnen evenwel verschillen van ratingbureau tot ratingbureau. Bovendien zijn ratings niet
onfeilbaar en doen zich soms vergissingen voor.
Rendement
Over het algemeen geeft een gewone obligatie tijdens de volledige looptijd recht op een vaste jaarlijkse coupon.
Toch bestaan er tal van andere soorten obligaties, zoals obligaties met nulcoupon, obligaties met vlottende rente,
geïndexeerde obligaties waarvan het rendement gekoppeld is aan de ontwikkeling van een bepaalde index (vb.
inflatie, beursindex, koers van één of meer obligaties, koers van één of meer aandelen, enz.) (zie verder).
Looptijd
De looptijd wordt vastgelegd bij de uitgifte van de obligatie. Op deze manier kent de belegger de datum waarop zijn
start­kapitaal zal worden terugbetaald. In de uitgiftevoorwaarden kan evenwel sprake zijn van een vervroegde
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |7
terugbetaling op initiatief van de emittent of de obligatiehouder (wat betekent dat de terugbetalingsdatum
verschilt van de vervaldatum) tegen een vastgelegde koers en op een welbepaalde datum. Daarnaast bestaan ook
eeuwigdurende obligaties (zie verder).
Uitgifteprijs
De uitgifteprijs van een obligatie is niet noodzakelijk gelijk aan de nominale waarde ervan en wordt afgestemd op
de marktvoorwaarden. Obligaties kunnen worden uitgegeven a pari (uitgifteprijs is gelijk aan de nominale waarde),
beneden pari (uitgifteprijs ligt beneden de nominale waarde) of boven pari (uitgifteprijs ligt boven de nominale
waarde).
Terugbetalingsprijs
De terugbetalingsprijs van een obligatie op de vervaldag bedraagt meestal 100% van de nominale waarde. Soms
voorziet de obligatie een terugbetalingspremie, met als gevolg dat de emittent zal terugbetalen aan een prijs die meer
is dan 100% van de nominale waarde. Bepaalde obligaties kunnen ook worden omgezet in aandelen, zoals converteerbare obligaties (zie verder).
Achterstelling
Bij faillissement, ontbinding of elke andere vorm van juridische samenloop op de goederen van de emittent hangt de
terugbetaling van de obligatiehouder af van zijn positie in voornoemd(e) faillissement, ontbinding of andere vorm
van samenloop. De houders van bevoorrechte (of preferente) obligaties worden als eersten – samen met andere
bevoorrechte schuldeisers – terugbetaald. De houders van gewone obligaties worden na alle bevoorrechte schuldeisers en houders van bevoorrechte (preferente) obligaties uitbetaald. De houders van achtergestelde obligaties
komen pas nadien in de rij: zij worden na alle overige obligatiehouders terugbetaald (bevoorrechte obligatiehouders
en gewone obligatiehouders), doch vóór de aandeelhouders.
Specifieke obligaties volgens type
Sommige obligaties hebben andere eigenschappen dan de zogenaamde traditionele obligaties. Zij worden hieronder
voorgesteld.
Obligaties met nulcoupon of zerobonds zijn obligaties die geen jaarlijkse interest opleveren. Om dat te compenseren ligt de uitgifteprijs veel lager dan de nominale waarde (of terugbetalingsprijs) van de obligatie. Het verschil
tussen de uitgifteprijs en de terugbetalingsprijs is zo berekend dat het (hypothetisch) rendement op de zerobond
ongeveer overeenstemt met een gewone obligatie met een vaste rente (coupon), waarvan de rente wordt gekapi­
taliseerd.3 Een nulcouponobligatie met een nominale waarde van 100 EUR en een (hypothetisch) rendement
gedurende 10 jaar van 10%, zal bijvoorbeeld een uitgifteprijs hebben van 37,50 EUR. Een investering van 37,50 EUR
vandaag, is namelijk tegen een samengestelde rente van 10% over 10 jaar 100 EUR waard.
Obligaties met vlottende rente zijn obligaties waarvan de rentevoet regelmatig wordt vastgesteld voor de volgende periode (bijvoorbeeld om de 6 maanden voor de volgende 6 maanden). De modaliteiten voor rentebepaling
worden vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden.
Geïndexeerde obligaties zijn obligaties waarvan het rendement gekoppeld is aan de ontwikkeling van een
bepaalde onderliggende index (vb. inflatie, beursindex, koers van één of meer obligaties, koers van één of meer
aandelen, enz.). Inflatie­geïndexeerde obligaties of inflation­linked bonds, waarvan de coupon wordt uitgekeerd op
een nominaal bedrag aangepast aan de inflatie, hebben het voordeel dat ze geen geldontwaarding ondergaan.
Eeuwigdurende obligaties of perpetual bonds zijn obligaties zonder vervaldatum. In de uitgiftevoorwaarden is
meestal evenwel sprake van een mogelijkheid tot vervroegde terugbetaling op initiatief van de emittent, tegen een
vastgelegde prijs en op een welbepaalde datum.
Kapitalisatie houdt in dat de rente niet wordt uitgekeerd, maar bij het kapitaal wordt gevoegd, waarna in het daaropvolgende jaar de rente berekend
wordt op het totaal van de hoofdsom en de toegevoegde rente.
3
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
8 |MiFID
Converteerbare obligaties zijn obligaties die onder bepaalde voorwaarden (t.w. de conversieverhouding4 en de
conversieprijs5) en tijdens een vooraf bepaalde periode (d.i. de conversieperiode) op verzoek van de obligatiehouder
kunnen worden omgeruild tegen aandelen van de emitterende vennootschap (of desgevallend een moeder­
vennootschap). De houder van de obligatie heeft zodoende de keuze om ofwel te converteren ofwel de obligatie te
laten terugbetalen op de vervaldatum. In ruil voor dit recht tot conversie ontvangt de houder van een converteerbare obligatie minder rente dan de houder van een identieke traditionele obligatie.
Obligaties met warrant zijn obligaties, voorzien van een apart verhandelbaar financieel instrument (warrant),
dat de houder ervan het recht geeft om – tijdens een welbepaalde periode en aan de voorwaarden bepaald op het
moment van de uitgifte – tegen een vaste contante prijs in te schrijven op effecten (vb. aandelen, obligaties, enz.)
van de emittent (of des­gevallend een moedervennootschap). In ruil voor deze warrant ontvangt de obligatiehouder minder rente dan de houder van een identieke traditionele obligatie. Het verschil met converteerbare obligaties
bestaat erin dat na de uitoefening van de warrant, de obligatie blijft bestaan (terwijl bij converteerbare obligaties de
obligatie wordt omgezet in een aandeel).
Bij omgekeerd converteerbare obligaties of reverse convertible bonds is het de emittent (en niet de obligatiehouder!) die op de vervaldatum van de obligatielening de keuze heeft tussen de terugbetaling in contanten of
de aflossing in aandelen van de vennootschap waarop de convertible bond betrekking heeft (tegen de bij uitgifte
afgesproken conversieprijs). De emittent zal voor deze laatste optie kiezen wanneer op de eindvervaldag de aan­
delen lager noteren dan de conversieprijs, wat in een kapitaalverlies voor de obligatiehouder resulteert. In ruil voor
dit risico van kapitaalverlies ontvangt de houder van een omgekeerd converteerbare obligatie meer rente dan de
houder van een identieke traditionele obligatie.
Obligaties volgens emittent
4.1KASBONS
Kasbons zijn door kredietinstellingen uitgegeven schuldbewijzen. Kasbons hebben doorgaans een looptijd van
één tot tien jaar en worden doorlopend uitgegeven. Verder worden kasbons a pari uitgegeven, d.w.z. tegen 100%
van de nominale waarde. Er bestaan kasbons met een vaste of vlottende rente (coupon), waarvan de rente ofwel
periodiek wordt uitgekeerd (distributiekasbons) ofwel wordt gekapitaliseerd6 (kapitalisatiekasbons).
Risico’s
Insolventierisico
Laag, aangezien kasbons worden uitgegeven door kredietinstellingen die onder het strenge toezicht staan van de
Nationale Bank van België (NBB). Voor het geval een Belgische kredietinstelling toch failliet zou gaan, geldt onder
bepaalde voorwaarden een depositobeschermingssysteem dat de terugbetaling waarborgt per belegger van een
bedrag van maximum 100.000 EUR, voor zover het gaat om kasbons op naam, gedematerialiseerd of geboekt op
een effectenrekening.
Liquiditeitsrisico
Matig, gelet op het gebrek aan uitgebouwde secundaire markt op het vlak van kasbons. In de praktijk kopen de
meeste kredietinstellingen evenwel hun eigen kasbons in op verzoek van de cliënt, mits betaling door de kasbonhouder van kosten.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor kasbons in euro.
De conversieverhouding geeft het aantal (nieuwe) aandelen aan dat de belegger krijgt bij de omwisseling van één converteerbare obligatie.
De conversieprijs is de prijs waartegen de onderneming de nieuwe aandelen op het moment van de omruiling zal uitgeven. De conversieprijs wordt
meestal uitgedrukt als de nominale waarde van de converteerbare obligatie gedeeld door de conversieverhouding. Als een converteerbare obligatie
met een nominale waarde van 2.000 EUR bij de omwisseling recht geeft op bvb 10 nieuwe aandelen, dan is de conversieverhouding 10/1 en de conversieprijs 200 EUR.
6
Kapitalisatie houdt in dat de rente niet wordt uitgekeerd, maar bij het kapitaal wordt gevoegd opdat zij op haar beurt rente zou kunnen opbrengen,
waarna in het daaropvolgende jaar de rente berekend wordt op het totaal van de hoofdsom en de toegevoegde rente.
4
5
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |9
Voor kasbons in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling
van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog voor kasbons met een looptijd van respectievelijk minder dan 3 jaar, tussen 3 en 5 jaar of meer
dan 5 jaar.
Inflatierisico
Als gevolg van de inflatie, kan de hoofdsom (of het kapitaal) op de vervaldatum een lagere koopkracht hebben dan
aan het begin van de belegging. Hoe hoger de inflatie of hoe langer de looptijd van de obligatie, hoe groter de
munterosie. Als de nominale rente van de obligatie hoger ligt dan de gemiddelde inflatie tijdens de looptijd van de
obligatie, dan compenseert de rente deze inflatie.
4.2STAATSOBLIGATIES
De bekendste vormen van staatsobligaties zijn de staatsbons en de lineaire obligaties.
Staatsbons zijn schuldbewijzen in euro, door de Belgische Staat uitgegeven. Ze worden slechts vier maal per jaar
(maart, juni, september endecember) uitgegeven en geven recht op een vaste rente (coupon), die jaarlijks wordt
uitbetaald (zonder mogelijkheid tot kapitalisatie). Hun looptijd is variabel: er bestaan bijvoorbeeld staatsbons op 3,
5 of 8 jaar, staatsbons met een 5-7 formule (looptijd van 5 jaar, verlengbaar met 2 jaar tegen dezelfde voorwaarden) of
staatsbons met een 3-5-7 formule (looptijd van 7 jaar, maar na het 3de of 5de jaar kan de houder de terugbetaling a pari
vragen). Staatsbons zijn bedoeld voor particuliere beleggers en noteren op de beurs.
Lineaire obligaties (beter gekend onder de naam OLO’s, wat staat voor Obligations linéaires - Lineaire Obligaties)
zijn schuldbewijzen in euro, via aanbesteding (opbodsysteem) door de Belgische schatkist uitgegeven. Ze geven
meestal recht op een vaste rente (coupon) en hebben een middellange, lange of zeer lange looptijd (tot 30 jaar).
Lineaire obligaties zijn bedoeld voor professionele en institutionele beleggers, maar particuliere beleggers kunnen
ze eveneens aanschaffen op de secundaire markt (d.i. de markt voor de verhandeling van financiële instrumenten).
Risico’s
Insolventierisico
Heel laag, aangezien de overheid door de OESO-landen7 als de beste schuldenaar wordt beschouwd.
Liquiditeitsrisico
Heel laag, gelet op de doorlopende beursnotering voor staatsbons enerzijds en het omvangrijke volume van lineaire
obligaties in omloop en de actieve secundaire markt op het vlak anderzijds.
Wisselkoersrisico
Onbestaand, aangezien staatsbons en lineaire obligaties worden uitgedrukt in euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog voor staatsbons en lineaire obligaties met een looptijd van respectievelijk minder dan 3 jaar,
tussen 3 en 5 jaar of meer dan 5 jaar.
Inflatierisico
Als gevolg van de inflatie, kan de hoofdsom (of het kapitaal) op de vervaldatum een lagere koopkracht hebben dan
aan het begin van de belegging. Hoe hoger de inflatie of hoe langer de looptijd van de obligatie, hoe groter de munt­
erosie. Als de nominale rente van de obligatie hoger ligt dan de gemiddelde inflatie tijdens de looptijd van de obligatie,
dan compenseert de rente deze inflatie.
OESO, wat staat voor Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, heeft 34 staten als leden.
7
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
10 |MiFID
4.3 BEDRIJFSOBLIGATIES
Bedrijfsobligaties of ‘corporate bonds’ zijn door ondernemingen uit de private sector uitgegeven schuldbewijzen.
Ze geven meestal recht op een vaste rente (coupon).
Risico’s
Insolventierisico
Laag, matig tot hoog voor thesauriebewijzen, afhankelijk van de kwaliteit van de emittent.
Liquiditeitsrisico
Matig tot hoog, gelet op het gebrek aan uitgebouwde secundaire markt voor bedrijfsobligaties. Hoe groter het
bedrag van de oorspronkelijke uitgifte of de kwaliteit van de debiteur, hoe kleiner het liquiditeitsrisico.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor bedrijfsobligaties in euro.
Voor bedrijfsobligaties in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog voor bedrijfsobligaties met een looptijd van respectievelijk minder dan 3 jaar, tussen 3 en 5 jaar
of meer dan 5 jaar.
Inflatierisico
Als gevolg van de inflatie, kan de hoofdsom (of het kapitaal) op de vervaldatum een lagere koopkracht hebben dan
aan het begin van de belegging. Hoe hoger de inflatie of hoe langer de looptijd van de obligatie, hoe groter de munt­
erosie. Als de nominale rente van de obligatie hoger ligt dan de gemiddelde inflatie tijdens de looptijd van de obligatie,
dan compenseert de rente deze inflatie.
4.4 EURO-OBLIGATIES
Euro-obligaties of eurobonds zijn schuldbewijzen die worden uitgegeven in verscheidene landen tegelijk door privé­
ondernemingen of overheidsinstellingen buiten de eigen markt en in een munt die niet noodzakelijk overeenstemt
met de valuta van de debiteur. De emissie wordt overgenomen door een internationaal consortium van financiële
instellingen en kunnen door beleggers overal ter wereld worden aangekocht.
Risico’s
Insolventierisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittent.
Liquiditeitsrisico
Matig tot hoog, gelet op het gebrek aan uitgebouwde secundaire markt voor euro-obligaties. Hoe groter het bedrag
van de oorspronkelijke uitgifte of de kwaliteit van de debiteur, hoe kleiner het liquiditeitsrisico. Euro-obligaties in
courante munten hebben eveneens een grotere liquide markt dan financiële instrumenten in weinig courante
munten.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor euro-obligaties in euro.
Voor euro-obligaties in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog voor euro-obligaties met een looptijd van respectievelijk minder dan 3 jaar, tussen 3 en 5 jaar
of meer dan 5 jaar.
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |11
Inflatierisico
Als gevolg van de inflatie, kan de hoofdsom (of het kapitaal) op de vervaldatum een lagere koopkracht hebben dan
aan het begin van de belegging. Hoe hoger de inflatie of hoe langer de looptijd van de obligatie, hoe groter de munt­
erosie. Als de nominale rente van de obligatie hoger ligt dan de gemiddelde inflatie tijdens de looptijd van de obligatie,
dan compenseert de rente deze inflatie.
5 AANDELEN
Beschrijving
Aandelen zijn eigendomstitels die een bepaald deel van het kapitaal van een vennootschap vertegenwoordigen. De
aandeelhouders kunnen dan ook als eigenaars van de vennootschap worden beschouwd, ieder a rato van het aantal
aandelen dat hij in zijn bezit heeft. In die zin delen aandeelhouders het risico van de onderneming, in tegenstelling
tot obligatiehouders die een schuldvordering hebben op de vennootschap in kwestie (en die bij een faillissement
van de vennootschap worden uitbetaald vóór de aandeelhouders).
Aandelen hebben doorgaans geen vervaltermijn (in tegenstelling tot obligaties) en leveren geen vaste inkomsten
op (in tegenstelling tot obligaties, met uitzondering van reverse convertible bonds). De eventuele dividenden8 en de
gerealiseerde meerwaarde9 op het aandeel vormen samen de zogenaamde return.
De prijs van een aandeel komt tot stand ingevolge het spel van vraag en aanbod op de financiële markten. Zowel
interne factoren (vb. de financiële, technische en commerciële situatie van de onderneming, haar investerings­
beleid, haar winstverwachtingen en de verwachtingen van de economische sector waartoe zij behoort, enz.) als externe
factoren (vb. het peil van de rentetarieven, de ontwikkeling van de wisselkoers, het klimaat op de beursmarkten,
enz.) spelen een rol bij de prijsvorming.
Aan aandelen zijn verschillende rechten verbonden, zoals:
-- het recht op een deel van de winst van de onderneming (in de vorm van dividenden), voor zover de algemene vergadering tot uitkering van de winst heeft beslist (en niet heeft beslist de winst opnieuw te investeren of als reserve
te behouden);
-- het stemrecht op gewone en buitengewone algemene vergaderingen (tenzij het gaat om aandelen zonder stemrecht, zie verder);
-- het recht op een deel van de liquidatiewaarde van de onderneming bij ontbinding van de vennootschap, voor zover
er natuurlijk een liquidatiesaldo is;
-- het voorkeurrecht om bij een kapitaalverhoging – in de verhouding tot de aandelenparticipatie – in te schrijven op
de nieuwe aandelen.
Specifieke aandelencategorieën
Aandelen komen voor in verschillende vormen, met name:
-- aandelen op naam of gedematerialiseerde aandelen: bij aandelen op naam worden de rechten van de houders ervan
ingeschreven in het register van de aandelen op naam bij de vennootschap, terwijl de rechten van houders van
gedematerialiseerde aandelen worden ingeschreven op een effectenrekening (geopend op hun persoonlijke naam) bij
een erkende instelling;
-- aandelen met of zonder stemrecht: aandelen met stemrecht verlenen de aandeelhouders het recht om deel te nemen
aan de algemene vergaderingen, mee te stemmen over de agendapunten en vragen te stellen aan bijvoorbeeld de
bestuurders van de vennootschap (terwijl de houders van aandelen zonder stemrecht deze rechten niet hebben);
-- bevoorrechte of niet-bevoorrechte aandelen: bevoorrechte aandelen hebben bepaalde – in de statuten omschreven
– voorrechten, zoals het recht op een grotere deelname in de winst, een gewaarborgd minimumrendement, een
dubbel stemrecht, een voorrang bij ontbinding van de vennootschap (terwijl de houders van niet-bevoorrechte
aandelen deze rechten niet hebben);
Dit zijn de tussentijdse inkomsten die voortvloeien uit de eigendom van een aandeel.
De meerwaarde is de som die bovenop de initiële acquisitieprijs wordt verkregen bij de vervreemding van een bepaald actief.
8
9
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
12 |MiFID
-- aandelen met of zonder VVPR-strip (wat staat voor ‘Verlaagde Voorheffing - Précompte Réduit’): de dividenden van
aandelen met VVPR-strip worden belast aan 21% roerende voorheffing, terwijl de divenden van aandelen zonder
VVPR-strip worden belast aan 25%;
-- al dan niet beursgenoteerde aandelen.
Risico’s
Insolventierisico
Aandelen vormen risicodragend kapitaal (en zijn dus niet gelijk te stellen met schuldvorderingen die kunnen
worden ingevorderd op overeengekomen tijdstippen). De vennootschap die aandelen uitgeeft, is niet verplicht deze
terug te betalen. In geval van faillissement kunnen aandelen vrijwel volledig waardeloos worden.
Liquiditeitsrisico
Laag (in beginsel), indien het gaat om beursgenoteerde aandelen. Hoe groter het bedrag van de beurskapitalisatie,
hoe kleiner het liquiditeitsrisico omwille van grotere verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor aandelen in euro.
Voor aandelen in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling
van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van het aandeel en het beursklimaat.
Volatiliteitsrisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de volatiliteit van het aandeel. De volatiliteit van een aandeel hangt in sterke
mate af van de kwaliteit van de vennootschap, de ontwikkelingen in de sector waarin de vennootschap actief is en
het algemene beursklimaat.
Inflatierisico
Het inflatierisico bij aandelen is veel lager dan bij obligaties aangezien de return (opbrengst en waarde) van aandelen
meestal mee stijgt met de inflatie.
6 TRACKERS
Beschrijving
Trackers (ook wel ETF genoemd, wat staat voor Exchange Traded Funds) zijn financiële instrumenten die het
midden houden tussen aandelen en deelnemingsrechten in een ICB (zie verder). Trackers zijn beursgenoteerde
financiële instrumenten die, net zoals passief beheerde index-ICB’s, zo getrouw mogelijk de prestaties van een
index op een aandelenkorf volgen (zonder de bedoeling de betrokken index te verslaan) en op deze manier met één
enkele transactie toegang geven tot een gediversi­fieerde aandelenportefeuille.
Er bestaan drie soorten trackers:
-- open-end index trackers: de dividenden van de onderliggende waarden worden op­nieuw geïnvesteerd vanaf de dag
van ont­vangst. Per kwartaal worden die dividenden uitgekeerd aan de tracker-houders. In de tussentijd zal de koers
van de tracker lichtjes afwij­ken van de koers van de onderliggende index;
-- unit investment fund trackers: de dividenden van de onderliggende waarden worden in cash bijgehouden en per
kwartaal uitgekeerd aan de tracker-houders. Op deze manier is de koers van de tracker identiek aan de koers van de
onderliggende index;
-- grantor fund trackers: de dividenden van de onderliggende waarden worden onmiddellijk uitgekeerd aan de trackerhouders. De koers van de tracker is identiek aan de koers van de onderliggende index.
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |13
Risico’s
Insolventierisico
Voor de tracker: trackers worden uitgegeven door beheerders. Het risico dat deze beheerders hun verplichtingen
niet kunnen nakomen, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: onbestaand, gelet op het feit dat de onderliggende activa (aandelen) risicodragend
kapitaal uitmaken. In geval van faillissement van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben, kunnen
aandelen evenwel volledig waardeloos worden.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de doorlopende beursnotering. Een beursnotering is nochtans geen garantie voor een vlotte verhandel­
baarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende aandelen van de tracker in euro.
Voor de onderliggende aandelen van de tracker in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog
afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende aandelen waarin de tracker heeft belegd.
Volatiliteitsrisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende aandelen waarin de tracker heeft belegd. Het volatiliteits­
risico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Inflatierisico
Het inflatierisico bij trackers is, zoals hun onderliggende aandelen, veel lager dan bij obligaties.
7
DEELNEMINGSRECHTEN IN INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE
BELEGGING
Beschrijving
Een instelling voor collectieve belegging (ook wel ICB genoemd) is een algemene term ter aanduiding van een entiteit
die een kapitaal van verschillende investeerders bijeenbrengt, met als doelstelling dit kapitaal op professionele
wijze collectief te beleggen in bepaalde activa volgens het beginsel van de risicospreiding.
ICB’s volgens rechtsvorm
Binnen de ICB’s wordt klassiek – in functie van de rechtsvorm – een onderscheid gemaakt tussen collectieve beleggingsfondsen (zonder rechtspersoonlijkheid) en collectieve beleggingsvennootschappen (met rechtspersoonlijkheid). In een beleggingsfonds zijn de deelnemers aan het fonds de gezamenlijke eigenaars van het verzamelde kapitaal, waardoor hun deelnemingsrechten een (onverdeeld) eigendomsrecht belichamen in het gezamenlijke
fondsvermogen. Een beleggingsvennootschap heeft daarentegen rechtspersoonlijkheid, waardoor de vennootschap als aparte juridische entiteit een eigen vermogen heeft en de deelnemingsrechten de vorm aannemen van
aandelen (zie hoger).
Binnen beleggingsvennootschappen kunnen compartimenten bestaan, met elk hun geëigende categorie van aandelen die de eigendomstitels op een afzonderlijk gedeelte van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen. Economisch gezien is ieder compartiment aldus vergelijkbaar met een afzonderlijke ICB.
ICB’s volgens kapitaalstructuur
Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt tussen ICB’s met een veranderlijk kapitaal (ook wel BEVEK of SICAV
genoemd, voor zover het gaat om beleggingsvennootschappen) en ICB’s met een vast kapitaal (ook wel BEVAK of
SICAF genoemd, voor zover het gaat om beleggingsvennootschappen).
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
14 |MiFID
In een ICB met veranderlijk kapitaal kan doorlopend en zonder formaliteiten het kapitaal worden verhoogd door
aanvullend rechten van deelneming uit te geven (bij aankoop door een belegger van deelnemingsrechten) respectievelijk het kapitaal worden verminderd door deelnemingsrechten in te kopen (bij verkoop door een belegger van
deelnemingsrechten). Er bestaat dan ook geen behoefte aan een primaire en secundaire markt voor de deel­
nemingsrechten van de ICB: zij worden door de ICB gewoonlijk zelf verhandeld tegen inventariswaarde. De inventariswaarde wordt periodiek berekend en gepubliceerd in de financiële pers en komt overeen met de totale waarde
van het netto-actief van de ICB, gedeeld door het aantal deelnemingsrechten in omloop.
In een ICB met vast kapitaal dient voor een verhoging of verlaging van het kapitaal in beginsel de algemene vergadering van (fonds- of vennootschaps)deelnemers het beheerreglement of de statuten te wijzigen. Om alsnog in een
vlotte in- en uit­t reding te voorzien, dienen de deelnemingsrechten van de ICB derhalve op een beurs of gereglementeerde markt genoteerd te staan. De koers van het deelnemingsrecht wordt bepaald door het spel van vraag en
aanbod, waardoor de prijs sterk kan afwijken van de intrinsieke waarde van het effect.
ICB’s volgens uitkeringsbeleid
De deelnemingsrechten in een ICB kunnen van het distributie- of kapitalisatietype zijn. Bij distributie-effecten
worden de geïnde inkomsten (geheel of gedeeltelijk) periodiek uitgekeerd aan de houders van de deelnemingsrechten,
in de vorm van dividenden, terwijl bij kapitalisatie-effecten de inkomsten worden herbelegd in de ICB en aan het
kapitaal worden toegevoed. De houder van een deelnemingsrecht van het kapitalisatietype krijgt geen dividenden
uitgekeerd en zal pas bij een verkoop een inkomen ontvangen (in de vorm van een meerwaarde).
ICB’s volgens beleggingsvoorwerp
7.1 MONETAIRE ICB’S
Monetaire ICB’s beleggen overwegend in deposito’s en kortlopende financiële instrumenten, zoals termijndeposito’s, schatkistcertificaten, thesaurie- en depositobewijzen (zie hoger), waardoor de belegger indirect participeert
in een gediversifieerde geldmarktportefeuille.
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa. Het insolventierisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de doorlopende inkoop door de ICB’s met veranderlijk kapitaal en de beursnotering van ICB’s met vast
kapitaal. Een beursnotering is nochtans geen garantie voor een vlotte verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
7.2 OBLIGATIE-ICB’S
Obligatie-ICB’s beleggen overwegend in vastrentende activa, zoals staatsobligaties, bedrijfsobligaties en euroobligaties (zie hoger), waardoor de belegger indirect participeert in een gediversifieerde obligatieportefeuille.
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |15
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa. Het insolventierisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de doorlopende inkoop door de ICB’s met veranderlijk kapitaal en de beursnotering van ICB’s met
vast kapitaal. Een beursnotering is nochtans geen garantie voor een vlotte verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
7.3 AANDELEN-ICB’S (AANDELENFONDSEN)
Aandelen-ICB’s beleggen overwegend in aandelen (en aanverwante instrumenten), waardoor de belegger indirect
participeert in een gediversifieerde aandelenportefeuille.
De beheerstrategie van de ICB kan van het actieve of het passieve type zijn. Bij een passief beheer volgt de ICB zo
getrouw mogelijk de prestaties van een index op een aandelenkorf, terwijl bij een actief beheer de ICB de bedoeling
heeft de index te verslaan.
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: onbestaand, gelet op het feit dat de onderliggende activa (aandelen) risicodragend
kapitaal uitmaken. In geval van faillissement van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben, kunnen
aandelen evenwel volledig waardeloos worden.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de doorlopende inkoop door de ICB’s met veranderlijk kapitaal en de beursnotering van ICB’s met vast
kapitaal. Een beursnotering is nochtans geen garantie voor een vlotte verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
Volatiliteitsrisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de volatiliteit van de onderliggende activa (aandelen). Het volatiliteitsrisico
wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
16 |MiFID
7.4 GEMENGDE ICB’S
Gemengde ICB’s beleggen in meerdere activaklassen, zij het dan voornamelijk in deposito’s, vastrentende activa en
niet-vastrentende activa, waardoor de belegger indirect participeert in een gediversifieerde portefeuille.
De meeste gemengde icb’s zijn gericht op een specifiek risicoprofiel en bepalen in hun prospectus de gehanteerde
– en te respecteren – verdeling over de verschillende activaklassen.
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa. Het insolventierisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de doorlopende inkoop door de ICB’s met veranderlijk kapitaal en de beursnotering van ICB’s met vast
kapitaal. Een beursnotering is nochtans geen garantie voor een vlotte verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
Volatiliteitsrisico
Voor zover de ICB in niet-vastrentende activa belegt, laag, matig tot hoog, afhankelijk van de volatiliteit van de
onderliggende activa. Het volatiliteitsrisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
7.5 HEDGE FONDSEN (HEFBOOMFONDSEN)
Hedge fondsen zijn alternatief beheerde ICB’s met als bijzonder kenmerk dat ze – via een heel brede waaier van
beleggingsinstrumenten – één of meer van de hieronder vermelde beleggingstechnieken toepassen om een maximale return te behalen (onafhankelijk van de marktomstandigheden):
-- Shorten: deze strategie bestaat erin als ontlener geleende en als overgewaardeerd beschouwde financiële instrumenten te verkopen, om daarna winst te boeken door dezelfde financiële instrumenten op een later tijdstip tegen
een lagere prijs terug te kopen (tot teruggave ervan aan de lener);
-- Hedging: deze strategie beoogt het mogelijke risico op de onderliggende markt (vb. wisselkoersrisico, renterisico,
enz.) te beperken door een defensieve of tegengestelde positie in te nemen op de markt van de afgeleide financiële
instrumenten;
-- Arbitrage: deze strategie is erop gericht om, via het kopen en verkopen op verschillende markten van dezelfde
financiële instrumenten, voordeel te halen uit prijs- of koersverschillen of koersafwijkingen;
-- Leverage: deze strategie bestaat erin als belegger leningen aan te gaan om het beleggingsbedrag te verhogen;
-- Creëren van een hefboomeffect via afgeleide financiële instrumenten: zie verder.
Gelet op de complexiteit van de toegepaste beleggingstechnieken, zijn hedge fondsen doorgaans alleen bestemd
voor gespecia­liseerde beleggers (en niet het grote publiek).
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |17
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa. Het insolventierisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Liquiditeitsrisico
Hoog
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
Volatiliteitsrisico
Matig tot hoog, afhankelijk van de volatiliteit van de onderliggende activa (voor zover niet-vastrentend) en de
gehanteerde strategieën.
7.6 ABSOLUTE RETURN FONDSEN
Absolute return fondsen zijn alternatief beheerde ICB’s met als bijzonder kenmerk dat ze – via een heel brede waaier
van beleggingsinstrumenten – één of meer van de zonet vermelde beleggingstechnieken (zie hedge fondsen) toepassen om een maximale return te behalen (onafhankelijk van de marktomstandigheden).
De meeste absolute return fondsen zijn, zoals gemengde icb’s (zie hoger), gericht op een specifiek risicoprofiel.
In onderscheid met hedge fondsen, zijn absolute return fondsen onderworpen aan een strenge regelgeving, hebben
ze doorgaans een minder risicovol karakter en zijn ze voor elk type belegger toegankelijk.
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa. Het insolventierisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Liquiditeitsrisico
Matig, in vergelijking met hedge fondsen.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
Volatiliteitsrisico
Matig tot hoog, afhankelijk van de volatiliteit van de onderliggende activa (voor zover niet-vastrentend) en de
gehanteerde strategieën.
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
18 |MiFID
7.7 DAKFONDSEN
Dakfondsen of funds of funds zijn ICB’s die op hun beurt beleggen in andere ICB’s met de bedoeling een zeer gediversifieerde portefeuille samen te stellen. Dakfondsen zijn voornamelijk samengesteld uit aandelen-, obligatie- en
monetaire ICB’s en, in mindere mate, uit alternatief beheerde ICB’s.
Het betreft actief beheerde fondsen: er wordt een strenge selectie gemaakt uit de beste ICB’s (en hun beheerders) op basis
van een aantal rigide criteria en de geselecteerde fondsen (en hun beheerders) worden regelmatig opnieuw geëvalueerd.
Doorgaans gaat het om gemengde (dak)fondsen (zie hoger), die zich richten op een specifiek risicoprofiel.
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa van de geselecteerde ICB’s. Het insolventierisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de doorlopende inkoop door de ICB’s met veranderlijk kapitaal en de beursnotering van ICB’s met vast
kapitaal. Een beursnotering is nochtans geen garantie voor een vlotte verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa (van de geselecteerde ICB’s) in euro.
Voor de onderliggende activa (van de geselecteerde ICB’s) in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig
tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa van de geselecteerde ICB’s.
Volatiliteitsrisico
Voor zover de ICB in aandelen-ICB’s belegt, laag, matig tot hoog, afhankelijk van de volatiliteit van de onder­
liggende activa van de geselecteerde ICB’s. Het volatiliteitsrisico wordt evenwel verlaagd door de aanwezige portefeuillediversificatie.
7.8 VASTGOED-ICB’S
Vastgoed-bevaks zijn beleggingsvennootschappen met vast kapitaal die tot doel hebben te beleggen op vastgoedgebied (onroerende goederen of daarmee gelijkgestelde elementen, zoals vastgoedcertificaten, aandelen in
vastgoedvennoot­schappen, enz.).
Risico’s
Insolventierisico
Voor de ICB: het risico dat de ICB failliet gaat, is eerder klein.
Liquiditeitsrisico
Matig tot hoog. De deelnemingsrechten van de vastgoedbevak zijn beursgenoteerd, maar een beursnotering is geen
garantie voor een vlotte verhandelbaarheid.
Wisselkoersrisico
Onbestaand, aangezien de vastgoedbevak belegt in vastgoed uitgedrukt in euro.
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |19
Renterisico
Matig. Een stijging van de rentetarieven op de markt heeft over het algemeen een negatieve invloed op het verloop
van de koers van het deelnemingsrecht in de vastgoedbevak.
Inflatierisico
Door de indexering van de huurinkomsten, stijgt de dividenden in normale omstandigheden mee met de inflatie.
Volatiliteitsrisico
Matig, afhankelijk van de ontwikkelingen in de vastgoedsector en de intrinsieke kwaliteit van de portefeuille.
8 AFGELEIDE FINANCIËLE INSTRUMENTEN
Beschrijving
Afgeleide financiële instrumenten of derivaten zijn financiële instrumenten waarvan de waarde in relatie staat tot
de waarde van een achterliggend financieel actief (vb. financiële instrumenten, valuta’s, rentetarieven, wisselkoersen, indexen op aandelen­korven, grondstoffen, enz.).
Ze geven de eigenaar ervan het recht of de verplichting om een onderliggende waarde te kopen of te verkopen,
tegen een vooraf vastgestelde prijs en gedurende een bepaalde periode.
De meest courante derivaten zijn opties, warrants, futures en forwards (zie verder).
De kracht, maar tegelijkertijd ook het risico, van derivaten ligt in hun hefboomeffect. Het hefboomeffect is het verschijnsel dat erop duidt dat een koersbeweging van de onderliggende waarde de aanzet geeft tot een procentueel
sterkere waardewijziging van het derivaat dan een rechtstreekse belegging in het onderliggende actief zelf. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Veronderstel dat een houder van een calloptie 5 EUR betaalt voor dit derivaat op een
moment dat het onderliggende actief (vb. aandeel) 50 EUR kost. Indien het aandeel één maand later aan 55 EUR
genoteerd staat, zal de prijs voor de call gestegen zijn (vb. 7 EUR). In dit geval is de return op de optie 40% (= 7-5 / 5),
terwijl de winst op het aandeel slechts 10% (= 55-50 / 50) bedraagt. De omgekeerde redenering gaat evengoed op:
indien de waarde van het aandeel één maand later daalt (vb. 40 EUR), zal de premie van de optie dalen (vb. 2 EUR). In
dit geval is het verlies op de call (-60% = 2-5 / 5) veel groter dan het verlies op het aandeel (-20% = 40-50 / 50).
8.1 OPTIES
Een optie bestaat uit een in de tijd beperkte10 overeenkomst waarbij de koper van de optie (optiehouder) door de
betaling van een premie het recht verwerft – maar niet de verplichting heeft – om een zekere hoeveelheid financiële
activa te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie) tegen een vooraf bepaalde of bepaalbare prijs (d.i. de uitoefenprijs) en waarbij de verkoper (optieschrijver) van de optie zich ertoe verbindt bij de tijdige uitoefening van de optie
het betrokken financiële actief te leveren (calloptie) respectievelijk af te nemen (putoptie) tegen deze prijs.
Zoals reeds vermeld, heeft de optiehouder geen verplichting om zijn recht uit te oefenen. Indien de optiehouder
zijn recht niet tijdig uitoefent, vervalt evenwel de (corresponderende) verplichting van de verkoper.
De premie die de optiehouder aan de verkoper moet betalen, is de prijs van de optie. De handel in opties kan op een
beurs of gereglementeerde markt gebeuren. Om de verhandelbaarheid ervan te verhogen, worden de contractvoorwaarden (met uitzondering van de prijs) op dergelijke markt gestandaardiseerd. Bij aandelen als onderliggende
waarde bijvoorbeeld, bedraagt de looptijd van de optie doorgaans 3, 6 of 9 maanden, is de omvang van het contract
100 aandelen en wordt de uitoefenprijs uitgedrukt per aandeel. Opties kunnen eveneens buiten de beurs of de gereglementeerde markt worden verhandeld. Men spreekt dan van een OTC-transactie (wat staat voor ‘over the counter’).
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen opties van het Europese dan wel van het Amerikaanse type. Bij een Europese optie is de optie enkel uitoefenbaar op de vervaldatum. Een Amerikaanse optie is op elk moment van haar looptijd uitoefenbaar.
10
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
20 |MiFID
Dergelijke transacties komen onmiddellijk tot stand tussen de betrokken partijen en zijn in de regel afgestemd op
de concrete behoeftes van de partijen in kwestie.
Risico’s
Insolventierisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de schrijver van de optie.
Liquiditeitsrisico
Matig tot hoog. Men is namelijk niet zeker dat de prijs bij de wederverkoop interessant zal zijn.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor opties met onderliggende waarden in euro.
Voor opties met onderliggende waarden in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende waarden van de optie (die onrechtstreeks de prijs van de optie
beïnvloeden).
Volatiliteitsrisico
Matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende waarden van de optie. Bovendien wordt het volatiliteitsrisico bij
derivaten verhoogd door hun hefboomeffect.
8.2 WARRANTS
Een warrant is een financieel instrument dat de houder ervan het recht geeft – maar niet de verplichting – om tijdens
een welbepaalde periode11 een zekere hoeveelheid financiële activa te kopen (callwarrant) of te verkopen (putwarrant) tegen een vooraf bepaalde of bepaalbare prijs (d.i. de uitoefenprijs). De waarde van dat recht, stemt overeen met
de prijs van de warrant.
Warrants worden vaak uitgegeven naar aanleiding van een obligatie-emissie. In dat geval spreken we van een obligatie
met warrant (zie hoger). Meestal wordt de warrant evenwel onmiddellijk na de emissie gescheiden van de obligatie
en afzon­derlijk verhandeld. Het is nochtans ook mogelijk dat warrants afzonderlijk worden uitgegeven, naakte warrants genaamd. In tegenstelling tot opties die worden gecreëerd door de handelende partijen zelf, gaan warrants wel
telkens uit van een emitterende instelling.
Warrants kunnen zowel op als buiten de beurs of de gereglementeerde markt worden verhandeld, maar zijn steeds
niet gestandaardiseerd.
Risico’s
Insolventierisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van emittent.
Liquiditeitsrisico
Matig tot hoog. De verhandelde volumes op de secundaire markt zijn namelijk behoorlijk klein.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor warrants met onderliggende waarden in euro.
Voor warrants met onderliggende waarden in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen warrants van het Europese dan wel van het Amerikaanse type. Bij een Europees type is de warrant enkel
uitoefenbaar op de vervaldatum. Een warrant van het Amerikaanse type is op elk moment van haar looptijd uitoefenbaar.
11
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |21
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende waarden van de warrant (die onrechtstreeks de prijs van de
warrant beïnvloeden).
Volatiliteitsrisico
Matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende waarden van de warrant. Bovendien wordt het volatiliteitsrisico
bij derivaten verhoogd door hun hefboomeffect.
8.3 FUTURES & FORWARDS
Futures en forwards zijn verhandelbare vorderingsrechten, ontleend aan een termijncontract waarbij twee partijen
overeenkomen om op een vast toekomstig tijdstip een zekere hoeveelheid onderliggend activa te kopen respectievelijk te verkopen tegen een prijs die bij het sluiten van de overeenkomst is vastgelegd.
Futures zijn gestandaardiseerde termijncontracten, waarvan de contractmodaliteiten (met uitzondering van de
prijs), zoals de looptijd en de leveringsvoorwaarden, niet kunnen worden onderhandeld. Zij worden verhandeld
op een beurs of gereglementeerde markt. Forwards zijn daarentegen niet-gestandaardiseerde termijncontracten,
op maat gemaakt om in te spelen op de specifieke behoeften van de contractspartijen. Ze worden ‘over the counter’
(OTC) verhandeld.
In tegenstelling tot opties en warrants, is er bij futures en forwards sprake van een verplichting voor beide contracts­
partijen tot aankoop respectievelijk verkoop op termijn (en geen louter recht).
Risico’s
Insolventierisico
Heel laag voor futures, aangezien op de beurs en de gereglementeerde markten een clearinghouse zich garant stelt
voor de goede afloop.
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de tegenpartij bij forwards.
Liquiditeitsrisico
Laag, gelet op de actieve markt van futures.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor futures en forwards met onderliggende waarden in euro.
Voor futures en forwards met onderliggende waarden in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot
hoog afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende waarden van futures en forwards (die onrechtstreeks de
prijs van het financiëel instrument beïnvloeden).
Volatiliteitsrisico
Matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende waarden van futures en forwards. Bovendien wordt het volatiliteits­
risico bij derivaten verhoogd door hun hefboomeffect.
9 LEVENSVERZEKERINGSCONTRACTEN
Beschrijving
Beleggingsverzekeringen kunnen de vorm aannemen van levensverzekeringscontracten tussen een verzekeringsmaatschappij en een verzekeringsnemer waarbij – door middel van beleggingen – een kapitaal wordt opgebouwd,
door de ver­zekeringsmaatschappij uit te keren aan het einde van de looptijd van de verzekering (bij leven van de
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
22 |MiFID
verzekerde) en/of voorafgaandelijk (bij het overlijden van de verzekerde tijdens de looptijd van het contract). De
verzekeringsnemer van zijn kant verbindt er zich toe de overeengekomen premies te betalen.
Er is sprake van een verzekering bij leven wanneer de overeenkomst tot doel heeft op een bepaald openblik (in de
praktijk meestal 65 jaar) een bedrag uit te keren aan de begunstigde, indien de verzekerde nog in leven is op de eindvervaldag van de polis. Er is daarentegen sprake van een verzekering bij overlijden wanneer de overeenkomst tot
doel heeft om, bij het overlijden van de verzekerde vóór de datum die in de polis is bepaald, een bedrag uit te keren
aan de begunstigde. Een gemengde verzekering combineert een verzekering bij leven én een verzekering bij overlijden. De verzekeringsmaatschappij moet in dit geval altijd een bedrag uitbetalen, dat evenwel verschillend kan
zijn bij leven of bij overlijden.
De meest courante beleggingsverzekeringen zijn de levensverzekeringscontracten van het type tak 21 en het type
tak 23.
9.1 TAK 21
Tak 21 zijn levensverzekeringen die het belegde kapitaal (na aftrek van kosten, taksen en risicopremie voor
overlijdens­dekking) op elk moment beschermen. Verder bestaat het rendement in beginsel uit een gewaarborgde
rentevoet, vermeerderd doorgaans met een winstdeelname die afhangt van de geboekte resultaten in het voorbije
jaar.
Als het contract aan bepaalde voorwaarden voldoet, mogen de premies vermeld worden in de belastingaangifte en
geven zij aanleiding tot een belastingvermindering. Eén maal belastingvermindering genoten, wordt het uitgekeerde kapitaal evenwel ook belast.
Risico’s
Insolventierisico
Laag, aangezien verzekeringsmaatschappijen onder het strenge toezicht staan van de Nationale Bank van België (NBB).
De verzekeringsnemers zijn bovendien bevoorrechte schuldeisers bij faillissement van de verzekeringsmaatschappij.
Liquiditeitsrisico
Hoog. Het vervroegd beëindigen van een verzekeringscontract is mogelijk, maar kostelijk.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor zover de levensverzekeringscontracten zijn uitgedruk in euro.
Renterisico
Matig tot hoog voor wat betreft de winstdeling.
9.2 TAK 23
Tak 23 zijn levensverzekeringsovereenkomsten waarvan het rendement gekoppeld is aan een intern verzekeringsfonds. Bij een tak 23-levensverzekering wordt de betaalde premie, na afhouding van de kosten en taksen e.d.,
omgezet in een aantal “units” of “wiskundige eenheden”, waarbij iedere eenheid voor een welbepaalde fractie
in het achterliggende verzekeringsfonds staat. De waarde van deze (vaste hoeveelheid12) eenheden, en bijgevolg
de waarde van de verzekeringspolis, is zodoende afhankelijk van de prestaties van dit fonds, dat op zijn beurt belegt
in financiële instrumenten als achterliggende waarden. Bijgevolg bestaat een risico op kapitaalverlies, dat de
verzekeringsnemer dient te dragen. Daarnaast is er geen enkele rendementswaarborg. Op het einde van de verzekerings­
overeenkomst wordt de waarde van de rekeneenheden op dat ogenblik uitbetaald.
Indien geen bijkomende premies worden betaald of de verzekeringsnemer niet tot gedeeltelijke afkoop overgaat, behoudt de verzekeringsnemer
steeds hetzelfde aantal rekeneenheden.
12
| Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A
MiFID |23
Risico’s
Insolventierisico
Voor de verzekeringsmaatschappij: laag, aangezien verzekeringsmaatschappijen onder het strenge toezicht staan
van de Nationale Bank van België (NBB). De verzekeringsnemers zijn bovendien bevoorrechte schuldeisers bij
faillissement van de verzekeringsmaatschappij.
Voor de onderliggende activa: laag, matig tot hoog, afhankelijk van de kwaliteit van de emittenten van de onder­
liggende activa.
Liquiditeitsrisico
Hoog. Het vervroegd beëindigen van een verzekeringscontract is mogelijk, maar kostelijk.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor de onderliggende activa in euro.
Voor de onderliggende activa in een andere valuta dan de euro, is het risico laag, matig tot hoog afhankelijk van de
ontwikkeling van de betrokken valuta ten opzichte van de euro.
Renterisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa.
Volatiliteitsrisico
Laag, matig tot hoog, afhankelijk van de onderliggende activa. Het volatiliteitsrisico wordt evenwel verlaagd door
de portefeuillediversificatie.
10 KAPITALISATIEOVEREENKOMSTEN (TAK 26)
Beleggingsverzekeringen kunnen eveneens de vorm aannemen van kapitalisatiecontracten op middellange of
lange termijn tussen een verzekeringsmaatschappij en een verzekeringsnemer waarbij een kapitaal wordt opgebouwd, door de verzekerings­maatschappij uit te keren aan het einde van de looptijd van het contract. Men spreekt
dan van een tak 26-kapitalisatie­verrichting.
Zoals bij een tak 21, is het belegde kapitaal (na aftrek van kosten en taksen) op elk moment beschermd en bestaat het
rendement in beginsel uit een gewaarborgde rentevoet, vermeerderd doorgaans met een winstdeelname die afhangt
van de door de verzekeringsmaatschappij geboekte resultaten in het voorbije jaar. Deze interesten en winstdeel­
names tijdens de looptijd van het contract zijn bij een tak 26-product definitief verworden en brengen op hun
beurt interesten op.
In onderscheid met een tak 21 (en tak 23) is er geen verzekerde en geen begunstigde (noch bij leven noch bij overlijden).
De uitbetaling gebeurt dus steeds op het einde van de looptijd van het contract.
Risico’s
Insolventierisico
Laag, aangezien verzekeringsmaatschappijen onder het strenge toezicht staan van de Nationale Bank van België
(NBB). De verzekeringsnemers zijn bovendien bevoorrechte schuldeisers bij faillissement van de verzekeringsmaatschappij.
Liquiditeitsrisico
Hoog. Het vervroegd beëindigen van een kapitalisatiecontract is mogelijk, maar kostelijk.
Wisselkoersrisico
Onbestaand voor zover de kapitalisatiecontracten zijn uitgedruk in euro.
Renterisico
Matig tot hoog voor wat betreft de winstdeling.
Optima nv Keizer Karelstraat 75, 9000 Gent­ KBO 0445.210.006 - RPR Gent FSMA-inschrijvingsnummer 010900A |
optima nv
maatschappelijke zetel
MiFIDNL-C-10.2014
Keizer Karelstraat 75
9000 Gent
t
+32 9 225 25 71
+32 9 225 14 27
[email protected]
f
www.optima.be