Politieke Wetenschappen - Vrije Universiteit Brussel

Faculteit Economische, Sociale en Politieke Wetenschappen & Solvay
Business School
DE MASTERPROEF IN DE POLITIEKE WETENSCHAPPEN
EEN KORTE HANDLEIDING
Academisch verantwoordelijke:
Dr. Audrey André
Opleiding Master in de Politieke Wetenschappen
Vakgroep Politieke wetenschappen
2014-2015
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
WOORD VOORAF
Het schrijven en verdedigen van de masterproef vormt het sluit- en kroonstuk van je
opleiding in de politieke wetenschappen. Het grote belang dat we aan dit werk hechten,
blijkt onder meer uit het aantal toegekende studiepunten. Met het maken van een
masterproef bewijs je immers dat je je vak beheerst en in staat bent zelfstandig een
probleem uit te diepen en op een wetenschappelijk verantwoorde manier op te lossen.
Deze nota (i.s.m. Dimokritos Kavadias) is een leidraad bij het schrijven van de
masterproef in de politieke wetenschappen. De tekst is op deze manier een inleiding tot
en een aanvulling op het opleidingsdeel ‘Onderzoeksdesign voor de masterproef’. Aan de
Universiteit Antwerpen wordt hetzelfde opleidingsonderdeel verzorgd door Dirk De
Bièvre.
Een masterproef schrijven lukt niet op één dag en is geen kinderspel. Het is een
belangrijke en tijdrovende opdracht. Wij hopen echter dat je deze moeilijke en
omvangrijke taak niet ziet als een noodzakelijk kwaad, maar eerder als een interessante
uitdaging. Wij wensen je van onze kant alvast veel succes.
2
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
1. HET TRAJECT
De masterproef vormt het belangrijkste deel van je opleiding tot ‘meester in de politieke
wetenschappen’. Het belang dat wij aan de masterproef hechten, vindt zijn weerslag in het feit
dat drie opleidingsonderdelen je in dit traject begeleiden, een geheel waaraan 24 studiepunten
verbonden zijn.
1. Het opleidingsonderdeel ‘Onderzoeksdesign voor de masterproef’ (6 SP)
2. Het opleidingsonderdeel ‘Onderzoeksmodule’ (1 te kiezen uit 6 mogelijkheden; 3 SP)
3. De masterproef zelf (15 SP)
Timing van de verschillende stappen
Datum
Aandachtspunt
30 september 2014
Aanvang van het werkcollege ‘Onderzoeksdesign voor
de masterproef’
7 oktober 2014
Masterproefbeurs – voorstelling van onderwerpen door
promotoren
30 november 2014
Indienen van de eerste opdracht voor
‘Onderzoeksdesign voor de masterproef’
1 december 2014
Indienen van de titel en promotor van de masterproef
bij het faculteitssecretariaat ES
4 januari 2015
Indienen van de finale paper voor ‘Onderzoeksdesign
voor de masterproef’
1 juni 2015
Indienen van de masterproef voor de eerste zittijd
Week van 15 juni 2015
De verslagen van promotor en juryleden zijn ter
beschikking
Week van 22 juni 2015
Mondelinge verdediging van de masterproef
15 augustus 2015
Indienen van de masterproef voor de tweede zittijd
Week 31 augustus 2015
De verslagen van promotor en juryleden zijn ter
beschikking
Week van 7 september 2015
Mondelinge verdediging van de masterproef
3
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
2. KEUZE VAN HET ONDERWERP
De keuze voor een onderwerp van de masterproef is erg belangrijk. Het thema moet je een jaar
lang kunnen boeien.
Om je wegwijs te maken in die keuze stelt elke beschikbare promotor jaarlijks een aantal
mogelijke onderwerpen voor (zie lijst in bijlage). Bij elk onderwerp kan je tevens een
internationaal wetenschappelijk artikel vinden dat als richtsnoer kan dienen voor het
onderwerp of voor de methode om het onderwerp aan te pakken.
Deze onderwerpen zijn louter suggesties, maar geven je een beeld bij wie je kan aankloppen met
welke onderwerpen. Studenten worden aangemoedigd zelf initiatief te tonen en originele
onderzoeksideeën voor te stellen. Natuurlijk moet je wel een promotor bereid vinden om het
onderwerp inhoudelijk te begeleiden.
Sowieso zijn de onderwerpen in de lijst breed geformuleerd en dien je ze zelf te vertalen naar
een concrete onderzoeksvraag. Het werkcollege ‘Onderzoeksdesign voor de masterproef’ zal je
hierbij helpen.
In de bijlage van deze handleiding (bijlage I) kan je de onderwerpen per promotor
terugvinden voor het huidige academiejaar.
3. DE PROMOTOR
De promotor begeleidt het denken over en het schrijven aan de masterproef. Hoe de relatie
tussen promotor en student georganiseerd wordt, is een afspraak die jullie samen maken. De
belangrijkste verantwoordelijkheid ligt hier echter bij de student. Je bent zelf verantwoordelijk
voor het contacteren van je promotor en je moet er tevens zelf voor zorgen om regelmatig dat
contact te onderhouden. Ervaring leert dat een contactmoment om de 6 weken geen overbodige
luxe is. Uiteraard kan dit ritme variëren in functie van je werkzaamheden.
De promotor behoort tot het Zelfstandig Academisch Personeel (ZAP) van de Vakgroep Politieke
Wetenschappen van de VUB. Al naargelang van het onderwerp, kan de promotor zich ook laten
bijstaan door een assistent of een onderzoeker die vertrouwd is met het onderwerp.
De promotor begeleidt. Dat wil zeggen dat hij of zij suggesties kan doen over de richting waarin
het project kan uitgaan. Hij of zij kan nuttige literatuur suggereren. De promotor kan
commentaar geven op eerste versies van delen van de masterproef.
In regel wordt verwacht dat masterproeven worden afgerond in de eerste zittijd. In de daaraan
voorafgaande periode kan de promotor een optimale begeleiding garanderen. Wie toch in de
tweede zittijd indient, moet er rekening mee houden dat de begeleiding in de zomermaanden in
het beste geval minimaal is.
4
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
De promotor is de beste graadmeter van je kans op slagen. Dien je masterproef dan ook nooit in
zonder zijn of haar finale toestemming.
4. INHOUD EN VORM
4.1. Inhoud
Het uitgangspunt van je masterproef is een gedegen probleemstelling waarin de te behandelen
onderzoeksvraag voldoende precies wordt geformuleerd. Vervolgens tracht je via de gekozen
onderzoeksmethode stapsgewijs en op een controleerbare wijze tot een antwoord op de vraag te
komen.
(1) Probleemstelling:
Eén van de moeilijkste, maar tevens belangrijkste onderdelen van een wetenschappelijk werk is
het formuleren van de probleemstelling. Een goede probleemstelling situeert het onderzoek in
de bestaande literatuur en geeft expliciet aan waarom het onderzoek relevant is (i.e. de
wetenschappelijke of maatschappelijke bijdrage). Je kan op verschillende manieren bijdragen
aan een specifiek vakgebied: door een lacune in de bestaande literatuur te vullen, door een
eerdere studie te repliceren in een andere context of met een andere methode, door nieuwe
theoretische inzichten te genereren, … Een helder geformuleerde probleemstelling geeft dus aan
welke doelstellingen je met het onderzoek wil bereiken.
(2) Onderzoeksvraag:
Vele masterproeven lijden aan een onvoldoende expliciet en concreet geformuleerde
onderzoeksvraag. Onderzoeksvragen worden dan in vage, te algemene termen gesteld en geven
onvolledige tot geen informatie over de studie. Een goed omlijnde onderzoeksvraag stuurt je
onderzoek en helpt je te bepalen welke literatuur wel of niet terzake is. De kern van je betoog
moet een antwoord bieden op de centrale vraag. Wat geen antwoord biedt op de vraag vormt
niet de essentie van de masterproef.
Er kunnen in de politieke wetenschappen verschillende soorten vragen worden gesteld. Je kunt
een vraag stellen naar de eigenschappen van een zaak of naar het hoe of het waarom van deze
zaak. Je kunt deze zaak daarenboven ook moreel beoordelen of nagaan hoe die in de literatuur
geanalyseerd werd. De waarde van het onderzoek hangt niet onmiddellijk af van het type vraag
die je stelt. De meerwaarde kan zowel descriptief, verklarend of normatief van aard zijn.
Bij elke vraagstelling hoort een specifieke methode, en dus ook een eigen literatuur en
woordenschat.
5
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
(3) Onderzoeksmethode: hoe je je doelstelling wil bereiken
Om tot een antwoord te komen op de gestelde onderzoeksvraag moet je als onderzoeker op zoek
gaan naar wetenschappelijke informatie (theorieën én data). Daarbij vormt een synthese van de
bestaande literatuur een onmisbaar instrument. Daarnaast kan –indien men naar verklaringen
speurt– het formuleren van hypothesen richtinggevend zijn voor de opbouw van je scriptie. Ten
slotte dien je informatie te verwerken.

Literatuur: je bril op de wereld zoals je die aantreft
Een eerste en essentiële bron van informatie is de bestaande literatuur. Deze reikt
theoretische kaders aan en mogelijk ook empirische gegevens en resultaten. De literatuur
moet systematisch worden verwerkt en samengevat, opdat je via een vergelijkende analyse
tot een kritische beoordeling kan komen. Belangrijk hierbij is dat het enkel gaat om
literatuur die op één of andere manier relevant is! Met andere woorden: je moet erover
waken dat het literatuurgedeelte duidelijk aansluit bij de onderzoeksvraag.
We verwachten bijgevolg van een literatuuroverzicht dat het een duidelijke functie heeft in
het betoog en dat het verband met de concrete onderzoeksvraag zo expliciet mogelijk wordt
gelegd. Dit impliceert dat enkel datgene uit de literatuur wordt vermeld wat relevant is (niet
alles wat je gelezen hebt). Niet relevante uitweidingen over de literatuur verzwakken je
betoog en moeten dus vermeden worden.

Hypothesen: het uitzetten van duidelijke bakens
De hypothesen – dat zijn de mogelijke en te verwachten antwoorden op je onderzoeksvraag
– en hun argumentatie vormen vaak een essentieel deel van de masterproef. Bij het
uitschrijven van de onderzoeksresultaten is het daarom belangrijk de vraagstelling steeds
als rode draad van je masterproef te laten functioneren. Overbodige uitweidingen zijn uit
den boze. Het komt erop aan de ontwikkelde ideeën zo kernachtig en helder mogelijk te
formuleren, zodat de lezer zonder veel moeite kan doorgronden wat de schrijver bedoelt en
waar hij naartoe wil. Het is tevens van belang dat de lezer in staat is om de auteur stap na
stap te volgen zodat er gelegenheid ontstaat voor controle, het uitoefenen van kritiek en het
verder uitwerken van het betrokken onderzoek.
Enkel door deze explicitering van de uitgangspunten, de onderzoeksmethode, alsook de
hypothesen zelf garandeer je de wetenschappelijkheid van het document dat je aflevert.
Hieruit volgt ook dat je werk op een logische manier is gestructureerd.

Informatie verwerken: het belang van een vast stramien
Als politieke wetenschapper gebruik je steeds een of meer informatiebronnen om je
onderzoeksvraag te beantwoorden. Deze informatie kan reeds door andere onderzoekers
verzameld zijn, vervat zijn in beleidsdocumenten, verscholen zijn in parlementaire
handelingen, geregistreerd door ambtenaren van de burgerlijke stand, opgeborgen in de
hoofden van burgers,… Het aantal informatiebronnen is onnoemelijk groot.
6
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Wel dien je in functie van je onderzoeksvraag steeds informatie op een systematische manier
te verwerken. Je hebt er dus alle belang bij een vast stramien van informatieverwerking,
oftewel methodologie, te hanteren. Deze systematiek kan vervat zijn in het hanteren van een
welbepaalde theoretische logica. In dat geval zal je masterproef een kritische afweging van
verschillende stellingen of strekkingen in de literatuur behandelen. Maar de systematiek kan
ook berusten bij het toepassen van een geëigende methodologie in het verzamelen en/of
verwerken van bijkomende informatie. Beide fases, verzamelen en verwerken hoeven niet
samen te vallen. Je kan zelf gegevens verzamelen die je dan in een tweede fase verwerkt. Je
kan ook gegevens gebruiken die reeds door andere onderzoekers werden verzameld; het
kan hierbij gaan om statistische gegevens, open interviews op band, filmmateriaal,…
(4) Het onderzoek:
Door middel van het onderzoek hoop je antwoorden te vinden op de onderzoeksvraag die je
opgesteld hebt. In je scriptie rapporteer je zo volledig mogelijk over de verschillende gevolgde
stappen in je onderzoek. Bovendien moeten alle stappen duidelijk gemotiveerd worden.
In eerste instantie moeten de probleemstelling en de concrete onderzoeksvragen als motivering
dienen. Daarnaast kan je verwijzen naar algemene regels van wetenschappelijk onderzoek om
de verschillende stappen in het onderzoek te motiveren. Slechts in laatste instantie kunnen de
omstandigheden waarin het onderzoek heeft moeten plaatsvinden dienen als motivering.
Het doel van dit overzicht is de intersubjectiviteit van het onderzoek te garanderen. Elke gezette
stap dient te worden gedocumenteerd zodat de procedure op de voet te volgen is en, indien
gewenst, op identieke wijze opnieuw kan worden uitgevoerd.
Indien de noodzakelijk geachte informatie om je onderzoek te kunnen reconstrueren (vb. de
gehanteerde vragenlijst, een codeerschema, uitgetypte interviews, univariate frequenties, ...) te
gedetailleerd is en de coherentie van het betoog in het gedrang brengt, kan die steeds in bijlage
(schriftelijk of op elektronische drager) worden gevoegd.
(5) Een kritische reflectie: het besluit
Aan het einde van de rit moet je komen tot een beredeneerde en kritische bespreking van je
resultaten in het kader van de gestelde onderzoeksvraag. Je bespreekt met andere woorden hoe
de onderzoeksresultaten zich verhouden ten aanzien van het gestelde probleem, de
onderzoeksvragen en/of de hypothesen. Je trekt daarna ook conclusies uit het feitenmateriaal
dat je verzameld hebt. Je toont met andere woorden hoe je zelf hebt bijgedragen aan de
voorhanden kennis. Naar aanleiding van je conclusie kan je ook eventueel zelfkritiek formuleren
indien er aanduidingen zijn dat een andere aanpak mogelijk tot andere resultaten zou kunnen
leiden. Ook kan je een aantal suggesties doen voor vervolgonderzoek.
7
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
4.2. Vorm
De eigenlijke tekst kent in principe vijf delen: (1) de inleiding, met de probleemstelling; (2) de
theoretische verantwoording, met literatuur en hypothesen; (3) data en methode; (4) resultaten
van de studie; en (5) het besluit.
Al naargelang de aard van de masterproef – kritische literatuurreflectie, theoretische
verhandeling, empirische toetsing van één of meerdere theoretische verklaringen – zullen deze
hoofddelen een andere concrete invulling krijgen. Wat echter in elke masterproef moet
voorkomen zijn de volgende structurele elementen: titelpagina, woord vooraf, inhoudsopgave,
inleiding, theoretisch kader, data en methode, resultaten, besluit, bijlagen en bibliografie.
We overlopen deze onderdelen één voor één en duiden wat we eronder verstaan.
(1) Titelpagina
Op de titelpagina moeten de volgende gegevens voorkomen: titel van de masterproef, je naam,
maand en jaar van afsluiten van de masterproef, Vrije Universiteit Brussel, Faculteit
Economische, Sociale en Politieke Wetenschappen & Solvay Business School, Vakgroep Politieke
Wetenschappen. Vermits het gaat om een essentieel deel voor het behalen van het
Masterdiploma dient eraan toegevoegd te zijn: "Masterproef voorgelegd met het oog op het
behalen van de graad van Master in de Politieke Wetenschappen".
De titel moet de inhoud dekken: wanneer het bestudeerde onderwerp qua tijd en/of plaats
beperkt is, moet dit alleszins blijken uit de titel. De titel van het werk of de verhandeling kan
worden aangevuld met een verhelderende ondertitel.
(2) Woord vooraf
Wie wil, kan een 'woord vooraf' invoegen (ook wel 'ten geleide' of 'voorwoord' genoemd). Hierin
worden de personen bedankt die op één of andere manier betrokken waren bij de uitwerking
van de masterproef. Het voorwoord kan tevens iets vermelden over jouw motivatie om dit
onderwerp aan te pakken. De elementen die te maken hebben met het behandelde onderwerp,
de methode, de doelstelling, e.d., moeten echter voor de inleiding voorbehouden blijven.
Aangezien het 'woord vooraf' geen deel uitmaakt van het eigenlijke werk, wordt het vóór de
inhoudsopgave geplaatst.
(3) Inhoudsopgave
Elke masterproef begint met een inhoudsopgave (ook inhoudstafel of inhoudsoverzicht
genoemd). De titels en de nummering in de inhoudsopgave moeten precies overeenstemmen
met de titels en de nummering in de tekst.
Titels en ondertitels geven een logische structuur aan de masterproef: de verschillende aspecten
van het onderwerp en/of onderzoek moeten in de gepaste volgorde worden behandeld
(inleiding, theorie, data, methode, resultaten, besluit). Gebruik een duidelijke boomstructuur,
maar houd voor ogen dat een te vergaande onderverdeling de structuur verduistert eerder dan
verheldert. Zoek dus naar een gulden middenweg.
8
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
(4) Inleiding
De inleiding bevat een beknopte omschrijving van de uitgewerkte probleemstelling en de
onderzoeksvraag, de gevolgde onderzoeksmethode en een toelichting betreffende de logische
opbouw van het werk. Eventueel kunnen ook andere zaken aan bod komen, zoals de
beperkingen en begrenzingen die je tijdens de speurtocht hebben belemmerd, de actualiteit van
het thema, enz.
(5) Theoretisch kader
Het theoretisch kader verankert het onderzoek in bestaande theorieën, geeft een beknopt
overzicht van voorgaand onderzoek op het thema en distilleert duidelijke verwachtingen. Dit
kader moet een geïntegreerd geheel vormen. Het mag niet lezen als een catalogus waarbij
voorgaande studies een na een opgelijst worden. Bouw het theoretisch kader op als een dialoog
tussen diverse studies en auteurs. Leg hierbij ook steeds de nadruk op wat de bijdragen en
tekortkomingen van de bestaande studies zijn.
(6) Data en methode
Het omstandig omschrijven van de gebruikte of verzamelde data is erg belangrijk voor de
repliceerbaarheid en validiteit van het onderzoek. Afhankelijk van het type onderzoek moeten
de representativiteit van surveys, de selectie van interview respondenten, de toepassing van
codeerschema’s, de keuze van cases, de betrouwbaarheid van schriftelijke bronnen, … hier aan
bod komen. Ook de keuze voor een bepaalde wetenschappelijke methode moet grondig
beargumenteerd worden. Met andere woorden, je moet aangeven waarom de gekozen methode
het best geschikt is om een antwoord te bieden op de onderzoeksvraag.
(7) Resultaten
Je masterproef geeft een duidelijke, overzichtelijke en gerichte beschrijving van de
onderzoeksresultaten. Daarin licht je het feitenmateriaal toe dat op één of andere wijze is
verzameld en breng je dit in relatie met de probleemstelling, de onderzoeksvraag en de
hypothesen. Belangrijk daarbij is dat de tekst een synthese bevat van het feitenmateriaal en dat
je enkel relevante onderzoeksresultaten bespreekt. Ga ook na of een meer visuele voorstelling
van de resultaten in figuren of tabellen de lezer kan helpen het betoog beter te volgen.
(8) Besluit
Het besluit bevat een synthese van het werk. In het besluit moet je de uiteindelijke conclusies
samenbrengen en je hoofdvraag beantwoorden. Een goed besluit sluit dus naadloos aan bij de
probleemstelling en beantwoordt de gestelde onderzoeksvraag. Dat wil ook zeggen dat de
algemene conclusies enkel gebaseerd mogen zijn op de theoretische en/of empirische
bevindingen uit je masterproef. In het besluit duiken in principe geen nieuwe resultaten meer
op. Claim ook niet meer dan wat je hebt kunnen waarmaken, maar wees eerlijk in het
onderscheiden van aspecten waarover je resultaten kan voorleggen en die deelproblemen die je
niet hebt kunnen oplossen. Wanneer inleiding en besluit achter elkaar worden gelezen, moeten
zij onmiddellijk een overzicht geven van de hele studie. Weet bovendien dat veel lezers zich op
basis van inleiding en besluit een eerste oordeel vormen over de kwaliteit van het werk.
9
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Het algemeen besluit mag echter niet louter een samenvatting zijn van de resultaten. Het moet
aangeven hoe het onderzoek bijdraagt tot de literatuur, wat de sterke en zwakke punten ervan
zijn, en suggesties doen voor verder onderzoek. Sommige studies kunnen ook aanleiding geven
tot het formuleren van adviezen en beleidsaanbevelingen.
(9)
Bibliografie
Tot slot dien je een volledige referentielijst op te stellen van daadwerkelijk gehanteerde
bronnen. Het gaat dus over alle werken waarnaar in de masterproef wordt verwezen. Het is geen
opsomming van alle boeken die over het desbetreffende onderwerp verschenen zijn of alles wat
je in functie van de masterproef gelezen hebt. Deze bibliografie dient te worden opgemaakt
volgens een vast stramien: het auteur – jaarsysteem. Meer informatie over de vormvereisten
van een bibliografie vind je in: Glorieux, I. & I. Depoorter (2010) Bibliografisch refereren volgens
auteur-jaarsysteem. Brussel, Vrije Universiteit Brussel.
(10)
Bijlagen
Teksten, tabellen, grafieken en dergelijke worden in de tekst opgenomen als zij onmisbaar zijn
voor het betoog. Wanneer details essentieel zijn voor de replicatie van het onderzoek, maar deze
de lectuur echter danig bemoeilijken (bijvoorbeeld vragenlijst, uitgebreide tabel, lange wettekst,
uitgetypt interview, tekst van een mondelinge opdracht aan proefpersonen …), kunnen zij
worden opgenomen als bijlage.
Neem enkel bijlagen op waarnaar in de tekst wordt verwezen. De bijlagen bevatten alleszins
geen ruwe of gedeeltelijk verwerkte gegevens, onverwerkte resultaten (bv. computeruitdraai
van statistische programma’s). Neem ook enkel strikt noodzakelijke bijlagen op, bijvoorbeeld
slecht of helemaal niet openbaar toegankelijk materiaal dat jij als onderzoeker echter wel hebt
weten te vergaren of bemachtigen.
Deze bijlagen mogen ook op een digitale drager aangeleverd worden om zo te voorkomen dat er
nodeloos veel papier wordt verspild.
4.3. Omvang
Eén van de belangrijkste kwaliteiten van een goede masterproef is de beknoptheid waarmee je
een bepaald wetenschappelijk probleem behandelt. Het is makkelijker om oeverloos uit te
weiden, maar dat is zeker niet de bedoeling. De masterproef moet de vorm en de lengte
aannemen van een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift. Dat wil zeggen dat 15.000
woorden echt wel het maximum is. Met minder dan 8.000 woorden slaag je er allicht ook niet in
om te zeggen wat moet gezegd worden.
Een goed geïnformeerde en goed beredeneerde verwijzing naar de literatuur kan veel
parafraserende en vervelende veelschrijverij uitsparen. Een dergelijke goede
literatuurverwijzing kan je ook helpen nevenkwesties te onderscheiden van belangrijke
10
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
elementen in het antwoord op je onderzoeksvraag. Zo loop je minder het risico dat de lezer
mentaal afhaakt, zich verveelt of zich opwindt.
Voor je begint te schrijven, doe je er goed aan de omvang van het reeds klaar liggende materiaal
in te schatten. Hoeveel bladzijden kan of wil je besteden aan de inleiding, aan het corpus en aan
het besluit? Hoeveel bladzijden kunnen er worden besteed aan de verschillende hoofdstukken
en, binnen de hoofdstukken, aan bepaalde paragrafen? Een belangrijk punt behoeft bovendien
meer ruimte dan een onbelangrijk punt. Aan beide kan je niet evenveel tekst toekennen. Zulke
scheeftrekkingen kan je vermijden door reeds tijdens het voorbereidend werk het gewicht van
de verschillende deelthema's en onderdelen in het oog te houden.
4.4. Bronvermeldingen
Het spreekt vanzelf dat je steeds duidelijk een onderscheid maakt tussen de eigen gedachtegang
en gegevens en gedachten die je bij andere auteurs hebt aangetroffen en samengevat weergeeft.
Daarom ook dat bij het uitschrijven van een wetenschappelijke tekst een correcte
bronvermelding van uitzonderlijk belang is: de lezer dient te weten vanwaar een bepaalde
stelling, een theoretische benadering, en je empirische informatie komt.
Wanneer je dicht bij een auteur wenst aan te leunen, ook in eigen vertaling, vergt de eerlijkheid
dat je diens woorden duidelijk citeert, m.a.w. dat je aanhalingstekens gebruikt en zeer precies
naar de bron verwijst. Bij het parafraseren in eigen woorden moet in een bronverwijzing, alsook
in de tekst zeer duidelijk worden gemaakt waar er geparafraseerd wordt en uit welk werk. Wie
links en rechts een woord wijzigt parafraseert niet, maar plagieert.
Woordelijke aanhalingen van andere auteurs hebben maar zin in twee gevallen: (a) je kan een
gedachte niet beter, niet puntiger formuleren dan deze auteurs, of (b) je wil aantonen aan de
hand van de woordelijke aanhaling dat derden hun gedachten foutief hebben geïnterpreteerd.
Neem dus niet te snel je toevlucht tot citaten.
Wie niet correct refereert of stukken tekst van een andere auteur gebruikt zonder te
refereren wordt onherroepelijk gesanctioneerd voor PLAGIAAT.
De sanctie voor plagiaat is een 0 (nul) op 20 voor de hele masterproef (art.20§5 VUBexamenreglement).
Vooreerst gaat het om intellectuele eerlijkheid en respect voor de intellectuele eigendom van
anderen. Verder geeft de bronvermelding ook een indicatie van de inspanningen die jij je hebt
getroost om je betoog te documenteren. Ten slotte biedt de bronvermelding aan de lezer tal van
aanknopingspunten voor verdere lectuur. Masterproeven worden met behulp van
gespecialiseerde software gescand op plagiaat.
De regels met betrekking tot het hanteren en opmaken van de bronvermeldingen vind je in:
Glorieux, I. & I. Depoorter (2010) Bibliografisch refereren volgens auteur-jaarsysteem. Brussel,
Vrije Universiteit Brussel.
11
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
4.5. De taal
Je kan je masterproef het best beschouwen als een dialoog met leden van de academische
gemeenschap, waarbij je een academische schrijfstijl hanteert. Vermijd hierbij zeker de “ik”vorm, maar hanteer daarentegen eerder een gedistantieerde benadering.
De tekst moet een duidelijke, samenhangende uiteenzetting zijn over de probleemstelling, reeds
bekende gegevens waarop je steunt, de gemotiveerde onderzoeksmethode, het bekomen
feitenmateriaal, geordend en overzichtelijk voorgesteld, tenslotte de beredeneerde besluiten uit
het onderzoek. Eén alinea moet noodzakelijkerwijs één logisch samenhangend geheel vormen.
Lijn daarom de verschillende alinea's duidelijk af door middel van een witregel.
In principe wordt de masterproef in het Nederlands geschreven. Het is evenwel mogelijk van die
regel af te wijken. Wens je je masterproef in het Engels of het Frans te schrijven, dan dien je
daarvoor de toestemming te vragen aan de promotor.
5. DE MONDELINGE VERDEDIGING EN FINALE BEOORDELING
De masterproef is in eerste instantie een schriftelijk werkstuk. Het wordt gelezen en beoordeeld
door de promotor en door twee juryleden. Die juryleden worden door de Opleidingsgraad
Politieke Wetenschappen en Sociologie aan elke masterproef toegewezen in functie van het
onderwerp. Die juryleden zijn leden van het ZAP, assistenten of navorsers met minstens twee
jaar wetenschappelijke anciënniteit. Na het indienen van de masterproef schrijven de leden van
de jury een kort verslag waarin ze hun oordeel (sterkten en zwakten) over de tekst geven.
Elke masterproef wordt ten slotte ook mondeling voorgesteld en verdedigd. Dat gebeurt tijdens
de zittijd. De verslagen van de juryleden worden drie dagen voor de mondelinge verdediging
overgemaakt aan de studenten. Van iedere student wordt een presentatie verwacht van 10 à 15
minuten. Die kan het best worden opgebouwd zoals de masterproef zelf: vraagstelling, dialoog
met de theorie, gebruikte methoden, resultaten, conclusies.
Na de presentatie stellen de promotor en juryleden vragen. De verslagen van de juryleden
kunnen zeer nuttig zijn voor de voorbereiding van je mondelinge verdediging.
Na afloop van de mondelinge verdediging en korte beraadslaging deelt de promotor het
eindcijfer mee.
Om te slagen voor de masterproef én dus voor de Master in de Politieke Wetenschappen
is minimaal 10 op 20 nodig.
12
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
6. UITDIEPINGSLITERATUUR
Er zijn een aantal relevante publicaties op de markt die je helpen met het schrijven van je
masterproef. Deze auteurs lichten voornamelijk taalaspecten toe: hoe best een argumentatie
opbouwen, welke stijlelementen zijn toepasbaar in een afstudeerscriptie, een korte
uiteenzetting van spellingsregels en grammaticale aandachtspunten, …
Een aanrader daarbij is:
Eco, Umberto (1985) Hoe schrijf ik een scriptie. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker.
Aangaande de referentie-stijl verwijzen we opnieuw naar:
Glorieux, I. & I. Depoorter (2010) Bibliografisch refereren volgens auteur-jaarsysteem. Brussel,
Vrije Universiteit Brussel.
13
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
7. BIJLAGEN.
Bijlage I. Onderwerpen per promotor
Bijlage II. Reglement Masterproef Faculteit ES
14
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Bijlage I. Onderwerpen per promotor - Academiejaar 2014-2015
Bij elk mogelijk onderwerp vind je een wetenschappelijk artikel dat dieper ingaat op de
problematiek of een sjabloon vormt over de manier waarop het onderwerp kan worden
bestudeerd.
Ilke Adam
[email protected]
Europeanisering van immigratie en integratie- en antidiscriminatiebeleid
 Vink, M.; S. Bonjour & I. Adam (2013) ‘European Integration, Consensus Politics and
Family Migration Policy in Belgium and the Netherlands’. In: Vollaard, H.; J. Beyers & P.
Dumont (eds.) European Integration and Consensus Politics in the Low Countries.
London, Routledge.
Multi-level govenance van immigratie en integratiebeleid (van het internationale tot het lokale
niveau), Federalisme en migratie en integratie
 Adam, I. (2013) ‘Immigrant Integration Policies of the Belgian Regions: Sub-state
Nationalism and Policy Divergence after Devolution’. Regional and Federal Studies, 23, 5,
47-569.
 Adam, I. & D. Jacobs (2014) ‘Divided on Immigration, 'Two Models for Integration.
The Multi-Level Governance of Immigration and Integration in Belgium’. In: Hepburn, E.
& R. Zapata-Barrero (eds.) The Politics of Immigration in Multi-level States: Governance
and Political Parties. Basingstoke, Palgrave Macmillan.
Audrey André
[email protected]
Personalisering van de politiek en voorkeurstemmen
 André, A., Wauters, B. & J.B. Pilet (2012) ‘It’s Not Only About Lists: Explaining Preference
Voting in Belgium’. Journal of Elections, Public Opinion & Parties, 22, 3, p. 293–313.
Wat parlementsleden doen in het Parlement (en daarbuiten)
 Martin, S. (2011) ‘Using Parliamentary Questions to Measure Constituency Focus: An
Application to the Irish Case’. Political Studies 59, 2, p. 472-88.
Samenwerking tussen parlementsleden
 Kessler, D. & K. Krehbiel (1996) ‘Dynamics of Cosponsorship’. American Political Science
Review, 90, 3, p. 555-66.
Oorzaken en gevolgen van electorale hervormingen
 Rahat, G. & R. Hazan (2011) ‘The Barriers to Electoral System Reform: A Synthesis of
Alternative Approaches’. West European Politics, 34, 3, p. 478-94.
15
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Parlementsleden en sociale media
 Zittel, T. (2003) ‘Political Representation in the Networked Society’. Journal of
Legislative Studies, 9, 3, p. 32-53.
Hoe parlementsleden zichzelf voorstellen aan hun achterban
 Fenno, R. (1977) ‘U.S. House Members in Their Constituencies: An Exploration’.
American Political Science Review, 71, 3, p. 883-917.
Didier Caluwaerts
[email protected]
Participatieve democratie op het lokale niveau: vergelijking Vlaanderen-Wallonië
 Michels, A. & L. De Graaff (2010) ‘Examining Citizen Participation: Local Participatory
Policy Making and Democracy’. Local Government Studies, 36, 4, p. 477-491.
Op zoek naar democratische legitimiteit in de EU: de European Citizens’ Initiatives
 Bouza Garcia, L. & J. Greenwood (2014) ‘The European Citizens’ Initiative: A new sphere
of EU politics?’ Interest Groups & Advocacy, 3, p. 246–267.
De rol van sociale media in participatieve democratie
 Loader, B.D. & Dan Mercea (2011) ‘Networking Democracy? Social media innovations
and participatory politics’. Information, Communication & Society, 14, 6, p. 757-769.
De politieke doorwerking van deliberatieve burgerfora
 Goodin, R. & J. Dryzek (2006) ‘Deliberative Impacts: The Macro-Political Uptake of MiniPublics’. Politics and Society, 34, p. 219–244.
Karen Celis
[email protected]
De politieke vertegenwoordiging van maatschappelijke groepen (vrouwen, klasse, holebi,
leeftijdsgoepen, allochtonen).
 Saward, M. (2006) ‘The Representative Claim’. Contemporary Political Theory, 5, p. 297318.
 Severs, E. (2012) ‘Substantive representation through a claims-making lens: A strategy
for the identification and analysis of substantive claims’. Representation, 48, 2, p. 169181.
 Celis, K. & Wauters, B. (2010) ‘Pinning the Butterfly. Women, Blue collar and EthnicMinority MPs vis-à-vis Parliamentary Norms and the Parliamentary Role of the Group
Representative’. The Journal of Legislative Studies, 16, 3, p. 380-393.
16
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Het maatschappelijk middenveld (vrouwen, holebi) en de federale staat
 Celis, K.; P. Meier & F. McKay (2013) ‘Social Movement Organizations and Changing State
Architectures: Comparing Women’s Movement Organizing in Flanders and Scotland’.
Publius, 43, 1, p. 44-67.
Bruno Coppieters
[email protected]
Een ethische analyse van problemen in de internationale en Europese politiek
 Shapcott, R. (2010) International Ethics: A Critical Introduction. Cambridge, Polity.
Een ethische analyse van humanitaire interventies, sancties en oorlogen
 Miller, R.B. (2008) ‘Justifications of the Iraq War Examined’. Ethics & International
Affairs, 22, 1.
Een ethische analyse van secessionistische bewegingen of conflicten
 Miller, D. (1998) ‘Secession and the Principle of Nationality’. In: Moore, M. (ed.), National
Self-Determination and Secession. Oxford, University Press.
Het Europees beleid met betrekking tot conflictresolutie
 Tocci, N. (2012) ‘Regional Origins, Global Aspirations: The European Union as a Global
Conflict Manager’. In: Wolff, S. & C. Yakinthou (eds.), Conflict Management in Divided
Societies: Theories and Practice. London and New York, Routledge, p 135-150.
Conflictresolutie met betrekking tot oorlogen en secessionistische conflicten
 Heraclides, A. (1997) ‘The Ending of Unending Conflicts: Separatist Wars’. Millenium:
Journal of International Studies, 26, 3, p. 679-707.
Naties en nationalisme
 Keating, M. (2001) ‘So many nations, so few states: territory and nationalism in the
global era’. In: Gagnon A-G & J. Tully (eds.), Multinational Democracies. Cambridge:
University Press, p 39-64.
Jacobus Delwaide
[email protected]
Oekraïnes plaats in Europa
 Mearsheimer, J. (2014) ‘Why the Ukraine Crisis is the West’s Fault’. Foreign Affairs, 93, 5.
Ruslands ambities
 Lukin, A. (2014) ‘What the Kremlin is Thinking: Putin’s Vision for Eurasia’. Foreign
Affairs, 93, 4.
17
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Terugkeer van de geopolitiek?
 Burke-White, W. (2014) ‘Crimea and the International Legal Order’. Survival: Global
Politics and Strategy, 56, 4, 65-80.
Wereldorde en de rol van de V.S.
 Brooks, S.G.; G.J. Ikenberry & W.C. Wohlforth (2012) ‘Don’t Come Home, America: The
Case against Retrenchment’. International Security, 37, 3, 7-51.
Responsibility to Protect: de internationale gemeenschap en gewapende interventie
 Pape, R.A. (2012) ‘When Duty Calls: A Pragmatic Standard of Humanitarian Intervention’.
International Security, 37, 1, 41-80.
De EU en de wereld
 Smith, M. (2013) ‘Beyond the comfort zone: internal crisis and external challenge in the
European Union’s response to rising powers’. International Affairs, 89, 3, 653-671.
Energieveiligheid
 Baev, P.K. (2012) ‘From European to Eurasian energy security: Russia needs an energy
Perestroika’. Journal of Eurasian Studies, 3, 2, 177-184.
Sam Depauw
[email protected]
Hoe kiezers denken over politieke representatie
 Carman, C. (2006) ‘Public Preferences for Parliamentary Representation in the UK: An
Overlooked Link?’. Political Studies, 54, 1, p. 103-122.
De specialisering van parlementsleden en de rol van de partij hierin
 Searing, D. (1994) Westminster’s World: Understanding Political Roles. Cambridge:
Harvard University Press (hoofdstuk 2).
Territoriale invloedssferen onder parlementsleden
 Crisp, B. & S. Desposato (2004) ‘Constituency Building in Multimember Districts:
Collusion or Conflict?’. Journal of Politics, 66, 1, p. 136-56.
Het professionalisme van (regionale) parlementen in Europa
 Squire, P. (1992) ‘Legislative Professionalization and Membership Diversity in State
Legislatures’. Legislative Studies Quarterly, 17, 1, p. 69-79.
De commissiestructuur in parlementen
 Mattson, I. & K. Strøm (1995) ‘Parliamentary Committees’. In: Döring, H. (ed.),
Parliaments and Majority Rule in Western Europe. New York: St. Martin’s Press. p. 250307.
18
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
De rolopvattingen van gemeenteraadsleden
 Saalfeld, T. & W.C. Müller (1997). ‘Roles in Legislative Studies: A Theoretical
Introduction’. Journal of Legislative Studies, 3, 1, p. 1-16.
Dienstbetoon
 André, A., Depauw, S. & G. Sandri (2013) ‘Belgian Affairs and Constituent Preferences for
‘Good’ Constituency Members’. Acta Politica, 48, 2, p. 167-91.
Kris Deschouwer
[email protected]
Politieke geografie (de spreiding van stemmen tussen kieskringen en kantons, het verband
tussen resultaat en kenmerken van kieskringen, de territoriale homogeniteit van electorale
verschuivingen)
 Caramani, D. (1996) ‘The nationalisation of electoral politics: A conceptual
reconstruction and review of the literature’. West European Politics, 19, 2, 205 – 224.
Politieke partijen in meerlagige politieke systemen
 Bratberg, Ø. (2010) ‘Multi-level Parties in Process: Scottish and Welsh MEPs and their
Home Parties’. West European Politics, 33, 4, 851 – 869.
Breuklijnen en stemgedrag
 Jansen, G.; N.D. De Graaf & Need, A. (2012) ‘Exploring the breakdown of the religion-vote
relationship in the Netherlands' 1971-2006’. West European Politics, 35, 4, 756-783.
NB: Wij beschikken over survey data met betrekking tot de Belgische federale verkiezingen van
1991, 1995, 1999 en 2003 en van de regionale verkiezingen in Vlaanderen en Wallonië in 2009
en 2014. We hebben ook de resultaten van een exit-poll bij de gemeenteraadsverkiezingen van
2012.
De paradox van het federalisme: leidt regionale autonomie tot nog meer vragen voor regionale
autonomie?
 Erk, J. & Anderson, K. (2009) ‘The paradox of federalism: does self-rule accommodate or
exacerbate ethnic divisions’. Regional and Federal Studies, 19, 2, 191-202.
Populisme en populistische partijen
 Van der Brug, W. (2007) ‘Charisma, Leader Effects and Support for Right-Wing Populist
Parties’. Party Politics, 13, 1, 29-51.
De leden van politieke partijen
 van Biezen, I.; P. Mair & T. Poguntke (2011) ‘Going, going, … gone? The decline of party
membership in contemporary Europe’. European Journal of Political Research, 51, 1, 24–
5.
19
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
De selectie van partijleiders
 Wauters, B. (2014) ‘Democratising party leadership selection in Belgium: motivations
and decision makers’. Political Studies, 62, 1, 61-80.
Politieke partijen en attitudes tegenover de Europese Unie
 Lynch, P.; R. Whitaker & G. Loomes (2011) ‘The UK Independence Party: understanding a
niche party’s strategy, candidates and supporters’. Parliamentary Affairs, 65, 733-757.
Partijen en verkiezingen in tijden van economische crisis
 Bosco, A., & S. Verney (2012) ‘Electoral epidemic: the political cost of economic crisis in
Southern Europe, 2010-11’. South European Society and Politics, 17, 2, 129-154.
Gustaaf Geeraerts
[email protected]
De relaties tussen China en de US.
 Friedberg, A.L. (2005) ‘The Future of US-China Relations: Is Conflict Inevitable?’.
International Security, 30, 2, p. 7-45.
De relaties tussen China en de EU
 Holslag, J. (2009) ‘The elusive axis Evaluating the EU-China strategic partnership’. Asia
Papers, 4, 2.
 Freeman, D. & G. Geeraerts (2010) ‘Europe, China and the expectations for human rights’.
Asia Papers, 5, 1.
Jonathan Holslag
[email protected]
The interaction between the EU and emerging powers in international organizations (cases:
WTO, IMF, G20)
 Holslag, J. (2010) ‘The Strategic Dissonance Between Europe and China’. Chinese Journal
of International Politics, 3, 3, 325-345.
Is Russia really shifting to the East?
 Lo, B. (2011) Axis of Convenience. Washington: Brookings Institution Press.
The interaction between China, the US, and Russia in the MENA (cases: Libya, Syria, Iraq)
 Calabrese, K. (2013) (China and the Arab Awakening: The Cost of Doing Business’. China
Report, 49, 1, 5-23.
20
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Dimokritos Kavadias
[email protected]
Kennis over Holocaust en tolerantie: leidt meer kennis over de holocaust tot een tolerantere
houding bij jongeren?
 Kavadias, D. (2004) ‘Voltooid verleden tijd? Het verband tussen kennis over de nazi
genocide en democratische attitudes bij adolescenten in Brussel’. Res Publica, 4, p. 535554.
De zin en onzin van herinneringseducatie: draagt historisch besef bij tot democratisch
burgerschap?
 Meseth, W. (2012) ‘Education after Auschwitz in a United Germany. A Comparative
Analysis of the Teaching of the History of National Socialism in East and West Germany’.
European education, 44, 3, p. 13-38.
Evaluatie van burgerschapsprojecten: het in kaart brengen van de effectiviteit van de
initiatieven van de “Kracht van Je Stem” op Vlaamse leerlingen en of leerkrachten
 Syvertsen, A.K.; M.D. Stout; C.A. Flanagan; D.L. Mitra; M.B. Oliver & S. Shyam Sundar
(2009) ‘Using Elections as Teachable Moments: A Randomized Evaluation of the Student
Voices Civic Education Program’. American Journal of Education, 116, 1, p. 33-68.
Welke factoren beïnvloeden de houding ten opzichte van de EU bij adolescenten?
 Torney-Purta, J. (2002) ‘Patterns in the Civic Knowledge, Engagement, and Attitudes of
European Adolescents: The IEA Civic Education Study’. European Journal of Education,
37, 2, p. 129-141.
NB: We beschikken we over survey data met betrekking tot de kennis envan de EU, alsook
houdingen ten aanzien van de EU en EU-burgerschap bij 14-jarige jongeren uit 38 landen,
waarvan de 25 EU-landen
Brussels thema (i.s.m. Archief en Museum voor het Vlaams Leven in Brussel): Geschiedenis en
perceptie van Nederlandstalig onderwijs in Brussel. In welke mate heeft het Nederlandstalig
onderwijs het engagement in het Nederlandstalig politieke culturele landschap mee bepaald?
Focus op de scholenstraat of de Moutstraat van Brussel.
 Verkouter, M. & M. De Metsenaere (1998) ‘Nederlandstalig onderwijs in Brussel:
Onderzoek naar de evolutie, het beleid en de problemen van het Nederlandstalig
secundair onderwijs in de athenea van Brussel-19. Analyse van het profiel van de zeven
Koninklijke Athenea’. in: Witte, E. & A. Mares (red.) Twintig Jaar Onderzoek in Brussel Brusselse Thema's 6. VUB-Press, Brussel, p. 195-270.
Brussels thema (i.s.m. Archief en Museum voor het Vlaams Leven in Brussel): Overeenkomsten en
Verschillen tussen de wil om zich te verenigen tussen de Nederlandstaligen en de etnischculturele minderheden in Brussel vanaf 1960. Ontstaan van zelforganisaties en verenigingen van
etnisch-culturele minderheden in Brussel.
 Vermeulen, F.; J. Tillie & R. Van de Walle (2012) ‘Different effects of ethnic diversity on
social capital: density of foundations and Leisure Associations in Amsterdam
Neighbourhoods’. Urban studies, 49, 2, p. 337-353.
21
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Brussels thema (i.s.m. Archief en Museum voor het Vlaams Leven in Brussel): Beleid en praktijk
aan elkaar getoetst in de opvang en onderwijs van migranten in Brussel.
 Jacobs, D. & A. Rea (2011) Verspild talent. De prestatiekloof in het secundair onderwijs
tussen allochtone en andere leerlingen volgens het PISA-onderzoek 2009. Brussel:
Koning Boudewijnstichting.
Brussels thema (i.s.m. Archief en Museum voor het Vlaams Leven in Brussel): In kaart brengen van
het verenigingsleven en de samenlevingsopbouw en werkwinkels rond de Brusselse kerken.
 Stromsnes, K. (2008) ‘The Importance of Church Attendance and Membership of
Religious Voluntary Organizations for the Formation of Social Capital’. Social Compass,
55, 4, p. 478-496.
Brussels thema (i.s.m. Archief en Museum voor het Vlaams Leven in Brussel): Het netwerk en de
betekenis van de Brusselse jeugdverenigingen (De Rivieren in Ganshoren), De Finkel in Jette en
terugkoppeling naar hedendaags jeugdwerk in Brussel maken. Focus op
de Noordelijke regio
van Brussel, via een oral history benadering.
 Bertaux, D. (1995) ‘Social Genealogies Commented on and Compared: An Instrument for
Observing Social Mobility Processes in the `Longue Durée'’. Current Sociology, 43, 69-88.
Onderwijsbeleid: Lokaal schoolbeleid als een vorm van governance. Een vergelijking van de
werking van de Lokale Overlegplatforms van Antwerpen, Brussel en Gent in het reguleren van
het scholentekort
 Hendriks, F. (2014) ‘Understanding Good Urban Governance: Essentials, Shifts, and
values’. Urban Affairs Review, 50(4), p. 553-576.
Beleid: De invloed van quasi-markten in onderwijs, huisvesting en/of tewerkstelling op sociale
cohesie
 Green, A.; J.G. Janmaat & H. Cheng (2011) ‘Social cohesion: converging and diverging
trends’. National Institute Economic Review, 215, 1, p. R6-C76.
Public policies, socio-ethnic segregation and its effects on young peoples’ social integration: the
Brussels Capital Region as case
 Koopmans, R. (2010) ‘Trade-Offs between Equality and Difference: Immigrant
Integration, Multiculturalism and the Welfare State in Cross-National Perspective’,
Journal of Ethnic and Migration Studies, 36(1), p. 1-27.
The political fall-out of educational systems: Equal Educational Opportunities Policies and social
inequality in Europe
 Van de Werfhorst, H.G. & Mijs, J.B.J. (2010) ‘Achievement Inequality and the Institutional
Structure of Educational Systems: A Comparative Perspective’, Annual Review of
Sociology, 36, p. 407-428.
The social efficiency of Higher educational admission, granting and retention policies:
comparing systems
 Triventi, M. (2014) ‘Higher Education Regimes: an empirical classification of Higher
Education Systems and its relationship with student accessibility’, Qual Quant, 48, p.
1685-1703.
22
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Het gebruik van Science Fiction en toekomstprojecties als methodologie in de politieke
wetenschappen
 Rumpala, Y. (2012) ‘Artificial intelligences and political organization: An exploration
based on the science fiction work of Iain M. Banks’ , Technology in Society - an
International Journal, 34 (1), p. 23-52.
Alexander Mattelaer
[email protected]
Trends in de evolutie van airpower
 Gray, C. (2008) ‘Understanding Airpower: Bonfire of the Fallacies’. Strategic Studies
Quarterly, Winter 2008, p. 43-83.
Trends in de evolutie van landpower
 Milevski, L. (2012) ‘Fortissimus Inter Pares: The Utility of Landpower in Grand Strategy’.
Parameters, Summer 2012, p. 6-15.
Trends in de evolutie van seapower
 Xu Qi (2006) ‘Maritime Geostrategy and the Development of the Chinese Navy in the
early 21st Century’. Naval War College Review, 59, 4, p. 46-67.
Cyberoorlog: nieuwe dreiging of nieuwe dimensie van conflict.
 Alexander Vacca, W. (2012) ‘Military Culture and Cyber Security’. Survival, 53, 6, p. 159176.
De impact van de US "pivot" op Europese veiligheid
 Stokes D & R. Whitman (2013) ‘Transatlantic triage? European and UK ‘grand
strategy’ after the US rebalance to Asia’. International Affairs, 89, 5, p. 1087-1107.
Operatie Serval: de Franse interventie in Mali
 Heisbourg, F. (2013) ‘A Surprising Little War: First Lessons of Mali’. Survival, 55, 2, p. 718.
Defending Eastern Europe in the 21st Century
 Grygiel, J. & A.W. Mitchell (2014) ‘Limited War is Back’. The National Interest, sept-oct.
Herman Matthijs
[email protected]
Heeft de EFTA nog een toekomst ?
 Matthijs, H. (2011) ‘De budgettaire impact van de EVA, SEW’. Tijdschrift Europees en
economisch recht, 12.
23
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
De kostprijs van de Europese Unie
 Matthijs, H. (2014) ‘Who pays for the budget of the EU?’ Scottish journal of arts, 18, 2.
De EU regelgeving en overheidsbegrotingen.
 Matthijs, H. (2012) ‘De EU begrotingsregelgeving’. Nieuw juridisch weekblad, 266.
De kostprijs van de NATO
 interne gegevens NATO
Eline Severs
[email protected]
Vertegenwoordiging en democratie: Onder dit thema zijn een hele reeks vragen mogelijk: Kan
een vertegenwoordigende democratie echt democratisch zijn? Is vertegenwoordiging
compatibel met democratie, en zo ja, onder welke omstandigheden of voorwaarden? Is
vertegenwoordiging
essentieel
voor
democratie?
Is
er
nood
aan
meer
participatieve/deliberatieve vormen van democratie? Zo ja, de welke? Wat is er nodig om van
democratische vertegenwoordiging te spreken?
 Plotke, D. (1997)’ Representation is Democracy’. Constellations, 4, 1, 19 - 34.
 Severs, E.; K. Celis & P. Meier (2014) ‘The indirectness of political representation: a
blessing or a concern? A study of the conceptions of members of the Flemish regional
parliament’. Parliamentary Affairs, online first.
 Disch, L. (2011). ‘Toward a mobilization conception of democratic representation’.
American Political Science Review, 105, 1, 100-114.
Niet-electorale vormen van vertegenwoordiging: Binnen studies naar politieke
vertegenwoordiging wordt er steeds meer aandacht besteed aan niet-electorale vormen van
vertegenwoordiging (bijvoorbeeld, door beroemdheden, ngo’s, etc.). Hoe doen deze nietelectorale actoren aan vertegenwoordiging? Zien deze actoren zichzelf als vertegenwoordigers?
Hoe geven ze invulling aan hun relatie met diegenen die ze claimen te vertegenwoordigen?
Vormen hun activiteiten een aanvulling op of een ondermijning van electorale vormen van
vertegenwoordiging? Hoe kunnen burgers niet-electorale vertegenwoordigers aansprakelijk
houden?
 Saward, M. (2009) ‘Authorization and authenticity: Representation and the unelected’.
The Journal of Political Philosophy, 17, 1, 1-22.
 Street, J. (2004) ‘Celebrity politicians: Popular culture and political representation’. The
British Journal of Politics and International Relations, 6, 4, 435-52.
De legitimiteit van de Europese Unie: De Europese Unie wordt vaak gepercipieerd als een
instelling in crisis. Het beperkte vertrouwen van de burger in de Europese instellingen wordt
vaak gelinkt aan een ‘democratisch deficit’. Er bestaat echter weinig onderzoek naar de manier
waarop burgers de Europese Unie percipiëren en evalueren. Hoe percipieert de burger de
Europese Unie? Beschouwen ze het als een legitieme vorm van bestuur? Waarom niet/waarom
wel? Wat betekent legitiem bestuur voor hen? Hoe verhoudt legitimiteit zich tot andere
24
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
normatieve principes, zoals rechtvaardigheid, gelijkheid en eerlijkheid? Wat verklaart de
ontevredenheid van burgers ten aanzien van de Europese instellingen?
 Lord, C. & P. Magnette (2004) ‘E pluribus unum? Creative disagreements about
legitimacy in the EU’. Journal of Common Market Studies, 42, 1, 187-202.
Nationalisme en ‘natie-bouw’: Vlaanderen en België vormen (opnieuw) de inzet van politiek
discours. De Belgische staatshervormingen bieden een context van vreedzame natievorming
(‘Vlaanderen’). Eerdere studies rond natievorming in gewelddadige contexten (e.g., de implosie
van Joegoslavië) wezen op het ‘gegenderde’ en ‘geracialiseerde’ karakter van nationalistisch
discours. Deze studies toonden aan hoe nationalistisch discours traditionele noties van
‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’ mobiliseert en teruggrijpt op de metafoor van de
patriarchale samenleving (mannen worden gepresenteerd als krachtdadige beschermers van de
natie en vrouwen als de overdragers van culturele waarden). Doorheen nationalistisch discours
worden hegemoniale relaties (e.g., heteronormativiteit, genderongelijkheid, minorisering van
etnische minderheden, etc.) bestendigd en gelegitimeerd. De Vlaams/Belgische casus vormt een
mooie gelegenheid om onderzoek te verrichten naar het ‘gegenderde’/’geracialiseerde’ karakter
van nationalistisch discours in vreedzame samenlevingen.
 Nagel, J. (1998) ‘Masculinity and Nationalism: Gender and Sexuality in the making of
nations’. Ethnic and Racial Studies, 21, 2, 242–49.
 Walby, S. (1992) ‘Woman and Nation’. International Journal of Comparative Sociology,
33, 1-2, 81-100.
 Yuval-Davis, N. (1996) ‘Women and the biological reproduction of “the nation”’.
Women’s Studies International Forum, 19, 1-2, 17-24.
De vertegenwoordiging van historisch gemarginaliseerde groepen: Sociale groepen, zoals
vrouwen en mensen met een migratieachtergrond, zijn descriptief ondervertegenwoordigd in de
Belgische politieke instellingen (i.e. hun numerieke aanwezigheid in, bijvoorbeeld, het
parlement is lager dan hun demografisch aandeel). Deze descriptieve ondervertegenwoordiging
wordt beschouwd als een aantasting van de kwaliteit van de democratie. De descriptieve
aanwezigheid van historisch gemarginaliseerde groepen wordt namelijk geassocieerd met een
betere substantiële vertegenwoordiging (i.e. belangenvertegenwoordiging) van deze groepen en
hun sterkere identificatie met (en betrokkenheid bij) besluitvormingsprocessen. Onderzoek
toont echter aan dat de relatie tussen descriptieve vertegenwoordiging en substantiële
vertegenwoordiging bijzonder complex is. Zo handelen vrouwelijke parlementsleden niet altijd
voor vrouwen en vertegenwoordigen belangenorganisaties vaak de belangen van de meest
geprivilegieerde groepen vrouwen. Onder dit thema is zowel theoretisch onderzoek (naar,
bijvoorbeeld, de premisse dat historisch gemarginaliseerde groepen bepaalde gedeelde en
definieerbare belangen delen) als empirisch onderzoek over de vertegenwoordiging van
specifieke groepen mogelijk.
 Dovi, S. (2002) ‘Preferable descriptive representation: will just any woman, black or
Latino do?’ American Political Science Review, 96, 4, 729-745.
 Mansbridge, J. (1999) ‘Should Blacks Represent Blacks and Women Represent Women?
A Contingent "Yes"’. The Journal of Politics, 61, 3, 628 – 657.
 Smooth, W. (2011) ‘Standing for women? Which women? The substantive representation
of women’s interests and the research imperative of intersectionality’. Politics and
Gender, 7, 3, 436–440.
25
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Intersectionaliteit in de praktijk: Hoe gaan beleidsmakers (zoals, Gelijke Kansen Vlaanderen,
Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding, Mouvement Contre le Racisme,
l’Antisémitisme et la Xénophobie, etc.) en organisaties uit het maatschappelijke middenveld om
met de uitdagingen van intersectionaliteit (i.e. het gegeven dat sociaal-politieke posities van
privilege en nadeel vorm krijgen door de wisselwerking van systemen, zoals klasse, gender,
etniciteit, leeftijd, die elkaar wederzijds bestendigen)? In welke mate zijn deze actoren
vertrouwd met het concept "intersectionaliteit"? Hoe passen ze het toe in hun werking/beleid?
Wat is er nodig om van een adequaat intersectioneel beleid te spreken?
 Hankivsky, O. & R. Cormier (2011) ‘Intersectionality and Public Policy: Some Lessons
from Existing Models’. Political Research Quarterly, 64, 1, 217-29.
 Crenshaw, K. W. (2011) ‘Demarginalising the intersections of race and sex: A black
feminist critique of anti-discrimination doctrine, feminist theory, and anti-racist politics’.
In: Lutz, H.; M. T. Herrera Vivar & L. Supik (eds.), Framing intersectionality. Debates on a
multi-faceted concept in gender studies. London: Ashgate, p. 25–42.
 Bowleg, L. (2008) ‘When Black + Lesbian + Woman ≠ Black Lesbian Woman: The
Methodological Challenges of Qualitative and Quantitative Intersectionality Research’.
Sex Roles, 59, 5-6, 312–325.
Dave Sinardet
[email protected]
Nationalistische partijen: ideologische evolutie, discours, strategie, etc.
 Leith, M.S. (2008) ‘Scottish National Party Representations of Scottishness and Scotland’.
Politics, 28, 2, 83-92
Nationalisme en constructie van nationale identiteiten in politiek discours, media, ...
 Billig, M. (1995) Banal nationalism. London, Sage.
Comparatief federalisme: vergelijking tussen federale landen op domein naar keuze
 Watts, R.L. (1999) Comparing Federal Systems, Kingston, McGill-Queen’s University
Press.
 Benz, A. & F. Knuepling (2012) Changing Federal Constitutions: Lessons from
International Comparison, Opladen/Farmington Hills, Barbara Budrich Publishers.
Electorale competitie en partijstrategieën in federale staten
 Hough, D. and C. Jeffery (2006) Devolution and Electoral Politics. Manchester,
Manchester University Press.
De rol van politieke instituties in meertalige en/of 'verdeelde' samenlevingen
 Reilly, B. (2001) Democracy in Divided Societies: Electoral Engineering for Conflict
Management. Cambridge, Cambridge University Press.
Het staatshervormingsproces en de communautaire problematiek in België
 Popelier, P. ; D. Sinardet ; J. Velaers & B. Cantillon (2012) België, Quo Vadis? Waarheen na
de zesde staatshervorming?. Antwerpen-Cambridge: Intersentia.
26
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
De rol van media in federale en/of meertalige staten (bvb: vergelijking van berichtgeving over
communautaire thema's in Vlaamse en Franstalige media, berichtgeving over Schots referendum
in Engelse en Schotse media, Canadese politiek in Engelstalige en Franstalige media, etc.)
 Sinardet, D. (2013) ‘How Linguistically Divided Media Represent Linguistically Divisive
Issues. Belgian Political TV-Debates on Brussels-Halle-Vilvoorde’. Regional and Federal
Studies, 23, 3, 311-330.
Representatie/framing van politieke issues in de media
 Van Gorp, B. (2005) 'Where is the frame? Victims and intruders in the Belgian press
coverage of the asylum issue'. European Journal of Communication, 20, 4, 485-508.
Politieke communicatie en marketing door partijen en politici
 Lilleker, D.G.; J. Nigel & R. Scullion (2006) The Marketing of Political Parties: Political
Marketing at the 2005 General Election. Manchester University Press.
Mihnea Tanasescu
[email protected]
Politics of Nature
 Dobson, A. & P. Lucardie (1995) The politics of nature: Explorations in green political
theory. Psychology Press.
 Latour, B. (2009) Politics of nature. Harvard University Press.
 Wissenburg M. (1997) ‘A taxonomy of green ideas’. Journal of Political Ideologies, 2, 1,
29-50.
Non-human Political Representation
 Tanasescu, M. (2014) ‘Rethinking representation: The challenge of non-humans’.
Australian Journal of Political Science, 49, 1, 40-53.
 Eckersley, R. (1999) ‘The discourse ethic and the problem of representing nature’.
Environmental Politics, 8, 2, 24-49.
 Neill, J. (2001) ‘Representing people, representing nature, representing the world’.
Environment and Planning, 19, 4, 483-500.
Rights of Nature
 Tanasescu, M. (2013) ‘The rights of nature in Ecuador: the making of an idea’.
International Journal of Environmental Studies, 70, 6, 846-861.
 Stone, C. (1974) Should Trees Have Standing?. New York.
Politics of Ecological Restoration and/or Rewilding
 Gobster, P.H. & R.B. Hull (2000) Restoring nature: perspectives from the social sciences
and humanities. Island Press.
 Light, A. & E.S. Higgs (1996) ‘The politics of ecological restoration’. Environmental Ethics,
18, 3, 227-247.
 Katz, E. (2009) ‘The big lie: human restoration of nature’. Readings in the Philosophy of
27
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Technology, 443.
Environmental Policy (including conservation, biodiversity, etc.)
 Tatenhove, J.; B. Arts & P. Leroy (2000) Political modernisation and the environment: the
renewal of environmental policy arrangements. Springer Netherlands.
 Alphandéry, P. & A. Fortier (2001) ‘Can a territorial policy be based on science alone?
The system for creating the Natura 2000 network in France’. Sociologia ruralis, 41, 3,
311-328.
Critical Political Ecology
 Escobar, A. (1999) ‘After nature: steps to an antiessentialist political ecology 1’. Current
anthropology, 40, 1, 1-30.
 Escobar, A. (1998) ‘Whose knowledge, whose nature? Biodiversity, conservation, and the
political ecology of social movements’. Journal of political ecology, 5, 1, 53-82.
Patricia Van den Eeckhout
[email protected]
Het discours van het anti-obesitasbeleid in Vlaanderen.
 Gard, M. (2011) ‘Truth, belief and the cultural politics of obesity scholarship and public
health policy’. Critical public health, 21, 1, p. 37-48.
Het debat in Frankrijk inzake het wettelijk verbod op de boerka.
 Saharso, S. & D. Lettinga (2008) ‘Contentious citizenship: policies and debates on the veil
in the Netherlands’. Social politics: international studies in gender, state and society, 4, p.
455-480.
Het discours inzake de Vlaamse landbouwpolitiek.
 Erjavec, C. & E. Erjavec (2009) ‘Changing EU agricultural policy discourses? The
discourse analysis of Commissioner’s speeches 2000-2007’. Food policy, 34, p. 218-226.
Alison Woodward
[email protected]
Social Movements, Interest Groups and the EU
 Sudbery, I. (2010) ‘The European Union as political resource: NGOs as change agents?’.
Acta Politica, 45, p. 136-157.
Beleidsanalyse: gelijke kansen en anti-discriminatie
 Bell, M. (2008) ‘The Implementation of European Anti-Discrimination Directives:
Converging towards a Common Model?’. The Political Quarterly, 79, 1, p. 36–44.
28
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
II. REGLEMENT MASTERPROEF (UIT HET ONDERWIJS- EN EXAMENREGLEMENT
2014-2015)
Hoofdstuk II: Definities
Masterproef: werkstuk waarmee een masteropleiding wordt voltooid. Daardoor geeft een
student blijk van een analytisch en synthetisch vermogen of van een zelfstandig
probleemoplossend vermogen op academisch niveau of van het vermogen tot kunstzinnige
schepping. Het werkstuk weerspiegelt de algemeen kritisch-reflecterende ingesteldheid of de
onderzoeksingesteldheid van de student;
Hoofdstuk IV. – Verloop van de examens
…
Artikel 118 (onregelmatigheden)
§1. Indien een examinator vermoedt of vaststelt dat de student tijdens het afleggen van de
tentamina, examens of andere vormen van evaluatie een onregelmatigheid heeft begaan, dient
dit door het academisch personeelslid onverwijld en schriftelijk te worden gemeld aan de
decaan. Wanneer een examinator, of een ander met toezicht belast persoon, vaststelt dat een
student tijdens een examen onregelmatigheden pleegt, informeert hij de student van die
vaststelling en kan hij de lopende ondervraging van die student onderbreken, desgevallend na
inbeslagname van de betwiste stukken en de reeds aangemaakte kopij.
§2. Als onregelmatigheid wordt beschouwd elk gedrag van een student in het kader van een
examen waardoor deze het vormen van een juist oordeel omtrent de kennis, het inzicht en/of de
vaardigheden van hemzelf dan wel van andere studenten geheel of gedeeltelijk onmogelijk
maakt of poogt te maken. Plagiaat is eveneens een onregelmatigheid in toepassing van dit
artikel. Onder plagiaat wordt begrepen het gebruik maken van formuleringen van
anderen, al dan niet in bewerkte vorm, zonder nauwkeurige bronvermelding, evenals
iedere vorm van fraude die een inbreuk is op de wetenschappelijke integriteit. De VUB
behoudt zich het recht voor de controle op plagiaat uit te voeren door middel van de door haar
nuttig bevonden hulpinstrumenten.
§3. Indien de feiten worden bewezen, beslist de decaan, eventueel na overleg met de Voorzitter
van de examencommissie, over het al dan niet opleggen van een examentuchtbeslissing. De
beslissing wordt bij aangetekend schrijven aan de student bekendgemaakt. In afwachting van
een beslissing van de decaan mag de student zijn deelname aan de examens voortzetten.
§4. De student heeft het recht om vóór elke beslissing gehoord te worden. De facultaire
ombudspersoon wordt uitgenodigd om aanwezig te zijn. De student heeft recht op inzage in het
dossier en kan zich tijdens het verhoor door een raadsman laten bijstaan.
§5. De decaan kan beslissen tot de volgende examentuchtsancties:
- een 0/20 op het examen of werkstuk van het opleidingsonderdeel of onderdeel ervan;
- uitsluiting examenperiode: geen cijfers toekennen voor alle examens in de betrokken
examenperiode;
- afwijzing: de student kan in het lopende academiejaar niet meer deelnemen aan
examens. Hij kan zich ten vroegste inschrijven voor het volgende academiejaar. De
afgewezene verliest alle examencijfers behaald in de betrokken examenperiode;
- uitsluiting instelling: onmiddellijke stopzetting van de inschrijving in het lopende
academiejaar en het verbod tot inschrijving in het volgende academiejaar.
29
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
§6. De ernst van de overtreding en de strafmaat worden onder meer beoordeeld aan de hand
van de volgende elementen:
- aard en omvang van de onregelmatigheid/plagiaat;
- de ervaring van de student;
- de intentie om het bedrog te plegen.
§7. Binnen de vijf kalenderdagen (vervaltermijn die ingaat de dag na deze waarop de student
heeft kennis genomen van de beslissing) kan de student een beroep indienen bij de Voorzitter
van de betrokken beroepsinstantie. De interne beroepsprocedure leidt tot:
• de gemotiveerde afwijzing van het beroep door de Voorzitter van de betrokken
beroepsinstantie op grond van onontvankelijkheid ervan;
• een beslissing van de beroepsinstantie, genomen in bijzondere zitting, die de
oorspronkelijke beslissing op gemotiveerde wijze bevestigt, of herziet.
De student heeft hierbij het recht om gehoord te worden.
§8. In geval van beroep wordt de beslissing van de decaan, bepaald in §5 van dit artikel,
opgeschort tot op het ogenblik dat de beroepsinstantie beslist over de vastgestelde
onregelmatigheid.
§9. De beslissing in toepassing van §7 wordt aan de student ter kennis gebracht binnen een
termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat de dag na deze waarop het beroep is ingesteld. De
beslissing wordt meegedeeld aan de Rector en de centrale Ombudspersoon.
§10. Tegen de beslissing genomen in toepassing van §7 is een beroep bij de Raad voor
betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen mogelijk zoals omschreven in artikel 155.
Hoofdstuk V. – Masterproef
Artikel 120 (onderwerp, promotor, commissarissen)
§1. In elke masteropleiding wordt verplicht een masterproef opgenomen. Met betrekking tot de
masterproef bepaalt elke faculteit in haar aanvullend facultair onderwijs- en examenreglement
wanneer de studenten de volgende gegevens aan de decaan mededelen:
- het onderwerp van de masterproef;
- de handtekening van de promotor, waardoor deze het onderwerp goedkeurt;
- desgevallend de aanduiding van de doelstelling en methode.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 120 §1
De student deelt het onderwerp en de promotor (en de eventuele co-promotor) van de
masterproef mee aan de faculteit op een daartoe bestemd formulier dat de handtekening draagt
van de promotor (en de eventuele co-promotor) en de student. Dit formulier moet worden
ingediend uiterlijk:
• 1 november van het afstudeerjaar voor studenten die in toepassing van artikel 132
wensen af te studeren op het einde van de eerste examenperiode (inleverdatum
masterproef = 15 december);
• 1 december van het afstudeerjaar voor studenten die de masterproef wensen in te
dienen tijdens de eerste zittijd (inleverdatum masterproef = 1 juni);
• 1 maart van het afstudeerjaar voor studenten die de masterproef wensen in te dienen
tijdens de tweede zittijd (inleverdatum masterproef = eerste werkdag na 15 augustus).
30
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Bij niet-tijdig indienen van het formulier verschuift de inleverdatum van de masterproef
automatisch naar de eerstvolgende inleverdatum.
De masterproef wordt geschreven in de taal van de opleiding. In Nederlandstalige opleidingen
kan de masterproef, mits goedkeuring van de promotor, in het Engels of het Frans worden
geschreven.
§2. Vóór de wintervakantie wordt de lijst van de masterproeven met vermelding van het
onderwerp en de promotor ter goedkeuring voorgelegd. In het aanvullend facultair reglement
wordt het bevoegde orgaan aangeduid. Uiterlijk vóór 1 mei worden naast de promotor minstens
twee commissarissen door de faculteit aangeduid.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 120 §2
De opleidingsraden beoordelen de voorgelegde onderwerpen en duiden twee commissarissen
aan uiterlijk 1 mei of, voor studenten die in toepassing van artikel 132 wensen af te studeren op
het einde van de eerste examenperiode, uiterlijk 1 december.
§3. De promotor is een lid van het zelfstandig academisch personeel, doctor-assistent of
onderwijsprofessor of een ander lid van het academisch personeel dat houder is van de graad
van doctor. De commissarissen zijn in principe leden van het academisch personeel van de VUB.
De faculteit kan beslissen één commissaris aan te duiden onder deskundigen extern aan de
instelling.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 120 §3
Ieder lid van het ZAP en elke doctorassistent of onderwijsprofessor of een ander lid van het
academisch personeel dat houder is van de graad van doctor verbonden aan de faculteit kan het
promotorschap waarnemen.
Eventueel kan een co-promotor voorgedragen worden. De keuze van een co-promotor moet
door de student schriftelijk verantwoord worden.
Als co-promotor kan optreden:
- Een ander ZAP-lid van de VUB
- Een ZAP-lid extern aan de VUB
- Een emeritus van de VUB
- Een niet ZAP-lid met een doctoraat op proefschrift
Als commissaris kunnen worden aangeduid alle leden van het academisch personeel of
deskundigen extern aan de instelling. De co-promotor wordt beschouwd als een extra
commissaris.
Artikel 121 (wijzigingen)
§1. Wijzigingen van onderwerp, verandering van promotor door de student of verzaking door de
promotor van het promotorschap worden schriftelijk aan de decaan gemeld. Dit wordt telkens
met redenen omkleed.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 121 §1
Elke wijziging van het opgegeven onderwerp en/of promotor dient door de student minstens 2
maanden voor de inleverdatum van de masterproef te worden aangevraagd bij de decaan. Deze
aanvraag omvat ook het akkoord van de promotor, en wordt bij verandering van promotor ook
“voor gezien” ondertekend door de vroegere promotor.
§2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 120, behoudens desgevallend de termijnen, wordt
een nieuw onderwerp en/of een andere promotor aangeduid.
31
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
Artikel 122 (begeleiding promotor)
De promotor verplicht zich ertoe om de student regelmatig te begeleiden en de student verplicht
zich ertoe om de promotor regelmatig in te lichten over de vorderingen van zijn onderzoek. Bij
niet-naleving kan de student of de promotor dit schriftelijk aan de decaan mededelen. De decaan
neemt een beslissing die kan leiden tot verandering van promotor of verzaking van het
promotorschap en deelt dit mee aan de faculteitsraad.
Artikel 123 (datum indiening)
De faculteit bepaalt jaarlijks vóór 15 augustus van het kalenderjaar waarin het academiejaar
aanvangt de data waarop de masterproef wordt neergelegd. De masterproef wordt elektronisch
en op papier in minstens vier en maximum tien exemplaren ingediend.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 123
De masterproef moet ten laatste op 1 juni (of de eerste werkdag na 1 juni) voor de eerste zittijd
en de eerste werkdag na 15 augustus voor de tweede zittijd van het academiejaar waarin de
student afstudeert in 4 exemplaren (5 exemplaren indien co-promotor) op het respectievelijke
vakgroepensecretariaat worden ingeleverd.
Studenten in een afstudeerjaar die in toepassing van artikel 132 wensen af te studeren op het
einde van de eerste examenperiode leveren de masterproef ten laatste op 15 december (of de
eerste werkdag na 15 december) in op het respectievelijke vakgroepensecretariaat.
Bij inlevering wordt een ontvangstbewijs verstrekt.
Artikel 124 (vorm van indiening)
§1. De masterproef wordt zowel schriftelijk als elektronisch ingediend. In het aanvullend
facultair reglement wordt vastgelegd of samen met de masterproef een samenvatting, in
publiceerbare vorm, alsook een beknopte tekst voor opneming in de gangbare lijsten van
verhandelingen in de Belgische vaktijdschriften dient te worden afgegeven.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 124 §1
Bij elk exemplaar van de masterproef dient een samenvatting in de taal van de masterproef van
één bladzijde gevoegd te worden. De student wordt vrijgesteld van de beknopte tekst voor
opneming in de gangbare lijsten van verhandelingen in Belgische tijdschriften.
Tevens dient elke student de masterproef elektronisch op te laden op de door de faculteit
aangegeven antiplagiaatserver en het afgedrukte bewijs hiervan te bezorgen bij het indienen van
de papieren exemplaren op het respectievelijke vakgroepensecretariaat.
§2. Het aanvullend facultair reglement kan bepalen dat een masterproef in uitzonderlijke
omstandigheden niet kan worden gepubliceerd.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 124 §2
Een uitzondering kan onder meer worden gemotiveerd aan de hand van een Non Disclosure
Agreement (NDA), ondertekend door de decaan. In dat geval wordt de integrale tekst (met
vertrouwelijke informatie) enkel aan de promotor en commissaris(sen) bezorgd, en wordt
daarnaast op het respectievelijke vakgroepensecretariaat een alsnog publiceerbare versie
(zonder vertrouwelijke informatie, maar met motivatie voor het vertrouwelijke karakter van de
informatie op de betreffende plaatsen in het originele document) ingeleverd.
32
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
§3. Op de student rust de verplichting om de authenticiteit van het onderzoeksmateriaal aan te
kunnen tonen.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 124 §3
Al het ruwe onderzoeksmateriaal moet ter beschikking blijven en moet onmiddellijk op het
decanaat neergelegd worden van zodra er bij een betwisting om wordt verzocht. Het moet
daarenboven op duidelijke en overzichtelijke wijze worden gebundeld.
Artikel 125 (beoordeling)
§1. Onverminderd het bepaalde in §2, bespreken en beoordelen de promotor en de
commissarissen (in waardecijfers) de masterproef.
§2. Indien voor de masterproef niet in een openbare mondelinge verdediging voor alle
studenten wordt voorzien, krijgt de student op zijn verzoek inzage van het gemotiveerd verslag
en de waardecijfers van de promotor en de commissarissen. Op die basis kan de student zich
beraden om al dan niet over te gaan tot een mondelinge openbare verdediging van zijn
masterproef met de promotor en de commissarissen. De behaalde punten worden meegedeeld
aan de student.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 125 §2
Het behaalde resultaat (namelijk het naar een geheel getal herleide gemiddelde van de
waardecijfers) wordt ad valvas aan de student bekendgemaakt. De student die dat wenst kan
binnen de drie dagen na bekendmaking van het resultaat een verzoek richten aan het
faculteitssecretariaat om de masterproef mondeling te verdedigen.
§3. Op basis van een gemotiveerd verslag kan aan de betrokken student een mondelinge
openbare verdediging worden opgelegd.
§4. Indien wel in een openbare mondelinge verdediging voor alle studenten wordt voorzien,
vermeldt het aanvullend facultair reglement of voor de verdediging een kwalitatieve
beoordeling aan de student wordt meegedeeld.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 125 §4
Indien er voor de masterproef wel een verplichte mondelinge verdediging is voorzien ontvangt
de student minstens drie dagen voor de mondelinge verdediging de verslagen van de promotor
en de commissaris(sen). De promotor (of een ander lid van de commissie) deelt na afloop van de
beraadslaging het eindcijfer aan de student mee.
Voor de opleidingen MSc in de Politieke Wetenschappen, MSc in de Sociologie, MSc in de
Toegepaste Economische Wetenschappen en MSc in de Toegepaste Economische
Wetenschappen: Handelsingenieur is de mondelinge verdediging verplicht.
§5. Het aanvullend facultair reglement kan voorzien in een procedure tot afwijking van het
openbare karakter van de mondelinge verdediging. De beslissing tot opheffing van de
openbaarheid van de verdediging dient in alle geval gemotiveerd te zijn aan de hand van
uitzonderlijke omstandigheden.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 125 §5
Indien een masterproef vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevat kan de voorzitter van de
opleidingsraad, op vraag van de promotor, voorzien in een procedure tot afwijking van het
openbare karakter van de mondelinge verdediging.
33
Masterproef in de politieke wetenschappen. Een korte handleiding
§6. Het aanvullend facultair reglement kan voorzien in een procedure tot vervanging van de
promotor of een commissaris wanneer deze in geval van overmacht niet aanwezig kan zijn op de
mondelinge verdediging.
Aanvullend facultair reglement bij artikel 125 §6
Indien de promotor of commissaris niet aanwezig kan zijn op de mondelinge verdediging, dient
hij/zij een ander AP-lid aan te duiden die hem/haar tijdens de mondelinge verdediging zal
vertegenwoordigen. De promotor of commissaris zal de naam van het AP-lid die hem/haar
tijdens de mondelinge verdediging zal vertegenwoordigen, na goedkeuring van de decaan,
communiceren aan het faculteitssecretariaat, en dit uiterlijk 3 dagen vóór de mondelinge
verdediging.
Artikel 126 (verslagen)
De verslagen van de promotor en de commissarissen worden drie kalenderdagen vóór de dag
van deliberatie ter beschikking gesteld aan de leden van de examencommissie en zij moeten
tijdens de vergadering kunnen worden geconsulteerd.
Artikel 127 (begeleiding door meerdere instellingen)
Ingeval van gezamenlijke begeleiding van een masterproef door twee of meer instellingen,
worden de modaliteiten van deze gezamenlijke begeleiding in het samenwerkingsakkoord
uitgewerkt.
34