Bekijk het PDF bestand. - digitale bibliotheek voor de Nederlandse

ONASCH
GESCHIEDE\S VA\ HET VOLK
ISRAEL.
U) esellWegis
- VAN -
HET VOLK ISRAEL,
- DOOR -
M. MONASCH,
Com -cc/or aan het IVederl. Israel.
DERDE DEEI,.
AMSTERDAM.
VAN CREVELL) & C
1891.
►
eminarium.
EERSTE TIJDVAK.
VAN DEN ONDERGANG VAN HET GAONAAT TOT DEN
DOOD VAN MAIMONIDES.
1040 —104.
HOOFDSTUK I.
Samuel en Jozef ibn Nagdela. Hunne tijdgenooten.
1040-1066.
De Arabische beschaving, van het Oosten naar het uiterste
Westen, van Damaskus en Bagdad naar het Pyreneesche
schiereiland overgebracht, had reeds haar toppunt van bloei
bereikt. Reeds tijdens het beheer van den zwakken Hischam 1!
(zie deel II bl. 202) begon het aanzien van het Spaansche
kalifaat te verflauwen. Wel wist nog zijn vizier Abnanzor,
in wiens handen het bestuur eigenlijk berustte, den vrede
te bewaren en de eenheid te behouden, maar na zijn
dogd (1 oo2) brak er een bloedige burgeroorlog uit, die
gruweldaden, algeheele verslapping van het rijk en eindelijk
den ondergang van het huis der Omajaden ten gevolge
had. (z031). Met het uitsterven van dit geslacht hield ook
de eenheid van het kalifaat op, dat nu in kleine zelfstandige
koninkrijken (emiraten) gesplitst werd, die langzamerhand
voor de Christelijke West-Gothen uit het noorden des lands
moesten bukken. In dien burgerkrijg was vooral de hoofdstad Cordova het tooneel van vreeselijke verwoestingen. Het
werd door, den veroveraar Soliman geheel geplunderd en
van zijn edelste burgers beroofd. Ook de Joodsche gemeente verloor hierdoor haar vroeger aanzien en tevens
vele familien, die zich vestigden te Granada, dat de
hoofdstad van een zelfstandig rijk geworden was en te Toledo
en Saragossa. In denzelfden tijd, waarin het Spaansche
kalifaat zijn luister en glans verloor, begon zich de Joodsche
cultuur, eveneens van het Oosten naar het Westen overgebracht, op den bodem van het kiassieke Andalusia tot een
hoogen trap van bloei en ontwikkeling te verheffen. De
laden, door Mozcs b. Chanog-, Menachem en Dunasch gestrooid, brachten schoone vruchten voort, die in de elfde
MoN. Gesch III, 1
2
eeuw tot hare volkomen rijpheid kwamen. Het werk, door
hen begonnen, werd .voortgezet door mannen, aan wie de
Spaansch-Joodsche wetenschap veel dank verschuldigd is.
De meesten hunner vonden een vorstelijken begunstiger in
den beroemden staatsman en geleerde Samuel Hallevie.
Samuel Hallevie ibn Nag Bela (of .1Vwela) was te Cordova
geboren (993), waar hij door R. Chanog in den Talmud en
door Juda Chalk,- in de Hebreeuwsche taalkunde onderwezen werd. Behalve met bet Hebreeuwsch, maakte hij
zich ook met het Arabisch zeer vertrouwd. Over het algemeen had hij veel liefde voor de beoefening van talen,
waartoe hem de inrichtingen van wetenschap in zijn geboortestad voldoende gelegenheid aanboden. Maar hij moest op
twintigjarigen leeftijd met vele anderen Cordova verlaten en
vestigde zich te Malaga in het koninkrijk Granada, waar
hij van een kleinhandel in marskramerijen leefde. Door
toevallige omstandigheden bemerkte ibn Alarif, de vezir
van Habits, den tweeden Barbarijschen vorst van bet koninkrijk Granada, dat de Joodsche marskramer in het Arabisch
zeer bedreven was en ook eene schoone hand schreef. Bij
eene nadere kennismaking was de vezir met hem ingenomen
en bewoog hem, als geheim-secretaris in zijn dienst te treden.
Samuel maakte zich in deze betrekking zeer verdienstelijk
en won in dier mate de gunst en bet vertrouwen van den
vezir, wien hij ook in staatkundige aangelegenheden dikwijls
met raad ter zijde stond, dat deze hem kort voor zijn dood
bij Habits als zijn opvolger aanbeval. De koning gaf bieraan gevolg en verbond hem aan zijn hof. Hij leerde hem
weldra kennen als een man van groote talenten en veihief
hem (1027) tot staatsminister (kitab). Al ontbrak bet den
hooggeplaatsten Jood niet aan geheime en openlijke benijders en haters, die hem in het verderf trachtten te storten
en anderen tegen hem in het harnas te jagen, toch wist
hij zich door zijne given van geest en gemoed in zijn bestuur
staande te houden," zoowel onder Habits als onder diens
zoon en opvolger Badis. Door zijne zachte en kalme natuur
won hij de liefde des yolks ; door zijne onbaatzuchtigheid
en onpartijdigheid logenstrafte bij de aanklachten zijner
tegenstanders en verkreeg zelfs het vertrouwen van de dweepzieke Mosiemen door de beleidvolle wijze, waarop hij in
zijn bestuur met de belangen van den algemeen heerschenden
godsdienst rekening hield. Behartigde hij als minister de
belangen van bet geheele koninkrijk en van alle onderdanen
in het algemeen, als vorst (Nay; id 1) van de Joodsche ge1) 1413 .
•T
3
meenten wijdde hij zijne bijzondere oplettendheid aan de
nooden en behoeften van zijn €eloofsbroeders in het bijzonder. Want de Joodsche minister bekleedde, evenals
vroeger Chasdai en ibn Gau, tevens een vorstelijk gezag
over de Joden van zijn rijk, dat hem door zijne beide
koningen verleend was. Hij was een ijverig hevorderaar
der wetenschap, ondersteunde Joodsche geleerden en jongelingen, die zich aan de studie wilden wijden en behartigde
met niet minder toewijding de stoffelijke belangen van zijne
geloofsgenooten. En te midden van zijne vele werkzaamheden vond ibn Nagdela nog tijd, om zich ook zelf met
de Joodsche wetenschap bezig te houden. Hij verrichtte
zelfs te Granada rabbinale functien, hield er voorlezingen
over den Talmud, beantwoordde godsdienstvragen en hield
eene briefwisseling met Joodsche geleerden uit onderscheiden
landen, o. a. met R. Hai den Gaon van Pumbaditha en
Van zijne vele (2 2) werken
met R. Nissim uit Kairowan.
op verschillend gebied der Joodsche wetenschap bezitten
wij zeer weinig. Van zijne talmudische geschriften - is voor
ons bewaard gebleven eene bile/ding tot den Talmud')
waarin de talmudische kunsttermen verklaard worden. Voorts
kennen wij nog eenige fragmenten van zijne gedichten, die
uit Brie bundels hestonden en in den stiji van Psalmen,
Spreuken en Prediker bewerkt waren 2). In zijne verhandelingen over Hebreeuwsche taalkunde volgde hij het systeem
van zijn leeraar Chajug-. De belangrijkste daarvan was het
boek van den rijkdom 3), waarin hij zijn meester trachtte te
verdedigen tegen de critiek van den beroemden taalvorscher
Iona Marinus.
Samuel Hannagid werd na zijn dood (1055) in al zijne
waardigheden opgevolgd door zijn zoon Jozef ibn Nagdela
(1031-1066). Deze had eene degelijke en voortreffelijke
opvoeding genoten en was op zijn achttiende jaar met
eene geleerde en vrome dochter van den beroemden R.
Nissim in het huwelijk getreden. Al versierden hem ook
de deugden van zijn vader, toch onderscheidde hij zich van
dezen in enkele trekken, die ten laatste den haat der Barbarijsche burgerij van Granada tegen hem en tegen de
Joodsche bevolking in het algemeen opwekten. Hij miste de
•
1)
gewoonlijk gevoegd achter het eerste
:-deel van onze Talmud-uitgaven,
2) Deze heeten daarom trip
in,
3) "term
vim
MON.
Gesch. III, 1+
4
bescheidenheid zijns waders en gedroeg zich jegens de lagere
staatsdienaren dikwijls trotsch en aanmatigend. Ook trok
hij vaak bij de bevordering tot hooge staatsambten zijne
geloofsgenooten en in het bijzonder zijne familieleden voor
boven anderen, die daarop niet minder aanspraz;.k hadden.
Dit nu verbitterde velen, die het bovendien niet goed konden
verdragen, dat wederom een ongeloovige" de hoogste macht
in den lande bekleedde. De haat nam toe, de wrevel en
verbittering werden steeds erger. Zijne vijanden schreven
zelfs den plotselingen dood van den erfprins Balkin toe aan
het vergif, dat hem door fozef toegediend was. Deze beschuldiging nu vond bij koning Baa'is wel geen gehoor,
rnaar toch brachten de lasterlijke geruchten, door kwaadgezinden omtrent 's ministers bestuur verspreid, gaandeweg
het vertrouwen, dat deze in hem gesteld had, aan het wankelen. En toen nu bij een inval van een naburigen vorst
in het gebied van Granada, lasteraars fozef beschuldigden,
daarvan reeds te voren kennis gedragen, ja zelfs met den
vijandelijken koning geheime onderhandelingen aangeknoopt
te hebben, steeg de woede van het opgeruide yolk ten top.
Op een Sabbath drong eene woeste menigte uit de heffe
des yolks het paleis van fozef binnen, doodde hem en hing
tot spot zijn lijk op voor de poort der stad. Zoo eindigde
de edele man in den ouderdom van vijf en dertig jaar op
treurige wijze zijn leven. Maar hiermede waren de woestelingen nog lang niet tevreden. Zij richtten onder Granada's
Joodsche bevolking vreeselijke verwoestingen aan en vermoordden op dienzelfden dag ruim 1500 familien, van wier
have en goed zij zich meester maakten. De treurige berichten dezer afgrijselijke gebeurtenis verwekten allerwege
groote ontsteltenis. Een Arabisch dichter wijdde zelfs een treurlied aan de herinnering van den minister, dien hij vroeger
in een loflied bezongen had. Slechts weinigen was het
gelukt aan de handen der woestelingen te ontkomen, Onder
de vluchtelingen behoorde Jozefs weduwe, die met haren
jongen zoon Azarja de wijk nam Haar Lucena. Gelukkig
voor de Joden heerschte er onder de koningen der verschillende Spaansche rijken, die na de ontbinding van het
kalifaat ontstaan waren, groote naijver, zoodat velen, die
nit vrees voor verdere vervolgingen het gebied van Granada
verlieten, bij andere . vorsten bescherming vonden. Zoo had
reeds vroeger de koning van Sevilla eenige voorname Joden,
die bij het leven van Samuel om staatkundige redenen uit
Granada gevlucht waren, gastvrij opgenomen en een hunner
jozef ibn Mig -asch met een hoog staatsambt bekleed. De
koning van Saragossa, een bevorderaar der wetenschap, verbond te dier tijd eveneens een Jood abu Fadhl, coon van den
5
dichter Jozef ben Chastuzi, aan zijn hof, die dezelfde waardigheid bekleedde als ibn Nagdela te Granada.
HOOFDSTUK II.
Vervolg.
Tot de tijdgenooten van Samuel en laza- ibn Nagdela
behoorden mannen, die de Spaansch-Joodsche literatuur
met belangrijke geestesproducten verrijkt hebben. Onder
hen nemen de eerste plaats in de Hebreeuwsche taalvorscher
Jona Marinus, de gevierde dichter en wijsgeer Salomo ibn
Gabirol en Bachja ibn Pakuda, de schepper eener Joodschwijsgeerige zedeleer.
Jona Marinas, met den Arabischen naarn Abulwalid
Merwan ibn Ganach, aanschouwde het levenslicht te Cordova tegen het einde van de tiende eeuw. Het grootste
deel zijner jeugd bracht hij te Lucena door, waar hij onder
leiding van Menachems leerling Izak ibn Gikatilla in de
Hebreeuwsche taalwetenschap ingewijd werd. Hij gevoelde
zich tot deze wetenschap geheel aangetrokken en wijdde,
ofschoon hij zich ook met geneeskundige studien bezig hield,
daaaan zijne beste krachten. ziona Marinus voltooide
inderdaad het werk, door Judd Chajug begonnen", zoo
luidt het getuigenis van een ouden Spaanschen geschiedschrijver (Abraham ibn Daud). Naar het schijnt, keerde
hij weder naar zijne geboorteplaats terug, maar moest haar
tegelijk met Samuel Hannagia' voor goed verlaten. Na
langdurige omzwervingen vestigde hij zich te Saragossa,
waar hij zijn voornaamst werk voltooide en in het midden
van de elfde eeuw overleed. Meer heeft de geschiedenis
voor ons niets bewaard aangaande den man, wiens leven
zoo vruchtbaar was op wetenschappelijk gebied. Zijne
kleinere geschriften, waarvan hij sommige reeds op zeer
jeugdigen leeftijd vervaardigde, bevatten hoofdzakelijk aanvullingen, maar ook aan- en opmerkingen op Chajugs taalkundige werken., Desnietternin koesterde hij grooten eerbied
voor Chajugs scheppenden geest en verloor in zijne critiek
dezen ook niet uit het oog. Hij las, zooals hij zelf getuigt,
acht maal met veel nauwkeurigheid de heilige geschriften,
alvorens hij het waagde, den man te bestrijden, dien ook
hij als zijn leeraar beschouwde en vereerde. Maar toch
was Samuel Ilannagid over ibn Ganachs critiek zeer verontwaardigd en achtte zich verplicht voor zijn meester op
te komen, dien hij in het vroeger genoemde both van den
6
Ibn Ganach bleef het antwoord niet
schuldig, maar verloor den eerbied jegens den taalgeleerde
Diet uit het oog. Nog voordat hij met ibn Nag-dela in het
strijdperk trad, had hij reeds de eerste hand gelegd aan
zijn hoofdwerk, waaraan hij bijna tot het einde van zijn
leven gearbeid en waarin hij den schat zijner kennis neergelegd heeft. Dit belangrijke work, in het Arabisch geschreven, noemde hij Tankich (critisch onderzoek) en verdat gramniatica en
deelde het in Luma (Hebr. Rikma
exegese bevat, en kitab al usul (het boek der wortels 2), een
woordenboek. Het wordt voorafgegaan door een zeer belangrijke inleiding en overtreft, zoowel wat inhoud als methode
hetreft, alles wat op het gebied der Hebreeuwsche taalkunde
tot nu toe geleverd was. Het valt zelfs te betwijfelen, of
het zijn weerga reeds gevonden beef t.
Niet minder beroemd, alhoewel op een geheel ander gebied,
was Salomo b. Juda ibn Gabirol (Arab. abu Ajub Soleiman
ibn Jachja ibn Djeribul). Deze behoort, zoowel op het
gebied der Hebreeuwsche taalkunde als op dat der wijsbegeerte, tot de mannen van den eersten rang. Slechts
zeer weinig is ons bekend van het leven van dezen man,
»wiens poetische voortbrengselen den wijsgeer verraden en
wiens diepzinnige bespiegelingen in een dichterlijk gewaad
gehuld zijn." Te Malaga, waarheen zijn vader tegelijk met
Samuel ibn Nag dela uitgeweken was, aanschouwde hij het
levenslicht (ornstr. 102 I). Reeds op jeugdigen leeftijd schijnt
hij r zijne ouders verloren te hebben en stond eenzaam en
verlaten, zonder middelen van bestaan, in de wijde wereld.
Zoo verliepen zijne jongelingsjaren in sombere droefgeestigheid en verergerde zijn tegenspoed zijne aangeboren melancholie. De treurige levenservaring, reeds op jeugdigen
leeftijd in ruime mate opgedaan, maakte hem ongevoelig
voor de genoegens der samenleving, zoodat hij zich aan de
buitenwereld onttrok en zijne afleiding zocht alleen in zijne
rijke gedachtenwereld. De poezie en het geloof waren de twee
engelen, wier vleugelen hem beschermden en voor vertwijling behoedden. In den leeftijd, waarin de meeste menschen het leven nog slechts van zijne schoone en aangename
zijde kennen en beschouwen, vervaardigde hij reeds gedichten,
die getuigen van eene ernstige wereldbeschouwing. De
grijze Hebreeuwsche taal verjongde zich door het gevoelvolle
hart van den jeugdigen dichter en werd de trouwe tolk
van zijne verheven gedachten en heilige gewaarwordingen.
Een zeer belangrijk bestanddeel in den loop en den' aard
rijkdom verdedigde.
1)
7.191).?
o ,t-i te rt
7
zijner lotgevallen is ongetwijfeld zijn verkeer met een
edelen en weldadigen menschenvriend, die zich het lot
van den deerniswaardigen, veelbelovenden jongeling aantrok:
Net was Jekuthiel ibn Hassan, die waarschijnlijk aan het
hof van Saragossa een hoog staatsambt bekleedde. Deze,
een bevorderaar van wetenschap en poezie, ondersteunde
ook den genialen ibn Gabirol, die hem daarvoor in heerlijke
gezangen zijn dank en erkentelijkheid betuigde. Ibn Gabirol
werd thans meer ontvankelijk voor de genoegens des levens.
Maar slechts voor korten tijd, daar hem, waarschijnlijk
tegelijk met den val van den koning van Saragossa, zijn
beschermer op wreede wijze ontrukt werd (1039). De dood
van den edelen Jekuthiel werd algemeen betreurd. De
dichters wedijverden, om zijn aandenken door hun elegieen
te vereeuwigen, Treffend en hartroerend vooral is ibn
Gabirols treurzang, die weder tot zijne vroegere droefgeestigheid verviel en slechts troost kon vinden in zijne poetische
ontboezemingen. Van zijne hymmen, gebeden, boete- en
klaagliederen zijn ook verscheiden in onzen rites opgenomen. Behalve talrijke gedichten van gewijden en ook
enkelen van profanen inhoud vervaardigde hij twee werken van ethischen inhoud. Deze heeten, tot veredeling
van de eigenschappen der ziel i) en udgelezen paarlen 2).
In het eerste, dat vele sententien bevat, ontleend aan vroegere, meest Arabische spreukendichters, hekelde hij verscheiden aanzienlijke mannen uit Saragossa. Dit veroorzaakte
eene algemeene verontwaardiging, zoodat hem een langer
verblijf in deze stad ontzegd werd. Hij verliet Saragossa,
dat hij in een hartverscheurend klaaglied als een tweede
Amora brandmerkte en besloot, Spay je voor goed te verlaten. Naar het Oosten Wilde hij zijne schreden ricliten,
in de hoop, daar vrienden en vereerders te vinden. Hij
bracht zijn plan evenwel niet ten uitvoer, maar bleef door
Spanje rondzwerven, waar hij werkelijke of ingebeelde teleurstelling ondervond en niet ophield te klagen over de wisselvalligheid van het leven en de onbestendigheid zijner
vrienden. Zijn naam als wijsgeer heeft hij te danken aan
zijn werk over de algemeene stof en den algenzeenen vorm
of ook genoemd over de oorzaken, evenals de beide vroeger
genoemde werken in het Arabisch geschreven.
Ibn
Gabirols philosophisch systeem maakte in Joodsche kringen weinig opgang, maar des te meer bij de Arabieren
en de aanhangers der Christelijke scholastiek 3). Een deel
1
) Tem rom
Wr3S Tin
Dit werk, dat tot voor ongeveer eene halve eeuw
van zijne beschouwingen in dit wijsgeerig geschrift neergelegd, goot hij in een veihevcn leerdicht, de koningskroonn
genoemd, dat in onze gebedenverzameling voor den vooravond van den Grooten Verzoendag opgenomen is. Ibn
Gabirol overleed in niet hoogen ouderdorn te Valencia.
De legende heeft aan zijn dood het volgende verhaal vastgeknoopt. Een Moor, die den beroemden man zijne wijsheid en dichterlijke gave misgunde, doodde hem en begroef
hem in zijn tuin, dicht bij een vijgenboom. De boom,
gedrenkt door het edele bloed, bracht zulke buitengewoon
prachtige vruchten voort, dat zelfs de kalif daarvan met
roem hoorde spreken. Deze wenschte gaarne te weten,
hoe de Moor aan zulke schoone vruchten kwam en bracht
hem, toen hij het geheim niet wilde openbaren, door foltering tot de bekentenis van zijn misdaad, waarvoor hij
zwaar moest boeten.
Meer opgang dan ibn Gabirols wijsgeerig werk maakte
in Joodsche kringen dat van Bachja b. Jozef ibn Pakuda
(of Bakoda), rabbijn en dajan te Saragossa (omstr. Io5o).
Deze ontwikkelde in zijn wijsgeerig-zedekundig werk de plichten, die het Jodendom in de eerste plaats van ons vordert
en wier betrachting ons veredelt en zedelijk verheft. Fliertoe rekent hij het vertrouwen op God, de berusting in Zijn
wil, zelfkennis en over het algemeen een heilig en ingetogen
leven, dat hij nog hooger stelt dan de voorschriften van
het practisch Jodendom. De aangename en onderhoudende
wijze, waarop de schrijver zijne wijsgeerige denkbeelden
weet te behandelen, heeft het werk, dat later onder den
naam innerlijke plichten 2) uit het Arabisch in het Hebreeuwsch
vertaald is, eene zekere populariteit en algemeene waardeering verschaft.
slechts uit enkele citaten bekend was, werd aan een overigens onbekenden Avicebron toegeschreven, van wien men
zelfs niet eens wist, dat hij een Jood was. De identiteit
van dezen Avicebron met ibn Gabirol werd eerst ontdekt
en bewezen door S. Munk, die een volledige Latijnsche
vertaling van dit werk, order den titel fons vitae, in het
licht gegeven heeft (1857.)
1 ) nithn Irc
2) niz:ri nizin
T:
9
HOOFDSTUK III.
De tijd van de vijf Izaks.
1050-1100.
Sinds de ontbinding van het kalifaat in kleine zelfstandige
rijken kon de Islam aan de toenemende macht der Christelijke
vorsten geen weerstand meer bieden. In de eerste helft
der i 'de eeuw schonk Sancho van Navarra het nit het
graafschap ontstane koninkrijk Castilie aan een zijner zonen,
den ridderlijken en dapperen Fernando (1037), die den
strijd tegen de Arabieren als een godsdienstplicht beschouwde.
Hij ontrukte het eene rijk na het andere aan het gezag
der Mooren en bracht verscheiden landstreken aan gene
zijde van de Taag gelegen, in het blijvend bezit der
Christenen. Zijn zoon Alfonso VI maakte zich zelfs van Toledo
meester, dat hij tot zijne residentie verhief. Voor de
Joden had evenwel deze verandering van bestuur geen
belangrijken invloed. Want al gebood ook Alfonso, dat
in Castilie het wetboek der West-Gothen met zijne voor
de Joden drukkende bepalingen ingevoerd moest worden,
hij lies zich toch in zijn bestuur geheel leiden door het
gewoonterecht (fueros), volgens hetwelk alle bewoners des
lands op een lijn gesteld werden, Wel gaf paus Gregorius VII
den koning hierover zijne ontevredenheid te kennen en
verweet hem, dat hij de synagoge van den Satan verhief
boven de kerk van Christus. De Joden waren dan ook
aan Alfonso zeer gehecht en vonden weldra gelegenheid,
hem hunne erkentelijkheid te betoonen. Toen hij namelijk
zijne veroveringen wilde voortzetten en ook Sevilla en
Saragossa aan zijne macht onderwerpen, riep Almutamed,
de koning van Sevilla, tegelijk met andere Mohammedaansche
vorsten, de hulp in van de Almoraviden uit Marokko. Deze
drongen onder hun machtigen beheerscher fussuf ibn Taschfin Spanje binnen. In Alfonso' s leger bevonden zich zeer
vele Joden, die hem in den beslissenden veldslag bij Solako
(I o86) trouw ter zijde stonden en tot het uiterste verdedigden. Zij offerden gaarne hun ]even op voor hun vorst,
die intusschen den slag verloor en slechts met enkele ruiters
aan het doodsgevaar ontsnapte. De Almoraviden bleven
overwinnaars, maar plukten voor zich zeif de vruchten hunner
zege. Jussuf ontrukte Almutamed den troon en ook anderen
inheemschen vorsten hun gezag. Zuidelijk S.panje werd nu
geruimen tijd het tooneel van bloedige oorlogen, waaronder
de bevolking veel te lijden had en die ook voor de Joden
aldaar droevige herinneringen achterlieten.
Maar te midden van deze staatkundige woelingen en den
10
langdurigen strijd tusschen het Christendom en den Islam
ging het Spaansche Jodendom voort op den weg zijner
wetenschappelijke ontwikkeling. De talmudstudie nam toen
vooral een hooge vlucht en deed voor eenigen tijd de
po'jzie en taalwetenschap op den achtergrond treden. Op
dit laatste gebied onderscheidden zich Mozes ibn Gikatilla
en jua'a ibn Balarn. De eerste, een leerling van ibn Ganach,
vertaalde Chajugs grammatische werken in het Hebreeuwsch
en de andere (r060) schreef verschillende taalkundige verhandelingen. De overwegende plaats, die echter de studie
van den Talmud en de beoefening der Joodsche wetenschap
begon in te nemen, gold voornamelijk de zelfstandige en
streng wetenschappelijke methode De talmudisten, die als
de hoofdfiguren van dit tijdvak moeten beschouwd worden,
droegen alien den naam Izak. Zij zijn : Izak ibn Albalia,
Izak ibn Gajath, Izak b. Ruben, Izak ibn Zakni en Izak
Alfassi. Izak b. Baruch Albalia (1035-1094) een
vriend der Tora en aanhanger van de wetenschap" uit eene
oude en voorname familie gesproten, verkeerde als knaap
bij Samuel Hannagi a', van wien hij boeken ten geschenke
kreeg. Met Jozef ibn Nab Bela was hij zeer bevriend en
ontkwam op den dag, waarop deze door Granada's bevolking vermoord werd, op wonderlijke wiize het doodsgevaar.
Hij vestigde zich te Cordova, waar zich intusschen weder
eene belangrijke Joodsche gemeente gevormd had Zijne
lievelingsstudi6n waren talmud en sterrenkunde ; ook met
het Grieksch was hij vertrouwd. Hij schreef verklaringen op moeielijke halachoth, die hij te samen bracht in
een werk Kupath Haroglim
dat evenwel niet door hem
voltooid is. Wegens zijn roem als sterrenkundige benoemde
hem de vroeger vermelde Abnutamed tot zijn hofastronoom
en verhief hem tevens onder den titel Nasi tot rabbijn van
alle gemeenten uit het koninkrijk Sevilla. Daar hij voor
een groot aantal hoorders onderricht in dm Talmud gaf,
werd Sevilla de belangrijkste plaats voor de talrnudstudie.
Met den dood van zijne vorst verloor hij zijne waardigheid
en keerde weder naar Granada terag, waar hij overleed.
Zijn tijdgenoot Izak b. Jitda ibn Gajath (1030-1089) stond
wegens zijn edel karakter en groote geleerdheid in zijne
geboortestad Lucena in hoog aanzien. Uit erkentelijkheid
jegens zijn begunstigerfozef ibn Nag Bela, deed hij ten behoeve
van diens zoon Azarja ijverige pogingen voor het rabbinaat
van _Lucena, dat hij later op aanhoudend aandringen zelf
bekleedde. Hij was een vruchtbare synagogale dichter en
1)
to, zi•Irl
rtip
T
II
wordt, daar zijne gedichten vaak stroef en duister zijn, de
Spaansche Kafiri genoemd. Op talmudisch gebied schreef
hij commentaren en Halachoth en vervaardigde bovendien
een beknopte handleiding van de gebruiken op de feesten vastendagen. Zijn. zoon fua'a ibn Gajath wordt geroemd
als een voortreffelijk dichter. Izak b. Ruben uit Barcelona,
vertaalde R. Hai' s verhandeling over het talmudisch handelsrecht in bet Hebreeuwsch en schreef onder den naam
Schaff re Schebuoth 2) een commentaar van enkele talmudtractaten, die over het civiel recht handelen. Hij werd
benoemd tot rabbijn van de aanzienlijke gemeente te Denia,
die waarschijnlijk bij zijne kornst door Izak b. Mozes ibn Zakni
verlaten werd. Deze stond bij zijne naamgenooten in geleerdheid ten achter en ging naar het Oosten, waar men hem tot
gaon van Piimbaditha benoemde. Deze geleerden werden
evenwel op talmudisch gebied verre overtroffen door den
laatstgenoemde der vijf Izaks, die de leermethode van de
Noord-Afrikaansche talmudschool naar S.panje overbracht.
Izak b. Jakob Alf assi ( I013-1 I 03), naar de aanvangletters van zijn naam gewoonlijk R if 3 ) genoemd, was te
Kala ibn Hammad, dicht bij _Fez (in Afrika) geboren. Hij
bezocht de school van de laatste Afrikaansche autoriteiten
R. Nissitn en R. Chananel, na wier dood zich zijne naam
als geleerde al meer begon te verbreiden, Hij wijdde
zich uitsluitend aan den Talmud, dien hij met een scherperr
en diep doordringenden blik beoefende, en legde de vruchten
van zijne ernstige en degelijke studie neder in zijne Halachoth 4) (wetbeslissingen). Dit werk bevat een beknopt, maar
helder overzicht van de talmudische verhandelingen, hier
en daar voorzien van zelfstandige opmerkingen en beslissingen en, daar het geheel en al ten behoeve van het Joodschpractisch leven ingericht is, met weglating van alle bestanddeelen, die na den ondergang van den tempel hun beteekenis
verloren hadden. Het werk was voor de praktijk van groot
belang. Bovendien droeg het veel bij tot verbreiding van de
talmudkennis, daar de talmudische discussion zooveel mogelijk
woordelijk teruggegeven worden, wat de aantrekkelijkheid
van het werk niet weinig verhoogt, Het werd dan ook
een onschatbaar hulpmiddel voor de rabbijnsche studie,
Zijne Halachoth van Pesachim zijn onder den naam
r13`71,11 1M7 met verklarende aanteekeningen uitgegeven door
B. Zombar (1864).
T T
2
:
) nirot;'
47,171;.i
3)
Tv"
4
) ntr.in
lbo
12
zoodat reeds ongeveer eene eeuw later Maimonides er van
getuigde, dat het de halachische werken der gaonim verdrongen heeft." Staatkundige redenen noodzaakten Alfassi
zijn geboortestad te verlaten (1o88). Hij stak naar Spanje
over en vestigde zich achtereenvolgens in Cordova, Granada en Lucena, in welke laatste stad hem het rabbinaat
aangeboden werd Ofschoon hij wegens zijne groote geleerdheid algemeen geacht en hoog geeerd werd, traden
toch de beide Spaansche rabbijnen Izak Albalia en Izak
ibn Gajath — de oorzaak is ons niet bekend vijandig
tegen hem op. Hij verdedigde zich tegen hun schriftelijke
en mondelilke aanvallen, waardoor een langdurige pennestrijd
ontstond, die tot den dood der beide rabbijnen voortduurde.
Ibn Albalia toonde evenwel zijne zielegrootheid, toen hij
kort voor zijn dood zijn zeventienjarigen zoon Baruch, die
aan het ziekbed zijns vaders stond te weenen, gel astte, zich tot
Alfassi te begeven, om hem te verzekeren, dat Izak Albalia
alles vergeven had, wat er tusschen hen plaats had gegrepen,
en tevens te verzoeken, dat deze zijn jongen zoon tot leidsman zou strekken., Alfassi, door deze vergevingsgezindheid
diep getroffen, vergat eveneens alle vorige veeten. Hij
omarmde den zoon van zijn vroegeren vijand, onder den
uitroep: > gij hebt uw vader verloren, maar zult in mij een
tweeden vader vinden." De edele geleerde stierf in den hoogen
ouderdom van 90 jaar, alhoewel zijn naam bleef voortleven
in zijne onschatbare Halachoth. Zijn dood werd diep betreurd,
daar men algemeen gevoelde, wat het Jodendom in hem ver loor. Zijn aandenken werd gevierd door de schoone elegieen
van Spanje' s beroemdste dichters Mozes ibn Ezra en Ada
Hallevie, welke laatste ook zijn grafschrift vervaardigde.
HOOFDSTUK IV.
De rabbijnsche wetenschap in Frankrijk. Raschie.
1040 —1105.
Naast de talmudstudie, door R. Gerschom in Noord
Frankijk en Duiischland in het leven geroepen, vonden
aldaar ook eenige andere takken van Joodsche kennis hunne
beoefenaars. Hiertoe behoorde vooral de Bijbelverklaring,
waarmede men zich evenwel op twee geheel tegenovergeHij schreef zijn
waarvan wij ruim 30o be-
zitten, deels in het Hebreeuwsch deels in het Arabisch,
13
stelde wijzen bezig hield, Terwijl sommigen in den geest
van oudere aggada's den Bijbeltekst op allegorische wijze ')
verklaarden en zich onledig bidden met de verzameling en
omwerking van vroegere Midraschim, zochten anderen juist
naar den eenvoudigen en natuurlijken zin 2) van den tekst.
Tot de eersten behooren Mozes de Darschan 3) (verklaarder)
uit de laatste helft van de I 'de eeuw, uit wiens werk door latere
Bijbelverklaarders (vooral door Rasthie) citaten aangehaald
worden en Simon uit Toulouse, de vervaardiger van den op
breede lschaal bewerktenfaikut Schirn'oni 4). Deze uitgebreide
Midrasch-verzameling, die uit een tal (5o) van oudere Halachaen Aggada-verzamelingen geput is, heeft langen tijd een dergelijk ofschoon beknopter werk Lekach lob 5 ) van Simons
tijdgenoot Tobia b. Eliezer uit Griekenland verdrongen. Opmerkelijk is het, dat van twee broeders, Simon en Menachem b.
Chelbo Kara 6 ) de eerste zich met de aggadische uitlegging
bezig hield, terwijl de laatste uitsluitend zocht naar den
eenvoudigen woordzin en de natuurlijke verklaring. Hij
schreef in dien geest een Bijbelcommentaar, dien wij nooop enkele boeken bezitten. Alhoewel de noord Fransche
Bijbelexegeten uit de 1 r de en 1 2de eeuw, van welke genoemde
Menachem als de eerste kan beschouwd worden, de wetenschappelijke leiding van hun Spaansche broeders moesten
missen en ook in kennis der Hebreeuwsche taalkunde bij
hen ten achter stonden, bezaten zij zulk een natuurlijk
taalgevoel en objectieven blik, dat hun letterkundige voortbrengselen in menig opzicht bij die van de Spaansche exegeten
niet ten achter staan. Verrassend zijn vooral de uitkomsten,
waartoe de beroemde Fransche Bijbelexegeet uit de laatste
belft der I 1 de eeuw geraakt is, die tevens op talmudisch
gebied tot de belangrijkste figuren van het middeleeuwsch
Jodendom behoort.
Het is R. Salomon b. Izak (1o4o-11o5) uit Troyes in
de Champagwe, meer bekend onder den naam van Raschie 7),
dien de aanvangletters van zijn naam vormen. Reeds in
zijne prille jeugd werd hij door zijn vader in de talmudstudie ingeleid, waaraan hij zich met buitengewone liefde
wijdde. Ook nadat bij reeds in het huwelijk getreden was,
verliet hij zijn gezin en begaf zich, om zich nog verder to
bekwamen, naar Mainz. Aldaar bezocht hij de school van
R. Gerschom, die toen onder leiding stond van R. Jakob
b. Dakar. Niettegenstaande zware zorgen hem drukten en
1)
5)
2)
rill"!
zio ritp
•
ut'p
3)
rm, t
,liptz, tip
een voorlezer uit den Bijbel.
vv."
1
4
hij, zooals hij zelf verhaalt, vaak gebrek had aan voedsel
en kleeding, zette hij toch zijne studie met noeste vlijt
voort, volgde ook het onderwijs van Izak Halittle en Izak
b. Juda te Worms en van R. Eljakim uit Spiers, totdat
hij zich eindelijk, geheel vertrouwd met de uitgebreide talmudische literatuur, op vijf en twintigjarig en leeftijd in zijn
geboorteplaats vestigde. Al spoedig verbreidde zich, zonder
dat hij het wilde, zijn roem als geleerde door geheel Frankrijk en Duitschland. Van alle kanten stroomde men naar
Troyes, om zijn onderwijs te volgen, en van heinde en ver
wendde men zich tot hem met godsdienstvragen. Zoowel
in zijn onderricht als in zijn uitgebreide briefwisseling gaf
hij de duidelijkste bewijzen van groote bekwaamheid op
talmudisch gebied, van een helderen en diep doordringenden blik. Naar het voorbeeld van R. Gerschom schreef
hij eene verklaring van bijna den geheelen Talmud. Deze
commentaar ') heeft Raschie's naam vereeuwigd en behoort
onder de belangrijkste en tevens nuttigste werken, waarop
het Jodendom kan Bogen. Reeds spoedig na zijne verschijning zeide men, dat het zonder Raschie met de beoefening
van den Babylonischen Talmud gegaan ware, evenals met
den Jeruzalemschen. En dit was zeker geen overdrijving.
Wanneer men Raschie's verklaring vergelijkt met die van
zijne voorgangers, kan men begrijpen, welken indruk deze
nauwkeurige, beknopte maar tevens heldere en zaakrijke
commentaar gemaakt heeft. Hij is onmisbaar voor den
eerstbeginnenden talmoedbeoefenaar, maar eveneens voor
den geleerde. Hij is even helder in de eenvoudige woordverklaring als in de uiteenzetting van den ( ingewikkelden
talmudischen gedachtengang en in de oplossing van moeielijkheden, die zich aan den opmerkzamen en denkenden
lezer voordoen. Zoodoende werd Raschie de onmisbare
gids voor ieder, die zich aan Talmud wijdde en nam zijne
verklaring de eerste plaats in onder alle commentaren, Behalve op den Talmud schreef Raschie ook een commentaar
op bijna alle boeken van de D. S. (uitgezonderd wellicht
op de laatsten der Hagiographen) die — althans wat den
Pentateuch-verklaring betreft — eene algemeene autoriteit
verkregen heeft. Ook deze onderscheidt zich door kortheid,
ornolip (commentarius). Raschie eindigde dezen onge
veer op het einde van tractaat Makkoth (fol°. I9b) toen hij
door den dood weggerukt werd. Enkele tractaten, die door
hem nog niet bewerkt waren, zijn gecommenteerd door zijne
geleerde familieleden Riwan en leaschbam.
•
1
5
helderlieid en objectiviteit. Alhoewel hij in zijn Pentateuchcommentaar aan de talmudisch-balachische en aggadische
verklaring eene belangrijke plaats inruimt, verliest hij toch
den eenvoudigen en woordelijken zin volstrekt niet tut het
oog. En zelfs in de keuze der Midraschim gaat hij met
veel omzichtigheid te werk. Gewoonlijk kiest hij deze,
welke het meest aan het tekstwoord of den samenhang
beantwoorden. Overigens stelt hij, zooals hij zich trouwens
dikwijls uitlaat, de gezonde Bijbelexegese hooger dan de
allegorische uitlegging der Aggada. Op gevorderden leeftijd
maakte hij zelfs zijn kleinzoon Raschbam met zijn wensch
bekend, om — zoo hem de tijd niet ontbrak zijne
Bijbelcommentaar in eene nuchtere en meer eenvoudige
schriftverklaring om te werken. In zijn Bijbelcommentaar
wijdt Raschie ook bijzondere opmerkzaamheid aan de woordvormen en alhoewel hem de grammatische werken van
ilenaehem en Dunasch te dienste stonden, volgde hij toch
vaak zijn eigen zelfstandige zienswijze. Zijn fijn taalgevoel
en zijne bedrevenheid in den Bijbel openden voor hem
vaak geheel nieuwe gezichtspunten. Wegens zijne groote
beteekenis als Bijbelverklaarder gaf men hem den naam
Parschana'atha
(wetverklaarder). Het groote aantal supercommentaren op Raschie' s Bijbelverklaring bewijst, hoezeer
men zich later Merin verdiept en deze tot bet onderwerp
eener grondige studie gemaakt heeft. Aan haar hand werd
dan ook in de scholen gedurende vele eeuwen de Bijbel
vertaald en verklaard en tot op den dag van heden heeft
zij de gewichtigste plaats onder de Pentateuch-verklaarders
behouden. Nog bezitten wij van Raschie een aantal rabbinale decisien, die verzameld zijn in H appar des 2), en eenige
stukken van liturgischen inhoud. Aan de geboorte, het
leven en den dood van dezen beroemden geleerde heeft de
volkslegende verscheiden sagen vastgeknoopt. Biertoe beho ort waarschijnlijk ook het bericht van zijne verre reizen,
die hij ondernomen heeft, om verschillende talmudische bandschriften op te zamelen. Hij overleed te Worms, waar men
nog zijn graf weet aan te wijzen. Zijne geest ging op zijne
schoon- en kleinzonen over. Hij liet geen zonen na, maar
drie dochters, van welke eene in den Talmud zoo bekwaam
moet geweest zijn, dat zij eens haren vader, toen deze wegens
ongesteldheid het bed moest houden, de tot hem gerichte
rabbinale vracen voorlas en zich de antwoorden door hem
liet dicteeren. Zij traden met geleerde mannen in het
1)
∎ I•tl•ilD
nin /
1
6
huwelijk, van welke ons bekend .zijn R. Meir en R. juda
b. Nathan 1 ). De eerste was de vader van drie zonen, die
zich op talmudisch gebied grooten naam verworven en
Noord Frankrijk tot het brandpunt der talmudstudie geniaakt hebben. Zij heeten I zak 2), Samuel 3) en Jakob 4).
De Joden van Oostelijk Europa beginnen in dien tijd
langzamerhand uit de duisternis te voorschijn te komen.
Zoo waren zij reeds in Bohemen, Moravie en Polen gevestigd. Zij namen evenwel aan de ontwikkeling hunner geloofsgenooten in het Westen nog geen deel en bezaten zelfs
op talmudisch gebied nog geen enkele autoriteit. Eveneens bleef het KaraIsme in deze eeuw geheel op den achtergrond. Het leverde ook niet den man van beteekenis op.
Ook /fidie was op wetenschappelijk gebied toen nog onvruchtbaar. De eenige, die zich in de Joodsche literatuur
naam verworven heeft is Nathan b. Jechiel uit Rome (uit
het begin der I ide eeuw)., de schrijver van een met groote
nauwkeurigheid bewerkt talmudisch woordenboek "'ruck 5 ),
dat de grondslag v.ln de latere talmudische lexicographie
geworden is.
HOOFDSTUK V.
•
Het lijden der Joden gedurende de eerste kruistochten.
1096 — 1100.
De rustige en geleidelijke ontwikkeling der Duitsche en
noord-Fransche Joden, waarvan in het vorige hoofdstuk
sprake was, werd op het einde der i i de eeuw op treurige
wijze verstoord door woeste oorlogsbewegingen, waarmede
het Christendom de heerschappij van den Islam in het
Oosten trachtte te vernietigen. De treurige berichten van
den uit Jeruzalein teruggekeerden pelgrim Peter van Amiens
aangaairle bet lijden der Christenen in het Oosten en de
wreede mishandelingen, waaraan de vrome bedevaartgangers
naar het heilige graf blootstonden, wekte allerwege bet vurig
verlangen, het heilige land uit de macht der ongeloovigen
te bevrijden. Vooral in Zuid-Frankrijk maakte Peters vurige
en bezielende taal een diepen indruk en duizenden wenschten
terstond onder de heilige oorlogsschaar opgenomen te worden,
1 „3,1
of
or) in
2) 0,,z ,1
5)
3
) n"zr,
4)
on
6pi1
1 7.
om deel te nemen aan den tocht tegen het Oosten (den
kruistocht). De toerustingen der vorsten en edelen duurden
te lang voor de. geestdrittige, opgewonden massa, die grootendeels uit het schuim der bevolking beEtond, Deze ging
daarom reeds vooruit onder aanvoering van Peter den
Kluizenaar en den Franschen ridder [Fouler zona'er have
(1096). De ongeregelde, teugellooze schaar toonde reeds,
voordat zij de grenzen van het vaderland overgetrokken
was, dat haar roof- en plunderzucht sterker was dan haar
godsdienstijver. De kruisvaarders overvielen in sommige
steden de Joden, onder voorwendsel, dat een monnik op
het heilige graf een geschrift gevonden had waarin het hun
of plicht gesteld was, de ongeloovige Joden met geweld
tot het Christendom te bekeeren. Maar de geestelijken
en vorsten namen de Joden nog in bescherming tegen de
aanvallen der wilde horde, zoodat zij haar lage hartstochten
niet kon botvieren. Het bericht van de komst der kruisvaarders op Duitschen bodem, bij welke zich nog anderen
onder aanvoering van Willem den timmerman aansloten,
wekte onder de Joden aldaar groote ontsteltenis. De vrees
was te sterker, omdat te dier tijd ten geyolge van vreeselijke burgeroorlogen Duitschland aan de grootste verwarring
prijs gegeven was, en orde en wet door het geheele
land vernietigd waren. Wie zou hen in bescherming nemen
tegen de onmenschelijkheden der verblinde en gewetenlooze
kruisvaarders ? Tot wien konden zij zich wenden in hun
benarden toestand ? Keizer Hendrik VI, aan wiens hoede
zij toevertrouwd waren, beyond zich toen in //the, om
bescherming te zoeken tegen zijne vele vijanden.
Groot was dan ook de angst der Joden op het bericht
van het aanrukken der woestelingen, die onmiddellijk na
bun komst op Duitschen bodem (Lotharingen) lieten afkondigen, dat ieder kwijtschelding van zonden kon verkrijgen
door een Jood te dooden. Waar zij kwamen, maakte het
gepeupel met hen gemeene zaak en stond hun in het moorden,
rooven en vernielen ter zijde. Een zekere aanvoerder,
graaf Dithmar, , verzekerde, dat hij niet eerder bet land zou
verlaten, dan dat er geen Jood meer in over gebleven was.
Naar het schijnt, was SPers de eerste stad in Dui tschland,
waar de kruisvaarders den dood van den Heiland op de
Joden wilden wreken, zooals zij in hun gehuichelden geloofsijver uitriepen. Hun doel was, de geheele gemeente in de
svnagoge te overvallen. Net gelukte echter den Joden, het
plan te verijdelen. De edelmoedige bisschop Johan nam hen
in bescherming en verborg hen in zijn paleis. Hij liet zelfs
enkele woestelingen gevangen nemen, wien de handen afgehakt werden. Zoo bleef de gemeente van S:piers behouden
Mop. Gesch. III, 2
18
(3 Mei = 8 Ijar). Zij had den dood van slechts elf barer
leden te betreuren, die onder de handen van de kruisvaarders gevallen waren. Erger was het lot van de gemeente
te Worms, waar de kruisvaarders twee weken later aankwamen. Ook daar was de bisschop Adelbert of Allebrandus
bun volstrekt niet ongenegen, maar verleende velen hunner,
waaronder de aanzienlijkste gemeenteleden, eene schuilplaats
in zijn slot. De overigen hielden zich in hunne huizen
verborgen, in het vertrouwen, dat de burgerij hen zou
beschermen, zooals deze beloofd had. Maar hun hoop bleek
spoedig ijdel te zijn. Zij werden met geweld uit hun schuilhoeken te voorschijn gehaald en zonder genade gedood.
De huizen werden geplunderd en verwoest; de heilige Torarollen langs de straten gesleept en daarna in flarden gescheurd (18 Mei). Zeven dagen later (1 Siwan) kwam de
beurt aan hen, die in het bisschoppelijk slot opgenomen
waren. Toen zij zagen, dat de hoop op behoud verloren
was, hciligden zij voor de oogen hunner vervolgers den
naam van hun Schepper, door zelf een einde aan hun leven
te maken. De broeder doodde zijn broeder, de man zijne
echtgenoot, de leeraar den leerling. D Menige moeder lag
verpletterd boven de lijken harer kinderen", die zij geslacht
had, opdat deze den wolven van het woud" niet tot buit
zouden worden. Het aantal martelaars bedroeg Boo, die
eerst, nadat de kruisvaarders de stad verlaten haddp, begraven werden. Op het bericht van deze gruwelen, wendden
zich de Joden van Mainz, die nu bet eerst in vreeselijke
spanning de komst der kruisvaarders te gemoet zagen, tot
den aartsbisschop Ruthard om hulp, Zij boden hem groote
sommen aan, zoo hij hen tegen de woestelingen in be
scherming nam. Deze was hun, althans oogenschijnlijk, te
wille. Hij gaf hun den raad, hun vermogen in zijn schatkamer te brengen en zich in zijn paleis te verbergen, waar
zij bun leven zeker waren. Toen nu den dag na den ondergang van de gemeente te Worms, graaf Emicho, een bekende
Jodenvijand, aan het hoofd van eene groote menigte kruisvaarders te Mainz aankwam, vond hij de poorten van bet
bisschoppelijk paleis gesloten. De Joden brachten een tijd
van onbeschrijfelijken angst door en smeekten in 'vurige
gebeden den God der vaderen om redding en behoud.
Maar de bisschop heulde met de kruisvaarders, Reeds den
volgenden dag (3 Siwan) opende hij hun de poorten van
het slot, dat zij met woest getier binnenstormden. Daar
berhaalde zich bet ontzettend schouwspel van Worms. De
woestelingen troffen van de 1300 Joden nog maar weinig
levend aan, daar reeds de meesten hun leven aan God ten
offer gebracht hadden. Nog 53 man, waarschijnlijk de vaor-
19
naamsten der gemeente, hield Ruthard in de domkerk verborgen, die ook gegrepen en vermoord werden. Slechts
enkelen lieten zich in hun vertwijfeling doopen, onder welke
ook Mar /silk, het hoofd der gemeente, behoorde. Hij
gevoelde hierover echter weldra berouw. Ook hem was de
dood liever dan dit verraad. In het holle van den nacht
ging hij met zijne beide kinderen, een zoon en een dochter,
naar de synagoge, waar hij hen beiden als zoenoffers voor
den Eeuwige slachtte. Hierop stak hij zijn huis in brand,
waar zijne oude moeder ziek lag door de wonden, haar
door de kruisvaarders toegebracht, en begaf zich toen weder
naar de synagoge, die hii aan alle kanten in den brand
stak, zoodat ook hij in de vlammen den cloud vond. Juist
op den vooravond van het Wekenfeest verzamelde zich eene
groote schaar kruisvaarders onder aanvoering van Herman
den timmerman in Keulen, eveneens met het doel, om de
oudste Joodsche gemeente van Duitschland uit te roeien.
Maar de burgerij, en niet het minst de edele bisschop Herman 111, was met het lot der Joden diep bewogen. Hij
stelde hen in de gelegenheid, in het geheim de stad te
verlaten en zich naar zeven in den omtrek gelegen plaatsen
te begeven. Deze waren : Neuss,Wevelinghof, dorp en stad
Altenahr, Xanten, Meurs en Kerften. Toen nu de moordzuchtige bende den volgenden ochtend de huizen der Joden
binnendreng, trof zij er tot hare niet geringe verbazing
niemand aan. Slechts aan steen en pout kon zij hare woede
koelen. In het geheel vielen den plunderaars slechts ten
man en twee vrouwen in harden. Zij vernielden de synagoge,
die van al hare kostbaarheden beroofd en wier wetsrollen
verscheurd werden. Intusschen brachten de vluchtelingen Brie
weken tot z Tammoez) in den grootsten angst en spanning
door. Zij vastten dag aan dag en vonden slechts verademing in de "vurige gebeden, die zij tot den troon des Allerhoogsten opzonden. Hun angstgeschrei bleef evenwel
onverhoord. De kruisvaarders hadden eindelijk het spoor
der uitgewekenen ontdekt. In zes dagen (26 Juni-2 Juli)
was het lot van alien beslist. Velen bezweken onder
het moordend staal hunner vervolgers, anderen maakten
zelf een einde aan hun ellendig bestaan. Een geleerde
grijsaard Samuel b. jechiel gaf daartoe het voorbeeld. Hij
slachtte zijn zoon in de ri vier, terwijl de omstanders onder
het aanheffen van het z Schema Jisrael" zich in het water
wierpen. Ook te
evelin,ghof maakten de meesten zelf
een einde aan hun leven. Zoo vonden in twee maanden
tijds (Mei—Juli) in de Rhijnstreek verscheiden duizenden
Joden hun dood door de woeste vervolgingen. De overgeblevenen hadden grootendeels in schijn het Christendom
Mos. Geed. III, 2*
20
omhelsd, in de hoop, dat de keizer na zijn terugkomst uit
Italie hunne bede verhooren en hen uit hun ellendigen
toestand verlossen zou. Waar de kruisvaarders op hun
verderen tocht Joden ontmoetten, herhaalden zich dezelfde
bloedige tooneelen. In Bohemen dwongen zij hen tot den
doop en vermoordden ieder, die zich daartegen verzette.
De bisschop Cosmas trachtte wel deze gruwelen te beletten,
maar was hiertoe door de afwezigheid van den hertog, die
in een oorlog met Polen gewikkeld was, niet in staat,
Intusschen was Hendrik IV uit Italic naar zijn rijk teruggekeerd (1097) en vernam met ontzetting de gruwelen, door
de kruisvaarders aangericht. Hij gaf openlijk zijne verbolgenheid hierover te kennen, Door tusschenkomst van het
hoofd der Joodsche gemeente te Spiers stond hij toe, dat
alien, die met geweld gedoopt waren, tot het Jodendom
konden terugkeeren. Dat men van dit verlof onmiddellijk
gebruik maakte, laat zich wel begrijpen. In het volgend
jaar liet hij op aanklacht van de Joden uit Mainz een
onderzoek instellen tegen den bisschop Ruthard, die zich
met zijne verwanten van het geld der gedoopte Joden
meester gemaakt had, Deze viel daardoor in ongenade bij
den keizer, die de inkomsten van zijn aartsbisdom introk,
en schaarde zich toen aan de zijde van Hendriks vijanden.
Ongelukkiger ging het den Joden van Bohemen. Dezen
sadden eveneens het hatelijk masker des Christendoms afgeworpen en tevens, wellicht uit vrees voor verdere vervolgingen, besloten, het land te verlaten. Reeds rnaakten zij
zich gereed, door llongarije naar Folen te verhuizen, toen de
hertog juist uit den strijd terugkeerde. Vertoornd, omdat zij
met hun vermogen, dat in zijn land verworven was naar elders
wilden vertrekken, beroofde hij hen van al hun bezittingen,
zoodat zij in armoede in het land moesten blijven. leer
treurig eindigde de I rde eeuw voor de Joden van jeruzalein,
dat eindelijk, na een beleg van dertig dagen door de kruisvaarders onder Godfried van Bouillon vermeesterd werd
(1099). Nadat hij een schrikkelijk bloedbad onder de
Saracenen aangericht had, dreef hij alle Joden, zonder
onderscheid van leeitijd of geslacht, naar de synagoge, die
hij in brand liet steken, zoodat alien op treurige wijze hun
dood in de vlamrnen vonden. De herinneringen aan /srae/s
lijden gedurende den eersten kruistocht worden nog jaarlijks.
in den tijd tusschen het Paasch- en Wekenfeest bij OTIS opgewekt, zoowel in de synagoge als daarbuiten. De vreeselijke
tafereelen, in dit hoofdstuk in het kort geschilderd, maken
den inhoud uit van een aantal min of . meer uitvoerige
berichten, door tijdgenooten van, ja zelfs door deelgenooten in de algemeene ramp, hier in den vorm van een
2I
warm geschreven historisch bericht '), daar als inhoud van
treurzangen of boetgedichten (Kinoth en Selichoth), elders
weder bij wijze van aanteekeningen in de mernorieboeken
der geteisterde gemeenten, te boek gesteld.
HOOFDSTUK VI.
R. Juda Hallevie en zijn tijd.
1100-1160.
Op Jussuf ibn Taschfin (zie bl. 9), die in hoogen
ouderdom stierf, volgde zijn zoon. Ali ro6-1143) als
vorst der zuidelijke Spaansche provincien, Niettegenstaande
zijne beslissende overwinning op Sancho, den zoon van
Alfonso VI (1108), bleef S.panje toch het tooneel van een
voortdurend krijgsgewoel. Terwijl de Mooren zich met
tegenzin aan de heerschappij der Almoraviden onderwierpen,
heerschte er tusschen de provincien Castifie en Arragon,
die Alfonso VI door het huwelijk van zijne dochter Urraca
met Alfonso van Arragon dacht te vereenigen, voortdurende
twist en verdeeldheid. Te midden dezer staatkundige verwikkelingen bleef evenwel de toestand der Joden in de
eerste helft der [ 2de eeuw gunstig. Verscheidene Joden
bekleedden zelfs hooge eereposten aan Mohammedaansche
hoven en ook de Castiliaansche vorsten stelden hen in
maatschappelijk opzicht niet lager dan de overige bevolking.
Onder zulke gelukkige omstandigheden konden zij zich ook
in geestelijk opzicht ongestoord ontwikkelen. Er heerschte
dan ook in dien tijd onder het Spaansche Jodendom een
ongekende wedijver op elk gebied van wetenschap. Geleerden
en dichters vereerden en vierden elkander in schoone liederen. Onder de talmudgereerden uit dien tijd staan op den
voorgrond zeven geleerden uit de school van Alfassi. De
voornaamste van hen was, zef b. Meir ibn Migasch Hallervie
een man, op wien zijn leeraar trotsch was
en die door hem zelven tot zijn opvolger in het rabbinaat
van Lucena aangewezen werd, Deze gold als de grootste
talmudische autoriteit en vervaardigde verklaringen van den
Talmud onder den titel geheimrol 2). Tot zijne vele leer1 ) Deze b2richten zijn vereenigd in : Hebraische 13erichte
fiber die Judenverfolgungen wahrend der Kreuz,ziige, uitgegeven door A. Neubauer en M. Stern 1892.
tonnio
ricno
•T;
22
lingen behoorden ook zijn zoon Meir en Maimon uit Cordova,
de vader van den beroemden Maimonides. Zeer rijk was dit
tijdvak ook aan uitstekende nieuw-Hebreeuwsche dichters.
Het kon o. a. wijzen op een edel viertal, gevormd door de
geleerde en rijke broeders ibn Ezra uit Granada : Izak,
Mozes, Juda en fozef. De tweede abu Harun Mose, wiens
geboorte noch sterfjaar met juistheid bekend zijn, is de belangrijkste van alien. Hij heeft, wat den inhoud zijner
gedichten betreft, veel overeenkomst met ibn Gabirol, Evenals deze klaagt ook hij zeer bitter over trouweloosheid, nijd
en verraad. Toch verviel hij niet in de zwaarmoedigheid
van den dichter uit Malaga en was ook voor vreugde
ontvankelijk. Hij vervaardigde een gedicht van 12Io verzen
in twee afdeelingen, geheeten het Paarlsnoer i), verder 300
gelegenheidsgedichten en ruim 200 boetgebeden (Selichoth)
voor Israels boete- en treurdagen, waarvan vele in de
Spaansche en Afrikaansche liturgie opgenomen zijn. Wegens
zijne vruchtbaarheid als Selichoth.dichter wordt hij ook wel
Hassallach 2-) genoemd. Ook schreef hij in het Arabisch
onder den naam het boek van sanzenspraak en herinnering
eene verhandeling over de retorica en de Spaansch-Joodsche
poezie, die — zoover ons deze bekend is — niet van
belang schijnt ontbloot to zijn. Van minder beteekenis is
zijne geschiedenis der philosophie, die hij onder den naam
Arugath habbosem 3) (specerijbedden), in het Hebreeuwsch
geschreven heeft en waarvan nog enkele fragmenten tot
ons gekomen zijn. Hij stond wegens zijne algemeene ontwikkeling in de vriendschappelijkste betrekking tot de geleerden uit zijn tijd, o. a. tot den wijdvermaarden dichter
en wijsgeer Juda Hallevie.
Juda b. Samuel Hallevie (Arab. Abu'l Hassan ibn Allawi,
omstreeks o8o—na i 140) heeft als mensch, Jood en wijsgeer een bijna onovertroffen standpunt bereikt. De levensomstandigheden van zijne kindsheid en jongelingsjaren waren
buitengewoon gunstig en gelukkig. Hij genoot de vreugde
des levens in voile teugen en stond in de aangenaamste
betrekking tot vele en edele vrienden, onder welke ibn
Migasch, Baruch ibn Albalza en de familie ibn Ezra uit
Granada eene eerste plaats innemen. De veelzijdigheid
yen zijne kennis en ontwikkeling mag inderdaad verbazend
genoemd worden. Bovenal echter muntte hij uit door de
onbeschrijfelijke schoonheid zijner wegsleepende en hartroerende gedichten, bij wier vervaardiging hij gesteund werd
1
)
Tentlin,
2)
rilmn
T
3)
1:"Tenri rirp
.23
0. a. door eene onbegrensde vertrouwdheid met den
woordenschat van het oude klassieke Hebreeuwsch in zijn
vollen omvang. De hoogste verheffing bereiken zijne gedichten, die gewijd zijn aan Tsion, met zijn groot verleden
en glansrijke toekomst. En die verheffing treft to sneer,
omdat zij de vrucht is van eene innige, diep gevoelde overtuiging, die door hem nader omschreven en blootgelegd is
in zijn wijsgeerig werk Kozari 1, zoo genoemd, omdat daarin
de geschiedenis van den Chazaren-koning Bulam tot uitgangspunt gekozen is (zie deel II blz. 181). Volgens Juarez
Hallevie's systeem berust het Jodendom met zijn geloof in God
en Diens wetten niet op de redeneeringen van het menschelijk
verstand, maar op zekere waargenomen feiten, op openbaringen voorkornende in de geschiedenis, op de menschelijke ondervindingen en eindelijk ook op het gevoel voor
al het hoogere en edele, dat de mensch in zich draagt.
De godsdienst berust dus volstrekt niet op het wijsgeerig
denken, ja, behoeft niet eens de steun daarvan, maar wordt
slechts door de juiste redeneering beter begrepen en opgehelderd. Hierin voornamelijk onderscheidt zich jua'a
llvie op de gunstig.te wijze van andere, zelfs van de be roemdste Joodsche godsdienst-philosofen. Het Jodendom
wortelt naar zijne opvatting het krachtigst in zich zelf. Zijn
blik is bij zijne beschouwingen over zijn geloof en al wat
daarmede in verband staat, steeds gericht op Tsions heiligen
bodem, de oudste, ja eenig volmaakte bron van Goddelijke
heiligheid en verheffing hier op aarde. Nog heeft Tsion,
ofschoon in puinhoopen neergezonken, voor zijn dichters
oog nets van zijne grootheid verloren. Aanhoudend zucht
hij naar dat overoude heiligdom, als prijkte het nog in zijn
oorspronkelijken glans en luister. Deze heilige aandoeningen
zijn het, waaruit een groote reeks van zijne heerlijke Tsionszangen gesproten is, en onder welke de Tsionide de eereplaats bekleedt, welke als de tweede van dien naam op den
negenden Ab onder onze treurliethren wordt voorgedragen.
Maar schooner en indrukwekkender nog dan uit al deze
uitmuntende gedichten spreekt Juda Hallevie's hartstochtelijke liefde voor het eerbiedwaardig jeruzalem uit de omstandigheid, dat hij in den avond zijns levens zijne schreden
daarheen gericht heeft. Met de grootste opoffering en versmading van de dierbaarste en teerste banden en betrekkingen bracht hij dit lang gekoesterde plan ten uitvoer. Hij
verliet zijne eenige dochter ; zijn kleinzoon, die tevens zijn
24
naam droeg zijne tallooze leerlingen en vrienden en toog
naar het heilige land. Of hij indadaad zijn doel bereikt
heeft, is niet met zekerheid bekend. Het verhaal, dat hij
zijn dood gevonden heeft onder de hoeven van het paard
eens Arabischen ruiters, juist toen hij in de oude tempelstad
het laatste vers zijner Tsionide voltooid had, be'noort tot
het gebied der legenden. Zijn sterfjaa.r en zijne begraafplaats
zijn onbekend gebleven, maar des te wijder heeft zich de
roem zijner letterkundige voortbrengselen verbreid en is de
naam van Juda Hallevie ver buiten de Joodsche wereld
doorgedrongen.
HOGFDSTUK VII.
Geloofsdwang in Spanje. Abraham ibn Ezra.
1145-1180.
Omstreeks het midden der i 2de eeuw werd Spanje voor
een groot gedeelte overstroomd door dweepzieke Afrikaansche veroveraars, die aldaar schromelijke verwoestingen aanrichtten, waaronder ook de Joden veel te lijden hadden.
Abdallah ibn Tumart had in noordelijk- Afrika de secte der
Almohaden gesticht, die zich ten doel stelde, den Islam, zooals
zij dien opvatte en verklaarde, te verbreiden en tevens den
strijd te ondernemen tegen de Almoraviden. Dezen leden
dan ook gevoelige slagen zoowel van ibn Tumart als van zijn
opvolger Abdulmumen, die eindelijk de opper-heerschappij
in floor d- Afrika verkreeg. Abdulmumen duldde in zijn rijk
geen andere geloofsbelijdenis dan het Mohammedanisme.
Den Joden gaf hij de keuze tusschen den overgang tot den
Islam en het verlaten van het land. Velen kozen het laatste.,
anderen gingen althans in schijn tot den Islam over. In
hun hart bewaarden zij eene heilige liefde voor het geloof
der vaderen, namen in het geheim vele godsdienstvoorschriften trouw in acht, ja wijdden zich zelfs aan de beoefening van Bijbel en Talmud. Intusschen waren de Almo
haden de zeeengte overgestoken en Andalusia binnengedrongen. Zij maakten zich meester van Cordova (1148), waarop
binnen een jaar de onderwerping volgde van geheel zuidelijkS,anj e, dat door partijschappen reeds zeer verzwakt was.
Den Joden aldaar wachtte hetzelfde lot als hun Afrikaansche
geloofsbroeders. Hun bleef geen andere uitweg open dan
de overgang tot den Islam, de dood of het verlaten van
hun grondgebied. De synagogen werden verwoest, de beroemde leerscholen van Sevilla en Lucena gesloten, de be-
25
oefening van Talmud of andere Joodsche wetenschappen
verboden. Waarheen moesten de ongelukkigen, die voor
verraad jegens hun godsdienst, al was dit zelfs maar in
schijn, als voor een akelige spookgestalte terugdeinsden, hun
schreden wenden ? Gelukkig vonden zij een edelen beschermer in den Christelijken koning Alfonso VI Raimundez
(11 23 —1 1 5 ) van Castilie. Aan zijn hof te Toledo stond
Juda ibn Ezra in hoog aanzien, die met zijne schatten den
ongelukkigen ballingen te hulp kwam. Zoo vonden alle
Joden, die den Islam versmaadden, maar aan den anderen
kant zich voor den marteldood wilden beveiligen, een toevluchtsoord in Toledo. Onder hen behoorde ook R. Mar,
de zoon en opvolger van Jozef ibn Mi gasch. Toledo werd
hierdoor een nieuw brandpunt voor de ontwikkeling der
Joodsche wetenschappen, die thans uit het Mohammedaansche
Spanje verbannen waren. Twee mannen, beiden uit Toledo,
handhaafden den ouden roem van het Spaansche Jodendom.
Het waren Abraham ibn Ezra en Abraham ibn Daud.
Abraham b. 'Weir ibn Ezra (ongeveer 1089-1167) — het is
onzeker, of hij met de beroemde familie ibn Ezra uit Granada
verwant was — een man van buitengewone talenten op elk
gebied van wetenschap, vormt eene scherpe tegenstelling
met zijn jongeren tijdgenoot juda Hallevie, die, volgens
eene legende zijn schoonvader was. Alhoewel een oorspronkelijk en geniaal denker, miste hij de noodige kalinte en
bedaardheid, om op eenig gebied van wetenschap een systematisch, afgerond geheel te scheppen. In zijn overvloed
van geleerdheid levert hij in zijne verschillende werken een
schat belangrijke bnchouwingen en ontdekkingen op velerlei
gebied van profane en Joodsche wetenschap, maar zoo kort
en onduidelijk en tevens in zulk eene bonte en ongeregelde
opvolging, dat het ook bij den besten wil moeielijk valt,
deze naar behooren te vatten, te overzien en tot een volkomen geheel te vereenigen. In het algemeen levert ibn
Ezra' s karakter allerlei zonderlinge tegenstrijdigheden op.
Zoo paart hij aan een streng zelfstandig onderzoek eene
trouwe gehechtheid aan vroegere autoriteiten aan eene
soms niet van vrijzinnigheid vrij te pleiten beschouwing over
belangrijke wetenschappelijke en godsdienstige onderwerpen,
eene voorliefde voor de mystiek en een geloof aan den
invloed der sterren op de menschelijke lotgevallen. Ernst
en luim wisselen elkaar bij hem af. In zijn critiek is
hij scherp, kwetsend, ja verpletterend. Alhoewel hem nu
eens de eene dan weder de andere wetenschap boeide,
gevoelde hij zich toch het meest aangetrokken tot de
Hebreeuwsche taalkunde en Bijbelexegese. Op dit laatste
gebied heeft hij dan ook grooten roem behaald en is zijn
26
blik niet alleen in de grammaticale beteekenis der woorden,
maar ook en vooral in den inhoud en samenhang van het
geheel zelden overtroffen. Zijne gedichten, die van verschillenden inhoud zijn, voldoen geheel aan de eischen van
den versbouw, maar missen iedere werkelijke dichterlijke
verheffing. Dezeltde onregelmatigheid, die zijn wijze van
werken vertoont, teekent zich ook in zijn leven. Op rijperen
leeftijd verliet hij, waarschijnlijk door armoede genoopt 1),
zijn vaderland en begon in den waren zin des woords een
zwerversleven. Hij reisde door Afrika, Egypte, Palestina
en Babylonia. Op deze reizen kwam hij in aanraking met
vele geleerden, waardoor hij zijne kennis in hooge mate
verrijkte. Hij hield zich evenwel op eene en dezelfde plaats
slechts kort op, zwierf voortdurend van stad tot stad en
van land tot land en keerde eindelijk (omstr. 1141) uit het
Oosten naar Europa terug. Verscheidene jaren bleef hij in
vestigde zich achtereenvolgens in Rome, Salerno,
Lucca en Mantua, in welke steden hij zonder hulpmiddelen
de meeste zijner werken vervaardigde. Onder deze behoort
in de eerste plaats zijn commentaar op den Bijbel, dien
hij voor een groot gedeelte in _Italie bewerkt heeft. Hierin
is hij geheel oorspronkelijk en zelfstandig en geeft nu en
dan over den wordingstijd van sommige Bijbelboeken korte
wenken, die van veel vernuft en scherpzinnigheid getuigen.
Vooral in zijn commentaar op den Pentateuch, dien hij het
laatst vervaardigde, vond hij gelegenheid, ook over andere
wetenschappen nit te weiden. Ook deze verklaring is, niettegenstaande hare meerdere uitvoerigbeid dan op de andere bijbelboeken, op vele plaatsen duister en raadselachtig. .Behalve
zijne vertaling van Cliajugs grammatische werken, schreef
ibn Ezra tijdens zijn langdurig verblijf in Rafie verscheiden
werken op taalkundig gebied. Zoo verscheen van hem te
Rome een werkje onder den titel Moznajim 2), waarvan
vooral de inleiding een belangrijk overzicht bevat van de
voortbrengselen der oudere taalgeleerden. In Lucca schreef
hij onder den naam Sephath picker 3) eene weerlegging van
b. Labrats polemiek tegen Saadja (zie deel II bl. 120 noot 3)
I) Zijn tegenspoed schildert hij aldus op de hem eigenaardige geestige wijze : A ik trachtte rijk te worden, maar
de fortuin was mijn gesternte niet gunstig. Ik bond mij
overtuigd, dat zoo ik lijkkleederen ging maken, niemand
sterven, of zoo ik een handel in kaarsen begon, de zon tot
den dag van mijn dood niet zou ondergaan."
2)
t::,31*t
•.-:
3 nn, na'v
)
-
27
en Se,her Hajjesod over taalkunde en eindelijk te Mantua
Tsagoth 2
een leidraad voor eene diepere studie der
gewijde taal.
Eindelijk verliet de algemeen beminde en geachte geleerde
Itzzlie om zich naar Zuid-Frankrijk of Provence te begeven,
want._ de Joodsche wetenschappen ijverige beoefening vonden.
Hij lief zich neer in de oude gemeente Beziers en vatte
daar de pen op tot het schrijven van eenige werkjes over de
Joodsche godsdienst-wijsbegeerte, waaraan echter, zcoals aan
zijne meeste werken, een systematische behandeling van het
onderwerp ontbreekt. Zijn lust tot reizen verliet hem zelfs
in zijne grijsheid niet. Reeds zeventig jaar oud, begaf hij zich
naar Londen. Daar schreef hij, behalve een werkje van
godsdienstig-wijsgeerigen inhoud, eene verdediging van de
stelling, dat de Sabbath reeds den voorafgaanden avond en
niet eerst met het aanbreken van den zevenden dag zelf
moet gevierd worden, zooals door een beroemd Bijbelverklaarder beweerd was. Vooral de inleiding van deze verhandeling 3) kenmerkt zich door hare geestige inkleeding als
het werk van ibn Ezra. Na een kortstondig verblijf verliet
hij de Engelsche hoofdstad en zocht weder Zuid-Frankrijk
op. Tot in zijn hoogen ouderdom behield hij eene bewonderenswaardige helderheid en frischheid van geest, zoodat
hij nog in zijne laatste levensjaren in staat was, zijn Pentateuch-commentaar om te werken. Ook vervaardigde hij
toen nog een taalkundig werk onder den naam ' de zuivere
taal"). Naar het schijnt, wilde hij uit Provence naar zijn
vaderland terugkeeren. Maar op de grenzen van Arragon
overleed hij in den ouderdom van 78 jaar.
Van geh ,!el anderen aard en aanleg was zijn tijdgenoot
Abraham ibn David Hallevie (ibn Daud omstr. i I I o---i i 8o).
Evenals ibn Ezra was ook hij een man van veelzijdige ontwikkeling en legde zich in het bijzonder • toe op de kennis
der geschiedenis, der Joodsche zoowel als eaer algemeene,
waarvoor de Spaansche Joden over het algemeen weinig
zin gevoelden. In zijn tijd was er van den Karaiet juda
b. Elia Haddassi uit Constantinopel een belangrijk werk
verschenen onder den naam Eschkol hakkofer 5 ), waarin de
Rabbanieten op gevoelige wijze aangevallen werden. De
strijd, hierdoor weder tusschen de Rabbanieten en Karaieten
uitgebroken, bewoog ibn Daud tot de vervaardiging van
het boek der overlevering 6). Daarin geeft hij een chrono),
ilium /o
nizri 71:1:tr
1)
•
rrins 3 inter! rrux
)
TT
:
4 rimin mot
)
T : TT
28
logisch overzicht der Joodsche geschiedenis van de schem,ing
tot op zijn tijd, om daardoor te bewijzen, dat het Rabbijnsch
Jodendom kan Bogen op een onafgebroken keten van tradition
en dus ver boven het Karesme staat, dat met traditie den
spot drijft en op godsdienstig gebied de grootste willekeur
toelaat. Dit werk is vooral voor de kennis der geschiedenis
van het Spaansche Jodendom van groot belang. Daaraan
verbond ibn Daud een zeer beknopt overzicht van de geschiedenis van Rome van zijne stichting tot den tijd van den
inval der Gothen t) en een overzicht der Joodsche geschiedenis gedurende den tweeden tempel 9, Beide werkjes
hebben uit een historisch oogpunt weinig of geen beteekenis.
Als zijn voornaamste taak beschouwde intusschen ibn Daud
de godsdienst-wijsbegeerte ; op dit gebied schreef hij in
het Arabisch een belangrijk werk onder den naam het
hoogste geloof 3). In tegenstelling metJuda Hallevie trachtte
hij hierin weder de waarheden des Jodendoms langs wijsgeerigen weg te bewijzen. Terwijl ibn Daud zich met
ijver aan de geschiedenis wijdde, hield zich zijn tijdgenoot
Benjamin b. Jona uit Tudela (aan de Ebro) met aardrijkskundige studie bezig, En dit is des te oprnerkelijker, omdat
de Spaansche Joden, niettegenstaande hunne liefde voor de
wetenschappen, in land- en volkenkunde weinig belang
stelden, wat trouwens in de middeleeuwen over het algemeen
het geval was. Benjamin, een geleerd koopman, doorreisde
ongeveer negen jaar (1165-1173) Zuid-Europa, een groot
deel van Azie en Afrika, stelde zich op de hoogte van
alle bijzonderheden der plaatsen, die hij aandeed, en gaf
daarvan eene nauwkeurige beschrij ving. Deze reisbeschrijving 4). die niet alleen over de toestanden van de door
hem bezochte Joodsche gemeenten belangrijke mededeelingen
bevat, maar ook gewichtige bijdragen levert voor de volkenkunde in het algemeen, is in bijna alle moderne talen vertaald.
HOOFDSTUK VIII .
De Tosafisten. De tweede kruisto3ht en de eerste bloedbeschuldiging tegen de Joden.
1140 —1180.
De weldadige regeering van de Capetingische vorsten
en VII (11o8-118o) bevorderde ook in
Lodewijk VI
Inin
3)
"131 p1:1
nr r9.1n ■
52) ,31:i
ronz tm-fr.,4 thn
i'??T'il? nv;?.;
29
Frankrijk de beoefening der Joodsche wetenschap in geene
geringe mate. Terwijl Spanje's geleerden zich hoofdzakelijk
met poezie en wijsbegeerte bezig hielden, gold Frankrijk
als het klassieke land van de talmudstudie en Bijbelexegese.
Men ging voort op de baan, door den grooten Raschie
geopend, en voltooide diens beroemden talmud-commentaar,
welken hij, zooals wij reeds vroeger meldden — niet
geheel ten einde gebracht had. Zijne leerlingen en volgelingen legden zich met bewonderenswaardige scherpzinnigheid op den Talmud toe, ontleedden den commentaar
van den grooten meester door dezen aan een strenge critiek
te onderwerpen. Uit eerbied en hoogachting voor Raschie
gaven zij evenwel hun aan- en opmerkingen, eigen zienswijzen
en verklaringen den bescheiden titel van Tosefoth
(toevoegingen). Vandaar kreeg de school van Raschie' svolgelin;en den naam van de Tosafistische school. Deze heeft
twee eeuwen gebloeid en veel bijgedragen tot de scherpzinnige beoefening van den Talmud. Ofschoon naar Raschie's
geest gevormd, bestaat er toch een groot verschil tusschen
Raschie en de Tosafisten. Terwijl de eerste zich doorgaans
alleen bepaalde tot de verklaring van den tekst, zonder dezen
te vergelijken met andere plaatsen in den Talmud, houden
zich de laatsten juist hoofdzakelijk onledig met het vergelijken der talmudische discussion, die over de onderwerpen
van dezelfde soort handelen, waardoor zij vaak fijne onderscheidingen vinden tusschen het schijnbaar gelijke of omgekeerd op punten van overeenkomst wijzen tusschen het
schijnbaar ongelijke. Gaandeweg begonnen zij zich ook,
naar aanleiding van hunne nieuwe resultaten, dikwijls met
groote dialectische scherpzinnigheid, aan den Talmud ontleend, te bewegen op htt gebied der casuistiek. Hunne
casuistische beslissingen kregen vooral in Frankrijk en
Dititschland groote autoriteit. De kring van de eerste
Tosafisten bestond hoofdzakelijk uit Raschie's familieleden,
en wel uit zijne vroeger genoemde (zie bi. 16) schoon- en
kleinzonen en een Duitscher R. fitschak b. Aser 2), die ook
met hem verwant was. De beroemdste van dezen kring
was R. Jakob Tam of Rabbenu Tam uit Rameru (niet ver
van Troyes, iloo-117o). Deze onderscheidde zich evenzeer door zijne groote belezenheid in de talmudische literatuur als door zijn scherpzinnigen en helderen geest. Ofschoon
hij geene rabbinale waardigheid bekleedde, gold hij toch
in zijne dagen als de grootste taimudische autoriteit, zoodat
I)
niDt.1.1171
N"Z'l
30
men zich van heinde en ver met godsdienstvragen tot hem
wendde. Op zijne aansporing en waarschijnlijk ook onder
zijn voorzitterschap werden door de Fransche rabbijnen
synoden gehouden tot de vaststelling van besluiten, die met
het oog op de tijdsomstandigheden in het belang van den
godsdienst als noodzakelijk beschouwd werden. Behalve
in den Talmud stelde R. Tarn ook veel belang in andere
takken van de Joodsche wetenschap. Hij trad zelfs als
scheidsrechter op in den strijd tusschen Menachem b. Saruk
en Dunasch b. Labrat (zie deel II bl. 200) en verdedigde
in zijne beslissingen den eerstgenoemden tegen de critiek
van Dunasch. Met Abrahanz ibn Ezra stond hij in dichterlijke briefwisseling en schreef gedichten van profanen en
gewijden inhoud. In zijne gedichten bediende hij zich van
de nieuw-Hebreeuwsche versmaat, die hij aan de Spiansche
zangers ontleend had. Het meest beroemd is echter zijn
talmudische commentaar, geheeten Sefer Hajjaschar 2). Als
Bijbelexegeet stond hij evenwel ver ten achter bij zijn broeder
R. Samuel b. Meir (Raschbanz) (omstr. 1085-1158). Van
Raschbams verklaring op vele boeken van den Bijbel is
alleen die op den Pentateuch en de vijf rollen voor ons
bewaard gebleven, Deze staat in zooverre boven die van
Raschie, omdat zij uitsluitend zoekt naar den eenvoudigen
en natuurlijken zin. Raschbam neemt de eerste plaats in
onder de hoofden der Noord Fransche exegeten-school.
Daartoe behooren ook Jozef de zoon van Simon _Kara (zie
bl. 13) en fozef bechor Schor (omstr. 117o) wier geschriften
eerst in den jongeren tijd meer bekend en naar verdienste
gewaardeerd zijn. Beiden toonen, dat zij geheel ddordrongen
zijn van de hooge waarde eener zuivere Bijbelexegese, ontdaan van alle aggadische en allegorische elementen. Zij
bezaten een helderen, critischen blik : op taalkundig gebied
stond Jozef bechor Schor hooger. Hij was reeds bekend
met het woordenboek Arucli 3 ) van Salomon b. Abraham
Parchon. Deze, van geboorte een Spanjaard en een leerling van Juda Hallevie en ibn Ezra, vervaardigde dit werk
in Salerno (116o). Parchon's woordenboek, waaraan een
beknopt taalkundig overzicht voorafgaat, heeft, ofschoon
het niet oorspronkelijk maar grootendeels een verkorte omwerking is van de werken van juda Chajug en ibn Ganach,
zoowel in Ii'alie als in .Frankrijk veel bijgedragen tot de
verbreiding van de studie der gewijde taal.
Na den dood van R. Tam gold zijn neef Izak ben
rnrom
T' •
.) 111pri
3
Samuel ') nit Dam.pierre, eveneens woonachtig te Rameru,
als de voornaamste van het volgende Tosafisten-geslacht.
Deze verzamelde de Tosafoth zijner voorgangers, die onder
den naam van oudere Tosafoth 2), alhoewel omgewerkt, tot
ons gekomen zijn. Tot de Duitsche Tosafisten uit dien
tijd (laatste helft der 12de eeuw) behooren : de reeds genoemde Riba uit Spiers ; R. _Eliezer b. Samuel uit Metz,
een leerling van R. Tam en schrijver van het zedekundig
werk Stier jereim 3) ; R. Eliezer b. Nathan 4) uit Mainz,
schrijver van ritualien Tsofnath Paaneach 5) en van eene
geschiedenis der Jodenvervolging gedurende den eersten
kruistocht 6) en R. Eliezer b. Joel 7), naar zijn Talmudisch
geschrift gewoonlijk Abi Haezri 8) genoemd. Op het gebied
der Joodsche zedeleer verschenen in de 11de en 12de eeuw in
Duitschland en Fr ankrijk verscheiden geschriften, ten deele
zelfstandige werken, ten deele commentaren van oudere geschriften, soms ook bewerkt in den vorm van testamenten aan
kinderen of leerlingen. Tot dusdanige geschriften behooren
Orchath Chajim 9) van Eliezer b. Izak uit Worms (omstr.
I 1 oo), Safer Hachasidim 1°) van R, juda Sir Leon uit Parijs
(een zoon van Samuel Hachasid, wien Schire hajjichud ") toegeschreven worden) en Rokeach 1 2) van El' azar b. Juda nit
Worms, die bovendien ook op talmudisch en kabbalistisch gebied gearbeid heeft. Genoemde geschriften hebben veel bijgedragen tot de instandhouding van de Joodsche deugden en tot
de verheffing van het zedelijk en godsdienstig bewustzijn te
midden van de donkere nachten der middeleeuwsche vervolging.
Nog waren de bloedige sporen van den eersten kruistocht niet uitgewischt, of wederom werd het huis Israel in
diepen rouw gedompeld door het vuur van het fanatisme ,
dat aangewakkerd werd door den tweeden kruistocht. Het
koninkrijk jeruzalem geraakte, na een kortstondig rustig
bestaan, door de voortdurende invallen der Saracenen in
een hachelijken toestand, zoodat paus Eugenius III de
Christenen tot een nieuwen tocht naar het heilige graf aanspoorde. Meer nog dan het pauselijk woord wekte de
bezielende taal van den heili gen Bei- rhard,,abt van Clairvaux
(in Bourgondie), den sluimerenden godsdienstijver en ont-
2
) =1,:)4 niDoin
3 ) onvr /o 4) i"zzli
6)
oinupp
7 ) n", nN1
• • rnT3
10) coi,Drp
9 ) 0,,7-1
12)
32
vlamde de gemoederen zoo zeer, dat Lodewijk VII van
Frankrijk en Koenraad III van Duitschland zich tot een
gemeenschappelijken kruistocht vereenigden (1146). Ofschoon
Bernhard uit reine godsdienstliefde zijne geloofsbroeders
tot den strijd in het Oosten aanspoorde en alle onedele
middelen versmaadde, die tot het heilige doel leidden, kon
hij toch niet verhinderen, dat de kruisvaarders in enkele
streken van .Frankrijk naar het goed, soms ook naar het
leven der Joden hun hand uitstrekten. Eene woeste bende
overviel zelfs (op den tweeden dag van het Wekenfeest,
8 Mei 1 147) voor het gezicht van den edelen abt de Joodsche
gemeente te Rameru; drong in het huis van R. Tam, dat
geheel uitgeplunderd werd ; verscheurde een Torarol en
sleepte den edelen geleerde naar buiten, om hem te vermoorden. Reeds lag hij gewond op het veld, toen juist
een ruiter kwam aanrijden, dien R. Tarn kende en om
hulp smeekte. Deze beloofde hem zijn bijstand, mits hij
een schoon paard als belooning zou ontvangen. De ridder
bewoog de woestelingen, hem den man over te leveren,
dien hij of tot den doop bewegen, of weder ter hunne
beschikking zou stellen. Zoo ontkwam de beroemde geleerde
het doodsgevaar, dat hem reeds van alle kanten omringde.
Veel wreeder dan in Frankrijk gingen intusschen de kruisvaarders in Duitschland te werk. Evenals de eerste maal
lieten zij zich ook thans leiden door de opruiende taal van
sommige aanvoerders. Het waren vooral de lage en gewetenlooze abt Peter van Clugny en een nietswaardige Fransche
monnik Rudolf, die hen tegen de Joden ophitsten op grond
van de volgende overweging : »als een zoo vurige oorlog
gevoerd moet worden tegen de ongeloovige Turken., hoe
kan het dan als eene zonde beschouwd worden, om hen
te verstaan, die eenmaal den stichter van het Christendom
vervolgd en eindelijk aan het kruis genageld hebben ?"
Deze oproerkreet eischte in sommige plaatsen, als Keulen,
Mainz, Worms, Aschaffenburg en Wurzburg het leven van
verscheidene Joden. Ook werden sommigen met geweld voor
het Christendom. gewonnen. Maar deze mcchten door tusschenkomst van een Christen geestelijke nog in hetzelfde jaar
tot hun geloof terugkeeren. Over het algemeen eischte deze
kruistocht van de Joden veel minder slachtoffers dan de
vorige, en wel in de eerste plants doordien de hoofden
Lodewijk en Koenraad geene moordenaars of roovers waren,
zooals de leiders van den eersten kruistocht. Voorts vonden
de Joden krachtige bescherming, zoowel van den kant der
wereldlijke als van dien der geestelijke vorsten. Deze
bescherming had evenwel uit een ander oogpunt voor
hen later zeer nadeelige gevolgen. Zij werden namelijk
33
voortaan beschouwd als de bijzondere beschermelingen van
den Duitschen keizer en droegen ook werkelijk den naam
van kamerdienaren van het Roomsch-Duitsche rijk. Deze
naam nu, eerst in den gunstigsten zin van het woord
opgevat, verkreeg later zijn letterlijke, minder vleiende
beteekenis, zoodat de Joden in een toestand van maatschappelijke achteruitzetting verplaatst werden, waaruit
zij zich eerst zes eeuwen later konden verheffen. Vandaar dus, dat ook de letterkundige voortbrengselen van
de Duitsche Joden in die dagen, zelfs op het gebied van
de talmud-studie, een somberen, gedrukten geest ademen
en verstoken zijn van vlucht en verheffing 1).
Zooals wij reeds vroeger mededeelden, genoten de Joodsche
gemeenten in Trankrijk tijdens het bestuur van Lodewijk VII
voorspoed en geluk. Wel bekrachtigde hij de pauselijke
bul, die alien, welke aan den tweeden kruistocht deelnamen,
vrijstelde van het betalen der rente aan bun Joodsche
schuldeischers, maar overigens liet hij de rechten der Joden
onaangetast en maakte volstrekt geen misbruik van de bevoegdheid, hem door de kanonieke besluiten toegekend.
Evenwel heerschte er tegen de Joden een vijandelijke geest,
zoowel onder de hoogere als onder de lagere standen der
bevolking, waarvoor het gezonde verstand moest zwichten
en waartegen ook het koninklijk gezag niets vermocht. Elk
gerucht, te hunnen nadeele verbreid, vond onmiddellijk
geloof. Het werd met gretigheid te baat genomen, om vooroordeel en haat aan te wakkeren. Zoo werd onder het
bestuur van Lodewjk VII, een verstandig, nauwgezet en
rechtvaardig vorst, voor de eerste maal de onzinnige aantijging vernomen, dat de Joden op Paschen Christenbloed
gebruikten. Deze lasterlijke beschuldiging, uit bet hoofd
van den Satan geboren, vond zijn grond in het verhaal van
een onbeduidend man uit Blois, die zijn meester, het hoofd
dezer stad, mededeelde, hoe hij gezien had, dat een Joodsch
ruiter het lijk van een vermoord Christenkind in de Loire
geworpen had. Het kon nu wel niet anders, of het kind
was door de Joden geslacht, om diens bloed in het Paaschbrood te mengen. Zonder eenig verder onderzoek schonk
Theobald, graaf van Blois, aan deze waanzinnige lastertaal
1 ) Het lijden van de Joden gedurende den tweeden kruistocht in de laatste helft der 12 de eeuw is beschreven door
Ephraim b. Jakob uit Bon (1133—omstr. 1200), boverrlien
ook bekend als vervaardiger van verscheiden Selichoth, waarbehoort.
onder het Chaldeeuwsche boetgebed pit
T
Mop. Gesch. ILI, 3.
34
geloof en liet de Joden uit Blois gevangen nemen. Zij
volhardden, niettegenstaande de hevigste folteringen, in hun
onschuld en weigerden het Christendom te omhelzen, waartoe
een geestelijke hen aanspoorde. Eindelijk beklommen 34
mannen en 17 vrouwen den brandstapel, en bliezen onder
het uitspreken van het Alenu gebed den laatsten adem uit
(2o Siwan) i I 7 I. Het waren de eerste slachtoffers van de
helsche bloedbeschuldiging, die zich gedurende de middeleeuwen en ook nog later zoo dikwijls herhaald heeft eene
beschuldiging, die op bet verlies van tallooze onschuldige
menschenlevens te staan is gekomen. Op het bericht van
deze treurige gebeurtenis liet R. Tarn in de gemeenten van
.Frankrijk en het Rijnland afkondigen, dat de dag, waarop
de martelaren van Blois gestorven waren, jaarlijks als een
treur- en vastendag moest gevierd worden. Kort hierna
overleed de grijze geleerde, diep betreurd door zijne talrijke
vereerders en leerlingen,
HOOFDSTUK IX.
Het Jodendom op het einde der twaalfde eeuw.
Ofschoon vooroordeel, bijgeloof en fanatisme van Christelijke zijde reeds vele verwoestingen onder de Joden aangericht hadden, zoo zouden de omstandigheden, waaronder
de laatsten te midden der volkeren verkcerden, nog veel
treuriger en ontzettender worden. Weldra zouden over het
geheele aardrijk de Joden beschouwd worden als een afschuwelijk yolk, dat zooveel mogelijk uit de menschelijke samenleving teruggehouden, ja, geheel uitgeroeid diende te worden.
Tot een beter begrip van het deerniswaardig lot der Joden
en hun standvastigheid in het geloof te midden van hunne
ondragelijke ellende, is het niet van belang ontbloot, in
korte trekken den toestand te schetsen van het Jodendom
tegen het einde van de I2 de eeuw.
De Aziatische Joden waren, alhoewel talrijker dan de
Europeesche, van geringe historische beteekenis. Van nog
veel minder beteekenis waren de Joden van Afrika. In
Europa sloeg de hartader des Jodendoms. Van Zuid Euroj5a
vormden de vijf koninkrijken van het Pyreneesche schiereiland : Castitie, Leon, Aragon, Portugal, en Navarra den
klassieken bodem der Joodsche wetenschap. Casfilie met de
hoofdstad Toledo was in de plaats getreden van Andalusia
als zetel der Joodsche geleerdheid. Daar waren onder de
regeering van Alfonso V/// of den edelen (1166-1214)
-
35
vele Joden met staatsambten bekleed. Onder de geleerden,
die toen in Toledo leefden i), - behoort ook Juda b. Salomo
Charizi, de laatste vertegenwoordiger der nieuw-Hebreeuwsche poezie in Sj5anje. Hij schreef een dramatischen roman,
geheeten Tachkemoni 2), waarin ook op geestige wijze een
strenge critiek geoefend wordt o. a. over de dichterlijke
voortbrengselen van voorgangers en tijdgenooten.
In Provence en Languedoc, de landstreek aan deze zijde
der Pyreneen, beleefden de Joden toen den gelukkigsten
tijd. Aldaar namelijk heerschte een voor - dien tijd zeer
krachtige vrijzinnige geest, die ook de bekende secte der
Albigenzen deed geboren worden, welke zich tegen het pausdom verzette. Die geest teekende zich ook in de behandeling, welke de Joden aldaar van de zijde der Provencalen
genoten. De hoogste ambten en waardigheden waren hun
toevertrouwd. Geen wonder, dat onder zulke gunstige omstandigheden de Joodsche wetenschap ijverige beoefening vond.
De hoofdgemeenten van Provence waren Narbonne en Lunel,
de eerste reeds geruimen tijd de zetel van de talmudstudie.
Deze studie vond een krachtigen beoefenaar in Abraham
b. Izak (I I 78), wien3 halachisch werk Eschkol Hakkofer 3),
eerst in den lateren tijd uitgegeven, getuigenis aflegt van
de hooge vlucht, die de talmudstudie aldaar bereikt had.
Niet minder verdienstelijk maakte hij zich door de vorming
van verscheiden bekwame mannen, van welke vooral twee
op den voorgrond treden. Het zijn Zerachi a b. Izak Halavie 4), afkomstig uit Gerona (in Spar je) en daarom ook
wel Gerundi genoemd en Abraham b. David 5) uit Posquieres.
Rezah, een veelzijdig ontwikkeld man en ook op het gebieci
der wijsbegeerte geen vreemdeling, hield zich hoofdzakelijk
bezig met de studie van den Talmud. Reeds op jeugdigen
leeftijd schreef hij talmudische verhandelingen en critische
aanteekeningen op de werken van oudere autoriteiten. Het
meest bekend zijn zijde aanteekeningen op Alfassi' s Balachoth, die hij onder den titel Maor 6) in het licht gal. De
vrijmoedigheid en zelfstandigheid, waarmede hij optrad,
werden toch — naar het schijnt — door velen gelaakt ; maar
aangedreven door de liefde your de reine waarheid, deinsde
hij voor geen strijd terug 7). Hij viand een heftigen bestrijder
I) De geschiedschrijver Abraham ibn Daud, een sieraad
van de gemeente to Toledo, sties f als martelaar bij een
oproer, tegen de Joden aldaar uitgebroken (I 8o).
2
) '110V111
7)
, niw-i
- 17i:r.' ∎
4) 1V' 11
n'un 6 ) nixn
In een zijner replieken roept hij uit :
Plato is mij
Mow. Gesch. III, 3*
36
vooral in den genoemden Rabed, door de lateren I) de
groote leeraar der Wet" genoemd. Met aardsche goederen
ruim gezegend, onderhield Rabea' de meeste leerlingen van
de door hem gestichte school to Nimes, wier roem zoo
groot was, dat men haar, in vergelijking met die van Montpellier en Lund, 'het inwendige van het heiligdom" of
den zetel van het Synhedrion" noemde. Voor andere
wetenschappen buiten den Talmud bezat hij echter volstrekt
geen zin en droeg er zelfs roem op, dat hij zich daarin
nimmer verdiept had Hij voorzag enkele deelen der Mischna
en Sifre van een commentaar, schreef talmudische verhandelingen en novellen en verdedigde Alfassi tegen de
aanmerkingen van Rezah. In zijne critiek is hij zeer scherp,
dikwijls zelfs kwetsend en beleedigend. Van zijne leerlingen
is met roem bekend Jonathan b. David Hakkohen, de
schrijver van een commentaar op enkele deelen van Alfassi' s
Halachoth. Zijn vriend en vereerder Izak b. Abba Mari uit
Marseille schreef een zeer belangrijk talmudisch werk, waaraan hij den naam van Ittur gaf. Van niet minder gewicht
dan genoemcle Talmudgeleerden werden twee familien, eveneens in Provence woonachtig, die veel bijgedragen hebben
tot de verbreiding van den geest der Spaansch-Joodsche
denkers en hun voortbrengselen op taalkundig en wijsgeerig
gebied in wijde kringen verspreid hebben. Het waren de
Kimchieden en de Tibboniden. De stamvader der Kinachieden,
jozef Kimchie (bloeitijd I I 50-1170) was naar Narbonne
uitgeweken. Hij was met het Arabisch zeer vertrouwd en
moet Bachja ibn Pakuda' s inne•lijke _plichten in zuiver en
vloeiend Hebreeuwsch vertaald hebben. Ook zijn werk
over de Hebreeuwsche taal Sefer .Haggalui 2) is niet van
belang ontbloot. Van zijn commentaar op den Pentateuch en
enkele profetische boeken is weinig tot ons gekomen. Ook
wordt hem een apologetisch geschrift Sefer Habberith 3) toegeschreven, behelzende een sainenspraak tusschen een geloovigen
en een afvalligen Israeliet. Van zijne beide zonen Mozes en
David heeft zich de jongste den grootsten roem verworven.
David Kimchie, gewoonlijk bij verkorting Redak 4) (omstr.
II6o--1232) genoemd, werd zoo'vel voor Joden als voor
Christenen de gids op het gebied van taal- en bijbelkennis.
Wanneer hij ook wat hij trouwens zelf gaarne bekent — de
wetenschap niet zoozeer met nieuwe gezichtspunten verrijkt, als
veel waard, niet minder Socrates, maar de waarheid is mij
het dierbaarst.
2) 11.371 'D
1 ) MU;
3) rrnm
T
37
wel in zoo duidelijk mogelijken vorni de uitkomsten zijner
voorgangers getracht heeft terug te geven, zoo moet het toch
aan den anderen kant in hooge mate gewaardeerd worden,
dat hij juist door zijn helderheid en eenvoudigen stijl de
Joodsche taal en de Bijbelsche geschriften binnen en buiten
het Jolendom toegankelijk gemaakt heeft. Zijn werken
zijn : een grammatisch werk Michlol 1 ), waarvan het tweede
dee1 2) eene volledige verzameling en duidelijke bewerking
der lexicographische stof bevat, en in de tweede plaats een
uitvoerige commentaar op het grootste deel van den Bijbel.
Ook wordt hem toegeschreven eene korte verhandeling over
de accenten en de massora, Et-Sofer 3) geheeten. Als de
stamvader der Tibboniden wordt genoemd juda b. Saul
ibn Tibbon. Deze, uit Granada afkomstig, vestigde zich in
Lunel (1167) waar hij door zijne Hebreeuwsche vertalingen
zijn Provencaalsche geloofsgenooten bekend maakte met de
belangrijkste voortbrengselen der Joodsch-Spaansche cultuur.
Zoo vertaalde hij achtereenvolgens de werken over de wijsbegeerte van den Joodschen godsdienst van Saadja, Bachja, ibn
Gabirol en Juda Hallevie en de grammatische werken van
ibn Ganach. Belangrijk is ook het testament 4) door Saul
aan zi-jn noon Samuel ibn Tibbon achtergelaten. Hierin
spoort hij hem aan, voort te arbeiden op het veld door
hem ontgonnen en naast de beoefening van Bijbel, Talmud
en wijsbegeerte ook de natuurwetenschappen niet te vernalatigen. Samuel (omstreeks 1160 123 o overtrof zijn
vader in de kunst van vertalen, daar hij zich niet letterlijk aan de woorden van den Arabischen tekst hield,
maar meer hun inhoud teruggaf. Daardoor zijn zijne vertalingen vloeiender en duidelijker dan die van zijn vader.
Hij vertaalde niet alleen werken vun Joodsche schrijvers,
maar ook het een en ander van Aristoteles. Ook schreef
hij eene zelfstandige wijsgeerige verklaring van den Prediker
en van eenige hoofdstukken van het Bijbelsch scheppingsverhaal.
De Joden van Noorar-Frankrijk beleefden tegen het einde
der 12de eeuw een overgangstijdperk van geluk tot tegenspoed.
Onder Lodewj'h VII en ook nog in het begin van den
regeeringstijd zijns zoons Philip August 5) (ii8o— 1223)
verheugden zij zich in rust en bescherming, maar geldzucht
deed den laatsten spoedig tot een vreeselijken geweldenaar
1 ) 1717:n
2
) onenz'm
/
3
)
uy.
rum
5) Deze had de regeering reeds bij het leven zijns vaders
aanvaard.
38
ontaarden. Onder voorwendsel van eene beschuldiging
wegens woeker eene misdaad, waaraan de Christenen
zich minstens in gelijke mate schuldig maakten als een aantal
rijke Joden liet hij op een Sabbath (19 Jaauari 118o)
alle Joden van zijn gebied, terwijl zij in de synagoge waren,
gevangen nemen. Een aanzienlijk losgeld gaf hun de vrijheid
terug, doch het was slechts eene voorloopige vrijheid.
Reeds in het begin van het volgende jaar werd het bevel
uitgevaardigd, dat alle Joden bet gebied an den koning
moesten verlaten, met achterlating hunner onroerende goederen, die aan de kroon zouden vervallen. Gelukkig evenwel
voor de Joden, was het eigenlijk gebied van den koning
niet zeer groot en waren zijne vazallen onafhankelijk genoeg,
zich om zijn bevel niet te bekommeren. Zoo kon zich
dus het kleine gedeelte van de Fransche Joden, dat op
deze wijze uit zijne woonplaatsen verdreven werd, in de
overige streken van het land vestigen. Eenige jaren later
(1189) ondernam de koning, in vereeniging met Richard
Leeuwenhart van .En eland, een nieuwen kruistocht, die
wederom het fanatisme tegen de Joden wakker riep. Zoo
werden o. a. den Christenen, welke aan den kruistocht zouden
deelnemen, hun schulden tegenover de Joden kwijtgescholden.
En toen nu vele Joden, die op deze wijze verarmd waren,
door de baronnen van Noord-Frankrijk uit hun gebied
verdreven werden, was het tot aller verbazing Philip August,
die hen weder in zijn gebied opnam. Maar achter deze
schijnbare menschlievendheid was natuurlijk niets anders
dan hebzucht en roofgierigheid verborgen. De weder toegelaten Joden hadden nu wel geene verdrijving te duchten,
maar moesten tallooze kwellingen dulden. Zij waren gedoemd, om zich geld te verschaffen, ten einde door den
verworven rijkdom hunne vrijheid, of liever de toestemming
tot hun verblijf in het land te koopen, Onder deze zedelijke
slavernij zouden zij ongetwijfeld bezweken zijn, had niet de
voortdurende, met ijver voortgezette talmudstudie hun geest
levendig gehouden.
HOOFDSTUK X.
Vervolg.
Over de eerste vestiging van Joden in Engeland verkeeren
wij, evenals over die in de meeste landen van Europa, in
het onzekere. Het eerste vertrouwhare document aangaande
het verblijf van Joden aldaar dagteekent van het jaar 74o.
Het is een kanoniek besluit van den aartsbisschop van
York, waarin den Christenen verboden wordt, aan Joodsche
39
maaltijden deel te nemen. Op aansporing van Willem den
veroveraar (1066-1087) staken vele Joden nit Normandie' het
kanaal over en vestigden zich in verschillende steden van
Engeland, zoodat hun bevolking zeer toenam. Willems eerste
opvolgers waren hun eveneens niet ongenegen. Zoodoende
konden zich de Joden ongestoord op den handel toeleggen, verwierven veel vermogen en gevoelden zich gelukkig in Engeland
en het Fransche grondgebied, dat toen tot Engeland behoorde.
Maar na den dood van Hendrik I (1135) hield deze gunstige
toestand op. De verwarring en binnenlandsche onlusten,
waaraan het land onder Hendriks opvolger Stephanus overgeleverd was, hadden ook voor de Joden treurige gevolgen.
De koning legde hun zware belastingen op, die hij vaak
op wreede wijze en met veel geweld liet innen. Misdaden
van allerlei aard werden hun ten laste gelegd onder de
nietigste voorwendsels nu en dan hun vermogen geplunderd.
Een betere tijd scheen voor hen aan te breken onder het
bestuur van Hendrik II (1154-1189), met wien het roemrijke geslacht der Plantagenets op den troon kwam. Deze
verlichte en rechtvaardige vorst nam zijne Joodsche onderdanen in bescherming tegen willekeur en geweld en verleende hun verscheiden rechten 1 ), Zijn ridderlijke zoon en
opvolger Richard Leeuwenhart was persoonlijk even verdraagzaam als hij, maar het fanatisme der Christelijke geestelijkheid, waarboven ook deze zich niet kon verheffen,
riep gedurende Richards tienjarig beheer voortdurende en
treurige Jodenvervolgingen in het leven. Reeds bij het
kroningsfeest van Richard vond er eene gebeurtenis plaats,
welker gevolg voor de Joden zeer noodlottig was. Onder de
gezantschappen, die op den dag der kroning hun opwachting
bij den vorst kwamen maken en hem huldegeschenken wilden
aanbieden, beyond zich ook een, bestaande uit de aanzienlijkste Joden des lands. Maar Balduin, de dweepzieke aartsbisschop van Canterbury, hitste den koning tegen hen op,
zoodat deze weigerde, de Joodsche afgevaardigden ten gehoore
te ontvangen. Zij moesten op 's konings bevel de zaal verlaten en werden door de hofdienaren met ruw geweld uit
het paleis verwijderd. Dit was het sein tot eene bloedige
Jodenvervolging (1189). Het gepeupel drong, in vereeniging
I) Tot op zijn tijd was er voor de Joden uit het geheele
land slechts eene begraafplaats in de nabijheid van Londen.
Hoeveel moeielijkheden dit opleverde, laat zich gemakkelijk
begrijpen. Hendrik II schonk hun verlof, om land in de
nabijheid van hunne steden te koopen en aldaar de lijken
der hunnen te begraven,
40
met vele kruisvaarders, de huizen der Joden binnen, roofde
en moordde den geheelen nacht door en stak verscheiden
woningen in brand. Velen maakten zelf een einde aan hun
leven, om niet in de handen der woestelingen te vallen.
Onder deze beyond zich ook de beroemde Londensche
rabbijn Jakob Tam. Den volgenden ochtend vernam Richard
het gebeurde met ontzetting. Hij zag thans de treurige
gevolgen van zijn onberaden stap in en beval, dat men de
hoofden van den opstand moest gevangen nemen, van welke
hij eenigen liet terechtstellen. Maar hierdoor was het euvel
volstrekt niet verwijderd. Nauwelijks had Richard het land
verlaten, om in vereeniging met Philip August den derden
kruistocht te ondernemen, of de moordtooneelen van Londen
herhaalden zich in verscheiden andere steden des lands.
Vreeselijk vooral was het lot der Joden in York. Deze
hadden eene schuilplaats gevonden in een burcht, in de
nabijheid dier stad, dien zij gedurende zes dagen moedig
verdedigden. Toen zij eindelijk wegens gebrek aan levensmiddelen alle hoop op behoud opgaven, maakten velen, op
aansporing van bun rabbijn, met eigen hand een einde aan
hun leven en stak de rest, dle hiertoe den moed niet bezat,
den burcht in brand. Enkelen liepen naar den vijand over,
in de hoop, hun leven te behouden, maar ook deze bezweken
onder de handen der verbitterde volksmenigte. Nog erger
werd het lot der Joden onder Richards broeder en opvolger
Jan zonder land (1198—I 2i6). Deze lichtzinnige en despotische vorst, een gewetenloos vazal van den pauselijken
stoel, duldde de Joden slechts, om hen geheel en al uit te
mergelen. Eerst verkocht hij hun voor eene hooge som
vrijheidsbrieven, waardoor zij in al hun vroegere rechten
bevestigd werden, waarna hij de aanzienlijksten onder hen
gevangen liet nemen, om zich te verrijken met den losprijs,
dien zy voor hun bevrijding betalen moesten. In Bristol
liet hij een Jood den eenen tand na den anderen uittrekken,
totdat deze eene hem opgelegde geldsom betaald had. Het
spreekt van zelf, dat in Engeland onder zulke treurige
omstandigheden van Joodsche cultuur geen sprake kon
wezen.
In het algemeen was de toestand der Joden in het Duitsche
rijk vrij gunstig en wel — zooals wij vroeger gezien hebben —
ten gevolge van de zonderlinge voorstelling, dat zij als
bijzondere beschermelingen of kamerdienaren van den Duitschen keizer beschouwd werden. Deze bescherming noodzaakte hen onder meer tot het betalen van den gulden
offerj5enning, eene jaarlijksche belasting voor ieder hoofd in
het bijzonder, met uitzondering van kinderen beneden de
twaalf jaar. In den landvrede, dien keizer Frederik Bar-
41
barossa v66r zijn tocht naar het Oosten bevolen had, waren
ook de Joden begrepen. Hij gebood den geestelijken, het
yolk niet tegen hen op te hitsen. Maar met dit al waren
zij tegen vervolging en mishandeling geenszins beschermd.
Zoo kwam hun voornamelijk de valsche beschuldiging omtrent het gebruik van Christenbloed op het Paaschfeest in
verschillende plaatsen op het verlies van hun bezittingen,
enkelen ook op dat van hun leven te staan. Ook de derde
kruistocht bleef voor de Joden niet zonder treurige gevolgen.
De toestand van de Joden in llahe was daarentegen reeds
van het begin der middeleeuwen veel gunstiger dan die in
de overige landen, zoodat daar de treurige tafereelen niet
plaats vonden, die men elders aanschouwde. Vooral was
dit het geval in Zuid-Italic en Sicille, waar onder het bestuur
der Noormannen de Joden dezelfde rechten bezaten als de
Christelijke bevolking. Maar ook in Midden-Italic— in het
Noorden des lands waren weinig Joodsche gemeenten
hadden zij over het algemeen geen reden tot klagen. De
kanonieke besluiten, wier onverbiddelijke strengheid hun
broeders in andere landen zoo dikwijls ondervonden, werden
nergens minder opgevolgd dan in de onmiddellijke nabijheid
van den pauselijken stoel. Nergens verzette men zich meer
tegen den invloed van de geestelijkheid in staatkundige
aangelegenheden dan in de Italiaansche republieken. Paus
Alexander III had zelfs een Joodschen schatmeester R.
Jechiel, uit de familie Mansi (Awawim). Evenwel maakten
de Italiaansche Joden van deze gunstige omstandigheid weinig
gebruik voor de ontwikkeling van Joodsche kennis en wetenschappen. Het eenige belangrijke Joodsche werk, aldaar in
dien tijd vervaardigd, is de genoemde Machbereth van
Salomon Parchon (zie bl. 30)
De geschiedenis der Joden in het Byzantijnsche rijk, waar
zij talrijke gemeenten vormden, vermeldt nog steeds voortdurende mishandelingen en vervolgingen. De meeste Byzantijnsche keizers trachtten hen voor het Christendom te winnen
en daar hun dit natuurlijk niet gelukte, behandelden zij hen
met verregaande wreedheid. In een land waar de Joden,
van alle rechten uitgesloten, aan de beschimping der laagste
volksklasse overgeleverd en in afzonderlijke wijken (ghetto's)
opgesloten waren, kon van zelf van Joodsche cultuur geen
sprake wezen. Gunstiger daarentegen was de toestand
hunner geloofsbroeders in het naburige Hons,-arije, Het
Christendom, dat aldaar eerst laat wortel begon te schieten,
droeg het Jodendom geen haat toe De kruistochten lieten
dan ook in dit land geen droevige sporen achter zooals
elders, omdat de Hongaren volstrekt niet met de kruisvaarders
dweepten, maar integendeel de Boheemsche Joden, die door
de laatsten vervolgd werden, bereidwillig in hun land op ,
name.DzgustioandrezlghtApadische koningshuis regeerde. Met den dood van dit geslacht
op het erode der I 3deeeuw, brachten de vreemde vorsten
den bekeeringsijver nit hun land mede en bleven ook den
Joden van Hong arije de treurige middeleeuwsche vervolgingen niet gespaard,
In Klein-Azie, Syrie en Palest is hingen de toestand en
de getalsterkte der Joden of van de kerk, die in hun gebied
de heerschende was. Waar het kruis de bovenhand had,
vond men slechts weinige en kleine Joodsche gemeenten ;
waar daarentegen de Islam den schepter zwaaide, waren
deze veel en talrijk. In geheel Palestiva, dat onder Christelijke heerschappij stond, woonden nauwelijks i 000 familien.
feruzalem en Askalon, die de grootste gemeenten waren,
telden elk 200 gezinnen. De landstreek tusschen _Euphraat
en Tiger was, wat althans het zielental betrof, de hoofdzetel van het Aziatisch Jodendom. In plaats van de oude
academiesteden Nehardaa, Sura en Pumbaditha waren gekomen Bagdad met i 000, Mosul met 600( en Hamadan
(in Perzie) met z o,000 Joodsche familien. Bij eene zoo
talrijke bevolking kregen de Joden zulk een invloed, dat
een aanzienlijk man onder hen Salomo (of Chasdas) door
den kalif Almuktafi weder met de waardigheid van exilarch
bekleed werd (omstr. I 150). Alle Aziatische Joden, die den
kalif van Bagdad ais hun opperhoofd erkenden, stonden
ook onder het staatkundig toezicht van dezen exilarch, die
insgelijks in Bagdad resideerde. Salomo werd opgevolgd
door zijn zoon Daniel onder wien zich de Joodsche leerschool van Bagdad tot eene hoogte verhief, sedert de tijden
der Amoraim niet gekend. Aan het hoofd dezer school
stond toen de talmudist Samuel b. Ali, die zich na den
dood van Daniel (1175) de hoogste waardigheid en macht
over de Aziatische gemeenten wist te verwerven, In de
laatste helft der 12de eeuw trad in deze streken een dweper
op, David Alrui, die, naar het schijnt, onder de Joden eene
staatkundige beweging op touw wilde zetten en een zelfstandig Joodsch rijk stichten. Zijn eerzuchtig plan zou zijn
verblinden volgelingen duur te staan zijn gekomen, zoo het den
exilarch en anderen invloedrijken personen niet gelukt was,
Alrui onschadelijk te maken en den kalif weder tevreden
te stellen
Ook Arabie telde weder vele Joden, ofschoon de eerste
kalifen hen uit het land verdreven hadden. In het vruchtbare
,
I) De ridderlijke geschiedenis van dezen Alruidiende tot
$tof voor den schoonen roman Alroy.
43
en handeldrijvende Jernen bedroeg hun aantal 3000
Zij waren bekend wegens hun gastvrijheid en weldadigheid.
Grooter was bun aantal in Noord-Arabie, waar zij zich
weder evenals vOOr Mohammed, hoofdzakelijk op landbouw
en veeteelt toelegden. De Joodsch-Egyptische gemeenten
waren van de Aziatische geheel gescheiden en stonden onder
een afzonderlijk hoofd nagidl), wiens waardigheid ongeveer
dezelfde was als die van den exilarch. De hoofdgemeente van
hope was toen Kairo, ofschoon de gemeente van Alexandria
meer zielen telde. In Kairo woonden meer Karaieten dan
Rabbanieten, wier geestelijk hoofd den titel Nasi voerde.
Onder de Egyptische Joden heerschte zulk een onwetendheid op godsdienstig gebied, dat zij onbewust gebruiken van
de Karaieten overnamen. Hunne onwetendheid ging gepaard
met een ziekelijk bijgeloof, Opmerkelijk is het, dat het
juist dit land was, waar Maimonides optrad met de verkondiging van het zuiver, waarachtig Jodendom, gelouterd van
elk bij- en ongeloof.
HOOFDSTUK XI.
Mozes ben Maimon.
Bij het tot hiertoe gegeven overzicht van den toestand
des Jodendoms in de voornaamste landen omstreeks het
einde der i 2de eeuw treft men een belangrijk maar hoogst
ongunstig verschijnsel, en wel gemis aan eenheid en samenhang. Dit was een gevolg van de omstandigheid, dat het
Jodendom in geen der bedoelde landen, hetzij in politiek
opzicht of met het oog op zijne inwendige ontwikkeling,
in zoodanigen staat van bloei en verheffing verkeerde, dat
van daar uit een overheerschende invloed zich over de
verdere bestanddeelen kon verbreiden. Dit gemis nu werd
op schitterende wijze aangevuld door het optreden van den
enkelen persoon, die geheel alleen de eenheid des Jodendoms
vertegenwoordigde en de geestelijke wegwijzer voor de
verschillende Joodsche gemeenten van het Oosten eu Westen
geworden is. Het was Maimonides, gewoonlijk Rambam
genoemd.
R. Mozes b. Maimon 2 ) (Arab. : abu Amram Musa b.
Maimon obaid Allah , werd to Cordova gekozen (30 Maart
7' n'1
44
1135). Zijn vader Maimon b. Jozef, eene afstammeling
van eene geleerde familie en vertrouwd met verschillende
wetenschappen, onderwees hem reeds op jeugdigen leeftijd
in Bijbel en Talmud, alsook in de wis- en sterrenkunde.
Door het onderricht van zijn vader en dat van andere leeraren,
alsook door den omgang met verschillende geleerden, verwierf
zich Maimonides niet alleen een rijken schat van geleerdheid,
maar ook een ernstig streven naar het vinden der zuivere
waarheid, met verwijdering van al het duistere en geheimzinnige. Dit werd nog in hooge mate bevorderd door zijn
buitengewoon scherpen blik en zijne natuurlijke gave, om
elk onderwerp aan een streng logisch en stelselmatig onderzoek te onderwerpen. Zijn opvoeding en onderricht leidden
tevens tot de volmaking van zijn echt Joodschen geest en
strenge zedelijkheid. En aan deze schitterende intellectueele
en moreele deugden, paarde hij eene zachtaardigheid en
bescheidenheid, die hem ook in ernstige omstandigheden
er van afhielden, anderen zelfs met een enkel woord te
beleedigen en te grieven. De man, die voor eene groote
tending bestemd was, leerde reeds in zijne jeugd de moeite
des levens kennen. Wegens de godsdienstvervolging onder
de Almohaden (zie bl. 24) moest zijn vader Cordova verlaten. De familie Maimon zwierf nog eenigen tijd in Stanje
rond, totdat zij eindelijk snaar. Afrika overstak en zich te
Fez nederliet (1159). Ook in de noord-Afrikaansche gemeenten had de heerschappij van den dweepzieken Abdul//lumen erge verwoestingen onder het Jodendom aangericht,
Velen hadden door de kracht der gewoonte veel van het
hun opgedwongen Mohammedanisme overgenomen bij anderen, ofschoon toen nog sterk in hun geloof, bestond de
vrees, dat de schijn gaandeweg tot werkelijkheid zou overgaan en zij of hun kinderen aanhangers van den Islam
zouden worden, Maimon, door dezen treurigen toestand
zeer bewogen, richtte een schrijven aan zijne geloofsbroeders,
waarin hij hen troostte en tot vertrouwen op eene betere
toekomst aanspoorde. Maar ook hij moest met de zijnen
tot den Islam overgaan. Zijn zoon Mozes had in Fez veel
omgang met Mohammedaansche artsen en wijsgeeren, waardoor hij volkomen vertrouwd werd met de verschillende wijsgeerige systemen der Arabische scholen. De Maimunische
familie kon evenwel het masker van den Islam niet langer
dragen. Opdat nu het vertrek geheim zou blijven, ging
Maimon met zijn beide zonen Mozes en David in het holle
van den nacht scheep. Het doel van de reis was Palestina.
Na een gevaarlijken tocht van 29 dagen liep het schip
eindelijk de haven van Akko (St. Jean Acre) binnen (1165).
De dag van de aankomst (3 Siwan) door Mairnonides ge-
45
noemd ) de dag, waarop hij aan gewetensdwang en levensgevaar ontkomen is," zou voortaan door zijn geheel geslacht
als feestdag gevierd worden, terwiil men io ljar, waarop
een zware storm het schip gedreigd had te verbrijzelen,
door vasten moest herdenken. De familie Maimon bezocht
jeruzalem, vanwaar zij naar Chebron ging, om bij de spelonk
Maehpela in de nabijheid van de graven der aartsvaders te
bidden. Maimon zeif schijnt het heilige land niet te hebben
kunnen verlaten, zoodat zijne beide zonen zonder hem naar
Egypte trokken, Waar zij zich het eerst vestigden is onbekend. Weldra werd Fostai (oud-Kairo) hunne woonplaats.
Kort na hun vestiging overleed hun vader. De beide broeders
begonnen nu een handel in juweelen, die evenwel uitsluitend
door David gevoerd werd, daar Mozes zich aan de wetenschap wijdde. Maar weldra werd zijn rustig leven door
zware rampen gestoord. Eerst werd hij door eene hevige
ziekte overvallen daarvan hersteld, geraakte hij in levensgevaar ten gevolge van verraad. Eindelijk had hij het verlies
van zijn beminden broeder te betreuren, die op -een zijner
handelstochten in de Indische zee omkwam en wiens dood
tevens het verlies van een aanzienlijk vermogen ten gevolge had. Maar door zijn buitengewoon zedelijke kracht
en zijn innig vertrouwen op God wist Mairnuni zich te
midden van zooveel leed voor vertwijfeling te behoeden.
Hij trad waarschijnlijk na den dood van David als geneesheer het openbaar leven in, om op deze wijze in zijn eigen
onderhoud en in dat van de nagelaten betrekkingen zijns
broeders te kunnen voorzien. Intusschen vond hij, niettegenstaande zijne steeds toenemende geneeskundige praktijk,
nog tijd, om zich aan de talmudische wetenschap te wijden
en voltooide hij op drie en dertigjarigen leeftijd (1168) het
eerste zijner drie groote werken, die beter dan de pen van
den geschiedschrijver in staat zijn, Rambams zeldzame
genialiteit te teek9nen. Reeds in zijne prille jeugd had hij
eene beknopte verhandeling geschreven over de kalenderberekening en over logica. Ook was er gedurende zijn
verblijf te Fez van hem een werkje verschenen, onder den
titel Brief over de verzaking van het gelooj" 1 ), waarin hij
uiteenzette, dat op talmudische gronden de belijdenis, dat
Mohammed een profeet is, niet kan beschouwd worden als
eene verkrachting van de Joodsche leer. Maar deze lettervruchten . zijn van geringe waarde in vergelijking met het
eerste zijner werken, dat in _Egypte verscheen. Het was
1
) mrri teiTtp ntxt of -intrri mum
een commentaar op de Mischna 1 ), waaraan hij tier jaar te
midden van zoovele rampen en tegenspoeden met een
bewonderenswaardige vlijt gearbeid had. Dit werk verscheen
in het Arabisch onder den titel Sirach (verlichting), omdat
het voornamelijk bestemd was voor Rambams geloofsgenooten in de Mohammedaansche landen, die beter met het
Arabisch dan met het Hebreeuwsch vertrouwd waren. Maar
toch was het reeds ruim eene eeuw later in het Hebreeuwsch
vertaald. Nog werd tijdens Maimuni' s leven de vertaling
van het eerste deel (Zeraim), op verzoek van de Toodsche
gemeente te Marseille, aan juda Charizi (zie bl. 35) opgedragen, Rambam beoogde niet eene eenvoudige en dorre
woordverklaring, maar zette op beknopte en heldere wijze
de gronden uiteen, waarop de Halachoth berusten, om daardoor zijn lezers bekend te maken met de innerlijke waarde van
Mischna en Talmud. Deze comrnentaar geeft overal blijken
N an Rambams groote ontwikkeling in alle takken van wetenschap en van belezenheid in de werken zijner voorgangers.
Van grout gewicht is de inleiding van het geheele werk,
alsook de inleidingen, die hij aan sommige afdeelingen laat
voorafgaan. Hiertoe behooren vooral die van de laatste
afdeeling van tractaat Synhedrin en van tractaat Aboth
of de Spreuken der vaderen. In de eerste geeft hij de
ontwikkeling der Joodsche geloofsleer (dogmatiek) en brengt
de som van alle geloofsbegrippen tot dertien beginselen of
geloofsartikelen 2) te samen, die volgens Maimuni de Jood
onvoorwaardelijk moet omhelzen, wil hij op dien naam
aanspraak maken. De tweede inleiding behelst in acht
hoofdstukken 3) een overzicht van de Joochche ethica. Door
de verschijning van dit werk, ofschoon het wel is waar
nog geene argemeene waardeering vond, verwierf zich Maimuni
reeds grooten naam. Een kring van leergierige jongelingen verzamelde zich om hem, voor welken hij voordrachten
over talmudische onderwerpen hield en die overal den
lof van den leeraar verkondigde. Een van hen was Salomo
Cohen, die later naar Zuid-Arabie ging, waar hij de Joodsche
gemeenten aanspoorde, zich in alle belangrijke aangelegenheden tot Maimuni om raad en voorlichting te wenden.
Hieraan gaf dan ook Jakob Alfajumi uit Jensen gevolg,
toen staatkundige woelingen ook aldaar de aanleiding werden,
dat de Joden den Islam moesten omhelzen. • In deze benarde
omstandigheden won Alfajumi den raad in van Maimuni,
rutemr; Term
2) oli7
3 ) 0;tit) vp-ip naive
i17tfy
47
die hem onverwijld in een belangrijken brief, T mer eth
7 eman zijn antwoord deed toekomen. Hij schetste daarin
de verhevenheid van Israels leerstellingen ; vermaande zijn
broeders, zich niet te laten misleiden door de valsche bewijzen door de Arabieren uit den Bijbel aangehaald voor
de waarheid van den Islam en spoorde hen eindelijk aan
tot standvastigheid in het voorvaderlijk geloof. In het
algemeen begon Maimuni in dien tijd al meer als eene
besissende autoriteit te gelden en die algemeene erkenning
te vinden, welke hem tot het middelpunt der Joodsche natie
zou verheffen, In het jaar 1177 schijnt hij zijne officieele
bevestiging als rabbijn van Kahir a ontvangen te hebben.
Ook in dien werkkring verloochende hij zich niet, maar
paarde onverbiddelijke strengheid aan liefde en verdraagzaamheid. Te midden zijner overstelpende bezigheden als
rabbijn, geneesheer, beoefenaar van de wijsbegeerte en
natuurkunde voltooide hij het tweede zijner meesterwerken,
zijn godsdienst- codex (waarschijnlijk 118o). Hij liet daaraan
voorafgaan een beknopter werk in het Arabisch geschreven,
dat later onder den naam Sef f er hammitswoth 2 ) in het
Hebreeuwsch vertaald is. Dit werk behelst vooral de beginselen, welke hij vastgesteld en gevolgd heeft bij de telling der
613 wetten, die de Mozesche leer bevat, ten einde daardoor
de juiste grens te kunnen trekken tusschen de MozaIsche
en Rabbijnsche voorschriften.
Se f er hammitswoth kan dus als de inleiding beschouwd
worden van Rambams godsdienst-codex Mischne T or a 3),
een reuzenwerk, dat in geen enkel opzicht door eenig ander
voortbrengsel der Joodsche literatuur geevenaard, veel minder
overtroffen wordt. In dit werk is door eene logische en
systematische groepeering van alle b:jzonderheden, die het
wijde gebied van den Talmud bevat, het Jodendom naar
zijne wettelijke, zedelijke, wijsgeerige, ja zelfs gemoedelijke
zijde op inderdaad volledige wijze teruggegeven. De omvangrijke en veelzijdige kennis, maar vooral de geniale blik
in den tekst van den Talmud en de aanverwante geschriften,
waarvan deze codex getuigt, overtreft in hooge mate alles,
vat men in den regel zelfs van den meest uitstekenden
geleerde durft verwachten. Het doel, dat Maimuni met dezen
codex beoogde, en wel, dat ieder ook zonder de moeielijke en
ingewikkelde talmudstudie het talmudisch Jodendom kon
leeren kennen, leidde hem van zelf er toe, om dezen in zeer
bevattelijk nieuw Hebreeuwsch te vervaardigen. Het geheele
I) IVO 11111N
nirzm 10D
1'11 fl
T
n.11; 7z
48
werk is verdeeld in 14 boeken 1). Elk boek bestaat weder
uit tractaten 2), elk tractaat nit hoofdstukken 3) en eindelijk
is ieder hoofdstuk in paragrafen 4) verdeeld. De indruk,
dien Rainbams Mischne Tora reeds spoedig na zijne verschijning heinde en ver maakte, is wel is waar onbeschrijfelijk, naar geenszins onverklaarbaar. Men sprak niet
meer van Mozes b. Maimon, maar van 2. de banier der
wijzen" en den eenigen van zijn tijd" ; men laschte zijn
naam bij het gebed in, om dagelijks voor zijn welzijn te
smeeken. Van heinde en ver richtte men zich met godsdienstvragen naar Fostat, om deze door ' den verlichter
/sraels" te doen oplossen. Evenwel was die zeldzame vereering niet algemeen, want het ontbrak Maimuni ook niet
aan tegenstanders, die hem bestreden en veroordeelden, deels
uit kleingeestigen naijver, deels op grond van de eerlijke
overtuiging, dat het Jodendom door Maimuni geteekend
niet hetzelfde was als het echt talmudische. Den kleingeestigen benijders werd door den grooten man geen antwoord waardig gekeurd. Zijn eerlijke tegenstanders daarentegen beantwoordde hij, voor zoo ver hunne critiek hem
bereikte, met waardigheid, ja zelfs op zeer bescheiden en
wellevenden toon. Tot de eersten behoorde de gaon van
Bagdad, Samuel b. Ali (zie bl, 42), die zelfs lasterlijke
geruchten verspreidde omtrent Maimuni's oprechte vroomheid en getrouwe navolging van het talmudisch Jodendom.
Als de hoofdpersoon van de andere partij kan genoemd
worden Abraham b. David (zie bl. 35), een groot en hooggeacht talmudist. Deze onderwierp Maimuni's codex aan
eene onverbiddelijke, dikwijls zelfs beleedigende critiek 5).
Hoe men ook over deze critiek oordeele, zeker is het, dat
de groote afstand, die Rambam en Rabed bij de verklaring
van vele talmudplaatsen gescheiden hield, voornamelijk, ja
dikwijls zelfs uitsluitend gelegen was in het groote verschil
van het systeem en de methode, die beiden op het gebied
van de talmudverklaring volgden. Maimuni's buitengewoon
geniale blik in de ontwikkeling en het verband der talmudische verhandelingen ontging over het algemeen zijnen
tijdgenooten, evenals velen zijner latere volgelingen. Geen
wonder derhalve, dat iedere paragraaf in zijn codex aanleiding gaf tot moeielijkheden en raadsels.
Na een verblijf van meer dan twintig jaar in Egypte
1
) Het wordt daarom 'pm '0, gewoonlijk ripIrm
noemd.
2 ) nithm
ge-
3) ore 4 nithrl 5) "roxlm rn.,t71
)
49
gedurende welken tijd aan Maimuni een zoon Abulmeni
Abraham en een uitstekende, talentvolle leerling Jozef ibn
Aknin geschonken werden verkreeg hij als arts eene
gewichtige praktijk aan het hof van Saladin, den machtigen
vorst van Egypte. Op het gebied van de geneeskunde
werkte hij in denzelfden geest als op dat van den Talmud.
Ook daar onderscheidde hij zich voornamelijk door eene
methodische behandeling der leerstof en vervaardigde hij
een medicinalen codex. Zijn roem op dit gebied blijkt het
best uit de omstandigheid, dat Richard Leeuwenhart hem
tot zijn lijfarts wilde benoemen, eene eer, die hij evenwel
met bescheidenheid afwees. Aan de gunst van den opperrechter en wezir Alf adhel had Maimuni zijne benoeming
te danken tot opperhoofd (Nagid) van alle Egyptische gemeenten. Deze gewichtige waardigheid werd erfelijk in zijne
familie. In weerwil zijner drukke bezigheden vond Maimuni
nog tijd, om zijne wijsgeerige denkbeelden, in zijne letterproducten, en vooral in het eerste boek van zijn codex »het
boek der kennis '), op beknopte wijze en meer in halachischen
vorm behandeld, uit te werken en tot een geheel te vereenigen. Zoodoende verscheen na het jaar 1186 het derde
en laatste van zijne grootere geschriften, waarin hij zijn
geheel philosophisch systeem op theologisch gebied ontwikkeld heeft. Hij schreef het in het Arabisch, daar hij
het wegens zijn diepzinnigen inhoud niet voor ieder toegankelijk wilde maken. Het werd evenwel reeds kort na zijne
verschijning onder den naam More .Nebuchim 2 ) (wegwijzer
voor de afgedwaalden) in het Hebreeuwsch vertaald. In
dit werk wil de schrijver aantoonen, dat Israels geloofsleer
met de wijsbegeerte in het algemeen en met verscheiden
beschouwingen van de Grieksche of Aristotelische wijsbegeerte in het bijzonder .goed te vereenigen is. In het eerste
deel trachtte de schrijver de stoffelijke of zinnelijke uitdrukkingen, waarvan zich de gewijde Schrift bedient bij de vermelding van Gods handelingen, tot hun zuiver geestelijke
beteekenis terug te brengen, Hij verklaart, dat deze slechts
beelden zijn, om den mensch eenige voorstelling van de
hoogste Almacht te geven, en derhalve niet letterlijk mogen
opgevat worden. Behalve andere gewichtige punten worden
in dit deel nog verscheiden hoofdstukken gewijd aan enkele
denkbeelden der destijds heerschende philosophische scholen.
In het tweede deel verdiept zich Maimuni in een wijsgeerig
onderzoek omtrent de schepping der wereld, het bestaan
1) 1,7irtm
2
) =13; miry
•
,
Mow. Gesell. 1II 4.
50
van den eenigen God, de openbaring en het wezen der
profetie. Het derde deel beoogt hoofdzakelijk een uiteenzetting van het nut en de strekking der MozaIsche geboden.
Dit beroemde geschrift maakte zoowel binnen als buiten
den Joodschen kring grooten opgang. Nog bij Maimuni' s
leven werd het voor de Arabieren toegankelijk gemaakt
door een Mohammedaan, die er eene breedvoerige verklaring
van leverde. Later gold het als maatstaf voor de stichters
der Christelijke wijsbegeerte tot het vinden van een weg,
om hun geloof met de . hoogere wijsbegeerte in overeenstemming to brengen I). In nog hoogere mate dan bij de
verschijning van den godsdienst codex het geval geweest
was, koesterden thans vele Joodsche denkers, waaronder
zelfs groote vereerders van den schrijver, wel eenigen twijfel
of Mainzuni' s theorie wel overal op het standpunt van het
zuivere, onvervalschte Jodendom stond. Vooral echter werd
hem tot verwijt gemaakt, dat de leer der opstanding in zijne
geschriften nauwelijks eene vermelding had bekomen. Dit
verwijt griefde hem zeer en gaf hem aanleiding tot de vervaardiging van een verdedigingsschrift verhandeling over
de opstanding- 2), waarin hij uiteenzette, dat het bedoelde
geloofspunt door hem wel degelijk bij iedere gelegenheid
verdedigd was, mar dat de lezers zijne woorden niet begrepen hadden. Den grootsten opgang maakten Mainzuni' s
geestesvoortbrengselen in Provence, waar ibn Ezra, de Tibboni den en .Ki mchieden lust en ijver voor de Joodsche wetenschap gekweekt hadden, Deze ingenomenheid met Maimuni's
geschriften bleek bet duidelijkst uit de liefde en belangstelling, waarmede uit die streken telkens vragen en opmerkingen omtrent genoemde werken tot den gevierden schrijver
gericht werden. Niet lang voor zijn overlijden ontving hij
nog de mededeeling, dat Samuel ibn _ribbon zich wilde belasten met het vertalen van den Mor6 in het Hebreeuwsch,
Hij begroette dit voornemen met oprechte vreugde en gat
ibn Tibbon zelfs eenige wenken omtrent de gewenschte
methode bij dezen arbeid.
Niet de geest maar wel het lichaam van den grooten
Afaimuni verzwakte met het klimmen der jaren. De antwoorden op godsdienstvragen, ook in zijnen ouderdom gegeven, bewijzen zijn helderen en klaren geest. Wel liet
vaak de beantwoording van vragen, van alom tot hem
Zie hierover : Dr. J, Guttinann, das Verhaltniss des Thomas
von Aquino zum Judenthum and zur JUdischen Litteratur.
I)
wrinm nairin ntxtz
5'
gericht, wegens zijn voortdurende ongesteldheid, sorns zelfs
wegens zware ziekte lang op zich wachten. Eindelijk moest
ook de beroemdste man van het middeleeuwsch Jodendom
aan de natuur haar tol betalen. Maimonides stierf op bijna
zeventigjarigen leeftijd (20 Tebet = 13 December 1204).
Zijn overlijden werd bij de Joden van alle beschaafde
landen diep betreurd en door buitengewone betuigingen
van droefenis en boete gevierd. In Judea' s oude academiestad Tiberias werd het lijk bijgezet en vereerde men zijn
aandenken, door de volgende woorden op zijn grafzerk uit
te beitelen : ' Mensch, gij waart te verheven, om een menschelijken oorsprong te bezitten, gij waart eene gave van
de engelen des Allerhoogsten." Mainzunf s waardigheden als
hofarts en Nagid gingen over op zijn zoon Abulmeni Abraham,
een man, die, evenals Maimunf s nakomelingen, de groote
karakterdeugden des vaders geerfd had, maar hem in genialen
geest niet nabij kwam.
hiox. Gooch, III 4*.
TWEEDE TIJDVAK.
VAN DEN DOOD VAN ItlAIMONIDES TOT DE
VERDRIJVING DER JODEN UIT HET PYRENEESCHE
SCHIEREILAND.
1204 —1498.
HOOFDSTUK XII.
De Jodenlap. Verdeeldheid in den boezem van het Jodendom.
1204 – 1236.
De dood van Maimuni deed eene leemte ontstaan in het
Jodendom. die niet gemakkelijk aan te vullen was. De
onsterfelijke geleerde uit .Fostai had wel zeer belangrijke
geestesproducten nagelaten, maar geen opvolger, die in zijne
plaats kon treden en de verschillende elementen van het
Jodendom zoo beheerschen, dat het werk van den grooten
meester wezenlijk heil kon aanbrengen. Integendeel, door
gemis aan een geestelijken leider, aan wiens gezag de gemeenten in het Oosten en Westen zich konden onderwerpen,
ontstond er al spoedig een bittere strijd over Alaimutir s
letterkundige nalatenschap. Had deze verdeeldheid voor
het Jodendom treurige gevolgen, nog gevoeliger werd het
getroffen door den haat der Katholieke kerk, die reeds
terstond na Afaimonides' dood hare hevigste uiting vond in
de hartstochtelijke bestrijding van pans binocentius III
(1198 1216). Het Joel, dat zijn voorganger Gregorius VII
voor oogen gezweefd had, was eindelijk in zijne dagen door
de kerk bereikt : de heerschappij over alle Christelijke rijken
en vorsten. De keizerlijke kroon gold thans als een pauselijk
leen ; de macht van koningen en vorsten was slechts een
uitvloeisel van de pauselijke macht, »Evenals de man,"
zoo schreef dit aanmatigend kerkhoofd in een zijner brieven,
haar licht van de zon ontvangt, zoo verkrijgt ook het
koninklijk gezag den glans zijner waardigheid van den pailselijken stoel." Van deze oppermacht nu maakte Innocentius
zeer gaarne gebruik, door zijne trouwe en blindgeloovige
volgelingen op te hitsen tegen de Joden, die hij als de
-
53
geheime vijanden van de kerk en het pausdom beschouwde.
In elke uiting van den Joodschen geest meende deze heerschzuchtige kerkvorst eene aanranding te ontdekken van zijn
macht en die der kerk en wilde daarom den zedelijken
invloed van den Joodschen stam onderdrukken, door dezen
stam tot een zoo laag mogelijk standpunt in de maatschappij
te vernederen. In de herderlijke brieven, die hij tot Philip
August van .Frankrijk, Alfonso den edelen van Castille en den
graaf van Nevers (het tegenwoordige Fransche departement
Nievre) richtte, gaf hij uiting aan zijn diepgewortelden
Jodenhaat en verweet hun, dat zij de Joden met te veel mensalievendheid behandelden, Gelijk de broedermoordenaar
Kain," zoo luidt het in een zijner brieven, behooren zij
op de aarde rond te dolen, hun gelaat bedekt met smaad
en schande." Niet alleen de Joden, maar alien, die hun
persoonlijke vrijheid van denken niet onder het onbeperkt
gezag van de Christelijke leerstellingen wilden brengen,
vervolgde hij met onverbiddelijke strengheid. Tot dezen
behoorden de Albigenzen in Provence en Languedoc. Hij
gaf eerst twee zendelingen de opdracht, de verdoolden weder
in den schoot der kerk terug te brengen, maar toen dit
niets baatte, predikte hij een kruistocht tegen deze ongeloovige Christenen. Verwilderde krijgsbenden, door fanatieke
monniken met een omhoog gehouden kruis voorafgegaan,
overstroomden het land van de Rhdne, vermoordden schuldigen en onschuldigen door zwaard en brandstapel. Ook
vele Joden moesten boeten voor de zonden der afvallige
Christenen. Groot was het aantal slachtoffers in Beziers,
dat stormenderhand ingenomen en grootendeels verwoest
werd. De pauselijke legaat beschouwde het als een bijzonder
voorrecht, dat hij als gezant der Goddelijke wraak deze
stad vernield had. In hetzelfde jaar van den Albigenzischen
kruistocht (1209), door de Joden z het jaar van kommer" ')
genoemd, werden op een concilie te Avid no .z verscheiden
drukkende besluiten aangaande hen vastgesteld. Zoo bepaalde
men, dat zij geene staatkundige ambten meer bekleeden
mochten, op de Christelijke rust- en feestdagen geen openbaren arbeid verrichten en op de Christelijke vastendagen
geen vleesch nuttigen. De macht van het pausdom zou
weldra nog zwaarder drukken op het geheele Europeesche
Jodendom.
Innocenlius riep te Rome een algemeen concilie bijeen
tot bespreking van een kruistocht tegen de Mohammedanen
1) i1 a' rate
T
;
4969 a. m,
54
in het Oosten en de Zuid-Fransche ketters of Albigenzen,
alsook om andere aangelegenhcden van de kerk te behandelen (1215). Maar ook de Joden bleven op dit concilie
niet onbesproken. Ook betreffende hen werden eenige
besluiten genomen, die hun rechten en vrijheden al weder
meer beperkten. Een daarvan, waaraan tot nu toe nog
geen enkele Jodenhater gedacht had, luidde, dat zij in alle
Christelijke landen een uiterlijk herkenningsteeken moesten
dragen, bestaande in een lap, dien de jongelingen van hun
twaalfde jaar aan hun hoed of bovenkleed, meisjes en vrouwen
aan haar sluier moesten hechten. Al had deze zoogenaamde
Jodenlap niet overal denzelfden vorm noch dezelfde kleur,
zoo had ze toch een en dezelfde strekking, en wel, om
hen te onderscheidden van de geheele maatschappij. Dit
Jodenteeken werd dan ook voor onze voorouders de bron
van voortdurende kwellingen, van mishandeling en afpersing ; het brandmerkte hen als verachtelijke wezens ; het
bande hen uit de samenleving en drukte op hen den stempel
der vernedering. Maar bovendien deed het ook velen hunner
alle eigenwaarde verliezen, ontnam hun alle mannelijke
fierheid en bracht hen tot zulk een staat van vernedering,
dat zij ten laatste werkelijk geloofden, in ontwikkeling en
beschaving bij anderen ten achteren te staan en geene aanspraak meer te mogen maken op volkomen vrijheid en
onafhankelijkheid. De pogingen van invloedrijke Joden,
om de invoering van dit verachtelijk en vernederend Jodenteeken tegen te gaan, die zelfs door verscheiden vorsten
gesteund werden, bleven over het algemeen vruchteloos.
De pauselijke macht behield de overhand en het schandelijk
edict van het vierde algemeene concilie bleef onherroepelijk
besloten. Zelfs Frederik II keizer van Duitschland, de
meest verlichte vorst van zijn tijd, moest zich• ten laatste
daaraan onderwerpen en den Jodenlap invoeren in zijne
erflanden Nape's en Sicilie. Een van Anocentius' eerste
opvolgers, Gregorius 1X, drukte geheel diens voetspoor
(1227). Deze trachtte uitsluitend de wereldheerschappij van
het Christendom te bevestigen. Het, zekerste middel tot
bereiking van dit doel waren ook voor hem de kruistochten. Daardoor toch werd de godsdienstijver levendig
gehouden en bleef de menschelijke geest onder de macht
der kerk. Het spreekt van zelf, dat ook dezen hartstochtelijken kerkvorst de Joden een doorn in het oog waren.
Hij liet daarom niets onbeproefd, de vorsten tegen hen in
het harnas te jagen. Zoo noodzaakte hij o. a. Andreas II
van Hongarije hen van vele rechten en vrijheden te berooven, die zij tot nu toe onder de vorsten nit het huis
Arj5ad steeds genoten hadden (zie bl. 42).
55
Had het Jodendom veel te lijden van de onverdraagzaamheid der Christelijke kerk, het werd bovendien, zooals
reeds vroeger gezegd is, niet minder geteisterd door inwendige verdeeldheid. Het is opmerkelijk, dat juist de geschriften
van Afaimuni, van den man, wiens geheele streven geweest
was, de eenheid des Jodendorns te bevestigen, de oorzaak
van dezen treurigen strijd geweest zijn. Maimonides had
getracht geloof en wetenschap te vereenigen de waarheden
der Singtische openbaring met het wijsgeerig onderzoek in
overeenstemming te brengen. Maar juist dit streven mishaagde
hun, die wars waren van wijsgeerige bespiegeling. Het
was zelfs een godsdienstig vergrijp in de oogen van velen,
die zich streng hielden aan de talmudische spreuk : ' houdt
uwe zonen of van wijsgeerige overdenkingen." Anderen
namen weder aanstoot aan verscheidene denkbeelden, door
Maimuni in zijn More en Madda' uitgesproken. Ook zijne
zienswijze over de Aggada was in volkomen tegenspraak
met het gevoelen van vele talmudisten, die deze in meer
letterlijken zin opvatten. Zoodoende vorrnde zich naast
Maimuni' s hartstochtelijke vereerders eene sterke partij van
tegenstanders, in wier oogen More en Madda' vooral gevaarlijk voor het Jodendom waren. De rabbijnen en de
hoofden van de belangrijkste Joodsche gemeenten waren
derhalve al spoedig na Maimune s dood verdeeld in zijne
voor- en tegenstanders of Maimunisten en anti-Mai nzunisten.
Evenals Rased het zuiver talmudisch gedeelte van de MischneTora aan eene strenge en scherpe critiek onderwierp, trad
de beroemde R. Meir Hallevie Abulafia tegen het wijsgeerige boek Madda' op (1205). Abulafia, het hoofd (Nagid)
van de school te Toledo, een man van veelomvattende
kennis en de schrijver van een helangrijk werk over de
Massora, gaf in een zendbrief aan de wijzen van Lune/ zijne
godsdienstige bezwaren tegen Maimune s theorie te kennen.
Maar deze brief maakte in de gemeente, waar de Tibboniden leefden, al zeer weinig indruk. Aron, de zoon van
den niet minder vromen als geleerden Meschullain b. Jakob
gaf Abulafia zijne verontwaardiging te kennen over den
toon, dien hij tegen den hooggeachten leeraar aangeslagen had.
De krachtigste bestrijder der Maimunistische richting in
Europa trad juist daar op, waar deze de meest onbepaalde
heerschappij verworven had. Het was R. Salomo b. Abraham
uit Montbellier l), een vroom geleerde, die uit oprechte
overtuiging in vereeniging met zijn beide leerlingen Jona
Gerundi en David b. Saul een bitteren strijd over More
1)
-1 7 i t? ri617 1.:4
56
en Madda, deed ontbranden. Zij spraken met toestemming
van Noord-Fransche rabbijmn en ook van sommigen nit
Zuid-Frankrijk en Spanje den ban uit over ieder, die
Maimuni's wijsgeerige geschriften las of zich met eene andere
wetenschap buiten Bijbel en Talmud bezig hield (0232).
Dit veroorzaakte diepe verontwaardiging bij de Maimunisten.
Deze beleediging, den grooten en godvruchtigen denker
aangedaan, mocht niet ongewroken blijven, De voorstanders der wetenschap in de voornaarnste gemeenten van
Provence spraken thans eveneens den ban nit over Salomo
en zijne geestverwanten en richtten brieven aan verscheiden
Spaansche rabbijnen, om zich bij hen in den strijd aan te
sluiten. Vele rabbijnen uit Castilie, Catalonie en Aragon
gaven werkelijk aan deze roepstem gehoor. Thans ontstond
er een met verbittering gevoerde pennestrijd, Van beide
kanten vond men in den Talmud en andere geschriften
genoeg bewijzen, om zijn standpunt te verdedigen. In
dezen strijd mengde zich ook de grijze David Kimchi. Deze
ijverde voor Maimuni's geschriften en begaf zich, alhoewel
reeds gevorderd in leeftijd en zwak van lichaam, persoonlijk
naar Spanje, om de gemeenten aldaar te bewegen tot een
gemeenschappelijk optreden tegen de vijanden der wijsbegeerte. Daarentegen schaarde zich de gevierde arts en
geleerde Juda Alfachar uit Toledo aan de zijde van Salomo.
Hij gaf onbewimpeld zijne tevredenheid te kennen over den
door hem uitgesproken ban, daar naar zijne overtuiging
door den geest der Maimunische wijsbegeerte de liefde
voor het practisch Jodendom zoo al niet geheel uitdooven,
dan toch aanmerkelijk zou verkoelen. De strijd bleef niet
alleen in Europa, maar vertoonde zich ook in het Oosten,
waar hij door den vroeger genoemde Samuel b. All uit
Bagdad, ondernomen werd. Hij kreeg evenwel een grooteren omvang door de komst van den Franschen tosafist
Simson b. Abraham nit Sens, bij wien zich Daniel b. Saadj a,
een geleerde uit Damaskus aansloot. Abraham Maimuni
vond in de treurige gevolgen van zijn vaders werken aanleiding tot het schrijven van een verdedigingsschrift Milchamoth ') in den vorm van een zendbrief aan de geleerden
van Provence en Spanje. Ook schreef hij, om de aanvallen
tegen zijn wader te weerleggen, in het Arabisch eene verhandeling over de strekking der Aggada, van welk werk
een zeer klein deel voor ons behouden is. Jozef ibn Aknin,
als steeds opgewonden en veel vuriger van aard dan
1
)
rne"I'm
57
s zoon, bewerkte, dat Daniel, die intusschen tegenover Israels grooten leeraar een meer bitsen toon begon
aan te slaan, door den exilarch in den ban gedaan werd.
Daniel gevoelde zich hierover zoo diep gekrenkt, dat hij
van verdrie , stierf. Zoo heerschte reeds binnen eene halve
eeuw na Maimuni's dood hevige strijd en verdeeldheid, die
evenwel nog veel grooter afmetingen zou aannemen.
HOOF1)STUK XIII,
Mozes ben Nachman.
Een man van groote beteekenis en ontegenzeglijk na
Mainzuni de beroemdste talmudist uit de I3 de eeuw, trachtte
als bemiddelaar in dien strijd op te treden. Net was
Bonastruc de Porta, meer bekend onder den naam Mozes
b. Nachman of Nachmania'es (Ramban omstr. 1195-127o),
afkomstig uit Gerona. de geboorteplaats van verscheiden
bekende geleerden. Al vroeg ontwikkelde hij rijke geestesgaven, zoodat hij nauwelijks zestien jaar oud, reeds de hand
legde aan een zijner belangrijkste werken. Hij bezat een
diep doordringend verstand, beheerschte het geheele gebied
van Talmud en Midrasch, drukte zich zeer gemakkelijk uit
in Spaansch, Arabisch en Hebreeuwsch ; was tevens, naar
het schijnt, niet onbedreven in de klassieke talen en beoefende bovendien nog de natuurwetenschappen en de wijsbegeerte. Niettegenstaande zijne veelomvattende kennis,
stond bij hem niets hooger dan de Talmud. Nachmanides
koesterde een onbegrensden eerbied voor de oudere Halachisten, die hij ook zeer gaarne in bescherming nam tegen
de critiek van jongere geleerden. Zoo verdedigde hij
Alfassi in zijn Milchemeth 2) tegen den Maor van Reza
(zie bl. 35), alsook in Sefer hazzechuth 3) tegen de aan •
vallen van den strijdlustigen "Wed. Daar hij het in vele
punten niet eens was met Maimuni, die in zijn Slyer
hammitswothin menig opzicht van den schrijver van Halachoth
Gedoloth (zie deel II bl. 177) verschilde, vervaardigde hij
een dergelijk werk 4), waarin hij een andere wijze van
telling volgde. Zijne groote bedrevenheid op talmudisch
gebied blijkt vooral uit zijn commentaar, die onder den
naam Chidditschim 5) op vele talmudtractaten bestaat. AlI)
I"3n1 2) '1 r1
5) 0,1;i1,71
t?
3) nintri nom 4) j"mt11,
:
•-
s8
hoewel Ramban op dit gebied een geheel anderen weg
inslaat dan Rambam en aan de helderheid der Spaangchede scherpzinnigheid der noord-Fransche of Tosafistische
school verbindt, was hij toch te veel ontwikkeld, om de
Aggada in haren letterlijken zin te kunnen opvatten. Maar
desniettegenstaande was hij het volstrekt nict eens met hen,
volgens wier meening de wijsbegeerte den schepter moest
zwaaien en verzette hij er zich met kracht tegen, dat zelfs
het Bijbelwoord aan Naar uitspraak zou moeten onderworpen
worden, omdat naar hij zeide, de heilige Schrift geheimen
bevatte, waarachter de rnenschelijke geest niet mocht doordringen. Hij word dan ook een der dragers van de mystieke
leer ') of Kabbala, eene geheime wetenschap, die juist door
Rambans optreden grooten invloed begon te krijgen op
de verdere ontwikkeling van het Jodendom. Alhoewel
Nachrnanides de wijsbegeerte lang niet zoo hoog schatte als
Maimuni, bezat hij toch te veel eerbied en te hooge achting
voor dien diepen denker en grooten geleerde en gevoelde
hij te veel liefde voor de wetenschap, om zich aan de zijde
van Salomo uit Montpellier te scharen. Hij verklaarde zich
tegen den te ver gedreven godsdienstijver der Fransche
rabbijnen en teekende de groote verdienste, die Maimuni
zich jegens het Jodendom vervvorven had. Volgens zijne
overtuiging kon ook de ban, in Montpellier uitgesproken,
geen bindende kracht hebben voor andere gemeenten. Wilde
men ook al dien tegen More blijven handhaven, zoo achtte
hij het in ieder geval wenschelijk, Madda' niet langer te
verketteren. Een dergelijk voorstel ging ook uit van een
anderen Spaanschen geleerde, Samuel Saporta, die lfriaimuni' s
tegenstanders aanspoorde, zich met den inhoud van More
goed vertrouwd te maken, voordat zij in hun gevoelen
bleven volharden.
De felle strijd over Maimune s geschriften zoude, hoe
hartstochtelijk ook gevoerd, als die tusschen de vertegenwoordigers van innige en oprechte overtuigingen, niets meer
dan een onaangenamen indruk in de geschiedenis achtergelaten
hebben, ware het niet, dat Salorno met zijne leerlingen hun
toevlucht genomen hadden tot een zeer laakbare handeling.
Door den ongunstigen loop der zaken in verlegenheid gebracht, riepen zij de hulp in van hen, die als de meest
vijandige en gevaarlijke tegenstanders van het Jodendom
gebrandmerkt stonden. Zij wendden zich namelijk tot de
monniken der Dominikaner orde met het verzoek, om de
r1.?;;;T bij verkorting i.
1)
TT
59
Maimunische geschriften openlijk te laten verbranden, ten
einde, evenals de Christelijke, ook de Joodsche ketterij uit
te roeien. Dit vond dan ook werkelijk in Montpellier
plaatc. De genoemde geschriften werden in de woningen
der Joden opgezocht en daarna op plechtige wijze in het
vuur geworpen. Hetzelfde gebeurde ook te Parijs. De
fanatieke volgelingen van Gregorius IX jubelden, want de
Maimunische ketterij kon anders ook wel eens voor hen
gevaarlijk worden. Zij vreesden dit te meer, omdat op
aansporing van keizer Frederik II reeds een deel van More
in het Latijn vertaald en dit daardoor velen toegankelijk gemaakt was. Daarentegen heerschte onder alle Joden aan beide
zijden der Pyreneen bij het hooren van deze gebeurtenissen
diepe verontwaardiging. Intusschen werden al spoedig door
een 'nog niet opgehelderde toedracht der zaak de partijgangers van &Salerno afgrijselijk gestraft, doordien aan ruim
tien hunner de tong uitgesneden werd. Deze wraakoefening
maakte zulk een diepen indruk, dat zelfsJona Gerundi innig
berouw gevoelde en naar Tiberias wilde gaan, op het graf
van Mairnuni, om daar openlijk zijne misdaad te belijden
en vergiffenis of te smeeken. Wellicht moeten ook Jona' s
beide geschriften over boete en bekeering ') als het bewijs
van zijn berouw beschouwd worden. Salomo had derhalve
zijn doel nog lang niet bereikt. De eerbied voor Maimunz's geschriften nam toe. In Barcelona voerde men zelfs het gebruik
in, iederen Sabbath eene afdeeling uit More voor te dragen
en te verkiaren ; een gebruik, dat ook in vele andere
Spaansche gemeenten navolging vond. Als werkelijk vereerder van Maimuni trad in dien tijd ook op Mozes uit
Coucy, een der jongste Tosafisten en zwager van den vroeger
genoemden anti-Maimunist R. Simon uit Sens. Over het
algemeen was R. Mozes een man van zachte, gemoedelijke
vormen en vermocht door de taal der broederlijke vermaning velen terug te brengen zoowel tot de betrachting der
godsdienstplichten als tot onderlinge liefde en verdraagzaamheid. Zijne voordrachten door hem op verschillende
plaatsen in Zuid Frankrijk en ,Spanje gehouden 2), vormden
waarschijnlijk den grondslag van zijn Safer hammitswoth,
een overzicht der talmudische wetten aan de hand der
MozaIsche voorschriften en gegrond op Maimuni's codex.
7131tel1 1Piti en 71nlierl
' 1
T
9-)
:
••
-
T
VI ., •
Hij wordt uit dien hoofde ook wel
(iTe1"171 'Met) genoemd.
T ;
rr
de redenaar
6o
Dit belangrijke werk is later, ter onderscheiding van een
soortgelijk kleiner werk, Sefer mitswoth gadolz) genoemd.
Aan de verdeeldheid na Maimuni's dood uitgebroken
ontleende de Kabbala, die in Nackmani een grooten vereerder vond, haren machtigen invloed op den loop der
letterkundige ontwikkeling. Vele Provencaalsche en Spaansche geleerden toch konden zich evenmin vereenigen met
de streng tosafistische richting, die alleen blind geloof verlangde en elk wijsgeerig nadenken verdoemde, als met de
overtuiging der Maimunisten, dat de grondslagen des Jodendoms met de wijsbegeerte te samen vielen. Dezen nu
meenden bij het licht der Kabbala een middenweg tusschen die
beide uiterste richtingen gevonden te hebben. Zoo ontstonden
al ras de drie volgende partijen : de voorstanders der wijsbegeerte, de eenzijdige Talmua'isten en de Kabbalisten. De
inwendige partijschappen op deze wijze in den boezem van
het Jodendom ontstaan werkten natuurlijk zeer nadeelig op
de ontwikkeling der Joodsche wetenschappen. Poezie, exegese
en taalkunde gingen achteruit, daar zij de plaats moesten
ruimen voor wijsgeerige en kabbalistische beschouwingen.
HOOFDSTUK XIV.
Godsdienstdisputen. De Talmud in Frankrijk ten vure
gedoemd.
1240 —1290.
Terwijl de Joodsche cultuur door de verdeeldheid in eigen
boezem met rasse schreden achteruitging, nam het kerkelijk
vooroordeel tegen de Joden, door het pausdom als plicht
voorgeschreven, hand over hand toe. Allerlei misdaden
werden hun aangewreven, die dan ook onmiddellijk geloof
vonden. Ophitsingen en vervolgingen wegens kindermoord
herhaalden zich op vaste tijden zoo regelmatig, dat zelfs
verlichte en edeldenkende Christenen dit verdichtsel als
waarheid begonnen te beschouwen. Zelfs Frederik II, een
verlicht vorst, die een Jood Jakob Ana/oil uit Provence
naar Napels liet komen, om dezen met de vertaling van
Arabische werken te belasten 2), en ook met een anderen
,
*
1 ) "'Ili
T
*
*
n is o 1B0 of rno
: •
VI ••
:
Wellicht was deze het ook, die, op 's keizers verlangen,
met hulp van een Christen geleerde, Maimuni's More ge-
6i
jood uit Toledo briefwisseling hield over een wetenschap.
pelijk onderwerp, schijnt daaraan geloof te hebben gehecht.
Toen de Joden te Pulda aangeklaagd werden van het gebruik
van Christenbloed op Paschen, legde hij hun, hoewel de
onwaarheid dezer aanklacht bewezen was, eene zware geldboete op. In bet algemeen stond keizer Frederik den Joden
niet toe, openbare ambten te bekleeden, ja, sloot hen zelfs
in zijne hoofdstad Palermo in een ghetto op, eene vernedering, waaraan men nog zelden gedacht had. Intusschen
rustten in Duitschland de teugels van het bewind nog altijd
in handen van een machtigen keizer, die het als zijn plicht
beschouwde, de Joden in bescherming te nemen. Toen
echter na den dood van Frederik een tijd van regeeringloosheid aanhrak, stonden zij geheel bloat aan de willekeur
van het ruwe, dweepzieke yolk en werden duizenden van
hen vermoord of uitgeplunderd. Niettegenstaande de smadelijke behandeling, die zij van de zijde der Christenen te
verduren hadden, werd toch op eene synode te .112ainz, door
de voornaamste rabbijnen van Duitschland belegd hoofdzakelijk met het doel, om de jaarlijksche opbrengsten ten
behoeve der gemeenten te regelen (1223) 1), elke oneerlijkheid jegens de Christenen in handet en verkeer ten strengste
verboden 2).
De bloedige strijd, door de kerk tegen de Albigenzen in
het begin der i3de eeuw gevoerd, bleef niet zonder gevolg
voor de Joden van Frankrijk. Evenals in Duitschland
vonden ook daar de valsche beschuldigingen, hurl naar het
hoofd geslingerd, bij velen een gewillig oor en werden voor
hen de oorzaak van onnoemlijk veel lijden. Behalve blinde
dweepzucht was het ook eene onverzadelijke hebzucht van
deeltelijk in het Latijn vertaalde (zie bl. 59). Hij schreef
ook ∎philosophische predikatien naar aanleiding der wekelijksche Tora-afdeelingen, die niet van belang ontbloot zijn
(VIMIVIrt -thn).
•
•
:
-
:
I) De besluiten in deze synode genomen, dragen den
if**.
naam
miry), besluiten van Spiers, Worms en Mainz,
de drie oudste gemeenten van Duitschland.
2) Jakob b. El' azar uit Worms, die ook aan deze synode
deelnam, gebiedt eveneens in zijn zedekundig werk Rokeach
van elke wraakzucht jegens de Christenen of te zien., En
voorwaar, zoo iemand, had toch deze in hooge mate hun
wreedheid ondervonden, daar een woeste bende hem van
zijne vrouw en drie kinderen beroofd had (1196),
62
rijken en armen, waaraan de ongelukkigen bloot stonden.
Hun toestand werd nog treuriger onder het bestuur van
Lodewijk IX (1226-1270. Deze, wegens zijne innige gehechtheid aan de kerk, de heiligebiigenaamd, stond geheel
onder den invloed der geestelijkheid, ijverde zelfs nog meer
dan de paus voor de verbreiding van het Christendom.
Fransche en Normandische vorsten en edelen, door hem
met geestdrift bezield, volgden hem tot tweemaal toe op
een tocht naar het Oosten. Verscheiden Joodsche gemeenten
hadden veel van deze heilige kruisvaarders te lijden. Lodewijk
stelde zich niet tevreden met de Joden te dwingen tot het
dragen van het onteerend herkenningsteeken (een gelen
lap), vond het nog niet voldoende hun kinderen in de
armen van bet Christendom te werpen, maar hij wilde ook
de bron verstoppen, waaruit zij tot nu toe hun levenskracht
geput hadden. De Talmud, wiens studie den zwaar beproefden als eenige troost overgebleven was, moest het
slachtoffer worden van wreede vervolgingszucht. Hiertoe
gaf hem de volgende gebeurtenis aanleiding. Zekere Donin
had openlijk zijn twijfel uitgesproken over de betrouwbaarheid van Talmud en traditie. Deswege door de Fransche
rabbijnen in den ban gedaan, ging hij uit wraak onder den
naam van Nikolaus tot bet Christendom over. Vol haat tegen
den Talmud en de rabbijnen, wilde de afvallige zich op
beiden wreken. Tot dit Joel begaf hij zich tot paus
Gregorizts IX en trad als aanklager op tegen den Talmud,
omdat deze het woord der gewijde Schrift verdraaide, laster
bevatte tegen den stichter van het Christendom en een
geest van onverdraagzaamheid ademde jegens andersdenkenden, Hij had zijne aanklacht schriftelijk geformuleerd
en door verschillende talmudplaatsen gestaafd. Op last
van den pans werden nu afschriften daarvan gezonden naar
de hoogste geestelijkheid van Frankrijk,Engeland,Casiilie,
Aragon en Portugal, met het bevel, den Joden de talmudexemplaren to ontnemen en deze aan de hoofden van de
orde der Dominikanen en Franciskanen tot een streng onderzoek ter hand te stellen. Zoo Donins aanklacht waarheid
bleek te bevatten, moesten deze openlijk verbrand worden.
De koningen van genoemde landen ontvingen de opdracht,
den geestelijken hierbij hun steun te verleenen. Het pauselijk woord vond echter alleen in Frankrijk stipt gehoor. De
Joden aldaar moesten, onder bedreiging van straf, hun boeken
uitleveren. Voorts bepaalde Lodewijk, dat in Parijs een
godsdienst-dispuut zou plaats vinden, waarbij de vier voornaamste rabbijnen van Frankrijk, R. Jechiel uit Parzjs. R.
Mozes uit Coucy, R, Juda uit Melun en R. Samuel uit
Chateau-Thierry in tegenwoordigheid van bet bof en de
63
hoogere geestelijkheid, Donins aanklachten moesten weerleggen. Dit dispuut was voor het geheele Fransche Jodendom van groot gewicht, omdat daarvan het behoud van
den TalmuJ en de voortzetting der talmudstudie afhingen.
De dag, waarop het dispuut plaats vond, werd dan ook in
bidden en vasten doorgebracht. R. Jechiel voerde het eerst
en waarschijnlijk ook alleen het woord. Hij weerlegde de
verschillende punten der aanklacht. De uitslag van het
dispuut is ons niet bekend. Naar het schijnt, trad een
invloedrijk prelaat voor de Joden in de bres en bewerkte,
dat hun de geconfisceerde boeken alien of gedeeltelijk teruggegeven werden. Ongelukkigerwijze evenwel stierf deze
plotseling, wat de bijgeloovige koning als eene hemelsche
straf voor de begunstiging der Joden beschouwde. Hij liet
althans uit alle deelen van Frankrijk de talmudische werken
bijeen brengen en naar Parijs voeren, waar zij openlijk
verbrand werden. Het Jodendom was diep geslagen, daar
het zijn geestelijk levenselement verloren had i). Toch
hield zich de talmudstudie nog eenigen tijd staande. R. jechiel
hield nog voor een talrijke schaar leerlingen uit het geheugen
voordrachten en talmudische verhandelingen, totdat hij eindelijk wegens gebrek aan voldoende hulpmiddelen het land
verliet en zich naar Paiestina begaf, waar hij overleed (i 200).
Met het vertrek van Frankrijks grootste autoriteit hield de
tosafistische school, die daar eenmaal zoo heerlijk gebloeid
had, geheel en al op, R. Izak uit Corbeil voorzag het
verval der school en schreef daarom een beknopt handboek
voor het practisch Jodendom Amoede .Gola 2). De laatste
tosafisten hielden zich hoofdzakelijk bezig net het verzamelen en redigeeren van vroegere tosafoth. Tot hen behooren o. a. R. Eliezer uit Toech (of Tougue), de broeders
Samuel en Mozes nit Evreux en R. Perets uit Corbeil,
Het godsdienst-dispuut to Parijs vond navolging in Sj5anje,
en wel in Aragon, aan het hof van koning Jayne (Jakob) 1.
Deze stond geheel onder den invloed der Dominikaner monniken, wier generaal Raimund van Penjaforte zijn biechtvader
was. Raimund wilde de Joden en Mohammedanen voor de
Christelijke kerk winnen. Hij stichtte eene school, waar
''7 ∎ 14' van R. Meir uit
I) De treffende elegie
T
:
•
in onze nirp-verzameling van den 9 den Ab
Rothenburg,
opgenomen, doelt v. s. op deze treurige gebeurtenis,
*
*
or ;vim "VD (7 "to)
2 ) 7611 "nny of
T
"
'
: •
64
onderwijs gegeven werd ook in het Hebreeuwsch en Arabisch,
opdat hare kweekelingen de in deze taal geschreven werken
zouden kunnen lezen en daardoor beter als zendelingen
van het Christendom optreden. De eerste kweekeling uit deze
school, een gedoopte Jood, die den naam van Fra Pablo
Christiani aangenomen had moest op aanraden van Raimuna'
te Barcelona een openbaar godsdienst-dispuut houden met
Nachmani, den voornaamsten en meest gezaghebbenden
rabbijn van Sj5anje (1263). Het dispuut, dat vier dagen
duurde, werd bijgewoond door het geheele hof en vele
personen uit de verschillende rangen en standen des yolks,
zoowel van de Joden als van de Christenen. Nachmani
bepaalde terstond welke punten zouden behandeld worden.
Het is opmerkelijk, dat terwijl Donin beweerd had, dat de
Talmud den stichter des Christendoms lasterde, Pablo juist
uit ditzelfde werk bewijzen putte voor diens messianiteit.
Nachmani wilde nu hoofdzakelijk onderzoeken of volgens
den Talmud de Messias reeds verschenen en of deze naar
het woord des Bijbels als een hooger wezen of als een
menschenzoon te beschouwen is. Het viel den rabbijn
volstrekt Diet moeielijk de beweringen van Pablo te ontzenuwen en de bewijzen, door hem uit den Talmud aangehaald, te weerleggen, zoodat hij overwinnaar in den strijd
bleef. De koning zelf vereerde hem net eene .vriendelijke
ontvangst en een kostbaar geschenk. Toen echter de geestelijken allerlei valsche geruchten omtrent den afloop van
het dispuut verspreidden, zag Nachmani zich genood7aakt,
daarvan een zoo trouw mogelijk verslag T) te maken, waarvan hij afschriften zond naar verschillende landen. Niettegenstaande deze eerste mislukte poging zette Pablo Christiani
zijn bekeeringswerk voort in Aragon, waar de Joden gedwongen werden, met hem te disputeeren, zijne voordrachten
aan te hooren en de kosten te betalen, aan zijne reizen
verbonden. Nachmani verliet kort daarna — het is onzeker,
of dit uit dwang of uit eigen beweging geschiedde — zijn
vaderland en begaf zich nog in zijn ouderdom, met opoffering van zijne familie, leerschool, vrienden en vereerders
naar het heilige land en wel naar Jerrizalein. Op zijne
aansporing werd in de heilige stad, waar bet toen ten gevolge van de verwoestingen der Mongolen (1260) zeer treurig
uitzag, door Joodsche pelgrims uit Syrie eene synagoge
gesticht en een zetel voor de Joodsche geleerdheid. Spoedig
schaarde zich om hem een kring van leergierige mannen.
65
waaronder zelfs Karaieten moeten geweest zijn. Te hunnen
behoeve en in het algemeen voor zijne broeders in het
Oosten schreef Nachmani een Bijbelcommentaar, zonder
twijfel de vrucht van een langdurige en degelijke exegetische
studie. In dit belangrijk werk treedt Nach;nani's eigenaardige geestesrichting in een helder licht. Aan eene gezonde en natuurlijke tekstverklaring, een grondig onderzoek
van den samenhang der verschiilende deelen en een helder
overzicht van het geheele onderwerp worden vaak mystische
beschouwingen verbonden, denkbeelden, ontleend aan de
Kabbala, vastgeknoopt. 1Vachmanides, de laatste beroemde
Spaansche Bijbelexegeet, overleed na een driejarig verblijf
in Palestina. Zijn lijk werd in Chaifa ter aarde besteld
naast dat van R. Jechiel uit Parijs,
Gunstiger dan in Aragon was de toestand der Joden in
Castilie, waar Alfonso X de wijze I 2 5 2- I 2 84) regeerde.
Reeds als kroonprins had hij bij de verovering van Sevilla
de dapperheid en de trouw der Joden leeren kennen en
hun als bewijs zijner genegenheid veel akkers en velden
toegewezen, terwij1 hij hun bovendien in Sevilla drie moskeen schonk, die zij voor synagogen inrichtten. Na zijne
troonsbeklimming vertrouwde hij zeer belangrijke posten aan
Joden toe, niettegenstaande de pans dit zeer laakte. Tot
zijn schatmeester benoemde hij don Meir de Malea, een
bekwaam talmudist, wiens zonen Jozef en Zag (Izak) hem
in dit ambt opvolgden. Ook had hij een Joodschen lijfarts
en bediende zich vaak in zijne sterrekundige studied van
de voorlichting van Joodsche geleerden. Zoo liet hij door
don Zag ibn Said, voorlezer uit Toledo, hemeltafels vervaardigeri, die onder den naam van Alfonsische tafels langen
tijd in gebruik bleven. Zoowel door hunne beschaving als
door hun rijkdom en getalsterkte bezaten de Arragonische
Joden grooten invloed. De Joodsche gemeente van Toledo,
de bloeiendste en aanzienlijkste van het geheele Pyreneesche
schiereiland, telde met eenige omliggende kleine gemeenten
72,000 zielen. De voor de Joden drukkende bepalingen,
die Alfonso op last van den pans in zijn nieuw wetboek
opgenomen had werden bijna in het geheel niet toegepast.
Desniettemin ging zijne regeering voor de Joden toch niet
geheel zonder tegenspoed voorbij en wel ten gevolge van
de slechte verstandhouding, waarin hij tot zijn opvolger
don Sancho stond. Deze laatste dwong, toen hij eens in
geldverlegenheid verkeerde, den schatmeester don Zag hem
met de koninklijke schatten to helpen. Alfonso hiervan
onderricht, nam bittere wraak op zijn schatmeester, died
hij in het openbaar liet tuchtigen en terechtstellen, terwijl
hij bovendien den Joodschen onderdanen groote sommen
(
MON. Gesch, 111 5
66
afperste, om de geleden schade te dekken. De infant kon
dit niet met gelatenheid dulden. Hij Wilde de Joden in
bescherming nemen, wat een oproer ten gevolge had. Onder
Alfonso' s beide opvolgers, den genoemden don Sancho en
Ferdinand IV, weed het rijk eveneens door binnenlandsche
verdeeldheden geteisterd, die ook voor de Joden niet geheel
zonder treurige gevolgen bleven.
Te dier tijd genoten de Joden in Portugal, waar zij zich
reeds vroeg gevestigd moeten hebben. rust en vrede. De
rechtvaardige vorst Alfonso III (1248-1279) nam hen in
bescherming tegen bet fanatisme der geestelijkheid. Er was,
voor zoover ons schijnt, geen land, waar bun onderlinge
verhouding en die tot den staat beter geregeld waren dan
Portugal. Aan het hoofd van het geheele Portugeesclie
Jodendom stond een door den koning benoemden opperrabbijn (rabbi mohr), die de benoeming van de districts-.
rabbijnen, welke door de gemeenten geschiedde, bekrachtigde. In vereeniging met een opperrechter en een secretaris
bezocht hij jaarlijks alle gemeenten van het land, stelde
zich op de hoogte van alle godsdienstige aangelegenheden
en hield een nauwkeurig toezicht op bet beheer van gelden,
voor bepaalde doeleinden bestemd. Ook het gemeente- en
belastingwezen was volgens vaste wetten geregeld. De
Joden woonden in afzonderlijke straten, judaria, waarvan
in Lissabon, de grootste gemeente van bet land, verscheidene
aangetroffen werden. Deze werden des nachts gesloten en door
twee koninkliike dienaren bewaakt. De Joodsche bevolking
hield zich bezig met wiin- en landbouw, legde zich op allerlei
ainbachten toe en dreef ook een uitgebreiden handel. Wel
leefden zij van de Christenen streng gescheiden en moesten
ook drukkende belastingen opbrengen. Evenwel hadden zij
alien grond, om met bun toestand tevreden te zijn, daar — zoo
als reeds gezegd — de koningen hen in bescherming namen
en ook in staatsdienst gebruikten. Zoo bekleedde de opperrabbijn don Juda het ambt van schatmeester onder koning
Diniz. Wel een bewijs, dat althans van den kant der regeering
bun toestand niet minder gunstig was dan in het naburige
Arragon.
HOOFDSTUK XV.
De Joden in Engeland gedurende de dertiende eeuw. Dunne
verdrijving uit Engeland en Frankrijk.
Met de troonsbeklimming van Hendrik HI (1 216-1272),
den opvolger van Jazz 4:onder land (zie bl. 4o), scheen voor
67
Engeland in het algemeen en voor de Joden aldaar in het
bijzonder een gunstiger tijd aan te breken. Zelf nog te
jong om de regeering te aanvaarden, kwam hij onder voogdij
van vroede mannen, die met beleid en billijkheid heerschten.
Zij namen de Joden in bescherming tegen onrecht en geweld ;
onderdrukten de pogingen der geestelijkheid, om den geloofshaat meer aan te wakkeren ; verlosten velen uit den kerker,
waarin de vorige koning hen geworpen had en verlichtten
de drukkende belastingen. De welvaart begon dan ook
weder onder de Joden toe te nemen en bun aantal vermeerderde door de komst van nieuwe aankomelingen, die uit
het vaste land overstaken. Maar juist de welvaart werd
de oorzaak van nieuwe ellende, de aanleiding tot nieuwe
rampen. Toen de • verk'vistende en lichtzinnige koning, die
eindelijk zelf den troon beklommen had, in geldgebrek
geraakte, gebruikte hij de rijke Joden als de mijn, waaruit
hij schatten kon delven. Onder allerlei voorwendsels verhoogde hl jaar op jaar hunne belasting en eischte bovendien telkens groote sommen ter verzoening van misdaden,
waarvan zij beticht werden. Nu eens hadden zij Christen
kinderen gekruisigd I, dan weder deze aan de ouders ontrukt, om ze in het geheim te besnijden en voor het Jodendom groot te brengen. iedere aanklacht, hoe ongerijmd
en bespottelijk ook, was vcor den vorst eene geschikte gelegenheid, om den Joden een zware geldboete op te leggen.
Daar zij hierdoor zeer verarmden en hun toestand door de
opruiingen der geestelijkheid steeds hachelijker werd, verzochten zij eindehjk den koning, het land te mogen ver,
1) Van groot belang is een but van pans Innocentius IV
(van het jaar '247), gericht aan de kerkvorsten van Frankrijk,
Engeland en Duitschland, waarin hij o. a. schrijft : z Eenige
vorsten, geesteliiken, edelen en machtigen van uwe landen
schrijven den Joden allerlei slechte handelingen toe en
beramen booze plannen, om maar meester te worden van
hun vermogen. Zoo strooien zij het verzinsel uit, dat de
Joden tegen bet Paaschfeest bet hart van een vermoorden
Christenknaap gebruiken, een verdichtsel, geheel in strijd
met hun wet. Zoo ergens een lijk gevonden wordt, zijn
de Joden de moordenaars en worden zij op grond dier
beschuldiging van bun goed beroofd of zelfs gedood. De
apostolische stoel nu verbiedt deze onrechtvaardigheden.
Hij veroordeelt ze ten strengste, zoodat ieder, die zonder
grond het leven der Joden verbittert, met den ban gestraft
zal worden." Hoe weinig evenwel deze pauselijke bul vermocht, blijkt uit den verderen loop der geschiedenis,
Moan. Gesell. III 5*
68
laten. Maar deze stond hun dit niet toe. Zij moesten
blijven, om 's konings schatkist te stijven en stonden voortdurend aan de ergste kwellingen en vervolgingen bloot.
Zoo werden zij zonder eenige gegronde aanleiding in verscheiden steden door eene opgezweepte volksmenigte overvallen en [500 van hen gedood (Paaschweek 1264). Niet
beter ging het hun onder Hendriks zoon Eduard I (1272-1307), alhoewel ook deze hun in het begin van zijne regeering niet ongenegen scheen. In het derde jaar van zijn
bestuur werd hij genoodzaakt, eene reeks van artikelen
aangaande de Joden (de Judaismo) te bekrachtigen, die
meerendeels ten doel hadden, hen nog dieper te vernederen
en als verachtelijke wezens te brandmerken. Van tijd tot
tijd werden zij van misdaden beschuldigd, waarop dan gewoonlijk de gevangenneming of terechtstelling van een aantal
rijke Joden volgde, wier vermogen het eigendom van den
koning werd. Zoo waren er eens (i279) gesnoeide munten
in omloop. Dit was natuurlijk het werk der Joden. Ofschoon
men tot de ontdekking kwam, dat ook vele Christenen
zich aan deze misdaad schuldig gewaakt hadden, werden
toch uitsluitend de Joden daarvoor gestraft, velen met den
dood, anderen met verbeurdverklaring van hun vermogen.
Eenige jaren later (1288) werden alle Joden uit Engelandin
een nacht overvallen en gevangen genomen. Eerst na de
aanbieding van een hoog losgeld (12,000 zilver) werden
zij weder in vrijheid gesteld 9. De schuld van deze voortdurende rampen lag minder aan Eduard dan wel aan den
adel en de geestelijkheid, die eindelijk in vereeniging met
het yolk bij den koning aandrongen op de verdrijving van
dit veracht yolk. Eduard moest dit verzoek toestaan en
vaardigde kort voor zijne terugkomst (hij beyond zich toen
in Zui d .Frankrijk) het besluit lit, dat alle Joden vO6r
Allerheiligen (1290) het Engelsche grondgebied moesten verlaten. Zij mochten een deel van hun roerende goederen
en hun geld medenemen. Hun huizen en andere vaste
bezittingen vielen den koning ten deel, Het aantal ballingen
wordt op ruins 16.,000 geschat. Dezen begaven zich deels
naar Frankrijk, deels naar Duitschlaied, maar velen hunner
kwamen op den tocht door het verraad en de trouweloosheid der schepelingen om het leven.
0 In een der muren van een oud gebouw te Winchester
werd voor eenige jaren een Hebreeuwsch inschrift ontdekt
van den volgenden merkwaardigen inhoud : A Alle Joden
van dit land werden in het jaar 5047 gevangen genomen.
Ik Ascher heb dit geschreven,"
69
Van korten duur was evenwel hun verblijf in firankrajk,
waar de toestand der Joden met het begin der r4de eeuw
zeer hachelijk werd. Koning Philips IV de Sc/ioone gaf
(2 1 Januari 1306) al zijn ambtenaren, van den hoogsten
tot den laagsten, het geheime bevel, hen alien op een en
denzelfden dag gevangen te nemen. De voorbereidingen
hiertoe bleven voor de Joden verborgen, zoodat zij geheel
onverwachts, nauwelijks hersteld van het vasten ter herinnering aan de verwoesting van Jeruzalem, door de koninklijke dienaren uit hun huizen opgelicht en met ruw geweld
naar de kerkers gesleept werden (ro Ab = 2 2 Juli). Daar
werd hun het bevel medegedeeld, dat alien, zonder onderscheid van geslacht of ouderdom, binnen eene maand het
land moesten ontruimen, met achterlating van hun vermogen.
Wie na dien tijd nog op Franschen bodem aangetroffen
werd, moest, zoo hij zijn leven wilde behouden, tot het
Christendom overgaan. Wat Philips, die van nature volstrekt niet dweepziek was tot dezen stap bewogen heeft,
is ons niet bekend. Wellicht was het een middel, om zich
uit de geldverlegenheid te redden, waarin hij zijne voortdurende oorlogen met het oproerige Vlaanderen gebracht
werd. Op den vastgestelden dag verlieten meer dan
roo,000 menschen, van alle middelen beroofd, hui? vaderland, terwijl wagens vol goud, zilver, edelgesteente en andere
kostbaarheden naar het koninklijk slot vervoerd werden.
Wat er in het hart der ballingen omging bij het verlaten
van het land, waar hun voorouders vele eeuwen gewoond,
waar Rczschie gearbeid en de Tosafisten-scholen gebloeid
hadden, laat zich eerder gevoelen dan beschrij yen, Nog
hooren wij de hartroerende klaagtonen van Estori Pharc/ii,
die in de inleiding van zijn belangrijk werk Kaftor Waftrack
dat handelt over de topographie van Palestina en
wat daarmede in verband staat, in treffende kleuren schildert, hoe > w o es t el i nge n hem uit de leerschool verjaagd
hebben, waardoor hij reeds als jongeling moest dolen van
land tot land en onder volkeren rondiwerven, met wier
taal hij geheel onbekend was." Hij bereikte eindelijk
Palestina, evenals een andere Fransche balling Aron Cohen,
van wien wij een werk over ritualien Orchoth Chajirn 2)
bezitten. De treurige gebeurtenis, die Jetlaja Happenini of
En-bonet Bedarschi uit Beziers met eigen oogen aanschouwde,
1
) rrim int' z 2 ) oNlm rom,
:"
•...
later ten gebruike van de
Duitsche Joden onder den naam 13 -In omgewerkt door
Schemarja b. Simcha,
7©
gaf hem waarschijnlijk aanleiding tot zijne wijsgeerige beschouwing de beproeving der wereld l), waarin hij o. a. ook
de vergankelijkheid van al het aardsche schildert, Pit ge schrift heeft zoowel wegens zijn inhoud alsook en vooral
wegens zijne schoone woordspelingen eene algemeene bekendheid gekregen 2). De ballingen verstrooiden zich over verscheidene landen en gingen zelfs tot naar Palestina, Evenwel
vestigden zich de meesten in de provincien, die aan Frankrijk
grensden, maar niet onder Philips heerschappij stonden (Provence en Rousillon) daar zij de stille hoop koesterden, weder
spoedig naar hun vaderland teruggeroepen to worden.
HOOFDSTUK XVI.
De hernieuwing van den strijd tegen de wetenschap. De
kabbalistische richting. Ben Adereth en Ascheri.
1280 — 1310.
De strijd door Maimuni's wijsgeerige werken in het leven
geroepen brak na eene rust van ongeveer eene halve eeuw
op nieuw en met nog meer verbittering dan de eerste maal
los. De tegenstanders der wetenschap konden thans nog
met meer kracht optreden, omdat althans naar hunne
overtuiging — de ondervinding bewezen had, dat deze ge-
2) Reeds op jeugdigen leeftijd schreef
hij een gebed, waarvan elk woord met de letter 7 beI)
rirrm
- •:
gint (1 4V271 rIZ)F,M), in navolging van twee dergelijke door
zijn vader Abraham Bedarschi kunstig vervaardigde gebeden.
Het eerste bestaat uit duizend woorden, die alle met een
beginners (i4 th■ 117X) en het tweede uit 41 2 woorden, alle
gevormd met eene
(r-thri
nen)
I-r. -
Behalve door deze
en dergelijke lettervruchten, heeft Abraham zich ook op
wetenschappelijk gebied naam verworven door een woordenboek der Hebreeuwsche synonymen (11 4::11 Drill"). Het is
•:
voor het eerst in Amsterdam uitgegeven door G, I. Polak,
voorzien met belangrijke aanteekeningen van den uitgever,
van Dr. J. H. Dinner en M. Steinschneider,
T
T
schriften inderdaad niet leidden tot versterking in het geloof,
maar veeleer een geest van ongeloof en vrijzinnigheid wekten.
Het vrije, wetenschappelijk onderzoek, waartoe Maimonides
den weg gebaand had, zijn wijsgeerige uiteenzetting van de
Bijbelsche anthropomorphismen en zijne opsporing van de
vermoedelijke gronden van verscheidene goddelijke voorschriften brachten menigeen op dwaalwegen. Evenals het
Alexandrijnsche Jodendom in de dagen van Philo, meenden
ook thans velen, dat de letterlijke opvatting van den Bijbel
en vooral van de Bijbelsche verhalen voor de allegorische
wijken moest. Zelfs onler hen, die het Jodendom innig
getrouw bleven en de godsdienstige voorschriften met nauwgezetheid betrachtten, werden velen aangetroffen, die, door
de dwalingen van hun tijd medegesleept, niet konden begrijpen, hoe geloof en wetenschap een harmonisch geheel vormden,
en dus ook in dit opzicht ver ten achter stonden bij Maimuni. Tot hen behoorden : Schem-lob .Falaquera (gest.
na 1290), die in de Arabisch-philosophische literatuur zeer
bedreven wai en zich hoofdzakelijk in de wijsbegeerte van
Gabirol en Maimuni verdiepte 1) Izak Albalag (1294), die
zelf beweerde, dat hij de kloof tusschen geloof en wetenschap niet kon herstellen Zecharja b. Schealtiel, eveneens
een Spanjaard van geboorte, volgens wien de Bijbelplaatsen,
welke met zijne wijsgeerige stellingen in tegenspraak waren,
maar kortweg als dichterlijke omschrijvingen te beschouwen
waren, en eindelijk de allegorist Levie b. Chajim uit Villefranche (nabij Toulouse, gestorven na 1306). Erne loffelijke
uitzondering maakte in dien tijd, waarin de zin voor nuchtere
en natuurlijke tekstuitlegging afstompte, de grondige denker
en keurige stilist Menachem b. Salomo Meiri of don Vidal
Salomo ( I 249-13o6) rabbijn te Perpignan. Van zijne
Bijbelcommentaren, die ons weder aan de Noord-Fransche
exegetenschool doen denken, wordt vooral die op de .Vreuken
zeer geroemd. Belangrijker nog zijn zijne talmudische geschriften 2), vooral met het oog op de methodische en wetenschappelijke behandeling van den Talmud.
Met de richting dezer allegoristen konden zich natuurlijk
de eenzijdige talmudisten volstrekt niet vereenigen. Maar
evenmin ook zij, die van een te vroom gemoed waren,
om den Bijbel als de belichamelijking van symbolische denkbeelden te beschouwen of dezen voor den rechterstoel der
wijsbegeerte te dagen, en toch aan den anderen kant naar
') Hij schreef o. a. ook een verklaring van Maimun? s
More onder den naam n-vitn
2) minx. TM
)
:
"
72
lets diepers en geheimzinnigers zochten dan het eenvoudige,
nuchtere Bijbelwoord aanbood. Dezen nu m:-enden dit te
kunnen vinden bij het licht der Kabbala. die geheimzinnige
wetenschap, die handelde over de geheime beteekenis der
gewijde Schrift, over hare uitlegging en den eigenlijken zin
der wetten. Door haar zou men niet vervallen tot de
dwalingen of ketterijen der wijsgeerige denkers, maar versterkt worden in het geloof en zich al meer aangespoord
gevoelen tot een heilig leven. In de Kabbala, die — zooals
ook haar naam trouwens aanwijst — tot overoude overlevelingen teruggevoerd wordt, had zich reeds vroeger in
Spanje verdiept Izak b. Abraham uit Posquieres, obk
Izak de blinde (1190-1210) genoemd. Door zijne leerlingen Ezra en Azriel werd Nachmani er mede vertrouwd
gemaakt, wiens Bijbelcommentaar zooals reeds vroeger
opgemerkt is — dikwijls kabbalistische beschouwingen bevat.
Door de tijdsomstandigheden begunstigd, vond zij al meer en
meer beoefening en nam deze literatuur verbazend toe.
In korten tijd trad een tal van kabbalistische schrijvers op,
waarvan hier slechts enkelen vermeld worden.
Todros
Abulafia (1283) uit Sevilla, die eene hooge betrekking aan
het hof van Sancho IV van Castifie bekleedde en wiens
werken juist door het aanzien, waarin hij stond, nog meer
gewaardeerd werden. Evenals zijn voorvader Mar Abulafia,
de eerste bestrijder van Maimuni (zie bl. 55), sprak ook
hij in een zijner werken ') met minachting van de wijsbegeerte, maar verheerlijkte daarentegen de Kabbala als eene
nemelsche wijsheid. Bachja b. Ascher, rabbijn te Saragossa
en schrijver van een zeer populair geworden Pentateuchcommentaar (1290, die ook hier en daar een kabbalistischen
geest ademt. Izak ibn .Latif (gest. 129o) uit Zuid-Spanje,
wiens werken 2) hoofdzakelijk beoogen, eene verzoening
tusschen Kabbala en philosophie tot stand te brengen. fozef
Chikitilla uit Medina Coeli (in Oud-Castilie, gest. na 1305),
wiens hoofdwerk handelt over de geheimzinnige beteekenis
van de letters en klanken in de Hebreeuwsche taal. De
vijfde is Abraham Abulafia uit Saragossa (geb. 1244 Deze,
alhoewel een man van groote bekwaamheid, was door de
kabbalistische studie zoover gebracht, dat hij zich inbeeldde,
met een profetischen geest bedeeld te zijn. Hij leidde een
zwervend leven en gaf zich te Messina inderdaad voor een
profeet uit, ja beweerde zelfs, dat hij de zoo lang ver1)
113r1 '1Y1 K
T
3)
•
PM !ID
•
o. a. =ten 'lilt en
)nn
-
73
wachte* Messias was. Deze dweper trachtte zelfs eens palls
Martinus VI voor het Jodendom te winnen. Zijn bekeeringsijver had hem duur te staan kunnen komen, daar hij
met groote moeite den brandstapel ontvluchtte, zooals hij
zelf in de beschrijving van zijn avontuurlijke zwerftochten
verhaalt. Het aantal zijner werken, waarvan de meesten van
een geheimzinnigen inhoud zijn, bedraagt meer dan twintig.
Een niet minder vruchtbaar schrijver op het gebied der
Kabbala is Mozes de Leon, eveneens een Spanjaard van.
geboorte (1300). De strijd tusschen de voor- en tegenstanders der wetenschap kreeg vooral groote beteekenis,
doordat de twee beroemdste mannen van het toenmalige
Jodendom, ben Adereth en Ascher:" er in betrokken
waren.
Terwijl Nachmani gedurende zijne laatste levnsjaren in het
heilige land arbeidde in het belang van het Oostersch Jodendom, werkte met niet minder ijver in het Westelijke Spanje zijn
leerling R. Salomo ben Abraham ben Aa'erethuit Barcelona,
bij verkorting Raschba i)' (1235-1310) genoemd. Als
leerling van Nachmani en Jona Gerundi was hij zoowel
net de Spaansche als met de Fransch-tosafistische leermethode volkomen vertrouwd, welke laatste ook bii de
Spaansche talmudgeleerden grooten invloed begon te krijgen.
Door zijn even helderen als scherpen blik wist hij het
juiste midden tusschen deze beide richtingen te be waren.
Nog meer wellicht dan door zijne groote geleerdheid verkreeg hij door zijn bijzonder achtenswaardig karakter, waarin
zich zachtaardigheid en geestkracht met de innigste godsvrucht paarden, dit groote gezag, dat hem in staat stelde,
voor zijne geloofsgenooten eene zegenrijke –werkzaamheid
te ontwikkelen. Hij zag zich daardoor als rabbijn van
zijne geboortestad en als hoofd van de aldaar bestaande
leerschool omringd door een groot aantal leerlingen, die
uit verre landen naar Barcelona kwamen 2). Buitengewoon
groot was ook het aantal vragen, die uit alle streken,:van
Europa, zelfs uit andere werelddeelen tot hem gericht werden. Zijne antwoorden worden dan ook bij duizenden
geteld. Deze teschuboth bewegen zich hoofdzakelijk op
N"="1.
2) Van zijne leerlingen hebben zich vooral
beroemd gemaakt : Schem-tob ibn Gaon, vervaardiger van een
doorloopend verdedigingsgeschrift van Maimuni's codex
tegen de critiek van Rabed (1; Iron) en R. Jom-tob b.
••: •
Abraham Isibili (trztViluit Sevilla), schrijver van uitmuntende commentarien op verschillende talmudtractaten,
74
het gebied van Talmud, Casuistiek en rechtswezen en bevatten bovendien zeer belangrijke bijdragen tot de kennis
van het toenmalige Joodsche gemeenteleven. Evenals zijn
leeraar schreef ook hij novellen 1 ) op verscheiden talmudtractaten. Maar hij wilde ook een nuttig werk verrichten
voor hen, die met den Talmud onbekend of niet in de
gelegenheid waren, dezen te beoefenen. Diet tevreden met
Maimuni's zuiver talmudische uiteenzetting van een der
gewichtigste onderwerpen uit het Joodsche leven, n.l. de
spijswetten en de voorschriften over reinheid en onthouding,
behandelde hij deze op uitvoerige wijze aan de hand van
den Talmud en de na-talmudische geschriften. Hij gaf
dezen codex dan ook den naam van : de leer voor het huis 2).
Het werk werd door ben Adereths geleerden tijdgenoot Aron
b. Jozcf Hallevie 3) aan eene scherpe critiek, getiteld het
beschadzo..-de van het Buis 4 onderworpen, waartegen zich de
eerstgenoemde verdedigde in een geschrift, dat hij noemde
de bewaking van het huis 5) Al was b. Adereth geen voorstander van de wijsbegeerte, toeh verdoemde hij de wetenschap niet en was zelfs vol bewondering voor Maimonides,
wiens Mischna commentaar grootendeels door zijne tusschenkomst in het Hebreeuwsch vertaald werd. In de Kabbala
was hij volgens zijne eigen getuigenis geheel vreemd. Uit
zijn commentaar van de talmudische a,2,-gada's 6 ► , waarvan
wij nog enkele fragmenten kennen, blijkt, dat hij deze niet
in haar letterlijken zin opvatte. Deze commentaar diende
wellicht ook om de aanvallen te weerleggen van Jodenvijanden, die door de letterlijke opvatting der aggada's daarin
bewijzen meenden te vinden voor de Christelijke leentellingen en dus voor het Jodendom gevaarlijk werden. De
meest bekende onder hen was een monnik Raymund Martin,
een kweekeling van de door Pablo Christiani gestichte
zendelingenschool. Deze, zeer bedreven in de Bijbelsche
en Rabbijnsche literatuur, schreef twee werkjes vol venijn
',
.
1) 0,1;mr,
2) :inn 11Th
3) ri"xl Deze moet niet
verward worden met den gelijknamigen schrijver van
1.Z0
,.•
Trim (omstr. 1308), eene handleiding van de Bijbelsche
ge- en verboden, hoofdzakelijk bewerkt voor de jeugd en
aan de hand van Maimuni's codex in een zeer gemoedelijken
en onderhoudenden toon geschreven.
mnn 11-viten
6) ni-ux Term
4) rs,nn pi
75
tegen de Joden, zooals uit de titels muilband der joden
en geloofsdolk reeds blijkt. Vooral het laatste maakte veel
opgang, omdat Raymund alle daarin aangehaalde Hebreeuwsche teksten in het Latijn vertaalde en dus de Christelijke
wergild met vele bijzonderheden uit het Joodsche leven
bekend maakte. Ben-Adereth weerlegde deze beide pamfletten kort maar zakelijk.
Daar Ben-Adereth geen verklaard vijand van de wetenschap was, werd hij in eene moeielijkheid gebracht, toen
men zijn bijstand inriep in den strijd, die in Provence en
vooral weder te Montpellier tusschen de voor- en tegenstanders van de wetenschap uitgebroken was. Onder de
voorstanders speelde een gewichtige rol Jakob b. Machir
ibn ribbon (in Christelijke kringen meer bekend onder den
naam Profatius jua'aeus), een van de voornaamste leden
van de geneeskundige faculteit te Montpellier ; aan het hoofd
der tegenstanders stond Abba Mari b. Mozes, oc k Astruc
de Lune/ genoemd. Beiden stamden uit aanzienlijke Provencaalsche families, De eerste, uit de bekende familie
ibn-Tibbon, stond wegens zijne groote geleerdheid ook in
Christelijke kringen in hoog aanzien. Gelijk alle beschaafde
Joden van dien tijd was hij met Bijbel en Talmud grondig
bekend. Bovendien beoefende hij de genees-, wis- en sterrekunde en kende het Arabisch zoo grondig, dat hij, getrouw
aan de traditie van zijn geslacht, verscheiden Arabische
werken over wiskunde en wijsbegeerte in het Hebreeuwsch
vertaalde, die later weder eene Latijnsche vertaling waardig
gekeurd zijn. Ook Abba Mari was een man van wetenschappelijke vorming en koesterde zelfs eerbied voor Maitnonides. Maar de allegorische en rationalistische verklaring
van den Bijbel, waardoor het godsdienstig gevoel aanmerkelijk verflauwde, mishaagde hem zoozeer, dat hij zich tot
den voornaamsten rabbijn van het Spaansche Jodendom, tot
ben-Adireth wendde (1304) met de ernstige bede, hem bij
te staan in de bestrijding van de zoogenaamde philosophische
richting, Raschba betreurde het evenzeer z dat vreemden
in Tsions poorten doordrongen," maar verklaarde zich
onbevoegd, zich in de aangelegenheden van een vreemde
gemeente te mengen. Desniettemin beschouwde hij het toch
als zijn plicht, althans tegen Levie b. Chajim ( zie bl, 7 I)
op te treden. Hij richtte daarom een schrijven tot zijn
vriend don Samuel Sulami (Sen Escalita) te Perpignan, wiens
vroomheid, geleerdheid en gastvrijheid door zijne tijdgenooten algemeen geroemd werden. In dezen brief keurde
hij het ten hoogste af, dat deze den allegorist Levie in zijn
huis vriendelijk opgenomen had en hem daardoor in de
gelegenheid stelde, zijn voor het Jodendom zoo gevaarlijk
76
werk voort te zetten. Toen de voorstanders der wijsbegeerte van Abba Maas poging kennis kregen, wendden zij
zich eveneens in een zendbrief tot den rabbijn van Barcelona,
waarin zij zich beklaagden. dat men hen van ketterij en
afvalligheid beschuldigde. Volgens hunne meening immers
konden het Jodendom en de wetenschap, beide uit den
goddelijken geest geboren, zeer goed samengaan. Door
de tegenwerking van deze partij gelukte het die van Abba.Mari voorloopig nog niet, b. Adereth tot het uitvaardigen
van den ban tegen de vrije wetenschap te bewegen. Spoedig
echter zou de strijd zijn beslag krijgen door den invloed
van een beroemden Duitschen rabbijn Ascheri, die zich in
Spanje kwam vestigen.
HOOFDSTUK XVII.
Vervolg.
Genoemde strijd vond toen de minste belangstelling in
Duitschland, waar de Joodsche gemeenten vreeselijk veel te
verduren hadden onder de regeering van Rudolf van Habsburg (1273-1291), zoowel door zware geldafpersingen als
door vervolgingen, gegrond op de gewone lasterlijke bloedbeschuldiging. Vele Joodsche familien wilden dan ook het
onherbergzame oord verlaten en zich naar het heilige land
begeven. Aan haar hoofd stond de beroemde Duitsche
rabbijn R. Heir b. Baruch uit Rothenburg l) (omstreeks
123o-1293). Deze had het onder leiding van den tosafist
R. Samuel uit Falaise (sir Morel) en andere leeraren zeer
ver in de talmudische wetenschappen gebracht en onderscheidde zich bovendien door zijne buitengewone vroomheid. Hij bekleedde het rabbinaat in de oudste en voornaamste gemeenten van Duitschland, terwijl het geheele
Duitsche Jodendom geheel vrijwillig zijne autoriteit erkende 2).
R. Heirs letterkundige verdienste moet hoofdzakelijk gezocht worden in zijn vele teschuboth 3) op juridische en
ritueele vragen. Een groot deel daarvan dagteekent uit
zijne laatste levensjaren, die hij in de gevangenis doorbracht.
') rinunirri 0-1'1n
2) Sommigen zijn van meening dat keizer Rudolf hem
tot opperrabbijn van het Duitsche Jodendom benoemd heeft.
3) Hij vervaardigde ook verscheiden synagogale gedichten,
die van veel poetisch gevoel getuigen (zie bl. 63).
77
Toen namelijk de vluchtelingen met hun opperrabbijn aan
het hoofd reeds Lombardije bereikt hadden om van daar
naar het heilige land te vertrekken, werd hij door verraad
gevangen genomen en naar den keizer gevoerd, die hem in
het slot van Ensisheitn (nabij Mulhausen) liet gevangen
zetten (i285), De keizer vermoedde wel, dat de Joden een hoog
losgeld voor hun beminden rabbijn aanbieden zouden, zooals
ook inderdaad plaats vond. Maar R. _Mar wenschte de
vrijheid niet, zoo deze voor geld moest gekocht worden.
Hij koesterde waarschijnlijk de vrees, dat antlers dit voorbeeld navolging vinden en de keizer meer mannen van
naam en invloed gevangen zou laten nemen, alleen maar
om zijn beurs te stijven. Zoo bleef hij tot zijn dood in
den kerker, waar hij evenwel zijn leerlingen mocht ontvangen
en, voor zoover mogelijk, rabbinale functien bekleeden.
Onder Rudolfs opvolger bleef zijn lijk onbegraven liggen,
totdat eindelijk een kinderlooze man uit Frankfort, Suskind
Wimpfen, het van Alexander van Nassau voor een hoogen
prijs loskocht. Hij liet het in Worms ter aarde bestellen.
Als loon voor dit blijk van hooge pieteit wenschte hij
slechts, dat zijn stoffelijk omhulsel eenmaal naast dat van
den grooten rabbijn zou rusten.
De bloedige Jodenvervolgingen onder keizer Rudolf werden
nog overtroffen door de afgrijselijke tooneelen van moord
en verwoesting, die gedurende de onlusten tusschen Adolf
van Nassau en Albrecht van Oostenrijk aan duizenden Joden
het leven kostten. Onder voorwendsel, dat de Joden van
ROttingen eene hostie fijn gestampt hadden, totdat er bloed
voor den dag was gekomen, verzamelde een edelman Rind- eisch eene bende, bestaande uit het laagste gespuis, waarmede hij moordend en roovend van de eene naar de andere
Joodsche gemeente trok (1298). Hij beroemde er zich op,
door God gezonden te zijn om de hostieschenders en de
moordenaars van Christen-kinderen van de aarde te verdelgen. Het aantal slachtoffers wordt op ongeveer i oo,000
geschat. Geheele gemeenten in Beieren en Frctnkenwerden
tot den laatsten man uitgemoord. De moorddadige vervolging breidde zich niet over Oostenrijk uit, omdat na
den dood van Adolf de heerschappij op Albrecht overging,
die het in zijn belang achtte, zijne kamerknechten in bescherming te nemen. Hij strafte de hoofden der muitzieke
benden met den dood, stond den gevluchten Joden toe,
weder naar hunne haardsteden terug te keeren en ruimde
bun bovendien nog andere woonplaatsen in. Under de vele
martelaren van het jaar 1298 behoorde ook R. 111ordechai
b. Hillel, een leerling van R. Heir uit Rothenburg, die met
zijn vrouw en vijf kinderen te Neurenber, het leven verloor.
78
Deze geleerde is de schrijver van een talmudisch-halachisch
werk 1), waarin vele beslissingen van Fransche en Duitsche
rabbijnen, en vooral van R. Heir opgenomen zijn.
Een ander van R. Meirs leerlingen was de genoemde
R. Ascher b. jechiel 2) (1250-1327), die na den dood van
zijn leeraar als de voornaamste rabbijnsche autoriteit in
Duitschland gold. Het verblijf op Duitschen bodem scheen
hem intusschen wegens de voortdurende vervolgingen zeer
gevaarlijk. Hij verliet dien dan ook met vrouw en
kinderen (13031 en kwam eindelijk te Toledo, de grootste
gemeente van Spanje, waar men hem op aanb:weling van
ben-Adereth het rabbinaat, dat juist onbezet was, aanbood,
Ascheri nu was, zooals wellicht alle toenmalige Duitsche
rabbijnen, een verklaard vijand van alle wetenschappen, die
buiten het gebied van den Talmud lagen. Hij dankte zelfs
de Godheid, dat deze hem daarvan verwijderd had gehouden.
Het spreekt van zelf, dat de partij van Abba Mari in een
man van een dusdanige richting veel steun en voorspraak
vond. Met Ascheri was ook de haat tegen de wetenschap Spanje binnengedrongen. Deze beheerschte ook
eindelijk b. Adereth, die op aansporing van Ascheri zich
bereid verklaarde, den ban uit te spreken over hen, die
zich v6Or hun vij t en twintigste jaar met eenige wetenschap
buiten den Talmud, hetzij op het gebied van natuurkunde,
wijsbegeerte, ja zelfs wijsgeerige Blbelverklaring, bezighielden. De geneeskunde alleen was daarvan uitgesloten, omdat
hare beoefening niet gemist kon worden. Deze banvloek
werd uitgesproken in de synagoge van Barcelona uit naam
van b. Adereth en het geheele rabbinale college op den
Sabbath v66r (len vastendag van Ab (1305), met de bepaling,
dat deze eene halve eeuw van kracht zou blijven. Terwijl
b. Adereth en Ascheri alles in het werk stelden, om ook
buiten Barcelona andere gemeenten te overtuigen van de
noodzakelijkheid van den ban, sprak Jakob ibn Tibbon met
zijne geestverwanten den tegenban uit over hen, die de
beoefening van de wijsbegeerte en andere wetenschappen
verboden. Daar nu het grootste gedeelte der gemeente
van Montpellier tot dezen ban tot-trad, geraakte b. Adereth
in groote verlegenheid, te meer, daar hij door zijn verzet
tegen de wetenschap ook van zelf de Maimunische werken
verketterde. De reeds genoemde jeugdige geleerde jea'aja
Ha,ftenini, een hartstochtelijk vereerder van Maimuni, bracht
2)
VIVI
79
dit in een zendbrief Raschba onder het oog. Hij nam de
Zuid-Fransche geleerden in bescherming tegen de verdenking
van ketterij en verklaarde, dat dezen van het vrije onderzoek geen afstand konden doen. Ook als josua zou
komen," zoo schreef hij o. a., om het ons te verbieden,
zouden wij niet naar hem luisteren, daar het ons door
Mozes (b. Maimon) toegestaan is." In verscheiden gemeentenontstond ten gevolge van b. Adereths ban eene bittere verdeeldheid, waaraan evenwel door het gemeenschappelijk
ongeluk van het Fransche Jodendom onder Philips IV
(zie bl. 69) althans voorloopig een einde kwam.
HOOFDSTUK XVIII.
De strijd over de wetenschap buiten Spanje. Het
Italiaanseh Jodendom.
1250 —1321.
Ongeveer terzelfder tijd, waarin in Zuid-Frankrijk en
Spanje de strijd tusschen geloof en wetenschap aangewakkerd werd, trad ook in het Oosten een talmudist van Duitsche
of komst, Salomo Petit geheeten. met ijver op tegen Maimuni's
More. Hij wilde bovendien door den ban alien verketteren,
die zich met het wijsgeerig onderzoek bezighielden. Daartoe
ondernam hij eene reis door Europa, maar richtte zeer
weinig uit. Vooral in Italie, het land, waar de zaden gestrooid door Hillel van Verona reeds vruchten begonnen
voort te brengen, was zijn optreden geheel doelloos. Deze
Hillel b. Samuel (bloeitijd in de laatste helft der i3de eeuw),
evenals b. Adereth een leerling van Jona Gerundi, was een
vurig vereerder van Maimuni, in vviens More hij zich verdiepte. Hij beoefende ook de geneeskunde en vertaalde
verscheiden wetenschappelijke werken uit het Latijn in het
Hebreeuwsch. Zijne vertrouwdheid met Maimuni's wijsbegeerte blijkt vooral uit zijn werk over de vergelding der
ziel 1 ), waarvan het eerste deel handelt z over het bestaan
en het wezen der ziel" en het tweede ' over de toekomstige
belooning en straf." Niettegenstaande zijne heilige liefde
voor de wijsbegeerte, week hij toch geen haarbreed of van
het standpunt des geloofs. De verhalen der Bij helsche wonderen waren in zijne oogen volstrekt geene allegorieen. Geloof
en wetenschap kwamen bij hem niet in botsing. Juist daarom
1
) leZ3 4tno ;1
8o
betreurde hij den strijd. die reeds zoolang in den boezem
van het Jodendom woedde en door het optreden van Salomo
Petit vooral in het Oosten op nieuw ontvlamde. Vooral in
Akko leidde deze tot openlijke straatschandalen. Hij wilde
zoo gaarne voor de eer van Maimuni, wiens naam en werken
bezoedeld werden, opkomen en richtte een schrijven aan
den Egyptischen Nagid David Maimuni en aan de gemeenten
van Egypte en Babylonia, waarin hij het voorstel deed, om
aan dien onzaligen strijd voor goed een einde te maken.
Hij stelde voor, dat de voornaamste rabbijnen uit het Oosten,
zoowel de voor- als de tegenstanders der wetenschap, in
Alexandria eene synode zouden beleggen, waar men met
onpartijdigheid moest onderzoeken, of Maimuni' s wijsgeerige
geschriften inderdaad ketterijen bevatten en tegen Bijbel en
Talmud aandruischten, Zoo dit waar bleek, zouden deze
veroordeeld en .verboden warden, De beslissing zou overgelaten worden aan de Babylonische rabbijnen. Ofschoon
de bedoelde synode niet tot stand kwam, werd toch de
strijd door het krachtig optreden van David Maimunivoorloopig tot zwijgen gebracht, en wel door hetzelfde middel,
waarvan men zich ook in het Westen bediende, door den
ban, waaraan zich de meeste gezaghebbende rabbijnen en
dus vereerders van Maimuni aansloten.
Het moet ongetwijfeld aan den invloed van Hillel nit
Verona en nog twee andere Italiaansche wijsgeeren toegeschreven warden, dat de beoefening van de Maimunische
geschriften in liafie toenam, In Rome was de belangstelling
daarvoor zoo groot, dat van daar afgevaardigden naar ben
Adtreth gezonden werden, met het verzoek, hun gemeente
in het bezit te stellen van de nog onvertaalde gedeelten
van Maimonides' Mischna-commentaar. Naast de wijsbegeerte
vond er ook de talmudische wetenschap grondige en degelijke
beoefenaars. Onder dezen is vooral bekendiesaja de Trani')
(bloeitijd I 25o), schrijver van belangrijke tosafistische verklaringen van den Talmud en van eene exegetische verklaring
op enkele Bijbelboeken, die evenwel door sommigen aan
zijn gelijknamigen kleinzoon toegeschreven wordt, van
wien wij oak eene verzameling teschuboth bezitten. Tot
zijne jongere tijdgenooten behooren twee geleerde broeders
uit de familie dei Mansi, beiden in Rome woonachtig. Zij
heeten Tsidkia en Benjamin b. Abraham, De eerste schreef
een belangrijk werk over ritualin 2), waarvan later een
gedeelte in een anoniem werk overgenomen is. De andere
1
) tovirm
3
) N'1:1
81
hield zich hoofdzakelijk met de Joodsche poezie bezig. Deze
werd evenwel geheel overschaduwd door twee mannen, wier
letterkundige voortbrengselen van groote bedrevenbeid in
de Hebreeuwsche taal en dichtkunst getuigen, Het zijn
Immanuel en Kalonymus.
Immanuel b. Salomo Rom i ( 265-ongev. 133o) stamde
uit eene aanzienlijke Romeinsche familie en was te Rome
algemeen als geneesheer bekend. Hij vereenigde talmudische kennis met grondige bedrevenheid in de Hebreeuwsche
letterkunde en eene algemeen literarisch-philosophische ontwikkeling, Zijn meesterschap in de Hebreeuwsche taal en
dichtkunst blijkt vooral uit zijne verzameling '} van novellen,
spreuken, gedichten en satiren, waarin hij onverholen de
gebreken van zijn tijd tuchtigt. Zijne gedichten zijn vol
humor en geest en mogen volstrekt niet als maatstaf gelden
voor de beoordeeling van zijn karakter. Want al maakte hij
ook sours de gewijde taal dienstbaar aan schetsen, die wel
eenigermate tegen het zedelijkheidsgevoel aandruischen, hij
was toch rein van gemoed en vroom van hart. Treedt hij
in een zijner gedichten op als een hater der vrouwen, die
hij als de bron van al het kwaad en van alle ongelukken
schildert, zoo is het toch bekend, dat hij zijne echtgenoote
innige liefde toedroeg. Zijn poetische voortbrengselen zijn
derhalve volstrekt niet de uitingen zijner overtuiging, maar
slechts oogenblikkelijke opwellingen van scherts en spotternij.
Desniettemin waren velen volstrekt niet met de Machbereth
ingenomen. Van grooten invloed op I/mantels dichterlijk
talent was zijne kennismaking en vriendschap met Dante
Alighieri, den grootsten Italiaanschen dichter van zijn tijd,
aan wiens nagedachtenis hij een in het Italiaansch geschreveu
treurlied wijdde. Naar het voorbeeld van Dante' s goddelijke
comedie (diving comea'ia) schreef ook hij een gedicht over
het paradijs en de onderwereld. Maar terwijl de eerste
steeds vol diepen ernst en heilig ontzag blijft, ontwaart men
bij Immanuel slechts luim en spotternij. De beroemde
Joodsche dichter, die zich vele vrienden en vereerders verworven had, stond in zijn ouderdom geheel verlaten. %Vegens
armoede moest hij met zijne familie Rome verlaten en kwam
na vele omzwervingen in _Fenno, waar hij iemand vond,
die zich zijn lot aantrok en op wiens aansporing hij zijne
poetische voortbrengselen verzamelde.
Kalonymus ben
Kalonymus, ook genoemd Maestro Calo (geb. te Arles
omstr, 1287), stond bij Immanuel wel ten achter in dichter-
I) 'nom; min=
Moan, Gesell, III
6
82
lijke begaafdheid maar was van ernstiger aard, Net
hoofddoel zijner satiren was inderdaad te verbeteren.
Reeds op jeugdigen leeftijd maakte deze Provencaalsche
geleerde zich bekend door zijne vertaling van wetenschappelijke werken uit het Arabisch in Net Hebreeuwsch, waartoe
hij zich op aansporing van Robert koning van Napels, een
bevorderaar der wetenschappen, opgewekt gevoelde. Geruimen tijd bracht hij te Rome door, waar hij ongetwijfeld
met Immanuel in kennis kwam. Hij stelde zich evenwel
niet tevreden met bet vertolken der denkbeelden van
andere geleerden, maar schreef ook oorspronkelijke werken.
Daaronder munt vooral uit een zedekundig werk de roefsteen% waarin hij onbeschroomd de gebreken van alle
klassen en standen blootlegt, op de menschelijke verkeerdheden wijst en, om den schijn van partijdigheid te vermijden, zelfs zijn eigen zondenregister opgeeft. Hij Nil niet
alleen hekelen, maar ook verbeteren, zoodat uit zijne woorden vaak eene heilige gemoedsstemming spreekt. Daarentegen ademt zijne talmudische p arodie 2) weder een humoristischen geest en brengt bij den lezer dikwijls de lachspieren
in beweging.
Zooals reeds vroeger opgemerkt is, werden de pauselijke
besluiten aangaande de Joden het minst in Italic opgevolgd,
zoodat hun toestand aldaar gunstig bleef. Maar toch b!even
ook zij niet geheel verschoond van het lot hunner broeders
in andere landen ; althans de gerneente van Rome werd op
wreede wijze er aan herinnerd, dat ook zij onder de heerschappij stond van eene macht, die gedurende de middeleeuwen loodzwaar op het huis Israels drukte. Al is ons
ook de aanleiding van het gevaar, dat deze gemeente in
het jaar 1321 boven het hoofd zweefde, niet met nauwkeurigheid bekend, zeker is het, dat dit van zeer ernstigen aard moet geweest zijn. Paus Johannes Xi! maet,
op aanhitsing van • zijne dweepzieke zuster en van andere
jodenvijanden, het bevel uitgevaardigd hebben tot verdrijving
der Joden uit Rome. In den nood wendden zij zich tot
den edelen koning Robert van Nape's, door wiens tusschenkomst naar het schijnt bet gevaar afgewend werd,
alsook door eene groote geldsom, waardoor zij den heiligen
vader weder bevredigden.
1
) rip
0"11D
•
ronti
,,-
83
HOOFDSTUK XIX.
De vervolgingen in Frankrijk. De Joden in Castilie.
1310 1340.
De ellende en vervolgingen, waaronder de Joden in de
rneeste Europeesche landen gebukt gingen, bewogen velen
hunner, hunne schreden te richten naar het land der vaderen,
in de hoop, daar vrijer te kunnen ademhalen. Deze verwachting was in zooverre gewettigd, dat het heilige land
na den val van Akko wederom aan de Egyptische sultans
ten deel gevallen was, die veel verdraagzamer waren dan de
Christelijke overheerschers. Maar met dit al bleef in S.panje
het zwaartepunt des Jodendoms; althans in Casii lie, waar de
Joden onder de regeering van Alfonso XI (1312-1350),
die weder de rust in zijn rijk herstelde, gelukkig leefden.
Niet alleen aan het hof, maar ook in adellijke kringen
werden begaafde Joden met belangrijke ambten begiftigd.
En dit alles, terwij1 elders hunne broeders, door het smadelijk
Jodenteeken gebrandmerkt, als verworpelingen beschouwd
werden, ja, terwijl zelfs in Aragon en Navarra hun toestand
niet veel gunstiger was dan in het onverdraagzame Germaansche rijk. Navarra en Provence behoorden sinds het
huwelijk van Philips den Schoonen met J. ohanna van Navarra
aan F rankrijh. Aldaar had intusschen Lodewijk X den
troon beklommen, die den Joden, door Philips uit dit land
verdreven, verlof gaf, er zich weder, voorloopig voor den
tijd van twaalf jaar, te vestigen. Het was geene menschenliefde, waardoor hij zich tot deze edele daad opgewekt
gevoelde, maar eigenbelang. Lodewijk kon de voordeelen,
die zij het land verschaften, niet missen. Desniettemin
maakten velen van dit verlof terstond gebruik en begonnen
zich onder de bescherming van Lodewijk en van diens broeder
en opvolger Philips V gaandeweg te herstellen van de zware
verliezen, hun door de vroegere verbanning berokkend.
Philips schonk hun zelfs vele voorrechten, nam hen ook
soms tegen de geestelijkheid in bescherming. Maar toch
kon hij niet verhinderen, dat zij het must te lijden hadden
van eene vervolging, in de Joodsche bronnen bekend onder
den naam van herdersvervolging i) (1320. Toen namelijk
de koning het denkbeeld te kennen had gegeven, een nieuwen
kruistocht naar het Oosten te ondernemen, was — zooals
gewoonlijk — het gepeupel daartoe het eerst geneigd. 0. a.
gaf ook een jonge dweepzieke header voor, dat hem in een
1)
o,rri nnt3
Moti. Gesch. III 6*
84
hemelsch gezicht geboden was, alles in het werk te stollen,
om dezen kruistocht te bevorderen. Gesteund door eenige
gee§telijken, bracht hij in korten tijd eene bende bijeen
van omstreeks 40,000 man, die grootendeels bestond nit
herders, landloopers, struikroovers en dergelijk slag van
lieden. Zij trokken in processie van de eene stad naar
de andere en begonnen bun godgewijd werk door de
Joden, die zij op hun tocht ontmoetten en die natuurlijk
weigerden, tot bet Christendom over te gaan, te overvallen,
van hun vermogen te berooven en daarna te vermoorden.
Of dit alleen nit roofzucht geschiedde, dan wel uit wraak,
omdat sommige Joden met deze processie den draak gestoken
hadden, laat zich niet meer beslissen. Maar zeker is bet,
dat deze herdersvervolging, die zich over Noord en ZuidFrankrijk uitstrekte, eene treurige herinnering in de geschiedenis van het middeleeuwsch-jodendom achtergelaten
heeft. Meer dan 120 gemeenten in .Frankrijk en Noord
Spatzje werden geheel vernietigd, terwijl andere in zulk een
diep verval geraakten, dat zij zonder de ondersteuning van
edeldenkende mannen niet langer konden blijven bestaan.
Nauwelijks had zich het Fransche Jodendom eenigszins
hersteld, of reeds in het volgend jaar brak wederom boven
Israels hoofden een storm los, in de Joodsche annalen de
vervolging we e; ens de melaatschen
genaamd. In bet landschap Guienne hadden, zooals verhaald wordt, eenige melaatschen, uit wraak, dat zij zoo karig onderhouden werden,
de bronnen vergiftigd, ten gevolge waarvan vele menschen
stierven. Hiervoor ter verantwoording ontboden, legde een
hunner op de pijnbank de valsche verklaring af, dat de
Joden hen tot dit valsche plan gebracht hadden. Deze
beschuldiging vond onmiddellijk geloof, zelfs Lij koning
Philips, Nu eens heette het, dat zich de Joden hadden
willen wreken voor de vervolging van het vorige jaar, dan
weder, dat zij door den Mohammedaanschen honing van
Granada omgekocht waren, om de Christenen te vergiftigen.
Aan verzinsels hadden de Jodenvijanden nimmer gebrek.
Op grond van deze lasterlijke aantijging nu werden weder
in verscheiden steden de Joden gevangen genomen, die deels
onder hevige folteringen bezweken, deels hun dood in de
vlammen vonden, In Chinon wierpen moeders zelve hare
telgen in de vlammen, om hen tegen een gewelddadigen
doop te beschermen. In bet geheel kwamen bij deze vervolging ongeveer 5,000 menschen om het leven. Wel werd
-
-
vrst nnT1
Philips kort daarna van de onschuld der Joden overtuigd,
maar toch kregen de gevangen niet eerder de vrijheid, dan
dat het losgeld voor hen betaald was.
Aan het hof van Alfonso XI geraakten intusschen twee
geleerde Joden Samuel ibn Wakar en Jozef b. Ephraim
uit de provincie Ecija in hoog aanzien. De eerste werd
's konings geneesheer en de tweede diens schatmeester en
vertrouwde raadsman. fozef de Ecija, een man van een
schoon uiterlijk en rijke geestesgaven, klom dagelijks in
aanzien en macht, zoodat hij eindelijk na den koning de
voornaamste persoon in het land werd. Hij leefde op
vorstelijke wijze. Een lijfwacht vergezelde hem op zijne
tochten en adellijke personen zaten aan zijn disch. Het
spreekt van zelf, dat de Jodenvijanden zulks met leede
oogen aanschouwden en op middelen peinsden, zoowel hem
als de Joden in het algemeen bij den koning in verdenking
te brengen. Onder deze vijanden van het huis Israels speelde
toen een hoofdrol de beruchte Abner van Burgos, die het
Jodendom, waaruit hij geboren was, ontrouw geworden en
op zijn zestigste jaar tot het Christendom overgegaan was.
Na zijn overgang tot het nieuwe geloof had hij den naam
van Alfonso aangenomen. Deze onverlaat, niet onbedreven
in de Joodsche literatuur, droeg den stam, jegens welken
hij verraad gepleegd had, een doodelijken haat toe. Eerzucht en eigenbelang hadden hem bewogen tot de afzwering
van zijn geloof en deze zelfde schandelijke hartstochten
spoorden hem aan, niets te ontzien, om het Castiliaansche
Jodendom in het verde/ f te storten. Onuitputtelijk in het
uitdenken van allerlei valsche aanklachten en verzinselen
ten nadeele van den Joodschen stam, vervaardigde hij eene
reeks van geschriften, deels om het Jodendom aan te vallen,
deels om zijn nieuwen godsdienst, waarvoor hij evenwel
slechts eerbied en liefde huichelde, te verdedigen tegen de
aanvallen van Joodsche zijde. Van deze werken schreef
hij sommige in het Hebreeuwsch, andere in het Arabisch,
daar hij zich in beide talon even gemakkelijk kon uitdrukken,
Hij had zelfs de onbeschaamclheid een van deze hatelijke
geschriften toe te zenden aan zijn voormaligen vriend Izak
Polkar, den schrijver van een werk, getiteld de steun voor
de wet
waarin deze het geloof met de wijsbegeerte van
1) rim 11v
.
Ofschoon dit werk geen niettwe gezichts-
punten aanbiedt, heeft toch de wijze van bewerking en de
inkleeding der denkbeelden iets oorspronkelijks en aantrekkelijks.
86
dien tijd trachtte te verzoenen. Moat - Izak bleef hem het
antwoord niet schuldig. Ook vatte zekere Jozef Schalorn
de pen tegen hem op. Maar de gewetenlooze Alfonso liet
zich hierdoor niet ontmouligen. Integencleel, hij trad nog
met meer aanmatiging en driestheid tegen de Joden op en
beschuldigde hen bij koning Alfonso, dat zij in hun gebed
den stichter van het Christendom en diens belijders verwenschten. De hoofden van de Joodsche gemeente van
Valadolid, Abners woonplaats, waarschijnlijk door den koning
ontboden, verklaarden naar waarheid, dat in het gebedsformulier, waarop Alfonso het oog had, niet de toenmalige
Christenen, maar de eertijds voor het Jodendom gevaarlijke
secten bedoeld werden (zie deel II bl. 104 Abner wenschte
nu in een openbaar dispuut de gronden te ontvouwen, waarop
zijn aanklacht berustte. Dit werd hem toegestaan . en had
het gevolg, dat de koning eindelijk verbood, het gebed,
waarop .Alfonso doelde, uit te spreken (1336). Dit besluit
behoeft ons niet te verwonderen, daar de koning wel is waar
van een goedaardig, mar tevens van een zeer wispelturig
en lichtzinnig karakter was.
Nog gevaarlijker voor het Castiliaansch Jodendom dan
de gewetenlooze Alfonso van Valadolid werd de snoode
Gonzalo Martin. Deze, een arme ridder, kiom door tusschenkomst van Jozef van Ecija al hooger aan het hof en
werd eindelijk in den hofraad opgenomen. Hij droeg evenwel zijn weldoener een diepen haat toe en met hem alien
Joden. Net gelukte hem eindelijk den lichtgeloovigen vorst
te overtuigen, dat Samuel en Jozef, in welke hij een onbepaald vertrouwen stelde, zich op oneerlijke wijze verrijkt
hadden en meer hun eigen voordeel behartigden dan de
belangen van vorst en yolk. De koning, bovendien gestreeld
door het aanzienlijk bedrag, dat Gonzalo in de schatkist
stortte, gaf hem op diens verzoek verlof, zijn beide hooge
staatsdienaren benevens nog eenige andere mannen van aanzien gevangen te nemen. fozefstierf in den kerker en Samuel
bezweek eveneens onder zware folteringen. Alfonso betreurde
den dood van zijn raadsman, wiens lijk hij met veel plechtigheid naar Cordova liet vervoeren, maar verhief toch boven
al zijne staatsdienaren Gonzalo, dien hij ook tot veldheer in een
oorlog tegen Granada benoemde. De koning van Marokko
Abul-Hassan, door zijne geloofsgenooten in het Mohammedaansche Granada te hulp geroepen, liet een talrijk leger
onder bevel van zijn zoon Abumalik de landengte van
Gibraltar oversteken. De komst van dit ontzaglijk groote
leger verspreidde allerwege angst en ontsteltenis, maar vooral
in Castilie, omdat het den koning aan voldoende middelen
voor den strijd ontbrak. Hierop gaf Gonzalo den raad, de
87
Joden van al hun bezittingen te berooven en ze vervolgens
verarmd uit het land te verjagen. Hij verzekerde den koning,
dat de Christelijke bevolking hem daarvoor niet ondankbaar
zou wezen, maar gaarne de schade vergoeden, welke het
land door hun verbanning leed. Dit voorstel werd met
kracht bestreden door den aartsbisschop van. Toledo, die er
op wees, dat zulk eene gewetenloosheid niet zou geduld
worden in Castifie, waar de Joden steeds bescherming genoten hadden. Toen de Joden gewaar werden, dat in
's konings raad over hun lot zou beslist worden, verkeerden
zij in de grootste spanning. In alle gemeenten verzamelde
men zich in de synagogen, vastte, riep den God der
vaderen aan en smeekte, dat Hij het verderfelijk plan van
den booswicht Gonzalo zou verijdelen. En de Hemelsche
Vader bleef niet doof voor hun angstgeschrei. Hij redde
hen uit den nood. Alhoewel Gonzalo als overwinnaar uit
den strijd terugkeerde, was 's konings gezindheid jegens hem
toch geheel veranderd. Hij stelde geen vertrouwen meer
in zijn vroegeren gunsteling en beval hem gevangen te
nemen, Maar deze vluchtte naar eene vesting, alwaar hij
zich zeer onbetamelijk jegens den koning uitliet en in het
geheim met de koningen van Portugal en Granada onderhandelingen tegen hem aanknoopte. "Eindelijk door zijne
eigen hulptroepen in den steek gelaten, moest hij zich aan
Alfonso overgeven, die hem wegens landverraad ter dood
veroordeelde (1339). Zijne terechtstelling vond juist plaats
in dezelfde maand, waarin eenmaal de snoode Haman gevallen was. Dit stemde de Joden to dubbele dankbaarheid
jegens hun Redder, Dien zij in liederen hoog verhieven.
HOOFDSTUK. XX.
De Ascheriden, De Znicl-Fransche wijsgeeren.
1310 —1340.
Met den gunstigen toestand, waarin de Joden van Castilie
onder Alfonso XI verkeerden, hield de ontwikkeling der
Joodsche wetenschap geen gelijken tred. De Talmud was
bijna het eenige vak van studie geworden en ook op dit
gebied traders zelfs de uitstekendste mannen niet meer op
met den zelfstandigen, wetenschappelijken geest, waarmede
Spanje's voormalige geleerden bezield geweest waren. Een
hooge plaats onder de geleerde talmudisten werd ingenomen
door de Ascheriden, de acht zonen van Aseheri en zijne
overige verwanten. Ascheri zelf, de rabbijn van Toledo en
88
na den dood van ben-Ads, -ah de beroenidste talmudische
autoriteit in Spanje, had de eenzijdige talmudische richting
uit Duitschland naar dit land overgebracht. Behalve tosafistische glossen op eenige talmudtractaten '), vele doctrinaire
beslissingen 2) en eenige andere kleine geschriften, schreef
hij een zeer belangrijk werk, behelzende de halachische
decisien van den geheelen Talmud 3), geheel ingericht naar
de wijze van Alfassi's Halachoth, waarin evenwel ook rekening gehouden wordt met de voortbrengselen der tosafistenscholen. Van Ascheri's zonen waren de voornaamste R.
Jakob en R. Juda, beiden mannen van schitterende deugden
en uitgebreide talmudische geleerdheid, maar vreemdelingen
in andere wetenschappen. Jakob Ascheri, naar zijn hoofdwerk meer bekend onder den naam van Ba' al hatturim 4)
(1283-134o), een man, die bij de zwaarste beproevingen
van het noodlot de grootste kalmte en gelatenheid bewaarcle
en in de behandeling van den Talmud zijn levenselement
vond, beeft zich een onsterfelijken naam verworven door
de vervaardiging van een nieuwen godsdienst-codex Arban
turim 5) geheeten. Deze codex bestaat uit vier afdeelingen
en handelt uitsluitend over de wetten en bepalingen, die
in onzen tijd nog ran toepa -ising zijn. Sedert Maimuni
waren gedurende anderhalve eeuw de godsdienstbepalingen,
vooral door de studien der Fransche en Duitsche scholen,
zoozeer toegenomen en waren de meeningen over tallooze
punten uit de godsdienst-practijk zoo uiteenloopend geworden,
dat er inderdaad behoefte bestond aan een nieuw richtsnoer
voor het Joodsche leven, zoowel voor leeken als voor rabbijnen. Voorzag dus R. Jakobs nieuwe codex in eene diep
N
T
llxim rifnin
s•
nit7nm
: - - 67 of "Ith4
6 ) Deze zijn :
4)
.
- 7PM
rrithrl ,i7oe
T
5) n'lltal13,7V1N
TT :
rr*, waarin de wetten aangaande
'
het dagelijksch godsdienstleven, als : over de gebedsriemen,
schouwdraden, den opmbaren eeredienst, den Sabbath, de
feest- en vastendagen enz. behandeld worden. run rrif ,
besprktdvochifnmretulsachn,de
spijswetten, het verbod van afgoderij en bijgeloof, de afzonderingswetten, de rouwceremonien, en voorts onderscheiden
ethische plichten. Tr" p iN behelst de huwelijksplichten
en de bepalingen bij de voltrekking en ontbinding van het
huwelijk. Dernri
behandelt het civielrecht.
8g
gevoelde behoefte, wat geest, vorm en inkleeding betreft,
'evert hij ons een geschikten maatstaf ter beoordeeling van
het standpunt, waarop de talmudische wetenschap zich toen
beyond. Terwijl Maimuni zich uitsluitend aan den Talmud
en de oudste talmudische bronnen had gehouden, vonden
bij R. Jakob de wetsbepalingen en kleinste bijzondetheden
daarvan, door alle latere autoriteiten tot op zijn tijd behandeld, eene plaats. Mai muni had dus het talmudisch
Jodendom geteekend, R. Jakob het rabbijnsche. Al is ook
R. jakobs Turim, wat den vorm betreft, volstrekt niet ontbloot
van methodischen zin en een streven naar systematische
behandeling, toch laat zich deze codex op verre na niet
op een lijn stellen met dien van Maimoni des. Bij den laatste
immers is het eene logische en systematische groepeering
der b2ginselen en denkbeelden, die het geheel beheerscht
en de richting aanwijst ; de volgorde daarentegen door R. Jakob
in acht genomen, berust doorgaans op uiterlijke, met het
wezen en de beteekenis der godsdienstbepalingen niet in
verband staande onderscheidingen en schakeeringen. Een
Pentateuch-commentaar, door denzelfden geleerde vervaardigd, heeft voor de zuivere. exegese van de heilige schrift
geen waarde. Deze is meestal doorvlochten met letterspelingen en borekeningen van letterwaarden. De Piske haRosch X) in de meeste talmud-uitgaven opgenomen, worden
hem ook toegeschreven. R. Juda Aschtfri, de opvolger zijns
vaders als rabbijn van Toledo, gold, zelfs nog meer dan
zijn broeder, als de grootste autoriteit. Hij hield zich voornamelijk bezig met de beantwoording van godsdienstvragen,
die van alle zijden tot hem gericht worden. Een gedeelte
dezer teschuboth is voor ons bewaard gebleven in Zichron
Jehuda 2). Tot R. fakobs geleerde tijdgenooten behooren
R. jerucham b. Meschularn, schrijver van belangrijke werken
over ritualin 3) ; David Abudirham uit Sevilla, van wien een
gewaardeerd werk over de orde, samenstelling en voorsdriften
betreffende de gebeden en lofzeggingen 4); don Vidal Jomlob de Tolosa, gewoonlijk genaamd Rab ham/livid, naar
zijn commentaar op een groot gedeelte van Maiinuni' s
codex 5), waarin voornamelijk de bronnen van Maimuni' s
halachoth opgegeven en deze laatsten tegen de aanmerkingen
van Robed verdedigd worden, en eindelijk Simson b. Izak
uit Chinon, schrijver van een methodologie des Talmuds 6
die onder de voortreffelijkste werken op dit gebied behoort.
),
1
) ri"win ToD
T
D'Ilte'D
T
;rim pin? 3) rnmi DIN ni-15111
4) 0111130 /
5) ;Int 1 1.3t
6) rvirril
••: •
T - .
T
: •
': •
• -
TT
en
90
De talmudstudie vond omstreeks dien tijd haar vertegenwoordiger in R. Nissim b, Ruben Gerundi (uit Gerona,
bloeitijd 1340) tabbijn van Barcelona. Zijne novellen op
een groot gedeelte van den Talmud, waarin vooral rekening
gehouden wordt met de beslissingen van Alfassi en daarom
bij de Halachoth van Alfassi gedrukt. alsook zijn commentaar van enkele tractaten, munten uit door helderheid en
scherpzinnigheid. Hij was ook beroemd als prediker. Zijne
voordrachten (deraschoth), vroeger alhoewel onjuist —
een anderen gelijknamigen auteur toegeschreven, zijn in een
zeer boeienden stijl vervat. In de rabbijnsche literatuur
gold R. Nissim als een der laatste autoriteiten, die in den
talmudischen kring met den naam Rischonitn 2 ) bestempeld
worden,
Terwijl de talmudische wetenschap in Spanje nog enkele
voorname beoefenaars vond, leefden aan de andere zijde
der Pyreneen, in Zuid.Frankrijk, drie inannen, wier werken in
de geschiedenis der Joodsche wijsbegeerte niet van belang ontbloot zijn. Het waren Narboni, Kas_pi en Gersonides.
Mozes b. josua uit Narbonne — van daar Narboni, ook
wel Maestro Vidal (omstr. 1300-1362) genoemd voorzag
de werken van eenige beroemde Arabische wijsgeeren (als :
Averroes, Alghazzali) van verklaringen en schreef ook een
commentaar van More, die evenwel bij de strenggeloovigen
niet veel bijval vond en bovendien volstrekt niet altijd op
helderheid kan Bogen, De tweede fozef Kaspi (omstreeks
1280-1340), zoo genoemd naar zijne geboorteplaats Argentiere, leidde, evenals vroeger ibn Ezra, een zwervend en
avontuurlijk leven en had over bet algemeen met dezen
scherpzinnigen denker veel overeenkomst. Hij was vol
bewondering voor Maimuni, zelfs zoozeer, dat hij het betreurde, »dat hij niet in diens tijd geleefd had, of deze later
geboren was." Zijne talrijke schriften, die alien te samen
naar hem den naam Kele Kesef 3) dragen, bevatten meerendeels verklaringen of omwerkingen van de werken van Joodsche en Arabische wijsgeeren, waaronder ook een dubbelen
commentaar op More, dien hij voor zijn zoon te Barcelona bearbeidde. Beide geleerden werden verre overtroffen
door Levi b. Gerson, bij verkorting Ralbag 4 ) of naar zijne
geboortestad Bae,:nols (in Provence) Leon de Bagnols genaamd (1268—omstr. 1344). Daze muatte evenzeer uit door
een scherpen blik in Bijbel, Talmud en de philosophische
vakken en door een ernstig, niets ontziend streven naar de
m,#/tri
3) 1pp
4) rztri
91
zuivere, naakte waarheid als door zijne buitengewone veelzijdige kennis. Zijn vader R. Gerson ben Salomo, schrijver
van een werk over de natuurwetenschappen I had hem, niettegenstaande de ban over de beoefening der wetenschappen
uitgesproken was, eene veelzijdige ontwikkeling laten genieten. Gersonides nu trachtte het geloof met de wijsbegeerte te verzoenen. Hij ging tot dit doel met een zuiver
critisch onderzoek en een onbevangenheid te werk, waarin
hij wellicht Maimuni nog overtrof. Het boek, waarin zijn
wijsgeerig systeem ontwikkeld en waarvan het gedeelte, dat
over de astronomie handelt, voor paus Clemens 1/1 in het
latijn vertaald werd, gaf hij den naam van strijd voor God 2 ).
Behalve verklaringen van de geschriften van Aristoteles en
Averroes schreef hij een uitvoerigen commentaar op verscheiden Bijbelboeken. Alhoewel zijn wijsgeerige richting
onder die der Joodsche godsdienst-philosophen tot de meest
vooruitstrevende behoort en daarom ook door vele strenggeloovigen sterk veroordeeld werd, maakte toch zijn Bijbelcornrnentaar veel opgang en vond groote waardeering, zelfs
van den kant van uitstekende talmudisten. Daartoe droeg
vooral bij de schoone stijl, waarin deze commentaar vervat
is, alsook de zedekundige werken en vermaningen, die uit
elk hoofdstuk geput en daaraan na de exegetische behandeling vastgeknoopt worden.
HOOFDSTUK XXI.
De treurige gevolgen van den zwarten dood. De inwendig
toestand van het Duitsche Jodendom.
Terwijl de Joodsche denkers in Zuid-_Prankrijh zich met
hun wijsgeerige bespiegelingen bezig hielden en in Sj5anje
de Joodsche geleerden zich onder vrij gunstige omstandigheden aan de studie van Talmud, casuistiek en ritualien
wijdden, was de toestand van hun Duitsche broeders nog
even treurig en hachelijk. Door de ruwheid van Germarde's
lagere bevolking, het lage peil van ontwikkeling bij de hoogere
standen en het aan waanzin grenzend fanatisme, waardoor
alle kringen en klassen der maatschappij aangestoken waren,
konden zich de Joden aldaar bijna niet herstellen van de
rampen. waaronder zij gebukt gingen, Soms waren zij in
verschillende deelen van het rijk in denzelfden tijd aan
1
) umtOn
2)
rintr_l"?7;
02
wreede vervolgingen blootgesteld, meestal wegens de ongerijmdste en bespottelijkste beschuldigingen. Onder het zwakke
beheer van keizer Lodewijk van Beieren (1314-13 46) hadden
de Joden in Elzas en Zwaben veel te lijden van eene bende
boeren, die onder aanvoering van twee diep gezonken edellieden verwoestend en vernielend door het land trokken.
Deze aanvoerders noemden zich naar den lederen band,
dien zij om den arm droegen, armenleder. Eerst nadat
Lodewijk een van hen had laten gevangen nemen en terechtstellen, hield deze Jodenjacht op (1336). Te gelijker tijd
verspreidde zich in het Beiersche plaatsje Deggensdorf het
gerucht, dat de Joden aldaar een hostie met doornen geprikt en met priemen doorstoken hadden, totdat er bloed
uit te voorschijn gekomen was. Dit gewoon middeleeuwsch
verzinsel was alweder voldoende, om het smeulend vuur aan
te wakkeren. Onder aanvoering van een ridder Hartmann
van Deggenburg overviel in genoemde stad de opgeruide
bevolking de Joden, vermoordde en plunderde hen en meende
nog een Gode welgevallig werk te verrichten, door van het
geroofde goed een kerk te bouwen. Van Beieren sloeg de
vervolging over naar de aangrenzende landen. Duizenden
bezweken onder de hevigste folteringen en kwellingen ; even
zoovelen maakten zelf een einde aan hun leven, om niet in
de handen van het verdierlijkte gepeupel te vallen. Onder
zulke treurige omstandigheden zagen zich de Joodsche gemeenten in Duitschland genoodzaakt, bij den keizer op cene
betere bescherming aan te dringen. Zij namen daarvoor
aan den anderen kant den plicht op zich, dat behalve de
vele belastingen, waardoor zij reeds uitgemergeld werden,
ieder, die het dertiende jaar bereikt had en in het bezit van
ten minste twintig gulden was, eene jaarlijksche lijfbelasting
van een gulden zou opbrengen (1342). Deze onteerende
lijftol werd geheven, maar in hun toestand kwam volstrekt
geene gunstige verandering. Weldra zouden zij zelf het
zwakke en onbeduidende van den langs dezen weg gekochten
steun ondervinden.
Alle gruwelijke vervolgingen en vreeselijke menschenslachtingen, waarvan wij tot dusver melding gemaakt hebben,
werden nog verre overtroffen door eene ontzettende Jodenvervolging, waarvan juist in het midden der 14de eeuw bijna
alle landen van Europa getuigen waren. Verreweg de meeste
Europeesche landen werden toen geteisterd door eene hevige
pestziekte, die onder den naam van A zwarten dood" nog
langen tijd in het geheugen bleef voortleven. Vele plaatsen
stierven letterlijk geheel uit ; volkrijke steden werden op
de helft harer bewoners gebracht, zoodat in twee jaar
(1348-1350) bijna twee derde van Ettropees bevolking ten
93
grave gesleept werd. De omstandigheid nu, dat de Joden
naar verhouding van de sterfte weinig te lijden hadden, was
voor de toenmaals bijgeloovige Christenheid een grond te
meer voor de ongerijmde beschuldiging, dat zij door vergiftiging van bronnen, wellen en groote rivieren, ja, van
den geheelen dampkring, het vreeselijk ongeluk over hun
andersdenkende natuurgenooten gebracht hadden. Hoe ongerijmder een leugen is des te eerder is de onnadenkende
menigte geneigd, daaraan geloof te schenken. Zich geheel
overgevende aan hare verblinde hartstochten, meende zij
zelfs op de nauwkeurigste wijze ingelicht te zijn omtrent
de personen door wie, de plaats vanwaar en de wijze waarop
het vergif naar de verschillende landen overgebracht was.
En waar nog eenige twijfel gekoesterd werd aan de juistheid
van dit samenweefsel van allerlei opzettelijk verzonnen onmogelijkheden, daar werd deze spoedig opgeheven door de
bekentenis, die den ongelukkigen slachtoffers van wreeden
geloofshaat op de pijnbank afgeperst werd. In Zuid-.Frankrijk,
waar de zwarte dood zich het eerst vertoonde, brak de
verbittering tegen de Joden los. Eene geheele gemeente
werd aldaar met mannen, vrouwen en kinderen, ja zelfs
met de heilige schriften op een dag (Mei 1348) verbrand.
Van daar breidde zich de vervolging uit van Catalonia en
Aragon en ging als een verwoestende lavastroom over Savoye
naar Zwitserland. Te vergeefs vaardigde paus Clemens V.I
een bul uit, -waarin hij onder bedreiging van den ban ten
strengste het vermoorden van Joden verbood of hen met
geweld tot den doop te dwingen. Het pauselijk bevel vermocht de onzinnige beschuldiging van bronnenvergiftiging
niet tot zwijgen te brengen. Alle Joden in de streek van
Geneve werden tot den vuurdood gedoemd of ondergingen
den doop. In Bazel werd de Joodsche gemeente naar een
houten gebouw gevoerd, dat zich op een eilandje in den
Rhijn beyond, en vond haar dood in de vlammen van dit
gebouw. Maar nergens was de woede zoo groot als in het
Duitsch-Roomsche rijk. Monniken en andere geestelijken
trokken bij zwermen door bet land, ontblootten voor de
oogen van het yolk bun lichamen, die zij met roeden, waaraan ijzeren nagels en pennen bevestigd waren, openreten en
scheurden, dat het bloed lit de gap2nde wonden stroomde.
Zij werden daarom geeselinonniken of flagellanten genoemd.
Deze zelfkastijding moest dienen, om Gods toorn te verzoenen en de vreeselijke ziekte te bezweren, maar was tevens
een doeltreffend middel, om het yolk nog meer in zijn bijgeloof te versterken en tegen de Joden te verbitteren. Overal
werd gemoord in vrome razernij. De Joden vonden bij
duizenden hun dood in het vuur of in het water of kwamen
94
op hun vlucht om door honger en gebrek, Wij zouden
eene reeks van groote en kleine steden kunnen opsommen,
wier Joodsche gemeenten aan het bijgeloof en de yolkswoede ten offer vielen. Onze pen schiet te kort, ook maar
een van de vele treurige en afgrijselijke tooneelen van moord
en verwoesting te beschrijven. Het zou zeker den lezer
menigen traan afpersen. Wel waren er enkele verstandige
en edeldenkende mannen, die niet het minste geloof aan de
waanzinnige beschuldiging hechtten en de Joden in bescherming wilden nemen tegen het opgezweepte yolk. Tot hen
behoorden o. a. de raadsheeren van Straatsburg en van
Keuten. Maar zij bleven machteloos tegen de dolle woede
van duizenden inwoners. Zij moesten te Straatsbnrg met
eigen oogen toezien, hoe de geheele gemeente, 1800 zielen
sterk, naar de Joodsche begraafplaats gesleurd en op een
mijt tot den laatsten man toe verbrand werd (Februari 1349).
Onder de vele gemeenten van Duitschland en Oostenrijk.
die aan de vreeselijke vervolgingen ten prooi vielen, was
ook die van Worms, de oudste Joodsche gemeente in Duitschland, waar bijna allen door eigen hand omkwamen, doordien zij de huizen boven hun hoofden in brand staken
(Maart), Ook in Noord-Duitschland bleef den Joden, die
aldaar slechts weinig in aantal waren, de algemeene
vernieling niet gespaard. In Weenen maakten alle leden
der Joodsche gemeente op aansporing van den rabbijn in
de synagoge een einde aan hun leven, voordat zij in de
handen hunner vervolgers vielen. Zoo stroomde in alle
deelen van het Duitsche rijk het bloed van tallooze Joden ;
werd overal het angstgeschrei vernomen der vrome martelaren, die deels onder het zwaard vielen, deels op den
brandstapel den laatsten adem uitbliezen, of zich zelf van
het leven beroofden. Van het Zuiden des lands tot llanover en Brandenburg en van het Westen tot Glogau en
Kalisch vertoonden zich dezelfde gruwelijke tooneelen. Zelfs
in Brabant, waar godsdienstige onverdraagzaamheid een bijna
vreemd verschijnsel was, deinsde men niet terug, de hand
aan de Joden te slaan. In Brussel werden zij (ongeveer
500) langs de straten gesleurd en sobarna vermoord. Eveneens vielen er in Leuven slachtoffers. Ook in Polen bleven
de Joden niet geheel gespaard, maar werden toch door koning
Casimir den Grooten met kracht in bescherming genomen.
Door de telkens terugkeerende vervolgingen, maar vooral
ten gevolge van de laatste ramp waren verscheiden streken
van Duitschland bijna geheel van Joden verlaten. Hun
vermogen deelden de steden met de landheeren onderling.
Maar al spoedig merkte men de nadeelige gevolgen van het
gemis aan Joden, te meer nog, onidat tijdens het woeden
95
van den zwarten dood handel en verkeer geheel stil gestaan
hadden en de Europeesche landen over het algemeen vrij
verarmd waren. Zoowel vorsten als stedelijke • overheden
haastten zich dan ook, hen weder in hun gebied op te
nemen, niettegenstaande zij uit de meeste plaatsen voor
honderd jaar, soms zelfs nog voor een langeren tijd verbannen waren. Op den rijksdag te Neurenbers- (1355), waar
een soort grondwet voor het Duitsche rijk vastgesteld werd,
gaf keizer Kaael IV den keurvorsten verlof, weder Joden in
hun gebied toe te laten. Om hen tegen de geweldenarijen
van het lagere yolk in bescherming te nemen, wees men
hun afzonderlijke en afgesloten wijken ter bewoning aan.
Deze bescherming sproot evenwel niet voort uit menschenliefde, maar was slechts eigenbelang. Men wilde hen hierdoor slechts in de gelegenheid stellen, zich te herstellen en
weder schatten te verzamelen, ten einde zich zelf daarmede
later te verrijken. De Joden zouden naast zoutgroeven en
metaalmijnen voor de wereldlijke en geestelijke vorsten
slechts dienen als een bron van inkomsten.
Alhoewel de Duitsche Joden niet ongevoelig waren voor
de vernederingen, waaronder hun het verblijf toegestaan
werd, gevoelden zij zich toch weder gelukkig, dat zij ten
minste in de gelegenheid waren hun dooden te begraven in
den bodem, waar het gebeente van zoovelen hunner beroemde voorzaten rustte, en dat zij zich in het gebed konden
vereenigen. Liefde voor God, diep gevoelde eerbied voor
alles wat met hun geloof samenhing en innige gehechtheid
aan hun tradition hadden hen staande gehouden te midden
hunner diepste ellende en schonken hun ook thans de kracht,
om met gelatenheid hun sinaad te dulden. Het Jodendom
nit het ghettoverdient dan ook in de hoogste mate onze
bewondering, onzen eerbied. Want daar vertoonde het zich
in den vollen glans zijner schoone idealen. En deze idealen
redden onze vaderen voor vertwijfeling ; deden hen met
kalmte den last torsen, waaronder zij gebukt gingen ; stortten
heelenden balsem in de telkens opengereten wonden. In
de genioedelijkheid en innigheid van het reine familieleven,
in de huweliikstrouw, de ouderliefde, de oprechte broederlijke deelneming in tijden van treurigheid en van vreugde, de
algemeene toewijding aan de gemeentebelangen, in deze en
dergelijke Joodsche deugden vonden zij zalige tevredenheid
en eene vergoeding voor hun uitsluiting uit de groote maatschappij. Leed ook hun uiterlijke beschaving veel door de
afzondering, waartoe zij gedoemd waren, daarentegen stonden
zij in innerlijke beschaving, in verheffing van geest en gemoed,
in het reine en heilige gemoedsleven oneindig hooger dan
de overige bevolking. Hun geest info:len zij door de studie
96
van den Bijbel, hun dorst naar kennis bevredigden zij door
te putten uit de altijd wellende levensbron der heilige geschriften. De Joodsche wetenschap schonk hun verademing
en nieuwe levenskrachten. Intusschen spreekt het van zelf,
dat ,in deze ongelukkige tijden de talmudstudie zich niet
meer tot de hoogte van weleer verheffen, noch over het
algemeen de Joodsche cultuur in een bloeienden staat verkeeren kon. De zwarte dood met zijne treurige gevolgen
van Jodenslachtingen en Jodenverdrijvingen had zulk eene
geestelijke armoede veroorzaakt, dat mannen, toegerust met
eene hoogst gebrekkige kennis tot rabbinale functien toegelaten werden. In het wezenlijk belang des Jodendoms wilde
een rabbijn van groot aanzien, Mar ben Baruch Hallevie
nit W eenen (bloeitijd 137o), hieraan een einde maken, Hij
stelde vast, dat voortaan niemand meer tot eene rabbinale
waardigheid toegelaten zou. worden, die niet vooraf op grond
zijner bekwaamheden den graad van More ') verworven had
De letterkundige werkzaamheid der Duitsche rabbijnen uit de
14e en 15 e eeuw bepaalde zich hoofdzakelijk tot het vervaardigen van uittreksels uit grootere halachische compendien, waarin tevens de gemeentelijke gebruiken (minhagim 2)
opgenomen werden. De voornaamste schrijvers van dusdanige werken zijn : Izak ben Mar nit Duren, wiens boek
Scha' are Jura 3), door latere geleerden hoog geschat werd ;
Alexander Susslein, wiens Agpuz'a 4 door lateren vaak geciteerd wordt ; Eisak Tirnau, die in zijne Minhagi nz de
synagogale gebruiken van Hongarije en Moravie beschreef
wiens leerlingen zich weder op eene
en R. Jakob
meer grondige talmudstudie begonnen toe te leggen, Deze
laatste,_ meer bekend onder den naam M aharil 5) (gestor ven
omstr. 1427), stond zoowel wegens zijne innige vroomheid
als talmudische geleerdheid bij het geheele Duitsche Jodendorn in groot aanzien, zoodat van alle kanten rabbinale
vragen tot hem gericht werden. Zijn voornaamste werk
Sefer H ainmaharil of Minhagiin , na zijn dood door een
zijner leerlingen geredigeerd, bevat de voorlezingen, door
hem over synagogale en huiselijke gebruiken gehouden 6
Ook in Fr ankrijk, waar meer dan twee eeuwen van
Raschie tot op de laatste Tosafisten de talmudstudie zeer
gebloeid had, heerschte onder de teruggekeerde ballingen
groote onwetendheid. Het was namelijk door de bemoeiin_
)
).
I)
min
2)
= rirz
T
3)
N117
•
5 ) )// nrc
lirr) 4 ) x7le
•
6 ) Naar beweerd wordt heeft Maharil veel zorg gewijd
ook aan het behoud en de vaststelling van de synagogale
melodie01.
97
. gen van een zeer ontwikkelden en beschaafden Jood, Manessier de Vesou, die bij koning Karel V grooten invloed
bezat, den uit .Frankrijk verdreven Joden toegestaan, naar
hun vaderland terug te keeren (1360), en dat nog wel onder
betrekkelijk zeer gunstige voorwaarden. Zij konden zich
overal metterwoon vestigen, niochten huizen en landerijen
bezitten en kregen een opperrechter uit koninklijken bloede,
die hun belangen had te behartigen. Het spreekt van zelf,
dat zij deze privilegien zeer duur betalen moesten en tot
hooge belastingen en lijftollen verplicht waren. Om de
Joodsche wetenschap uit haar vervallen staat op te richten,
werd den rabbijn Mattisjahu b. Jozef Provenci toegestaan,
te Paris eene talmudische leerschool te stichten, waar jonge
rabbijnen gevormd werden. Deze school nam spoedig in
bloei toe. Maar haar bestaan zou slechts van korten duur
wezen, De haat, dien men den Joden toedroeg, maar onder
het bestnur van Karel V niet had durven aan den dag
leggen, brak na diens dood (1380) met des te meer verbittering en grirrimigheid los. Deze nam nog toe, doordien
de Joden, door wie de uitgeputte staatskas zooalS gewoonlijk
gevuld moest worden, van hun kant met onverbiddelijke
strengheid tegen hun Christelijke schuldenaren optraden.
Deze laatsten waren niet genegen, hun schulden te betalen,
die door de hooge - rente, waarop het den Joden toegestaan
was te leenen, zeer aangegroeid waren. Zij trachtten nu
door allerlei valsche beschuldigingen de verbittering tegen
de Joden nog meer aan te wakkeren, zoodat het eindelijk
op een volksoproer uitliep, waarbij verscheiden Joden gedood,
velen van hun vermogen beroofd en een groot aantal schuldbrieven vernield werden. Van de zonen van Manessier
vonden bij dit oproer enkelen den dood ; de anderen verarmden geheel en verloren daardoor al hun invloed. De
koning nam de Joden nog zooveel mogelijk in bescherming,
maar kon niet verhinderen, dat ook in andere plaatsen buiten
Parijs oproeren tegen hen uitbarstten. Hun toestand werd
al hachelijkere Toen nu op zekeren dag een gedoopte Jood
spoorloos verdwenen was, verbreidde zich op sommige plaatsen het gerucht, dat de Joden hem uit wrack omgebracht,
op andere, dat zij hem uit dweepzucht naar het buitenland
gevoerd hadden, om hem niet geweld tot het Jodendom
terug te brengen. Thans kende de verbittering geen grenzen
meer. Men wist eindelijk den zwakken vorst te bewegeen.
dat deze zijn toestemming- gaf tot de verdrijving der Joden.
Het bevel tot hun verbanning uit geheel Frankr/k werd
op den Grooten Verzoendag afgekondigd (17 Sept. 1394),
terwijl alien in de synagogen hun gebeden tot God opzonden.
Karel VI was hun evenwel persoonlijk volstrekt niet ongeMos. Gesch. III 7
98
negen. Hij gelastte den prevot van Parijs en den gouverneurs der provincien te zorgen, dat zij ongedeerd het land
konden verlaten en hun zooveel mogelijk behulpzaam te
zijn bij het invorderen van bun schulden. In de landstreken,
die niet tot de Fransche kroon behoorden, maar leenen
waren van den Duitschen keizer (Dauphine, Provence en
Arelat), mochten zij blijven wonen, Ook de pausen van
Avignon duldden hen in den kleinen kerkelijken staat
Venaissin en in de twee grootere steden Avignon en Carpentras. Vele ballingen begaven zich dan ook daarheen,
waar zij door hun broeders gastvrij opgenomen werden,
De meesten zochten evenwel nieuwe woonplaatsen in
Duitschland en liafie.
HOOFDSTUK XXII.
Treurige lotsverandering van het Castiliaansche Jodendom
1340 —1369.
In Castifie, waar de zwarte dood insgelijks vreeselijk gewoed
en vele aanzienlijke mannen, onder welke ook den koning
Alfonso XI, weggerukt had dacht er evenwel niemand
aan, de Joden als de oorzaak daarvan aan te klagen. Geene
stem verhief zich tegen hen. De heldere zon van koninklijke genade en welwillendheid, die de Castiliaansche Joden
onder Alfonso's bestuur beschenen had, schitterde nog voor
het laatst onder diens zoon en opvolger Pedro, bijgenaamd
de wreede (1350-1369). Mn zijn hof verkeerden vele Joden,
waarvan don Samuel Abulafia zijn vol vertrouwen bezat,
dien hij op aanbeveling van zijn minister Juan Albuqerque
tot zijn schatmeester benoemd had, zonder zich te bekommeren om het besluit van de Cortez, dat den Joden geen
hooge staatsambten meer opgedragen zouden worden. Toen
hij voor de eerste maal de Cortez van Valadolid opende
(1350 en tot hem een schriftelijk verzoek richtte, om
de zelfstandige rechtspleging der Joden op te heffen, antwoordde hij, dat dezen als een zwak en weerloos yolk bijzondere bescherming behoefden en dat wellicht door Christelijke
rechters hun belangen niet naar behooren behartigd zouden
worden. Don Pedro leefde in voortdurende spanning met zijn
hovelingen en den Spaanschen adel, omdat deze hem gaarne
Vooral de Joodsche gemeenten van Toledo en Sevilla
werden zwaar geteisterd door deze zware ziekte,
I)
90
in het huwelijk zagen treden met Blanche, eene dochter
van den hertog van Bourbon, terwijl hij zijne liefde geschonken had aan eene schoone adellijke jonkvrouw Maria
de Padilla. Don Samuel legde veel ijver aan den dag voor
de laatste, wellicht omdat hem bekend was, dat Blanche
den Joden niet genegen was en dus 's konings huwelijk met
deLe prinses voor hem zelven in het bijzonder en voor zijne
geloofsbroeders in het algemeen nadeelige gevolgen kon
hebben. De verdeeldheid nam steeds toe en werd bovendien bevorderd door de wanverhouding tusschen den jongen
koning en zijn halfbroeder, den ridderlijken Hendrik van
Trastamara. Het kwam eindelijk tot een burgeroorlog, De
Joden bleven aan de zijde van hun koning, Hierdoor steeg
Samuel bij hem in aanzien en gunst boven alle granden van
het rijk. Deze nu maakte van zijn grooten invloed een
veelvuldig gebruik ten gunste zijner geloofsgenooten. Ilij
bevorderde velen van hen tot hooge ambten en gewichtige
betrekkingen, behartigde hun stoffelijke belangen, liet in het
land verscheiden synagogen bouwen en zelfs eene zeer
prachtige in Toledo') (1357), kortom, phij zocht," zooals
een tijdgenoot van hem getuigt, z het beste voor zijne broeders." Het Spaansche Jodendom droeg hem dan ook zeldzame liefde en grooten eerbied toe. De bewondering ging
zelfs zoover, dat menigeen geloofde, dat met zijn optreden
het begin van den Messiaanschen tijd aangebroken was.
Tegen dit dwaalbegrip echter trad vooral de reeds genoemde
rabbijn R. Nissim of Ran met kracht in zijne predikatien
te velde.
Het spreekt intusschen van zelf, dat het Samuel, een man
van zulk eene onbegrensde macht, van groote rijkdommen
en bovendien een noon van het Jodendom, die wellicht op
eene te veel in het oog loopende wijze zijne geloofsbroeders
boven anderen begunstigde, niet aan geheime en openlijke
vijanden ontbrak. Nijd en wangunst omringden hem van
alle kanten. Zelfs eenige Joden uit Toledo moeten hem uit
naijver bij den koning aangeklaagd hebben, dat hij zich ten
Deze synagoge, die nog heden ten dage als Katholieke
kerk een sieraad van Toledo vormt, was deels in Moorschen,
deels in Gothischen stijl gebouwd. Verschillende opschriften,
in de muren aangebracht, verkondigen den roem van den
vorst Samuel, z dien God gunst had laten vinden in de
oogen van don Pedro". Ook 's konings naam prijkt met
groote letters in dit Godsgebouw, als wilde men daardoor
wijzen op de goede verstandhouding tusschen den vorst en
zijne Joodsehe onderdanen,
Mon. Gesell. III 7*
100
koste van diens vermogen onmetelijke rijkdommen verworven
had. Zoo spanden velen tegen hem samen en hoopten
op zijn val. Don Pedro schonk eindelijk geloof aan de
aanklachten van Samuels haters. Hij liet onverwacht diens
geheel vermogen in beslag nemen en hem bovendien in den
kerker opsluiten, waar hij ten laatste onder zware folteringen op de pijnbank den geest gaf (136o). Evenwel bleven
ook na Samuels gewelddadigen dood de Joden hun koning
getrouw en beloonde deze van zijn kant hun gehechtheid
op schitterende wijze. Daardoor moesten zij deelen in den
haat zijner vijanden, die nog toenam door den dood van
Blanche, met welke de koning eindelijk tegen zijn wil in het
huwelijk getreden was. Zij was op don Pedro's bevel om
het leven gebracht en al spoedig was men geneigd te gelooven, dat ook 's konings Joodsche gunstelingen in deze
zaak betrokken waren. • Don Pedro's halfbroeder Hendrik
sloot intusschen een bondgenootschap met de Bourbons
in Frankrijk, die den dood van Blanche wilden wreken,
en vatte eindelijk, bijgestaan door Fransche hulptroepen
onder den dapperen Bertrand du Guesclin, de wapens tegen
hem op. Er volgde thans een langdurige, bloedige en wisselvallige oorlog, waardoor ook verscheiden Joodsche gemeenten,
die nog altijd haar vorst getrouw bleven, veel te lijden
hadden. De Joden hielden de poorten gesloten voor Hendriks
troepen en verdedigden de vestingen tot het uiterste. In
Burgos boden zij geruimen tijd tegenstand, totdat zij eindelijk moesten zwichten voor de overmacht van Fransche
en Engelsche strijders, welke laatste eveneens onder aanvoering van den prins van Wales, of naar zijn wapenrusting
de zwarte ,prins genaamd, Hendrik ter zijde stonden. De
gemeenten van Villadiego en Aguilar werden door hen
geheel uitgemoord. Het meest echter had de gemeente
van Toledo te lijden. Aldaar heerschte door het langdurig
beleg zulk een zware hongersnood, dat men zich voedde
met het perkament van de gewijde geschriften sommigen
zelfs zich wilden verzadigen aan het vleesch hunner kinderen.
Eindelijk bleef Hendrik overwinnaar in een beslissenden
veldslag, waarbij don Pedro het leven verloor 369). De
vijanden der Joden vernamen dit bericht met luid gejubel.
De Joden daarentegen vervulde het met diepen weemoed,
te meer, omdat zij zich over het algemeen in zeer benarde
omstandigheden bevonden. De grootste gemeente van Casiilie, Toledo, ' de kroon van Israel" gedurende de middel•
eeuwen, telde na het beleg niet zooveel honderden als te
voren duizenden. De rest van het Castiliaansche Jodendom
was door plundering en brand chatting van vriend en vijand
zoo goed als tot den bedelstaf gebracht. Niet weinigen
101
hadden zich uit vertwijfeling in de armen van het Christendom geworpen. 3 De droevige voorteekenen," zoo schreef
een ooggetuige in zijne treffende schildering van dien rampzaligen tijd", van het Messiaansche verlossingswerk waren
overal zichtbaar, maar de Verlosser verscheen nog niet."
HOOFDSTUK XXIII.
Innerlijke verzwakking van het Spaansche Jodendom.
Zijne vervolging en diepe ellende.
1369 —1391.
De bezorgdheid, waarmede de Joden het bestuur van
Hendrik II de Trastamara (1369-1379) te gemoet gezien
hadden, verwezenlijkte zich echter niet in alle opzichten.
Wel vaardigde hij, door de Cortez daartoe genoopt, twee
voor hen zeer vernederende besluiten uit : dat zij den smadelijken Jodenlap moesten dragen en niet meer bij hunne
Spaansche namen genoemd mochten worden, maar hij was
tevens openhartig genoeg te bekennen, dat hij de trouw,
door de Joden hun koning tot den dood toe bewezen, op
zeer hoogen prijs stelae. Evenmin als zijne voorgangers,
kon hij hun talenten missen en droeg don Jozef Pichon en
Samuel Abarbanel, beiden uit Sevilla, gewichtige ambten
op. Het Spaansche Jodendom kon evenwel thans niet meer
met fierheid en trots wijzen op mannen, die naast •eene
hooge staatkundige waardigheid ook de belangen van den
godsdienst en van de Joodsche wetenschap met hart en ziel
voorstonden, Zij bezaten niet meer dien zielenadel, waardoor
zij, evenals weleer, voor hun broeders tevens geestelijke
leiders waren, rabbinale functi&I verrichten en de Joodsche
letterkunde met belangrijke geschriften verrijkten. 3 De
adellijke Joden," zoo schrijft Salomo Alarni in zijn vermaningsbrief 1), A bouwen zich thans meestal paleizen en rijden
met een kostbaar gespan ; hun vrouwen en dochters kleeden
zich in vorstelijk gewaad. Maar voor den godsdienst zijn zij
onverschillig geworden, de bescheidenheid verachten zij,
handenarbeid haten zij en- beminnen de luiheid. Zij verzadigen zich aan heerlijke spijzen, terwijl de mannen, die
zich aan de studie der Leer wijden, hun leven met zeer
sobere spijzen moeten onderhouden." Naast de geestelijke
noln
n"ux
101
verlamming, waaraan het Jodendom begon te lijdzn nam ook
nijd en wangunst in eigen boezem al meer en meer toe.
Terwijl vroeger de Joodsche staatslieden bij hun broeders in
de hoogste achting stonden, deinsde men thans niet terug,
Samuel Abarbanel van bedrog en smokkelarij aan te klagen.
Hij werd tot eene geldboete veroordeeld, maar behield toch
zijn aanzien zoowel bij den koning als bij de Christelijke
bevolking van Sevilla. Mcn ging nog verder. Op den
kroningsdag van Hendriks opvolger don Juan I (1379),
richtte een Joodsch gezantschap het verzoek tot den jongen
vorst, een gevaarlijk man, wiens naam men verzweeg, uit
den weg te mogen ruimen. De koning gaf op aansporing
van zijne raadslieden, die — naar beweerd words omgekocht waren, zijne toestemming en onderteekende het
hem voorgelegde stuk. Een Joodsch gerechtshof voltrok
nu het doodvonnis aan Pichon, wiens dood algemeene verontwaardiging wekte en niet het minst den jongen koning
pijnlijk trof. Hij wreekte den dood van den edelen raadsman zijns vaders, ontnam den Joodschen rechtbanken
de bevoegdheid om lijfstraffelijke rechtspleging te voeren,
Behalve door de vernederende bepalingen en de beperking
hunner rechten . werden de Spaansche Joden diep getroffen
door het verlof, dat reeds Hendrik 11 op aansporing der
geestelijkheid gegeven had, om met hen openbare godsdienstdisputen te houden, ja hen zelfs daartoe te dwingen. Twee
gedoopte Joden reisden o. a. van de eene naar de andere
plaats en trachtten overal hun voormalige stamgenooten
voor hun nieuw geloof te winnen. Te Avila werden de
Joden genoopt, een zoodanig dispuut in de synagoge bij te
wonen. Alhoewel het dezen rondreizenden apostaten in hun
zielenjacht al heel ongelukkig ging, achtte men het toch
van den kant der Joden niet overbodig, de zwakke zijde
van het Christendom bloot te leggen en de aanvallen tegen
het Jodendom, gegrond op verschillende Schriftuurplaatsen,
te weerleggen. Zoo verscheen van Mozes Cohen Tordesillas
(1374) een werk, geheeten tot bevestio'cring in het geloof 1)
behelzende een samenspraak tusschen een Jood en een Christen, Schem-sob b. Schaprut gaf een verslag van het dispuut,
dat hij met den kardinaal Pedro de Luna — later pans
Benedictus X — te Pompeluna gehouden had, onder den naam
van proefsteen 2). Ook vertaalde hij de vier evangelien in
het Hebreeuwsch, met bijvoeging van verschillende, vaak
hekelende opmerkingen.
,
1
) ruitxm nu/
T
7: T
7 I .. '
103
Sleclits twee mannen traders in dien tijd van geestelijk
en wetenschappelijk verval zoowel door hun karakter als
hunne talenten op den voorgrond. Het waren Chasdai Crescas
en Izak b. Schescheth. Beiden leefden in het koninkrijk
Arragon, waar onder don Pedro IV en Juan I de toestand
der Joden gunstiger was dan die hunner broeders in Castilie.
Chasdai Crescas lit Barcelona (omstr 134o-141o), leerling
van R. Nissim, verkeerde veel aan het hof van Juan I,
door wien hij in gewichtige aangelegenheden dikwijls geraadpleegd werd, en was ook bij de granden van Arragon
zeer gezien. Zijn helder en diep doordringend verstand
stelde hem in staat, naast den Talmud ook de wijsbegeerte
met succes te beoefenen. Met de verschillende philosophische
stelsels was hij geheel vertrouwd, maar desniettemin vormde
de overtuiging van de verhevenheid des Jodendoms den
grondslag zijner wijsgeerige bespiegelingen en beschouwingen,
die hij eerst tegen het einde van zijn leven uitwerkte in een
belangrijk geschrift, dat hij het licht Gods ') noemde. Daar
hij zich geheel trachtte los te maken van de Aristotelische
wijsbegeerte, die alle Joodsche denkers der middeleeuwen,
en niet het minst Mairnuni, beheerscht heeft, moest hij van
zelf, niettegenstaande den grooten eerbied, welken hij voor
den geleerde van .Fostat koesterde, met verscheiden gewichtige punten uit diens More in botsing korner). Hij zette
dan ook zijne bedenkingen uiteen in het zoo even genoemde
werk. Naast diepe en grondige geleerdheid bezat Crescas
een zeer beminnelijk karakter. Hij was een vriend in den
nood en een steun voor zijne lijdende geloofsgenooten, die
juist in deze dagen behoefte hadden aan troost en bemoediging. Zijn vriend en medescholier R. Izak b. .Schescheth
Barfat 2) (1336-1468), achtereenvolgens rabbijn in Saragossa, Valencia en Tortosa was hem • in karakter gelijk,
maar vormde eene schrille tegenstelling met hem in geestesrichting. Deze had een afkeer van de wetenschap, vooral
van de natuurkunde en wijsbegeerte, en naderde dus in dit
opzicht meer tot het standpunt van Ascheri. Op het gebied
van Hebreeuwsche taal en Bijbelexegese miste men in dien
tijd alle oorspronkelijkheid. Men hield zich toen veel bezig
met ibn Ezra's geschriften, waarop supercommentaren vervaardigd werden. Ook de bron van de Hebreeuwsche podzie
was zoo goed als opgedroogd.
Intusschen nam zoowel door de godsdienstdisputen als
door den geest van onverdraagzaamheid, dien de predikatien
der Christelijke priesters ademden, de Jodenhaat al meer
11K
trri
104
en meer toe. Reeds lang benijdde men de Joden wegens
hun rijkdom. De wangunst kreeg nog nieuw voedsel door
de uitspattingen, waaraan zich velen hunner schuldig maakten.
De verbittering nam steeds toe en brak eindelijk los, nadat
de elfjarige Hendrik III (1390-1406), zoon van don Juan I,
den troon van Castile? beklommen had. Toen op zekeren
dag (15 Maart 1391) de dweepzieke monnik Fernando
Martinez als naar gewoonte te Sevilla tegen de Joden
predikte en zijne hoorders uit naam van den godsdienst
aanspoorde, dit gehate yolk te verdelgen of met geweld in
de armen van het Christendom te werpen, gaf het opgeruide yolk aan deze roepstem gehoor. Het doodde vele
Joden en dreigde zelfs het hoofd der politie met den dood,
zoo hij hun bescherming zou verleenen. Nog gelukte het
de regeering, het oproer, dat reeds een ernstig karakter
begon aan te nemen, te dempen. Maar daar Fernando
niet ophield met zijne opruiende redevoeringen, was de rust
maar van korten duur. Ongeveer drie maanden later brak
in Sevilla een Jodenvervolging uit, die in wreedheid en
bloeddorstigheid alle vorige overtrof, waarvan het Spaansche
schiereiland getuige geweest was. Het grootste Teel van
Sevilla' s talrijke Joodsche bevolking werd gedood en de
overgeblevenen behielden bun leven door zich te laten
doopen en het Christendom den eed van trouw te zweren.
Onder deze behoorde ook Samuel Abarbanel, die den naam
van Juan de Sevilla aannam. Het schandelijk voorbeeld
van Sevilla vond onmiddellijk navolging. De vervolging
breidde zich uit over Castilie, Arragon en Catalonia, ja, zelfs
op ,het eiland Mallorca stond de bevolking tegen de Joden
op. Bij stroomen vloeide het bloed der vermoorden ; vrouwen
en dochters werden onteerd en vervolgens als slavinnen
verkocht ; de aanzienlijkste mannen langs de straten gesleurd,
totdat zij den geest gaven. Het scheen alsof de laatste
vonken van menschelijk gevoel bij de woestelingen uitgedoofd waren. Ongeveer zeventig gemeenten waren in den
tijd van drie maanden in de diepste ellende gestort. Van
sommige bleef zelfs geen spoor over, daar zij geheel uitgemoord werden. Onder de vele martelaren worden ook vermeld eenige nakomelingen van Ascheri en de eenige zoon
van Chasdai Crescas, welke laatste bovendien van zijn geheel
vermogen beroofd werd. Zoo was de fierheid en de trots
der Spaansche Joden verdwenen en verkeerden zij in denzelfden treurigen toestand als hun broeders in Duitschland,
waar het zaad van geloofs- en rassenhaat nog altijd welig
voortwoekerde en de vervolgingen, brandschattingen en
jodenslachtingen aan de orde van den dag bleven. In Prow,
waar eenige Joodsche kinderen, die . juist aan het spelen
1 05
waren, toevallig een voorbijgaanden geestelijke met zand
wierpen, meende het vrome gepeupel, de beschimping van
den priester door een bloedbad te moeten verzoenen (1389).
Eenige duizenden Joden werden gedood, de synagoge verbrand, zelfs de lijken uit de graven gesleurd. Keizer Wenzel
bleef doof voor de klachten der Joden. In plaats van hun
bescherming te verleenen, vaardigde hij een bevel uit, dat
de Christenen hun schulden aan de Joden niet behoefden
te betalen, snits zij daarvan slechts een ten honderd in de
staatskas stortten (139o). De Spaansche Joden, wien de zon
van voorspoed bijna onafgebroken beschenen en het geluk
steeds toegelachen had, die van de komst der Arabieren
op het Pyreneesche schiereiland met de overige bevolking
gelijk gestaan en met haar op elk gebied van wetenschap
in edelen wedijver gekampt hadden, gevoelden juist daarom
nog meer de bitterheid van het noodlot dan hun geloofsgenooten in andere landen, waar den Jood nimmer de volledige rechten van staatsburger ten deel gevallen waren. En
toch waren de bloedige tafereelen op het einde der 14de
eeuw nog .slechts het begin van het lijden onzer geloofsgenooten op het Iberische schiereiland, dat eerst zou eindigen
met hunne verdrijving van het Pyreneesche schiereiland op
het einde der volgende eeuw 1).
I) Ongeveer terzelfder tijd verloor ook het Karaisme, dat
gedurende de middeleeuwen nog eenige sporen van leven
vertoond had, alle beteekenis. In Constantinopel was o. a.
eene Karaietische gemeente, die nog enkele geleerde mannen
voortgebracht heeft. Zooals vroegere Karaietische geleerden
vervaardigden ook deze talrijke werken, waarvan veel door
den druk verspreid is, maar wellicht nog meer in handschriften in verschillende beroemde bibliotheken van Europa,
vooral in die van Leiden, bewaard is. In de eerste helft
der I 2 de eeuw leefde in Constantinopel de reeds (zie bl. 27)
vermelde Juda b. Elia Haddassi, waar hij zich vestigde,
nadat zijne geboortestad Jeruzalem door de kruisvaarders
veroverd was. Zijne veelzijdige kennis blijkt uit zijn werk
LizieN
of O T,Bri, dat een vijandigen geest tegen het
Rabbanietisch Jodendom ademt. In de 13 de eeuw waren
de voornaamste Karaietische gemeenten behalve in Constantinopel, in Kahira en Sulehat in de Krim. In laatstgenoemde stad werd geboren Aron b. fozef (1270-1300),
schrijver van een uitvoerigen Peutateuch-commentaar
('rizn,
waarin hij dikwijls ibn Eza bestrijdt), waarnaar hij ook weld
io6
HOOFDSTUK XXIV.
Gevolgen van de in het vorige hoofdstuk beschreven ramp.
1391-1415.
De gruwelijke vervolging, waarvan bijna de meeste Spaansche provincien getuigen geweest waren, had vele Joden
genoodzaakt, zich in de armen van het Christendom te
werpen. De meesten evenwel gingen hiertoe slechts in
schijn over en bleven, onder het masker van geloovige
Katholieken, getrouwe aanhangers van het Jodendom. Hoe
meer zij het geloof der vaderen inoesten verloochenen, des
te inniger bleven zij daaraan gehecht, als aan een kostbaar
kleinood, dat men hun met geweld wilde ontrukken. Deze
met geweld tot het Christendom bekeerde Joden, Anusim
of Marranos genoemd, waren dan ook volstrekt geen aanwinst voor de kerk. Integendeel, zij brachten haar in voortdurende verlegenheid, zoodat zij eindelijk gedwongen werd,
door het monster van de inquisitie de ongeloovige ketters
te vervolgen en hen bij duizenden aan den vuurdood prijs
te geven. Reeds van den beginne of stelde de Christelijke bevolking dan ook weinig vertrouwen in de oprechte
vroomheid der marranos, die op de eerste de beste gelegenheid wachtten, om zich van hunne schijnbelijdenis los
te rukken. Velen hunner begaven zich naar de Moorsche landen, wier bewoners verdraagzamer waren dan de
Christenen. Ook van de Joden staken tijdens de vervolgingen van het jaar 1391 velen de straat van Gibraltar
over en zochten, evenals tijdens het beheer der WestGothen, nieuwe woonplaatsen in Noord-Afrika. Onder de
vluchtelingen behoorde de vroeger genoemde R. Izak b.
Seheseheth, die tot opperrabbijn van Tlemsen en later van
Algiers benoemd werd, alwaar hij na een zegenrijke werkter onderscheiding van Aron b. Elia, bawl hammibchor genoemd wordt. Aron ben Elia (130o-1369), afkomstig
uit Kahira, begaf zich op mannelijken leeftijd naar het
Byzantijnsche rijk en vestigde zich in Nikomedie. Van
zijne belezenheid in de Kargetische, Rabbijnsche en philosofische literatuur getuigen zijne werken• :r; een
.• wijsgeerige verhandeling over de leerstellingen van het Karaisme,
tip tal over diens geboden en ritualien en rinIn lnz, een
/-
Pentateuch-commentaar.
1 ) IT013K
•
t67
zaamheid in hoogen ouderdom stierf. Zijne teschuboth
hebben groote beroemdheid verkregen, evenals die van zijn
opvolger R.. Simon h. Tsenzach Duran '). Deze was afkamstig
nit Mallorca, waar hij tijdens den opstand tegen de Joden
van zijn geheel vermogen beroofd en tot zulk eene armoede
gebracht werd, dat hij zich voor zijne rabbinale waardigheid
liet bezoldigen, iets, wat tot dusver in de Spaansch-joodsche
gemeenten niet gebruikelijk geweest was. Tot in hoogen
ouderdom ( 1 444) bekleedde hij het rabbinaat van Algiers,
in welke waardigheid hem zijn zoon Salomo Duran (gest.
1467), een vurig bestrijder van de Kabbala, opvolgde. Zoowel
van hem 2) als van zijn vader 3) en beide zonen 7'semach
en Simon bestaan zeer gewaardeerde responsen-verzamelingen.
Ook Portugal toonde zich niet ongenegen jegens de Spaansche vluchtelingen. Zij hadden dit hoofdzakelijk te danken
aan den invloed van den toenmaligen opperrabbijn don
Mozes Navarro, tevens lijfarts van koning Juan I van
Portugal.
Onder de gedoopten bevonden zich echter ook, die reeds
als Joden hun geloof geene oprechte liefde toegedragen
hadden en dit dus zonder eenig gemoedsbezwaar konden
afzweren. Zij namen de gelegenheid gaarne te beat, om
hun voordeel te zoeken in den schoot van het Christendom,
ja menigeen hunner was zelfs gewetenloos genoeg, om zijn
vroeger geloof en diens belijders te vervolgen. De gevaarlijkste van deze afvalligen was een zekere rabbijn van Burgos,
Salomo Levie, die met zijn hroeder en diens zonen tot het
Christendom overging. Om tot hoog aanzien te geraken,
ging hij aan de hoogeschool te Paris in de godgeleerdheid studeeren, waarin hij liet door zijne vlugheid van geest
in korten tijd zoover bracht, dat hij onder den naam van
Paulus de Santa Maria tot katholiek priester gewijd werd.
Hij begat zich hierop naar het pauselijke hof van Avignon,
waar de kardinaal Pedro de Luna tot tegenpaus gekozen
was. Al spoedig won hij de genegenheid van Pedro of
Benedictus X, die den ge wetenloozen en sluwen apostaat
tot een hoog geestelijk ambt bevorderde. Paulus trad met
alle hem ten dienste staaride wapenen tegen het Jodendom
op. Hij richtte niet alleen zendbrieven aan zeer voorname
Christenen, waarin hij het Jodendom belasterde en met
diens gebruiken en zeden den spot dreef, in de hoop, daardoor nieuwe vervolgingen uit te lokken, maar trachtte zelfs
hooggeplaatste Joden voor het Christendom te winnen. Verbitterd over de mislukking dezer pogingen, ging hij in zijne
2)
trZILT1
3
)
r"ztrn
i
o8
lasterlijke aanklachten en schotschriften tegen het Jodendom
zoover, dat zelfs Christelijke geestelijken hem het stilzwijgen
oplegden. Desniettemin berokkende hij den Joden veel angst
en bezorgdheid, zoodat een zijner vroegere leerlingen Josua
b. Jozef ibn Vives
naar zijne vaderstad Lorka ook Lorki
genaamd
een jongeling vol vuur en bezieling voor het
Jodendom, eene poging aanwendde, om hem tot zachtere
gevoelens te stemmen, Deze richtte tot hem een schrijven,
waarin hij op bescheiden maar sarkastische wijze naar de
oorzaak vroeg, die hem tot den afval van zijn geloof geleid
had. Het antwoord, hoe onbeduidend ook, had toch nog
een geheel ander gevolg, dan _Paulus zich waarschijnlijk
voorgesteld heeft, De leerling schijnt — zoo er althans niet
twee geweest zijn met den naam josua Lorki — het voorbeeld
van zijn leeraar gevolgd te hebben, Althans eenige jaren later
trad Josua Lorki onder den naam Geronimo (Hieronymus)
de Santa le tegen zijn stamgenooten op en behoorde onder
hen, die voor de Spaansche Joden de oorzaak van onnoemelijk veel ellende geworden zijn. De wijsgeerige denker
Chasdai Crescas trad te dier tijd wederom als een wakker
strijder voor het geloof zijner vaderen op. Hij schreef in
het Spaansch eene verhandeling over de Christelijke leerstellingen, die hij uit een wijsgeerig gezichtspunt onderzocht
en wier ongerijmdheden hij duidelijk uiteenzette 9 (1396).
Ook de genoemde Raschbats wijdde een hoofdstuk van zijn
commentaar van Aboth 9 aan eene bestrijding van het
Christendom. Een verpletterenden indruk maakte vooral de
brief van den als arts, taal- en geschiedkundige en philosoof
beroemden Izak b. Mozes Duran (als schrijver meer hekend
onder den naam Efodi 3 ) aan zijn vroegeren vriend David
Bonet ibn Giorno. Pro fiat Duran of Efodi behoorde onder
hen, die in de dagen der geloofsvervolging tot den doop
gedwongen waren. Alhoewel weder tot het Jodendom teruggekeerd, kon hij het toch niet vergeten, dat hij door ruw
geweld gedwongen was, zijn geloof ontrouw te worden en
zijne overtuiging te verloochenen. In deze treurige gemoedsstemming ontving hij een brief van zijn vriend en lijdensgenoot ibn Giorno, waarin deze berichtte, dat hij door
1 ) Deze verhandeling werd niet veel later door jozef ibn
Schem lob in het Hebreeuwsch vertaald onder den naam
WlY13 '137 'nun -o
•
2
'
)
rrizx
T
pn
3) Hij schreef o. a. eene verklaring van More en eene
Hebreeuwsche grammatica (tax rifivyn), waaraan eene be-
langrijke lexicografische inleiding voorafgaat.
109
Paulus voor het Christendom gewonnen was en zich
met den overgang tot dit geloof zeer gelukkig gevoelde.
Efodi's antwoord, dat naar de eerste woorden, waarmede
elke afdeeling van dit zendschrijven begint, al teki kaabbotteha I) genoemd word t, is een waar meesterstuk van
ironie en satire. Het behelst eene scherpe bestrijding van
het Christendom, maar op eene zoo verbloemde wijze, dat
sommigen het als eene verheerlijking van dit geloof opvatten.
Voor het oogenblik was het Duran slechts te doen, om
zijn vroegeren vriend te treffen. . Later schreef hij een werk
tegen het Christendom 2), dat in wetenschappelijkheid dergelijke vroegere strijdschriften verre overtreft.
Intusschen zag Paulus zich aarivankelijk in zijne verwachtingen teleurgesteld, daar Hendrik III van Castilie volstrekt
geene Jodenvervolging in zijn rijk duldde. Integendeel, hij
trad met strengheid op tegen hen, door wie het oproer te
Sevilla uitgelokt was, stond den Joden weder landbezit toe
en benoemde den geleerden en veelzijdig ontwikkelden don
Meir Alguadez tot zijn Warts, wien hij tevens het opperrabbinaat van Castilie opdroeg. Zijne regeering schonk den
diep geschokten weder eenige veraderning. Maar weldra
braken weer voor het huis van Jakob donkere tijden aan.
Hendrik, een zwak en lijdend man, stierf op jeugdigen
leeftijd en liet een tweejarigen zoon Juan H (140o-1454)
achter. Het regentschap werd nu opgedragen aan de
koningin-weduwe Katarina van _Lancaster, eene wispelturige,
fanatieke vrouw, en don Fernando (later koning van Arraocron),
die eveneens geheel onder den invloed der geestelijkheid
stond.. In den staatsraad kreeg ook zitting de aartsbisschop van
Burgos, Paulus de Santa Fe, dien de overleden koning met
de opvoeding van den jongen infant belast had. Zoodoende
kreeg hij een gewichtig aandeel aan het staatsbestuur. Voorzeker een treurig vooruitzicht voor het Castiliaansche Jodendom, dat thans aan een nieuwen Haman overgeleverd was.
Hij maakte dan ook van zijn macht al spoedig een schandelijk misbruik. Het eerst moest Aleir Alao-uadez zijn wraak
gevoelen. Deze was een doorn in de oogen van Paulus,
niet alleen omdat hij hem aan het hof van den vorigen
koning voortdurend tegengewerkt, maar ook, en vooral, omdat
hij gezorgd had voor de verbreiding van Efodi's brief aan
ibn Giorno. Alguadez nu werd, aangeklaagd van hostieschennis, onder wreede folteringen gedood. Maar de gewetenlooze apostaat was daarmede nog lang niet tevreden.
1)
71-11zrin 7in
on",,r,
rrztn
•
I I6
Onder voorwendsel, dat de Joden hun broeders, die het
Christendom omhelsd hadden, weder tot afval zochten te
bewegen, drong hij er op aan, hen streng van de Christenen
gescheiden te houden. Eindelijk werd door zijne tusschenkomst een edict uitgevaardigd (1412), dat ten doel had
hen diep te vernedereu en tot een zoo laag mogelijk standpunt in de maatschappelijke samenleving terug te brengen.
Dit edict, bestaande uit 24 artikelen, bepaalde o, a. dat zij
in afzonderlijke wijken (Juderias, ghettos) moesten wonen en
een afzonderlijke kleederdracht aannemen. Voorts werd
hun verboden, handenarbeid te verrichten, met Christenen
handel te drijven, de geneeskunde uit te oefenen en den
titel van don te voeren. Van zelf werd ook het dragen
van den onteerenden jodenlap niet vergeten. Wie zich aan
de overtreding van een dezer bepalingen schuldig maakte
of pogingen aanwendde, om het land te verlaten, zou, van
have en goed beroofd, tot 's konings lijfeigene gemaakt
worden. De regeering hoopte door dit edict de Joden
geheel te vernederen en hen claardoor des te gemakkelijker
voor het Christendom te winnen. Het miste dan ook zijn
doel niet. Rijke en aanzienlijke mannen, die voorheen
paleizen bewoond hadden, moesten thans een onderkomen
zoeken in kleine bedompte woningen. In lompen gekleed,
liepen zij rond, die vroeger in prachtgewaad getooid waren.
3) In alle klassen heerschte armoede en gebrek. Kinderen
stierven op den schoot hunner moeders door honger en
ontbering". En juist in deze dagen van bittere ellende trad
een dweepzieke monnik op, om het Jodendom gevoelige
slagen toe te brengen. Net was Vicente Ferrer, een man
van een onberispelijk karakter, die in alien ernst geloofde,
dat het geheele menschdom, zoude het niet spoedig ondergaan, het Christendom omhelzen moest. Vooral drong hij
aan op de bekeering der Joden. De regeering, en vooral
Paulus, verklaarde zich zeer ingenomen met zijn bekeeringsijver, zoodat hij ongestoord in de synagogen kori binnendringen en de Joden noodzaken tot het aanhooren zijner
voordrachten. Door zijn heilig, innig vroom en boetvaardig
leven en door zijne boeiende predikatien kreeg hij een grooten
aanhang. Gevolgd door eene blindgeloovige schare trok
hij van stad naar stad, verscheen in de synagogen met
een kruis in de eene en eene Torarol in de andere hand
en predikte met eene donderende stem het evangelie. Aan
den eenen kant wees hij op de groote voordeelen, op
het aardsch zoowel als het hemelsch geluk, dat hun bekeering ten gevolge zou hebben aan den anderen kant
schilderde hij de ellende, waarvan zij door hun vasthoudendheid aan het Joodsche geloof voortdurend blootstonden,
III
Niet alle geesten waren sterk genoeg, om weerstand te
bieden aan de zalvende en verleidende taal van den man,
wiens predikatien een overweldigenden indruk maakten.
Waar hij optrad, wist hij veler harten te winnen. Van hen,
die niet in staat waren, de vernederingen langer te dragen,
gingen velen tot het Christendom over. Van menige synagoge maakte Ferrer eene katholieke kerk. In Valencia
verliet bijna de geheele gemeente het Joodsche geloof. In
het volgende jaar (1414) zette de vrome monnik zijn heilig
werk voort in Arragon, dat ook aldaar met den besten uitslag bekroond werd. Zoo waren in ruim een jaar tijd in
de provincien Castilie en Arragon ruin' 20,000 Joden voor
het Christendom gewonnen. Het spreekt van zelf, dat de
meesten door den drang der omstandigheden en volstrekt
niet uit overtuiging tot dezen stap overgingen.
Deze voor de kerk zoo gunstige gevolgen van Ferrers
optreden bewogen ook Benedictus X, die, van den heiligen
stoel verstooten, alleen nog door Frankrijk en ,Span je als
paus erkend werd, door de bekeering der Joden zijn aanzien
te herwinnen. Tot dit doel liet hij met toestemming van
den Arragonischen koning Fernando de geleerdste rabbijnen
van Arragon uitnoodigen, om zich te Tortosa te vereenigen
tot het houden van een dispuut over den godsdienst. De
apostaat Geronimo de. Santa Fes, de lijfarts van den heiligen
wader; werd als het meest bedreven in de Joodsche geschriften uitgekozen, om met zijne vroegere geloofsgenooten
in het strijdperk te • treden. Ongeveer twintig van de aanzienlijkste en geleerdste mannen gaven, hoe ongaarne ook,
aan deze oproeping gehoor. Aan hun hoofd stonden de
geleerde arts en dichter don Vidal Benveniste uit Saragossa,
die ook zeer vloeiend Latijn sprak, en de beroemde wijsgeer jozef Albo. Dit dispuut, het merkwaardigste dat ooit
gehouden is, werd op zeer plechtige wijze geopend in
tegenwoordigheid van den pans, vele kardinalen, lagere
geestelijken en eene groote menigte belangstellenden. Er
werden 68 zittingen aan gewijd, waarmede een jaar en
drie maanden (7 November 1413-12 Februari 1414) verliepen. Het liep hoofdzakelijk over de vraag, of de
Messias reeds verschenen was. Geronimo bleef natuurlijk
niet in gebreke, tegen den Talmud nit te varen en dezen te
brandmerken als een werk vol slechtheid en goddeloosheid. Maar desniettegenstaande liep dit dispuut of zonder
de gewenschte gevolgen. Geronimo beroemde er zich op,
dat hij de Joodsche notabelen in het nauw gebracht en dus
de overwinning behaald had, maar de Joden werden volstrekt niet geschokt in hun gehechtheid aan het voorvaderlijk
geloof, De Ic_erk werd thans niet verrijkt met nieuwe aan-
I 2
hangers. De pans, hierover bitter teleurgesteld, verbood de
beoefening van den Talmud alsook van andere Joodsche
geschriften en stelde het den Joden tot plicht, driemaal
's jaars Christelijke predikatien bij te wonen. Deze pauselijke bul werd evenwel niet opgevolgd, daar Benedictus, door
het concilie van Constanz van zijne waardigheid wederom
afgezet, ook in Spanje zijn invloed verloor. Kort daarna
stierven ook Ferrer, wiens geestdrijverij door het concilie
ten hoogste afgekeurd was, en don Fernando van Arragon,
tot niet geringe blijdschap van het zwaar geteisterde Jodendom.
HOOFDSTUK XXV.
Eene kortstondige verademing.
1415 —1454.
De hoop op eene meer gunstige en menschlievende hehandeling, door de Joden van Castilie en Arragon gekoesterd,
bleef niet geheel onvervuld. Het edict, tijdens de minderjarigheid van Juans II uitgevaardigd, trad gaandeweg buiten
werking en verloor al zijne kracht, toen hij zelf den troon
beklommen had. Wederom werden Joden tot belangrijke
bedieningen aan het hof toegelaten. Vooral stond bij den
koning in groot aanzien don Abraham Benveniste, dien hij
tot opperrabbijn van Castilie benoemde. Nadat dan eindelijk weder een tijd van verademing en rust aangebroken
was, deden eenige aanzienlijke Joden met den opperrabbijn
aan het hoofd stappen om het Jodendom, dat ten gevolge
van het langdurig lijden geestelijk en zedelijk in diep
verval geraakt was, weder te verheffen. Te Valladolid
belegden de gedelegeerden eene vergadering, waar de middelen beraamd werden, om de leerscholen uit Naar vervallen
staat op te richten, lust voor de wetenschap te wekken,
het gezag der rabbijnen te herstellen, de weelde tegen te
gaan en alles aan te wenden, waardoor het gemeenteleven
weder in bloei en ontwikkeling zou toenemen. Wellicht
had dit edel streven heilrijk gewerkt, zoo de gunstige toestand van langeren duur geweest was. Maar de rust, het
Spaansche Jodendom thans gegund, was slechts eene windstilte, waarop eene zware, vernielende storm weldra zou
volgen.
De letterkundige voortbrengselen van dien tijd dragen
over het algemeen de sporen van vervolging en verdrukking, die de geestelijke krachten verzwakten. Met bijzondere
liefde wijdde men zich toen aan de beoefening der Kabbala,
I3
in Wier geheime gangen men verademing zocht tijdens het
voortdurend lijden. De voornaamste vertegenwoordigers
der kabbalistische studie waren R. Mozes Botarel, die eene
nieuwe verklaring schreef van bet boek jetsira (1409) ;
Schemtob ibn Schemtob, schrijver van het boek des geloofs 1),
waarin hij weder den strijd begun tegen de wetenschap en
Abraham Seba, wiens Pentateuch-commentaar 2) een mystisch
karakter draagt. Als talmudische autoriteit gold in dien
tijd de opvolger van den opperrabbijn Benveniste, lzak b.
Jakob Campanton, die den hoogen ouderdom van 103 jaar
bereikte (gest. 1463). Hij wordt z de laatste gaon van Castilie"
genoemd en is de schrijver van een methodologie des Talmuds 3). Eenige zijner leerlingen hebben ook dusdanige
werken geschreven, waarvan het meest bekend is Hafichotholam 4 ) van R. Ionia Hallevie uit Toledo (1467). De laatste
vertegenwoordiger van de Joodsche wijsbegeerte in Spanje
was fozef Albo uit Monreal (1380-1444), een van de
Joodsche notabelen bij het dispuut van 7ortosa. Evenals
zijn leeraar Chasdai Crescas was hij een streng aanhanger
van het talmudisch Jodendom en tegelijk een voorstander
der wetenschap. Hij verliet waarschijnlijk wegens de
onverdraagzaamheid van paus Benedictus — zijne geboortestad en ging naar Soria, waar hij zijn werk over de Joodsche wijsbegeerte de geloofsgronden (Ikkarinz) 5) schreef, dat
alweder eene verzoening beoogde tusschen het traditioneele
Jodendom en het vrije onderzoek. Ook behandelt hij daarin
de dertien geloofsartikelen van Maimonides en de vraag, of
dit aantal van dertien al dan niet juist is. De slotsom van
zijn onderzoek bestaat daarin, dat de drie grondwaarheden,
die iedere Jood als zoodanig moet erkennen, zijn : het bestcuzn
van God 6), de openbaring 7) en de toekomstig,e vergelding 8).
Ikkarim mist den diepen gedachtengang van de wijsgeerige
geschriften van Maimuni en Crescas, maar heeft juist daardoor meer populariteit dan deze verkregen.
1
4)
) ninnx 'to
t5171;
2) iinn
3) nithrin
-waarvan eenige Latijnsche vertalingen het
licht gezien hebben.
7)
miter" p Tirin
5)
rug
8)
6) mum nimsn
Zi3in
T T
MoN. Gesell. III, 8
HOOFDSTUK XXVI.
Het Jodendom in de overige Widen van Europa gedurende
de vijftiende eeuw.
Eene van de diepste vernederingen, waaraan vooral na de
kruistochten onze vaderen in geheel Duitschland overgeleverd
waren, bestond in de uitsluiting van alle ambten, beroepen
en handwerken. Op den groothandel mochten zij zich niet
toeleggen, evenmin als op den landbouw. De gilden zorgden,
dat zij van ieder bedrijf, dat maar eenigszins eervol kon
genoemd worden, uitgesloten bleven. Wat anders bleef dus
voor hen over dan de kleinhandel ? Met wat anders konden
zij in hunne behoeften en in die van hun gezin voorzien
dan met den zoogenaamden straathandel ? Daardoor konden
zij de eerlijkheid niet altijd in acht nemen, zooals zij het gaarne
wenschten. Aan nog grooter oneerlijkheid maakten zich
de Joodsche geldschieters schuldig, die op zulk eene hooge
rente leenden, dat zij gewoonlijk met den naam van woekeraars bestempeld worden. Alhoewel de rabbijnen dezen
woeker ten hoogste afkeurden, mogen wij echter aan den
anderen kant niet over het hoofd zien, dat de Joden letterlijk
uitgemergeld werden. Naast de belasting, die zij den keizer
moesten opbrengen voor de bescherming, die hij hun althans
beloofde (Judenschutzgeld), kwarn een nog veel hoogere
belasting aan den vasal of het stedelijk beheer (25 procent
van het kapitaal). Bovendien verkeerden zij altijd in het
gevaar. hun met moeite en op bittere wijze bijeengebrachte
penningen te verliezen door verdrijvingen of door besluiten,
waarbij hun geldvorderingen voor nietig verklaard werden.
Wij maakten reeds melding van een dusdanig besluit van
keizer Wenzel, Ook zijn opvolger Ruprecht van de Paltz,
door wien dit besluit bekrachtigd werd, beschouwde het
vermogen der Joden als zijn bezit (I 400). Is het derhalve
te verwonderen, dat zij van hun kant een hooge winst verlangden van de gelden, die zij onder zooveel gevaren aan
vreemden toevertrouwden ? De regeering zelve was dan
ook van de billijkheid van dezen eisch zoo overtuigd, dat
zij telkens den rentevoet verhoogde. In het jaar 1255 stond
de raad van Azainz hun toe te leenen op 43 procent ;
keizer Hendrik V .11 bracht het (r3io) op 65, terwijl zij
volgens een besluit van Regensburg (1392) zelfs tot 862/ 3
procentmhga.Owijfeldborgn
I) Zie hierover de zeer lezenswaardige brochure : e das
Judenthum and sein Recht" van Dr. Walter Pohlmann 1893.
I15
hierbij haar eigen voordeel. De kapitalen der Joden vloeiden
grootendeels in de kas der wereldliike en geestelijke heeren.
Keizer Ruprecht benoemde (1407) zelfs zekeren Rabbi Israel
A een geleerden Jood", tot z hoogepriester over alle rabbijnen,
Joden en Jodinnen van het rijk", om den ban uit te spreken
over ieder, die de drukkende Jodenbelasting niet betalen
wilde. Toen onder Ruprechts opvolger Sigismund op de
kerkvergadering te Constanz een einde kwarn aan den strijd
over het bezit van den pauselijken stoel door de benoeming
van Martinus V, hoopten de Joden, dat ook voor hen een
betere tijd zou aanbreken. Maar zij zagen zich in deze
verwachting teleurgesteld, alhoewel de kerkvader hun niet
ongenegen was.
Te dier tijd begon men hier en daar luide zijne afkeuring
te kennen te geven over de ontaarding in de Katholieke
kerk. In Engeland was het Johan Wiklif en niet veel
later in Duitschland Johan Husz, professor te Praag, die
beiden zoowel, in schrift als in woord de misbruiken van
het pausdom, de rijkdommen en aardsche macht van de
kloosterbroeders, den aflaat en andere misbruiken der Kerk
scherp berispten. Wel moest Husz daarvoor zijn leven
op den brandstapel eindigen, maar het groote woord was
gesproken en vond weerklank bij duizenden Bohemers. De
volgelingen van dezen martelaar, de Hussieten, beschouwden
de monniken en oud-Katholieken als de heidensche stammer.
van Kenaiin, tegen welke zij op goddelijk bevel geroepen
waren een verdelgingsoorlog te voeren. Den bergen, waarop
zij zich tot den strijd vereenigden, gaven zij Bijbelsche
namen (Choreb, Tabor e. a.) en spiegelden zich aan de helden
van het Bijbelsch Israel. Evenals een onstuimige bergstroom stortten zij zich over de landen, verwoestten kloosters
en kerken, vernielden dorpen en steden. Zooals gewoonlijk,
werden ook thans weder de Joden beticht van de rampen,
waardoor Bohernen en andere streken van Duitschland getroffen werden, daar zij de Hussieten tot dezen strijd aangespoord hadden. Keizer Sigismund trachtte hen nog zooveel
mogelijk tegen de woede v!_in het gepeupel in bescherming
te nemen. Niet zoo zijn opvolger Albrecht IT die reeds
vroeger als aartshertog van Oostenrijk bitteren haat tegen
de Joden aan den slag gelegd had. Op grond van de
gewone bloedbeschuldiging had hij hen in zijn land laten
gevangen nemen (142o) en daaruit verbannen, nadat eenige
honderden van hen niet ver van Weenen verbrand waren.
Onder de martelaren behoorde ook de moeder van Israel
Isserlein. Deze, een zoon van R. Petachja uit Marburg
(Stiermarken) gold in deze dagen naast Jakob Weil, rabbijn
in Neurenberg en Erfurt, als de belangrijkste rabbijnsche
MoN. Gesch, III, 8*
I 16
autoriteit. lsserleins hoofdwerk bestaat in eene verzameling
van 354 antwoorden op verschillende synagogale en ritueele
vragen I), waarvan de latere codificatoren een veelvuldig
gebruik gemaakt hebben. Ook Jakob Weil heeft de rabbijnsche literatuur verrijkt met eene verzameling van antwoorden
op rabbinale vragen. Hun leerlingen Israel Bruner (uit
Brun), van wien wij eveneens eene Teschuboth-verzameling
bezitten, Jozef Kolon e. a, droegen veel bij tot de verbreiding der Talmudstudie in Duitschland en Italie. Ook als
keizer van Duitschland bleef Albrecht ( 1 437 -1 440 ) een
onverzoenlijk Jodenvijand. Hij stond toe, dat zij uit Augsburg verdreven werden (1439), en bekommerde zich volstrekt niet om de geweldenarijen, die in verschillende plaatsen
op hen gepleegd werden.
In weerwil van de ondervinding, dat de meeste Joden,
die zich in de armen van het Christendom wierpen, aan
hun voorvaderlijk geloof getrouw bleven, stelde men toch telkens
weder pogingen in het werk, om hen voor de Kerk te
winnen. Dit was vooral de levenstaak van den Franciskaner
bedelmonnik Johannes Capistrano, die tijdens het bestuur
van Frederik III, den opvolger van Albrecht II, den Duitschen Joden wederom veel ellende berokkende. In zijn
karakter had hij veel overeenkomst met den Spanjaard
Vicente Ferrer en maakte, evenals deze, door zijne welsprekendheid grooten opgang. Paus Nikolaus V vond hem
dan ook bijzonder geschikt, om den ingesluimerden godsdienstijver op te wekken en den haat tegen de Joden en
andere ketters aan te wakkeren. Hij zond hem naar Duitschland, waar deze in opruiende predikatien lucht gaf aan zijn
ingekankerden haat tegen allen, die niet doordrongen waren
van de voortreffelijkheid van het Katholieke geloof. De
Silezische Joden ondervonden het eerst de ratnpzalige gevolgen van zijn dweepzucht. Men wachtte daar slechts op
eene gelegenheid, om de ongeloovigen te vervolgen. Deze
was gevonden, zoodra zich het gerucht verbreidde, dat zij
eene hostie geschonden en de stukken daarvan naar andere
Joodsche gemeenten gezonden hadden, met het bevel, evenzoo de heilige voorwerpen der Christenen te ontwijden.
Aileen in Breslau werden op bevel van Capistrano 41 Joden
verbrand en de overigen uit de stad gejaagd (1454). Niet
beter ging het hun broeders in Beieren en Moravie. Wat
wonder, dat reeds de naam van Capistrano allerwege angst
I)
izt•771 rntrin
. mit, Het
waarde 354.
woord
heeft in getallen-
1
17
en siddering veroorzaakte ! Nadat hij nieuw . zaad van fanatisme in Germanie gestrooid en den geloofshaat weder
voedsel geschonken had, begaf hij zich naar Polen, waar
de Joden nog steeds de rechten genoten, hun door het
statuut van hertog Boleslaus ') geschonken (1264), Koning
Kasimir had dit statuut bekrachtigd, met de bepaling, dat het
ook van toepassing zou zijn voor de Joden van Klein-Polen
en Reuszen, De toenmalige vorst Kasimir IV (1447-1492).
handhaafde ten opzichte der Joden de statuten zijner voorgangers, breidde zelfs hunne privilegien nog uit. Hij duldde
niet, dat de kanonieke besluiten, in concilien aangaande
hen genomen, in zijn land zouden toegepast worden, in
spijt dat de geestelijkheid daarop sterk aandrong. Toen nu
ook in Polen door den invloed der Hussieten het gezag
der kerk verminderde, richtte Capistrano op verzoek van
den bisschop van Krakau zijne schreden daarheen, oni
tegen de ketters op te treden. Hij dreigde den koning met
alle verschrikkingen van hel en vagevuur, zoo deze niet de
privilegien der Joden intrekken en de aanhangers van Ilusz
aan de macht der geestelijkheid onderwerpen zou. De edele
vorst moest wel aan deze ernstige vermaningen gevolg
geven, wilde hij niet met een groot deel zijner onderdanen
en vooral met de geestelijken in botsing komen. Hij hief
dan ook verscheiden rechten der Joden op en beval onder
meer, dat zij voortaan een afconderlijke kleederdracht
moesten aannemen. Capistrano, onvermoeid in zijn ijver
tegen de ongeloovigen, predikte een kruistocht tegen de
Turken, die kort te voren Constantinopel veroverd en aan
het Byzantijnsche rijk een einde gemaakt hadden (1453)•
Slechts enkele ongeregelde scharen trokken onder aanvoeI) Lie hierover 2, die General-Privilegien der Polnische
Judenschaft van Dr. Philip Bloch e. Merkwaardig is o. a.
artikel 32 van dit statuut, dat aldus luidt : Wij verbieden ten strengste volgens de verordeningen van den paus,
den heiligen vader, de Joden in het algemeen of enkelen
hunner in het bijzonder te beschuldigen van het gebruik
van menschenbloed, daar zij zich volgens de voorschriften
van hun wet van het genieten van bloed beslist
moeten onthouden. Zoo een Jood door een Christen van
een moord op een Christen-kind aangeklaagd en de schuld
inderdaad bewezen wordt, zal deze de straf, daarvoor bepaald, niet ontgaan ; zoo echter de getuigen hem niet veroordeelen en hij door een eed zijn onschuld bevestigt, zal
de aanklager de straf ondergaan, die hij den Jood wilde
opleggen."
Lib
ring van den Franciskaner monnik en den Hongaarschen
held Hunyad ten strijde en behaalden bij Belgrado eene
kleine overwinning op de Turken. Capistrano steeg daardoor nog meer in aanzien en werd door het bijgeloovige
yolk als een wonderdoener vereerd. Zijn woord gold als
een orakel voor het domme gepeupel, dat niet ophield den
Joden het leven op allerlei wijzen te verbitteren. Zij mochten
het dan zeker als een geluk beschouwen, dat de helsche
Capistrano niet lang daarna stierf.
De toestand der Joden in itaiie liet ook in de 15de eeuw
over het algemeen weinig te wenschen over. i) Niet alleen
in de handelswereld maar ook op wetenschappelijk gebied,
en vooral op dat der geneeskunde, stonden zij in hoog
aanzien. In vele steden kregen zij het recht, bankiershuizen op te richten en geldleeningen te sluiten. Op de
pas uitgevonden boekdrukkunst legden zich de Italiaansche
Joden het eerst toe, zoodat weldra in vele steden van Italie
als Mantua, Ferrara, Naj5els e. a, Joodsche drukkerijen
ontstonden. 2) Niet alleen wereldlijke vorsten, maar ook
bisschoppen, kardinalen en zelfs pausen lieten zich het liefst
door Joodsche artsen behandelen. Wel trachtten de pausen
Eucenius IV en Nikolaus V de rechten der Joden te verminderen, maar daarom bekommerde men zich al heel
weinig in het land, waar wetenschap en kunst geen rassenhaat en kerkelijke vooroordeelen duldden. Ook een leerling
en volgeling van den vloekwaardigen Capistrano, de monnik
Bernardino de .Feltre trachtte er het gift van godsdiensthaat te verspreiden. Deze vrome barrevoeter hitste het
yolk niet alleen tegen de Joden op, maar ook tegen hunne
Christelijke begunstigers. Hij maakte echter in zijn eigen
land geen goede zaken en begaf zich hierop naar Tyrol.
1) Als een bewijs van de verdraagzaamheid jegens de
Joden, zelfs van den kant der geestelijkheid, kan het volgende dienen, Toen de bisschop van Pavia vernam, dat
eene Joodsche vrouw, die zich had laten doopen, over dezen
stap berouw gevoelde, drong hij zelf bij haren echtgenoot
aan, Naar uit het klooster te verlossen (147o). Daarentegen
werd in hetzelfde jaar te Regensburg de voorlezer Kalman,
die uit vertwijfeling het Christendom omhelsd had en eveneens zijn wensch te kennen gaf, orn weder tot zijne broeders
terug te keeren, ter dood veroordeeld en verdronken.
2) De beroemdste drukkerij beyond zich in Soncino en
behoorde aan de familie Soncini. Aldaar werden niet alleen
Hebreeuwsche, maar ook Grieksche en Italiaansche boeken
gedrukt.
I19
In dienzelfden tijd vond in Trente eerie gebeurtenis plaats,
waardoor de geheele stad in rep en roer gebracht werd.
Niet ver van het huis van een Jood had men n.l. het lijk
van een Christen knaapje, Simon geheeten, uit het water
opgehaald. De monnik vond in dit vrij onbeduidend feit
eene welkome gelegenheid, om de bevolking tegen de Joden
op te hitsen, daar het toch van zelf sprak, dat zij het kind
verdronken hadden. Ook een gedoopte Jood, Wolfkan,
spande met hem tegen zijne vroegere geloofsgenooten te
samen. Weldra wist men haarfijn alle bijzonderheden van
dezen moord te vertellen. Eenige Joden werden eindelijk,
zooals gewoonlijk, door zware folteringen tot bekentenis
gedwongen, waarop de geheele Joodsche bevolking van
7rente op den brandstapel omkwam, op vier na, die zich
lieten doopen en nu op eens aan den moord geen deel
genomen hadden. Bernardino en andere monniken trachtten
dit voorval wereldkundig te maken, in de hoop, daardoor
nieuwe vervolgingen uit te lokken. Zij lieten het lijkje
balsemen en wilden het als eene heilige reliquie bewaren. Net dweepzieke yolk meende zelfs, daaraan wonderbare verschijnselen op te merken, zoodat men er reeds
ernstig aan dacht, den jongen Simon onder de heilige
martelaren op te nemen, waartegen zich evenwel paus Sixtus
IV verzette (1475). Desniettemin vond het verzinsel van
dezen kindermoord in Duitschland, zelfs in enkele streken
van Noord-Italie geloof, zoodat zich aldaar bijna geen Jood
op straat durfde vertoonen. Het meest hadden er onder te
lijden de Joden van Regensburg, eene van de weinige ZuidDuitsche steden, waar zij zich eeuwen lang in ongestoorde
rust hadden mogen verheugen.
De rabbinaten in de Noord-Italiaansche steden werden
rneestal bezet door Duitsche geleerden, die tijdens de veelvuldige vervolgingen en verdrijvingen hun vaderland verlaten
en zich in het gastvrije Italia' gevestigd hadden. Cinder
hen verdienen vooral vermelding jozef Kolon (gest. 1480),
rabbijn in Mantua, Bologna en Pavia en Juda Minz (gest.
1508) in Padua. Beiden behoorden tot de streng talmudische
richting en waren onverzoenlijke vijanden van de philosophie
en het vrij, wetenschappelijk onderzoek. Zij golden als
groote autoriteiten, zooals blijkt uit de talrijke godsdienstvragen tot hen uit geheel Duitschland gericht. De antzijn later verzameld door zijne leerwoorden van Kolon
lingen, van welke het meest bekend is Obaaya Hainon dry
1
) p"nrin rmivri
I20
Berta* nor° uit Cilia di Castillo (in Romagna), op wien wij
nog later terugkomen. Ook deze was, evenals zijn leeraar,
een vijand van alle wijsgeerige studien en sprak zelfs met
minachting van • Griekenlands beroemde philosofen. juda
Minz, de schrijver van eene zeer gewaardeerde teschubothverzameling 1) bereikte den leeftijd van ruim honderd jaar.
Hij werd in zijne waardigheid opgevolgd door zijn zoon
Abraham Minz, eveneens een beroemd talmudist en casuist.
Zooals wij reeds vroeger mededeelden, namen ook onder de
Joden van Italie velen ijverig deel aan de beoefening der
wetenschappen, die aldaar reeds in de i4de en i5de eeuw
een hoogen trap van bloei bereikten, terwijl het overige
.Europa nog grootendeels in den donkeren nacht van middeleeuwsche onwetendheid verkeerde, Onder dezen namen
eene voorname plaats in Juda Leon en Elia del Medigo.
Juda b. lechiel, bijgenaamd Messer Leon (bloeitijd 1450),
was arts te Mantua 'en met de Latijnsche en Grieksche
literatuur zeer vertrouwd, waarvan hij ook enkele geschriften
in het Hebreeuwsch vertaalde. Behalve eene Hebreeuwsche
grammatica schreef hij ook eene verhandeling over de
Hebreeuwsche welsprekendheid, 2) waarin hij eveneens blijken
geeft van zijne grondige kennis van de klassieke letterkunde.
Hij was de eerste Jood, die vergelijkingen maakte tusschen de
taal van Israels profeten en psalmisten en die van de bekende Romeinsche dichters en redenaars. Zulke studien
vonden bij de strenggeloovigen volstrekt geen bijval. Waarschijnlijk moet daarin ook de oorzaak gezocht worden van
den strijd tusschen den rabbijn Jozef Kolon en Messer
Leon, die zoo hevig werd, dat de hertog van Mantua zich
genoodzaakt zag, beiden het langer verblijf in deze stad te
ontzeggen. Eveneens ontspon zich te Padua een langdurige
strijd tusschen den rabbijn Juda Minz en del Medigo. Elia
del Medigo of Elia Cretensis (geboren in Candia 1463)
maakte zich door zijne grondige kennis van de Aristotelische
wijsbegeerte zeer beroemd en verwieri zich vele vereerders.
Onder dezen behoorde ook de graaf Pico della Mirandola,
wien hij Behalve in de wijsbegeerte ook in de Hebreeuwsche
taal onderricht gaf en voor wien hij verscheidene wijsgeerige
verhandelingen in het Latijn bewerkte. Zijne voorlezingen
over de philosophie aan de hoogeschool te Padua gaven
hem zulk eene vermaardheid, dat hij door den senaat dezer
stad tot scheidsrechter benoemd werd in een wetenschappelijk
geschil, dat reeds een ernstig karakter begon aan te nemen.
]) rrn viirm lily
2) ovis
np.3
121
Niettegenstaande zijne wetenschappelijke vorming, was hij
een warm en trouw aanhanger van het zuiver talmudisch Jodendom, waaruit hij alles verwijderd wilde houden, wat een
mystisch karakter droeg. Zijne geloofsbelijdenis en over
het algemeen zijne beschouwing over het Joodsche geloof
ontwikkelde hij in een klein geschrift, l) dat als het laatste
Joodsch philosophische geestesproduct der middeleeuwen kan
beschouwd worden. De vurige pennestrijd tusschen hem
en Juda Minz ontstond waarschijnlijk naar aanleiding van dit
geschrift, waarin hij met vrijmoedigheid tegen de Kabbala
optrad. Del Medigo verliet eindelijk Mantua en keerde
naar zijne geboortestad terug, waar hij in den jeugdigen
leeftijd van 35 jaar overleed.
HOOFDSTUK XXVII.
Het lijden der marrano's en der Spaansche Joden.
De invoering van de inquisitie.
1454 1485.
Zooals wij reeds vroeger zagen, was Juan II van Castike
zijnen Joodschen onderdanen niet ongenegen. Maar toch
kon hij zich niet aan den invloed van de hoogste geestelijke
macht onttrekken, zoodat hij tegen het einde zijner regeering
bewilligen moest in het hernieuwd besluit van Nikolaus V,
dat de Joden een uiterlijk teeken aan hun gewaad dragen
en in afzonderlijke wijken wonen moesten. In ditzelfde
jaar (1450 werden ook op bevel van den paus inquisiteuren
benoemd, die . een streng toezicht moesten houden op de
nieuw-Christenen of marrano's. Dezen werden door de
Christelijke bevolking, en vooral door de geestelijkheid nog
meer gehaat dan de Joden, omdat men begon te bemerken,
dat hun overgang tot de kerk volstrekt niet ernstig gemeend,
maar slechts het middel geweest was, om het leven te
behouden of niet tot armoede en gebrek te vervallen. Zij
bezochten wel de kerk, .namen de Christelijke gebruiken
in acht, maar alles slechts werktuigelijk, daar de liefde voor
het Jodendom bij hen volstrekt niet afgekoeld was. En
desniettegenstaande bekleedden zij de hoogste waardigheden
in den staat, werden er zelfs onder hen geestelijken aangetroffen en oefenden zij door hun stoffelijk en geestelijk
overwicht een zeer belangrijken invloed. Het besluit van
den paus werd door de geestelijkheid dan ook zeer toe1)
I'M r13112
122
gejuicht, maar de koning wist de uitvoering daarvan op de
lange baan te schuiven. De vrij gunstige toestand van het
Castiliaansche en Arragonische rodendom was evenwel niet
van langen duur. Weldra dook weder de bloedbeschuldiging
uit het schimmenrijk op en drongen de Dominikaner monniken
in woord en schrift aan op de uitroeiing der ongeloovigen.
Aan het hoofd der ketterjagers stond de monnik Alfonso
de Spina, een geestverwant van Capistrano. Zijn opruiende
taal miste het gewenschte doel niet. De Joodsche gemeente
van Valadotia' werd bijna geheel uitgemoord. Onder de
slachtoffers der verblinde volkswoede behoorde ook Jozef
Schemtob. Zooals in Spanje reeds meermalen het geval
geweest was, droegen ook thans weder afvallige Joden veel
bij tot de ellende hunner stamgenooten. Een hunner, don
Pacheo, bewoog Hendrik IV, den opvolger van juan, bij de
herziening der wetten ten opzichte der Joden de vroegere,
strenge besluiten weder in toepassing te brengen. Hun lot
werd dan ook met den dag ondragelijker. De marrano's
stonden voortdurend bloot aan de onverzadelijke moord- en
roofzucht der Christelijke bevolking. Het nietigst voorwendsel werd te baat genomen, om menschenbloed te vergieten. Zoo had eens in Cordova een meisje uit het huis
van een marrano water uit het venster geworpen, juist toen
eene Spaansche prinses een Maria-beeld voorbijdroeg, dat
daardoor een weinig beschadigd werd. !)it was — zoo
schreeuwden de omstanders eene opzettelijke bespotting,
eene heiligschennis, die niet ongewroken mocht blijven.
Men drong het huis van den marrano binnen, dat geplunderd
en uitgemoord werd. Als een loopend vuur verbreidde zich
dit gerucht door de stad, waar nu eene bloedige strijd
tusschen Christenen en rnarrano's uitbrak, die aan s elen der
laatsten het leven kostte. De vluchtelingen werden door
de boeren op het land aangevallen, onder wier stokslagen
zij bezweken. Dergelijke afschuwelijke tooneelen herhaalden
zich op vele andere plaatsen. Het is geenszins te verwonderen, dat onder zulke hachelijke omstandigheden de
Joodsche wetenschap met reuzenschreden achteruitging, zoodat
de laatste helft der 15de eeuw nauwelijks een letterkundig
product van groote beteekenis kan aanwijzen. De rabbijnen
en predikers hielden zich toen hoofdzakelijk bezig met het
vervaardigen van wijsgeerig-allegorische verklaringen van
Bijbel-, Talmud- en Midraschplaatsen. Een verzameling van
dusdanige predikatien bezitten wij nog o. a. in het zeer
gewaardeerde werk Akedath-jitschak I) van Izak Arama
1)
prix,.
rrp;
I 23
(bloeitijd 1450 -1 490), die in Zamora en andere plaatsen
als rabbijn werkzaam geweest is Zijne voordrachten, die
handelen over den Pentateuch en de vijf rollen, worden
ingeleid door een soort wijsgeerige beschouwing, gewoonlijk
ontleend aan eene plag.ts uit Aristoteles' ethiek. Meer dan
eens trekt hij tegen de wetenschap te velde. Zijne bedenkingen daartegen heeft hij uitgewerkt in een afzonderlijk
geschrift, ') dat uit twaalf hoofdstukken bestaat.
De rampen, welke het Spaansche Jodendom reeds van het
jaar 1391 tot nu toe bijna zonder eenige verpoozing getroffen
hadden, waren evenwel nog maar het voorspel van het lijden,
dat hen wachtte, nadat Isabella, Hendriks zuster en gemalin
van Ferdinand van .Arran on den troon beklommen had
( 1 474). Al bestond door het huwelijk van Isabella en
Ferdinand de vereeniging van Castifie en Arrag,on slechts
in naam, daar ieder zelfstandig in zijn staat regeerde, toch
was beider streven op hetzelfde doel gericht en lieten zij
zich leiden door de raadgevingen van den schranderen
maar dweepzieken kardinaal Ximenez, Zij trachtten het
koninklijk gezag, dat onder het bestuur van hun zwakke
voorgangers aanmerkelijk verflauwd was, weder te herstellen,
door de macht van den adel op den troon over te brengen.
Daarom ontnamen zij den adel de rechtspleging, die zij aan
afzonderlijke gerechtshoven opdroegen. Om zich nu te
overtuigen, dat de rechters en anderen, met staatsposten
begiftigd, oprechte belijders van de Katholieke leer waren,
stelde Ximenez voor, dat de rah/bank der inquisitie zou
ingevoerd worden. Zijn oogmerk was daarbij hoofdzakelijk
gericht op de vervolging der marrano's, die, zooals gezegd is,
nog meer dan de Joden een doorn in het oog der geestelijkheid waren en toch gewichtige ambten bekleedden. Het
koninklijk echtpaar bewilligde in dit voorstel, zoodat met
volmacht van paus Sixtus IV eene commissie benoemd
werd (1474) tot het ontwerpen van statuten voor de aanstaande rechtbank, waarop de benoeming van de leden der
inquisitie spoedig volgde (148 i ). De inquisitie vestigde zich
in Sevilla, waar ook tegelijkertijd eene plaats aangewezen
werd voor de terechtstelling van hen, die de bloedrechtbank
wegens verraad j egens de kerk of om andere godsdienstige
oorzaken ter dood zou veroordeelen. De brandstapels werden
opgericht en reeds eenige dagen later vond door de verbranding van zes marrano's wegens ketterij de eerste geloofsdaad (auto- daf e) plaats. Niettegenstaande deze nieuwe rechtbank van de zijde der bevolking veel tegenstand ontmoette,
.
1
)
rIti p,
rnm
124
vermeerderde zij dagelijks hare slachtoffers en maakte zij zich
aan onmenschelijke wreedheid schuldig, toen zij onder leiding
kwath van den beruchten groot-inquisiteur Thomas de
Torquemada, den voormaligen biechtvader der koningin.
Deze bloeddorstige monnik werd de ziel der inquisitie, die
zich thans over geheel Spanje uitbreidde en hare duivelsche
middelen niet alleen toepaste tot uitdelging van de geheime
Joden, maar ook van hen, die in het openbaar het voorvaderlijk geloof beleden. Zoo werd zij behalve voor de
Mooren een vreeselijke geesel voor geheel het Spaansche
Jodendom. De minste verdenking, elk valsch getuigenis van
den een of anderen Jodenvijand was voldoende, om onschuldige
mannen en vrouwen, grijsaards en jongelingen, naar den ijzingwekkenden kerker der inquisitie te voeren, waar men door
onbeschrijfelijke folteringen bekentenissen van schuld afperste
of door een weefsel van listen den standvastige wist te verstrikken. Tallooze slachtoffers zag men dagelijks onder feestelijke praal naar den brandstapel voeren. Anderen smachtten
hun Leven lang in de sombere kerkerholen, terwijl — en
daarom was het hoofdzakelijk te doen — de staatskas zich
met bun bezittingen verrijkte. In Arragon verwekte de
wreedheid, waarmede de ketterrechter Arbues de Epila in
den geest van zijn meester Torquemada de gruwelen der
inquisitie in toepassing bracht, zulk eene verbittering, dat
hij door eenige marrano's in de kerk vermoord werd.
Dit bracht evenwel geene verbetering in hun lot. Integendeel, toen een der saamgezworenen zijn makkers verraden
had, werden deze met afgesneden handen door de straten
gesleurd en daarna opgehangen, terwijl men meer dan
200 marrano's verbrandde. Zoo overtrof het lijden der
Spaansche Joden nog verre dat van hun broeders in
de andere landen van Europa. En desniettegenstaande
konden zij niet zonder dwang van hun vaderlandschen
bodem scheiden, daar zij nog steeds de stille hoop koesterden,
dat aan de gruwelijke geloofsvervolging weder spoedig een
einde zou komen. In deze hoop werden zij nog versterkt,
doordien juist te dier tijd een beroemde Joodsche geleerde
eene zeer aanzienlijke betrekking aan het Castiliaansche hof
verkreeg. Het was don Izak b. juda Abarbanel, van wien
men redding verwachtte, maar helaas te vergeefs.
HOOFDSTUK XXVIII.
Don Izak Abarbanel De verdrijving der Joden
uit Spanje en Portugal.
1485-1498.
Don Izak Abarbanel (geb. te Lissabon 1437, gest. in
Venetie 15 o9), sluit op waardige wijze de rij van /srae/s
beroemde staatsmannen op het Hesperische schiereiland,
die aan oprechte trouw jegens hun vaderland en vorst,
Joodsche kennis, innige gehechtheid aan bun geloof en
oprechte belangstelling in het lot hunner stamgenooten
paarden. Gesproten uit eene voorname, adellijke familie,
die haar afstamming tot koning David terugvoerde, genoot
Abarbanel eene voortreffelijke opvoeding en verbond hij reeds
op jeugdigen leeftijd algemeene beschaving en ontwikkeling aan
uitgebreide en grondige kennis op Joodsch-letterkundig gebied.
Dit laatste had hij hoofdzakelijk te danken aan zijn omgang
met den toenmaligen Portugeeschen opperrabbijn en BijbelNauwelijks den mannelijken
verklaarder Jozef Chajun.
leeftijd ingetreden, vatte hij het plan op, een uitvoerigen
Bijbelcommentaar te bewerken, maar de nieuwe loopbaan,
die hij weldra betrad, verhinderde hem ; thans reeds dit
denkbeeld te verwezenlijken. Koning Alfonso V leerde
zijn edel, beminnenswaardig karakter en zijne veelzijdige
bekwaamheid kennen, waarop hij hem tot zijn schatmeester
benoernde, Abarbanel steeg voortdurend in 's konings
gunst en won diens vertrouwen geheel, zoodat deze hem in
vele gewichtige staatkundige aangelegenheden raadpleegde.
De beroemde staatsrnan liet zich ook aan zijne geloofsgenooten veel gelegen liggen. Toen eens, na de verovering
van de Afrikaansche havenstad Arzilla, 25o zijner stamgenooten als slaven en slavinnen verkocht waren, rustte hij
niet eerder, voor dat hij de belangrijke som van io,000 gouddublonen bijeengezameld had, om daarmede de ongelukkigen los
te koopen. Zoolang Alfonso leefde, behield Abarbanel zijne
hooge waardigheid, maar verloor haar ook onmiddellijk na
diens dood. 's Konings zoon en opvolger Joao II (1481—
1511), een man van een zeer achterdochtige en wreede
natuur, wantrouwde al zijne hovelingen, ja zelfs zijne eigen
familieleden, onder welke het meest den hertog van Bra•
ganza, dien hij liet dooden. Daar nu ook het leven van
Abarbanel, die den hertog tot het einde trouw was
gebleven, door den koning bedreigd werd, verliet hij,
daarvoor bij tijds gewaarschuwd, zijn vaderland en vluchtte
naar S.panje, waar hij zich te Toledo nederliet (1483).
Bij deze gelegenheid werden zijne goederen verbeurd verklaard, terwijl zijne vrouw, een toonbeeld van deugd en
zielenadel, met zijne drie zonen, Juda Leon, Izak en Samuel
verlof kregen, zich tot hem naar Car/die te begeven.
In Toledo knoopte hij vriendschap aan met geleerde
geloofsgenooten, hield voorlezingen voor een kring van
weetgierige mannen en jongelingen en zette zich aan
het bewerken van zijn commentaar der Eerste profeten.
12
6
Reeds had hij in anderhalf jaar (November 1483 April
1484) de verklaring van de boeken Josua, Samuel en
Rechteren voltooid en de eerste hand gelegd aan die van
Koningen, toen hem door Ferdinand en Isabella het beheer
der staatsgelden opgedragen werd. Evenals vroeger in
Portugal, nam hij ook thans zijn ambt waar tot volkomen
tevredenheid van bet koninklijk echtpaar. Eveneens leefde
hij ook in Castille tot steun voor zijn broeders, tot troost
voor de weduwen en tot hulp voor de weezen. Geen wonder
derhalve, dat de Joden hem als een reddenden engel begroetten, van hem hulp en uitkomst verwachtten. Maar de
naaste toekomst zou hen in hun gunstige verwachting de
bitterste teleurstelling bezorgen„
Na een tienjarigen, bloedigen oorlog (1481--1491) viel
Granada, het laatste bolwerk van het Moorsche koninkrijk
in Spanje, in de handen van fierdinand en Isabella. De
Spaansche vlag en het kruis prijkten tegeliik op het prachtige
kasteel Alhambra en kondigden hierdoor aan, dat de beerschappij van den Islam op het Pyreneesche schiereiland,
na een bestaan van bijna acht eeuwen, voor goed verdwenen
was. Op 3 Januari 1492 hield het koninklijk echtpaar een
luisterrijken intocht in de voormalige hoofdstad van bet
Moorsche rijk. Ivlaar deze triumf scheen den ketterjager
Torquemada slechts een halve zegetocht, de doop of de
dood der Islamieten slechts een onvolledige overwinning
van het kruis, zoo lang nog Joden op Spaanschen bodem
leefden. Eerst na de verdrijving van deze ongeloovigen
kon de kerk inderdaad jubelen, daar dan eerst Spanje van
alle niet-Christelijke elementen gezuiverd was en ook bij
de marrano's de laatste vonken van liefde voor het geloof
der vaderen zouden uitdooven. Ala dankoffer voor de
behaalde zege vaardigden dan ook Perdinand en Isabella,
op aandringen van Torquemada, bet bevel uit (31 Maart
1492), dat alle Joden, die zich niet wilden laten doopen,
binnen vier maanden alle districten van hun koninkrijk
moesten verlaten. De Joden gevoelden zich, zooals te begrijpen valt, door dit besluit diep, zeer diep getroffen.
In hun verslagenheid vvendden zij zich tot den staatsman
Abarbanel, met de vurige bede, nog eene poging te wagen,
om hen uit hunne ellende te bevrijden. Deze snelde naar
het hof, deed een voetval voor het koninklijk echtpaar, dat
hij om genade smeekte voor zijne ongelukkige geloofsgenooten, daarbij de verzekering voegende, dat hij 300,000
dukaten zou bijeenbrengen, zoo bun het verblijf op Spaanschen
bodem weer toegestaan werd. Zijn bezielende taal vermurwde inderdaad bet gemoed van Ferdinand en Isabella,
zoodat deze reeds op het punt stonden, het besluit in te
1 27
trekken, toen Torquemada, met een kruis in de hand de
zaal binnenstormde onder den uitroep : wilt gij dit kruis
voor 300,000 dukaten verkoopen ?" Zijne woorden misten
het doel niet ; het lot der Joden was beslist, Arm en
naakt zouden zij het land verlaten, daar het hun verboden
werd, goud of zilver mede te nemen. Menigeen verruilde
een huis voor een ezel of verkocht zijne uitgestrekte wijnbergen voor eene luttele zaak. En terwijl wanhoop en
vertwijfeling zich van alien meester maakten, lieten de
Dominikaner-monniken niets onbeproefd, hen juist toen
voor het Christendom te winnen. Maar slechts weinigen
gaven aan de zoete stem der verleiding gehoor. Al was
het vaderland, voor welks bloei zij niet minder dan de
overige bevolking medegearbeid, vaak zelfs hun goed en
bloed opgeofferd hadden, hun innig lief, toch wilden zij
ter wille daarvan geen verraad plegen jegens hun clierbaar
geloof. Zoo naderde dan onder onbeschrijfelijke angsten
Israels rationale treurdag van 9 Ab, tevens de dag der scheiding.
Hartverscheurende tafereelen vonden toen plaats. Nog
eenmaal wierpen zij zich op de graven hunner voorzaten,
die zij bevochtigden met tranen van liefde en dankbaarheid ;
nog eenmaal kusten zij den gewijden bodem, waar de
stoffelijke omhulsels hunner vrome vaderen rustten. Op
sommige doodenakkers rukten zij de grafsteenen uit den
grond, die zij deels aan de marrano's schonken, deels als
heilige herinneringen medevoerden. Zoo verlieten zij (2
Augustus) het land, waar zij acht eeuwen als brave en
nuttige onderdanen gewoond hadden. Het getal der ballingen
laat zich niet met zekerheid bepalen, maar bedroeg zeker
niet minder dan 400,000. Naar verhouding gingen slechts
zeer weinigen tot het Christendom over, en wel zij, die van
hunne bezittingen geen afstand konden doen. De synagogen
der verdrevenen werden ingericht tot Christelijke kerken,
kloosters en scholen ; de begraafplaatsen tot wei- en bouwland
gebezigd. Onbeschrijfelijk is de ellende van hen, die te
scheep het land verlieten. Sommige schepen raakten in het
midden der zee in brand ; andere waren zoo vol geladen,
dat zij in de golven zonken. Vele schipbreukelingen kwamen
om door honger en gebrek, terwijl honderden bezweken
door eene vreeselijke ziekte, die ten gevolge van de vele
ontberingen op vele schepen uitbrak.
Reeds vOOr de verdrijving had de grijze en geleerde
opperrabbijn van Toledo, Izak Aboab, 1) een vriend van
I) Deze, niet te verwarren met een anderen gelijknamigen
schrijver van het bekende werk 11:172n n-1130, schreef
128
Abarbanel,
met drie honderd aanzienlijken bij Joao II,
koning van Portugal, bewerkt; dat diens land voor de
ballingen zou openstaan. Aan dit verlof was evenwel de
strenge voorwaarde verbonden, dat ieder acht dukaten moest
betalen voor het verblijf, dat slechts acht maanden mocht
duren. Na dien tijd moesten zij het land verlaten, terwijl
de regeering zou zorgen voor schepen, waarmede zij
voor een billijken prijs naar Afrika konden oversteken.
De ballingen stroomden dan ook bij duizenden naar het
naburige Portugal,. te meer, omdat zij nog altijd de hoop
koesterden, dat Ferdinand en Isabella weder verlof zouden
geven tot hunne terugkomst, en zij dan des te spoediger
hun haardsteden weer konden opzoeken. Maar deze hoop
verwezenlijkte zich niet. Bovendien bespoedigde Joao hun
vertrek uit Portugal, daar zij de kiemen van eene ziekte, die
tijdens hun vlucht in Castihe uitgebroken was, medegebracht
hadden. Hij zorgde voor de noodige schepen. De matrozen en
kapiteins behandelden de nassagiers op ruwe en onmenschelijke wijze. Zij beroofden hen van hun kostbaarheden,
zelfs van hunne kleeding, zoodat deze als arme bedelaars aan
de Afrikaansche kust aan wal gezet werden, waar hun Been
andere uitweg open bleef, dan te sterven van honger en
ellende of zich aan de Mooren als slaven te verkoopen.
De kinderen beneden de tien jaar, voor wie hun ouders
bij hun toelating in Portugal geen hoofdgeld betaald hadden,
liet de koning naar de pas ontdekte St. Thomas eilanden
voeren, waar zij meerendeels den roofdieren tot prooi vielen.
Alle anderen, die op den bepaalden tijd het land niet verlaten hadden, maakte hij tot zijne lijfeigenen, Joao' s opvolger, don Manuel, gaf hun evenwel spoedig de vrijheid terug.
(1495). Over het algemeen was deze vorst den Joden zeer
ter wille. Uit dankbaarheid boden zij hem een belangrijke
som aan, die hij echter weigerde aan te nemen. Evenals
voorheen, verbond hij weder een Joodschen astronoom, die
te di'r tijd ook als astroloog dienst deed, aan zijn hof.
Het was Abraham Zacuto, wiens meetkunstige en astronomische berekeningen Vasco de Gama op zijne ontdekkingstochten groote diensten bewezen. Voor de Joodsche wetenschap heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt door zijne
Joodsche kroniek (Juchasin) i), van de schepping der wereld
homiletische verklaringen van Bijbel- en Talmudplaatsen
(111:,49 IT) en een supercommentaar op Nachmani' s PenI
• tateuchverklaring.
1)
/WV
129
tot op zijn tijd. Voor deze kroniek, die hij eerst later in
Tunis vervaardigde (1505), raadpleegde hij zoowel Joodsche
als niet-Joodsche bronnen.
De zon des geluks bescheen de Joden van Portugal
slechts voor korten tijd-. En toen deze ondergegaan was,
volgde een stikdonkere nacht. Don Manuel had het plan
opgevat, alle staten van het Hesperische schiereiland onder
zijn schepter te vereenigen. Te dien einde dong hij naar
de hand van donna Isabella, de jonge weduwe van zijn
overleden broeder Alfonso. Hare ouders, Ierdinand en
Isabella, stelden als eisch, dat hij aisdan alle Joden uit zijn
rijk moest verdrijven. Ook de bigotte vorstin wilde op geene
andere voorwaarde hare hand schenken. De koning beyond
zich thans in groote verlegenheid. Hij wilde zeer ongaarne
zoo vele nijverige, rijke en trouwe onderdanen, alleen ter
wille an het geloof, uit zijn land verbannen. Deze aangelegenheid vormde dan ook verscheiden maanden een
punt van ernstige bespreking in 's konings staatstaad. lie
gematigde geestelijken verzetten zich tegen een gewelddadigen doop ; de helderziende staatslieden wezen hem op
de groote nadeelen eener verdrijving. Na herhaalde beraadslagingen besloot Manuel eindelijk, de voorwaarde in te
willigen, waarop hij (24 December 1496) het besluit uitvaardigde, dat alle Joden binnen tien maanden zijn land
moesten verlaten. In dien tijd kcnden zij hun schulden
invorderen en alles voor het vertrek gereed maken. Op
dit bevel volgde in April (1597) een t aweede, nog strenger
besluit, en wel, dat de kinderen beneden de 14 jaar van
ouders, die zich niet aan den doop wilden onderwerpen,
aan hun familie ontrukt en aan Christenen ter opvoeding
zouden overgeleverd worden. Vertwijfeling maakte zich
van de ouders meester. Velen verborgen hun dierbare
panden, maar dit hielp niets, daar deze opgespoord en met
geweld naar de doopvont gesleurd werden. Nog trachtten
de Joden door hartroerend smeeken den koning te verbidden
tot intrekking van dit besluit. Maar in plaats daarvan
verscherpte hij het nog door de bepaling, dat ook de
jongelingen tusschen 14 en 20 jaar tot het Christendom
moesten overgaan. Zoozeer stond de jonge vorst reeds onder
den invloed van het Spaansche koningshuis. - Tooneelen
van onbeschrijfelijke ellende vonden alom plaats, vooral
in Portugals hoofdstad, waar ruim 20,000 menschen aangekomen waren, om zich voor den tocht in te schepen.
Hartverscheurende klaagtonen werden vernomen, toen
jongelingen uit de omhelzingen der ouders losgescheurd
en moeders door stokslagen genoodzaakt werden, van hun
teedero wichten afscheid te nemen. Vele ouders wierpen
moN. Gesch. III 9,
130
uit wanhoop hun telgen in het water of beroofden zich
zelf van het leven. Daar het op straffe des doods verboden
was, het Jodendom te belijden, werden iluizenden met
geweld naar de kerk gebracht, waar zij althans in schijn
het Christendom trouw zwoeren. Maar velen waren daartoe
niet te bewegen en vermeerderden door hun dood het
aantal van Israels martelaars en geloofshelden. Zoo waren
dan eindelijk de zonen Israels nit Portugal verdwenen (1498).
Daar zij in ditzelfde jaar ook Navarra moesten verlaten,
beyond zich op het Pyreneesche schiereiland niemand meer,
die openlijk het Jodendom erkende en de Mozaische wet
opvolgde. Groot daarentegen was nog altijd het aantal
dergenen, die, in spijt van inquisitie en brandstapels, eene
onuitbluschbare liefde voor het geloof hunner vaderen diep
in het hart verborgen en in het geheim den eenigen God
aanriepen, Israels Beschermer in stille aandacht bleven dienen.
HOOFDSTUK XXIX.
De Joden in de Nederlandsche gewesten
gedurende de middeleeuwen.
ederland
Naar het schijnt, behooren het tegenwoordige
en Beleie tot die landen van Europa, waar zich het laatst
Joden gevestigd hebben. VOOr de kruistochten werden zij
er hoogstwaarschijnlijk niet aangetroffen, daar wij uit dien
tijd niet de minste sporen vinden van het bestaan van
Joodsche gemeenten. In het begin der i4de eeuw woonden
zij echter reeds in Gent, Brugge en andere steden van
het handeldrijvende Vlaanderen. Het vermoeden, dat zich
onder dezen vele ballingen hevonden uit Engeland, is zeker
niet van alien grond ontbloot, alsook dat de handel op
den Levant, die toen hoofdzakelijk door de Vlamingsche
kooplieden gedreven werd, de komst van meer Joden uit
Duitschland en .Frankrijk bevorderde. Zij vestigden zich
aan de Schelde, .Lijs en bender. Ook woonden zij in het
midden der I 4de eeuw reeds in het nabijgelegen hertogdom
_Brabant. Zooals wij reeds vroeger (zie bl. 93) meldden, deelden
deze in de treurige vervolgingen, waardoor toen bijna het geheele Europeesche Jodendom geteisterd werd. Een rijke
Brusselsche Jood, waarschijnlijk de schatmeester van Jan III
hertog van Brabant, vermoedende, wat hem en zijn geloofsgenooten te wachten stond van de dweepzieke orde der geeselaars
of flagellanten, die met hun vuurroode kruizen het huffs
Israels met vuur en zwaard dreigden, begaf zich tot zijn
131
vorst en verzocht hem om bijzondere bescherming. De
hertog beloofde deze maar de komst der monniken
was voldoende, om de volkswoede op te wekken. Zoo
verbreidde zich ook in Brussel het gerucht, dat de Joden
de bronnen en waterputten vergilligd hadden. Woedende
kreten werden vernomen : men drong de huizen der weerlooze
Joden binnen, sleepte lien naar buiten, zoodat 500 van hen
onder de mishandelingen van het opgeruide gepeupel be-.
zweken. Onder de beschuldigden behoorde ook de schatmeester, wien volgens de middeleeuwsche gewoonte, op de
pijnbank eene bekentenis afgeperst werd. Sin'ds dien tijd
nam de haat steeds toe en werden zij eindelijk wegens
beschuldiging van hostieschennis uit het hertogdom verdreven (1370). Vele vluchtelingen vonden een veilige schuilplaats in het hertogdom Gelder en het graafschap Zutphen,
waar toen reeds een geest van verdraagzaamheid heerschte,
die zich bij het Nederlandsche yolk al meer ontwikkelde
en een van zijn edele karaktertrekken gebleven is. Reeds
vroeger (1349) had Reinoud HI van Gelder van zijn leenbeer, keizer Lodewijk IV, de vrijheid gekregen, in zijn
gebied Joden op te nemen en te beschermen. Een jaar
later vestigden zich dan ook enkele Duitsche Joden in
Nijmegen, Emmerik, Zutphen en Doesburg. De uittreksels
der hertogelijke rekeningen van dien tijd of bewijzen, dat
er voortdurend Joden van allerlei rang en stand in Gelder
en Zut.fthen woonden, van welke de hertog belastingen inde,
bijdragen ontving en geldsommen opnam, of die hem op
eenige andere wijze diensten bewezen. Hun getal nam
ongetwijfeld allengs toe, daar de hertogen hen voortdurend
in bescherming namen. Men vindt zelfs gewag gemaakt
van een besluit, door de burgemeesters en schepenen van
Arnhem uitgevaardigd (omstr. 1450, dat niemand aan de
Joden eenig nadeel zou doen, des daags noch des nachts,
in het geheini noch in het openbaar." Als een bewijs van
hun gunstigen toestand kan dienen, dat te dier tijd te
Arnhem een Jood tot stadsgeneesheer aangesteld werd.
Minder gunstig schijnt evenwel het lot der Joden in
het bisdom Utrecht geweest te zijn, alhoewel hun getal niet
belangrijk was. Het laat zich toch niet angers denken, dan
dat de bepalingen en verordeningen der concilien, die gewoonlijk van tijd tot tijd door pauselijke afgezanten afgekondigd werden, door de bisschoppen op hen toegepast
zijn. In het jaar 1444 werden zij dan ook uit Utrecht verdreven,
met de bepaling z dat indien zij er wederom aangetroffen
werden, men hen in de gevangenis zou leggen en bun
goederen aanhouden, totdat zij boete zouden hebben betaald
naar des raads goedvinden." Desniettemin heeft men hen later
132
in het niet ver van Utrecht gelegen Maarsen geduld. In
elk geval dacht men er in de Nederlandsche gewesten niet
aan, de Joden te behandelen zooals in andere linden, Het
spreekt van zelf, dat door de volkomen onbekendheid met
hun geloof en door hun vreemde gebruiken en gewoonten
veel vooroordeel jegens hen heerschte, ten gevolge waarvan zij
onder beperkende wetten moesten leven. Zoo bleven zij meerendeels van elk handwerk uitgesloten en werd hun van zelf
uitsluitend de handel aangewezen. In Gelderland was het
voornamelijk de kleinhandel, waarop zij zich toelegden. Hun
voornaamste woonplaats aldaar was _Nijmegen, van waar zij
het gemakkelijkst betrekkingen met bun geloofsgenooten in
Keulen, Wezel en andere steden der Rhijnstreek konden
aanknoopen, Of er in ons vaderland en in Belgie in de
middeleeuwen synagogen en Joodsche scholen waren, laat
zich niet met zekerheid beslissen. Te Bergen in Henegouwen,
waar de Joden een geheele wijk bewoonden, bezaten zij
ook waarschijnlijk eene synagoge, In Goch en Nijmegen
bezaten zij reeds op het einde van het bestuur der Geldersche
hertogen eene afzonderlijke begraafplaats. In Holland en
Zeeland woonden tijdens de grafelijke regeering nog geene
Joden, Over het algemeen wordt in de geschiedenis van
dit graafschap uiterst zelden van hen gewag gemaakt -vOOr
de rode eeuw. Enkele verordeningen aangaande hen schijnfn
meer te doelen op doortrekkende Joden. En toch was
dit juist het land, waar de dageraad der Nederlandsche
vrijheid aanbrak, die voor de Joodsche ballingen hare liefelijke
stralen in steeds toenemende volheid zou verspreiden.
esetOtnis
- VAN -
nd YOLK ISRAEL,
- DOOR -
M. MONASCH,
Corrector aan het Nederl. Israel. Seminarium.
DERDE DEEL.
II.
AMSTERDAM.
VAN CREVELD & Co.
1894.
DERDE TIJDVAK.
VAN DE VERDRIJVING DER JODEN UIT HET
PYRENEESCIIE SCHIEREILAND TOT DE YESTIGING
DER HARRANO'S IN NEDERLAND.
1498 —1590.
HOOFDSTUK XXX.
Inleiding.
Na de verdrijving der Joden uit Spanje en Portug-al
verplaatste zich het zwaartepunt van het Joodsche leven
voor een tijd lang naar het Oosten, In westelijk Europa
werden op het einde der middeleeuwen geene Joden meer
aangetroffen. Daarentegen woonden zij in groote menigte
in verschillende deelen van Duitschland, Polen, Moravia' en
Hon:rarije, welke landen onder den naam Aschkenaz begrepen zijn, en waarnaar zij zich Aschkenazim noernden.
Door de voortdurende vervolgingen en verdrijvingen hadden
zich ook Aschkenazim naar ltalie,Turkije, zelfs naar Palestina
begeven en aldaar gemeenten gesticht. Over het algemeen
vertoonden zij het treurige beeld van de vernedering en verguizing, waartoe een driehonderdjarig lijden hen gebracht
had. Stond de beschaving over het algemeen in Middenen Oost- Europa toen nog op een zeer laag peil, voor de
joden aldaar was de weg tot eene wetenschappelijke ontwikkeling geheel afgesneden, Zij waren gebannen uit de
maatschappij, verstooten uit de samenleving. De talmud-studie
alleen leschte hun dorst naar kennis en wetenschap, daaraan
wijdden zij dan ook al hun denkkracht. Het ghetto-leven
met zijn innige gemoedelijkheid bewaarde wel een heilige
Heide voor de Joodsche deugden, maar werkte aan den
Mox. Gesell. III,
10*
13 6
anderen kant nadeelig op de uiterlijke beschaving, drukte
op hen den stempel van eenzijdigheid en bekrompenheid,
deed lien elk gevoel van eigenwaarde uit bet oog ver
liezen, verstikte rechtmatigen trots. Welk een geheel
anderen indruk daarentegen maakten de ballingen uit Spanje
en Portugal, de Sefardische Joden. Ook hun geestkracht
was door de voortdurende rampen van de i5de eeuw aanmerkelijk verzwakt, maar toch hadden zij hun fierheid en
aangeboren ridderlijkheid nog niet geheel verloren. Men
herkende in hen nog de nakomelingen van een geslacht,
dat een hooge sport op de ladder van beschaving en
ontwikkeling bereikt had ; men merkte in hen de nazaten
van fiere, ridderlijke mannen, gewoon om te verkeeren in
de groote maatschappij. Hun geheel uiterlijk, bun taal,
beschaving, vormen en levensgewoonten drukten op hen
den stempel van een adellijke afstamming. Ook hun zin
voor Bijbel en Hebreeu-Tsche taalstudie, hun liefde voor de
wijsgeerige wetenschappen, hun heldere behandeling van den
Talmud, die zij, aan de Spaansche scholen ontleend, naar
de landen hunner ballingschap medevoerden, bewezen, dat
de sporen van het roemrijk verleden nog niet bij hen
uitgewischt waren. Zij begrepen, dat er buiten den Talmud
ook nog eene wereld bestond. [-let verschil tusschen de
Sefardische en Aschkenazische Joden was dan ook zoo
groot, dat de eersten, waar zij zich vestigden, in Italie,
Noord-Afrika, Turk e, Egypte en Palestina zich met de
laatsten niet vereenigden, maar afzonderlijke gemeenten, met
behoud van eigen ritus en ceremonien stichtten. Ook
plantten zij in bun kolonien de Spaansche of Portugeesche
taal voort en bleven getrouw aan hun zeden en gewoonten.
Door hun hoogere beschaving kregen zij weldra een overwegenden invloed boven de Aschkenazim, wisten zich toPgang
te verschaffen tot de paleizen der edelen en de hoven der
vorsten, namen een werkdadig aandeel aan de algemeene
cultuur. Daardoor traden bijna zij alleen gedurende de
eerste eeuw na hun verdrijving en zelfs nog eenigen tijd
'37
daarna op het tooneel der Joodsche" geschiedenis. Bij een
zoo wijde kloof tusschen de Sefardim en Aschkenazim en
een zoo breed verschil in levensomstandigheden zou wellicht
de scheidsmuur nog hooger geworden zijn, zoo niet de
Schulchan-aruch van Jozef Karo met de daaraan verbonden
toevoegingen van Mazes Isserles, verheven tot het eenig
erkende wetboek van het talmudisch Jodendom, meer toenadering gebracht en meer eenvormigheid in het ritueele
leven geschapen had. Maar bovendien was er nog een
band, die beiden, alhoewel uiterlijk gescheiden, toch innerlijk
vereenigde en verbroederde : de gemeenschappelijke verbeiding van de komst van den Messias, die Israel zal
bevrijden uit zijn ellende, voor jakobs kroest weder een
tijd van grootheid en macht zal doen aanbreken. Voor de
Spaansche ballingen werd deze hoop weder sterker gespannen,
hoe dichter zij naderden tot den bodem van Kenaan, de
ruine van vervlogen luister en majesteit. En voor de Joden
van Duitsche afkomst kon deze hoop niet anders dan verzachting aanbrengen in hun leed, leniging voor hun smarte.
Het is dan ook niet te verwonderen, dat nu en dan weder
valsche Messiassen optraden en zelfs nuchtere denkers zich
onledig hielden met de geheimzinnige berekeningen van
het zoo innig gewenschte verlossingsjaar ; niet te verwonderen,
dat de geheimzinnige Kabbala nog grooter uitbreiding en
meer vereering kreeg. Al bleken ook deze berekeningen
te falen en verscheen de Messias niet, toch opende zich
op het einde der i6de eeuw het vooruitzicht op een gegelukkiger tijd, toen Sefardische en kort daarna ook Aschkenazische Joden in het vrije Nederland een veilig oord,
een nieuw en gelukkig vaderland vonden.
138
HOOFDSTUK XXXI.
De pelgrimstochten der Spaansche en Portugeesche Joden.
1492 —1520.
Iedere bladzijde bijna van Israels geschiedenis geeft het
onwederlegbaar bewijs van eene Hoogere leiding, die dit
yolk in alle wisselingen van zijn levenslot bijgestaan heeft.
Juist vier tientallen jaren vOOr de verdrijving uit Spanje
was het oost Romeinsche rijk door de dappere Osmanen
te gronde gericht. Constantinopel, de grijze zetel van den
oud-Christelijken luister, zag de halve maan binnen zijne
poorten dragen. De Islam, die aanstonds van Spanje's
bodem zou verdwijnen, zegevierde in het Turksche rijk door
de wapenen van den bloeddorstigen Mohammed II, den
padissah der Osmanen. Al spoedig werd het bekend, dat
de Joden door de Turken veel menschlievender behandeld
werden dan door de Christenen. Mohammed, wien d. Joden
op zijne veroveringstochten trouw ter zijde stonden, zooals
ruim zeven eeuwen geleden hun geloofsgenooten in Spanje
aan de voortdringende Arabieren, schonk hun als sultan
het recht, zich overal in zijn rijk te vestigen en verzekerde
hen tevens vrijheid van godsdienst. Zijn Joodschen lijfarts,
Hakim Jakob, benoemde hij tot beheerder der staatsgelden
en Mozes Kapsali tot opperrabbijn van het geheele Turksche
rijk. Deze had als vertegenwoordiger van de Turksche Joden
zitting in den divan of den geheimen raad van den sultan, waar
hij plaats nam naast den mufti en de Grieksch-Christelijke
patriarchen. De berichten van den gunstigen toestand der
Joden in het nieuw gestichte rijk van den sultan bewogen
velen uit andere landen daarheen te trekken. Het werd
hun Dorado, zooals Izak Sarfati het op treffende wijze
schilderde in een schrijven aan zijne broeders in Duitschland
en Hongarije. Ook Palestina, waar zich sinds het einde
der kruistochten weder meer Joden neergezet hadden, die
zich op akkerbouw en veeteelt begonnen toe te leggen, zag
gaandeweg hun aantal toenernen, niettegenstaande de Franciskaner monniken dit trachtten te beletten. Al spoedig verrees
niet ver van het Franciskaner-klooster op den berg Tsion
eene synagoge. Mozes Kapsali leidde, niettegenstaande zijne
rijke inkomsten, een kluizenaarsleven. Hij vastte veel, sliep
meestal op den harden grond, kortom hij ontzeide zich de
meest gewone levensbehoeften. Evenwel werd hij door
geheime vijanden van ongodsdienstigheid beschuldigd. Wellicht geschiedde dit hoofdzakelijk door de Kareeten, die
den edelen rabbijn een vurigen haat toedroegen, omdat hij
hun volstrekt niet genegen was en elke poging tot ver-
1
39
broedering tusschen hen en de Rabba.nieten met kracht
onderdrukte. Ook in jeruzalem vonden door den naijver
en de oneenigheid der Joden, die uit onderscheiden landen
en in onderscheiden tijden daarheen getrokken waren, treurige
tooneelen plaats. De oudere bewoners wilden alle lasten
op de later aangekomenen laden, die, hiertoe volstrekt niet
bereid, de stad weder verlieten en de eersten in diepe
armoede achterlieten. De ellende klom zoo hoog, dat zij
hun hospitalen, kerkbehoeften ja zelfs de Torarollen moesten
verkoopen. Velen gingen tot het Mohammedaansche geloof
over, in de hoop, daardoor uit hun drukkenden nood gered
te worden. Van de gelden, die van heinde en ver samenvloeiden tot leniging van de ramp en tot het bouwen van
de noodige gestichten, behielden de gemeentehoofden het
grootste deel voor zich zelf. Aan dezen treurigen en
ellendigen toestand werd een einde gemaakt door den vroeger
genoemden (zie bl. 119) Italiaanschen rabbijn Obadja da
Bertinoro, die, hiervan onderricht, met negen geloofsbroeders
naar de heilige stad vertrok (1485). Bij zijne aankomst
ontwaarde hij, dat de berichten volstrekt niet overdreven
waren. Er heerschte eene algemeene verwildering, grove
onwetendheid, willekeur en ontaarding. Maar da Bertinoro
liet zich daardoor volstrekt niet afschrikken. Integendeel,
dit spoorde hem aan, met des te meer 'geestkracht op te
treden en met des te grooter ijver zijn taak als geestelijk
herder te aanvaarden. Door leering en onderricht, door
opwekkende en stichtende toespraken hoopte hij weder leven
te brengen in de wegkwijnende gemeente, liefde in te
boezemen voor kennis en beschaving, het kwaad met wortel
en tak uit te roeien. Dag aan dag gaf hij onderricht in
de grondbeginselen van het geloof, ter wijl hij bovendien
tweemaal in de maand den volke het woord Gods verkondigde,
Om de kennis der mondelinge leer te verbreiden onder hen,
die nog niet rijp waren voor de ingewikkelde talmudstudie,
leeraarde hij slechts de Mischna. Het komt ons dan ook
niet onaannemelijk voor, dat zijne bekende verklaring van
de Mischna door hem eerst in Jeruzalem bewerkt is. 1)
Hij had daarmede hoofdzakelijk ten doel, zijn gemeenteleden in de gelegenheid te stellen, zich zeif verder te bekwamen in de traditioneele wet. Slechts enkelen gaf hij
onderricht in den Talmud. 2) Door zijne zachtmoedigheid
1) Zie hierover uitvoeriger Abraham Liincz w.,r/11, 2 den
jaargang.
2) Da Bertinoro schreef ook een supercommentaar op
Raschie's Pentateuch-verklaring onder den naam 'p My
"T
"
1
40
en voorkomendheid, gepaard met ernst en
hij zijn onvermoeid arbeiden met den scl
bekroond. Men eerde en beminde hem ;
des lands kwam men tot den geliefden rab
mond wijsheid te hooren." Nog geen t
Bertinoro's komst was de Joodsche bevolk'
reeds tot 1500 gezinnen aangegroeid, ter
slechts 7o familien telde.
Turkije nu, dat reeds v6Or de verdr .
zijne poorten voor de Joden geopend had
vaderland van vele Iberische ballingen.
Bajasid II ([481-1512), begreep betel
zijn staat dan het Spaansche koningspaar
fanatisme zijn land van het nijverste e
beroofd had. Hij nam de Joodsche vluchtelingen gastv,,
op en beval zijn ambtenaren, hen menschlievend te behandelen. Onder hen bevonden zich vele bekwame handwerkslieden, kunstenaars, industrieelen en geleerden, die den
bloei van zijn land in hooge mate bevorderden. Door de
komst van duizenden ballingen ontstonden overal Joodsche
gemeenten of breidden zich de bestaande aanmerkelijk uit.
Constantino,el, Adrianopel, Salonichi, Gallipoli en andere
steden werden door hen sterk bevolkt. Zij vereenigden
zich naar de steden of gewesten, van waar zij kwamen en
stichtten afzonderlijke gemeenten (kehilla's), ieder met behoud
van haar eigen ritus, kerkelijk bestuur, school- en armwezen.
Zoo telde Constantinopel eene bevolking van 30.000 Joden,
die verdeeld waren in 44 gemeenten. Naast eene Grieksche,
Hongaarsche en Duitsche gemeente kwam nu ook eene
Portugeesche, Castiliaansche, Toledaansche, Cordovaansche
e. a. De Spaansche Joden overtroffen de overige bevolking
in beschaving en ontwikkeling. De handel kwam spoedig
in hun handen, de beroemdste en meest gezochte artsen
werden onder hen aangetroffen, als taalgeleerden en tolken
bewezen zij uitstekende diensten en het duurde niet lang,
of zij werden ook met gewichtige staatsbetrekkingen
bekleed. De ballingen troffen evenwel in Turkije ook
bekwame en aanzienlijke geloofsgenooten aan, onder welke
de eerste plaats innam R. Elia Mizrachi (1456-1525) ; de
opvolger van Kapsali in het opperrabbinaat van Turkije.
Gevormd in de school van Juda Minz, bezat hij reeds in
zijne jeugd grooten naam als talmudist, alhoewel hij ook
van andere wetenschappen, vooral van wis- en sterrenkunde,
De beschrijving van zijne reis naar het heilige land bevat
vele belangrijke aanteekeningen.
veel werk• maakte. Hij verklaarde de werken van Ptolomeus
en Euklides en schreef een handboek over rekenkunde en
algebra, ') waarvan later een uittreksel in het Latijn vervaardigd is. Mizrachi is vooral bekend door zijn uitvoerigen
commentaar van Raschie' s Pentateuch-verklaring, waaruit
zijne talmudische geleerdheid duidelijk blijkt. Mordechai
Comtino, zijn leermeester in de wiskunde, had hem tot verdraagzaamheid jegens de Kargeten aangespoord, die in den
vorigen opperrabbijn alles behalve een vriend gevonden
hadden. Mizrachi' s bloedverwant, Elia Kapsali uit Candia,
schreef in zuiver Hebreeuwsch eene geschiedenis van de
nieuw-Turksche dynastie (1523), waarin hij vele belangrijke
mededeelingen vlocht over de lotgevallen en den toenmaligen toestand der Spaansche ballingen.
Vele Joden zochten een toevluchtsoord op de NoordAfrikeransche kust, waar in de laatste eeuw reeds meer van
hun geloofsgenooten bescherming gezocht hadden tegen de
geloofsvervolging in Spanje. Maar zij werden daar over
het algemeen niet zoo gunstig opgenomen als in het Turksche
rijk. Integendeel, in verschillende steden van het tegenwoordige Algerie, als : Oran , Algiers, 2) Tlemsen trad de
l3arbarijsche bevolking vijandel
ijk tegen hen op. In Tlemsen
zette zich de jeugdige geleerde Jakob Berab (gest. 1541)
neder, een van de beroemdste talmudisten uit de 16" e eeuw.
Geen beter lot wachtte hen, die zich naar Fez begaven.
Daar werden zij, gekweld door honger en ziekte, door de
fanatieke inwoners zoo mishandeld, dat velen hunner bezweken. Deze onmenschelijke bejegening trof de ballingen
des te harder, omdat in Fez eene belangrijke Joodsche gemeente bestond en een Jood Samuel Alvalensi aldaar eene
hooge staatsbetrekking bekleedde. Naar Tunis begaven
zich de grijze Abraham Zacuto, de schrijver van juchasin
(zie bl. 128) en zijn leerling Mozes Alaschkar, een voorstander van de Kabbala, maar tevens een vereerder van
Maimuni. Naar het schijnt, achtten zij zich aldaar op den
duur niet veilig. Zij verlieten althans met vele anderen
Tunis, om zich naar het Oosten te begeven. Zacuto ging
naar Turkij e, waar hij kort na zijne komst overleed (1515);
Alaschkar naar _Egypte, waar hij zoowel door zijn talmudische
bekwaamheid als door zijn rijkdom grooten invloed verkreeg.
Naar Egypte en wel vooral naar de hoofdstad Kairo hadden
1)-Isonn
2) Aldaar stond Simon Duran II aan het hoofd der
gemeente, die zich zeer verdienstelijk gemaakt heeft jegens
de Spaansche ballingen.
14 2
zich evened-1s vele ballingen begeven, die daar spoedig een
groot overwicht verkregen op de oorspronkelijke Joodsche
bevolking. De Joodsche gemeenten van Egypte stonden
alle onder een opperrechter of vorst (Nagid of Reisch), die
tevens hoofd van het rabbinaat was. Als zoodanig fungeerde toen Izak Konen Schalal, een man van streng
eerlijke beginselen. Overtuigd, dat zich onder de Spaansche
vluchtelingen mannen van groote bekwaamheid op talmudisch
gebied bevonden, nam hij deze gaarne op in het college
der Egyptische rabbijnen. Tot deze behoorden de genoemden Berab, Alaschkar en David ibn Zirnra. De
laatste paarde aan geleerdheid een onbegrensden weldadigheidszin. Naar het schijnt, bracht sultan Selim
de opvolger van Bajasid H, die Egypte bij het Turksche
rijk voegde, eene geheele verandering in het beheer van
het Egyptische Jodendom. Hij hief de waardigheid van
Nagid met al de daaraan verbonden functien op en schonk
iedere gemeente het recht, een rabbijn te kiezen en haar
aangelegenheden zelf te beheeren. De laatste Nagid, Izak
Schalal, begaf zich naar jeruzalem (1521), waar hij veel
deed in het belang der weder tot bloei geraakte gemeente.
Het rabbinaat van Kairo werd opgedragen aan den genoemden Radbaz, een man van vele voortreffelijke eigenschappen. De Joden hadden veel bijgedragen tot de verovering van Egypte door de Turken. Een Jood, Abraham
de Castro, bekleedde aldaar een hooge waardigheid, die
hem door den sultan verleend was. Reeds kort na hun
onderwerping aa.n Turkije werden zij door een groot gevaar
bedreigd. De Egyptische pacha, Achmed Schaitan, wilde
zich onafhankelijk maken van den sultan en toen dezen
dit door de Castro verraden werd, nam de pacha bittere
wraak op de Joden van Kairo. Hij liet hen door de Mameluken geheel uitplunderen en daarna alien gevangen nemen.
De dood van den pacha redde hen uit hun levensgevaar
en gaf weder verademing aan de Egyptische Joden over
het algemeen, die nog langen tijd den dag der redding
(28 Adar 1524) onder den naam van Purim-Kairo als . een,
gedenkdag vierden.
HOOFI)STUK XXXII,
Vervolg.
Evenals het Oosten werd ook /ta/ie door Spaansche en
Portugeesche vluchtelingen als het ware overstroomd. Vooral
Hij is de schrijver van T"311 1 vv.
1
43
in Ferrara, Venetia, Padua, Ancona en Livorno vestigden
zij zich in groote menigte. Belangrijk vooral was het aantal,
dat zich te Napels vestigde. Onder de aldaar aangekomenen
behoorde ook Izak Abarbanel. Toen onder ben eene hevige
ziekte uitbrak, die talrijke verwoestingen aanrichtte, drongen
de adel en het yolk, uit vrees voor besmetting, bij koning
Ferdinand V aan tot hun verdrijving uit het koninkrijk.
Maar deze wees dit van de hand en liet voor hen buiten
de stad ziekenhuizen oprichten. Abarbanel hervatte in
Napels zijn wetenschappelijken arbeid. Hij voltooide er
de verklaring van de boeken der Koningen. Maar spoedig
verbond Ferdinand hem aan het hof en bekleedde hem
met eene staatkundige waardigheid, die hij ook onder diens
zoon Alfonso II behield. Ook deze behandelde de Joden
met groote menschlievendheid. Deze bewijzen van deelneming in hun deerniswaardig lot ondervonden evenwel
volstrek t niet alien, die in /tafie eene schuilplaats zochten.
Zoo behandelden de Genueesche schippers hen op zulk
eene wreede, ruwe en onbetamelijke wijze, dat de meeste
vrouweltjke passagiers, die zich aan hen toevertrouwd hadden,
zich in de golven wierpen, orn niet in de handen dezer
wellustige en verdierlijkte matrozen te vallen. De rest, in
Genua aangekomen, mocht, krachtens eene aldaar bestaande
wet, niet langer dan drie dagen blijven. Velen lieten zich,
uitgemergeld en bijna wanhopend door den honger, voor
eene bete broods doopen. Voorwaar, eene groote aanwinst
voor de Kerk ! Anderen begaven zich naar Rome, maar
vonden aldaar bij hun geloofsgenooten weinig medelijden.
Niet minder hachelijk werd intusschen het lot van de naar
Nape's gevluchten, toen .Karel VII van .Frankrijk zich van
dit koninkrijk meester gemaakt had 495). Zij moesten
zich aan den doop onderwerpen, of onmiddellijk hun nieuwe
wijkplaats verlaten. Ook de Joodsche gemeente te Pisa
had veel te lijden van de gewelddadigheden der doortrekkende Fransche troepen. Velen, die in Florence eene
schuilplaats gevonden hadden, moesten deze stad eveneens
weldra verlaten ten gevolge van de woelingen aldaar uitgebroken door het optreden van den hervortner Savonarola.
Abarbanel begeleidde zijn koninklijken begunstiger op diens
vlucht naar Sicilie. Na den dood van zijn vorst dooldde
hij, beroofd van zijne bibliotheek en zijn vermogen, van
de eene stad naar de andere. Geruirnen tijd hield hij zich
als arts in Monopoli (in Apulie) op, totdat hij zich eindelijk
bij een zijner zonen in Veneta'e vestigde, alwaar hij op twee
en zeventigjarigen ouderdom overleed. Zijn lijk werd te
Padua begraven. Don Izak Abarbanel heeft zich grooten
roem verworven door zijn uitvoerigen commentaar, die zich,
I
44
met uitzondering van een deel der Hagiographen, over alle
Bijbelboeken uitstrekt. Zijne vertrouwdheid met de geheele
Joodsche literatuur en met de geestesproducten van de
Joodsche, Arabische en Christelijke philosofen blijkt meer
dan eens uit dien uitvoerigen, in schoone taal en sierlijken
stijl geschreven commentaar. Aan zijn helderen blik ontsnapte geen enkele moeielijkheid, die zich bij het nauwkeurig
lezen van den Bijbel opwerpt. Deze moeielijkheden of
vragen nu worden telkens aan het begin van een hoofdstuk
of afdeeling gegroepeerd en daarna opgelost naar aanleiding
van eene algemeene beschouwing, die vaak getuigt van een
diepen historischen blik en ook meestal zeer verrassend
is. Behalve deze breede Bijbelverklaring• vervaardigde hij
nog andere geschriften, als : eene verklaring van de Spreuken
der vaderen, van de Pesach-haggada, van Maimuni's More,
die hij evenwel niet voltooide, en een werkje over de Joodsche
geloofsleer. 1) Daarin verklaarde hij zich tegen het vaststellen van geloofsartikelen, zooals door Maimuni, Crescas
en Albo geschied was, daar alle wetten van het Jodendom
dezelfde bindende kracht hebben. Eindelijk schreef hij
eenige werkjes 2) over de Messias-leer, de opstanding, straf
en belooning, die voornamelijk dienden, om zijne geloofsbroeders op te wekken tot vertrouwen in de beloften van
Israels schitterende toekomst. Hij moet ook het voornemen
gehad hebben, de geschiedeuis van zijn yolk te beschrij yen.
Jammer slechts, dat het bij het voornemen gebleven is.
Een deel zijner werken voltooide hij nog in Castifie, maar
de meeste schreef hij onder de treurigste omstandigheden
op zijne latere zwerftochten. Zij zijn een rijke bron voor
de kennis der literatuur uit dien tijd, omdat Abarbanel de
gewoonte had vee1 aan te halen uit de geEchriften van
voorgangers en tijdgenooten.
Frankrijk bleef intusschen niet lang in het bezit van het
koninkrijk Napels, daar het door de overwinning van Gonzalvo van Cordova in de macht van Spanje kwam. Gonzalvo
werd als belooning voor deze overwinning vice-koning van
Nopels. Deze benoemde tot zijn lijfarts Abarbanels zoon
Juda, meer bekend onder den naam van Leo medigo of
Leo Hebreo, aan wiens invloed het waarschijnlijk moet
toegeschreven worden, dat het bevel van S.panie' s koning
tot verdrijving der Joden uit het veroverde land niet tot
uitvoering kwam. Daarentegen kwam in Benevento een
1
) rainx
en Irilten :11*Ple'
Hiertoe behooren o. a.
runtei pnzin
T45
rechtbank der inquisitie, om de marrano's te vervolgen.
Ook in de republieken Genua en Venetie liet de toestand der
Joden nu en dan veel te wenschen over. Leo medi:go
vestigde zich later in eerstgenoemde stad, waar hij in het
Italiaansch zijn philosofische gesprekken over de lief de (dialoghi
di amore) schreef, die evenwel niet tot de Joodsche letterkunde
gerekend kunnen worden. aanzienlijkste Jood van Rafie
in het begin der 16de eeuw was Samuel Abarbanel. Evenals
zijn vader betrad ook hij de politieke loopbaan en werd
eindelijk de schatmeester van don Pedro de Toledo, vicekoning van Nape's. Zijn tijdgenooten prijzen hem eenparig
wegens zijn voortreffelijk karakter, maar met niet minder
lof maken zij gewag van zijne edele gade Benvenida. Deze
beroemde donna paarde aan ware vroomheid en echt
Joodschen weldadigheidszin zulk eene hooge beschaving,
dat de vice-koning haar de opvoeding en leiding zijner
dochter Eleonora toevertrouwde. Het edele echtpaar, Samuel
en Benvenida, in welks huis de gastvrijheid in den ruimsten
zin des woords gehuldigd en de Joodsche wetenschap beoefend werd, was de trots van het geheele Italiaansche
Jodendom. Zoowel Joodsche- als Christelijke geleerden
vonden bij hen steun en de grootste welwillendheid. Vooral
de studie van Bijbel en Hebreeuwsche taal vond toen in
hafie hare vertegenwoordigers in Elia Levi/a, Abraham de
Balmes en Obadja di Sforno.
Elia Levita, eigenlijk Elia b. Ascher halllvie geheeten,
(I47 2- I 549), was afkomstig uit Neustadt bij N eurenbera.
Nadat hij langen tijd in zijn vaderland had rondgezworven,
kwam hij in het begin der 1 6de eeuw in Padua, waar hij
gedurende vijf jaar (tot 1509) onderwijs gaf in de Hebreeuwsche
taal. Genoodzaakt ook deze stad te verlaten, ging hij naar
Venetie en vervolgens naar Rome. Te midden zijner zwerftochten bleef hij zich verdiepen in de studie der gewijde
taal en Massora, alhoewel hij ook in den Talmud niet
onbedreven was. In Rome vooral kreeg hij onder de
Christenen grooten naam als Hebreeuwsch taalvorscher.
Onder de vele aanzienlijke mannen, die zich door hem in
deze taal lieten inwijden, behoorde vooral de kardinaal
Eoidio di Viterbo. .Levita stond in vriendschappekk verkeer
met de beroemdste geleerden van Italie. Zelfs buiten dit
land drong zijn roem door, zoodat Frans Ivan Frankrijk
hem een leerstoel in het Hebreeuwsch aanbood aan de
hoogeschool te Parijs, waarvoor hij echter bedankte. Na
de verovering en plundering van Rome door het DuitschSpaansche leger (15 2 7 ) moest hij deze stad, waar hij veertien
jaar gewoond had, verlaten. Hij keerde weder naar Venetie
terug. Daniel Bomberg verbond hem aan zijrie beroemde
1
46
drukkerij, waarvoor hij tot zijn dood bijna onafgebroken
werkzaam bleef. Bescheiden in zijn leven en nederig in
de wetenschap arbeidde _Levita met onverdroten ijver op
het gebied der Hebreeuwsche taalwetenschap. Al kunnen
zijne talrijke werken ook niet altijd bogen op oorspronkelijkheid en diepzinnig onderzoek, zij getuigen toch van eene
veelzijdige en methodische kennis. Hij was een vlijtig beoefenaar van Redaks werken, wiens ilfichlol en woordenboek
door hem met belangrijke opmerkingen verrijkt werden.
Zijn eerst zelfstandig werk was een onder den titel habbachur 1)
goed bewerkte grammatica, die hij zijn vriend Egi dio di
Viterbo opdroeg (1517), Een jaar daarna verscheen van
hem harkaba, 2 over twee- of meerledige onregelmatige
woordvormen. Van groote beteekenis is zijne inlei ding tot
de massor etische wetenschap 3) (1538), welk werk evenwel de
goedkeuring van zijne strenggeloovige geloofsgenooten niet kon
wegdragen. Te Isny, waar hij eenige jaren op aanbeveling
van zijn leerling Paulus Fagus aan het hoofd eener kort
te voren opgerichte Hebreeuwsche drukkerij stond, verschenen
van hem Tischbie, 4) behelzende eene verklaring van 712
rabbijnsche woorden, en Meturgeman 5) (i541), een woordenboek over de Targumim. lienige dezer geschriften werden
later in het Latijn vertaald ; het eerstgenoemde door zijn
voormaligen leerling Sebastiaan Munster, professor te Bazel.
Behalve aridere kleinere geschriften vertaalde hij nog op
hoogen ouderdom de Psalmen in het Duitsch. Zoo bleef
hij tot het einde van zijn leven arbeiden op een gebied,
dat hem lief was en waarvoor hij ook bij anderen liefde
wist op te wekken. Evenals door Levita werd de Hebreeuwsche
taalkennis in Christelijke kringen verspreid door Abraham
de Balines, schrijver van een belangrijke Hebreeuvvsche
grammatica 6) en door Obadj a di Sforno, eveneens een veelzijdig ontwikkeld en wijsgeerig gevormd geleerde. Deze laatste
commenteerde verscheidene boeken der H. S. Eene afdeeling
van zijn Koheleth-commentaar droeg hij aan Hendrik II
van Frankrijk op. In Ferraraleefde toen Abraham .Farissol
(gest. 1525) afkomstig uit Avignon, die ook eene verklaring
)
)) Minn. Naar deze eersteling zijner pennevruchten wordt
T
hij gewoonlijk 1111n ITT7N genoemd.
-
pm-Dv%
4)
r
2
)
T• .•
) ornmx rypn.
)
TT
-
een bijnaam van den profeet Elia,
,-die juist 712 in getallenwaarde bevat.
6
7nn-1m 8 milin
5) itrlint.
1
47
van eenige Bijbelboeken schreef, van welke vooral die op
het bock Ijob zeer gewaardeerd wordt, Farissollegde zich
ook met veel vlijt toe op de aardrijkskunde. Hij schreef
daarover zelfs een werk, waarin hij o. a. op grond van
de nauwkeurigheid, waarmede de Bijbel steeds de ligging
van steden en landen aangeeft, gelegenheid vindt tot een
krachtig verwijt jegens hen, die deze wetenschap als onnuttig
en doelloos verwaarloozen. Hij verkeerde veel aan het hof
van den hertog van Ferrara, .Ercole I, een bevorderaar
van kunsten en wetenschappen. Op diens uitnoodiging hield
hij aldaar van tijd tot tijd godsdienst-disputen met Christelijke
geleerden, die later door hem onder den naam Hagen
Abraham 2) te bock gesteld en voor hen, die met het
fiebreeuwsch Qnbekencl waren, in bet Italiaansch vertaald zijn,
HOOF DSTUK XXXIII.
Reuchlin en Pfefferkorn.
1509-1520.
Talrijke verschijnselen op staatkundig, godsdienstig en
wetenschappelijk gebied verkondigden het einde der middeleeuwen. De ontdekking van de nieuwe wereld verruimde
als het ware den gezichtskring der oude. Terwijl de
scholastiek der middeleeuwen de dorheid zelve geworden
was, openbaarde zich daartegenover het streven naar eene
vrije, veelzijdige ontwikkeling van den geest. Daartoe was
evenwel leiding en onderricht noodig. Waar nu kon men
deze beter vinden dan in de geschriften der klassieke oudheid,
in de reusachtige voortbrengselen van den Griekschen en
Romeinschen geest ? Deze nieuwe richting nu had zich reeds
ruim eene eeuw vroeger in /tale vertoond, waar zoowel
de taal als de resten van eeuwenoude gebouwen en grijze
kunstwerken het meest de herinnering aan de oudheid bewaard hadden. Dit land werd dan ook, zooals wij reeds
zagen, de bakermat van het humanisme de bodem, waar
zich de wetenschap het eerst losmaakte van alle kerkelijke
banden. In Duitschland evenwel, waar het godsdienstig
bewustzijn en de eerbied voor de godsdienstige denkbeelden
der vaderen — een eigenschap den Germanen eigen
dieper dan elders wortel geschoten hadden, werd te gelijk
1
) thip rnmix ;rum.
2) cm= p?.
1
48
met de herleving der klassieke oudheid ook meer belangstelling opgewekt voor het oude testament, voor dien grijzen
Bijbel, waaruit zooals men meende — het nieuwe testament
voortgevloeid, de evangelien geboren waren, Men gevoelde
de behoefte, den Bijbel in zijn oorspronkelijke taal te leeren
en te begrijpen, al was men ook nog vol vooroordeel
jegens het yolk, dat dezen bewaard, voor diens behoud
zooveel gestreden en geleden had. De eerste onder de
Duitsche humanisten, die daarvoor ijverde en een bijzondere
liefde voor de Hebreeuwsche taal en letterkunde aan den
dag legde, was de geleerde Johannes Reuchlin (geb. te
Pforzheim in 1455). Deze grondige kenner van de Latijnsche
en Grieksche talen rnaakte op zijn vele reizen kennis met
den geleerden Pico da Mirandola, die bij hem eene bijzondere
liefde voor de Kabbala wist op te wekken. Eene nadere
kennismaking met deze geheimzinnige wetenschap spoorde
hem als van zelf aan tot de beoefening van de Hebreeuwsche
taal, waarin hij zich tijdens zijn verblijf te Rome-liet onderrichten door Obadja di Sforno. Ook verkeerde hij veel
met Jakob Loans, I) den geleerden lijfarts van keizer Frederik
en met Jakob Margaith uit Neurenberg, waardoor
zijn kennis van de Hebreeuwsche en rabbijnsche literatuur
zeer toenam. De veelvuldige werkzaamheden, die hij als
rechter van het Zwabische verbond te verrichten had, weerhielden den ijverigen man niet, zich met vlijt en inspanning
te blijven wijden aan zijne geliefde Joodsche studie, waarin
hij het eindelijk zoo ver bracht, dat hij eene Hebreeuwsche
spraakleer (rudimenta Hebreae linguae) bewerkte (1506).
Zoo ver had nog geen Christen het vOOr hem gebracht.
De verschijning van deze grammatica was den voorstanders
van de nieuwe richting, den vrienden der wetenschap, zeer
welkom. Niet alzoo haren tegenstanders, die voor het
behoud van het oude ijverden en het menschdom liever
gekluisterd zagen in de boeien van onwetendheid en dom
bijgeloof. Zij schuwden het licht, dat het akelig donker
der middeleeuwen zou doen verdwijnen, en werden daarom
door de humanisten met den naam van duisterlingen (obscuri
viri) gebrandmerkt. Zooals te begrijpen is, waren ook de
Joden een doom in de oogen dier duisterlingen. die dit
zwakke yolk gaarne wilden berooven van hun zedelijken
steun, van hun krachtig levenselement, dat bestond in de
rabbijnsche geschriften en vooral in den Talmud. Zij deden
Jozef Loans uit .Rosheim (fosse' Rosheim)
was door
Frederik benoemd als vertegenwoordiger van het Duitsche
Jodendom op de riiksdagen,
1 49
daarom alle pogingen, om de Duitsche natie tegen hen en
hunne literatuur in het harnas te jagen, Dit helsche plan
beoogden voornamelijk de Dominikaner-monniken te Keulen,
aan wier hoofd Jakob van Hoogstraten stond, de Torquemada
van het Noorden. Deze verblinde ketterjager vond twee
wakkere bondgenooten in Arnold uit Tongeren en Ortuinus
de Graes (Gratius) uit Deventer.
De laatste legde 'zich
hoofdzakelijk toe op het vervaardigen van schotschriften
tegen de Joden. Maar daar hij in de Joodsche wetten al
zeer onbedreven was, zocht hij, zooals de meeste lieden
van dit slag, hulp bij gedoopte Joden. Deze nu vond hij
bij zekeren Victor van Karben, die op zijn vijftigste jaar
tot het Christendom overgegaan was en het reeds zoover
gebracht had, dat door zijn lastertaal zijne stamgenooten
uit het keurvorstendom Keulen verjaagd waren. Deze gewetenlooze bedrieger nu leverde Ortuinus de stof voor het
eerste pamflet, dat van de zijde der Dominikanen verscheen,
onder den titel : over het leve'i en de zeden der Joden (i504).
Dit werd spoedig gevolgd door eene reeks schotschriften,
die waarschijnlijk alle uit de pen van Ortuinus vloeiden,
maar onder den naam van een anderen afvalligen Jood, een
gedienstig werktuig in de hand der Keulsche dompers, het
licht zagen. Het was fozef Pfefferhorn, een laag en verachtelijk wezen, afkomstig uit Moravia'. Wegens inbraak
en diefstal gerechtelijk vervolgd, ging hij, toen hij bij zijne
geloofsgenooten geen toegang meer kon vinden, met zijn
gezin tot het Christendom over, in zijn hart een diepen
haat tegen Joden en Jodendom verbergend. Ofschoon hij
van Talmud en Joodsche wetenschap zeer weinig wist,
geloofde hij toch, met zijne weinige en oppervlakkige kennis
den Jodenvijanden nog van veel nut te kunnen wezen en
daarvan genoeg voordeel te trekken. Tot wie zou hij zich
dus eerder wenden dan tot de Dominikanen ? Dezen waren
over deze aanwinst dan ook zeer verheugd. Zoo sloot
Johan Pfefferkorn
dezen naam had hij na zijn doop
aangenomen — een verbond met de duisterlingen, dat den
Joden van het Duitsche rijk niet veel goeds voorspelde.
In weinige jaren verscheen een reeks smaadschriften tegen
de Joden, meestal tegelijk in het Latijn en Duitsch, waarvan
het eene al meer laster bevatte dan het andere, en waarin
steeds aangedro.ngen werd op de vernietiging van de Joodsche
literatuur. Het +eerste dezer scliandelijke pamfletten, onder
den naam van Pfefferkorn uitgegeven, heette de spiegel der
vermaning (1507), dat hoofdzakelijk ten doel had, den Joden
den woeker te verbieden, hen tot het aanhooren van Christelijke predikatien te dwingen en den Talmud te verdoemen,
die allerlei laster bevatte tegen den stichter van het Christens
Mox. Gesch. III 11,
I5 0
dom. Kort daarna verscheen de jodenbiecht (1508), waarin
met de Joodsche gebruiken de spot gedreven en het den
vorsten tot plicht gesteld werd, de Joden uit Duitschland
te verdrijven, zooals dit reeds in .Franhrijk en Spanje geschied was. In het daarop volgende geschrift het Paaschfeest
(1509) ging de onverlaat nog een stag verder. Hij spoorde
de Christenen aan, » de schurftige honden" te verjagen en de
vorsten, die hen nog in bescherming wilden nemen, door
oproer en geweld daartoe te dwingen. Maar de tijd was
voorbij, waarin dusdanige opruiende taal algemeenen bijval
vond. Integendeel, de beschaafde Christenen, al waren zij
ook nog lang niet van den Jodenhaat genezen, koesterden
toch diepe minachting voor den gewetenloozen verrader.
Zij begrepen dat slechts wraak en eigenbelang de drijfveeren
van dit lage geschrijf waren. Nog eenmaal waagden de
Dominikanen hun doel te bereiken door een ander onder
Pfefferkorns naam uitgegeven smaadschrift, de Jodenvijand.
Thans werden niet alleen de Joodsche kooplieden van
woeker, maar ook de Joodsche geneesheeren van kwakzalverij beschuldigd. Overigens werd ook in dit pamflet,
evenals in alle vorige, aangedrongen op de vernietiging van
den Talmud. Wat in Spanje onlangs op last der inquisitie
met den Koran en de overige Mohammedaansche geschriften
geschied was, moest thans op last der geestelijkheid in
Duitschland met de foodsche literatuur plaats vinden.
De Dominikanen begonnen evenwel te begrijpen, dat het
zonder toestemming van keizer Maximiliaan nooit zoover
kon komen, als zij wenschten. Zij besloten daarom 's keizers
zuster Kunzunde, vroeger hertogin van Beieren, thans abdis
van een Franciskaner-nonnenklooster te Munchen, voor hun
plan te winnen. Pfefferkorn werd tot dit doel afgevaardigd.
Kunio'crunde schonk geloof aan den vuigen laster en gaf den
verstokten booswicht een aanbevelingsbrief mede voor haar
broeder, met het dringend verzoek, den rechtrnatigen eisch
der Dominikanen in te willigen. Daarmede snelde hij naar
Italic, waar zich Maximiliaan beyond. Alhoewel persoonlijk
den Joden niet vijandig gezind, vaardigde de keizer toch,
uit welwillendheid jegens zijne zuster, het bevel uit, dat men
in het geheele Duitsche rijk hun geschriften zou onderzoeken,
en degene, die aandruischten tegen het Christelijk geloof,
moest vernietigen (i 509). Nu sloeg Pfefferkorn, gesteund
door de Dominikanen, onmiddellijk de handen aan het werk.
Het eerst liet hij in Frankfort, den zetel van de geleerdste
Joden, de Talmud-exemplaren en andere rabbijnsche geschriften in beslag namen, zonder zich te bekommeren om
het verzet der Joden, die hem, op grond van een keizerlijken
vrijheidsbrief, het recht ontzeiden, hun eigendom aan te
1
51
tasten, Maar Ural van Gemmingen, de edeldenkende keurvorst en aartsbisschop van Mainz, sprong voor hen in de
ores, zoodat de raad van Frankfort zich voorloopig onthield, Pfefferkorn de beloofde hulp te verleenen, De keurvorst ging nog verder. Hij wendde zich tot den keizer,
dien hij verzocht, het onderzoek in ieder geval aan een
onbevooroordeeld geleerde op te dragen. Bij deze gelegenheid moet ook Reuchlin genoemd zijn. Pfefferkorn bezocht
hem althans en versterkte de Dominikanen in hun hoop,
dien beroemden geleerde en grondigen kenner van het
Hebreeuwsch voor hun zaak te winnen, omdat hij toegestemd had, dat de Joodsche geschriften, waarin het Christendom bespot werd, niet geduld mochten worden. Ook de
Joden zaten intusschen niet stil. Uit frankfort wendde
zich Jonathan Levi Tsion met afgevaardigden van andere
steden tot den keizer, die reeds door edeldenkende Christenen
omtrent Pfefferkorn ingelicht was. Hij ontving de Joodsche
deputatie dan ook zeer voorkomend, maar een brief zijner
dweepzieke zuster, hem door Pfefferkorn ter zelfder tijd ter
hand gesteld, bracht terstond eene verandering in zijne goede
gezindheid. Hij maakte nu een tweede schrijven openbaar,
waarin hij zijne verontwaardiging te kennen gaf over het
verzet der Joden en beval, dat men moest voortgaan met
het in beslag nemen van hun geschriften. • Het onderzoek
zou behalve aan Reuchlin ook aan Victol' van Karben en
Hoogstraten opgedragen worden. Maximiliaan veranderde
evenwel telkens van besluit. Hij liet zich niet bedwelmen
door de vleierijen, waarmede Pfefferkorn hem overlaadde
in een nieuw geschrift tot lof en eer van keizer
dat overigens een herhaling behelsde van alle vorige smaadschriften tegen de Joden, maar gelastte (23 Mei i 5 ro) den
raad van Frankfort, de Joden weder in het bezit hunner
boeken te stellen. Men mocht niet met de confiscatie
voortgaan, voordat het onderzoek afgeloopen was. Een
voorval in de mark Brandenburg bood evenwel den Dominikanen eene gewenschte gelegenheid, op het gemoed
van den weifelenden keizer te werken. Aldaar had een
dief eene hostie, die hij met het gewijde kistje gestolen
had, aan Joden verkocht, zooals hij althans voorgaf. De
zaak werd onderzocht en natuurlijk waren de Joden de
schuldigen, zoodat op uitspraak van den keurvorst en van
den bisschop van Brandenburg 38 van hen verbrand en
twee, die zich hadden laten doopen, opgehangen werden.
De Keulsche dompers brachten nu den keizer onder het
oog, dat deze misdaad en dergelijke bespottingen van het
Christendom den Joden geboden werden in den Talmud,
weshalve zij met kracht aandrongen op de vernietiging van
Dim Gesell, III, 11*
152
dit schadelijk boek. Om 's keizers inwilliging te verkrijgen,
bezwoer hem zijne zuster, onder het storten van heete tranen,
aan de rechtmatige bede der geestelijke broeders gevolg te
geven. Maximiliaan wilde zich gaarne uit zijne verlegenheid
redden en droeg nu den aartsbisschop van Mainz op, dat hij,
behalve tot de vroeger genoemden, ook tot de theologische
faculteiten van de voornaamste Duitsche hoogescholen de
vraag moest richten, of " men den Joden al hunne boeken
moest afnemen en deze verbranden." Hun oordeel moesten
zij den keizer schriftelijk toezenden.
Het eerst verscheen een breedvoerig maar grondig antwoord van Reuchlin (6 October z 5 i o), dat, alhoewel Christelijk
gekleurd, een warm pleidooi voor de Joodsche literatuur
bevatte. Hij verklaarde, dat men de verschillende elementen,
waaruit deze uitgebreide literatuur bestond, niet nit hetzelfde
oogpunt moest beschouwen, Vele geschriften, die over
Bijbaelexegese handelen, zijn ook voor de Christelijke theologie
van groot belang en mogen derhalve niet vernield worden.
Hij hield zich overtuigd, dat Hilarius, Hieronymus en
andere kerkvaders minder zouden gedwaald hebben, zoo
zij deze werken gekend hadden. De Kabbala, waarmede
hij letterlijk dweepte. behoeft geen verdediging, daar toch
reeds pans Alexander VI verklaard had dat door deze
het Christelijk geloof bevorderd werd, en Sixtus / V eenige
kabbalistische geschriften in het Latijn had laten vertalen.
De gebeden- en kerkboeken der Joden konden den Christenen
evenmin aanstoot geven als de wetenschappelijke werken
in het Hebreeuwsch geschreven. Voor zoover hem bekend
was, bestonden er slechts twee in het Hebreeuwsch bewerkte
smaadschriften tegen het Christendom, die evenwel door de
Joden zelve meerendeels uitgesloten waren en tegen wier
vernietiging hij zich dan ook niet zou verzetten. Wat nu
eindelijk den Talmud betreft, daarvan verklaarde hij even
zoo weinig te weten als de overige Christenen, die zich
echter toch het recht aanmatigden, het doodvonnis daarover
uit te spreken. De omstandigheid evenwel, dat men er nog
nergens en zelfs niet in tijden, toen de Jodenhaat duizenden
offers eischte, aan gedacht heeft, dezen te vernietigen, was voor
hem een waarborg, dat de Talmud niet zoo verderfelijk kon
wezen, als door de aanklagers beweerd werd. Reuchlin eindigde
dit belangrijk onderzoek", waarin hij P fefferkorn en diens
geestverwanten, zonder ze te noemen, geducht geeselde, met
den vroinen raad, dat aan iedere Duitsche hoogeschool twee
professoren in het Hebreeuwsch moesten aangesteld worden,
Daardoor zou men eens de Joden op hun eigcn terrein
kunnen bestrijden en hen, niet met geweld maar uit overtuiging voor het Christendom winner], Geheel alders luidde
1 53
het oordeel van de overige geestelijken en de theologische
faculteiten, die alle onder den invloed der Dominikanen
stondPn. Zij waren eenparig van meening, dat de Talmud
en alle andere Joodsche geschriften, met uitzondering van
den Bijbel, hoogst verderfelijk waren en daarom aan het
vuur moesten prijs gegeven worden. De faculteiten van
Mainz en Erfurt gingen zelfs nog verder. Volgens hare
meening, moest men ook dezen den Joden ontnemen en de
Vulgata — eene met opzet verknoeide en geheel in Katholieken geest bewerkte Bijbelvertaling — tot den oorspronkelijken Bijbel verheffen, waarnaar ook de Hebreeuwsche tekst
moest gewijzigd worden. Dat was de wetenschappelijke
geest van het middeleeuwsch Katholicisme !
Het was P fe.fferkorn door een list gelukt, het antwoord
van .Rezichlin, chat toch wel bij den keizer het grootste gewicht
in de schaal zou leggen, meester te worden, voordat het
dezen overhandigd werd. Geheel teleurgesteld over het
gunstig oordeel, daarin omtrent de Joodsche literatuur
gesproken, en bovendien zeer verbitterd over de scherpe
wijze, waarin zich Reuchlin over hem, zonder zijn naam
te gewagen, uitliet, zette hij zich terstond neder tot het
vervaardigen van een nieuw smaadschrift. Het heette : handegel tegen de joden en hun geschriften, en werd reeds op de
voorjaarsmarkt van het volgende jaar te Frankfort door
hem en zijne vrouw te koop aangeboden. Hoofdzakelijk was dit gericht tegen _Reuchlin, die beschuldigd werd
van omkoopbaarheid, vervalsching, bedrog en onwetendheid.
Alhoewel Reuchlins vrienden over de verregaande onbeschaamdheid van Pfefferkorn zeer verontwaardigd waren,
nam toch niemand voor hem den handschoen op, zoodat
hij zich genoodzaakt zag, zelf voor zijn eer op te komen.
Hij deed dit in een belangrijke brochure de oogspieg -el of
bril (op het titelblad was een bril geteekend), waarin hij
de lage bedoelingen van Pfefferkorn en van de Dominikanen
blootlegde en tevens de gronden ontvouwde, waarom hij
het als een geloovig maar eerlijk Christen als zijn plicht
achtte, de Joden niet onrechtvaardig te behandelen. Dit
geschrift maakte grooten opgang. Het werd als het ware
verslonden, zoodat de geestelijkheid aan zijne verbreiding paal
en perk moest stellen. Merkwaardig is het evenwel en tevens
een kenschetsing van den toenmaligen tijd, dat zelfs de wakkerste ijveraars voor de denkbeelden der humanisten, als
Erasmus van Rotterdam, Mutinus Rufus en de rijke patricier
Pirkheimer van Neurenberg, hoezeer ook vol bewondering
voor Reuchlins vrijmoedigheid, toch niet geheel ingenomen
waren met zijne verdediging der Joden, daar toch volgens hunne meening, dit yolk op zooveel waardeering en
1
54
erkentelijkheid geen aanspraak kon maken. Intusschen gaven
Pfefferkorn en zijne geestverwanten den moed nog niet op.
De eerste wilde thans eens beproeven, of hij met den mond
meer kon uitrichten dan met de pen. 1-lij trad te Frankfort
in het openbaar op, om Reuchlin eens geducht door te
halen en het zaad van haat en verbittering tegen de Joden
te strooien. De Keulsche dompers sloegen een anderen
weg in. Arnold van Tongeren had in den oogs.piegeleenige
plaatsen ontdekt, op grond waarvan Reuchlin als een ongeloovige kon aangeklaagd worden. Deze laatste gaf inderdaad
toe, dat hij als rechtsgeleerde zich niet had mogen mengen
in een theologischen strijd. Maar toen men bij hem aandrong, dat hij zijn gunstig oordeel over den Talmud zou
intrekken en den oogspiegel vernietigen, besloot hij den
strijd tot het uiterste voort te zetten. De pogingen der
Dominikanen, om den keizer van Reuchlins ketterij te overtuigen, mislukten door den veel sterkeren invloed, dien de
vrienden van den beroemden geleerde aan het hof bezaten.
Woedend over het mislukken hunner plannen, verscheen
weder uit hunne werkplaats een nieuw pamflet, do brandspiegel, dat uitsluitend ten doel had, bun bittersten vijand
zooveel mogelijk te beschimpen en de Joden te belasteren.
Reuchlin bleef echter, zooals telken male, het antwoord ook
thans niet schuldig. In den vorm van een verdedigingsschrift,
in het Latijn bewerkt, (1 Maart 1513) hield hij een warm
pleidooi voor de Joden, dat hij den keizer opdroeg. Ilij
noemde hen daarin voor de eerste maal z onze medeburgers" ja zelfs z onze broeders." Duitschland bezat dus
toen reeds een man, die hen niet langer als verworpelingen
der maatschappij beschouwde, als wezens, die geen aanspraak
mochten maken op recht en billijkheid ; een man, die den
moed bezat der menschheid te verkondigen, dat de Joden
niet langer uit willekeur mochten vertrapt en verguisd worden.
De keizer, tot wien zich nu ook weder de Keulsche monniken
wendden, wist eindelijk niet meer, hoe hij zich te gedragen
had, en legde daarom beiden partijen het stilzwijgen op,
in de hoop, daardoor aan den langdurigen strijd een einde
te maken.
Nu eerst verscheen Hoogstraten, die zich nog altijd achter
den naam van Pfefferkorn verscholen had gehouden, openlijk
in het strijdperk, en wel met zulk eene driestheid, alsof
alle geestelijke en wereldlijke heeren voor hem moesten
zwichten. Om het verzwakte aanzien zijner orde te herstellen, moest hij alles aanwenden, wat het gezag van Reuchlin
zou ondermijnen. Hoogstraten liet nu, als inquisiteur van
de orde der Dominikanen, Reuchlin dagvaarden naar Mainz,
waar deze terecht •zou staan wegens ketterij en begunstiging
1
55
der Joden. Daar Reuchlin niet onder de rechtsbevoegdheid
van Mainz behoorde, behoefde hij zich in het geheel niet
om deze dagvaarding te bekommeren. Desniettemin zond
hij een vertegenwoordiger, in wiens bijzijn Hoogstraten wees
op het groote gevaar van den oogspiegel, op grond van de
plaatsen, door van Karben reeds vroeger openbaar gernaakt,
en bovendien voorlezing deed van de bescheiden der theologische faculteiten van Keulen, Leuven en Erfurt, die Reuchlin
van ketterij beschuldigden. Het besluit werd eindelijk genomen, den oogspiegel ten vure te doemen. De komst van
Reuchlin had wel ten gevolge, dat de uitv3ering van dit
besluit uitgesteld, maar niet dat het ingetrokken werd.
Juist was alles gereed tot de openlijke verbranding van het
verketterde boek, toen op het laatste oogenblik de aartsbisschop van Mainz verscheen en het gerecht ontbond.
Eene groote vreugde voor Reuchlins vrienden en niet minder
Arbor hem zelf. Evenwel was hij met deze overwinning
niet tevreden, daar hij begreep, dat de Dominikanen nog
niet zouden rusten. Hij wilde daarom paus Leo X als
scheidsrechter inroepen en wendde zich in een Hebreeuwschen
brief tot diens lijfarts Bonet de Lates, waarin hij hem de
toedracht der zaak uiteenzette en tevens verzocht, zijn belangen -bij den pauselijken stoel te behartigen. De paus benoemde de bisschoppen van Worms en Spiers tot scheidsrechters in den strijd tusschen Reuchlin en Hoogstraten.
De Dominikanen wachtten evenwel de uitspraak niet af.
Zij verbrandden den oogspiegel op gronden, die zij in een
openbaar schrijven, dat in de gerechtszaal aangeplakt werd,
ter algemeene kennis brachten. Intusschen viel de beslissing ten gunste van Reuchlin uit. Deze werd van strafvervolging vrijgesproken, maar daarentegen Hoogstraten tot de
proceskosten veroordeeld. De Dominikanen waren nu buiten
zich zelf van woede. Zij raasden en tierden in schrift en
woord, scholden op den keizer en den paus en dreigden
zelfs tot de Hussieten over te loopen, die echter waarschijnlijk voor dit gezelschap bedankt hadden. Zij vonden
eindelijk steun bij de theologische faculteit der Parijsche
hoogeschool, die eveneens den oogspiegel ten vure doemde
als een kettersch geschrift. Overmoedig door dit gunstig advies,
gaven zij onder Pfeferkorns naam een nieuw pamflet in het
licht, onder den langen en opruienden titel : ' stormklok ; storm
over en tegen de trouwelooze Joden ; storm over een ouden
zondaar Johan Reuchlin, begunstiger van de valsche Joden."
Wel werd Pfefferkorn wegens de overtreding van het
keizerlijk bevel, dat aan beide partijen het zwijgen had
opgelegd, ter verantwoording ontboden ; maar zijne begunstigster Kunigunde hielp hem nit zijne verlegenheid. In
15 6
dienzelfden tijd werd in Halle een gedoopte Jood Pfaff
Rapp, ook wel Pfefferkorn genoemd, waarschijnlijk wegens
kerkroof ter dood veroordeeld. De overeenkomst van naam
bood den humanisten eene geschikte gelegenheid aan, om
den draak te steken met den beruchten handlanger van de
Keulsche dompers. Deze laatsten werden bovendien geheel
verpletterd door eene reeks in het Latijn geschreven brieven.
brieven der duisterlingen, waarin vooral Ulrich
genoemd :
van Hutten de hand gehad heeft. In deze brieven wordt
de domme verwaandheid der trotsche monniken, hun lage
zedeloosheid en hun marktgeschreeuw over de ketterij der
humanisten in hun eigen verknoeid Latijn zoo geheel overeenkomstig de waarheid voorgesteld en tevens op zulk eene
fijne wijze belachelijk gemaakt, dat de Dominikanen zelve
aanvankelijk het boek verbreidden, waartegen zij later te
vergeefs den banvloek slingerden. Zij hielden nog wel niet
op nieuwe schotschriften uit te geven, mar deze waren
evenals de laatste stuiptrekkingen van een stervende. Ofschoon
de paus zelf het laatste beslissende woord in dezen strijd
nog niet gesproken had, begrepen zij zeer goed, dat de zaak
voor hen verloren was, en te meer, toen op 's pausen
aansporing uit de Bombergsche drukkerij de Babylonische en
jeruzalemsche talmud in het licht verschenen.
Zoo hadden de humanisten, met Reuchlin aan het hoofd,
gezegevierd. Alhoewel het den meesten hunner volstrekt
niet te doen geweest was, om de Joden te beschermen tegen
geweld en onrecht, maar slechts — zooals zij zelve getuigdenom de vrije wetenschap te verdedigen tegen bekrompenheid
en kerkelijke tirannie. toch kon het Jodendom verheugd
zijn over deze overwinning, omdat zich daardoor de nieuwe
geest net meer kracht begon te ontwikkelen,.die het menschdom in het algemeen, maar bet Jodendom in het bijzonder,
van zoo menigen drukkenden boei bevrijdde.
HOOFDSTUK XXXIV.
De invloed van de kerkhervorming voor de Joden.
1520 —1550.
De strijd tusschen de Reuchlinisten en hun tegenstanders
heeft waarschijnlijk veel bijgedragen tot de oplossing van
een anderen strijd, die zich reeds sinds het begin der i5de
eeuw in den boezem van het Christendom vertoond had
en met de algemeen bekende kerkhervorming- eindigde.
Nauwelijks waren de Dominikanen overwonnen en dus bun
1
57
invloed en gezag aanmerkelijk verminderd, of Maarten
Luther, sinds I 5 08 hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan
de hoogeschool te Wittinburg, gaf een geschrift uit (152o)
D over de verbetering der geestelijkheid", waarop weldra
een tweede volgde : ' over de Babylonische gevangenschap
der kerk." Deze geschritten, waarin de voornaamste stellingen der Roomsch-Katholieke kerk bestreden werden,
maakten op de Duitsche natie diepen indruk, zoodat velen
Luthers voorbeeld volgden en zich met hem van het
pauselijk gezag losscheurden. De kerkhervorming, die thans
spoedig haar beslag kreeg, had reeds voor de Joden in
Duitschland dit voordeel, dat men hen wegens den strijd
in eigen boezem voorloopig met rust liet, te meer, omdat
Luther, wiens woord toen meer gold dan dat van koningen
en keizers, hun niet ongenegen was. Integendeel hij laakte
de geweldsdadigheden vroeger op hen gepleegd, omdat de
Christenen daardoor hun eigen godsdienst bezoedeld hadden.
Zoo de ' papisten" uitgeput waren in het vinden van scheldnamen, om zijn ketterij te brandmerken, mochten zij hem
met dien van Jood bestempelen. Voorts vermaande hij zijne
volgelingen, den Joden genegenheid te betoonen en te dulden,
dat zij zich ook op handenarbeid konden toeleggen, opdat
daardoor de woeker onder hen zou verminderen. Alhoewel
1,u/hers belangstelling voor de Joden hoofdzakelijk als lokaas
moest dienen, evenals bij een vroegeren godsdiensthervormer,
om hen voor het Christendom te winnen, koesterden zij
toch de hoop, dat zoowel door de scheuring in de kerk,
alsook omdat het Protestantisme in sommige opzichten niet
zoo scherp tegenover het Joodsche geloof stond als het
Katholicisme, voor hen thans een gunstiger tijd zou aanbreken. Deze hoop werd evenwel over het algerneen nog
niet verwezenlijkt. Ook met het aanbreken der 16de eeuw
bleverl zij nog voortdurend overgeleverd aan de willekeur van
wereldlijke en geestelijke heeren en aan (lie van staats- en
stadsbesturen. De vervolgingen hielden nog niet op, de verdrijvingen namen nog geen einde. Uit Regensburg, waar
zij sinds onheugelijke tijden gewoond hadden, werden zij
verdreven (r 5 I 9) op verzoek van de geestelijkheid en van de
gilden, omdat D alle handel in hun handen gekomen was."
Het aantal verjaagden bedroeg 500 ; de uitstaande schulden
werden met slechts 6000 gulden afgekocht. Men verwoestte
de synagoge en bouwde op hare ph ats eene kerk, waaraan
het yolk met Dheiligen" ijver arbeidde wellicht met denzelfden ijver, waarmede het 4000 zerken op de Joodsche
begraafplaats vernielde. De keizer liet deze gruwelen wel
niet geheel ongestraft, maar trad daartegen toch niet met
kracht op. Ook bij een opstand, door de landlieden van
158
Zwaben
op touw gezet (de boerenoorlog), die zich meer
naar het Westen uitbreidde, hadden wederom de Joden in
Rhijnstreek en Elzas veel te lijden (1525). Bovendien
begon hun ook .Luther zelf, nadat hij zich in zijne verwachtingen omtrent hunne bekeering te leur gesteld zag,
een grimmigen haat toe te dragen en hen op zijn ouden
dag met denzelfden ijver te vervolgen, als waarmede zij
vroeger door hem in bescherming genomen waren. Al
bestreed hij ook de door Dr. Johan Eck opgestelde wederlegging (confutatio), waarin eene rechtvaardiging van de
Roomsche leerstellingen en gebruiken beproefd werd, in
Jodenhaat schaarde hij zich gaarne aan diens zijde. Eck,
die door zijn laag karakter de Kerk, voor wier verdediging
hij optrad, meer schande dan eer aangedaan heeft, en
Luther, in wien weder de monnik teruggekeerd was, herhaalden in hun ophitsende taal de oude beschuldigingen
van P fefferkorn en de Dominikanen. De bekentenissen,
aan Joden op de pijnbanken afgeperst, werden door hen
als onbetwistbare feiten opgedischt. Eck drong er op aan,
dat men hen uit geheel Duitschland verdrijven en dus
overal het pas gegeven voorbeeld van Regensburg volgen
moest. Zoo mogelijk nog onmenschelijker luidde het antwoord van Luther op de vraag : Wat met het verachtelijke
en vervloekte yolk geschieden moest, dat niet langer meer
te dulden was ?" Men moest hun synagogen verbranden, hunne
huizen verwoesten en hun, van alles beroofd, evenals aan
Zigeunersbenden, eene plaats aanwijzen buiten de stad, waar
zij den Christenen niet tot last zouden zijn. Alle gebedenboeken, talmudexemplaren, ja zelfs de Bijbel dien hij
nog wel zelf in het Duitsch vertaald had — moesten hun
ontnomen worden, zoodat de rabbijnen zich niet meer met
de Joodsche wetenschappen konden bezighouden. De Joden
stoffelijk en geestelijk te dooden, dat dus beoogde de kerkhervormer. Zoo was Luther in dit opzicht weder tot de
denkbeelden der middeleeuwen teruggekeerd; zoo riekte
zijn geschrift over de ,Joden en hun leugens (1542) naar
inquisitie en brandstapels.
Het tijdvak, dat ook voor de Joden van Europa een
nieuwe orde van zaken in het leven zou roepen, begon
derhalve onder ongelukkige voorteekenen. Keizer Karel 1 7,
de kleinzoon van Ferdinand en Isabella, die het gezag en
de eenheid van de Katholieke kerk wilde handhaven, duldde
niet, dat zich in zijn erfianden Nieuw-Christenen of marrano's
vestigden. Weidra werd deze maatregel ook toegepast op
ongedoopte Joden. Onderricht, dat zich enkelen van hen in de
Nederlandsche erflanden metterwoon neergelaten hadden, gaf
hij aan de regeering van het Utrechtsche sticht te kennen
1
59
(c545) ) dat hem dit om merkelijke redenen niet te lijden
stond." In hetzelfde jaar verscheen te Brussel een dergelijk plakkaat voor Gelderland z dat alle Joden, bij verbeurte van lijf en goed, zich binnen vier weken daaruit
te begeven hadden." Het hof van Holland ontzeide op
Karels bevel in twee plakkaten (1532 en 1549) aan de
Joden het verblijf in Holland, Zeeland en West Friesland,
en vaardigde een derde bevelschrift uit (isso), dat alle NieuwChristenen binnen dertig dagen moesten vertrekken, zonder
dat eenig ingezetene hen mocht opnemen. Met dezelfde strengheid ging Karel in zijn andere erflanden te werk. Uit Napels
werden de Joden verdreven, omdat hun langer verblijf aldaar
de marrano's in hun ongeloof, dat is in de gehechtheid aan
het Jodendom, zou versterken. 1) De meesten hunner verhuisden naar Turkije, waarheen ook de uit Regensburg
verdrevenen togen, wien door Karel V de terugkeer naar
hunne vroegere woonplaats toegestaan was, onder voorwaarde,
dat zij -het schandelijk Jodenteeken moesten dragen, waaraan
zij zich echter niet wilden onderwerpen. Kort daarna
moesten ook de Joden van Bohemen, beticht van brandstichting, hun land verlaten, nadat reeds enkelen hunner
terechtgesteld waren. Hetzelfde lot trof hun broeders in
de republiek Genua, waar zich vele en aanzienlijke Spaansche
vluchtelingen gevestigd hadden, die men aanvankelijk oogluikend duldde, omdat zij veel bijdroegen tot den bloei
der republiek, Maar eindelijk moest de doge Andreas Doria,
hoe ongaarne ook, hen, op aandrang van enkele opruiers,
uit zijn gebied verdrijven (155o). Onder de ballingen
beyond zich Jozef Kohen, de lijfarts van den doge. Deze was
afkomstig uit Avignon en stamde uit eene Spaansche familie,
Om de lotgevallen van zijn stam aan de vergetelheid te ontrukken, schreef hij in het Hebreeuwsch twee geschiedkundige
werken. In het eerste een kroniek van de koningen van
,Frankrijk en de Ottomanische grootvorsten werden aan het
verhaal van de oorlogen tusschen het Westen en het Oosten
vele belangrijke mededeelingen omtrent de Jodenvervolgingen
in verscheiden landen vastgeknoopt. In het tweede het tranendal 2) behandelt hij uitvoeriger israels lijdensgeschiedenis.
Niet alleen wegens den inhoud, maar ook om hun vloeiend
1) De edele Samuel Abarbanel en zijne gade, die het lot
der verbanning met hun geloofsgenooten wild
en deelen,
begaven zich naar Ferrara, waar hen de hertog d' Este
bereidwillig opnam.
2) NOW,
TT
rnv.
:r•
isbo
en keurig Hebreeuwsch zijn beide werken van veel belang.
Vooral in dit laatste opzicht overtreffen zij een dergelijk
werk uit dienzelfden tijd, de tuchtroede van juda ') geheeten,
waaraan drie geslachten gearbeid hebben. De eerste hand had
Juda ibn Verga te Sevilla er aan gelegd. Het werd v oortgezet door zijn zoon So/omo, een ooggetuige en deelgenoot
van de ellende der Spaansche Joden, en eindelijk door zijn
kleinzoon Jozef te Adrianopel voltooid 5 5 4). Deden Jozef
Kohen en de familie Verga hun lezers diepe zuchten slaken,
de tijdgenoot van bovengenoemde geleerden, Samuel Usque, a
die, aan de klauwen der inquisitie ontkomen, zich te Ferrara
gevestigd had, bood den naar /ta/ie gevluchten marrano's
den troostbeker aan door zijn in het Portugeesch geschreven troost in de onderdrukking Israels (i 5 5 2). In den
vorm van een samenspraak tusschen drie herders knoopt
de schrijver in dichterlijke taal aan de schildering van
Israels lijden de vertroostende gedachte aan de glorierijke
toekomst, die dit yolk der goddelijke genade wacht.
)
HOOFDSTUK XXXV.
Messiaansche dweperij.
Geene gebeurtenis heeft na den ondergang van den tweeden
tempel dieper indruk gemaakt op geheel de Joodsche natie
dan de verdrijving der Joden uit het Pyreneesche schiereiland. Wie toch had ooit kunnen denken, dat het land,
waar zij den hoogsten trap van staatkundige grootheid bereikt
hadden, waar zij op wetenschappelijk gebied met andersgeloovigen wedijverden en met de overige bevolking in
niets anders dan in godsdienstige overtuiging verschilden,
hun een langer verblijf zou ontzeggen, zoodat zij verdoemd
waren zich te verspreiden over bijna het geheele aardrijk ?
Het was eene nieuwe ballingschap, de derde in Israels
1)
l'•
2) Een lid zijner familie, Abraham Usque, als marrano
Quark' Pinel, vluchtte eveneens naar Ferrara, waar hij
eene Hebreeuwsche drukkerij opzette. Fen ander, Salomo
Usque (Quarte Gomez), koopman in Venetie en Ancona,
bezat veel dichterlijken aanleg. Hij vertaalde stukken van
Petrarca in het Spaansch en schreef in diezelfde taal een
drama, ontleend aan de geschiedenis van het Purimfeest,
dat hij Ester noemde.
16s
geschiedenis. Wel waren ook vroeger de Joden uit Engeland,
Frankrijk en vele streken van Duitsehland verjaagd, maar
deze verdrijvingen waren, hoe ongelukkig ook op zich zelve,
lang niet op den lijn te stellen met die uit Spanje en
Portugal, den zetel van de geleerdheid, den adel en den rijkdom der Joden. Minstens 300.000 menschen waren uit het
land verbannen, waar hun vaderen ruirn zeven eeuwen in
bijna ongestoord geluk geleefd hadden, en bovendien
hoevelen zuchtten nog in de kerkerholen der inquisitie,
bijna zeker, dat zij nimmer meer het daglicht zouden aanschouwen, maar vroeg of laat den brandstapel beklimmen,
en wel alleen, omdat zij Joden waren. \Vat was het lot
van hen, die het Christendom omhelsd hadden, maar toch
nog altijd het Jodendom een hart van liefde toedroegen ?
In Spanje was de groot-inquisiteur Ximenez voor de marrano's
een geesel in den waren zin des woords. Hij hitste Karel V,
die ook over Spanje regeerde, tegen hen op en drong bij
hem aan, hen uit zijne staten te verdrijven. In Portugal
ging het hun onder koning Manoe/ wel veel beter, maar
ook deze vorst vermocht hen op den duur niet in bescherming te nemen tegen geloofs- en rassenhaat, die niet
het minst door de Dominikanen aangewakkerd werd. Zij
schreven hun de schuld toe van alle volksrampen, predikten
in de kerken openlijk tegen hen en verhaalden hun talrijken
en bijgeloovigen hoorders allerlei wonderlijke verschijningen
en openbaringen, wier strekking was, alle gemoederen tegen
de Nieuw-Christenen in gisting te brengen. Dit gelukte dan
ook eindelijk, toen twee monniken, ieder met een kruis in
de hand, door de straten der hoofdstad liepen, onder den
uitroep : 2Ketterij, ketterij !" Het gepeupel, waarbij zich
woeste matrozen aansloten, richtte een ontzettend bloedbad
aan onder de marrano's (1506). Twee dagen hielden de
afgrijselijke moordtooneelen aan, die gepaard gingen met
wellustige uitspattingen, Het aantal slachtoffers bedroeg
tusschen twee- en vier duizend. De koning liet deze gruwelen
wel niet ongestraft, maar kon toch den ingekankerden haat
tegen de Joodsche afstammelingen niet onderdrukken. Hij
werd zelfs gedwongen, de rechten der marranos te beperken.
Nog slechter ging het hun onder zijn zoon en opvolger
Joao HI (1522-1557), een ij verigen en trouwen dienaar
der Dominikanen, wien de marrano's steeds een doorn in
het oog bleven. Men wist, dat onder hen, die aan het
hof grooten invloed bezaten, in de geneeskunde schitterden
en den groothandel dreven, de meesten van Joodsche afkomst
waren. En juist daarom haatte men hen zoo diep. juist
daarom zocht men hen langs allerlei wegen bij den koning
in verdenking te brengen en klawle hen aan van afvalli&-
162
heid en trouweloosheid jegens de Kerk. Joao stond dan
ook op het punt, naar het voorbeeld van den Spaanschen
bloedraad, de inquisitie in zijn rijk in te voeren.
Het kan ons geenszins verwonderen, dat onder zulke drukkende omstandigheden en te midden van zooveel ellende de
ongelukkige ballingen, maar vooral de Nieuw-Christenen, met
vurig verlangen de komst van den Messias verwachtten. Dagelijks hoopten zij, dat de dag des heils, door Israels profeten
voorspeld, zou aanbreken de dag, die hun wonden heelenden
balsem zou aanbrengen. Reeds de gedachte aan deze
heerlijke belofte schonk hun een oogenblikkelijke verademing.
Gaarne schonken zij dan ook geloof aan ieder, die door de
mededeeling van allerlei wonderverhalen hun het vooruitzicht
opende op den terugkeer naar het land der vaderen, waar
hen een betere toekomst wachtte. Deze tijd kon, naar
hun meening, niet zoo ver of meer wezen. Reeds kort na
de verdrijving uit Spanje had zekere Aser Lemmlein zijne
geloofsbroeders uit den omtrek van Venetie aangespoord
tot boete en kastijding, daar de dag der goddelijke genade
weldra zou aanbreken., Maar terwijl hij met zijne messiaansche
beloften nog binnen de grenzen van Istrie bleef, brachten
twee mannen in veel wijdere kringen de gemoederen in
beweging door dusdanige dweperijen. Het waren David
Rubeni en Salomo Molcho. De eerste verstond, zooals de
uitkomst bewezen heeft, uitmuntend de kunst, partij te
trekken van den gemoedstoestand zijner broeders, en heeft
hun meer kwaad dan goed gedaan. Hij kwam uit het
Oosten, gaf zich bij de Arabieren uit voor een nakomeling
van Mohammed en bij de Joden voor den zoon van een
Joodsch-Arabischen koning uit den stain Ruben. Uit Bien
hoofde liet hij zich het liefst Davia' Rubeni noemen. Omstreeks
1522 begon hij zijn zwerftochten door Azie en Europa.
Hij bezocht de voornaamste gemeenten van Nubia', .Esypte
en Palestina en ging over Alexandria naar Venetia. Zijn
uiterlijk had iets afstootends. Hij was van een zwarte
gelaatskleur, dwergachtig, misvormd en sprak gebrekbig
Hebreeuwsch. Maar toch lag er in zijn wezen iets geheimzinnigs en raadselachtigs, waardoor hij de algemeene opmerkzaamheid tot zich trok, en vooral in Venetia, waar
men over het algemeen, sinds de ontdekking van de nieuwe
wereld, veel belang stelde in de berichten omtrent verre
landen. Hij nu wist veel te vertellen van een Joodsch
koninkrijk in Arabia en maakte met veel ophef gewag van
zijn moedige en dappere daden. Het doel van zijn komst
was — zooals hij voorgaf wapenen en manschappen te
krijgen, om Palestina op de Turken te veroveren en het
Joodsche rijk te herstellen. Van Venelie ging hij naar
163.
Rome, waar hij niet minder opgang maakte, ja, zich zelfs
toegang wist te . verschaffen tot paus Clemens VII.
Deze behandelde hem met veel onderscheiding, reikte hem
bij zijn vertrek een vaandel over en gal hem een aanbevelingsbrief mede voor den koning van Portugal, tot wien
hij zich thans begaf (1525). Joao gevoelde zich eveneens
aangetrokken tot den oosterschen prins, wien hij zijn bijstand
beioofde in den oorlog tegen de Turken. Hij ontwierp
zelfs met hem een volledig krijgsplan. Het is waarlijk niet
te verwonderen, dat de marrano's door de aanwezigheid
van een Joodschen prins in Portugals hoofdstad in hun
zoete hoop op eene spoedige verlossing versterkt werden,
en. dit nog te meer, omdat de koning geen verdere stappen
meer deed tot de invoering der inquisitie. David Rubeni,
daarvan hielden zich nu -velen overtuigd, was de messias
of althans - diens voorlooper. Vond de heilverkondiger een
tal bewonderaars en vereerders, het meest voelde zich tot
hem aangetrokken een jongeling Diogo Pires, die als marrano
in Lissabon een voornaarn staatsambt bekleedde. Zijn
phantastisch gemoed was geheel bedwelmd door de berichten
aangaande den Joodschen prins. Hij verlangde niets vuriger,
dan tot het geloof zijner vaderen terug te keeren, zich aan
de Kabbala, waarmede Rubeni dweepte, te wijden, en eveneens het verlossingswerk voor te bereiden, Daarop ging
hij onder den naam Salomo Molcho tot het Jodendom over
en begaf zich naar het Oosten. Evenals Rubeni leidde hij
een kluizenaarsleven ; hij onthield zich bijna geheel van
voedsel. Door uitputting en verzwakking verschenen hem in
den slaap allerlei vreemdsoortige en akelige droomgezichten,
die hij evenwel als hemelsche openbaringen beschouwde.
Door zijn romantisch wezen, zijne vreemdsoortige levenswijze,
groote bedrevenheid in de Kabbala en wegsleepende kabbalistische redevoeringen nam het aantal zijner bewonderaars
met den dag toe, Vooral in Salonichi en Adriano.ftel,waar
de Kabbala veel beoefening vond, maakte hij grooten opgang.
Zelfs grijsaards waren vervuld met eerbied en ontzag voor
den jeugdigen kabbalist, in wien men meer dan een gewoon
mensch zag. Op aandringen van zijne vrienden te Salonichil)
1) De talmudstudie vond te dier tijd aldaar haar vertegenwoordiger in Jakob ibn Chabib, bekend door zijn werk
:pp N,
waarin alle talmudische aggada's verzameld en
deels met oudere, deels met oorspronkelijke verklaringen
voorzien zijn.
164
gaf hij een uittreksel zijner redevoeringen in het licht, wier
hoofdinhoud daarop neerkwam, dat de. Messiaansche tijd
spoedig zou aanbreken. De inneming en plundering van
Rome door de Spaansche en Duitsche troepen (6 Mei 1527)
moest voor de Joden het sein wezen van den spoedigen
terugkeer naar het heilige land, evenals vroeger na de verovering van Babel door Cyrus hun verlossing uit de Babylonische ballingschap gevolgd was. Overal hechtte men
geloof aan
s voorspelling. In Portugal hielden de
marrano's zich zoo overtuigd van de aanstaande bevrijding,
dat sommigen reeds in de Spaansche grensstad Badajoz
hun broeders uit den kerker der inquisitie verlosten. De
Spaansche regeering maakte hiervan den koning van Portugal
een streng verwijt. Deze waagde het nu niet David Rubeni ,
wien hij reeds acht schepen en vier duizend geweren beloofd
had, in zijn lard te houden. Hij gelastte hem, zijn gebied
zoo spoedig mogelijk te verlaten. Tevens besloot hij thans
zijn plan, de invoering van de inquisitie, te verwezenlijken
en richtte daartoe een verzoek tot paus Clemens. Nog
voordat het kerkelijk hoofd zijn volmacht verleend had,
liet reeds de fanatieke bisschop van Ceuta vijf marrano's
verbranden, niettegenstaande eenige edeldenkende Portugeesche bisschoppen er op wezen, dat de paus zelf den
marrano's toegestaan had, het Jodendom te belijden. Intusschen had Molcho het Oosten verlaten en zich naar
Italie begeven, oni de zending, waartoe hij zich geroepen
gevoelde, te voltooien. Hij predikte in verscheidene gemeenten van den kerkelijken staat, maar werd eindelijk
door Jakob Mantino, den lijfarts van den paus, in wien hij
een heftigen tegenstander vond, ge% angen genomen en aan
eene congregatie van Katholieke rechters overgeleverd. Door
tusschenkomst van den paus in vrijheid gesteld, trad hij
ook in de synagogen van Rome met zijne kabbalistischmessiaansche predikatien op. Zijne voorspellingen vonden
algemeen geloof niet alleen bij de Joden, maar zelfs in
Christelijke kringen, en dit nog te meer, omdat eeneoverstrooming en eene aardbeving, door hem voorspeld, inderdaad plaats gevonden hadden. Zelfs de paus vereerde hem
als een wonderdoener en verbood, geheel onder den indruk
van Molchd s bezielende taal, de invoering van de inquisitie
in Portucal, met welk besluit ook de kardinaal Lorenzo
Pucci, een man van zeer grooten invloed, genoegen nam.
Clemens nam Molcho in voortdurende bescherming tegen
de aanklachten van sommige zijner geloofsgenooten en
vooral van Mantino, die getuigenissen uit Portugal had
weten ire te winnen, dat hij aldaar als schijn-Christen reeds
het Christendom belasterd had, Ook toen hem de inquisitie
16s
deswege ter dood veroordeeld had, vond hij nog medelijden
bij den paus, die — zooals verhaald wordt een anderen
veroordeelde den brandstapel liet beklimmen, terwijl hij
hem eene schuilplaats in zijn paleis aanwees.
Langen tijd had Clemens zich verzet tegen de invoering
der inquisitie in Portugal, maar moest na den dood van
kardinaal Pucci daaraan toegeven, te meer, daar keizer
Karel V een verklaard tegenstander van de marrano's was.
Zoo kwam dan ook eindelijk de vreeselijke bloedraad in
Portugal tot stand, die op drie plaatsen, Lissabon, Evora
en Coimbra zijne zittingen hield en in bloeddorstigheid den
Spaanschen nog overtrof. De ongelukkige marrano's mochten
het land niet verlaten, zoodat velen hunner een onverbiddelijke dood wachtte. Gaarne had de paus, bewogen
door de treurige berichten van enkele uitgewekenen, zijn
besluit weer ingetrokken, maar de moed ontbrak hem daartoe.
Naar verhaald wordt, deden ook David Rubeni en Salorno
Molcho, die het toeval nog eenmaal te samen bracht, eene
vergeefsche poging, om Karel V gunstig te stemmen voor
de wreed vervolgde marrano's. Zij begaven zich naar
Regensburg, waar de landdag gehouden werd. Maar de
keizer liet hen gevangen nemen en voerde hen geboeid
mede naar Mantua, waar Molcho wegens ketterij tot den
vuurdood veroordeeld werd. Krachtig door de overtuiging,
dat hij voor eene edele daad zou sterven, beklom Molcho
ten aanzien van eene talrijke en jubelende volksmenigte den
brandstapel, dien hij weder had kunnen verlaten, zoo hij
in de armen van het Christendom had willen terugkeeren.
Maar verre van dien. Onder de openlijke bekentenis, dat
Ihij gaarne als een brandoffer voor God wilde sterven"
blies hij den laatsten adem uit (1532). Mogc hij ook in
zijne te sterk geprikkelde phantasie een hersenschim nagejaagd hebben, zijn dood was een ware heldendood. Rubeni,
die als Jood niet wegens ketterij ter dood veroordeeld kon
worden, werd naar Sjanje gevoerd, waar hij waarschijnlijk
in den kerker door vergif omkwa,m. Toen deze sluwe bedrieger reeds geheel vergeten ww as, leelde de herinnering
aan Molcho nog voort en werd zijn aandenken vereerd door
verschillende sagen, die het volksgeloof aan het leven en
den dood van dien romantischen held knoopte. Nog
altijd hielden de marrano's hunne hoop gevestigd op den
paus. Deze hief eindelijk op herhaald aandringen van
Quark de Paz, een marrano, die bij den koning van
Portugal in hoog aanzien stond, en niet het minst ten
believe van het lieve geld, dat bij de curie veel vermocht, de
inquisitie op. Tot zijn dood (1534) bleef hij zich met
kracht tegen dezen vreeselijken bloedraad verzetten. Ook
Mori. Gesch. III, 12
X6 6
zijn opvolger Paul HI bekrachtigde het door de curie
genomen besluit, op grond dat de marrano's niet als
Christenen beschouwd en daarom ook niet als ketters konden
behandeld worden. Het hof, over deze uitspraak bitter
teleurgesteld, wendde zich thans tot Karel V, die juist als
overwinnaar van een oorlog tegen Tunis terugkeerde. Deze
verlangde nu van den paus als loon voor zijn voorspoedigen
strijd tegen de ongeloovigen, dat de heilige vader weder verlof
zou geven tot de invoering der inquisitie. Paul moest dien
keizerlijken wil wel toestaan, alhoewel tegen zijne overtuiging.
Wel voegde hij verzachtende bepalingen aan zijne bul toe,
maar daaromtrent bekommerde zich de inquisitie al zeer
weinig. Een tijd van onbeschrijfelijk lijden brak thans voor
de marrano's aan. Het woeste dier, zooals Samuel Usque
de onmenschelijke rechtbank der inquisitie noemde, hield zijn
muil steeds geopend, want het was niet te verzadigen. Dag
aan dag beklommen de nieuw-Christenen bij menigte de brandstapels. En nog was de dood voor hen verkieselijker dan
het leven, dat niets anders dan voortdurende angsten aanbood. Dag noch nacht schonk rust of verademing. Wegens
de geringste verdenking van gehechtheid aan het Jodendom
of nakoming van Joodsche gebruiken, vaak zelfs zonder
eenigen grond, werden zij in het holle van den nacht uit
hun huizen gesleurd en naar de kerkerholen gebracht, waar
hen de verschrikkingen van den dood wachtten. Wat baatte
verdediging ? Wat hielperi bewijzen van onschuld ? Door
allerlei helsche middelen wist men eene schuldbekentenis of
te persen. Zoo de bloedraad ook al eens iemand van den
dood vrijsprak, werd hij tot levenslange gevangenis of eene
zware geldboete veroordeeld., Wegens deze onmenschelijke
wreedheden heerschte er een voortdurende strijd tusschen
den pauselijken stool en het Portugeesche hof. Maar Paul III
kon het afschuwelijk monster in zijn dolle vaart niet stuiten,
en zoo bleef de inquisitie in Portugal met niet minder
wreedheid dan in S.panje haar fanatieken arbeid voortzetten.
HOOFDSTUK XXXVI.
De Joden in Italie gedurende de laatste helft der
zestiende eeuw.
De toenemende uitbreiding van het Protestantisme was
wet de naaste aanleiding van het ontstaan van de orde der
Jezuieten. De kerkhervorming, die zich ook buiten Duitschland spoedig zeer uitbreidde, wees het pausdom op de
groote gevaren, waardoor de kerk bedreigd werd, zoodat
Paul III gaarne den bond der Jezuieten. door Ignatius
167
van Loyola gesticht, bekrachtigde. Hij was van de noodzakelijkheid van doeltreffende veranderingen zoozeer overtuigd, dat hij bovendien aan eenige geleerde en vrome
kardinalen opdroeg, een hervormingsplan te ontwerpen,
waardoor aan de willekeur van het pauselijk gezag, de
onzedelijkheid der geestelijken en andere verkeerde toestanden paal en perk zou gesteld worden. Werd aan den
eenen kant door deze commissie en over het algemeen
door de kerkvergadering te Trente de kerkelijke tucht
strenger gehandhaafd, aan den anderen kant werden ook
alle vrijzinnige levensuitingen, die men in de Middeleeuwsche
kerk vrij en ongehinderd geduld had, met meer kracht onderdrukt. Het wantrouwen deed al spoedig gevaarlijke vijanden
ontdekken, en waar twee zoo werkzame instellingen, als de
orde der Jezuieten en de inquisitie, alle uitingen van den
geest met Argus-oogen bespiedden, ontbrak het natuurlijk
niet aan verdachten en beschuldigden. De Humanisten, die
juist in Italic het eerst een nieuw tijdperk geopend hadden,
werden thans door de waakzaamheid der Jezuieten in hun
vrijheid van denken en handelen beperkt. Eene strenge
censuur op alle geschriften en een uitgebreide lijst van verboden boeken moesten dienen, om de uitkomsten van het
vrije onderzoek voor de Katholieken verborgen te houden.
Thans herstelde Rome ook den misslag. dien bet ten tijde van
Reuchlin onder het beheer van te weinig ijverige pausen
begaan had. Het pausdom begon den strijd tegen den Talmud,
alhoewel het daarin even onkundig was als de Keulsche
dompers geweest waren. En zooals vaak te voren hadden
ook thans weder de Joden veel te lijden van hun voormalige
geloofsgenooten. Twee kleinzonen van Elia Levita, geheeten
Elia en Salomo, beiden bedreven in de kennis van talen, gingen,
tot diepe teleurstelling van hunne moeder, onder de namen
van Vittorio Eliano en Johan Baptist tot het Christendom
over. Zij bezoedelden nog bovendien het aandenken van
hun grootvader door bij paus Julius HI, den opvolger
van Paul III, als aanklagers tegen den Talmud op te
treden, en drongen er met kracht op aan, dat men dit voor
de Joden zoo gewichtia werk aan een strenge censuur zou
onderwerpen. Alhoewel
b Julius den Joden niet vijandig
was en zich zelfs nog van Joodsche geneesheeren bediende,
beval hij toch, op aansporing van Giovanni - Caraffa, die
later onder den naam van Paul IV den pauselijken stoel
beklom, den Talmud, wiens uitgave door Leo X bevorderd
was, aan de vernietiging prijs te geven. Men drong de huizen der
Joden binnen, legde beslag op alle Talmud-exemplaren, die men
meester werd, en verbrandde ze openlijk. In het volgende
jaar vaardigde Julius een bevel uit, dat alle Joodsche geMoN. Gesell. III, 12*
X68
schriften vooraf moesten onderzocht worden, of zij inderdaad
voor het Christendom gevaarlijk waren. Caraffa zorgde
er intusschen voor, dat dit onderzoek meestal aan gedoopte
Joden opgedragen werd, zoodat de beslissing geheel in zijn
geest uitviel.
Een treurige tijd brak voor het geheele Italiaansche
Jodendom aan, toen na den dood van Julius en de korte
regeering van Marcellus II de pauselijke waardigheid aan
Caraffa of Paul IV ten deel viel (1555-1559). Deze
bracht den somberen ernst van een tachtigjarigen, hartstochtelijken en dweepzieken monnik op den troop." Zijne
hardvochtigheid en de onverbiddelijke strengheid, waarmede
op zijn bevel de inquisitie alle verdachten vervolgde, verbitterde
het yolk zoozeer, dat het op den dag van zijn dood al
zijne standbeelden verminkte. Het spreekt van zelf, dat
de Joden in de hoogste mate den blinden geloofsijver van
dezen fanatieken en bekrornpen kerkvorst moesten ondervinden. De marrano's, wier toestand in Italie tot nu toe
vrij gunstig geweest was, vonden in de eerste plaats in hem
een wreeden vervolger. Hij liet de geheele marraansche
bevolking van Ancona, met inbegrip van de doortrekkende
vreemdelingen, gevangen nemen en van alles berooven.
Die het Christendom niet openlijk wilden belijden, vonden
den dood op de brandstapels of werden naar het eiland
Malta verbannen (1555), waar hen diepe ellende wachtte.
Velen vluchtten van daar naar Turkije, anderen vonden
een toevluchtsoord in Pesaro. Maar slechts voor korten
duur, daar zij door toedoen van Paul ook van daar verdreven
werden. Met dezelfde verbittering, waarmede hij tegen de
marrano's woedde, ging hij ook tegen de Joden te werk. Eene
zijner eerste bullen behelsde het besluit, dat iedere synagoge
in den Kerkelijken staat tien ducaten moest opbrengen
tot onderhoud van eene stichting, wier strekking was Joodsche
kinderen voor het Christelijk geloof op te voeden. Krachtens
een tweede bul zouden weder alle middeleeuwsche besluiten
jegens de Joden in toepassing gebracht worden. Zoo verbood hij hen landerijen te bezitten, buiten het ghetto te
wonen, Christelijke dienstboden of minnen te houden, en
zich zonder het Jodenteeken in het openbaar te vertoonen.
De Christelijke bevolking mocht niet meer de hulp van
Joodsche artsen inroepen. Maar met al deze drukkende
en onteerende verordeningen stelde hij zich nog niet tevreden.
Hij wilde het Jodendom van zijn geestelijken steun berooven
en het daardoor geheel vernietigen. De Talmud en de
geheele Joodsche literatuur moesten aan het vuur prijs gegeven worden, waardoor van zelf de wetstudie, de grondzuil
van israe/s bestaan, zou opbouden., Wat vroeger in Rome
169
geSchied was, vond thans in de Noord-Italiaansche gemeenten
(Bologna, Ancona, Venetie e. plaats. In hetzelfde Saar
(1559), waarin te Mantua voor het eerst de Zohar gedrukt
werd, verbrandde men te Cremona alleen 12.000 Hebreeuwsche boeken. Dit treurig voorbeeld vond ook elders
navolging. Zoo werden in Praag de Joodsche geschriften
aan hun eigenaars ontnomen en ter vernietiging naar Weenen
gezonden. Men was daar evenwel nog niet tevreden met
de verbranding van papier en perkament, maar wierp ook,
toen deze stad door een zwaren brand geteisterd werd, vele
Joden in de vlammen. Zoo vertoonden zich reeds buiten
liafie de treurige gevolgen van 's pausen verblinde woede.
Wat wonder, dat de Joden van Rome jubelden over den
dood van hun aartsvijand en zich bij het woedend yolk
gaarne aansloten, om reeds op zijn sterfdag zijn aandenken
openlijk te bespotten ?
Maar al was Caraffa ook gestorven, bleef nogthans de
bestrijding en vervolging van andersdenkenden het hoofddoel
van de kerkelijke hierarchie, waaraan zich dan ook zijne opvolgers moesten onderwerpen. Evenwel was Pauls opvolger
Pius IV (tot 1565) wat gematigder jegens de Joden. Hij hief
enkele drukkende besluiten op. Aangaande den Talmud stond
hij toe, dat deze gedrukt mocht worden, maar met weglating
van den naam Talmud en van alle plaatsen, die volgens
het gevoelen der censoren het Christendom aanstoot konden
geven. Het blijde vooruitzicht was dus voor de Joden
geopend, spoedig weder in het bezit gesteld te worden
van den onmisbaren Talmud, al zou deze ook in volledigheid en nauwkeurigheid veel te wenschen overlaten. Inderdaad begon men reeds eenige jaren later te Bazel met het
drukken van den Talmud. Een tijd van voortdurende
ellende brachten de Italiaansche Joden .weder door onder
Pius' beide opvolgers, Pius V (tot 1572) en Gregorius XIII
(tot 1585), die in het vervolgen der ongeloovigen Paul IV
nog ver overtroffen. Pius verdreef hen uit het geheele
gebied van den Kerkelijken staat (1564) ; slechts in Rome
en Ancona werd hun het verblijf toegestaan. en ook dit
nog onder zeer drukkende voorwaarden. De ballingen,
ruim I ow familien, begaven zich deels naar 117 vont-Italie
(Mantua, Milaan), deels naar Turkije. Onder de verdrevenen beyond zich ook Gedalja ibn Jachja, schrijver
van eene Joodsche geschiedenis, die wel getuigt van groote
belezenheid maar tevens van elk gemis aan critischen geest,
daar waarheid en legende in deze keten der overlevering
1
) ritRuor) thrhte.
170
aan elkaar geregen worden. Ook uit Avignon en Venaissin,
de beide eenige steden op Fransch grondgebied, waar nog
Joden sinds hunne verdrijving uit Frankrijk gewoond hadden
(zie bl. 7o), werden zij verjaagd
Gregorius XIII drukte
geheel het voetspoor ,van zijn voorganger. Hij dwong de
Joden niet alleen in hunne synagogen Christelijke geestelijken
te laten prediken, maar hen ook voor deze leerredenen te
bezoldigen. Ook de marrano's hadden onder hem veel te
lijden. Na deze beide dweepzieke en wreede pausen beklom
Sixtus V (tot 159o), die van een armen herdersknaap tot
de hoogste geestelijke waardigheid geklommen was, den
heiligen stoel. Niet blind voor de voordeelen, die de
Joodsche bewoners het land brachten, stond hij hun weder
toe naar den Kerkelijken staat terug te keeren. Ook
herriep hij verscheidene besluiten door zijne voorgangers te
hunnen opzichte genomen. Zoo veroorloofde hij o. a. — waarschijnlijk door bemiddeling van den beroemden Joodschen
geneesheer David de Pomis
dat Joodsche geneesheeren
weder Christen-zieken mochten behandelen. Maar met
Clemens VIII (I 592-1605) brak weder voor de Italiaansche
Joden een treurige tijd aan. Hij trad met dezelfde onverbiddelijke strengheid als vroeger Pius V tegen hen op,
hernieuwde het verbanningsdecreet zijner dwcepzieke voorgangers (1593) en stond hun slechts het verblijf toe in Rome,
Ancona en Avid.-non. Niet alleen de Joden in den Kerkelijken
Deze, afkomstig uit een oude Joodsche familie
wrilDriro, is de schrijver van eene verhandeling de medico
hebraeo (over den Joodschen arts), waarin hij de vooroordeelen
tegen de Joden ern in het bijzonder tegen de Joodsche artsen
weerlegde voorts van een woordenboek in drie talen,
Hebreeuwsch, Latijn en Italiaansch 017
eene Italiaansche
vertaling van Koheleth en eindelijk van verscheidene wetenschappelijke verhandelingen. Onder de Joodsche artsen uit
dien tijd, die zich zoowel op het gebied der Hebreeuwsche
als Italiaansche literatuur verdienstelijk gemaakt hebben,
behooren de gebroeders Alatino in Spoleto, van welke
Mozes verscheidene werken van Grieksche en Arabische
wijsgeeren uit het Hebreeuwsch in het Italiaansch vertaalde.
Een grooten naam als arts verwierf zich de marrano Amatus
Lusitanus (1511-1562), wiens werken over geneeskunde,
botanie en geschiedenis hoog geschat werden. Nog in
hoogen ouderdom moest hij uit vrees voor de inquisitie
Italie verlaten en begaf hij zich naar het Oosten.
'7'
staat. maar ook hun geloofsbroeders in de andere Italiaansche
provincien hadden van de pauselijke bullen veel te lijden.
Het treurige voorbeeld van de schandeliike onverdraagzaamheid in het gebied van den heiligen kerkvader vond
ook elders navolging. Het Jodenteeken, dat op bevel van
fanatieke vorsten de Joden aan hun gewaad moesten hechten ;
het ghetto, dat hun in de meeste groote steden tot verblijf
aangewezen werd ; de telkens terugkeerende oproeren tegen
de Joden, die met moord en plundering gepaard gingen ;
dit alles maakte hun in vele streken van Italie; het verblijf
onmogelijk of bracht hen tot den laagsten trap van vernedering
en ellende. Philips 11- van Spanje verjoeg hen ook uit
het gebied van Milaan (1597).
De wetenschappelijke geest, dien de klassieke studien reeds
vroeg bij de Italiaansche Joden gewekt hadden, verdween
ook niet te midden van de aanhoudende ellende en vervolgingen, waaraan zij in de laatste helft der i6de eeuw
overgeleverd waren. Zij hielden zich nog onledig met
Bijbelexegese en Hebreeuwsche taalstudie. Salomo Norzi
schreef (1600) een voortreffelijken massoretischen Bijbelcommentaar, 1) waartoe hij zestig handschriften raadpleegde.
Jut& Muscat°, rabbijn in Mantua en schrijver van een bundel
predikatien 2) leverde een uitvoerigen commentaar van het
boek Kozari. Onder de grootste mannen uit dien tijd behoort Azarja b. Mozes di Rossi (uit de oude en beroemde
familie Adomim). Geboren in Mantua (I5 .14), woonde hij
achtereenvolgens in Bologna, Sabionetta en Ferrara, waar
hij overfeed (1578). Hij verdiepte zich, ten koste van zijne
gezondheid, in de Joodsche literatuur, die hij aan een streng
critisch onderzoek onderwierp en waardoor hij den grond
legde tot eene wetenschappelijke behandeling van de oudere
Joodsche letterkunde. Uit Latijnsche vertalingen maakte hij
kennis met de Joodsch-Alexandrijnsche literatuur, terwijl de geschriften der kerkvaders voor hem toegankelijk waren in
hun oorspronkelijke taal, Zijn critische blik bij de onderlinge
vergelijking van deze werken met de talmudische bronnen
bracht hem tot belangrijke geschiedkundige ontdekkingen, die
voor ons bewaard zijn in zijn hoofdwerk de verlichting der
oogen. 3) Het bestaat uit drie afdeelingen, waarvan het eerste 4 )
eene aardbeving beschrijft, die zijne woonplaats Ferrara teisterde (i 7 November 157o) en waarvan het middellijk gevolg
was, dat hij zich opgewekt gevoelde, enkele geestelijke schatten
1)
4)
ne rim=
tri.17ri 171p
2
) niiro
T
3
) nNry "limn
17 2
van het oude Israel uit hun schuilplaatsen op te delven en
door hem gelouterd, het licht te doen aanschouwen, Fen
door hem vervaardigde Hebreeuwsche vertaling van den
Aristeas-brief over het ontstaan van de Septuaginta vomit
den inhoud van het tweede boek. Het laatste, 2) tevens
het belangrijkste, behelst eene reeks wetenschappelijke onderzoekingen over onderscheidene punten uit de Joodsche geschiedenis en letterkunde, als over de Joodsche secten, de
verschillende Bijbelvertalingen, de talmudische Alexanderlegenden e. a. Ook trad hij daarin met kracht te velde tegen
de letterlijke opvatting der Aggada. Ofschoon di Rossi bij
zijne critische onderzoekingen met groote omzichtigheid te
werk ging en zelfs in een kort toevoegsel 3) elk misverstand
trachtte uit den weg te ruimen, waartoe zijn wetenschappelijke
arbeid kon leiden, waren toch de strenggeloovigen daarmede
volstrekt niet ingenomen. Men achtte Azarja' s werk gevaarlijk voor het Jodendom en verketterde het. Zelfs het
rabbinaat van Mantua sprak er den ban over uit, in zoover,
dat het ieder verbood, dit v66r zijn vijf-en-twintigste jaar
te lezen. Daardoor bleef dit belangrijke werk langen tijd
bij de Joden zoo goed als onbekend en maakte meer opgang
in Christelijke kringen, voor welke het door eene Latijnsche
vertaling toegan1elijk gemaakt werd.
HOOFDSTUK XXXVII.
Jozef Nasi. Jozef Karo.
Alhoewel de marrano's, die de wijk naar Italie genomen
hadden, door de voortdurende vervolgingen onder de fanatieke
opvolgers van Caraffa-Paul veel te lijden hadden, was toch
het lot hunner in Portugal achtergebleven broeders nog
veel treurig er, Daar eischte de inquisitie dagelijks offers.
Slechts met moeite en door omkooping gelukte het enkelen,
het land te ontvluchten, waar hun Leven voortdurend bedreigd werd. Onder dezen behoorde ook don Jozef (als
marrano Juan) Mignez, die met zijn vader en broeder
naar Antwerpen uitweek (i 536). Weldra volgde zijne tante,
de edele, rijke chi beschaafde donna Gracia Mendes (Beatrice
de Luna) met hare dochter Reijna. Jozef werd de chef
van een bankierszaak, die hij met zijne tante oprichtte.
Niettegenstaande zij aldaar bij enkele aanzienlijke familien
')
mT t rnarri
rwm
T •
vitt?
.•
•
3)
ioth Inst:
1 73
in aanzien stonden en Jozef, een man van ontwikkeling en
beschaving, door Maria de gouvernante der Nederlanden
in gunst opgenomen werd, achtten zij toch op den duur
hun verblijf in Antwerpen niet veilig. Jozef vertrok met
de zijnen naar Veneta, in de hoop, zijn beklagenswaardigen
broeders een veilig toevluchtsoord te verschaffen. Tot dit
doel verzocht hij van den raad dier stad, hem een eiland
in te ruimen, alwaar hij eene Joodsche volkplanting kon
stichten. Maar dit werd hem, waarschijnlijk uit vrees voor
Karel V, niet toegestaan. Donna Gracia geraakte zelfs in
Veneta' in groote verlegenheid, omdat het stadsbestuur haar
geheel vermogen in beslag liet nemen, Jozef, die reeds
Turkije bereikt had, riep de hulp in van sultan Soliman,
door wiens tusschenkomst zij weder in het bezit van haar
vermogen gesteld werd en ongedeerd haar reis kon voortzetten. Na een kortstondig verblijf in Ferrara, waar zij
hare geloofsgenooten met milde gaven bedacht, zette zij
den tocht voort en bereikte eindelijk de Turksche hoofdstad (1552). Aldaar keerde zij openlijk tot het Judendom
terug en trad in het volgende jaar jozef, die eveneens het
voorvaderlijk geloof omhelsd had, met hare schoone en
edele dochter in het huwelijk. Door de aanbevelingen van
invloedrijke mannen, en in het bijzonder van den Joodschen
arts Mazes Hamon, kwam Jozef aan het hof van Soliman II
(I 5 20-15 66), bij wien hij zich al spoedig door zijne talenten
onmisbaar maakte. Het familieleven van den sultan leverde
het beeld van oostersch despotisme. Zijn oudsten zoon
had hij laten dooden en nu wilde hij den jongste, wiens karakter
veel overeenkomst had met het zijne, voortrekken boven
den meer kalmen en zachtaardigen Selim, zijn tweeden zoon.
Geen der hovelingen, behalve Jozef, waagde het bij Soliman
voor de belangen van Selim op te komen. Desniettegenstaande behield hij de gunst van den sultan, die hem
zelfs eene streek bij het meer Kinnereth afstond, met verlof.
de stad Tiberias te herbouwen, die alleen door Joden zou
mogen bewoond worden. Jozef verwierf ook de vriendschap
en het vertrouwen van den erfopvolger Selim II, die, nadat
hij den troon beklommen had (1566), zijn Joodschen gunsteling met eer overlaadde. Hij verhief hem zelfs tot hertog,
van Naxos en de Cycladische eilanden, eene onderscheiding,
die nog nimmer in Europa eenen Jood ten deel gevallen
was. Donfozef, de Joodsche vorst . (nasi), nam deel aan
de gewichtigste staatsaangelegenheden, leidde de politiek
van de Porte en behield tot zijn dood (1579) grooten
invloed, niettegenstaande zijn vijanden, onder welke de
grootvizier Sokolli, hem ten val zochten te brengen. De
voornaamste hoven van Europa smeekten letterlijk om zijne
174
voorspraak, zoo zij de hulp van den sultan, wiens macht
destijds zeer groot was, in staatkundige belangen behoefden.
0. a. trachtten ook de Nederlandsche provincien, die toen
tegen Philips II in opstand waren, door zijne tusschenkomst
Turkije tot een oorlog tegen Spanje te bewegen. In den
oorlog tusschen .Turkije en Venetie speelde hij eveneens
een groote rol. Selims opvolger Murad 111 (1574-1595)
schonk ook nog aan een anderen Joodschen diplomaat, den
geleerden R. Salomo Aschkenazie, zijn vol vertrouwen. Deze,
afkomstig uit Udine (nabij Triest), uit eene Duitsche familie,
bezocht vele landen en was geruimen tijd lijfarts van den
koning van Polen. Eindelijk kwam hij te Constantinopel,
waar hij grooten invloed kreeg bij den genoemden grootvizier, die hem eveneens tot zijn geneesheer benoemde
R. Salonto was het, die de vredesonderhandelingen met
Venetie leidde en de Porte vertegenwoordigde bij den vrede,
dien de sultan eenige jaren later met Spanje sloot (1578).
Gaf Salomo als staatsman de bewijzen van gehechtheid en
trouw jegens zijn gebieder, als Jood toonde hij een warm
hart te hebben voor zijne broeders, zoowel in als buiten
Turkije. Gedurende zijn oponthoud in Venetie, waar hij
door den doge en den senaat met groote onderscheiding
behandeld werd, deed hij veel voor de verbetering van het
lot zijner aldaar wonende broeders en liet niets onbeproefd,
de gezanten van andere mogendheden gunstig voor zijn
geloofsgenooten te stemmen. De Joden in het Turksche
rijk waren natuurlijk niet weinig trotsch op hun beide geloofsgenooten Jozef Nasi en Salomo Aschkenazie, die het
hof van den sultan geheel beheerschten en aan wie velen
groote verplichtingen hadden. ') Hun toestand liet dan ook,
en vooral in de hoofdstad, weinig te wenschen over. Zij
bewoonden schoone paleizen aan den Bosporus en waren
eigenaars van de voornaamste schepen der Turksche
marine. Ook op wetenschappelijk gebied ontwaakte onder
hen nieuw leven. 2) Donna Gracia en haar schoonzoon
I) Niet alleen Joodsche mannen maar ook Joodsche vrouwen
bezaten aan het hof van Murad III grooten invloed. Onder
deze laatsten behoorde Ester Chiera, eene vriendin van de
sultane. Turksche edellieden stelden hare vriendschap op
hoogen prijs, zelfs Katharina de Medicis trachtte door hare
tusschenkomst de gunst van de sultane te winnen. Zij liet
drukken.
op hare kosten Zacuto' s
rorw
een beroemd prediker in Salonichi,
2 ) Mozes Almosino,
vertaalde astronomische werken in het Hebreeuwsch, schreef
eene verkiaring van Aristoteles' ethica, een bundel predikatien
1 75
stichtten in -de hoofdstad eene .Joodsche leerschool, die
beroemde Talmudgeleerden voortbracht. Aldaar was Jozef
b. Leb, de vervaardiger van een in vier deelen uitgegeven
teschuboth-verzameling, vele jaren werkzaam. Jozef Nasi
maakte van zijne rijkdommen een edel gebruik, door armen
te steunen en geleerden in staat te stellen, zich aan de
Joodsche wetenschap te kunnen wijden. De Joodsche vorst
noodigde hen aan zijn disch en onderhield zich gaarne met
hen, alhoewel hij in de talmudische wetenschap volstrekt
niet bedreven was. Zijn rijke bibliotheek was steeds voor hen
toegankelijk. Zoo het ook al waar is, dat hij van hen
blinde gehoorzaamheid en slaafsche onderwerping eischte,
laat zich deze karaktertrek, alhoewel volstrekt niet prijzenswaardig, toch wel verklaren bij een man, die alom gevierd,
door velen gevleid en om wiens gunst en vriendschap door
menigeen letterlijk gebedeld werd. Zijne edele gade donna
Reijna overleefde hem ; evenals hare moeder, was ook zij een
toonbeeld van mildheid en weldadigheid. Zij liet op hare
kosten in eene van de voorsteden van Constantinopel eene
drukkerij oprichten, om de Joodsche geschriften meer te
verspreiden. De Turksche Joden mochten zich intusschen
in hun gelukkigen toestand niet op den duur blijven verheugen. - Deze duurde slechts zoolang het Ottomanische
rijk, beheerd door kloeke, volhardende en dappere vorsten,
onder de eerste mogendheden van Europa gerekend werd.
Toen echter na den dood van sultan Mohammed 1V
(1603) onder zijne opvolgers het ontzenuwend zingenot van
(riz rtztzn) en leverde in de Spaansche taal eene treffende
schildering van het leven in de Turksche hoofdstad. lzak
Akrisch verzamelde op zijne vele reizen belangrijke werken
en gaf eenige voor de Joodsche geschiedenis zeer wetenswaardige geschriften in het licht. Ook de Joodsche poezie
gaf weder teekenen van leven. Een tal dichters verzamelde
zich dikwijls in het paleis van jozef 4.11Tasi, om hem de
heerlijke liederen der oude Joodsch-Spaansche zangers of
hun eigen scheppingen voor te dragen. Uit Bien kring
treden op ,
voorgrond juda Sarco (vervaardiger van
mnri, =17) en Saadja Longo (van wien 04 )111
eene
verzameling van oden, elegieen enz.). Maar ook deze
werden overtroffen door Israel Nag.ara uit Damaskus, wiens
liederenbundel
(tint-fir, ni-Tto alle soorten poezie bevat•
••
T : •
Van hem is ook het algemeen bekende tafellied
thy lin rr.
T
• T
176
het serail en de intriges van den harem de krijgsdeugden
der voorvaderen deden vergeten ; toen zoowel bij de hoogere
als lagere ambtenaren trotschheid, overmoed en een verderfelijke geest van verzet en oproer alle tucht ter zijde
drongen, hield ook voor de Joden aldaar de tijd van voorspoed en geluk op. Toen waren ook zij overgeleverd aan
de willekeur van hen, die woestheid en verwildering in het
land brachten, alsook aan de onderdrukking en afpersing
van pacha's en lagere ambtenaren,
HOOFDSTUK XXXVIII.
Vervolg.
Niet .alleen in Turkije, maar in het Oosten over het
algemeen begon door de komst van de Spaansche vluchtelinger), onder welke zich uitstekende geleerden bevonden,
de Joodsche wetenschap to bloeien, Maar deze vertoonde
thans een geheel ander karakter dan in den bloeitijd van
het Spaansche Jodendom. De talmudstudie miste de oorspronkelijkheid en zelfstandigheid • van toen. Men hield zich
hoofdzakelijk onledig met het verzamelen van oudere talmudische novellen en verklaringen, ') maar ontwikkelde over
het algemeen weinig zelfstandigheid en oorspronkelijkheid.
Ook de Bijbelverklaring miste bijna elk spoor van gezonde
en natuurlijke exegese. Zij ademde doorgaans een philosophisch-kabbalistischen geest, terwijl ook het midrasch-element
daarin een belangrijken rol speelde. 2) In de Kabbala,
eveneens van bet Westen naar het Oosten overgebracht,
verdiepten zich toen vele, bijna alle geleerden. Haar hoofdzetel was in de i6de eeuw in Safet, in Palestina. Daar
leefden de kabbalisten Salomo Alkabitz, 3) Mozes Cordovero, 4)
Abraham en Mozes Galante e. a. Deze alien werden evenwel
verre overtroffen door Izak Lurja (eigenlijk Izak AschGroote verdiensten heeft zich daardoor verworven Betsa/e/ Achkenazie (in Egypte), de vervaardiger van
rampn razr.
2) Van de toenmalige Bijbelverklaringen vindt vooral die
van Mozes Alschich uit Safet nog thans veel waardeering.
3) Hij is ook de vervaardiger van het schoone welkomstlied,
dat gezongen wordt bij de intrede van den Sabbath, , 117 re,.
T :
4) Schrijver van ONlinol 071B.
1 77
kenazie i) of Rie Hakkadosch (1533-151'2). Afkomstig uit
eene Duitsche familie in Jeruzalem, verdiepte hij zich reeds
jong, nadat hij door David ibn Zirnra in de talmudische
wetenschap ingewijd was, in de geheimen der Kabbala.
Zijn buitengewoon heilig en vroom leven gaf hem eene
algemeene vermaardheid, zoodat velen hem in Safet, waar
hij zich later gevestigd had, opzochten en zijn onderricht
in de Kabbala volgden. Hij heeft geen geschriften achtergelaten, maar zijn ijverige en meest beminde leerling Chaim
Vital Calabrese behandelde in zijne talrijke werken de Lurjaansche of jongere Kabbala. 2) Terwijl de Kabbala onder
het Oostersch Jodendom al meer gezag kreeg, verscheen
juist in Safet een werk, dat van groot belang voor geheel
Israel geworden is. Evenals na de verwoesting des tempels
de Mischna van Juda hannasie de eenheid des Jodendoms
bewaard, de Talmud drie eeuwen later het werk der Babylonische leerscholen gesanctioneerd en verzameld, Maimuni's
codex het zuiver talmudisch Jodendom binnen vast afgebakende grenzen gebracht en eindelijk Jakob Ascherie's
Turin het rabbijnsche Jodendom in al zijn uitingen, en
voor zoover de praktijk het noodig maakte, geteekend heeft,
zoo trachtte thans een beroemd geleerde door de bewerking
van een godsdienst-codex de eenheid des Jodendoms, die
door de voortdurende vervolgingen geschokt en door de
vele verschilpunten in ritus en minhagim verzwakt was,
weder to herstellen. Het is jozef .Karo, wiens codex inderdaad bij het geheele Jodendom, zoowel in het Oosten als
in het Westen, een algemeen erkende autoriteit verkreeg.
jozef b. .Efraim- Karo (geb. 1488), de spruit van eene door
geleerdheid en voortreffelijke deugden beroemde Spaansche
familie, moest als kind met zijne ouders Spatje verlaten.
Evenals vele andere ballingen begaven zij zich naar Turkije
en vestigden zich na vele omzwervingen in Nikolais.
Van daar ging jozef naar Adrianopel en Salonichi, waar hij
geruimen tijd de leerschool bezocht. Eindelijk vertrok hij
aanvangletters van
prw
4n, 41nrix.
,
lingen dragen daarom gewoonlijk den naam van
T : •
• -
Zijne leer-
• - : :
Inix
2 ) Vitals
tijdgenoot, Jesaja Hurwitz (157o-163o),
afkomstig uit Folen, voltooide zijn werk trinri nirr6
•:
-
:
bij verkorting ri" trV, in Palestina. Net is een soort encyclopedie van de schriftelijke en mondelijke leer op kabbalistischen grondslag en neemt dan ook in de kabbalistische
literatuur een belangrijke plaats in
178
naar Safet, de hoofdplaats der Joodsche geleerdheid in het
Oosten, en bleef daar tot zijn dood (1575) werkzaam tot
het heil van tijdgenoot en nageslacht, Zijn voornaamste
leermeester was R. Jakob Berab, de beroemdste talmudist
uit dien tijd, van wien hij de promotie (Semicha) ontving
en den hij ook in het rabbinaat van Safet op volgde.
Karo's belezenheid in de talmudische literatuur was zoo
verbazend groot, zijne kennis op het uitgebreide veld der
rabbijnsche wetenschap zoo veelomvattend, dat zijne tijdgenooten dit niet anders dan door een wonder konden
verklaren. Zoo verbreidde zich reeds spoedig na zijn dood
het volksgeloof, dat een hooger Wezen, de geest der Mischna,
hem in visioenen verschenen was en geheime mededeelingen
gedaan had. En waarlijk, het laat zich zeer goed begrijpen,
dat de verschijning van Karo's op breede schaal bewerkten
commentaar van Jakob Ascherie's Turim, genoemd Bethjozef '), aller bewondering wekte. Dit werk toch legt getuigenis of van rustelooze werkzaamheid, stalen ijver, grondige
geleerdheid, zeldzame belezenheid, vaak ook van critischen
geest. In dit lijvig letterproduct worden niet alleen de
talmudische bronnen van de Turim opgegeven en breedvoerig behandeld, de vaak uiteenloopende gezichtspunten
van de drie grootste autoriteiten op het gebied der casuistiek, 2) Alfassi, Maimuni en Ascherie overwogen en daarna
een beslissing voor de praktijk genomen, maar ook de
meeningen van jongere autoriteiten aangehaald en besproken. Zoowel de Spaansche als de Noord-Fransche
en Duitsche halachisten vinden hun plaats in dit reuzenwerk, dat men gerustelijk eene encyclopedie der Halacha
zou kunnen noemen. Karo zelf telt in de voorrede van
dezen commentaar een 25-tal belangrijke werken, die hij
telkens moest raadplegen, om op volledigheid te inogen
aanspraak maken. Juist door de onderlinge vergelijking
van al deze geschriften kwam hij tot de overtuiging van
de verdeeldheid, die bijna over elk punt in het godsdienstleven, in ritus en ceremonie heerschte. Al had hij nu ook
in zijn commentaar na nauwkeurig wikken en wegen beslissingen genomen en derhalve aan deze verdeeldheid een
einde gemaakt, zoo begreep hij toch, dat niet ieder in staat
was, dit uitgebreide werk in zijn geheugen te kunnen opnemen. Met bet oog op de praktijk vervaardigde hij clan
ook een uittreksel van zijn bovengenoemden commentaar,
wel in den vorm van een wetboek, met dezelfde indeeling
1
) IP' n'P-
9-)
1 79
en orde der hoofdstukken als de Turim, maar op veel beknopter wijze, zonder eenige discussie en aanhaling van
bronnen. In dezen godsdienst-codex Schulchan-aruch,i) waarvan elk der vier deelen (zie blz. 88) verdeeld is in hoofdstukken 2 ) en elk hoofdstuk in paragraphen, 3) volgde Karo den
geest van Maimuni's codex, wiens zuivere en viociende taal hij
liefst zoo letterlijk mogelijk overneemt. Voor deze beide werken, Beth-Josef en Schulchan-aruch, die in zekeren zin een
geheel vormen, is het Jodendom Karo veel dank verschuldigd, daar zij ontegenzeglijk veel bijgedragen hebben tot
het behoud van eenheid in het godsdienstig leven. Behalve
Beth-jozef, door Karo in zijn ouderdom nog eens doorgewerkt, aangevuld en verbeterd 4), en Schulchan-aruch, vervaardigde hij nog een derde werk, dat niet minder de hand
eens meesters verraadt. Het is een commentaar op Maimuni's
codex, 5) waarin hij in de eerste plaats voor zoover dit
door den vervaardiger van Maggid-Mischne niet geschied
was — de bronnen opgeeft, waartrit Mairnonides geput heeft,
en vervolgens poogt, den geleerde van .F ostat te verdedigen
tegen de critiek van Rabed. Josef Karo, die aan groote
geleerdheid een beminnelijk en aangenaam karakter paarde,
en zich onderscheidde door nederigheid en bescheidenheid,
overleed in den hoogen ouderdom van 87 jaar. Zijn naam
leeft voort in den Schulchan-aruch, die tot op den dag van
heden het wetboek van het Jodendom gebleven is.
HOOFDSTUK XXXIX.
De Joden in Oostenrijk en Polen in de zestiende eenw.
De staatkundige toestand van de Joden in Oostenrijk
verschilde niet veel ./an dien hunner broeders in Duitschland.
Ook hun was het verblijf slechts in enkele landen van de
1
) Tv iritnte.
2) 0,17p.
3) 0,pTp.
4) Deze verbeteringen zijn bekend onder den naam
rrnri en voor het eerst uitgegeven door Karo' s zoon.
5)men 1=. Deze verscheen ongeveer gelijktijdig met
• L.,:
(en anderen commentaar van Alaimuni' s codex (nmen mr6)
van Abraham di Boton.
Igo
Oostenrijksche kroon toegestaan, en dat nog wel behalve
vaak onder vele drukkende en vernederende
in Hongarije
bepalingen. Ook daar waren plunderingen, vervolgingen en
verbanningen der Joden volstrekt geene ongewone verschijnselen. Evenwel duldden niet alle keizers, dat zij aan
de willekeur van het yolk of van enkele aanzienlijken overgeleverd werden. Ferdinand I, de broeder van Karel V,
was hun niet genegen. iiij ontzeide hun zelfs tweemaal
(1542 en 1566) het verblijf in Bohemen, maar beide malen
trok hij door den invloed van eenige voorname Joden dit
besluit weder in. De paus, bewogen door de vurige belle
van R. Mordechai Tsemach Soncin, die in het belang zijner
broeders niet opzag tegen een reis naar Rome, gaf den
keizer nog juist bij tijds verlof, den eed, waardoor deze
zich verplicht had, de Joden uit Praag te verdrijven, op
te heffen. Evenwel moesten zij Neder-Oostenrijk verlaten
en werd hun het verblijf in de hoofdstad van het rijk zeer
bemoeielijkt. Daarentegen was hun Rudolf 1 (I 576-1612)
welwillender, alhoewel ook hij uit hebzucht en eigenbelang
hen uit.Opper-Oostenrijk verdreef, Onder zijn bestuur leefden
in Praag twee mannen, de opperrabbijn R. Law (juda)
b. Betsalel (1525-1609) — meer bekend onder den naam
van hooge R. Lob — later landrabbijn van .Nikolsburg en
R. Mora'echai Meisel (1528-1601), beiden zeer beroemd,
de eerste wegens zijne geleerdheid en de andere wegens
zijn buitengewonen weldadigheidszin. Deze twee mannen,
wier leven bovendien door allerlei sagen en legenden verheerlijkt is, stonden bij Rudolf in groot aanzien. Door de
keizerlijke guest hebben zij veel verricht in het belang hunner
broeders. Bij de teraardebestelling van Meisel liet zich de keizer
zelfs door een afgevaardigde vertegenwoordigen. Desniettemin
moet hij zich meester gemaakt hebben van het geleele
vermogen, dat de rijke Mordechai aan zijn neef vermaakt had.
Evenals in Duitschland vonden ook de Joden van Oostenrijk
toen hun troost voor de vele vernederingen en verguizingen,
waaraan zij voortdurend blootstonden, uitsluitend in de beoefening van den Talmud, het kostbaar erfgoed, waaraan
Israel ten alien tijde zijne levenskracht en zijn voortbestaan
te danken gehad heeft. Maar ook de geest der Duitsche
Joden was door het voortdurend lijden zoo gedrukt, dat
zij zelfs op talmudisch gebied in de 1 6 de eeuw slechts op
weinige beroemde geleerden konden bogen. De eenige
bekende geleerde was de vroeger genoemde R. jesaja
Hurwitz, rabbijn in Frankfort a./M. en in andere Duitsche
gemeenten, die evenwel later naar Palestina toog. De zelfstandige en oorspronkelijke talmudstudie, die in de 13de
eeuw in de Weener-school onder Izak b. 'dozes, den ver-
181
vaardiger van bet bei oemdt werk Or-Zarua,') en anderen
gebloeid had, had thans plaats gemaakt voor eene trouwe en
slaafsche navolging van vroegere geleerden. Zij was hoofdzakelijk eene oefening van het geheugen geworden, maar
miste iederen zweem van grondigheid en wetenschappelijkheid.
Daaraan kwam een einde door eene nieuwe leermethode,
die waarschijnlijk in het begin der i 6dz eeuw in de school
van den beroemden Praagschen rabbijn R. Jakob Polak
ingevoerd werd, alhoewel zij haar ontstaan niet aan hem te
danken heeft. Deze bestond hoofdzakelijk in het houden
van spitsvondige discussien over talmudische onderwerpen
en kreeg, daar zij vooral diende tot scherping van het
verstand, den naam van Pilpul,') dat eigenlijk peper beteekent. Zij ontwikkelde de denkkracht en gaf tevens de
studie meer frischheid en levendigheid. Deze pilpulische
leermethode vond vooral in Polen veel bijval, waar zij
waarschijnlijk ingevoerd werd door R. Jakob Polak, die
later beroepen werd tot rabbijn in Krakau en Lublin, waar
hij overleed (1540. In de Poolsche scholen bereikte zij
in de volgende eeuwen haar grootsten bloei, maar ontaardde
tevens tot eene scherpzinnigheid, waaronder de objectieve
en wetenschappelijke behandeling van den Talmud veel te
lijden had.
In Polen genoten de Joden, nadat de door Capistrano
bewerkte vervolging geeindigd was, weder dezelfde rechten
en vrijheden als voorheen onder het bestuur van Kasimir 1 V.
In zijn tijd telde Polen 500 Christen- en 3200 Joodsche
groothandelaars en ruim 9000 Joodsche handwerkslieden.
Zijne opvolgers moesten echtf:r op aandringen van de geestelijkheid en vooral van den koopmansstand, die tegen den
Joodschen handelsgeest niet opgewassen was, de privilegien
aanmerkelijk verminderen, Kasimirs tweede zoon Alexander
(1496---15o5) zag zich zelfs genoodzaakt, hun in sommige
plaatsen het vrije verkeer te ontzeggen en ghetto's tot verblijfplaatsen aan te wijzen. Maar de Poolsche adel, wien
de Joden als geldschieters en beheerders van hun bezittingen
groote diensten bewezen, en die bovendien tegen de geestelijkheid en den burgerstand gekeerd was, nam hen in bescherming tegen onrecht en geweld, Daar ook bovendien
Alexanders opvolger Sraaisinund I (0506-1548) hun zeer
genegen was, behielden zij de vrijheid en kwam er in
hun gunstigen toestand geehe merkbare verandering. Daardoor werd Polen naast Turkije een nieuw toevluchtsoord
voor de vervolgde Joden, en vooral voor de Duitsche en
1)
pill nix.
2
)
71D5D.
Mori. Gesell. III.
13
18 2
Oostenrijksche ballingen. Dezen brachten hun moedertaal
naar bun nieuw vaderland mede, die zij echter door allerlei
verbasterde Hebreeuwsche, talmudische, Slavische en Poolsche
uitdrukkingen verknoeiden tot een wanstaltig jargon, waardoor
zij zich slechts onderling konden verstaanbaar maken. Dit
droeg onwillekeurig veel bij tot hunne afzondering uit de
maatschappij en maakte hen gevoelloos en onverschillig
voor beschaafde vorrnen. De Duitsch-Poolsche Joden koesterden geene liefde voor de studie van Hebreeuwsche taal,
I3ij belexegese of Joodsch-wijsgeerige wetenschappen, maar
schepten slechts behagen in de pilpulische leermethode van
den Talmud, die vooral in de school van Salomo Schechna
in Lublin, een leerling van Jakob Polak, veel bijval vond.
Terwijl de Duitsche leerscholen (Jeschiboth) al meer in
verval geraakten, nam in Polen de talmudstudie met reuzenschreden toe. In bijna icdere gemeente verrees eene jeschiba,
die beroemde talmudisten voortbracht. Tot hen behoorde
in de eerste plaats R. Salomo Luria 1) (1515-1573), een
man van groote scherpzinnigheid en tevens een helder denker,
die volstrekt geen behagen schepte in de pilpulische richting.
Hij was evenwel in zoover een kind van zijn tijd, dat hij
zich een vijand van de philosophie en van de werken
der Spaansch-Joodsche wijsgeeren verklaarde, maar daarentegen de Kabbala vereerde. Groote verdienste hebben zijne
critische glossen 2) op den Talmud, Raschie en Tosefoth,
alsook zijn begonnen maar lang niet voltooide codex of
practische commentaar van den Talmud. 3) wilde, naar
het schijnt, een geheel nieuwen codex voor het practische
Jodendom bewerken, daar hij met het wetboek van Maimonides
noch met dat van Jozef Karo genoegen kon nemen.
De dood verhinderde hem echter, dit grootsche plan to
verwezenlijken. Zoowel de genoemde werken alsook eene
belangrijke verzameling van Teschuboth leggen getuigenis
of van Meharschals oorspronkelijkheid en zelfstandigheid.
In sommige van deze Teschuboth verwijt hij zijn niet
minder beroemden tiidgenoot Mozes Isserles, dat deze
zich ook met de studie der wijsbegeerte onledig hield.
Zoo vertoonde zich ook in Polen de strijd
zij het ook
in een bescheiden kring
tusschen de philosophie en de
Kabbala.
R. Mozes Isserles (Rema), 4) de noon van een rijken en
aanzienlijken man uit Krakau, alwaar hij omstreeks 153o
het levenslicht aanschouwde, leerde bij de beroemdste
]) L7-tnrit
ri65t ritzn
'3)
ri6t7t tn:/' ot
4) N't1
1 83
Poolsche talmudgeleerden en bezocht ook de school van
to Padua, met wien hij verwant
was. Hij kreeg reeds spoedig zulk een roem, dat hem op
even twintigjarigen leeftijd het rabbinaat zijner geboorteplaats
aangeboden werd, dat hij tot zijn dood bekleedde. Evenals
Meharschal wilde ook hij een godsdienst-wetboek bewerken.
Maar door de verschijning van Karo' s codex, waarmede
Isserles zich in hoofdzaak kon vereenigen, zag hij van dit
voornemen of en voegde aan Kayo's beslissingen slechts zijne
aanmerkingen 1) toe, die hoofdzakelijk bestaan in het opgeven
van gebruiken, waarin de Poolsch-Duitsche Joden op grond
van Duitsche en Noord-Fransche autoriteiten van de Spaansche
casuisten verschillen. Daar nu Rana aan algemeene heerschende godsdienst-gebruiken groote waarde hecht, zijn deze
door hem tot wet verheven. In denzelfden geest schreef hij
ook aanteekeningen op de Turim, onder den naam Darke
Mosche 2), een rituaal codex, 3) andere zeer gewaardeerde
aeschr;ften en een tal Teschuboth. Isserles beoefende ook
— zooals wij reeds vroeger zagen — de wijsbegeerte en
andere wetenschappen, in zoover deze natuurlijk niet in
botsing kwamen met zijne streng godsdienstige beschouwingen. Zijne aanteekeningen op Zacutos s Juchsin zijn niet
van belang ontbloot in zijne verklaring van het boek
Ester streeft hij, alhoewel deze in allegorischen geest bewerkt
is, naar eene gezonde opvatting en zijne vertaling van een
astronomisch werk bewijst, dat hem de hoogere wetenschappelijke problemen veel belang inboezemden. Van
Isserles' leerlingen zijn vooral bekend David Gans en R.
Josua Falk Kohen. 4) Waarschijnlijk behoorde ook Mordechai
R. Meir Katzenellenbogen
nirum, door hem zelf ran tafelkleed
3 ) mum min
2 ) men , n17
T
genoemd.
T
T
4
) David Gans, afkomstig uit Lippstadt, boezemde hij
eveneens liefde in voor andere wetenschappen, zoodat deze
zich behalve met den Talmud ook met de beoefening van
geschiedenis, aardrijkskunde en meetkunde bezig hield.
Toen Gans zich later naar Praag begaf, stond hij in vriendschappelijk verkeer met den beroemden astronoom Tycho
de Brahe, voor wien hij veel vertaalde van de oude Hebreeuwsche bewerking van de Alfonische tafels (zie b1.65).
Zijn voornaamste arbeid is een geschiedkundig werk (Tins
117), waarvan het eerste deel de Joodsche en het tweede
de algemeene geschiedenis in het kort bevat. Zijn tijdgenoot
schrecf in het Joodsch-Duitsch
Mow. Gesch. III, 13*
Jakob b. Izak uit Praag
18 4
Jafa, die in zijne jeugd van Bohemen naar Polen ging, tot
zijne leerlingen. Deze bekleedde het rabbinaat in eenige
belangrijke Poolsche gemeenten en keerde op gevorderden
leeftijd naar Praag terug, waar hij tot zijn dood (16'2) als
rabbijn werkzaam bleef. Under de talmudgeleerden van
zijn tijd nam hij eene belangrijke plaats in. Ook verdiepte
hij zich in de geschriften der Joodsche wijsgeeren, zooals
blijkt ult zijn belangrijk werk Lebuschim, ') waarvan de vijf
eerste deelen eene systematische uiteenzetting van Karo' s
rituaal-codex behelzen en de vijf laatsten van exegetischen
en philosophischen inhoud zijn.
idioom eene verklarende vertaling van den Pentateuch, de
vijf rollen en Haftaroth
1u ,x3), een werk, dat langen
T I
T 1
:
tijd algemeen verbreid was en veel bijgedragen heeft tot
opwekking van het godsdienstig gevoel, vooral bij vrouwen
en meisjes. Het is zeker te betreuren, dat zich nog
niemand de moeite getroost heeft, dit boek zoodanig om te
werken, dat het als een geschikte godsdienstige lectuur
weder in onze gezinnen kan ingevoerd worden, daar het
veel zou kunnen bijdragen tot de verheffing van het Joodsche
leven.
R. Josua Falk Konen (gest. omstr. 161o), werd hoofd
van eene Jeschiba in Lemberg-, nadat hij het rabbinaat van
Lublin neergelegd had. Van zijne uitgebreide kennis op
het gebied van Talmud en Castlistick getuigen zijn commentaar van de Turim (rwint• ni , 17) en die van n"ri y"1,7
T
onder den naam p"nD
•:
T
• :
0,3, y n-rxtz
cy1J13H verdeeld in de tien volgende boeken
1.
1-6:111,
13 t/.
2.
'rim vint.)
behandelen Orach-Chajim.
behandelt Jore-dea. 4. nn71 tilZ5
3. 37111 Illt:37
bespreekt Ehen-haezer. 5. /Inv
handelt
T T
T •
T
over Choschen-mischpat. 6.
Trum
vin
behelst eene ver-
T T
klaring van Raschie's Pentateuch- commentaar. 7.
nrint, U4th
T : •
11ttl voordrachten over godsdienstige onderwerpen, 8. va t,
mp,
verklaringen van plaatsen in More-nebuchim,
9. 'pm nnx riinL) en io. r117,r1
uiin5 over kalenderTT -
berekening.
1••
T T: -
I,
85
Naar men vermoedt, heeft ook Mordechai Jafa veel bijgedragen tot de organisatie van een soort bond, waardoor
meer eenheid kwam tusschen de verschillende gemeenten
van de provincien Groot-Polen, Klein-Polen en Reuszen,
waarbij zich later nog Litthazten voegde. Elke provincie werd
vertegenwoordigd door hare afgevaardigden, een bepaald
getal rabbijnen en leeken uit de voornaamste gemeenten,
die op vaste tijden vergaderingen 2) hielden, bij afwisseling
in Lublin en Jaroslaw, de belangrijkste handelsplaatsen van
Polen. In doze zittingen werden allerlei gemeentebelangen
besproken. Evenwel is ons van den werkkring van dezen
bond maar zeer weinig bekend, daar tijdens de latere vervolgingen de verhandelingen en protokollen der synodale
vergaderingen waarschijnlijk vernield zijn. Zoo ontwikkelde
zich het Poolsche jodendom in de I6de eeuw op krachtige
wijze. De gunstige staatkundige toestand, waarin het zich
ook onder de opvolgers van Sigismund I mocht verheugen,
droeg daartoe natuurlijk veel bij. Opmerkelijk is het, dat
toen ook het Karaisme in Polen eenig spoor van leven gaf.
Jakob van Balzyce in Lubliti en lzak Tr ohi (nit Trok nabij
Wilna) hielden vaak godsdienstdisputen met Christen geleerden, voornamelijk met de Unitariers en Dissidenten (zoo
heetten in Polen de Protestanten) over Jodendorn en Christendom. De laatste verzamelde kort voor zijn dood (1593)
zijn 'gehouden disputen onder den naam van versterking
in het geloof." 2) Dit geschrift hiedt wel geene nieuwe
gezichtspunten aan, maar verdient toch om zijn helderen
en onderhoudenden betoogtrant eene waardige plaats onder
de Joodsch-apologetische werken. De vrijheid, die de Joden
vele eeuwen in Polen genoten hadden, werd reeds in het
begin der I7de eeuw aanmerkelijk beperkt door den invloed
der Jezuieten, aan wie het onderwijs der Katholieke jeugd
toevertrouwd werd.
nirm ;mu
T
:
afgekort
I-
2)
rilitx
T
•
VIERDE TIJDVAK.
VAN DE VESTIGING DER NA RRANO'S IN NEDERLAND
TOT DEN DOOD VAN MOZES ltENDELSSOHN.
1590 —1786.
HOOFDSTUK XL.
De vestiging der marrano's in Amsterdam,
Hamburg en Bordeaux.
1590 —1648.
Omstreeks het einde der I6de eeuw was er bijna geen
plek in Europa, waar de Joden zich vrij konden vestigen.
Italie had door de paiiselijke onverdraagzaamheid en de
geheime macht der Jezuieten opgehouden, een toevluchtsoord
to zijn voor de vervolgde zonen Israels. Ook Turkije
bood hun geene veilige schuilplaats meer aan. .Frankrijk
en Engeland duldden reeds verscheidene eeuwen geen Joden
meer binnen hunne grenzen. In het Duitsche rijk heerschten
nog over het algemeen de middeleeuwsche toestanden,
zoodat ook dit geen herbergzaam oord aanbood. Waarheen
dus zouden de marrano's in Portugal, die nog altijd, al
was het ook reeds in het tweede en derde geslacht, hun
Joodsche afkomst niet vergeten hadden en naar een land
uitzagen, waar zij ongestoord tot het geloof hunner vaderen
konden terugkeeren, hun schreden richten ? Welk gewest
zou de zwaarbeproefde zonen van het lberische schiereiland
in liefde opnemen, als menschen behandelen, als natuurgenooten het onwaardeerbaar goed der vrijheid schenken ?
Tot hun groote vreugde vernamen zij, die nog dagelijks
door het monster der inquisitie met dood en vernietiging
bedreigd werden, dat er nog den gewest in Europa was,
waar menschenrecht geeerbiedigd, vrijheid gehuldigd werd.
Het waren de Nederlandsche provincien, die voor het be-.
houd van hare rechten en ter verkrijging van hare zelfstandigheid den reuzenstrijd tegen het fanatieke Spanje
ondernomen hadden, onder leiding van prins Willem van
Oranje, den grondlegger van Ne/rlands vrijheid en onathankelijkheid, Met innig genoegen vernamen de nieuw-
i 87
Christenen in Portugal van de nederlagen, die PhiliPs II
geleden had • met groote vreugde begroetten zij het bericht
van de vernieling der gevreesde armada, waardoor Spanje's
trots aanmerkelijk gefnuikt, zijn overmoed een gevoelige
slag toegebracht was. Smachtend richtten zij den blik naar
deze gewesten, waar zij hoopten een veilig toevluchtsoord
te vinden. Na een moeielijken en gevaarlijken tocht kwamen
in het jaar 1590 de eerste Portugeesche marrano's te
Het waren : Manuel Lopez Pereyra, zijne
Amsterdam.
zuster Maria Nunez en hun oom Miguel Lopez. Door
storm waren zij eerst op de kust van Oost-.Friesland geworpen, waar zij in kennis kwamen met den Emdenschen
rabbijn Mozes Uri Levie, die hen versterkte in hun voornemen, zich naar Holland, en wel naar Amsterdam, te begeven. Spoedig volgden nog eenige Portugeesche familien,
die alle onmiddellijk na hunne aankomst het gedwongen
geloof afzwoeren en tot het Jodendom overgingen, nadat
zij door den genoemden rabbijn van Emden in het verbond
van Abraham opgenomen waren. In het geheim leefden
zij naar de voorschriften van hun godsdienst en vereenigden
zich in het gebed ten huize van don Samuel Palache, den
gezant van den keizer van Marokko.
Hun verblijf te
Amsterdam was voor den magistraat nog verborgen, alhoewel
hun getal toenam. Van zelf kon dit op den duur geen
geheim blijven. Maar nu verbreidde zich het gerucht, dat
zij geheime Katholieken waren en hun bijeenkomsten geene
goede bedoelingen hadden. Then zij zich nu op den Grooten
Verzoendag van het jaar 1596 wederom in het verborgen
vereenigden, om dien heiligen dag in plechtigen ernst te
vieren, werden zij niet weinig ontsteld door de verschijning
van den schout en zijne dienaren. die men op deze samenscholing opmerkzaam gemaakt had. De hoofden Mozes
Uri Levie en zijn zoon Aron werden gevangen genomen,
de anderen uit elkaar gejaagd. Spoedig echter overtuigde
zich de schout, dat deze lieden volstrekt geen kwaad in
het schild voerden, daar Jakob Tirado, een van de voornaamste Portugeezen, hem duidelijk maakte, waarom zij
uit hun land gevlucht en met welke bedoelingen zij te zamen
gekomen waren. De kloeke taal van Tirado, die bovendien
op de voordeelen wees, welke het verblijf der Joden voor
den handel van Amsterdam en Holland kon opleveren,
Wij volgen hier het jaartal, opgegeven door D. H,
in zijn : Gedenkschrift ter gelegenheid van
het tweede eeuwfeest der Portug.-Israel. gemeente te Amsterdam.
de Castro Mz.
188
bewoog den magistraat, hun -weer de vrijheid te schenken en
toe te staan, een bedehuis in te richten, onder bedirg, dat zij
ook voor het welzijn van stad en land zouden bidden.
Al was hun nog wel geene openbare godsdienstoefening
geoorloofd toch was men over dit verlof al zeer verheugd.
Spoedig werd een huis tot synagoge ingericht en als zoodanig op Nieuwjaar (1597) onder den naam van het huis
van Jakob l) (met zinspeling op den naam van den stichter,
Jakob Tirado) ingewijd. De eerste chacham (opperrabbijn)
der jonge gemeente was Jozef Pardo, die aldaar tot zija
dood bleef (1619). Door de komst van meer vluchtelingen
uit Spanje en Portugal werd deze synagoge spoedig te
klein, zoodat zich de behoefte naar eene tweede sterk deed
gevoelen. Deze kwam door de bemoeiingen van Izak
Medeiros en andere aanzienlijke gemeenteleden tot stand
(16o8). Zij kreeg den naam van de mooning - des vredes 2).
Hare rabbijnen waren Izak Vega, die later naar Constantinopel
vertrok, en Izak Uziel uit Fez, een man van veelzijdige
ontwikkeling (gest. te Amsterdam J 6 2 2). Reeds eenige
jaren te voren had de Portugeesche gemeente eene begraafplaats gekocht nabij Groede (in Noord-Holland), totdat zij
in het bezit kwam van eene meer in de nabijheid gelegen
begraafplaats te Ouderkerk aan den Aiiistel (1616).
Tot nu toe had zich het bestuur van Amsterdam volstrekt
niet verzet tegen de godsdienstoefeningen der Joden, Maar
door de ontstane godsdiensttwisten tusschen de Remonstranten
en contra-Remonstranten kwam de wethouderschap in groote
moeielijkheid, daar ook de eersten, op grond van het recht
den Joden toegestaan, verzochten, ongehinderd met hun
openbare godsdienstoefeningen te mogen voortgaan. Ditzelfde verzoek richtten zij het volgende jaar (1618) ook tot
prins Maurits, Uit dien hoofde bracht Reinier Pauw,
burgemeester van Amsterdam, dit punt ter sprake in de
vergadering van gecommitteerde raden (1619). Bij wees
bovendien ook op het onzedelijke leven, waaraan zich vele
Portugeesche Joden schuldig maakten. Inderdaad liet de
kuischheid der marrano's veel te wenschen over. Zij verkeerden, naar het schijnt, in de meening, dat het Jodendom
niets anders eischte dan de inachtneming van de ritueele
wetten. De chacham Uziel trok in zijne boetpredikatien
met alle kracht tegen dit dwaalbegrip te velde, Menigeen
kon deze strenge terechtwijzigingen niet dulden, zoodat
zich eene partij vormde, die zich, met David Osorio aan
1 ) ipp, r1,3 .
52 ) MI tni
7113.
189
het hoofd, van de synagoge Newe-Schalom afscheidde en
eene afzonderlijke gemeente vormde onder den naam het
huis Israel, I) Het bestuur van Amsterdam was volstrekt
niet blind voor de voordeelen, die de rijke en ondernemende
Portugeesche vluchtelingen stad en land aanbrachten. Dezen
toch bevorderden in hooge mate den handel op Oost- en
Bovendien maakten zij door hunne beschaving
en ontwikkeling een zeer gunstigen indruk. De vooroordeelen, in den beginne jegens hen gekoesterd, verdwenen
gaandeweg. Bovendien mag men volstrekt niet over het
hoofd zien het karakter van het Nederlandsche yolk,
dat volstrekt geen geloofsdwang of geloofsvervolging kent.
De begrippen van vrijheid en onafhankelijkheid waren in
het hart van de Nederlandsche natie zoo diep geworteld,
dat eene commissie, benoernd door de Staten van Holland,
besloot dat Amsterdam particuliere keuze en order over
de Hebreeuwsche natie zou vermogen te maken, zonder
kenbaar teeken" 619). Hierdoor was aan de Joden volledige godsdienstvrijheid toegekend, die men in de andere
landen van Euroja nog lang niet kende. Het laat zich
begrijpen, dat de Joodsch-Portugeesche bevolking in Amsterdam steeds toenam, zoodat zij tusschen de jaren 162o
en 163o reeds meer dan vierhonderd familien telde.
Vele rijke Joden waren leden van de Oost- en West Indische
compagnie of bevorderden den handel op den Levant. 2)
Uit vrees, dat door de uitbreiding der gemeente bet aantal
synagogen nog toenemen en de reeds bestaande verdeeldheid
daardoor nog verergeren zou, dacht men ernstig aan eene
vereeniging der drie synagogen in den gebouw en onder
een bestuur. Deze vereeniging kwam vooral door de bemoeiingen van den chacham Pardo tot stand, waarop al
spoedig de reglementen van de nieuwe gemeente Talmud
Tora door de gevolmachtigden bekrachtigd werden (28 Adar
II 1639). De rabbijnen der drie vroegere gemeenten bleven
in functie, zoodat het rabbinaat nu bestond uit Saul Idevie
Morteira ; David Pardo, Menasse 6. Israel en Izak Aboab
de Fonseca. Zij waren tevens belast met het onderwijs aan
de Talmud-Toraschool, die, naast andere nuttige instellingen,
door de gemeente onderhouden werd. Aan deze school
werd zoowel bet lager godsdienst- alsook het hooger theologisch
1)
wiftr rn.
t
•• T : •
••
2) Reeds in de eerste jaren van de 17de eeuw vond de
Amsterdamsche wethouderschap het noodig, den Joden dezer
stad twee joodsche makelaars toe te voegen, welk getal
kort daarna (1612) met acht vermeerderd werd.
190
onderwijs gegeven. Op het Nieuwjaarfeest van hetzelfde
jaar werd de vergroote synagoge Beth-Israel met groote
plechtigheid in gebruik genomen.
Door de vrome en rijke gebroeders Pinto werd ook te
Rotterdam de grond gelegd tot eene Portugeesche gemeente,
die zich echter nimmer tot eenige hoogte heeft kunnen
verheffen. Nadat de Hollandsche zeemacht het rijke Brazilie
veroverd had (1624), vertrokken uit Amsterdam 600 Portugeesche Joden daarheen met de rabbijnen Mozes de
Aguilar en Izah Aboab, daartoe aangemoedigd door de
marrano's, die er zich al vroeger op last van den koning
van Portugal hadden moeten vestigen. Te Pernambuco en
op eenige andere plaatsen kwamen Joodsche volkplantingen.
De nieuw-aangekomenen legden zich op den handel toe en
namen spoedig in welvaart zoo toe, dat zij, toen de gouverneur der kolonie Johan van Nassau het land verliet, dezen
vorst zes tonnen goud aanboden voor zijn paleis, met het
Joel. dit tot eene prachtige synagoge te laten verbouwen.
Met de terugroeping van den gouverneur hield ook de
macht der Hollanders in Brazilie op, dat eindelijk weder
voor hen verloren ging (1654). De beide rabbijnen keerden
toen naar Holland terug met nog eenige Portugeesche
familien, terwijl andere aldaar bleven. Sommige begaven
zich naar Paramaribo, waar zich omstreeks 1644 ook enkele
Joden uit Nederland gevestigd hadden. Toen Suriname in
een met Eng,eland gesloten vrede (1667) den Nederlanders
ten deel viel, trof men daar reeds Hollandsche Joden aan,
die zich met zeldzame volharding bezighielden met het
bruikbaar maken van den bodem en met anderen den grond
hielpen leggen tot den lateren bloei der kolonie. Zij bewoonden een afzonderlijke wijk, de Savannah geheeten.
Van de marrano's, die de brandstapels der inquisitie
ontvluchtten, namen ook enkele familien de wijk naar
Hamburg, waar zij evenwel lang niet zoo gunstig opgenomen
werden als in Amsterdam.
Op het bericht, dat hun broeders
aldaar openlijk tot het Jodendom konden overgaan, begonnen
ook zij het masker des Christendoms eenigszins van zich
of te werpen en de Joodsche wetten meer openlijk te betrachten, alhoewel zij het nog niet waagden hunne kinderen
te laten besnijden. Maar de streng Luthersche en onverdraagzame bevolking van de Noord-Duitsche Hansestad
wilde niets van hen weten en drong bij den senaat aan op
de verwijdering van de Joden, die uit Portugal of andere
landen derwaarts gekomen waren. De senaat achtte evenwel
het verblijf der rijke Portugeesche vluchtelingen van groot
belang voor den bloei van den handel. Bovendien bevonden
zich onder hen mannen van geleerdheid en hooge ont-
'9'
wikkeling, die men toch slecht als landloopers de stad kon
uitjagen. De senaat liet daarom oogluikend het verblijf
der marrano's toe. Maar er bestond nog eene macht boven
den senaat en deze bleef zich met kracht tegen hunne
vestiging verzetten, totdat hun eindelijk, na ingewonnen
advies van twee theologische faculteiten, toegestaan werd,
in Hamburg te blijven, alhoewel onder zeer drukkende
bepalingen (1612). Zoo werd hun verboden het stichten
van bedehuizen, het houden van godsdienstige bijeenkomsten,
de besnijdenis en maakte men nog andere bepalingen, waardoor zij in de naleving hunner godsdienstplichten zeer belemmerd werden. Toen intusschen de gemeente in zielental
toenam en bemerkte, dat hare rijkdommen veel bijdroegen
tot den bloei van handel en nijverheid, richtte zij, zonder
daartoe verlof te vragen, in stilte eene synagoge in en beriep
zelfs een chacham (1626). Dit kon natuurlijk niet geheim
blijven, zoodat de senaat op keizerlijk bevel de Joden aan
de vroegere besluiten herinnerde. De bedreigingen van
den senaat waren echter niet zoo ernstig gemeend. Daarentegen trachtte de streng Luthersche partij, aan wier hoofd
de geestelijke Johann Muller stond, den Jodenhaat weder
zoo veel mogelijk aan te wakkeren. Hullers geschrift
uitvoerig bericht over het ongeloof, de blindheid en verstoktheid van het Joudsche yolk" beoogde niets anders
dan eene nieuwe Jodenvervolging in Duitschland uit te
lokken. Maar dit geschrift en dergelijke pamfletten hadden
het gewenschte gevolg niet meer. Christiaan I V, koning
van Denemarken, wien hij dit schotschrift opdroeg, gevoelde
zich door dit eerbewijs volstrekt niet gevleid. Integendeel,
hij benoemde den geleerden Benjamin Musafia 1) tot zijn
arts. Ook werden in Hamburg de rechten zoowel van de
Portugeesche- als van de Duitsche Joden gaandeweg uitgebreid, zoodat zij eindelijk in het openbaar als Joden
konden optreden. Vooral de familien Castro, Lima en
Teixeira stegen door hun grooten rijkdom en vorstelijke
levenswijze in hoog aanzien. Don Diego Teixeira en zijn
noon Manuel werden benoemd tot gezanten van koningin
Christina van Zweden, die tijdens haar verblijf te Hamburg
bij hen haar intrek nam. Evenals te Hamburg ondervonden
ook de marrano's, die zich in Bordeaux vestigden, vele
moeielijkheden. Geruimen tijd leefden zij, uit vrees voor
nieuwe vervolgingen, uiterlijk geheel als Christenen, zoodat
I) Deze schreef toevoegingen
(rum plc) op het tal-
mudisch woordenboek van R. Nathan Romi
.
192
zij hun kinderen in de kerk lieten doopen en hun huwelijken
door Christen geestelijken inzegenen. Van zelf waagden zij
het niet, Joodsche namen te voeren. Maar in het geheim
namen zij de plichten van hun godsdienst zoo trouw mogelijk
in acht. Hun aantal nam gaandeweg toe, zoodat er in 1636
te Bordeaux 216 marrano's woonden en ook in Bayonne
enkele marraansche farnilien aangetroffen werden. Eerst
onder de regeering van Lodewijk X1 V waagden zij het,
openlijk tot het Jodendom over te gaan.
HOOFDSTUK
De Joden in Duitschland en Oostenrijk gedurende de
eerste helft der zeventiende eeuw.
Terwijl in Holland een schoone dageraad voor de Joden
aangebroken was, liet in Duitschland hun toestand nog altijd
zeer veel te wenschen over. Door de voortdurende vervolgingen was hun aantal aanmerkelijk verminderd, zoodat
aldaar nog maar enkele gemeenten van beteekenis aangetroffen werden, als : Frankfort a.fM. met ongeveer 5000,
Worms met 1400, Praag dat ongeveer io.000 en 1/Veened,
dat 3000 zielen telde. En ook daar leefden zij nog onder
zeer strenge wetten. In Frankfort mochten zich geene
Portugeesche Joden vestigen, terwijl ten opzichte van de
Duitsche Joden in de middeleeuwsche toestanden nog niet
veel verandering gekomen was. De stedelijke raad nam
hen in bescherming tegen de gilden, die voortdurend op
hunne verdrijving aandrongen. Eindelijk vereenigden zich
deze onder aanvoering van een koekenbakker Vincent Feltmikh, een kleermaker en een schrijnwerker Schopp en
overvielen de Jodenwijk. De Joden boden nog eenigen tijd
moedigen tegenstand maar moesten eindelijk zwichten voor
de vele muitelingen, die onder woest getier het ghetto
binnenstormden, waar zij op vreeselijke wijze huis hielden.
Nadat zij genoeg geplunderd hadden, joegen zij hen, beroofd
van have en goed, uit de stad (1614). Weldra volgde
men in Worms hetzelfde voorbeeld. Ook daar stonden
de gilden op aansporing van zekeren Chemnits tegen hen
op en moet het eveneens aan de machteloosheid van den
senaat toegeschreven worden, dat zij uit de stad verdreven
werden (1615), niettegenstaande de keizer bevolen had, hen
tegen het gepeupel in bescherming te nemen. Hiermede
nog niet tevreden, plunderde het gemeen de eeuwenoude
synaoge van Worms, vernielde de grafsteenen op den
1 93
doodenakker en richtte er de schandelijkste verwoestingen
aan. De keizer was 'over dit vandalisme zeer vertoornd.
Hij liet Fettmilch benevens eenige andere woestelingen onthoofden, terwiil zoowel de Joden van Frankfort als die
van Worms, wier lot zich vooral de keurvorst van de Palls
aantrok, reeds in het volgende jaar, onder begeleiding van
keizerlijke troepen, naar hunne haardsteden terugkeerden.
De strengheid, waarmede de keizer de schuldigen vervolgde,
was voor velen een afschrikkend voorbeeld. Daaraan moet
het ook waarschijnlijk toegeschreven worden, dat de Duitsche
Joden door den dertigjarigen oorlog niet meer te lijden
hadden dan de Christelijke bevolking. De keizers Ferdinand
II en Ferdinand III, niet ongevoelig voor de blijken van
trouw en gehechtheid, die de Joden voor hen aan den dag
legden, en vooral voor de geldelijke ondersteuning, waarmede zij hen in den strijd bijstonden, waren hun over het
algemeen gunstig gezind. Ferdinand II benoemde zelfs
eenige voorname Joodsche kapitalisten uit Oostenrijk tot
hofjoden.
Dezen verkregen het voile burgerrecht. Een
hunner Jakob Bassewi Schmiles uit Praag werd bovendien
door hem onder den naarn van Treuenburgtot den adelstand
verheven en met een familiewapen vereerd (1622). Door
deze gunstige verandering nam de gemeente te Weenen
weder aanmerkelijk toe. Haar ledental breidde zich zoo
uit, dat de keizer in een deel der stad (later de Leopoldstad)
eene afzonderlijke wijk den Joden tot woonplaats aanwees
en verlof gaf tot den bouw van eene synagoge. 1) Maar
tevens beval hij, op aanhoudend aandringen der geestelijkheid, dat de Joden van Weenen en Praag wekelijks in de
Christelijke kerk eene predikatie moesten bijwonen. Zoo
liet hun godsdienstvrijheid nog altijd te wenschen over.
In dien tijd was te Weenen als rabbiin werkzaam de
geleerde Lipman Jomtob Heller (geb. in Wailers/an 1579).
I)eze neemt onder de Duitsche en Poolsche rabbijnen van
de 17 de eeuw eene belangrijke plaats in. Aan groote talmudische geleerdheid paarde hij eene wetenschappelijke
orming. Met de Joodsch-wijsgeerige geschriften was hij
niet minder vertrouwd, dan met de critische onderzoekingen
van Azarja di Rossi.
In de Hebreeuwsche taalkunde was
hij volstrekt niet vreemd en betreurde het zelfs, dat hare
studie zoo stiefmoederlijk hehandeld werd. Nog v66r zijn
twintigste jaar werd hij benoemd tot lid van het rabbinaat
Zie hierover uitvoeriger die letzte Vertreibung der
juden aus Wien and Niederosterreich" van Dr. D. Kaufmann 1889.
1 94
te Praag, waar hij vriendschappelijk verkeer aanknoopte
met den prediker Efthraim Lentschutz, vervaardiger van
gewaardeerde homilien, ') en David Gans. Hellers roem
nam vooral toe door zijn uitvoerigen commentaar op de
Mischna, 2) die getuigt van zijn helderen geest en groote
bedrevenheid in de talmudische literatuur. Na een 27-jarigen
arbeid als rabbinaats-assessor werd hem het Moravische
landrabbinaat te Nikolsbiirg aangeboden (1625). Reeds in
het volgende jaar verliet hij deze stad, daar de gemeente
van Weenen hem tot haar geestelijk hoofd benoemde. Ook
in Oostenrijks hoofdstad verwierf hij zich groote achting
wegens zijne geleerdheid en mocht hij zich door zijn beminnelijk karakter in de liefde zijner gemeenteleden verheugen. Zelfs in den keizerlijken hofkring stond hij in
groot aanzien wegens zijne edele eigenschappen en voortreffelijke hoedanigheden. Desniettemin onttrok hij zich
reeds na twee jaar aan de armen zijner vrienden, om het
rabbinaat van Bohenzen te aanvaarden, dat hem door de
Praagsche gemeente aangeboden was. Deze eervolle onderscheiding baarde hem groote vreugde, omdat — zooals hij
in zijne levensbeschrijving 3) mededeelt — Praag de bakermat der Joodsche geleerdheid was, eene stad rijk aan
schriftkundigen en wetgeleerden, wijd vermaard door hare
hoogescholen en leerhuizen." Met geestdrift werd de gevierde Heller ontvangen in de gemeente, waar hij zijne
oude vrienden terugvond (1628). Daar hij nog niet terstond
zijn ambt aanvaardde, vond hij den noodigen tijd, om zijne
aanteekeningen op Ascherie's werk te voltooien. 4 ) Maar
reeds spoedig werd zijn levensgeluk verstoord. Als opperrabbijn had Heller het voorzitterschap in de commissie,
door den keizer belast met de niet benijdenswaardige taak,
de leden van de Praagsche en andere Boheemsche gemeenten
aan te slaan in de belasting, die de Boheemsche Joden ten
behoeve van den oorlog, waarin Ferdinand nog altijd gewikkeld was, moesten opbrengen. Zooals gewoonlijk, waren
vele gemeenteleden ontevreden met hun aanslag en deden
hun beklag bij de overheid. Deze handhaafde het besluit
der commissie, daar niet de minste blijken van partijdigheid
en oneerlijkheid gevonden konden worden. De ontevredenen
wilden zich thans op den edelen rabbijn wreken, Te vergeefs
trachtte hij door gemoedelijke redevoeringen den vrede in
de gemeente te bewqren. Want het bestuur der Praagsche
trio N rntiny,
4t?;:i e. a.
rit-nn.
4 ) zit: 014 4 -ipn.
3 ) r;
3)
-
T '•
- • :
••
r)
or
195
kehilla ontving weldra een keizerlijk bevel, hun opperrabbijn
geboeid naar Weenen over te brengen, omdat deze zich,
zooals de beschuldiging luidde, in sommige zijner werken
oneerbiedig uitgelaten had jegens den stichter van het
Christendom en diens belijders. Men stond als verpletterd
over dit bevel. Door tusschenkomst van Jakob Sehmiles
kreeg Heller nog wrlof, ongeboeid en zonder bewaking
naar Weenen te gaan. Bij zijne aankomst werd hij gevangen
genomen en moest in den kerker blijven, totdat hij voor
eene commissie verscheen, om zich te verdedigen over de
hem ten laste gelegde misdaad. Dit viel hem volstrekt
niet moeielijk. Maar toch werd hij tot eene boete van
10.000 gulden veroordeeld, waarvan 2000 gulden onmiddellijk
en de rest in termijnen kon betaald worden, De edele
Schmiles zorgde voor de eerste storting ; ook uit Weenen
vloeiden rijke giften voor den dierbaren geestelijke. Maar
bovendien hadden zijne vervolgers ook bewerkt, dat hij
Praac verlaten en geen enkel rabbinaat in geheel Duitschland meer bekleeden mocht. Dit trof den edelen man zeer
hard. De ondervonden smaad en de vele teleurstellingen
grepen hem zoo sterk aan, dat hij door eene zware ziekte
aangetast werd. Na zijn herstel verliet hij zijn vaderland en
begaf zich naar Polen, waarheen zijn roem hem reeds voorgegaan was. Toen nu juist door den dood van R. SamuelEdels')
het rabbinaat van Nemirow opengevallen was, bood men
hem dit onmiddellijk aan (1631). Ook andere gemeenten
vestigden op hem hare keuze, maar Heller wilde den aangenomen zetel niet verlaten. Het bericht van zijne benoeming tot
rabbijn van de beroemde gemeente Krakau (1643) vervulde
hem met groote vreugde. Eerie zoo eervolle aanbieding kon
hij niet van de hand wijzen, zoodat hij nog in hetzelfde
jaar daarheen toog. Het was thans voor den eersten keer
na zijne verbanning nit Praag, dat hij weder een familiefeest
vierde, terwijl hij zich voornam, jaarlijks den dag zijner
installatie (2 Ad1r) als een vreugdedag te vieren, omdat
hem toen de ontrukte kroon teruggegeven was. Tot zijn
dood (1654) bleef hij als rabbijn van Krakau werkzaam
en bezat veel invloed in de synoden der vier landen, waar
') N'twvit, van wien wij eene zeer scherpzinnige verklaring van den Talmud, en vooral van Tosefoth etrri
nitro bezitten. Die van de talmudische Aggada heet
T
x96
hij door wettelijke bepalingen de verhouding tusschen de
gemeenten en hare geestelijken regelde.
HOOFDSTUK XLII.
Het Poolsche Jodendom. De treurige vervolgiug
order
1610 —1655.
Er was in de i7 d e eeuw geen land in Europa, waar zich
het Joodsche leven in al zijne uitingen krachtiger ontwikkelde
dan Polen. Begunstigd door de regeering en den adel,
over het algemeen welvarend en met de overige bevolking
in goede verstandhouding verkeerend, vonden de Poolsche
Joden hun hoogste geluk in de trouwe betrachting van de
drie hoofdplichten des jodendoms: wetstudie, Godsvereering
en weldadigheid. Iedere gemeente, hoe klein ook, bezat
behalve haar synagoge ook eene leerschool, de gewijde
plaats, waar men na het einde van den dagelij kschen arbeid
te zamen kwam, om zich te scharen om een leeraar en uit
zijn mond het woord Gods te vernemen. Boverkdien werden
in de voornaamste gemeenten Jeschiboth aangetroffen, waar
de jongelingen onderricht in de talmudische wetenschappen
ontvingen, dat zij zoolang volgden, tot zij df als zelfstandige leeraren konden optreden df zich aan den handel
of eenig handwerk gingen wijden Het onderwijs op de
Jeschiboth vond plaats gedurende den zomercursus, van
Ijar tot 15 Ab, en in den wintercursus, van z Cheschwan
tot . 15 Schebat. In de eerste helft van iederen cursus bepaalde zich het onderricht uitsluitend tot Talmud en Tosefoth
in de laatste helft, die respectievelijk begon met het Wekenen Chanukafeest, behandelde men ook casu?stiek. Het hoofd
der school (Rosch Jeschiba) trachtte door het opwerpen van
ingewikkelde talmudische problemen naar aanleiding van
het door hem opgegeven thema het verstand zijner leerlingen te scherpen. De grootste verdienste bestond voor
de leerlingen in het opsporen van de subtielste verschilpunten
(chilluk) tusschen onderwerpen, die voor den nuchteren
denker hetzelfde karat ter hebben de grootste roem van
den leeraar in het doen van nieuwe ontdekkingen (chiddusch)
in den Talmud of diens commentaren. Wekelijks moesten
de verstgevorderde studenten voor de bestuurders der
Jeschiba blijken geven, dat zij het onderwijs met vrucht
gevolgd hadden, waarvan zich het schoolhoofd door een
soort examen op het einde van elk semester overtuigde.
;
1 67
Op i5 Ab en 15 Schebat werd het onderwijs gestaakt,
omdat de schoolhoofden, de beroemdste rabbijnen van Polen,
alsdan de zittingen der vier landen gingen bijwonen, die
gewoonlijk in Lublin en jar oslaw plaats vonden, Deze
zittingen vielen juist samen met den tijd, waarop aldaar de
groote jaarmarkten gehouden werden. Ook de verstge-
vorderde kweekelingen namen deel aan deze vergaderingen,
waar zij, onder leiding van hunne leeraren, blijken gaven
van hunne bedrevenheid in de scherpzinnige ontleding van
talmudische problemen. Het waren wedstrijden, die door
honderden met groote belangstelling gevolgd werden. Menige
rijke handelsjood gevoelde zich alsdan gelukkig, zoo hij
een bekwamen talmudist (lanzdan) de hand zijner dochter
kon schenken. Want een schoonzoon te hebben, die zich
door talmudische bekwaamheid onderscheidde, gold toen
als de grootste eer. De behoeftige kweekelingen werden
door milde gaven en het verstrekken van voedsel en kleeding
in de gelegenheid gesteld, zich onbezorgd aan hunne studie
te kunnen wijden. Men beschouwde het zelfs als een
voorrecht, toekomstige talmudisten aan zijn tafel te kunnen
noodigen en koestei de reeds de stille hoop, deze eenmaal
in den kring zijner naaste verwanten op te nemen. Het
spreekt van zelf, dat in een land, waar de studie der
Joodsche wetenschappen op zulke treffende wijzen aangemoedigd, gesteund en bevorderd werd, deze ook heerlijke
vruchten moest voortbrengen. De jongelingschap wijdde
uitsluitend haar denkkracht aan Talmud en CasuIstiek, verdiepte zich in deze uitgebreide literatuur bij dag en nacht,
zoodat menigeen reeds op jeugdigen leefrijd eene verbazende
geleerdheid aan den dag legde en zich neerzette tot het
bewerken van belangrijke geschriften. Net Poolsche Jodendom kan dan ook wijzen op een tal mannen, die zich door
hun geestesproducten blijvenden roem, zelfs algemeen
erkende autoriteit verworven hebben. Slechts enkelen zullen
hier genoemd worden. Evenals Meharscha vervaardigde
R. Mei r te Lublin 1) een supercommentaar voornamelijk
op de Tosafoth der meeste talmudtractaten, 2) die echter
niet zoo diepzinnig is en daarom vooral eerstbeginnenden
beoefenaars van Tosafoth vaak zeer groote diensten bewijst.
Van groote bekwaamheid in de halachische literatuur getuigt
de commentaar op de Turim 3) van Joel Si rks, 4 ) wiens
schoonzoon David Hallevie uit Lublin (geb. omstr. 6o t))
i,`731`, D —rm.
4
') wnzn ,r; nrn.
3 ) 17 -17-1
) Naar zijn werk gewoonlijk ri"3 genoemd,
MoN. Gesch. III, 14
I 98
eene verklaring 1) schreef op Jozef Karo's codex en daarin
menigmaal dien beroemden casuist verdedigt tegen de
critiek van zijn geleerden schoonvader. Nog afzonderlijke
commentaren op de vier deelen van Karo's codex verschenen in deze eeuw en wel : op Orach-Chajim 2) door
Abraham Gumbiner, rabbijn van Kali sat (gest, 1682) ;
op Jore-dea 3) en Choschen-mischpat door Sabbathai Cohen, 4 )
rabbijn in eenige Moravische steden (gest. in Hollenschau
1663) en op Eben-haezer een 5) van de hand van Moles
Lima, rabbijn te WI lna (gest. 1673) en een 6) van R. Samuel
b. Urie. Van de werken dezer decisoren (poskiem) heeft
naast Magen- Abraham vooral de commentaar van Sabbathai
' Cohen groote beroemdheid verkregen door zijne scherpzinnigen maar tevens helderen en nauwkeurigen betoogtrant.
Deze verraadt tevens groote belezenheid in de literatuur
der oudere en jongere casuisten. Onder de schrijvers van
talmudische novellen treden op den voorgrond Jozua Falk
(gest. 1678) rabbijn van Krakau 7) en zijn opvolger R. Jakob
Heschels.
Omstreeks het midden der 17de eeuw brak juist in hetzelfde
ar(len-Europa een einde kwam aan een
jaar, waarin voor
langdurigen godsdienstoorlog, voor Oosi-Europa een tijd
van ellende aan, die vooral bij het Poolsche Jodendom
treurige sporen achtergelaten heeft. Reeds op het einde
der vorige eeuw had de Poolsche koning Si gismund, een
trouw dienaar der jezuieten, in zijn rijk het Roomsch-Katholieke
geloof tot staatsgodsdienst verheven. Van de GriekschKatholieken, die nu aan groote minachting en vernedering
blootstonden, zond hij velen naar de Russische grenzen,
om zijn land tegen de invallen der Tartaren te beschermen.
Deze kolonisten vormden weldra de kern der Kozakken,
die aan de kusten der Zwarte Zee als stoutmoedige vrijbuiters leefden en in naam aan Polen onderworpen waren,
maar inderdaad onder hun eigen aanvoerders (hetmans) een
woest en teugelloos leven leidden. Hierop besloot de
Poolsche rijksdag hun het recht te ontnemen, or hun eigen
hetman te kiezen en het land door Poolsche stadhouders
te laten besturen. De Poolsche edellieden, die in Zui dRusland veel landerijen bezaten, dwongen de Kozakken tot
zwaren heerendienst, terwijl zij het opzicht hierover aan
nnt
2) orrinx
4 ) Bij verkorting Tr7.
6) piT•rm npni.
')
TT:
7)
PleIrr
••T
vitt*.
6 ) 7x1tTe rrn.
••
1 99
hun Joodsche rentmeesters opdroegen, die in deze streken
in grooten getale woonden . Hoe meer de ontevredenheid
over deze slavernij toenam, met des te grooter strengheid
gingen de Joden te werk, vertrouwende op den steun en
de bescherming van den machtigen Poolschen adel. De
verbittering over deze lijfeigenschap werd al erger, zoodat
de Kozakken eindelijk onder hun opperhoofd Pawliuk zich
poogden vrij te maken (omstr. [638). De Joden konden
toen reeds merken, wat hun van de Kozakken te wachten
stond, die hun niet minder dan den Poolschen edellieden
den dood gezworen hadden. Eindelijk wierp zich als
Kozakkenhoofd op de krijgshaftige [mar wreede Bogdan
Chrnielnicky (Russisch Chamel), die reeds tijdens zijn dienst
in het Poolsche leger pogingen aangewend had, om het
lot zijner landgenooten te verbeteren. Op zijne aansporing
vereenigden zich de Kozakken met de Tartaren tot den
strijd tegen Polen en tot wraakoefening tegen het verwenschte Jodenvolk. Tusschen Kiew en Pultawa doodden
zij al aanstonds vele Joden ; anderen voerden de Tartaren
mede naar de Krim, waar zij door hun Turksche geloofsgenooten vrijgekocht werden. Kort na hun eerste overwinning overleed koning I4 ladislaw (1648), waardoor Polen,
met een vreeselijken oorlog bedreigd, nu nog bovendien
door regeeringloosheid geteisterd werd. De troepen der
verbonden Kozakken en Tartaren verspreidden zich naar
verscheiden kanten. Hun komst veroorzaakte allerwege
ernstige vrees, want zij was de voorbode van dood en verderf.
De Grieksche popen, die hen op hun tochten begeleidden,
spoorden hen in naam van den godsdienst aan, Katholieken
en Joden zonder genade te vermoorden. Onze pen schiet
dan ook te kort, de wreedheden te beschrijven van dezen
oorlog, eene ware menschenslachting. De gruwelen van
• deze Jodenvervolging overtroffen nog die der middeleeuwen ;
het aantal slachtoffers was niet minder dan van het voor
de Joden zoo treurige jaar 1348 ; de uitroeiing van vele
Israelietische gemeenten herinnert aan de dagen van Hadrianus.
Kort na de eerste overwinning trok. een Kozakkenhorde
naar Nemirow (in Podolie), waar zich 6000 Joden, deels
inwoners deels vluchtelingen van de oml;ggende dorpen
bevonden, die alien door de woestelingen aan het zwaard
overgeleverd werden (2o Siwan 1648). Slechts enkelen
redden zich door de vlucht naar het naburige Tulezijn.
Weidra sloeg men ook om deze stad het beleg. Hare bewoners boden dapperen tegenstand. Eindelijk openden zij
de poorten, toen hun de vijanden beloofden, dat zij zich
van gewelddadigheden zouden onthouden, zoo hun slechts
het vermogen der Joden als losprijs uitgeleverd werd. Maar
Mox. Gesch. III, 14*
200
in de stad gekomen, hief een Grieksche pope voor de
bijeenverzamelde Joden een vaandel op, onder den uitroep :
wie zijn geloof wil veranderen, zal blijven leven en onder
dit vaandel bescherming vinden," Niemand antwoordde.
Hij riep tot driemaal en toen allen bleven zwijgen, stormde
men op de weerloozen aan, die tot den laatsten man neergesabeld werden. Op het bericht dezer gruwelen, zoowel
op Joden als Christenen gepleegd, verscheen een Poolsch leger,
om de Kozakken het voortdringen te beletten. Krachtig
gesteund door de Joden, streed het aanvankelijk met gelukkig gevolg, totdat Tartaarsche troepen tot hulp van
Charnel opdaagden. Hun komst verspreidde onder de
Polen zulk eel) angst, dat deze, met achterlating van al
hun krijgsvoorraad, in wilde vlucht uiteenstoven. Thans
werd Klein Rusland gedrenkt met het bloed van duizenden
slachtoffers. Vele Joden namen de wijk naar de noordelijke
steden (Bar, Brody, Lemberg-, Nara), anderen zochten
eene schuilplaats in Wallachije of aan gene zijde van de
Weichsel. Maar niet alle vluchtelingen ontkwamen aan het
zwaard hunner vervolgers. In korten tijd was de geheele
streek van Zuid Ukraine tot Lemberg van bijna hare gansche
bevolking beroofd. Behalve het zwaard, richtte ook een
vreeselijke ziekte, uitgebroken door de ophooping van
menschen, in verscheiden steden groote verwoestingen aan.
In Lemberg- stierven tijdens het beleg der Kozakken vele
Joden den hongerdood. De overgeblevenen moesten hun
geheel vermogen aan de belegeraars uitleveren, zoodat zij
niets anders dan hun leven konden redden. De wreedheden
te Narol, dat thans in de handen der vijanden viel, overtroffen nog alle vorige. Meer dan 12.000 Joden bezweken
onder onbeschrijfelijke gruwelen. Niet minder ontzettende
tooneelen van bloeddorstigheid vonden in de steden van
Volhynie en .Podolie plaats. Eindelijk staakte de Kozakken-•
hetman zijn tocht, daar de Poolsche edellieden en hertogen
zich aan zijn wil onderwierpen, door Johan Kasimir kardinaal van Gnesen tot koning van Polen uit te roepen.
1 ) In Krjemienitz slachtte een barbaar ruim honderd
Joodsche kinderen, wier lijken hij uit spotternij onderzocht,
zooals dit bij de Joden plaats vindt bij ritueel geslacht vee.
Daarna wierp hij vele dezer lijkjes den honden voor, onder
den uitroep : " deze zijn ter0fa," en ging met de overgeblevenen, welke hij voor z koscher" verklaarde door de
stad, schreeuwende : wie wil een lammetje koopen ?" Zulk
eene barbaarschheid is niet anders denkbaar dan bij de
Kozakken, die sours het vleesch der verslagenen opaten.
201
Hij verliet nu de landstreek, door hem in eene woestenij
herschapen, en keerde naar Ukraine terug. Den Poolschen
afgevaardigden, die hem in zijne residentie opzochten, om
over de verdere vredesvoorwaarden te onderhandelen, stelde
hij als eerste voorwaarde, dat zich in zijn gebied geen Jood
mocht vestigen. De onderhandelingen bleven een tijd lang
gestaakt en de strijd ware wederom uitgebroken, zoo men
dien eisch niet ingewilligd had.
Een tijd van verademing brak dan eindelijk voor Polen
in het algemeen en voor het Poolsche Jodendom in het
bijzonder aan (1649). Voor zoover hun dit toegestaan was,
keerden de vluchtelingen weder naar hun haardsteden terug.
Die uit dwang tot de Grieksche kerk overgegaan waren,
mochten met 's konings verlof weder het voorvaderlijk
geloof omhelzen. Maar welk een tal van moeielijkheden
deed zich nu al niet voor ? Van vele Joodsche kinderen,
die aan hun ouders ontrukt waren, om ze voor het Christendom groot te brengen, was de afkomst geheel onbekend.
Honderde vrouwen wisten niet of hun mannen nog leefden.
Van hen, die tot de treurige ervaring van den dood barer
echtgenooten gekomen waren, verkeerden thans vele kinderlooze weduwen in het onzekere omtrent den toestand barer
zwagers, op wie de plicht van het leviraat rustte. Welke
gewichtige godsdienstige kwesties wierpen zich daardoor
als van zelve op. In deze netelige omstandigheden moet,
naar bet getuigenis van een tijdgenoot, die deze rampzalige
geschiedenis beschreven heeft, ') de synode der vier landen
zich op eene lofwaardige wijze van haar taak gekweten en
door uitstekende maatregelen veel bijgedragen hebben tot
leniging van den nood. Ook bepaalde zij, dat de Poolsche
Joden jaarlijks den dag van de eerste Jodenslachting te
Nemirow (2o Siwan) als treur- en vastendag zouden vieren.
Het was echter den Joden niet gegund, langdurige rust te
smaken. Weldra werd Polen door drie vijanden tegelijk,
de Kozakken, Russen en Zweden bedreigd. (165 4). Waar
deze overwinnaars bleven, en dat was in vele gevechten,
moesten Jakobs zonen wederom uit den lijdensbeker drinken.
Zoo woedde ten tweeden male het zwaard in vele Joodsche
1)
Natan Hanover, schrijver van
rOvsn Tr.
T
:
Een andere
r ••
niet minder treffende beschrijving van deze Jodenvervolging
leverde Sabbathai Cohen (rmy ;1;7 in), die ook, evenals
T T
T•
Lipman Helier e. a. in treffende elegieen uiting gaf aan zijn
van smarten geprangd gemoed.
202
gemeenten van Polen en Litthauen. *Ramp op ramp trof
ons, harttreffend klaaggeschrei werd in iedere gemeente
gehoord, de geleerden Israels vielen door het zwaard, ieders
hoofd was ziek en aller harten bedroefd" zoo klaagt een
dichter uit dien tijd in eene treffende Selicha. Het aantal
Joden, gedurende de tien jaren (1648-1658) omgekomen
door zwaard, vuur, ziekte en honger wordt op meer dan
een kwart millioen geschat. De overgeblevenen waren
verarmd en aan de bitterste ellende ten prooi gegeven.
Bij scharen verlieten zij dan ook het land, dat hun niet
langer eene veilige schuilplaats kon aanbieden. De landverhuizers trokken meerendeels naar Duitschland,
Turkije en Nederland. Velen werden door de rondzwervende
Kozakken overvallen, anderen bezweken op den tocht door
ontbering en uitputting. Onder de uitgewekenen bevonden
zich ook groote geleerden, zoodat het Poolsche Jodendom
niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk een bijna onherstelbaar verlies leed. Drie beroemde talmudisten verlieten
tegelijk Wilna. Het waren : de genoemde Sabbathai Cohen,
R. Aron Kaidanover en R. Mozes Ribkes. De laatste
begaf zich naar Amsterdam, waar hem de Portugeesche
rabbijnen R. Saul Levie Morteira en R. Izak Aboab met
weldaden overlaadden. 1 ) Later keerde hij naar zijne woonplaats terug. Ook Kai danover, van wien wij eene Teschubothverzameling en novellen op de talmud-tractaten van Seder
Kadaschim Q) bezitten, zocht weder zijn vaderland op,
nadat hij eenigen tijd de rabbinale zetels te Furth en
Frankfort Of bekleed had.
HOOFDSTUK XLIII.
De komst der Hoogduitsche en Poolsche Joden in Amsterdam.
De bloei der Portugeesch-Israelietische gemeente.
1630-1675.
Niet lang na de komst der marrano's zochten ook Hoogduitsche Joden eene schuilplaats in het gastvrije Holland.
1) Men droeg hem de correctie op van 11131 ir1 171V),
T
T :
welk werk juist toen te Amsterdam gedrukt werd. Op
verzoek van R. Mozes d' Aguilar voegde hij daaraan toe
eene opgave van de bronnen en eene zeer korte verklaring
order den naam thj,71
2) mu" riznn.
203
Gedurencle de vervolgingen in Frankfort en Worms (zie
bi. 192), maar vooral tijdens de woelingen vin den dertigjarigen oorlog begaven zich sommige familien, onderricht
van de weiwillende opneming hunner zuidelijke stamgenooten, naar Amsterdam.
Zij brachten echter niet zooals
dozen schatten mede. Integendeel, beroofd van have en
goed kwamen zij als arme ballingen in hunne nieuwe woonplaats, waar zij dan ook aanvankelijk een zeer treurigen
indruk maakten. Door de komst van meer vluchtelingen
waren zij weldra in staat in hun nieuw vrijheidsoord een
klein kamertje te huren, dat zij tot synagoge inrichtten.
Tot hun rabbijn kozen zij Rabbi Mozes Wehl, kwamen
ook spoedig in het bezit van een tweede begraafplaats te
Muiderberg - (1639) en hadden zoodoende den grond gelegd
tot de Hoogduitsche gemeente, die zich van de Sefardische
geheel afscheidde. In niet minder ellendigen toestand dan
de Duitsche Joden zochten ongeveer een twintigtal jaren
later velen van hun Poolsche geloofsbroeders, die tijdens
de Kozakken-oorlog den dood en het zwaard hunner woeste
vervolgers ontvlucht waren, het gastvrije en verdraagzame
Holland op. Op de reede van Texel landden ongeveer
3000 Litthausche Joden (1656) en begaven zich van daar
bij honderden naar Amsterdam. De Sefardim moeten toen
schitterende bewijzen van liefdadigheid jegens hun door
honger en gebrek uitgeputte geloofsbroeders aan den dag
gelegd hebben. Het stedelijk bestuur onthield den Hoogduitschen Joden aanvankelijk vele rechten en vrijheden,
waar mede het de Portugeesche Israelieten begiftigd had.
Zoo had de vroedschap nog in 1648 hun verzoek, eene
openbare synagoge en vleeschhal te bouwen (wel een bewijs
van hun toenemende welvaart in dit korte tijdsbestek) niet
toegestaan. Maar daar hun aantal door de komst der
Poolsch-Litthausche Joden zoo aanmerkelijk toenam, vond
men het niet geraden, hun de zoo vurig verlangde vrijheid
van godsdienst te onthouden. De regeering koesterde echter
de vrees, dat de splitsing in afzonderlijke gemeenten met
behoud van eigen ritus en minhag aanleiding tot verdeeldheid en strijd zou geven en verbood daarom den Poolschen
Joden afzonderlijke godsdienstoefeningen in hun eigen bidlokaal te houden, waarop zij zich met de Hoogduitsche
(Aschkenazische) gemeente vereenigden (1673). Deze had
reeds bijna veertig jaar in verscheiden gehuurde bidlokalen
godsdienstoefening gehouden, maar kreeg eindelijk tot hare
groote vreugde van den magistraat verlof, aan het einde
van het nieuwe stadsgedeelte eene synagoge te bouwen.
De eerste steen van de Groote Synagoge werd nu spoedig
(1670) gelegd en op den eersten dag Pesach van het daarop
2 04
volgend jaar het Godshuis door den opperrabbijn Izak
Dekingen ingewijd. Buiten Amsterdam telden in de i 7 de
eeuw de Nederlandsche gewesten nog bijna geen Toden
in de noordelijke provincien hadden zich toen reeds enkele
Joodsche gezinnen, waarschijnlijk afkomstig uit Oost-.Friesland, gevestigd.
0 vertrof de Hoogduitsche gemeente to Amsterdam al
spoedig hare zustergemeente in getalsterkte -- in stoffelijke
welvaart, beschaving en ontwikkeling stond zij nog bij haar
ten achter. De Duitsche joden gevoelden zich als het
ware nog meer thuis in het ghetto-leven, terwijl de Spaansche
marrano's in de maatschappij konden verkeeren. Zij be
zaten beschaafde vormen, spraken eene beschaafde taal en
hadden ook nog hun aangeboren liefde voor poezie en
taalstudie behouden. De geest van het oude Spaansche
jodendom leefde nog in hen, alhoewel door verscheiden
omstandigheden aanmerkelijk verzwakt. Onder de eerstaangekomene marrano's bevonden zich mannen, wier
dichterlijk gemoed al spoedig ontwaakte, toen zij het land
van gewetensvrijheid betreden en zich in de armen van
het hun zoo dierbaar geloof geworpen hadden. Zoo gaf
Jakob Israel Belmonte in Spaansche verzen een diep aangrijpende schildering van de wreedheden der inquisitie.
Reuel Jesurun (als marrano Paul de Pina) vervaardigde
een gedicht z de zeven bergen," dat zelfs in de synagoge
voorgedragen werd (1624). Ook Miguel (na zijn overgang
tot het Jodendom Daniel Levie) de Barrios ontwikkelde
veel dichterlijk talent.1) David Abunetor Melo vervaardigde,
uit dankbaarheid voor zijne redding uit den kerker der
inquisitie, eene Spaansche Psalmberijming (1626), waarin
hij vaak uiting geeft aan zijne gewaarwordingen bij de
herinnering van Israels lijden, door hem met eigen oogen
aanschouwd. Op het gebied van . Hebreeuwsche en talmudische lexicographie maakte zich vooral verdienstelijk
David Kohcn de Zara, een leerling van den rabbijn Izak
Uziel. Zijne werken bewezen uitstekende diensten vooral
aan de Christenen, die zich op de kennis van het Hebreeuwscb
toelegden„ 2) Een van de beroemdste mannen der Portugeesche gemeente uit de 1 7-de eeuw was Menasse b. Israel.
1) Van veel belang zijn zijne geschriften over de Joodsche
geschiedenis, en vooral die over de komst en het leven
der marrano's in Amsterdam.
2) De toenmalige Christen geleerden in ons land, die
zich met de studie van het Hebreeuwsch bezig hielden,
als : Scaliger, Coccejus, /oh. Leusden e. a. lieten zich daarin
meestal door Joden onderrichten.
105
Geboren te Lissabon 0604) vluchtte hij met zijn vader,
dien de inquisitie vervolgd en van zijn vermogen beroofd
De veelhad, op zeer jeugdigen leeftijd naar Amsterdam.
belovende jongeling genoot eene zorgvuldige en beschavende
opvoeding. Hij werd al vroeg zoowel in de Joodsche als
ook in andere wetenschappen ingewijd en daar hij veel
redenaarstalent bezat, volgde hij zijn leeraar Izak Uziel
reeds op i 8-jarigen leeftijd als predikant bij zijne gemeente
op. Na de vereeniging der drie gemeenten bekleedde hij
met Saul Levie Morteira, kith Aboab 2 ) en David
Pardo het rabbinaat der Talmud-Tora gemeente. Als
predikant verwierf hij zich grooten roem, maar nog
meer als veelzijdig ontwikkeld geleerde. Hij kon zich,
behalve in het Hebreeuwsch en Latijn, in verscheiden
Europeesche talen in woord en schrift gemakkelijk uitdrukken ; bezat groote belezenheid in de talmudische en
rabbijnsche literatuur, was vertrouwd met de Joodsch-wijsgeerige schrijvers en in de Kabbala niet onbedreven. Zijne
werken, die veel in aanital zijn, getuigen dan ook meer van
zijne uitgebreide kundigheden en groote belezenheid op
menig veld der Joodsche wetenschap, dan wel van oorspronkelijkheid en diepzinnigheid. Aan het hoofd zijner
godgeleerde geschriften staat een in het Spaansch geschreven
werk coneiliador," waarin hij de schijnbaar tegenstrijdige
plaatsen in den Bijbel in overeenstemming tracht te brengen.
Voorts schreef hij over onderwerpen van metaphysischen
aard, als : A de opstanding der dooden" (1636) ) over de
menschelijke zwakheid en overhelling tot de zonde" (beide
in het Spaansch) en ) over den eindpaal des levens" (in
het Latijn), in welk geschrift hij zijne opvatting over het
verband van den vrijen wil en de goddelijke voorbeschikking uiteenzette. Deze werken waren waarschijnlijk
meer voor Christelijke lezers bestemd. Een in het Hebreeuwsch geschreven verhandeling over 2 , de onsterfelijkheid
der ziel" 3) ademt meer een kabbalistischen geest. Zijn
bock over de schepping" maakte in de Christelijke kringen
zulk een opgang, dat de dichter van Baerle den rabbijn
itl schoone verzen zijn hulde bracht. Ook andere Christen
2) Van hem bezitten wij een . bundel predikatien van
populair-philosophischen inhoud (7iNui np3,3),
T
: •
2) Behalve enkele kleine oorspronkelijke werkjes vertaalde
hij in het Hebreeuwsch de Kabbalistische geschriften van
den marrano Abraham de Herera.
3) t=rn
•-
-
•
206
geleerden als Hugo de Groot, Vossius, Johan Buxtorf e. a.
betuigden hun ingenomenheid met Menasse' s geestesproducten
en zochten zijne vriendschap. De wijd en zijd vermaarde
man had met geldelijke zorgen zwaar te kampen. Ook de
Hebreeuwsche drukkerij — de eerste in Amsterdam — door
hem reeds in 1627 opgericht, stelde hem niet in staat, in
zijne behoefte te voorzien. Hij koesterde dan ook het
plan, zijn land te verlaten en naar Brazilie te vertrekken
(164o). Door de tusschenkomst van eenige rijke gemeenteleden, die hem uit zijne benarde omstandigheid redden,
liet hij echter dit plan varen.
De jonge Amsterdamsche gemeente bracht ook in de
eerste eeuw van haar bestaan eenige mannen voort, die
haar uit een godsdienstig oogpunt zeker niet tot sieraad
kunnen strekken, alhoewel een van hen als geleerde en
denker eene Europeesche vermaardheid en onsterfelijken
naam verkregen heeft. De eerste, Uri el (Gabriel) da Costa,
geboren uit eene Joodsche familie (1593), die reeds in
Spanje uit dwang het Christendom omhelsd had, was van
een dweepzieken aard. Hij was bestemd voor den rechtsgeleerden stand, maar toonde meer belangstelling voor de
theologie. De misbruiken in de Katholieke kerk boezemden
hem zulk een afkeer in van het Christendom, dat hij het
den rug toekeerde. Daarentegen gevoelde hij zich meer
aangetrokken tot het geloof zijner vaderen, dat hij uit den
Bijbel leerde kennen. Da Costa legde nu het ambt van
schatmeester eener voorname Stiftskerk in zijne geboorteplaats Oporto neder en begaf zich met zijne moeder en
jongere broeders naar Amsterdam, waar hij zich in den
bond van Abraham liet opnemen. Maar het Jodendom,
zooals hij het daar leerde kennen, beantwoordde evenmin
aan zijne verwachtingen. Daar het hem niet kon bevredigen, trad hij openlijk als tegenstander op van het
traditioneele Jodendom. Zijne denkbeelden schenen den
hoofden der gemeente zoo verderfelijk, .dat zij den ban
(cherem) over hem uitspraken. Hierover diep verontwaardigd,
viel hij het Jodendom aan in een geschrift, waarin hij ook
de onsterfelijkheid der ziel ontkende. Men klaagde hem
nu aan bij den magistraat, die hem is de gevangenis liet
werpen. Na korten tijd herkreea" hij de vrijheid, toen hij
de hem opgelegde boete betaald( had. Zoo leefde hij vijftien jaar, door allen als een onreine geschuwd en zelfs
door zijn eigen verwanten verlaten. Eindelijk drong hij
aan op de opheffing van den ban. Maar de smaad en
vernedering, waaraan hij zich thans moest onderwerpen,
schokte hem zoo zeer, dat hij in een soort zelfbioa raphie
toonbeeld van het menschelijke Leven" het Jodendom
b
201
openlijk bespotte en beschimpte en daarna door een pistool.
schot een einde maakte aan zijn treurig bestaan (1647). 1)
Ongeveer tien jaar na den dood van da Costa werd ten
tweeden male door het bestuur der Portugeesche gemeente
de ban uitgesproken over een man, die door zijn groote
geestesgaven het traditioneele Jodendom tot roem had kunnen
strekken, evenals hij thans onder de denkers en philosopher
van alle tijden eene eereplaats inneemt. Het was de wijsgeer Baruch (Benedict) de .Vinoza (eigenlijk d'Espinoza),
die te Amsterdam het levenslicht aanschouwde (163 2). Zijn
vader behoorde onder de aanzienlijkste en deftigste gemeenteleden. Tie jongeling genoot dan ook, zooals dit bij
Omstreeks dien tijd vertoefde te Amsterdam jozef
Salomo del Medigo, een afstammeling van Elia del Medigo
(zie bl, I20). Hij beoefende verscheidene wetenschappen
en keerde, rijk aan kennis, van de hoogeschool te Padua,
waar hij o. a. ook het onderricht van Galilei gevolgd
had, naar Creta terug. Evenals in zijne geheele levenswijze was hij ook in de wetenschap zeer onbestendig.
Zoo verheerlijkte hij soms de Kabbala, waarvan hij bij
een andere gelegenheid weder met minachting gewag
maakte. Nu eens dweepte hij met den Talmud, dan
weder sprak hij er met geringschatting over. Na vele
rondzwervingen door Azie en Europa overleed hij te Praaa
(1655). Een dergelijk karakter vertoonde zijn oudere tijdgenoot Juda Leon di Modena uit Venetie (i571), die reeds
in zijne prille jeugd algemeen bewonderd werd wegens zijn
aanleg en zeldzaam geheugen. Men benoemde hem tot
rabbijn zijner geboorteplaats. Maar zijne lichtzinnigheid,
voortdurende geldverlegenheid, verslaafdheid aan het spel
en verkeer in gezelschappen van dartele en bandelooze
vrienden hadden voor hem treurige gevolgen. Hij verkeerde
ten opzichte van het geloof in voortdurenden zelfstrijd,
Nu eens viel hij het traditioneele Jodendom aan, dan
weder verdedigde hij het met vollen ernst (76TO ri awn
TT
:'
met eene belangrijke inleiding uitgegeven door I. Reggio).
Een geheel ander karakter bezat Simon .Luzatto, gelijk met
Juda di Modena, rabbijn te Venetie.
Hij schreef eene
Italiaansche verhandeling over den toestand der Joden in
onderscheiden rijken, waarin hij bij herhaling de aanvallen
tegen het talmudisch Jodendom weerlegt. Daarentegen
verklaarde hij zich als een tegenstander van de Kabbala,
eene wetenschap, naar zijne meening, in het geheel niet op
Joodschen bodem ontstaan.
"-
•
-
•
208
de voorname Sefardim over het algemeen het geval was,
eene beschaafde opleiding, Hij bezocht de Talmud-Toraschool en kreeg bovendien onderricht in natuur- en meetkunde, Spaansch, Latijn en andere talen. Door zijn vluggen
geest verwierf hij de liefde van al zijn leeraren, die zeer
veel van hem verwachtten. Op vijftienjarigen leeftijd overtrof
hij zijn veel oudere medescholieren in de talmudische en
rabbijnsche wetenschap. Om ook eenmaal in zijn onderhoud
te kunnen voorzien, lieten hem zijne ouders een handwerk
leeren, en wel het slijpen van optische glazen. Naar het
schijnt, koos hij joist dit yak, omdat daarbij verscheiden
mathematische wetten in toepassing gebracht werden. Zijn
leermeester in het Latijn was de kundige geneesheer Frans
van den Ende, wiens vrijzinnige gevoelens het waarschijnlijk
waren, die op den jeugdigen Spinoza een voor diens geheel
volgend leven beslissenden invloed geoefend hebben. Door
hem toch werd hij opmerkzaarn gemaakt op de wijsgeerige
werken van Rene Descartes (Cartesius), wiens lof en blaam
toen op aller lippen zweefden. Hij maakte zich met deze
werken vertrouwd, alhoewel hii in de philosophie volstrekt
geen nieuweling meer was, daar hem de meeste geschriften
van de Joodsch-middeleeuwsche wijsgeeren, als : Sa&dja, ibn
Ezra, Maimoni des, Gersonides en Crescas reeds bekend
waren. ') De overpeinzingen van den jongen denker, gevoed door deze vaak tegenstrijdige lectuur, brachten hem
gaandeweg tot een philosophisch standpunt, dat hem tevens
van dat des geloofs al meer en meer verwijderde. Hij ontwende geheel aan het Joodsche leven, verscheen uiterst
zelden meer in de synagoge en vermeed zorgvuldig den
omgang met de rabbijnen. Over het algemeen gevoelde
hij geen behoefte meer aan het verkeer met anderen. Hij
vond voldoende afleiding in zijne rijke gedachtenwereld.
Slechts met een zeer kleinen kring wetenschappelijke mannen
stond hij nog in vriendschappelijk verkeer. De hoofden
zijner gemeente zagen intusschen met diep leedwezen, dat
Spinoza met den, godsdienst, ter wille waarvan zoo vele
zijner stamgenooten nog in de kerkerholen der inquisitie
zuchtten, geheel gebroken had. Vervlogen waren al hun
verwachtingen, verijdeld al hun idealen. Nog trachtten zij
den diepzinnigen denker door vaderlijke vermaningen en
gemoedelijke woorden van zijne dwalingen te overtuigen
1 ) Dr.
M. Joel was de eerste, die in verscheiden verhandelingen er op gewezen heeft, dat het Spinozisme zijne
belangrijkste denkbeelden aan de werken dezer mannen
ontleend heeft.
2 09
en voor het traditioneele Jodendom te behotiden. Maar
alles te vergeefs. De teleurstelling was zoo bitter, dat een
ijveraar het als een Gode welgevallig werk beschouwde,
den afvallige te dooden, Deze trachtte hem dan ook op
zekeren avond, bij het uitgaan van de synagoge, met een
dolk te treffen. Spinoza ontkwam het gevaar, verliet evenwel
kort daarna zijne geboorteplaats. Het Portugeesche rabbinaat
achtte zich eindelijk verplicht, hem wegens zijn openlijken
afval van het Jodendom in den zwaren ban te doen. De
banvloek werd naar de gewone wijze openlijk door den
chacham Aboab in de synagoge uitgesproken (6 Ab 1656).
Het was zeker eene groote teleurstelling voor den grijzen
rabbijn, eene verwensching te moeten uitspreken over den
man, van wien hij wellicht gehoopt had, hem eens als zijn
opvolger te kunnen begroeten en den vaderlijken zegen te
schenken. Een afschrift van dezen banvloek werd Spinoza
nagezonden te Ouderkerk (nabij Amsterdam), waarheen hij
zich begeven had. In dit dorp alsook later te Rhijnsburg,
Voorburg en 's-Gravenhage, waar hij tot zijn dood woonachtig bleef, namen zijne wijsgeerige studien zijn meesten
tijd in beslag. Zijn roem verbreidde zich ver buiten ons
vaderland. De Heidelbergsche hoogeschool bood hem hare
leerstoel aan, maar hij bedankte voor deze eervolle onderscheiding, uit vrees, dat het hoogleeraarschap te veel tijd
in beslag nemen en hem niet de noodige rust zou schenken,
om zich aan philosophische bespiegeling te kunnen wijden.
Spinoza was in zijne geheele levensbeschouwing het ideaal
van een philosooph. Hij was matig, bescheiden, wars van
roem en standvastig in zijne overtuiging. Het eenige zijner
vele werken, door hem zelf en dat nog wel op aanhoudend
aandringen zijner vrienden uitgegeven, verscheen zonder den
naam des schrijvers (1670). Het was zijn beroemd, zgodgeleerd staatkundig vertoog" (tractatus theologico politicus),
evenals bijna al zijne werken in het Latijn geschreven,
Zeven jaar vroeger hadden zijne vrienden, zonder zijne
voorkennis, A de beginselen van de wijsbegeerte van Descartes" uitgegeven. Spinoza's overige geschriften verschenen
eerst na zijn dood (1677). Het Spinozisme met zijne beschouwingen op metaphysisch, godsdienstig en staatkundig
gebied druischte niet alleen aan tegen de leerstellingen
van het Jodendom, maar van iederen geopenbaarden godsdienst. De Christelijke theologen veroordeelden dan ook
niet minder dan de Joodsche Spinoza's vertoog." De een
beweerde z dat zoo lang de wereld bestond, geen heilloozer
boek in het licht verschenen was" ; een ander ,) dat het tot
de eeuwige duisternis der vergetelheid moest veroordeeld
worden." Ook de Hollandsche synode verklaarde dit boek
210
voor zeer gevaarlijk, zoodat de Staten het verdoemden en
den verkoop daarvan verboden.
Naar het schijnt bracht Spinoza's
tractatus" toch de
Christelijke wereld meer in beweging dan de Sefardische
gemeente te Amsterdam.
Aldaar verhief zich bijna geen
stem tegen hem. ') Zij werd echter te dier tijd ook door
geheel iets anders bezig gehouden. Reeds geruimen tijd
gevoelde zij de behoefte aan eene grootere en ruimere
synagoge. En toen nu chacham Aboab in eerie opwekkende
rede zijne hoorders aanspoorde, daartoe het noodige geld
bijeen te brengen, deelde ieder gaarne rijkelijk van het
zijne mede, zoodat reeds in het volgende jaar (1671) de
eerste steen van het nieuwe heiligdom gelegd werd. Daar
evenwel spoedig daarna ons vaderland door een zwaren
oorlog geteisterd werd, bleef het werk langen tijd gestaakt.
Eerst na den vrede (1674) hervatte men den arbeid, waaraan men thans zooveel spoed bijzette, dat het statige Godsgebouw reeds op z Augustus (ro Menachem) 1675, in
tegenwoordigheid van burgemeesteren, schepenen, en vele
aanzienlijken met groote plechtigheid en onder veel vreugdebetoon ingewijd werd.
HOOFDSTUK XLI V.
Dienasse b. Israel en de toelating der Joden in Engeland.
1649 —1700.
Nog meer wellicht dan om zijn letterkundigen arbeid
mag de Amsterdamsche rahbijn .111-masse b. Israel aanspraak
1 ) Hij vond een bestrijder in
Balthasar Orobio de Castro
(162o-1687), wiens levensgeschiedenis een treffend beeld
levert van het lijden der marrano's. De Castro werd te
Salamanca, waar hij als arts in hoog aanzien stond, onverwachts wegens verdenking van gehechtheid aan het Jodendom
door de inquisitie uit zijn huis gesleurd en in den kerker
geworpen, waar hij drie jaar doorbracht. Niettegenstaande
de zwaarste folteringen, die hem bijna tot waanzinnigheid
brachten, kon men hem geene bekentenis van schuld afpersen, Zoo bracht hij een langen tijd van onbeschrijfelijke
ellende door, totdat men hem eindelijk op vrije voeten
Het, In Toulouse, waarheen hij zich thans begaf, benoemde
men hem tot hoogleeraar in de geneeskunde. Om openlijk
tot het Jodendom te kunnen overgaan, vestigde hij zich
eindelijk in Amsterdam, waar hij eveneens grooten naam
als geneeskundige verwierf en verscheiden polemische geschriften tegen het atheIsrne vervaardigde.
211
waken op den dank van het Jodendom voor zijne pogingen,
om het vooroordeel tegen de Joden in sommige Europeesche
staten op te heffen en hun toelating aldaar te bewerkstelligen. Hij toch was het, die zich schriftelijk tot Christina
koningin -van Zweden wendde met de bede, hen in het
Skandinavische rijk op te nemen. Nog voordat de Puriteinen,
die toen in Engeland aan het roer van den staat stonden,
ernstig dachten aan de toelating der Joden, was hij de
eerste, die aldaar als hun verdediger optrad en aantoonde,
dat recht en billijkheid zulks gebiedend eischten. Groote
bezwaren waren verbonden aan de opheffing van het edict
van 1290, dat alle Joden ten eeuwigen dage uit Engeland
verbannen had. Allerlei vooroordeel moest daar bestreden
worden aangaande E en yolk, waarvan men zich eene geheel
verkeerde voorstelling gevormd en allerlei zonderlinge begrippen gemaakt had. Menasse was zich ongetwijfeld bewust van de vele moeielijkheden aan zijn edel streven
verbonden, maar deinsde niet terug en verklaarde zich
gaarne bereid, als hun verdediger bij Cromwel en de
Engelsche natie op te treden. Kort na de verschijning van
een geschrift ten gunste der Joden (an apology for the
Jews) van Eduard Nicholas, den geheimsecretaris van Cromwel, diende de Amsterdamsche chacham een petitie in bij
het lange parlement, waarin hij om hun toelating in Engeland
verzocht (165o). Dit verzoekschrift ging gepaard van eene
Engelsche vertaling van zijn pas verschenen werk » de
hoop van Israel" (esperanza de Israel), behelzende de uiteenzetting der motieven, waarop zijn vertrouwen in Israels
spoedige verlossing en in den terugkeer naar den aartsvaderlijken bodem berustte. Aan de vervulling dier Hemelsche belofte
moest evenwel eene volkomen verspreiding van zijr. yolk
over het geheele aardrijk voorafgaan. Daarom zou de
toelating der Joden in het groote eiland, gelegen aan de
uiterste grens van Europa, het voorteeken zijn van hun
aanstaande bevrijding. Menasse wilde, zoo hem dit toegestaan werd, gaarne overkomen, om zijn denkbeelden nader
uiteen te zetten. Dit schrijven maakte op de vrome Puriteinen wel indruk. Hij ontving dan ook van het parlement
een vleiend antwoord en een reispas. Daar juist kort
daarna een oorlog tusschen Engeland en Nederland uitbrak,
maakte Menasse daarvan geen gebruik. Eerst eenige jaren
later, toen de vraag omtrent de toelating der Joden levendige
debatten in het Engelsche parlement uitlokte, stak hij met
zijn zoon Samuel en eenige mannen van invloed naar Londen
over. Kort na zijne aankomst (1655) werd hij bij den
protector Cromwel ter audientie toegelaten, wien hij e'en
verzoekschrift aanbood. Tevens verscheen van hem een in
212
bet Engelsch geschreven epistel vcrklaring aan het Engelsche
gemeenebest" waarin hij nogmaals de gronden voor de toelating der Joden uiteenzette en de bezwaren weerlegde, die
daaraan in den weg mochten staan. Nog op bet einde van
hetzelfde jaar miakte de protector de Jodenvraag tot een
punt van ernstige bespreking in een expresselijk daartoe
belegde vergadering van rechtsgeleerden, geestelijken en
kooplieden en waaraan ook Menasse deel nam. Cromwel
beschouwde de toelating als een daad van billijkheid, zoowel
uit een godsdienstig als een staatkundig oogpunt. Dit was
evenwel niet het algemeene gevoelen. De kooplieden koesterden de vrees, dat de vestiging der Joden met hun handelsbelangen in strijd was. Zij verklaarden er zich dan ook eenparig tegen. Vele geestelijken konden zich nog maar altijd niet
losrnaken van de banden van kerkelijke vooroordeelen, zoodat
onder hen verdeeldheid heerschte. Het yolk, opgehitst door
de bespottelijke verzinselen van Jodenhaat, schaarde zich over
bet algemeen aan de zijde der tegenstanders. Reeds had
men verscheiden zittingen aan deze belangrijke kwestie
gewijd en was 'nog niet veel verder gekomen. Het decreet
van 1290 werd dan ook niet formeel opgeheven. Maar
toch miste Menasse' s laatste verdedigingsschrift redding
der Joden," in het volgende jaar (April 1656) in het licht
gegeven, zijn doel niet geheel. Want toen Cromwel eigenrnachtig enkelen Joden verlof ga,f zich te Londen te vestigen,
liet men dit oogluikend toe. jammer slechts, dat het
Menassd b. Israel niet gegeven was, de vrucht van zijn
edel werk te aanschouwen, daar hij op den terugtocht naar
zijn vaderland te Mi a'delbzirg- overleed (1657). Nog in
hetzelfde jaar kwam de kleine Joodsche gemeente te Londen,
die hoofdzakelijk nit Nederlandkh-Portugeesche en Spaansche
familien bestond, in het bezit van eene begraafplaats. Zoo
begonnen zich de Joden, bemoedigd door Cromwel' s verdraagzaamheid, weer in Engeland te vestigen, waar zij
verschoond bleven van vervolging en verdrukking. Hunne
rechten en vrijheden breidden zich gaandeweg uit. Reeds
in 1662 bezaten zij, alhoewel nog gering in aantal, te Londen
eene synagoge. Tot hun rabbijn benoemden zij Jakob
Sasportas, die Menasse op zijn tocht naar Londe ,/ vergezeld
had. Zijn opvolger Jakob Abendana (1679), eveneens afkomstig uit Amsterdam, vertaalde Juda Hallevie' s Kuzari
en de Mischna in het Spaansch. Hij werd veel geraadpleegd
door geleerde Christenen, die zich met de studie van het
Hebreeuwsch bezig hielden. Ook zijn broeder 1zak gaf
daarin onderricht te Oxford. Na Abendana kwam Salomon
.Ayllon (1696-1707), later beroepen als chacham van de
sefardische gemeente te Amsterdam. In zijne plaats koos
,
2
13
men David Nieto (geb, te Venetic 1654 gest. 1728), arts
en prediker in Livorno. Deze veelzijdig ontwikkelde geleerde schreef in het Spaansch, over de inquisitie van Sj5anje
en Portugal; in het Italiaansch, over de oorzaken van het
verschil der Paaschberekening tusschen de Grieksche, Latijnsche en Joodsche kerk (Pascalogia), en eindelijk in het
Hebreeuwsch, Matte dan,') ook genoem-d tweede Kuzari,
omdat het, evenals de eerste in dialogischdn vorm vervat is.
1)it werk dient hoofdzakelijk om de weifelenden te versterken in het geloof aan den Goddelijken oorsprong van
de traditioneele wetten des Jodendoms en overtuigend aan te
toonen, welk een hoog wetenschappelijk standpunt de wijzen
des Talmuds reeds bereikt hadden, Naast de Portugeesche
vestigden zich te Louden ook eene Hoogduitsche en eene
Poolsche gemeente. De rechten der Engelsche Joden werden
door minister Pelham (1753) aanmerkelijk uitgebreid. De
burgerlijke gelijkstelling verkregen zij echter eerst later.
HO OFDSTUK XLV.
Sabbatai Tsewi.
1648-1676.
Terwij1 Menasse b. Israel met onverflauwden ijver in het
belang zijner geloofsbroeders arbeidde, trad in het Oosten
een man op, eveneens van Sefardische afkonist. wiens naam
eene treurige en beschamende herinnering in de geschiedenis
van ons yolk achtergelaten heeft. Deze bracht een tijd
lang de geheele Joodsche wereld in rep en roer ; werd de
afgod niet alleen van lichtgeloovige lieden, maar ook van
groote en beroemde mannen ; wist ontelbaren te betooveren
door zijne voorgewende messianiteit en bleek ten laatste
niets anders te zijn dan een sluwe bedrieger, een listige
dweper, die zijn rol beter verstond te spelen dan de meesten
van dit slag bedriegers, met welke wij reeds kennis gemaakt
hebben. Het was Sabbatai Tsewi, de jongste van de drie
zonen van Mordechai Tsewi, een vogelhandelaar te Smyrna,
alwaar hij het levenslicht aanschouwde (9 Ab 1626). Reeds
als knaap trok Sabbatai de algemeene opmerkzaamheid door
zijn buitengewone schoonbeid, aangename stem en vooral
door zijn vreemdsoortig gedrag. Hij zocht Diet, zooills
••
1)
ilUt•
Mori. Gesch. Hi, 15
214
andere jongelingen van zijn leeftijd, vrienden of kennissen,
haakte niet naar kinderlijk vermaak, maar bracht het liefst
uren achtereen door op stille, eenzame plaatsen, waar hij
zich ongestoord aan zijne droomerijen kon -overgeven. Ouder
geworden, toonde hij voor de studie van den Talmud weinig
lust, maar des te meer voor die der Kabbala, waarin hij zich
.spoedig grooten roem verwierf. Reeds op twintigjarigen
leeftijd zag hij zich omringd door een tal leerlingen, die
door hem in deze geheimzinnige wetenschap ingewijd werden
en zijn roem als heilige en wonderdoener alom verbreidden.
Naar het toenmalige gebruik, trad Sabbatai al vroeg in
het huwelijk, maar onthield zich geheel van zijne vrouw,
zoodat deze op echtscheiding aandrong. Evenzoo gedroeg
hij zich jegens zijne tweede vrouw. Alle aardsche genietingen vermeed hij zoo veel mogelijk en leidde een
boetvaardig leven. Zoo vastte hij bijna de geheele week,
ging in het holle van den naeht baden in de zee en
gaf door eene dusdanige asketische levenswijze zijn overspannen gees voortdurend voedsel. Velen hielden hem
dan ook voor meer dan een gewoon sterveling en hechtten
geloof aan zijn woorden, toen hij in het noodlottig jaar
1648, waarin duizenden zonen van Israel hun leven verloren, voor zijne bewonderaars optrad als de Messias, die
weldra zijn yolk uit de macht van Christenen en Mohammedanen verlossen zou. Ten bewijze van zijne Hemelsche
zending verstoutte hij zich, den vierletterigen naam Gods
openlijk uit te spreken, zooals deze in den Bijbel geschreven
staat, iets, wat volgens de Joodsche wet verboden en als
heiligschennis beschouwd wordt. Het college van rabbijnen,
aan welks hoofd Sabbataz' s leeraar fozef Eskafa stond,
hierover ten hoogste verontwaardigd, sprak den ban over
here uit en ontzeide hem het langer verblijf in de stad.
Maar de Messiaansche dweperij was daardoor niet onderdrukt. Integendeel, zij schoot juist thans diepen wortel in
het gemoed van den eerzuchtigen bedrieger, die zich niet
ontzag, door allerlei heiligschennis zijn lichtgeloovige volgelingen nog meer te misleiden en onder den dekmantel
van innige vroomheid met het Jodendom den draak te
steken. Hij begaf zich naar Salonichi, waar het hem niet
beter ging dan in zijne geboortestad ; vervolgens naar Morea
en Athene en kwam eindelijk te Kairo, waar hij in den
rijken tolpachter Raphael Chelebi een vurigen vereerder
vond. Zijn zwerftochten moesten juist dienen om zijne
messianiteit te. bewijzen. Immers de ware Messias moest
veel ontberingen verduren, voordat hij algemeene waardeering zou vinden. Zoo doolde hij van de eene naar de
andere plaats, totdat hij eindelijk feruzalem bereikte, de
215
heilige stad, waar zich de Verlosser in zijne voile heerlijkheid zou vertoonen. In den eersten tijd hield hij zich
rustig. Wel leidde hij een vreemdsoortig leven hij legde
zich zware ontberingen op, kastijdde dikwijls zijn lichaam
en bezocht voortdurend de graven der heiligen, wier geesten
zooals hij voorgaf zich met hem onderhielden.
Gaandeweg begonnen ook aidaar velen hem als een buitengewoon mensch te vereeren en schaarde zich om hem een
kring van mannen, die door hem in de diepe geheimen
der Kabbala wenschten ingewijd te worden. Na een langdurig verblijf in de hoofdstad keerde hij naar Kairo terug,
om daar natuurlijk volgens zijne bewering — met eene
hem van den Hemel gezonden bruid in het huwelijk te
treden. Het was een zeer schoon meisje, dat zich Sara
noemde. Alhoewel nog zeer jong, had zij toch reeds,
zooals het verhaal luidt, een tragisch verleden achter zich.
Op ongeveer zesjarigen ouderdom had zij hare ouders
tijdens de vervolgingen van Charnel verloren, en was, daar
niemand zich het lot der jonge weeze aantrok, door de
nonnen in een klooster opgenomen. Maar tegen het Katholieke geloof een weerzin koesterend, peinsde zij op een
middel, om zich uit het klooster te verwijderen. Dit rnocht
haar eindelijk gelukken. Het klooster ontvlucht, keerde zij
naar hare vorige woonplaats terug, waar zij, zwervende
langs de Israelietische begraafpiaats, door eenige Joodsche
mannen opgemerkt werd. Zij deelde hun haar lotgevallen
mede, verliet haar vaderland en bereikte na vele. zwerftochten Amsterdam, waar zij haren broeder moet teruggevonden hebben: De schoone Sara, want zoo liet zij
zich noemen, vertrok naar Livorno, overal verkondigend,
dat zij tot de vrouw van den te verwachten Messias bestemd
was. Zij wees dan ook de hand van iederen minnaar
hooghartig af, maar leidde, volgens een geloofwaardig getuigenis, liever een bandeloos en onkuisch leven. Dit
zedeloos schepsel nu koos Sabbatai, die door zijne handlangers met haar in kennis gesteld was, tot zijne vrouw.
Het huwelijk, te Kairo met groote plechtigheid en veel
praalvertoon voltrokken, was een nieuw middel, om zijne
verblinde volgelingen in hun geloof aan zijne messianiteit
te versterken.
Op zijne reis naar Egypte kwam Sabbatai in kennis met
zekeren 1Vathan uit Gazza, een jongen man van Duitsche
afkomst, in wien hij een waardigen bondgenoot vond.
Deze gaf zich uit voor een profeet en den voorlooper van
den Messias, wiens kornst ophanden was. Hij liet overal
been brieven verzenden, waarin met veel ophef gewag gemaakt werd van den verlosser Sabbatai Tsewi, die weldra
MoN. Gcsch. III, 15*
216
prijken zou met de kroon van den sultan. Daarna zou de
Messias voor eenigen tijd verdwijnen, om, begeleid door Mozes,
de tien stammen van achter den stroom Sambatjon naar
het land der vaderen terug te voeren, en dan weder op
een uit den hemel neergedaalden leeuw Jeruzalem binnenrijden, waar een menigte vijanden door den adem zijns
monds zou bezwijken, Op dien grooten dag zouden de
dooden uit hun graven verrijzen en andere wonderbare
gebeurtenissen plaats vinden, die voorloopig niet ontsluierd
mochten worden. Na zijn terugkomst in feruzalem stelde
Sabbatai inderdaad eene poging in het werk, om het yolk
van zijne messianiteit te overtuigen en gaf zich in het
openbaar nit voor een afstammeling van het Davidisch koningshuis. A an de voorspellingen van den bedrieger nit Gazza
hechtten velen geloof, maar de rabbijnen van jeruzalem
werden juist daardoor nog versterkt in het wantrouwen, van
den beginne of door hen tegen Sabbatai gekoesterd. In vereeniging met het rabbinaat van Constantinopel traden zij
dan ook met kracht tegen hem op, zoodat hij nu de
heilige stad voor goed verliet. Hij keerde naar Smyrna
terug (Eloel 1665) , waar hem zijn boerenbedrog voorloopig althans beter gelukte. Aan den ban, vroeger over
hem uitgesproken, werd in het geheel niet meer gedacht. Men ontving hem met uitbundige geestdrift en
bewees hem koninklijke eer. Uit aller mond klonk het :
leve onze koning Messias !" Om elken schijn van eerzucht
te vermijden, vertoonde zich hij niet meer in het openbaar,
alhoewel zijn geheimschrijver Samuel Primo zorgde, dat de
gemeente in voortdurende spanning bleef aangaande de gebeurtenissen, die het volgend jaar, het jaar der groote
verlossing, zooals uit den Zohar bewezen was, zouden plaats
vinden. Eindelijk begaf hij zich met veel staatsie naar de
synagoge (waarschijnlijk begin Tebeth), waar hij der menigte
verkondigde, dat de Godheid zich aan hem geopenbaard
had, liederen van geheimzinnigen inhoud zong, kabbalistische
gebeden uitsprak en eindelijk in een soort geestverrukking
geraakte. Naar het schijnt, was het Sabbatiaansch profetisme
eene aanstekelijke zielsziekte, want velen werden er mede
behept. Een ware tuimelgeest had de Smyrnasche gemeente aangegrepen. Men verkeerde in een voortdurende
koortsachtige opgewondenheid, die tot de uiterste buitensporigheden leidde. Sommigen legden zich allerlei ontberingen op, brachten dagen door in vasten, zittende tot
aan den pals in vochtige aarde, onthielden zich bij dag en
nacht van den slaap en baden voortdurend om vergiffenis
hunner zonden anderen gaven zich aan vene uitbundige
en dartele vreugde over, vierden feest op feest ter eere
217
van den Messias, sprongen en raasden, als bezetenen, zoo
dikwijls deze zich in het publiek vertoonde. Het was eene
razernij, die bijna aan het ongeloofelijke grensde en waarbij
de perken van welvoegelijkheid en zedelijkheid meer dan
eens op schandelijke wijze overschreden werden. Grijsaards
en jongelingen begonnen, onder allerlei vreandsoortige
lichaamswendingen, als waanzinnigen te spreken. Zelfs
mannen van groote talmudische geleerdheid, als Chaim
Benvenisti i) en Mozes Galante, werden door dezen tuimelgeest bevangen. De grijze rabbijn Aron de la Papa, die
ook thans, evenals den eersten keer, luide zijn stem tegen
Sabbatai verhief, werd door hem in eene predikatie bespot
en moest zijn ambt neerleggen.
De tijding van de komst van den Messias verbreidde
zich al spoedig in vele Klein-Aziatische steden. Men wilde
getuige zijn van de vreemdsoortige openbaringen der opgewonden geloovigen, zoodat van heinde en ver menschenmassa's naar Smyrna stroomden, die met nog sterker overdreven
berichten weder huiswaarts keerden. Overal heerschte dezelfde
geestdrift als in Smyrna, overal dezelfde tooneelen van
waanzinnige geestverrukking. Zoowel Joden als Christenen
uit Smyrna en andere steden uit het Oosten maakten in
hunne correspondentien met Europeesche handelshuizen gewag van het belangrijk nieuws. Bovendien zorgden de
boden, door Sabbatai uitgezonden, dat het wereldkundig
werd. Zooals gewoonlijk begonnen velen gaandeweg,geloof
te hechten aan een schoon opgesierd verzinsel, dat zij zoo
gaarne in werkelijkheid bevestigd zagen, en was er bij hen
geen twijfel meer, dat Sabbatai de ware profeet, de werkelijke Verlosser was. In verscheidene Italiaansche steden
alsook in Londen en Amsterdam, en vooral bij de Sefardische
gemeente, nam het aantal van Sabbatai' s geloovigen dagelijks
toe. In laatstgenoemde gemeente verheerlijkte men hem
als den waren Messias. Aldaar verschenen zelfs afzonderlijke
gebedenboeken in het Hebreeuwsch, Spaansch en Portugeesch, op welker titelblad het beeld van Sabbatai,
met emblemen zijner heerschappij en Bijbelverzen prijkte.
In Hamburg uitte de vreugde zich nog in grootere opgewondenheid, niettegenstaande Jakob Sasportas (zie bl. 212),
die zich toen juist daar ophield, ernstig waarschuwde tegen
het geloof aan Bien schandelijken bedrieger. Maar het
gezond verstand was geheel beneveld. Van alle kanten
1)
Hij is de schrijver van ri t7j-Uri
: -
non,
een werk, dat
:
belangrijke bijdragen op den Schulchan-aruch bevat.
218
kwamen afgevaardigden te Smyrna, om den Messias-koning
te begroeten en hem hun huldeblijken aan te bieden.
Als een Oostersch vorst, omringd door oogverblindende
pracht en luister, ontving hij de vele bezoekers, die zich
gelukkig achtten uit zijn mond te vernemen, dat hij binnen
een jaar den sultan zou onttronen en de verstrooiden
zijns yolks naar het heilige land terugvoeren. Daar in den
Messiaanschen verlossingstijd de herinnering aan Israels
voormalige rampen behoorde op te houden, verklaarde
Samuel Primo, de trouwe trawant van den sluwen Heer
en God Sabbatai Tsewi", den eerstkomenden vastendag
van 9 Ab als vervallen, De Sabbatiaansche zendelingen
namen het zoo nauw niet met het Jodendorm
Intusschen begon de Turksche regeering achterdocht te
koesteren en achtte Sabbatai, die reeds droomde van de
sultanskroon, gevaarlijk voor de rust van den staat. Wellicht werd zij op hem opmerkzaam gemaakt door het
rabbinaat van Constantinopel, dat reeds vroeger den ban
Over hem uitgesproken had. Hoe dit ook zij, de sultan
riep hem ter verantwoording. Nadat hij kronen en koninkrijken, die hij echter nog niet bezat, onder zijn getrouwen
en verwanten verdeeld had, scheepte hij zich in naar de
Turksche hoofdstad (1666). Het schip werd door storm
gevoerd naar de kust van de Dardanellen, waar Turksche
gerechtsdienaren hem opwachtten en gevangen namen. Men
bracht hem geboeid naar de hoofdstad, hield hem daar
eenige maanden gevangen en wees hem eindelijk het eenzaam gelegen slot Abytlus tot verblijfplaats aan, waar hij
als staatsgevangene beschouwd werd. Maar deze straf drukte
hem volstrekt niet zwaar„ Enkelen zijner vrienden, onder
welke ook zijn secretaris, mochten hem voortdurend gezelschap houden. Gelijk voorheen leefde hij ook thans
nog op vorstelijke wijze ; ontving talrijke bezoekers, die
van heinde en ver naar zijne nieuwe residentie stroomden.
De Portugeesche gemeente te Amsterdam droeg hem zulk
een eerbied toe, dat men aldaar een afzonderlijk gebed
uitsprak voor hen, die zich op reis begaven, om den nieuwen
Messias te goon bezoeken. Want het vertrouwen in zijne
Goddelijke zending was nog volstrekt niet geschokt. Immers
ook Mozes was door den Egyptischen koning vervolgd,
voordat hij zijn yolk uit het land* der slavernij gevoerd
had. Zoo nam de hoogachting voor den lijdenden Gezalfde
nog toe. Niet alleen onder de Joden, maar zelfs onder
de Christenen begonnen velen geloof aan hem te hechten.
Overal wachtte men met de grootste spanning op de gewichtige gebeurtenissen. Iedere postdag, die berichten aangaande den Messias bracht, was een feestdag. In .Hongarije
219
maakten reeds velen voorbereidingen tot den terugtocht
naar het land der vaderen. De bedrieger speelde intusschen
zijn rol op meesterlijke wijze, daarbij gesteund door allerlei
valsche berichten, die zijne zendelingen omtrent hem verspreidden, en door allerlei besluiten, uit zijn naam afgekondigd. Maar eindelijk zou aan het jarenlange bedrog een
gevoelige slag toegehracht worden.
Onder de talrijke bezoekers, die naar Sabbala s residentie,
door zijne vereerders de burcht der macht" genaamd,
stroomden, behoorden ook twee Poolsche talmudgeleerden,
bloedverwanten van David Levie uit Lemberg, den schrijver
van Ture Zahab. Van hen had Sabbatai vernomen, dat
zich in hun land ook zekere Nechemja Kohen ophield, die
zich voor profeet uitgaf en eveneens een spoedig herstel
van het messiaansche rijk verkondigde, maar toch van den
Messias uit het Oosten geen gewag maakte. Bij hun vertrek
gat hun de Smyrnasche Messias een brief mede, waarin hij
het Poolsche Jodendom tot wraakoefening op de Kozakken
aanspoorde, en beval hun tevens, dat de Poolsche profeet
voor hem moest verschijnen. Deze gaf aan dit gebod
gehoor. Bij zijne aankomst te Abydus werd hij onmiddellijk
tot den Messias-koning toegelaten, met wien hij zich een
geruimen tijd onderhield. Nechemja kwam ria een langdurig dispuut tot de overtuiging, dat hij met een bedrieger
te doen had. Voorzeker, niemand kon dit beter doorgronden dan hij zelf. Hij bazuinde nu overal rond, dat
de gevangene van Abydus een valsche rol speelde. De
aanhangers van Sabbatai noodzaakten den Pool, die hun
zeer gevaarlijk toescheen, tot de vlucht. Deze begaf zich
hierop naar Adrianoj5el, ging tot den Islam over en openbaarde, wat Sabbatai met zijne vrienden tegen den sultan
in het schild voerden. De Turksche regeering, beducht
-voor de gevaarlijke gevolgen van deze voortdurende geestdrij verij, ontbood Sabbatai andermaal ter verantwoording.
Met een talrijk gevolg begaf hij zich naar
Bij het onderzoek, dat thans plaats vond in tegenwoordigheid van de raadslieden des sultans, geraakte hij in zulk
eene verlegenheid, dat hij, om den dood te ontgaan, den
raad van den lijfarts des sultans, een voormaligen geloofsgenoot, opvolgde en tot den Islam overging onder den
naam van Mehmed Effendi. Ditzelfde voorbeeld volgde
zijne vrouw. de ontuchtige Sara, die in den harem opgenomen werd.
1) fp 'rim.
•
S90
Deze gebeurtenis ontnam evenwel noch aan den bedrieger zijne onbeschaamdheid, noch aan een groot gedeelte
van zijn verblinde aanhangers het vertrouwen in de beloften
van den Messias en diens zendelingen. Men schaamde zich
voor zich zelf. Zou men dan inderdaad reeds zoo lang
een schaduwbeeld nagejaagd hebben ? Neen, Sabbatai bleef
de toekomstige verlosser. flier heette het, dat hij slechts
in schijn tot den Islam overgegaan was, om de Turken,
die toch ook nakomelingen van Abraham waren, voor het
Jodendom te winnen ; elders liet men zich diets maken,
dat hij naar verre landen gegaan was, om de tien stammen
terug te voeren en daarna het verlossingswerk te voltooien.
Ja, sommigen hielden zich overtuigd, dat hij ten hernel
gevaren en slechts een schijnbeeld van Sabbatai tot het
Mohammedanisme overgegaan was. Door deze en dergelijke
phantasieen zochten velen hun geschokt gemoed weder tot
rust en kalmte te brengen. Na verloop van eenigen tijd
poogde Sabbatai weder aanhangers onder de Joden te winnen
en gaf z;ch uit voor den Messias. Terwijl hij nu den
Turken verzekerde, dat zijn verkeer met de Joden ten
doel had, hen voor zijn nieuwen godsdienst te winnen,
verscheen van hem een geschrift, waarin hij in geheimzinnige taal de oorzaak van zijn schijnbaren afval van het
Jodendona uiteenzette. Zoo was hij een innig overtuigd
mosleem en tegelijk een trouw aanhanger des Jodendoms.
Het was hem echter met alles even weinig ernst. Om hem
voor de Turken en voor de Joden onschadelijk te maken,
werd hij eindelijk naar een afgelegen plaatsje in Albanie
verbannen, waar hij zijne laatste levensjaren doorbracht en
op vijftigjarigen ouderdoin overleed.
HOOFDSTUK XLVI.
De Sabbatiaansche zendelingen en sekten.
De dood van den Smyrnaschen phantast en bedrieger
maakte volstrekt nog geen einde aan de messiaansche beweging. Niettegenstaande de strenge waarschuwingen van
verscheiden rabbijnen, vonden de Sahbatiaansche zendelingen
in de voornaamste gemeenten van Europa, Klein-Azie en
Noord-Afrika nog een tal aanhangers. Er ontstond zelfs
eene sekte, the zich Sabbatianen (Schabtsen) noemde en
gaandeweg hare vertakkingen kreeg door Polen en Hongarije.
Behalve de leugenprofeten Nathan Gazzati en Sabbatai
Raphael, wolke laatste o. a. in Ainsterdam, zoowel bij de
321
Sefardische als Aschkenazische gemeente een bijna afgodische
vereering genoot, trad in Noord-Afrika als de verkondiger
van eene Sabbatiaansche geheiinleer op Abraham Michael
Cardozo, een in P ortugal geboren rnarrano. Zijn volgeling
Mordechai uit Eisenstadt verkondigde ook de wedergeboorte
van den grooten Sabbatai. Door zijn streng kabbalistisch
leven en zijne predikatien, die wegens den geheirnzinnigen.
inhoud niet te verstaan waren, maar juist daardoor algemeene
bewondering wekten, won hij vele aanhangers in Aforavie
en Polen, waar nog in het begin der - i9de eeuw resten
aangetroffen werden van een sekte, door hem gesticht.
Ongeveer gelijktijdig met hem gaf zich ook in Salonichi
Jakob Querido of Jakob Tsewi, zooals hij zich noernde
(de broeder van eene vrouw, met wie Sabbatai nog op het
einde van zijn leven in het huwelijk moet getreden zijn)
voor een Sabbatiaansch ijveraar uit. Zoowel hij als zijne
aanhangers gaven zich aan ruw zingenot over en dreven
den spot met het reine huwelijksleven. Hij stierf in
.Eigypte op zijn terugkeer van een pelgrimstocht naar Mekka.
Zijn zoon Berochja volgde zijn voetspoor. In Polen begon
het Sabbatianisme eveneens welig wortel te schieten. Meer
dan dertig Poolsche familien verlieten, onder aanvoering
van zekeren Juda Chasid, hun vaderland, legden zich op
hun zwerftochten door verscheidene landen allerlei ontberingen op en verkondigden overal de spoedige komst
van den Messias. Zij ondernamen een bedevaart naar
Jeruzalem, maar de meesten hunner kwamen op den tocht
om. Van de overgeblevenen gingen sommigen, op het
voorbeeld van Sabbatai Tsewi tot den Islam over, anderen
omhelsden het Christendom (r7cso). Juda stierf kort na
zijn aankomst in de heilige stall. Zijn neef Jesaja Chasid
ging, in vereeniging met Chaim Moloch en den wonderdoener
LObele Pr ostnitz, voort met de verbreiding van de Sabbatiaansche leer, niettegenstaande de rabbijnen hem van
uit feruzalem en Constantinopel tot in het hart van Polen
met den ban vervolgden. Zijne aanhangers noemden zich
Chasidim (vromen) en kregen, zooals later blijken zal, tot
nadeel van het Jodendom, in Polen groote uitbreiding.
Met de sekte dezer Chasidim stond waarschijnlijk in betrekking N echemja Chia Chion, een man, wiens gelijke in
sluwheid, bedrog, huichelarij en gewetenloosheid onder de
aanhangers van het ongelukkig Sabbatianisme te dier tijd
wellicht niet aangetroffen werd. Hij was afkomstig uit
Turkije, leidde van zijn jeugd tot zijn grijsheid een zwervend
leven, huichelde vroomheid, gaf zich uit voor een heilige en
streng kabbalist, alhoewel zijn levenswandel alles behalve
onberispelijk moet geweest zijn. Hij deinsde er zelfs niet
222
voor terug, in een door hem vervaardigd geschrift van
kabbalistischen inhoud, dat den mystieken titel het geheim
der eenhei d 1) voerde, te gewagen van eene Godheid, die
ook volgens de leer des Jodendoms uit drie wezens (partsoefim) bestond. Met dit werk trad de bedrieger het eerst
in Smyrna op (f7o8), met het doel, zijn geluk bij de aanhangers van Sabbatai te beproeven. Mocht hij bij hen
niet slagen, dan kon hij zich even gemakkelijk bij de
tegenstanders aansluiten. Maar reeds voor zijn komst had
het rabbinaat van Jeruzalem de Smyrnasche gemeente voor
dien gevaarlijken man gewaarschuwd, zoodat hij daar geen
vruchtbaar arbeidsveld vond. Evenmin slaagde hij in itafie,
daar een kabbalist uit Livorno terstond de Sabbatiaansche
ketterij in zijn geschrift ontdekte. In Venetie maakte hij
nog al opgang. Ook in sommige Oostenrijksche gemeenten
maakte, de huichelaar goede zaken met zijne kabbalistische
predikatien, waarachter men de hoogste wijsheid zocht.
Zoo wist hij velen te verblinden en werd o. a. in Praag,
waar het toen niet aan geleerden ontbrak, letterlijk vergood.
Op zijn verderen tocht kwam hij ook in Berlin, waar de
Joodsche gemeente reeds ruim honderd familien telde. Aldaar
liet hij een werkje van gelijksoortigen inhoud als het eerste
drukken, dat hij met valsche aanbevelingen van rabbijnsche
autoriteiten voorzag. Van Berlin reisde hij naar Amsterdam,
waar hem de Portugeesche gemeente met groote onderscheiding behandelde. Naar het schijnt, was Chion met
haar opperrabbijn Salomon Ayllon, vroeger rabbijn van Londen
(zie bl. 212), reeds van voorheen bekend. Deze legde dan
ook veel blijken van genegenheid voor hem aan den dag.
Aan het hoofd der Hoogduitsche gemeente aldaar stond
toen Tsewi Hirsch Aschkenazie, meer bekend onder den
naam Chacham Tsewi. Deze wegens zijne talmudische bek waamheid alom beroemde geleerde was geboren in Moravie
(166o), waarheen zijne ouders tijdens den Kozakken-opstand
gevlucht waren. Zijn vader, vroeger rabbijn in Lublin gaf
hem het eerste talmudisch onderricht, totdat hij de van
ouds beroemde leerschool te Salonichi ging bezoeken. Hij
ma:akte groote vorderingen en toen 11:j op nog jeugdigen
leeftijd te Constantinopel kwam, stond men dan ook verbaasd over de groote kennis en scherpzinnigheid van den
veelbelovenden jongeling, die den eerenaam van Chacham
Tsewi ontving. Men benoemde hem tot rabbijn van Bosna
Serai. Om verschillende redenen verliet hij deze stad ;
I)
xlim,-1
223
hield zich langeren of korteren tijd in onderscheidene plaatsen
op, kwam ook te Berlijn, waar hij voor den tweeden keer
huwde met eene dochter van R. Meschullam Mireles, den
opperrabbijn van de toen nog vereenigde gemeenten Altona,
Hamburg en Wandsbeck ; l) en vestigde zich eindelijk in
de eerstgenoemde plaats, waar hij eerst door den handel
en later door de oprichting van eene drukkerij in zijne
behoeften trachtte te voorzien. Overigens wijdde hij zich
in zijne leerschool (klaus) met zijne vele leerlingen aan de
talmudische wetenschap. Van uit Polen en Litthauen, de
zetels der talmudstudie, werden tot hem vaak casuYstische
vragen gericht. Toen R. Meschullam wegens gevorderden
leeftijd de rabbinale functien niet alleen meer kon waarnemen, was het zijn beroemde schoonzoon, die hem daarin
ter zijde stond. Na den dood van den opperrabbijn benoemden clan ook twee van de drie gemeenten Chacham
Tsewi tot zijn opvolger, terwijl men te Altona naast hem
nog een ander aanstelde, met de bepaling, dat ieder om
de beurt een half jaar het oppergezag zou bekleeden. Dit
leidde echter tot voortdurende verdeeldheid, zoodat Chacham
Tsewi, een van nature hartstochtelijk en driftig man, de
rabbinale waardigheid geheel neerlegde en zich weder in
zijn klaus terugtrok. Maar niet lang daarna benoemde
hem de Amsterdamsche kehilla tot haar opperrabbijn (To
Januari 17 '0). Alhoewel hij te Altona in zijne boekdrukkerij, waar reeds verscheiden werken van hem verschenen waren, een goed middel van bestaan vond, aanvaardde hij toch deze heilige zending en vertrok nog in
hetzelfde jaar naar zijne nieuwe gemeente, Aldaar zette
hij met denzelfden ijver zijne studien voort, gaf eene belangrijke Responsen-verzameling 2) in het licht en vond
algemeene waardeering en hoogachting. Maar spoedig werd
zijn leven verbitterd, daar er tusschen hem en den rabbijn
der zustergemeente een heftige strijd uitbrak naar aanleiding
van het werk van den genoemden Chia Chajon. Chacham
Tsewi, wien het verleden van dezen zwendelaar wel niet
onbekend zal geweest zijn, stelde noch in hem noch in
zijn werk 3) eenig vertrouwen. In dit vermoeden ver
sterkte hem nog de verklaring van een Jeruzalemschen
talmudgeleerde Mozes Chages, die zich toen te Amsterdam
ophield en hem op verdachte plaatsen in Chalons geschrift
opmerkzaam maakte, De opperrabbijn waarschuwde het
Portugeesche gemeentebestuur voor den gevaarlijken be-
1)
iriir rn57.
2)
'3'S
037-1
n'i
3)
N'tr1.1
124
drieger en drong er zelfs op aan, hem, als verdacht van
Sabbatiaansche ketterij, nit de stad te verjagen. Maar men
wilde zich door den rabbijn der zustergemeente de wet
niet laten voorschrijven. Het hooghartig bestuur verlangde,
dat deze de verdachte plaatsen zou aanwijzen of zich met
eenige leden der Portugeesche gemeente tot eene commissie
vereenigen, om een nanwkeurig onderzoek in te stellen.
Chacham Tsewi was noch voor het een noch voor het
ander bereid. Salomon Ayllon, die bovendien met den
Hoogduitschen opperrabbijn op geen goeden voet stond,
nam deze gelegenheid te baat, om zijn bestuur nog meer
tegen hem op te hitsen, Dit benoemde thans uit zijne
gemeenteleden eene commissie van onderzoek, zonder zich
om het advies van Chacham Tsewi te bekommeren. Maar
nog voordat deze commissie haar taak volbracht had,
sprak Chacham Tsewi, in vereeniging met Mozes Chages,
den ban nit over Chajon en diens geschrift > daar hij Israel
van zijn God wilde afvallig maken en tot vreemde goden
(het denkbeeld van de drieeenheid) wilde verleiden." Niemand
mocht met hem omgaan, terwijl zijn vloekwaardig geschrift
aan het vuur moest prijs gegeven worden. De banvloek,
openlijk afgekondigd en door den druk in twee talen
(Hebreeuwsch en Spaansch) algemeen verspreid, veroorzaakte
een groote opschudding onder het Amsterdamsche Jodendom. Te meer nog, toen de commissie van onderzoek
openlijk verklaarde, dat zij in Chajons werk niets ontdekt
had in strijd met het Joodsche geloof, maar dat het slechts
kabbalistische beschouwingen bevatte, zooals vele dergelijke
geschriften, De verbittering tusschen de beide gemeenten
nam steeds toe en leidde tot treurige straatschandalen.
Van Chion verscheen een verdedigingsschrift, 1) waarin hij
op schandelijke wijze uitvoer tegen den eerbiedwaardigen
Chacham Tsewi. En deze onverlaat genoot de algemeene
achting van den 1VIadmad der Portugeesche gemeente, die
zelfs over den opperrabbijn en Mozes Chages den ban
uitsprak. De verdeeldheid en vijandschap werd steeds
erger zoodat eindelijk de Hoogduitsche opperrabbijn het
voorbeeld van Mozes Chases volgde en Amsterdam verliet
(17I4). Hij vertrok over Emden naar Polen, waar hem
het rabbinaat van Lemberg aaugeboden werd. Slechts vier
jaar was hij daar werkzaam, daar hij op 58-jarigen leeftijd
naar hoogere gewesten opgeroepen werd (1718).
Met diep leedwezen vernamen intusschen de meeste
Europeesche rabbijnen, tot welke treurige !gebeurtenissen
1)
,3S TO.
225
de woelingen Van den gewetenloozen Chez/ on aanleiding
gegeven hadden. Bijna alien kozen de partij van den beroemden Chatham Tsewi. Van heinde en ver kwamen
dan ook bij het Portugeesche gemeentebestuur brieven,
waarin met diepe verontwaardiging van den bedrieger Chalon
gewag gemaakt werd, Leon Brieli de grijze rabbijn van
Mantua ontmaskerde hem geheel, wees op de valsche
aanbevelingen, waarmede deze sinds geruimen tijd rondreisde
en hechtte zijne goedkeuring aan den ban over hem uitgesproken. Op grond van deze en andere berichten
kon de Portugeesche gemeente hem niet langer in haar
midden houden. Zij voorzag hem van geld en aanbevelingen
aan invloedrijke Joden, met het verzoek, hem behulpzaam
te zijn in zijn tocht naar het Oosten en bij het rabbinaat
van Constantinopel stappen te doen tot opheffing van den
ban. Zoo hervatte hij zijn zwervend leven. Eerst na veel
moeite verklaarden zich eenige Turksche rabbijnen bereid,
hem van den ban te ontheffen, maar onder de belofte,
dat hij geen geschriften van kabbalistischen inhoud zou
verspreiden of als prediker optreden (1724). Maar wat
beteekende voor dien gewetenloozen zwendelaar een belofte ? Weldra begon hij weer voor het Sabbatianisme te
ijveren, eerst in het Oosten en daarna in Europa. Hij was
echter te veel ontmaskerd, zoodat zijne poging thans geheel
mislukte. In zijne verwachtingen geheel teleurgesteld, beproefde hij nog eens zijn geluk in Noord-Afrika, waar hij
waarschijnlijk stierf. Zijn zoon, die tot het Christendom
overging, trad later aan het pauselijk hof als aanklager op
tegen zijne vroegere geloofsgenooten,
HOOFDSTUK
Overzicht van het Europeesche Jodendom.
1650 —1780.
Terwijl het Sabbatianisme in den boezem van het Jodendom schromeiijke verwoestingen aanrichtte, in'vele gemeenten
aanleiding gaf tot twist en verdeeldheid, tot ontaarding
en verwildering leidde, sekten deed geboren worden, die
de Kabbala aan allerlei misbruiken dienstbaar maakten, liet
bovendien de staatkundige toestand der Joden in de Europeesche landen veel te wenschen over. Behalve in Engeland
en de Nederlandsche gewesten, beschouwde men hen in de
overige staten nog altijd als de paria's der maatschappij,
als verworpelingen en verachtelijke wezens. Het macht-
226
woord van koningen en vorsten besliste over hun lot. In
de Mohammedaansche gewesten ging het hun vrij wel.
De poging van den sultan Osman, om de fanatieke wetten
van kalif Omar betreffende hen weer in toepassing te
brengen, werd verijdeld (1654). In Egypte bekleedde
zelfs de vroeger genoemde Raphael jozef Chelebi eene
hooge waardigheid en was aan het Turksche hof zeer gezien.
Maar in de Christelijke landen gingen de Israelieten nog
altijd gebukt onder het middeleeuwsch vooroordeel en
werden de nietigste voorwendsels te baat genomen, om hen
op onmenschelijke wijze te vervolgen. Nog in de 17de
eeuw vond in het Roomsch-Duitsche keizerriik eene Jodenvervolging plaats. De Joodsche bevolking van Weenen
was tijdens de regeering van Ferdinand III aanmerkelijk
toegenomen. Zij verkeerde ook in bloeienden staat, kreeg
gaandeweg den groothandel weder in handen en kon
wijzen op mannen van aanzien en rijkdom. Dit nu wekte
in de hoogJe mate de wangunst van de Christelijke kooplieden, die, bovendien gesteund door de Jezuieten, bij de
regeering aandrongen op de verdrijving der Joden. Het
kostte maar weinig moeite, eenige beschuldigingen te verdichten, op grond waarvan de keizer het bevel uitvaardigde,
dat zij Weenen en Beneden-Oostenrijk moesten N erlaten.
Nog gelukte het hun door hartroerende gebeden 's keizers
gemoed te vermurwen, zoodat het wreede besluit weder
ingetrokken werd. Maar de verademing was slechts voor
korten duur. Ferdinands opvolger _Leopold 1 stond geheel
onder den invloed van de Jezuieten en zijne fanatieke gemalin, de Spaansche prinses Margaretha, I) die den Jodenhaat als het ware met de moedermelk ingezogen had.
Toen zij nu eens van eene zware ziekte hersteld was en
daarvoor Gode haar dank wilde betuigen, meende zij Been
treffender blijk van erkentelijkheid te kunnen geven dan
door haar land van den gehaten Joodschen stam te
zuiveren. Zij drong nu bij haar echtgenoot aan op de
verdrijving der Joden niet alleen uit de hoofdstad, maar
uit het gansche rijk. Aan den tweestrijd, waarin de
keizer thans verkeerde, maakte de ophitsende redevoering
I) Op bevel van hare moeder, de weduwe van Philips IV
van Spanje, waren een jaar te voren (1669) de Joden uit
de provincie Oran, op de noordkust van Afrika, verdreven.
Te dier tijd had ook de Joodsche bevolking van Marokko
veel te lijden van Marley Arschid, die zijn broeder Ismael
van den troon gestooten had. Vele vluchtelingen uit Algiers
en Marokko vestigden zich in den omtrek van Savoye.
227
van den bisschop van Wiener-Neustadt, in tegenwoordigheid van het hof gehouden, weldra een einde. Bovendien
verklaarde de burgerij zich bereid, het geldelijk nadeel, dat
de staatskas door de verbanning der Joden zou lijden, te
vergoeden. Nu werd onder trompetgeschal het keizerlijk
bevel uitgevaardigd (14 Februari 167o), dat alle Joden
binnen enkele maanden Weenen en Beneden-Oostenrijk
moesten ontruimen. Alle pogingen, zelfs van zeer invloedrijke mannen, om den keizer tot zachtere gevoelens te
stemmen, bleven vruchteloos. Op den vastgestelden tijd
togen zij heen, met een donkey vooruitzicht in de naaste
toekomst. Aan den keizerlijken zaakwaarnemer Markus
Schlesinger en zijne familie werd, bij wijze van uitzondering,
het verblijf in de hoofdstad toegestaan. Uit erkentelijkheid
voor 's keizers blijk van Christelijke liefde gaf de magistraat
van Weenen de voormalige Jodenwijk den naam van
leopoldstaa'. De synagoge werd omvergehaald en op hare
plaats verrees een kerk, waarvan de keizer den eersten
steen legde. Ook de Joodsche leerschool, door een vromen
en rijken man eerst ongeveer tien jaar geleden gesticht,
onderging hetzelfde lot. De ballingen begaven zich meerendeels naar Moravie en Beieren. Ook over de Hongaarsche
Joden sprak de keizer het verbanningsedict uit (24 April.
1671), maar trok dit nog hetzelfde jaar in. Desniettegenstaande bleef hun toestand zeer hachelijk en lieten de
Jezuieten niets onbeproefd, hen voor het Christendom te
winnen. Toen de keizer door den oorlog met de Turken
in geldverlegenheid geraakte, gaf hij weer spoedig enkelen
vermogenden Joden verlof, naar de hoofdstad van zijn rijk
terug te keeren, maar verbond daaraan de uitdrukkelijke
voorwaarde, dat zij zich niet tot eene gemeente mochten
vormen of eene synagoge stichten. Onder de teruggekeerden maakten zich vooral Samuel Oppenheim en Samson
Wertheimer 1) zeer verdienstelijk jegens hunne geloofsgenooten.
Nog beklagenswaardiger werd het lot van de Joden in
Oostenrilk en Hongarije onder Karel VI, den laatsten
keizer uit het Habsburgsche huis. Deze beperkte hun
rechten in de provincien, waar hun het verblijf toegestaan
was ; verbood hun het bezit van grondgebied en ontzeide
eindelijk (1738) het arme deel der Joodsche bevolking het
verblijf in Silezie. Zijne dochter Maria Theresia, die hem
in de regeering der Oostenrijksche erflanden opvolgde, was
1 ) Zie : Dr. D. Kaufmann, Samson Wertheimer dei Oberhoffactor und Landesrabbiner und seine Kinder Wien 1888.
2 2$
den Joden evenmin genegen. Haar afkeer berustte meerendeels op vooroordeel. Zoo kon zij niet begrijpen, hoe de
Joden bij hun vasthoudendheid aan hun voorvaderlijk
geloof, dat zoo geheel van het Christendom verschilde, toch
trouwe en vaderlandslievende onderdanen konden wezen.
Zij verdacht hen dan ook van verraad en geheime samenzwering • met de vijanden, die haar na den dood haars
vaders bedreigden. Toen de oorlog geeindigd en • zij te
Praag gekroond was (1743), stond zij den Joden wel het
verder verblijf in alle Hongaarsche comitaten toe, maar
onder de bepaling, dat ieder, zonder onderscheid van geslacht, stand of vermogen, voor dit blijk van verdraagzaamheid eene belasting van twee gulden (Toleranztax) 1)
moest betalen, die drie of vier weken na iedere afkondiging
zou gend worden. Dit besluit, hoe drukkend ook voor
de behoeftige klasse, was nog edel en menschlievend te
noemen in vergelijking met het decreet, kort daarna uitgevaardigd betreffende de Joden van Bohemen (i8 December
1744) en Mor avid (2 Januari 1745) en wel, dat dezen
binnen eenige maanden beide kroonlanden moesten verlaten.
Een onb e schrijfelijke angst maakte zich van de ongelukkigen
meester. In hun nood zochten zij pulp bij bun broeders
in het buitenland, en vooral in bet vrijheidslievende
Holland. Drie Joodsche gemeenten (Amsterdam, Rotterdam
en 's Gr avenhage) richtten een adres aan de vertegenwoordiging der Nederlandsche republiek, waarin zij om steun
voor hun stamgenooten Baden, De Nederlandsche gezant
te Weenen ontving dan ook de opdracht, bij de keizerin
stappen te doen tot intrekking van haar besluit. Een
dergelijken last ontving de Engelsche gevolmachtigde te
Oostenrijk. Ook de hofjoden te Weenen zaten niet stil.
Maria Theresia gaf eindelijk aan de beden, waarmede zij
van alle kanten bestormd werd, in zoover toe, dat zij het
tijdstip der verbanning voorloopig uitstelde. Om evenwel
den aanwas der Joodsche bevolking tegen te gaan, bepaalde
zij, dat Moravie niet meer dan 5100 en Bohemen 20,000
Joodsche familien tellen mocht. Door dit besluit moesten
al spoedig uit Praagalleen i 8,000 Joden vertrekken, Voorts
kreeg van ieder gezin slechts de oudste zoon het recht, een
door den staat erkend huwelijk te sluiten, terwijl de echtverbintenissen der andere zonen niet als geldig erkend en
de kinderen, daaruit geboren, als vreemdelingen aangemerkt
werden, die in het geheel geen aanspraak op bescherming
of staatszorg konden maken. Niettegenstaande deze Pharao-
1
) Door de Joden Malka-g-eld genoemd.
229
nische decreten trachtte Maria Theresia aan den anderen
kant verbetering te brengen in den maatschappelijken toestand barer Joodsche onderdanen. Ook vestigden zich in
Weenen gaandeweg meer Joden, van welke enkelen aan
het hof zeer gezien waren.
Niet veel gunstiger dan in Oostenrijk was nog altijd het
lot der Joden in Duitschland. Al waren zij ook eenigermate
gevrijwaard tegen de woeste uitbarstingen van fanatisme en
hebzucht, toch gingen zij nog altijd gedrukt onder den last
van smadelijke uitsluitingsedicten en zware belastingen. Een
zwakke lichtstraal brak eindelijk in de duisternis door onder
de regeering van den grooten keurvorst Frederik Willem
van Brandenburg (1640-1688), den grondlegger van de
grootheid en macht der Pruisische monarchie. Hij toonde
zich niet ongenegen jegens de Joden, die het gebied bewoonden, bun bij den Munsterschen vrede ten deel gevallen.
Ook had hij een hofjood Elias Gomperts Kleef) in
zijn dienst, die voor zijne krijgsbehoeften zorgdroeg en
zelfs eens door hem net eene staatkundige zer ► ding naar
Holland belast werd. ') Toen de uit Weenen verdreven
Joden zich tot den Brandenburgschen gezant Neumann
wendden met het verzoek, in den keurvorstelijken staat
opgenornen te werden, stond de keurvorst zulks toe. Veertig
of vijftig welE,restelde familien kregen verlof zich in zijn
gebied te vestigen, maar onder voorwaarde, dat zij geen
synagogen zouden stichten of openbare godsdienstoefening
houden. Een zevental familien liet zich metterwoon in
Berlin neder en legde den grondslag van de thans zoo
talrijke Joodsche gemeente der Duitsche hoofdstad. Met
toestemming van den keurvorst konden zich ook eenige
rijke familien in _Frankfort a/O vestigen en werden twee
Joodsche jongelingen tot de geneeskundige faculteit aldaar
toegelaten. 2) Reeds op het einde van de i 7-de eeuw kwam
1) Waarschijnlijk is het deze Gomperis, wiens erfgenamen
van het bestuur van Gelderland verlof kregen, zich in dit
gewest te vestigen, en wien de pacht van de banken van
leening aldaar toegewezen werd. Zie Koenen, Geschiedenis
der Joden in Nederland bl. 224.
2) Jozef Athias, de eigenaar eener beroemde Joodsche
boekdrukkerij te Amsterdam, droeg de bij hem verschenen
Bijbelvertaling van Jozef Witzenhuizen aan den grooten
keurvorst op, nit dankbaarheid voor de bescherming, door
hem zijn geloofsgenooten verleend.
Tusschen de jaren
1697 en 1721 verschenen in Fraukfort a/O reeds twee
Talmuduitgaven.
MON.
Gesch. III, 16
230
onder het bestuur van zijn zoon en opvolgcr Frederik I
een reglement tot stand voor de Joden van het voormalige
keurvorstendom. Men denke echter niet, dat dit veel verandering bracht in hun staatkundigen toestand. Hun rechten
en vrijheden bleven nog altijd zeer beperkt. Vele bepalingen en besluiten van voorheen behielden hun geldigheid.
In menig opzicht heerschte nog het oude vooroordeel.
Zelfs koning Frederik Willem I (1713-174o), wiens bestuur zich over het algemeen kenmerkt door een geest van
verdraagzaamheid en onpartijdigheid, en die ook enkele verdienstelijke Joden door eerbewijzingen onderscheidde, bracht
daarin geene verandering. Zoo handhaafde hij nog het
bestaand gebruik, dat de Joden bij het uithuwen hunner
kinderen voor 30o daalders porselein uit de koninklijke
fabriek moesten koopen. Zij waren verplicht, de wilde
zwijnen, door hem op de jacht geschoten of gevangen, voor
een bepaalden prijs over te nemen. Frederik de Groote
regelde opnieuw in een A algemeen Joden-privilege" den
rechtstoestand zijner Joodsche oiiderdanen (175o).
In Zwitserland werden in de 17 de eeuw bijna geen
Israelieten aangetroffen. De weinigen, over de verschillende
kantons verspreid, moesten deze nog in 1662 verlaten. In
enkele plaatsen van het graafschap Baden bleef hun het
verblijf toegestaan, alhoewel men ook daar op hunne verbanning aandrong. Sinds de verdrijving der Joden uit
Frankrijk hadden zich in het midden der I6de eeuw weder
enkele familien in Metz gevestigd, die er den grondslag
legden van eene gemeente, aan wier hoofd reeds in het
begin der volgende eeuw een rabbijn stond. Lod ewijk XIV
was hun niet ongenegen en verleende hun zelfs enkele
privilegien. De gilden van Metz gaven daarover hun ontevredenheid te kennen. Om de volkswoede tegen de Joden
te wekken, maakte men ook daar gebruik van het gewone,
vaak doeltreffende verzinsel van ritueelen kindermoord
(167o). Zekere Raphael Levie werd beschuldigd, een Christenknaapie gedood te hebben, en onderging op de verklaring
van valsche getuigen de doodstraf. Toen koning Lodewijk
dit ter oore kwam, gelastte hij, dat men voortaan aanklachten tegen de Joden bij zijn staatscollege moest indienen. — In Spanje en Portugal vervolgde men nog altijd
de marrano's met grdote bloeddorstigheid. Vooral in laatstgenoemd land rustte op hen de verdenking van geheime
verstandhouding met buitenlandsche Joden. Niettegenstaande
velen hunner onder den geestelijken stand, in nonnen- en
monnikenkloosters aangetroffen werden, hield men zich toch
vast overtuigd, dat zij wars waren van het Christendom en
gevaarlijk voor de kerk. Joao IV, de eerste koning uit
231
het huis Brakanza trachtte wel aan hun deerniswaardig
n, maar stiet op heftigen tegenstand.
lot een einde te make
Eindelijk vond hij steun bij de Jezuieten, die uit verbittering,
dat een hunner orde door de inquisitie ter dood veroordeeld
was, bij den paus stappen deed, om de bevoegdheid van
deze kerkelijke rechtbank te beperken. Clemens X gelastte
inderdaad, de marrano's niet meer te vervolgen (1674),
maar de inquisitie bekommerde zich niet om 's pausen
bevel. Evenmin waren hun Spaansche ambtgenooten daartoe
genegen. Daar zij nu een dergelijk bevel van het pauselijk
hof verwachtten, wilden zij den heiligen vader er reeds
vooraf op wijzen, dat hij van hen geen gehoorzaamheid te
wachten had. Te dien einde lieten zij in Spanje's hoofdstad het huwelijksfeest van den Spaanschen koning Karel 11
met eene Fransche prinses plechtig opluisteren door een
auto-da-fe, waarbij niet minder dan 118 personen, onder
welke 7o marrano's, op den brandstapel omkwamen (168o).
De koning zelf stak den eersten houtmijt aan en gaf daardoor een blijk van echt Spaansch fanatisme.
Niettegenstaande de voortdurende rampen, waaraan de
Joden nog in de 17de en i8de eeuw in verreweg de meeste
Christelijke landen bloot stonden, vond het veld der Joodsche
en vooral der talmudische wetenschap nog steeds bearbeiders.
In vorige hoofdstukken hebben wij reeds een tal mannen
uit dien tijd vermeld, die zich op talmudisch gebied naam
verworven hebben. Thans zullen wij nog met enkelen van
hen kennis maken. In het Oosten onderscheidden zich
Chizkia de Silva (laatste helft der 17de eeuw), Jakob (gest.
1674) en zijn zoon Mozes Chages (gest. i 7 44). De eerste,
rabbijn van de Sefardische gemeente te eruzalem, schreef
novellen van de drie eerste deelen van Schulchan-aruch. 1)
De laatste, eveneens uit feruzalem atkomstig, had geen
vaste woonplaats. Na zijn vertrek uit Amsterdam (zie bl. 2 2 4)
ging hij mar Altona, vanwaar hij, na een langdurig verblijf,
in hoogen ouderdom naar het heilige land terugkeerde.
Verscheiden geschriften van hem zagen het licht, die getuigen van zijne groote bedrevenheid in Talmud en Casuistiek.
Ook verscheen te dier tijd van fun' a Rozanes (gest. 1727)
een uitvoerige commentaar van Maimuni' s codex. 2) Aan
het hoofd van de Duitsche en Hongaarsche gemeenten
stonden meestal Poolsche rabbijnen, die in hunne Jeschiboth
de pilpulistische leermethode van den Talmud invoerden.
Tot hare vertegenwoordigers behooren Naftali Kohen,
• • •
tr-irt
TT
2
•:
) 117725 roz,m.
Aim Gesch. III, 16*
2 32
Abraham Broda, Meir Schiff e. a. Een van de begaafdste
rabbijnen uit dien kring was fair Chaim Bachrach (1628—
171 1) van Worms.9 Deze toonde ook veel zin voor de
wiskunde en was -- eene zeldzaamheid in die dagen -een voorstander van de Hebreeuwsche taalstudie. Ook de
Joodsche geschiedenis en bibliographic vonden enkele beoefenaars. David Conforte (geb. te Salonichi 1619) leverde
een kort overzicht van de geschiedenis der Joodsche
geleerden, 2) waartoe hij dikwijls uit zeldzame bronnen
geput heeft. De Poolsche rabbijn jechiel Heilprinn uit
Minsk (gest. 1 73o) bewerkte een Joodsche kroniek 3) van
de schepping der wereld tot op zijn tijd, die zich vooral,
wat het talmudisch tijdvak betreft, door groote volledigheid
kenmerkt. Jonger dan de beide laatsten was Chaim David
Azulai (geb. te pruzalem 1726 gest. in Livorno 1807),
een bekend talmudist en kabbalist. Onder zijne vele geschriften is vooral beroc2md zijn bibliographisch werk, 4)
dat een zoo volledig mogelijk overzicht bevat van de
letterkundige nalatenschap der Joodsche geleerden, van de
gaonen of tot op zijn tijd. 5) Ook waar de Joden
nog voortdurend te lijden hadden, nu eens van de kerkelijke
hierarchie dan weder van binnenlandsche onlusten of epidemische ziekten, bracht in de 17 de en 18de eeuw mannen voort,
wier geschriften Diet gansch van belang ontbloot zijn. In
Venetie leefden enkele beroemde nakomelingen van de oude
en wijdvertakte familie Aboab. Immanuel Aboab (geb. in
Oporto) schreef in het Spaansch over de verhevenheid van
het traditioneele Jodendom (Nomologia 16 25). Samuel Aboab
(gest. 1694), rabbijn van V enetie en tegenstander van Sabbatai
Tsezeii, liet eene teschuboth-verzameling - 6) achter. Zijn zoon
1) Zijne rylV-verzameling 11 ∎ 1 rilri is van algemeene
bekendheid.
2)nini7r;
•.
3) nini7r,
n10.
4)
Vt7I -orl otz.
) Algemeene beroemdheid verwierf zich ook David
Oppenheimer uit Worms, rabbijn van Nikolsburg (1 690) en
Praag (r 704-1736), door zijne rijke Joodsche bibliotheek.
Deze had hij deels geerfd van zijn oom, den rijken hofjood
Samuel Oppenheim, deels zelf uitgebreid door groote aankoopen. Zij telde 7000 gedrukte werken en 1 000 handschriften. Na verscheidene lotgevallen kwam deze boekerij,
waarvan eenige uitvoerige catalogen bewerkt zijn, in het
bezit van de Oxfordsche bibliotheek.
5 ) L7N1U1fr. nn":r.
5
233
en opvolger Jakob hield zich met de Joodsche
kunde onledig, In Venetie leefde te dien tijd Azarja Fig o,
schrijver van een bundel predikatien, ') die door hun gemoedelijken toon en geleidelijken gedachtengang algemeene
waardeering gevonden hebben. Te Ferrara wijdde zich
Izak Lampronti (1679 — 756) aan de bewerking van een
zeer uitvoerige encyclopedie van den Talmud. 2)
Groote verwachtingen koesterde men van den veelbegaafden Italiaanschen jongeling Mozes Chaim Luzatto (17 07-1747)., Geboren uit eene aanzienlijke Portugeesche familie
te Padua genoot hij eene beschaafde opvoeding en eene
Joodsch-wetenschappelijke vorming. Reeds op jeugdigen leeftijd gaf hij blijken van veel dichterlijke begaafdheid en
beheerschte bovendien ale Hebreeuwsche taal met groote
gemakkelijkheid en vaardigheid. Nauwelijks 17 jaar oud
schreef hij eene verhandeling over den Hebreeuwschen stip
en dichtkunst 3) en dichtte nog voor zijn twintigste jaar
15o psalmen in den stijl der Bijbelsche poezie, die als
meesterstukken van klassieke schoonheid Belden. Door zijne
Nurige phantasie gevoelde hij zich al spoedig zoo aangetrokken tot het geheimzinnig kabbalistisch werk Zohar, dat
hij reeds op 23-jarigen leeftijd een dergelijk mystisch geschrift nabootste. 4) Sinds dien tijd hield hij zich voor
een hooger wezen en verbeeldde zich Goddelijke visioenen
te aanschouwen en Hemelsche openbaringen te vernemen.
Een zijner leerlingen en tevens zijn hartstochtelijke vereerder, Jekut/iiel uit Wilna, was onuitputtelijk in lof . over
Luzatto, dien hij roemde als een buitengewoon kabbalist
en wonderdoener. Het rabbinaat van Venetie zocht Luzatto
door gemoedelijke raadgevingen te bewegen, den voor hem
zoo gevaarlijken weg te verlaten. Toen zachtheid niet
baatte, traden de Italiaansche rabbijnen, op aansporing vooral
van A den Tsionswachter" Mozes Chages, die voor het gevaar
van eene tweede Sabbatiaansche beweging vreesde, met meer
kracht tegen hem op.
Luzatto beloofde plechtig zijne
mystische bespiegelingen te laten varen (173o). Maar dit
was hem onmogelijk geworden. Reeds kort daarna schreef
hij eene polemiek tegen Leon Modena's anti-kabbalistisch
geschrift, waaruit duidelijk zijne hooge waardeering van deKabbala en de erkenning van hare hooge beteekenis blijkt.
Het rabbinaat van Venetie. hierover zeer verontwaardigd,
sprak den ban over Luzatto uit en veroordeelde zijne kab-
1 ) M'I'Vt7
4)
N3,311
2
) pnr
3
)=
710 *00•
234
banstische geschriften ten vure. Door armoede en gebrek,
eenzaamheid en verlatenheid genoopt, zijn vaderland vaarwel
te zeggen (1734), richtte hij zijne schreden naar Amsterdam,
met het voornemen, daar zijne mystische studien voort te
zetten, Op zijne reis kwam hij te Frankfort (tali, waar
hem de rabbijn zoover bracht, dat hij zich door een eed
verbond, de Kabbala niet meer te beoefenen, noch daarin
iemand te onderrichten. Intusschen ondervond hij van de
Portugeesche gemeente te Amsterdam ook blijken van welwillendheid. Daar hij zich en zijn gezin, dat hij na korten tijd
liet overkomen, niet gaarne van liefdegiften wilde onderhouden, maar zelf in zijne behoeften wenschte te voorzien, legde
hij zich toe op het leeren slijpen van glazen en edelsteenen. Maar nauwelijks tot de nuchterheid des levens teruggekeerd, bekroop hem weder een onwederstaanbaar verlangen naar de beoefening van de Kabbala. In dien tijd
verrijkte Luzatto de nieuw-Hebreeuwsche poezie weder door
een schoon allegorisch drama de lof der braven (1743),
vervaardigd ter gelegenheid van het huwelijk van zijn voormaligen leerling Jakob de Chawes, wiens ouders hem bij
zijne komst te Amsterdam veel gastvrijheid bewezen hadden.
Daar hij evenwel inzag, dat Europa geen geschikte bodem
was voor zijne kabbalistische dweperijen, begaf hij zich
naar Palestina, waar hij na een verblijf van ongeveer drie
jaar door de pest uit het leven weggerukt werd. Zelfs
zijne tegenstanders roemden hem als een man van veelomvattende kennis en een edel karakter, zoodat hij, onder
andere omstandigheden, een sieraad voor het Jodendom had
kunnen worden.
HOOFDSTUK XLVIII.
Jonathan Eybenschuetz en Jakob Emden.
Niet lang na den dood van Luzatto werd het Europeesche
Jodendom in nog veel heviger mate in beweging gebracht
door den onzaligen strijd tusschen twee mannen, die onder
de Joodsche geleerden van de 18de eeuw eene eereplaats
innamen. Het was een strijd, waarvan de naaste aanleiding moet gezocht worden in het Sabbatianisme en diens
treurige gevolgen. De verdenking zelfs van Sabbatiaansche
dweperij was in de dagen, waar deze voor het Jodendom
1 ) ritlnri miirj! t
?.
235
zoo schadelijk werkte, reeds voldoende, een man te verketteren, wiens roem als mensch en geleerde zich alom
verbreid had, en vele jaren zijn leven te verbitteren. Deze
man heette R. Jonathan Eybenschuetz.
Geboren (1690) in
Krakau (v, a. in Pinczow, in het tegenwoordige Russische
gotivernement Radom) kwam hij reeds op jeugdigen leeftijd
in Eybenschuetz (in Moravie), waar zijn vader R. Nathan
tot rabbijn benoemd werd. In dit plaatsje, waaraan hij
zijn familienaam ontleende, ontving hij het eerste onderricht
in den Talmud van zijn vader, die hem echter spoedig
door den dood ontviel. Zijne moeder wilde, alhoewel zij
in behoeftige omstandigheden achterbleef, haar veelbelovenden zoon niet aan een ander, die haar daarom verzocht
had, ter opvoeding afstaan, maar hield hem zelve onder
haar wakend oog. Toen hem echter ook deze edele vrouw
door den dood ontrukt werd, kwam de ouderlooze wees
onder leiding van R. Meir Eisenstadt te Prost-nitz. Alhoewel nog zeer jong, kreeg hij zulk een naam als talmudist,
dat hij, pas achttien jaar oud, tot rabbijn van een klein
plaatsje in Bohernen benoemd werd, Maar toen de leergierige man (hij was intusschen in het huwelijk getreden
met eene dochter van Simon Spira landrabbijn van Moravie)
zijn onleschbaren dorst naar wetenschap aldaar in het geheel
niet kon bevredigen, vertrok hij (1714) naar Praag, te
dies tijd het middelpunt der Joodsche geleerdheid, In deze
oude en beroemde kehilla vond hij ruime gelegenheid, zich
te laven aan de bron van Joodsche kennis, en verdiepte hij
zich in de talmudische literatuur met eene bewonderenswaardige scherpzinnigheid. Bovendien maakte hij zich ook
eenigermate met de profane wetenschappen (geschiedenis,
aardrijks- en natuurkunde) vertrouwd en wilde ook niet
geheel onbekend blijven met de Kabbala, die toen algemeen
beoefend werd. Aan deze veelzijdige kennis paarde R.
Jonathan veel redenaarstalent, zoodat de. Praagsche gemeente
hem tot haar prediker benoemde (1714). Zijne boeiende
voordrachten vonden algemeenen bijval en deden hem in
de liefde en genegenheid van het yolk stijgen. Maar hij
zelf was met dezen werkkring alleen, hoe nuttig en verheven ook, niet tevreden. Zijn arbeidsveld zocht hij liever
in de talmudische Halacha dan in de Aggada. Hij stichtte
eene Jeschiba, waar hij dagelijks aan een tal van mannen
en jongelingen onderricht gaf in de hoogere kennis des
Jodendoms. Allen, die R. Jonathans onderricht volgden,
koesterden voor hem een onbegrensden eerbied niet alleen
wegens zijne groote geleerdheid, maar ook om zijn beminnelijk karakter. Zoo arbeidde hij tot wezenlijk heil
der Praagsche gemeente, verbreidde Joodsche kennis onder
236
jongen en ouden, vormde vele jongelingen tot bekwarne
talmudisten, totdat hem juist met het uitbreken van den
Oostenrijkschen successie-oorlog door de gemeente van Metz
de rabbinale zetel aangeboden werd. Zijn vertrek uit Praag
geschiedde met grooten spoed (1741). Wat daarvan de
oorzaak was, is nog altijd niet geheel opgehelderd, evenmin
als van het keizerlijk besluit, volgens hetwelk hem de
terugkeer naar de Oostenrijksche erflanden voor altoos ontzegd werd.
Niet minder verdienstelijk dan in Praag maakte zich
Eybenschuetz in zijn nieuwen werkkring. Hij ontzag geene
moeite en achtte geene opofferingen te zwaar, om godsdienstkennis te verbreiden. Zoo vervaardigde hij een uittreksel van Schulchan-aruch in het Joodsch-Duitsch ten
dienste van hen, die niet in staat warm, dit wetboek in
zijn oorspronkelijke taal te lezen en te beoefenen. Hij
daalde derhalve of tot het yolk, welks leider en leeraar hij
in den volstrekten zin van het woord werd. Men stelde
dan ook zijn zegenrijke werkzaamheid op hoogen prijs.
Toen hem het rabbinaat van Furth, een zeer oude en
beroemde gemeente, aangeboden werd (1746), stond men
hem niet toe, dit te aanvaarden, daar de termijn, waartoe
hij zich voor het rabbinaat van illetz verbonden had, nog
niet vcrstreken was. Wel een bewijs van de liefde en
gehechtheid, waarmede men aan den geestelijken herder
verknocht was. Eenige jaren later kwam door den dood
van Jechezkel Katzenellebogen de rabbinale zetel van de
drie gemeenten Altona, Hamburg- en Wandsbeck open. Tot
opvolger koos men den wijd en zijd beroemden R. Jonathan,
die zich deze benoeming liet welgevallen. Hij ontrukte
zich aan de armen van zijne vele vrienden en vereerders
en aanvaardde onder de schoonste verwachtingen het heilig
ambt, hem door de drie vereenigde gemeenten opgedragen
(175o). Met een blijde hoop riep hij in zijne installatie-rede
het psalmistenwoord uit : z deze zij mijne rustplaats voortdurend ; hier wil ik blijven, want ik begeer het," Maar
het was helaas geheel anders over hem beschikt. In stede
van rust zou weldra een strijd losbarsten, die zijn leven
zou verbitteren, het tot een waar martelaarschap maken.
Toen R. Jonathan den rabbinalen zetel van A. H. W.
aanvaardde, woonde aldaar R. Jakob Israel; 1) de zoon van
den voormaligen A msterdamschen opperrabbijn Chacham
Tsewi. Hij is meer bekend onder den naam Jakob Emden
(1698-1776), dien hij het liefst voerde. Evenals zijn vader,
237
bezat hij uitgebreide talmudische kundigheden en stelde
bovendien veel belang in de Hebreeuwsche grammatica.
Op twintigjarigen leeftijd verliet hij de ouderlijke woning,
trad met eene dochter van den rabbijn van Brod (in
Hones arije) in het huwelijk en zette ten huize van zijn
schQonvader zijne studie ongestoord voort. Maar de treurige
staatkundige toestand der Joden aldaar bewoog hem, dit
land te verlaten. Na een kortstondig verblijf in Amsterdam,
dat hij ook reeds vroeger schijnt bezocht te hebben, vertrok
hij naar Emden. Men bood hem den aldaar opengevallen
rabbinalen zetel aan. Na lang aarzelen aanvaardde hij
de rabbinale waardigheid, maar legde haar reeds na eenige
jaren neer (1733), daar hij voor dit ambt weinig neiging
gevoelde en hem bovendien het klimaat voor zich en zijn
gezin ongezond toescheen. Hij vestigde zich thans in zijne
geboortestad Altona, waar hij met toestemming der regeering
eene drukkerij opzette. Zoowel wegens zijne edele afstamming alsook om zijne geleerdheid genoot hij algemeene
achting, zoodat hem dan ook het gemeentebestuur, uit
hoofde zijner zwakke gezondheid, toestond, in zijn huis
vaste godsdienstoefening te houden, iets, dat met de gemeenteverordening in strijd was. Maar veel genegenheid
en oprechte vriendschap droeg men over het algemeen
Emden niet toe. Hij bezat ook volstrekt niet de gave,
menschen aan zich te verbinden, maar stiet hen veeleer
door zijn onvriendelijken en barschen aard van zich
Hij vermeed zooveel mogelijk elk gezellig verkeer. Met
des te meer liefde wijdde hij zich aan de Joodsche wetenschap. Van zijne drukkerij verscheen dan ook achtereenvolgens een tal geschriften ; deels oudere werken, maar
verrijkt met Emdens kritische aanteekeningen, deels oorspronkelijke. Onder deze neemt eene gewichtige plaats in
eene orde der gebeden met de ritueele voorschriften, gesplitst in vier afdeelingen. Toen nu het rabbinaat in zijne
geboorteplaats open kwam, koesterde Emden de stille hoop,
dat hem dit zou aangeboden worden. Aihoewel hij waarschijnlijk voor deze eer bedankt had, lag er hem toch veel
aan gelegen. Van eerzucht en naijver is hij zeker niet
geheel vrij te pleiten. Bovendien had de rabbinale zetel
der drie gemeenten eene Europeesche vermaardheid en was
steeds door mannen van naam bezet geweest. Hij vond
ook wel eenige voorstanders, maar deze bleven in de minderheid. De keuze viel, zooals wij reeds zagen, op R. Jonathan
uit Metz.
') 17N
rrs
238
Aanvankelijk legde Emden zekere welwillendheid aan den
dag voor Eybenschuetz, die hem reeds bij zijn eerste optreden met veel onderscheiding behandeld had. Maar toch
was dit een gedwongen vriendschap, wier duur dan ook niet
lang was. Toen Jonathan zijne nieuwe betrekking aanvaardde,
heerschte in zijne gemeenten eene vreeselijke ziekte, die
vooral onder de kraamvrouwen vele slachtoffels eischte.
De rabbijn kreeg van menige angstige vrouw het verzoek,
haar eene amulet (kamea) uit te reiken, in de hoop, daardoor
voor elk ongeluk beveiligd te blijven. R. Jonathan weigerde
dit niet en paste zijne kabbalistische kennis toe bij het vervaardigen van deze kameoth. Toen nu een Bier kameoth Emden
in handen kwam, meende deze daarin Sabbatiaansche ketterij.
te ontdekken. Hij maakte dit wel niet algemeen ruchtbaar,
maar deelde het zijn enkelen vrienden mede en schaarde
zich, toen dezen den nieuwen rabbijn voor een aanhanger
van het verwenschte Sabbatianisme verklaarden, aan hunne
zijde. Zijne verklaring berustte, zooals hij plechtig verzekerde, niet op haat of vooroordeel, maar op een nauwkeurig onderzoek. Jonathan wilde de goede verstandhouding,
waarin hij tot nu toe met Emden geweest was, liefst behouden en dezen van zijne verkeerde uitlegging der amulet
overtuigen. Maar Emden, een verklaard tegenstander van
de kabbalistische mystiek, van aard zeer oploopend en
vurig en bovendien van den beginne of in Jonathan een
geheimen tegenstander vermoedend, wilde van geene toenadering weten. Hij bleef zelfs in het bijzijn van het
gemeentebestuur, dat aan de verdeeldheid een einde wilde
maken, bij zijne beschuldiging volharden. Dientengevolge
heerschte in de gemeente groote opschudding. Emden
zocht thans naar bondgenooten in den strijd, dien hij tegen
Jonathan wilde gaan ondernemen. Hij vond deze in Jakob
fosua
rabbijn van .Frankfort alM en Jonathans voorganger in Metz, den Amsterdamschen opperrabbijn R. Arje
Leib (deze was gehuwd met eene dochter van Chacham
Tsewi en dns Emd ens zwager) en Samuel Heilman, den
opperrabbijn van Metz. Het spreekt intusschen van zelf,
dat ieder onbevooroordeelde aan de verklaring van Emdens
zwager, hoe achtenswaardig en geleerd deze ook was, weinig
waarde hechtte. Als familielid kon diens uitspraak niet
onpartijdig wezen. Ook de beide anderen waren R. Jonathan
volstrekt niet genegen, wellicht uit spijt, dat hij in de gemeente van Metz meer vriendschap en vereering dan zij
verworven had. Samuel _Heilman zond een amulet, door
Schrijver van de talmudische novellen yrilm
,
239
Jonathan vroeger in Metz uitgegeven, tot onderzoek aan
Samuel Essinger rabbijn van Munster, die als een beroemd
kabbalist bekend stond. Hij koest(rde de hoop, dat ook
deze op het strookje perkament iets van verdachten inhoud
zou ontdekken. Het antwoord van Essinger is onbekend
gebleven, wel een bewijs, dat dit niet ten • ongunste van
Jonathan uitviel. Intusschen nam de verdeeldheid in de
drie gemeenten met den dag toe. De verbittering werd
steeds heviger, zoodat het zelfs in de synagoge tot handtastelijkheden kwarn, Emden, door het gemeentebestuur in
den ban gedaan, waagde het niet langer in Altona le blijven.
Hij verliet in het geheim de stad en begaf zich naar
Amsterdam tot zijn zwager R. Arje Leib. Aldaar verscheen
van hem een geschrift over het Sabbatianisme, 1) waarin
tevens gesmaald werd op geleerden uit Bohenten en Aforavie,
die hij als aanhangers dezer gevaarlijke sekte hrandmerkte.
Het waren meestal mannen van beproefde vroomheid en
edele gezindheid, maar toevallig vrienden of leerlingen van
R. Jonathan, die natuurlijk evenmin verschoond bleef.
R. Jonathan verdroeg deze beleediging met gelatenheid.
Hij sloeg volstrekt geen bitteren toon aan tegen zijn tegenstanders, maar beweerde, dat zij in de Kabbala geheel
onwetend waren en dus niet bevoegd, een oordeel uit te
spreken over de door hem uitgereikte Kameoth. Dat daarin
echter niet het minst voorkwam van Sabbatiaansche ketterij,
werd door hem onder eede betuigd. Om dit te bevestigen,
zond hij de amuletten tot onderzoek aan genoemden Samuel
Essinger en Elias Olajnow, een vriend van den Amsterdamschen opperrabbijn. Beiden, alhoewel met Emden bevriend, verklaarden eenparig, dat zij daarin niets verdachts
konden ontdekken. Tevens verscheen toen een vlugschrift 2)
van R. Jonathan, waarin hij een beroep deed op zijn
smetteloos verleden en zijne vrienden en leerlingen aanspoorde, hem in zijn gekrenkte eer te herstellen. Uit alle
oorden van Europa kwamen brieven, vol lof en waardeering
voor den grooten leeraar. Ook Chaim, rabbijn van Lublin,
trad als een warm verdediger van Jonathan op. Hij slingerde, in vereeniging met het college van rabbijnen en zijn
gemeentebestuur, den ban tegen alien, die zich verstoutten,
2, het opperhoofd Israels" door valsche aanklachten te
kwetsen. Zoo bleek R. jonathans onschuld al meer en
meer op overtuigende wijze. Zijne tegenstanders sloegen
thans een anderen weg in, om hem uit zijn rabbinaat te
verwijderen. Zij wendden zich tot den senaat van Hamburg
1
) nittrri ;rim.
2) rwp
2 40
met een aanklacht, dat hij zich door het uitreiken van
amuletten aan hekserij schuldig maakte, en dat de arme
leerlingen, die zich van heinde en ver om hem verzamelden,
der gemeente maar tot last waren. Het stedelijk bestuur,
niet onbekend met de eigenlijke bedoeling van deze aanklacht, wilde zich met dit krakeel in het geheel niet inlaten.
In hun verwachting teleurgesteld, dienden zij bij Frederik V
koning van Denemarken eene nieuwe acte van beschuldiging
in, waarin in de eerste plaats gewezen werd op onwettige
handelingen, die bij de benoeming van R. Jonathan tot
opperrabbijn hadden plaats gevonden, zoodat deze niet als
geldig kon beschouwd worden. Voorts klaagden zij hem
aan van majesteitschennis, daar hij zich titels liet geven,
waarop alleen de koning kon aanspraak maken, en eindelijk
dat hij zich met het Goddelijk Wezen gelijk stelde, daar
hij zijn .leerlingen inprentte, dat de eerbied voor den leeraar
dezelfde moet wezen als die voor God. Tot zulke bespottelijke en ongerijmde aanklachten namen de tegenstanders
in hun machteloosheid hun toevlucht. Ook Emden zat
tijdens zijn verblijf te Amsterdam niet stil. Hij richtte een
schrijven aan de synode der vier landen, waarin jonathans
voorstanders de ergste misdaden ten laste gelegd werden.
De synode te Constantinow sloeg op dit parnflet volstrekt
geen acht. In eene afzonderlijke synode van litthauen
(23 November 1751) verklaarde men zich voor Jonathan.
De voornaamste rabbinaten lieten zich in dienzelf len zin
uit. De jonge, maar toch reeds beroemde jechezkel Landau,
toen nog rabbijn te javo/ (in Podolie), trachtte door een
gemoedelijken zendbrief aan dien treurigen strijd een einde
te maken. Hij nam zoowel Emden als Eybenschuetz in
bescherming en wees er vooral op, dat door de voortduring
van dien strijd het Sabbatianisme weder nieuw voedsel
kreeg, iets, wat van beide kanten zeker niet gewenscht werd.
Intusschen kwam de aanklacht tegen Jonathan bij de
Deensche regeering in behandeling, Zij verlangde van den
opperrabbijn, dat hij haar van een der amuletten eene
duidelijke schriftelijke vertaling en verklaring in het Hoogduitsch zou doen toekomen, ten einde over den aard en
inhoud dezer geheimzinnige formulieren te kunnen oordeelen.
Daar hem dit te moeielijk viel, verklaarden zich twee
Christen-geleerden bereici, zijn taak over te nemen. Zij
traden tevens als zijne verdedigers op in hunne brochuren,
waarin zij aantoonden, dat er volstrekt geen grond was voor
de beschuldiging, dat Jonathan zich met hekserijen ophield.
Om nu ook te onderzoeken, in hoever het eerste punt der
aanklacht gegrond was, zouden op bevel der regeering alle
stemgerechtigde gemeenteleden op nieuw overgaan tot de
keuze van een opperrabbijn. Eene overgroote meerderheid
verklaarde zich voor Jonathan, die nu door den vorst
vrijgesproken en in zijn eer hersteld werd. R. Jonathan
wilde, alhoewel hij reeds voldoende gerechtvaardigd was,
voor een college van rabbijnsche autoriteiten eene verklaring
van zijne kameoth geven. Maar de drie bondgenooten van
Emden. verklaarden, wellicht uit vrees voor een nieuwe
nederlaag, dat slechts zij in staat waren, daarover te beslissen. Zoo duurde de strijd steeds voort, totdat de dood
van Arje Leib en zijn verwant Jakob fosua daaraan een
einde maakte. Emden verspreidde no wel een reeks pamfletten, maar dit hartstochtelijk geschriif maakte weinig of
geen indruk. Bovendien maakte R. Jonathan een bundel
brieven ') openbaar van geleerde mannen, die zich alien
met den meesten eerbied over den rabbijn uitlieten en met
ernst wezen op het laakbare van den strijd. 2) Met den
dood van R. Jonathan, die op 74 jarigen ouderdom overleed
(1764), verloor Israel een van zijne beroemdste mannen
uit de I8de eeuw. 3)
De geheimzinnige Kabbala, de eerste aanleiding tot den
fellen strijd tusschen Emden en .Eybenschuetz, vond in Polen
nog altijd een vruchtbaren bodem. In dit land kreeg zij,
gekleurd met een Sabbatiaansche tint, in sommige kringen
eene groote heerschappij. Reeds vroeger maakten wij
melding van den aanhang, (lien zich JUda Chasid verwierf
en wiens volgelingen den naam van Chasidim aannamen.
Deze sekte breidde zich aanmerkelijk uit, Coen aan Naar
hoofd zekere Israel (omstr. 1698-1759) kwam, die zich
voor een wonderdoener uitgaf en door zijne aanhangers
1)rn-uy
px
n-rni.
-IT
waartegen weder van Emden verscheen
- •
2) Volgens eene volksoverlevering moet de koning van
Denetnarken Eybenschuetz, tot bewijs van volkomen vrijspraak, tot den adelstand verheven hebben. Maar de rabbijn
zou den adelbrief in het vuur geworpen hebben, onder den
uitroep : »zoo veracht ik de aardsche grootheid !"
3) Under de vele werken van Eybenschuetz nemen een
belangrijke plaats in zijne verklaringen op enkele deelen
van Rambams codex, voorts op den rituaal-codex Jore-dea
('1-6Z1 TM) en choschen-mischpat (vnirn vnix) en ein•
•
delijk een bundel homilien
(Inv tnrix).
242
Israel bawl-schema ') genoernd werd. In plaats van rabbijn
nam hij den titel aan van isaddik (de deugdzame), welken
titel voortaan het opperhoofd dezer sekte voerde, Zijne
vereerders beschouwden hem als den plaatsvervanger Gods
op aarde, die dan ook vaak Hemelsche openbaringen ontving. Het blinde geloof in en de stipte gehoorzaamheid
aan alles, wat de tsaddik verkondigde, hoe ongerijmd en
vreemdsoortig deze openbaringen ook mochten luiden, beschouwden zij als hun eerste en voornaamste plicht. Na
den dood van Israel volgde hem zijn zoon Dob- Beer op,
die door zijne zonderlinge wonderverhalen zijne geloovige
schare nog meer wist te begoochelen en daardoor nog meer
aanhangers vond. Alhoewel deze Chasidim zich weer in verscheidene sekten verdeelden, bleef toch bij alien de herinnering aan Israel Bescht heilig, omtrent wien in de
chasideische geschriften allerlei wonderen medegedeeld worden,
Zoo hielden zij zich overtuigd, dat deze niet gestorven,
maar ten h€mel gevaren was, waar hij met de engelen in
zeer vriendschappelijk verkeer leefde, Zijn voorspraak vermocht dus veel bij den Goddelijken Wereldrechter. Ook
aan de kleeren en het huisraad, door hem achtergelaten,
maar in bet bijzonder aan zijn graf, schreef men eene
wonderkracht toe. Dit diende als een uitstekend behoedmiddel tegen ongelukken en bezat de kracht, allerlei zonden
te verzoenen, De chasidim volgden in hun liturgie veel
van de Sefardim, maar namen daarin ook verscheidene
liederen en psalmen op van kabbalistischen inhoud. Bij
het gebed bleef hun lichaam in voortdurende beweging en
maakten zij veel geraas en misbaar, wat moest dienen tot
opwekking van aandacht. Terwijl de chasidim naast de
Kabbala ook den Talmud als den grondslag van het Jodendom beschouwden, werd deze laatste openlijk bespot door
den stichter eener andere sekte, die intusschen gaandeweg
met het Jodendom geheel gebroken en daarin ook bijna
geen sporen achtergelaten heeft. Deze heette fazkiew, maar
gaf zich later den naam van Jakob Frank, en was afkomstig
uit Galicie. Volleerd in sluwheid en bedrog, gaf hij zich
in Turkije, waarheen hij zich als brandewijnstoker begeven
had, uit voor leeraar in de Kabbala (175o). Hij verkondigde
de leer der zielsverhuizing en rnaakte zijne geloovigen diets,
dat de ziel van den Messias, die reeds in vele profeten en
natuurlijk ook in Tsabbatai Tsewi gehuisvest geweest was,
thans in hem was gevaren. Bij zijne terugkomst in zijn
vaderland nam de schaar zijner volgelingen, die zich Fran1)
tz"tryz 1miIr.
2
43
kisten noemden, toe. Hun wetboek was de Zohar, waarvan
Frank waarschijnlijk even weinig verstond als van den
Talmud, waarmede hij den spot dreef. Evenals bij de
vroegere Sabbatianen, liet ook bij de Frankisten de zedelijkheid en kuischheid veel te wenschen over. Niet alleen de
Poolsche rabbijnen spraken over Frank den ban uit, maar
ook de burgerlijke overheid van Podolie duldde het losbandig
leven zijner volgelingen niet langer. Eindelijk werd hij,
door Joden en Christenen mistrouwd en veroordeeld, gevangen genomen. Zijn aanhangers redden zich uit hun
verlegenheid door volmondig te bekennen, dat zij het
Christelijke leerstuk der drieeenheid voor waarheid hielden.
Zij traden zelfs als aanklagers op tegen het Jodendom en
den Talmud, ten gevolge waarvan op bevel van den aartsbisschop van Lemberg duizende talmudexemplaren verbrand
werden. Intusschen trachtte Frank, nadat hij uit de gevangenis verlost was, zijn vloekwaardig werk voort te zetten
(1774). Te dien einde reisde hij, met veel praal en luister
en door een talrijk gevolg omgeven, I) door Hong arije en
Oostenrijk. Maar zijne pogingen leden thans schipbreuk.
Op zijne zwerftochten stierf hij als aanhanger van het
Christendom, dat evenwel volstrekt geen reden had, trotsch
te wezen op de aanwinst van dit karakterloos schepsel.
Zoo was het Sabbatianisme voor het Jodendom de oorzaak
van strijd en verdeeldheid, van verraad en afvalligheid
de bron van bitter en vloekaanbrengend water,
;
HOOFDSTUK XLIX.
De Joden in Nederland.
1675-1790.
Nog voor het einde van de I7d e eeuw vormde zich in
ons vaderland naast de beide Joodsche gemeenten te Amsterdam en Rotterdam eene derde te 's Gravenhage. Aldaar
moeten zich reeds in het begin dier eeuw enkele Joden
metterwoon gevestigd hebben. Hun aantal nam omstreeks
176o aanmerkelijk toe door de komst van voorname familien,
zoowel Hoogduitsche als Portugeesche, die aanvankelijk
gezamenlijke godsdienstoefeningen hielden en zich tot eene
gemeente constitueerden. De nieuwe gemeente ontving,
1 ) Ook een zoon van
Eybenschuetz, die den titel van
baron aangenomen had, moet met dezen zwendelaar in
verbinding gestaan hebben.
2 44
nadat haar eerst kerkelijk reglement door den stedelijken
magistraat goedgekeurd was, een stuk land tot begraafplaats
(1694). Met de toeneming der bevolking voorzagen zich
de Hoogduitsche Israelieten van een afzonderlijk bidlokaal
(1707), dat reeds na twee jaar te klein bleek. De Portugeesche Israelieten, die oorspronkelijk twee gemeenten
Chonen-dal en Beth. Jakob vormden en zich ook met kleine
bidlokalen tevreden moesten stellen, kregen eindelijk verlof
tot het bouwen van eene synagoge (1724). Reeds in het
volgende jaar werd de eerste steen gelegd en niet lang daarna
vond de plechtige inwijding plaats. Dit bedehuis was gebouwd
naar het model van de Portugeesche synagoge te Amsterdam,
maar op kleiner schaal, De Hoogduitsche gemeente geraakte reeds vroeger (1721) in bet bezit van eene afionderlijke
synagoge, die echter nog geheel met huizen omringd was.
Haar eerste opperrabbijn heette Salomon Lowenstam (1725-1728). In eene stad, die gedurende het stadhouderschap van
Willem 11 1. het middelpunt van de Europeesche staatkunde
was, speelden ook enkele nakomelingen der rijke marrano's
in de diplomatieke wereld een belangrijke rol en stonden
bij den stadhouder in groot aanzien. I)
Over het algemeen heerschte nog in de eerste helft der
i8de eeuw in Holland veel vooroordeel tegen de Hoogduitsche Joden, die zich onder Willem III als marskramers
over het land begonnen te verspreiden. Slechts enkele
steden (Middelburg en Amersfoort, 1721) stonden hun het
verblijf toe, maar in sommige provincien was bun dit
wettelijk ontzegd. De stedelijke overheden hielden zich ec ter
over het algemeen niet zoo streng aan deze bepaling en
stonden enkelen familien oogluikend toe, zich in haargebied
te vestigen. De wethouderschap van Haarlem vaardigde
zelfs het beslttit nit (1764), dat de Joden, die ter goeder
faam bekend stonden, zich aldaar metterwoon konden neerlaten en in alle gilden opgenomen worden. Zij maakten
van dit verlof al spoedig gebruik en reeds in het volgende
jaar mochten zij een huis koopen tot het houden van godsdienstoefeningen. Intusschen vormde de Amsterdamsche
gemeente de kern van het Nederlandsche Jodendom. De
I)
Een grooten dienst bewees o. a. den staat de rijke
Izak Lopes Suasso, die Willem
voor het uitrusten van
een vloot tegen Engeland (1688), zonder eenig bewiis, de
aanzienlijke som van twee millioen gulden leende. ilk ben
overtuigd" zoo sprak hij A dat gij mij het geld zult teruggeven, zoo gij in uwe onderneming slaagt ; zijt gij ongelukkig,
welnu, dan heb ik het aan mien vaderland geschonken."
24
5
Hoogduitsche gemeente, die onder het stadhouderschap van
Willem III in vele opzichten in de begunstiging harer
zustergemeente deelde, overtrof deze al spoedig in getalsterkte en telde omstreeks 17 2 0 reeds ongeveer 9000 zielen.
Door hare voortdurende uitbreiding zag zij zich in 173o
genoodzaakt tot de stichting van de zesde (nieuwe) synagoge,
die twintig jaar later vergroot en van den grond op vernieuwd werd. In dien tijd ging men ook over tot de
herziening en uitbreiding van het kerkreglement, waaraan,
op verzoek. van parnassijns, de burgemeesteren hunne goedkeuring hechtten (1737). Volgens dit reglement was het
administratieve beheer toevertrouwd aan een college van
zes parnassijns, wien voor elk van de verschillende takken
van weldadigheid twee bijzitters ter zijde stonden. Het
geestelijk beheer stond onder leiding en toezicht van
een opperrabbijn en rabbijnen (assessoren). Evenals in
de meeste West Europeesche gemeenten, waren ook de
A msterdamsche opperrabbijnen bijna alien van Poolsche
afkomst. 2) Enkelen hunner hebben talmudische geschriften
nagelaten en verwierven Europeesche vermaardheid wegens
hunne talmudische geleerdheid. De opperrabbijn Argiuda
stichtte (1708) een college onder den naam Saiidathbackurim3) (steun der jongelingen), om jongelingen in TalNa de Groote synagoge verrees de tweede in 1677
de derde in 168o ; op de plaats van het oude Poolsche
bedehuis de Uilenburger- in 1722, terwijl vier jaar later
door het doodgraverscollege v-1or1rr64n; de vijfde synagoge
•T
gesticht werd.,
2) Wij laten bier de namen volgen van de Amsterdamsche
opperrabbijnen na
Izak Dekingen (zie bl. 204).
Meir Stern (1677-168o).
David Lida (1680-1685).
Mozes Juda ( 0685-1707) meer bekend onder den naam
van Leib Cliarif.
Arje Juda Kalisch (17o8
7 I o).
Chaeham Tsewi (1710-1714).
Levie Sail Lowenstam (174o-1755) meer bekend onder
den naam van Arje Leib. Zijn zoon
Safi/ Lawenstam ( 1755-1790). Zjill. zoon
Jakob Mozes (1790-1815). Zijn schoonzoon
Samuel Berenstein (I815 — '839).
Jozef Hirsch Diinner (sands 1874).
3) 04-nrin :rpm
MoN. Gesell. III, 17
246
mud en Casuistiek te onderrichten en als theologen op te
leiden, Dit college en de daaraan verbonden stichting
begonnen se kwijnen, toen na het vertrek van Chatham
Tsewi het opperrabbinaat langen tijd onbezet bleef. Saadathbachurim begon te herleven onder R. ArjE Leib, die haar
aan de door hem gestichte (1749) leerschool (beth-hamidrasch
.Ets-Chaim) verbond. Ook het kort te voren (1738) opgerichte college tot verzorging en opvoeding van weezen
(Megadle Jethomim) vond in dezen opperrabbijn veel steun.
Daar de Joden vo]gens een besluit van den Amsterdamschen
magistraat (29 Maart 1632) van alle D poortsneringe" (d. z.
beroepen, die tot de gildenvereenigingen behoorden) uitgesloten waren, ') zochten zij aanvankelijk hun middel van
bestaan in den kleinhandel, en vooral in den handel in huisraad, goud- en zilverwerk, oude en nieuwe kleeren enz.
Evenals de Portugeesche Israelieten, begonnen ook enkele
Hoogduitschen den handel in edelgesteente en voornamelijk
in diamant. Daardoor werd de diamant-industrie gaandeweg
een voorname tak van nijverheid voor het Amsterdamsche
Jodendorn, zooals zij tot nu toe gebleven is. Ofschoon de
Joden van het academisch onderwijs niet uitgesloten waren,
namen zij, op enkele uitzonderingen na, in de 18de eeuw
daaraan geen deel.
De Nederlandsche Israelieten legden steeds eene innige
gehechtheid aan den dag' voor het huis van Oran/ e en
bleven nimmer in gebreke, hun dankbaarheid te toonen
voor de vele weldaden, die dit roemrijk geslacht hun van
den beginne af bewezen had. 2) Zij deelden in de vreugde
en in het leed van de stadhouders uit het doorluchtige
Oranje-geslacht. In de staatkundige partijschappen, waardoor
ons land tegen het einde van de 18de eeuw geteisterd werd,
bleven zij op de zijde van den stadhouder Willem V en
droegen roem op den naam van Oranjeklanten. Met vreugde
begroetten zij de uitvaardiging van de nieuwe constitutie
(1787). De afgevaardigden van de beide Joodsche gemeenten te Amsterdam legden voor den burgemeester de
plechtige verklaring af, dat deze bereid waren haar in
stand te houden. Maar het stadhouderschap nam kort
Daaronder waren echter niet begrepen neringen en
beroepen, waaraan zekere godsdienstige verplichtingen verbonden waren, als, het slagersvak, de handel in geslacht
vee en gevogelte enz.
) Evenals onder Willem III hielp een rijke Portugeesche
lsraeliet ook Willem IV door een aanzienlijk voorschot
uit eene geldverlegenheid.
2
2 47
daarna een einde en de Fransche soldaten drongen in het
hart der Vereenigde Provincin door.
HOOFDSTUK L.
De Joodsche wetenschap in Christelijke kringen.
Door den invloed van het Humanisme en de daaruit
ontstane kerkhervorming begon de Hebreeuwsche studie
ook in niet-Joodsche kringen ingang te vinden. De Grieksche
en Israelietische oudheid trad uit hare schuilplaats te voorschijn en de kennis van den Bijbel hield men voor even gewichtig als ; zoo niet belangrijker dan die van de Homerische
gezangen en de Platonische geschrifien. Aanvankelijk stond
de kennis van de Bijbelsche en Joodsche wetenschap in
het algemeen ten bate van de Christelijke godgeleerdheid,
maar maakte zich gaandeweg van de kerkelijke banden los,
toen de Hebreeuwsche taalstudie eene plaats vond onder
het hooger onderwijs. Het was vooral de geleerde familie
13uxtorf, die door de vervaardiging van een Hebreeuwsch en
Chaldeeuwsch woordenboek (concordans), door massoretische
studien en Latijnsche vertalingen de beoefening van de
Hebreeuwsche en rabbijnsche literatuur voor Christenen
gemakkelijker maakte. Haar arbeid vond een vruchtbaren
bodem, svooral in de Nederlandsche provincien. Daar werd
reeds in de 1 7 de eeuw, hoofdzakelijk door den invloed van
den grooten Jozef Scaliger, eenige kennis van het Hebreeuwsch
verplichtend gesteld voor de Protestantsche godgeleerden.
Enkelen hunner brachten bet daarin tot eene aanzienlijke
hoogte. Niet alleen mannen, maar ook enkele geletterde
vrouwen legden zich met veel liefde op de Joodsche
studie toe. Zoo verwierf zich Willem Surenhuis in Amsterdam groote vermaardheid door zijne Latijnsche vertaling
van de Mischna met de beide verklaringen van Maimuni
en Obadja da Bertinoro (1698), waarbij hij een veelvuldig
gebruik maakte van den arbeid van Jaritib Abendana (zie
bl. 2 1 2). Surenhuis was niet alleen een kenner, maar ook
een warm vereerder van de rabbijnsche literatuur. In de
inleiding van zijn werk schrijft hij )dat de mondelijke wet,
neergelegd in de Mischna, in waarde en beteekenis niet
lager staat dan de schriftelijke, en dat derhalve de Christelijke theologen deze evengoed moeten kennen als den
Bijbel, willen zij het Jodendom naar waarheid begrijpen."
Ook Jakob .Leusa'en maakte veel werk van Bijbelexegese en
Hebreeuwsche grammatica (1699). Hij vertaalde zelfs enkele
deelen van Redaks commentaar in het Latijn. In Engeland
-
MoN. Gesch. III, 17*
248
maakte men kennis met de rabbijnsche letterkunde door
vde Hebreeuwsche en Talmudische uren" van Johan _Lightfoot (1675). Ook Joodsche kronieken, geschiedverhalen en
reisbeschrijvingen werden door vertalingen voor velen toegankelijk gemaakt. Zelfs de Kabbala vond een vlijtigen
beoefenaar in Christiaan Knorr van Rosenroth, die in den
Zohar nog wel Christelijke leerstellingen meende te ontdekken. i) De liefde voor de Joodsche wetenschap ging
in sommige kringen tot eene dweepzieke vereering over,
zoodat men klaagde, dat vele geleerde Christenen te veel
tijd aan de Hebreeuwsche studie wijdden.
De beoefening van de Joodsche letterkunde ging echter
bij sommigen met zeer onedele bedoelingen gepaard, en
wel, om daardoor de geschikte wapenen te vinden ter bestrijding van de Joden. Met dit lage oogmerk waren drie
Duitsche geleerden ongeveer gelijktijdig werkzaam. De
eerste, Johan Wulfer uit Neurenberg, zocht in de Joodsche
gebedenboeken, zoowel gedrukte als niet-gedrukte, de plaatsen
op te sporen, waarin het Christendom bespot werd. 2) Nog
meer moeite besteedde de tweed; Johan Wagenseil professor te Altorf, aan het verzamelen van Joodsche geschriften, waarin het Jodendom tegen de aanvallen van het
Christendom verdedigd werd, om daaruit alle kwetsende
uitdrukkingen op te sporen, die zich de een of andere
schrijver tegen het Christendom had laten ontvallen. Deze
vertaalde hij in het Latijn en vereenigde ze in een ,werk,
door hem onder den venijnigen titel van des duivels
vurige pijlen" in het licht gegeven (1681). Met nog rneer
woede en verbittering dan deze beiden trad Johan Eisenmenger professor in de Oostersche talen te Heidelberg op.
De wijdloopige titel van zijn uit twee folianten bestaand
werk (17oo) verraadt reeds, wat hij in het schild voerde.
I) Leibnitz, de beroemde Duitsche philosoof uit de i8de
eeuw, stelde veel belang in Rosenroths kabbalistische studien.
Dit is des te opmerkelijker, omdat deze veel aandacht ook
aan Maimuni' s More geschonken heeft, die voor hem in
eene Latijnsche vertaling toegankelijk was,
2 ) Vele plaatsen trof hij natuurlijk niet aan. Hij beriep
zich hoofdzakelijk op eene uitdrukking, die in sommige
uitgaven van het Alenu-gebed voorkomt, luidende : mrt
Inr6 nrintin (de heidenen buigen zich voor ijdelheid
•T
•
•
en nietigheid), waarvan het laatste woord toevallig dezelfde
getallenwaarde heeft als
2 49
Deze luidt : ' ontdekt Jodendom of een grondig en nauwkeurig bericht op welk eene ontzettende wijze de verstokte
Joden de heilige drieeenheid beschimpen, de heilige moedermaagd versmaden, met het nieuwe testament, de evangelisten
en apostelen den spot drijven en bet geheele Christendom
versmaden. Voorts veel, wat nog in het geheel niet of
slechts gedeeltelijk bekend is omtrent de dwaasheden en
de grove dwalingen van den godsdienst en de theologie
der Joden. Alles bewezen uit hun eigen geschriften en ter
kennis van alle Christenen gebracht." Dit omvangrijke boek,
bestemd om de geheele Christelijke wereld tegen de Joden
in vuur en vlam te brengen en de middeleeuwsche tooneelen
van Jodenvervolging en Jodenslachting weer in het leven
te roepen, bestaat uit eene samenflansing van alle valsche
beschuldigingen en verzinselen, in de middeleeuwen door
gewetenlooze lasteraars tegen de Joodsche natie uitgedacht.
Het moest dienen, om de verstoktheid der Joden en de
gevaarlijke leerstellingen van hun geloof door historische
bewijsstukken — door Wagenseil reeds 2. schromelijke onwaarheden" genoemd openbaar te maken. Door tusschenkomst van den hofbankier Samuel Oppenheimer wezen de
Joden van Frankfort a/M, waar Eisenmengers werk gedrukt
werd, keizer .Leopold I op de treurige gevolgen, die de
verschijning daarvan voor hen in het bijzonder en hun
geloofsgenooten in het algemeen kon hebben. De keizer
verbood nu de verspreiding van dit gevaarlijk boek en liet
op de 2000 reeds gedrukte exemplaren beslag leggen..
Eisenmenger was daardoor bitter teleurgesteld, te meer, daar
hij -al zijn vermogen aan het drukken van dit werk ten
koste had gelegd. De karakterlooze man deed nu den
Joden het voorstel, dat hij voor eene schadevergoeding van
30.000 daalders alle exemplaren zou vernietigen. Maar toen
dit geld niet bij elkaar kwam, stierf hij van spijt en wrok.
Alhoewel verscheiden jaren later (I 7 I) een tweede oplaag
van Eisenmerigers verderfelijk bock in Koningsbergen verscheen, bleven keizer Leopold en zijn opvolger jozef I
zich krachtig verzetten tegen diens verspreiding in hunne
landen.
Intusschen begon toch door de beoefening van /srae/s
letterkunde en de meerdere bekendheid met diens grootsch
verleden menig onpartijdig onderzoeker hoogachting te gevoelen voor eene natie, die aan een duizendjarig lijden
krachtigen weerstand geboden had ; eerbied te koesteren
voor een yolk, dat nog teekenen van een gezond en krachtig
leven verto9nde, niettegenstaande alle pogingen, door kerkelijke en wereldlijke vorsten aangewend, om het stoffelijk
en zedelijk te vernietigen. Dit was het geval met den
250
Katholieken priester Richard Simon te Parijs. Na eene
langdurige en nauwgezette beoefening van de Bijbelsche
letterkunde trad hij in zijne z critische geschiedenis van het
nude testament" (1678) te velde tegen de willekeur, waarmede de Protestantsche geestelijken in het verklaren van
den Bijbel te werk gingen. Ook weerlegde hij de aanvallen
van Spinoza op de autoriteit van den Bijbel. Het Jodendom had in zijne oogen eene zeer groote beteekenis, reeds
daarom, omdat het Christendom daaruit ontstaan was. Zelfs
ud nam hij in bescher ming tegen de spotternijen
den Talm
van een gedoopten Jood Christian Gerson. Al beschouwde
ook_ pater Simon vele verschijnselen en toestanden in het
Jodendom van een Christelijk gezichtspunt, toch valt het
niet te ontkennen, dat zijn geschriften een warm pleidooi
behelzen voor de Joden en hun geloof. Nog meer dank
wellicht is het Jodendom verschuldigd aan den Protestantschen
geestelijke Jakob Basnage, die in het Fransch beschreef de
geschiedenis der Joden van het ontstaan des Christendoms
tot op zijn tijd (uitgegeven 1707-1710 en dus eene voortzetting leverde van het beroemde geschiedwerk van Flavius
Josephus. Basnage, die bij de verdrijving der Hugenoten
zijn vaderland had moeten verlaten, was daardoor meer
dan anderen in staat, de zedelijke kracht te waardeeren van
Israel, dat aan voortdurende vervolgingen en verbanningen
ten prooi gegeven was. Een diepere blik in het verleden
van dit wonderbare yolk doet hem in de inleiding zijner
historie uitroepen : z volkeren en koningen, heidenen, Christenen en Mohammedanen, in vele opzichten van elkaar
gescheiden, hadden zich tot een doel vereenigd, en wel :
om dit yolk uit te roeien. Dit is hun echter niet gelukt.
Evenals Mozes' doornbosch, van alle kanten door vlammen
omringd, brandde zonder te verteren, zoo kon ook deze
natie niet door het brandend vuur vernield worden. Men
heeft de Joden uit alle steden verjaagd, waarvan evenwel
het gevolg was, dat zij zich over alle steden verbreidden.
Zij bestaan nog, terwijl van de grootste en machtigste rijken
der oudheid niets anders dan hun namen overgebleven zijn."
Een dusdanig boek nu was wel geschikt om belangstelling
te wekken voor het Joodsche yolk, waartegen nog in de
meeste Europeesche staten veel vooroordeel heerschte, zelfs
nog in het midden der I8de eeuw, toen een geheele omwenteling in de beschouwingen van het menschdom ook
in de bestaande staatsregelingen diep ingrijpende veranderingen voorspelde. Nog altijd Jeefden de Joden, ingesloten
in enge en bedompte ghetto's, als het ware buiten de maatschappij, Hun geheele wezen vertoonde dan ook de
sporen eener langdurige verguizing en vernedering, On-
25I
willekeurig waren zij aan hun treurig lot gewend geraakt.
Het was hun allengs tot een tweede natuur geworden,
Zij merkten bijna zelf niet meer de ontaarding en verwildering, die zich vertoonden in hun eigen boezem, als :
het gemis aan alle uiterlijke beschaving, het spreken van
een wanstaltig jargon, een tal onhebbelijkheden in handel
en wandel, gebrek aan algemeene ontwikkeling enz. Er
moesteri dus hervormingen komen, wilden de ghetto's
omvergehaald, de hooge scheidsmuren, opgetrokken door
vooroordeel en fanatisme, afgebroken worden. Dit kon
echter niet geschieden door de geschriften van Christelijke
geleerden, die bovendien, hoe vol bewondering ook voor
het onvergankelijk Jodendom, zich toch niet geheel konden
bevrijden van de banden der kerk. Neen, de treurige toestanden, geboren uit het ghetto-leven, konden slechts verdwijnen door de emancipatie; door Israel te bevrijden van
de boeien zijner slavernij. Maar daarenboven ook door den
arbeid van mannen, die, behalve door eene grondige kennis
van het Jodendom, ook door hunne wetenschappelijke vorming den juisten weg konden vinden tot eene geleidelijke vereeniging van godsdienst en beschaving. Het Jodendom had
dus behoefte aan mannen, die, zonder te verloochenen den
stam, waaruit zij geboren waren, en de bron, waaruit zij
geput hadden, hun broeders geschikt konden maken voor
de groote maatschappij. De baanbreker van deze nieuwe
richting was een man, wiens naam in de gedenkrollen der
menschheid, mar vooral in die van ons yolk, eene eereplaats
inneemt, omdat het zijn ernstige wil en heilige bedoeling
geweest is, Israel te beschaven, te veredelen en te hervormen
in den edelen zin des woords.
HOOFDSTUK LI.
Mozes Mendelssohn.
Mozes Mendelssohn, de man, door ons in het vorige
hoofdstuk bedoeld, werd te Dessau geboren in hetzelfde
jaar (6 September 1729), waarin ook zijn latere vriend
.Lessingr, de beroemdste Duitsche humanist uit de i 8de eeuw,
het levenslicht aanschouwde. Hij was de zoon van een
armen wetschrijver Mendel (Menachern), die hem met de
gronden van den godsdienst en de beginselen van de
Hebreeuwsche taal bekend maakte. Veel kon hij hem niet
leeren en bovendien ontbrak het den armen man aan middelen, om zijn kind, dat veel aanleg toonde, eene behoorlijke
leiding te laten genieten. De jonge knaap mocht zich wegens
zijn vernuft en leergierigheid verheugen in de gunst van
25 2
den rabbijn David Frankel, die hem onderricht gaf in den
Talmud en in de studie van de Joodsch-wijsgeerige geschriften inwijdde. Hoewel de kinderjaren nog niet ontwassen,
gevoelde hij zich bijzonder aangetrokken tot het beroemde
philosophisch werk van Maimonia'es, dat in hem de eerste
kiemen legde van dat hooger wijsgeerig gevoel. waardoor
hij zich later zoozeer gekenschetst en beroemd gemaakt
heeft. Hij verdiepte er zich in, zelfs ten koste van zijne
gezondheid. Deze Maimoni des" placht hij vaak schertsenderwijze te zeggen z draagt de schuld van mijn misvormd
lichaam, maar toch heb ik hem innig lief. Hij immers
heeft mij zoo menigmaal mijn bittere armoede en gebrek
doen vergeten en daardoor tienvoudig vergoed, wat hij mij
aan mijn lichaarnsbouw benadeeld heeft." Mendelssohn had
zich namelijk door zijne onafgebroken studie en buitengewone
inspanning eene zware zenuwziekte op den hals gehaald,
waarvan eene ruggegraats-verkromming het gevolg was.
Met innig leedwezen zag de weetgierige knaap zijn meester
naar Berlin vertrekken, waar deze tot opperrabbijn benoemd was. Zijn onleschbare dorst naar wetenschap bewoog
hem al spoedig, het ouderlijk huis te verlaten en zijn geliefden leeraar te volgen. Nauwelijks 14 jaar oud begaf
hij zich, zonder eenige middelen, naar de hoofdstad der
Duitsche beschaving, waar hij vrienden noch bekenden had,
en zich dus tot niemand anders dan tot zijn rabbie wist te
wenden. Deze, getroffen door dit bewijs van heilige liefde
voor de wetenschap, nam den armen knaap welwillend op
en beval hem in de gunst van een gegoeden lettervriend,
die hem het verblijf in zijn huis toestond en ook nu en
dan aan zijn tafel noodigde, Op Sabbath en feestdagen
was hij de dischgenoot van den rabbijn, bij wien hij bovendien ook geestehjk voedsel genoot. De bescheiden en bedeesde jongeling leed evenwel bittere armoede, kommer en
gebrek. Menigen nacht legde hij zich met een hongerige
maag te ruste meer dan eens leefde hij een ganschen dag
van een schamele bete broods. Maar deze ontberingen
droeg hij geduldig, reeds overgelukkig, eene plaats gevonden
te hebben, waar hij zijn dorst naar wetenschap kon lesschen.
0 vertuigd van de noodzakelijkheid, om zich vO6r alles,,
zoowel in woord als schrift in zijne moedertaal goed en
beschaafd te kunnen uitdrukken, legde hij zich toe op de
Hoogduitsche taal en letteren. Ook kwam hij in kennis
met een Pool Israel Zamosk, die hem onderricht gaf in de
wiskunde, Een jonge Joodsche geneesheer Kisch verklaarde
zich bereid, hem de Latijnsche taal te leeren. Door dezen
knoopte hij weder vriendschap aan met een anderen geneesheer Aron Gumpertz, aan wien hij de kennis van de
2
53
moderne talen te danken had. Mendelssohn kwam ook
met andere geletterde mannen in aanraking, en vooral met
de leeraren van het Joachimstalsch gymnasium. Door zijn
vluggen geest, gepaard met ijzeren vlijt en zeldzame
volharding, vormde hij zich tot een veelzijdig ontwikkeld
geleerde. De wijsbegeerte was hem echter boven alles lief.
Het zuiver wijsgeerig (lenken vormde den grondslag van
zijn wetenschappelijk streven. Mendelssohn was geen vreemdeling meer in de Duitsche hoofdstad, Hij kreeg vrienden,
vereerders, begunstigers. Onder dezen behoorde Bernhard
Zilis, een rijke zijdenfabrikant, bij wien hij als gouverneur
zijner kinderen in huis kwam (175o). Thans kon hij zich,
bevrijd van de nijpende zorgen voor zijn dagelijksch onderhoud, met verdubbelden ijver aan (le wetenschap wijden.
Bernhard nam Mendelssohn, die zich ook in het boekhouden
bekwaamd had, in zijne zaak, waarin hij na eenigen tijd
deelgenoot word.
Het was Mendelssohn intusschen niet voldoende, dat hij
zich zelf gelukkig gevoelde door van de heerlijke vruchten
op het veld der wetenschap te kunnen plukken; ook zijne
broeders wilde hij verlossen van het juk eener duizendjarige
slavernij. Ook zij moesten, bevrijd van duisternis en barbaarschheid. de rechten van den mensch verkrijgen. Hun
ellendige toestand was, naar zijne overtuiging, te wijten
eensdeels aa.n het lage peil van hunne beschaving, anderdeels
aan vooroordeel en godsdiensthaat. Het . eerste euvel nu
kon alleen verbeterd worden door beschavend en veredelend
onderricht, het laatste door andersgeloovigen te overtuigen
van de verhevenheid des jodendoms. Hij wilde verbetering
brengen in het onderwijs der Israelietische jeugd, dat bijna
overal toevertrouwd was aan Poolsche talmudisten, die echter
doorgaans elken paedagogischen takt misten en van beschaafde vormen een zeer ftauw begrip hadden. VOOr alles
moest zoowel op de school als daarbuiten een betere taal
ingevoerd worden, als de eerste grondslag van beschaving
en verbroedering. ') Maar in dit edel streven had hij te
kampen met allerlei vooroordeel en verdachtmakerij, zoodat
hij zijne pogingen, zoo al niet geheel opgaf, dan toch aanvankelijk liet rusten. Bovendien opende zijn kennismaking
met mannen als Nikolai, Jakobi, Thomas Abi, Lessing e. a.
voor hem weder nieuwe gezichtskringen, waaraan hij al
zijn aandacht en onderzoekingsgeest schonk. Vooral met
I) Reeds vroeger had hij in een Hebreeuwsch tijdschrift
dat maar van korten duur geweest is, eenige
1010
lv
stukken doen plaatsen over opvoeding, zedenkunde enz,
2
54
den laatstgenoemde, Goithold Ephraim Lessing, die zich
door zijn geleerdheid en critischen geest grooten roem
verworven en reeds door enkele geschriften getoond had,
in welk eene hooge mate hij de beginselen van menschlievendheid en verdraagzaamheid huldigde, was Mendelssohn
door de nauwste banden eener oprechte vriendschap verbonden. Hun gemeenschappelijk streven naar veredeling
van den geest en bevordering van beschaving alsook hun
overeenkomst van aard en karakter kweekten die merkwaardige vriendschap, die voor hun beider verdere ontwikkeling van groot belang was en tot hun dood bleef
voortbestaan. Lessing bezat een critischen geest, veel
scheppingskracht en bovendien de gave, zijne denkbeelden
klaar, duidelijk en in gelouterde taal terug te geven. Hij
deelde van zijne rijke geestesgaven veel mede aan zijn
Joodschen vriend, door wiens omgang hij weder op zijn
beurt veel won aan degelijkheid en nauwkeurigheid in het
denken. Nam Lessing in roem toe door zijne uitstekende
pennevruchten, niet minder Mendelssohn, wiens eerste philosofisch geschrift 3, over de gewaarwordingen" op Lessing
zulk een diepen indruk maakte, dat hij het buiten weten
van den schrijver liet drukken (1755). Net ligt niet op
onzen weg, Mendelssohn te schetsen als een van de scheppers
van een zuiver Duitschen wetenschappelijken stijl, maar toch
mogen wij niet onvermeld laten, dat hij al spoedig onder
de voornaamste medewerkers behoorde van tijdschriften
over aesthetica en Duitsche literatuur. Zijn bondige, maar
sierlijke stijl vereenigt Westersche nauwkeurigheid met
Oosterschen gloed. Al heeft hij ook over het algemeen
op het gebied der wijsbegeerte niets oorspronkelijks geleverd,
toch lag in de wijze, waarop hij zijne wijsgeerige bespiegelingen ontwikkelde, iets nieuws, iets zelfstandigs. Deze was
volkomen geschikt om te boeien niet alleen, maar ook om te
overtuigen en te bezielen. De koning van Pruisen, alhQewel
meer bewonderaar van de nieuwere Fransche dan van de
Duitsche literatuur, erkende Mendelssohns verdienste als
letterkundige door hem de rechten van ) beschermjood" te
verleenen. Deze zeldzame onderscheiding viel hem ten
deel in hetzelfde jaar (1763), waarin zijne beantwoording van
eene prijsvraag, uitgeschreven door de Berlijnsche academie, 2
met den eersten prijs bekroond werd. Desniettemin kon
)
I)
Deze verzekerden hem het ongestoord verblijf in
Duitschland,
2 ) Deze luidde : D of er voor de bovennatuurkundige
waarheden, evenals voor de wiskundige, onwederlegbare
bewijzen voorhanden zijn."
2
55
de vorst het niet van zich verkrijgen, den Joodschen denker
tot lid te benoemen van de academie van wetenschappen
te Berlijn, toen door het vertrek van Lessing en Abt in
dit geleerd college twee zetels opengevallen waren. Maar
Mendelsfohn troostte zich over deze beleediging door de
overtuiging, dat niets anders dan zijne Joodsche afkomst
de schuld was, dat de vorst hem Van de candidatenlijst
geschrapt had. ›) De weigering," zoo liet hij zich uit z zou
mij dan innig spijten, als de academie zelve mij niet had
willen aannemen." Intusschen nam Mendelssohns roem
voortdurend toe, al mocht hij ook niet in priestergewaad
in den tempel der wetenschap verschijnen. Een onvergankelijk monument richtte hij zich op door zijn Phaedon
of over de onsterfelijkheid der ziel" (1767). Diep geschokt
door den dood van zijn vriend Abt, die in den bloei des
levens stierf, alsook door het verlies van twee zijner jeugdige
telgen
Mena'elssohn was in 1762 in het huwelijk getreden — zocht hij troost in het lezen van Plato's Phaedon,
welk werk op hen' zulk een diepen indruk maakte, dat hij
het, bier en daar omgewerkt, in sierlijk Duitsch vertolkte.
Door dit geschrift trachtte hij ook de materialistische denkbeelden te bestrijden van de Fransche schrijvers der I8de
eeuw (Voltaire, Diderot e. a.), die het bestaan van God,
de onsterfelijkheid der ziel, de toekomstige vergelding,
kortom alle geloofspunten, zonder welke geene zedelijke
en godsdienstige verheffing denkbaar is, stoutweg ontkenden.
In eenvoudige, maar aangrijpende trekken schildert hij in
de inleiding van zijn Phaedon" het karakter en het leven
van Socrates, een leven geheel gewijd aan het zoeken der
hoogste zedelijke waarheid, om daarna de bewijzen te ontwikkelen voor de onvergankelijkheid der ziel. Dit werk
heeft den schrijver onsterfelijk gemaakt. Zoowel geleerden
als leeken, geestelijken en vorsten lazen en herlazen het,
want zij vonden daarin zooveel schoons en verhevens.
Geen wonder, dat de naam van den Joodschen wijze, van
den 2. Duitschen Plato," zooals men hem noemde, op bijna
ieders lippen zweefde en vele geleerden, die Berlin bezochten, niet verzuimden, met hem kennis te maken.
Onder deze nu behoorde ook een geestelijke uit Zurich,
geheeten Johan Lavater, vooral bekend wegens zijne onderzoekingen over de gelaatkunde. Vol bewondering voor den
Joodschen geleerde, met wien hij zich geruimen tijd over
verschillende wetenschappelijke onderwerpen onderhield,
kwam hij in den loop van het gesprek op een denkbeeld,
dat hij bij zijn terugkeer in Zurich hoopte te verwezenlijken.
Lavater hield zich toen namelijk juist bezig met het in het
Duitsch vertalen van Bonnets onderzoek naar de bewijzen
256
van het Christendom," in welk werk de Fransche schrijver
het Christelijk geloof op wijsgeerige gronden trachtte te
ontvouwen. Lavater droeg nu deze vertaling op aan Mendelssohn, met het verzoek, de bewijsgronden te onderzoeken
en, zoo ze hem onjuist voorkwamen, te weerleggen, of
anders te handelen, zooals waarheidsliefde en rechtsgevoel
hem geboden. De geestelijke koesterde de stille hoop,
zoodoende den beroemden Jood voor zijn geloof te winnen.
En dit zou eene schitterende overwinning wezen voor de
Christtlijke kerk, eene overwinning, grooter dan ooit behaald
was door den gewelddadigen doop van duizenden belijders
van het Jodendom. Mendelssohn gevoelde zich door dit
vleiend schrijven (1769), waarvan hij de bedoeling geheel
doorgrondde, in groote verlegenheid gebracht. Hij wilde
zijne medeburgers niet kwetsen door openlijk zijne zienswijzen omtrent het Christendom bloot te leggen, maar
achtte het eveneens ongeraden en onhoffelijk, dit schrijven
onbeantwoord te laten. In een uitvoerig betoog gaf hij nu
Lavater te kennen, dat hij, alhoewel geheel doordrongen
van de waarheden zijns geloofs, ook die van andere godsdiensten eerbiedigde, zonder ze ooit als de zijne aan te
nemen. De deugdzame mensch kan, welke leer hij ook
erkenne en welk geloof hij ook belijde, nimmer verdoernd
worden. Zoo verijdelde Mendelssohn door zijn kalm, waardig
en taktvol antwoord eene poging, die hem evenwel veel
teleurstelling berokkende en waarover ook Lavater zelf, zoo
wij khans aan zijne verzekering geloof mogen schenken,
veel berouw gevoelde. Mendelssohns vrienden zwaaiden
hem veel lof toe over de wijze, waarop hij den geestelijke
van Zurich de les gelezen had, en zijne vijanden — want
ook aan vijanden ontbrak het den bescheiden en vredelievenden geleerde niet — stonden geheel verbluft. Lessing,
die na zijn vertrek uit Berlin zijn Joodschen vriend volstrekt
niet vergeten had, wenschte hem geluk met dezen triumf en
vlocht hem een onverwelkbaren lauwerkrans door zijn beroemd drama ) Nathan de Wijze," waarin hij in het edet
en grootsch karakter van Nathan dat van Mendelssohn
teekende.
Droeg Mendelssohns optreden er veel toe bij, dat men
in vele kringen geheel anders over het Jodendom begon
te denken ; dat miskenning van en valsche meeningen over
de Israelieten zooal niet ophielden, dan toch verminderden,
toch was hij met deze overwinning nog volstrekt niet
tevreden. Nog altijd aanschouwde hij met innig leedwezen,
dat het zijnen broeders aan de eerste en noodzakelijkste voorwaarden ontbrak, om met waardigheid naar buiten te kunnen
optreden. Er heerschte in hun eigen midden verwaarloozing,
2
57
ten gevolge van gemis aan ontwikkeling en beschaving.
De studie der Hebreeuwsche taal, zoo hoog noodzakelijk
voor het juiste begrip van den natuurlijken en eenvoudigen
zin van het Bijbelwoord, werd door hen geheel verwaarloosd.
Van zelf kon daardoor ook van gevoel voor de Bijbelsche
poezie of van nuchtere en gezon& Bijbelexegese geen
sprake wezen, Het Bijbelwoord werd dienstbaar gemaakt
aan allerlei aggadische verklaringen, die, hoe schoon en
zinrijk ook, geene vertaling konden genoemd worden. En
juist aan eene goede Duitsche Bijbelvertaling, die, zonder
te kort te doen aan de tradition des Jodendoms, het Goddelijk
woord volgens zijne gezonde en natuurlijke opvatting vertolkte, had men zoowel op de Joodsche school als in het
gezin groote behoefte. Mendelssohn nu gevoelde deze behoefte in de hoogste mate. Toen zijne kinderen den leeftijd
bereikt hadden, waarin zij in de Tora onderricht zouden
worden, very aardigde hij ten behoeve van hen eene vertaling
van den Pentateuch, om hen daardoor bekend te maken
met de juiste betcekenis van het Bijbelwoord en tevens in
den geest van de gewijde taal, hare redefiguren en poezie
in te wijden, Op aandringen van Salomo Dubno, die
iVierdelssohns oudsten zoon jozef onderricht gaf in de
Hebreeuwsche taal en met deze vertaling kennis maakte,
besloot Mendelssohn haar ten dienste van de jeugd door
den druk openbaar te maken. Dubno verklaarde zich op
Mendelssohns verzoek bereid, de correctie op zich te
nemen en de vertaling te voorzien van eene Hebreeuwsche
verklaring (Biur), waarin de zienswijzen van de voornaamste
Joodsche commentaren (ibn Ezra, Raschie, Raschbam en
Nachmani) besproken en rekenschap van de vertaling gegeven
moest worden, zoo deze van de opvatting der genoemde
commentaren afweek. In 1778 verscheen de eerste aflevering
als proeve van bewerking. Om liet werk voor alle Joodsche
kringen toegankelijk te maken, werd het Hoogduitsch met
Hebreeuwsche karakters gedrukt, Wat Mendelssohn voorzien
had, vond werkelijk plaats. Het proefnommer maakte een
pijnlijken indruk op hen, die meenden dat het oude Jodendom
door een dusdanig werk geheel vernietigd, de talmudstudie
gansch ondermijnd en een geest van afval en vrijzinnigheid
onder het jonge geslacht gekweekt zou worden. De vertaling van Mozes Dessau ondervond dan ook veel tegenstand niet alleen bij hen, die zich uit onwetendheid verzetten
tegen alles, wat nieuw en vreemd is, maar ook bij rabbijnen
van groote talmudische geleerdheid, als : fechezkel Landau
(zie bl. 240) van Praas-,i) Raphael Cohen van de drie
I)
Schrijver van de beroemde n"V-verzameling r11143 71M
25g
gemeenten A., H. en W. en zijn schoonzoon Hirsch fanow
(Hirsch Charif) van Furth. Het groote verschil en de
breede afstand in geestesrichting tusschen den schrijver van
Phaedon en van andere wijsgeerige geschriften en de genoemde
rabbijnen, die zich uitsluitend in de talmudische wereld
bewogen, maakt dezen tegenstand zeer begrijpelijk, ja bijna
natuurlijk. Maar even begrijpelijk is het ook, dat de
tijdgeest zijn rechten eischt en niet door banbliksems
machteloos kan gemaakt worden. De tegenstanders zagen
zich teleurgesteld in hnn poging, om het werk te doen
mislukken. Toen Dubno in het midden zijn arbeid staakte, ')
vond Mendelssohn veel steun in zijn geestverwant Naftali
Wessely, die een keurigen en degelijken Biur van het derde
boek Mozes' bewerkte, terwijl Aron farislaw het vierde en
Hertz Bombers - het vijfde boek van een commentaar voorzag. Zoo verscheen dan het volledig werk in het licht
(1783) onder den naam van de » wegen van den vrede" 2)
tot groote vreugde van hen, die nu voor het eerst het
verschil inzagen tusschen eene woordelijke en eenvoudige
vertaling en eene allegorische of talrnudisch-exegetische
vertolking van den Bijbeltekst. Mendelssohns Pentateuchvertaling vond in geheel Westelijk-Europa, zelfs in Polen,
inteekenaren en verbreidde zich gaandeweg in meer kringen.
Behalve van de vijf rollen verscheen nog van Mendelssohn
eene vertaling van de Psalmen, waarin elke roerende klank
van de harp des Hebreeuwschen zangers door hem op
treffende wijze teruggegeven is.
Trachtte Mendelssohn door deze werken zijn broeders te
leiden op den weg van beschaving, eene noodzakelijke
voorwaarde, om de ijzeren muren 0i-flyer te halen, die
hun den toegang tot de groote maatschappij beletten, langs
nog een anderen weg beproefde hij, het akelig donker in
de kerkers van uitsluiting en verbanning te doen verdwijnen
voor het licht van gelijkstelling en verbroedering, Te dien
einde verscheen door zijn tusschenkomst van den kundigen
Berlijnschen archivaris Willem Dohm een belangrijk geschrift
over de burgerlijke verbetering der Joden" (1781), Na
een uitvoerig overzicht van den staatkundigen toestand
der Joden in de Europeesche landen doet de schrijver de
middelen aan de hand, waardoor verandering en verbetering
te verwachten zijn, en wel : door hun de burgerlijke vrijheid
Hij schreef vele gelegenheidsgedichten en eenige verhandelingen over Hebreeuwsche taalkunde. Op gevorderden
leeftijd begaf hij zich naar Amsterdam ; waar hij overleed (1813)
52 )
nit,t n1 ],r1.3.
259
te schenken en den vrijen toegang te verleenen tot alle
openbare inrichtingen van kunsten en wetenschappen. De
synagoge behoudt het recht, alles te regelen wat met den
godsdienst in verband staat. Hij noemt den staat gelukkig,
die deze beginselen van waarachtige naastenliefde en verdraagzaamheid huldigt en daardoor ook" in de Joden trouwe
en dankbare onderdanen vinden zal. Al Teed het bij velen
geen twijfel, dat Mendelssohn veel bijgedragen had tot de
verschijning van dit geschrift, ja, al vertelden ook kwade
tongen, dat Dohm zich daarvoor door de Joden duur had
laten betalen, toch maakte het bij edeldenkende lieden
diepen indruk. Geschreven in het belang van de Joden in
den 'Elzas, die zich in hun deerniswaardig lot van middeleeuwsche vervolging tot hun geleerden geloofsgenoot in
Berlijn om redding gewend hadden, was het tevens een
warm pleidooi voor de rechten van de Joden in het algemeen.
Het bleef dan ook niet zonder gevolg. Keizer Jozef II
van Oostenrijk vaardigde kort na de verschijning van Dohms
geschrift een reeks besluiten uit aangaande de Joden, die
van ware menschenliefde en rechtsgevoel getuigden (178i).
Bet waren de voorteekenen van de emancipatie der Joden
in Oostenrijk. Daar thans van niet-Joodsche zijde een lans
gebroken was voor de maatschappelijke verbetering der
Joden, achtte Mendelssohn den tijd aangebroken, daarvoor
zelf de pen op te vatten. Hij liet het apologetisch geschrift
van Menasse b. Israel zover de redding van Israel" door
zijn vriend Marcus Hertz uit het Engelsch in het Duitsch
vertalen en voorzag deze vertaling van eene inleiding, waarin
vele beschuldigingen tegen de belijders van het MozaIsme
door krachtige bewijsgronden weerlegd werden. Voorts
ontwikkelde hij zijn denkbeelden omtrent de emancipatie
der Joden, waarbij hij vooral wees op het schoone voorbeeld
gegeven door de Nederlandsche provincien, waar de vrijheid,
een milde regeering en billijke wetten het welzijn van alle
onderdanen, onverschillig van welk geloof, bevorderden.
Mendelssohns edele bemoeiingen ontmoetten evenwel tegenstand niet alleen van Christelijke, maar ook van Joodsche
zijde. Hij had zich over de bevoegdheid van de Joodsche
kerk uitgelaten op een wijze, die bij velen twijfel deed
ontstaan aan zijn rechtgeloovigheid als Israeliet en trouw
aanhanger van het traditioneele Jodendom. Om zich van
deze verdenking, die hem zeer griefde, te zuiveren, vatte
hij het plan op, zijne denkbeelden nader uiteen te zetten
omtrent de verhouding van kerk en staat. Dit nu deed
hij in een zijner laatste werken : IJeruzalem of over de
godsdienstige macht van het Jodendorn" (1783). Hij ontwikkelt in dit hoogst belangrijk geschrift het karakter van
260
den Joodschen godsdienst, die de vrijheid van gedachten
en geweten huldigt en de beginselen van onbekrompen
verdraagzaamheid erkent. Mendelssohns Jeruzalem" is een
waardige eerezuil der voortreffelijkheid van het Jodendom.
Intusschen leed Mendelssohn een gevoeligen slag door den
dood van zijn boezemvriend Lessing. Hij verviel daardoor in
eene zwaarmoedigheid, die op zijn overigens zwak gestel een
zeer nadeeligen invloed had. Niets was hem thans aangenamer dan de gedachte aan zijn ontslapen vriend, aan
wien hij, wat zijn worming en ontwikkeling betreft, zoo
veel te danken had. In de herinnering aan de wijsgeerige
gesprekken, met hem zoo menigmaal gehouden, vond hij
troost en opbeuring. Hij maakte er zijn zoon Jozef mede
bekend en nog eenige jongelingen, wien hij in den ochtendstond onderricht gaf in de wijsbegeerte en zedekunde. Om
Lessings nagedachtenis te huldigen, maakte hij ze gereed
voor den druk onder den titel : » de Morgenstonden of
voorlezingen over het bestaan van God." Maar reeds vOOr
de verschijning van het tweede deel der ) Morgenstonden"
had voor den grooten man het laatste levensuur geslagen.
Hij stierf in den ouderdom van 57 jaar (4 Januari 1786),
diep betreurd door velen, die hem van nabij gekend hadden.
Zacht en kalm was het levenseinde van den man, die steeds
gestreefd had, langs den weg van vredelievendheid en verzoeningsgezindheid het geluk zijner broeders te bevorderen, hen
te vormen tot beschaafde Israelieten en nuttige staatsburgers.
Heeft zijn arbeid in alle opzichten zegenrijke gevolgen
gehad ? 1-lebben de zaden, door hem gestrooid, die vruchten
voortgebracht, welke hij er van verwachtte ? De beantwoording dezer vraag zal uit den loop der geschiedenis
van zelve blijken. Maar wat de geschiedenis daaromtrent
ook moge leeren, Mendelssohn zelf snag en kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor de verwoestingen door
sommigen zijner vereerders en vrienden, ja, door zijn eigen
kinderen aangericht in den wijngaard des Heeren. Hij heeft
tot op het laatste oogenblik gearbeid, ') in de hoop ; dat
deze wijngaard heerlijke druiven zou voortbrengen."
Behalve zijne geschriften over wijsbegeerte, zielkunde
en aesthetica, door zijne familie in zeven deelen uitgegeven
(1843-1845), leverde hij op Joodsch gebied, naast de reeds
besproken Bijbelvertaling, o. a. een commentaar van Maimuni's terminologie en enkele opstellen in het Hebreeuwsche
tijdschrift ) Meassef."
VIJFDE TIJDVAK.
VAN DEN DOOD VAN MOLES MENDELSSOIIN TOT
DEN TEGENWOORDIGEN TIJD.
1786 —1880.
HOOFDSTUK LII.
De gevolgen van de Mendelssohnsche richting.
Hare ontaarding.
1786 —1790.
Mendelssohn heeft in den eigenlijken zin des woords
geene school gesticht, evenmin als hij zelf zijne worming
en geestesrichting aan eene bepaalde school te danken heeft
gehad. Juist daaraan moet het waarschijnlijk toegeschreven
worden, dat van hen, die meenden zijn weg te bewandelen
en in zijn geest voort te arbeiden, velen zijne eigenlijke
bedoeling volstrekt niet begrepen hebben. Hij wilde het
Jodendom niet hervormen in dien zin, dat het zijn oorspronkelijk karakter zou verliezen, maar wenschte het te
zuiveren van onedele elementen, die den vorm en volstrekt
niet het wezen raakten, opdat het daardoor in zijn waren
luister zou schitteren voor de oogen van de beschaafde
menschheid. Reeds op jeugdigen leeftijd verschenen van
hem, zooals wij vroeger mededeelden, in het tijdschrift
Koheleth-musar eenige opstellen over opvoeding en zedenkunde. Aan de denkbeelden, daarin door hem ontwikkeld,
is hij steeds trouw gebleven. Te midden zijner wijsgeerige
overpeinzingen, niettegenstaande zijn vriendschappelijken
omgang met de grootste mannen van Duitschland en zijn
veelvuldig verkeer in niet-Joodsche kringen, trots zijne
pogingen tot uitroeiing van verouderde misbruiken in onderwijs en opvoeding, bleef hij een oprechte zoon des Jodendoms,
een innig overtuigd Israeliet, die ook Been haarbreed van de
voorvaderlijke wetten afweek. Maar niet aldus velen zijner
volgelingen. Zij misten niet alleen Mendelssohns bescheidenheid, maar ook diens innig gevoel voor het Jodendom. Verblind door het licht van den nieuwen dageraad, wiens eerste
straleri de wijsgeerige denker met zooveel vreugde begroet
Mow. Gesch. III, 18
262
had, en gedreven door de zucht naar gelijkstelling met
hun medeburgers, meenden zij de laatste banden te moeten
afsnijden, die hen nog aan het geloof der vaderen hechtten.
Anderen gingen wel niet zoo ver, maar onttrokken zich
toch geheel aan het Joodsche leven en sloegen een weg in,
dien Mendelssohn nimmer bedoeld had. Er waren echter
ook uitzonderingen, en onder deze neemt eene eerste pla.ats
in de reeds genoem de Naftali Hartog Wessely (i 7 2 5— 1 8 0 5 ).
Zijn grootvader R. Jozef, aan het bloedbad, door de
Kozakken in 1648 te Bar aangericht, ontkomen, vluchtte
Een van Jozefs zonen, Mozes, vesnaar Amsterdam.
tigde zich in Wezel (vandaar de familienaam Wessely) en
later in Gliickstadt, waar hij een geweerfabriek oprichtte.
Deze nu was de vader van Hartog, meer bekend onder den
naam Hertz Wtizel, die te Hamburg geboren word en
aldaar ook overleed. Hartog genoot eene voor dien tijd
zeer beschaafde opvoeding. Reeds van der jeugd of legde
hij een bijzondere liefde aan den dag voor de Hebreeuwsche
taal, waarvan • hij zich dan ook al spoedig op meesterlijke
wijze bediende. Zoowel te Amsterdam als te Hamburg (in
de eerste stad was hij geplaatst op een kantoor, in de
andere dreef hij handel) besteedde hij zijn vrijen tijd aan
zijne geliefkoosde taalstudie. Wegens achteruitgang in zaken
vertrok hij naar Berlijn, waar hij vriendschap aanknoopte
met Mendelssohn (1774), wiens vertaling van het boek Leviticus
hij van een zeer gewaardeerden Biur voorzag (zie bl, 258).
Deze commentaar getuigt, evenals zijn werk over de Hebreeuwsche synoniemiek 2), van grondigheid en degelijkheid, Voorts
leverde hij eene Hebreeuwsche vertaling van het apokryphenboek ') de wijsheid van Salomo," waaraan hij eene breedvoerige
verklaring 3) toevoegde. Even uitvoerig is zijn commentaar
van ' de spreuken der vaderen," 4) Wessely was ook niet
ontbloot van dichterlijken aanleg, zooals uit zijne vele
gelegenheidsgedichten blijkt. Bekend vooral is zijne Mozaia'e, 5) een heldendicht over lsraels verlossing uit Egypte.
Zijn zedekundig werk 6) en andere kleine geschriften zijn
evenmin van belang ontbloot. Met vreugde begroette hij
de verschijning van een Hebreeuwsch tijdschrift Meassef
(de verzamelaar), het orgaan van eene vereeniging, die zich
ten doel stelde de aankweeking en bevordering van de
2 ) Een deel van zijne verklaring van
zijn noon uitgegeven (1842).
171P1 z.
3) irt mr.
4)
r,
T
-
niltri /o.
••
7) ti? ■ ?;.
I
T : -
Genesis is door
nuon
2 63
kennis der Hebreeuwsche taal. i) Deze vereeniging, in het
leven geroepen door Izak Euchel en Mendel Bresselau- en
gesteund door eenige jongelingen uit de rijke en beschaafde
familie Friedlander in Koningsbergen, had haar ont.5taan te
danken aan Mendelssohns Pentateuch vertaling, waardoor
bij de studeerende jongelingschap liefde en bezieling voor
de zuivere en klassieke taal der oude Hebreers gewekt was. Haar geestelijke stamvader ontzeide haar dan
ook natuurlijk zijn steun en hulp niet. Zoowel hij als
Wessely leverden enkele bijdragen voor het nieuwe tijdschrift, dat daardoor niet weinig in waarde .toenam. Nog
bij Mena'elssohns leven trachtte Wessely de vruchten van
diens arbeid te plukken. Innig verheugd over de milde
besluiten van keizer jozef ten gunste der Joden (zie bl. 259),
en wel o. a. dat zij in zijn land scholen inoesten oprichten,
waar de Joodsche jeugd ook in de landtaal, geschiedenis,
aardrijkskunde en andere voor de algemeene beschaving
nuttige en noodige leervakken onderwezen zou worden, was
hij het, die in eenige zendbrieven 2) de Oostenrijksche gemeenten met kracht aanspoorde, aan dit bevel gevolg te
geven. Een dusdanig besluit toch kon niet anders dan
tegenstand ondervinden bij de eenzijdige talmudisten, die
in het lezen van een niet-Hebreeuwsch boek een godsdienstig
vergrijp, een zware zonde zagen. Toen nu Wessely in zijn
zendschrijven op de noodzakelijkheid wees van de verbetering in het onderricht der jeugd, de ongelukkige gevolgen schilderde van de tot nu toe heerschende methode
van onderwijs, en de beoefening van de Hebreeuwsche taal
naast die van de moedertaal als noodzakelijk voorschreef,
haalde hij zich den haat van velen op den hals. Menige
rabbijn slingerde van den kansel den banbliksem tegen
Wessely, aan wiens strenggeloovigheid echter volstrekt niet
te twijfelen valt.
Intusschen breidde zich de kring van lezers en medearbeiders van het nieuwe tijdschrift Meassef steeds uit.
Van heinde en ver kwamen bijdragen, zoodat een edele
wedijver ontstond op het gebied der nieuw-Hebreeuwsche
belletrie. Tot de voornaamste medearbeiders behoorden
Joel Lowe (aril), Aron Halle (Wolfsohn), beiden leeraren
aan de Joodsche Wilhelmschool te Breslau; David Friedlander, jozef Beit en Jozef Haltern uit Berlijn; Izak
Satanow en juda Leib b. Zeeb, twee Polen, die zich in
Berlin gevestigd hadden Mozes Ensheim (Metz) in Elzas,
vroeger huisonderwijzer bij Mena'elssohn; David Friedrich-
Inv
, •• pv5
'1'11.7
:
mon.
-
2) ritzm o1t7t;
MoN. Gesch. III, 18*
264
feld en David Franco Mendes beiden in Amsterdam. Vele
medearbeiders van dit tijdschrift (de Meassefim) trachtten
door nuttige geschriften kennis en beschaving te kweeken
onder hun geloofsgenooten, voor de jeugd nuttig te werken
en de grondslagen te leggen voor eene Joodsch-wetenschappelijke vorming. Zoo hielden zich Wolfsohn en Bra
hoofdzakelijk bezig met het bewerkeii van eene vertaling
der Bijbelboeken ; van Izak Euchel, die eene schoon gestiliseerde Hebreeuwsche biographie van Mendelssohn leverde,
verscheen eene Duitsche vertaling der gebeden ; Izak Satanow
arbeidde op velerlei Joodsch gebied ; Ben-Zeeb (gest. z 8 I 1),
wiens Hebreeuwsche vertaling van het boek Sirach als een
meesterstuk van . Bijbelschen spreukenstijl kan beschouwd
worden, heeft door zijne grammatica en zijn woordenboek 2) veel bijgedragen tot de verbreiding der Hebreeuwsche
taalstudie. De lyrische en dramatische poezie vond hare
vertegenwoordigers in David Franco Mendes, 3) Bresselau, 4)
Iozef .Troplow e. a. De grondige beoefenaar van Hebreeuwsche taal en massora, Wolf Heidenheirn (gest. 1832)
in Rodelheim, maakte zich verdienstelijk door de correcte
en schoone uitgaven van het gebedenboek, Machzor, den
Pentateuch enz. De rabbijnen der oude richting konden
zich evenwel met het streven der Meassefim volstrekt niet
vereenigen, en vooral nadat de vereeniging, waaraan
1de verzamelaar" zijn ontstaan te danken had, haar doel
gewijzigd en zich in eene vereeniging tot bevordering van
het goede en edele" 5) (1787) herschapen had. In hun oog
bleef de Mendelssohnsche geest zeer gevaarlijk voor het
oude geloof. In deze meening werden zij nog versterkt
door de ondervinding, dat zich onder de leden van het
letterlievend genootschap mannen bevonden, vier godsdienstig
leven veel te wenschen overliet, en die, onder den schijn
van wetenschap en beschaving, het wezen des Jodendoms
wilden ondermijnen. David _Friedlander, een van M end elssohns trouwste vrienden, had in vereeniging met zijn
rijken zwager Daniel ItziJ te Berlin een normaalschool
opgericht en daarvo',r een leerplan ontworpen, waarin de
Joodsche vakken een zeer beperkte ruimte innamen. Aan
deze school was eene drukkerij verbonden, waar Duitsche
en Hebrceuwsche werken verschenen, die nu juist niet altijd
'13;
re) iit`nri.
2) oneitz41
4) van wien het allegorisch
3) van wien "P'71-1; 1?
drama
ninrini nrTtr.
; -
;
5) rrteinrn oluri
T
:
;
*,*
265
een zuiver Joodschen geest ademden. Onder s verlichting"
bedoelden Friedlander en zijn geestverwanten, wier aantal
vooral in Berlijn sterk toenam, de omverwerping van het
oud, eerbiedwaardig gebouw des Jodendoms. De kweekelingen van de norrnaalschool werden dan ook geheel
onverschillig voor het voorvaderlijk geloof. Zij dreven den
spot met zeden en gebruiken, die wellicht voor hun ouders
nog heilig waren. In hun verwaandheid hielden zij de
strenggeloovigen voor bekrompenen en onnoozelen, die
het licht der beschaving nog niet beschenen had. Alles,
wat hun in hunne hooge wijsheid in het Jodendom mishaagde
— en dit was nog al veer werd eenvoudig als rabbijnsche spitsvondigheid, talmudische haarklooverij, kinderachtig bijgeloof, of iets dergelijks veroordeeld.
•
De ziekelijke toestand, waarin het Jodendom in de Duitsche
hoofdstad over het algemeen verkeerde, bereikte zijn toppunt in de kringen van de moderne beschaving. Mannen
van naam en aanzien op wetenschappelijk gebied achtten
het beneden zich, aan den godsdienst nog eenige opmerkzaamheid te schenken. En aan dusdanige mannen was
toen al geen gebrek meer. Want nauwelijks hadden de
tempels der wetenschap hun deuren voor de Joden geopend,
of menig hunner trad er binnen, om zich te laven aan de
bron der kennis, De scherpzinnige Joodsche geest schepte
vooral veel behagen in de studie der wiskunstige wetenschappen en wijsbegeerte, zoodat Kants voorlezingen over
de philosophic, aan de hoogeschool te Koningsbergen, het
meest door Joodsche studenten begreper, en gewaardeerd
werden, 1) Van hen verwierven zich o. a. veel roem Marcus
2 ) In Kants
philosophie verdiepte zich ook een man,
die onder andere omstandigheden en eene betere leiding
wellicht een sieraad voor het Jodendom had kunnen wordene
Hij heette Salomon (1753-180o) en was afkomstig uit
.Litthauen.
Als knaap van negen jaar legde hij reeds
eene bijzondere bedrevenheid en scherpzinnigheid in den
Talmud aan den dag. Hij trad nog zeer jong in het huwelijk,
maar liet vrouw en kind al spoedig in den steek en ging als
bedelaar naar Duitschland. Van Koningsbergen kwani hij
in Berlijn, knoopte kennis aan met Mendelssohn, die zijn
dorst naar kennis opmerkte en hem zijne gewone gastvrijheid betoonde. Hij verdiepte zich in Maimuni' s More,
waarmede hij zoo dweepte, dat hij zich liefst Salomon Maimon
noemde, maar hield zich tevens met de Kabbala onledig.
Rijk aan geest, was hij van een verdorven en zedeloos
karakter. Zijn avontuurlijk leven was niet gescTiikt, daariii
verbetering te brengen. In zijn zelfbiographie vergelijkt
26 6
Herz (gest. 1803), die zich als geneesheer te Berlijn vestigde,
waar hij voorlezingen hield over wijsbegeerte en natuurkunde, evenals zijn jongere vriend Lazarus Bendavid in
Weenen. Deze en andere geleerden, begaafd met veel geest,
aangenaam in den orngang en algerneen geacht, hadden
het Jodendom tot sieraad en Mendelssohns aandenken als
Israeliet tot roem kunnen strekken. Maar in stede daarvan
wierpen zij een smet op de herinnering aan hun hooggeschatten vriend en gaven den minder ontwikkelden
het voorbeeld, hoe men de laatste vonk van liefde voor
het Jodendom moet uitdooven. Marcus Herz stond in
vriendschappelijk verkeer met de voornaamste geleerden
van Berlin (Nicolai, de gebroeders Humboldt,Schleg -el e. a.),
die • hem vaak bezochten, om zich te verlustigen in het
leerzaam en gezellig onderhoud van den gastheer en diens
echtgenoote, de schoone, beschaafde en geestrijke Henriette
de Lemos z De salon," zoo noemde men de plaats van
zulke letterlievende bijeenkomsten, werd ook door geleerde
dames bezocht, van welke Mendelssohns dochter Dorothea
en Rachel Levin den hoofdtoon voerden. Men bewonderde
hare geleerdheid, was verrukt over hare geestesgaven. Maar
deze tempel der wetenschap was tevens een afschuwelijke
Baal-tempel. Deze werd de plaats, waar alle godsdienstig bewustzijn .ondermijnd, alle zedelijkheidsgevoel uitgewischt,
echtbreuk en overspel niet als misdrijf gerekend werden. En
deze beschaafde heeren en dames noemden in hunne bandelooze zedeloosheid hun kring nog wel 2. den bond der deugd" !
Wat stond hun in den weg, om den zeer lossen band, die
hen nog aan het Jodendom hechtte, geheel te verbreken ?
Volstrekt niets. Zoo zwoeren dan ook Mendelssohns dochters
in het openbaar en Henriette Herz in het geheim haar
geloof af, om zich in de armen van het Christendom te
werpen. Ook voor David Friedlander werd het Jodendom
ondragelijk. Hij maakte met andere geestverwanten den
deken Teller met hun wensch bekend, onder zekere voorwaarden, tot de Katholieke kerk over te gaan. De geestelijke
gaf den gewetenloozen verraders te verstaan, dat de kerk
hij zich bij z een uitgehongerd mensch, die, aan een heerlijken en welvoorzienen disch aangezeten, door een overmatig gebruik van vele spijzen zijn maag bederft." Talmudische, Kabbalistische en philosophische beschouwingen,
die in bonte mengeling zijn hoofd doorkruisten, brachten
hem op dwaalwegen, zoodat hij elken godsdienstigen en
zedelijken zrondslag miste. Onder zijne philosophische
geschriften behoort ook een uitvoerige Hebreeuwsche commentaar van het eerste boek van More.
2 67
op de aanwinst van zulke geloovigeri volstrekt niet gesteld
is, en dat zij daarom maar liever zouden blijven, waar zij
waren. Maar het ging hun ,evenals de motten, die zoolang
om de vlam fladderen, tot zij er invallen." Na niet langen
tijd besproeide het doopwater ook hun hoofden, Weldra
volgden nog meer farnilien, waaronder ook die van Mendelssohn, dit schandelijk voorbeeld.
Tusschen de mannen der verlichting, van welke de meesten
met het traditioneele Jodendom gebroken hadden. en de
sekte der nieuw-chasidim (zie bl. 241), wier kabbalistisch
'
karakter voor den zuiveren geest des Jodendoms ook gevaarlijk was, stonden te dier tijd nog enkele mannen van
geestkracht, karakter en geleerdheid, die het juiste midden
tusschen de beide uiterste richtingen wisten te behouden en
zich ook voor de rabbijnsche wetenschap zeer verdienstelijk
maakten. Onder dezen neemt de eerste plaats in R. Elia
Wilna, gewoonlijk bijgenaamd de Gaon') (17 20-1797).
Reeds als jongeling van dertien jaar bewonderde men hem
wegens zijne verbazende talmudische geleerdheid en op zijn
20 s te jaar gold hij bij de voornaamste Poolsche talmudisten
als een autoriteit. Als tegenstander van de pilpulische
leermethode zocht hij naar den eenvoudigen en natuurlijken
zin van den tekst, daarbij gesteund door zijn helderen geest
en critischen blik, Ook den Jeruzalemschen Talmud, onder
het stof van vele eeuwen verborgen, bracht hij uit zijn
donkere schuilhoeken te voorschijn 2) en maakte daarvan
bij de behandeling van den Babylonischen een veelvuldig
gebruik. Zijne grondige behandeling van de geheele talmudische literatuur (1kischna, Mechilta, Szfra enz.) alsook
van Aozef Karo's codex blijkt uit zijne vele verklaringen,
glossen en critische aanteekeningen, waarmede hij deze
werken verrijkt heeft. Ook de Bijbelstudie vernalatigde hij
niet en maakte veel werk van de Hebreeuwsche grammatica.
Ook de studie van andere wetenschappen, vooral van de
wis- en sterrenkunde, werd door hem niet geheel verwaarloosd.
Elia Wilna vormt dan ook een grootsche en tevens zeldzame verschijning in het Poolsche Jodendom, waar juist
toen het Chasidisme grooten invloed begon te krijgen.
De voorstanders van de mystiek, en dus ook de Chasidim,
koesterden weinig genegenheid voor den klaren en helderen
denker. Al verdiepte hij zich ook in den Zohar, hij was
toch, evenals Jakob Emden en Jechezkel Landau, wars van
,
1)N—un.
2) Ook Mena'elssohns leeraar David .Friinkel maakte van
den Jeruzalemschen talmud veel studie.
268
elk misbruik, dat door velen, en vaak door oningewijden,
van de Kabbala gemaakt werd. Deze laatste schreef o. a.
uitvoerige novellen van enkele Talmudtractaten. I) De
casuistische literatuur werd verrijkt door supercommentaren
op schuichan-aruch, waarvan vooral die van Jozef Teomim
in _Lemberg 2) en Samuel Kohn 3 ) groote vermaardheid verkregen hebben. Vermelding verdienen nog R. El'azar
Fleckeles, 4) een beroemd prediker en geleerde in Praag,
en Jesaja Berlin (gewoonlijk genoemd Jesaja Pick) in
Breslau, wiens aanteekeningen op Mischna, Talmud en
Targum-Onkelos van critischen blik en grondige geleerdheid
getuigen.
HOOFDSTUK LIII.
De Fransche revolutie en de emancipatie der Joden.
1789 —1806.
Geen staatkundige gebeurtenis heeft wellicht voor de
Joden gewichtiger gevolgen gehad dan de Fransche revolutie.
Wat Mendelssohm door eene langzame en geleidelijke ontwikkeling van zijne geloofsbroeders had willen bereiken,
geschiedde veel sneller door de machtige wereldgebeurtenis,
die op het einde van de I8 de eeuw in .Frankrk plaats
vOnd en in .Europa's staatkundigen toestand een geheelen
ommekeer bracht. De emancipatie der Joden vormde evenwel
in dit land reeds v66r de uitbarsting der revolutie een punt
van ernstige overweging en voortdurende bespreking, De
eerste stoot daartoe werd gegeven door Herz Medeisheim
of Cerf Berr (1730-1793), een leverancier van het Fransche
leger, wien Lodewjk XVI - het recht verleende, zich met
zijne familie in Straatsburg to vestigen, niettegenstaande
den Joden het verblijf in deze stad niet toegestaan was.
Hoe dankbaar ook voor dit bewijs van genegenheid, was
Berr daarmede nog niet tevreden. Hij verlangde meer
van den koning en trad op voor de rechten zijner geloofsgenooten, die, reeds onder Lodewijk XIV in .Frankrijk
wrin
vi-ut ne.
3)Lwn rrsrc,
1
)
17; ( -rri r...,z117 in) ri tn.
.T:
•
een uitvoerige commentaar van
Drrox
T T:
'•'T
4) Zie over zijn beroemde stamvaders, Monatschr. fiir
Gesch. and Wissens. des Judenth. 37e jaarg. bl. 378.
269
toegelatdn, nog altijd, en vooral in Elzas en Latharb igen,
door vooroordeel en fanatieken geloofshaat van den kant
der Christelijke bevolking gedrukt werden. Ter bereiking
van zijn doel liet hij Dohms geschrift vertalen en zorgde,
dat het onder de oogen van voorname en invloedrijke
personen kwam. De koning, wiens aandacht door dit geschrift meer op zijn Joodsche onderdanen gevestigd werd,
droeg zijn minister Malesherbes op, te trachten, verbetering
in hun toestand te brengen. Te dien einde benoemde de
minister eene commissie uit de aanzienlijkste Joden uit.alle
provincien, waar zij zich gevestigd hadden, om met hen de
middelen tot verbetering te beranien. Uit Elzas werd Berr
afgevaardigd. Ook de Portugeesche gemeente van Bordeaux
zond hare vertegenwoordigers. Men bracht het voorloopig
zoover, dat de Joden van den onteerenden lijftol, dien zij
met paarden en andere lastdieren gemeen hadden, ontheven
werden (1784).` Dit was de eerste stap op den weg der
emancipatie, die vooral in den graaf van Mirabeau, den
krachtigen voorstander der algemeene vrijheid, een welsprekenden en warmen verdediger vond. Van Mirabeau,
die tijdens zijn verblijf in Berlin als gezant van .Frankrijk
met Mendelssohn en Dohm in vriendschappelijk verkeer
gestaan had, verscheen een geschrift : z over Mendelssohn
en de staatkundige hervorming der Joden" (1787). Daarin
wees hij, in tegenstelling met Voltaire, wiens geschriften
vol haat en venijn tegen de Joden waren, op hun groote
verdiensten ; prees hun standvastigheid in het geloof en trad
met kracht op voor hun rechten als staatsburgers. Door
dit geschrift, dat in sommige kringen veel bijval vond, in
andere weder de gemoederen der Jodenhaters verbitterde,
trad de Jodenkwestie zoo zeer op den voorgrond, dat de
koninklijke vereeniging voor wetenschap en kunst te Metz
een prijs uitloofde voor de beste beantwoording van de
vraag : bestaan er middelen, om de Joden gelukkiger en
nuttiger in Frankrijk te maken ?" (1788). Van de ingekomen antwoorden werden drie ter bekroning waardig gekeurd. Deze waren van den abt Gregoire, den rechtsgeleerde Thiery in Nancy en een Poolschen Jood Salkind .
te Farijs. Alle inzenders verklaarden zich voor Hurwitz
de emancipatie en beschouwden haar als eene daad van
billijkheid en rechtvaardigheid.
De Fransche revolutie was eindelijk uitgebroken (1789).
Wet en orde zwegen in het land ; de regeeringloosheid heerschte
in de hoofdstad evenzeer als in de provincien. Aan deze
verwildering en bandeloosheld trachtte de Nationale vergadering een einde te maken door de vaststelling van eene
nieuwe staatsregeling, gegrondvest op de beginselen van
370
gelijkstelling van alle klassen en standen. Thans koesterden
ook de Joden de hoop, dat voor hen een betere toestand
zou aanbreken. Uit alle deelen des lands richtten zij verzoekschriften tot de Nationale vergadering, waarin ook hun
voorstanders Mirabeau en Gregoire zitting hadden, om als
Fransche onderdanen beschouwd en dus ook in het bezit
van alle burgerrechten gesteld te worden. Men zou nauwelijks
gelooven. dat in dit wetgevend lichaam, waar ieder den
mond vol had van gelijkheid, verbroedering. afschaffing van
het 'despotisme der koninklijke macht en opheffing van de
privilegien der bevoorrechte standen, de rechtmatige petitien
der Joden nog zooveel tegenstand ontmoetten. Zij werden
voornamelijk bestreden door de afgevaardigden uit het Rhijnkwartier, waar de Jodenhaat nog niet veel van zijn middeleeuwsch karakter verloren had. Aanvankelijk besloot men
clan ook (1790) alleen den Joden van Spaansche en Portugeesche afkomst het burgerrecht te verleenen, zoodat hun
geloofsgenooten in de Rhijnprovincien daarvan uitgesloten
bleven, al werden ook hun enkele privilegien toegestaan.
Eerst na langdurig beraad nam de Nationale vergadering
kort voor hare ontbinding het voorstel aan, dat alle Joden
van Frankrijk het voile burgerrecht zouden genieten (September 1790., Dit besluit baarde natuurlijk algemeene
blijdschap. Izak Berr uit .Nancy, naast Cerf Bert- een
van de onvermoeide kampioenen voor de emancipatie,
richtte thans een schrijven tot zijne geloofsbroeders, waarin
hij hen aanspoorde, naast hun Hemelschen Verlosser, die
hen uit hun deerniswaardigen toestand bevrijd had, ook
den Staat hun dankbaarheid te toonen. Zij moesten zich
in de eerste plaats het wanklinkend jargon ontwennen,
waarvan zij zich als taal bedienden, hun kinderen een beschaafde taal laten leeren, zich toeleggen op kennis en
beschaving en zich alleen door hun godsdienst van de overige
landzaten onderscheiden. Aan deze roepstem gaven zij
gaarne gehoor. Zij spaarden geene offers ter wille van den
Staat, die hen thans als zijne zonen erkende, en hadden
zelfs hun Leven veil voor hun vaderland, welks legers weldra
naar de opperheerschappij van Europa streefden.
Het schrikbewind, waaraan Frankrijk na de terechtstelling van zijn koning overgeleverd was, ging intusschen
ook voor hen niet zonder treurige herinneringen voorbij.
Evenals men met een onbeschrijfelijk vandalisme de scliendende hand sloeg aan de kerken en gewijde goederen der
Christenen, zoo stormde ook op sommige plaatscn een
tierende menigte de synagogen binnen, waar zij de wetsrollen verscheurde of andere heiligschennis pleegde. Op
grond van de kalenderverandering, door de Conventie
21!
ingevoerd, waarbij o. a. eenmaal in de tien dagen een
rustdag bepaald werd, dwong men de Joden op het platteland op Sabbath en feesten veldarbeid te verrichten. Ook
het leven van enkele rabbijnen werd bedreigd door de
teugellooze vrijgeesten, die met elken godsdienst den spot
dreven. Zoo kon David Zinsheimer uit Straatsburg slechts
door een tijdige vlucht aan het doodsgevaar ontsnappen. De
rabbijn Izak Lenczijc geraakte in den kerker. In Metz
waagden de Joden het niet, hun Paaschbrood te bakken.
Eene kloeke vrouw hielp hen uit hun verlegenheid, daar
zij de ambtenaren deed opmerken, dat dit brood sinds
onheugelijken tijd voor Israel als het zinnebeeld van de
vrijheid gold. In Parijs moesten de Joodsche onderwijzers hun scholieren laten deelnemen aan een feest, gevierd ter eere van den ', dienst der rede," die in plaats
van den Katholieken godsdienst door de republikeinen
ingevoerd was. Maar met dat al bleven de staatsburgerlijke
rechten der Joden tijdens het noodlottig schrikbewind onaangetast.
Terwiji .Frankrijk zich door onderlinge partijschappen
vaneenreet, ontwikkelde het naar buiten een bewonderenswaardige kracht. De republikeinsche legers streden onder
aanvoering van den onoverwinnelijken held _Napoleon Bonaparte met voortdurend geluk. Waar hun wapenen zegevierden,
konden de Joden Napoleon als hun weldoener en verlosser
begroeten. Want hij duldde geen ghetto's of uitsluitingsedicten. Al zijne onderdanen moesten dezelfde rechten
genieten en dus ook de Joden als staatsburgers erkend
worden. De Joden hadden dan ook wel reden tot dankbaarheid jegens den machtigen veroveraar, als zij hun oog
richtten naar die landen, waar hun broeders nog altijd
bloot stonden aan smaad, vernedering en verguizing. Dit
was vooral het geval in Pruisen en de andere talrijke
Duitsche staten. Niet alleen onder den lageren, maar ook
onder den hoogen en geletterden stand droeg men hun een
onverzoenlijken haat toe. De toonaangevers van beschaving
en geleerdheid waren van het eeuwenoud vooroordeel nog
lang niet genezen. Goethe en de niet minder beroemde
wijsgeer Fichte beschouwden de emancipatie der Joden als
een ramp voor den Staat en verzetten er zich dan ook met
kracht tegen. Zelfs Herder, de vurige bewonderaar van
de Hebreeuwsche oudheid, verheelde volstrekt niet zijn
afkeer van de joden. Er bestond dan ook voor hen nog
weinig vooruitzicht op een gunstige verandering in hun
socialen toestand. Integendeel, het scheen, alsof de godsdiensthaat met nog meer woede tegen hen ontbrandde.
Van den kansel zoowel als van den katheder verhieven velen
272
hun stem tegen de Joden. Nu eens luidde het, dat zij met
de Franschen heulden ; dan weder, dat zij zich in de Duitsche
hoofdstad al meer en meer op den voorgrond drongen erg
gevaarlijk werden door hun toenemenden invloed. De
nationale trots van de Duitsche natie, haar overmoed en
verwaandheid zouden echter weldra gefnuikt worden door
den Franschen wereldveroveraar, wiens machtwoord de
Duitsche Joden uit hun ellendigen staat van afzondering en
uitsluiting bevrijdde.
HOOFDSTUK LIV.
De Joden in de Bataafsche republiek.
1794-1806.
Geheel anders dan in Duitschland was de toestand der
Joden in Nederland, waar onze voorvaderen van den beginne
of vrijheid genoten en veel bewijzen van waarachtige
menschenliefde ondervonden. Niets stond hun in den weg
bij de betrachting „ hunner godsdienstplichten ; den onteerenden Jodenlap kende men in ons vaderland evenmin
als het ghetto of de Jodenbelasting. Maar toch waren zij
in vele opzichten uitgesloten van het verkeer in de groote
maatschappij, Zij mochten niet opgenomen worden in de
gilden, geen openbaar ambt bekleeden, zelfs niet alle bedrijven
uitoefenen. Zij misten derhalve het burgerschap en maakten
in staatkundig opzicht nog geen deel uit van het Nederlandsche yolk. Dit bleef zoo tot den tijd, waarop de
Fransche legioenen ons land binnenrukten, de oude staatsregeling omverwierpen en het voorloopig beheer in handen
kwam van mannen, die dweepten met de leus van de
Fransche republiek : A vrijheid, gelijkheid en broederschap."
De revolutionaire denkbeelden, die aan de oprichting van
de Bataafsche republiek ten grondslag lagen, vonden ook
ingang bij sommige leden van de beide Israelietische gemeenten te Amsterdam.
Zij werden gedeeld door mannen
van beschaving en ontwikkeling, wier vrijheidsgevoel zich
krachtiger begon te verzetten tegen de uitsluiting, waartoe
zij nog steeds gedoemd waren. In vereeniging met enkele
niet-Israelieten richtten zij (omstr. x 7 95) eene vereeniging
op onder de zinsprenk Felix libertate (gelukkig door vrijheid), om onderling en in samenwerking met andere dergelijke genootschappen de middelen te beramen tot het
verkrijgen van algemeene vrijheid en langs den weg van
verbroedering de inlijving der Joden in het Nederlandsche
yolk te bewerken. Tot commissarissen koos men de
273
burgers : H. Bromet, Mozes Salomon en zijn zoon Carolus
Asser, Jakob Sas_portas en Dr. H. de Lemon. Eindelijk
kwamen de Fransche troepen met de uitgeweken Hollanders
in de hoofdstad (Januari 1795) tot vreugde van de tegenstanders van den laatsten stadhouder. Onmiddellijk daarna kwam het bestuur in de handen der zegevierende
partij. Nog in dezelfde maand lieten de staten van de
provincie Holland onder trompetgeschal 3. de rechten van
den mensch in de hoofdstad afkondigen, wat kort daarna
mede uit naam van de Generaliteit geschiedde. Het bestuur
van Felix libertate, thans de zege aan zijne zijde ziende,
besloot daarvan onmiddellijk gebruik te maken. Het liet de
verklaring van de rechten van den mensch in het JoodschDuitsch overbrengen, met het doel, deze in de synagoge te
doen voorlezen.
De Nederlandsche Joden waren over het algemeen met
de beginselen der Omwenteling lang niet zoo ingenomen
als hun broeders in Frankrijk. Verreweg het grootste deel
meende, dat door de algemeene verbroedering en de inlijving der Israelieten IDE; de Nederlandsche natie het godsdienstleven zeer bedreigd werd. Immers met de lusten zou
men ook de lusten van het burgerschap moeten dragen,
waaronder de nauwgezette betrachting der godsdienstplichten wel wat te lijden zou hebben. Bovendien koesterden
de parnassijns en de notabelen der beide gemeenten te
Amsterdam de zeker niet ongegronde vrees, dat door de
denkbeelden van vrijheid en gelijkheid ook hun bijna onbeperkt gezag aamerkelijk gefnuikt zou worden. Zij bewogen dan ook vele gemeenteleden tot het onderteekenen
van eene verklaring, volgens welke het aflezen van z de rechten van den mensch" in de synagoge strijdig was met de
geheiligde Joodsche wetten en religie en bovendien confusie
onder de gemeente zou kunnen veroorzaken," Toed nu
het bestuur van Felix libertate eene publicatie in de synagoge
liet aanplakken, werd deze op last der parnassijns weder
afgescheurd. Maar de leden van genoemd genootschap
lieten zich daardoor niet ontmoedigen. In hun bijeenkomsten hielden zij betoogen voor de emancipatie en gaven
verhandelingen in het licht, om op de noodzakelijkheid
daarvan de algemeene aandacht te vestigen. Van een hunner verscheen o. a. eene verhandeling, waarin aangetoond
werd, dat ) het den Joden volgens hun eigen wetten geoor•loofd is, zich op Sabbath te wapenen voor de vrijheid van
den burgerstaat en de defensie van het land." Van Christelijke zijde verklaarden zich sommigen tegen de emancipatie,
terwijl anderen haar als billijk en rechtvaardig beschouwden. ,Welaan dan landgenooten" schreef een edeldenken4
2 74
Christen ') komen wij tot de menschelijke en rechtvaardige
taak, om de Joden als onze medeburgers aan te nemen ; hen
te doen deelen in die rechten, welke de Algoedheid wil, dat
alle menschen gelijkelijk zullen genieten." Reeds gernimen tijd
verkeerde men in het onzekere omtrent den staatkundigen
toestand der Joden in de Bataafsche republiek, wier zelfstandigheid door de Franschen erkend was maar onder
voorwaarde, dat de Nationale vergadering het volk eene
grondwet zou geven, gevestigd op de beginselen der algemeene verbroedering en in overeenstemming met de staatsregeling der groote natie" (i Maart 1796). Felix li5ertate
bleef intusschen niet werkeloos. Het diende bij de Nationale vergadering een adres 9) in, waarvan de strekking
was, dat z de Joden, nu stemgerechtigde burgers van het
Bataafsche gemeenebest zijnde en dat burgerrecht reeds uit
geoefend hebbende, thans in het voile bezit en recht tot de
verdere uitoefening van het burgerrecht zouden gesteld worden en dit recht in alle deszelfs uitgestrektheid ongestoord
genieten." Deze petitie (ingediend 2 9 Maart) werd nu op
voorstel van den voorzitter van der Kasteele in handen gesteld van eene commissie van zeven leden, om daarover
rapport uit te brengen. Maar er waren nog gewichtige vragen over de onderlinge verhouding van Kerk en Staat te
behandelen, al vorens men daartoe kon overgaan. Er verliep zoodoende weder een geruime tijd, totdat eindelijk
(1 Augustus) de commissie bij monde van den representant
Hahn een versiag ujtbracht, dat eene belangrijke bijdrage
behelst voor de geschiedenis van het Nederlandsche Jodendom. Het schetste de vervolgingen, waaronder de Joden
eeuwen lang gebukt gingen ; ontwikkelde de redenen, waarom
zij bier te lande aan het vorige bestuur zoo innig gehecht
bleven en ontzenuwde de beschuldiging, dat zij als staatsburgers niet zouden medewerken tot den bloei van het vaderland. Verder wees de commissie op de grondbeginselen,
waarop de staatsomwenteling berustte en stelde, om der
waarheid en goede beginselen bulde te doen, het volgende
decreet voor : ) de Nationale vergadering erkent, dat het
3) j. Kr ap in een brochure ' de Joden zijn onze landgenooten" (1795). In dienzelfden tijd verscheen van H. van
den Bosch z over het recht van de Joden tot gelijke genieting der maatschappelijke rechten met de Christenen" en
van D. H. Dauten ') aan het Eataafsche yolk wegens de
uitsluiting der Joden uit het stemrecht."
2 ) In zijn geheel opgenomen in : qubileum der emancipatie van de Israelieten in Nederland."
275
Bataafsch burgerrecht onafhankelijk is van eenig Godsdienstig
geloof en dat dus de Joden in Nederland niet alleen tot
bet yolk behooren, maar ook in den volmaaksten gelijkstaat
met alle andere burgers moeten gesteld en gehandhaafd worden ten aanzien der maatschappelijke rechten en plichten."
Dit rapport werd gedrukt en den leden toegezonden, om het
drie weken later in deliberatie te nemen. Na een zoo gunstig advies mocht men verwachten, dat het voorstel der
commissie niet veel tegenkanting meer zou ontmoeten. Dit was
echter niet het geval. Acht voile dagen (20-28 Augustus)
werden gewijd aan de behandeling van het rapport, dat nog
heftige debatten uitlokte. (1) Eindelijk werd het bij meerderheid van stemmen door de vergadering gearresteerd,. behoudens enkele wijzigingen in de redactie. Op grond van dit
advies vaardigde men nu het volgende besluit uit (2 September) : Geen Jood zal worden uitgesloten van eenige rechten of voordeelen, die aan het Bataafsche burgerrecht verknocht zijn, en die hij begeeren mocht te genieten ; mits hij
bezitte alle die vereischten en voldoe aan alle die voorwaarden, welke bij de algemeene constitutie van iederen
actieven burger van , Nederland gevorderd worden." Dit
besluit baarde allerwege groote vreugde, maar was vooral
voor Felix libertate eene schitterende overwinning. Het was
de vrucht van zijn streven en werken. De rekwestanten
gaven hun gevoel van dankbaarheid te kennen in een aan
de Nationale vergadering gericht adres, waarvan het slot
aldus luidde : dat God het yolk van Nederland moge zegenen. Dat Hij alle vooroordeelen, alien haat en vervolgingszucht uit aller harten moge verbannen ; dat Hij alle menschen met die overtuiging begunstige, dat alleen onderlinge
liefde en broederschap de groote verdiensten zijn, die men
Hem kan betuigen."
Intusschen hadden de voorstanders van de omwentelingspartij een hevige gisting doen ontstaan in den boezem van
de Hoogduitsche gemeente te Amsterdam.
De rabbijnen
Daniel de Azevedo van de Portugeesche en Jakob Mozes
van de Hoogduitsche gemeente, als ook de parnassijns volhardden bij hun gevoelen, dat het streven van Felix libertate
1) Het is opmerkelijk, dat de hoogleeraar van Swinden,
een van de heftigste tegenstanders, later een zeer werkzaam
aandeel genomen heeft aan een door de Joden opgericht
wiskundig genootschap. Hij is zelfs eerlijk genoeg, in de
voorrede van zijne z beginselen der meetkunst" te bekennen,
dat hij aan twee Joodsche geleerden verscheiden nuttige me-
dedeelingen te danken heeft,
276
het Jodendom veel nadeel zou berokkenen en daarom veroordeeld diende te worden. Zij wilden zelfs de kerkelijke
straffen op de leden dier vrijheidsclub toepassen. De
voorstanders der emancipatie verklaarden, dat zij zich niet
'anger zouden onderwerpen aan de dwingelandij en het onbeperkt gezag der parnassijns. Zij geloofden, dat thans de
tijd aangebroken was, waarop een einde diende te komen
aan hun aristoc ratisch despotisme" en het kerkelijk beheer
in overeenstemming moest gebracht worden met de denkbeelden, waarop ook het nieuwe staatsbestuur rustte: vrijheid en gelijkheid. Ook verlangden zij eenige veranderingen
en hervormingen in den eeredienst, waardoor de orde en
plechtigheid in de synagoge verhoogd en de in bun oogen
verouderde misbruiken opgeheven zouden worden, Toen
bestuurders noch geestelijkheid aan deze wenschen wilden
toegeven, scheidden zij zich af, hielden ten huize van een
hunner godsdienstoefeningen en vormden eindelijk een afzonderlijke gemeente onder de naam Adath jeschurun.
Tot opperrabbijn benoemden zij Izak Graanboonz (gest.
1807) die door Mozes Asser met eene toespraak in het Nederlandsch geinstalleerd werd (29 Maart 1797). Het bestuur
der oude gemeente sprak over de afgescheiden of zooge
naamde nieuwe gemeente" een soort ban uit en bereidde
zich voor tot krachtige maatregelen tegen de weerspannigen,
die men uit spotternij 'i de vergadering van Korach" noemde.
Maar dezen bekommerden zich weinig om de smaadschriften en schimpnamen. waardoor men hen wilde vernederen.
Zij gevoelden medelijden met de bekrompenheid hunner tegenstanders. In hunne oppositie vonden zij veel steun bij den
Franschen gezant Noel, aan wiens invloed het ook waarschijnlijk moet toegeschreven worden, dat de parnassijns der
) oude gemeente" door de agenten van het uitvoerend bewind
der Bataafsche republiek van hun post ontzet werden. Toen
het besluit van hun ontslag door eene nit 's Gravenhas -e
overgekomen commissie in de Groote synagoge, ten aanzien
eener talrijke menigte, bekend gemaakt werd, hieven vele
voorstanders van Adath jechzerun een zhoezee" aan. )Weg
met de despoten en onderdrukkers" rep men luide in het
Godshuis, dat wellicht, zonder tusschenkomst van de gewapende macht, de plaats van vreeselijke tooneelen geworden
was (16 Maart 1798). Men benoemde een voorloopig bestuur, totdat door de stemgerechtigde contribuanten een nieuw
gekozen werd, dat uit 15 leden (manhigim) zou bestaan, die
( 1)
1
) irvitr
277
ieder jaar moesten aftreden. — In het vorige jaar waren twee
Joden, Bromet en de Lemon, in de Nationale conventie gekozen.
Niet lang daarna nam voor het eerst een Israeliet, Mozes
Moresco, plaats in den stedelijken raad van Amsterdam en
Mazes Asser in de rechtbank aldaar. De nieuwe gemeente
was niet weinig trotsch op de eervolle onderscheiding, sommigen barer leden te -beurt gevallen. Over het algemeen
vond zij bij de voorstanders der Bataafsche vrijheid meer
waardeering dan de oude gemeente, waar men zich met de
nieuwe orde van zaken niet kon vereenigen en wier leden
nog niets verftauwd waren in hunne gehechtheid aan het huis
van Oranje. Dezen verlangden zelfs, dat de oud-parnassijns,
hoofdzakelijk door de Iaanhangers van Korachs-gemeente"
van hun post ontzet, weder in hun waardigheid zouden hersteld worden. De regeeringscommissie wenschte de zaak in
der minne te schikken en den vrede te herstellen. Zij stelde
voor, het oude en het toenmalige bestuur te vereenigen en
zoodoende aan den wensch van beide partijen te gemoet te
komen. Men wilde evenwel daarvan niets hooren en volhardde • bij den wensch, dat de oud-parnassijns alleen het
gezag in handen zouden krijgen, wat dan ook eindelijk geschiedde. Velen sloten zich echter uit misnoegdheid hierover bij Adath jeschurun aan, welke gemeente daardoor in
ledental toenam. Zij had zich eindelijk geheel geconstitueerd als een zelfstandige gemeente en was in het bezit gekomen van alles, noodig voor het Joodsche gemeenteleven,
als : eene Synagoge (ingewijd 27 September 1799), kerkelijk bad, vleeschhal, begraafplaats (op den Overveenschen
weg nabij Haarlem) enz. Alle pogingen tot verzoening,
door het staatsbestuur aangewend, bleven vruchteloos, zoodat
de scheuring in de Hoogduitsche gemeente tijdens de Bataafsche republiek voortduurde.
HOOFDSTUK LV.
Be Joden in het Fransche Keizerrijk.
1806 —1813.
Het begin van de i -9deeeuw opende voor den Corsicaanschen held, die eindelijk tot Keizer van .Frankrijk uitgeroepen was (18o4), een tijd van voortdurend krijgsgeluk,
staatkundige grootheid en onbeperkte heerschappij. Niettegenstaande zijn rusteloos streven, om gansch Europa onder
zijn schepter te brengen, behartigde hij toch de belangen
Mori. Gesch. III, 19
27 8
van de hem onderworpen volkeren, wonder daarbij te letten
op verschil van godsdienstige gezindheid, zoodat ook de
staatkundige toestand zijner Joodsche onderdanen vele verbeteringen onderging. Hadden de schitterende overwinningen
bij Austerlitz en Jena den nationalen trots der Duitschers
gevoelig gefnuikt, tevens verbraken zij de ketenen, waarin
de Duitsche Joden vele eeuwen gekluisterd waren. De zegevierende held duldde, gelijk wij reeds vroeger zagen, in
zijne landen geen ghetto's of beperkende wetten en bepalingen aangaande de Joden. Alle onderdanen moesten zich
aan dezelfde verplichtingen onderwerpen, maar zouden ook
dezelfde rechten genieten. Geen wonder derhalve, dat het
hart der Joden dankbaar klopte voor den machtigen monarch,
in wiens hand het lot van geheel Europa lag. Maar spoedig dreigde de vrijheidszon, wier stralen hen nog nauwelijks
verkwikt hadden, weer onder te gaan. Donkere vlekken
benevelden haar helder licht. Men trachtte de Joden bij den
keizer in ongenade te brengen en de bewondering, die deze
voor de nazaten van een heldengeslacht koesterde, voor
minachting te doen plaats maken. Vooral de Jodenvijanden
in de Duitsch-Fransche Rhijnprovincien brachten bij hem
bittere klachten in over den woekerhandel der Joden, die
zich verrijkten ten koste van bet goed van anderen. Zij
trachtten hem te bewegen, de emancipatie der Fransche Joden
weer op te heffen, en bereikten in zoover hun doel, dat de
keizer een decreet uitvaardigde, volgens hetwelk van elken
Israeliet, die een schuld wilde invorderen, geeischt werd een
bewijs, of te geven door de stedelijke overheid, behelzende
eene verklaring, dat cleze noch woeker noch eenige onwettige
nering dreef., Naar het schijnt, zag Napoleon zelf spoedig het
vernederende en onbillijke van dezen rnaatregel in. Hij bepaalde althans, dat deze maar van tijdelijken aard zou wezen.
Maar niet alleen in de Rhijnstreek stonden de Joden bloot
aan den haat en de verbittering van de onverdraagzame bevolking. Ook in Prankrijk, waar de Katholieke kerk de
heerschappij herkregen had, gingen stemmen op, om hun
het onlangs verleende burgerrecht, de vrucht der Fransche
revolutie, te ontnemen. Zoo werd andermaal de Jodenvraag
een punt van ernstige overweging en bespreking in 's keizers
staatsraad. Terwijl zich sommigen ten gunste van hen uitlieten en zich overtuigd hielden, dat hun emancipatie voor
het rijk niet anders dan goede gevolgen kon hebben, beweerden anderen, dat de klachten en beschuldigingen, tegen
hen ingebracht, niet zoo ongegrond waren. Napoleon zou
evenwel nimmer dulden, dat men hen weder tot den middeleeuwschen staat van afzondering terugbracht en bande
uit de maatschappij, die hun nauwelijks de rechten van den
279
mensch verleend had. Hij kwam nu op het denkbeeld, uit
de onderscheidene departementen van lrankrijk en Italie,
toen tot edn keizerrijk vereenigd, Joodsche gedelegeerden
naar Parijs te ontbieden en hun een tal vragen voor te
leggen, uit wier beantwoordlng hem blijken zou, of het Jodendom inderdaad haat en minachting predikte tegen de belijders van andere gezindten en diens aanhangers ten gevolge
daarvan geen goede, trouwe en eerlijke staatsburgers konden
wezen. Het aantal afgevaardigden bedroeg 112. Onder dezen bevonden zich lzak Berr en zijn zoon Michel Berr,
die zich indertijd zeer verdienstelijk gemaakt hadden door
hun bemoeiingen voor de emancipatie der Elzasser Joden ;
Abraham Furtaa'o uit Bordeaux, een man van hooge beschaving en edele gezindheid ; Jozej David Zinsheimer, de
geleerde rabbijn van Straatsburg ; Salomo Lipmann rabbijn
van Colmar en de Italiaansche rabbijnen, Abraham Vita de
Cologna en S?gre. Ook de gemeente Adathieschurun zond,
met toestemming van Lodewijk Bonaparte koning van Holland, uit Naar midden eenige vertegenwoordigers. De Portugeesche en Hoogduitsche gemeenten te Amsterdam volgden
dit voorbeeld. De eerste benoemde S. 111, Saportas, I. da
Costa Athias en I. Capadose, de laatste den toen reeds beAan de afge
roemden rechtsgeleerde Jonas Daniel
vaardigden werd een zaal van het stadhuis te Paris aangewezen tot het houden hunner zittingen. Volgens een mi-
nisterieel besluit had de eerste vergadering plaats op Sabbath.
Deze was gewijd aan de benoeming van een voorzitter,
secretaris en eene commissie van rapporteurs. Furtado
vereenigde de meeste stemmen op zich en opende nu als
voorzitter de volgende vergadering (29 Juli 18o6), waarin hij
het gewichtige doel dezer bijeenkomst uiteenzette. Alsnu
verschenen drie keizerlijke commissarissen, Mole, Portatis
en Pasquier, om hun de vragen voor te leggen, waaromtrent
zij den keizer rapport moesten uitbrengen, De eerstgenoemde
leidde deze vragen in met eene Diet heusche toespraak,
waarin hij ongeveer het volgende zeide : 2.Gij weer, dat
het gedrag van de meesten uwer geloofsgenooten klachten
veroorzaakt heeft, die voor den keizerlijkert troon gebracht
zijn, Alhoewel deze klachten gegrond zijn, wenscht de
keizer de verbittering te onderdrukken en van u de middelen
te vernemen, om het kwaad te genezen. De wetten, u als
belijders van bet Jodendom opgelegd, hebben over het
geheele aardrijk veranderingen ondergaan, Het belang van
bet oogenblik heeft ze dikwijls gewijzigd. Deze vergadering
nu kent geen voorbeeld in de jaarboeken uwer gescbiedenis,
Thans zijt gij voor de eerste niaal met billijkheid behandeld
en zult nu uw lot beslist zien door een Christen vorst,"
MoN. Gesch. III,
19*
280
De vragen waren : is de veelwijverij volgens de Joodsche
wet geoorloofd ? erkent zij eene echtscheiding, die de
staat niet als geldig beschouwt ? erkent zij huwelijken,
gesloten tusschen Joden en Christenen ? beschouwen de
Joden de Franschen als hun broeders en ,Frankrijk als liun
vaderland ? veroorlooft de wet den woeker jegens nietIsraelieten ? Eindelijk verlangde hij inlichtingen omtrent de
benoeming en de bevoegdheden der rabbijnen.
De voorzitter beantwoordde met eenige woorden Mole's
toespraak en verzekerde, dat de vergadering met vreugde
het oogenblik begroet, waarop haar de gelegenheid gegeven
is, het Jodendom door het Licht der waarheid te doen beschijnen en daardoor vooroordeelen en valsche voorstellingen
te verwijderen, die nog allerwege omtrent diens belijders
heerschen." De commissie, belast met het maken van een
ontwerp ter beantwoording van verrnelde vragen, bestond
uit den voorzitter en den secretaris der vergadering, de rabbijnen Zinsheimer, di Cologna en Segre en twee leeken, /zak
Berr en Lazare, Het leeuwendeel had Zinsheimer, die zijne
taak in korten tijd voltooide, zoodat de afgevaardigden met
hunne werkzaamheden al spoedig konden beginnen (4
Augustus). De beantwoording van de vragen omtrent veelwijverij en echtscheiding baarde niet veel moeielijkheid.
Al stond de Joodsche wet de polygamie toe, toch had reeds
acht eeuwen geleden bijna het geheele Europeesche Jodendom zich onderworpen aan een rabbinaal besluit, dat haar
ongeoorloofd verklaarde. Voorts erkende de vergadering,
dat geene echtscheiding geldig erkend wordt, zoo daarbij
niet de behoorlijke burgerlijke formaliteiten pla,ats gevonden
hadden. De vraag betreffende de wettigheid van gemengde
huwelijken gaf aanleiding tot ernstige debatten. Van de
leeken maakten velen, voor wie de staatkundige belangen
hooger stonden dan de godsdienstige, geen bezwaar, ook
deze vraag in bevestigenden zin op te lossen. Niet alzoo
de rabbijnen, die zich overtuigd hielden, dat door de sanctioneering van gemengde huwelijken het Jodendom onvermijdelijk ten verderve gevoerd werd. Aan den anderen
kant achtten zij het voor het behoud der burgerlijke vrijheid
en gelijkstelling niet gewenscht, deze kortweg te veroordeelen.
Men vereenigde zich eindelijk met het taktvol antwoord der
commissie, dat in hoofdzaak op het volgende neerkwam.
Alhoewel de Mozaische wet alleen de verzwagering met de
Kenaanietische stammen verbiedt uithoofde hunner afgoderij
en de Europeesche volkeren niet als afgodendienaars kunnen
beschouwd worden, zouden toch de rabbijnen ernstig gemoedsbezwaar maken tegen het voltrekken van gemengde
buwelijken. Bij eene echtverbintenis toch, wil zij in Joodschen
281
zin gesloten worden, moeten zekere ceremonien plaats vinden,
die uit den aard der zaak voor den niet-Israeliet Beene waarde
of bindende kracht kunnen hebben. Ook de geestelijken van
andere gezindten zouden zich uit een godsdienstig oogpunt
verzetten tegen de wettigheid van zoodanige huwelijken.
Uit dien hoofde kunnen deze dan ook slechts in bur o-erlijken,
maar niet in godsdienstigen zin geldig beschouwd°worden.
De vraag, of de Joden de Franschen als hun broeders en
Frankrijk als hun vaderland beschouwden, werd beantwoord
door een beroep te doen op den geest des Joder1doms,
dat naastenliefde en burgertrouw onder zijne voornaamste
plichten telt, zoodat de Joden in niets anders dan in godsdienstige overtuiging van hun medeburgers verschillen. De
vraag aangaande den woeker bood een geschikte gelegenheid,
om eene eeuwenoude, valsche beschuldiging te ontzenuwen.
De Joodsche wet, zoo ongeveer luidde het antwoord, verbiedt het nemen van elke bovenmatige rente, zelfs van den
niet-Israeliet. Het Bijbelsch voorschrift, den Israelietischen
broeder zonder rente te leenen, berust op de algemeen
erkende Joodsche liefdadigheid, wier beginselen, zooals blijkt
uit vele voorschriften en sententien van de talmudische
ethiek, jegens ieder, zonder onderscheid van geloof, moeten
toegepast worden.
Mole gaf den afgevaardigden 's keizers tevredenheid te
kennen met de beantwoording der door hem gestelde vragen
en verzekerde hun, dat de keizer hun stamgenooten in het
volkomen bezit hunner burgerrechten zou laten, )Maar,"
zoo ging hij voort de keizer verlangt ook een. waarborg,
dat de beginselen en denkbeelden, in uwe antwoorden
vervat, in toepassing zullen gebracht worden. Deze waarborg kan hem alleen verstrekt worden door de herstelling
van het groote Synhedrion, welks wetten en besluiten, evenals
ten tijde van het bestaan des tempels, door het geheele
Jodendom opgevolgd moeten worden. Hij wenscht daarom,
dit eerbiedwaardig college weer in het leven te roepen, om
het yolk, waarover het zal regeeren, te herinneren aan den
waren geest van zijne heilige Schrift en deze zoodanig te
vertolken, dat alle valsche verklaringen gelogenstraft worden.
Het zal Israel leeren zijn vaderland te beminnen en het wijzen
op de plicht, om de liefdc, die het aan zijn voormalig
vaderland verbond, te schenken aan den bodem, waar het
sinds zijn staatkundigen val weder voor het eerst onbeperkte
vrijheid geniet." Deze keizerlijke boodschap, die een zuiver
Franschen geest ademde, maakte diepen indruk. De voorzitter dankte namens de vergadering voor dit hernieuwd
bewijs van keizerlijke genegenheid en hoopte, dat met de
medewerking van de commissarissen dit denkbeeld zou
282
verwezenlijkt worden. In de eerste plaats besloot men, dat het
Synhedrion, evenals weleer, uit 7o leden — behalve den voorzitter zou bestaan, meerendeels te kiezen uit de leden dezer
vergadering. Eene commissie, benoemd uit de vergadering,
ontwierp in overleg met de keizerlijke commissarissen een
concept-reglement, dat aan de goedkeuring van het Synhedrion
zou voorgelegd worden, Het behelsde een geheel uitgewerkt
plan aangaande de consistoriale inrichting van het Israelietisch
Kerkgenootschap in het Fransche keizerrijk, dat de volgende
punten bevatte. In elk departement, dat minstens 2000
Israelieten telt, wordt een consistorie opgericht, bestaande
uit drie bezoldigde geestelijken (een opperrabbijn en twee
rabbijnen) en drie notabelen uit de hoofdplaafs van het
departement. Deze kiezen uit het departement nog 25
personen, boven de 3o jaar, tot commissie van bijstand.
De consistorien hebben de taak : te zorgen voor de handhaving van de synhedriale besluiten ; de bevordering van
de maatschappelijke ontwikkeling der Israelieten door het
laten leeren van ambachten, bedrijven enz. en alles aan
te wenden, wat tot hun stoffelijke verbetering kan leiden.
De rabbijnen zijn mede verplicht : hun gemeenteleden gehoorzaamheid in te prenten aan de landswetten, in de
synagogen te prediken, voor het welzijn van het keizerlijk
huis te bidden, rabbinale functien te verrichten en te zorgen, dat Joodsche jongelingen zich stipt onderwerpen aan de
rnilitaire dienstplichtigheid. De consistorien staan alle onder
het centraal-consistorie te Parijs, dat saamgesteld is uit
drie opperrabbijnen en twee notabelen. Dit bekrachtigt
de benoeming der rabbijnen, stelt ook in sommige gevallen
hun ontslag voor aan de regeering, met welke het voor
de algemeene belangen des Jodendoms in voortdurende
verbinding staat. Alhoewel dit ontwerp niet de algeheele
goedkeuring der vergadering wegdroeg, omdat het gezag der
rabbijnen daardoor ondermijnd werd, hun den weg tot zelfstandig optreden afsneed en hen tot keizerlijke politiedienaars
verlaagde, waagde toch niemand, uit vrees voor den keizer,
daartegen zijn stem te verheffen, zoodat het aangenomen
werd (26 September). Na afloop van de voorbereidende
werkzaamheden maakte men door eene proclamatie, opgesteld in vier talen (Hebreeuwsch, Fransch, Duitsch en
Italiaansch), de Joodsche gemeenten van het keizerrijk
bekend met het keizerlijk besluit aangaande het herstel van
het groote Synhedrion. De afgevaardigden kwamen op
den bepaalden datum te Paris, waar men hen in de rijk
versierde synagoge op plechtige wijze ontving. Van daar
begaven zij zich in statige kleeding naar de voor hen bestemde vergaderzaal. De voorzitter (nasi) David Zi nsheimer
2 83
zette in een schoon openingswoord het doel en den werkkring van het Synhedrion uiteen en verklaarde dit belangrijk
college geconstitueerd (9 Februari 1807). Hem stonden
ter zijde Sigre als ondervoorzitter (ab beth-din) en di
Cologna, die den titel chacham voerde. Aan de tweede
bijeenkomst (12 Februari) namen ook deel de afgevaardigden
van Adath Jeschurun, Mr. C. Asser, Dr. de Lemon en J.
Littzvack. Zij gaven hun ingenomenheid te kennen met
het grootsche denkbeeld van den beminden keizer en verklaarden, zich te zullen onderwerpen aan de besluiten van
dit eerbiedwaardig college. Ook van Fransche en erikele
buitenlandsche gemeenten kwamen adressen in, waarin deze
hare ingenomenheid betuigden met de constitueering van
het groote Synhedrion. Verscheidene zittingen werden nu
gewijd aan de vaststelling der bepalingen, die als uitvloeisels
kunnen beschouwd worden van de verhandelingen, gehouden
door de vroegere afgevaardigden over de keizerlijke vragen.
Men vatte deze in negen artikelen samen, die handelen
over veelwijverij, echtscheiding, huwelijk, naastenliefde, moraliteit en de burgerlijke en staatkundige verhouding tot
andersgeloovigen. Het ontwerp-reglement betreffende de
consistoriale inrichting van het Israelietisch Kerkgenootschap
ondervond geen tegenstand bij het Synhedrion, dat zich in
alles naar den wil van den gevreesden Napoleon schikte.
In vele Duitsche staten waarover Napoleon thans den
schepter zwaaide, zagen de Joden zich ontheven van de
drukkende en onteerende wetten en bepalingen, waaronder zij eeuwen gebukt gegaan waren. Alleen in Beijeren
en Saksen bleven deze nog in voile kracht. Maar in het
koninkrijk Westphalen, waarover Napoleons broeder jeryime
regeerde, alsook in de meeste staten van het Rhijnverbond
kwam daaraan een einde tegelijk met de invoering eener
meer vrijzinnige staatsregeling. Daartoe droegen ook veel
bij de bemoeiingen van Israel Jacobson (1768-1828), wien
de stoffelijke en staatkundige belangen zijner geloofsgenooten
zeer ter harte gingen. Zijn rijkdom en zijne beschaving verschaften hem toegang aan sommige Duitsche hoven, waar
hij slaagde in zijne pogingen tot de opheffing van den
onteerenden Jodenlijftol. In dit opzicht heeft zich ook
verdienstelijk gemaakt Wolf Breidenbach (gest. 1828). Tusschen deze beide mannen bestond overigens een hemelsbreed
onderscheid. De laatste was een nederig en bescheiden
man, Jacobson daarentegen zeer ijdel en roemzuchtig. Hij
haakte naar aanzien en eer en greep iedere gelegenheid
gaarne te baat, om te schitteren door zijn redenaarstalent.
Het spreekt van zelf, dat zijne geloofsgenooten grooten
eerbied koesterden voor dezen man, die in beschaving en
3 84
ontwikkeling ver boven hen stond en bovendien met aardsche
goederen in ruime mate bedeeld was. Toen Jer 'dine Napoleon
zijn Joodschen onderdanen van het koninkrijk Westphalen
het voile burgerrecht verleend had (27 Januari 1808) en
dezen zich genoopt gevoelden, den edelen vorst daarvoor
hun dank te betuigen, was het Jacobson, die zich met eene
deputatie naar Kassel begaf en als hun vertegenwoordiger
optrad. Bij deze gelegenheid sprak hij den vorst toe in
het Fransch. Deze onderhield zich geruimen tijd met de
afgevaardigden en verlangde, dat zij nu ook de middelen
zouden beramen, die konden leiden tot de stoffelijke verbetering van den toestand der Joden, hunne ontwikkeling en
algemeene beschaving. Zij ontwierpen een plan betreffende de
inrichting van een Joodsch consistorie van het koninkrijk Westphalen, waarop al spoedig de koninklijke goedkeuring (31
Maart) volgde. Volgens deze regeling zou het consistorie, waarvan Kassel als hoofdplaats aangewezen werd, bestaan uit drie
rabbijnen en vier leeken, wier bevoegdheden en instruction
ongeveer dezelfde waren als die van de consistorien in het
keizerrijk. Tot voorzitter werd Jacobson aangewezen, die
zich dan ook het meest met hare organisatie had bezig
gehouden. De eerzuchtige man had thans het toppunt zijner
wenschen bereikt. Hij toch stond als het ware aan het hoofd
van het Westphaalsche Jodendom en oefende een bijna
onbeperkt gezag uit, daar zijn medeleden zich geheel en al
aan zijn wil moesten onderwerpen. Niemand had den moed,
zijne meening te bestrijden. Hij nu hield zich overtuigd,
dat het Jodendom in menig opzicht hervormd en meer in
overeenstemming met den geest des tijds gewijzigd moest
worden. Of deze hervormingen ook aandruischten tegen
het karakter en de geschiedkundige ontwikkeling van het
Jodendom, daarom bekommerde hij zich minder. In de
eerste plaats wilde hij, dat de eeredienst door meer praalvertoon opgeluisterd zou worden. Aan de godsdienstschool
te _Kassel verbond hij eene synagoge, waar grootendeels in
het Duitsch gebeden en gezongen werd ; waar jongens en
meisjes, naar Christelijke wijze, door het afleggen van een
uit het hoofd geleerde geloofsbelijdenis als lidmaten aangenomen werden ; kortom, waar het kinderlijk gemoed
gaandeweg ontwend werd aan de beschouwingen van het
oude Jodendom, dat wars is van dusdanige ijdele praalvertooningen. Maar daarmede was Jacobson nog niet tevreden.
In Seesen (een vlek nabij Brunswijk), waar hij reeds vroeger
op eigen kosten een Instituut opgericht had tot verzorging
en opvoeding van Joodsche en Christen kinderen, kwam
nu ook een tempel, waar orgel en koor den eeredienst
zouden opluisteren. Bij de inwijding van dit nieuwe Gods-
huts fungeerde hij zelf als rabbijn. In pontificaal gewaad
bekiom hij den kansel en hield, ten aanhoore eener
talrijke schaar Joden en Christenen, eene redevoering,
waarvan hij zelf waarschijnlijk het meeste genoegen had.
Al heeft Jacobson door zijne hervormingen het Jodendom
meer nadeel dan voordeel toegebracht, zoo mogen wij hem
toch niet den lof onthouden, die hem als bevorderaar van
de stoffelijke en maatschappelijke belangen zijner geloofsgenooten toekomt. Zijn naam bleef dan ook in dierbaar
aandenken bij het Westphaalsche Jodendom, welks consistoriale inrichting tegelijk met den val van het koninkrijk
Westphalen ophield (z 8 i 2).
Evenals Jerome gaf ook zijn broeder Lodewiik Napoleon,
de menschlievende koning van Holland, vele blijken van
welwillendheid jegens zijne Joodsche onderdanen. Hij handhaafde de beginselen hunner burgerlijke gelijkheid niet
alleen, maar trachtte ook alle hinderpalen te verwijderen,
die aan hun stoffelijke welvaart • in den weg stonden. ')
Reeds kort na zijne aanvaarding van het koningschap stelde
hij pogingen in het werk, om aan de scheuring in de Hoogduitsche gemeente te Amsterdam een einde te maken.
Daartoe benoemde hij eene commissie, bestaande uit twee
leden (j, D. Meijer en Jonas Rintel) van de oude en een
lid (Littwack) van de nieuwe gemeente, die zich nog drie
personen konden toevoegen, zoo hun zulks wenschelijk
voorkwam. Na lang beraad kwam eindelijk een plan van
schikking en vereeniging tusschen de beide gemeenten" tot
stand. Het ontwerp, waarin o. a. bepaald werd A dat alle
plaats gehad hebbende twisten en oneenigheden verklaard
werden geheel en al te hebben opgehouden" werd, behoudens
enkele wijzigingen aangenomen en bekrachtigd door een
koninklijk I reglement voor het Kerkbestuur der Hollandsche
Hoogduitsche gemeente binnen Amsterdam" (1809). Het
nieuwe reglement handelde over de bevoegdheid van de
lidmaten, stemgerechtigden en parnassijns en voorts over
de openbare godsdienstige ceremonien, het armwezen enz.
Ook kwam een reglement tot stand voor het eveneens door
een koninklijk besluit benoemde opperconsistorie, dat echter
van kortstondigen duur was. Koning Lodewijk wilde ook
eene reorganisatie brengen in het Godsdienst-onderwijs. In
de eerste plaats wenschte hij, dat dit niet langer in het
Joodsch-Duitsch (jargon), maar in het Nederlandsch zou
1 ) Ten bewijze van zijne verdraagzaamheid kan o. a.
dienen, dat hij de weekmarkten van sommige steden in
plaats van op Sabbath op een anderen dag bepaalde, opdat
ook de Joodsche kooplieden daaraan konden deelnemen.
28 6
gegeven worden.' Maar de uitvoering van dit besluit liet
nog zeer veil te wenschen over, alhoewel zich een genootschap 1) vormde, dat ten doel had P de uitgave te bevorderen
van Nederduitsche opvoedingsgeschriften ten behoefte der
Israelietische jeugd." Daar de Joden wel tot den krijgsdienst
verplicht waren, maar niet tot de schutterij, die nog als
een soort gilde beschouwd werd, kwam Lodewijk op het
denkbeeld, een korps vrijwilligers op te richten, alleen uit
Joden bestaande. Zij werden daartoe opgeroepen in eene
afkondiging, die in alle synagogen van het koninkrijk plaats
vond. 2) Deze miste haar doel niet. Er vormden zich twee
Joodsche bataillons, elk 813 man sterk. Met de inlijving
van Holland bij Frankrijk hield dit corps op. Thans
moesten de Joden in de vernedering hunner Christelijke
landgenooten deelen en werden honderden van hen ingedeeld
in het keizerlijke leger, dat hem op zijn moeielijken en
gevaarlijken tocht naar Rusland volgde.
HOOFDSTUK LVI.
De staatkundige en godsdienstige toestand der Joden
in Duitsehland.
1813 —1830.
Napoleons tocht naar Rusland maakte een einde aan zijn
roemrijke regeering, daar van toen of het ongeluk hem
bijna overal op den voet volgde. Zijn heerschzucht en
overmoed werden gefnuikt door de zware en onherstelbare
nederlagen, hem toegebracht in den strijd tegen de groote
Europeesche coalitie. Thans konden Europa's staten, bevrijd
van de boeien en het knellend juk eener zware tirannie,
weder vrij adem halen. Maar niet zoo de Duitsche Joden,
voor wie de vruchten van de revolutie en de daarop gevolgde Fransche overheersching met het herstel van Duiisch-
))
Irrr 4s tiv -unt, 11:m.
2 ) Ook verscheen een werkje : ' Aanmoediging aan de
Hollandsche Israelieten tot het betreden van de voor hen
geopende loopbaan van den krijgsdienst" waarin gewezen
werd op de belangrijke heldendaden, door de Israelieten,
zoowel in Nederland als daarbuiten, verricht.
287
lands onafhankelijkheid verloren gingen. De Jodenhaat,
door het Fransche geschut tot zwijgen gebracht, dook met
Bonaparte's val onmiddellijk uit zijn donkere schuilplaa.tsen
te voorschijn. Wel werden op het Weener congres (1815)
door den invloed van den rijken bankier Meir Anschel
Rothschild uit Frankfort en de barones Fanny Arnstezn
ten opzichte der Joden gunstige besluiten genomen en hun
het vooruitzicht geopend op het behoud van de bun reeds
verleende rechten, maar de uitvoering dezer besluiten,
waartoe vooral de vertegenwoordigers van Pruisen en
Oostenrijk, de prins van Metternich en de graaf van
Hardenberg, veel bijgedragen hadden, stiet of op den hardnekkigen tegenstand van Beieren, Saksen en de Hansesteden.
Reeds tijdens de zittingen van het congres drong men in
Frankfort aan op de inkrimping van hun rechten. In
Lubeck en Bremen ging men nog verder, daar de burgerij
hen uit het stadsgebied wilde verdrijven. In vele steden
(Hanover, Hildesheim e. a.) hief men openlijk hun gelijkstelling met de overige bevolking op. Zoo dreigden de
middeleeuwsche toestanden terug te keeren in het begin
van de eeuw der beschaving., Gelijk vroeger hoorde men
thans weder beweren, dat de Israelieten als vreemdelingen
op Duitschen bodem te beschouwen waren ; als indringers,
die geene aanspraak hadden op burgerrechten. Niet alleen
in woord, maar ook in schrift verbreidde men deze even
snoode als valsche bewering. Met de wapenen van een
ernstig staatkundig overleg bestreed de pers de gelijkstelling
der Joden, o m daardoor te verdedigen het verzet tegen de
uitvoering der besluiten, ten aanzien van hen op het congres
genomen. De Berlijnsche hoogleeraar Frederik Ruhs kwam
in een geschrift : " de aanspraak der Joden op het Duitsche
burgerrecht" onbewimpeld met zijne meening voor den dag,
dat hun uit hoofde van hun natuurlijke en ingewortelde
gebreken in karakter en aanleg alsook wegens de eigenaardige begrippen van hnn geloof het burgerrecht niet kon
verleend worden. Zij moesten zich dus maar met de
rechten van vreemdelingen tevreden stellen. Nog verder
ging Frederik Fries, een Heidelbergsch professor, die de
ongeschiktheid der Joden reeds uit de geschiedenis van hun
eersten aartsvader afleidde en door de bekrachtiging der
vroegere uitsluitingsedicten het Jodendom ten gronde wilde
richten.
De opruiende taal van deze en andere priesters der
wetenschap vond weerklank in het gemoed van velen hunner
leerlingen. Tot schande van Duitschlands geletterde wereld
gat dan ook de studeerende jongelingschap van de hoogeschool te Wurzburg het eerste sein tot eene scbandelijke
388
Jodenvervolging. Onder woest getier en geschreeuw van
hep ! hep !" (dat in de studententaal zoo veel als houd
vast !" beteekent I)) drong men de winkels der Joden binnen
en vernielde of plunderde alles, wat men meester kon
worden (1819). Velen, die den geweldenaars weerstand
wilden bieden, werden gewond of gedood. Wurzburg was
ongetwijfeld het tooneel eener vreeselijke Jodenslachting
geworden, zoo niet spoedig de overheid krachtige maatregelen genomen had. Maar toch moesten op aandrang
van het woedende yolk weldra ongeveer 400 Joden de stad
verlaten. Vele andere steden volgden spoedig dit treurig
en schandelijk voorbeeld. Ook in Frankfort was het hep !
hep !" het wachtwoord, om de Joden openlijk te beleedigen
en te mishandelen. Het gevaar werd zoo dreigend, dat
enkelen de stad verlieten. De familie Rothschild, wier rijkdom en politieke invloed een doom in het oog der Christelijke
patriciers waren, dacht er eveneens ernstig aan, zich elders
metterwoon te gaan vestigen. Waar zagen de Joden niet
met vrees de toekomst te gemoet ? In Karlsruhe had men
aan de synagoge en vele huizen van Israelieten plakkaten
aangeplakt met : z dood en verderf aan de Joden." In
Hamburg durfde zich bijna geen hunner op straat vertoonen.
In Heidelberg nam de verbittering eveneens toe. Waar
men het niet waagde, de hand tegen hen op te heffen,
vervolgde men hen met allerlei smaadwoorden en beschimpingen. De middeleeuwsche vervolgingszucht werd nog
aangewakkerd door een schandelijk pamflet van zekeren
Hundt, bijgenaamd Radowski, die het maar het best hield,
de Joodsche mannen als slavers en de vrouwen voor bordeelen te verkoopen. Wel traden enkele edeldenkende
Christenen (Johan Ludwig Ewald en Aug-ust Kramer) voor
hen in de bres, maar men was doof voor de stem der
billijkheid. Even vruchteloos bleven de pogingen door de
Joden zelve aangewend. De Jodenhaat kon niet uitgewischt,
het vooroordeel niet opgeheven worden. Desniettemin kon
men niet meer zooals vroeger de Joden beschuldigen van
gebrek aan beschaving of deelneming aan den bloei en de
ontwikkeling van hun vaderland. Het Jodendom, welks
zonen nog maar eenige tientallen jaren toegang hadden tot
de inrichtingen van hooger onderwijs en mede mochten
arbeiden op het veld der klassieke wetenschappen, bracht
immers thans reeds mannen voort, die zich op het gebied
I) Naar de meening van anderen de beginletters van de
voor de Joden kwetsende woorden : Hierosolyma est (voor
sunt) perdita" (jeruzalem is verwoest).
289
der Duitsche letterkunde grooten naam verworven, daaraan
zelfs een geheel nieuwe richting geschonken hebben. Onder
dezen nemen _Ludwig - Borne =) en Heinrich Heine de eerste
plaats in. Beiden hebben door een samenloop van omstandigheden het geloof hunner vaderen afgezworen en zich
in de armen van het Christendom geworpen, maar konden
toch den smaad, hun stamgenooten aangedaan, niet ver-
1 ) Ludwig Borne,
eigenlijk Leib Baruch (1786-1837),
de zoon van Jacob Baruch, een van de aanzienlijkste Joden
uit .Frankfort, bezocht met veel vrucht eenige Duitsche
hoogescholen en keerde als doctor in de wijsbegeerte naar
zijn geboorteplaats terug. Hij kreeg eene aanstelling bij
de politie, die hij echter, na den val van Napoleon, verloor
en wel, • omdat hij lsraeliet was. Met ijver trad hij thans
voor zijne geloofsgenooten in de bres. Toen de senaat
van Frankfort het contract, volgens hetwelk den Joden
dezer stad bet burgerrecht voor de aanzienlijke som van
440.000 gulden verleend was, voor nietig verklaarde, verzamelde Borne al de bescheiden, die daarop betrekking
hadden, en gaf deze in het licht (1816). Des te opmerkelijker is het, dat hij reeds twee jaar later tot het Christendom overging. Hij hield dien stap dan ook geruimen tijd
verborgen, zelfs voor zijn eigen verwanten. Zoowel in zijne
tijdschriften als in andere pennevruchten kenmerkt hi; zich
als een talentvol verdediger van de liberale en de democratische beginselen. Van een geheel ander karakter was
zijn geestverwant Heinrich Heine (1799 —1856), evenzeer
een geestig prozaschrijver als een uitstekend dichter, wien
het echter aan vastheid van beginselen ontbrak, om zich
tot een hoogen trap van volkomenheid te ontwikkelen.
Zoowel het heilige en verhevene als het lage en gemeene
koos hij tot het mikpunt van zijn bijtende satiren en grillige luim. Zijne gedichten ademen een verlangen naar
idealen, die hij evenwel niet kon bereiken. Niettegenstaande
zijn overgang tot een ander geloof leefden de herinneringen
aan het Jodendom, dat hij in de ouderlijke woning beter
dan Borne had leeren kennen, bij hem voort en was het
hem een waar genoegen, daarvan te gewagen. Hij dreef
vaak den spot met zich zelf over zijne afvalligheid en beschimpte anderen, die zich tot dezen dwazen stap lieten
verleiden. Evenals Borne bracht ook hij vele jaren te Parijs
door, waar hij overleed. Eenige dagen voor zijn dood
moet hij met volle overtuiging tot God teruggekeerd zijn.
(Zie daaromtrent zijn testament, medegedeeld in : Heinrich
Heine's Familienleben. Hamburg 1_92 bl. 322).
290
dragen. Met onverschrokkenheid traden zij in hunne geschriften op tegen de Duitsche natie, wier gebreken zij, als
de hoofdvertegenwoordiprs van de radicale letterkunde, op
meesterlijke wijze hekelden.
De smaad en vernedering, waaronder de Joden wederom
gebukt gingen, had een tweeledig gevolg. De strengvromen
werden daardoor nog versterkt in hun overtuiging, dat
Mendelssohn en zijne volgelingen niets hadden bijgedragen
tot het heil des Jodendoms, dat zijn levenskracht dan ook
alleen kon vinden in het strenge vasthouden aan alle oude
vormen, begrippen en toestanden. Daarentegen zochten
anderen juist daarin de oorzaak van de minachting, waaraan
men allerwege blocktstond. De Joodsche stam — zoo beweerden zij — klemde zich met te veel angstvalligheid vast
aan eeuwenoude en daardoor ook verouderde beschouwingen
en bestendigde toestanden, die noodzakelijk veranderingen
behoefden. Of werd het niet meer dan tijd, dat vernedering
kwam in het onderwijs, gegeven in een zoogenaamden cheder
(school) door een Poolschen rabbie in een wanstaltig jargon,
en vaak zonder eenig systeem ? Ten gevolge van Israels
langdurige ellende was de synagoge de plaats geworden,
waar men elkaar het lief en Teed mededeelde, iets wat veel te
kort deed aan den ernst en de stille aandacht, die men in het
bedehuis mocht verwachten. Men beschouwde zich daar
thuis als in de ouderlijke woning, waar men geheel naar
de ingevingen van zijn gemoed zijn hart kon uitstorten
voor den Hemelschen Vader. Aan dit dwaalbegrip moest
een einde komen. De synagoge mocht niet langer door
gemis aan orde en passend decorum bij andere bedehuizen
ten achter staan. Deze eisch was alleszins gewettigd. Maar
de hervormers gingen nog verder. De Duitsche predikatie
zou niet alleen de ouderwetsche derascha vervangen en een
koor het zijne bijdragen tot opluistering van den eeredienst,
maar ook de orgeltonen moesten in de Joodsche bedehuizen
weergalmen en de gebeden in plaats van in het Hebreeuwsch
in het Duitsch gelezen of gezongen worden. Zooals wij
vroeger zagen, had Jacobson daarmede een begin gemaakt,
die, na de opheffing van het Westphaalsche consistorie,
naar Berlin vertrok (1813), waar hij op den door hem
ingeslagen weg der hervorming voortging. Hij liet in zijn
huis een -zaal tot synagoge inrichten en toen deze te klein
werd, een ruimer bidlokaal in orde brengen, waar de dienst
geschiedde onder begeleiding van orgel en koor. De predikatie vormde schering en inslag van den geheel in Christelijken geest geregelden eeredienst. Deze vond veel bijval
in de Duitsche hoofdstad, waar het Jodendom sterk taande.
De Duitsche predikatien, meestal door Jacobson zelf ge-
291 .
houden, maakten, vooral wat vorm en inkleeding betreft,
op de meer ontwikkelden een geheel anderen indruk dan
de voordrachten van Poolsche of Hongaarsche darschanim,
die gewoonlijk elk logisch verband misten. Onder de Joodsche
studenten van de Berlijnsche hoogeschool, die deze predikatien
vaak volgden, behoorde Eduard Kley (1789-1867). Deze,
benoemd tot directeur van de Israelietische armenschool te
Hamburg, bracht de indrukken mede, opgedaan in de
Jacobsonsche synagoge, die de koning van Pruisen juist
kort te voren, op aandringen van eenige strenggeloovige
gemeenteleden, had laten sluiten. Hij schaarde zich gaarne
bij de voorstanders der hervorming en schreef A een catechismus van de Mozaische godsdienstleer" en een A Israelietisch-Duitsch-gebeden- en gezangboek." Dit laatste vervaardigde hij ten gebruike in den tempel, die te Hamburg
door de hervormde tempelvereeniging gesticht werd (1818).
Geruimen tijd bleef Kley als prediker verbonden aan de
nieuwe gemeente en went opgevolgd door Gothold Salomon
(gest. 1862), wiens kanselredenen, waarvan vele in het licht
verschenen zijn, vooral door sierlijke taal uitmunten, De
bouw en de daarop gevolgde inwijding van den Hamburgschen tempel hadden aanleiding gegeven tot een heftigen
strijd tusschen de voorstanders der hervorming of de verlichten en hare tegenstanders of de orthodoxen, zooals men
hen spottenderwijs noemde, In dien strijd mengde zich
ook Lazar Riesser, de vader van Gabriel Riesser, een beroemden . rechtsgeleerde en wakkeren strijder voor de
emancipatie zijner Duitsche geloofsgenooten. Deze, steeds
een trouw aanhanger van het oude Jodendom, verklaarde
zich, tot groote verbazing van beide partijen, in zijn zendbrief aan mijne geloofsgenooten in Hamburg" (1819) voor
de tempelvereeniging, Onuitputtelijk in lof en waardeering
voor de verlichten, bestempelde hij de orthodoxen met den
naam z huichelaars en schijnheiligen.' 1 Dit maakte de hervormers, wier denkbeelden al meer bijval vonden, nog
overmoediger. Ook te Leipzig verrees een tempel, waar geheel
het programma van de Hamburgsche tempelvereeniging
gevolgd werd. In andere plaatsen (Karlsruhe, Breslau e. a.),
nam men ook veel daarvan over.
Evenwel waren er nog gewesten, waar de nieuwe richting
in het geheel niet, of althans slechts in zeer geringe mate vermocht door te dringen. Daartoe behoorde de provincie Posen,
waar de invloed van enkele beroemde rabbijnen als R. Jakob
Lissa (gest. 1832) en Akiba Eger (1752-1837) nog sterk
genoeg was, om het streng talmudisch element de bovenhand
te doen behouden. De eerste, rabbijn in Lissa, beheerschte
het geheele gebied van den Talmud met veel grondigheid
292
en degelijkheid, zooals uit zijne vele werken ') duidelijk
blijkt. De tweede wijdde zich, niet alleen als jongeling
maar ook als man en familievader, toen de zorgen des
levens hem zwaar drukten, met onverflauwden ijver aan de
Joodsche studie. Hij verwierf zich grooten roem wegens
zijne verbazende talmudische geleerdheid en werd benoemd
tot rabbijn van .Friedland, welk rabbinaat hij 24 jaar bekleedde, tot hij dat van Posen aanvaardde. Aan zijne
geleerdheid 2) paarde hij een edel en beminnenswaardig
karakter. Door zijne bescheidenheid en gemoedelijkheid
won hij de liefde van jong en oud, stond bij alle standen
in aanzien, genoot ook de achting van andersdenkenden en
werd als een vader bemind door zijne talrijke leerlingen.
Ook in Hongarije bleef over het algemeen de eenzijdig
talmudische richting de heerschende, waardoor de gehechtheid aan den voorvaderlijken godsdienst zeer bevorderd
werd. Daartoe droeg vooral veel bij de overwegende invloed
van den beroemden R. Mozes Sofer (1762— I 839). Deze
bekleedde ruim 4o jaar het rabbinaat van Pressburg en
vormde in de J eschiba aldaar vele leerlingen, die in zijn
geest voortarbeidden. Met bezieling verdedigde hij zijne
overtuiging ; een heilig vuur brandde in zijn gemoed voor
alles, wat het heil des Jodendoms kon bevorderen. Zijne
beginselvastheid perste eerbied af; zelfs aan hen, die zijne
richting niet toegedaan waren. Zijne uitgebreide talmudische
en casuistische geleerdheid blijkt uit zijne beroemde T eschuboth-verzameling. 3) Naast deze mannen verdienen nog
bijzondere vermelding R. Mordechai Benet rabbijn van
Nikolsburg (gest. 182o) en Wulf Hamburger in Furth
(gest. 185o).
Intusschen maakten de veranderde tijdsomstandigheden
het noodzakelijk, dat de Joodsche geestelijke, wilde hij
inderdaad de vaan van het orthodoxe Jodendom hoog
houden, aan theologische bekwaamheid en talmudische geleerdheid een algemeene ontwikkeling op profaan gebied
verbond. Hij moest de geschiktheid bezitten, in beschaafde
taal en beschaafde vormen het standpunt, door hem in het
)) nri fin (commentaar op een deel van 11, rmin
-
t , ri nip?: (over rop rnthr) en w,r1 Tin ;-17011.
Hij schreef o. a. novellen van verscheiden talmudtractateri en glossen over alle deelen der 1Viischna.
') loo crirt.
T
2 93
rechtgeloovig Jodendom ingenomen, te kunnen verdedigen
tegen de aanvallen van Riesser en diens geestverwanten,
die den mond vol hadden van beschaving, verlichting, ontwikkeling, maar daarmede niets anders beoogden dan eene
stelselmatige slooping en vernietiging van het oud, eerbiedwaardig gebouw des Jodendoms. Zulk een man, die aan
Joodsche wetenschap en degelijke vertrouwdheid met Israels
rijke literatuur, aa,n bezielden en bezielenden godsdienstzin een
hoogen graad van wetenschappelijke beschaving paarde,
vond de oude Hamburgsche gemeente, die reeds geruimen
tijd geheel machteloos stond tegenover de steeds veld winnende tempelvereeniging, in lzah Bernays (1792-1849).
Vol bezieling voor Israels wereldzending aanvaardde hij
met heilige liefde zijn taak als opperrabbijn van Hamburg
(1821). Met onverflauwden moed en geestkracht streed hij
in zijne predikatien en voordrachten, die tintelden van
Joodsch gevoel en innige overtuiging van de verhevenheid
en waarheid des Jodendoms, tegen de hervormers, wier
oppervlakkigheid en dwaze hervormingszucht door hem bij
iedere gelegenheid bespottelijk gemaakt werden. De rabbijn
of de Chagam Bernays, zooals hij zich gewoonlijk liet
noemen, trachtte ook door onderricht aan ouden en jongen
de kennis des Jodendoms te bevorderen en daardoor een
kring te vormen van mannen, die zelf in staat waren,
weerstand te bieden aan de verleidende taal der logenprofeten. Zoo arbeidde hij tot wezenlijk heil van het
Jodendom, evenals zijn geestverwant .1zah Noa Mannheimer
(geb. te Koppenhagen 1793, gest. in Weenen 1865), een
priester in den edeisten zin des woords, die als leeraar der
jeugd, voorganger zijner gemeente en afgevaardigde in de
volksvertegenwoordiging met moed en overtuiging streed
voor deugd en waarheid, voor geloof en godsdienst, voor
naastenliefde en broedermin. Na de voltooiing zijner Joodsche en profane studie, aanvaardde hij in zijne geboortestad
het ambt van prediker, tot hij naar Duitschland ging, om
daar een ruimer arbeidsveld te zoeken. In verscheidene
plaatsen verkondigde hij het Godswoord en verwierf grooten
roem als kanselredenaar, zoodat de jonge gemeente van
Weenen hem tot Naar prediker benoemde. Maar daar deze
nog niet als gemeente erkend was aanvaardde hij deze
betrekk ing onder den titel van ' directeur der godsdienstschool.
Illannheimer wachtte thans een wel is waar
schoone maar moeielijke taak. Bij moest immers eerst
eene Joodsche gemeente in den eigenlijken zin des woords
stichten, de ouderen overtuigen van het verkeerde hunner
ijdele hervormingsplannen en de jongeren vormen naar zijn
geest. In de synagoge, op de school en in het gezin moest
Mori. Gesch. III, 20
294
door zijn woord, zijn onderricht en zijne gesprekken een
Joodsche geest gewekt, een Joodsch leven geschapen worden.
Voor deze grootsche zending was k/annheimer volkomen
geschikt. Zijne predikatien, die tot navolgenswaardige voorbeelden der nieuwere Joodsche homiletiek kunnen strekken,
ademen innige liefde voor het oude Jodendom, dat hij op
taktvolle wijze met de eischen van zijn tijd in ov ereenstemming wist te brergen. Deze kanselredenen, waarin het
Midrasch-element een hoofdrol speelt, en die daardoor ook
een echt Joodsch karakter dragen, spraken tot het verstand
niet minder dan tot het gemoed. De hervormingen, door
hem in den eeredienst ingevoerd, konden beide richtingen
bevredigen. Zij waren, evenals zijn herderlijke taal, de
trouwe afspiegeling van zijn streven naar verzoening en
verbroedering. De jonge gemeente met hare verschillende
inrichtingen voor godsdienst en weldadigheid, alle door
Mannheimers invloed in het leven geroepen, werd dan ook
een model voor de andere Oostenrijksche gemeenten. Want
ook hare stoffelijke belangen lagen hem na aan het hart.
In den Oostenrijkschen iijksdag waar hij als afgevaardigde
van de stad Brody zitting nam — behoorde hij onder de
voornaamste woordvoerders voor de afschaffing van de
doodstraf en de opheffing van de Jodenbelasting. Tot op
het einde zijns levens bleef hij, niettegenstaande hem in den
loop des tijds vele wederwaardigheden troffen, aan zijne
roeping getrouw. In de paleizen der rijken en in de hutten
der armen, in de feestzaal en aan de ziekensponde, in
tijden van voor- en tegenspoed trachtte hij door het opwekkend woord van den godsdienst troost en verademing
te schenken of tot trouw aan het voorvaderlijk geloof aan te
sporen. Zoo wisten Bernays en Mannheimer in de dagen
van woeling en strijd de vaan des jodendoms hoog te
houden en deze tegen woeste aanvallen te verdedigen.
1100FDS'TUK LVII.
Het ontluiken en de bloei van de nieuwere
Joodsche wetenschap.
1820 —1850.
Het was nu juist eene eeuw geleden, sinds van den
Protestantschen geestelijke Basnage (zie bl. 250) eene geschiedebis van het Israelietische yolk verschenen was. Dit
werk had evenwel in Joodsche kringen volstrekt geen opgang
gemaakt, alhoewel daarin met veel waardeering van dit
roernrijk yolk gesproken werd. Over het algemeen toonde
295 ,
Israel, zelfs in den bloeitijd van zijne letterkunde, weinig
zin voor de beoefening zijner eigen geschiedenis. Nu en
dan verscheen een dorre kroniek of een kort verhaal van
Israels lotgevallen in een enkel gewest, maar eene systematische behandeling zijner geheele geschiedenis liet nog
maar altijd op zich wachten. De groote ommekeer, dien
met bet begin der i 9 de eeuw niet alleen het staatkundig
leven, maar ook de opvoeding, het onderwijs, kortom de
geheele menschelijke denkwijze onderging, bracht ook daarin
eene verandering. Evenals onder den invloed van de machtige
wereldgebeurtenissen op het einde der I 8de en in het begin
der volgende eeuw in Duiisch/and de beoefening der geschiedenis vooral een hooge vlucht nam en men zich ale
rijke ervaring van het tegenwoordige ten nutte maakte, om
het volksleven van vroeger eeuwen beter te doorgronden,
zoo openbaarde zich ook in den boezem van bet Jodendom
bet edel streven, zijn eigen verleden beter te leeren kennen.
De overtuiging won al meer en meer veld, dat de kennis
der geschiedenis leidt tot opwekking van het nationaliteitsgevoel en dat door haar de letterkundige schatten beter begrepen en meer naar verdienste gewaardeerd zullen worden.
De eerste, die haar tot het onderwerp eener ernstige studie
maakte, was de begaafde, jong overledene (1822) Salomon
Lozelissohn. Zijne voorlezingen over de nieuwere geschiedenis der Joden" te Weexen gehouden en later gedeeltelijk dooj- den druk verspreid, hadden ten doel, zijne
hoorders bekend te maken met Israels lotgevallen sinds de
verstrooiing. Op eene meer volledige en wetenschappelijke
behandeling kan intusschen bogen lzak Marcus Jost (i793—
186o) Reeds op jeugdigen leeftijd ouderloos, werd hij
opgenomen in de Samsenschool te Wolfenbuttel (eene stichting
van lzak Samson), waar evenwel het onderricht en de
opvoeding nog veel te wenschen overlieten. Aldaar knoopte
hij kennis aan met den even jeugdigen Leopold Zunz, die
een andere Joodsche school bezocht. Zijn omgang met
Zunz, die reeds als knaap veel beloofde, oefende op hem
een gunstigen invloed. Nadat hij zich met de Joodsche
wetenschap vertrouwd gemaakt had, voor zoover de gelegenheid hem daartoe in staat stelde, legde hij zich toe op de
kennis der oude en nieuwe talen en voltooide zijne studie
aan de hoogeschool te Berlijn. Aldaar wijdde hij zich aan
het onderwijs en werd eindelijk (1835) benoemd tot directeur
van de Joodsche normaalschool in Frankfort alM, in welke
betrekking hij tot zijn dood werkzaam bleef. Naast dezen
nuttigen werkkring als leeraar en opvoeder der jeugd zocht
hij nog een ander arbeidsveld, en wel dat van de geschiedenis zijns yolks. Hij Wilde daardoor ook voor de
MoN Gesch. 111, 20*
296
volwassenen nuttig werkzaam zijn, die met hun eigen glansrijk verleden zoo goed als onbekend waren, en tevens de
andersgeloovigen overtuigen, dat de Israeliet, die op zulk
een verleden wijzen kan, ook aarspraak mag maken op
erkenning en waardeering. Naast zijn uitvoerige Geschiedenis der israelieten van den tijd der Makkabeen tot
op onze dagen" (door hem in Berlijn uitgegeven tusschen
de jaren 1819-1827), verschenen van hem eene beknopte
y) Algemeene geschiedenis van het Israelietische yolk (1832),
2Nieuwere geschiedenis der Israelieten van 1815-1845" en
eindelijk Geschiedenis van het Jodendom en zijne sekten"
(1857-1859). Alhoewel Jost tijdens zijn langdurig verblijf
te Berlin veel van de Jacobsonsche richting overgenomen
en onder den invloed van de denkbeelden der verlichten"
zijne geschiedenis bewerkt heeft, kan men toch niet ontkennen, dat hij de Joodsche wetenschap met belangrijke
pennevruchten verrijkt heeft. ') Hij was de eerste, die de
aandacht op meest nog onbekende historische bronnen gevestigd en de gron .dslagen van eene methodische behandeiing
der Joodsche geschiedenis gelegd heeft.
Dit uitgebreide, nog grootendeels braak liggende veld der
geschiedenis werd verder ontgonnen door mannen, die in
genialiteit en critischen geestiosi verre overtroffen. Daartoe
behooren in de eerste plaats N achman Krochmal, Salomon
Lob Rappoport en _Leopold Zunz. De beide eersten, wier
wetensaappelijke !onderzoekingen een fielder licht verbreid
hebben over veel, wat tot nu toe in het duister verborgen
lag, waren de stichters eener nieuwe school, die de Galicische
kan genoemd worden. Krochmal (geb. Brody 1785 gest,
Tarnoj5ol 184o) had nog de matte stralen van het ondergaande licht der Mendelssohnsche school opgevangen. Mendelssohn was het beeld, waarin hij zich spiegelde. Azarja
di Rossi, de verketterde Joodsche geschiedvorscher uit de
7-de eeuw, herleefde weder in zijn persoon. Niettegenstaande
den banvloek, door de eenzijdige talmudisten en kabbalistische
chasidim in Polen geslingerd tegen ieder, die zich met eene
andere studie dan Talmud of Kabbala bezig hield, zocht
Krochmal in het geheim zijn dorst naar kennis te lesschen
door ook uit andere bronnen van wetenschap te putten.
3 ) Behalve de genoemde werken leverde hij historische bijdragen voor wetenschappelijke tijdschriften. Ook redigeerde
hij een Joodsch-letterkundig tijdschrift Israeli etische Annalen
(1839-41) en nam, toen dit ophield, in vereeniging met
Creizenach, de redactie op zich van een Flebreeuwsch tijdschrift dat ook maar eenige jaren bestaan heeft.
2
97
Reeds in zijn jeugd maakte hij zich vertrouwd met Maimunis
More. Aan de philosophische geschriften van Philo,ibn Ezra
en Mairnuni wijdde hij zic% met dezelfde belangstelling als
aan die van de nieuwere Duitsche wijsgeeren. Door zijn
woord, voorbeeld en leiding spoor& hij ook anderen aan
tot onderzoek en navorsching. Zijn critische blik_ in het
aggadisch element van de Talmudische literatuur bracht
hem tot belangrijke ontdekkingen, die veel bijdroegen tot
een juister begrip van Israels innerlijke geschiedenis tijdens
den tweeden tempel. De uitkomsten zijner onderzoekingen
zijn neergelegd in een in het Hebreeuwsch geschreven
werk, z) dat eerst na zijn dood door Zunz uitgegeven is.
Krochmal werd nog overtroffen door zijn veelbegaafden
leerling en vriend Rappoport (geb. te Lemberg 179o, rabbijn
in Tarnopol en Praag, alwaar hij overleed 1867), wiens
scherpzinnige onderzoekingen veel aan het licht brachten,
dat nog geheel in het duister tag. Ook hij brandde van
gloeiende liefde voor de wetenschap, die hij echter in een
land, waar de eenzijdig-talmudische richting nog altijd de
overhand had, niet anders dan met vele moeielijkheden kon
bevredigen. 2) Hij overwon echter al deze bezwaren, geholpen door zijne genialiteit en scherpzinnigheid, waaraan
hij een ijzersterk geheugen paarde. Vele bronnen voor een
critisch onderzoek der Joodsche geschiedenis, waarvan tot
nu toe of geen of een zeer oppervlakkig gebruik gemaakt
was, werden door hem grondig behandeld bij zijne historische onderzoekingen. Het was zijn voornemen, een
biographisch werk te leveren van de beroemdste mannen
uit de Joodsche letterkunde. 3) De vruchten van zijn
grondig onderzoek kwamen door gebrek aan tijd niet spoedig
tot rijpheid, zoodat hij niet meer dan zeven biographien
bewerkt heeft. 4) Maar deze zijn voldoende, om Rappoporis
critischen blik en scherpzinnige combinatie-gave te be-
')
':133
2) De eerste, die onder het Galicisch Jodendom meer
beschaving en ontwikkeling trachtte te brengen, was Jozef
Perl uit Tarnopol (1773-1839), een onvermoeid bestrijder
van het Chasidisme en de stichter van eene Joodsche hooge burgerschool in zijn geboorteplaats.
It3N.
3) Dri
••
••
4) In de jaarboeken
wripm 1 1123
verschenen de levens-
beschrijvingen van Saadja, Nathan Romi, Hai, Kalirt,
R. Chananel en R. Nissim.
298
wonderen, en hebben geheel nieuwe banen geopend op het
veld der nieuwere Joodsche wetenschap. Naast deze belangrijke monographieen en andere letterkundige bijdragen
verscheen van hem het eerste deel van een Talinudischwoordenboek, ') waarin onderwerpen van geographischen,
historischen en archeologischen aard naar alphabetische orde
behandeld worden.
Terwijl Rappoport het leven en werken van enkele groote
mannen uit Israels verleden met een bewonderenswaardig
vernuft beschreef, verspreidde de geleerde Zunz (geb. in
Detmold '794, gest. Berlijn 1886) meer licht en helderheid
over een anderen tak der Joodsche letterkunde. Gelijk wij
vroeger zagen, was hij de studievriend van Jost, dien hij
evenwel in genialiteit overtrof. Door een geregelde studie
wetenschappelijk gevormd, leverde hij op jeugdigen leeftijd een
werk, dat, evenals een kostbaar en kunstig bewerkt kleinocd,
nimmer zijn waarde zal verliezen. Het behandelt onder
den titel 2. de godsdienstige voordrachten der Joden historisch
ontwikkeld" (1832) de geschiedenis van den Bijbelschen
kanon, de verschillende elementen van den Talmud, de
ontwikkeling van den ritus en de liturgie, de verschillende
phasen van de godsdienstvoordrachten, en dit alles met
zoo veel grondigheid en degelijkheid, dat het als een standaardwerk kan beschouwd worden. Het bevat de bouwstoffen
van zijne voortreffelijke werken, die in den loop des tijds
van hem het licht zagen en waarvan wij slechts vermelden :
bijdragen tot geschiedenis en literatuur" (1845)' de synagogale
poezie der middeleeuwen" (1855) en ) de ritus van den
synagogalen godsdienst" (1859). Ook /tafie leverde eenige
mannen, aan welke de nieuwere Joodsche wetenschap veel
dank verschuldigd is. Onder dezen neemt de eerste plaats
in David Samuel Luzzatto 2) (geb. Triest i 800, gest. Padua
1865). Afkomstig uit eene oude familie van dichters en
geleerden, koesterde ook hij in zijn jeugd eene gloeiende
liefde voor de Hebreeuwsche en de Italiaansche poezie. Hij
schreef klassiek Hebreeuwsch, vormde zich tot een man
van veelzijdige kennis en vond eindelijk een schoonen werkkring aan het rabbijnen-seminarium (collegio rabbinico), door
de Oostenrijksche regeering to Paa'ua in het leven geroepen
(1829), waar hij naast izak Samuel Reggio 3) (geb. Gorz
1784, gest. 1855), onderricht gaf in de Bijbelexegese, een
vak, tot nu toe door de Joden stiefmoederlijk behandeld,
Alhoewel hem de werken van de toenmalige Christelijke
exegeten (Eichhorn, de Waite e. a.) niet onbekend waren,
1)
1 7; -1 7 .
'
'7-i tr.
1„1:„.
299
sloeg hij in zijne Bijbelverklaring een geheel anderen weg
omdat de Massora voor hem hooge waarde en een zoo goed
als onbetwistbaar gezag bezat, terwij1 genen zich daarom niet
bekommerden. Luzzatto's taalkundige geschriften, vertalingen
en verklaringen van verscheiden Bijbelboeken hebben dan ook
groote verdiensten. Maar niet alleen daardoor heeft hij zich
grooten roem verworven. Op het voorbeeld van Rappoport
begon ook hij zich op historisch-literarische studien toe te
leggen. Hij bracht vele tot nu toe onbekende letterkundige
schatten van het Spaansch-Joodsche tijdvak uit hun schuilplaatsen te voorschijn of verbeterde reeds uitgegeven werken
door vergelijking met andere handschriften, door hem in de
rijke bibliotheken van Italie opgespoord. De geschriften door
.Luzzatto (uitgegeven, of afzonderlijk of in wetenschappelijke
tijdschriften, 2) hebben niet weinig licht verbreid over den
bloeitijd der Spaansch-Joodsche letterkunde, een der schitterendste perioden uit Israels beroemd verleden. Zoo arbeidde
hij, vaak te midden van de nijpendste zorgen, tot het einde
zijns levens als een waardig opperpriester in den tempel
der Joodsche wetenschap.
Behalve door de werken van Krochmal, Rappoport, Zunz
e. a. werd de Joodsche wetenschap nog in hooge mate bevorderd en verbreid door jaarboeken en periodieke geschriften, die deels in het Hebreeuwsch deels in het Duitsch
(een critisch onderDaartoe behooren o. a. 11•• nru
••
zoek over Targum-Onkelos) ; verhandelingen over de Hebreeuwsche taalkunde, in het Italiaansch ; eene Italiaansche
vertaling van het boek Ijob ; Lmornzr; (scholien op den
•Pentateuch); eene Italiaansche vertaling en verklaring van
het boek Jesaja. Reggio's exegetische en philosophische
geschriften getuigen eveneens van zijne wetenschappelijke
vorming. Daartoe behooren o. a. Vii7X niWi, eene Italiaansche
I)
vertaling van den Pentateuch voorzien van een Hebreeuwsche
verklaring: 71 ■ ND10171 a7117111:171 over philosophie en theologie
T
•
• -
r
-
-
en een tal brieven (nf-oN) en verhandelingen over verT•
schillende onderwerpen.
2 ) Daartoe behooren 0. a.
min,
n5inn (een liederen-
bundel uit den divan van Jude Hallevie) en vele verhandelingen van historischen of exegetischen aard in it:r1
Orient en andere tijdschriften.
300
verschenen. Daartoe behooren: Bikkure-haittim (182 I-I 83 I)
onder redactie van Schalom Kohn; Kerem-chemed uitgegeven
door Goldberg en voortgezet door Senior Sachs ; Otsar,
nechmad van Blumenfeld (1856-1863) ; Jeschurun van
Koback; tijdschrift voor Joodsche theologie en wetenschap
van Abraham Geiger (1835-1848 en i862—I 874) ; Orient
van Julius Furst (1840-1852) ; het tijdschrift voor de
godsdienstige belangen des Jodendoms (1844—1846) van
Zacharias Frankel; het maandschrift (Monatschrift) voor
de geschiedenis en wetenschap des Jodendoms (onder redactie
van Z. Frankel 1851-1868, van H. Gratz 1869-1889
en sinds 1892 onder redactie van M. Brann en D. Kaufmann)
e. a. Uit een wetenschappelijk oogpunt bezitten deze tijdschriften over het algemeen groote waarde en hebben veel
bijgedragen tot de verbreiding en ontwikkeling der nieuwere
Joodsche wetenschap.
HOOFDSTUK LVIII.
Het Nederlandsohe Jodendom.
1814-1850.
Geheel anders dan in Duitschland waren voor de Joden
in Nederland de gevolgen van den staatkundigen ommekeer,
veroorzaakt door den val van Napoleon Bonaparte. Met
niet minder vreugde dan hun Christelijke landgenooten begroetten zij den telg van het doorluchtige Oranjehuis, die
uit zijn ballingschap terugkeerde en als Willem I tot
souverein vorst uitgeroepen werd (1813), welke waardigheid
hij twee jaar later verwisselde met die van koning der
Nederlanden. Maar ook deze nam van zijn kant de belangen zijner Joodsche onderdanen ter harte, uit dankbaarheid
voor de ondubbelzinnigste blijken van trouw en gehechtheid
zoowel jegens hem, als jegens zijn roemrijk voorgeslacht, aan
den dag gelegd. Hij trok zich den onvoltooiden en in de
laatste jaren kwijnenden staat hunner zaken ernstig aan.
Kort na zijne troonsbeklimming nam de souvereine vorst
een besluit (26 Februari 1814), behelzende de opheffing
van de consistoriale inrichting van het Israelietisch Kerkgenootschap en de vaststelling van nadere bepalingen aangaande de verhouding van het Kerkgenootschap tot het
gouvernement. Dientengevolge werd eene consuleerende
commissie benoemd uit de Hoogduitsche en Portugeesche
Israelieten, die, onder voorzitting van een commissaris voor
kerkelijke zaken, over de belangen van de Israelieten bier
to lande zou adviseeren. Nog in hetzelfde jaar (12 Juni)
30 1
vaardigde Willem 1 een organiek besluit omtrent het
Israelietisch Kerkgenootschap" uit. Nadat de voorloopige
commissie haar omvangrijke taak ten einde gebracht had,
werd zij permanent verklaard onder den naam van
lloofdco m missie tot de zaken der Israelieten." Haar
karakter en doel verschilden niet veel van het opper-consistorie onder koning lodewijk. Als het hoogste college
van het Kerkgenootschap had het te waken voor de nakoming der verordeningen en bevelen van het gouvernement,
de handhaving der kerkelijke reglementen en het doen van
voordrachten aan de regeering. Het bestond uit zeven of
negen leden, van welke jaarlijks twee moesten aftreden, die
weder terstond herkiesbaar waren. De Haagsche afgevaardigden van de hoofdcommissie vormden tevens het
dagelijksch bestuur. Op grond van de adviezen der
Hoofdcommissie kwam nu volgens een koninklijk besluit
(ro Mei 1817) eene reorganisatie in het lager Godsdienstonderwijs. Er moesten in alle Hoofdsynagogen en — voor
zoover de omstandigheden zulks gedoogden — ook in de
overige gemeenten armenscholen opgericht worden, tot
verstrekking van godsdienst- en maatschappelijk onderwijs.
Voorts regelde dit besluit de bevoegdheid en de werkzaamheid
der schoolcommissien en rabbijnen, aan wie de inspectie
van het onderwijs opgedragen werd, alsook de vereischten
voor de bevoegdheid van het geven van onderricht. Het
maatschappelijk onderwijs, aan de armenscholen gegeven,
bleef aan de deswege bestaande algemeene verordeningen
der regeering onderworpen. De hoofdcommissie kreeg ook
de bevoegdheid tot het uitloven van eerepenningen voor
de schrijvers van de beste Nederlandsche leerredenen en
van schoolboeken ten dienste van het godsdienst-onderwijs.
Na het herstel van het koninkrijk der Nederlanden vormden
eenige letterlievende mannen te Amsterdam het plan, een
Joodsch-letterkundig genootschap in het leven te roepen,
dat in den geest der vroegere Meassefitn door onderlinge
studie en het voordragen van Hebreeuwsche verhandelingen
de joodsche literatuur zoowel als de beoefening der gewijde
taal uit haar vervallen staat hier te lande zou oprichten. Tot de
I) Volgens dit besluit werden o. a. twaalf correspondeerende
of Hoofdsynagogen ingesteld. Hare bestuurders zouden den
naam van Parnasijns, die der kleinere of ring-gemeenten
dien van Manhi:gim voeren. Het aantal opperrabbijnen,
wier instruction vastgesteld werden, werd voorloopig bepaald
op zes. De reglementen der afzonderlijke gemeenten behoefden de koninklijke bekrachtiging, om in werking te
kunnen treden.
302
stichters en ijverigste leden van dit genootschap, dat den naam
Toeleth ') (nut) kreeg, behoorden Jona Benjarnins, Gabriel
Polak, Mozes Loonstein en Samuel Israel Mulder.
Het
kwani gaandeweg in het bezit van eene keurige boekerij 2)
en gaf de vrucht van zijn arbeid in het Licht in thee
bundels, 3) .die wat degelijkheid en sierlijkheid van taal
betreft, bij Meassef niet ten achter staan. Toeleth mocht
zich evenwel in geen langdurigen bloei verheugen, daar het
na een ruim tienjarig bestaan zijn levenskrachten reeds verloren had. Intusschen deed zich de behoefte al meer en
meer gevoelen aan eene kweekschool, waar de toekomstige
_godsdienst-onderwijzers en godgeleerden gevormd konden
worden, om te beantwoorden aan hetgeen door de verschillende besluiten en verordeningen van hen gevergd werd.
Sacta'ath-Bachurim (zie bl. 245) kon, zooals het onderwijs
aldaar ingericht was, in deze behoefte niet voorzien. De
eischen, toen gesteld aan de geestelijke herders of de
leeraren der jeugd, waren van een anderen aard dan ruim
eene eeuw geleden. De tijdgeest had, zooals wij reeds
vroeger opmerkten, ook in dit opzicht zijn invloed krachtig
doen gelden. En al kende men in ons vaderland nog niet
eene hervormingspartij, zooals in het aangrenzende Duitschland; al had het orthodoxe element hier nog de overhand,
toch verlangde men van den geestelijke iets meer dan eene
eenzijdige talmudische ontwikkeling, en was deze eisch zelfs
reeds gebiedend. De bestaande leerschool moest derhalve
eene verbetering ondergaan, Wilde zij aan haar doel beantwoorden. Toen nu haar bestuur door de benoeming
van eenige energieke mannen, wien tevens de waarachtige
belangen van het Nederlandsch Jodendom na aan het hart
lagen, uitgebreid was, deed men weldra (1827) bij de regeering
stappen, om haar op een beteren voet in te richten. De
voorbereidende schikkingen, die vooral tusschen de jaren
1832 en 1834 met veel ijver voortgezet werden, leidden
eindelijk tot een gewenscht ge volg. De nieuwe kweekschool,
sinds dien tijd tot eene rijksinstelling onder den naarn van
117 ederlana'sch-Isra lietisch Seminarium verheven, werd de
plaats, waar naast de theologische ook de meest noodige
profane wetenschappen onderwezen werden en hare kweeke. :
1)
thy ln.
Deze is later aan de bibliotheek van het NederlandschIsraelietisch Seminarium ten geschenke gegeven.
3) thvin
(1825).
(1820) en thpro
„,,
303
linger derhalve eene meer naar de toentnalige eischen des
tijds behoorlijke leiding en ontwikkeling genoten.
De reorganisatie van het lager godsdienst-onderwijs deed
het gemis aan geschikte en doelmatige schoolboeken in
hooger mate dan vroeger gevoelen. Enkele verdienstelijke
mannen gevoelden zich opgewekt, in deze leemte te voorzien.
Onder dezen verdient eene eerste plaats Mozes Be/infante
(1761-18 27) onderwijzer te ' s-Gravenhage, die niet alleen
voor de jeugd, maar ook voor zijn volwassen geloofsgenooten
nuttig arbeidde. Reeds in het begin dezer eeuw deed hij
zich als een der ijverigste leden van het genootschap Chanoglannaiir (zie bl 286 root t) kennen ') en bezorgde later de
uitgave van verschillende schoolboeken, 2) die beoogden de
bevordering van maatschappelijke vorming naast die van godsdienstige kennis. Verscheiden werkjes over Hebreeuwsche
taalkunde, Bijbelsche geschiedenis en godsdienstleer verschenen
(t 820-1830) van de hand van D. A. Lissauer te Amsterdam,
die., in een tijd, waarin nog zoo weinig voor het onderwijs verricht was, reeds met groote vreugde begroet werden. Leer
verdienstelijk voor tijdgenoot en nageslacht maakte zich
Mozes Lemans (1785-1832), een grondig beoefenaar van
de Hebreeuwsche mat en letterkunde, een man van algemeene
ontwikkeling en vooral zeer bedreven In de wiskunde. Te
Naarden geboren kwam hij als jongeling met zijne ouders
te Amsterdam, waar betere gelegenheid voor onderricht
bestond. In het jaar i8o8 verscheen zijn eerste letterkundige
arbeid, en wel een in het Hebreeuwsch geschreven werkje 3)
over de juiste uitspraak van het Hebreeuwsch, dat van een
grondig onderzoek getuigde. Omstreeks dienzelfden tijd
werd hij tot lid van onderscheiden letter- en wiskundige
Zijne Nederlandsche Bijbelvertaling, in vereeniging met
M. Lemans en H. Sommerhausen begonnen, heeft hij niet
voltooid. Eveneens mislukte zijne poging, in 18o6 beproefd
en later in 1822 weder hervat, tot het uitgeven van
een tijdschrift ter bespreking van de innerlijke belangen
der Israelieten.
2) Daartoe behooren : ' de gronden des geloofs" (naar
(naar het
het Engelsch van S. Cohen), rulz
T •
.•
•
T
Hoogduitsch van M. Philippsohn), > de Talmudische parahelen"
en geschenk voor de Israelietische jeugd."
3)mans
3 04
genootschappen benoemd. l) Bij de oprichting van de Nederlandsch-Israelietische armen school te Amsterdam (1818)
benoemde men hem tot hoofdonderwijzer voor het maatschappelijk onderricht, waarop hem de provinciale schoolcommissie de acte van den hoogsten rang, onder vereerende
bewoordingen, uitreikte. Al nam deze betrekking, waarin
hij zich zeer verdienstelijk maakte, een groot deel van zijn
tijd in beslag, toch vond hij voldoende gelegenheid, zich
met zijne lievelingsstudie der gewijde taal bezig te houden.
Eindelijk verscheen zijn )Rudimenta of gronden der Hebreeuwsche taal," een werk, dat den beoefenaars dier taal
uitmuntende diensten bewees. Daar het hem echter voorkwam, dat dit voor schoolgebruik te moeielijk en omslachtig
was, gaf hij eenige jaren later een uittreksel daarvan in
het licht, onder den titel : Allereerste gronden der Hebreeuwsche taal," dat in alle opzichten aan zijn oogmerk beantwoordde. Steeds bedacht, om mede te arbeiden tot verlichting en beschaving zijner geloofsgenooten, sloeg hij thans
de hand aan een veel gewichtiger werk, eene volledige
Nederlandsche vertaling der Israelietische gebeden" naar
den Hoogduitschen ritus, dat in 1822 met rabbinale goedkeuring uitgegeven werd. Daardoor zouden de zoogenaamde
Joodsch-Duitsche vertalingen gaandeweg in onbruik geraken
en vooral bij het opkomend geslacht godsdiensiige kennis
en beschaving in taal en vormen in zusterlijke harmonie
gepaard gaan. Tot dit doel was ook met onvermoeiden
ijver werkzaam zijn vriend S. I. Mulder, met wien zich
Lemans vereenigde tot een hoogst belangrijken arbeid,
namelijk de uitgave van een uitvoerig A Hebreeuwsch-Nederlandsch woordenboek" (r841). Dit zou iederen beoefenaar der
gewijde taal in de gelegenheid stellen, door eigen studie
de Bijbelboeken te leeren vertalen. Naarmate nu de verdiensten van Lemans als geleerde en onderwijzer meer en
meer bekend en naar waarde geschat werden, zag hij het
getal zijner leerlingen, die zijn onderricht in taal- of wiskunde
volgden, langzamerhand toenemen. Onder dezen verdient
bijzondere vermelding Abraham Daniel Delaville (1807—
1877), die zich later door zijn voortreffelijk onderwijs in de
I) Het ligt niet op onzen weg, over Lemans' beteekenis
als wiskunstenaar uit te wijden of zijne werken en verhandelingen op wiskundig gebied op te sommen. Alleen zij
vermeld, dat zijne : ' Handleiding tot het teekenen van land-,
zee- en hemelkaarten, conglobien en globen" door den
hoogleeraar J. de Gelder zeer geroemd en, op last van
koning Willem 1. ten behoeve van de boekerijen bij de
korpsen van het 'ego- aangekocht werd.
305 Hebreeuwsche taal en letterkunde aan het Nederlandsch- en het
Portugeesch-Israelietisch Seminarium groote verdiensten verworven en, behalve eenige kleine geschriften, een groot aantal
gelegenheidsgedichten vervaardigd heeft, die alle uitmunten
door keurigen Hebreeuwschen poezie-stijl. ') Lemans' vroege
dood ware een onherstelbaar verlies geweest, zoo zijne plaats
niet weldra op waardige wijze ingenomen ware door
zijn reeds genoemden vriend, den verdienstelijken Dr. S. 1
Mulder.
Mulder (i 7 9 2-1862) te Amsterdam geboren, neemt eene
eereplaats in onder de weinige mannen, die toen een open
oog hadden voor de behoeften van hun tijd. Hij was van
een vooruitstrevende richting en Wilde het godsdienst-onderwijs, dat, niettegenstaande de enkele verbeteringen daarin
gebracht, nog in treurigen staat verkeerde, een meer
beschavend en veredelend karakter verleenen. Daardoor
zou, naar hij hoopte en verwachtte, het Nederlandsche
Jodendom een schoone toekomst te gemoet gaan. Naast
de Joodsch-letterkundige studien maakte hij zich vertrouwd
ook met de moderne literatuur en stelde zich in zoover
op de hoogte van verscheidene wetenschappen, dat het
hem niet moeielijk viel in geletterde kringen te verkeeren
en daar het woord te voeren. Zoo behoorde hij onder
de verdienstelijkste leden van Toeleth en van het letteroefenend genootschap Tot nut en beschaving (opgericht in
1807). Eindelijk besloot hij (1823) de vruchten zijner
veeljarige beoefening der Heilige Schrift door het uitgeven
eener Nederlandsche vertaling dienstbaar te maken aan
zijne jeugdige geloofsgenooten. In dit voornemen werd hij
gesteund door den Amsterdamschen opperrabbijn S. Berenstein, zoodat binnen weinige jaren de Pentateuch-vertaling
het licht zag, Zij vond ingang in vele Joodsche gezinnen
en werd in alle openbare Israelietische scholen ingevoerd.
Deze hoogst nuttige arbeid (waarvan in 1842 een derde
druk verscheen met eene vertaling der Haftaroth, Sabbathgebeden en Piutim) werd weldra gevolgd door eene vertaling
van de Eerste profeten, eenige boeken der Hagiographen, de
gebeden en het Machzor der Portugeesche Israelieten, de
Haggada e. a. Deze vertalingen zijn reeds voldoende, om zich
een denkbeeld te vormen van Mulder's werkzaamheid. Maar
hij stelde zich daarmede niet tevreden en arbeidde onver-
1)
Delaville's
dankbare herinnering aan zijn leermeester bevat
2xn
-
30 6
moeid voort, hoofdzakelijk voor de Joodsche jeugd. ') Ook
verschenen van hem enkele verhandelingen, voorgedragen
in wetenschappelijke vereenigingen. Door zijn veelvuldigen
arbeid ter bevordering en verbetering van het onderwijs
verwierf zich Mulder grooten naam en werd door het
ministerie van den Hervormden eeredienst tot consulent
voor het godsdienst-onderwijs in Nederland aangesteld. Als
zoodanig bezocht hij jaarlijks een gedeelte der Joodsche
scholen, zoodat de inspectie door de opperrabbijnen gaandeweg ophield. — De Joodsche wetenschap in het algemeen
en het Nederlandsche Israel in het bijzonder kon met trots
bogen ook op den geleerden maar bescheiden Hebraicus
Gabriel Izak Polak (1803-1869) uit Amsterdam. Hij narn
een werkdadig aandeel aan de nieuwe richting op Joodschletterkundig gebied, was een van de verdienstelijkste leden
van Toe/an, paarde aan stalen vlijt een buitengewoon sterk
geheugen, wat hem in zijne bibliographische studien zeer
to stade kwam. • Geen wonder, dat de grootste en beroemdste
mannen in Israel zoo gaarne met den nederigen geleerde
een levendige briefwisseling onderhielden. De dragers der
letterkundige wetenschap als : Luzzatto, Reggio, Rappoport,
Munk, Jost, Zunz, Carmoly e. a. vroegen vaak zijne
voorlichting. 2) In vereeniging met anderen hield hij zich
onledig ook met het vertalen in het Nederlandsch van
verscheiden Bijbelboeken, het gebedenboek, het Machzor,
de Selichoth en andere tot den Joodschen ritus behoorende
werken. Even verdienstelijk als zijn Leven, zoo voortreffelijk
waren ook zijne hoedanigheden als mensch en burger. Voor
ieder genaakbaar, voor ieder een vraagbaak en gids, telde
3 ) Zoo schreef hij o. a. een Chronologisch Handboek voor
de geschiedenis der Israelieten, Bijbel. voor de Israelietische
jeugd, eene aardrijkskundige schets van Palestina, en gaf
nieuwe uitgaven en omwerkingen van Leinans' vertaling der
gebeden en van diens Rudimenta in het Eat.
2 ) Een deel dezer correspondentien heeft hij bijeenverzameld
in 0-17 nivir• l en andere geLchriften. I-lij bezorgde de
•.•
(zie bl. 70).
uitgave van Abr. Bedareschi's rmn
•
T
T
Tot zijne voornaamste Hebreeuwsche dichtstukken behooren :
de echtscheiding (bewerkt naar het Nederlandsch),
rnrrizn,
eene Hebr. vertaling van rnt-ipx, 71107
(de geschiedenis van jona). Een tal gelegenheidsstukken, zoowel
in proza als in poezie, getuigen van zijn meesterschap in de
Hebreeuwsche taal.
30 7
bij als de meest populaire geleerde een tal vrienden en
vereerders. Tevreden met het bescheiden lot, hem door
den Albestuurder toegedacht, arbeidde hij tot zijn dood op
het groote veld der Joodsche letterkunde.
De eerste kiemen van eene Joodsche journalistiek vertoonden zich in ons land door de verschijning van een
tijdschrift : z Jaarboeken voor de Israelieten in Nederland"
(1835). Het zou om de twee maanden verschijnen en beoogde door het geven van 2, Kerkelijke en ambtsberichten,
bijzondere berichten nopens de Israelieten bier en elders,
boekverslagen en mengelingen" een nuttige zaak tot stand
te brengen, De redactie twijfelde niet, dat 3 zij metterdaad
die hulpvaardige medewerking en ondersteuning zou vinden,
waarop zij nederig vermeende aanspraak te hebben." Zij
zag zich echter in haar hoop teleurgesteld. De uitgave der
Jaarboeken," die inderdaad veel leerrijks behelsden, moest
door gebrek aan deelneming reeds na eenige jaren gestaakt
worden. Intusschen hidden zich velen overtuigd, dat de
zedelijke en maatschappelijke toestand der Israelieten hier
te lande in onderscheiden opzichten niet alleen voor verbetering vatbaar was, maar daaraan ook werkelijk behoefte
had. Langen tijd zocht men naar de middelen, waarvan
werkelijk heil te wachten was, totdat eindelijk, door den
krachtigen steun van Mr. Abraham de Pinto (1808-1878) '> de
maatschappij tot nut der Israelieten in Nederland" tot stand
kwam. Haar doel bestond in » de bevordering van goede zeden,
deugd en beschaving onder de Israelieten in Nederland,
overeenkomstig den Israelietischen godsdienst ; alsmede in
de verspreiding van nuttige kundigheden, voornamelijk onder
de min geoefenden." De middelen ter bereiking van dit
doel wilde zij hoofdzakelijk vinden in : Ihet bevorderen
van alle takken van onderwijs en opvoeding ; de uitgave en
verspreiding van nuttige boekwerken en de aanmoediging
daarvoor bij anderen ; het uitschrijven van prijsvragen ;
het houden van voorlezingen over zedekundige en wetenschappelijke onderwerpen ; het aansporen tot arbeidzaamheid,
menschlievendheid enz." Met dit schoone doel voor oogen
werd de Maatschappij juist omstreeks het midden dezer
eeuw (1849) opgericht.
HOOFDSTUK LIX.
Gverzicht van den toestand der Joden in de andere
landen van Europa.
1813 —1848.
Evenals in Nederland bracht ook in Frankrijk de val
van Napoleon in den rechtstoestand der Joden geene ver-
308
andering. Zij behielden hun gelijkstelling met de overige
bevolking des lands en toonden ook bij voortduring, dat
zij deze volkomen waardig waren, zoodat de adel, weder
in zijn rechten hersteld, er zelfs niet aan dacbt, den Joden
eenig privilege te betwisten. De Juli-revolutie, (1830) hief
het eenig onderscheid op, dat de staat tusschen Joden en
Christenen nog maakte. De Kamer der afgevaardigden
besloot namelijk, op voorstel van den minister Merilhon.
dat, evenals de kerk en hare geestelijken, ook de synagoge
en hare rabbijnen van staatswege eene bezoldiging zouden
genieten. Koning Louis Philips hechtte zijne goedkeuring
aan dit besluit. Sinds dien tijd stond ook voor de Joden
de weg open tot de hoogste staatsambten en kende men
in het politieke leven geen verschil van geloof en godsdienst.
Met de verovering van Algiers door de Franschen brak
ook voor de aldaar wonende Joden een gunstiger tijd aan
en werden zij eenigermate verlost van de ellende, waaronder
zij tot nu toe gezucht hadden. Niettegenstaande den
gunstigen staatkundigen toestand, waarin zich de Fransche
Joden mochten verheugen, vond de Joodsche wetenschap
bij hen veel minder beoefening dan in Duitschland. De
weinige geleerden aldaar op joodsch gebied waren Duitschers
van geboorte. !) Under dezen neemt de eerste plaats in
Salomo Munk (geb. te Glop au 1802 gest. Parijs 1867),
die als een lichtende ster schitterde aan den hemel der
Joodsche wetenschap. In dezen uitstekenden geleerde vereenigden zich de Duitsche degelijkheid, de helderheid der
Fransche schrijvers en de Joodsche scherpzinnigheid. Zijn
leven, uitsluitend gewijd aan de wetenschap, was het toonbeeld van de hoogste zedelijkheid, offervaardigheid en
zelfverloochening. Ziine hoofdstudie maakte hij van het
Arabisch, met het doel, daardoor met meer objectiviteit de
Joodsch-Arabische letterkunde te kunnen beoefenen. Hij
kreeg een buitengewone vaardigheid in de ontcijfering van
Arabische handschriften. Zijne studien over de JoodschArabische philosophic, gedurende het tijdvak van Saadja
tot Maimonides getuigen van grondige kennis. Een groot deel
van zijn leven wijdde hij, zelfs met opoffering van zijn
1 ) Eene uitzondering maakte de arts Jozef Salvador uit
Montpellier (1796-1873), een wiisgeerig gevormd geleerde,
die zich hoofdzakelijk met joodsch-historische studien bezig
hield. Zijne geschriften s Geschiedenis van de instellingen
van Mozes en van het Hebreeuwsche yolk" en ,) Geschiedenis
van de Romeinsche overheersching in Judea" munten
evenwel meer uit door sierlijken Franschen stiji dan door
wretenschappelijkheid,
309
gezicht, aan de beoefening van Maimuni' s More-nebuchim,
welk werk hij voor de eerste maal in den oorspronkelijken
Arabischen tekst uitgaf, voorzien van eene Fransche vertaling (Le guide des egares, 3 deelen 1856, 61, 63) en
verklaring. Munk bleef, niettegenstaande de groote vereering, die hij in de wetenschappelijke wereld genoot — hij
was ook lid van de Fransche academie — een trouw aanhanger des Jodendoms. — In Belgie behielden de Joden,
nadat dit land zich van Noord-Nederland afgescheiden en
zich tot een afzonderlijk koninkrijk gevormd had (1831),
hunne burgerlijke gelijkstelling. Ook daar droeg de Staat
een gedeelte van hun uitgaven voor den eeredienst bij. —
In Groot-Brittanie genoten de Joden eveneens alle burgerrechten. Zij waren evenwel van hoogere staatsambten uitgesloten en mochten in het parlement geene zitting nemen.
Deze uitsluiting sproot intusschen niet voort uit onverdraagzaamheid of vooroordeel, maar uit de omstandigheid, dat
zij den parlementseed, die aldaar bij het Nieuwe testament
gezworen moest worden, niet konden afleggen. Elke poging,
om in dit eedsformulier verandering te brengen, bleef
vruchteloos. Sinds de emancipatie der Katholieken in
Engeland (1829), drong men er met meer ernst op aan,
dien laatsten scheidsmuur voor de Joden omver te werpen.
Nadat nu de eed voor de Joodsche Sherifs veranderd was
(1835),- werd, op voorstel van Lord John Russell, een eedsformulier vastgesteld, waaruit men alles verwijderde, wat
den Joden gemoedsbezwaar kon veroorzaken, zoodat hun
de toegang tot het parlement geopend was.
Geheel anders was hun lot in Italie. Aldaar gevoelden
zij de treurige gevolgen van den ouden Jodenhaat, die, na
de opheffing van het Fransche keizerrijk, het sterkst in den
Kerkelijken Staat en Piemont losbarstte. In Rome wees
men hun weder het ghetto tot verblijf aan en dwong hen
tot het aanhooren van Christelijke predikatien, die hoofdzakelijk zielenjacht beoogden. Deze en andere vernederende
besluiten vonden 's pausen goedkeuring. De hertog van
Modena verlangde zelfs de wederinvoering van den smadelijken
Jodenlap. Ook de meeste kantons van Zwitserland sloten
hun den toegang af. Slechts in enkele was hun het verblijf
toegestaan, en dan nog vaak onder bezwarende voorwaarden.
Daarentegen opende Portugal zijne poorten voor de Joden,
die bijna vier eeuwen uit dit land verbannen waren. Nadat
enkelen hunner uit de Barbarijsche staten daarheen overgestoken waren, vaardigde de Cortez het besluit uit, dat
den Joden in Portug -al en zijne kolonien alle rechten en
vrijheden zouden verleend worden, die hun voorvaderen
daar eens bezeten hadden. Sinds dien tijd (1815) nam
moN. Gesch. III, 21
3T O
hun aantal toe en vormden zich gemeenten in Lissabon,
Oporto en andere plaatsen. In Spanie, waar men hen sinds
1837 weder toeliet, is hun aantal tot nu toe zeer gering
gebleven. In Denemarken, dat hen in de 17 de eeuw opnam
en hun in 1738 vele vrijheden verleende, kwamen zij in
het begin dezer eeuw in het bezit van het volkomen burgerrecht. Eveneens verkeeren zij in Zweden sinds de grondwet
van 1855 in een gunstigen toestand, hoewel zij nog niet
volkomen met de Christenen zijn gelijk gesteld.
Terwijl het grootste deel van de Europeesche staten
streefde naar verbetering van het eener natie, die, alhoewel
van Oosterschen oorsprong, aan de Westersche beschaving
een werkdadig aandeel nam en op elk gebied van kunsten
en wetenschappen hare krachten begon te beproeven, bleven
hare zonen, die in grooten getale in het uitgestrekte Czarenrijk
woonden, door gebrek aan een geregeld staatsbestuur en
door de willekeur der beambten, aan de diepste vernedering
en verachting blootgesteld. Wel kwamen hun de menschlievende en vrijzinnige verbeteringen van keizer Alexander I
(180r-1825) in enkele opzichten ten goede, ') maar de
schoone uitkomsten van diens wijs en goedaardig beheer
gingen voor hen weder verloren onder zijn wreeden opvolger
Nikolaas 1, de ware type van een Russischen despoot. De
Joden, die binnen 5o werst 9) van de grenzen des lands
wooiiden, moesten, beschuldigd van smokkelarij, hurt gebied
verlaten (1843) en zich in een van de 17 hun tot verblijf
aangewezen gouvernementen vestigen, In de weinig bevolkte
gouvernementen, waar zij zich op landbouw of veeteelt
konden toeleggen, werd hun het verblijf niet toegestaan.
Een ander besluit verplichtte hen, de kleeding, waaraan de
Poolsche en Russische Joden reeds vele eeuwen gewend
waren, of te leggen en deze te verwisselen met eene hun
door de regeering voorgeschreven kleederdracht. Zoo dienden
de ukasen, die elkaar snel opvolgden, om hun het leven te
verbitteren. Door zweep- en knoetslagen dwong men de
ongelukkige mannen en jongelingen tot den krijgsdienst.
Gelukkig voor de fel vervolgde g'id (zoo werden de Joden
met verachting genoemd), dat zoowel de lagere als de
hoogere ambtenaren zich gemakkelijk lieten omkoopen,
zoodat 's keizers dwangbevelen niet altijd ten uitvoer
kwamen. — Het verval, dat reeds geruimen tijd de krachten
van het Turksche • rijk sloopte, had ook voor de aidaar
') Hij bevorderde o. a. den aanleg van Joodsche landbouwkolonien in de nabijheid van Alikolajew.
2) De naam van een Russische lengtemaat, gelijk aan
1,067 Ned. mijl.
3 11
wonende Joden de treurigste gevolgen. Zij deelden in de
algenieene armoede, waaronder het land bijna bezweek, en
gingen, niettegenstaande zij menig bewijs van de welwillendheid en genegenheid der regeering ondervonden, in stoffelijk
opzicht met reuzenschreden achteruit. De Jodenwijk in
Constantinopel vertoonde dan ook de sporen van ellende
en gebrek, waarvan deze zich nog heden ten dage niet
geheel hersteld heeft. De verslapping en het gemis aan
orde en tucht veroonden zich ook in de Aziatische provincien van Turkije. Dit was vooral het geval in Syrie en
Palestina, sinds Nehmed Ali, de pacha van Egypte, de
macht van den sultan ondermijnde. Daardoor kon te dier tijd
in Syrie eene gebeurtenis plaats vinden, die getuigt van verregaande ontaarding en bandeloosheid ; eene gebeurtenis, die
niet alleen het Furopeesch Jodendom maar de geheele beschaafde menschheid met ontzetting vervulde en allerwege
diepe verontwaardiging wekte. Wij bedoelen de bloedbeschuldiging te Damaskus, waarvan wij de bijzonderheden
op beknopte wiize zullen mededeelen.
HOOFDSTUK LX.
De bloedbeschuldiging to Damaskus en hare gevolgen.
1840-1860.
De helsche aanklacht van het gebruik van Christenbloed
door de Joden, voor welke in bijna elke eeuw zoovele onschuldige zonen en dochters van het huis Israel als voorgewende zoenoffers moesten boeten, vond ook in de eeuw
der verlichting en beschaving een vruchtbaren bodem in
de woeste steppen van het Czarenrijk. In Russisch-Polen
werden tusschen de jaren 1824 en '26 ten gevolge van drie
dusdanige bloedbeschuldigingen vele aanzienlijke Joodsche
familien in diepen rouw gedompeld. De verdwijning van
een Christen-kind was voor de Russische Joden gewoonlijk
een onheilspellend voorteeken, de voorbode van zware
rampen. Maar de gruwelen, daaruit nu en dan voortgesproten, werden nog verre overtroffen door de afgrijselijke
tooneelen, die in het begin van het jaar 184o te Damaskus
plaats vonden. Daar verdween op zekeren dag (5 Februari)
een monnik van een Capucijner-klooster, pater Tomas, met
zijn dienaar. Daar men zich nu verbeeldde, hen het laatst
in de Jodenwijk gezien te hebben, verbreidderi de monniken,
gesteund door den Franschen consul Ratti Menton, wien
de belangen der Christenen in Syrie toevertrouwd waren,
het gerucht, dat zij door de Joden vermoord waren, om
MoN. Gesell. III, 21 *
31 2
hun bloed ten dienste van het naderend Paaschfeest te
gebruiken. Een arme Joodsche barbier werd gevangen genomen en voor den consul gebracht, maar deze volhardde,
niettegenstaande alle strikvragen en beloften, in zijne onschuld.
Na een gevangenschap van drie dagen verscheen hij voor
Scherif Pascha den gouverneur van Damaskus, in wiens
tegenwoordigheid de ongelukkige man zoolang gegeeseld
werd, tot hij, radeloos van de pijn, een afgeperste schuldbekentenis aflegde. Men had hem, zoo luidde zijn verhaal,
ontboden bij een rijken Israeliet, ten wiens huize hij nog
zes andere Joden aantrof, die hem tot den moord hadden aangespoord. Men liet hem de namen van zes mannen opgeven, die men het liefst van deelgenootschap betichtte.
Het waren juist zes rijke kooplieden en de invloedrijkste
leden der Joodsche gemeente. Dezen werden nu onmiddellijk
uit hun woningen gelicht en aan een streng verhoor onderworpen. Alhoewel hun onschuld bewezen was, daar de
barbier op den avond, waarop — naar hij voorgaf — de
moord gepleegd was, wegens de treurdagen over den dood
zijner dochter zijn huis niet verlaten had, poogde men
hun toch door zware folteringen eene bekentenis of te
persen. Een grijsaard moest, op bevel van Ratti Menton,
tweemaal 36 uur pal blijven staan, zonder gebruik van
eenig voedsel. De overigen werden zoo lang gegeeseld,
tot zij hun bewustzijn verloren. Is het te verwonderen, dat
een hunner, op het punt te bezwijken, de vraag, of hij het
bloed van den vermoorden Tomas aan een der rabbijnen
gegeven had, bevestigend beantwoordde? Nu onderging de
hoogbejaarde rabbijn Jakob Antibi eene foltering, die elke
beschrijving te boven gaat. Hij volhardde in zijn onschuld,
al sprong hem ook het bloed uit oogen en gezicht. Maar
daarbij bleef het nog niet. De gouverneur liet drie rabbijnen
mishandelen en kwellen, tot zij zouden bekennen, dat de
Joden inderdaad Christenbloed gebruikten ter bereiding van
hun Paaschbrood. Maar zij weigerden dit en beriepen
zich op hun geschriften. Nu trachtte men door de mishandeling van de kinderen eener Joodsche school de ouders
tot belijdenis te dwingen. Maar alles te vergeefs. Desniettemin gaf de opgezweepte volkswoede zich lucht in eene
teugellooze bandeloosheid. Men ontwijdde de synagogen
in Damaskus en andere plaatsen, verscheurde de wetsrollen,
vernielde de gewijde voorwerpen, mishandelde mannen en
vrouwen, wierp onschuldigen in de gevangenis, waar zij aan verschrikkelijke ellende bloot stonden. Dit alles liet de Fransche
gouverneur straffeloos toe, die zich evenmin verzette tegen
het doodvonnis, dat weldra de aanzienlijkste Joden van
Damaskus zouden ondergaan. Ongeveer terzelfder tijd hadden
3 13
ook de Joden van Rhodus, een eiland, dat ook onder
Turksche heerschappij stond, veel te lijden ten gevolge van
de plotselinge verdwijning van een tienjarigen Griekschen
knaap.
De voorvallen te Damaskus, v;aartegen de Oostenrijksche
gezant aldaar, alhoewel te vergeefs, ernstig protesteerde,
bleven intusschen in Europa niet lang geheim. Zij werden
door de nieuwsbladen bekend gemaakt, maar vooral door
de hartverscheurende brie ven, uit verscheidene Syrische
steden naar de groote Joodsche handeishuizen in Parijs,
Amsterdam en Londen gericht. In deze brieven werd de
toedracht der zaak naar waarheid geschilderd, terwijl de
Fransche bladen, om de handelwijze van Ratti Menton te
verdedigen, den moord op den pater als een onbetwistbaar en bewezen feit voorstelden. De Europeesche pers
schonk haar aandacht aan deze gebeurtenis. Naast de
Oostersche kwestie, die toen in de politieke wereld een
gewichtige rol speelde, was zij het onderwerp van den dag.
Hier verwekte zij verontwaardiging en afschuw ; elders kon
men den twijfel niet geheel onderdrukken, of er dan werkelijk
geen grond bestond, aan eene bloedbeschuldiging te gelooven.
Al traden ook groote staatsmannen als Lord Palmerston
en de vorst van Metternich voor de ongelukkigen in de
bres ; al verhieven ook onder de geestelijken de Katholieke
priester Beith in Weenen en de evangelische kerkleeraar
Neander in Berlijn luide hun stem tegen dergelijke gruwelen,
toch begon hier en daar het oude • vooroordeel uit het
schimmenrijk te verrijzen. In deze treurige omstandigheden
maakte Izak Adolph Cremieux (geb. te Nimes 1796) een
voortreffelijk gebruik van den invloed, dien hij reeds geruimen tijd als beroemd rechtsgeleerde en uitstekend redenaar
in Frankrijk bezat. Hij ontwikkelde in een Fransch orgaan
de redenen, die het geloof aan eene bloedbeschuldiging
onmogelijk maakten, en bewees, dat de aanklacht te Damaskus
niets anders was dan een schandelijk weefsel van Taster en
bedrog. Al was de band, die Cremieux aan het Jodendoin
he6htte, veel losser dan die van den Engelschen opperrabbijn
Herschel en van andere Duitsche rabbijnen, die eveneens
in publieke organen onder eede verklaarden, dat hun niets
bekend was, wat het geloof aan een bloedbeschuldiging kon
bevestigen ; toch liet hij niets onbeproefd om zijn geloofsbroeders in het verre Oosten uit hun neteligen toestand te
redden. Als lid van het centraal-consistorie te Parijsstelde
hij zich in verbinding met een Joodsch comite in Londen,
dat zich uit de aanzienlijkste mannen, met den edelen
menschenvriend Sir Mozes Montefiore (geb. te Livorno
1784, gest. bij Londen 1885) aan het hoofd, gevormd had,
314
om de noodige maatregelen te treffen, die tot het gewenschte
doel konden leiden. Men besloot afgevaardigden naar
Damaskus te zenden, die daar ter plaatse de valsche beschuldiging zouden trachten te weerleggen en de gevangenen
uit den kerker te verlossen. Cremieux en Montefiore verklaarden zich bereid, deze zending te aanvaarden.
V66r zijn vertrek bracht Monteflore, begeleid door een
tal aanzienlijke mannen, koningin Victoria een afscheidsbezoek en gaf haar de verzekering van de trouw harer
Joodsche onderdanen. Getroffen door dit blijk van gehechtheid en eerbied, stelde zij een staatsschip te zijner beschikking. Behalve zijne edele, beschaafde en godvruchtige
vrouw Judith (gest. i 86 2), behoorde onder het gevolg, dat
hem op zijn tocht naar het Oosten vergezelde, de geleerde
Dr. Loewe. In .Frankrijk voegde zich bij hem Cremieux,
onder wiens gevolg zich de meergenoemde Dr. Munk beyond, die hem als bekwaam Arabist uitstekende diensten
kon bewijzen. De edele mannen werden op hun reis in
alle Joodsche gemeenten met geestdrift ontvangen. Overal
zond men vurige gebeden hemelwaarts voor het welslagen
hunner moeielijke onderneming. In de synagoge te Livorno,
dat zij op hun tocht aandeden, vond eene zeer treffende
godsdienstoefening plaats. Eindelijk landden zij na een
voorspoedige reis te Alexandra (4 Augustus). Nog op den
dag der aankomst bezocht Montefiore den Engelschen consul
Hodges, wien hij een schrijven van Lord Palmerston overhandigde, met het verzoek, voor hem bij den pacha van
Egypte, Mehmed Ali, eene spoedige audientie aan te vragen.
Daarop begaf zich Montefiore tot de overige Europeesche
consuls, die hem alien, met uitzondering van den Franschen
consul, hun medewerking beloofden. De Fransche consul
gaf ook Cremieux te verstaan, dat hun zending vruchteloos
was, daar bij het onderzoek Ratti Menton in het gelijk
zou gesteld worden. Het is duidelijk, dat hij dit onderzoek
vreesde, en daarom alles in het werk stelde, om de pogingen
der gezanten te verijdelen. Intusschen werd Montefiore
spoediger dan hij wellicht gedacht had tot den pacha toegelaten, dien hij om vrijlating van de gevangenen te. Damaskus
smeekte. De onderkoning van Egypte toonde zich aanvankelijk wel weifelend, maar de afgevaardigden bereikten
eindelijk hun doel, vooral door den steun van den Oostenrijkschen consul. Op hooger bevel werden de gevangenen
op vrije voeten gesteld, de vluchtelingen teruggeroepen en
het gerechtelijk onderzoek gestaakt. Montefiore en Cremieux,
hoe verheugd en dankbaar ook over den uitslag hunner
onderneming, stelden zich daarmede nog niet tevreden.
Z:j wilden het Oosten niet verlaten, voordat zij hun
1 15
broeders in het Turksche rijk eenigermate konden verzekeren,
dat zij voor de herhaling van eene dusdanige treurige en
gevaarlijke aanklacht niet meer behoefden te vreezen. De weg,
dien zij daartoe insloegen, was verschillend. Sir Mozes begat
zich naar Constantinopel, waar hem een plechtige audientie bij
den sultan verleend werd. Deze was hem zeer ter wille
en vaardigde, na een langdurig onderhoud, e'en ferman uit,
waarin hij verklaarde, dat de beschuldiging te Damaskus
valsch bevonden en hem bovendien uit de godsdienstboeken
der Joden duidelijk gebleken was, dat hun niet alleen het
bloed van menschen, maar ook dat van dieren verboden is.
De Joodsche natie staat onder de bescherming der wet,
evenals de overige aan zijne macht onderworpen volkeren.
Uit dien hoofde zal zij volkomen vrijheid genieten en op
geenerlei wijze in hare rechten gestoord worden." In het
geheele Turksche rijk, maar vooral onder de Joden in
Damaskus, baarde deze ferman, die hun door tusschenkomst van Montefiore zelf bereikte, groote vreugde. Cremieux
bleef nog eenigen tijd in Egypte, om daar op eene andere
wijze nuttig te arbeiden. 0 vertuigd, dat de bevordering
van ontwikkeling en kennis het eenige middel was, om
verbetering te brengen in het lot zijner Oostersche broeders,
stichtte hij in Alexandria en Kairo Joodsche volksscholen
voor jongens en meisjes, waar de zaden der Europeesche
beschaving zouden gestrooid worden. Munk, die door een
Arabisch en Hebreeuwsch zendschrijven de bevolking op
het nut dier scholen wees, werd belast met het ontwerpen
van het leerplan, het benoemen der onderwijzers enz., terwij1
Cremieux de fondsen bijeenbracht tot het instandhouden
der scholen. Nog eerder dan .Montefiore keerde hij naar
zijn vaderland terug, waar hem de gelukwenschen van velen
wachtten. Met nog meer eer werd Sir Mozes bij zijne
terugkomst in Londen overladen. Hij ontving van de
Engelsche koningin een bijzonder eereteeken en door geschenken, dankadressen en gedichten in verscheiden talen
de hulde van bijna het geheele Europeesche Jodendom.
Zoo was hun terugkeer uit het Oosten een ware zegetocht,
Was het voor hen een aangename gewaarwording, hun
bedrukte broeders uit den nood gered te hebben, de edele
mannen stelden zich met dit liefdewerk nog lang niet
tevreden. Monteflore, een trouwe zoon des Jodendoms,
verwant aan zeer aanzienlijke familien, met aardsche goederen
ruim gezegend, wijdde zijn geheele leven, een leven van
over de up° jaar, aan het welzijn zijner geloofsbroeders in
alle landen, ja in alle werelddeelen. Voor de leniging hunner smarten en de verbetering van hun staatkundigen toestand ontzag hij geld noch moeite. Reeds vroeger had hij
316
de sprekendste bewijzen gegeven van zijne liefde voor het
heilige land. In het jaar 1827, toen Palestina door een
zwaren hongersnood geteisterd werd, en tien jaar later, toen
eene aardbeving groote verwoestingen in Tiberias en andere
plaatsen aangericht had, begaf hij zich met zijne levensgezellin derwaarts, om den nood te lenigen. Herhaaldelijk
ondernam hij` den tocht naar dien gewijden bodem der
vaderen, en telkens liet hij er de sporen van zijne onbegrensde
weldadigheid achter. De strenge ukasen, door keizer Nikolaas
ten aanzien der Joden uitgevaardigd, voerden hem naar de
hoofdstad van Rusland (i 848), waar hij bij den czaar een
welwillend gehoor ontving. In 1859 begaf hij zich naar
Rome, om paus Pius 1X te smeeken voor de bevrijding van
den met geweld geroofden en gedoopten Joodschen knaap
Mortara. I) Op zijn 8oste jaar verscheen de edele baronet
voor den sultan van Marokko, wien hij een smeekschrift
overhandigde voor de emancipatie van de verdrukte Marokkaansche Joden. In 1871 plaatste hij zich aan het hoofd
van een comitd, dat zich gevormd had tot leniging van
den nood, waarin zich de Perzische Joden bevonden. Nog
als grijsaard van 90 jaar ondernam hij zijne zevende reis
naar Palestina. Zoo arbeidde hij tot zijn dood voor het
welzijn zijner broeders en zal zijn naam als philantroop ten
eeuwigen dage in de geschiedenis van de menschheid in
Te Bologna (in den Kerkelijken Staat) woonde eene
Joodsche familie Mortara, bestaande uit een achtenswaardig
en braaf koopman, vrouw en zes kinderen. Een der kinderen, een vierjarig knaapje Edgard, werd ernstig ziek. De
dienstbode diende hem in het geheim den doop toe, in de
hoop, dat hij daardoor zou genezen. Na verloop van tijd
deelde zij het voorgevallene aan den geestelijke van haar
kerspel mede, die daarvan onmiddellijk aan de inquisitie te
Rome bericht zond. In het laatst van Juni 1858 deden vijf
gendarmes, door een monnik der inquisitie geleid, een inval
in het huis van Mortara, met de aankondiging aan de
onthutste moeder — de vader was juist niet thuis —
dat zij haar kind, waarop de Kerk aanspraak maakte, thans kwamen opeischen. De vurige gebeden en het
gesmeek der arme moeder baatten niets. Net knaapje werd
haar ontrukt en naar Rome gevoerd, waar het voor den
geestelijken stand opgeleid werd. Deze schandelijke kinderroof deed een stem van diepe verontwaardiging opgaan in
alle deelen van Europa. Van alle kanten richtte men
adressen tot den paus, om het kind aan de wanhopige
ouders terug te geven, maar de Kerk wilde haar buit niet
loslaten.
I)
317
het algemeen en van zijn yolk in het bijzonder met gouden
letteren geboekstaafd blijven. Eveneens verwierf zich de
wakkere Cremieux een onsterfelijken naam .door zijn werkzaam leven, dat van reine menschenliefde en weldadigheidszin getuigt. Ook hem was, niettegenstaande zijn politieke
loopbaan veel tijd en inspanning van hem eischte 1), geene
moeite te groot of opoffering te zwaar, zoo deze kon leiden
tot de verbetering van het lot zijner stamgenooten. De door
hem in het Nijiland gestichte en naar hem genoemde
Cremieux-scholen hielden zijn voortdurende belangstelling
gaande. Waar het gold, met de pen of door het woord
de belangen van zijn nog in vele landen vervolgden en fel
gehaten stam te verdedigen, plaatste hij zich in de voorste
rij der strijders. Toen zes jonge mannen te Paris het
denkbeeld opvatten, een broederbond van alle zonen des
Jodendoms te stichten, die de slagboomen zou opheffen,
welke nog in sommige landen van Europa, maar vooral
daarbuiten, den Israeliet beletten, zich vrij te bewegen als
deelgenoot van de groote maatschappij des menschdoms
werkzaam te zijn en zich door kennis en wetenschap te
ontwikkelen, vond dit denkbeeld onmiddellijk bijval bij
Cremieux, door wiens persoonlijken invloed en krachtige
medewerking dit 3Algemeen Israelietisch Verbond" (Alliance
Israelite Universelle) tot stand kwam (186o), en waarvan
hij tot zijn dood (188o) het voorzitterschap bekleedde.
Dit verbond vertakte zich al spoedig over alle landen van
Europa en vond ook ,daarbuiten krachtige ondersteuning. R)
Getrouw aan zijne roeping, heeft het in den loop des tijds
veel edels en schoons tot stand gebracht en kan thans
bogen op de vruchten van zijn voortdurend en onvermoeid
streven voor het maatschappelijk en zedelijk welzijn onzer
broeders in verre gewesten,
1) Na de omwenteling van het jaar 1848 werd hij minister
van justitie. Onder keizer Napoleon bekleedde hij geruimen
tijd een zetel in de Fransche kamer. Na den val van het
Keizerrijk aanvaardde hij weder voor eenigen tijd de betrekking van minister van justitie en keerde na het sluiten
van den wapenstilstand met Duitschland tot het ambteloos
leven terug, om zich aan de rechtsgeleerde praktijk te wijden.
2) Tien jaar later vormde zich in Engeland een dergelijke
bond (Anglo-Jewish Assocation), die met de A. I. U. hand
aan hand gaat. Evenzoo ontstond te Weenen eene 3Israelitische Allianz" (1873) tot bescherming van vervolgde geloofsgenooten.
318
HOOFDSTUK LXI.
De verbetering van den staatkundigen toestand
der Europeesche Joden. De godsdienstige
richtingen in Duitschland.
1848 —1880.
De Juli-revolutie van het jaar 1848, waardoor de monarchie
in Frankrijk in een republikeinschen regeeringsvorm herschapen werd, vond haar weerkiank in bijna geheel Europa,
Overal openbaarde zich een revolutiegeest, aangewakkerd
door democratische geestdrijvers en voorstanders van een
teugellooze vrijheid. Men droomde van eene algemeene
Europeesche republiek, waarin elk nationaal en godsdienstig
verschil uitgewischt en vrijheid, gelijkheid en broederschap
de leuze zouden wezen. Evenals de groote omwenteling op
het einde der vorige eeuw, had ook deze revolutie voor
den socialen toestand der Joden, en vooral in Duitschland,
gunstige gevolgen. Zij eischte ook voor hen de volkomen
vrijheid als burgers van den Staat zoo gebiedend, dat aan
dien eisch niet langer weerstand kon geboden worden. De
emancipatie der Joden, waarnaar men in menigen Duitschen
staat tot nu toe te vergeefs gestreefd had, ondervond
thans geen of althans weinig tegenstand. Weldra namen
aldaar Joden zitting in de constitueerende staatslichamen
en kregen er een niet geringen invloed. Het Duitsche
parlement, dat zijne zittingen in Frankfort hield, vond
in Gabriel Riesser (1806-1863) een man van groote
rechtsgeleerdheid en geestkracht, die onvermoeid medearbeidde voor Duitschlands vrijheid, eenheid en zelfstandigheid. Hij was een begaafd spreker, die door den gloed
van zijn woord anderen wist te bezielen voor zijne
denkbeelden en beginselen. Zijne geschriften wekten het
gevoel van eigenwaarde op bij zijne geloofsgenooten, die
in hem een trouwen, hulpvaardigen vriend, een weldoener
in den nood vonden. Niet minder verdienstelijk dan deze
edele kampioen maakte zich Rafael Kosch (gest. 1872), die
als onder-voorzitter van de Pruisische nationale-vergadering
en later als lid van de Pruisische kamei de belangen van
het land, alsook van zijne geloofsbroeders met trouw behartigde. Aan dusdanige woordvoerders hadden de Joden
nog voordurend behoefte, daar zich eene kleine maar
machtige partij vormde, die zich tegen hunne volledige
emancipatie en slechts voor gedeeltelijke gelijkstelling verklaarde, zooals in de vrijstad Lubek het geval was. Koning
Willem 1 (1861), wiens hoofd later de Duitsche keizerskroon
sierde, bekomrnerde zich niet om de nietige voorwendsels,
319
op grond waarvan men de scheidsmuren voor een gedeelte
wilde laten bestaan. Onder zijn voor Duitschland zoo
schitterend en roemvol bestuur kwam dan ook in Pruisen
en gaandeweg in de andere Duitsche bondstaten (Beieren,
Saksen enz.) de hurgerlijke gelijkstelling der Joden tot
stand. l)
Ook voor de Oostenrijksche Joden hadden de staatkundige
gebeurtenissen van 1848 gunstige gevolgen. Tot hun innige
vreugde werden alle uitsluitingsedicten opgeheven. Zonder
veel tegenstand verklaarde men de schandelijke Pharaonische
familiewet" (zie bl. 2 2 8) vervallen, zoodat reeds lang gehuwde
echtparen hun huwelijken thans van staatswege als wettig
lieten erkennen en hunnen kinderen namen gaven, die deze
tot nu toe niet hadden mogen dragen. In den constit 2eerenden rijksdag kregen ook enkele Joden, onder welke
de rabbijnen Mannheimer (tie bl. 293) en Meisel (1815—
1867), zitting. Tot nu toe uit vele provincien en steden
uitgesloten, kregen zij thans het recht. zich in het geheele
land te vestigen, zoodat hun aantal aanmerkelijk toenam.
Sommige gemeenten, zooals die te Brunn, Linz en Graz
klommen tot een hoogen trap van aanzien en bloei. Wel
openbaarde zich al spoedig weder een vijandelijke geest
tegen de Joden en traden, krachtens een besluit van 2 October
1853, enkele smadelijke en drukkende bepalingen tegen
hen in werking. maar de uitkomst bewees weldra, dat deze
onrustbare verschijnselen slechts van tijdelijken aard geweest
waren. Door de grondwet van 1867, die de volledige
gelijkstelling van alle staatsburgers en vrijheid van godsdienst
of kondigde, werden de Joden in den broederbond van de volkeren der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie opgenomen.
Sinds dien tijd namen zij ook krachtig deel aan het openbare
leven en bewogen zij zich op elk gebied van kunst en
wetenschap.
Den Russischen Joden, die nog steeds gebukt gingen
onder het juk eener onmenschelijke dwingelandij, opende
de troonsbeklimming van Alexander II (1855) het vooruitzicht op eene betere toekomst. Hij liet vele drukkende
en wreede ukasen van zijn voorganger opheffen. In Warschau
en andere steden van Polen, waar zij tot nu toe in nauwe,
bedompte en vuile straten gewoond hadden, mochten zij
I) In de nieuwe wereld huldigde men de beginselen der
vrijheid in de hoogste mate: Zoo bestond op Jamaica het
zesde gedeelte van het aantal parlementsleden uit Joden
(1849). Daarentegen was het lot der Aziatische Joden nog
zeer treurig en waren zij aan voortdurende vervolging, uitmergeling en afpersing overgeleverd.
32 0
zich in alle stadswijken vestigen. 1) Ook in St. Petersburg,
welks poorten keizer Nikolaas voor hen gesloten had gehouden, mochten zij zich metterwoon nederlaten. De toegang
tot de gymnasien en hoogescholen werd hun niet 'anger
geweigerd, zoodat zij aan de beschaving konden deelnemen,
Door deze en andere maatregelen toonde de vrijzinnige
czaar, dat hij ernstig van plan was, de emancipatie der
Joden voor te bereiden en alle hinderpalen te doen verdwijnen, die aan hun ontwikkeling nog in den weg stonden.
Ook zij gaven van hun kant bij vele gelegenheden duidelijke
bewijzen van hun trouw aan vaderland en vorstenhuis.
Maar de dood van den edelmoedigen vorst, die door lager
sluipmoord om het leven kwam, bracht in hun toestand
een zeer treurige verandering. Al spoedig werd het sein
gegeven tot eene Jodenvervolging, die deed denken, dat men
in Rusland tot de middeleeuwen teruggekeerd was. Op het
Paaschfeest (27 April i 88 i) vernam men te Eli sabethgrad
voor het eerst den helschen kreet : slaat de Joden dood !"
Deze kreet vond weerklank in vele steden. Te Kiew
werden (8 Mei) de synagogen verwoest, de Torarollen verscheurd, vele Joden wreedaardig vermoord, hun goederen
geroofd en huizen vernield. Van daar trok de wilde horde
naar de naburige plaatsen, overal de sporen van haar onbeschrijfelijk vandalisme achterlatend, Geheel Zuid-Rusland
was gedurende bijna een half jaar (Mei—September) het
tooneel van slachting, moord en verwoesting. In vele steden
(Minsk, Slonim, Mohilew e. a.) werden de Jodenwijken met
duizenden harei bewoners een proof der vlammen. De
geschiedenis van het Russische Jodendom van dien tijd tot
op den dag van heden is in den vollen zin des woords
eene lijdensgeschiedenis. De wreede Tartaar dorstte naar
het bloed en goed van duizenden en tienduizenden onschuldige
Israelieten. Betrekkelijke welvaart veranderde door barbaarsche besluiten in korten tijd in de diepste armoede.
Zij werden verdreven uit de provincien, waar zij niet lang
geleden in vrede met de overige bevolking geleefd hadden.
De woestelingen, naijverig op de meerdere welwaart hunner
Joodsche medeburgers, vergolden met roof, plundering en
manslag de diensten, die dezen hun bewezen hadden. Gedwongen hun bezit tot elken prijs te verkoopen, ja vaak
genoodzaakt, uit zucht tot zelfbehoud alles in den steek
te laten, zagen koopman en arbeider zich tot den bedelstaf
gebracht. Grijsaards en ziekeri, kinderen en vrouwen, alien
1 ) Toch sloot zich eene menigte Joodsche jongelingen bij
den opstand der Polen aan en vonden velen van hen op
het slagveld den dood voor de vrijheid van hun vaderland,
321
werden meedoogenloos uit erf en hof verjaagd. Men liet
hun de keuze, het land te verlaten of zich te vestigen
binnen de grenzen van het zoogenaamde Jodengebied, waar
zij door overbevolking elkaar met scherpe concurrentie de
schamele bete broods betwistten in den zwaren strijd om
het bestaan. In talrijke scharen ontvluchtten de wanhopigen
het land, waar hun Leven, have en goed geen oogenblik
meer veilig waren. Net Europeesch Jodendom, diep bewogen met de ongelukkige landverhuizers, die, verstoken van
de eerste levensbehoeften, met steeds wassenden stroom in
de groote steden van Duitschland, Nederland en Engeland
aankwamen, om van daar naar de overzijde van den Oceaan
over te steken, trachtte door vereende krachten, en daarbij
ook gesteund door edeldenkende Christenen, den nood te
lenigen. Ook de Amerikaansche Joden brachten groote
sommen bijeen, om de aangekomen broeders in hun pogingen
te steunen, De invloedrijkste mannen van verschillenden
godsdienst deden bovendien stappen bij de Russische regeering, om den storm te bezweren, maar de wetten ten aanzien
der Joden werden soms voor een oogenblik in geinatigden
zin ten uitvoer gebracht, o_n ze aanstonds scherper en
strenger dan ooit toe te passen. Zoodoende bleef voor
duizenden geen andere weg open, dan het land der barbaarschheid te verlaten en in de nieuwe wergild hun
nieuw vaderland te zoeken. Groote verdiensten en een
onsterfelijken naam verwierf zich in de jongste tijden de
beroemde philantroop baron M. von Hirsch door de bevordering van de emigratie der Russische Joden naar de
A rgentijnsche republiek. •
• In Turkije, waar de Joden reeds geruimen tijd in het
bezit van alle burgerrechten gesteld waren, miste de regeering vaak de macht, hen tegen het herhaald fanatisme der
Grieksche Christenen in bescherming te nemen. In Rumenie
daarentegen smachtten zij nog onder den druk van middeleeuwsche uitsluitingswetten en waren daar de Jodenvervolgingen aan de orde van den dag. Wel gaf vorst Karel 1
bij zijne troonsbeklimming (1866) de verzekering, dat hij
de beginselen van humaniteit en verdraagzaamheid jegens
de Israelieten zou handhaven, maar het bleef slechts bij
eene belofte en de hoop op verbetering van hun toestand
bleek weldra ijdel te zijn. Niettegenstaande de pogingen
van Cremieux en Montefiore, die zich persoonlijk naar
Boekarest begaven, om den' vorst en de regeering ten gunste
hunner geloofsgenooten te stemmen, bleef het bij het oude.
Voortdurend kwamen de treurigste berichten uit de Donauvorstendommen. Honderde Joodsche familien werden uit
het district Bac/ow (in Itiola'avii) van hare bezittinuen
322
beroofd en nit hare woonplaatsen verdreven. In Jassy
mishandelde de jeugd Joodsche mannen en vrouwen openlijk
op straat. In Galatz en andere plaatsen waren zij hun
leven niet veilig. Zoo bleek, dat de grondwet, die den.
Joden de verkrijging van de burgerlijke en burgerschapsrechten openstelde, niets anders schonk dan eene vrijheid
op het papier. Ook de hoop op een beteren toestand, die
men na den val van den minister-president Bratiano, den
bitteren vijand der Joden, koesterde, verwezenlijkte zich
in geenen deele. De 1, Alliance Israelite Universelle" wendde
alle pogingen aan, hun lot te verbeteren, maar tot nu zonder
bevredigenden uitslag. De uitsluitingsgeest van het Rumeensche parlement is nog ongeveer dezelfde gebleven.
Zeer gunstig steekt daarbij of de toestand hunner broeders
in Servie en Bulgarije, waar de sporen van uitsluiting
geheel verdwenen zijn.
Eene schoone en bemoedigende tegenstelling met den
staat onzer geloofsgenooten in Oost-Europa vormt die in
het Westen van dit werelddeel. Geen verandering van bestuur noch eenige politieke omwenteling oefende in Frankrijk
eenigen nadeeligen invloed op hun staatkundige vrijheid.
Hun rechten bleven onaangetast en in het leger zoowel
als in de rechterlijke en wetenschappelijke collegien bekleeden zij thans hooge en belangrijke waardigheden. Ook in
England kregen zij sinds 1858 zitting in het parlement en in
Londen werd de waardigheid van )Lord-Mayor" reeds herhaalde malen door Israelieten bekleed. In Australia, evenals in de Engelsche bezittingen, genieten zij dezelfde rechten
als in het moederland. Aldaar worden enkele aanzienlijke
en goed georganiseerde Joodsche gemeenten aangetroffen.
Zoowel in Londen als in Parijs onderscheidt zich de familie
Rothschild door haren weldadigheidszin. Nathanel Rothschild te Parijs (gest. 1868) liet vooral in Palestina de
sporen van zijn menschenmin achter door het stichten van
scholen en liefdadige instellingen. Hij werd daarin ter zijde
gestaan door zijn aalmoezenier Albert Cohn (gest. 1878),
die reeds vroeger, ingevolge een opdracht van het Fransche
gouvernement, veel gedaan had voor de organisatie van het
Jodendom in Algiers. — Voor de Joden in den Kerkelijken
Staat, waar zij wel ten alien tij.de geduld, maar steeds gekrenkt en onderdrukt werden, en in de overige staten van
welks eenheid door Victor Emanuel tot stand kwam,
brak onder dezen vorst een schoone dageraad aan. De scheidsmuren werden omvergehaald en de herinneringen aan de
middeleeuwsche toestanden door hem uitgewischt, Geen wonder,
dat de Joden van Rome den dag feesteiijk begroetten, waarop
zij z uit buitengewoon smartelijke omstandigheden gered,
3 23
de burgerlijke rechten deelachtig werden", en hun weldoener
in een schoon adres hun hartgrondigen dank betuigden
(187o). Ook in Zwitserland kwamen de Joden een stag
nader tot de emancipatie. Door een handelsverdrag, gesloten tusschen .F? ankrijk en Zwitserland, zou het voortaan
den Franschen Joden geoorloofd zijn, zich in dit rijk te
vestigen, zoodat alle kantons hun het verblijf moesten toestaan en de bezwaren, aan hun oponthoud aldaar tot dusver
verbonden, uit den weg geruimd werden. Niettegenstaande
de Joden van alle West-Europeesche staten — uitgezonderd
Span/ e, waar godsdienstige onverdraagzaamheid nog steeds
den schepter zwaaide — de staatkundige vrijheid genoten,
was er geen land, waar de Joodsche wetenschap weliger
bloeide en op grootere mannen kon bogen da.n Duitschland.
Maar tevens ontbrandde in dit land het eerst een felle strijd
in den boezem des Jodendoms, die tot treurige gevolgen
leidde, zooals verder blijken zal.
HOOFDSTUK LXII.
V ervolg.
Sinds de Duitsche hoogescholen hare deuren ook voor
de zonen des Jodendoms openstelden, gevoelden velen, die
zich voor het geestelijk ambt voorbereidden, de behoefte,
ja de noodzakelijkheid, naast de Joodsche studie zich ook te
laven aan de bron van andere wetenschappen, waardoor
hun gezichtskring verruimd en hun ontwikkeling niet langer
binnen de enge perken eener eenzijdige richting afgebakend
zou worden. Dit was zeker een lofwaardig streven, daar
zulks het wctenschappelijk peil van rabbijnen, predikers en
godsdienstleeraren zou verhoogen en hen geschikter maken
voor de eischen, door de veranderde tijdsomstandigheden
van hen gevorderd. Maar de p!otselinge overgang van de
omgeving, waarin velen zich verplaatst zagen ; de geheel
nieuwe denkbeelden, (lie zij van den katheder hoorden verkondigen ; de tot dusver gansch onbekende wereld, waarin
de klassieke wetenschappen hen voerden ; dit alles had op
menigeen een bedwelmenden invloed. Het doofde — en
vooral als het slechts bij een oppervlakkige kennis bleef —
bij menigeen het heilige vuur van den godsdienst en bracht
de gehechtheid aan hetgeen hem tot nu toe Goddelijk scheen
aan hit wankelen. In zijn waanwijsheid brak hij den staf over
de dierbaarste belangen van het Joodsche leven en zag medelijdend neder op hen, die het in hun oog oude, echte en
3 24
geschiedkundige Jodendom nog wilden redden. Neen, het
Jodendom, zoo riep men, heeft behoefte aan een nieuw
godsdienst-programtna, ontleend aan de uitkomsten van de
jongste wetenschappelijke onderzoekingen van Bijbel en
Talmud. Aan het hoofd dezer verlichte 'rabbijnen stond
Abraham Geiger (I 810-1874), rabbijn in Wiesbaden, wiens
reeds vroeger vermeld tijdschrift : 2Voor Joodsche theologie
en wetenschap" in den boezem des Jodendoms een verderfelijken invloed oefende. Zijne wetenschappelijke genialiteit
misbruikte hij, om Israels heiligdommen met ruwe band
aan te tasten en zoo mbgelijk te verpletteren. Zijne historische critiek had ten doel, het gebouw des Jodendoms,
rustende op Tora., Talmud en Rabbanisme, aan het wankelen
te brengen en liefst te vernietigen. Want hij droeg het
oude joderitlom een bitteren haat toe. Om dezen baanhreker
nu van het moderne Jcdendom schaarde zich een tal mannen
van oppervlakkige kennis en ontwikkeling op theologisch
en profaan gebied, die zijn woord als een orakel, zijne
afbrekende critiek als een heilige openbaring beschouwden.
2. Het Jodendom moest hervormd worden naar den geest van
den grooten Geiger" zoo luidde het wachtwoord, waaronder
2 2 rabbijnen uit Duitschland te Brunswijk samen kwamen
(1844) tot het beleggen van eene vergadering, waarin het
werk der gewenschte hervorming tot stand moest komen.
Het waren meestal jonge rabbijnen of predikers, die zich
geheel lieten leiden en beheerschen door den voorzitter,
eene dusdanige vergadering waardig, Samuel Jloldheim uit
Kempen (1806-186o). Het is opmerkelijk, ofschoon zeer
begrijpelijk, dat de Talmud, wiens studie en verbreiding
door de Poolsche rabbijnen in zulk eene hooge mate bevorderd is, in dezen gewetenloozen Poolschen rabbie een
zoo bitteren vijand gevonden heeft. In zijne jeugd hield
hij zich uitsluitend met de Talmudische en Rabbijnsche
studien bezig, waarin hij het door zijne scherpzinnigheid
tot een aanzienlijke hoogte gebracht had. Eerst op mannelijken leeftijd maakte hij • zich de Duitsche beschaving
eigen en gevoelde zich vooral tot de wijsbegeerte aangetrokken. Door een tuimelgeest bevangen deed hij eenige
jaren als rabbijn te Frankfort a /1M het masker van vroomheid en gehechtheid aan het Jodendom voor, om dit weldra
in Mecklenburg -Schwerin, waar hij tot landrabbijn beroepen
werd (184o), of te werpen en op verlangen van den vorst
als hervormer des Jodendoms op te treden. Dit viol den
karakterloozen man volstrekt niet moeielijk. Zijne scherpzinnigheid kwam hem overal te stade, zoodat hij anderen
en wellicht zich zelven diets maakte, dat zijn hervormingen
het wezenlijk heil des Jodendoms bevorderden. Even ge-
3 25
makkelijk nu viel het hem, de leden der rabbijnen•vergadering
door zijn vlugheid van geest, spitsvondigheid, behendigheid
in het disputeeren en meerdere bekwaamheid in de Joodsche
wetenschap te verblinden en zijn denkbeelden algemeenen
ingang te doen vinden. Alle wetten, die een nationaal
karakter droegen, hadden volgens zijn meening, sinds het
verlies van Israels nationaliteit hun beteekenis verloren en
konden derhalve opgeheven worden. En daar hij daaronder
alles rekende, wat maar eenigszins een specifiek-Joodsch
karakter droeg, stortte het geheele gebouw des Jodendoms
onder zijn praesidialen hamer ineen. De Sabbath- spijs- en
huwelijkswetten, ja zelfs de Hebreeuwsche taal konden als
noodelooze ballast over boord geworpen worden. De brutale
hervormer deinsde voor niets terug. Toen hij bemerkte,
dat hij met deze eerste rabbijnen-vergadering zijn doel niet
bereikt had, rustte hij niet eerder voordat in het volgende jaar
te Frankfort eene tweede vergadering belegd werd, waar
het programma van het Berlijnsche hervormingsgenootschap
rabbinale sanctie zou verkrijgen en tot grondslag van het
ware Jodendom verheven worden, Dit programma stelde
op den voorgrond : verzverping van den Talmud, verwerping
Van de Messias leer, terzigkeer tot den geest tier heili o..-e Schrift.
Holdheim zag zijne pogingen althans voorloopig met goeden
uitslag bekroond. Zoowel te Frankfort als te Berlijn werd
een tempel opgericht, waar de dienst niets meer gem.een had
met dien in eene Joodsche synagoge. Het Jodendom,
verwijderd uit het huiselijk leven, verbannen uit hart en
gemoed, vond ook in het Godshuis geene genade meer.
Holdheim zelf trad als prediker op in den Berlijnschen tempel
en werd de herder der hervormers aldaar. In woord en
schrift bleef hij tot zijn dood het Talmudisch Jodendom
bestrijden. In zijn sterfjaar verscheen van Geiger, toen
rabbijn te Breslau, een werk, dat nog alles overtrof, door
hem tot dusver in het licht gegeven en verricht tot ondermijning van het Jodendom. Niet de Talmud maar de
Bijbelsche literatuur moest thans den haat ondervinden,
dien deze geleerde sophist het geloof der vaderen toedroeg.
Een niets ontziende critiek over > de bestanddeelen der
Bijbelsche geschriften in hun afhankelijkheid tot de innerlijke
ontwikkeling des Jodendoms" vormt schering en inslag van
deze pennevrucht (Urschrift), die slechts dienen moest, om
de dragers van de waarheden des Jodendoms te brandmerken
als bedriegers en hare bestrijders als diens ware apostelen
en betrouwbare gidsen. Het z Urschrift" verbreidde Geigers
roem onder de gelederen der vrijdenkers en bezorgde hem
eene aanstelling aan z de hoogeschool voor de Joodsche
wetenschap" te Berlijn. Zoo werd wetenschappelijk en nietMoN. Gesch. III, 22
326
wetenschappelijk materiaal aangewend om het Jodendom
te begraven.
In die dagen, waarin velen met bezorgdheid de toekomst
des Jodendoms te gemoet zagen, maar aan de meesten de
moed, kennis en geschiktheid ontbraken, om den strijd tegen
de overmoedige vernielers van den wijngaard des Heeren
aan te binden, omgordden zich enkele mannen met de
wapenen van den geest, om den reuzenstrijd te ondernemen
tegen wetenschappelijke ketterij, ongeloof en onverschilligheid. In de eerste rij dier wakkere mannen stond de jonge
Samson Raphael Hirsch (geb. te Hamburg i 8o8, gest. te
.Frankfort alM. 1888), die tot zijn dood voor zijn heilig
beginsel gearbeid heeft met onvermoeiden ijver en onwankelbare karaktervastheid. Aanvankelijk voor den koopmansstand en eerst later voor de geestelijke loopbaan bestemd,
begaf hij zich naar Mannheim (1827), waar hij door den
klausrabbijn Jakob Ettlinger — later rabbijn te Aliona — tot
talmudgeleerde gevormd werd, en genoot daarna te Bonn eene
academische leiding. Op twee en twintig jarigen leeftijd aanvaardde de man, die in korten tijd door zijn goeden aanleg
en noeste vlijt een schat van degelijke kennis verworven
had, het rabbinaat van Oldenburg. Bezield met heilige en
reine liefde voor de joodsche studie, maar ook voor het
Jodendom, Meld hij zich onledig met de bewerking van een
handboek, waarin hij op duidelijke en bevattelijke wijze dat
Jodendom teekende naar zijn geestes- en gemoedsleven,
wetten en uitspraken, waarheden en beschouwingen. Aan
de verschijning van dit handboek, Choreb genoemd, liet hij
voorafgaan 2.de negentien brieven over het Jodendom," die
onder den pseudoniem van ben-Chiel het licht zagen. Uit
ieder dezer brieven sprak een bezielde en bezielende overtuiging van de verhevenheid en Goddelijkheid des Jodendoms, niet zooals het in de laatste tijden vervormd en gemoderniseerd was, maar zooals de grijze Tora en de eeuwenoude traditie het leerden en vertolkten. Dit was de eerste
en gevoelige slag, den hervormers toegebracht door een
jongen geleerde, die intusschen zijn wapenen scherpte om
den heiligen strijd voort te zetten en de aanvallen op
zijn Choreb (1837) te verdedigen. Als rabbijn van Oldenburg
en later van Emden en 1V ikolsburg liet hij niets onbeproefd,
om in zijn gemeenten een innig en waarachtig godsdienstleven
op te bouwen op streng traditioneelen bodem, gepaard met
edele beschaving Trachtte Hirsch in zijn Choreb en latere
geschriften, naar den geest van zijn voormaligen leermeester
cliacham Bernays, door schoone symboliek en van veel
geest en geleerdheid getuigende allegorieen een nieuw en
frisch leven te brengen in de godsdienstgebruiken en alle
327
uitingen van het Joodsche leven, dat zich daardoor bij velen
weder krachtig begon te ontwikkelen, op eene andere wijze
trad Zacharias Frankel (1801-1875) tegen de geestelooze
hervorming te velde. Hij was de man van den gulden
middelweg, die niet terugdeinsde voor hervorming, zoo
deze slechts diende tot loutering en verheffing an het oude,
geschiedkundige Jodendom, zooals zijne degelijke studien
op Joodsch-literarisch, talmudisch en historisch gebied het
hem hadden leeren kennen en waardeeren. Maar hij dacht
er niet aan, het Jodendom te ondermijnen door allerlei
grillige en met den dag veranderende hervormingen. I) Ernst,
vastberadenheid en bezadigdheid spraken uit zijne handelingen
niet minder dan uit zijne geschriften, de vruchten van zijne
grondige, critische en nauwgezette onderzoekingen op het
rijke veld der Joodsche wetenschap. 2) Toen nu de edele
Jonas Franckel, bij zijn overlijden (t 846), van zijn vermogen,
dat hij meerendeels aan weldadige doeleinden had vermaakt,
een aanzienlijk kapitaal afzonderde, onder de uiterste wilsbeschikking, dat daarvoor te Breslau een Joodsch-theologisch
Seminarium moest gesticht worden, en de beheerders van
het testament naar een man omzagen, wien zij de leiding
van deze nieuwe kweekschool voor toekomstige geestelijken
konden toevertrouwen, viel hun keuze op den beroemden
Fr dmkel, toen opperrabbijn te Dresden. Hij liet zich deze
keuze welgevallen en aanvaardde zijn schoonen en veelomvattenden werkkring als directeur van het Breslausche
Seminarium, dat in 1854 geopend werd. In het onderricht
van de verschillende leervakken werd hij ter zijde gestaan
door twee mannen, die zich door hun belangrijke werken
op Joodsch-letterkundig gebied onvergankelijken roem verworven hebben. Het waren Jakob Bernays, later eerste
bibliothekaris en professor aan de hoogeschool te Bonn, en
Hirsch Gratz uit Xions in Pruis. Posen 3) (i817-1891).
') Hij nam deel aan de rabbijnen-vergadering te Frankfort, niet om het Berlijnsche programma te onderteekenen,
maar om de hervorming naar zijne zienswijze te leiden.
Toen hij merkte, dat zijn pogingen vruchteloos waren, wilde
hij in het gezelschap der spotters niet langer plaats nemen
en onttrok zich, onder luid protest, aan de zitting.
2) Daartoe behooren o. a. Studien zur Septuaginta (1841),
Der gerichtliche Beweis nach MosaIsch-talmudischen Rechte
(1846) en de vele artikelen in de door hem geredigeerde
tijdschriftea (zie bl. 300).
3) In dezelfde provincie had twaalf jaar vroeger de reeds
genoemde Julius Furst (gest. 1873) het levenslicht aanschouwd. Te midden van de grootste ontberingen wijdde
MON,
Gesell. III,
22*
32 8
Deze laatste nam tegenover de richting van Gezker en
diens geestverwanten ongeveer hetzelfde standpunt in als
Frankel. 'Fe Oldenburg, waar hij als jongeling het gymnasium bezocbt, werd hij de leerling en beschermeling van
den rabbijn Hirsch, die hem liefde voor het Jodendom
inboezemde, eerbied en achting voor de groote mannen,
die het tegen de machtige aanvallen van uit- en inwendige
vijanden gered hadden. Hij schatte zijn meester hoog en
wijdde hem, als blijk van dankbare herinnering, een zijner
eerste geschriften (Gnosticismus in Judentum 1846). Deze
verhandeling alsook andere opstellen en beschouwingen
over verschillende werken I) kenmerkten Gratz, die intusschen
eenige jaren aan de godsdienst-school te _Lundenburg (in
Moravie) en daarna te Berlifn werkzaam was, als een toekomstig geleerde, een man begaafd met veel genie en
scherpzinnigheid. Een onvergankelijk monument heeft hij
zich opgericht door zijne A geschiedenis der Joden," van
welk werk het eerste deel in 1853 en het laatste in 1874
verscheen. Dit meesterstuk van bewonderenswaardige vlijt
en groote belezenheid in de Joodsche letterkunde, overtreft
in helderheid, volledigheid en boeienden, sierlijken stip
alles, wat op het gebied der Joodsche historie tot nu toe
geleverd was. Wel vomit het werk, dat uit twaalf deelen
bestaat, niet in alle opzichten een harmonische eenheid
en blijkt vooral uit het laatste deel — de Bijbelsche geschiedenis dat de schrijver bij de bewerking daarvan
reeds geheel onder den indruk van de z moderne Bijbelhij • zich aan de Joodsche wetenschap, waarin hij bet tot
een aanzienlijke hoogte bracht. Hij arbeidde op het gebied
van de Aramdsche taalkunde (leerboek van het ArameIsche
idioom 1835), lexicographie (concordanz 184o, Hebr. en
Chald. handwoordenboek over het oude testament (1857 —
1863), bibliographie (Bibliotheca Judaica 1849-1863) en
geschiedenis (over de Bijbelsche literatuur 1867-187o, over
het Karaisme (1862-1869). Deze werken alsook zijne vele
artikelen in het door hem geredigeerd wetenschappelijk
tijdschrift Orient en andere. geschriften konden wel niet
altijd den toets . eener wetenschappelijke critiek doorstaan,
mar getuigen toch van 's mans groote werkkracht en
voiharding. Kort voor zijn dood werd hij benoemd tot
professor aan de hoogeschool te Leipzig, welke betrekking
1766r hem nog geen Jood in Saksen bekleed had.
1 ) Als : de Septuaginta in den Talmud ; eene recensie
van Geigers leer- en leesboek over de taal der Mischna ;
over de grondlijnen der Joodsche geschiedenis ; inleiding tot
den Talmud e. a.
3 29
critiek" verkeerde, waarvan ctok Gratz' exegetische geschriften
getuigen. Ook is het hier en daar niet geheel vrij te
pleiten van partijdigheid en van eene hartstochtelijkheid,
waarvan zich eene geschiedschrij ver in de eerste plaats
dient te onthouden. Maar deze schaduwzijden dienen wij over
het hoofd te zien bij de vele lichtzijden, waarop dit werk
bogen kan.
De richting van Gratz kon echter, evenmin als die van
Frankel, den rabbijn Hirsch en zijne geestverwanten bevredigen. Zij vreesden, dat de ernstige wetenschap, zonder
het juist te willen, met zekere beginselen van geloof en
overlevering in botsing kon komen, wat voor de leiding
aan de op te richten kweekschool treurige gevolgen zou
hebben. Eenigen hunner richtten nu tot de bestuurderen
van het aanstaand Seminarium te Breslau een openlijke
vraag" (1854), ) wat voor het Seminarium Openbaring,
Bijbel, 0 verlevering, Derabanan en Minhag zullen beteekenen."
Zij hielden zich overtuigd, dat de bestuurderen als verstandige
mannen dit verzoek met vreugde zouden begroeten, als
eene gelegenheid tot ontvouwing hunner beginselen." Maar
er kwam geen antvvoord. De tijd is te kostbaar voor de
bestuurderen, om zulken weetnieten, zulken Sidur-lomdim een
antwoord te geven," zoo luidde het in eene anonieme mededeeling in de 2, Allgemeine Zeitung des Judenthums. Deze
stilzwijgendheid verdroot de tegenstanders der nieuwe leerschool, en niet het minst den vurigen, van heilige godsdienstliefde brandenden Hirsch, Deze was intusschen tot
1) Dit eerste sinds 1837 geregeld in
Duitschland verschijnend Joodsch orgaan stond 2 2 jaar onder redactie van
zijn oprichter Dr, Ludwig Philippson (181 I-1889), Het
screed voor de emancipatie der Joden in Pruisen en de
overige Duitsche landen en trad steeds met onverschrokkenheid op voor hun staatkundige belangen, Een eigenaardig
standpunt heeft het ingenomen in den langen en zwaren
strijd tusschen de religieuse partijen, daar het voor alle
richtingen zijne kolommen opengesteld heeft, alhoewel het
alles, wat maar naar hervorming rook, met kracht bevorderde, Hetzelfde raadselachtig verschijnsel neemt men
over het algemeen waar in de geschriften van Phi/ippon,
die een niet te ontkennen werkzaamheid ontwikkeld heeft
op het gebied van Joodsche philologie en belletrie. Hij
bevorderde de stichting van de )hoogeschool voor de Joodsche wetenschap," riep A de Israelietische Bijbel-inrichting"
(Bibelanstalt) het instituut tot bevordering der Israelietische
literatuur" , het predikmagazijn" en andere tijdschriften in
het leven.
330
geestelijk hoofd en leider gekozen van een klein aantal
streng vrome familien te _Frankfort a/M, die zich van
de hoofdgemeente a fgescheurd en eene zelfstandige godsdienstige vereeniging (orthodoxe Religions-gesellschaft) gevormd hadden (1852). Daar vond de rustelooze strijder
voor het orthodoxe Jodendom een uitgebreid arbeidsveld en heeft met wezenlijk heilrijke gevolgen voor de
herleving van het wegstervende Jodendom gewerkt. De
breede afstand tusschen den geleerden idealist en de onderzoekers van het historische Jodendom maakte het zeer
natuurlijk, dat de eerste zich met de geestesproducten van
de laatsten over het algemeen niet kon vereenigen en deze
dan ook aan eene alles behalve verkwikkelijke critiek onderwierp. Gratz' geschiedenis van het talmudische tijdvak en
vooral Frankels vHodegetiek der Mischna" ') (i 86 i ), behelzende de geschiedkundige ontwikkeling der Halacha,
werden door hem heftig bestreden in het door hem opgerichte (1855) maandschrift Jeschurun. Dit orgaan had ten
doel z de bevordering van den Joodschen geest en het
Joodscbe leven in huis, gemeente en school." In dezen
strijd van beginselen verhieven ook anderen hun stem,
alhoewel niet altijd met eerlijke bedoelingen. Hirsch vond
grooten steun in eeti orgaan, kort te voren door Moir
Lehman (1831-189o) rabbijn te Mainz opgericht onder
den naam der Isradit, dat zich zeer verdienstelijk gemaakt
heeft door zijne verdediging van het orthodoxe Jodendorn
en van zijne oprichting tot den dag van heden als een
wakker kampioen diens belangen behartigd heeft. Door
woord en schrift bleef de rabbijn Hirsch werkzaam met
onafgebroken volharding voor tijdgenoot en nageslacht,
Zijne ) verklaring en vertaling van den Pentateuch" (1867 —
1878) en die van de Psalmen (1882) teekenen beter dan
de pen van den geEchiedschrijver het beeld van den man,
wiens eenig streven bestond in z opwekking tot ware Godsvrucht en heilige liefde voor het oude, duizendjarige
Jodendom."
Al gaf ook de strijd tusschen de beide richtingen in de
meeste voorname gemeenten van Duitschland aanleiding tot
verdeeldheid en scheuring, toch moesten Geiger en Holdheim
nog de eerste teekenen bemerken van het verval van het
gebouw, door hen met zulke schoone verwachtingen opgetrokken. De grondsiagen bleken te zwak, de bouwstoffen
niet bestand tegen de stormen, die het al spoedig bedreigden.
Een gevoelige slag werd den nieuwen Berlijnschen tempel
]) rorflzri ,r11.
33 1
toegebracht door den rabbijn Michael Sachs (18o8-1864).
Innig vertrouwd met de Joodsche en klassieke literatuur,
werd hij, na de voltooiing zijner studie, benoemd tot prediker
te Praag en acht jaar later te Berl jn. Door zijn oratorisch
talent, klankvol en aangenaam stemgeluid en zeldzame
zeggingskracht nam hij eene eerste plaats in onder de
kanselredenaars van zijn tijd. Het Jodendom, welks idealen
in zijn dichterlijk gemoed een schoonen weerklank vonden,
was hem boven alles dierbaar en hij beschouwde het als
zijne hoogste roeping, dit te verdedigen met alle kracht,
die in hem was, tegen de schendende hand der hervormers.
Van den kansel verkondigde hij het woord Gods met innige
overtuiging en heiligen ernst, zoodat het ook een machtigen
indruk op zijn talrijk gehoor achterliet. Want terwiji de
bezoekers van Holdheims tempel steeds verminderden, zag
Sachs het aantal zijner belangstellende hoorders voortdurend
toenemen. Maar niet alleen in de synagoge, ook in zijn
studeervertrek arbeidde hij voor de bevordering van Joodsche
kennis en de opwekking van Joodsch gevoel. Hij leverde
eene sierlijke Duitsche vertaling van de Psalmen en eenige
andere boeken der gewijde Schrift. In zijn hoofdwerk :
1de religieuse poezie der Joden in Spanje" (1845) gaf hij
een overzicht van de geschiedenis en de letterkundige voortbrengselen der groote Spaansche dichters, van wier gezangen
hij vele door zijne gevoelvolle vertalingen in wijden kring
bekend maakte. Ook de Synagogale poezie (het Machzor)
vond in hem een waardigen vertolker 0 856). Als grondig
taalkenner hield hij zich veel onledig met taal- en oudheidkundige onderzoekingen en gaf hij in zijne : A Beitrdge zur
Sprach- und Alterthumsforschung" (185 2) hoogst belangrijke
afleidingen, verklaringen en ophelderingen van vreemde
woorden in Talmud en Midrasch.
De laatste helft dezer eeuw kan, behalve op de genoemde geleerden, nog wijzen op een tal mannen, die op het groote
veld der Joodsche wetenschap gearbeid en hare literatuur
met vele werken verrijkt hebben. Op het gebied van
Talmud en Halacha verwierven zich grooten roem o. a.
Jakob Ettlinger (gest. i 871), opperrabbijn van Altona (zie
bl. 326), schrijver van Talmudische novellen 1 ) en Seligman
Bar Bamberger (gest. 1878), rabbijn van Wurzburg, wiens
geschriften groote populariteit verkregen. Eene belangrijke
bijdrage tot de Talmudische wetenschap vormt het niet
voltooide werk van Raphael Rabbinowicz (gest. 1888)
variae lectiones in Mischnam et in Talmud Babylonicum."
I) mi.) In? e. a.
332
Eene schrille tegenstelling met hun strenggeloovige rkhting
vormde Adolf Jellinek (1821-1894), die zich, althans aanvankelijk, onder de vaan der meest vooruitstrevende hervormers schaarde. Evenals Sachs behoorde hij tot de beroemdste Joodsche kanselredenaars van den nieuweren tijd.
Zijne leerredenen, door hem als prediker in Leipzig - en
later in Weenen gehouden, kenmerken zich door oorspronkelijkheid en schoone toepassing en bewerking van Midraschplaatsen. Vele zijn door hem in het licht gegeven. Maar
deze vormen slechts een klein deel van zijne talrijke letterkundige producten, die hoofdzakelijk bestaan in biographische
schetsen, bijdragen tot de geschiedenis der Kabbala en
Joodsche wijsbegeerte. Voorts gaf hij in het licht eene
verzameling van kleine Midraschirn 2), waarvan vele slechts
in handschriften bestonden, en belangrijke werken van middeleeuwsche schrijvers. Daarmede hielden zich ook .Filipowshi, Senior Sachs, Leopold Dukes e. a. onledig. De
laatste (geb. te Pressburg 181o, gestorven in Londen 1891)
heeft de oude Joodsche letterkunde behandeld in den modernen en wetenschappelijken geest en in verscheiden
werken de vruchten zijner studie verzameld 2). Op het
gebied van de geschiedenis der Joodsche wijsbegeerte werden belangrijke bijdragen geleverd door Manuel Joel (gest.
189o), leeraar aan het seminarium te Breslau en rabbijn
aldaar 3). Historische monographieen verschenen van den
onlangs overleden Jozef Perles, rabbijn te Munchen;
Nehemia Brull (gest. 1891), uitgever van jaarboeken voor
Joodsche geschiedenis en letterkunde" (1874-189o) ; Isidor
Loeb te Paris; Abraham Berliner te Berlin; Wilhelm
Bacher in Budapest e. a. Ook enkele Christen-geleerden
hebben in den jongsten tijd ernstige studie gemaakt van
Israels geschiedenis en letterkunde. De taalkundige werken
van W. Gesenius droegen veel bij• tot de verbreiding van
de Hebreeuwsche taalstudie. Op het gebied van Bijbelexegese zijn verdienstelijke werken geleverd door Eichhorn,
de Wale, Tholuk en Fr. Delitzsch. Evenwel berust hun
Bijbelverklaring vaak op een Christelijk-theologischen grond-
T •
2) 0,nri7 tru,
173/ rzip,
Rabbijnsche bloemlezing,
Bibliographien enz.
3) Daartoe behooren o. a. Levi b. Gerson als Religionsphilosoph (1862), Die Chasdai Crescas' rel. philos. Lehren
(1866), Spinoza's theol.-polit. Tractat (187o) en Blicke in
die Religionsgeschichte (188o-83).
. 333
slag. Het meest objectieve standpunt is wellicht ingenomen
door H. Ewald, tevens den schrijver van eene r geschiedenis
van het yolk Israel." De uitvoerige werken van E. Schur er
en H. L. Strack getuigen van veel belezenheid in de
voortbrengselen der nieuwere Joodsche wetenschap.
HOOFDSTUK LXIII.
Het Nederlandsche Jodendom in de laatste helft der
negentiende eeuw.
Te midden der volksbeweging, die in het jaar 1848 de
meeste Europeesche staten op hun grondvesten deed beven,
kwam in ons land eene herziening van de grondwet in
meer vrijzinnigen geest tot stand. Volgens de nieuwe grondwet nu mocht de Staat, die wel het oppertoezicht over de
gemeenten der verschillende gezindten behield, zich in hare
huishoudelijke aangelegenheden niet mengen. Toen daarna
allengskens de organieke wetten als uitvloeisels dier hervorming tot stand kwamen, moesten ook uit den aard der
zaak de belangen der Israelieten ter sprake komen. De
toenmalige 'minister baron nan Heemstra schonk daaraan
het eerst zijne aandacht. Zijn opvolger zond, op voorlichting
van eenige as,.nzienlijke Israelieten, eene circulaire aan de
verschillende kerkbesturen, om hun belangen op vasten
grondslag te regelen (185o). Ofschoon enkele punten in
deze circulaire niet de algemeene goedkeuring wegdroegen,
miste zij toch haar doel niet. Bij de algemeene verkiezingen,
door den minister voorgeschreven, tot vorming van de Constituante, werden de notabelste mannen van het Nederlandsche
Jodendom tot afgevaardigden gekozen. Zes en twintig
mannen van verschillende, zeer uiteenloopende godsdienstige
richting vereenigden zich te ' s-Gravenhage, om eene reorganisatie in het algemeen beheer van het Israelietisch Kerkgenootschap te brengen en diens verhouding tot den Staat
te regelen. Reeds bij de voorbereidende zittingen ontwaarde
men, dat de heterogene bestanddeelen, waaruit de vergadering saamgesteld was, niet zoo gemakkelijk tot eenheid
zouden geraken. Dit bleek nog duidelijker uit den langdurigen
strijd, die de eerste artikelen, waar het beginselen gold,
uitlokte. Nadat men eindelijk daarover tot eenstemmigheid
gekomen was, werd door de commissie van redactie een
ontwerp-reglement tot stand gebracht, dat uit ruim 300
artikelen bestond en aan te groote uitvoerigheid en omslachtigheid leed. Het gaf derhalve ruim stof tot langdurige
debatten en discussien. De constitueerende vergadering
334
hervatte na een lange rust hare werkzaamheden (28 October
1851). Vele zittingen werden gewijd aan de bespreking
van • het concept-reglernent, mar met dit al kwam men niet
veel verder. Over allerlei punten van groot en klein belang
heerschte verschil van meening, werden op- en aanmerkingen
gemaakt, lange discussion gevoerd, en zoo scheen er geen
einde aan het werk te komen. De Constituante, waarvan
men zooveel goeds verwacht had, gaf eindelijk bijna geen
teeken van leven meer. Alles bleef dus bij het oude.
Ongeveer tien jaar later begon men weder ernstig aan de
wettelijke reorganisatie te denken. Te dien einde benoemden
de ressorten afgevaardigden, wier bijeenkomsten spoedig een
aanvang namen. De nieuwe Constituante benoemde, evenals
de vorige, eene commissie tot het ontwerpen van een
concept-reglement. De zaak liep thans vlugger van stapel.
Het concept-reglement werd door de Constituante aangenomen
en daarna aan alle gemeenten binnen het rijk ter beoordeeling
verzonden. Maar enkele kerkbesturen, waaronder vooral
die van de beide gemeenten te Amsterdam, hadden daartegen
ernstige bezwaren. De tegenstand dezer gemeenten, die te
samen de grootste helft van de Israelietische bevolking in
ons land uitmaakten, verhinderde, dat de gewenschte organisatie tot stand kwam. De minister van financien, tot wiens
departement de administratleve belangen van het Israelietisch
Kerkgenootschap behoorden, deelde in zijn verslag van de
staatsbegrooting over 1E69 mede, dat hij zich nogmaals tot de
constitueerende vergadering gewend had met het verzoek, zoo
mogelijk nog eene poging te wagen tot opheffing van de belemmeringen, die aan de voltooiing van den veeljarigen arbeid in
den weg stonden. Ook aan de Hoofdcommissie tot de zaken
der Israelieten richtte de minister het verzoek, hare medewerking te verleenen. Maar deze poging leidde niet tot
het gewenschte doel, zooals uit het verslag van de Staatsbegrooting voor het volgende jaar bleek. De bezwaren
van de Amsterdamsche gemeente waren nog altijd niet uit
den weg geruimd, alhoewel deze zich bereid verklaarde, de
totstandkoming van het nieuwe ontwerp voor het Kerkgenootschap, met inachtneming van de aan Naar zorg toevertrouwde godsdienstige en stoffelijke belangen, te bevorderen.
In een kort daarna gehouden zitting (28 Februari 187o) der
constitueerende vergadering werden deze bezwaren uit den
weg geruimd en kwam men dus tot eene bevredigende
oplossing van een werk, waaraan ruim 20 jaar gearbeid
was. Het Nederlandsch Israelietisch Kerkgenootschap was
eindelijk gereorganiseerd (het Nederlandsch Israelietisch
Portugeesch Kerkgenootschap scheidde zich van hare zustergemeente of en vormde zich tot een afzonderlijk Kerk-
335
genootschap) ; de Hoofdcommissie Meld daardoor op te
bestaan en werd vervangen door de centrale commissie
tot de algenaeene zaken van het Nederlandsch-Israelietisch
Kerkgenootschap", die (29 Augustus 187o) hare eerste zitting
te Amsterdam hield.
In de twee tientallen jaren, gelegen tusschen de eerste
en de laatste vergadering der Constituante, hadden in het
Nederlandsch Jodendom groote veranderingen plaats gevonden. Men denke bier niet aan diep ingrijpende hervormingen
in den eeredienst of aan besluiten van rabbijnen-vergaderingen,
geheel in strijd met den geest, de traditie en de geschiedkundige ontwikkeling van het Jodendom. zooals in dien tijd
in Duitschland uitgevaardigd werden. In ons land, waar
niet alleen de geestelijkheid, maar ook verreweg het grootste
deel der Israelietische bevolking met hart en ziel het
traditioneele Jodendom toegedaan was en daarvoor heilige
en innige liefde koesterde, duldde men zulk een schandelijk
verraad niet. Hier liet men zich over het algemeen niet betooveren door een tempeldienst, waaraan het echt Joodsche
element ontbrak en die tegen de voorschriften van den ritueelen
codex aandruischte. In bijna alle gemeenten van eenige beteekenis, en vooral in Amsterdam, dat den toon aangaf in het
Joodsche leven, waakten nog voorname familien voor de instandhouding van het voorvaderlijk geloof en den eeuwenouden
eeredienst. Zij ontzagen geene moeite of opoffering, waar het
gold de behartiging van godsdienstige belangen, de bevordering van Joodsche studie. Door dit edel streven onderscheidden zich in onze hoofdstad de gebroeders Hirsehel
(1784-1853), Afeir (1793-4861) en Akiba Lehr en (1795—
1876), die, in vereeniging met enkele mannen .uit andere
achtenswaardige familien, hun beste krachten wijdden aan
het welzijn hunner gemeente, aan haren godsdienstigen en
zedelijken bloei. Hun leven was een toonbeeld van offervaardigheid en menschenliefde, van innigen godsdienstzin
en oprechte vroomheid. Het licht, dat schitterde in de
gezinnen van deze en andere godvruchtige en aanzienlijke
familien, bestraalde de gemeenten en verspreidde eene koesterende en weldoende warmte.
Het Jodendom had evenwel in die dagen meer dan ooit
behoefte aan mannen, die aan grondige theologische kennis
eene wetenschappelijke vorming en ontwikkeling paarden ;
aan mannen, die op beschaafde wijze het standpunt des
Jodendoms konden verdedigen, de beteekenis van den godsdienst ontwikkelen, de belangen van het Kerkgenootschap
Deze was 5o jaar onafgebroken werkzaam voor de
belangen van onze geloofsgenooten in het heilige land.
336
bepleiten in en voor kringen, waar men met medelijden,
ja vaak met minachting neerzag op de trouwe aanhangers
des geloofs en de vrome zonen en dochters van den Joodschen stam. Want al was ook verreweg het grootste deel
doordrongen van den ouden Joodschen geest ; al vertoonde
zich nog het Joodsche leven bij vele familien in zijne verheffende uitingen ; al werden de gemeentebelangen toevertrouwd aan besturen, wier meerderheid de beginselen der
orthodoxie huldigde, toch nam de invloed aanmerkelijk
toe van hen, die nog slechts door een lossen band aan het
Jodendom gehecht waren. Zij traden gaandeweg meer op
den voorgrond, niet door hun kennis op Joodsch gebied of
hunne warme belangstelling in Joodsche aangelegenheden,
maar door hun meerdere wetenschappelijke leiding en vorming. Doordien zij van de vruchten der emancipatie een
beter gebruik gemaakt hadden, matigden zij zich het recht
aan, zich op een terrein te begeven, dat volstrekt het hunne
niet was. Zij wilden op godsdienstig gebied mannen, vergrijsd in de Joodsche wetenschappen, de wet voorschrijven.
Zij wenschten den eeredienst te hervormen, veranderingen
te brengen in het godsdienst-ondervvijs en over de belangrijkste levensvragen van .het Jodendom het hoogste woord
te voeren, omdat zij zich inbeeldden, de behoeften en nooden
van hun tijd beter te begrijpen dan de eenzijdige, bekrompen en stompzinnige mannen, voor wie slechts Bijbel en
Talmud de hoogste autoriteit bezaten in het Joodsche le ven.
Het laat zich niet ontkennen, dat er werkelijk misbruiken
geslopen waren in het gemeentewezen, de synagogale eeredienst in sommige opzichten verbetering behoefde, enkele
verouderde toestanden opgeheven of gewijzigd dienden te
worden ; maar de voorstanders der hervorming wilden verder
gaan en koesterden de stille hoop, gaandeweg ook het
eigenlijke wezen des Jodendoms aan te tasten. Het ontbrak
hun niet aan drogredenen en phrasen, om de onnadenkenden te verblinden. Zoo beriepen zij zich op Israels groote
en uitstekende wetgeleerden, die ook bij verschillende gelegenheden concession gedaan hadden wat de vormen betreft, om het wezen te behouden. Ook dezen waren menschkundig genoeg geweest, om het ongeoorloofde dikwijls voor
geoorloofd te verklaren, ten einde zich niet aan het gevaar
bloot te stellen, van door niets toe te geven alles op het
spel te zetten. Ook dezen geleerden kwam het dus in de
hoofdzaak slechts op de kern aan en waren in hun oogen vele
vormen niets anders dan eene bijzaak, een omhulsel, om het
kleinood beter te bewaren. Maar wie met het kleinood zelf
voorzichtig omgaat, behoefde die omkleedsels niet en kon deze
gerust afwerpen. Eene eerste poging tot langzame afbre-
337
king van het traditioneele Jodendom beproefde te Amsterdam eene vereeniging Schocharbtlla, opgericht op aansporing en net medewerking van zekeren Dr. Chronik, een
Duitscher, die zich als rabbijn, prediker of iets dergelijks aldaar wilde vestigen. Deze vereeniging gaf een programma in het licht voor den kerkelijken eeredienst (Juni
1860), vergezeld van eene toelichting, waarin z de redenen
ontwikkeld werden, die aanleiding gegeven hebben tot den
geest, die in dit programma heerscht." Er behoort niet
veel vernuft toe, om de bedoeling van deze vereeniging te
doorgronden. De rabbinale assessoren van de Amsterdamsche gemeente Abraham Susan (gest. 1861) en Jozef Hirsch
(gest. 187o) richtten, naar aanleiding van dit programma,
een ernstig woord van waarschuwing en vermaning tot hun
geloofsbroeders en spoorden hen aan tot krachtige samenwerking, opdat het gebouw van den godsdienst zgevestigd
op heiligheid, eerbiedwaardig door zijne grijsheid en krachtig
door zijne goddelijken oorsprong" niet door strijd en verdeeldheid zou ondermijnd worden. Het gevaar van scheuring, waardoor de oude A msterdamsche Kehilla bedreigd
werd, werd nog tijdig afgewend. Maar toch maakte dit
enkelen der hoofden en leiders van het orthodoxe Jodendom met nog meer aandrang opmerkzaam op de noodzakelijkheid, om de kweekschool voor godsdienstonderwijzers
en rabbijnen, het Nederlandsch- Israelietisch Seminarium,
naar de eischen van den tijd te doen reorganiseeren, zoodat
de aldaar gevormde geestelijken in eene behoefte konden
voorzien, die door sommigen reeds lang gevoeld en waarop
een orgaan ) Israelietisch weekblad" (opgericht 185 i) reeds
herhaaldelijk gewezen had, Toen nu na den dood van
den assessor Susan een nieuwe leeraar aan de kweekschool
moest benoemd worden voor het hooger theologisch onderwijs, zagen hare curatoren uit naar een man, wiens vorming
en capaciteiten de waarborgen gaven van geestkracht en
takt, om het Seminarium te reorganiseeren en die tevens
het rectoraat over de instelling zou aanvaarden. Zij benoemden daartoe (September 1862) Dr. fozef Hirsch Donner.
De geschiedschrijver behoeft niet lang uit te weiden over de
groote verdiensten van den nieuwen rector, die al spoedig
toonde, de rechte man op de rechte plaats te wezen. Immers
de vruchten van zijn zegenrijken arbeid zijn het duidelijkst
en sprekend bewijs van 's mans doortastend en energiek
optreden en van de voortreffelijkheid zijner leiding, waaronder de kweekschool sinds dien tijd gekomen is.
Aan de degelijke reorganisatie der kweekschool, waarvan de heilzame gevolgen al spoedig merkbaar waren,
moet het dan ook toegeschreven worden, dat er een op e-
33 8
wekter leven kwam in het Nederlandsche Jodendom, alsook
dat onbevoegden, die tot nu toe het hoogste woord gevoerd
hadden in Joodsche aangelegenheden tot zwijgen gcbracht
werden, het althans niet meer waagden, zich met de aanmatiging van weleer op den voorgrond te plaatsen. Naast
een reeds bestaand weekblad verscheen (Augustus 1865)
een tweede Joodsch orgaan, onder den naam NieuwIsraelietisch Weekblad, dat zich ten doel stelde, de godsdienstige, zedelijke en maatschappelijke belangen der Israelie ten
in Nederland te bevorderen en het rabbijnsche Jodendom met zijne instellingen te verdedigen. Een wetenschappelijk tijdschrift, dat onder den naam van parchletterkundige bijdragen als bijblad van genoemd orgaan
verscheen (Mei 1867), en waarvan beroemde Joodsche geleerden en letterkundigen van ons land de medewerkers
waren, hield echter na een kortstondig bestaan op wegens onvoldoende ondersteuning. Dit is zeker te betreuren, daar de
eerste jaargang belangrijke bijdragen voor de nieuwere Joodsche
wetenschap bevatte en dus veel goeds beloofde '). Loffelijk
was ook het streven van eene vereeniging ter beoefening
van Joodsche wetenschappen, te dier tijd te Rotterdam opgericht. Kort na hare oprichting vatte zij het plan op,
een populair tijdschrift uit te geven, waarvan een rubriek
zou gewijd zijn aan stichtelijke lectuur in den vorm van
predikatien, overdenkingen enz. Voorts zou het behelzen,
bijbelverklaring, biographische schetsen van beroemde Joodsche personen, novellen enz. (September 1868). 1VIaar ook
dit tijdschrift mocht zich in geen langdurig bestaan verheugen. Het hield reeds in 187o op en werd herschapen in
een weekblad voor Israelietische huisgezinnen. Evenals het
nieuw-Israelietisch weekblad" heeft het zich tot den dag
van heden staande gehouden en ook steeds met warmte de
belangen van het traditioneele Jodendom verdedigd.
Naast de bestaande weekbladen verscheen in 1875 onder
redactie van den verdienstelijken bibliograaph Meijer Marcus
Terzelfder tijd (1868) verscheen van de hand van
Heiman A. Wagenaar, een van de medearbeiders van genoemd letterkundig bijblad, eene in het Hebreeuwsch .geschrevene biographie van Jacob Hirschel Emden (n11 71n
I)
r"Zp. Aan dit niet van belang ontbloot letterkundig product,
waaraan tevens toegevoegd is eene in alphabetische volgorde
samengestelde lijst van de verkortingen in Emdens gebedenboek, had de geleerde Hebrakus Gabriel Polak (zie bl. 306)
de laatste hand gelegd.
339
Roest l) (geb. te Amsterdrm 182z, aldaar overleden 1889)
een nieuw orgaan, dat zich ten doel stelde lhet Joodsche
bewustzijn zijner lezers op te wekken hun liefde in te
boezemen voor de leer des Jodendoms, diens eeredienst.,
wetenschap en geschiedenis de belangen van kerk en school
te bespreken enz. ;" Ter bereiking van deze doeleinden
verscheen onder zijne redactie het weekblad de Israelietische
Nieuwsbode en het maandblad de Israelietische Letterbode.
Het maandblad ging, niettegenstaande de medewerking en
den steun, dien het aanvankelijk zoowel van Nederlandsche
als buitenlandsche geleerden ondervond, denzelfden weg van
de vroegere z Joodsch-letterkundige bijdragen." Het hield
op na de verschijning van den tienden jaargang. Het
weekblad mocht zich in een langduriger bestaan verheugen
en beleefde nog den zeventienden jaargang.
Intusschen gaf de kweekschool voor rabbijnen en onderwijzers bij herhaling de duidelijke bewijzen van de voortreffelijkheid der reorganisatie en van hare goede leiding. Toen nu in het
jaar 1874 ernstig gedacht werd aan eene reorganisatie van het
Amsterdamsche rabbinaat, vond het voorstel, om den verdienstelijken rector van het seminarium den reeds 35 jaren
2 ) Reeds sedert 1865 had Roest ook de Joodsche journalistiek tot zijne werkzaamheid gekozen en zich belast met
de redactie van het z Nieuw-Israelietisch Weekblad," waarin
belangrijke artikelen, uit zijne pen gevloeid, voorkomen.
Zijne uitgebreide kennis op het rijke veld der Joodsche
bibliographie blijkt uit de door hem bewerkte catalogen :
1=1 rro, 100 trip en vooral uit dien van de L. Rosenthalsche boekerij. Toen deze kostbare boekenverzameling,
die vele zeldzame drukken en handschriften bevat, aan de
stedelijke bibliotheek van Amsterdam ten geschenke gegeven
werd, benoemde het stedelijk bestuur Roest tot haren bibliothecaris. Roes/ heeft echter niet uitsluitend op Joodsch
gebied gearbeid. Voor de koninklijke academie van wetenschappen, die hen) in 1858 tot onder-bibliothecaris benoemde,
heeft hij een gedeelte van de werken over de geschiedenis
van Nederland met hare hulpwetenschappen gecatalogiseerd. Zijne letterkundige opstellen in verschillende tijdschriften getuigen van noeste vlijt, groote belezenheid en
een wetenschappelijk streven. Zijne critieken zijn vaak vol
humor en scherpe satire. Zoowel bier als in het buitenland
heeft hij zich een grooten naam verworven. Roests leven,
werken en streven is in korte, maar schoone trekken geteekend door
Diinner. (Zie Israel. Nieuwsbode van
29 November 1889.)
34 0
vacanten opperrabbinaatszetel aan to bieden, grooten bijval.
Deze iiet zich deze benoeming welgevallen en werd nog op
het einde van hetzelfde jaar tot opperrabbijn van het synagogale ressort van Noord-Holland genstalleerd. Mocht de
nieuwe opperrabbijn door deze eervolle benoeming tot de
aangename ervaring komen, hoezeer men zijne verdiensten
op prijs stelde, niet minder streelend voorzeker was het
voor hem, dat zijne leerlingen gaandeweg tot de hoogste
geestelijke waardigheid of andere belangrijke betrekkingen
op het gebied van godsdienst-onderwijs en Joodsche wetenschap in den lande bevorderd werden.
p VERZICH T.
De Joodsche cultuur, omstreeks de I 'de eeuw van het
Oosten naar het Westen overgeplant, begon zich aldaar
welig te ontwikkelen en bereikte spoedig een hoogen trap
van bloei. De gelukkige staatkundige toestand der Spaansche
Joden en hun volkomen vrijheid van godsdienst en geweten
bevorderden hun liefde voor de verschillende takken der
Joodsche wetenschap. die dan ook ijverige en degelijke
beoefening vond. Nog thans persen ons de voortbrengselen
van hun geest bewondering af. Nog worden wij in verrukking gebracht door de heerlijke zangen der JoodschSpaansche dichters. Eveneens verdienen de taalkundige,
exegetische en wijsgeerige geschriften, die in Andalusia toen
het licht zagen, onze hooge waardeering. Ook NoordFrankrijk bracht te dier tijd mannen voort, wier arbeid
op het groote veld der Joodsche wetenschap, en vooral op
dat van den Talmud, heerlijke, onverwelkbare vruchten
voortbracht, Raschie en zijne nakomelingen, de stichters
van de Tosafisten school, verbreidden door hun commentaren
de grondige beoefening van den Talmud, met welks studie
men zich ook in Spanje ernstig begon bezig te houden.
Maar terwijl het Spaansche Jodendom bijna ongestoord zijn
geest kon laven aan de bron van kennis, brak in Frankr/k
en Duitschland een storm los boven het huis Jakobs, die
zoowel in stoffelijk als geestelijk opzicht, groote verwoestingen aanrichtte. Het was de woeste Jodenvervolging en
Jodenslachting, door de kruisvaarders begonnen en eeuwen
lang voortgezet met een steeds aangroeienden rassenhaat.
De tijd was niet ver meer verwijderd, waarin niet alleen
in genoemde landen, maar over bijna het gansche aardrijk
de Joden beschouwd werden als een verachtelijk en afschuwelijk
yolk, dat men zooveel mogelijk uit de menschelijke samenleving moest bannen, ja, het liefst aan de vernietiging prijs geven.
-
Mort. Gesch. III, 23
34 2
Deze tijd brak spoedig aan na den dood van den grooten
Maimonides, met wiens verscheiden de eenheid des Jodendoms
geheel verbroken was. Een heftige tweespalt in eigen boezem
tusschen de voor- en tegenstanders van Maimuni' s Joodschwijsgeerige richting en de felle, steeds aanwakkerende haat
der Katholieke kerk hadden voor den Joodschen stam zeer
treurige gevolgen. Wat wonder, dat onder zulke omstandigheden de Joodsche wetenschap met reuzenschreden achteruitging ? Spanje bracht geen dichters meer voort als een ibnGabirol of .Duda Hallevie, Ook de Talmud-studie bereikte
niet meer haar hooge vlucht als ten tijde van Alfassi, ibn
Misrasch en anderen. Desniettemin was het lot der Joden
aldaar oneindig gelukkiger dan in .Frankrijk, waar de Talmud
het slachtoffer werd van wreede vervolgingszucht, waar de
Talmud-exemplaren op koninklijk bevel bijeengebracht en
eindelijk in de hoofdstad des lands openlijk ten vure gedoemd
werden. Israel had daar dus zijn geestelijk levenselement
verloren ; de Tosafisten-scholen daalden ten grave. Kort
daarna werd den Joden het langer verblijf op Franschen
bodem ontzegd. Met een bange hoop in de toekomst
zochten zij elders nieuwe schuilplaatsen, Niet lang te voren
had hun broeders in Engeland ditzelfde harde lot getroffen.
De ellende hunner Duitsche geloofsgenooten gaat elke beschrijving te boven. Door de ruwheid van Germanie' s lagere
bevolking, het lage peil van ontwikkeling en het helsch
fanatisme bij alle standen der maatschappij gingen zij gebukt
onder een nameloos lijden. De keizerlijke bescherming,
hun ten koste van zware belastingen verzekerd, vermocht
al zeer weinig. De voor Israel zoo treurige gevolgen van
den zwarten dood vertoonden zich op afgrijselijke en ontzettende wijze het sterkst in alle deelen van het Duitsche
keizerrijk. Ook de fierheid en trots van het Spaansche
Jodendom werden eindelijk gevoelig, gefnuikt door de opruiende taal van gewetenlooze pauselijke legaten, die het
zaad van godsdienst- en rassenhaat met kwistige hand uitstrooiden. In vele Spaansche provincien vloeide eindelijk
343
bij stroomen het bloed van duizenden zonen en dochters
van den Joodschen stam. De inquisitie, daarmede echter
nog niet tevreden, wist eindelijk het koninklijk echtpaar
Ferdinand en Isabella te bewegen tot de uitvaardiging van
het wreede edict, dat de belijders van den eenigen God
het langer verblijf op Spaanschen bodem ontzeide. Honderdduizenden Israelieten verlieten het land, hun zoo lief en
dierbaar, en met hun verbanning was dan geheel westelijk
Europa ontruimd van den stam, wien de dweepzieke Kerk
reeds verscheiden eeuwen dood en verderf gezworen had,
Terwijl het Westen van Europa den Joden geene veilige
oorden meer aanbood, vonden zij deze in het Oosten van
dit wereiddeel. Naast enkele plaatsen in Italic, was het
vooral Europeesch- en Aziatisch Turkije, waar zij zich
ongestoord konden vestigen. Daar bleven zij verschoond
van den bitteren haat, waaraan hun broeders in Duitschland
nog voortdurend bloot stonden, en die juist te dier tijd
weder aangewakkerd werd door den fellen strijd tusschen
de humanisten en de duisterlingen; een strijd, die veel bijgedragen heeft tot de bespoediging van de Kerkhervorming.
Alhoewel naast andere belangrijke gebeurtenissen de Kerkhervorming veel bijgedragen heeft tot de opheffing van
middeleeuwsche toestanden en deze het menschdom begon te
verlossen uit de boeien van onkunde en onbeschaafdheid,
had zij voor de Joden volstrekt niet de gunstige gevolgen,
die dezen, wellicht op grond van Luther's welwillendheid
jegens hen aanvankelijk aan den dag gelegd, gekoesterd
hadden. Wel bevorderde zij in hooge mate de waardeering
en beoefening van de Bijbelsche literatuur in de Christelijke
wereld, daar hare kennis voor de Protestantsche theologen
als noodzakelijk beschouwd werd, maar in den staatkundigen
toestand der Joden bracht zij nog weinig verandering. De
I 6de eeuw schonk hun dan ook over het algemeen weinig
verademing. Voor de Marrano's was zij een tijd van
onbeschrijfelijke ellende. In den Kerkelijken staat waren
Jodenverdrijvingen, de verbranding van de Talmud-exemplaren
MoN. Gesch. III, 23*
344
of de confiscatie van andere Joodsche geschriften aan de
orde van den dag. In Duitschland en Oostenrijk, waar
hun nog slechts in enkele streken het verblijf toegestaan
werd, en dit nog wel onder drukkende en vernederende
voorwaarden, waren plunderingen en verbanningen eveneens
geene ongewone verschijnselen. \Vat het Turksche rijk was
voor de Iberische ballingen, de Sefardim, werd eindelijk
Polen voor hun Duitsche broeders, de Aschkenazim, die
daarheen bij groote massa's uitweken. Terwijl in Duitschland
de Jeschiboth al meer en meer in verval geraakten en het
aantal geleerden aldaar aanmerkelijk verminderde, nam de
Talmud-studie in Polen verbazend toe en bereikte er de
j5ilj5ulische leermethode in korten tijd een hooge vlucht.
De overige takken der Joodsche wetenschap vonden geen
of althans weinig beoefening. Daarentegen kreeg de Kabbala
groot gezag, en vooral bij het Oostersche Jodendom. Zij
werd de bron van eene Messiaansche dweperij, die vooral
den ongelukkigen Marrano's, welke in schijn het Christendom
omhelsd, maar in hun hart eene heilige, onuitbluschbare
liefde voor het geloof der vaderen bewaard hadden, eenige
vertroosting en bemoediging schonk en hen versterkte in
hun hoop op de spoedige komst des Verlossers. Al werd
deze verwachting ook niet verwezenlijkt, toch brak tegen
het einde der i6de eeuw voor hen een gelukkiger tijdperk aan.
Toen ook bet Ottomanische rijk den Sefardischen bal
lingen de gewenschte bescherming niet meer kon verleenen,
vernamen de Marrano's tot hunne niet geringe vreugde,
dar er nog een land in Europa was, waar de vrijheid van
godsdienst en geweten gehuldigd en het menschenrecht
geeerbiedigd werd. Het waren de Nederlandsche provincial,
die juist to dier tijd om hare onafhankelijkheid en vrijheid
streden tegen het fanatieke ,S.'panje. Enkele Marraansche
familien vonden er een veilig toevluchtsoord en gevoelden
zich gelukkig in het nieuwe vaderland, waar zij openlijk
tot den godsdienst der vaderen konden terugkeeren. Spoedig
begaven zich zeer vele aanzienlijke Marraansche gezinnen
345
naar Nederlands hoofdstad, die ook kort daarna hare poorten
opende voor de Duitsche ballingen, gedurende den dertigjarigen godsdienstoorlog nit hun ghetto's verdreven, alsook
voor hun Poolsche geloofsbroeders, die het moordend staal
van de woeste, verdierlijkte Kozakkenhorden ontkomen
waren. Het schoone voorbeeld van menschenliefde en verdranziamheid, door het vrije N ederland gegeven, vond
ook navolging in Engeknd. Ook daar kregen de Joden,
alhoewel niet zonder veel moeite, verlof, zich weder te
vestigen. Zoo vond de Joodsche stam althans in eenige
Europeesche staten rust en verademing en kon hij zich
herstellen van de wonden, hem door een eeuwenlang lijden
toegebracht. Jammer slechts, dat eene nieuwe Messiaansche
beweging, die van het Oosten uitging, ook voor het Europeesch
Jodendom treurige gevolgen had en in eigen boezem twist
en verdeeldheid veroorzaakte, waarvan de sporen nog langen
tijd merkbaar bleven. Alhoewel vooral in de Duitsche
landen het lot der Joden nog veel te wenschen overliet en
zij nog in het midden van de 18de eeuw in Oostenrijk door
smadelijke wetten gedrukt werden, braken er toch enkele
zwakke lichtstralen door, die ook daar het vooruitzicht op
een betere toekomst openden. Al had het Joodsche yolk
door zijn zedelijke kracht, zijne vasthoudendheid aan het
voorvaderlijk geloof en zijne onafgebroken wetstudie alle
pogingen om zijn aandenken te vernietigen getrotseerd en
daardoor zegevierend zijn talrijken vijanden weerstand geboden, toch vertoonde het de duidelijkste sporen eener
langdurige verguizing en vernedering. Innerlijk nog krachtig
en gezond, had het behoefte aan uiterlijke verbetering ; aan
mannen, die het konden overtuigen van de noodzakelijkheid
van maatschappelijke ontwikkeling naast godsdienstige vorming. Deze behoefte nu werd geheel gevoeld door Mazes
Mendelssohn, wiens naam in de gedenkrollen der menschheid,
maar vooral in die van ons yolk, eene eereplaats inneemt.
Het was immers zijn ernstig streven en innigste wensch.,
zijn geloofsbroeders te beschaven. te veredelen en te her,
346
vormen in den edelen zin des woords. Al had hij ook te
kampen tegen allerlei vooroordeel, toch liet hij den moed
niet zinken, maar wijdde zijn geestesgaven aan de geestelijke
en staatkundige verbetering zijner dierbare stamgenooten.
De invloed van de Mendelssohnsche richting vertoonde
zich al spoedig bij het jongere geslacht, dat, wars van eene
eenzijdige richting, naar een wetenschappelijke ontwikkeling
streefde, en in de eerste plaats hare opmerkzaamheid schonk
aan de lang verwaarloosde studie van de Hebreeuwsche
taal en letterkunde. Jammer slechts, dat zoovelen, die in
Mendelssohn den baanbreker van een nieuwe richting begroetten, de ware bedoeling van den grooten meester volstrekt
niet begrepen. Zij wilden niet alleen de muren van het
ghetto omverwerpen, maar tegelijk daarmede de perken en
omheiningen, het Jodendom gesteld. De band, die hen aan
het grijze geloof der vaderen hechtte, werd al losser en
zwakker. Een treurigen aanblik leverde spoedig de kern
van het Jodendom in de Duitsthe hoofdstad, die ter wille
van volkomen geliikstelling met andersdenkenden de herinnering aan hare afstamming geheel uitwischte en het geloof
der vaderen afzwoer, voor welks behoud Germani s bodem
met het bloed van duizenden martelaren doorweekt was
geworden. • Neen, voor zulk een vermad deinsde men elders
terug. Langs dezen weg trachtte de Joodsche stain elders
het kostbaar goed der vrijheid niet te verkrijgen. Maar
een dusdanig offer werd ook niet geeischt. \Vat Mendelssohn
door eene langzame en geleidelijke ontwikkeling zijner
stamgenooten had willen bereiken, namelijk hunne emancipatie, kwam door de Fransche omwenteling en hare gevolgen veel sneller tot stand. Dezg gebeurtenis, zoo belangrijk voor de geheele Europeesche staatkunde, vormt
tevens een gewichtig keerpunt in de geschiedenis van het
Europeesche Jodendom. Niet alleen in .Frankrijk, maar
overal waar de wapenen der Fransche republiek zegevierden,
brak voor de Israelieten het uur der vrijheid aan. De
Corsicaansche held duldde geen ghetto's, hief alle uitsluitings-
347
edicten op, zoodat zij in het geheele Fransche keizerrijk
als volkomen staatsburgers erkend moesten worden. Wel
dook, na den val van N apoleon, in Duitschland de Jodenhaat,
door het Fransche geschut tot zwijgen gebracht, weder
onmiddellijk nit zijn donkere schuilplaatsen te voorschijn,
mar elders gingen de vruchten der revolutie voor de Joden
niet verloren. Gaandeweg verbeterde hun lot. In bijna alle
Europeesche staten waakte de grondwet voor hun vrijheid
en gelijkheid. Had Israel eindelijk het juk eerier eeuwenlange dienstbaarheid voor het grootste deel van zijne schouders
geworpen, toch kon het den nieuwen dageraad niet anders
begroeten dan met een gemengd gevoel van vreugde en
leed. Velen zijner zonen immers, verblind door de vrijheidszon, meenden, dat het gebouw van het oude Jodendom niet
meer paste in de moderne maatschappij. Diepingrijpende
hervormingen, waardoor het eigenlijke Joodsche karakter
geheel verdween, werden door hen ingevoerd. VOoral in
Duitschland richtte de her vormingsgeest groote verwoestingen
aan en ondermijnde in vele kringen, ja, in vele gemeenten,
het godsdienstleven, dat daar eens zoo krachtig gebloeid
had. Ook elders merkte men de treurige gevolgen van
deze nieuwe geestesrichting. Tegen deze ontaarding traden
eindelijk mannen op, toegerust met degelijke Joodsche kennis,
mannen van ontwikkeling en beschaving en tevens bezield
met een heilige liefde voor het geloof der vaderen. Met
woord en pen streden zij voor de belangen van het traditioneele Jodendom en konden reeds wijzen op de schoone
vruchten, die in korten tijd het rijke veld der Joodsche
wetenschap voortgebracht had. Want op dit veld was men
weder met een edelen -wedijver werkzaam, zooals b2langrijke
lettervruchten ten duidelijkste bewezen. Alhoewel aan dien
strijd nog Been einde gekomen is, toch heel): het orihodoxe
Jodendom, vertegenwoordigd door mannen van algemeen
erkende capaciteiten en talenten, zoowel bier als elders,
zijn vaan hoog weten te houden en de aanvallen zijner
tegenstanders met fierheid getrotseerd. En voorzeker, het
348
oude, eerbiedwaardige Jodendom zal niet to gronde gaan,
want daaruit spreekt de geest Gods, de geest en het woord
des Eeuwigen, waar ►ra.n de profeet jesaja zijn yolk verzekert :
zij zullen niet wijken noch uit uw mond, noch uit dien
van uwe kinderen en nakomelingen, zegt de Eeuwige, van
nu tot in eeuwigheid."
1NHOUD.
EERSTE TIJDVAK.
BLZ,
Samuel en Jozef ibn Nagdela. Hunne tijdgenooten
Vervolg
5
. ......
De tijd van de vijf Izaks .
9
De Rabbijnsche wetenschap in Frankrijk. Raschie.
12
16
Het lijden der Joden gedurende de eerste kruistochten.
R. Juda Hallevie en zijn tijd .
21
24
Geloofsdwang in Spanje. Abraham ibn Ezra. . .
De Tosafisten, De tweede kruistocht en de eerste bloedbeschuldiging tegen de Joden .
28
Het Jodendom op het einde der twaalfde eeuw .
34
38
Vervolg . . ...
Mozes ben Maimon
43
TWEEDE TIJDVAK.
De Jodenlap. Verdeeldheid in den boezem van het
52
Jodendom
Mozes ben Nachman
57
Godsdienstdisputen. De Talmud in Frankrijk ten vure
6o
gedoenid . . . .
De joden in Engeland gedurende de dertiende eeuw
66
Hunne verdrijving uit Engeland en Frankrijk . .
De hernieuwing van den strijd tegen de wetenschap
De Kabbalistische richting. Ben. Adereth en Ascheri 7o
Vervolg . ...........
.
76
De strijd over de wetenschap buiten Spanje. Het
Italiaansche Jodendom ....... . . . 79
De vervolgingen in Frankrijk. De Joden in Castilie . 83
De Ascheriden. De Zuid-Fransche wijsgeeren . . 87
De treurige gevolgen van den zwarten dood. De inwendige toestand van het Duitsche Jodendom . . . , 91
Treurige lotsverandering van het Castiliaansche Jodendom . ............... . 98
Innerlijke verzwakking van het Spaansche Jodendom.
Zijne vervolging en diepe ellende . .
1o
Gevolgen der in het vorige hoofdstuk beschreven ramp 106
Eene kortstondige verademing
112
Het Jodendom in de overige landen van Europa gedurende de vijftiende eeuw
114
350
BL, .
Het lijden der marrano's en der Spaansche ,Joden. De
invoering van de inquisitie
121
Don Izak Abarbanel. De verdrijving der Joden uit
Spanje en Portugal ..... , .
.
. . 124
De Joden in de Nederlandsche gewesten gedurende de
middeleeuwen ......... .
. .
130
DERDE TIJDVAK.
Inleiding .
135
De pelgrimstochten der Spaansche en Portugeesche
Joden
138
Vervolg
142
Reuchlin en Pfefferkorn
147
De invloed der kerkhervorming voor de Joden . • • 156
Messiaansche dweperij. . .....
16o
De Joden in Italie gedurende de laatste helft der zestiende eeuw
166
Jozef Nasi. Jozef Karo
172
Vervolg
176
De Joden in Oostenrijk en Polen in de zestiende eeuw 179
VIERDE TIJDVAK.
De vestiging der marrano's in Amsterdam, Hamburg
en Bordeaux
. . . .
186
De Joden in Duitschland en Oostenrijk gedurende de
eerste helft der zeventiende eeuw
192
Net Poolsche Jodendom. De treurige vervolging onder
Chmielnicki
196
De komst der Hoogduitsche en Poolsche Joden in Amsterdam. De bloei der Portugeesch-Iraelietische gemeente
202
Menasse ben Israel en de toelating der Joden in Engeland
210
Sabbatai Tsewi .....
213
.
De Sabbatiaansche zendelingen en secten
220
Overzicht van het Europeesche Jodendom,
225
Jonathan Eybenschuetz en Jakob Emden .
. 234
De Joden in Nederland .
243
De Joodsche wetenschap in Christelijke kringen .
247
Mozes Mendelssohn ..... . . . ,
. 251
VIJFDE TIJDVAK.
De gevolgen van de Mendelssohnsche richting. Hare
ontaarding . ........... . • • 26i
De Fransche revolutie en de emancipatie der Joden . 268
De Joden in de Bataaf3che republiek . 272
35 1
BLZ.
277
De Joden in het Fransche keizerrijk
De staatkundige en godsdienstige toestand der Joden
........ • • 28 6
in Duitschland . .
Het ontluiken en de bloei van de nieuwere Joodsche
..
294
wetenschap . . ...
300
Het Nederlandsche Jodendom
Overzicht van den toestand der Joden in de andere
landen van Europa ..... . . . • • 307
De bloedbeschuldiging to Damaskus en hare gevolgen 31i
De verbetering van den staatkundigen toestand der
Europeesche Joden, De godsdienstige richtingen in
318
Duitschland ..
323
Vervolg
Het Nederlandsche Jodendom in de laatste helft der
negentiende eeuw . .
• 333
Algemeen overzicht . .
341