Werkdocument i

Profielwerkstuk 2014-2015
PROFIELWERKSTUKDAG
4HAVO & 5VWO
DINSDAG 10 JUNI 2014
Profielwerkstuk 2014-2015
Tijdpad PWS
Fase
1
Omschrijving
Oriëntatie (keuze
onderwerp) en opstellen
onderzoeksvraag,
deelvragen en hypothese
Tijd
Inleveren
(in uur)
10
Document met:
 Oriëntatieformulier
 Uitgewerkt woordweb
 Onderzoeksvraag
 Deelvragen
 Hypothese
Uiterlijk 10 juni 2014
2
Werkplan / Plan van aanpak
maken
5
Document met:
 Tijdsindeling
 Taakverdeling
 Ruwe hoofdstuk-/paragraafindeling verslag
 Opzet onderzoek beschrijven
Uiterlijk 8 september 2014
3
Onderzoek
30
Onderzoeksverslag met
 Overzicht gevonden bronnen
 Samenvattingen
 Overzicht resultaten onderzoek
 Voorlopige antwoorden op deelvragen
Uiterlijk 5 november 2014
Verslag inleveren
Uiterlijk 8 december 2014
4
Schrijven
25
Retour verslag docent met opmerkingen:
Uiterlijk 16 januari 2015
Inleveren definitieve versie:
Uiterlijk 26 januari 2015
5
totaal
Presentatie
10
3 februari 2015
(19.00-21.00u)
80 uur
NB: volgens de jaarplanning is er op de volgende data een PWS-middag (7e & 8e uur):
 8 september
 14 oktober
 5 november
 4 december
Profielwerkstuk 2014-2015
Fase 1A: Oriëntatie (onderwerpskeuze)
Tijdinvestering
5 uur (een deel is reeds gedaan)
Doel
Kiezen van:
- Partner
- Vak(ken)
- Onderwerp
geen
Ingevuld Oriëntatieformulier
Te behalen punten
Eindproduct fase 1A
Inleveren 10 juni 2014
Inleveren bij je docent
Partner
Kies je partner zorgvuldig, je moet gedurende lange tijd samenwerken. Leerlingen die moeten
doubleren, doen wel mee met het profielwerkstuk. Leerlingen die van school zullen gaan, uiteraard
niet. Let daarop als je een partner kiest.
De leerlingen uit 4HAVO zijn verplicht om samen te werken, de leerlingen uit 5VWO mogen hun
profielwerkstuk ook alleen maken.
Onderwerp en vak
Je kiest zelf een onderwerp en één (of twee) vak(ken) waarbij het profielwerkstuk gemaakt kan
worden. Je kunt beginnen met het kiezen van een onderwerp en vervolgens bekijken bij welk vak je
onderwerp past. Het kan natuurlijk ook andersom. Je kiest eerst een vak dat jullie beiden aanspreekt
en vervolgens ga je op zoek naar een interessant onderwerp dat binnen dit vak valt.
Houd er rekening mee dat het aantal groepjes dat een profielwerkstuk bij een bepaald vak maakt
beperkt is. Het kan gebeuren dat een vak vol zit en dat jullie voor een ander vak moeten kiezen.
Stappenplan om te komen tot een onderwerp voor je profielwerkstuk (gebruik hierbij het
oriëntatieformulier):
- Je kiest een onderwerp (wat heeft je interesse?)
- Je raadpleegt een of meerdere encyclopedieën en/of schoolboeken en/of internetsites
- Je gaat brainstormen over wat je al weet
Eerste oriëntatie
Om er zeker van te zijn dat jullie een goed onderwerp kiezen, zoeken jullie vijf bruikbare bronnen (waarvan
minstens één boek).
1. Maak van elke bron een korte samenvatting van een paar zinnen en leg uit waarom je denkt dat deze
bron betrouwbaar is.
2. Noteer de titel en de auteur. Bij een internetbron noteer je ook de datum van raadplegen en je
kopieert de link naar de website.
De brainstormfase (invullen woordweb)
1. Zet het onderwerp op een blaadje.
2. Zet hier alle mogelijke begrippen omheen die met het onderwerp te maken hebben (brainstormen).
3. Formuleer een voorlopige onderzoeksvraag of probleemstelling.
Vul het oriëntatieformulier in en lever het in bij je begeleider.
Profielwerkstuk 2014-2015
ORIËNTATIEFORMULIER (FASE 1A)
Noteer hieronder de gegevens van de twee leerlingen die samen het PWS willen gaan maken:
1
Naam:
Profiel:
Klas: havo / vwo
2
Naam:
Profiel:
Klas: havo / vwo
Vak(ken): __________________________________________________________________________
Hierin vul je het vak (of de vakken) in waarvoor jullie het PWS willen gaan maken. Je kunt kiezen uit
alle vakken die je volgt.
Onderwerp: ________________________________________________________________________
Vul hierboven in welk onderwerp jullie hebben gekozen.
Denk eraan dat je onderwerp een link heeft met Curaçao!
Bronnen:
Om er zeker van te zijn dat jullie een goed onderwerp kiezen, moeten jullie hieronder vijf bruikbare
bronnen (waarvan minstens één boek) vermelden. Geef van elke bron een samenvatting van een
paar zinnen en leg uit waarom je denkt dat deze bron betrouwbaar is. Noteer de titel en de auteur.
Bij een internetbron noteer je ook de datum van raadplegen en je kopieert de link naar de website.
Bron 1:
Samenvatting:
Betrouwbaar want:
Bron 2:
Samenvatting:
Betrouwbaar want:
Profielwerkstuk 2014-2015
Bron 3:
Samenvatting:
Betrouwbaar want:
Bron 4:
Samenvatting:
Betrouwbaar want:
Bron 5:
Samenvatting:
Betrouwbaar want:
Profielwerkstuk 2014-2015
Hieronder maken jullie een woordweb van het onderwerp gebaseerd op begrippen uit
de genoemde bronnen. Op basis hiervan formuleer je de voorlopige probleemstelling of
onderzoeksvraag bij je onderwerp.
Onderwe
rp
Onderzoeksvraag of probleemstelling:
NB. Bespreek deze onderzoeksvraag of probleemstelling met je begeleider voor je verder gaat met
fase 1B.
Profielwerkstuk 2014-2015
Fase 1B: Opstellen onderzoeksvraag, deelvragen en de hypothese
Tijdinvestering
5 uur
Doel
Formuleren van een duidelijke hoofdvraag/onderzoeksvraag met de
hierbij horende deelvragen en hypothese
20
Document of map met:
Probleemstelling
Samenvattingen van je bronnen + notitie over bruikbaarheid
Bronnenlijst
Hoofdvraag
Deelvragen
Hypothese (uitleg zie blz. 8)
Te behalen punten
Eindproduct fase 1B
Inleveren: 10 juni 2014
Een goed geformuleerde en afgebakende hoofdvraag (onderzoeksvraag) is noodzakelijk om verder te
kunnen met je profielwerkstuk. Hiervoor moet je meer over je onderwerp te weten komen. In deze
fase ga je je inlezen in je onderwerp en formuleer je de hoofdvraag voor jullie onderzoek en de
bijbehorende deelvragen. Je moet hiervoor onderstaande stappen volgen.
1. Terugkijken op de oriëntatiefase
Lees je ingevulde oriëntatieformulier nog eens goed door. Is er voldoende duidelijk wat jullie
probleemstelling of voorlopige onderzoeksvraag is?
De voorlopige onderzoeksvraag of probleemstelling gaat over het probleem dat je met behulp van de
resultaten van het onderzoek hoopt op te lossen. De probleemstelling bevat dus eigenlijk de
achterliggende reden tot het doen van het onderzoek.
Probleemstelling aanpassen
Is jullie probleemstelling/voorlopige
probleemstelling aan.
onderzoeksvraag
goed
geformuleerd?
Pas
eventueel
2. Opstellen Hoofdvraag (onderzoeksvraag)
Met deze probleemstelling in je achterhoofd moet je een hoofdvraag (onderzoeksvraag) opstellen.
Uit de hoofdvraag moet blijken welke kennis ontbreekt om het probleem op te lossen, welke
informatie heb je nodig om het probleem op te lossen? De hoofdvraag moet echt een vraag zijn (met
vraagteken)! De hoofdvraag wordt meestal weer onderverdeeld in deelvragen. Hieronder staat een
voorbeeld.
Voorbeeld van een onderzoeksvraag:
In hoeverre verschilt het opleidingsniveau van allochtone jongeren met dat van hun ouders?
Voorbeeld deelvraag (1)
Zijn er verschillen tussen allochtone meisjes en jongens in de mate waarin zij het sociaal economisch
beter of slechter doen dan hun ouders?
je
Profielwerkstuk 2014-2015
Een hoofdvraag en deelvragen opstellen gaat niet zomaar. Hiervoor moet je je eerst
verder in het onderwerp verdiepen.
Verdere oriëntatie
1. Zoek tenminste 8 bronnen die je kunt gebruiken. Vergeet de bronnen niet te vermelden in je
bronnenoverzicht (zie informatie onderaan deze opdracht).
2. Schrijf in 5 à 10 regels op waarover het boek/de tekst/de internetsite gaat.
3. Geef duidelijk aan of deze bron bruikbaar is voor je onderwerp en geef ook aan waarom je deze bron
bruikbaar vindt.
Maak samenvattingen of kopieer en onderstreep wat je denkt nodig te hebben.
Zorg dat je erbij zet uit welke bron de informatie komt.
Afbakenen
Kijk nu terug naar wat je gevonden hebt.
1. Heb je een beter beeld van je onderwerp?
2. Wat wil je nu precies onderzoeken?
3. Moet je bepaalde onderdelen schrappen?
4. Moet je bepaalde onderdelen toevoegen?
5. Ga op zoek naar boeken en websites die over jouw specifieke onderdeel gaan.
Hoofdvraag/onderzoeksvraag
Een hoofdvraag is een grote onderzoeksvraag. Uit de hoofdvraag blijkt wat je wilt gaan onderzoeken.
Zorg dat de hoofdvraag een dusdanige vraag is, dat je er over kunt discussiëren.
Er zijn verschillende soorten onderzoeksvragen:
 Beschrijvende: wat veranderde er in het leven van de Curaçaose bevolking toen … ?
 Analyserende/Vergelijkende: wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen …?
 Verklarende: hoe komt het dat ...? wat is de belangrijkste reden dat ...?
 Waarderende: je geeft een oordeel over je onderwerp: was het nu goed of slecht dat …?
 Voorspellende: kun je een ontwikkeling schetsen …?
Schrijf op wat je precies wilt gaan onderzoeken. Formuleer een hoofdvraag (onderzoeksvraag)
3. Opstellen Hypothese
Een (goede) hypothese geeft een voorlopig antwoord op je (hoofd)vraag uit je onderzoek, het
beschrijft wat je in een bepaalde situatie verwacht te zien/ontdekken. Deze verwachting baseer je op
eerder onderzoek dat lijkt op jouw onderzoek. Alleen in het geval er niets over te verwachten valt op
basis van eerder onderzoek ga je zelf redeneren en een zelfbedachte verklaring geven. Hoe
specifieker geformuleerd, hoe beter een hypothese is. Het is een stelling die je met je onderzoek gaat
toetsen, daarom weet je nooit van tevoren of je hypothese klopt!
Hypothese
Als je de hoofdvraag hebt gevonden, ga je de hypothese formuleren.
Welk(e) antwoord(en) verwacht je op je onderzoeksvraag? Schrijf die op. Aan het eind van je
onderzoek (bij de conclusie) kijk je terug naar de hypothese en bekijk je of de hypothese klopte.
Profielwerkstuk 2014-2015
4. Het formuleren van de deelvragen
Deelvragen zijn vragen die bijdragen tot het vinden van het antwoord op de hoofdvraag.
Deelvragen
Denk aan vragen over:
 landschappelijke factoren
 klimatologische factoren
 economische factoren
 sociale factoren (verhouding tussen groepen mensen; menselijke factoren)
 politieke factoren
 culturele factoren
 religieuze factoren
 genderfactoren (man-vrouw-relaties)
 bestaande theorieën
 bestaande kennis
De deelvragen maak je in de vorm van:
 Wie/wat/welke?
 Waar?
 Wanneer?
 Waarom?
 Wat voor gevolg?
 Hoe?
 Hoeveel?

Schrijf minimaal 10 deelvragen op.
Ordenen van de deelvragen
 Bekijk welke deelvragen bij elkaar horen.
 Breng de deelvragen onder één noemer. Zet er een kopje boven.
Zo heb je al het raamwerk voor je werkstuk. M.a.w. je werkstuk heeft al hoofdstukken gekregen.
5. Controleren
Voordat je het eindproduct van fase 2 gaat maken en inleveren is het goed nog even kritisch naar je
hoofdvragen en deelvragen te kijken. Ben je tevreden, maak dan het eindproduct dat bij deze fase
hoort en lever dit in bij je begeleider.
Check
Je gaat je hoofdvraag en je deelvragen beoordelen.
1. Is dit een hoofdvraag waarover te discussiëren valt?
2. Is de hoofdvraag niet te breed?
3. Is je hoofdvraag concreet en zijn je deelvragen concreet?
4. Is je hoofdvraag zinvol en zijn je deelvragen zinvol?
5. Sluiten hoofdvraag en deelvragen goed bij elkaar aan?
6. Is de hoofdvraag realistisch, gezien de beschikbare tijd?
7. Verander eventueel het noodzakelijke.
Profielwerkstuk 2014-2015
Maken van een bronnenlijst
Als je straks aan je verslag gaat schrijven, is het belangrijk dat je verwijst naar de
bronnen die je gebruikt hebt. Als je in een verslag informatie van anderen gebruikt
zonder naar de bron te verwijzen, wordt dit als plagiaat gezien. Het is belangrijk dat je goed bijhoudt
welke bronnen je gebruikt; dit doe je in een bronnenoverzicht (of literatuurlijst). Ook als je een
afbeelding van internet of uit een boek gebruikt, moet je hiervan de bron vermelden. Zet de titel van
de bron ook altijd onder de afbeelding. Hieronder vind je informatie over hoe je een bronnenlijst
moet opstellen.
Zet de gebruikte bronnen in de volgorde waarin ze voorkomen in je profielwerkstuk. De eerste bron
waarnaar je verwijst in je profielwerkstuk, wordt dus ook je eerste bron van je bronnenlijst.
Boeken en artikelen
Achternaam schrijver, voorletter(s), (jaar van uitgave), de titel, plaats uitgever: uitgever.
Voorbeeld:
Lockley, R.M. (1976), Het leven der konijnen. (p. 150) Utrecht: Het Spectrum (p. 150)
Wickler, dr.W. (1970), De aard van het beestje. Amsterdam: Ploegsma (p. 198-201)
Veer van der, A.M. (2010), Nederlands als tweede taal. Amersfoort: De Koning (p. 15-25 en p. 89-157)
Als er meerdere schrijvers zijn, kan alleen de eerste vermeld worden met daarachter: e.a (= en anderen).
Internetbronnen
Achternaam auteur, voorletter (s) (publicatiejaar of update). Titel van het document of de website.
Geraadpleegd op dag maand jaar, adres website.
Voorbeeld:
Scholte,G. en Marree I. (1999), Bioplek: Maken van een verslag. geraadpleegd op 10 juni 2007,
http://www.bioplek.org/techniekkaartenbovenbouw/techniek91verslag.html
Of als de naam van de auteur niet bekend is:
De geschiedenis van internet ,(z.d.)*. geraadpleegd op 7 juli 2007,
http://www.be-wired.nl/info/geschiedenis.htm
*z.d. = zonder datum