Ruimtelijke onderbouwing

Ruimtelijke onderbouwing
Omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan
Woonzorgcomplex Scheldekwartier
Gemeente Vlissingen
28 mei 2014
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
2
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
INHOUDSOPGAVE
1. Inleiding
1.1 Aanleiding en doel
1.2 Ligging en begrenzing projectgebied
1.3 Vigerend planologisch regime
1.4 Crisis- en herstelwet
2. Ruimtelijk beleid
2.1 Rijksbeleid
2.2 Provinciaal beleid
2.3 Gemeentelijk beleid
3. Projectbeschrijving
3.1 Project
3.2 Programma
3.3 Stedenbouw
3.4 Verkeer en parkeren
4. Omgevingsaspecten
4.1 Inleiding
4.2 Milieueffectrapportage
4.3 Water
4.4 Bodem
4.5 Archeologie
4.6 Cultuurhistorie
4.7 Geluid
4.8 Externe Veiligheid
4.9 Luchtkwaliteit
4.10 Natuur
4.11 Kabels en leidingen
4.12 Explosieven
4.13 Duurzaamheid
5. Uitvoerbaarheid
5.1 Financieel-economische uitvoerbaarheid
5.2 Procedure
5.3 Overleg instanties
Afzonderlijk bijlagenboek
1. Milieueffectrapportage
2. Bodem
3. Groepsrisicoberekening
4. Luchtkwaliteit
5. Natuuronderzoeken
6. Berekening stikstofdepositie
3
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
4
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
Op 28 mei 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen een nieuwe
aanvraag omgevingsvergunning ontvangen voor het ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke
ordening’ ten behoeve van het voorlopig ontwerp van het door Werkt Voor Ouderen Zorg te realiseren
woonzorgcomplex met zelfstandige zorgwoningen in het gebied Scheldekwartier. Deels zal dit worden
gerealiseerd in de bestaande voormalige zware plaatwerkerij, deels zal dit bestaan uit nieuwbouw op
de gronden, direct grenzend aan de plaatwerkerij aan de Peperdijk en aan de westzijde van de
Wagenaarstraat.
Op 19 december 2013 had de Stichting Beheer Zorgvoorziening Scheldekwartier al een vergelijkbare
aanvraag ingediend voor dit project. Die aanvraag heeft de vereiste procedure doorlopen. Drie
factoren hebben ertoe geleid, dat het bouwplan, zowel ruimtelijk als programmatisch, moet worden
aangepast:
1. De Stichting Philadelphia heeft afgezien van deelname in het project;
2. Er is geen investeerder gevonden voor het beoogde zorghotel;
3. Een zienswijze op de aanvraag van 19 december 2013 van bewoners Wagenaarstraat 30 t/m 36.
Om die reden is een nieuwe aanvraag en procedure op grond van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Wabo) vereist. Ook de nieuwe aanvraag omgevingsvergunning is in strijd met het nu
nog geldende bestemmingsplan ‘De Schelde’ en kan uitsluitend worden verwezenlijkt na het nemen
van een projectafwijkingsbesluit als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing brengt ten behoeve van de afwijking van het
bestemmingsplan alle relevant ruimtelijke en milieutechnische aspecten in beeld om te beoordelen of
het beoogde voornemen past binnen het beleid en niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Ligging en begrenzing projectgebied
Op figuur 1 is de ligging en begrenzing van het projectgebied aangegeven.
Figuur 1 Ligging en begrenzing projectgebied woonzorgcomplex Scheldekwartier
5
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
1.3
Vigerend planologisch regime
Voor het projectgebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘De Schelde’, dat op 28 februari 1991 is
vastgesteld door de gemeenteraad en op 23 juli 1991 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van
Zeeland. In het bestemmingsplan ‘De Schelde’ zijn deze gronden bestemd voor industriële doeleinden
met maximale bouwhoogtes van deels 13 en deels 20 meter.
1.4
Crisis- en herstelwet
De Crisis- en herstelwet treft bijzondere wettelijke voorzieningen voor een versnelde ontwikkeling en
verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op grond van het bepaalde onder 3.1
van bijlage I van de Crisis- en herstelwet valt de herstructurering van een woon- en werkgebied van
lokaal belang onder de reikwijdte van deze wet. Artikel 1.1 van deze wet biedt deze mogelijkheid voor
alle besluiten, die nodig zijn voor de ontwikkeling of verwezenlijking van ruimtelijke projecten,
waaronder ook een projectafwijkingsbesluit als bedoeld in de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht. De Crisis- en herstelwet wordt expliciet van toepassing verklaard op dit besluit.
De Crisis- en herstelwet is gericht op het versnellen van procedures door middel van:
- beperking van het beroepsrecht; in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht
kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon, die krachtens publiekrecht is
ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen
tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die
rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat
bestuursorgaan behoort.
-
het relativiteitsvereiste; beroep op een rechtsregel kan alleen slagen, wanneer de regel, waarop
een beroep wordt gedaan strekt tot bescherming van de belangen van degene, die er een beroep
op doet; deze regeling is sinds 1 januari 2013 ook opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht;
-
beperking van proceduretijd in de beroepsfase; daarvoor wordt o.a. Afdeling 8.2.3 van de
Algemene wet bestuursrecht (versnelde behandeling) benut; ook wordt uitgesloten, dat na afloop
van de termijn voor het instellen van beroep nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd;
ruimere mogelijkheid om gebreken in de besluitvorming te passeren (geen gevolgen aan
verbinden), indien aannemelijk is, dat een belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld; deze
regeling is sinds 1 januari 2013 ook opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.
-
6
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
2.
RUIMTELIJK BELEID
2.1
Rijksbeleid
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Het betreft een
integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. De SVIR benoemt
de ruimtelijke opgave voor Nederland richting 2040:
- versterking van de concurrentiekracht van Nederland;
- het vinden van ruimte voor (wind)energie;
- inspelen op klimaatverandering;
- omgaan met krimp, stagnatie en groei inwonertal en huishoudens in Nederland.
Op basis van deze opgaven heeft de rijksoverheid 13 nationale belangen benoemd, die bijdragen aan
het versterken van de ruimtelijk-economische structuur, het verbeteren van de bereikbaarheid en het
waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving.
Buiten deze nationale belangen hebben de decentrale overheden beleidsvrijheid. De
verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen de verstedelijking en groene ruimte op regionale
schaal, wordt overgelaten aan de provincies. De (boven)lokale afstemming en uitvoering van
verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen de provinciale kaders. De
sturing op verstedelijking, zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen,
rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat de rijksoverheid los. Om zorgvuldig
ruimtegebruik te bevorderen, is de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke
ordening (Bro) opgenomen.
De ladder van duurzame verstedelijking houdt in, dat eerst gekeken wordt of er vraag is naar een
bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing
kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw nodig zijn, dat zorg gedragen wordt voor een optimale
(multimodale) bereikbaarheid. Deze ladder is een procesvereiste. Dit houdt in dat bij ruimtelijke
besluiten moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.
Dit project voorziet voor een belangrijk deel in de vervanging en optimalisering van de bestaande
woonzorgvoorzieningen in Vlissingen (o.a. Weijevliet en Scheldehof). Daarnaast wordt een uitbreiding
van die voorzieningen beoogd. Vaststaat, dat er een actuele behoefte bestaat aan de met dit project
beoogde woonzorgvoorzieningen in Vlissingen. De locatie is een binnenstedelijke, zodat de conclusie
luidt, dat dit project voldoet aan (de uitgangspunten van) de ladder van duurzame verstedelijking.
Het rijksbeleid en de daarop gebaseerde wettelijke regelingen vormen geen belemmering voor dit
project.
2.2
Provinciaal beleid
Op 28 september 2012 is het ‘Omgevingsplan Zeeland 2012-2018’, gelijktijdig met de ‘Verordening
Ruimte provincie Zeeland’, vastgesteld. De provincie zet in op een sterke economie, een goed woonen leefklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied.
Ten aanzien van het wonen wordt specifiek ingezet op een goed woonklimaat en een goed werkende
woningmarkt in steden, dorpen en op het platteland met voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie
van de woningvoorraad. Ruimtelijk staan bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik voorop. De provincie
geeft aan een aantal lopende transformatieprojecten in het stedennetwerk (o.a. Scheldekwartier) te
7
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
ondersteunen. Voor voorzieningen wordt aangegeven, dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor
lokale voorzieningen. Een adequaat voorzieningenniveau draagt bij aan de leefbaarheid en
aantrekkelijkheid van een regio. Met het voorliggende project worden zowel de doelstellingen voor het
wonen als voor de voorzieningen bereikt.
Bij stedelijke ontwikkelingen wordt ingezet op bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij de
ladder van duurzame verstedelijking wordt ingezet, zoals door de rijksoverheid geïntroduceerd. Deze
is van toepassing op o.a. wonen, bedrijventerreinen en detailhandel. Een zorgvuldig gemotiveerde
keuze voor ruimtegebruik is een vereiste. Belangrijkste aspecten binnen de duurzaamheidsladder zijn,
dat de regionale behoefte is aangetoond en dat ontwikkelingen binnen bestaand bebouwd gebied
plaatsvinden. Zoals ook vermeld in paragraaf 2.1, staat vast, dat er grote behoefte bestaat aan
woonzorgvoorzieningen in Vlissingen. De locatie is een binnenstedelijke, zodat de conclusie luidt, dat
dit project voldoet aan (de uitgangspunten van) de ladder van duurzame verstedelijking.
Dit project past binnen de ruimtelijke doelstellingen in het ‘Omgevingsplan Zeeland 2012-2018’.
2.3
Gemeentelijk beleid
De onderstaande, vastgestelde, beleidsnota’s betreffen relevante beleidsterreinen, die de ontwikkeling
van het projectgebied raken.
Structuurvisie ‘Vlissingen stad aan zee - een zee aan ruimte’
De gemeentelijke structuurvisie ‘Vlissingen een stad aan zee – een zee aan ruimte’ is door de
gemeenteraad van Vlissingen in zijn vergadering van 17 december 2009 vastgesteld. Op 30 mei 2013
is een actualisatie van deze visie vastgesteld.. In de structuurvisie wordt het ruimtelijke beleid op
hoofdlijnen geschetst. Als toekomstperspectief wordt ingezet op ‘Anticiperen en Transformeren’. Dit
perspectief vertaalt zich voor het Scheldekwartier in het toevoegen van een divers woon-, werk- en
voorzieningenprogramma, waardoor zij weer onderdeel van de stad wordt. Voor woningbouw wordt in
Vlissingen prioriteit gegeven aan herstructurering van de bestaande voorraad en aan de ontwikkeling
van het Scheldekwartier. Voor werken en voorzieningen wordt ingezet op een verbetering van de
vestigingscondities, zoals de ruimtelijke kwaliteit, routing en concentratie van detailhandel in de
binnenstad, maar ook op de verbetering van de stadsentree. Voorts geeft de visie aan, dat Vlissingen
zich inzet op het versterken van de diversiteit en kwaliteit van het toeristisch aanbod in combinatie
met het verbeteren van de ruimtelijke beleving, ruimtelijke kwaliteit en attractiviteit van de stad. Zo
voegt de transformatie van het gebied ‘Stadshavens’ een nieuwe dimensie toe aan het maritieme
karakter van de stad en vergroot tegelijkertijd het toeristisch aanbod (uitbreiding jachthavenareaal,
levendig waterfront, vermaak, detailhandel, cultuurhistorie, uitbreiding van toeristische routes etc). Dit
als aanvulling op de bestaande kwaliteiten, zoals de aanwezigheid van water, duinen, jachthaven,
jachtenbouw en de sluizen.
Woonvisie ‘Vlissingen stad aan zee - een zee aan woonkwaliteit’
Het doel van de woonvisie, eveneens vastgesteld op 17 december 2009 en, tegelijk met de
structuurvisie op 30 mei 2013 geactualiseerd, is het formuleren van het beleidskader voor de
toekomstige ontwikkelingen op het gebied van wonen. De visie is het toetsingskader voor initiatieven
van derden en leidraad voor het handelen van de Gemeente Vlissingen. In de woonvisie is een aantal
doelstellingen geformuleerd:
- kwaliteit boven kwantiteit: herstructurering met verdunning en vergroening; nieuwbouw inzetten
voor vergroten van de kwalitatieve differentiatie in de woningvoorraad en van de woonmilieus;
- integrale wijkaanpak: samen met maatschappelijke organisaties en burgers vanuit een fysiek en
sociaal perspectief werken aan de leefbaarheid in buurten;
8
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
-
-
doelgroepen aanbod: beschikbaar hebben van voldoende kwalitatief goede huisvesting voor alle
doelgroepen (wonen-welzijn-zorg, starters, gezinnen, deeltijdwonen, studenten, CPO/PO/Kluswoningen, arbeidsmigranten);
woningvoorraad van morgen: samenstelling van de woningvoorraad en woonmilieus zo goed
mogelijk aansluiten op de huidige en veranderende woonbehoeften van de bevolking;
wonen boven winkels stimuleren;
complementariteit en samenwerking: actief inzetten voor samenwerking in de regio.
De focus van de woonvisie ligt op de bestaande voorraad, hierin is een aanzienlijke kwaliteitslag te
behalen. Tot 2020 heeft de gemeente zich een herstructureringsopgave gesteld van 1.450 woningen.
Om ook kwaliteitsverbetering in de woonomgeving te bereiken gaat dit gepaard met een verdunningsopgave van 320 woningen. Speerpunt van het nieuwbouwbeleid is het Scheldekwartier, dat kansen
biedt voor meer diversiteit aan woningtypen en woonvormen, waardoor tevens aanvullende
woonmilieus ontstaan. Specifiek wordt het Scheldekwartier ook ingezet voor deeltijdwonen.
De zorgontwikkeling op deze projectlocatie in het Scheldekwartier past binnen de uitgangspunten van
zowel de structuur- als woonvisie. Er zal op deze projectlocatie kwalitatief uitstekende huisvesting
worden geboden voor specifieke woonvormen: zorgwonen, groepswonen en zelfstandig wonen voor
ouderen met alle daarbij behorende aanvullende nevenfuncties. In de projectbeschrijving (hoofdstuk
4) is hierop nader ingegaan.
Masterplan Scheldekwartier/Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier Vlissingen
Op 23 februari 2006 is, na een aantal interactieve bijeenkomsten met de bevolking en een periode
van inspraak, het ‘Masterplan Scheldekwartier’ door de gemeenteraad vastgesteld, waarin de
versterking van het centrum en de sociaal economische basis, samen met het behoud van en respect
voor cultuurhistorie en industrieel erfgoed centraal staan. Het masterplan beoogt de ontwikkeling van
het projectgebied op hoofdlijnen en indicatief aan te geven.
De zware plaatwerkerij is in het masterplan aangemerkt als te behouden industrieel erfgoed, dat
ingepast wordt in het stedenbouwkundig plan met een nieuwe functie. Bouwblok E (het in dit project
voorziene bouwblok voor de nieuwbouw) en de zware plaatwerkerij maken in het masterplan deel uit
van het woongebied in het deelplan Centrum. Het masterplan geeft voor bouwblok E een drie- tot
vierlaagse bebouwing aan. Een masterplan beoogt een indicatie van een ruimtelijke ontwikkeling op
hoofdlijnen voor de lange termijn: afhankelijk van de zich in de loop der tijd voordoende en zich
aandienende economische en maatschappelijke omstandigheden, moet de invulling van de destijds
(2006) voorziene ruimtelijke ontwikkeling gestalte worden gegeven.
Dit laatste heeft ertoe geleid, dat in 2011 een herijking van het masterplan heeft plaatsgevonden. Op
3 november 2011 heeft de gemeenteraad van Vlissingen de ‘Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier
Vlissingen’ vastgesteld. De visie speelt in op de huidige en toekomstige marktomstandigheden en
vormt een strategie voor de ontwikkeling van de visie voor de komende 20 jaar, die de flexibiliteit
biedt om kansen en initiatieven uit de markt te faciliteren. De uitgewerkte strategie is minder
gedetailleerd dan het masterplan. De in het masterplan aangegeven en beoogde ruimtelijke structuur
is in deze visie niet of nauwelijks aangepast.
In de visie is de ontwikkeling van een woonzorgontwikkeling binnen het Scheldekwartier en direct
grenzend aan het winkelgebied van de binnenstad specifiek benoemd. De ontwikkeling draagt bij aan
de differentiatie in programma en bewoners van het Scheldekwartier en zal tevens bijdragen aan het
zorgvoorzieningenniveau in de omliggende buurten en een extra impuls aan de locale economie. De
zorgontwikkeling is één van de concrete projecten benoemd voor de komende vijf jaar. De
9
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
ontwikkelingsvisie spreekt van de realisering van een zorgconcept, bestaande uit appartementen, een
zorghotel, zorgeenheden en zorgvoorzieningen in de zware plaatwerkerij (definitieve bestemming), in
bouwblok E en op de Kop van het Dok. De Kop van het Dok maakt geen deel uit van dit project. De
zorgontwikkeling, zoals wordt voorgestaan door de initiatiefnemer, past binnen de ontwikkelingsvisie.
Figuur 2 Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier
Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2012-2020 (GVVP)
Uitgangspunt in het GVVP (vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2012) is een goede
bereikbaarheid van de binnenstad zonder de leefbaarheid in de binnenstad aan te tasten. Aan de rand
van de binnenstad zijn parkeervoorzieningen gerealiseerd van waaruit de binnenstad en boulevards
lopend te bereiken zijn. De uitwisseling tussen de binnenstad en boulevards wordt geoptimaliseerd
door de in 2014/2015 voorziene aanleg van de (verlengde) Aagje Dekenstraat, tussen de
Scheldestraat en Koningsweg, die de verbindingsas naar het centrum en de ontsluiting voor het
Scheldekwartier vormt. Tevens is over de Dokhaven via een brug de tweede binnenstadsontsluiting in
2005 gerealiseerd.
Sociale Veiligheid
Op 13 juli 2010 heeft de raad de nota ‘Vlissingen Veilig’ vastgesteld. Deze nota bevat beleid met
betrekking tot de integrale sociale veiligheid voor Vlissingen voor de periode 2010-2014. Bij de
inrichting van het terrein voor het zorgcomplex wordt rekening gehouden met dit beleid. Om de
sociale veiligheid te borgen wordt bij de inrichting van het terrein en het aangrenzende openbaar
gebied rekening gehouden met zichtbaarheid, aantrekkelijkheid en criminaliteitspreventie. Het gaat
om ‘zien’ en ‘gezien worden’. Mensen willen zien en weten wat er in hun omgeving gebeurt.
Zichtbaarheid wordt voor een groot deel bepaald door overzichtelijkheid, zichtlijnen en verlichting. De
inrichting van het gebied zal moeten voldoen aan de algemeen gestelde eisen en normen in de
10
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
beleidsnota. Mocht de praktijk uitwijzen of gebruikers in het projectgebied menen, dat verbeteringen,
maatregelen of aanvullende voorzieningen gewenst zijn, dan zal dat nader bezien worden. Daarnaast
is het projectgebied goed bereikbaar voor nood- en hulpdiensten. De noodzakelijke voorzieningen
(bijv. bluswatervoorzieningen) zijn aanwezig.
11
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
3.
PROJECTBESCHRIJVING
3.1
Project
Werkt Voor Ouderen Zorg gaat in het plangebied van het Scheldekwartier invulling geven aan de
behoefte aan woonzorgvoorzieningen met alle daarbij behorende maatschappelijke en commerciële
voorzieningen. De nieuwe woonzorgvoorziening zal worden gerealiseerd in de voormalige zware
plaatwerkerij en in de nieuwbouw op de oostelijk daaraan grenzende bouwpercelen aan de Peperdijk
en de Wagenaarstraat.
De zware plaatwerkerij is historisch industrieel erfgoed, waarvan het unieke karakter behouden moet
blijven. Door op een creatieve wijze woonunits te plaatsen in de zware plaatwerkerij wordt deze
ruimte optimaal benut. De opzet is om de begane grond grotendeels open te laten, waardoor de
huidige vorm en beleving van de zware plaatwerkerij grotendeels behouden blijft. Daarnaast blijven
door de gekozen opzet functionele ruimtes bestaan voor (maatschappelijke) activiteiten. Activiteiten,
die niet alleen toegankelijk zullen zijn voor de bewoners, maar voor alle senioren uit de wijk. Op deze
wijze wordt binnen de zware plaatwerkerij ook de welzijnsfunctie tot stand gebracht.
De zware plaatwerkerij heeft een lange periode leeg gestaan. Het is van essentieel belang, dat er
weer een functie in komt, zodat het gebouw tot zijn recht kan komen. De ambitie voor het
Scheldeterrein is een transformatie van dit voormalige industrieterrein tot een levendig deel van de
stad, met behoud van het bijzondere historische karakter van de voormalige scheepswerf.
De zware plaatwerkerij wordt gekenmerkt door zijn industriële constructie met slanke stalen kozijnen,
grote stalen schuifdeuren in de gevels en een hoge open ruimte in het gebouw. Bij de transformatie
worden de woningen als een meubelstuk in de hal geplaatst. Zo blijft de constructie nog zichtbaar en
de imposante afmetingen van de ruimte voelbaar. Op de begane grond komen semi-publieke ruimten
met een uitnodigend karakter voor de wijkbewoners, deels door de grote openstaande schuifdeuren
en deels door een glazen volume, dat half door de noordgevel geschoven is.
Het karakter van de noord- en westgevel blijft gehandhaafd. De vergane kozijnen in de gevels worden
vervangen door vergelijkbare kozijnen met hetzelfde slanke profiel. In de noordgevel worden de
kozijnen vergroot tot megavensters. Van de zuid- en oostgevels is niet veel meer over. De zuidgevel
wordt bekleed met cortenstalen platen met een perforatie. Deze perforatiepatronen vormen abstracte
zeemotieven. Op deze manier wordt in moderne taal een link gelegd met de oorspronkelijke functie
van het gebouw. De oostgevel krijgt een invulling met metselwerk.
In het interieur krijgt het meubelstuk met de woningen een glad, modern, maar ook warm karakter.
Dit in contrast met het ruwe, industriële karakter van de hal. De buitenmuren van de hal worden
geïsoleerd, de constructie wordt vrijgehouden. Kolommen, spanten en liggers zullen nog zichtbaar
zijn, waardoor het industriële karakter behouden blijft.
Naast het gebruik van de zware plaatwerkerij is echter ook nieuwbouw nodig. Deze wordt direct ten
oosten en zuidoosten van de zware plaatwerkerij in een soort L-vorm rondom een binnentuin
gerealiseerd. Binnen de nieuwbouw wordt ruimte gecreëerd voor groepswoningen voor dementerende
en revaliderende ouderen, wooneenheden voor ouderen met een lichamelijke beperkingen en
zelfstandige zorgwoningen/appartementen. Tevens wordt een parkeergarage gerealiseerd om aan de
parkeerbehoefte te voldoen. Verder zijn gemeenschappelijke voorzieningen onmisbaar, die gedeeld
worden met de andere woon- en zorgvoorzieningen. Passend binnen de hoofdfunctie worden o.m.
een restaurant, een winkel, welzijnsactiviteiten, kleinschalige medische voorzieningen, etc. mogelijk
12
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
gemaakt. Deze voorzieningen hebben een uitnodigend karakter, waardoor zij bijdragen aan sfeer,
vermaak en welzijn. Het restaurant is, vanwege de bezonning en de aanwezige binnentuin, aan de
zuidzijde gesitueerd.
Het eindresultaat is een bijzonder fraaie en innovatieve zorginstelling, die, om een duurzame en
positieve exploitatie mogelijk te maken, qua indeling naar behoefte de noodzakelijke flexibiliteit bezit.
De ruimtes kunnen eenvoudig naar behoefte worden omgebouwd voor een bepaalde, door de
exploitant te bedienen, doelgroep.
Het project kent een hoog ambitieniveau, gekenmerkt door:
- een hoogwaardige architectuur;
- een variabel gebruik van de appartementen voor diverse doelgroepen;
- levensloopbestendige zorgwoningen/appartementen;
- gebruik en behoud van het cultuurhistorisch industrieel erfgoed;
- duurzame bouwmaterialen;
- een veilige en gezonde woon- en leefomgeving.
3.2
Programma
Voor de zorgvoorziening in het Scheldekwartier is gekozen voor onderstaande invulling van het
bouwvolume. Afhankelijk van de ontwikkelingen in de behoeftevraag kan de invulling nog enige
wijziging ondergaan binnen de in het schetsplan opgenomen functies.
Door Werkt Voor Ouderen Zorg zal huisvesting worden geboden voor mensen met een zorgvraag. In
totaal betreft het 145 eenheden, waarvan:
- 51 wooneenheden somatiek; dit zijn woningen voor mensen met een fysieke beperking;
- 40 eenheden psychogeriatrische groepswoningen/revalidatie in 5 groepswoningen;
- 54 zelfstandige zorgwoningen.
Tevens wordt voorzien in:
- een parkeergarage met ca. 35 parkeerplaatsen incl. bergingen en techniekruimte.
- 10 parkeerplaatsen voor minder validen en taxi’s in het openbaar gebied aan de Peperdijk.
De zorgvoorziening binnen dit project op het Scheldekwartier biedt diverse ondersteunende
faciliteiten, zoals een restaurant, winkeltjes, welzijns- en activiteitenruimten en kleinschalige medische
voorzieningen.
3.3
Stedenbouw
Het bouwplan voor het woonzorgcomplex in de voormalige zware plaatwerkerij en het aangrenzende
nieuwe bouwblok gaat uit van een divers woon-, zorg- en voorzieningenprogramma. Dit sluit aan bij
de in de Structuurvisie en Woonvisie geformuleerde wens om een divers woon-, werk- en
voorzieningenprogramma aan de stad toe te voegen en om woonruimte te creëren voor wonenwelzijn-zorg. De herontwikkeling van de zware plaatwerkerij draagt tevens bij aan de versterking van
het centrum en de sociaal economische basis. Dit staat, samen met behoud van, en respect voor de
cultuurhistorie en het industrieel erfgoed, centraal in het Masterplan en de Ontwikkelingsvisie
Scheldekwartier.
Ter plaatse van de zware plaatwerkerij komen twee werelden samen; het industriële karakter van de
voormalige scheepswerf en het historische karakter van de oude binnenstad. De oude binnenstad (en
13
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
de nieuwe bebouwing rondom het Dokje van Perry) kenmerkt zich door verticaal geparceleerde
blokken, een kleine korrel, rijke detaillering en individueel vormgegeven panden. De zware
plaatwerkerij is juist een stoer bouwblok met een forse maat en schaal. Kenmerkend zijn de grote
blauwe schuifdeuren, grote glasvlakken die met stalen kozijnen onderverdeeld zijn in kleinere verticale
ramen en een constructie van stalen spanten ingevuld met bruinrode baksteen.
Het ontwerp voor het woonzorgcomplex gaat uit van behoud en versterking van het industrieel
erfgoed. De functies in de voormalige zware plaatwerkerij zijn zodanig ingepast, dat de constructie
zichtbaar zal blijven. Dit zorgt er, samen met de open structuur van de begane grond voor, dat het
karakter van de zware plaatwerkerij ook in het interieur zichtbaar blijft. Ook aan de buitenzijde
behoudt de zware plaatwerkerij grotendeels haar unieke karakter. De kopgevel en de gevel aan de
dokzijde zijn grotendeels intact gelaten. De voor de daglichttoetreding benodigde extra
gevelopeningen aan de dokzijde zijn gerealiseerd door de bestaande glasvlakken met verticale ramen
en smalle kozijnen te vergroten. De karakteristieke grote blauwe schuifdeuren in zowel de gevel aan
de dokzijde als in de kopgevel blijven gehandhaafd. Aan de dokzijde vormen ze de nieuwe centrale
entree tot zowel de zware plaatwerkerij als het nieuwe bouwblok. Op de kop van het gebouw leggen
de opengeschoven deuren de relatie tussen binnen (gang en vide) en buiten. De zuidgevel van de
plaatwerkerij krijgt een nieuwe gevelbekleding van cortenstaal. Dit materiaal heeft een industrieel
karakter en past goed bij de gevels van het bestaande industrieel erfgoed.
De nieuwbouw is zodanig vormgegeven dat deze aansluit op zowel het industriële karakter van de
Scheldewerf als op het historische karakter van de binnenstad. Het L-vormige complex bestaat uit drie
volumes; de bestaande zware plaatwerkerij, daarnaast een stoer volume aan de zijde van het dok en
een meer geparceleerd volume in de Wagenaarstraat/Vrijgang. De rooilijnen volgen het historische
stratenpatroon van de binnenstad. In de Wagenaarstraat/Vrijgang is de bouwhoogte deels drie en
deels vier lagen hoog, als gevolg van het niveauverschil tussen de Vrijgang en de Peperdijk. Deze
hoogte sluit aan op de bestaande bebouwing in de omgeving/de binnenstad. Gezien de weidsheid en
schaal en maat van het dok en de zware plaatwerkerij, vraagt de bebouwing langs de Peperdijk
eveneens een grotere schaal, maat en hoogte. Het reeds gerealiseerde blok Bestevaer is op dezelfde
wijze opgebouwd; overwegend vijf lagen aan het dok en drie tot vier lagen aan de zijde van de
binnenstad. De nieuwbouw sluit aan op dit principe en kent een bouwhoogte van vier lagen grenzend
aan de zware plaatwerkerij en vijf lagen aan de zijde van Bestevaer. De bouwhoogte van vier lagen
tegen de zware plaatwerkerij aan is noodzakelijk om architectonisch een goede overgang te maken
van de zware plaatwerkerij naar de nieuwbouw. De zware plaatwerkerij blijft op deze wijze als
architectonische eenheid leesbaar. De bouwhoogtes van de nieuwbouw sluiten hiermee grotendeels
aan op de indicatief gegeven bouwlagen uit het masterplan.
Architectonisch bestaat het woon-zorgcomplex aan de zijde van het dok uit twee stoere volumes
(nieuw en oud) met dezelfde forse maat en schaal, die door middel van subtiele architectonische
ingrepen met elkaar verbonden zijn. Op deze wijze vormt het complex een samenhangend geheel,
maar blijven beide volumes toch afzonderlijk leesbaar. Zo springt het nieuwe blok ten opzichte van de
zware plaatwerkerij iets naar voren en is ter plaatse van de aansluiting op de zware plaatwerkerij een
verdieping lager (vier bouwlagen). De entree bevindt zich in het midden van het complex op de kop
van de zware plaatwerkerij, ter plaatse van de bestaande grote blauwe schuifdeuren. Qua
architectonische uitstraling sluit de nieuwbouw aan de Peperdijk aan op het industriële karakter van
de zware plaatwerkerij; een robuust bakstenen volume met verticaal gelede glasvlakken. Onder het
westelijk deel van het nieuwe blok, tegen de zware plaatwerkerij aan, bevindt zich een half verdiepte
parkeergarage. Ter plaatse van de parkeergarage wordt het metselwerk van de gevel gedeeltelijk
doorgezet tot op maaiveld. Daartussen krijgt de gevel, ten behoeve van de natuurlijke ventilatie, een
invulling met geperforeerde cortenstalen platen.
14
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
In de Wagenaarstraat loopt de bouwhoogte af naar drie lagen. De gevel kent hier een meer
geparceleerde opzet die wordt bereikt door verschillen in textuur van het metselwerk. Ook hebben de
woningen hier een kleine stoep/voor’tuin’. Ter plaatse van de Kleine Kerkstraat knikt de rooilijn. Dit
moment wordt benut om het laatste volume te voorzien van een architectonische uitstraling die
aansluit op de pandsgewijze architectuur van de oude binnenstad. Door middel van verschillen in
textuur, materiaalgebruik en gevelopeningen wordt een verticale parcelering nagestreefd.
Aan de zijde van de Vrijgang bevindt zich de binnentuin. De entree naar de parkeergarage bevindt
zich eveneens aan deze zijde. De tuin biedt ruimte aan privé-buitenruimten voor de zelfstandige
woningen, een openbare tuin en een afgeschermde (winter)tuin voor de psychogeriatrische
groepswoningen. De architectuur aan de binnentuin bestaat uit een samenspel van geschakelde en
gestapelde volumes. Hierdoor krijgt het geheel een organische aanblik.
Geconcludeerd kan worden dat dit schetsplan, dat als basis voor het definitieve bouwplan zal dienen,
in ruimtelijke, programmatische en functionele zin op een goede manier invulling geeft aan de
uitgangspunten, zoals geformuleerd in de diverse beleidsstukken. De architectonische detaillering en
uitstraling vormen een goede vertaling van de ambitie om het industrieel erfgoed te behouden, te
versterken en een centrale plaats te geven in het nieuwe plangebied Scheldekwartier.
Op 22 mei 2014 is het schetsplan in de monumentencommissie toegelicht door de architect. De
commissie heeft geen overwegende beletselen aangegeven om met het plan door te gaan. Bij de
verdere ontwikkeling van het bouwplan zal vervolgoverleg plaatsvinden.
3.4
Verkeer en parkeren
3.4.1 Verkeer
Gemotoriseerd verkeer
Het gebied Scheldekwartier is van buiten Vlissingen bereikbaar via de Koningsweg. De straten rondom
het toekomstig zorgcomplex - de Peperdijk, Vrijgang, Vrouwestraat en Wagenaarstraat - maken deel
uit van een 30-km regime. De straten hebben een verblijfsfunctie en worden overeenkomstig de
aanliggende en nabij gelegen straten als zodanig ingericht. De nieuw aan te leggen verbindingsweg
tussen de Koningsweg en de huidige Aagje Dekenstraat zorgt, via de Hellingbaan, voor een
uitstekende ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer van het projectgebied. Via de Vrijgang wordt de
toegang tot en de uitgang van de parkeergarage gecreëerd, die onder het nieuwbouwgedeelte van
het zorgcomplex wordt aangelegd. Auto’s kunnen de garage verlaten via de Vrijgang, Wagenaarstraat,
Peperdijk of via de Vrijgang, Wagenaarstraat, Kleine Kerkstraat, Steenen Beer. De bereikbaarheid voor
hulp- en servicediensten (bijv. afvalverwijdering) en bevoorradend verkeer is tevens gewaarborgd. Bij
de inrichting van het (omliggende) gebied worden de mogelijkheden voor het kort parkeren en het
laden en lossen van deze diensten gewaarborgd.
Langzaam verkeer
Het langzaam verkeer maakt ook gebruik van de hiervoor genoemde straten. De nieuw aan te leggen
verbindingsweg Aagje Dekenstraat zal ingericht worden met vrijliggende fietspaden. Met de bestaande
brug over de Dokhaven is het projectgebied dus eveneens uitstekend bereikbaar voor langzaam
verkeer.
Openbaar/collectief vervoer
De meest nabij gelegen bushalte (Aagje Dekenstraat) ligt op ca. 250 meter van het projectgebied en
ligt dus binnen de invloedssfeer. Daarmee is het projectgebied voldoende bereikbaar met openbaar
15
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
vervoer. Voor het collectief vervoer zal gebruik worden gemaakt van de straten en wegen, zoals
hiervoor aangegeven onder gemotoriseerd verkeer.
3.4.2 Parkeren
De Gemeente Vlissingen hanteert binnen het ontwikkelingsgebied Scheldekwartier de
parkeerkencijfers van het CROW. Daar waar extra ruimtelijke kwaliteit wordt voorgestaan, worden
door middel van privaatrechtelijke afspraken met ontwikkelende partijen eventueel meer
parkeervoorzieningen gerealiseerd dan de kencijfers noodzakelijk maken. Bij dit project, mede omdat
het voor een belangrijk deel gaat om de herbestemming van een bestaand gebouw, is daarvan geen
sprake.
Op grond van de uitgangspunten van de door het CROW berekende te hanteren parkeerkencijfers en
op grond van het in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan vastgestelde parkeerbeleid, wordt
Vlissingen aangemerkt als ‘sterk stedelijk gebied’ en valt het projectgebied voor de toepassing van de
parkeerkencijfers in een gebied, dat aangemerkt is als ‘centrum’.
Op basis van het programma in voorliggend projectplan, dat op grond van de projectbeschrijving als
meest waarschijnlijke invulling wordt aangemerkt, is, uitgaande van de parkeerkencijfers van het
CROW, de parkeerbehoefte berekend. Het programma binnen het project omvat 54 zelfstandige
zorgwoningen en 91 zorgeenheden.
De parkeernorm bedraagt minimaal 0,2 tot maximaal 0,6 parkeerplaats voor de zelfstandige
zorgwoningen (incl. aandeel bezoekers 0,3 parkeerplaats per woning) en minimaal 0,5 tot maximaal
0,7 parkeerplaats per zorgeenheid (aandeel bezoekers 60%). In totaal levert dat een bandbreedte in
de parkeerbehoefte op van minimaal 57 tot maximaal 96 parkeerplaatsen. Uitgaande van een redelijk
gemiddelde kan de totale parkeerbehoefte vastgesteld worden op 77 parkeerplaatsen (22 voor de
zelfstandige zorgwoningen en 55 voor de zorgeenheden).
Van de berekende behoefte (77) worden er ca. 35 gerealiseerd in de aan te leggen parkeergarage
onder de nieuwbouw van het zorgcomplex. De resterende benodigde parkeerplaatsen (42) zijn
beschikbaar in de twee meest nabij gelegen openbare parkeervoorzieningen: de parkeergarage aan
het Scheldeplein en het parkeerterrein aan de Koudenhoek.
Het bezoekersaandeel in de parkeerbehoefte (ca. 50) kan in zijn geheel in de nabij gelegen
parkeergarage Scheldeplein en op het parkeerterrein Koudenhoek worden opgelost. De parkeergarage
Scheldeplein heeft een capaciteit van 275 parkeerplaatsen en een bezettingsgraad tijdens kantooruren
van 25% (dus ca. 200 vrije plaatsen). Op drukke vrijdagen en zaterdagen, bij grote evenementen
(incidenteel) en op drukke dagen in het zomerseizoen loopt de bezettingsgraad op tot ca. 80%. Ook
op die dagen zijn er dus nog altijd voldoende parkeerplaatsen beschikbaar. Ditzelfde geldt voor het
parkeerterrein Koudenhoek, dat een capaciteit heeft van ca. 280 parkeerplaatsen. Ook daar is de
capaciteit meer dan voldoende voor de opvang van het bezoekersaandeel. In uitzonderlijke situaties
kan ook nog uitgeweken worden naar de iets verder weg gelegen parkeervoorzieningen in de
binnenstad, zoals het Zeemanserve en de parkeergarage ‘De Fonteyne’.
De eindconclusie luidt dan ook, dat ruimschoots aan de parkeerbehoefte voor dit project, wordt
voorzien. Vanuit dit aspect bezien, is de ontwikkeling van het onderhavige project aanvaardbaar.
3.4.3 Bouwverkeer
De route van het bouwverkeer is zodanig gekozen, dat de bewoners van de al gerealiseerde woningen
en van de bestaande woningen, grenzend aan het projectgebied, zo min mogelijk hinder ervaren. Het
16
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
bouwverkeer voor de zuidkant van de Dokhaven maakt uitsluitend gebruik van de route Koningsweg –
Verlengde Aagje Dekenstraat – om de Dokhaven heen – Peperdijk en vice versa. Op deze wijze wordt
de hinder voor de huidige bewoners en gebruikers van de omringende woningen en winkels tot een
minimum beperkt.
17
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
4.
OMGEVINGSASPECTEN
4.1
Inleiding
De milieuonderzoeken, die verricht zijn in het kader van het milieueffectrapport voor de ontwikkeling
van het projectgebied Scheldekwartier, hebben betrekking op het oorspronkelijke programma, zoals
dat in 2006 was voorzien in het Masterplan voor dit projectgebied. Een aantal milieuaspecten kan en
moet uitsluitend in samenhang met het programma van de andere voorziene ontwikkelingen van het
grotere projectgebied Scheldekwartier worden bezien.
In 2011 heeft een herijking van het Masterplan plaatsgevonden, welke geresulteerd heeft in de
Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier. De visie is o.a. programmatisch aangepast aan de huidige
marktomstandigheden. Het functionele programma is ten opzichte van het Masterplan verminderd en
daarmee passend binnen de bestaande m.e.r.
In dit hoofdstuk zijn de relevante aspecten uit de verrichte milieuonderzoeken belicht. Aldus is de samenhang in
de milieutechnische beoordeling geborgd. Waar nodig is aanvullend onderzoek gedaan of zijn onderzoeken
geactualiseerd.
4.2
Milieueffectrapport
4.2.1 Wettelijk kader
Op 29 september 2006 is de gewijzigde Wet milieubeheer, en het hieraan gekoppelde Besluit
milieueffectrapportage 1994 in werking getreden, waarin de Europese richtlijnen betreffende de
beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s is omgezet. Er
worden twee typen milieueffectrapporten onderscheiden: een ‘planmer’ en een ‘projectmer’. Een
planmer is vereist voor wettelijk of bestuursrechtelijke verplichte plannen, die:
- het kader vormen voor toekomstige projectmer(beoordelings)-plichtige projecten besluiten; in het
Besluit m.e.r., bijlagen C en D, staat aangegeven om welke activiteiten in welke omvang het moet
gaan: m.e.r.-plichtige activiteiten staan vermeld in bijlage C en m.e.r.-beoordelingsplichtige
activiteiten staan vermeld in bijlage D;
- een passende beoordeling vereisen op grond van artikel 19f van de Natuurbeschermingswet 1998.
4.2.2 Rapportage
Voor de ontwikkeling van de projectgebieden Scheldekwartier en Edisongebied is, op basis van de op
21 december 2006 door de gemeenteraad vastgestelde richtlijnen, een ‘projectmer’ opgesteld, die
tevens als ‘planmer’ dienst doet. In zijn vergadering van 24 april 2008 heeft de gemeenteraad deze
aanvaard. Op 3 juli 2008 heeft de Commissie voor de mer het toetsingsadvies uitgebracht.
In de rapportage zijn de milieu-effecten onderzocht van de ontwikkeling van beide projectgebieden
t.w. bodem en water, natuur, verkeer en leefbaarheid. Het thema leefbaarheid is uitgesplitst in de
onderwerpen geluidhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook aan de thema’s en aspecten
grondbalans, bouwhinder, cultuurhistorie, groen, landschap en energie is nadrukkelijk aandacht
besteed in de beschrijving van de voorgenomen activiteiten.
De beoordeling heeft plaatsgevonden door per thema en per criterium in eerste instantie de effecten
in kwantitatieve zin te bepalen. Deze effecten zijn vergeleken met de situatie, die zou zijn ontstaan
zonder realisatie van de plannen, de zgn. autonome ontwikkeling. De tweede stap in de beoordeling
betreft de waardering: de effecten worden vertaald in plussen en minnen. De uitkomsten van dit
rapport moeten worden meegenomen in de planologische besluitvorming.
18
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
In de volgende paragrafen wordt op de voor het projectgebied relevante milieuaspecten ingegaan.
Zoals hierna zal blijken, staat geen van deze aspecten de ontwikkeling en realisering van het project
in de weg.
In bijlage 1 in het afzonderlijk bijlagenboek zijn de projectmer en het toetsingsadvies opgenomen.
4.3
Water
Door de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het instrument van de watertoets geïntroduceerd. De
watertoets is inmiddels verankerd op alle ruimtelijke planniveaus, die Nederland kent. De watertoets is
een beoordeling van de invloed, die ontwikkelingen of beheer van een projectgebied hebben op het
watersysteem in dat gebied. Het is noodzakelijk de gevolgen van de beoogde ontwikkelingen voor de
waterhuishoudkunde en het watersysteem na te gaan. Als basis hiervoor is de Deelstroomgebiedsvisie
Zeeland en het Waterplan Vlissingen 2004-2008 opgesteld. In de Deelstroomgebiedsvisie signaleert
men het tekort aan berging in de bebouwde gebieden en wordt o.a. aandacht besteed aan het
toetsen van het regionale watersysteem aan de normen voor wateroverlast. In het Waterplan
Vlissingen is een visie neergelegd op het waterbeheer in het stedelijk gebied van Vlissingen, waarbij
het uitgangspunt is om te komen tot een duurzaam, gezond en veerkrachtig stedelijk watersysteem.
Met het Waterschap Scheldestromen wordt overleg gevoerd over de wateraspecten in bestaande
wijken. In bestaande wijken zal, indien herinrichting aan de orde is, aandacht besteed worden aan de
mogelijkheden ter verbetering van de wateraspecten. Bij nieuwe ontwikkelingen zal vanaf het begin
van de inrichting van de te ontwikkelen locatie, het waterschap betrokken worden om een
waterhuishoudkundig aanvaarbare situatie te creëren. Voor de watertoets is gebruik gemaakt van de
door het waterschap aanbevolen tabel.
Thema
Waterdoelstelling
Uitwerking
Veiligheid/
Waterkering
Waarborgen veiligheidsniveau De beoogde bebouwing binnen het projecten daarvoor benodigde ruimte gebied ligt buiten de zone van de secundaire
waterkering.
Voldoende hoog gebouwd om
instroming van oppervlaktewater in maatgevende situoppervlaktewater)
atie(s) te voorkomen. Voldoende ruimte voor vasthouden/bergen/afvoeren van water.
Afkoppelen
van
(schone)
Riolering/RWZI
water
op verharde oppervlakken i.v.m.
(incl.
reductie hydraulische belasstraat/overlast)
ting RWZI en transportsysteem met beperken overstorten. Rekening houden met
(eventuele benodigde filter)ruimte daarvoor.
Wateroverlast
(vanuit
Water-voorziening/aanvoer
Het projectgebied grenst aan ruim ontvangend
oppervlaktewater.
In het projectgebied ligt gemengde riolering.
Het plan is in dit systeem om te vormen tot een
gescheiden stelsel, omdat in de buurt geen
oppervlaktewater aanwezig is.
Het
voorzien
van
de De watervoorziening is niet in het geding.
bestaande functie van (gronden/of oppervlakte)water van
de juiste kwaliteit en de juiste
hoeveelheid op het juiste
moment. Het tegengaan van
19
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Thema
Waterdoelstelling
Uitwerking
Volksgezondheid
(water gerelateerd)
nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op
de behoefte aan water.
Minimaliseren risico waterge- In het projectgebied zijn geen vuilwater
relateerde ziekten en plagen. overstorten,
die
uitkomen
op
het
Voorkomen van verdrinkings- oppervlaktewater.
gevaar/risico’s via o.a.
de
daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling
Voorkómen van maatregelen De polderpeilen worden niet aangepast. Bodemdie (extra) maaiveldsdalingen daling zal niet optreden.
met name in zettingsgevoelige
gebieden kunnen veroorzaken.
Grondwateroverlast
Tegengaan/verhelpen
grondwateroverlast.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Grondwaterkwaliteit
Verdroging
Natte natuur
Onderhoud
(mogelijkheden)
waterlopen
Waterschapswegen
4.4
van Het projectgebied ligt gemiddeld rond 3 meter
boven NAP. Het grondwaterniveau in Vlissingen
ligt gemiddeld op 1.50 meter onder NAP. Met
een gemiddelde ontwateringsdiepte van 4.50
meter zal van grondwateroverlast niet snel
sprake zijn.
Behoud/realisatie van goede Er zijn geen nadelige gevolgen voor de wateroppervlaktewaterkwaliteit voor kwaliteit. In het projectgebied komt geen
mens en natuur. Vergroten oppervlaktewater voor.
van de veerkracht van het
watersysteem.
Behoud/Realisatie van een Er wordt niet gebouwd in een natuurgebied,
goede
grondwaterkwaliteit (specifiek daarvoor bedoeld) infiltratiegebied
voor mens en natuur.
en/of gebied voor drinkwatervoorziening.
Bescherming
karakteristieke Verdroging is niet aan de orde.
grondwater afhankelijke ecologische waarden; m.n. van
belang in/rond natuurgebieden (voor hydrologische beïnvloedingszone; zie
Omgevingsplan Zeeland).
Ontwikkeling/Bescherming van Het projectgebied grenst niet aan natte
een rijke gevarieerde en na- natuurgebieden. Er zijn daarom geen bijzondere
tuurlijk karakteristieke aqua- maatregelen te treffen.
tische natuur.
Oppervlaktewater dient ade- Niet van toepassing.
quaat onderhouden te kunnen
worden.
M.b.t. de aanwezigheid water- In het projectgebied komen geen waterschapsschapswegen in/nabij het pro- wegen voor.
jectgebied.
Bodem
4.4.1 Wettelijk kader
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van
een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij
functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde
nieuwe functie.
20
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Per 1 januari 2008 is het Besluit Bodemkwaliteit in werking getreden. Op grond van dit besluit wordt
de verplichting gesteld om een bodemfunctieklassenkaart op te stellen. Op 26 juni 2013 is de Nota
bodembeheer, inclusief herziene bodemfunctieklassenkaart, voor het grondgebied van de Gemeente
Vlissingen vastgesteld door de Raad.
4.4.2 Onderzoeksresultaten
Uit inventarisatie van de aanwezige bodemonderzoeken (verkennend en aanvullend bodemonderzoek
KSG terrein, Oranjewoud, april 2000 en het nader bodemonderzoek KSG terrein SGS mei 2006) binnen
het projectgebied blijkt dat er ter plaatse van het zorgcomplex een diffuse verontreiniging met zware
metalen en PAK’s te verwachten is. Dit als gevolg van ophooplagen en stedelijke activiteiten of
bedrijfsactiviteiten.
Op basis van de verrichte bodemonderzoeken is door MWH een saneringsplan opgesteld. Het
saneringsplan voor het volledige projectgebied Scheldekwartier is in september 2008 gereed
gekomen. In dit saneringsplan wordt de aanpak van de al bekende verontreinigingen beschreven. Het
saneringsplan is ter beschikking voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van Zeeland. Gedeputeerde
Staten heeft bij besluit van 11 november 2008 ingestemd met het saneringsplan.
Op basis van het saneringsplan moet, voor het te ontwikkelen zorgcomplex, een aanvullend
bodemonderzoek uitgevoerd worden. De resultaten van dit bodemonderzoek en de planvorming
vormen de basis voor het op te stellen uitvoeringsplan. De bodemsanering wordt vervolgens
uitgevoerd in combinatie met de bouwplannen. Voordat gestart wordt met de werkzaamheden wordt
het uitvoeringsplan ter beoordeling en goedkeuring aan Gedeputeerde Staten voorgelegd.
Bijlage 2 in het bijlagenboek omvat het bodemonderzoek, saneringsplan en instemmingsbesluit.
4.5
Archeologie
4.5.1 Wettelijk kader
Per 1 september 2007 is door de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg
(WAMZ) de Monumentenwet gewijzigd. In de gewijzigde wet is geregeld, dat de verantwoordelijkheid
voor het beheer van de archeologie bij de gemeente ligt. De gemeenteraad dient bij de vaststelling
van het bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten
archeologische waarden.
Een belangrijk uitgangspunt, is dat het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het
behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek
tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde
planontwikkelingen kunnen worden betrokken.
Op 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Archeologische Monumentenzorg Walcheren
2006’ vastgesteld. De Provincie Zeeland heeft met de inhoud van deze nota ingestemd. De Nota
archeologische monumentenzorg Walcheren 2006 is in 2008 geëvalueerd. De gemeenteraad heeft in
zijn vergadering van 24 april 2008 de nieuwe ‘Nota archeologische monumentenzorg Walcheren
evaluatie 2008’ vastgesteld. Voor dit projectgebied bevat deze evaluatie geen relevante aspecten.
De verwachtingskaart en de beleidsadvieskaart maken onderdeel uit van dit beleid. De
verwachtingskaart is een nadere detaillering van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW)
die tot stand is gekomen door nader bureauonderzoek. De kaart is op maat gesneden op de
Walcherse schaal en geeft de verwachting weer ten aanzien van archeologische vondsten. Het
21
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
projectgebied is op de verwachtingskaart en op de beleidsadvieskaart aangeduid als een gebied met
hoge archeologische verwachtingswaarde.
4.5.2 Onderzoeksresultaten
Door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. is een bureauonderzoek uitgevoerd voor het gehele
gebied van het project Scheldekwartier, dus inclusief dit projectgebied, om te beoordelen of realisatie
van het plan kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten.
In februari 2006 is de rapportage van het archeologische vooronderzoek - een bureauonderzoek uitgebracht. Op basis van dit onderzoek heeft in het projectgebied een uitgebreide archeologische
opgraving plaatsgevonden. De resultaten zijn gerapporteerd in het onderzoeksrapport van J. Claeys,
N.L. Jaspers en S. Ostkamp uit 2010, genaamd ‘Vier eeuwen leven en sterven aan de Dokkershaven in
Vlissingen’. Het gevolg is, dat het projectgebied geen archeologische waarden meer bevat.
Voor de zware plaatwerkerij geldt, dat, mochten onder de vloer werkzaamheden moeten worden
verricht, door de Walcherse Archeologische Dienst zal worden bezien of de aard van die
werkzaamheden nopen tot archeologische begeleiding daarvan.
In figuur 3 zijn de opgegraven gebieden ten zuiden van de Dokhaven aangegeven, waaronder dus
ook het projectgebied.
Figuur 3 Overzicht putten opgravingen Scheldekwartier (vh. Dokkershaven)
4.6
Cultuurhistorie
4.6.1 Wettelijk kader
Op grond van de Monumentenwet 1988 is de Minister bevoegd monumenten aan te wijzen: panden of
terreinen, ouder dan vijftig jaar, welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. Monumenten behoeven geen nadere
regeling meer in het bestemmingsplan, omdat de Monumentenwet 1988 uitputtend hun bescherming
regelt.
22
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
4.6.2 Onderzoeksresultaten
Er bevinden zich geen monumenten binnen het projectgebied.
4.6.3 Overige cultuurhistorische aspecten
Door Lantschap is in januari 2005 een cultuurhistorische verkenning uitgebracht voor het
projectgebied van het project Scheldekwartier. In die verkenning is, voor wat dit projectgebied
betreft, het werfterrein in relatie tot de stad relevant: de stedelijke structuur van de oude binnenstad,
de maatvoering van de gebouwen, de bouwstijl en de scherpe grens tussen stad en Scheldeterrein.
Gezien vanuit de huidige oude binnenstad zijn de bouwblokken in dit project gebaseerd en
geïnspireerd op de oude en oorspronkelijke situatie. Door een bij de bestaande binnenstad passende
stedenbouwkundige herontwikkeling, worden oude straten en routes weer hersteld. De straten
beschikken weer over een begin en eindpunt en over sterk aanpalende functies. Tevens wordt Het
Dok weer verbonden met de historische binnenstad van Vlissingen. Het gebied wat tot de Koninklijke
Schelde Groep behoorde, krijgt zijn aansluiting weer bij de binnenstad en gaat als één gebied
functioneren.
Dit projectgebied maakt deel uit van de stedenbouwkundige herontwikkeling. Dit project leidt ertoe,
dat een deel van de oorspronkelijke historische stedelijke structuur hersteld. De westelijke wand van
de Wagenaarstraat wordt door de bouw van dit project afgerond. Tevens wordt met dit project de
zware plaatwerkerij als industrieel erfgoed behouden.
4.7
Geluid
4.7.1 Wettelijk kader
Op grond van de Wet geluidhinder moeten bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan, waarbinnen
nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen worden toegelaten, de van
belang zijnde akoestische aspecten worden onderzocht. Dit betreft geluid vanwege
wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai.
4.7.2 Wegverkeerslawaai
In het kader van de MER is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor zowel het gehele gebied
Scheldekwartier als het aangrenzende Edisongebied, waarin alle ontwikkelingen tot 2020 zijn
opgenomen.
Alle straten in het projectgebied, alle aanliggende straten en straten in de directe omgeving (tot 200
meter vanaf de rand van het bouwvlak) zijn of worden ingericht als verblijfsgebied met een maximale
snelheid van 30 km/uur. Een weg met een maximum snelheid van 30 km/uur kent geen geluidszone.
Mede door de inrichting van het gebied als 30 km-gebied wordt een goed woon- en leefklimaat
gegarandeerd.
De straten binnen of in de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoofd of
wijkontsluitingswegen met hoge intensiteiten. Vanuit het oogpunt van “goede ruimtelijke ordening” is
nader onderzoek naar akoestische gevolgen niet noodzakelijk
4.7.3 Industrielawaai
De transformatie van dit industrieterrein tot stedelijk gebied heeft het noodzakelijk gemaakt de
geluidzonering van het industrieterrein ‘de Schelde/Buitenhaven’ te herzien. De uit 1990 daterende
geluidzone was voor een belangrijk deel gebaseerd op de industriële activiteiten, die plaatsvonden op
het terrein van de Koninklijke Schelde Groep.
23
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Op 19 november 2009 is het bestemmingsplan ‘Parapluherziening geluidzone de Schelde/Buitenhaven’
in werking getreden. In dit bestemmingsplan is de geluidzone vanwege het industrielawaai van het
industrieterrein ‘de Schelde/Buitenhaven’ verankerd.
Het projectgebied ligt buiten de vastgestelde geluidzone van het industrieterrein ‘de
Schelde/Buitenhaven’. Evenmin ligt het projectgebied binnen andere geluidszones vanwege
industrieterreinen. Industrielawaai vormt dan ook geen belemmering voor de realisering van dit
project.
4.7.4 Spoorweglawaai
Het projectgebied is op een afstand van ca. 1500 meter gelegen van de spoorlijn VlissingenRoosendaal. Het projectgebied ligt daarmee buiten de wettelijk van toepassing zijnde invloedssfeer
(250 meter) van de spoorlijn. Om die reden kan onderzoek naar het spoorweglawaai achterwege
blijven en vormt dit aspect geen belemmering voor de realisering van dit project.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Inleiding
In juni 2007 heeft TNO Bouw en Ondergrond rapport uitgebracht over het onderzoek naar externe
veiligheid voor het gehele projectgebied Scheldekwartier. Dit rapport is genaamd “TNO rapport
Onderzoek externe veiligheid Dokkershaven en Edisongebied te Vlissingen” (hierna TNO rapport) en is
opgesteld ten behoeve van het MER. In dit rapport is niet afzonderlijk en expliciet onderzocht wat de
gevolgen zijn van het realiseren van het woonzorgcomplex ten aanzien van externe veiligheid. Uit het
rapport is gebleken, dat de ontwikkeling van het projectgebied Scheldekwartier tot gevolg heeft dat er
een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist is.
Door het project Scheldekwartier in fasen op te delen is per fase wellicht geen uitgebreide
verantwoording van het groepsrisico vereist. Echter, omdat het woonzorgcomplex onlosmakelijk deel
uitmaakt van de ontwikkeling van het totale projectgebied Scheldekwartier, is hiervoor (en t.z.t. voor
volgende deelplannen) ook een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. In het
kader van de planologische procedure ten aanzien van Bouwblok B (Bestevaer) en Bouwblok D heeft
eveneens een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden. De verantwoording
van het groepsrisico voor het woonzorgcomplex is in paragraaf 4.8.6 gegeven en vindt zijn grondslag
in het TNO rapport, met dien verstande dat ten behoeve van de herijkte plannen voor het
Scheldekwartier nu opnieuw onderzoek is uitgevoerd door Det Norske Veritas (DNV) naar de gevolgen
voor het groepsrisico.
4.8.2 Wettelijk kader
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke
ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen,
waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de
mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of de betreffende transportroute. Dit wordt onder
andere geregeld via de Arbeidsomstandighedenwetgeving.
Normstelling
Wat betreft normstelling, begrippenkader en rekenmethodiek voor het bepalen van de risico’s, wordt
in het beleidsveld voor externe veiligheid gewerkt met twee begrippen.
- het plaatsgebonden risico (PR).
- het groepsrisico (GR).
24
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Plaatsgebonden risico (PR)
Het PR is omschreven als de kans dat een persoon, die gedurende een heel jaar onafgebroken en
onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, tengevolge van een ongewoon voorval met een
gevaarlijke stof komt te overlijden. De PR-contour met kans 10-6 geldt als grenswaarde voor
kwetsbare objecten. Dat wil zeggen dat in het gebied binnen deze contour geen kwetsbare objecten
voor mogen komen. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waar personen zich gedurende een dag
langere tijd bevinden (zoals woningen) of gebouwen, waarin grote groepen van kwetsbare personen
verblijven (zoals verpleeghuizen). De contour met kans 10-6 geldt als richtwaarde voor beperkt
kwetsbare objecten, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten
geldt de contour met kans 10-5 als grenswaarde. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen, die niet
als kwetsbaar object worden aangemerkt (zoals bedrijfsgebouwen). Ook objecten met een hoge
infrastructurele waarde, zoals een telefooncentrale voor hulpdiensten, worden als beperkt kwetsbaar
beschouwd.
Groepsrisico (GR)
Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijkertijd
komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof. Het GR kan grafisch
worden weergegeven in een curve, de zogenaamde fN-curve. Het GR is niet wettelijk genormeerd.
Voor het GR geldt enkel de oriënterende waarde als richtlijn. Het invloedsgebied is het gebied, waarin
personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt vaak
bepaald door de berekening van het grootste mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde
personen dodelijk letsel optreedt (1%-letaliteitsgrens). Bij een overschrijding van de oriënterende
waarde en/of toename van het groepsrisico is een verantwoording van het groepsrisico verplicht. In
de Beleidsvisie externe veiligheid is aangegeven, dat bij een toename van het groepsrisico van meer
dan 10% van de oriënterende waarde, een uitgebreide verantwoording noodzakelijk is, waarbij
aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten.
4.8.3 Regelgeving
Besluiten en regelingen
De gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen kunnen groot zijn, vandaar dat de aanvaardbare
risico’s zijn vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De regelgeving wordt binnen afzienbare
termijn gewijzigd.
Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste (toekomstige) besluiten en regelingen.
- Het Besluit Externe veiligheid inrichtingen (Bevi): In het Bevi wordt gewerkt met normen voor het
plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor inrichtingen (bedrijven).
- Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden de normen voor het PR en de oriënterende waarde
voor het GR zoals hiervoor aangegeven. Het belangrijkste beleidsdocument is daarbij de Nota
Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (NRVGS) uit 1996.
- De uitgangspunten van de NRVGS zullen op hoofdlijnen worden overgenomen in een Algemene
Maatregel van Bestuur (AMvB) op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Het gaat om het Besluit
transportroutes externe veiligheid (Btev).
- Als voorbode hiervan is op 4 augustus 2004 de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
(CRVGS) in de Staatscourant gepubliceerd. Het Btev zal de NRVGS en de CRVGS gaan vervangen.
- De CRVGS vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf een tracé voor het transport van
gevaarlijke stoffen in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit)
Bedrijven waar ten hoogste 13 m³ propaan in ten hoogste twee bovengrondse opslagtanks wordt
opgeslagen, vallen binnen de werkingsfeer van het Besluit algemene regels voor inrichtingen
25
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
milieubeheer (Activiteitenbesluit). Dit besluit geeft aan te houden afstanden tussen de
propaantank(s), het vulpunt van de tank(s) en de opstelplaats van de tankwagen en (beperkt)
kwetsbare objecten die zijn gelegen buiten de inrichting. Voor de opslag van propaan gelden de
volgende veiligheidsafstanden:
Bevoorrading tot en met 5
keer per jaar
Bevoorrading meer dan 5 keer
per jaar
Opslagtank met propaan tot
en met 5 m3
10 meter
Opslagtank met propaan
groter dan 5 m3 t/m 13 m3
15 meter
20 meter
25 meter
Basisnet Water
Op dit moment wordt het Basisnet Vervoer Gevaarlijke Stoffen ontwikkeld. Met het Basisnet wordt
beoogd een duurzaam evenwicht tussen ruimtelijke ontwikkelingen, vervoer van gevaarlijke stoffen en
veiligheid te creëren. Dit gebeurt door alle hoofdvaarwegen, rijkswegen en spoorwegen in te delen in
categorieën. Deze categorieën verschillen in de mate waarin er beperkingen gelden voor vervoer en/of
ruimtelijke ontwikkelingen. Beperkingen voor het vervoer worden vastgelegd in een gebruiksruimte,
beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen in een veiligheidszone. Voor het transport over het water
is een voorlopige indeling gemaakt. Hier kunnen nog geen rechten aan worden ontleend.
Het streven is het basisnet voor alle transportmodaliteiten (spoor, weg en water) tegelijk vast te
stellen. Het Kanaal door Walcheren maakt onderdeel uit van het Basisnet Water, evenals de
Westerschelde. In het eerder genoemde Btev wordt het Basisnet van een juridische basis voorzien. In
december 2009 is, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Btev, een wijziging gepubliceerd van
de CRVGS (besluit 15 december 2009, Stcr 2009, 19907). Deze wijziging houdt in dat ten aanzien van
de risico’s die samenhangen met het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water reeds moet
worden aangesloten bij de benadering van het Basisnet.
Kanaal door Walcheren
Het Kanaal door Walcheren is in het Basisnet Water aangeduid als een ‘groene vaarweg’. Dat betekent
dat het een binnenvaartverbinding betreft met vervoer van gevaarlijke stoffen waarvoor geen
toetsingsafstand geldt, de maatgevende contour voor het PR (10-6) ligt op het water. Er gelden geen
beperkingen. Omdat er vanwege het beperkte transport van gevaarlijke stoffen geen toetsingsafstand
geldt, is in het Basisnet besloten dat langs deze groene vaarweg geen groepsrisicoverantwoording
nodig is. Voor het projectgebied wordt voldaan aan de normstelling uit het Basisnet Water en de
CRVGS.
Westerschelde
De Westerschelde is in het Basisnet Water aangeduid als een ‘rode vaarweg’. Van rode routes wordt
gebruik gemaakt door grote zeeschepen al dan niet met gevaarlijke stoffen. Maatgevende
ongevalscenario’s zijn:
1. ongeval met een zeeschip met gevaarlijke stoffen;
2. aanvaring van een binnenschip met gevaarlijke stoffen door een groot zeeschip.
Voor de maatgevende contour van het plaatsgebonden risico (10-6) bij rode routes geldt, dat deze op
de waterlijn ligt. Daarnaast geldt ook een toetsingsafstand voor het plasbrandaandachtsgebied (PAG),
te weten een afstand van 40 meter vanaf de oeverlijn. Vanwege de status van de Westerschelde als
internationale vaarroute, geldt dat de verantwoordelijkheid voor het monitoren en borgen van de
veiligheidssituatie rondom de vaarroute over de Westerschelde bij de internationale Scheldecommissie
26
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
ligt. Het monitoren hiervan gebeurt buitenom het Basisnet Water. Eind 2011 is door “Det Norske
Veritas” een QRA opgesteld voor de Westerschelde. De conclusie hiervan is weergegeven in het
rapport: “Actualisatiestudie 2011 risico’s transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses
2015-2030”. In deze rapportage is geconcludeerd dat de PR10-6 contour, indien aanwezig niet tot de
oever reikt. De minister heeft inmiddels de PR 10-6 contour vastgelegd in het ontwerp van de Regeling
Basisnet, dat momenteel (december 2013) in procedure is. Het groepsrisico is, in aanvulling op die
studie, nader onderzocht voor het Scheldekwartier. Uit dat rapport (DNV, december 2013) blijkt, dat
de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
4.8.4 Inventarisatie risicobronnen
Ten tijde van de oplevering van het TNO rapport waren er voor de ontwikkeling van het totale
projectgebied Scheldekwartier twee risicobronnen relevant, te weten:
- de bovengrondse propaantank met inhoud van 18 m3 van de Koninklijke Schelde Groep B.V.;
- het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde.
Propaantank
Eind 2009 is de bovengrondse propaantank van 18 m3 vervangen door een kleinere propaantank van
9,1 m3. Doordat de inhoud van de huidige propaantank kleiner is dan 13 m3, is de propaantank niet
langer Bevi-plichtig. Op de huidige propaantank is het Activiteitenbesluit wet milieubeheer van
toepassing. Op grond van het Activiteitenbesluit geldt een veiligheidsafstand van 25 meter vanuit het
vulpunt en de opslagtank. Het projectgebied Scheldekwartier en daarmee ook het woonzorgcomplex
zijn op meer dan 25 meter vanaf het vulpunt en de opslagtank gelegen. De propaantank is dan ook
niet langer een relevante risicobron voor de ontwikkeling van het Scheldekwartier en daarmee ook
niet voor het woonzorgcomplex.
Vervoer gevaarlijke stoffen over de Westerschelde
Ten aanzien van het woonzorgcomplex is de enige relevante risicobron het vervoer van gevaarlijke
stoffen over de Westerschelde. Zoals hiervoor al aangegeven blijkt uit onderzoek van DNV, dat de 106 contour niet op het land komt. Dit geeft dus geen beperking voor de bouw van het zorgcomplex. Uit
het onderzoek van DNV van december 2013 blijkt, dat het GR wel toeneemt, maar de oriënterende
waarde niet wordt overschreden. Zoals in het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid en de toelichting
daarop is vastgelegd, is in dit geval een uitgebreide verantwoording noodzakelijk. In het TNO rapport
wordt aangegeven in welke gevallen (scenario’s) de effecten tot in het Scheldekwartier/
woonzorgcomplex kunnen reiken.
4.8.5 Personenaantallen
Personenaantallen ontwikkelingsvisie Scheldekwartier
In november 2011 heeft er een herijking plaatsgevonden, die heeft geleid tot een aangepaste
ontwikkelingsvisie voor het Scheldekwartier. Deze ontwikkelingsvisie is een vervolg op het Masterplan
Dokkershaven. In de ontwikkelingsvisie is uitgegaan van de realisatie van ca. 1.400 tot 1.800
woningen in het Scheldekwartier. Voor de overige beoogde functies in het Scheldekwartier, zoals:
zorg, recreatie, detailhandel, (watersportgerlateerde) bedrijvigheid, horeca en maatschappelijke
functies, zijn geen exacte gegevens bekend en is daarom een inschatting gemaakt van het aantal
personen, dat zich in het Scheldekwartier gaat bevinden. In de ontwikkelingsvisie zijn, ten opzichte
van enkele functies, waarin zich een groot aantal personen zou kunnen bevinden, komen te vervallen.
Het gaat hierbij om functies, zoals grootschalige detailhandel en een casino.
Uit gegevens van het onderzoeksbureau StadsMonitor Vlissingen blijkt, dat er in de binnenstad van de
Gemeente Vlissingen 4.408 woningen zijn gelegen, waarin 7.706 personen wonen. Dit betekent een
bezettingsgraad van ca. 1,75 personen per woning. Uit statistische gegevens van de gemeente
27
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Vlissingen blijkt, dat de bezettingsgraad in voorgaande jaren vrijwel overeenkomt met deze waarde.
Echter om het groepsrisico niet te onderschatten, wordt in het DNV-rapport (evenals het voorgaande
TNO-onderzoek) uitgegaan van een bezettingsgraad van 2 personen per woning.
In het onderzoek van DNV naar de gevolgen voor het GR is uitgegaan van de nieuwe aantallen op
basis van de herijking. Deze worden in onderstaande tabel weergegeven.
Dag
Nacht
Scheldekwartier
3575
4300
Voor een gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar het als bijlage 3 toegevoegde
onderzoeksrapport van DNV. De verwachte aantallen aanwezigen voortvloeiend uit dit project passen
binnen de conclusies van dit onderzoek.
4.8.6 Verantwoording Groepsrisico (GR)
In maart 2006 is door de gemeente de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Vlissingen
vastgesteld. Een toelichting daarop is door de Gemeente Vlissingen op 28 september 2010
vastgesteld. De provincie heeft op 10 april 2012 de Beleidsvisie Externe Veiligheid “Verantwoorde
Risico’s” vastgesteld. Deze beleidsvisies vormen een uitwerking van het rijksbeleid met betrekking tot
externe veiligheid. Hierin is bepaald op welke wijze de provincie Zeeland en de gemeente Vlissingen
invulling geven aan het aspect externe veiligheid. In de gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven dat
de gemeente risicosituaties beoordeelt aan de hand van de volgende veiligheidscriteria:
plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect.
In beide beleidsvisies is aangegeven, dat de motivatieplicht ten aanzien van het groepsrisico zich
beperkt tot relevante gevallen: indien het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer
sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers. Voor die gevallen vereist
de gemeente een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed
aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect. Motieven voor de acceptatie van (een
verslechtering van) een risicosituatie kunnen zijn:
a. het opvullen van kleine open gaten of vervangende nieuwbouw in bestaand stedelijk gebied;
b. een voor de specifieke locatie belangrijke ontwikkeling;
c. een situatie waarbij anders de externe veiligheidsproblematiek (elders) zou toenemen.
Ten aanzien van het Scheldekwartier is punt b, en in mindere mate punt a van toepassing. Voor het
onderhavige project zijn zowel punt a als punt b van toepassing. Het plan voorziet deels in het
opvullen van een open gat in bestaand stedelijk gebied. Het woonzorgcomplex zal voor een belangrijk
deel gevestigd worden in de voormalige zware plaatwerkerij, een markant gebouw, dat in de
ontwikkelingsvisie voor het Scheldekwartier een belangrijke plaats inneemt. Het Scheldekwartier, en
dit daarvan deel uitmakende project, zijn van zeer groot belang voor de ontwikkeling van de stad,
vanuit zowel economisch, maatschappelijk, ruimtelijk als sociaal perspectief. De toekomstige
bewoners zullen voor een deel uit een verouderd complex elders in de binnenstad verplaatst worden.
Dit complex, Scheldehof, ligt ongeveer op gelijke afstand tot de Westerschelde.
Uit het DNV-rapport volgt, dat het groepsrisico met betrekking tot het vervoer op de Westerschelde
iets toeneemt. In beide gevallen blijft het groepsrisico zowel in de situatie met de ontwikkeling van
het Scheldekwartier als in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde (OW), maar ligt wel boven de
lijn 0,1 x OW. Dit geldt ook ten aanzien van de prognoses 2015-2030 voor risico’s transport
gevaarlijke stoffen Westerschelde.
28
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Op grond van de gemeentelijke en provinciale beleidsvisie ‘Externe Veiligheid’ betekent dit, dat er een
uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist is. Hoewel uit onderstaand kader blijkt, dat
het te realiseren complex een ondergeschikt deel van het Scheldekwartier vormt, dient, zoals hiervoor
in paragraaf 4.8.1 aangegeven, ook voor dit project een uitgebreide verantwoording van het
groepsrisico gegeven te worden.
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid van personen bij rampen en zware ongevallen heeft betrekking op de mogelijkheid
van personen zichzelf en anderen in veiligheid te brengen. De mate van zelfredzaamheid van een
persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving.
Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van
de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp
beperkt blijven.
In het TNO rapport is een beschrijving gegeven van het gehele plan Scheldekwartier. Daarin is
aangegeven dat het plan als geheel tot een verbetering leidt van de bereikbaarheid van de
binnenstad. In het te realiseren project zullen, met uitzondering van het personeel, verminderd
zelfredzame personen aanwezig zijn. In het bouwplan wordt rekening gehouden met voorzieningen,
die gericht zijn op de hulpverlening van deze personen.
Vanuit de mogelijke ongevalscenario’s met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over de
Westerschelde, zijn de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en ook de vereisten die hier aan
zouden kunnen worden gekoppeld zeer beperkt. De grootste bedreiging wordt gevormd door een
grote ontsnapping van brandbaar gas, gevolgd door een wolkbrand of een gaswolkexplosie. In beide
gevallen zal het ongeval binnen 5 tot 10 minuten na het initiële ongeval tot schadelijke effecten in het
Scheldekwartier en het te realiseren complex kunnen leiden. Deze tijd is onvoldoende voor een snelle
alarmering en duidelijke instructies voor de bevolking. Het complex wordt volledig gedekt door een
Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (sirenepaal). De aanwezigen in het projectgebied kunnen dan
ook tijdig worden gewaarschuwd bij een ongeval. Extra investeringen in vluchtwegen leveren geen
bijdrage voor de beperking van het aantal slachtoffers ten gevolge van de eerste “klap”. Wel zal het
daarna ook nog noodzakelijk zijn om het gebied te ontruimen, gewonden op te vangen en secundaire
branden te blussen.
Naast ongevallen met brandbare gassen zijn ook ongevallen met ammoniak relevant voor het gebied.
Afhankelijk van de weersomstandigheden (en de grootte van de ontsnapping) kunnen de gevolgen
ook tot in (en voorbij) het Scheldekwartier reiken. Bij een dergelijk scenario zal er over het algemeen
voor worden gekozen om de bevolking te alarmeren en instructies te geven naar binnen te gaan en
ramen en deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit is een aandachtspunt in de bouwplannen in
het Scheldekwartier en in het bijzonder voor dit te realiseren woonzorgcomplex. Voor de publieke
gebouwen in het Scheldekwartier is het van belang, dat de beheerder en het personeel weet hoe te
handelen bij een dergelijke calamiteit. Dit geldt overigens ook voor de rest van Vlissingen. Voor het
woonzorgcomplex zal hier extra aandacht aan geschonken moeten worden. Een groot voordeel
daarbij is dat het personeel uitermate goed opgeleid en getraind is om in geval van calamiteiten
adequaat te handelen.
Voor de ontwikkeling van het Scheldekwartier is voorzien in een goede verkeersontsluiting.
Hulpverleningsdiensten kunnen snel ter plaatse zijn om het potentiële schadegebied snel te
ontruimen. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om het gebied te verlaten. Door de
gerealiseerde oostelijke binnenstadsontsluiting, die mogelijk is geworden door de ontwikkeling van het
Scheldekwartier, is de bereikbaarheid, maar ook de vluchtroute van de binnenstad sterk verbeterd.
Mede door de gerealiseerde oostelijke binnenstadsontsluiting, wordt het Scheldekwartier aan
29
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
meerdere kanten ontsloten. Tevens ligt er, ter plaatse van het te realiseren complex, een
voetgangersbrug over Het Dok, waardoor de ontvluchtingsmogelijkheden verbeteren.
De gemeente is voornemens een nieuwe ontsluitingsweg, de Verlengde Aagje Dekenstraat, in
2014/2015 aan te leggen. De daarvoor benodigde planologische procedure wordt in de eerste helft
van 2014 afgerond. Deze weg zal enerzijds aan gaan sluiten op de Koningsweg en anderzijds op de
Scheldestraat. Door de aanleg van deze weg wordt het gehele gebied en de Binnenstad nog beter
ontsloten. Door de korte afstand en de directe verbinding van de wegen rond het woonzorgcomplex
met deze nieuwe weg, ontstaat een optimale vluchtroute in geval zich een calamiteit voordoet. Tevens
is het complex daardoor goed en van meerdere zijden bereikbaar voor hulpdiensten.
Verder is recentelijk het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan en het Verkeerscirculatieplan voor de
binnenstad vastgesteld. Hulpdiensten (ambulancedienst, politie, brandweer) zijn betrokken geweest
bij de totstandkoming hiervan. In dit kader hebben zij aangegeven tevreden te zijn mijn met het plan
om de Aagje Dekenstraat te verlengen en aan te laten sluiten op de Koningsweg.
Gezien het bovenstaande is de bereikbaarheid van de binnenstad als gevolg van de ontwikkeling van
het Scheldekwartier verbeterd. Met de genoemde maatregelen wordt de bereikbaarheid en ontsluiting
van de binnenstad verder geoptimaliseerd. Dit komt de zelfredzaamheid en beheersbaarheid bij een
calamiteit ten goede.
De nieuwbouw wordt in 5 resp.3 bouwlagen uitgevoerd. De bestaande plaatwerkerij blijft zijn huidige
hoogte van ca 21,5 meter houden. Dit vormt dan ook geen specifiek aandachtspunt.
Daarnaast wordt in zijn algemeenheid informatie verstrekt aan Vlissingse bewoners over op welke
wijze te handelen in risicosituaties bij calamiteiten. Dit kan ertoe bijdragen dat ze beter in staat zijn
om te gaan met informatie die ze tijdens een calamiteit van de hulpdiensten krijgen. Specifiek zal nog
aandacht worden besteed aan voorlichting en informatie van leiding en personeel van het
zorgcomplex. Bij de te zijner tijd te verlenen gebruiksvergunning kunnen in dit kader nog aanvullende
voorwaarden en eisen worden gesteld.
In het complex worden specifieke functies/voorzieningen mogelijk gemaakt voor verminderd
zelfredzame personen. Er kan dan ook geconcludeerd worden, dat zich geen knelpunten voordoen ten
aanzien van de aspecten ‘ontvluchting’ en ‘bereikbaarheid’.
Beheersbaarheid en resteffect
Ongevallen met ammoniak en brandbare stoffen kunnen tot grote slachtofferaantallen leiden. De
mogelijkheden van de hulpverleningsdiensten om deze ongevallen te bestrijden zijn beperkt. Bij
ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat er snel voor
wordt gekozen om de bevolking te waarschuwen met het advies: ramen en deuren en
ventilatieopeningen sluiten. Daarbij is het tevens van belang dat de brandweer snel ter plaatse van
het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie.
Het vrijkomen van een brandbaar gas dat vertraagd ontstoken wordt, heeft warmtestraling en
eventueel drukeffecten tot gevolg. Door de vertraagde ontsteking kan de wolk zich verspreiden wat
indien de wolk zich richting Vlissingen verspreidt, kan leiden tot een grote toename van het aantal
slachtoffers. De mogelijkheden voor de hulpverleningsdiensten zijn beperkt. Detectie en alarmering
heeft hierbij minder effect dan bij ammoniak aangezien het advies dat gegeven moet worden niet op
voorhand duidelijk is, omdat het (vrijwel) niet te voorspellen is of een wolkbrand of wolkexplosie op
zal treden. Personen die zich binnenshuis bevinden worden in grote mate beschermd tegen
30
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
warmtestraling. Bij het optreden van drukeffecten kan het verblijf binnenshuis echter ook tot extra
gewonden of zelfs doden leiden (als gebouwen instorten, of door brokstukken, gesprongen ramen).
Met de huidige middelen is het voor de hulpverleningsdiensten niet mogelijk om de effecten van een
wolkbrand of wolkexplosie te voorkomen.
Bij de concrete invulling van de openbare ruimte zal aansluiting worden gezocht bij de handleiding
‘Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en
Rampenbestrijding (NVBR.) Deze invulling wordt in overleg met de gemeentelijke brandweer /
Veiligheidsregio Zeeland bepaald. In het kader van het wettelijk voorgeschreven vooroverleg heeft
deze veiligheidsregio hier uitdrukkelijk op gewezen. Bij de verdere planvorming zal de veiligheidsregio
nadrukkelijk worden betrokken.
4.8.7 Conclusie
De mogelijkheden van de hulpverlening om de gevolgen te beperken die worden veroorzaakt door een
ongeval op de Westerschelde zijn zeer beperkt. Met name bij de ongevallen met brandbare gassen
kunnen honderden slachtoffers vallen. De ontwikkelingstijd hiervan is zo snel dat er onvoldoende tijd
is om met repressief optreden de gevolgen te beperken.
Tevens zijn ongevallen met ammoniak van belang. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan het
noodzakelijk zijn om grote delen van Vlissingen (ook het Scheldekwartier) te alarmeren en te
instrueren om ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit vereist een zeer snel handelen van
de hulpverleningsdiensten. Voorwaarde daarbij is uiteraard, dat de hulpverleningsdiensten zelf ook
snel gealarmeerd zijn.
De hulpdiensten zijn in Zeeland op het overgrote deel van de rampen voorbereid. Echter bij een
bepaald aantal rampen zal de hulpverleningscapaciteit niet toereikend zijn. Het schadebeeld, dat bij
deze rampen op kan treden vergt meer van de hulpverleningsdiensten dan waar zij toe uitgerust zijn.
De realisatie van het Scheldekwartier en dit project kan bij een calamiteit zorgen voor een toename
van het aantal gewonden. De hulpverleningsdiensten zijn bij een worst case scenario onvoldoende in
staat te voldoen aan de hulpvraag.
Afweging
Het Scheldekwartier, en dit daarvan deeluitmakende project, zijn van zeer groot belang voor de
ontwikkeling van de stad, vanuit zowel economisch, maatschappelijk, ruimtelijk als sociaal perspectief.
Het is een stadsdeel, dat deels (specifiek het gedeelte ten zuiden van de Dokhaven) gezien kan
worden als uitbreiding van de binnenstad. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid en intensief
ruimtegebruik, worden bestaande terreinen en bestaande gebouwen getransformeerd tot nieuwe
bestemmingen en daarmee nieuw gebruik. Een deel van de bewoners woont nu ook op een locatie
binnen het invloedsgebied. Door de realisering van het nieuwe complex wordt de ontwikkeling van het
Scheldekwartier gestimuleerd en is het mogelijk andere voorzieningen, zoals het aanleggen van de
nieuwe ontsluitingsweg, te realiseren.
Dit belang moet afgewogen worden tegen de toename van het groepsrisico als gevolg van het
transport van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Indien zich een calamiteit voordoet, waarbij
gevaarlijke stoffen betrokken zijn, kunnen de gevolgen groot zijn. Echter door het treffen van
maatregelen in het kader van zelfredzaamheid en beheersbaarheid (zoals hiervoor beschreven), in
combinatie met de zeer kleine kans op een calamiteit, wordt dit niet als een belemmering voor de
realisering van dit project gezien.
31
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader
De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau, die de
luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen, die de
luchtkwaliteit verbeteren.
Het doel is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor luchtverontreinigende
stoffen, waarvan stikstofdioxide en fijn stof de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het
NSL per 1 januari 2009 zijn de tijdstippen, waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde
grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof van 40 ųg/m3 aangepast. Het tijdstip, waarop aan de normen
voor fijn stof moet worden voldaan is gesteld op 11 juni 2011. Het tijdstip, waarop aan de normen
voor stikstofdioxide moet worden voldaan is in Nederland 1 januari 2015.
De Wet luchtkwaliteit maakt tevens onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten:
- kleine projecten: projecten, die de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” (NIBM)
verslechteren; deze projecten hebben geen wezenlijke invloed op de luchtkwaliteit en hoeven niet
meer te worden beoordeeld op luchtkwaliteit; onder wezenlijke invloed wordt verstaan een
toename van 1,2 ųg/m3 (is 3% van de jaargemiddelde stikstofdioxide en fijn stof);
- grote projecten: projecten, die de luchtkwaliteit “in betekenende mate” (IBM) verslechteren; ze
zijn waar mogelijk opgenomen in het gebiedsgerichte programma van het NSL; deze projecten
worden niet meer beoordeeld op de afzonderlijke effecten op de luchtkwaliteit, maar getoetst aan
de criteria van het NSL.
Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden wanneer:
- het project past binnen het NSL (art. 5.16, lid 1, aanhef en onder d Wet milieubeheer).
- de gestelde grenswaarden van bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden (art.
5.16, lid 1, aanhef en onder a Wet milieubeheer);
- door middel van projectsaldering (art. 5.16, lid 1, aanhef en onder b Wet milieubeheer);
- de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project (art. 5.16, lid 1, aanhef en onder c van
de Wet milieubeheer).
4.9.2 Onderzoeksresultaten
Het aspect luchtkwaliteit kan uitsluitend in samenhang met het programma van de andere voorziene
ontwikkelingen van het grotere projectgebied Scheldekwartier worden bezien.
In het MER is naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek geconcludeerd, dat de grenswaarden uit
de Wet luchtkwaliteit nergens worden overschreden. De Commissie voor de mer heeft echter
geadviseerd het onderzoek naar de luchtkwaliteit ten behoeve van de besluitvorming over
uitwerkingsplannen te actualiseren, waarbij rekening moet worden gehouden met de emissies van de
scheepvaart en de dan geldende wetgeving.
Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de mer is aanvullend onderzoek uitgevoerd
naar de emissies van de scheepvaart op het Kanaal door Walcheren. Dit onderzoek is uitgevoerd door
TNO (rapportnr. TNO-034-UT-2009-01232_RPT-ML, .d.d. juni 2009). Uit het onderzoek blijkt, dat de
bijdrage van de scheepvaart aan de lokale concentraties NO2 en PM10 (fijn stof) zeer laag is en zeker
niet tot een overschrijding van de normen zal leiden. Tevens is aanvullend onderzoek verricht naar de
luchtkwaliteit binnen het projectgebied als gevolg van het verkeer. De gegevens uit de onderzoeken
ten behoeve van het MER zijn daarbij geactualiseerd. Uit het onderzoek (rapport gemeente Vlissingen,
32
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
4 mei 2010; bijlage 4) blijkt, dat er weliswaar een kleine toename van de concentraties NO2 en PM10
voor 2020 plaatsvindt, maar dat er geen overschrijdingen van de normen plaatsvinden.
In november 2011 heeft een herijking plaatsgevonden van het Masterplan Dokkershaven, die heeft
geleid tot een ontwikkelingsvisie voor het Scheldekwartier. Deze ontwikkelingsvisie is een vervolg op
het Masterplan Dokkershaven. In de ontwikkelingsvisie is uitgegaan van de realisatie van ca. 1.400 tot
1.800 woningen in het Scheldekwartier. Voor de overige beoogde functies in het Scheldekwartier,
zoals: zorg, recreatie, detailhandel, (watersportgerelateerde) bedrijvigheid, horeca en
maatschappelijke functies, zijn geen exacte gegevens bekend, en is daarom een inschatting gemaakt
van het aantal personen dat zich in het Scheldekwartier gaat bevinden. In de ontwikkelingsvisie zijn,
ten opzichte van het Masterplan Dokkershaven, enkele functies, waarin zich een groot aantal
personen zou kunnen bevinden, komen te vervallen. Het gaat hierbij om functies als grootschalige
detailhandel en een casino. Dit betekent ook minder vervoersbewegingen en daardoor minder
emissies NO2 en PM10. De onderzoeken t.b.v. het MER worden daarmee nog adequaat geacht en
geven eerder een overschatting dan onderschatting.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd, dat er vanuit luchtkwaliteit geen
belemmeringen bestaan voor de ontwikkeling van dit project in het gebied Scheldekwartier.
4.10
Natuur
4.10.1 Wettelijk kader
Natuurbescherming is geregeld in de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Op
provinciaal niveau is tevens de ecologische hoofdstructuur (EHS) vastgelegd in het Omgevingsplan
Zeeland 2012-2018. Er is een onderverdeling gemaakt in soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
De soortenbescherming van planten en dieren is geregeld in de, op 1 april 2002 in werking getreden,
Flora- en faunawet en de daarop gebaseerde AMvB’s. Activiteiten, die een bedreiging vormen voor de
beschermde inheemse diersoorten zijn niet toegestaan zonder ontheffing op grond van de Flora- en
faunawet. Bij de voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen moet worden onderzocht of deze wet
de uitvoering daarvan niet in de weg staat.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is geregeld in de, op 1 oktober 2005, in werking getreden
Natuurbeschermingswet 1998. Doel van deze wet is de bescherming van natuurgebieden in Nederland
en de aanwijzing van natuurgebieden, die van nationaal of internationaal belang zijn (Natura 2000).
De gebiedsbescherming is gericht op het veiligstellen van grotere gebieden om daarmee bijzondere
ecosystemen of leefgebieden (habitats) te kunnen beschermen en behouden. Naast de
Natuurbeschermingswet is de op rijks- en provinciaal niveau vastgesteld Ecologische Hoofdstructuur
(EHS) van belang. De Zeeuwse EHS bestaat uit de bestaande natuurkerngebieden, de nog te
realiseren natuurontwikkelingsgebieden en de ecologische verbindingszones uit het Omgevingsplan
Zeeland 2012-2018. Bij de voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen moet worden onderzocht of
deze wet de uitvoering daarvan niet in de weg staat.
4.10.2 Onderzoeksresultaten
Soortenbescherming
Op 22 november 2013 is ter plaatse van het projectgebied een quick scan uitgevoerd door Bureau
Woets’ Insecten. Wettelijk beschermde soorten planten zijn niet aangetroffen. Het terrein is niet
geschikt voor broedvogels. Tevens kunnen amfibieën, zoogdieren op het land, en vleermuizen er geen
33
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
vaste verblijfplaats hebben. Het aanvragen van een ontheffing van de flora- en faunawet is niet aan
de orde.
De voormalige zware plaatwerkerij is in november 2013 onderzocht op de aanwezigheid van
vleermuizen. De conclusie luidt, dat er vrijwel geen kans bestaat op de aanwezigheid van vleermuizen
en dat het gebouw niet geschikt is om als winterslaapplaats te fungeren.
Bijlage 5 in het afzonderlijk bijlagenboek bevat de uitgevoerde onderzoeken.
Gebiedsbescherming
De nabij gelegen Westerschelde is, op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, aangewezen als
Natura 2000-gebied. De EHS bevindt zich in de omgeving van Ritthem, op circa 5 km. van het
projectgebied. In het kader van de externe werking van buiten die gebieden plaatsvindende
ontwikkelingen, is bezien of het project leidt tot stikstofdepositie. Met behulp van het daartoe
ontwikkelde rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositie voor dit project berekend.
De berekening (bijlage 6 in het afzonderlijk bijlagenboek) heeft uitgewezen, dat de KDW (Kritische
DepositieWaarde) van de aangewezen habitats in het natuurgebied Westerschelde & Saeftinghe niet
wordt overschreden als gevolg van dit project.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd, dat het aspect natuur geen belemmering vormt
voor de invulling van het projectgebied.
4.11
Kabels en leidingen
In en rondom het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig dan
wel in voorbereiding. Wel ligt de reguliere ondergrondse infrastructuur direct rondom het
projectgebied. De kabels en leidingen zijn over het algemeen logisch gelegen in alle omliggende
straten. Rondom het projectgebied is hoofdinfrastructuur voor electra en gas aanwezig en zijn voor de
overige nutsvoorzieningen gebouwaansluitingen aanwezig. Veel van deze aansluitingen zijn
gerealiseerd ten behoeve van de voormalige bedrijfsactiviteiten en ondertussen buiten gebruik worden
gesteld c.q. worden vervangen, waarbij een nieuw tracé zal worden bepaald.
Het kabel- en leidingenprofiel zal worden ingepast in de profielen van de openbare ruimte. De kabelen leidingentracés worden geprojecteerd onder elementenverharding.
4.12
Explosieven
4.12.1 Normstelling en beleid
Op 3 oktober 2013 heeft de Raad het beleid met betrekking tot niet gesprongen conventionele
explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (CE), inclusief beleidskaart vastgesteld. In dit beleid en op de
bijbehorende kaart is vastgelegd in welke deelgebieden wel of geen nader onderzoek naar CE
uitgevoerd moet worden voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden.
Uit de CE-beleidskaart is af te lezen dat het gebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft,
rood is weergegeven. Voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden in rode gebieden, dient verder
onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van CE.
34
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
4.12.2 Onderzoeksresultaten
In opdracht van de gemeente Vlissingen is een ‘Vooronderzoek Conventionele Explosieven’ uitgevoerd
voor het plangebied Scheldekwartier. Uit dit onderzoek blijkt, dat een deel van de te ontwikkelen
locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van CE (zie het groene deelgebied op onderstaande figuur
uit het vooronderzoek).
Voordat grondroerende werkzaamheden ten behoeve van dit project plaats kunnen vinden, zal verder
onderzoek naar niet-gesprongen conventionele explosieven uitgevoerd moeten worden in het
overbleven verdachte rode deelgebied.
Figuur 4 Uitsnede ‘Vooronderzoek Conventionele Explosieven’
4.13
Duurzaamheid
4.13.1 Energie
Voor de energievoorziening zal mogelijk gebruik worden gemaakt van een zeewarmtecentrale. Een
zeewarmtecentrale onttrekt warmte aan zeewater voor het verwarmen van de appartementen in het
gebouw. Met behulp van een zeewarmtecentrale wordt bespaard op aardgas voor de verwarming van
huizen door zeewater als warmtebron in te zetten. Dat geeft CO2-reductie van 50%. In de
warmtecentrale wordt de warmte uit zeewater overgebracht op water van 11 graden in een
distributienet, dat naar de appartementen gaat. Een tweede warmtepomp brengt de temperatuur op
70 graden en verwarmt de appartementen via de vloerverwarming. In de zomer is het water koeler
dan de omgeving, zodat de woningen ermee gekoeld kunnen worden. Met een juiste combinatie van
warmtewisselaars en warmtepompen is een hoog rendement te halen. Het systeem gebruikt 1kWh om
15 kWh bronwarmte te produceren.
4.13.2 Grondstoffen
Gedurende de levensduur van een gebouw, gaat bij de huidige kwaliteit 30% van de milieubelasting
van utilitaire gebouwen zitten in het materiaalgebruik, volgens de opgave van NIBE Energietechniek.
Dit deel gaat in de toekomst in relatieve zin toenemen, omdat de installaties, energieopwekking en
isolatie steeds beter worden. Het is dus zaak om intelligent om te gaan met grondstoffen.
35
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Door de keus om de zware plaatwerkerij te laten staan en daar een substantieel deel van de gevels en
draagconstructie te hergebruiken, wordt het beslag op grondstoffen verminderd. Er wordt minder
gesloopt, minder afgevoerd en minder nieuw materiaal gebruikt. Door het behoud van het dak
gedurende de bouw, is er ook minder verpakkingsmateriaal nodig voor de nieuwe materialen, die
aangevoerd worden. De materialen kunnen in afgeschermd milieu verwerkt worden.
Bij de nieuwbouw is er gekozen voor een constructie, die in hoge mate flexibel gebruik mogelijk
maakt. Dit betekent dat, als de huidige functie niet meer gewenst is, het gebouw geschikt gemaakt
kan worden voor veel andere functies, waardoor sloop op lange(re) termijn voorkomen wordt. Daar
boven op is er gekozen voor een systematische opbouw van de installaties en schachten, waardoor
het mogelijk is het gebouw tot kort voor de start van het bouwen, het inbouwpakket nog te wijzigen
van grote woning naar kleinere woningen en vice versa. Die flexibiliteit is er ook op de lange termijn,
waardoor de kans dat het gebouw lang gebruikt gaat worden, groot is.
Bij het kiezen van materialen wordt gebruik gemaakt van de milieukwalificatie tabellen van NIBE,
zodat voor elk soort materiaal de milieubelasting meegewogen kan worden. In die tabel is er per soort
gebouwonderdeel te zien welk materiaal het beste scoort.
4.13.3 Overzicht duurzame maatregelen
Naast het gestelde in de paragrafen hiervoor, volgt hier een overzicht van de duurzame maatregelen:
het huidige gebouw heeft energielabel Z+; na renovatie van de zware plaatwerkerij wordt een Alabel gerealiseerd;
- de EPC is inmiddels vervangen door EPG; een score van 10% beter dan de vigerende wettelijke
eis is goed haalbaar; afhankelijk van de duurzame opwekking van warmte en stroom is zelf een
reductie van 20% mogelijk;
- een GPR-score van 7,5 is realistisch voor het Scheldekwartier;
- er wordt geen gebruik gemaakt van grijswatersysteem i.v.m. de kwetsbare gebruikers;
- de energie voor alle locaties wordt gezamenlijk ingekocht;
- er is sprake van voldoende schaalgrootte voor een gunstig resultaat;
- warmte- en koudeopwekking met behulp van zeewater (zie par. 4.13.1);
- warmtepomp voor warmteopwekking in combinatie met pieklastketels;
- lage temperatuurverwarming door middel van vloerverwarming en lucht(na)verwarming;
- hoge temperatuurkoeling door middel van vloerkoeling en lucht(na)koeling;
- vraagafhankelijke regelsystemen met individuele naregelingen;
- ventilatie door middel van luchtbehandelingskasten met HR warmteterugwinning (ca 90%);
- CO2-gestuurde ventilatie in verblijfsruimten;
- natuurlijke ventilatie van atriums;
- inductieafzuigkappen in keukens;
- adiabatische koeling van de ventilatielucht;
- geïntegreerd gebouwenbeheerssysteem voor de elektra en werktuigkunde (KNX)
36
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
5.
UITVOERBAARHEID
5.1
Financieel-economische uitvoerbaarheid
5.1.1 Kostenverhaal
In de Wet en het Besluit ruimtelijke ordening zijn bepalingen opgenomen, die gaan over verplicht
kostenverhaal door de gemeente. In bepaalde gevallen kan dit uitmonden in een verplicht op te
stellen grondexploitatieplan. Nu dit projectafwijkingsbesluit ziet op de ontwikkeling van bouwplannen
als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening is verplicht kostenverhaal in beginsel aan de orde.
Op grond van artikel 6.12, lid 2, van de Wet ruimtelijke ordening kan worden afgezien van de
vaststelling van een exploitatieplan, indien het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd en het
niet noodzakelijk is om een tijdvak of fasering te bepalen dan wel andere eisen te stellen aan de
inrichting van het gebied. Deze bepaling brengt met zich mee, dat, indien alle gronden binnen een
gebied, waarvoor een projectafwijkingsbesluit wordt vastgesteld en op basis waarvan bouwplannen
mogelijk zijn, in eigendom zijn van de gemeente, er geen exploitatieplan nodig is. De gemeente regelt
het kostenverhaal via de uitgifte van de bouwgrond (incl. het bestaande gebouw). Ook de fasering en
inrichting bepaalt de gemeente zelf.
Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet vereist. Bij het besluit tot afwijken van het
bestemmingsplan zal dit expliciet worden besloten.
5.1.2 Financiële uitvoerbaarheid
Voor het projectgebied Scheldekwartier is een grondexploitatie vastgesteld. De uitvoering van dit
project past daar binnen.
5.1.3 Conclusie
Op grond van het vorenstaande is de financieel-economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.
5.2
Procedure
Het ontwerp van de aanvraag om omgevingsvergunning met deze ruimtelijke onderbouwing en het
ontwerp-besluit hebben gedurende zes weken, van 12 juni 2014 t/m 23 juli 2014, op grond van Afd.
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in de hal van het stadhuis ter inzage gelegen. Tevens zijn de
stukken raadpleegbaar gesteld via de website van de gemeente (www.vlissingen.nl/publicaties).
Gedurende deze termijn zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen.
Gedurende de procedure van de aanvraag van 19 december 2014 is er één zienswijze ingekomen,
afkomstig van de bewoners Wagenaarstraat 30 t/m 36. De zienswijze is aanleiding geweest om de
bouwhoogte langs de Wagenaarstraat nader te bezien. Dit heeft geleid tot een verlaging van de
bouwhoogte tegenover de woningen aan de Wagenaarstraat 30 t/m 36. Het nu voorliggende
aangepaste plan is met deze bewoners besproken.
5.3
Overleg instanties
Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is over het ontwerp van de ruimtelijke
onderbouwing van de eerdere aanvraag overleg gepleegd met de navolgende instanties. Per e-mail
d.d. 13 december 2013 zijn de stukken toegezonden.
37
Ruimtelijke onderbouwing
woonzorgcomplex Scheldekwartier
Destijds zijn de volgende reacties ontvangen:
1. Provincie Zeeland, Postbus 165, 4330 AD Middelburg ([email protected]).
Bij brief van 20 januari 2014 is medegedeeld, dat van hun zijde geen opmerkingen zijn ten aanzien
van de te verlenen vergunning.
2. Waterschap Scheldestromen, Postbus 1100, 4330 ZE Middelburg ([email protected]).
Bij brief van 27 januari 2014 is medegedeeld, dat van hun zijde geen opmerkingen zijn ten aanzien
van de te verlenen vergunning.
3. Delta NV, Postbus 5048, 4330 KA Middelburg ([email protected]).
Geen reactie ontvangen. Bij de verdere ontwikkeling van de bouwplannen wordt uiteraard in nauw
overleg met Delta de aanleg van de nutsvoorzieningen besproken.
4. Veiligheidsregio Zeeland, Postbus 8016, 4330 EA Middelburg ([email protected]).
Bij brief van 24 januari 2014 is een advies uitgebracht. In het advies worden een aantal
aanbevelingen gedaan omtrent een aantal veiligheidsaspecten, zoals de aanwezigheid van
bluswatervoorzieningen, brandcompartimentering, vluchtroutes, bereikbaarheid, brandmeldinstallatie
en andere brandpreventieve voorzieningen.
Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen zullen, in nauw overleg met de veiligheidsregio, deze
voorzieningen en maatregelen worden bezien. Zoals gevraagd, zal de veiligheidsregio, vroegtijdig bij
de planvorming worden betrokken.
De aangepaste aanvraag, waarop deze ruimtelijke onderbouwing betrekking heeft, is, voor wat betreft
het te behartigen belang van genoemde instanties betreft, niet op essentiële onderdelen veranderd
ten opzichte van de aanvraag van 19 december 2013. Om die reden is volstaan met een kennisgeving
per mail van de hernieuwde aanvraag.
38