rondetafelgesprek 14 november 2013

Samenvatting rondetafelgesprek Kamercommissie voor OCW Het onderwerp ‘thuisonderwijs’ kwam ter sprake in de tweede en derde ronde van
het rondetafelgesprek van de Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, over artikel 23 van de Grondwet. In dit document kort de belangrijkste
punten die tijdens dit gesprek aan de orde zijn gekomen met betrekking tot
thuisonderwijs. Ter wille van de duidelijkheid zijn passages die in
werkelijkheid gedurende het gehele gesprek zijn uitgesproken, aan elkaar geplakt of
in enigszins andere volgorde weergegeven.
RONDE 2
Tijdens ronde 2, over de toekomst van artikel 23 uit de Grondwet ‘op metaniveau’, waren
aanwezig vanuit de commissie voor OCW: de heer H.J. Beertema (PVV), de heer R. Bisschop (SGP),
de heer P.H. van Meenen (D’66), de heer M.R.J. Rog (CDA), mevrouw K.C.J. Straus (VVD), de heer
J.S. Voordewind (ChristenUnie) en mevrouw L. Ypma (PvdA).
Als genodigden waren aanwezig: de heer P.J.J. Zoontjes (Tilburg University, lid Onderwijsraad),
mevrouw J. Sperling (Hogeschool Avant), de heer D. den Bakker (Besturenraad), de heer S. Karsten
(Universiteit van Amsterdam), mevrouw R. den Besten (voorzitter PO-raad, sectorraad voor het
hele primair onderwijs), mevrouw I. van Engelshoven (wethouder te Den Haag ) en de heer G. van
der Hoek (Interkerkelijk contact in Overheidszaken). De heer Karsten (Universiteit van Amsterdam) heeft een kritische reflectie geschreven op het advies
van de staatssecretaris, en wil zich tijdens dit rondetafelgesprek met name toespitsen op het
thuisonderwijs. Hij is het niet eens met de afschaffing hiervan en ontkracht een aantal van de
argumenten van de staatssecretaris.
Argument 1: na vrijstelling van de schoolplicht is er in Nederland geen verplichting meer om
onderwijs te geven. Het is dus onduidelijk hoe kinderen die van schoolplicht zijn vrijgesteld
terechtkomen.
De heer Karsten: hoewel dit een zeer ongelukkige situatie is, mag het geen argument zijn om
thuisonderwijs dan maar af te schaffen. Temeer daar bewezen is dat thuisonderwijs geen gevaar of
belemmering vormt voor kinderen en in vrijwel alle gevallen zeer effectief blijkt te zijn. Deze situatie
zou voor het ministerie reden moeten zijn haar verantwoordelijkheid te nemen en het gebrek aan
toezicht te veranderen.
Argument 2: thuisonderwezen kinderen maken een gebrekkige sociale ontwikkeling door doordat
ze groepscontact op school missen.
De heer Karsten: dit argument steekt telkens weer de kop op, maar zou volledig moeten vervallen:
het is bewezen onjuist. Het beeld van thuisonderwezen kinderen die worden afgesloten van de
buitenwereld, klopt niet. Thuisonderwezen kinderen komen niet in een sociaal isolement, zij hebben
juist veel contacten en zijn goed sociaal ontwikkeld. Zowel cognitief als sociaal-emotioneel maken
thuisonderwezen kinderen een goede of zelfs betere ontwikkeling door dan schoolgaande kinderen.
Onderzoeken uit binnen- en buitenland bevestigen dit keer op keer. Tussen school- en thuisonderwijs
zou op deze punten geen tegenstelling moeten bestaan; integendeel, thuisonderwijs kan een zeer
goed alternatief zijn voor schoolonderwijs.
De heer Bisschop: als ouders verantwoordelijk zijn voor de kinderen, betekent dat dan niet
automatisch dat er ook ruimte moet zijn voor thuisonderwijs, zeker als uit onderzoeken blijkt
dat dit een positieve keuze is voor sommige gezinnen?
Mevrouw Van Engelshoven (wethouder gemeente Den Haag): de gemeente is verantwoordelijk
voor het handhaven van de leerplicht en die handhaving komt voort uit het recht op onderwijs. Voor
het thuishouden van je kind om religieuze opvattingen heb ik minder begrip. Pas wanneer er op
medische gronden bewezen is dat het in het belang van het kind is om het niet naar school te laten
gaan, zou ik willen toestemmen met thuisonderwijs als alternatief.
De heer Van Meenen: moet thuisonderwijs niet beperkt worden tot leerlingen die om andere dan
religieuze redenen niet op een school een plek kunnen vinden?
De heer Karsten: de leerplicht wordt in Nederland als schoolplicht genoemd. In de meeste westerse
landen is dit echter niet het geval. In bijvoorbeeld Finland en België wordt thuisonderwijs gezien als
een geldig alternatief voor schoolonderwijs, vallende onder de leerplicht. Hier zijn duidelijke regels
voor opgesteld en ik pleit ervoor dat Nederland dergelijke landen als voorbeeld neemt. Het is een
goed, liberaal principe dat thuisonderwijs ook tot de mogelijkheden van onderwijs behoort.
De heer Van Meenen: bepaalt de angst voor het gebruik van thuisonderwijs als onttrekking aan
de leerplicht niet de beleidsmaking over dit onderwerp?
De heer Karsten: deze angst bestaat, maar moet niet specifiek gekoppeld worden aan
thuisonderwijs. Zij speelt bijvoorbeeld ook een rol in de beleidsmaking rondom richtingsscholen. Wat
mij betreft moeten we de mogelijkheid voor thuisonderwijs niet enkel toestaan op grond van
levensovertuiging. Men zou ook op grond van pedagogische voorkeuren voor deze vorm van
onderwijs moeten kunnen kiezen. In het huidige systeem is het alleen mogelijk thuisonderwijs te
geven als je ontheffing van de leerplicht krijgt, hetgeen gebeurt op basis van levensovertuiging,
waarna er helemaal geen zicht meer op is. Er zou, net als in andere landen, geregeld moeten worden
dat thuisonderwijsouders op een keurige manier kunnen aantonen dat zij voldoen aan de leerplicht.
Als het over de kwaliteit van onderwijs gaat, geeft thuisonderwijs over het algemeen namelijk
betere resultaten.
De overheid is niet verantwoordelijk voor elke school afzonderlijk; zo is zij ook niet
verantwoordelijk voor elke ouder afzonderlijk. Goed onderwijs moet het uitgangspunt zijn van de
regeling van onderwijs, of dit nu thuis is of op school. Aangezien thuisonderwijs bewezen goed
onderwijs is, verdient ook deze vorm van onderwijs een passend toezichtskader.
De heer Bisschop: mevrouw Van Engelshoven houdt een gloedvol pleidooi over pedagogische
vrijheid. Is zij het dan ook eens met het pleidooi van de heer Karsten dat thuisonderwijs ook tot
de mogelijkheden moet behoren? En dan niet alleen op basis van religie, maar ook op basis van
pedagogische voorkeuren?
Mevrouw Van Engelshoven: dat vind ik best moeilijk. Een school leidt natuurlijk niet alleen op voor de
toetsbare vakken, maar ook voor het functioneren in een maatschappelijke context. Dan kun je je
afvragen of het in alle gevallen wel in het belang van het kind is om thuisonderwijs te krijgen. In die zin
denk ik dat je er niet te gemakkelijk of zelfs heel prudent mee om moet gaan, nog los van alle
inspectielasten die je je op de hals haalt als dit ook allemaal gecontroleerd moet worden.
Mevrouw Ypma: wat vindt u van het idee dat ieder kind gewoon naar school wil?
De heer Karsten: ieder kind móet naar school. Of ieder kind naar school wil is een tweede. De ouders
hebben keuzerecht en dragen de verantwoordelijkheid voor hun kind, en ik ben ervan overtuigd dat
ouders die de keuze maken hun kind thuis te onderwijzen, dit met volle overtuiging en goede
bedoelingen doen. Dat kan naar mijn idee ook gecontroleerd worden, zoals blijkt in andere landen. Ik
heb het idee dat thuisonderwijs een hoop kinderen veel meer biedt dan gewoon onderwijs.
Uitspraken van de overige gasten die het belang van vrijheid van onderwijs aangeven:
De heer Zoontjes van de Tilburg University, lid van de Onderwijsraad: artikel 23 gaat niet
simpelweg over de stichting van scholen, maar gaat in bredere zin over de betekenis van vrijheid van
onderwijs vandaag de dag.
Mevrouw Sperling van Hogeschool Avant: in artikel 23 zouden de volgende drie belangrijke
grondrechten in hiërarchische volgorde opgenomen moeten worden: 1) recht op onderwijs, 2)
keuzerecht van ouders, 3) vrijheid van onderwijs.
De heer Den Bakker van de Besturenraad: ik pleit voor een diversiteit aan schoolaanbod, niet voor
één schoolconcept waar alle scholen in Nederland aan moeten voldoen.
Mevrouw Van Engelshoven, wethouder gemeente Den Haag: de vrijheid om onderwijs te geven
volgens een bepaalde pedagogische richtlijn is een groot goed en moet gewaarborgd worden. Deze
vrijheid heeft als consequentie dat de overheid moet oppassen zich niet te veel met de manier van
onderwijs te bemoeien. Situaties als in Amsterdam, waarbij documenten vanuit het stadhuis naar
scholen worden gestuurd waarin precies staat hoe een docent wel of niet zijn les moet voorbereiden,
zijn wat mij betreft zeer ongewenst. Ook de vrijheid van onderwijskeus is een groot goed waar niet
aan getornd zou moeten worden.
De heer Van der Hoek, van het Interkerkelijk contact in Overheidszaken: het recht van de ouders
moet hoog in het vaandel blijven staan. Mevrouw Van Engelshoven bleef hameren op het recht van onderwijs en van daaruit
terughoudendheid met thuisonderwijs. Zij refereerde daarbij vooral aan de groep thuiszitters die zij
kent. De heer Karsten heeft dit proberen te weerleggen door te verwijzen naar zijn onderzoek met
de heer Blok: ouders doen vaak veel meer dan school en daarom komen zij vaak ook veel verder. Hij
verwijst naar zijn persoonlijke situatie, zijn dove broer die thuisonderwijs heeft gekregen en daarmee
hbo-niveau heeft behaald.
RONDE 3
Tijdens ronde 3 waren als genodigden aanwezig: de heer J. Heddema (bestuurder Penta Primair),
de heer J. Spekle (Partnerschapschool, KBS De Bolster, Drunen), mevrouw H.E. van Valkenburg-Lely
(gemeenteraadslid gemeente Utrechtse Heuvelrug), de heer A.T. Nijenhuis (voorzitter Nederlandse
Vereniging voor Thuisonderwijs), de heer R. Bloemers (VOS/ABB), de heer B.J.J. Kollmer (directeur
Vereniging Openbaar Onderwijs).
Het derde onderdeel begint met de petitieaanbieding van de Nederlandse Vereniging voor
Thuisonderwijs. Vervolgens starten alle gasten met het toelichten van hun inbreng. Hieronder is alleen
die inbreng genoteerd of samengevat die op enige wijze gerelateerd is aan thuisonderwijs.
De heer Spekle (initiatiefleider Partnerschapschool in Drunen) meent met de Partnerschapschool,
waarbij ouders in samenwerking met school een gedeelte van het onderwijs op zich nemen, ook een
oplossing te kunnen bieden aan thuiszitters. Hij pleit voor een mogelijkheid om kinderen ook
gedeeltelijk door ouders te laten onderwijzen. Individuele begeleiding is namelijk bewezen effectief.
Wat ons als school in de weg zit is de definitie van ‘onderwijstijd’. Dat beperkt in de vrijheid
om het onderwijs vorm te geven zoals wij dat willen doen. Inspectie zegt dat fysieke aanwezigheid
heel belangrijk is en dat daaraan voldaan moet worden. Dit staat echter nergens in wet of
regelgeving. Leerplichtambtenaren hebben ruimte om de wet naar eigen gedachte te interpreteren;
er is wat dat betreft geen duidelijkheid. Het kan zijn dat het in de ene gemeente wel toegestaan
wordt en in de andere niet. Voor de inspectie lijkt het mij belangrijk dat zij het toezicht niet voert op
basis van eigen interpretatie, maar zoals toezicht bedoeld is. Wat nodig is, is een artikel waarin ook
virtueel onderwijs of onderwijs op afstand wordt toegestaan.
De heer Kollmer (directeur Vereniging Openbaar Onderwijs) spreekt zich expliciet uit tegen
thuisonderwijs, op basis van het argument ‘opgroeien in groepen’. Dit argument werd tijdens de
vorige ronde reeds ontkracht door de heer Karsten van de Universiteit Amsterdam.
De heer Nijenhuis (voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs, NVvTO):
Omdat thuisonderwijs vrij onbekend is in Nederland, is het voor veel mensen niet duidelijk hoe
thuisonderwijs in zijn werk gaat. Ouders kiezen er niet van het ene op het andere moment voor om
hun kind thuis te onderwijzen. Daar gaat een lange periode van verdieping aan vooraf.
Thuisonderwijsouders gaan zeer zorgvuldig om met het onderwijs van hun kind. Zij bereiden zich goed
voor op het onderwijs en proberen constant te voldoen aan de behoeften van het kind in hun
specifieke geval. Het kan dus voorkomen dat kinderen na een aantal jaren thuisonderwijs toch naar
school gaan, als blijkt dat dit voor het kind beter werkt.
Thuisonderwijsouders hebben veel netwerken waarin zij bezig zijn met het onderwijs. Zij
verdiepen zich in het onderwijs van hun kind en er zijn veel materialen te vinden, zowel binnen de
thuisonderwijskring als daarbuiten. Sommige ouders volgen cursussen, anderen ontwikkelen zich tot
halve onderwijskundigen.
Een argument om thuisonderwijs aan banden te leggen is de angst voor grotere aantallen
thuisonderwijzers in de toekomst. Gelet op resultaten uit het buitenland hoeft men hiervoor echter
niet bang te zijn. Momenteel krijgen 428 kinderen in Nederland thuisonderwijs; op 2,3 miljoen
leerplichtigen. Zelfs wanneer deze groep zou groeien blijft dit, gelet op het geheel, een zeer klein
aantal.
Bijzonder is dat men binnen de discussie rondom de afschaffing van het thuisonderwijs jojoot
van het ene argument naar het andere. Nu blijkt dat ouders kwalitatief goed onderwijs geven en ook
wetenschappers bevestigen dat een-op-een-onderwijs goed blijkt te werken, staat opeens de
kwaliteit van thuisonderwijs niet meer ter discussie maar komt het motief, de levensovertuiging ter
discussie.
De heer Rog: klopt het argument van de staatssecretaris dat thuisonderwijs niet in het belang is
van het kind? Hoe ontwikkelen kinderen zich cognitief en sociaal-emotioneel ten opzichte van
schoolgaande kinderen?
De heer Nijenhuis (NVvTO): de staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat school volgens hem altijd
beter is en dat kinderen onderwijs moeten krijgen in een groep om zich sociaal-emotioneel goed te
kunnen ontwikkelen. In de tweede ronde van dit gesprek heeft de heer Karsten aangetoond dat dit
argument geen stand houdt en dat thuisonderwijs juist zeer effectief is, zowel op cognitief als
sociaal-emotioneel gebied. Een aardig onderzoek dat dit bevestigt is uitgevoerd in Amerika, waarbij
kijkers filmpjes te zien kregen van kinderen. De kijkers wisten niet welke kinderen wel of niet op
school zaten en moesten aangeven hoe sociaalvaardig zij de kinderen vonden. De kinderen die
thuisonderwijs genoten, bleken veel sociaalvaardiger dan hun schoolgaande leeftijdgenoten.
Hoewel het woord ‘thuisonderwijs’ misschien doet vermoeden dat thuisonderwezen
kinderen alleen maar thuis zitten, blijkt in de praktijk het tegendeel waar te zijn. Ouders ondernemen
zeer veel met hun kinderen. Thuisonderwezen kinderen vinden dan ook goed aansluiting bij
vervolgonderwijs en komen goed in de arbeidsmarkt terecht. Ze nemen deel aan stages, doen
vrijwilligerswerk, staatsexamen of toelatingsexamens voor beroepsopleidingen en komen goed in
de maatschappij terecht.
De heer Rog: een ander argument van de staatssecretaris om thuisonderwijs af te schaffen is het
gebrek aan toezicht. Hoe kan het toezichtskader volgens u het beste vormgegeven worden?
De heer Nijenhuis: ouders die thuisonderwijs geven, hebben te maken met leerplichtambtenaren als
eerste aanspreekpunt van de gemeente. Helaas blijkt regelmatig dat niet alle leerplichtambtenaren
weten wat thuisonderwijs inhoudt, zodat zij er sceptisch of zelfs vijandig tegenover staan. Dit leidt tot
zeer verschillende situaties. Wanneer de leerplichtambtenaar begrijpt wat thuisonderwijs inhoudt en
ermee bekend is, is de verhouding tussen ouders en ambtenaar vol vertrouwen en heel anders, dan
wanneer de ambtenaar bij het eerste gesprek direct proces-verbaal opmaakt, de Raad voor de
Kinderbescherming inschakelt en de ouders voor de strafrechter daagt om zich te moeten
verantwoorden voor hun beroep op de vrijheid van onderwijs. Een ambtenaar handelt in dat geval
vaak uit onwetendheid of onbegrip voor thuisonderwijs. In het algemeen zouden wij willen stellen:
zorg ervoor dat toezichthouders ook wéten waar ze toezicht op moeten houden. Zorg ervoor dat zij
op de hoogte zijn van de feiten, namelijk dat thuisonderwijs bewezen effectief is en zodoende een
geldig alternatief voor schoolonderwijs.
Bij een oplossing voor de vraag ‘Wat is een goed toezichtskader?’, maakt het een verschil
waarvoor het toezicht gebruikt wordt. Als het gebruikt gaat worden als repressiemiddel, om
thuisonderwijs te ontmoedigen, zijn ouders natuurlijk huiverig voor toezicht. Wanneer de inspectie
echter uitgaat van het feit dat onderwijs thuis goed gegeven kan worden en een goed alternatief kan
zijn voor schoolonderwijs, dan kan er gekeken worden hoe wij dit toezicht zo kunnen gaan
vormgeven dat ouders de vrijheid wordt gelaten hun kinderen thuisonderwijs te bieden en er tegelijk
gekeken wordt of het onderwijs kwalitatief gezien aan bepaalde normen voldoet. Daarover heeft de
NVvTO verschillende ideeën die wij graag willen delen.
De heer Bisschop: als ik de reacties van de gasten goed interpreteer, dan proef ik uit de
antwoorden dat men tegen heel veel tegen wantrouwen aanloopt omdat autoriteiten
onvoldoende bekend zijn met verschijnselen; zowel in het geval van thuisonderwijs als in het
geval van de partnerschapschool van de heer Spekle. Zien jullie mogelijkheden om het
vertrouwen tussen inspectie en belangengroepen te vergroten?
De heer Spekle ziet hier zeker mogelijkheden voor en wil graag dat de overheid de toegevoegde
waarde inziet van meer ouderbetrokkenheid.
De heer Nijenhuis: natuurlijk proberen wij als vereniging voor thuisonderwijs dit vertrouwen te
wekken en te vergroten. De gesprekken die wij vóór aantreding van de heer Dekker met het
ministerie over dit onderwerp voerden, vonden ook altijd in goede wederzijdse communicatie plaats,
maar zijn sinds zijn aantreding helaas gestopt. Wij nodigen de staatssecretaris dan ook van harte uit
de gesprekken weer met ons voort te zetten. Wij willen er alles aan doen het vertrouwen rondom
thuisonderwijs te vergroten en nodigen bij dezen ook alle partijen uit voor een werkbezoek om meer
zicht te krijgen op hoe thuisonderwijs in zijn werk gaat. De heer Van Meenen: kun je uit artikel 23 wel afleiden dat ouders het recht hebben op het geven
van onderwijs? In Nederland zijn we druk bezig ervoor te zorgen dat degenen die onze kinderen
lesgeven hiervoor ook bevoegd zijn. U zei in uw betoog dat sommige ouders zich tot halve
onderwijskundigen ontwikkelen. Is dat niet juist een risico, dat aan de ene kant mensen zich
ontwikkelen tot docentschap, terwijl aan de andere kant ouders naar eigen weten hun kinderen
lesgeven?
De heer Nijenhuis: volgens mij is het juist zo dat je aan artikel 23 kunt ontlenen dat ouders recht
hebben op het geven van onderwijs. De geschiedenis van het grondwetartikel is dat kinderen
onderwijs krijgen. Daar viel destijds, vóór de wijziging in 1960, ook het huisonderwijs onder - dat was
hetzelfde grondwetartikel. Wij verzoeken u eens te kijken naar de visie van de stichting Christenen
voor Onderwijsvrijheid, zij hebben op dit onderwerp een duidelijke zienswijze.
Zelf dacht ik als jonge vader ook dat je voor het geven van onderwijs een bevoegdheid nodig
hebt. Die bevoegdheid is natuurlijk ook nodig wanneer je een grote groep lesgeeft, onderwijs moet
organiseren, et cetera. Een les organiseren voor dertig kinderen geeft een heel andere situatie dan
wanneer je een of enkele kinderen lesgeeft. Als ouder heb je de relatie met je kind al van nature. Het
opbouwen van didactiek is iets wat je kunt leren. Ouders gaan niet lichtzinnig over tot het geven
thuisonderwijs, daar gaat veel onderzoek, grondig leeswerk en verdieping aan vooraf. Net zoals een
leerkracht zich het vak in de praktijk nog eigen moet maken nadat hij of zij van de pabo afkomt, zo
ontwikkelen ook ouders zich. Zij verdiepen zich erin hoe zij hun kind het best kunnen begeleiden. Er is
een groot onderling netwerk van thuisonderwijzers die elkaar bijstaan, er is internationaal veel
kennisoverdracht. Er zijn ook diverse onderwijskundigen onder de ouders zelf, zodat die kennis
onderling overgedragen wordt. Uit schoolonderzoeken blijkt dat ouderbetrokkenheid een zeer
belangrijke rol speelt bij het wel of niet slagen van onderwijs. Ook de staatssecretaris zelf roept op
tot meer ouderbetrokkenheid. In het geval van thuisonderwijs organiseren de ouders zelf het
onderwijs, afgestemd op hun kind en hun specifieke situatie. Het is de ultieme vorm van adaptief
onderwijs.
Mevrouw Ypma: moet je ouderschap en docentschap wel mengen? Hoe doen
thuisonderwijsouders dit in de praktijk? Is er geen rolverwarring voor ouders tussen hun taak als
docent en als ouder?
De heer Nijenhuis: als je goed contact hebt met je kind gaan die rollen in elkaar over. Thuisonderwijs
is anders ingericht dan schoolonderwijs. Kinderen die thuisonderwijs krijgen, leren veel meer integraal
dan kinderen op een school. Uit onderzoeken is gebleken dat 80% van het leren buitenschools
plaatsvindt en 20% op school. Kortom: deelnemen aan de samenleving leidt tot leren. Deelnemen aan
de samenleving is dan ook wat ouders doen: zij ondernemen veel met hun kinderen. In Europees
verband spreekt men ook over ‘een leven lang leren’.
De heer Van Meenen: is de NVvTO bereid om de inspectie de rol te geven van toezichthouder op
uw onderwijs?
De heer Nijenhuis: als je toezicht wilt uitoefenen, moet je ook begrijpen waar je toezicht op
uitoefent. Het gaat er niet om dat de inspectie het met thuisonderwijzers eens moet zijn, maar het is
wel belangrijk dat de inspectie begrijpt wat thuisonderwijs inhoudt. Bij het ministerie waren we in
gesprek en was dat moment bereikt: het ministerie begreep dat het toezicht op thuisonderwijs een
ander karakter zou moeten hebben dan het toezicht op schoolonderwijs. Als de inspectie
mogelijkheden ziet om passend toezicht te creëren, dan is de NVvTO daar zeker toe bereidt. Onze
zienswijze daarop hebben wij al aangegeven. Volgens ons moet dit toezicht voldoen aan drie criteria:
draagvlak, en proportioneel en passend toezicht. Daar zijn verschillende modellen voor. Wij eindigen
onze zienswijze dan ook met de vraag of u als Kamer de staatssecretaris wilt vragen, met een groep
van wetenschappers uit het onderwijsveld en uit het ministerie, te onderzoeken wat een geschikt
model zou kunnen zijn.
De heer Van Meenen: waarom moet inspectie bij thuisonderwijs anders zijn dan op een school?
De heer Nijenhuis: de inspectie houdt toezicht op scholen vanuit redelijke afstand en gaat om de drie
jaar langs om te kijken of alles in orde is. Thuisonderwijs draagt een geheel ander karakter dan
schoolonderwijs en vraagt in dat opzicht ook om een andere, passende benadering. De heer Voordewind: er zijn naar ik begrijp veel onderzoeken aangeleverd die aantonen dat
thuisonderwijs zowel kwalitatief als sociaal en cognitief goede resultaten boekt. Hoe kan het
dat de staatssecretaris dat naast zich neerlegt en welke argumenten blijven er over om de
staatssecretaris ervan te overtuigen dat thuisonderwijs een geldig alternatief voor
schoolonderwijs kan zijn?
De heer Nijenhuis: vrijwel alle argumenten die de staatssecretaris in zijn brief noemt zijn inmiddels
weerlegd; de heer Karsten noemde in de tweede ronde van dit gesprek ook een groot aantal
onderzoeken dat hiernaar gedaan is. Het argument van de staatssecretaris om thuisonderwijs te
willen afschaffen moet dus haast wel van een andere aard zijn. Een belangrijk punt is wellicht de
samenhang met de verruiming van de oprichting van scholen. Misschien is de angst van de
staatssecretaris dat, als er minder scholen zijn van een bepaalde richting, er een groter beroep
gedaan zal worden op het thuisonderwijs. Wanneer je kijkt naar andere landen is dit echter niet het
geval. In veel Europese landen beslaan thuisonderwijzers niet veel meer dan 0,5 % van de hele
bevolking; in Nederland is dit nog niet eens 0,1 %.
Naar ons idee zijn er eigenlijk geen goede argumenten te noemen om thuisonderwijs te
verbieden. Waarom de staatssecretaris dit verbod toch wil doorzetten is ons onbekend. Misschien
zou het goed zijn als hij eens een aantal thuisonderwijsgezinnen opzoekt om in de praktijk te zien hoe
dit in zijn werk gaat?