Download de publicatie - Gemeenten van de Toekomst

Concept startnotitie voor de uitvoering van de
Intentieverklaring Bestuurlijk Overleg Arbeidsmarktregio
3 juli 2014, beleidsteam Arbeidsmarktregio Zuid-Kennemerland & IJmond
Een voorlopige versie van deze notitie is eerder besproken in het KetenMT van 8 mei 2014. De
aanpassingen staan hieronder toegelicht.
INLEIDING
het Bestuurlijk Overleg Arbeidsmarktregio Zuid-Kennemerland & IJmond (BOA) heeft in haar
vergadering van 24 januari 2014 een intentieverklaring bestuurlijke regionale samenwerking
ondertekend. Met de intentieverklaring als basis willen de 9 regiogemeenten en het UWV
gezamenlijk bijgedragen aan verbetering van de werking van de regionale arbeidsmarkt. In het
periodiek bestuurlijk overleg zal telkens op regionaal niveau verkend worden welke afspraken nodig
zijn om uitvoering te geven aan de samenwerking. Daarbij zijn zes thema’s benoemd. Ter vergadering hebben de bestuurders als volgt het eigenaarschap per thema verdeeld:
1.
Onderkant van de arbeidsmarkt
Velsen
2.
Ondersteuning doelgroep zonder arbeidsvermogen Heemskerk & Beverwijk
3.
Samenwerking met onderwijs
Haarlem & Zandvoort
4.
Regionale economische groei
Haarlem & Zandvoort
5.
Ondernemerschap stimuleren
Heemstede, Bloemendaal &
Haarlemmerliede en Spaarnwoude
6.
Behoud ondernemerschap
IJmond-gemeenten o.l.v. Velsen
De thema’s zijn in opdracht van het ambtelijk KetenMT door een regionaal beleidsteam arbeidsmarkt
nader uitgewerkt tot voorliggende startnotitie. Bij het opstellen van de startnotitie bleek dat
aanscherping en samenvoeging van thema’s nodig waren om duidelijker uitwerking te geven aan de
intentieverklaring. Vanwege gebleken samenhang zijn thema 4 en 6 samengevoegd. De thema’s 4, 5 en 6 zijn primair van economische aard en beogen een (positief) effect op werkgelegenheid en
daarmee kans op banen voor werkzoekenden. Er wordt geen economisch beleid geschreven in het
kader van deze startnotitie. Wel is aangegeven dat economische structuurversterkingen bijdragen
aan doelstellingen om mensen vanuit een bijstandssituatie duurzaam naar werk te geleiden. Daarom
worden de economische thema’s 4, 5 en 6 geïntegreerd in de eerste 3 thema’s.
Samengevat leidt dit ertoe dat deze startnotitie wordt beschreven aan de hand van 3 speerpunten:
A. Doelgroep onderkant van de arbeidsmarkt
B. Doelgroep buiten bereik van de arbeidsmarkt
C. Samenwerking tussen onderwijs en werkgevers
De eerste twee speerpunten zijn nauw verbonden met de Participatiewet. Het derde speerpunt is
kort beschreven omdat het vooral gericht is op (versterking van) overlegkaders met onderwijs en
bedrijfsleven om tot afspraken te komen. De speerpunten worden op regionale wijze opgepakt en
opgenomen in lopende programma’s. Er worden geen nieuwe overlegstructuren of projecten
opgetuigd.
Gevraagd besluit KetenMT: instemming met deze startnotitie.
1
SPEERPUNT A: DOELGROEP ONDERKANT VAN DE ARBEIDSMARKT
1. Opdracht
In de samenwerking in het Werkplein en op andere manieren werken gemeenten aan duurzame
inzetbaarheid voor werkenden en werkzoekenden in kwetsbare functies. Dat gebeurt door
arrangementen met werkgevers te ontwikkelen, te investeren in scholing en in de aansluiting tussen
onderwijs en arbeidsmarkt. Dit vraagt een goed samenspel tussen gemeenten, UWV en
uitvoeringsinstanties en tussen (gemeentelijke) afdelingen EZ, Sociale Zaken en Onderwijs.
2. Toelichting
Deze opdracht is sterk verweven met de taken vanuit de Participatiewet. Onder het motto ‘iedereen
doet mee’ heeft het Rijk via die wet één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt opgesteld.
Onder ‘onderkant’ wordt verstaan iedereen die werkzoekend is, eventueel een arbeidsbeperking
heeft en geen aanspraak (meer) kan maken op UWV-werknemersverzekeringen zoals WW, WIA,
WAO of Wajong 1. De Participatiewet is vanaf 1-1-15 van toepassing op de mensen die voorheen in
aanmerking zouden komen voor een WWB uitkering of voor een indicatie sociale werkvoorziening.
Daarnaast is de wet van toepassing op jongeren met een arbeidsbeperking en arbeidsvermogen.
De uitvoerbaarheid van arbeidsmarktbeleid (en daarmee de wet) is sterk afhankelijk van de
beschikbaarheid van voldoende banen in de regio. Behoud en toename van werkgelegenheid
vergroot de kansen voor werkzoekenden, ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het is daarom
belangrijk dat ondernemers zich thuis voelen in de regio, er willen blijven of zich er willen vestigen.
Hoe meer (variëteit in) bedrijven, hoe meer kans op vacatures en hoe groter ook de opnamecapaciteit voor werkzoekenden, inclusief de doelgroep die onder de Participatiewet valt. Ook neemt
de kans op stageplekken en werkervaringsplekken toe voor scholieren en studenten en zijn er meer
kansen voor jongeren met een diploma (aanpak jeugdwerkloosheid).
3. Doelstelling van dit speerpunt
•
•
Zo veel mogelijk werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden duurzaam
ingezet op werk; de werkplek sluit zo goed mogelijk aan op de capaciteiten van de werkzoekende
waardoor de terugstroom in de uitkering laag is.
Werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden integraler en efficiënter
begeleid. Voor de klant is er één gezicht als het gaat om begeleiding bij het vinden van werk.
4. Op te leveren resultaten
Gemeenten en uitvoeringsinstanties zijn sparringpartner voor ondernemers. Behoud en
nieuwvestiging van bedrijven in de regio ligt buiten het bereik van dit speerpunt (is gezamenlijk
regionaal EZ-beleid). Wat wel binnen de scope van dit speerpunt ligt is regionale en afgestemde
acquisitie door de gemeenten en uitvoeringsinstanties op banen voor onze doelgroepen. Dat gaat
plaatsvinden in het werkgeversservicepunt (WSP), als onderdeel van het Werkplein. Gemeenten,
UWV, IJmond Werkt! en Paswerk werken daarin samen. Ook passen in dat kader (regionale)
afspraken over social return en uitvoeringsacties in het kader van het Werkbedrijf. Beleid en
uitvoering van gemeenten en uitvoeringsinstanties worden waar nodig op elkaar afgestemd en
geüniformeerd (zoals ICT, werkprocessen en communicatie).
1
WW (Werkloosheidswetuitkering), WIA (Wet Inkomensvoorziening Arbeidsongeschikten), WAO (Wet Arbeidsongeschiktheid), Wajong (Wet arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten), UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeningen)
2
5. Uitvoering
De uitvoering van dit speerpunt ligt primair besloten in (de voorbereiding op) de Participatiewet.
Implementatie van die wet wordt momenteel voorbereid door drie regionale projectleiders (IJmond,
Haarlem/Zandvoort en IASZ Heemstede). Zij stemmen beleidsvoorbereidingen af over o.a.:
re-integratieverordening: door re-integratiebeleid zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, is
het mogelijk om een uniforme dienstverlening te ontwikkelen. Hierdoor wordt elk individu op
gelijke wijze benaderd en begeleid, ongeacht de woonplaats.
vorming Werkbedrijf (bestuurlijk overleg tussen gemeenten, UWV, werknemers- en
werkgeversorganisaties). Vooral de samenwerking met en tussen werknemers- en
werkgeversorganisaties maakt een effectief arbeidsmarktbeleid mogelijk, inclusief regionale
uitvoering van de afspraken over garantiebanen. Vraag en aanbod sluit beter bij elkaar aan.
Daarnaast wordt toegewerkt naar een gezamenlijke regionale arbeidsmarktagenda. Die agenda
wordt een instrument voor het Werkbedrijf en beschrijft de ambities en actiepunten voor de
komende jaren. Een mogelijke inhoudsopgave voor een regionale arbeidsmarktagenda is opgenomen
in bijlage 1. De gemeentelijke afdelingen EZ en Onderwijs worden betrokken bij de opstelling van een
agenda. Een sterkere verbinding met de twee bestaande regionale Platforms Arbeidsmarkt en
Onderwijs (PAO) is daarbij nodig.
De vier IJmondgemeenten hebben al een stap gemaakt op het vlak van re-integratie, door hun
krachten te bundelen in de gemeenschappelijke regeling IJmond Werkt! Daar vindt klantcontact
plaats via werkcoaches (begeleiding) en werkmakelaars (match tussen werknemer en werkgever).
Gemeenten en IJmond Werkt! hebben regelmatig contact over de status van een klant en over
eventuele vervolgacties. De uitwisseling vergt nog verbetering qua digitale systemen. Op dit moment
gebruiken IJmond Werkt! en gemeenten nog verschillende ICT-systemen. Een mogelijke oplossing is
een ‘ICT- schil’ bouwen die communicatie tussen de verschillende systemen mogelijk maakt.
Specifiek thema: ondernemerschap stimuleren
Een van de mogelijkheden mensen aan werk te helpen is het stimuleren van (eigen) ondernemerschap. De
Europese Commissie beveelt het stimuleren van ondernemerschap aan als wapen tegen o.a. jeugdwerkloosheid. Potentiele startproblemen voor ondernemer zijn gebrek aan vaardigheden, te klein netwerk en te weinig
financiering. Daarnaast is zorgen voor vestigingsmogelijkheden van startende ondernemers van belang (ligt
buiten de scope van dit speerpunt). In speerpunt A willen wij (overheids)maatregelen beschrijven die (jong)
ondernemerschap kunnen stimuleren. Dit valt niet direct onder de Participatiewet, maar kan daar ook
uiteindelijk een instrument voor zijn om iemand aan (eigen) werk te helpen.
Ondersteuning aan startende ondernemers wordt geboden via het regionaal leerwerkloket (sollicitatietraining,
informatie en advies), UWV en KvK. De gemeente Haarlem houdt sinds februari ZZP-spreekuren op locatie, in
aanvulling op het al bestaande Ondernemersloket. Voor mentorschap kan de Stichting Ondernemersklankbord
ondersteuning bieden aan zelfstandigen. Het ondernemersnetwerk biedt ook een platform voor business-tobusiness informatie en kennisoverdracht. Daarnaast zijn er regelingen nodig die toegang tot financiering
vergemakkelijken. Er zal voor onze regio bekeken worden in hoeverre deze voorzieningen op elkaar aansluiten.
Voor jongeren (scholieren) is van belang dat ondernemerschap onderdeel uitmaakt van het onderwijs en bij
oriëntatie of start wordt voorzien in advies, coaching en mentorschap. Via het PAO kunnen gemeenten samen
met het onderwijs en werkgeversorganisaties zorgdragen voor onderwijs dat ondernemerschap stimuleert.
Bij dit thema is het van belang selectief te zijn en alleen de beste en meest doordachte programma’s/projecten te ondersteunen. Dit om te voorkomen dat starters gesubsidieerd worden om vervolgens niet door te pakken
of stoppen als ondernemer. Ook is het raadzaam steun niet over teveel initiatieven uit te spreiden. Intensieve
steun voor minder projecten heeft meer kans van slagen dan een klein beetje steun voor heel veel projecten.
3
SPEERPUNT B: DOELGROEP BUITEN BEREIK VAN DE ARBEIDSMARKT
1. Opdracht
De re-integratiemaatregelen en -middelen richten zich primair op de doelgroep met
arbeidsvermogen. Dit betekent dat het ondersteuningsaanbod voor mensen die (tijdelijk) geen
arbeidsvermogen hebben zeer beperkt is. Vanuit het oogpunt van zorg en vanuit vergroten van de
kans op arbeidstoeleiding op termijn, is het wenselijk te onderzoeken op welke wijze deze groep
mensen toch ondersteund kan worden. Wellicht valt dat te realiseren door een slimme verbindingen
aan te gaan met de decentralisatie op AWBZ of het extra benutten van eigen kracht bij wijze van
tegenprestatie.
2. Toelichting
De 3 aankomende decentralisaties maken het de gemeente mogelijk om dwarsverbanden te leggen
tussen WMO/AWBZ, Jeugdzorg en het domein van Werk en Inkomen. Kernwoorden bij deze
samenhang zijn: eigen kracht, zelfredzaamheid, sociale samenhang, participatie en integraliteit. De
huidige re-integratie afspraken zijn voornamelijk gericht op de groep die redelijk “dichtbij” de
arbeidsmarkt staat. D.w.z. het re-integratiebudget wordt volledig aangewend voor de doelgroep met
arbeidsvermogen. Hierdoor is er geen budget meer beschikbaar om de doelgroep te bedienen die
buiten het bereik van de arbeidsmarkt ligt (met - tijdelijk - geen of beperkt arbeidsvermogen).
Concreet betekent dit, dat de afstand tot de arbeidsmarkt voor die groep mensen steeds groter
wordt. Het laten deelnemen van “iedereen” (dus niet alleen de kansrijken) aan de samenleving is
echter wel één van de uitgangspunten van Participatiewet.
3. Vraagstelling en achtergrond
Met de “doelgroep buiten bereik van de arbeidsmarkt” wordt de groep mensen bedoeld, die niet binnen afzienbare tijd zelf in staat is om een betaalde baan te vinden en hierdoor afhankelijk is (en
veelal deels blijven) van subsidies en andere re-integratie-instrumenten (zoals de tegenprestatie).
Deze doelgroep bevindt zich op trede 1 t/m 3 van de participatieladder (zie schets hieronder).
Participatieladder:
Om deze doelgroep te kunnen laten participeren in de samenleving zijn gemeenten en
uitvoeringsorganisaties veelal gedwongen om op creatieve wijze oplossingen te bedenken. Voor de
klanten die door gezondheidsproblemen of beperkingen (nog) niet kunnen werken, wordt
bijvoorbeeld steeds meer een beroep gedaan op de mogelijkheden binnen de WMO en de AWBZ.
Ook die budgetten staan echter onder druk. Een onderzoeksvraag is of voor de komende jaren
(alsnog) een deel van het budget beschikbaar moet worden gehouden om deze groep structureel te
ondersteunen.
Naarmate men langer een bijstandsuitkering heeft, nemen kansen op betaald werk af en gaat ook
het verblijf in de bijstand hospitaliserend werken. Objectief gezien wordt deze groep cliënten
gekenmerkt door een complexere problematiek dan de overige cliënten. Niet zelden vallen sociale,
psychische, financiële en gezondheidsproblemen samen.
4
Met ondersteuning kunnen mensen uit deze doelgroep ‘klimmen’ naar een trede hoger op de
participatieladder. Deze groep komt (letterlijk) weer in beweging en uit de negatieve sfeer van
thuiszitten en verstoorde dagritmes. Door weer onder (werkende) mensen te komen, kan dit tot
effect hebben dat zienswijze/zelfbeeld van betrokkenen wordt bijgesteld.
4. Op te leveren resultaten
Met dit speerpunt streven wij een inclusieve samenleving na: een samenleving waaraan alle burgers,
zonder en met een beperking, kunnen deelnemen. We richten ons op de mensen op de treden 1 t/m
3 van de participatieladder, tenzij deze al een (vrijwilligers) traject volgen of op een andere manier al
maatschappelijk nuttige activiteiten doen. Globaal hebben we het dan over ongeveer 50% van het
bestand + Wsw’ers en nieuwe Wajongers.
Na een verdieping in landelijke pilots en werkzame bestanddelen, worden op basis hiervan lokale en
regionale methodieken opgebouwd. Voorbeelden zijn:
• richten op vergroten sociaal netwerk, groepsgewijze benadering en leefwereldbenadering,
• deelname in wijkeconomie: buuv/klussendienst/boodschappendienst/tuintjes,
• scholing,
• mate van inbedding in sociale infrastructuur/ mogelijkheden voor ondersteuning,
• afweging in maatschappelijk werk gerichte cultuur vs. meer op activering gerichte cultuur.
We willen inzichtelijk manken via bestaande onderzoeken wat wel en niet effect heeft voor de
doelgroep. Daarnaast willen we meer verbinding leggen met de WMO: mensen uit de doelgroep
ondersteuning laten bieden aan WMO cliënten, onderdeel te worden van elkaars netwerk en elkaar
te assisteren in het benutten van de ‘eigen kracht’. (N.B. om de doelgroep op verantwoorde wijze
ondersteuning te laten bieden aan hun zorgvrager zijn specifieke competenties een vereiste en
hierdoor een opleidingsbudget noodzakelijk). Daarnaast zal een gedeelte van de doelgroep zelf
ondersteuning behoeven bij het gebruiken van het eigen netwerk.
5. Uitvoering
Voor de uitvoering van dit speerpunt wordt net als onder speerpunt A aangesloten bij de
voorbereiding Participatiewet (re-integratieverordening, vorming Werkbedrijf, regionale
arbeidsmarktagenda).
SPEERPUNT C: SAMENWERKING TUSSEN ONDERWIJS EN WERKGEVERS
1. Opdracht
De bestaande goede samenwerking op het onderwijsterrein wordt behouden en versterkt, inclusief
afstemming met bestaand regionaal Portefeuillehoudersoverleg Onderwijs. Accent ligt op regionale
afspraken over het voorkomen van voortijdige schooluitval en het begeleiden terug naar school of
werk van leerlingen die toch zijn uitgevallen (Gemeenschappelijk Regeling schoolverzuim en VSV). De
mogelijkheden van verdergaande samenwerking op het terrein van leerplicht past ook goed in dit
speerpunt.
2. Doelstelling
Samenwerking met onderwijs kent in relatie tot de werking van de arbeidsmarkt meerdere
dimensies. In het kader van deze startnotitie wordt als doel gesteld de samenwerking te richten op
het verbeteren van de afstemming tussen de eisen die de arbeidsmarkt stelt aan werkzoekenden en
de aangeboden onderwijsprogramma’s. tweede doel is meer capaciteit bieden aan studenten om
arbeidservaring op te doen tijdens de studie.
5
3. Op te leveren resultaten
•
•
formuleren van een methode en platform om te kunnen waarborgen dat het aangeboden
onderwijs in de regio enerzijds en de eisen die de arbeidsmarkt aan medewerkers stelt
anderzijds, beter op elkaar zijn afgestemd. De afgelopen jaren zijn er 2 (sub)regionale Platforms
Arbeidsmarkt en Onderwijs (PAO) opgericht, één voor Zuid-Kennemerland/Haarlemmermeer en
één voor de IJmond. Uitgangspunt is dat het PAO een effectief platform is om de beoogde
verbetering van de samenwerking bestuurlijk te realiseren.
streven naar een convenant tussen onderwijs en regionale arbeidsmarkt waarin afspraken zijn
vastgelegd over het bieden van praktijkervaringsplaatsen bij bedrijven en instellingen aan
studenten in het kader van hun opleiding. Het WSP (incl. Leerplein) is daarvoor het kanaal.
De resultaten worden voorbereid door een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de
arbeidsmarktregio respectievelijk het regionale onderwijsveld. De voorstellen worden door de
werkgroep voorgelegd aan bestuurlijke gremia.
4. Vervolgstappen
•
Sterkere verbinding leggen met ambtelijke voorbereidingsgroepen van bestaande Platforms
Arbeidsmarkt en Onderwijs (PAO), Regionaal Besturenoverleg Onderwijs (RBO) en bestuur
Voortijdig Schoolverlaters (VSV).
6
Bijlage 1: opzet voor een Regionale Arbeidsmarktagenda 2015-2018
Eerste voorstel voor beleidshoofdlijnen
(N.B. deze bijlage is ongewijzigd sinds bespreking in ketenMT van 8 mei 2014).
Inleiding
Om uitvoering te geven aan thema 1, 4 en 6 is een regionale Arbeidsmarktagenda een instrument.
De agenda dient als gezamenlijk kaderstelling die door elke gemeente apart is uit te werken in lokaal
beleid. Idee is deze agenda in 2014 gezamenlijk op te stellen en deze begin 2015 vast te stellen. Het
wordt een bondig document van 10-15 bladzijden. Er kan daarbij een driedeling ontstaan:
1. Agenda / afspraken op niveau van Arbeidsmarktregio
2. Agenda / afspraken op niveau van subregio (gericht op resp. IJmond en op Zuid-Kennemerland)
3. Agenda / afspraken op lokaal niveau (eigen gemeentelijk beleid)
De eerste twee niveaus krijgen een plek in de Regionale Arbeidsmarktagenda. Het 3e niveau is
optioneel door elke gemeente apart uit te werken lokaal beleid.
Ideeën voor doelstellingen van en acties in de Arbeidsmarktagenda zijn hieronder opgenomen.
Inspiratiebron vormde de onlangs vastgestelde Arbeidsmarktagenda van Haarlem.
Voorbeeld voor doelstellingen
A. Van onderwijs naar werk: (bijv. 30% meer jongeren een startkwalificatie te laten halen ten
opzichte van 2013).
B. Van werk naar werk: creëren van een concurrerend ondernemingsklimaat voor bedrijven.
C. Van uitkering naar werk: uitstroom van werkzoekenden met een afstand op de arbeidsmarkt uit
een uitkeringssituatie conform de afspraken uit het sociaal akkoord.
Voorbeelden van acties om bovengenoemde doelstellingen te bereiken
De volgende acties – merendeels voortkomend uit lopende programma’s of plannen - zijn middelen
om bij te dragen aan het behalen van de doelstellingen:
1. Social Return on Investment (SROI)
2. Bestrijding voortijdige schooluitval (VSV)
3. Aanpak Jeugdwerkloosheid
4. Versterking ondernemingsklimaat voor bedrijven
5. Regionale samenwerking in de arbeidsmarktregio
6. Verbinden van onderwijs en bedrijfsleven
7. Stimuleren van technisch onderwijs
8. Stimuleren van ondernemerschap
Hieronder worden deze kort toegelicht.
7
1. Social Return on Investment (SROI)
SROI is het opnemen van sociale voorwaarden in een inkoop- of aanbestedingstraject door de
gemeente. SROI is een instrument om voornamelijk mensen die in een uitkeringssituatie zitten weer
aan een baan te helpen bij opdrachtnemers van de gemeente. Opdrachtnemers/leveranciers dragen
op deze manier bij aan de werkgelegenheid in de regio en in het bijzonder die voor mensen met
(grotere) afstand tot de arbeidsmarkt. Enkele voorbeelden van invullingmogelijkheden:
1. Plaatsing van de doelgroep op arbeidsplekken bij de leverancier
2. BBL of Leer/werktrajecten voor de Social Return doelgroep in samenwerking met erkende
opleidingsbedrijven en uitvoeringsinstanties;
3. Alternatieve invullingmogelijkheden zoals het beschikbaar stellen van ervaren werknemers voor
het verschaffen van opleidingen voor de Social Return doelgroep. Denk hierbij aan het
organiseren van taallessen voor werknemers (doelgroep vrijwillige inburgeraars, vluchtelingen) in
samenwerking met de gemeente (Educatie en Inburgering).
De doelstelling voor 2015-2018 is om jaarlijks minimaal …. mensen via Social Return aan een betaalde baan te helpen.
2. Bestrijding voortijdige schooluitval (VSV)
De landelijke doelstelling is om in 2016 25.000 voortijdig schoolverlaters voorkomen te hebben. De
rijksoverheid heeft met de Regionale Meld en Coördinatiepunt (RMC) regio’s convenanten afgesloten. Op basis hiervan worden er in de regio Zuid- en Midden-Kennemerland diverse extra
maatregelen uitgevoerd. Doelstelling van het regionale onderwijsbeleid is het behalen van een
startkwalificatie (minimaal een diploma op MBO niveau 2 of Havo diploma) of eventueel
beroepskwalificatie door zoveel mogelijk jongeren van 12 tot 23/27 jaar. Met een startkwalificatie
vergroten jongeren immers hun kansen op de arbeidsmarkt en deelname aan het arbeidsproces.
Het streven is in elk geval een vermindering van het aantal nieuwe vsv-ers met … % ten opzichte van
het schooljaar 2012-13 en … % meer jongeren een startkwalificatie te laten halen ten opzichte van 2013. Een aantal jongeren is (cognitief) niet in staat om een startkwalificatie te halen, voor hen zijn
er andere trajecten. Deze jongeren worden zoveel mogelijk naar een beroepskwalificatie toegeleid.
Belangrijke aandachtspunten zijn:
4. Goede begeleiding bij overdracht leerlingen uit VMBO naar MBO en goede intakes aan de poort,
5. Intensieve verzuimaanpak (al dan niet in samenwerking met de Onderwijsinspectie),
6. Goede en flexibelere doorstroommogelijkheden, heroriëntatietrajecten en maatwerk,
7. Verbetering van de zorgstructuur binnen de VO scholen en MBO door intensieve
studieloopbaanbegeleiding.
3. Aanpak Jeugdwerkloosheid
De regiogemeenten hebben in oktober 2013 het Regionaal Plan van aanpak Jeugdwerkloosheid 2013
en 2014 Zuid- en Midden-Kennemerland vastgesteld. Doel is extra inzet te leveren om jongeren te
stimuleren een opleiding te volgen of te werken en daarmee te voorkomen dat een generatie
jongeren als gevolg van de economische recessie langdurig werkloos raakt. Het beoogd effect van de
aanpak is dat in totaal 620 jongeren in de arbeidsmarktregio intensiever ondersteund worden bij het
vinden van werk of een opleiding. Hierbij wordt gefocust op drie onderwerpen:
8. Intensivering van bemiddeling van school naar werk voor jongeren met een beroepskwalificatie.
8
9. Loonkosten- en stimulerings-subsidies en vouchers voor werkgevers, voor beide doelgroepen,
alsmede scholings-adviezen.
10. Uitstroomtrajecten voor jongeren zonder startkwalificatie, die extra begeleiding nodig hebben.
4. Versterking ondernemingsklimaat voor bedrijven
De doelstelling is een (met de G32) concurrerend regionaal ondernemingsklimaat in 2018. Dit is o.a.
te bereiken door middel van relatiebeheer en projectmatige versterking van het ondernemingsklimaat en acquisitie van bedrijven en bezoekers.
5. Regionale samenwerking in de arbeidsmarktregio
Als het doel is een effectievere arbeidsmarkt en meer mensen aan het werk, dan is het nodig om
heldere resultaatdoelstellingen te formuleren waaraan we het succes van de samenwerking afmeten.
UWV-rapportages kunnen daarvoor als basis dienen (arbeidsmarktcijfers, prognoses en statistieken).
6. Verbinden van onderwijs en bedrijfsleven
De Platforms Arbeidsmarkt en Onderwijs (PAO) vormen de verbindende schakel tussen werkgevers,
onderwijsinstellingen en overheden in de arbeidsmarktregio Zuid- en Midden-Kennemerland. Aan
het PAO nemen deel vertegenwoordigers van HBO instelling Inholland, NOVA college,
werkgeversorganisatie VNO-NCW, MKB, UWV en kenniscentra SBB en gemeente(n). In de regel
vertegenwoordigt de gemeente Haarlem de subregio Zuid-Kennemerland en de gemeente Velsen de
subregio Midden-Kennemerland. Onderwijs en bedrijfsleven hebben de meeste belangen bij een zo
goed mogelijke aansluiting op elkaar. De gemeente faciliteert hierin.
7. Stimuleren van technisch onderwijs
Gemeenten zetten zich in om jongeren te stimuleren om een technische opleiding te kiezen. Cijfers
van het UWV geven in de regio Zuid- en Midden-Kennemerland aan dat hier het tekort aan technisch
personeel zal oplopen de komende jaren (Regio in beeld, arbeidsmarktschets Zuid-Kennemerland
2013). De vraag van de bedrijven is sturend om het tekort terug te dringen. De Techniekraad NoordHolland maakt afspraken met partners als werk-geversorganisaties, UWV en gemeenten voor een
actieve gezamenlijke inzet om de resultaten van de huidige inspanningen voor meer en goed
opgeleid technisch personeel effectiever te laten zijn.
8. Stimuleren van ondernemerschap
Een gezonde arbeidsmarkt betekent naast meer mensen aan de slag, een betere aansluiting van het
onderwijs op de markt ook meer ondernemerschap. Door meer ondernemerschap neemt de
flexibiliteit in de arbeidsmarkt namelijk toe. De instroom van (jonge) mensen die een onderneming
willen starten geeft vitaliteit aan het ondernemerschap. Het al op school stimuleren van
ondernemerschap is daarom belangrijk. Via het PAO kunnen gemeenten hier aandacht aan blijven
besteden samen met het onderwijs en werkgeversorganisaties. Er is in toenemende mate aandacht
voor het stimuleren van ondernemerschap in de woonomgeving. De woningcorporaties dragen
daaraan bij, voornamelijk met het oog op de verbetering van het leefklimaat in de wijken. De
inspanningen richten zich voor een belangrijk deel op de ontwikkeling van actieve
ondernemersnetwerken die kunnen bijdragen aan de versterking van het ondernemerschap in de
wijken. Ze bieden een mogelijkheid om een brug slaan naar de bewoners waardoor de bekendheid
en daarmee de kansen voor de dienstverlening binnen het eigen leefgebied toenemen. Het
ondernemersnetwerk biedt daarnaast een platform waarbinnen onder meer business-to-business
informatie kan worden uitgewisseld en kennisoverdracht kan worden georganiseerd.
9