Hoofdstuk 3 : Professionaliteitsopvattingen

32
3
Professionaliteitsopvattingen
3.1
Inleiding
Uit de literatuurstudie blijkt dat vanuit verschillende invalshoeken belang wordt gehecht aan
de professionele ontwikkeling van individuele leraren en van professionalisering van het
beroep als geheel. Vanuit overheidsbeleid wordt gewezen op de noodzaak tot >revitalisering=
van het leraarsberoep (CTL, 1993; MOW, 1993). Door revitalisering hoopt men het beroep
aantrekkelijk te maken voor een nieuwe generatie en de zittende docentenpopulatie met
tevredenheid het werk te laten doen. Hierbij wordt dus vooral gefocust op de satisfactie van
docenten en het voorkomen van burn-out en stress-verschijnselen.
Vanuit een andere invalshoek stelt men dat professionele ontwikkeling onontbeerlijk is
om goed te kunnen reageren op de steeds zwaardere eisen die de samenleving aan het
onderwijs stelt (Van Wissen & Freriks 1991; Vrieze, 1993; Vermeulen, 1993; Sleegers &
Klaassen, 1994). Docenten kunnen niet langer toe met de kennis die ze in hun opleiding
hebben opgedaan, maar dienen permanent geschoold te worden. Professionele ontwikkeling
van docenten wordt belangrijk geacht voor de ontwikkeling van de school als geheel (Fullan,
1991; Lagerweij, 1991, 1993; Hopkins, Ainscow & West, 1994; Netelenbos, 1995). Om de
ontwikkeling van een school te realiseren is het nodig dat de leraar samenwerkt met zijn
collega=s. Daarvoor dient de docent bereid te zijn om zijn autonomie te delen met zijn
collega=s. Het is belangrijk dat de kennis die docenten ontwikkelen niet beperkt blijft tot de
individuele docent, maar gedeeld wordt door het gehele team.
In de literatuur over de professionaliteit van het leraarsberoep is niet altijd duidelijk wat
er onder professionaliteit verstaan wordt. De begrippen professionaliteit, professionalisering
en professionele ontwikkeling worden op verschillende wijze gehanteerd (zie Bergen, 1996
voor een overzicht van deze begrippen). In dit hoofdstuk geef ik een analyse van het begrip
professionaliteit. Dit gebeurt aan de hand van uit de beroepensociologie afkomstige
kenmerken van professionaliteit. In het vorige hoofdstuk is erop gewezen dat de opvattingen
van docenten over hun kennis en autonomie belangrijk zijn voor samenwerking. Kennis en
autonomie betreffen twee aspecten van professionaliteit. Deze aspecten worden besproken
in paragraaf 3.2.
Hoe deze aspecten van professionaliteit kunnen zijn ingekleurd voor docenten wordt
verder uitgewerkt aan de hand van het door Hoyle (1975) gemaakte onderscheid tussen een
beperkte en een uitgebreide professionaliteit. Zijn onderscheid wordt door meerdere auteurs
gebruikt. Ik bespreek zijn onderscheid in paragraaf 3.3. Dit hoofdstuk sluit ik af met een
samenvatting.
33
HOOFDSTUK 3
3.2
Kenmerken van professionaliteit
In de meeste publicaties wordt een vijftal kenmerken onderscheiden ten aanzien van de
mate van de professionaliteit van een beroep (Knoers, 1987, naar OECD, 1974; ARBO,
1988; Wirtz, 1994):
1. Het beroep is gebaseerd op een geheel van systematisch geordende en over-draagbare
theoretische kennis;
2. De beroepsuitoefenaar is een autoriteit om taken die op het gebied van het beroep liggen
zelfstandig uit te voeren en daarop gebaseerde beslissingen te nemen;
3. Het beroep heeft een door de gemeenschap gesanctioneerd prestige;
4. Het beroep heeft een fundamentele oriëntatie op dienstverlening, veelal geformaliseerd
in een ethische beroepscode en een professionele organisatie die het
onderhouden van deze code bewaakt;
5. Het beroep heeft een bepaalde beroepscultuur, gehandhaafd door formele organisaties en
informele collegiale contacten, alsmede door bepaalde institutionele verbanden.
De mate waarin een beroep deze kenmerken bezit, bepaalt de mate waarin het een professie
te noemen is. Een beperking van de karakterisering van profes-sionaliteit via de genoemde
kenmerken is dat niet wordt aangeven hoe een professie ontstaat of zich kan ontwikkelen.
Het proces van professionalisering wordt niet beschreven. Bovendien zeggen deze
kenmerken alleen iets over de onder-linge vergelijkbaarheid tussen verschillende beroepen.
Vanuit dit sociologische perspectief wordt alleen gekeken naar de manifestatie van beroepen
op macro-niveau, in de maatschappij (Freidson, 1986). Dit blijkt met name uit de laatste
drie kenmerken. Er kan pas sprake zijn van status, een dienstverlenende oriëntatie en een
beroepsethiek, indien gekeken wordt naar de betreffende beroepsgroep als geheel.
In deze studie zoek ik mogelijke relaties tussen professionaliteitsopvattingen van
docenten en vormen van samenwerking tussen docenten. Daarvoor is de professionaliteit
van het leraarsberoep op macro-niveau niet relevant. Deze zegt immers niet zoveel over de
wijze waarop docenten binnen hun school werken. Ik ben dan ook niet geïnteresseerd in de
vraag in hoeverre het leraarsberoep als een professie is te typeren. Wel relevant voor deze
studie is de wijze waarop docenten denken over hun eigen professionaliteit. Daarvoor kan
gekeken worden naar hoe de docent denkt over de vijf kenmerken. Ik beperk mij echter tot
de eerste twee kenmerken om de volgende redenen:
a. Beide kenmerken zijn genoemd als element in de verklaring voor verschillen in
samenwerking. Bij de bespreking van verschillende vormen van samenwerking
34
PROFESSIONALITEITSOPVATTINGEN
is aangegeven dat de wijze waarop docenten omgaan met hun autonomie en de
wijze waarop zij hun kennisbestand percipiëren, van invloed zou kunnen zijn
op de samenwerking tussen docenten;
b. In de literatuur over professionaliteit bestaat over deze twee kenmerken de meeste
overeenstemming. De overige drie kenmerken worden minder vaak genoemd;
c. Deze kenmerken keren terug in het door meerdere auteurs gehanteerde onderscheid dat
Hoyle (1975) maakt tussen uitgebreide en beperkteprofessionaliteit.
Ik werk de twee gekozen professionaliteitskenmerken verder uit in het vervolg van deze
paragraaf.
Geheel van systematisch geordende en overdraagbare theoretische kennis
Het bestaan van een kennisbestand wordt door veel auteurs als het meest kenmerkend voor
een professie genoemd (zie bijvoorbeeld Lieberman 1956; Etzioni, 1964; Lortie, 1975;
Pellegrin, 1976; Freidson, 1986; Kapteijn, 1987; Knoers, 1987; Doyle, 1990; Goens &
Clover, 1991; Giesbers & Bergen, 1992; VanDelden, 1992).
Schein (1972) heeft een onderscheid gemaakt dat behulpzaam kan zijn om het
kennisbestand van een professie te typeren. Hij geeft aan dat een kennisbestand meer
convergent of meer divergent van aard kan zijn. Volgens hem is er sprake van een professie
indien het kennisbestand convergent is. Convergentie, zoals Schein gebruikt voor het
typeren van een kennisbestand, wil zeggen dat over de elementen van deze kennis weinig
meningsverschil bestaat. Over de juistheid van de bestanddelen van een convergente
kennisbasis bestaat dan een redelijke mate van consensus (Kuhn, 1970, zoals beschreven
door Schein, 1972). Indien kennis divergent is, dan is er minder consensus te bespeuren,
omdat verschillende paradigma=s ten grondslag kunnen liggen aan het kennisbestand.
Over het algemeen wordt het kennisbestand van het leraarsberoep niet als convergent
beschouwd. Dit geldt voor het leraarsberoep als geheel. Er zijn echter wel verschillen in het
kennisbestand tussen verschillende vakken te onderscheiden. Zo wordt de inhoud van
Wiskunde (Witziers & Van Vilsteren, 1990; de Brabander, 1992), Economie (Witziers &
Van Vilsteren, 1990), Natuurkunde (De Brabander, 1992), Scheikunde (De Brabander,
1992) en Biologie (Witziers & Van Vilsteren, 1990; De Brabander, 1992) als redelijk
afgebakend gezien. Bij deze onderzoeken is niet altijd uitgegaan van de perceptie van
docenten zelf over het kennisbestand van het vak waarin ze lesgeven, maar is de perceptie
van de onderzoekers gegeven. Indien de perceptie van docenten overeen komt met die van
de onderzoekers, dan kunnen de gegevens erop wijzen dat docenten die deze vakken
onderwijzen uitgaan van een meer convergent kennisbestand dan docenten die lesgeven in
vakken als Geschiedenis (Witziers & van Vilsteren, 1990; De Brabander, 1992), Nederlands
en Kunstzinnige vakken (De Brabander, 1992). De inhoud van deze vakken wordt als
35
HOOFDSTUK 3
minder afgebakend gezien. Deze gegevens lijken erop te wijzen dat docenten die lesgeven in
deze vakken uitgaan van een relatief divergent kennisbestand.
Bij het onderscheid tussen een convergent of divergent kennisbestand zoals tot nu toe
beschreven, staat de vakinhoud centraal. Dit zegt niets over de kennis ten aanzien van de
wijze waarop het vak wordt onderwezen, de (vak-) didactiek. Schein wijst hierop door te
stellen dat binnen een professie er altijd sprake zal zijn van meer divergente vaardigheden.
Binnen het onderwijs slaan deze vaardigheden op het lesgeven zelf, de gehanteerde
didactiek. Ook als de onderliggende principes convergent van aard zijn, kan de professional
voor onzekere situaties komen te staan, waarbij hij de convergente kennis op een creatieve
wijze moet gebruiken, zonder dat hij zekerheid heeft over de gevolgen van zijn handelen.
Argyris (1976, zoals beschreven door Weggeman, 1992) maakt in dit verband een
onderscheid tussen de routine-professional en de improviserende professional. De werkwijze
van de eerste komt overeen met wat Mintzberg (1983) >pigeon-holing=noemt. Hij bedoelt
hiermee het diagnostiseren van de situatie en deze etiketteren. Hierbij maakt de professional
steeds op dezelfde wijze gebruik van de kennisbasis. De improviserende professional
daarentegen is steeds op zoek naar het verwerven en toepassen van nieuwe kennis en heeft
geleerd te leren.
Autoriteit om taken die op het gebied van het beroep liggen zelfstandig uit te voeren en
daarop gebaseerde beslissingen te nemen
Ook de autonome positie van de professional, wordt door veel auteurs als een belangrijk
aspect van een professionele beroepsuitoefening gezien (Lieberman, 1956; Schein, 1972;
Knoers, 1987; Van Delden, 1992).
Door de externe regelgeving is de autonomie van docenten beperkt. Hierbij gaat het om
de beperkte autonomie van het leraarsberoep op macro-niveau. In hoeverre de individuele
docent autonoom kan handelen, kan per school verschillen. Op welke wijze de docent zijn
autonomie waarneemt, is afhankelijk van zijn opvattingen over zijn professie. In de volgende
paragraaf ga ik verder in op de wijze waarop de docent zijnprofessionaliteit kan opvatten.
3.3
Professionaliteitsopvattingen
In het voorafgaande zijn twee aspecten van professionaliteit besproken, namelijk de mate
waarin het kennisbestand gezien wordt als afgebakend, convergent of divergent, en de mate
van autonomie. De wijze waarop docenten deze kenmerken opvatten, zegt iets over hun
professionaliteitsopvatting. Hoyle (1975) heeft een tweetal ideaaltypische vormen van
professionaliteit onderscheiden. Deze staan samengevat in figuur 3.3.1.
Beperkte professionaliteit
36
Uitgebreide professionaliteit
PROFESSIONALITEITSOPVATTINGEN
- heeft groot vertrouwen in eigen onderwijservaring
- acht gezamenlijk beleid en besluitvorming op
vakinhoudelijk en vakoverstijgend
niveau essentieel voor goed
onderwijs
- is sterk gericht op microsituatie in de klas
met voorbijgaan aan het ingebed
zijn van het micro- in meso- en
macroniveau
- plaatst micro-situatie in bredere meso- en
macrocontext
- vertoont beperkte betrokkenheid op andere
dan lesgevende activiteiten
- vertoont grote betrokkenheid bij vakoverstijgende activiteiten
- heeft geloof in juistheid van eigen didactische
aanpak
- ziet theorie en resultaten van onderzoek als
waardevolle aanvulling van eigen
ervaring
- vergelijkt professionele aanpak met collega=s
of wat uit onderwijs-experimenten
naar voren komt
- heeft weinig interesse en kennis van professionele literatuur
- houdt professionele literatuur bij
- autonome opstelling
- benadrukt professionele samenwerking
- neemt gering deel aan cursussen, m.u.v.
praktische cursussen
- participeert aan nascholing ook wanneer die
theoretische aspecten van het
docent-zijn betreft
- heeft overtuiging dat onderwijzen een intuïtieve kunst is
- beschouwt geven van onderwijs als rationele
kunde
Figuur 3.3.1
Vormen van professionaliteit van Hoyle (1975).
Ik vind de termen beperkte en uitgebreide professionaliteit nogal normatief van aard en
spreek daarom van individuele en gedeeldeprofessionaliteit.
Verschillende auteurs hebben het onderscheid van Hoyle gebruikt om aan te geven dat de
opvattingen van docenten over hun professionaliteit kunnen verschillen. Ze spreken daarbij
van professionaliteitsopvattingen (zie bijvoorbeeld Berg, 1989; Clement, Staessens &
Vandenberghe, 1993).
De twee vormen van professionaliteit van Hoyle zijn als uitersten tegenover elkaar gezet.
Dit suggereert dat een docent een professionaliteit heeft die òf individueel òf gedeeld van
aard is. Clement, Staessens en Vandenberghe (1993) en Hargreaves (1993) stellen dat het
37
HOOFDSTUK 3
waarschijnlijk beter is de professionaliteitsopvattingen als uitersten van een continuüm te
zien. Docenten hebben zowel kenmerken van individuele als van gedeelde professionaliteit
nodig om goed te kunnen functioneren (zie ook Knoers, 1994). Een onderzoek van Schmidt
(1996) laat zien dat de indeling in professionaliteitsopvattingen inderdaad geen polaire
tegenstelling betreft. Zij vond dat docenten zowel opvattingen hebben die bij individuele
professionaliteit horen als opvattingen hebben die behoren bij gedeelde professionaliteit.
Bij het onderscheid van Hoyle valt op dat de onderscheiden kenmerken op verschillende
niveaus liggen. Een aantal kenmerken handelt over aspecten die betrekking hebben op het
primaire proces, het lesgeven. Andere aspecten handelen over zaken die betrekking hebben
op het secundaire proces, de schoolorganisatie. Hierin valt het onderscheid in het
beheersmatige (of organisatorische) en onderwijskundige subsysteem van de
schoolorganisatie te herkennen (zie paragraaf 2.4). In figuur 3.3.2 zijn de onderdelen van
Hoyle gecategoriseerd naar het onderwijskundige en organisatorische subsysteem. Verder
zijn in de figuur begrippen van Little, Schuit en Schein opgenomen om ze in verband te
brengen met de begrippen individuele en gedeelde professionaliteit. Het onderwijskundig
subsysteem wordt in mijn onderzoek opgedeeld in de componenten autonomie en kennis.
Het organisatorische subsysteem heeft betrekking op de autonomie en de gewenste invloed
van de docent op het organisatorische, of beheersmatige domein.
38
PROFESSIONALITEITSOPVATTINGEN
Individuele professionaliteit
Gedeelde professionaliteit
Onderwijskundig subsysteem
autonomie
kennis-opvatting
individuele autonomie
(Little, 1990c)
met collega=s gedeelde autonomie (Little,
1990c)
- autonome opstelling (Hoyle, 1975)
- benadrukt professionele samenwerking (Hoyle, 1975)
convergent (Schein, 1972)
divergent (Schein, 1972)
- heeft groot vertrouwen in eigen onderwijservaring (Hoyle,
1975)
- ziet theorie en resultaten van onderzoek als waardevolle
aanvulling eigen ervaring
(Hoyle, 1975)
- heeft geloof in juistheid van eigen
didactische
aanpak
(Hoyle, 1975)
- vergelijkt professionele aanpak met
collega=s of wat uit
onderwijs-experimenten
naar voren komt (Hoyle,
1975)
- neemt gering deel aan cursussen,
m.u.v. praktische cursussen (Hoyle, 1975)
- participeert aan nascholing ook wanneer die theoretische
aspecten van het docentzijn betreft (Hoyle, 1975)
- heeft weinig interesse en kennis van
professionele literatuur
(Hoyle, 1975)
- houdt professionele literatuur bij (Hoyle, 1975)
- heeft overtuiging dat onderwijzen
een intuïtieve kunst is
- beschouwt geven van onderwijs als
rationele kunde
Organisatorisch subsysteem
organisatie-oriëntatie
invloed
docent
op
beheersmatig domein
(Schuit, 1993)
autonomie
wenst geen invloed op beheersmatige
zaken; wil niet participeren in besluitvorming
wenst invloed op beheersmatige zaken;
wil participeren in besluitvorming
niet ontwikkelingsgerichte organisatieoriëntatie (Schuit, 1993)
ontwikkelingsgerichte organisatie-oriëntatie (Schuit, 1993)
individuele autonomie
(Little, 1990c)
met gehele team (collega=s en schoolleiding) gedeelde autonomie (Little, 1990c)
- is sterk gericht op microsituatie in de
klas met voorbijgaan
aan het inge-bed zijn
van het micro in mesoen macroniveau (Hoyle,
1975)
- plaatst micro-situatie in bredere mesoen macrocontext (Hoyle,
1975)
- vertoont beperkte betrokkenheid op
andere dan lesgevende
activiteiten
(Hoyle,
1975)
- vertoont grote betrokkenheid bij vakoverstijgende activiteiten
(Hoyle, 1975)
39
HOOFDSTUK 3
- acht gezamenlijk beleid en besluitvorming op vakinhoudelijk en
vakoverstijgend
niveau
essentieel voor goed onderwijs (Hoyle, 1975)
Figuur 3.3.2
Professionaliteitsopvattingen.
Hieronder licht ik figuur 3.3.2 verder toe.
Schuit (1993) heeft op basis van de vormen van professionaliteit van Hoyle in Nederlandse
scholen voor voortgezet onderwijs onderzoek verricht. Hij heeft zich daarbij beperkt tot de
professionaliteit-kenmerken die op het organisatorisch niveau betrekking hebben. Hij
spreekt dan ook van >organisatie-oriëntatie=, waaronder hij verstaat: "de professionele visie
van docenten op de wijze waarop de taakverdeling, coördinatie en invloedsverdeling binnen
de school gestalte dienen te krijgen" (Schuit, 1993, p.29).
Schuit maakt een onderscheid tussen docenten met een ontwikkelingsgerichte en een
niet ontwikkelingsgerichte organisatie-oriëntatie. Hij toont aan dat docenten met een
ontwikkelingsgerichte organisatie-oriëntatie meer invloed willen uitoefenen op taken die
door de schoolleiding worden vervuld. De ontwikkelingsgerichte organisatie-oriëntatie past
bij een docent met een gedeelde professionaliteitsopvatting. Deze docenten willen graag
participeren in de besluitvorming op de school (zie ook Bakkenes, 1996). Wanneer
docenten uitgaan van een niet ontwikkelingsgerichte organisatie-oriëntatie, willen ze geen
invloed uitoefenen op taken die door de schoolleiding worden vervuld. Ze hebben geen
behoefte aan participatie in de besluitvorming.
De manier waarop Schuit het begrip >organisatie-oriëntatie= definieert, laat zien dat het
mede gaat om de wijze waarop de docent zijn autonomie percipieert. In figuur 3.2 staat het
autonomie-begrip bij de organisatie-oriëntatie dan ook centraal. Hierbij gaat het om de
mate waarin de docent bereid is zijn autonomie te delen met de schoolleiding en het team.
Het eerder gemaakte onderscheid van Little tussen individuele en gedeelde autonomie is
daarom opgenomen.
Wanneer een docent een ontwikkelingsgerichte organisatie-oriëntatie heeft, zal hij/zij
ook autonomie opeisen die traditioneel de schoolleiding toebehoort (Sleegers & Bergen,
1993; Van Gennip & Sleegers, 1994). Deze autonomie hoeft niet ten aanzien van alle
organisatie-aspecten te worden opgeëist. Zo concludeert Schuit dat "Het gros van de
docenten beschikt over een hybride organisatie-oriëntatie; ten aanzien van enkele
organisatieaspecten zijn zij relatief sterk ontwikkelingsgericht, terwijl zij ten aanzien van
andere organisatieaspecten juist een relatief weinig ontwikkelingsgerichte oriëntatie
vertonen" (Schuit, 1993, p.105). Dit kan er op wijzen dat binnen het onderscheid
40
PROFESSIONALITEITSOPVATTINGEN
individuele-gedeelde professionaliteitopvatting meerdere continua te onderscheiden zijn.
Schuit constateert verder dat docenten met een ontwikkelde organisatie-oriëntatie vooral
problemen in hun werk noemen die gelegen zijn in het zogenaamde >betwiste gebied=
(Hanson, 1979; zie paragraaf 2.4). Dit is het gebied dat gelegen is tussen het domein van de
schoolleiding en dat van de docenten. Binnen een organisatie die uitgaat van een scheiding
tussen arbeidsvoorbereiding en arbeidsuitvoering (Mok, 1987) kan een machtsstrijd
ontstaan tussen de verschillende niveaus binnen de organisatie. Ieder niveau zal zijn
autonomie opeisen. De schoolleiding wil geen invloed van docenten op haar
(organisatorische) autonomie, maar wil wel invloed uitoefenen op het domein van de
docenten: de onderwijskundige autonomie. Docenten willen geen invloed van de
schoolleiding en andere docenten op hun onderwijskundige autonomie.
Uit het onderzoek van Schuit blijkt dat docenten wel graag invloed willen uitoefenen op
het domein van de schoolleiding. Daarbij gaat het om zaken met betrekking tot de
leerlingbegeleiding en de coördinatie van onderwijszaken op schoolniveau (Schuit, 1993).
Van Gennip en Pouwels (1993) vonden dat docenten naast hun lesgevende taken vooral
aangaven meer taken op het gebied van de leerlingbegeleiding te willen. Schuit (1993,
p.105) lijkt het op basis van deze gegevens gerechtvaardigd te stellen dat "een trend richting
uitgebreide professionaliteit onder docenten voorgezet onderwijs te veronderstellen is." Ik
denk dat deze constatering ten dele terecht is. Docenten hebben, zoals Schuit aangeeft, een
>hybride organisatie-oriëntatie=. Ten aanzien van bepaalde organisatorische aspecten hebben
docenten een gedeelde professionaliteitsopvatting.
De belangstelling met betrekking tot taken voor leerlingbegeleiding is echter alleen te
plaatsen bij de kenmerken van een gedeelde professionaliteitsopvatting bij de organisatieoriëntatie: micro-situatie in bredere meso- en macro-context plaatsen; een grote
betrokkenheid bij vakoverstijgende activiteiten hebben en gezamenlijk beleid en
besluitvorming op vakinhoudelijk en vakoverstijgend niveau essentieel vinden voor goed
onderwijs. De belangstelling voor taken in de leerlingbegeleiding zegt echter niets over de
overige kenmerken van een gedeelde professionaliteitsopvatting, te weten: de docent ziet
theorie en resultaten van onderzoek als waardevolle aanvulling op de eigen ervaring,
vergelijkt professionele aanpak met collega=s of wat uit onderwijs-experimenten naar voren
komt, houdt professionele literatuur bij, participeert in nascholing ook wanneer het de
theoretische aspecten van het docent-zijn betreft, beschouwt het geven van onderwijs als
rationele kunde en benadrukt professionele samenwerking.
Deze kenmerken betreffen aspecten die minder betrekking hebben op het
organisatorische subsysteem en meer op wat ik het >onderwijskundige subsysteem= noem.
Hieronder versta ik de visie van docenten op de wijze waarop zij de kennis van hun primaire
taak, het lesgeven, beoordelen als afgebakend of ontwikkelend en de mate waarop ze binnen
het lesgeven autonoom willen functioneren.
41
HOOFDSTUK 3
Er is nog weinig onderzoek verricht naar de onderwijskundige oriëntatie van docenten.
Witziers (1992) heeft (beperkt) aandacht besteed aan de (onderwijskundige)
autonomieopvattingen van docenten. Hij spreekt over een atomistische of een geïntegreerde
beroepsopvatting. Witziers beschrijft in navolging van Marx (1975) een docent met een
atomistische roloriëntatie als iemand die zich autonoom acht in de uitoefening van zijn vak
en weinig overlegt en samenwerkt met collega=s. Een docent met een geïntegreerde
roloriëntatie meent dat leraren in een team moeten werken. Zo=n docent staat positief
tegenover afstemming van het verdeelde onderwijs en een gezamenlijke besluitvorming over
de opzet, inhoud en inrichting van het onderwijs. Witziers vond in zijn onderzoek dat
docenten eerder te typeren zijn als docenten met een geïntegreerde dan met een atomistische rolopvatting. Wel willen docenten autonoom zijn ten aanzien van pedagogischdidactische zaken. Dit is te vergelijken met de conclusie van Nias (1989) die in het Engelse
basisonderwijs bij docenten een tussenvorm van de beide professionaliteitsopvattingen van
Hoyle vond (zie ook Brown & McIntyre, 1993). Zij heeft op Engelse basisscholen
professionele samenwerking tussen leraren gezien die leek op wat er onder gedeelde
professionaliteit verstaan wordt. De samenwerking was, tot haar verbazing, gericht op het
verbeteren van het functioneren in de klas. Dat is het uitgangspunt van de individuele
professionaliteit. Zij concludeert dan ook dat er tussen beide uitersten nog een professionaliteitsopvatting bestaat. Docenten met deze opvatting halen, zoals de "uitgebreide
professionals wel hun arbeidssatisfactie uit het oplossen van problemen en het uitoefenen
van een vrij grote controle op hun werksituatie. Maar ze voelen zich tegelijkertijd ook enorm
beloond door een succesvolle klaspraktijk." (Clement, Staessens & Vandenberghe, 1993,
p.18). Met een succesvolle klaspraktijk wordt het goed kunnen omgaan met de leerlingen
bedoeld. Dat docenten gericht zijn op het werken in de klas is niet zo verwonderlijk
aangezien lesgeven het hoofdbestanddeel van het werk en de belangrijkste motivatie- en
frustatiebron van docenten vormt (Lortie, 1975; Huberman, 1988, 1993).
De tussenvorm die Nias vond, kan er op wijzen dat binnen de twee professionaliteitsopvattingen meerdere continua te onderscheiden zijn. Uit figuur 3.2 blijkt dat vier
continua zijn te onderscheiden die lopen van indidueel naar gedeeld, namelijk
onderwijskundige autonomie, onderwijskundige kennis, invloed op beheersmatige zaken en
organisatorische autonomie.
3.4
Samenvatting
In dit hoofdstuk stond de vraag centraal welke professionaliteitsopvattingen zijn te
onderscheiden. Om een antwoord op deze vraag te krijgen, is eerst nagegaan wat onder
42
PROFESSIONALITEITSOPVATTINGEN
professionaliteit kan worden verstaan. In de literatuur worden vijf kenmerken genoemd die
de mate van professionaliteit aangeven. Twee kenmerken van professionaliteit, kennis en
autonomie, zijn in dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Bij kennis is het onderscheid tussen een
convergent en een divergent kennisbestand ten aanzien van de vakinhoud en de didactiek
uitgewerkt. Bij autonomie zijn twee verschillende niveaus waarop autonomie betrekking kan
hebben besproken; organisatorische en onderwijskundige autonomie.
De wijze waarop docenten de twee kenmerken, kennis en autonomie beschouwen, acht
ik kenmerkend voor hun professionaliteitsopvattingen. De professionaliteitsopvattingen zijn
niet statisch maar dynamisch van aard. Een docent kan zijn professionaliteitsopvattingen
ontwikkelen van individueel naar gedeeld. Binnen dit continuüm (van individueel naar
gedeeld) is een onderscheid gemaakt in gebieden waarop de opvattingen betrekking kunnen
hebben. Ik heb een onderscheid gemaakt tussen het onderwijskundige en organisatorische
subsysteem (zie figuur 3.4.1).
Naar beide is weinig onderzoek verricht. De beperkte onderzoeksgegevens (Witziers,
1992; Schuit, 1993) lijken er op te wijzen dat de opvattingen van docenten over het
onderwijskundige subsysteem van invloed is op de mate waarin wordt samengewerkt tussen
docenten. Witziers spreekt van beroepsopvattingen. Zijn beschrijving van
Onderwijskundige subsysteem
- Kennisopvatting:
vakinhoud
didactiek
- Autonomie-opvatting
Samenwerking
docenten
Organisatorische subsysteem
- Invloed beheersmatig
domein
- Autonomie-opvatting
Deelname besluitvorming
beroepsopvattingen komt overeen met wat ik onderwijskundige autonomieopvattingen
noem. De wijze waarop docenten denken over het organisatorische subsysteem is van
invloed op de deelname van docenten aan de besluitvorming op de scholen. De organisatieautonomie is mogelijk ook van invloed op samenwerking tussen docenten.
Figuur 3.4.1 Invloed van professionaliteitsopvattingen op samenwerking tussen docenten en
deelname aan de besluitvorming.
43
HOOFDSTUK 3
Gezien de beperkte onderzoeksgegevens moeten we de veronderstelde relatie tussen de mate
waarin docenten binnen hun sectie samenwerken en de professionaliteitsopvattingen van
docenten, met enige terughoudendheid benaderen.
In het empirische deel van deze studie ga ik na in hoeverre deze relatie voor docenten
binnen hun sectie geldig is.
44