Education and training 2020

Vlaanderen
is onderwijs & vorming
Education and training 2020
Nationaal rapport 2014 van de Vlaamse
Gemeenschap
Colofon Dit rapport is opgemaakt door het Vlaams departement Onderwijs en Vorming op vraag van de Europese Commissie. Het rapport bevat een overzicht van beleidsmaatregelen uit de periode 2012-­‐
2014. De totstandkoming gebeurde met behulp van de bevoegde thema-­‐experts. Coördinatie en redactie: Dieter Coussée Afsluitdatum: 26 juni 2014 1 Voorafgaandelijke opmerking: De Europese Commissie vraagt aan de Europese lidstaten om van het Education and Training 2020 (ET2020) nationaal rapport voornamelijk een politieke zelfevaluatie te maken over het gevoerde beleid in de periode 2012-­‐2014. Daarnaast dient de klemtoon te liggen op het aangeven van politieke prioriteiten waarop ingezet moet worden in de volgende werkcyclus van ET2020 (periode 2015-­‐
2017). Beide vragen vormen een uitdaging voor Vlaanderen. België verkeert momenteel in een postelectorale fase, waardoor er zowel op federaal als deelstatelijk niveau nog geen nieuwe regeringen zijn aangetreden. Bijgevolg vertoeven we in een periode van “lopende zaken”, waardoor de huidige Vlaamse regering niet meer gemachtigd is om politieke knelpunten of toekomstige prioriteiten aan te geven. Daarom worden in dit rapport geen (politieke) prioriteiten voor toekomstig onderwijsbeleid aangegeven. Bovendien is het methodologisch niet mogelijk om van alle gevraagde maatregelen uit de periode 2012-­‐2014 een uitgebreide impactanalyse op basis van cijfers, indicatoren of ander bewijsmateriaal uit te voeren. Als gevolg hiervan zijn zowel de analyserende als vooruitkijkende perspectieven eerder beperkt. Dit rapport is dus een bijdrage van de Vlaamse administratie Onderwijs en Vorming en is gebaseerd op de informatie die verzameld werd in het kader van de bijdrage van de onderwijsadministratie aan het toekomstige regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse regering (2014-­‐2019). De eventueel vermelde toekomstprioriteiten kunnen niet beschouwd worden als de definitieve Vlaamse beleidsprioriteiten die in de nieuwe werkcyclus van ET2020 (periode 2015-­‐2017) geïncorporeerd zouden moeten worden. Tot slot is dit rapport de enige formele Vlaamse bijdrage aan en visie op de “ET2020 mid-­‐term stocktaking”. Voorstellen en bedenkingen die werden geuit door vertegenwoordigers in het kader van vergaderingen van ET2020 werkgroepen, DG-­‐vergaderingen, interviews, etc. behoren niet tot het officiële standpunt van Vlaanderen met betrekking tot de toekomst van het raamwerk ET2020 of de EU2020 strategie. 2 1. Implementatie van de ET2020 strategische doelstellingen 1a. Aanpassing aan de ET2020 strategische doelstellingen De structuur van ET2020 bestaande uit vier strategische doelstellingen die verder onderverdeeld worden in korte termijn doelstellingen ( de zogenaamde short term deliverables) hoeft niet gewijzigd te worden. Er moet immers voldoende aandacht blijven voor de verschillende facetten van onderwijs en vorming. Want hoewel bijvoorbeeld de afstemming tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt een belangrijk thema is (wat wordt gereflecteerd in Europese beleidsteksten en in de landenspecifieke aanbevelingen), mag ook het sociale aspect van onderwijs niet uit het oog verloren worden. De vier strategische doelstellingen zijn bijgevolg een gebalanceerd geheel dat niet uit elkaar getrokken kan worden. De doelstellingen zijn evenwaardig en verdienen een gelijk niveau van behandeling en opvolging. Zij kunnen dus ook tijdens de volgende cyclus van ET2020 (periode 2015-­‐2017) het brede kader voor samenwerking op vlak van Europees onderwijsbeleid blijven vormen. De bijhorende kortetermijndoelstellingen zijn echter toe aan een update en kunnen beperkt worden in aantal. Een al te ruime themabehandeling is inefficiënt omdat niet alle landen met dezelfde uitdagingen kampen. Om betere resultaten te bekomen wordt best op maat gewerkt (volgens de logica van de landenspecifieke maatregelen, die eveneens gericht zijn op specifieke nationale knelpunten). Op die manier kan ingezet worden op een kleiner aantal thema’s die echter des te relevanter zijn, wat efficiëntiewinsten kan opleveren. Concreet kan dit vorm krijgen via clusters van doelstellingen, zodat een land kan inzetten op specifieke behoeften. Daarnaast zal een gerichte werking de gedragenheid en ownership van de kortetermijndoelstellingen garanderen. Hierbij moet overigens rekening worden gehouden met de verschillende afspraken en doelstellingen die reeds gemaakt werden in het kader van raadsconclusies of aanbevelingen die door de Ministers van Onderwijs werden goedgekeurd. Hierbij mag er echter geen verschraling optreden. Dit is niet in tegenspraak met het voorgaande. Er moet aandacht zijn voor een beperkt aantal belangrijke en relevante thema’s die de verschillende sectoren afdekken en die rekening houden met de eigenheid van de sector onderwijs en vorming. Via de clustervorming kunnen landen dan de voor hen relevante thema’s opvolgen (zo kunnen bvb. een aantal landen een cluster vormen rond een voor hen relevant thema). Hier kan ook de link gelegd worden met de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020 strategie voor groei en jobs (EU2020). Niet alleen is het essentieel dat onderwijs en vorming betrokken blijven in deze strategie, de bijdrage ervan moet nog verder verankerd worden. Om meer groei en jobs te creëren en om van Europa een echte kenniseconomie te maken, is een versterkte rol en bijdrage van alle onderwijs-­‐ en vormingssectoren onontbeerlijk. Hierbij mag echter opnieuw de sociale dimensie van onderwijs en vorming niet uit het oog verloren worden. Daarnaast is het absoluut te vermijden dat ET2020 verengd zou worden tot de onderwijsbijdrage aan de EU2020 strategie. De eigen prioriteiten van ET2020 verdienen blijvende opvolging en monitoring. Men mag niet enkel focussen op de benchmarks uit de Europa 2020 strategie. Daarom moet elke lidstaat de kerndoelen kunnen blijven aanpassen volgens de eigen nationale perspectieven en eigenheden. Tot slot moeten deze kerndoelen vooreerst relevant zijn voor het eigen beleidsdomein. Indien zij ook relevant zijn voor andere, belendende beleidsdomeinen is dit meegenomen. De benchmarks voor onderwijs en vorming mogen met andere woorden niet ondergeschikt worden aan een andere, niet-­‐onderwijs specifieke doelstelling. 1b. Kernprioriteiten voor toekomstige Europese onderwijssamenwerking Vlaanderen stelt de volgende twee kernprioriteiten voor waarop de samenwerking binnen het Europese onderwijs-­‐ en vormingsbeleid moet focussen: 3 Prioriteit 1: Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde professionals Leraren zijn in grote mate bepalend voor de prestaties van lerenden. Het is daarom cruciaal dat het onderwijs beschikt over voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren. De instroom in het beroep dient voldoende groot en divers te zijn. Tegelijk moet men gemotiveerd zijn en de nodige basiscompetenties bezitten om de opleiding aan te vatten of deze op vrij korte termijn kunnen verwerven. Het moet voorkomen worden dat pas gestarte leraren te snel het onderwijs verlaten. Er moet ook ingezet worden op een sterkere validering en waardering van de expertise die leraren hebben opgebouwd. Leraren dienen meer mogelijkheden te krijgen om zich doorheen hun volledige loopbaan te professionaliseren, wat hen beter in staat zal stellen om te gaan met een steeds veranderende en complexer wordende samenleving. Daarnaast is het belangrijk dat de leraar voldoende inzicht heeft in relevante maatschappelijke trends, belangrijke onderwijsinnovaties en de uitkomsten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. De leraar moet uitgroeien tot een maatschappelijk gewaardeerd professional, waarvan de expertise niet in vraag wordt gesteld. Daarom moet er ingezet worden op enerzijds een continue professionalisering doorheen de volledige beroepsloopbaan van de leraar (beginnende met een kwaliteitsvolle en praktijkgerichte lerarenopleiding), en anderzijds moet het lerarenberoep aantrekkelijk gehouden worden op het vlak van werk-­‐ en pensioenvoorwaarden om zo voldoende competitief te blijven op een krapper wordende arbeidsmarkt. Prioriteit 2: Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen De samenleving wordt steeds diverser en dat weerspiegelt zich ook in de klas. Deze toenemende diversiteit zorgt ervoor dat het een uitdaging is om elke lerende zijn of haar talenten te laten ontwikkelen. Daarom moet er door middel van onderwijsinnovatie en nieuwe werkvormen ingezet worden op een gedifferentieerde aanpak waarbij er enerzijds samen geleerd wordt, maar waarbij anderzijds toch maximaal voorzien wordt in maatwerk. Dit zal toelaten dat iedereen op het einde van zijn onderwijsloopbaan minstens beschikt over een kwalificatie die met kans op succes een doorstroom naar het hoger onderwijs toelaat of voldoende kansen biedt op de arbeidsmarkt. Bovendien moet elke jongere die het onderwijs verlaat over de nodige sleutelcompetenties beschikken om volwaardig te kunnen participeren aan een complexe en steeds veranderende samenleving. Om dit te realiseren, moet worden ingezet op het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs-­‐ en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt. Daarnaast moet er een systeem uitgebouwd worden van levenslange (leer)loopbaanbegeleiding waarbij de lerende wordt ondersteund en begeleid. Om dit te realiseren is het van groot belang tot er blijvend en bijkomend geïnvesteerd wordt in onderwijs en vorming. 2. Levenslang leren en mobiliteit Levenslang leren strategieën Op 17 februari 2012 sloten de Vlaamse regering en de Vlaamse sociale partners het VESOC loopbaanakkoord af. Dit document blijft tot op heden het voornaamste initiatief voor het afstemmen van het onderwijs-­‐ en vormingsbeleid op het tewerkstellingsbeleid. De transitie van de initiële leerloopbaan naar de eerste job of van leren naar werken vormt hierin een kerndoelstelling. Ook levenslang leren en de volwasseneneducatie evenals het voorkomen of remediëren van de ongekwalificeerde uitstroom1 komen hier aan bod. Daarnaast zijn de beleidsbrieven en beleidsnota’s 1
Zie ook het “Actieplan vroegtijdig schoolverlaten” (cfr. infra hoofdstuk 6). 4 van het beleidsdomein Onderwijs & Vorming en beleidsdomein Werk en Sociale Economie op elkaar afgestemd (periode 2009-­‐2014)2. Deze documenten vormen het fundament voor de uitvoering van het beleid inzake levenslang leren in Vlaanderen. Het blijft echter een uitdaging om de Vlaamse score te verhogen. Deze evolueerde immers van 8,2% in 2010 over 7,5 in 2011 naar 6,8% in 2012 tot 7,1% in 2013. Hiermee blijft Vlaanderen ver onder de Europese doelstelling van 15% in 2020. Er blijft dus nog heel wat werk aan de winkel om het beleid inzake levenslang leren te versterken. Zo is op vlak van leeradvies en –oriëntering de samensmelting van de “huizen van het Nederlands” en de consortia volwassenenonderwijs (met als doel om één organisatie te vormen waar elke volwassene met een leervraag terecht kan voor advies en oriëntering) er niet gekomen. Verhogen van de transparantie en erkenning van niet-­‐formeel en formeel leren Mensen leren niet alleen op de schoolbanken. Zij verwerven ook competenties in niet-­‐formele en informele context. Ook deze competenties verdienen herkenning, erkenning en certificering. Hoewel er al veel gedaan is inzake het erkennen van verworven competenties (EVC), zoals de oprichting van testcentra die kandidaten begeleiden en beoordelen (via ervaringsbewijzen) of de introductie van EVC in hoger en volwassenenonderwijs en in de cultuur-­‐, jeugd-­‐ en sportsector, blijven er relatief weinig mensen (niet-­‐leerplichtigen) gebruik maken van de mogelijkheid om hun competenties te laten beoordelen in functie van een formele erkenning. Voor de gebruiker is EVC te weinig bekend en worden er te veel drempels ervaren (versnipperd EVC-­‐landschap; geen eenduidig begrip over EVC; onvoldoende civiel effect van de EVC-­‐bewijzen; tijdrovende, dure en weinig transparante procedures). Daarom werd begonnen aan de uitbouw van een geïntegreerd EVC-­‐beleid (naast Onderwijs en Vorming worden ook de beleidsdomeinen Werk en Sociale Economie, Cultuur en Welzijn betrokken). In 2012 werd de discussienota “Naar een geïntegreerd EVC-­‐beleid?” ter advies voorgelegd aan verschillende stakeholders. Zo werden vanuit het veld duidelijke signalen m.b.t. EVC aangereikt. Ondertussen wordt er voortgewerkt aan het regelgevend kader. De Europese aanbeveling over het valideren van niet-­‐formeel en informeel leren uit 2012 werd hierbij meegenomen. Een vlotte overgang tussen de verschillende onderwijs-­‐ en vormingssectoren EVC is gebaseerd op de Vlaamse kwalificatiestructuur (VKS). Dit is een raamwerk dat de zichtbaarheid verhoogt van de erkende kwalificatiebewijzen die in het onderwijs of op de arbeidsmarkt behaald worden, waardoor het eenvoudiger is om van de ene sector naar de andere over te stappen. De VKS sluit aan bij het European Qualifications Framework (EQF). Via het decreet van 30 april 2009 betreffende de VKS werden niet enkel de onderwijskwalificaties vastgelegd maar ook de beroepskwalificaties. De meerwaarde van de VKS is dus velerlei: ze schept helderheid in kwalificaties en hun onderlinge verhoudingen, ze is een overkoepelende classificatie van erkende kwalificaties, ze versterkt de uitwisselbaarheid tussen verschillende systemen van leren en ze zorgt voor een betere communicatie over kwalificaties tussen onderwijs-­‐ en opleidingsaanbieders en de arbeidsmarkt. Momenteel wordt de VKS verder uitgerold. Zo keurde de Vlaamse regering de erkenningsprocedure voor beroepskwalificaties en voor onderwijskwalificaties 1 tem 5 goed en werden er al heel wat beroepskwalificaties erkend. Er werd gestart met de ontwikkeling van een kwalificatiedatabank, waarin beroeps-­‐ en onderwijskwalificaties worden opgenomen. Op deze manier zijn de kwalificaties consulteerbaar door het brede publiek. Ondertussen werd ook de erkenningsprocedure voor de onderwijskwalificaties van niveau 1 tot en met 4 afgerond. Samen met het beleidsdomein Werk en Sociale Economie wordt er jaarlijks een geactualiseerde prioriteitenlijst opgesteld voor het ontwikkelen van beroepskwalificaties. In het decreet betreffende de Vlaamse kwalificatiestructuur is echter nog geen invulling gegeven aan de kwaliteitscontrole op 2
In een beleidsnota wordt het beleid voor de volledige legislatuur beschreven. In de beleidsbrieven, die jaarlijks worden opgesteld, wordt dit concreet uitgewerkt. 5 kwalificatiebewijzen die voortvloeien uit beroepskwalificaties. Daarom wordt er momenteel, samen met het Vlaamse beleidsdomein Werk, gewerkt aan een geïntegreerd systeem van externe kwaliteitszorg voor beroepskwalificerende trajecten. Modernisering van de systemen van levenslang leren Er bestaan verschillende financiële incentives ter ondersteuning van cursisten die deelnemen aan volwasseneneducatie: opleidingscheques, terugbetaling van het inschrijvingsgeld, tijdskrediet, ... In 2012 werden deze initiatieven geëvalueerd in functie van een grotere coherentie van het systeem. Sindsdien focussen enkele van deze incentives voornamelijk op arbeidsmarktgerichte opleidingen. In de komende legislatuur zal dit systeem verder bekeken moeten worden. Alle lineaire programma’s van opleidingen van basiseducatie en het secundair volwassenenonderwijs werden vervangen door modulaire programma's. Deze modulaire opleidingsprofielen werden ontwikkeld op basis van extern gevalideerde referentiekaders (beroepscometentieprofielen), zoals overeen gekomen met de beroepssector. In 2012 werd het Actieplan kwaliteitsvol afstandsleren 2012-­‐2013 goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Het plan promoot afstandsonderwijs en blended learning (een mix van verschillende aanbiedingsvormen zoals webleren in combinatie met groepsleren). Naar aanleiding van een evaluatie van het decreet betreffende het volwassenenonderwijs werd gewerkt aan een globale toekomstvisie op het volwassenenonderwijs in Vlaanderen. Deze visietekst zal als input dienen voor de beleidsprioriteiten die de nieuwe Vlaamse regering zal vastleggen. 3. Kwaliteit en efficiëntie van onderwijs en opleiding 3a. Rechtvaardig en efficiënt investeren in onderwijs en opleiding Investeringen in onderwijs en vorming België is één van de landen die van hun BBP meer dan het Europese gemiddelde aan onderwijs besteden. In 2010 bedroeg dat percentage 6,58% van het BBP. Specifiek voor Vlaanderen was dit 6,39% in 2010. Zoals vermeld in het Eurydice-­‐rapport over de impact van de financiële crisis op de onderwijsbudgetten, is het onderwijsbudget van de Vlaamse Gemeenschap in de periode 2010-­‐2012 stabiel gebleven. Lichte verhogingen konden zelfs worden opgetekend voor initiatieven inzake gelijke kansen in onderwijs en vorming en voor een aanpassing van het salaris van het onderwijspersoneel aan de inflatie. Dit is tevens van toepassing op de periode 2013-­‐2014. Financiering van het leerplichtonderwijs In juni 2008 keurde het Vlaams Parlement het financieringsdecreet voor het basis-­‐ en secundair onderwijs goed. Dit decreet hervormde de verdeling van de werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs, met het doel meer gelijke onderwijskansen te realiseren. Zo werd er voor het eerst ook rekening gehouden worden met de socio-­‐economische achtergrond van de leerlingen van de school. Momenteel wordt gewerkt aan een tussentijdse evaluatie van dit financieringssysteem. Er wordt nagegaan of de scholen de middelen aanwenden volgens de uitgangspunten en doelstellingen van het decreet. Tevens worden de factoren onderzocht die bijdragen tot de verschillen in aanwending van de werkingsmiddelen door de scholen. Daarnaast worden er via het nieuwe omkaderingssysteem additieve middelen geïnjecteerd in het gewoon basisonderwijs.3 3
Cfr. infra hoofdstuk 4. 6 Financiering van het hoger onderwijs Het decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen werd bekrachtigd door de Vlaamse Regering op 14 maart 2008. Dit decreet streeft naar een billijke en transparante verdeling van de middelen tussen de verschillende onderwijsinstellingen door het uitzetten van een aantal kwantitatieve parameters. Doelstellingen van dit decreet zijn o.a. het bevorderen van de participatie in het hoger onderwijs; het verhogen van het studierendement; het garanderen van gelijke kansen; het rationaliseren en optimaliseren van het opleidingsaanbod; het ondersteunen van flexibele trajecten; het bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. Momenteel wordt ook dit decreet geëvalueerd. Deze beleidsevaluatie behandelt thema’s als de financiering van het hoger kunstonderwijs, de rationalisatie van het opleidingsaanbod, de transparantie van het huidige financieringsmodel, enz. 3c. Vlaamse beleidsantwoorden op de PISA-­‐ en PIAAC-­‐conclusies De resultaten van de PISA 2013 studie tonen aan dat qua wiskundige geletterdheid geen enkel Europees onderwijssysteem het beter doet dan het Vlaanderen. Binnen Europa scoren enkel Nederland, Liechtenstein en Zwitserland op hetzelfde niveau. Voor leesvaardigheid is er een gelijkaardige situatie, hoewel meer landen naast Vlaanderen op hetzelfde niveau presteren. Op vlak van wetenschappen behoort Vlaanderen tot de subtoppers, al scoren Finland en Estland beduidend beter. Voor de drie leergebieden is het wel zo dat Aziatische landen beduidend beter scoren. De balans is bijgevolg gemengd: de prestaties van de Vlaamse leerlingen blijven degelijk, maar er is wel een dalende tendens merkbaar. Daarnaast is er een verband tussen de socio-­‐economische achtergrond van leerlingen en hun leerprestaties, terwijl hetzelfde geldt voor leerlingen die thuis de instructietaal niet spreken en voor leerlingen met een migratieachtergrond. Het PIAAC 2013 onderzoek heeft aangetoond dat de geletterdheidsprestaties van de Vlaamse volwassenen in de goede middenmoot zit. 15% van de volwassenen is laaggeletterd (wat vergelijkbaar is met het OESO-­‐gemiddelde), terwijl de gecijferdheidsprestaties significant beter zijn dan het gemiddelde van de OESO landen. Tot slot heeft 19% van de Vlamingen een laag probleemoplossend vermogen in een digitale context. Ook hier vergroten het opleidingsniveau en migratieachtergrond evenals de thuistaal en socio-­‐economische toestand het risico op lage vaardigheden. PISA en PIAAC tonen het belang aan van competentieontwikkelend onderwijs. Het Actieplan vroegtijdig schoolverlaten bevat een mix van preventieve, remediërende en compenserende maatregelen. Ook het belang van levenslang leren dient hierbij te worden onderstreept. Daarom wordt er momenteel gewerkt aan visieontwikkeling op vlak van volwassenenonderwijs. Via het Strategisch Plan Geletterdheid 2012-­‐2016 (goedgekeurd op 14 december 2012) zet Vlaanderen in op het terugdringen van de laaggeletterdheid. Dit plan sluit aan bij andere belangrijke hervormingen inzake het talenbeleid (d.m.v. de nota “Samen taalgrenzen verleggen”) of STEM-­‐
richtingen (d.m.v. het STEM-­‐actieplan). Er is dus specifieke aandacht voor personen die het Nederlands niet als thuistaal hebben. Daarnaast moet onderstreept worden dat het verhogen van geletterdheid een opdracht is voor alle beleidsdomeinen. Daarom wordt er gewerkt aan structurele maatregelen en partnerschappen (met VDAB, Syntra, sociaal-­‐cultureel volwassenenwerk, werkgevers-­‐ en werknemersorganisaties, armenverenigingen, OCMW’s, bibliotheken, enz.) zodat een echte impact verkregen kan worden. Om te vermijden dat te veel acties in de vrijblijvende sfeer zou blijven, wordt onderzocht hoe binnen het nieuwe plan de lopende initiatieven vertaald kunnen worden in een systematischer of meer structureel beleid. Er is eveneens een groeiende aandacht voor digitale geletterdheid. In de school van de toekomst staat de lerende centraal en zal er binnen een leeromgeving op een andere manier geleerd worden, waarbij gebruik gemaakt wordt van diverse leermethoden en –vormen. Dit zal echter geen afbreuk doen aan de inhoudelijke kennisoverdracht. Het internet heeft de wijze van ontwikkeling, 7 digitalisering en verspreiding van (leer)inhouden immers reeds drastisch veranderd. Actuele trends zoals sociale netwerken, mobiele technologie en streaming zullen de aard van de leerinhouden verder veranderen. Zo wordt serious gaming als nieuw leermiddel gepromoot in het onderwijs. Dit past binnen het Actieplan Mediawijsheid waar jongeren maar tevens volwassenen geholpen worden om zich aan te passen aan de snel evoluerende traditionele en nieuwe media. 4. Kansengelijkheid, sociale cohesie en actief burgerschap Toegang tot kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen In Vlaanderen is het de scholen verboden om selectief op te treden. Elk kind heeft recht op inschrijving in de school van zijn (ouders) keuze. Dit principe wordt gewaarborgd door het decreet gelijke onderwijskansen (reeds uit 2002) en het decreet inschrijvingsrecht (bekrachtigd door de Vlaamse regering op 25 november 2011). Dit decreet had o.a. tot doel om de sociale mix en cohesie in scholen te bevorderen; segregatie, discriminatie en uitsluiting te vermijden; optimale leer-­‐ en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen te realiseren; en het inschrijvingsproces transparanter te maken. Het decreet trad in werking op 1 september 2012 voor de inschrijvingen van het schooljaar 2013-­‐2014. In het voorjaar van 2013 werd een evaluatie gemaakt van het eerste implementatiejaar, die hebben geleid tot enkele bijsturingen op korte termijn. Om de capaciteitsdruk aan te pakken wordt daarnaast onderzoek gedaan naar een rekenmodel om de lokale capaciteitsbehoeften te berekenen. Deze monitor zou via prognosemodellen inzicht moeten bieden op de capaciteitsnoden voor de komen jaren per regio. Op 4 juni 2013 keurde de Vlaamse Regering het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs goed. Met deze hervorming wil Vlaanderen een aantal knelpunten in het huidige systeem aanpakken, zoals de grote impact van sociale afkomst op school-­‐ en studiekeuze. De PISA en PIAAC studies hebben immers aangetoond dat hier dringend werk van moet worden gemaakt.4 In 2012 is het project Innoveren en Excelleren in Onderwijs (PIEO) opgezet in 13 scholen met een hoog aantal leerlingen die aan de GOK-­‐kenmerken5 beantwoorden in Gent, Antwerpen, Brussel en de Limburgse mijnstreek. PIEO wil zoeken naar andere manieren om te komen tot meer leerwinst, betere leerprestaties en meer welbevinden van alle leerlingen in deze scholen. Deze leerlingen starten immers vaak met een achterstand. Dit project draagt bij tot een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs in moeilijkere scholen. Transfer van kennis en inzichten naar andere scholen is een belangrijk onderdeel van het project, maar is tot nog toe evenwel minder uit de verf gekomen. PIEO wordt wetenschappelijk gemonitord. Verder werd in het kader van het Vlaams Actieplan armoedebestrijding (2010-­‐2014) ingezet op acties ter bestrijding van kinderarmoede, bvb. via de verankering van de studenttutoringprojecten en preventieve gezinsondersteuning met bruggen naar onderwijs en werk (2012-­‐2014). Toegang tot kwaliteitsvol kleuteronderwijs Het Vlaams kleuteronderwijs is van een zeer goede kwaliteit. Dit wordt bevestigd door internationale instanties, zoals de OESO. Daarnaast ligt de deelname van kleuters aan het onderwijs in Vlaanderen, in vergelijking met andere landen, zeer hoog. Toch blijft er een groep kinderen die niet aan het kleuteronderwijs participeert: sommige kinderen zijn niet in een kleuterschool ingeschreven terwijl anderen onregelmatig school lopen. Vaak gaat het om kansarme kinderen en/of allochtone kinderen die evenmin bereikt werden door voorschoolse opvangvoorzieningen. Nochtans hebben net deze 4
Cfr. supra hoofdstuk 3c. De Vlaamse overheid zet sterk in op gelijke onderwijskansen (GOK) voor alle jongeren, via ondersteuning, begeleiding, extra middelen, enz. Doel is dat alle kinderen dezelfde optimale mogelijkheden krijgen om te leren en zich te ontwikkelen, en om uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie te weren. 5
8 kinderen vaak extra nood aan de pedagogische stimulansen die het onderwijs biedt. Daarom werd op 1 september 2012 het bestaande omkaderingssysteem voor het gewoon basisonderwijs hervormd. Kleuterscholen ontvangen sindsdien evenveel omkadering als lagere scholen. Het nieuwe systeem baseert zich bovendien op de socio-­‐economische leerlingenkenmerken en zorgt voor ongeveer 1300 extra kleuteronderwijzers. Het gevolg is een performanter systeem dat preciezer middelen toekent daar waar ze nodig zijn. Scholen en kinderen krijgen hierdoor een groter pedagogisch comfort, wat een positieve invloed heeft op de deelname van kleuters aan school. Daarnaast worden er jaarlijks acties ondernomen om de kleuterparticipatie te verhogen. Hiervoor wordt er met Kind en Gezin6 samengewerkt. Inclusief onderwijs Op 12 maart 2014 werd het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (M-­‐decreet) goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Doel van dit decreet is om de toelatingsvoorwaarden tot de verschillende types van het buitengewoon onderwijs duidelijker te definiëren en om maatregelen te nemen om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te laten participeren aan het school-­‐ en klasgebeuren. In een eerste fase zullen maatregelen worden om de bestaande types in het buitengewoon onderwijs te actualiseren (ook voor leerlingen met autismespectrumstoornissen). Daarnaast gaat er specifieke aandacht naar competentieontwikkeling en professionalisering van het onderwijzend personeel. Het recht van de leerlingen op redelijke aanpassingen door de scholen aan hun specifieke onderwijsbehoeften zal gewaarborgd worden in overeenstemming met het VN-­‐
verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De huidige procedure van draagkrachtafweging bij inschrijving is herschreven en de rechtsbescherming versterkt. Het M-­‐
decreet wordt algemeen gezien als een eerste stap en geen eindpunt. Zo zal er mogelijks bijkomende aandacht nodig zijn voor een passende ondersteuning voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon onderwijs. 5. Innovatie en creativiteit Ondernemerschapsonderwijs Tijdens de regeerperiode 2009-­‐2014 werd een nieuw strategisch Actieplan ondernemend onderwijs 2011-­‐2014 door de Vlaamse ministers van Onderwijs en Vorming, Werk, Economie en Landbouw opgesteld. Met dit actieplan wordt er naar gestreefd dat deze beleidsdomeinen een afgestemd beleid voeren om ondernemingszin en ondernemerschap te stimuleren via het onderwijs. Hiermee wordt beoogd dat leerlingen, studenten en cursisten bij het verlaten van het onderwijs ondernemend zijn, een voorbereiding genoten hebben op het ondernemerschap en willen kiezen voor ondernemerschap. Daarenboven is het de bedoeling om bij leraren een genuanceerde houding te ontwikkelen ten opzichte van ondernemerschap zodat ze hun leerlingen, studenten of cursisten een genuanceerd beeld zouden kunnen geven. Dit wordt geconcretiseerd door aangepaste lespakketten, ondernemingswedstrijden voor jongeren, bijkomende middelen voor small business projects, mini-­‐ondernemingen, leerondernemingen, enz. Ondanks het succes van dit actieplan blijft verdere opvolging nodig. Zo blijft het werken aan ondernemingszin en ondernemerschap soms nog wat te vrijblijvend, is er geen voldoende zicht op de noden van leraren en scholen, en blijkt de monitoring en het overzicht onvolledig. 6
Kind en Gezin is een Vlaamse openbare instelling voor hulp en advies over het welzijn van kinderen. Kind en Gezin wil samen met zijn partners, voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is of opgroeit, zoveel mogelijk kansen creëren. 9 De digitale vaardigheden van leraren en lerenden verhogen De toenemende digitalisering van de samenleving stelt ook het onderwijsbeleid voor uitdagingen. De leefwereld van kinderen en jongeren is tot op zekere hoogte een digitale leefwereld geworden. Ondanks het feit dat een veralgemeend ICT-­‐gebruik in scholen nog niet gerealiseerd is, wordt hier hard aan gewerkt. Zo vormt ICT een middel om het onderwijsproces te vernieuwen, te verbeteren en een grotere betrokkenheid bij leerlingen te genereren. Aangezien ICT heel wat mogelijkheden biedt als leermiddel, is er de voorbije legislatuur inzet op mediageletterdheid. Met de conceptnota Mediawijsheid en het nieuwe actieplan mediageletterdheid wordt er ingezet op acties zoals veilig ICT-­‐gebruik, online privacy, competentieontwikkeling en de verkleining van de digitale kloof.7 Voor de burgers werd er gewerkt aan een competentieprofiel mediageletterdheid terwijl de nieuwe curricula voor ICT in het tweedekans volwassenenonderwijs werden ingevoerd op 1 april 2012. Er werd ook voortgewerkt aan de professionalisering van leraren m.b.t. ICT en het gebruik van digitale media. Het is immers noodzakelijk dat de leraren voldoende ICT-­‐vaardig en zelfredzaam zijn om ICT didactisch aan te wenden en voldoende afstemming te bekomen tussen lesinhouden, didactiek en technologie. Gezien de snelle evolutie van de technologie vereist dit een permanente professionalisering van de leraar. Daarom is er nood aan nascholing, begeleiding en ondersteuning tot op de klasvloer. De vzw SNPB biedt momenteel dergelijke ondersteuning aan en bereikt daarmee jaarlijks een 110-­‐tal scholen en ca 850 leraren. ICT-­‐nascholing is steeds een hoeksteen geweest van het ICT-­‐beleid maar het blijft een uitdaging om voldoende leerkrachten de transfer te laten maken tussen wat ze leren in de nascholing en de effectieve toepassing ervan in de klas. Opening up education Om “open” onderwijs te kunnen aanbieden zijn, naast de ICT-­‐competenties van leraren, ook de ICT-­‐
infrastructuur en digitale leeractiviteiten van groot belang. En hoewel de mogelijkheden van de marktwerking nog niet volledig uitgespeeld worden en er hier dus nog wel wat bespaard kan worden, blijft de kost van ICT-­‐infrastructuur hoog, zeker als een school voor verregaande ICT-­‐integratie kiest. Bij de begroting voor ICT-­‐infrastructuur moet er naast de hardware immers ook gekeken worden naar elementen als software, draadloos netwerk, beveiliging van de servers, verzekering, opleiding, onderhoud, enz. Tot slot is ook de internetconnectiviteit en voldoende breedband een niet te vergeten aspect. De rol van de overheid in dit alles ligt er in om de scholen te ondersteunen bij het hele plaatje van ICT-­‐infrastructuur. Daarnaast wordt gedacht aan alternatieve financieringssystemen zoals raamovereenkomsten, leasing of een systeem waarbij leerlingen eigen toestellen inzetten voor schooltaken. In de scholen is er een groeiende aandacht voor allerhande nieuwe technologieën. Momenteel zijn vooral mobiele toestellen zoals tablets aan een opmars bezig. Belangrijke nieuwere technologieën die de komende jaren ingang zullen vinden zijn: digitale portfolio’s, bring your own device, cloudtoepassingen, games, digitale leermiddelen en sociale netwerken als ondersteuning voor het leren. Daarnaast wordt via allerlei netwerken (bvb. innovatieve scholen) of via KlasCement (dit is een leermiddelennetwerk door en voor leerkrachten, uitgegroeid tot het grootste leermiddelennetwerk in Vlaanderen en tevens een referentie in Europa) informatie uitgewisseld. Binnen de universiteiten en hogescholen wordt er ingezet op combinaties van contactonderwijs en online onderwijs (blended learning) met elektronische leeromgevingen en de ontwikkeling van MOOC’s (massive open online courses). Hoewel er al veel mogelijkheden zijn, blijft het tot op heden toch nog in grote mate onontgonnen gebied. Het gebruik van dergelijke moderne leerinstrumenten zal nog verder uitgebouwd moeten worden. 7
Cfr. supra hoofdstuk 3c. 10 Talenonderwijs In 2011 werd de conceptnota Samen taalgrenzen verleggen goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Die conceptnota bevat maatregelen op het vlak van talenonderwijs, zowel Nederlands als moderne vreemde talen, en talenbeleid op verschillende niveaus en opgedeeld in verschillende clusters: voorschools niveau, schools niveau, buitenschools niveau, talenbeleid en (toekomstige) leraren. De initiatieven aangekondigd in de talennota werden opgenomen in een actieplan. De uitrol van dit actieplan gebeurde in samenwerking met verschillende partners zoals de onderwijsnetten. Op die manier werd een lijn uitgezet waarover een consensus is gegroeid. Een aantal acties uit de conceptnota kregen een decretale grondslag in het “Onderwijsdecreet XXIII” dat werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 juli 2013. Zij treden in werking op 1 september 2014. Enkele voorbeelden zijn: -­‐ Er wordt sterk ingezet op een beheersing van het Nederlands door de leerling. Hierbij wordt het aanbod Nederlands sterk afgestemd op de persoonlijke behoeften van de leerling. De scholen dienen eerst een screening uit te voeren om de taalvaardigheid van alle leerlingen in kaart te brengen, waarna een taaltraject op maat van de leerling wordt uitgewerkt. -­‐ Op vlak van het vreemde talenbeleid zullen scholen vanaf 1 september 2014 het leergebied Frans kunnen aanbieden vanaf het derde leerjaar van het gewoon lager onderwijs (sinds 2004 is het leergebied Frans in Vlaanderen verplicht in de derde graad van het gewoon lager onderwijs). Ook andere talen dan het Frans, m.n. het Engels als belangrijke wereldtaal en het Duits als derde landstaal, kunnen als initiatie worden aangeboden. Verder zullen scholen vanaf 2014-­‐2015 de mogelijkheid krijgen om in het voltijds en deeltijds gewoon secundair onderwijs alle levende talen als moderne vreemde taal aan te bieden binnen het curriculum. -­‐ Content and Language Integrated Learning (CLIL) wordt mogelijk voor alle geïnteresseerde secundaire scholen vanaf 1 september 2014. Dit betekent dat maximum 20% van de niet-­‐
taalvakken, zoals aardrijkskunde, wiskunde of lichamelijke opvoeding, kunnen worden onderwezen in het Frans, het Engels of het Duits. -­‐ Ook hier speelt de leerkracht een grote rol. Daarom besteedt de talennota veel aandacht aan taalrijk lesgeven. Om ervoor te zorgen dat elke school werk maakt van een talenbeleid, zullen er instrumenten worden ontwikkeld die hen ondersteunen bij de ontwikkeling en uitvoering ervan, zoals een kwaliteitscharter voor een inclusief en divers talenbeleid. Ook werden er afspraken gemaakt met de andere Gemeenschappen van België die de uitwisseling van native speakers (leerkrachten) moet vereenvoudigen. 6. Leerplichtonderwijs Terugdringen van het aandeel vroegtijdig schoolverlaters Nog steeds verlaat een te groot aantal jongeren vroegtijdig het onderwijs. Daarom werd gewerkt aan een Actieplan vroegtijdig schoolverlaten dat werd goedgekeurd door de Vlaamse regering op 27 september 2013. Het doel van dit plan is om het vroegtijdig schoolverlaten in Vlaanderen tegen 2020 terug te dringen tot 4,3 % (wat dus nog ambitieuzer is dan de EU2020 doelstelling van 5,2%). Het actieplan focust op preventieve maatregelen, interventies en compenserende acties. Verder zijn er maatregelen rond monitoring, analyse/identificatie en beleidscoördinatie. In het actieplan wordt vooropgesteld dat de Vlaamse overheid op centraal niveau een sterk beleid inzake vroegtijdig schoolverlaten wil vormgeven maar dat dit beleid wordt aangevuld door implementatie van lokale beleidsinitiatieven. Lokale besturen worden daarbij aangezocht een regierol op te nemen. Het actieplan moet nu uitgevoerd worden. Ook de hervorming van het secundair onderwijs is hier van belang. Een van de doelen van deze hervorming is het wegwerken van het watervaleffect en zo de ongekwalificeerde uitstroom te 11 beperken. De hervorming van het secundair onderwijs optimaliseert de oriënterende functie van de eerste graad waardoor jongeren beter in staat zullen zijn om een eerste onderbouwde en positieve studiekeuze te maken in functie van hun interesses en talenten. Doorheen het ganse secundair onderwijs wordt een actieve en permanente leerlingenbegeleiding en studie-­‐ en beroepskeuzebegeleiding gegarandeerd. Een ander doel is het creëren van een duidelijker onderwijsaanbod met minder studierichtingen. In het basisonderwijs komt er extra aandacht voor taal, wetenschap en techniek. Zowel in het basis-­‐ als het secundair onderwijs zullen sterke leerlingen meer uitgedaagd en zwakkere leerlingen meer ondersteund worden. Met het decreet leren en werken wordt er naar gestreefd dat elke jongere een kwalificatie behaalt. Voor de jongeren in het deeltijds onderwijs koppelt dit decreet een component leren aan een component werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uren per week, wat een voltijds engagement van de jongere inhoudt, en voldoet voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht waaraan de jongere eventueel is onderworpen. Dit voltijds engagement wordt echter niet steeds behaald. Het decreet wordt momenteel onderworpen aan een evaluatie. Via de ontwikkeling en koppeling van verschillende databanken wordt het mogelijk om leerling-­‐
schoolgegevens te verzamelen die een rechtstreekse bijdrage kunnen leveren aan de opmaak van het onderwijsbeleid. Zo geven sinds 1 september 2013 alle scholen en centra voor deeltijds onderwijs via de Discimus databank leerlingengegevens in real-­‐time door aan het ministerie van onderwijs. Op die manier worden gegevens met betrekking tot in-­‐ en uitschrijvingen, aan-­‐ en afwezigheid, leerlingenkenmerken, enz. op een gecentraliseerde manier verzameld. Om de gegevens die Discimus aanlevert te kunnen verwerken, wordt momenteel een Data Warehouse Project opgestart om de verkregen informatie te analyseren en om te zetten in beleidsaanbevelingen. Professionele ontwikkeling van leraren, opleiders en schoolleiders Het beroep van leerkracht aantrekkelijk houden is een belangrijke beleidsprioriteit. In het najaar 2011 heeft de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vorming met de sociale partners een loopbaandebat opgestart om de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar te versterken, het nakende tekort aan leraren te counteren en de werkzekerheid te bestendigen en verbeteren. Dit loopbaandebat heeft zich gebogen over verschillende aspecten van de positie van de leerkrachten en/of docenten, zoals aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden, werkzekerheid en begeleiding voor jonge leraren, het welbevinden van leraren, het wegwerken van het groeiende lerarentekort, het aantrekken van zij-­‐instromers, enz. Er zijn echter weinig concrete realisaties uit voortgevloeid. In het kader van het STEM-­‐actieplan wordt voorzien in de ondersteuning van de leraren basisonderwijs voor techniek. Om na te gaan of lerarenopleidingen de vereiste kwaliteitsstandaarden behalen, werd er een evaluatie van het decreet op de lerarenopleiding (uit 2006) uitgevoerd. Op basis van de conclusies van deze evaluatie zullen beleidsvoorstellen worden voorgelegd aan de nieuwe Vlaamse Regering. Een conceptnota over bestuurlijke schaalvergroting van de scholen in het leerplichtonderwijs werd op 3 mei 2013 aan de Vlaamse Regering voorgelegd. De bedoeling is dat scholen hun beleidsvoerend en leidinggevend vermogen versterken. Zo zouden directeurs en schoolbestuur onder andere het personeelsbeleid kunnen centraliseren, waardoor ze meer ruimte en slagkracht hebben om beginnende leerkrachten meer werkzekerheid te bieden en een aantrekkelijke jobinhoud voor alle leerkrachten te garanderen. De kwaliteit van het schoolse onderwijs Een kwalitatief hoogstaand Vlaams onderwijs blijft essentieel. Vanuit internationaal vergelijkend perspectief blijkt dat Vlaanderen in het algemeen goed scoort wat betreft het aanbieden van kwaliteitsvol onderwijs. Zo heeft PIAAC 2013 aangetoond dat de Vlaamse prestaties inzake geletterdheid en gecijferdheid bij onze volwassenen globaal gezien goed zijn (al kampt een deel van hen met een laag probleemoplossend vermogen in digitale contexten). De PISA-­‐resultaten 2013 voor 12 wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid en leesvaardigheid tonen aan dat de prestaties van Vlaamse leerlingen degelijk blijft tegenover de internationale resultaten (al is er ten opzichte van eerdere metingen een dalende trend). Het TIMSS-­‐onderzoek uit 2011 heeft aangetoond dat wat wiskunde betreft Vlaanderen in de top staat, maar dat de resultaten voor wetenschappen veel minder goed zijn. Vooral meisjes en anderstaligen doen het minder goed. Daarnaast geven de Vlaamse peilingsonderzoeken al meerdere jaren inzicht in het bereiken van de eindtermen door onze leerlingen in het basis-­‐ en secundair onderwijs en dit voor meerdere leergebieden en vakken. Bij elk peilingonderzoek komt aan het licht welke eindtermen door (de meerderheid van) de leerlingen worden bereikt en welke niet. De kwaliteit van het Vlaams onderwijs blijft algemeen gezien dus hoog. Toch werden er de voorbije legislatuur verschillende acties ondernomen om de problemen te remediëren. Zo werd op 18 januari 2012 het actieplan STEM 2012-­‐2020 (science, technology, engineering, mathematics) goedgekeurd. Dit plan is een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werk en Sociale Economie, en Economie, Wetenschappen en Innovatie. Daarnaast worden ook experts uit het bedrijfsleven, de communicatiewereld, het hoger onderwijs en de onderzoeksinstellingen betrokken. Hiermee is STEM een breed gedragen samenwerkingsverband tussen de overheid, de onderwijspartners, het brede middenveld, de sectoren, het bedrijfsleven en de media. Ook hier speelt de hervorming van het secundair onderwijs een rol, aangezien het verhogen van de kwaliteit van het secundair onderwijs één van de kerndoelstellingen is die wordt nagestreefd. Daarnaast wordt er speciale aandacht toegekend aan het aantrekkelijk maken van STEM studierichtingen, wordt de link gelegd tussen onderwijs en de vereisten van de arbeidsmarkt, het afstemmen van het onderwijsaanbod op innovatieve ontwikkelingen in de industrie, enz. In het strategische Plan Geletterdheid zijn er acties met het oog op een gerichte aanpak in het leerplichtonderwijs en innovatie in het volwassenenonderwijs. Bedoeling is dat geletterdheid een horizontaal aandachtspunt wordt.8 Ondanks deze maatregelen en het gelijkekansenbeleid blijft er een kloof in de scores voor leerlingen met een lage socio-­‐economische of migrantenachtergrond. 7. Beroepsonderwijs en -­‐opleiding Afstemmen van onderwijs op de noden van de arbeidsmarkt Het Vlaamse beleidsdomein Onderwijs en Vorming draagt er op verschillende manieren zorg voor dat de sectoren onderwijs en werk op elkaar afgestemd zijn. De belangrijkste maatregel is dat de opmaak van de beleidsbrieven en beleidsnota’s van de bevoegde beleidsdomeinen op een gecoördineerde manier gebeurt. Zo wordt een coherent en geïntegreerd beleid tot stand gebracht. Daarnaast wordt er binnen het Vlaamse onderwijs ook gewerkt aan specifieke maatregelen. Zo zal de hervorming van het secundair onderwijs bijdragen aan een grotere afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Door middel van de goedkeuring van het decreet inzake versterking van het hoger beroepsonderwijs (12 juli 2013) worden verschillende aspecten van het hoger beroepsonderwijs hervormd en wordt tegelijk de kwaliteit ervan verhoogd9. Met de sectorconvenanten (dit zijn overeenkomsten tussen de Vlaamse overheid en de sociale partners van de verschillende sectoren) wordt het competentie-­‐ en loopbaanbeleid uitgewerkt, waardoor er uitvoering wordt gegeven aan de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en een verbeterde diversiteit op de werkvloer. Tot slot wordt de Vlaamse kwalificatiestructuur uitgerold.10 Daarnaast worden nog andere maatregelen genomen die passen binnen het kader van de European Alliance for Apprenticeships. Zo wordt er reeds enkele jaren gewerkt aan een versterking van de kwantiteit van werkplekleren, ter bevordering van de structurele uitbouw van werkplekleren binnen 8
Cfr. supra hoofdstuk 3c. Cfr. infra hoofdstuk 8. 10
Cfr. supra hoofdstuk 2. 9
13 beroepsgerichte opleidingen, en moet er verder worden ingezet op de kwaliteit van werkplekleren. Hiertoe komen er verplichte leerlingenstages in de derde graad van het tso en bso. De eerste fase hiervan gaat in op 1 september 2014. De website werkplekleren wordt aangevuld met goede praktijkvoorbeelden uit de verschillende onderwijsniveaus, informatie over statuten en stelsels in werkplekleren, en concreet bruikbare instrumenten om kwaliteitsvol werkplekleren in te richten. Tot slot wordt er gewerkt aan een harmonisering en vereenvoudiging van de vele bestaande statuten op vlak van werkplekleren binnen het stelsel van leren en werken. Uitvoering van het onderwijsluik in de Jeugdgarantie Onderwijs werkt samen met de VDAB11 en andere stakeholders aan de uitvoering van het actieplan vroegtijdig schoolverlaten, aan de uitwerking van de regelgeving inzake erkennen van verworven competenties (EVC), evenals aan het STEM-­‐actieplan. Daarnaast is er samenwerking op vlak van uitwisseling van gegevens (“warme” overdracht van gegevens van risicoleerlingen tussen scholen, CLB12 en VDAB). In het systeem van leren en werken wordt er sterker ingezet op de monitoring van het voltijds engagement. In afwachting van de uitkomsten van de evaluatie van het decreet leren en werken wordt het aanbod verder geoptimaliseerd en wordt er continu in dialoog getreden met verschillende betrokkenen. De Regionale Technologische Centra (RTC) zijn intermediaire organisaties die op operationele manier bijdragen tot de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt. Ze ondersteunen de scholen en vormen een brug met de arbeidsmarktactoren en faciliteren dus op concrete wijze de link onderwijs-­‐bedrijfsleven. De RTC’s zorgen voor een netoverschrijdende werking van schooloverstijgende behoeften. De dienstverlening is concreet, flexibel, op maat en met lage instapdrempel. In het najaar van 2014 worden deze RTC’s geëvalueerd en mogelijks bijgestuurd. Op 6 juni 2013 werd een samenwerkingsovereenkomst getekend tussen Onderwijs, VDAB en Syntra Vlaanderen13, waarbij zij zich engageren om onderwijskwalificerende opleidingstrajecten (OKOT) te stimuleren en deze vorm van structurele samenwerking tussen onderwijs en arbeidsmarktactoren uit te rollen. Op basis van regionale noden worden deze onderwijskwalificerende opleidingstrajecten opgezet en wordt het aanbod op elkaar afgestemd. 8. Hoger onderwijs Verhogen van de deelname aan en kwaliteit van hoger onderwijs Het nieuwe stelsel van kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs (aangenomen op 13 juli 2012) vormde een belangrijke stap in de hervorming van het hoger onderwijs. Vanaf het academiejaar 2013-­‐2014 worden de opleidingsaccreditaties verleend volgens de nieuwe systematiek, waarbij de focus ligt op de inhoud en op het overbruggen van de kloof tussen het beoogde en gerealiseerde eindniveau van de opleiding. Tijdens de academiejaren 2015-­‐2016 en 2016-­‐2017 loopt de eerste ronde instellingsreviews, die een nulmeting is. De tweede ronde instellingsreviews worden uitgevoerd tijdens de academiejaren 2019-­‐2020 en 2020-­‐2021. Op dat ogenblik zijn alle opleidingsaccreditaties verleend en kan de derde ronde opleidingsaccreditaties worden opgestart, waarvoor de modaliteiten nog moeten worden bepaald. Op 13 juli 2012 bekrachtigde de Vlaamse Regering het decreet betreffende de integratie van de academische schoolopleidingen in de universiteiten. Als gevolg hebben de hogescholen hun 11
VDAB is de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling. Zij is de trekker voor de implementatie van de Jeugdgarantie. De Centra voor Leerlingenbegeleiding ondersteunen leerlingen, ouders, leerkrachten en schooldirecties door hen van informatie, hulp en begeleiding te voorzien. 13
Syntra Vlaanderen is het Vlaams agentschap voor ondernemersvorming. 12
14 academische opleidingen overgedragen aan of geïntegreerd in de universiteiten. Naast deze wijzigingen en de bijhorende personeelsregelingen bevat het decreet ook een nieuwe en soepelere taalregeling voor het aanbieden van anderstalige opleidingen in het hoger onderwijs. Met de integratie van de academische bachelor-­‐ en masteropleidingen van de hogescholen in de universiteiten beoogt Vlaanderen enerzijds om het aanbod van haar hoger onderwijs overzichtelijker te maken, en anderzijds om haar studenten een vlotte en daadwerkelijke toegang tot wetenschappelijk onderzoek te garanderen. Een bijkomend voordeel van het integratiedecreet is het feit dat de academische bachelor-­‐ en mastergraden internationaal beter (h)erkend zullen worden. Het decreet trad in werking bij aanvang van het academiejaar 2013-­‐2014. Op 12 juli 2013 werd het decreet betreffende de versterking van het hoger beroepsonderwijs in Vlaanderen goedgekeurd. Het decreet stelt een aantal maatregelen voor om de kwaliteit van het hoger beroepsonderwijs te garanderen en te versterken. Het doel van deze hervorming is om de aanbieders van hoger beroepsonderwijs te stimuleren om samen te werken. Vanaf 1 september 2014 zullen HBO5-­‐opleidingen enkel nog kunnen worden aangeboden als een gemeenschappelijke opleiding van een hogeschool en een CVO of een secundaire school. Alle HBO5-­‐opleidingen volgen de externe kwaliteitszorgprocedure van het hoger onderwijs. Dit nieuwe decreet zal een bijdrage leveren aan de doelstelling om meer mensen een diploma hoger onderwijs te laten behalen. Met de hervorming van de financiering van het hoger onderwijs (vanaf 2008-­‐2009) streefde de Vlaamse Regering een aantal doelstellingen na, zoals het bevorderen van de participatie in het hoger onderwijs, het verhogen van het studierendement, het garanderen van gelijke kansen, het rationaliseren en optimaliseren van het opleidingsaanbod, het ondersteunen van flexibele trajecten, en het bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. De evaluatie van het financieringsdecreet is momenteel volop aan gang.14 Om de participatie aan het hoger onderwijs verder te verhogen, in het bijzonder van jongeren uit kansengroepen, werden in het kader van het decreet over de studentenvoorzieningen richtlijnen bezorgd aan de instellingen voor de opmaak van hun beleidsplan. Daarnaast keurde de Vlaamse regering op 6 september 2013 de conceptnota goed over de visie, de doelstellingen en de voorstellen voor de nieuwe aanpak van het aanmoedigingsfonds voor het hoger onderwijs. Dit wordt momenteel herbekeken. Strategieën om internationalisering in het hoger onderwijs te versterken (binnen en buiten Europa) Op 6 september 2013 keurde de Vlaamse Regering het Actieplan Mobiliteit in het Hoger Onderwijs -­‐ Brains on the Move goed. Het hoofddoel van het actieplan is om studeren in het buitenland te stimuleren en studenten internationale en interculturele competenties te laten verwerven via kwalitatieve mobiliteit. Daartoe focust het document op punten zoals de financiering van mobiliteit, de ontwikkeling van een generiek systeem van mobiliteitsbeurzen, afspraken met de instellingen om studenten aan te sporen naar het buitenland te trekken (bvb. door individuele gesprekken, inbouwen van een mobiliteitswindow in het curriculum, samenwerkingsverbanden aan te gaan met buitenlandse universiteiten), het stimuleren van stages voor studenten van de professionele bacheloropleidingen, de kwaliteitsbewaking van het studieverblijf of de stages in het buitenland, het valideren van de verworven competenties die in het buitenland werden opgedaan en de participatie van studenten uit kansengroepen. Het actieplan stippelt een groeipad uit waarbij tegen 2020 ten minste één op de drie afgestudeerden uit het hoger onderwijs een grensoverschrijdend avontuur (studie, stage of andere) aangaat. Hierbij wordt niet enkel Europese mobiliteit beoogd maar wordt ook wereldwijde mobiliteit gefaciliteerd. Bovendien wordt er naar gestreefd dat 33 procent van de mobiele studenten uit ondervertegenwoordigde groepen komt. Met dit actieplan is Vlaanderen dus ambitieuzer dan de Europese 20/20/20-­‐doelstelling om tegen 2020 één op de vijf studenten in het hoger onderwijs een tijd “over de grens” te sturen. 14
Cfr. infra hoofdstuk 3a. 15 9. Volwassenenonderwijs De deelname aan levenslang leren in Vlaanderen ligt nog altijd vrij laag. Het participatiecijfer aan volwasseneneducatie (formeel en non-­‐formeel) evolueerde immers van 8,2% in 2010 over 7,5% in 2011 naar 6,8% in 2012 tot 7,1% in 2013. Hiermee blijft Vlaanderen onder de Europese doelstelling van 15% in 2020. Om de kwaliteit, de deelname en de efficiëntie aan het formele volwassenenonderwijs te verhogen werden verschillende maatregelen genomen. Hierbij kunnen we verwijzen naar verschillende maatregelen die eerder aan bod kwamen in dit rapport, zoals het plan geletterdheid, actieplan mediageletterdheid, actieplan afstandsonderwijs, EVC-­‐beleid, prikkels die LLL en tweedekansenonderwijs stimuleren, talenonderwijs, nieuwe curricula voor ICT in het tweedekans volwassenenonderwijs.15 De evaluatie van het decreet volwassenenonderwijs van 15 juni 2007 zal vooral focussen op een globale toekomstvisie voor het onderwijs aan volwassenen in Vlaanderen. 10. Bestuur van het ET2020 raamwerk en de Europa 2020 strategie 10a. Afstemming tussen onderwijsbeleid en andere beleidsdomeinen De opmaak van de beleidsbrieven en beleidsnota’s van de departementen Onderwijs en Vorming, Werk en Sociale Economie, Jeugd en Innovatie gebeurt op een gecoördineerde manier. Dit betekent dat er wordt gestreefd naar coherentie en gelijklopend beleid. Dit resulteert in een breed gedragen beleid dat door alle betrokken stakeholders wordt gedragen en uitgevoerd. Specifiek voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming en Werk en Sociale Economie is er een systematisch overleg op managementsniveau, waar gediscussieerd wordt over gemeenschappelijke uitdagingen en knelpunten. Zo kan op operationeel niveau uitvoering gegeven worden aan het gemeenschappelijk beleid op vlak van onderwijs en werk. Er is eenzelfde overleg met het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media. 10b. Bestuur van het ET2020 strategisch raamwerk ET2020 is vooreerst een politiek proces, en bijgevolg is het noodzakelijk dat de ministers van nabij op de hoogte worden gehouden van de verscheidene stappen die er in dit proces plaatsvinden. Daarom is het noodzakelijk dat de Europese Ministerraad Onderwijs nog meer dan nu het geval is betrokken wordt bij tussentijdse opvolging van alle acties. Er is geen nood aan bijkomende of alternatieve governance tools. Er is al een zeer uitgebreid pakket aan systemen om het nationale beleid van de lidstaten op te volgen, zoals de peer learning activities, peer reviews, studies, rapporteringen, de ET2020 technische werkgroepen, enz. Het is niet wenselijk om daar nog bijkomende zaken aan toe te voegen. Met betrekking tot de ET2020 technische werkgroepen zijn de werking en samenstelling ervan niet altijd even duidelijk. In theorie is het aantal werkgroepen beperkt, maar in realiteit zijn er verschillende nieuwe subwerkgroepen in het leven geroepen. De efficiëntiewinsten ten opzichte van de vorige generatie werkgroepen zijn bijgevolg minder zichtbaar. Daarnaast is het wenselijk om een betere stroomlijning en doorstroom te verkrijgen van de output die gerealiseerd wordt binnen deze werkgroepen. Deze blijft vaak wat diffuus en verdient een betere disseminatie. 15
Cfr. hoofdstukken 2, 3c, 5. 16 Tot slot moeten de beschikbare informatiebronnen evenals de verschillende rapporteringen die worden opgemaakt in het kader van de Europese en internationale onderwijssamenwerking beter op elkaar worden afgestemd en moet overlap vermeden worden. Zo is er niet enkel nood aan een grotere harmonisering voor de Europese rapporteringsprocessen, maar eveneens voor de rapporten die opgesteld worden ten behoeve van andere internationale organisaties (waar de Europese Commissie ook vaak bij betrokken is). Voorbeelden hiervan zijn de samenwerking met de OESO (reviews, studies, assessments), Raad van Europa, Unesco (Education for All), Bolognaproces, enz. 10c. Partnerschappen tussen Onderwijs en het brede middenveld In Vlaanderen vormen de strategische adviesraden SERV (sociaal-­‐economische raad Vlaanderen) en VLOR (Vlaamse onderwijsraad) de brug tussen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en de vertegenwoordigers van de verschillende sociale partners (werkgevers, werknemers, etc). Deze strategische adviesraden zijn dus de bevoorrechte partners die betrokken worden om het onderwijs-­‐ en vormingsbeleid mee uit te tekenen, tot stand te brengen en te evalueren. 10d. Bijdrage van de EU structurele en investeringsfondsen aan de ET2020 doelstellingen In de periode 2007-­‐2013 hebben de budgetten uit het Lifelong Learning Programme er sterk toe bijgedragen om de doelstelling rond mobiliteit te verwezenlijken. Daarnaast werd het Vlaams beleid ook ondersteund door middel van acties en calls die financiering vanuit het LLP verwierven. Vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) werden middelen aangewend om acties in het kader van leren en werken te financieren. Op die manier werd bijgedragen aan de doelstelling terugdringen van vroegtijdig schoolverlaten. In de periode 2014-­‐2020 blijven de doelstellingen in dezelfde lijn liggen. Structureel zal er financiering vanuit het Erasmus+ programma worden gebruikt voor doelstellingen inzake het ondersteunen en verhogen van leermobiliteit, terwijl er ook middelen voor specifieke acties en beleidslijnen voorzien zal worden. Tot slot zullen de beschikbare budgetten vanuit het ESF en EFRO voornamelijk ingezet worden voor het uitvoeren van acties die passen binnen de doelstellingen terugdringen van vroegtijdig schoolverlaten en verhogen van deelname aan levenslang leren. 17