Leerstoornissen

Protocol
Kapstok
Leerstoornissen
Index
Blz. 3
ADHD
Blz. 4
Autisme
Blz. 5
Beelddenken
Blz. 6
Depressieve kinderen
Blz. 7
Dyscalculie
Blz. 8
Dysfasie
Blz. 9
Dyslexie
Blz. 10
Dyspraxie
Blz. 11
Faalangst
Blz. 12
Gilles de la Tourette
Blz. 13
Hoogbegaafdheid
Blz. 14
Kleurenblindheid
Blz. 15
NCL
Blz. 16
NLD
We realiseren ons dat we met deze ‘kapstok’ verre van compleet zijn. Alleen al op het internet is veel
meer informatie te vinden. Kijk b.v. eens op http://orthopedagogiek.startpagina.nl/ !
Blz. 2/16
ADHD (Attention Deficit/Hyperactivity Disorder)
1.
Kenmerken/
symptomen
-
2.
3.
Aandachtsproblemen: snel afgeleid, moeite met luisteren, veel beginnen maar
weinig afmaken, chaotisch, vergeetachtig, dingen kwijt raken
Hyperactiviteit: moeite met stil zitten, altijd bezig zijn, innerlijke rusteloosheid,
friemelen, tikken, druk praten
Impulsiviteit: dingen eruit flappen, in de rede vallen, ongeduldig, dringt zich op,
verstoort bezigheden van anderen
Er zijn subtypen, waarbij voorkomen:
Zowel aandachtstekort als hyperactiviteit/impulsiviteit
Alleen aandachtstekort (onoplettendheid) (=ADD)
Alleen hyperactiviteit
Objectieve criteria
Onderzoek
test
ADHD is nog niet vast te stellen aan de hand van objectieve gegevens uit lichamelijk
onderzoek of bloed of urine. De diagnose wordt meestal door een arts gesteld aan de
hand van systematisch verkregen gegevens van ouders, leerkrachten en bevindingen
uit onderzoek van diverse deskundigen uit de medische en psychologische
beroepsgroep.
Zij gaan na of er sprake is van criteria die zijn opgesteld in de DSM, het internationale
classificatiesysteem van de Geestelijke Gezondheidszorg
Voor 80% gaat ADHD samen met andere (psychiatrische) stoornissen, die het gevolg
kunnen zijn van ADHD, maar veel vaker betreft het een tweede of derde stoornis (comorbiditeit)
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Het kind handelt impulsief, kan zijn reactie niet uitstellen.
Het kind is ongevoelig voor de gevolgen van zijn gedrag.
Het kind kiest vaak voor zaken die hem meteen plezier opleveren.
In spelsituaties verstoren ze het spel, doordat ze niet op hun beurt kunnen wachten of
voordringen.
In sociale interacties praten ze door gesprekken van anderen heen.
Veel kinderen hebben last van motorische problemen, waardoor ze vaak vallen,
struikelen.
Behandeling van ADHD bestaat uit een combinatie van:
informatie en inzicht geven in de stoornis
medicatie
opvoedingsondersteuning
gedragstherapie en/of sociale vaardigheidstrainingen
begeleiding op school
Medicatie (methylfenidaat – merk: Ritalin, Concerta): werkt volgens recente inzichten
uit wetenschappelijk onderzoek beter dan de gedragstherapie; zorgt voor 80 tot 90%
van de kinderen met ADHD voor sterke gedragsverbetering.
Aanpassingen in de
schoolsituatie
-
geeft het kind een plaats vooraan (minder prikkels)
opdrachten in kleine deeltaakjes geven, met korte termijndoelen
geef extra tijd en één opdracht tegelijk, geef veel structuur
gebruik stickers op de bank ter ondersteuning
maak afspraken over gedrag in vrije situaties, structureer vrije situaties
wees prompt met afwijzing of beloning van gedrag
zeg niet alleen wat niet mag, maar vooral wat wél moet
sta geregeld even motorische activiteit toe
zoek naar gedrag waarin je compliment kunt geven
stel duidelijke, concrete eisen aan de werkhouding
vertel hoe het kind boosheid of frustratie kan aangeven
leg uit wat anderen van hem verwachten
Blz. 3/16
Autisme (ASS –Autistische spectrum stoornis)
ƒ
Kenmerken/
symptomen
ƒ
ƒ
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Voor signalering worden diverse signaleringslijsten gebruikt:
ƒ
CBCL, TRF en USR
ƒ
Auti-R: auti-schaal
ƒ
Australische schaal voor het syndroom van Asperger
ƒ
CHAT: Checklist Autism for Toddlers
Vanwege de comorbiditeit met andere stoornissen is vaak uitgebreid multidisciplinair onderzoek
nodig (psychiater, psycholoog, pedagoog, logopedist, fysiotherapeut).
Bij jonge kinderen is onderscheid tussen b.v. autisme, verstandelijke handicap,
taalontwikkelingsstoornis of reactie op traumatische gebeurtenis moeilijk te maken.
Criteria volgens DSM-IV.
-
-
het kind voelt situaties en emoties van anderen niet aan, begrijpt weinig van de sociale
wereld om hem heen
het kind kan zich niet of weinig in de ander verplaatsen, is star. Gedrag kan grenzeloos
bizar zijn
het kind kan niet anticiperen op het gedrag van anderen
het kind is vaak angstig, voelt zich onveilig; daardoor gedraagt hij zich teruggetrokken of
overdreven druk, kan gemakkelijk in paniek raken of agressief worden
het kind kan zijn gevoelens niet goed reguleren
het kind heeft moeite met nieuwe situaties
het kind duikt weg, droomt weg, doet niet mee, of zoekt juist ongepast contact
het kind heeft risico gepest te worden
-
consultatie van en hulp door Steunpunt Autisme
Preventieve ambulante begeleiding vanuit REC’s
speltherapie/speltraining
vaak ook logopedie gewenst
soms ook fysiotherapie, motorische therapie
-
veel ondersteuning bij de sociale interactie
veilige en voorspelbare leeromgeving is wenselijk
structuur in ruimte, tijd en activiteiten
methodes en toetsen vragen vaak (enige) aanpassing in het gebruik
eigen plekje, vast dagritme, duidelijke regels, takenkaart
stress en angst bij het kind voorkomen, zodat probleemgedrag uitblijft
“Auti-gymmap” van Ingrid Ott biedt scala aan gymnastiekoefeningen
Pictoagenda
Effect in de schoolsituatie
-
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Stoornis in de sociale wederkerigheid:
Het contact is vaak grenzeloos en bizar; er is sprake van objectivering van de
ander
Het kind kan plezier en bezigheden met anderen niet delen
stoornis in de communicatie:
het taalgebruik is, hoewel vaak correct, eigenaardig, plechtstatig
het kind maakt gebruik van stopwoorden en stereotype uitdrukkingen
stoornis in het verbeeldend vermogen:
het kind is in de ban van één thema, heeft éénzijdige interesses
het kind stelt eindeloos vragen om het vragen
het kind verliest zich in fantasieën; fantasie en werkelijkheid worden nauwelijks
onderscheiden
het kind kan onlogische angsten hebben
er is sprake van gefragmenteerd denken en het kind heeft moeite met
generaliseren
Blz. 4/16
Beelddenken
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Beelddenkers denken in beelden en gebeurtenissen en niet in woorden en begrippen.
We kunnen het ruimtelijk denken noemen, een simultaan, non verbaal denken; het is een
fundamenteel andere manier van denken.
Beelddenkers zijn visueel, ruimtelijk ingesteld, dat wil zeggen dat alles zich driedimensionaal in
hun hoofd afspeelt en dat ze met hun ogen en hun opgedane ervaringen werken. Luisteren is
nooit hun sterkste kant; de ogen gaan voor de oren.
Beeldenkers kunnen chaotisch overkomen in hun taalgebruik; ze associëren razendsnel, in
beelden.
Beeldenkers kunnen heel intelligent zijn.
Omdat beelddenkers in beelden denken hebben ze moeite met de vertaling naar de juiste
woorden; ze zeggen gauw ‘dinges’ of ‘danges’ omdat ze het juiste woord niet zo snel kunnen
vinden.
Onderzoekers maken voor het vaststellen van beelddenken gebruik van het Ojemann Wereldspel.
Daarmee kan aangetoond worden of een kind beelddenker is, of de cognitieve ontwikkeling
leeftijdsovereenkomstig is
Onderzoek
test
Effect in de schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Een beelddenker ziet bij b.v. het woord ‘stoel’ die stoel in gedachten voor zich; of die stoel nu
achterstevoren of op zijn kop staat: het blijft een stoel. Bij het leren van letters kan dit problemen
geven: een b is andersom opeens een d en op zijn kop een p.
Een beelddenker is snel afgeleid. Als ze ergens mee bezig zijn zien ze al weer iets nieuws om te
doen. Meer opdrachten tegelijk zal hij daardoor niet aan kunnen.
Ze lijken niet goed te luisteren, maar dat is geen onwil, maar onmacht.
Op school kenmerkt hij zich door zijn ‘afwezige gedrag’. De leerkracht denkt: is hij nou dom, of
neemt hij me in de maling. Hij heeft moeite met:
onthouden van letters en bijbehorende klanken
het automatiseren van tafels of sommen onder de 20
taalregels worden slordig gehanteerd
beeldenkers kijken meer naar overeenkomsten dan naar verschillen
Een beelddenker is laat rijpend, dus komt ook wat langer kinderlijk (kinderachtig) over.
Er is een groep van deskundigen, die kunnen vaststellen d.m.v. individueel onderwijskundig
onderzoek of een kind beelddenker is.
Nadere info over adressen in de buurt: bel Bureau Ojemann, 050 526 11 46.
Beelddenkers zijn gebaat bij korte, duidelijke opdrachten en afspraken.
Hulpmiddelen als briefjes, agenda’s en planborden kunnen soms helpen.
Ook in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs ondervinden beeldenkers moeilijkheden.
e
e
Vanaf de 3 of 4 klas is het onderwijs daar meer op inzicht gericht (sterke kant van de
beelddenkers) en hoeft er minder uit het hoofd geleerd te worden.
Een beelddenker moet eerst begrijpen voordat hij kan automatiseren.
Beelddenkers raken sneller vermoeid dan andere kinderen. Vanuit hun beelddenken gezien is de
wereld een andere dan die van hun – dat kost extra moeite en energie. Deskundigen adviseren
om zo’n kind af en toe een dagje thuis te laten bijkomen.
Vraag bij een opdracht altijd: “Wat ga je doen?” , zodat de leerling weer bij de les is; laat het hem
vooral vertellen wat hij gaat doen.
Ook: strategie verruimen (verschillende oplossingen bieden ) of dispenseren
Blz. 5/16
Depressieve kinderen
Kenmerken/
symptomen
-
Algemene symptomen:
Heel jonge depressieve kinderen blijven achter in groei en ontwikkeling zonder dat er een lichamelijke oorzaak
gevonden kan worden.
Peuters en kleuters huilen veel, zijn gauw geïrriteerd, vertonen weinig interesse voor de omgeving; ze kunnen
driftig reageren, wat rondhangen zonder te spelen, weinig eten en slaapproblemen ontwikkelen.
Kinderen vanaf het achtste jaar beginnen wat op depressieve volwassenen te lijken.
Depressieve tieners en adolescenten zijn vooral somber en lusteloos.
Soms is er bijgaande psychiatrische problematiek, zoals angsten, dwangstoornissen e.d., doodswensgedachten.
De kernsymptomen van de DSM IV worden nu als bruikbaar, gezien ook bij de diagnose van kinderen:
- Een heel neerslachtige stemming (verdrietig, leeg, huilerig zijn)
- Verminderde interesse of plezier in alle activiteiten gedurende de dag, of bijna elke dag
- Eetproblemen en gewichtsverandering
- Slaapproblemen (bijna niet slapen, heel erg veel slapen) bijna elke dag
- Heel gejaagd zijn en rusteloos of heel geremd en lusteloos
- Moeheid of verlies van energie
- Zich waardeloos en schuldig voelen bijna elke dag
- Moeilijkheden hebben om zich te concentreren of beslissingen te nemen
- Dikwijls denken aan de dood of zelfdoding
Objectieve criteria
Men schat dat 1 op de 20-40 kinderen op de basisschool een vorm van depressie heeft, vergelijkbaar met de
frequentie van ADHD.
Een indicatie van depressiviteit bij kinderen kan gevonden worden door toepassing van het “Klavertjevier van
depressie”.
Onderzoek
test
De lijnen voor nader onderzoek en therapie lopen via de huisarts en kinderpsycholoog.
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Kenmerken:
1.
affectieve kenmerken: sombere, terneergeslagen, depressieve stemming; verminderde
belangstelling en plezierbeleving; geringe eigenwaarde; zich ongeliefd voelen; gebrek aan
vrolijkheid; zelfmedelijden.
2.
cognitieve kenmerken: negatieve zelfbeoordeling; zichzelf de schuld geven; negatieve beoordeling
van de omgeving; negatief toekomstperspectief; aandachts- en concentratieproblemen;
besluiteloosheid; steeds terugkerende gedachten (kind is nogal eens bezig met dood en doodgaan).
3.
motivationele kenmerken: psychomotorische vertraging; psychomotore onrust; verminderde motivatie
op school; zich sociaal terugtrekken; regressief gedrag
Secundaire kenmerken: lichamelijke pijnen (waarvoor geen oorzaak is te vinden), vermoeidheid, verandering in
eetlust en/of gewicht, slaapstoornissen, omgangsproblemen, leerproblemen, angsten, gedragsproblemen (maar
het kan juist ook buitensporig braaf en stil zijn).
Een onbehandelde kinderdepressie heeft een groot risico op herhaling.
Afhankelijk van de aard en de ernst van de depressie kan een behandelaar vaststellen wat er nodig is:
medicijnen, psychotherapie of een combinatie van beide.
Het is noodzakelijk dat de behandeling aansluit bij het kind wat betreft leeftijd, ontwikkeling, belevingswereld en
interesse. Bij jonge kinderen en kinderen met een verstandelijke beperking geeft muziektherapie goede
resultaten.
Depressie is vaak goed te behandelen. Verreweg het grootste deel van de behandelingen bij depressie heeft
een gunstig effect. Voor behandeling moet de stap naar de hulpverlening worden gezet. De huisarts is hiervoor
de eerste aangewezen persoon. In eerste instantie wordt gekeken wat er aan de hand is: wat zijn uw klachten,
hoe kunt u het beste worden geholpen? Vaak wordt gekozen voor een combinatie van gesprekken en
medicijnen. Maar er zijn ook andere behandelingsmogelijkheden, zoals lichttherapie, Electro Convulsie
Therapie, looptherapie, et cetera.
Analyseer het pedagogisch klimaat op school en de eigen rol als leerkracht daarbij.
Zijn er op schoolniveau duidelijke afspraken?
Zijn er op groepsniveau duidelijke regels en afspraken? Hoe is de sfeer in de groep? Hoe is de relatie tussen het
depressieve kind en de andere kin deren?
Vragen die de leerkracht zichzelf kan stellen:
Hoe reageer ik op dit kind?
Hoe verlopen de interacties tussen mij en dit kind?
Weet ik wat er in het kind omgaat?
Hoe ga ik ermee om als depressieve kinderen afgewezen of genegeerd worden door klasgenoten?
Analyseer de onderwijssituatie. Heeft het kind misschien een ontwikkelingsvoorsprong of –achterstand, die
ervoor zorgt dat het zich niet lekker voelt in de klas?
¾ Confronteer het kind niet altijd met zijn falen, maar benadruk de dingen die het kind goed doet.
¾ Wees consequent
¾ Stimuleer de sociale ontwikkeling van het kind
¾ Praat met het kind over zijn gevoelens en laat het zijn gevoelens delen.
Blz. 6/16
Dyscalculie
1.
Kenmerken/
symptomen
-
2.
3.
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Visueel-ruimtelijke subtype:
Moeite met plaatsen van cijfer in getallenrij, met plaatsen van getallen onder
elkaar; met opschrijven grote getallen, met onderdelen waarbij ruimtelijk inzicht
en ruimtelijke begrippen gevraagd worden (meetkunde); ook soms problemen met
teamsporten op groot veld (hockey, voetbal)
Procedurele subtype:
Gebruikt rekenaanpak die normaal is voor jongere kinderen; maakt veel fouten in de
uitvoering van rekenprocedures; achterstand in het begrip van de rekenprocedures; moeite
met volgorde van de stappen bij complexe berekeningen, ook bij klokkijken.
Verbaal geheugen subtype:
Traag rekenen, waarbij eenvoudige sommetjes niet geautomatiseerd zijn;
geheugenproblemen
Via nauwkeurig didactisch onderzoek moet vastgesteld worden waar het kind vastloopt en wat
daarvan de oorzaak is. Belangrijk is dat daarbij veel aandacht wordt geschonken aan het
getalbegrip (omdat aan erg veel rekenproblemen onvoldoende getalbegrip ten grondslag ligt).
Onderzoekmiddelen kunnen zijn:
“Vlot”, voor optellen en aftrekken tot 1000
Kwantiwijzer
Diagnostisch Rekenonderzoek van Erp (Swets & Zeitlinger)
Voor onderzoek van bepaalde onderdelen kan gebruik gemaakt worden van b.v. de
Cito-toetsen ordenen en ruimte en tijd, de Utrechtse getaltoets en Reken Radar
‘optellen’ en ‘tafels’.
Om een goede diagnose te stellen moet een breed onderzoek plaats vinden: intelligentietest,
geheugentest, schoolse vorderingen, taaltest, psychomotorisch onderzoek, aandacht en
concentratie, sociaal-emotioneel onderzoek
Om dyslexie vast te stellen: beantwoord de volgende vragen:
is er sprake van een ernstige rekenachterstand (meerdere momenten een E-score)
is er sprake van hardnekkigheid of didactische resistentie (na minsten een half jaar
intensieve begeleiding)
wordt het rekenprobleem gekenmerkt door een automatiseringstekort
Voldoet het kind aan de volgende 4 voorwaarden?
A. er is een groot contrtast tussen de rekenprestaties en de verstandelijke capaciteiten
B. de resultaten met rekenen verschillen sterk met de resultaten op andere schoolse
vakken
C. er is sprake van een taakverwant contrast: bij begrijpend lezen wordt significant beter
gescoord
D. de rekenproblemen worden niet veroorzaakt door NLD
Kunnen 3 van de 4 vragen bevestigend worden beantwoord en voldoet de leerling tenminste aan
de voorwaarden A t/m C, dan is het vermoeden van dyscalculie gegrond.
Effect in de
schoolsituatie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Dyscalculie herken je vaak doordat een kind
moeite heeft met onthouden en verwerken van informatie uit het hoofd
moeite heeft metbegrijpen van de informatie van het probleem
moeite heeft met betrouwbaar het werk nakijken
moeite met ruimtelijke oriëntatie (links-rechts, lezen/interpreteren van kaarten,
legenda’s, afmetingen
het moeilijk heeft met eigen fouten te ontdekken
niet houdt van strategiespelletjes en dito-speelgoed
de volgende stap in een berekening gemakkelijk vergeet
slordige, achteloze fouten maakt
op de vingers telt
moeite heeft met het leren van tafels
moeilijk nummers onthoudt
traag reageert bij het antwoord geven
Algemene tips voor in de klas:
leef je in, geef de tijd, let op je taal, spreek de kinderen aan, moedig aan en bekracht,
wees consequent, wees realistisch
Compenserende maatregelen (die ervoor zorgen dat het kind een taak aankan ondanks
zijn tekorten) en dispenserende maatregelen (stellen het kind vrij van een aantal eisen
die omwille van de stoornis moeilijk voor het kind zijn):
•
de leerling krijgt meer tijd voor toetsen
•
de toets wordt opgebouwd volgens moeilijkheidsgraad
•
de leerling mag gebruik maken van schema’s met regels
•
de leerling krijgt huiswerktaken die hij aankan en waarmee hij succes kan
•
behalen
•
bij het rekenen mag de leerling indien nodig concreet materiaal gebruiken
•
het gebruik van een rekenmachine is toegelaten
Blz. 7/16
Dysfasie
Kenmerken/
symptomen
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Dysfasie is een taalontwikkelingsstoornis. Kenmerken kúnnen zijn:
in het eerste levensjaar: het kind is zwijgzaam (brabbelt niet of nauwelijks)
na 18 maanden jaar: het kind gebruikt nog geen woorden met zekere herkenbare
betekenis (papa, mama, drink, heb, geef, etc.)
na 24 maanden: het kind gebruikt nog geen tweewoordzinnetjes met een herkenbare
betekenis (papa auto, etc.)
met 3 jaar: het kind gebruikt regelmatig ‘woorden’ (of vage klanken) waarvan niet
duidelijk is wat ze betekenen, of die niet passen in de gebruikssituatie
met 3 jaar: het kind stelt nog geen vragen (Waarom? Wat is dat?)
Wees alert als een kind geen taal gebruikt om te communiceren, maar wel op allerlei andere
manieren ‘praat’ (mimiek, gebaren, visuele ondersteuning).
Wees alert als een kind vaak woorden gebruikt die niet passen in de context (alsof die woorden
voor het kind een andere betekenis hebben).
Als het kind dan ook nog niet schijnt te begrijpen wat er gezegd wordt, behalve wanneer het
gesprokene ondersteund wordt door gebaren, dan is de kans groot dat het kind dysfasie heeft.
Wees alert als een trage taalontwikkeling samengaat met een trage motoriek.
Extra zorg is op zijn plaats als de trage taalontwikkeling samengaat met scheidingsangst of
verlatingsangst; als er iets mis is met de taalontwikkeling kan dat mede zichtbaar worden door een
opvallend grote en blijvende scheidingsangst (b.v. bij eerste bezoek aan crèche of school)
In eerste instantie kan een logopedist een taalontwikkelingsachterstand vaststellen. Vaak is het
gewenst om nader specialistisch onderzoek te doen naar de oorzaak daarachter. De audioloog
van een audiologisch centrum kan een onderzoek doen naar het gehoor; de psycholoog kan
vaststellen of de taal (verbale intelligentie) uit de pas loopt met het hele leervermogen (algemeen
intelligentieniveau). Daarbij kan ook worden vastgesteld of er sprake is van een primaire
taalstoornis of een secundaire taalstoornis (-gevolg van een andere stoornis).
Verschil met afasie (als gevolg van een hersenbeschadiging door een beroerte of ongeval): bij een
kind mag je alleen van dysfasie spreken als er géén duidelijke hersenbeschadiging is die de
taalstoornis veroorzaakt.
Dysfasie is een primaire taalstoornis, die een algemene leer- en ontwikkelingsachterstand kan
veroorzaken.
In de praktijk worden taalgestoorde kinderen vaak laat of onjuist gediagnosticeerd. Vaak wordt pas
als het kind al een paar jaar op school zit vastgesteld, dat de leerproblemen van het kind eigenlijk
zijn terug te voeren op een taalprobleem.
Bij de eerste entree in de school kan een dysfatisch kind zich erg angstig tonen, verlatingsangst.
Vaak gaat de trage taalontwikkeling samen met een trage motoriek.
Problemen die bij rekenen voorkomen die verband houden met dysfasie:
Uit het hoofd gaat moeilijk (i.v.m. gebrek aan innerlijke spraak)
Automatiseren
Redactie sommen
Dysfatisch kinderen ontwikkelen vaak een gedragsprobleem: als je steeds gefrustreerd wordt in de
mogelijkheid jezelf adequaat te uiten, dan ligt dat voor de hand dat je dat gaat afreageren. Het ene
kind wordt onrustig, druk, driftig of agressief. Het andere wordt juist stil en teruggetrokken,
apathisch of depressief.
De Amsterdamse Stichting Dysphatische Ontwikkeling: richt zich op de diagnose van kinderen met
een dysfatische ontwikkeling. Bij deze kinderen wordt door het team een neurologische
ontwikkelingsstoornis vermoed, die inhoudt dat de specialisatie voor taal die we met de linker
hersenhelft associëren, niet goed tot stand komt. De behandeling richt zich dan ook op de training
van de linker hersenhelft.
In de school (en daarvóór) wordt een kind met taalproblemen behandeld door de logopedist. Als
dat niet helpt en het kind het ook niet redt binnen het reguliere onderwijs, kan worden besloten tot
aanmelding bij de CvI van REC-2 voor het verkrijgen van ambulante begeleiding of plaatsing op
een school voor kinderen met ernstige spraak- en taalmoeilijkheden (ESM-school)
(zie voor info www.rec2holland-flevoland.nl/)
Als een kind herkenbare signalen van taalproblemen vertoont dient het kind te worden verwezen
naar en behandeld door de logopedist.
Plaatsing voorin de klas, zodat het kind een goed zicht heeft.
Bij gesprek is oogcontact erg belangrijk.
Belangrijk is dat het kind in een vroeg stadium via visueel aanbod leert lezen en schrijven. Veel
laten opschrijven van wat aangeleerd moet worden helpt.
Via foto’s en grafische afbeeldingen de woordenschat uitbreiden.
Blz. 8/16
Dyslexie
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Mensen met dyslexie hebben meestal een aantal van de volgende kenmerken:
Moeilijkheden met gesproken taal; laat met praten begonnen
o
Moeite met de uitspraak van woorden
o
Moeite met het verwerven van de woordenschat
o
Het spraakgebruik is niet passend bij de leeftijd
o
Moeite met het volgen van richting
o
Begrippen als voor/achter en links/rechts worden door el;kaar gehaald
o
Moeite met het onthouden van namen
Moeilijkheden met lezen:
ƒ
Moeite met het onthouden van de klank van letters
ƒ
Draait letters of de volgorde van letters om tijdens lezen
ƒ
Leest kleine woordjes fout of slaat ze over
ƒ
Hakkelt bij het lezen van langere woorden
Moeilijkheden met geschreven teksten: o.a.
ƒ
Moeite met het schrijven van ideeën
ƒ
Slecht of traag handschrift
ƒ
Rommelig, ongeorganiseerd werk
ƒ
Moeite met overschrijven
ƒ
Veel spellingsfouten
Moeilijkheden met rekenen: o.a.
ƒ
Soms worden getallen omgedraaid
ƒ
Moeite met onthouden van rekenregels
ƒ
Automatiseren van tafels gaat erg moeizaam
Moeite met klokkijken en soms weinig begrip van tijd
Men spreekt van dyslexie wanneer de automatisering van woordidentificatie (lezen) en/of schriftbeeldvorming
(spellen) zich niet, dan wel zeer onvolledig of zeer moeizaam ontwikkelt .
Dat betekent dat in de praktijk dyslexie gekenmerkt wordt door een ernstige lees- en/of spellingsachterstand, die
hardnekkig is en moeilijk te beïnvloeden is door de in het onderwijs gebruikelijke didactische maatregelen en
remediërende hulp en die bij onderzoek blijkt samen te gaan met een zeer trage en/of onnauwkeurige en snel
verstoorde woordidentificatie en/of schriftbeeldvorming. (Definitie Gezondheidsraad).
Dyslexieonderzoek bestaat uit een aantal delen:
Eerst wordt de intelligentie bekeken. Vervolgens wordt er gekeken naar de leesvaardigheid. Zowel het lezen op
snelheid als het lezen op juistheid worden in kaart gebracht. Ook wordt de spellingsvaardigheid in kaart
gebracht. In sommige gevallen wordt er gekeken naar het niveau van begrijpend lezen.
De leesproblemen van kinderen met dyslexie vallen het meest op bij hardop lezen. Sommigen hebben een traag
leestempo en lezen de woorden spellend. Anderen hebben een hoog leestempo, maar maken daarbij veel
fouten door te raden. Er kan ook sprake zijn van een combinatie van beide.
Kinderen met dyslexie kunnen moeite hebben om:
ƒ
Het verschil te horen tussen klanken als m en n; p, t en k; s, f en g; eu, u en ui
ƒ
De klanken in volgorde te zetten, zoals bij ‘dorp’ en ‘drop’ of 12 en 21
ƒ
De aandacht te houden bij ‘klankinformatie’ (gesproken woord)
ƒ
Het inprenten van reeksen, b.v. tafels of spellingsregels
ƒ
Het onthouden van vaste woordcombinaties, uitdrukkingen of gezegdes
ƒ
Het onthouden van losse gegevens, zoals rijtjes, woordjes en jaartallen
Kinderen met dyslexie maken langdurig veel spellingsfouten; ze hebben veel steun nodig van spellingsregels.
Kinderen met dyslexie schrijven vaak o9nleesbaar en maken veel doorhalingen; soms valt ook een traag
schrijftempo op.
Maar vaak hebben dyslectici niet alleen maar problemen met lezen en schrijven. Sommige dyslectici hebben
problemen of moeite met het onthouden van feiten of handelingen, met rekenen (met name de talfels) of hebben
emotionele problemen (bijvoorbeeld faalangst).
Als een kind in de klas met lezen niet goed kan meekomen is pre-teaching erg nuttig. Het kind krijgt van tevoren
de tekst voorgelezen die tijdens de les wordt gelezen; daardoor kan het goed meedoen in de klas en zit er niet
voor spek en bonen bij. Dit is goed voor zijn zelfvertrouwen. Remediërende hulp is meestal nodig.
Vanaf groep 7/8 worden compenserende hulpmiddelen steeds belangrijker. Er is veel nuttige software te
verkrijgen; zie daarvoor het internet (b.v. op www.kennisnet.nl).
Een dyslexieverklaring kan het kind helpen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs en daarna.
Een dyslexieverklaring is een uitspraak over het feit of er bij iemand sprake is van dyslexie. Deze uitspraak kan
niet verjaren; dyslexie gaat immers niet over (maar het bijbehorende onderzoeksverslag is na maximaal twee
jaar verouderd!) . Een geldige dyslexieverklaring is gebaseerd op een onderzoek van een gekwalificeerde
psycholoog of orthopedagoog. In het verslag van het onderzoek komt aan de orde welke testen er zijn
afgenomen, wat de resultaten waren, wat naar aanleiding daarvan de conclusies zijn en welke adviezen er
worden gegeven met betrekking tot het toekomstig handelen, o.a. over de faciliteiten die de dyslecticus behoeft.
De volgende aanpassingen zijn mogelijk:
Aanpassingen in de
schoolsituatie
-
Veel individuele begeleiding in de groep, remedial teaching en pre-teaching
Tijdverlenging
Opgaven van de leerstof & toetsen in grotere letters
Opgaven van de leerstof & toetsen op cassetteband
Gebruik van de computer
Readingpen, al dan niet met spellingcorrectie
Afspraken maken over het meetellen van spelfouten
Gebruik maken van speciale software voor dyslectici
Blz. 9/16
Dyspraxie of DCD
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
(Developmental Coördination Disorder)
DCD/dyspraxie is bij kinderen te herkennen aan de volgende kenmerken:
De uitvoering van dagelijkse handelingen, die motorische coördinatie vereisen, is
beduidend slechter dan verwacht, gezien de chronologische leeftijd van een kind en het
gemeten intelligentieniveau. Dit kan tot uiting komen in het later bereiken van
motorische mijlpalen (zoals lopen, kruipen, zitten), in het laten vallen van voorwerpen,
‘houterigheid’, slechte prestaties bij sport, of een slecht handschrift.
De aandoening beïnvloedt zichtbaar de schoolse prestaties of algemene dagelijkse
activiteiten.
De aandoening is niet het gevolg van een medische conditie (zoals cerebrale parese –
verlamming – of spierdystrofie) en voldoet niet aan de criteria van een Pervasieve
Ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS).
DCD gaat meer dan gemiddeld echter wel gepaard met ADHD, PDD-NOS, het
syndroom van Asperger en leerstoornissen.
Als er sprake is van mentale retardaties, moeten de motorische problemen ernstiger zijn
dan de problemen die normaal gesproken bij die retardatie voorkomen
Om DCD te kunnen vaststellen is observatie en onderzoek nodig van het kind. In een
revalidatiecentrum dienen door verschillende deskundigen meerdere observaties te worden
uitgevoerd (ergotherapeut, fysiotherapeut, logopedist, orthopedagoog, maatschappelijk werker,
revalidatie-arts) om te komen tot een diagnose, behandelplan en adviezen hoe met de handicap
kan worden omgegaan.
Daarbij worden meerdere testen gebruikt, zoals:
Movement-ABC test (test motoriek)
WISC (intelligentietest)
DSM-IV (classificatie van psychische stoornissen)
Problemen in de klas kunnen zijn:
moeilijkheden met schrijven en tekenen
slechte fijne en/of grove motoriek
knoeien bij eten en drinken
langzaam bij aankleden
langzaam leren (b.v. bij leren fietsen)
snel afgeleid zijn
vallen en stoten (veel blauwe plekken!)
vernielzuchtig in de klas
moeite met staan op één been, huppelen, springen
moeite met het overschrijven van teksten
moeite met plannen en organiseren van gedachten
zwakke taalvaardigheid
zwakke sociale vaardigheden
Dyspraxie is een verborgen handicap die niet geneest; je moet ermee leren leven.
Soms nemen de symptomen in de puberteit sterk af. Voor kinderen die problemen blijven houden
is belangrijk:
oefening, om de vaardigheden op peil te houden, m.b.v.
ƒ
ergotherapeut
ƒ
kinderfysiotherapeut
ƒ
logopedist
ƒ
maatschappelijk werker
ƒ
revalidatie-arts
ƒ
manueel therapeut
ƒ
kinderoefentherapeut Cesar/Mensendieck
Wat de leerkracht kan doen:
verlaag de verwachtingen, ook al is het kind slim genoeg
geef meer tijd
pas hoeveelheid werk aan
verdeel taken in overzichtelijke delen en vereenvoudig
geef losse instructies in plaats van een reeks
Blz. 10/16
Faalangst
Kenmerken/
symptomen
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Faalangst is het geheel van fysieke, cognitieve en gedragsmatige reacties op een situatie
waarbinnen men, naar eigen aanvoelen, een prestatie moet leveren die om een of andere reden
belangrijk wordt geacht, en waarbij men de kans op mislukking reëel inschat. Het ontstaat in
situaties waarbij iemand beoordeeld wordt of beoordeeld denkt te worden. Het is een afgebakende
angst (b.v. alleen bij rekenen, of alleen bij gymmen)
Er zijn 3 soorten faalangst te onderscheiden:
1. motorische faalangst (bij tekenen, handvaardigheid en bewegingsonderwijs;
2. sociale faalangst (er is sprake van een geremdheid in het leggen van contacten en het
hebben van weinig sociale vaardigheden;
3. cognitieve faalangst (slaat voornamelijk op opdrachten die te maken hebben met leren
op school, waar een beoordeling aan te pas komt
Deze drie kunnen in combinatie met elkaar voorkomen.
Het goed observeren van het gedrag van de leerling en het opvangen van bepaalde signalen is
van groot belang.
Het tijdschrift JSW heeft een signaleringslijst voor faalangst gemaakt voor kinderen in het
basisonderwijs (zie map Leerstoornissen deel 2 – 5 of meer ingevulde ‘vaak-vakken’ in de lijst
indiceren faalangstigheid).
-
Faalangst kan zich uiten in:
misselijkheid, hoofdpijn, hartkloppingen, buikpijn, zweten, zuchten, hyperventileren
het denken wordt geblokkeerd, black-out, negatief voorspellen, doemdenken, chaotisch
te werk gaan, veel wiebelen, onderbreken, weglopen
Belangrijk is dat er eerst een zorgvuldige diagnose gedaan wordt, voordat er met begeleiding
wordt begonnen; waar komt de faalangst vandaan?
heeft het kind vervelende ervaringen opgedaan met een bepaald vak?
Is het de omgeving die invloed heeft gehad op het kind?
Aanpak op individueel niveau:
laat een kind voelen dat je hem/haar waardeert, los van de prestaties
geef feedback, benadruk wat goed gaat
laat merken dat mislukken mag
Interactie leerling-leerkracht:
zorg voor een vriendelijke, niet bedreigende klassensfeer
maak je gedrag voorspelbaar
stel realistische maar optimistische verwachtingen
Bij nieuwe lesstof:
geef precies aan wat de kern is, wat de kinderen moeten kennen, in welk tijdsbestek
controleer tijdens de les regelmatig of iedereen alles begrepen heeft
Aanpassingen om te begeleiden en te voorkomen:
creëer een goed pedagogisch klimaat: wees tolerant, respectvol, structurerend en
aanvullend t.o.v. de kinderen; reageer op het kind, niet op symptomen of uiterlijk gedrag;
het kind moet zich veilig voelen;
geef kinderen de mogelijkheid van een eigen inbreng;
gezellige inrichting van het lokaal straalt meer warmte en veiligheid uit dan een lokaal
met kale muren;
houd bij de verwachtingen van de kinderen rekening met individuele verschillen in
niveau, interesse, tempo, begaafdheid;
laat kinderen vaak in groepjes samenwerken;
stel niet het gewenste resultaat centraal, maar het ontwikkelingsproces dat kinderen
doormaken;
benadruk in berichten naar huis en gesprekken met ouders vooral de vorderingen en
positieve kanten van het kind
Blz. 11/16
Syndroom Gilles de la Tourette
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Het syndroom van Gilles de la Tourette is een neuro-psychiatrische aandoening die gekenmerkt
wordt door tics.
Tics zijn abrupte, niet-doelgerichte, ongecontroleerde en steeds optredende bewegingen of
geluiden.
Voorbeelden van bewegingstics (ook wel motorische tics genoemd):
knipperen met de ogen, een grimas trekken, wegdraaien met de ogen, optrekken van de neus,
schudden met het hoofd, schouders optrekken, diverse tics in de ledematen.
Voorbeelden van geluidstics (ook wel vocale tics genoemd):
Keelschrapen, kuchen, grommen, knorren, sisgeluiden, klakken met de tong, uiten van zinloze
kreten, uiten van scheld- en schuttingwoorden, vloeken.
Er is sprake van het syndroom wanneer er tenminste gedurende een jaar meerdere bewegingstics
en minstens 1 geluidstic zijn geweest.
Soms is er sprake van complexe tics (meerdere bewegingen of geluiden in één tic.
Het syndroom gaat in veel gevallen gepaard met verschijnselen die doen denken aan ADHD, OCS
of OCD (Obsessive-Compulsive Disorder, dat zijn dwang- of dranghandelingen en –gedachten die
kunnen uitmonden in merkwaardige gewoontes en rituelen) en PDD-NOS
e
e
Tourette is erfelijk, meestal optredend tussen het 4 en 11 jaar.
Het syndroom van Gilles de la Tourette zal doorgaans door een neuroloog of psychiater worden
gediagnosticeerd.
In de DSM-IV zijn de diagnostische criteria van GTS als volgt opgenomen:
zowel multiple motorische als een of meer vocale tics zijn op een bepaald moment van
de ziekte aanwezig geweest, hoewel niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd;
de tics komen vele keren per dag voor, bijna elke dag of met tussenpozen gedurende
meer dan één jaar, in in deze periode was er nooit een tic-vrije periode van meer dan
drie aaneengesloten maanden;
e
begin voor het 18 jaar;
de stoornis is niet het gevolg van directe fysiologische effecten van een middel of een
somatische aandoening.
Vaak wordt door de arts gebruik gemaakt van bepaalde standaardinstrumenten zoals symptoomen checklijsten.
-
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
-
Behandeling:
er is geen goed medicijn tegen Tourette
er zijn ‘lapmiddelen’ die de symptomen vaak doen verminderen
sommige patiënten vinden baat in het alternatieve circuit of bij cannabis
er is een gedragstherapie mogelijk, gericht op het verminderen van de tics, meestal
gegeven door een psycholoog
vaak ziet men ook een combinatie van medicijnen en gedragstherapie
in uitzonderlijke gevallen kan een chirurgische ingreep plaats vinden, waarbij elektroden
in de hersens worden ingebracht.
-
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Omdat Gilles de la Tourette ongeneeslijk is is het belangrijk, dat de andere kinderen in
de klas goed geïnformeerd zijn over de aandoening, zodat ze begrijpen wat er aan de
hand is
Wees bedacht op zeer wisselend gedrag en concentratie
Help het kind bij zijn gevoel van eenzaamheid, help het om mee te doen
-
meer kan dan de uitslag van de intelligentietest doet vermoeden informeer de groep
over de stoornis
zoek naar de sterke kanten bij het kind; die kunnen ter compensatie dienen
houd rekening met zeer wisselend gedrag, denk niet dat het kind manipuleert
door spanning van de situatie ervan bewust zijn dat het kind
Een plek om zich terug te trekken als er perioden met veel tics zijn
Kinderen met Tourette hebben behoefte om zich gedurende de dag lichamelijk vrij te
bewegen; sta dus gestructureerd af en toe even een loopje toe
Soms heeft dit kind opeens extra tijd nodig voor een werkstuk; hak het werk in kleine
stukjes
Maak aanpassingen als het kind het tempo niet kan bijhouden
Laat eventueel een laptop gebruiken
Voorkom onnodige spanningen; vermijd plotselinge overgangen en een haarscherpe
timing
Blz. 12/16
Hoogbegaafd
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
Kenmerken van hoogbegaafdheid (IQ 130 of hoger):
Positieve kenmerken:
grote en uitzonderlijke kennis
grote interesse
wisselend schoolwerk (afnemende prestaties, maar bij ingewikkelde vragen juist wel
goede antwoord weten, mondeling beter dan schriftelijk presteren, wel goed uit de verf
komen bij individueel onderwijs op maat)
positief thuiswerk (onderpresterende leerlingen werken vaak thuis verder aan
zelfgekozen schoolprojecten en ontwikkelen thuis op eigen initiatief allerlei activiteiten)
grote verbeelding
hoge mate van sensitiviteit
Negatieve kenmerken:
afnemende prestaties, wisselend schoolwerk (vooral bij schriftelijk werk beneden
niveau, schrijven vaak slordig, houden niet van instampen/inprenten, missen
leerinhouden en instructiemomenten, zijn slechts selectief enthousiast
negatief gedrag (lastig, onaangepast, vervelen zich, dromen weg)
haperende sociaal-emotionele ontwikkeling (vaak ontevreden over zichzelf, vermijden
nieuwe activiteiten uit angst voor mislukking, minderwaardigheidsgevoelens,
wantrouwend of onverschillig, mijden groepsactiviteiten)
geringe taakgerichtheid (laag werktempo, stellen onrealistische doelen, zijn snel
afgeleid, vergeetachtig of impulsief,geen duidelijk leertraject voor ogen, voelen zich
hulpeloos, willen niet geholpen worden)
negatieve houding (wisselende motivatie, hekel aan routine, verzet tegen autoriteit,
staan onverschillig of afwijzend tegenover school)
Schoolbegeleidingsdienst, adviesbureaus voor opleiding en Beroep e.a. kunnen nader onderzoek
doen met
Digitaal Handelingsprotocol Hoogbegaafdheid. Gerven, E. van & Drent, S (2004).
Observatielijst diagnosticering - SBD Midden-Holland en Rijnstreek
SiDi R protocol. Bruin-de Boer, Alja de & Kuipers, Jan (2004)
Vragenlijst leerkracht t.b.v. signalering - SBD Midden-Holland en Rijnstreek
Omdat hoogbegaafde leerlingen in het huidige onderwijs vaak niet op niveau worden
aangesproken, lopen zij een groot risico om gedemotiveerd te raken, met gedragsproblemen en
onderpresteren als gevolg.
Om een doorgaande lijn voor hoogbegaafde leerlingen te waarborgen is het van belang dat er
binnen school beleid wordt ontwikkeld voor het omgaan met hoogbegaafde leerlingen:
maak duidelijke afspraken over alle facetten van opvang en begeleiding van
hoogbegaafde leerlingen en zet deze afspraken op papier
geef voorlichting aan ouders over dat beleid
zorg ervoor dat de coördinatie van de zorg voor hoogbegaafde leerlingen goed geregeld
is
besteed bij hoogbegaafde leerlingen extra aandacht aan de overdracht naar het
voortgezet onderwijs
bied extra leerstof aan (die o.m. beroep doet op creativiteit en zelfstandigheid, zorg voor
open opdrachten, hoog abstractieniveau, hoge mate van complexiteit, die een
reflectieve houding en interactie uitlokt)
overweeg versnelling (groep overslaan
Tips voor de leerkracht:
stimuleer en probeer zo responsief mogelijk te zijn
zorg voor een anti-autoritaire atmosfeer en wederzijds respect, waar je vragen mag
stellen
zorg voor positieve terugkoppeling en bied hulp aan de leerling om beperkingen (voor
de leerling) te accepteren
geef mogelijkheden voor succes en stimuleer geloof in zichzelf
spreek de leerling aan op zijn/haar niveau en schaf materialen aan waar de leerling aan
toe is
waak erevoor dat de leerling een positieve houding t.a.v. de school behoudt
Blz. 13/16
Kleurenblindheid
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Gehele of gedeeltelijke kleurenblindheid is het niet volledig normaal waarnemen van kleuren.
'Kleurenzwakte', minder goed kunnen onderscheiden, komt meer voor dan 'echte' kleurenblindheid
waarbij één van de drie kleurwaarnemingssystemen helemaal is uitgevallen. Meestal treedt
kleurenblindheid op als één of meer van de drie typen kegeltjes die naast de staafjes van de twee
soorten lichtgevoelige cellen in het netvlies zijn, niet goed of helemaal niet werken.
Kleurenblindheid is meestal een geslachtsgebonden erfelijke aandoening, hoewel er ook
verworven vormen bestaan, meestal door intoxicaties, soms met bepaalde geneesmiddelen.
Elke schoolarts heeft een test voor het vaststellen van kleurenblindheid achter de hand,
maar hij wordt niet standaard bij alle kinderen gebruikt.
Geadviseerd wordt om bij ernstige problemen naar de oogarts te gaan om nauwkeurig te
laten vaststellen wat er aan de hand is en hoe ermee moet worden omgegaan.
Denk aan
gebruik van kleuren op het schoolbord
de kleurenlay-out van de leerboeken
etc
Enkele vuistregels voor kleurgebruik voor kleurenblinden. De volgende kleurencombinaties
kunnen beter worden vermeden.
•
•
•
Rood op zwart of zwart op rood, of vlak tegen elkaar aan.
Groen op rood of rood op groen, of vlak tegen elkaar aan.
Het mengen van beige, geel of oranje met rood en/of groen.
Als bovengenoemde kleurcombinaties als achtergrond worden gebruikt met een witte tekst
erover, waarbij er voldoende contrast is tussen deze tekst en de achtergrond.
Als vlakken van bovengenoemde kleuren naast elkaar worden gebruikt (bijvoorbeeld bij
navigatieknoppen), waarbij deze vlakken van elkaar te onderscheiden zijn (door middel van
bijvoorbeeld witte strepen)
Als er veel ruimte tussen de gekleurde objecten staat.
Als er voldoende verschil in helderheid is (bijvoorbeeld lichtgele tekst op een donkergroene
knop).
•
Aanpassingen in de
schoolsituatie
•
•
•
•
•
•
Een goed contrast tussen voor- en achtergrond is belangrijk; zelfs kinderen die
totaal kleurenblind zijn, kunnen dan nog een eind komen.
Als kleuren gebruikt worden om er een aanwijzing mee te geven, gebruik dan bij
voorkeur geel, blauw, wit of zwart i.v.m. eventuele rood-groen kleurenblindheid.
(Bijv. bij de opdracht: schrijf alle woorden over waaronder ik een gele streep heb
gezet.) Nog beter is om aan de kleur een patroon te koppelen. (Bovenstaande
opdracht zou dan luiden: schrijf alle woorden over waaronder ik een gele golflijn
heb gezet.) Dat kan ook helpen als men de kleuren rood of groen persé wil
gebruiken.
Als u met rood op een zwart bord schrijft, bedenk dan dat iemand die rood niet
waarneemt, niets op het bord ziet staan!
Plak op kleurpotloden of stiften de kleurnamen. Dat heeft bij kleurenblindheid twee
voordelen. Ten eerste kan zo'n stift of potlood als vergelijkingsmateriaal gebruikt
worden en ten tweede vergroot het de mogelijkheid om toch kleuren te gebruiken.
Als kleuren ook een boodschap inhouden, bijv. groen=starten en rood=stoppen,
schrijf dan de betreffende woorden erbij.
Let op bij opdrachten waarin een kleurnaam is verwerkt. Zoals hierboven. Bijv. als
het gaat om de onderstreepte woorden en die streep is toevallig geel, luidt de
opdracht: 'schrijf alle woorden over waaronder ik een gele streep heb gezet'. Maar
een kleurenblinde kan denken: "Er zijn ook woorden waaronder een anders
gekleurde streep staat, maar ik zie ze niet". Hij zoekt in dit geval dus voor niets.
Beter was: '... waaronder ik een streep heb gezet'.
Kleurintensiteit en heldere belichting werken in het voordeel van de kleurenblinde
Blz. 14/16
NCL
Kenmerken/
symptomen
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
NCL (Neuronale Ceroid Lipofuscinoses) is de naam voor een groep stofwisselingsziekten, die
genetisch verschillend zijn en zijn ingedeeld naar beginleeftijd.
De Neuronale Ceroid Lipofuscinoses (NCL) hebben gemeen, dat in de lichaamsweefsels bepaalde
stoffen, zogenaamde "lipopigmenten" (ceroidlipofuscine) stapelen. NCL worden gerekend tot de
zogenaamde "stofwisselingsziekten". In alle lichaamscellen, dus ook in de zenuwcellen, vindt
"stofwisseling" plaats: dat is omzetting van (biochemische) stoffen in andere stoffen. Zo worden
allerlei stoffen vanuit ons voedsel in het lichaam ingebouwd tot noodzakelijke stoffen voor de
opbouw en werking van cellen en organen. Deze omzetting vindt plaats onder invloed van
"enzymen". Enzymen zijn eiwitten, die in de cellen worden gemaakt.
Stofwisselingsziekten treden op als er ergens in dit stofwisselingsproces verstoring optreedt, b.v.
als die enzymen niet goed functioneren, doordat ze niet goed worden aangemaakt in de cel. Er
ontstaat dan stapeling van bepaalde stoffen, ofwel tekort aan andere stoffen in die cellen, ofwel de
omzetting van stoffen vindt een abnormale weg, hetgeen kan leiden tot beschadiging van die
cellen, zodat deze uiteindelijk te gronde gaan. Dit proces vindt al voor of direct na de geboorte
plaats.
Als er meerdere (zenuw-)cellen beschadigd zijn, worden de verschijnselen daarvan zichtbaar.
Gestoorde functie van de zenuwcellen in het netvlies leidt tot achteruitgang van het
gezichtsvermogen. Gestoorde functie van de zenuwcellen die de spieren besturen leidt tot
motorische problemen. Er kunnen een soort epileptische verschijnselen gaan optreden. Ook
stoornissen in het geheugen, denken, de taal en spraak kunnen zo ontstaan. Voorts kan het kind
moeilijker omgaan met emoties wat bijvoorbeeld gedragsproblemen tot gevolg kan hebben.
Het aantal verschillende mutaties van de diverse vormen van NCL is in de Nederlandse populatie
beperkt. In de meeste gevallen kan de klinische diagnose en de prenatale diagnose en eventueel
dragerschap worden bevestigd door vaststelling van de bekende mutatie. Specifieke tests zijn
ontwikkeld voor de directe vaststelling van de mutaties, die in Nederland voorkomen. Deze tests
worden op routinebasis toegepast door de sectie DNA-diagnostiek van het Klinische Genetisch
Centrum Leiden (Hoofd: dr E. Bakker), zodat dragerschaps-onderzoek en prenatale diagnostiek
met grote zekerheid kunnen worden verricht.
Meer informatie hierover is verkrijgbaar bij één van de klinisch-genetische centra in Nederland.
De juveniele vorm van NCL :
De meest bekende hiervan is de ziekte van Batten-Spielmeyer-Vogt (BSV). Deze begint tussen de
leeftijd van 5 en 8 jaar met achteruitgang van het gezichtsvermogen, "niet mee kunnen komen op
school", moeilijkheden met het korte geheugen en het bijhouden van het tempo. Geleidelijk gaat
de motorische ontwikkeling achteruit en ontstaan epileptische verschijnselen. De achteruitgang
van allerlei functies gaat door en tenslotte treedt na vele jaren verzwakking op en overlijden,
meestal op jong-volwassen leeftijd.
De laat-infantiele vorm van NCL :
De meest bekende hiervan is de ziekte van Jansky-Bielschowsky (JB). Deze begint tussen 2 en 4
jaar. De typische vroege verschijnselen zijn verlies van spiercoördinatie ("ataxie") en spierschokjes
("myoclonieën") bij toenemende achteruitgang in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Het
kind gaat snel achteruit en overlijdt meestal tussen 8 en 15 jaar oud.
De infantiele vorm van NCL :
De ziekte van Haltia-Santavuori: deze begint tussen de leeftijd van ½ en 2 jaar. Het kind "gedijt"
niet goed, heeft een abnormaal kleine hoofdomvang ("microcefalie"), heeft moeite het evenwicht te
bewaren en gaat lichamelijk en geestelijk heel snel achteruit. Karakteristiek zijn de spierschokjes
("myoclonieën") en epileptische aanvallen. De kinderen kunnen tot ongeveer 15 jaar oud worden.
Er zijn meerdere varianten van NCL.
Tot nu toe is genezing bij NCL niet mogelijk. Wel kunnen klachten verminderd worden.
Het is belangrijk lichaamsbeweging zo lang mogelijk te bevorderen in de vorm van bijvoorbeeld
fietsen op een tandem of zwemmen/bewegen in water. Pas later kan fysiotherapie noodzakelijk
worden om de lichaamshouding te verbeteren. Tegen spierstijfheid en onwillekeurige bewegingen
zijn medicijnen dikwijls minder effectief. Lichaamsbeweging is belangrijk om slijmophoping in de
luchtwegen te voorkomen. Ook slapen met het voeteneind van het bed omhoog kan helpen.
Het NCL-expertisecentrum Bartimeus geeft zorg en begeleiding aan patiënten, ouders, artsen en
professionals die te maken krijgen met stofwisselingsziekten die horen tot de groep ‘Neuronale
Ceroid Lipofuscinoses’ (NCL).
Blz. 15/16
NLD (Nonverbal Learning Disabilities)
Kenmerken/
symptomen
NLD is een ontwikkelingsstoornis, meer bepaald een rechter-hemisfeerstoornis. De symptomen
van NLD vertonen karakteristieken die kunnen overlappen met AD(H)D en PDD-NOS, maar ook
met OCD en Tourette. NLD kan worden gezien als een aanvullende diagnose die door andere
diagnoses heen kan lopen. NLD heeft in de eerste plaats betrekking op de informatieverwerking.
Kinderen met NLD zijn verbaal erg vaardig, praten je de oren van het hoofd, hebben een ruime
woordenschat. Ze luisteren graag naar verhalen en alles wat verteld wordt, auditieve informatie
onthouden ze goed en kunnen ze beter begrijpen.
Ze hebben oog voor detail.
Kinderen met NLD zijn auditief (horend) erg gevoelig. Alle geluiden komen sterker bij hen binnen.
-
Objectieve criteria
Onderzoek
test
Effect in de
schoolsituatie
Therapie
Aanpassingen in de
schoolsituatie
-
Het performale IQ ia significant lager dan het verbale IQ
Vroege spraak- en vocabulaire ontwikkeling
Opmerkelijk geheugen
Sterk oog voor details
Vroege leesontwikkeling, uitstekende spellingbekwaamheden
Welsprekend
Coördinatieproblemen
Grote evenwichtsproblemen
Problemen met de fijne motoriek
Gebrekkig visueel geheugen
Slecht ruimtelijk inzicht
Ontbrekende vaardigheden voor begrijpen van nonverbale communicatie
Moeite met verandering en nieuwe situaties
Significante defecten in sociale intelligentie en interactie
-
moeite met inzichtelijk rekenen
traag werktempo, gecombineerd met onzekere houding t.o.v. schoolwerk
vaak moeite met aanleren van routines, maar als ze erin slagen ze aan te leren zitten ze
vaak muurvast en zijn moeilijk bij te stellen
leren door ervaring verloopt moeilijk
naast druk en chaotisch gedrag vaak ook passief gedrag
ze raken gemakkelijk het overzicht kwijt en kunnen gemakkelijk verdwalen
problemen oplossen en logisch redeneren gaat ze moeilijk af
ze beschikken over weinig sociale vaardigheden
angstig in onbekende sociale situaties
moeite met begrijpen van non-verbale signalen
soms onverklaarbaar boos of angstig
NLD is aan te tonen met een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek.
NLD is niet te genezen. Het is iets waar het kind en zijn omgeving mee om zullen moeten leren
gaan.
Door gebruik te maken van de sterke kanten van het kind kunnen manieren gevonden worden om
de zwakkere punten te stimuleren
-
beperk het aantal volwassenen dat met het kind werkt
analyseer de interesses en sterke kanten van het kind
volg de organisatorische mogelijkheden dagelijks
definieer processen in een lineaire, volgordelijke manier die verbaal gememoriseerd
wordt
past test- en beoordelingsmethodieken aan bij het kind
testen onder tijdsdruk moet worden voorkomen
beperk visuele stimuli
geef het kind extra tijd
voorkom machtsstrijd, kritiek, straf en dreiging
lay-out en visueel-ruimtelijke informatie dient zo eenvoudig mogelijk te zijn
verwerken van visueel-ruimtelijke informatie en vouwen en knippen begeleiden
informatie zoveel mogelijk verbaal en helder geven
Blz. 16/16