pour update

FAQ statuut - Administratief statuut
ADMINISTRATIEF STATUUT
BOEK 1. - Algemene bepalingen
Q1 Zal de Koning, zoals in het verleden, een model van (organiek) reglement vaststellen voor de
punten die door de zoneraad moeten bepaald worden (b.v. verlof van beroepspersoneel,
vergoeding van de vrijwilligers, …)?
Q2 Moet er een soort organiek reglement voor de zone worden gemaakt?
Nee. Het KB vormt zelf de basis. Telkens als in het KB betreffende het geldelijke statuut of het
KB betreffende het administratieve statuut een vrijheid wordt gegeven aan de zone om
bepalingen op te nemen in een reglement, kan de zone dit doen in aparte reglementen of in
één reglement. De benaming van dit reglement is door de zone te bepalen. Bijvoorbeeld kan
dit
zijn
“reglement
betreffende
de
aanvullende
(zonale)
bepalingen
van
het
administratief/geldelijk statuut van het operationeel personeel”. De bepalingen van het KB
Statuut mogen niet gekopieerd worden in dit zonale reglement.
BOEK 2. – Rechten en plichten
Titel 1. – Algemene rechten en plichten
Titel 2. – Bijzondere plichten bij interventies
BOEK 3. – Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten
Titel 1. – Onverenigbaarheden
Q1 Je bent beroepsbrandweerman in een korps en daarnaast vrijwillig sergeant in een korps in
dezelfde zone. Is dit een onverenigbaarheid en zijn er overgangsmaatregelen voorzien
(uitdoofbeleid)? Welke graad krijgt de betrokkene?
Er is inderdaad een onverenigbaarheid tussen de functie van beroeps en de functie van
vrijwillig brandweerman in dezelfde zone (zie artikel 22 KB administratief statuut).
Er zijn geen overgangsmaatregelen voorzien om deze functies te blijven cumuleren omdat dit
juridisch niet mogelijk is. De betrokkene zal waarschijnlijk opteren om als beroeps aan de slag
te blijven in de zone en krijgt de eraan verbonden graad (in dit voorbeeld: brandweerman).
Men kan zijn eventueel hogere graad als vrijwilliger niet ‘meenemen’.
18/07/2014
1
FAQ statuut - Administratief statuut
Er zijn wel een aantal maatregelen voorzien in de wet van 19 april 2014 tot vaststelling van
bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden.
Kort samengevat komt het erop neer dat een beroeps bovenop zijn gemiddelde arbeidsduur
van 38u/week nog 10 uur extra kan presteren (als beroeps) op zijn eigen verzoek (=opt-out).
Wanneer hij meer dan gemiddeld 38u/week zou werken, kan hij het aantal uren extra
presteren tot aan gemiddeld 48u/week (vb. gemiddeld werkt hij al 42u/week, dan kan hij nog
max 6u extra per week werken bij wijze van opt-out).
Er is een uitzonderlijke overgangsmaatregel die uitdovend is (in 7 welbepaalde zones):
wanneer men beroeps en vrijwilliger was in een verschillend korps van dezelfde zone, kan men
4u extra presteren (als beroeps), ook als men hierdoor boven een gemiddelde arbeidsduur van
48u/week zou uitkomen.
Deze regel wordt overzichtelijk uitgelegd in de handleiding, p 25 en 26, punt 4.1.3.
Titel 2. – Cumulatie van beroepsactiviteiten van het beroepspersoneelslid
BOEK 4. - De aanwerving, de aanwervingsstage en de benoeming
Titel 1. – De aanwerving
Hoofdstuk 1. – Het federaal geschiktheidsattest
Hoofdstuk 2. – Oproep tot kandidaten door de raad
Q1 In art 36 van het administratief statuut staat vermeld dat de raad een woonplaats- of
beschikbaarheidsverplichting voor vrijwillige personeelsleden kan opleggen door middel van
een beslissing gemotiveerd in functie van de operationele organisatie van de zone.
Momenteel hebben sommige korpsen in onze zone deze verplichting ook voor
beroepspersoneelsleden in hun statuut opgenomen. Kan/mag de raad dit ook opleggen
voor (bepaalde) beroepspersoneelsleden in functie van de operationele organisatie van de
zone (vb. voor de officieren van wacht) ?
Het
is
in
het
nieuwe
statuut
niet
meer
mogelijk
een
woonplaats-
of
beschikbaarheidsverplichting op te leggen aan de beroepspersoneelsleden.
18/07/2014
2
FAQ statuut - Administratief statuut
Hoofdstuk 3. – De aanwerving van het personeel van het basiskader
Hoofdstuk 4. – De aanwerving van het personeel van het hoger kader
Titel 2. – De aanwervingsstage
Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen
3
[Q1 artikel 39 laatste lid staat: De aanwervingsstage eindigt één jaar na het behalen van het
brevet, door Ons bepaald, op basis van een beraadslaging door de Ministerraad. Wat met
vrijwilligers die reeds een brevet hebben? Stel een vrijwilliger slaagt in het
federaalgeschiktheidsattest en slaagt in de zonale proef, hoe dient zijn proeftijd dan te
worden geregeld? Want de aanwervingsstage start met het volgen van de opleiding door ons
bepaalt.
De regels inzake de gelijkstelling van vroegere brevetten met de toekomstige brevetten zullen
bepaald worden door het nieuwe Kb opleiding. Los daarvan moet artikel 39 zo gelezen worden
dat de stage van een stagiair die al het benodigde brevet heeft, 1 jaar zal duren. (ter info, dat
komt ook overeen met de regeling die expliciet geschreven werd in het ontwerp van Kb
administratief statuut ambulanciers niet-brandweerman, art 12, zesde lid: De stage duurt 1
jaar voor de stagiair die op de dag van indiensttreding al houder is van het brevet van
ambulancier).] Update 18/07/2014
[Q2 In art 41 laatste lid staat: de raad neemt de kosten voor het behalen van het rijbewijs C of C1
en voor het behalen van het brevet ambulancier voor zijn rekening. Wat betekent dit
concreet? Dient enkel de eerste poging voor het behalen van het rijbewijs C te worden
betaald of dient elke poging door de zone te worden betaald? Mag de raad na het slagen
voor het rijbewijs C de kosten terugbetalen aan de stagiaire?
Artikel 41 bevat geen beperking van het aantal pogingen, elke poging moet dus door de zone
betaald worden.] Update 18/07/2014
Hoofdstuk 2. – Evaluatie tijdens de aanwervingsstage
Titel 3. – De benoeming
BOEK 5. – De loopbaan
Titel 1. – De bevordering door verhoging in graad
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. - De bevorderingsvoorwaarden
Hoofdstuk 3. - De bevorderingsstage
Afdeling 1. – Algemene bepalingen
4
Afdeling 2. – De evaluatie tijdens de bevorderingsstage
Afdeling 3. - De evaluatie op het einde van de bevorderingsstage
Titel 2. – Mobiliteit
Q1 Wil dit zeggen dat we van korps kunnen veranderen als we aan deze voorwaarden voldoen?
Of wil dit zeggen dat de zone ons 'vrij' kan laten veranderen van korps, en we dus op een ander
gebied in de zone terecht kunnen komen?
Mobiliteit betekent dat men zelf kan vragen om overgeplaatst te worden naar een andere
zone met behoud van zijn graad, of zelfs via bevordering. Er moet dan wel binnen die zoen een
vacature vacant verklaard worden door de zoneraad (zie art. 67 e.v. KB 19/04/2014
administratief statuut). In het geval van vrijwilligers, spreekt het uiteraard voor zich dat steeds
rekening wordt gehouden met de bereikbaarheid van de kazerne binnen een redelijke termijn.
Overplaatsingen binnen de zone, van de ene post naar de andere, zijn ook mogelijk. Dit kan
zowel op verzoek van de betrokkene als door de werkgever omwille van organisatorische
redenen. Deze overplaatsingen zijn geen mobiliteit in de zin van het KB administratief statuut.
Uiteraard moet in het geval van vrijwilligers steeds rekening worden gehouden met de
bereikbaarheid van de kazerne binnen een redelijke termijn.
Q2 Wat wil de 'mobiliteitsproef' zeggen?
Via deze proef wordt de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat
met de functiebeschrijving getest. De zoneraad zal beslissen waaruit die proef precies zal
bestaan.
Hoofdstuk 1. - Mobiliteit in dezelfde graad
Hoofdstuk 2. -Bevordering door mobiliteit
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Titel 3 – De professionalisering
Hoofdstuk 1. - Professionalisering in dezelfde graad en binnen dezelfde zone
Hoofdstuk 2. - Professionalisering door mobiliteit in een andere zone
Titel 4. – De wedertewerkstelling
5
Hoofdstuk 1 – Algemeen
Hoofdstuk 2 – Wedertewerkstelling omwille van medische redenen
Hoofdstuk 3 – Wedertewerkstelling op eigen verzoek
Titel 5. – Eindeloopbaanregime
Q1 Is er nog VVP in het nieuwe statuut?
Ja, alhoewel het nieuwe statuut (KB 19/04/2014) niet voorziet in eenzelfde systeem van verlof
voorafgaand aan het pensioen zoals het actueel bestaat in de steden en gemeenten die het
ingevoerd hebben op basis van het KB van 03/06/1999.
In het nieuwe statuut is het alleen wanneer er geen lichtere aangepaste functie kan gevonden
worden voor de persoon die in de voorwaarden verkeert en een aanvraag indient, dat een VVP
toegekend wordt. Het betreft dus geen automatisch recht voor de persoon die in de
voorwaarden is. (zie art 124 – 136 van het KB van 19/04/2014 tot bepaling van het
administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones)
Q2 In het kader van VVP, wat moet begrepen worden onder “aanneembare dienstjaren voor
opening van het recht op pensioen in de openbare sector”?
Onder “aanneembare dienstjaren voor opening van het recht op pensioen in de openbare
sector” moet worden begrepen de dienstjaren gepresteerd in de publieke sector; de jaren
gepresteerd in de privésector of als vrijwillig brandweerman tellen hier niet mee.
Voor de volledigheid: deze jaren tellen wel mee voor de loopbaanvoorwaarde voor het recht
op vervroegd pensioen zoals bepaald in art 125, §1, 3° van het KB van 19/04/2014 (toekomstig,
voor de zones) en zoals bepaald in artikel art 3, §3, 3° KB 03/06/1999 (huidig stelsel). Men
moet uiteraard aan alle voorwaarden tegelijk voldoen om recht op VVP/eindeloopbaanregime
te hebben.
Titel 6. – Uitoefening van een hoger ambt
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Q1 Kan er ook in de toekomst verder gewerkt worden met waarnemende functies? Kan de
zoneraad bvb een waarnemende kapitein aanstellen (ook al voldoet hij, volgens de huidige
overgangsbepalingen, niet om automatisch kapitein te worden).
Ja, de uitoefening van hogere functies is geregeld in art. 137 e.v. van het KB van 19/04/2014.
De zoneraad moet uiteraard die voorwaarden en regels respecteren en kan niet zomaar
6
iemand aanduiden als waarnemende kapitein buiten de regels om.
BOEK 6 – De opleiding
[Q1 In art 150 staat: Het personeelslid volgt jaarlijks minimum 24 uur voortgezette opleiding om
zijn vroeger verworven competenties te behouden en reactief aan te passen en om proactief
nieuwe technieken en competenties aan te leren zodat de huidig uitgeoefende functie op
efficiënte wijze kan blijven uitgeoefend worden. Wat betekent dit concreet voor de
brandweerman-ambulanciers? Momenteel hebben zij reeds een voortgezette opleiding van
24 uur. Wordt dit dan 48 uur?
De verplichte voortgezette opleiding voor de badge 100 wordt niet in aanmerking genomen
voor de verplichte 24u voortgezette opleiding bedoeld in artikel 150. De brandweermanambulancier moet dus aan beide verplichtingen voldoen.] Update 18/07/2014
BOEK 7. – De evaluatie
Titel 1. – Algemene bepalingen
Titel 2. – Het verloop van de evaluatie
Titel 3. – De beroepsprocedure
Titel 4. – Gevolgen van de vermelding « onvoldoende »
Titel 5. De beroepskamer
BOEK 8. – Organisatie van de diensttijd van de vrijwillige personeelsleden
Q1 Art 176 §1 Kb administratief statuut Mag een vrijwilliger een diensttijd hebben van bv 48u in
week 1, 12u in week 2, 36u in week 3 en 0 u in week 4? (=gemiddeld 24u per week gezien
over één maand)
Dat is inderdaad mogelijk.
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Q2 Art 176 §2 Kb administratief statuut Betekent dit dat men de 24 u mag overschrijden indien
men voldoet aan één van de twee voorwaarden? M.a.w. voldoen aan of "een dringende
interventie om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval" of
"dringende interventie die door onvoorzien noodzakelijkheid worden vereist"? Of moet in
dit geval voldaan worden aan de beide voorwaarden?
Voldoen aan één van de twee voorwaarden is voldoende. De bedoeling is dat een interventie
die aan het einde van een 24u-shift binnenkomt toch nog wordt afgewerkt.
Q3 Art 176 §3 Kb administratief statuut Is de rustperiode van minimum 12u na een shift met
een duur tussen 12 en 24u een verplichting of een recht? Volgens Art 174 is een rustperiode
niet gelijk aan de oproepbaarheidsdienst, m.a.w. na een dienstprestatie van 12u mag een
vrijwilliger zich oproepbaar "zetten" om eventueel gevolg te geven aan een dringende
interventie?
De bepalingen over de diensttijd zijn in de eerste plaats ter bescherming van de vrijwilliger zelf.
Het gaat dus om een recht van de vrijwilliger. Anderzijds dient de werkgever er voor te zorgen
dat hij over uitgeruste vrijwilligers beschikt en dus kan hij ook bepalen dat iemand de eerste
12u na een lange shift (tussen 12 en 24u) niet opgeroepen wordt. Dit dient precies te worden
geregeld in het huishoudelijk reglement, waarvan sprake in art. 177 §1.
Q4 Is de rustperiode van 36 u per periode van 7 dagen een verplichting of een recht? Kan/mag
de vrijwilliger deze periode van 36u vrij kiezen in de 14 volgende dagen?
Het gaat ook hier om een recht van de vrijwilliger. Anderzijds dient de werkgever er voor te
zorgen dat hij over uitgeruste vrijwilligers beschikt. De afspraken over het nemen van 36u rust
per week moeten ook precies worden geregeld in het huishoudelijk reglement, waarvan
sprake in art. 177 §1.
[Q5 De gemiddelde diensttijd wordt bekeken op 4 maanden. In principe mag men op het einde
van die periode geen uren ter recuperatie van de 38h-week meer staan hebben. In welke
mate is er een minimale overdracht mogelijk op het einde van die periode naar het begin
van de volgende periode? Vb. iemand moet door een interventie langer werken zijn
allerlaatste shift van de periode, waardoor hij extra overuren krijgt.
Zoiets kan worden opgenomen in een arbeidsreglement (b.v. overdracht van max. 12 overuren
naar volgende referentieperiode – de uren boven de 12 gaan verloren)] Update 18/07/2014
[Q6 Indien men voor 38u + 10u opt-out kiest, kan men max. 10u extra per week werken. Is er
voor iemand die voor 38u kiest een maximum opgelegd inzake te presteren overuren?
18/07/2014
7
FAQ statuut - Administratief statuut
Het absolute maximum van 60u/week geldt wel (art. 5 wet 19/04/2014). Het gemiddelde van
38u/week over een referentieperiode van 4 maanden is te berekenen met de overuren
inclusief. Overuren moeten altijd gecompenseerd worden met inhaalrust.] Update 18/07/2014
[Q7 Als men beroepsbrandweerman is in een zone en men naast de vaste shiften ingezet wil
worden binnen het voormalig vrijwilligerskorps impliceert dit dat men automatisch moet
kiezen voor 38u + 10u opt-out? Of kan dit ook binnen een gewone 38u-regeling (wat zou
impliceren dat men het “overwerk” dat men doet in het vrijwilligerskorps dient te
recupereren in zijn vaste shiften als beroeps)?
Niemand kan verplicht worden om te kiezen voor een opt-out. Dit is de individuele keuze van
de werknemer. Een brandweerman die beroepslid is in een 38u- systeem en in de toekomst
verbonden wil blijven met zijn vroegere collega-vrijwilligers kan inderdaad kiezen voor een
opt-out van maximaal 10u. Deze uren presteert hij dan als beroeps, maar dit kan wel in een
andere post (in dit geval zijn oude vrijwilligerskorps).
Indien men in een 38u-systeem werkt, zonder opt-out, kan men ook bepaalde prestaties in
andere posten uitvoeren. Wanneer deze prestaties b.v. interventies zijn op oproep buiten zijn
gewone arbeidsrooster, dan zouden die uren inderdaad moeten gecompenseerd worden
binnen zijn arbeidsrooster. Hij treedt dus in alle gevallen op als beroeps.] Update 18/07/2014
[Q8 Art. 4 van de wet van 19/04/2014 stelt dat de richtlijnen niet van toepassing zijn op
personeel dat een leidinggevende functie heeft en autonoom beslist over zijn arbeidstijd. Zij
blijven dus werken in het huidige (glijdend) 38h-systeem, waarbij overuren gerecupereerd
dienen te worden en betaald worden. Zij hoeven zich niet aan de periode van 4 maanden te
houden. Klopt dit? (IB)
Art. 4 van de wet van 19/04/2014 maakt geen melding van een graad. Deze uitzondering hoeft
dus ook niet gekoppeld te worden aan een specifieke graad. Artikel 4 stelt dat voor
leidinggevende functies die effectief autonoom beslissen over hun volle arbeidstijd volgende
bepalingen niet van toepassing zijn: de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd, de maximale
arbeidstijd per week of per dag, de minimale rusttijd per dag, de opt-out mogelijkheid en de
regeling betreffende de pauze. (B.v. een majoor die niet autonoom beslist over zijn arbeidstijd
valt binnen de normale toepassing van de wet van 19/04/2014.)
Zij zijn dus ook niet gebonden aan een referentieperiode en kunnen eigenlijk geen overuren
genereren, aangezien ze niet gebonden zijn aan een gemiddelde arbeidstijd. Bijgevolg kunnen
die overuren ook niet betaald worden. Zij kunnen zelf beslissen over hun arbeidstijd en kunnen
dus ook zelf beslissen om b.v. de voormiddag na een extra lange shift niet te komen werken.]
Update 18/07/2014
18/07/2014
8
FAQ statuut - Administratief statuut
Titel 1. – Algemeen
Titel 2. – Dienst- en rusttijden
BOEK 9. – De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven
9
Titel 1. – Bepalingen voor de leden van het beroepspersoneel
Hoofdstuk 1. – Administratieve standen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Dienstactiviteit
Afdeling 3. Non-activiteit
Afdeling 4. Disponibiliteit
Hoofdstuk 2. – Afwezigheden
Hoofdstuk 3. – Verloven en dienstvrijstellingen
Afdeling 1. – Algemene bepalingen
Afdeling 2. – Specifieke bepalingen voor de commandant en de personeelsleden van het hoger
kader belast met het leiden van een dienst
Q1 Wie heeft recht op loopbaanonderbreking en ouderschapsverlof?
Artikel 194 van het KB statuut moet als volgt begrepen worden: de zonecommandant en de
majoors en kolonels hebben geen recht op gewone loopbaanonderbreking (zoals geregeld
door de herstelwet van 22/01/1985), maar wel op de 3 thematische vormen van
loopbaanonderbreking, nl LBO voor palliatieve zorgen, LBO voor verzorging ziek familielid en
LBO voor ouderschapsverlof.
Artikel 218 moet als volgt begrepen worden: iedereen heeft recht op gewone
loopbaanonderbreking (zoals geregeld door de herstelwet van 22/01/1985), behalve de
zonecommandant en de majoors en kolonels (uitzondering voorzien in artikel 194).
Volgens artikel 217 moet de gewone loopbaanonderbreking voltijds genomen worden, de drie
thematische loopbaanonderbrekingen daarentegen niet. Deze bepalingen inzake de wijze van
opnemen gelden voor iedereen die recht heeft op de betreffende vorm van
loopbaanonderbreking.
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Afdeling 3. - Dagen jaarlijks vakantieverlof
Q1 Wat verstaat men onder feestdagen ?
De feestdagen worden gedefinieerd in artikel 1, 14° van het administratief statuut: het betreft
10
de feestdagen bedoeld in artikel 1 van het KB van 18/04/1974, met name :
−
−
−
−
−
−
−
−
−
−
1 januari;
paasmaandag;
1 mei;
Hemelvaart;
pinkstermaandag;
21 juli;
Maria-Tenhemelopneming;
Allerheiligen;
11 november;
Kerstmis.
Het operationeel personeel van de zones zal dus 10 feestdagen genieten. Update 18/07/2014]
[Q2 Waarom niet standaard 10 extra verlofdagen toekennen aan de brandweerlieden in
continudienst voor de 10 wettelijke feestdagen?
Artikel 195 van het statuut is bijzonder duidelijk. Het principe is dat het beroepspersoneelslid
op de wettelijke feestdagen met verlof is. Wanneer een feestdag op een zaterdag of een
zondag valt, krijgt het personeelslid een extra dag verlof (1/5de van zijn wekelijkse
arbeidsstelsel). Wanneer het personeelslid op een feestdag wordt opgeroepen om te werken,
geniet hij een bijkomend verlof dat overeenstemt met het aantal gepresteerde uren. Indien
een personeelslid die dag niet moet presteren (arbeidsstelsel, ander type verlof, disponibiliteit,
non-activiteit, ziekte, enz.), is er geen extra verlof.] Update 18/07/2014
Afdeling 4. Omstandigheidsverlof
Afdeling 5. Verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang
Afdeling 6. Dienstvrijstellingen en uitzonderlijk verlof
Onderafdeling 1. – Dienstvrijstellingen
Onderafdeling 2. – Uitzonderlijk verlof
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Afdeling 7. Verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel
algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal,
gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een
politiek mandataris van de wetgevende macht, verlof voor stage en verlof voor opdracht van
algemeen belang
Onderafdeling 1. Verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel
algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal,
gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een
politiek mandataris van de wetgevende macht
Onderafdeling 2. Verlof voor stage
Onderafdeling 3. Verlof voor opdracht van algemeen belang
Afdeling 8. – Verloven toegekend aan de reservisten van het leger
Afdeling 9. – Moederschapsbescherming
Afdeling 10. – Verlof voor Loopbaanonderbreking
Q1 Wat met het ouderschapsverlof in de hervorming ?
Het nieuwe administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones
voorziet in artikel 217 een mogelijkheid om de loopbaan te onderbreken voor
ouderschapsverlof:
“Art. 217. §1. Het beroepspersoneelslid krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken onder het
stelsel van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en het koninklijk
besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel
van de besturen.
§2. Het verlof, vermeld in paragraaf 1, wordt voltijds genomen, met uitzondering van
loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van
verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof.”
Afdeling 11. - Adoptie- en opvangverlof
Afdeling 12. Afwezigheden wegens ziekte
Onderafdeling 1. Afwezigheidsdagen wegens ziekte
18/07/2014
11
FAQ statuut - Administratief statuut
Q1 Kunnen er nog ziektedagen worden opgebouwd in het nieuwe statuut?
Zie art.223 van het administratief statuut: a rato van 21d per 12 maanden dienstanciënniteit.
Onderafdeling 2. Disponibiliteit wegens ziekte
12
Onderafdeling 3. Controle van de afwezigheden ingevolge ziekte of ongeval
Onderafdeling 4. - Controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een
ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte
Afdeling 13. – Afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden
Titel 2. – Bepalingen voor de leden van het vrijwillig personeel
BOEK 10. – Tuchtregeling
Titel 1. – Tuchtstraffen
Titel 2. – Bevoegde overheden om de tuchtstraffen uit te spreken
Titel 3. – Rechten van de verdediging
Titel 4. – Procedure
BOEK 11. – Uitvoeren van een alcohol- of drugstest
BOEK 12. – Schorsing in het belang van de dienst
BOEK 13. – Verzekering van het vrijwilligerspersoneel
BOEK 14. – De beëindiging van een ambt
Q1 Is de pensioenleeftijd nog steeds 65 jaar voor een operationeel personeelslid van de
hulpverleningszone ? Kan deze laatste blijven werken na 65 jaar ?
Ja, de pensioenleeftijd in de openbare sector blijft 65 jaar.
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Het administratief statuut bepaalt overigens in artikel 300 dat « het ambt van de
beroepspersoneelsleden eindigt […] 5° door eervol ontslag, vermeld in artikel 304 ; »,
Het eervol ontslag wordt verleend aan het beroepspersoneelslid in de volgende gevallen :
-
op het einde van de maand waarin hij op pensioen gaat;
op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
13
Het is mogelijk om te blijven werken na 65 jaar: het tweede, derde en vierde lid van artikel 304
laten het beroepspersoneelslid en het vrijwillig personeelslid toe om in dienst te blijven na het
bereiken van de leeftijdsgrens.
Deze verlenging is mogelijk mits voldaan wordt aan 2 voorwaarden:
-
De machtiging van de raad voor de maximale duur van één jaar (telkens verlengbaar met één
jaar);
Het slagen door het personeelslid voor een cardiorespiratoire test.
BOEK 15 - Bepalingen tot vastelling van de algemene beginselen van toepassing op de
operationele personeelsleden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en
Dringende Medische Hulp
BOEK 16. – Overgangsbepalingen
Q1 Gelden de regels voor de integratie van de graden zowel voor beroeps- als voor vrijwillige
brandweerlieden?
Bij de overgang naar de zone gelden de regels over de integratie van de graden (artikel 308 en
bijlage 3 van het KB van 19/04/2014) inderdaad zowel voor beroepspersoneel als voor vrijwillig
personeel.
Q2 Kan ik wachten met in het nieuwe statuut te stappen, tot ik voldoende anciënniteit heb om
over te gaan naar een hogere graad?
Nee, de voorwaarden die gesteld worden in artikel 308 en bijlage 3 van het KB van 19/04/2014
moeten voldaan zijn op het moment van de inwerkingtreding van de zone (in principe
01/01/2015 – zie art. 336).
De mogelijkheid om te kiezen tussen het oude en nieuwe statuut betreft enkel het geldelijke
statuut.
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
U kan dus niet kiezen om te wachten en over te stappen naar het nieuwe statuut tot op het op
moment dat u over X jaar dienstanciënniteit zou beschikken. Eenmaal u de overstap gemaakt
heeft naar het nieuwe statuut gelden de nieuwe bevorderingsvoorwaarden (zie art. 56 van het
KB van 09/04/2014).
Q3 Telt de periode waarin de betrokkene waarnemend dienstchef was mee als nuttige ervaring
14
als dienstchef voor de toepassing van art. 308 en bijlage 3?
De periode waarin de betrokkene waarnemend dienstchef was, telt mee als nuttige ervaring
als dienstchef. Er moet een officiële aanduiding tot waarnemend dienstchef gebeurd zijn door
een beslissing van de gemeenteraad.
Q4 Kunnen de dienstjaren als stagiair onderluitenant (1 à 2 jaar) mee in rekening gebracht
worden in de berekening voor het bepalen van het aantal jaren dienst in de graad van
(onder)luitenant?
Ja, de dienstjaren als stagiair mogen mee in rekening gebracht worden voor de jaren
anciënniteit als officier.
Q5 Enkele kapiteins die alle noodzakelijke diploma’s, met uitzondering van het brevet
Dienstchef hebben, zullen deze cursus in het najaar van 2014 volgen. Momenteel is er echter
nog geen garantie dat de opleiding reeds afgelopen zal zijn in 2014. Zal de nieuwe graad
ofwel net wel majoor worden ofwel kapitein blijven?
De
integratieregels worden toegepast op het moment van overgang naar
de
hulpverleningszones (in principe op 01/01/2015). Enkel de brevetten waarover men op dat
moment beschikt, kunnen in aanmerking komen voor de bepaling van de toepasselijke
integratieregels. Het louter volgen van een opleiding is immers geen garantie dat het brevet zal
worden behaald.
Q6 Krijgen de personen die het brevet van dienstchef verworven hebben vóór dat de opleiding
crisissituatiebeheer werd georganiseerd automatisch een gelijkschakeling voor het brevet
crisissituatiebeheer?
In behandeling
Q7 Zal de officier die aangesteld werd op 1/01/2008 op 01/01/2015 net wel of net niet 7 jaar
anciënniteit hebben?
Op 31/12/2014, 24u00 heeft een officier die aangesteld werd op 01/01/2008 net 7 jaar
anciënniteit. De zone treedt in werking op 01/01/2015, 0u00 en dus voldoet hij aan de
voorwaarde van 7 jaar anciënniteit.
18/07/2014
FAQ statuut - Administratief statuut
Q8 Wat gebeurt er met de officier-geneesheren?
[(1) Moeten de zones over een officier-geneesheer beschikken?]
Na de hervorming zullen de huidige officier-geneesheren deel uitmaken van het administratief
personeel van de zone. De principes inzake de bevoegdheden van de geneesheer, bepaald
door de ministeriële omzendbrief van 22/09/2009, blijven voorlopig van toepassing. In
tegenstelling tot wat in de omzendbrief staat, verdwijnt de verplichting om een officiergeneesheer te hebben.
De bevoegdheden van de officier-geneesheer zullen beperkt blijven tot de in de omzendbrief
van 22/09/2009 opgesomde taken:
Hij kan:
- instaan voor de opleiding van de leden van de brandweerdienst inzake eerste zorgen en
reanimatie en periodiek herscholingscursussen organiseren;
- de personeelsleden, die in dienst gekwetst worden verplegen, zelfs op de plaats van het
ongeval.
- de personeelsleden informeren omtrent de mogelijkheid zich lastens de dienstnemende
overheid preventief te laten inenten tegen het hepatitis B virus;
- de ambulancedienst van het brandweerkorps organiseren en coördineren.
Hij kan in geen geval:
- De kandidaten voor een betrekking in de dienst onderwerpen aan arbeidsgeneeskundige
onderzoeken;
- De gegrondheid van afwezigheid wegens ziekte nagaan.
Art. 332 van het KB administratief statuut bepaalt dat de officier-geneesheer, in dienst op het
moment van de overgang naar de zone, de eretitel van zijn graad zal kunnen behouden. De
nieuw aangeworven geneesheren, na de overgang naar de zone, zullen geen operationele
graad meer hebben.
[(2) In welke graad zal de officier-geneesheer geïntegreerd worden?
Daar de officier-geneesheer aan het koninklijk besluit van 19 april 2014 tot bepaling van het
administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone niet is
onderworpen., zijn de integratieregels voorzien in artikel 308 en in bijlage 3 van het
administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone dus niet van
toepassing voor hen.
18/07/2014
15
FAQ statuut - Administratief statuut
(3) De algemene regel voor de vrijwilligers is een benoeming voor 6 jaar. Wat is de impact
van deze regel op de officiers-geneesheren?
De regel uit artikel 51, derde lid van het statuut, die voorziet dat de vrijwillige stagiair
benoemd wordt voor een duur van zes jaar, is ook niet van toepassing voor de officiergeneesheer. Ook de regel neergelegd in artikel 331, eerste lid van het statuut, die de duur van
de benoeming voor de overgedragen vrijwillige officieren regelt, geldt ook niet voor de
officier-geneesheer.
De zone zal in het administratief statuut dat zij moet aannemen voor haar administratief
personeel, desgevallend ook de nodige overgangsbepalingen voor de huidige officiergeneesheer moeten opnemen en de algemene bepalingen van toepassing op de geneesheer
van de zone, zoals de duur van de arbeidsrelatie en de regels inzake het beëindigen van de
arbeidsrelatie, hierbij rekening houdend met de bepalingen van de wet, zoals artikel 205 en
artikel 105 van de wet van 15.5.2007.] Update 18/07/2014
Q9 Contract vrijwilliger : dienstnemingscontract wordt overgenomen , met bestaande resttijd .
Wat indien vrijwilliger oude statuut wenst te behouden , omwille van betere voorwaarden ,
en dan na 3 jaar einde dienstneming is , kan hij dan een nieuw dienstnemingscontract
tekenen aan de oude voorwaarden ?
Officieren vrijwilliger : krijgen bij invoering contract voor 6 jaar , indien zij dit weigeren loopt
hun contract van onbepaalde duur gewoon verder , tot eervol ontslag op 60 ?
De mogelijkheid om te kiezen tussen het oude en nieuwe statuut betreft enkel het geldelijke
statuut.
In het nieuwe administratieve statuut zijn alle vrijwilligers (officieren en niet-officieren)
benoemd voor een duur van 6 jaar (zie art. 51 van het KB van 19/04/2014).
De huidige dienstnemingsovereenkomst van iedere niet-officier eindigt van rechtswege op het
moment van de overdracht naar de zone. Op dat moment start zijn benoeming voor de
resterende duur van zijn huidige overeenkomst. Nadien kan hij telkens een benoeming van zes
jaar krijgen. (art. 331, tweede lid, KB 19/04/2014)
De huidige dienstnemingsovereenkomst van iedere officier eindigt van rechtswege op het
moment van de overdracht naar de zone. Op dat moment start zijn benoeming voor een duur
van zes jaar (art. 331, eerste lid, KB 19/04/2014).
Wanneer de keuze gemaakt werd voor het oude geldelijke statuut dan blijft dit gelden tot aan
een bevordering, benoeming, aanwijzing voor een bij mobiliteit te begeven betrekking of
aanwijzing voor een mandaatsfunctie (zie art. 207 van de wet van 15/05/2007.) De loutere
18/07/2014
16
FAQ statuut - Administratief statuut
verlenging van een benoeming van 6 jaar maakt geen benoeming uit in de zin van art. 207 en
wijzigt dus niet de keuze voor het oude geldelijke statuut.
Q10 Ziektedagen beroeps : ik veronderstel dat de opgebouwde ziektedagen worden
meegenomen ?
De opgebouwde ziektedagen kunnen worden overgedragen overeenkomstig artikel 325 KB
19/04/2014. Dit aantal mag niet meer bedragen dan 21 dagen per jaar, verminderd met het
aantal reeds genomen ziektedagen.
Q11 Wat gebeurt er bij de oprichting van de zones met de bestaande wervingsreserve voor
onderluitenant waarin geslaagde kandidaten opgenomen zijn met een bachelordiploma,
rekening houdend met het feit dat diploma niveau A vermeld wordt als aanwervingsvereiste
voor officieren in het nieuwe statuut van het KB 19/04/2014 (artikel 38, §1, 6°)?
Artikel 312, tweede lid van het KB administratief statuut van 19.4.2014 bepaalt dat de
geslaagde kandidaten opgenomen in een wervingsreserve voor onderluitenant, geacht worden
houder te zijn van het federaal geschiktheidsattest. [Niettemin moeten de kandidaten ook aan
de andere aanwervingsvoorwaarden van artikel 38, §2 voldoen, waaronder punt 6°: houder
zijn van een diploma niveau A. Kandidaten zonder diploma niveau A kunnen dus niet
aangeworven worden als kapitein (nieuwe graad) maar wel als brandweerman, indien deze
kandidaten slagen in het vergelijkend examen georganiseerd door de zone (interview en
eventueel bijkomende proef) en een eliminerend medisch onderzoek ondergaan, zoals
bepaald in artikel 37, §2.
Q12 Blijven de bevorderingsreserves die werden gevormd vóór de overdracht geldig na de
overdracht?
Indien de zoneraad beslist om een bevorderingsprocedure die werd begonnen vóór de
overdracht na overdracht verder te zetten, zou dit dan kunnen betekenen dat een beslissing
van het gemeentecollege tot machtiging van het verzamelen van kandidaturen om een
bevorderingsreserve te vormen in een graad met het oog op het vervullen van de vacatures in
deze graad zou kunnen volstaan om het vormen van deze reserve na de overdracht verder te
zetten?
Artikel 315 van het statuut bepaalt dat:
“Art. 315. Bij de overdracht naar de zone, kan de raad beslissen om de door een gemeente van
zijn zone opgestarte bevorderingsprocedure verder te zetten. In dat geval zijn de
procedureregels vastgelegd in het organieke reglement van de gemeente betreffende de
bevorderingsprocedure van toepassing. De raad bepaalt desgevallend de samenstelling van
een nieuwe examencommissie overeenkomstig de regels, vermeld in artikel 57, § 1, derde tot
vijfde lid.
In afwijking van het eerste lid kan de raad beslissen om de door een gemeente van zijn zone
opgestarte bevorderingsprocedure niet verder te zetten en te beëindigen.”
18/07/2014
17
FAQ statuut - Administratief statuut
De ratio legis van deze bepaling is om “gaten” te vermijden in de hiërarchische piramide
tijdens de enkele maanden die nodig zijn voor de opstelling van nieuwe
bevorderingsprocedures.
De bewoordingen “opgestarte bevorderingsprocedure” moeten dus stricto sensu begrepen
worden en beogen enkel de bevordering in een betrekking die vacant was en niet de
“overdracht” van een reeds bestaande bevorderingsreserve.
Bovendien bevat de nieuwe bevorderingsprocedure de verplichting voor de raad om te
bevorderen volgens de volgorde van rangschikking in een bevorderingsproef (art. 57).
Deze verplichting is doorgaans onverenigbaar met de overdracht van één of meerdere
gevormde gemeentelijke bevorderingsreserves zonder organisatie van een bevorderingsproef.
Q13 Kan er afgeweken worden van de maximum 70 uren overuren die kunnen overgedragen
worden (art 319)?
Het is mogelijk om meer dan 70 overuren over te dragen als de werknemer, zone en gemeente
hiermee akkoord gaan.
Q14 Volgens artikel 312 van het administratief statuut voor het operationeel personeel van de
zone worden de werfreserves voor brandweerman en onderluitenant overgedragen naar de
zone. Als er binnen de zone meerdere werfreserves lopende zijn, geldt er dan een
voorrangsregel, bijv. op basis van vervaldatum? Blijft de looptijd van die reserves dezelfde of
begint die terug opnieuw te lopen?
Artikel 312 KB 19.4.2014 administratief statuut bepaalt inderdaad dat de bestaande
wervingsreserves behouden blijven, in de zin dat de geslaagde kandidaten geacht worden
houder te zijn van een federaal geschiktheidsattest. Om effectief aangeworven te kunnen
worden door de zone, moeten zij evenwel nog slagen voor het vergelijkend examen (interview)
en een eliminerende medisch onderzoek, uitgevoerd door de zone conform art 37, §2 of art
38, §2 van het KB.
Het federaal geschiktheidsattest is geen vergelijkend examen, dus alle geslaagden staan op
gelijke hoogte om deel te nemen aan de zonale proeven, die wel een vergelijkend examen zijn.
Er is dus geen rangorde meer tussen de geslaagde kandidaten van dezelfde of verschillende
wervingsreserves. De rangorde wordt pas bepaald na het doorlopen van het vergelijkend
examen bij de zone.
De looptijd van de reserve begint niet opnieuw te lopen, het is enkel de resterende looptijd.
Q15 Volgens de voorziene overgangsbepalingen worden de personen die reeds opgenomen zijn
in een wervingsreserve voor operationele brandweermannen geacht reeds over een federaal
geschiktheidsattest te beschikken. Wat als deze wervingsreserve komt te vervallen,
beschikken de personen die dan nog op de lijst stonden nog steeds over een federaal
geschiktheidsattest?
18/07/2014
18
FAQ statuut - Administratief statuut
Wanneer de wervingsreserve verlopen is, worden de geslaagde kandidaten niet meer geacht
houder te zijn van een federaal geschiktheidsattest (art 312). Het betreft immers een
overgangsbepaling, dus per definitie van tijdelijke aard. Na het vervallen van de reserve kan
persoon de gewone aanwervingsprocedure volgen.
Q16 Personeel dat nu een bijkomende verlofdag hadden in hun oud statuut boven de 45 jaar,
19
behouden ze deze of vervalt dit?
Het personeelslid kan op basis van artikel 322 van het administratief statuut zijn gemeentelijk
verlofstelsel behouden, hierbij inbegrepen deze dagen boven de 45 jaar.
Q17 Welke regels voor de overgang van stagiairs? Onder welk statuut vallen zij? Oud of nieuw?
Artikel 314 bepaalt dat de lopende aanwervingsstages voortgezet worden door de
stagebegeleider aangeduid door de zone en conform de bepalingen van het nieuwe statuut.
BOEK 17. - Slotbepalingen
Bijlage 1… lichamelijke geschiktheid van de kandidaten
1. Fysieke testbatterij
2. Laddertest
3. Uithoudingstest
4. Houder zijn van een zwembrevet van minstens 100 meter
Bijlage 2 medisch getuigschrift
Bijlage 3 tabel vergelijking actuele en nieuwe graden diploma A of niet
18/07/2014
FAQ statuut - Ambulanciers niet-brandweerman
Ambulanciers niet-brandweerman
Q1 Wat gebeurt er met de ambulanciers niet-brandweerman?
Er is een ontwerp van administratief en geldelijk statuut voor de (vrijwillige en beroeps)
ambulanciers niet-brandweerman opgesteld in samenwerking met de FOD Volksgezondheid.
Dit statuut wil de situatie van deze personeelsleden in de toekomstige zones op uniforme wijze
regelen. Het ontwerp is grotendeels gelijklopend met het nieuwe statuut voor de brandweer
en werd goedgekeurd in de Ministerraad. Er moeten nog verschillende stappen in de
administratieve procedure genomen worden.
Nieuw element: de ambulanciers- niet brandweerman maken deel uit van het operationeel
personeel van de zone. De in dienst zijnde ambulanciers niet-brandweerman zullen
overgedragen worden naar het operationeel personeel van de zone.
Men moet de ambulanciers-niet-brandweerman en de ambulanciers-brandweerman
onderscheiden. De ambulanciers-brandweerman (beroeps en vrijwilliger die aangeworven zijn
als ambulancier-brandweerman) vallen onder het nieuwe statuut van de brandweerlieden.
18/07/2014
20
FAQ statuut - Geldelijk statuut
GELDELIJK STATUUT
BOEK 1 - Algemene bepalingen
21
BOEK 2 – Bepalingen voor het beroepspersoneelslid
Titel 1 – Algemene bepalingen
[Q1 Welke zijn de bedragen van de haard- en standplaatstoelage, vakantiegeld en
eindejaarstoelage, zijn deze anders dan in de huidige gemeentelijke regeling?
Wat betreft de reglementering inzake haard- en standplaatstoelage, vakantiegeld en
eindejaarstoelage verwijs ik u naar de website
http://www.fedweb.belgium.be/nl/verloning_en_voordelen/wedde/#.U7a86k2KDIU
De bedragen, uitleg en bijhorende reglementering worden duidelijk aangegeven.] Update
18/07/2014
Titel 2 – Wedde.
Q1 Hoe dient men het vierde lid van artikel 8 van het geldelijk statuut te interpreteren, waarin
wordt bepaald : "Eén maand van volledige prestaties wordt gelijkgesteld met 30/30sten. De
teller wordt naar rato verminderd in geval van onvolledige prestaties." Wat in geval van
maanden van 28 of 31 dagen?
We trekken 1/30ste af per niet-gepresteerde dag, ongeacht het aantal dagen in een maand. Het
is een bepaling die van toepassing is op de leden van het personeel die niet in dienst treden op
de 1ste van een maand of die hun functie stopzetten in de loop van de maand.
Titel 3 – Toekenning van de weddenschaal ingeval van bevordering door verhoging in graad
Titel 4 – Bevordering in weddeschaal
Q1 Voor de overgang in de weddeschalen moet je een erkende opleiding hebben gevolgd. Tellen
de reeds gedane opleidingen mee?
Zie art. 10 geldelijk statuut. De teller gaat op nul.
18/07/2014
FAQ statuut - Geldelijk statuut
Q2 Art. 12 van de bezoldigingsregeling bepaalt dat men bij zijn laatste evaluatie de vermelding
“voldoende” moet gekregen hebben om een bevordering in weddeschaal te krijgen. Een
evaluatiecyclus duurt 2 jaar. Hoe gaat men de eerste jaren te werk?
Het moet duidelijk zijn dat de bevordering in weddeschaal pas kan plaatsvinden na 5 jaar in
aanmerking komende diensten in zijn weddeschaal te hebben verworven. Aangezien alle
brandweerlieden een nieuwe weddeschaal krijgen, moet elk van hen 5 jaar in zijn nieuwe
weddeschaal verwerven, waarbij 2015 het eerste jaar is.
De evaluatiecyclus zal derhalve functioneel zijn bij de mogelijkheid tot verhoging in
weddeschaal.
Titel 5 – Geldelijke anciënniteit
Titel 6 – Premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties
Q1 Een brandweerman die shiften doet of nachtwerk zal evenveel verdienen als een
brandweerman die enkel weekdagen werkt?
Het is inderdaad zo dat voor het beroepspersoneel, een premie voor operationaliteit en
onregelmatige prestaties toegekend wordt voor elke gepresteerde periode, ongeacht of deze
in het weekend of ’s nachts valt. Voor de graden van het basis- en middenkader wordt deze
vastgesteld op 38%.
Dit systeem vermijdt een teveel aan capaciteit tijdens nachten en weekends en beoogt het in
evenwicht brengen van het beschikbare personeel met het aantal interventies.
Q2 Wordt deze premie belast?
De premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties (enkel beroepsbrandweerlieden)
wordt aan de gewone fiscale regels onderworpen. Er is immers geen fiscale vrijstelling voor het
beroepspersoneel.
De bestaande fiscale vrijstelling voor de vrijwillige brandweerlieden blijft behouden. Omdat dit
een bevoegdheid is van de Minister van Financiën, staat deze niet in het KB geldelijk statuut,
maar is deze nog steeds te vinden in het Wetboek Inkomstenbelastingen.
Q3 Waarom is het beroep van brandweerman geen risicoberoep?
De term ‘risicoberoep’ bestaat in feite niet in de wetgeving. Geen enkel ander beroep werd
erkend als risicoberoep.
18/07/2014
22
FAQ statuut - Geldelijk statuut
Men zou wel kunnen beschouwen als een impliciete erkenning als risicoberoep, het feit dat de
beroepsbrandweerlieden een gunstige berekening van hun pensioen genieten. Waar voor
andere ambtenaren elk gepresteerd jaar slechts voor 1/60ste in aanmerking wordt genomen
voor de berekening van hun pensioen, is dit voor de brandweerlieden 1/50ste en dit voor alle
jaren waar men “rechtstreeks heeft deelgenomen aan de brandbestrijding” (artikel 156
Nieuwe Gemeentewet dat ongewijzigd hernomen wordt in artikel 51 van de wet van 5 mei
2014 houdende diverse aangelegenheden inzake de pensioenen van de overheidssector). Het
bedrag van het pensioen is zodoende hoger.
Anderzijds is het ook zo dat de brandweerlieden volgens het KB van 28/05/2003 betreffende
het gezondheidstoezicht op de werknemers moeten begrepen worden als werknemers met
een veiligheidsfunctie/functie met verhoogde waakzaamheid/activiteit met een welbepaald
risico, waardoor zij aan een jaarlijks medisch toezicht onderworpen worden.
Q4 Momenteel beschikken de vrijwillige officieren evenals de beroepsofficieren die
wachtdiensten ‘officier van wacht/week’ over een wachtvergoeding (M0 03/03/1995) wat
neerkomt op 3402€/jr.
Voor de beroepsofficieren zitten deze waarschijnlijk vervat in de premie voor onregelmatige
prestaties. Waar komen deze voor de officier-vrijwilliger die mee wachtdiensten (van thuis
uit) draait in terug? Of zullen deze wachtdiensten aan huis vergoed worden conform de
prestatievergoedingsschaal?
In behandeling.
Q5 Verdwijnt de premie van dienstchef, zelfs voor de leden van het personeel die gebruik
maken van artikel 207 van de wet?
Ja, de premie van dienstchef is verbonden aan de uitoefening van de functie van dienstchef,
een functie die niet langer zal bestaan na de overgang naar de zone. Het personeelslid dat
ervoor kiest om zijn gemeentelijk geldelijk statuut te behouden, behoudt dit zonder evenwel
aanspraak te kunnen maken op een premie voor een functie die niet langer bestaat. De
dienstchef die gedetacheerd wordt bij het KCCE bijvoorbeeld, verliest momenteel eveneens
zijn premie aangezien hij de functie niet meer uitoefent.
[Q6 De operationelen kunnen een premie krijgen voor de extra uren. Wordt deze extra
vergoeding mee opgenomen voor de berekening van het vakantiegeld, eindejaarspremie,
meegenomen voor de haard – en/of standplaatstoelage? Zijn hier werkgeversbijdrage op
verschuldigd?
Wat betreft de vergoeding voor de 10 uren extra die de beroeps kunnen presteren (opt-out,
zoals voorzien in de wet van 19 april 2014 betreffende de arbeidstijd van het operationeel
18/07/2014
23
FAQ statuut - Geldelijk statuut
personeel van de zones), maakt deze vergoeding aan socialezekerheidsbijdragen onderworpen
loon uit. Op de aanvullende vergoeding die toegekend wordt aan vastbenoemde
personeelsleden zijn geen pensioenbijdragen verschuldigd tot financiering van het
gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO om reden dat deze vergoeding niet in
aanmerking zal worden genomen voor de berekening van het pensioen openbare sector.
Deze vergoeding komt niet in aanmerking voor de berekening van vakantiegeld,
eindejaarspremie of haard/standplaatstoelage.] Update 18/07/2014
Titel 7 – Toelage voor de uitoefening van een hogere functie
Titel 8 – Diplomatoelage
BOEK 3 – Bepalingen voor het vrijwillig personeelslid
Titel 1 – Prestatievergoeding
Q1 Hoe moet de prestatievergoedingsschaal gelezen worden? Begint iedere vrijwilliger aan
niveau “0” en wordt en na het behalen van een ‘voldoende’ evaluatie en het presteren van
180 uren (excl wachturen) deze opgeschaald met 1, of wordt gekeken naar de
graadanciënniteit en moeten we ons daarin inpassen ?
In behandeling
Q2 Is het wel de bedoeling van de schrijver van de tekst om de prestatievergoeding te beperken
tot 1u indien een vrijwilliger voor minder dan 1 uur wordt opgeroepen?
Ja, de combinatie van de artikelen 35 en 36 van het geldelijk statuut impliceert dat de
vergoeding van de vrijwilliger wordt berekend aan de hand van de werkelijk gepresteerde
uren. Artikel 36 preciseert evenwel dat deze vergoeding niet lager mag zijn dan 1u prestatie,
zelfs indien de prestatie korter is en dat elk begonnen uur volledig wordt vergoed.
Titel 2 – Diplomatoelage
Q1 Er wordt gesproken over een diplomatoelage voor de vrijwilligers. Is de lijst met de
diploma's die in aanmerking komen voor deze toelage up to date ?
18/07/2014
24
FAQ statuut - Geldelijk statuut
De diplomatoelage verwijst naar de bestaande reglementering inzake diploma's en brevetten
die actueel in aanmerking komen voor de diplomatoelage. Deze lijst zal up-to-date gebracht
worden.
Titel 3 – Toelage voor onregelmatige prestaties
25
Q1 Moet één zelfde percentage worden toegepast voor de wachtprestaties en de interventies?
Kan men b.v. bepalen om ’s zondags de wachten te vergoeden aan 0% en de interventies aan
100%?
Er kunnen twee verschillende percentages worden toegepast voor interventies en voor
wachten in de kazerne. Dit verschil moet natuurlijk gemotiveerd worden. Het is wel belangrijk
steeds een percentage van toelage te voorzien voor beide types opdrachten. 0% voor wachten
in de kazernes kan niet. Art. 39 van het KB geldelijke statuut is immers niet facultatief en
bepaalt dat een vrijwilliger een premie krijgt.
Q2 De toelages voor onregelmatige prestaties voor vrijwilligers (max +25% voor nacht, max
+100% voor zat-zon-feestdag) zullen door de zoneraad gedefinieerd worden, wat indien deze
toelages lager zullen liggen dan de toelages die de gemeentebesturen momenteel hanteren?
Mocht de zone een toelage bepalen die voor sommige personeelsleden lager ligt dan wat
actueel toegekend wordt, kan het personeelslid altijd nog gebruik maken van de mogelijkheid
om te kiezen voor zijn (volledige) oude geldelijk statuut (ingeval dat in zijn geheel meer
voordelig zou zijn dan het nieuwe geldelijk statuut) zoals voorzien in artikel 207 van de wet van
15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Dus ofwel opteert hij voor het behoud van zijn
volledige gemeentelijk geldelijk statuut, ofwel, als hij niet kiest voor het behoud ervan,
ontvangt hij de vergoedingen voorzien door het nieuwe statuut.
Q3 Is er een mogelijkheid om de beroeps en de vrijwilligers gelijkwaardig te vergoeden, in de zin
dat de vrijwilligers een gelijkwaardige vergoeding zouden krijgen aan de 38% van de
beroeps, ongeacht wanneer het uur wordt gepresteerd?
Het is niet mogelijk binnen het kader van het KB geldelijk statuut om eenzelfde of
gelijkwaardige vergoeding zoals de beroeps toe te kennen aan de vrijwilligers.
Immers, de toelagen voor de vrijwilligers voor onregelmatige prestaties worden voorzien in
artikel 40, niet als een mogelijkheid, maar als een recht (art 39) waarvan de maxima van de
toelagen in het Kb bepaald zijn.
18/07/2014
FAQ statuut - Geldelijk statuut
De bevoegdheid van de raad om bijkomende vergoedingen of toelagen te voorzien (art 45) is
beperkt (zie verslag aan de Koning) en deze vergoedingen/toelagen mogen in geen geval
gecumuleerd worden met een ander compensatievoordeel voor dezelfde prestaties.
De wetgever heeft hier duidelijk gekozen voor een verschillend systeem voor de beroeps en de
vrijwilligers wat betreft de onregelmatige prestaties, dit onderscheid trachten teniet te doen
26
strookt niet met de regelgeving.
Titel 4 – Toelage voor de uitoefening van een hogere functie
BOEK 4 – Bepalingen waarvan de uitvoering facultatief is
BOEK 5 – Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Q1 Wie geniet welke verworven rechten en wat houdt de keuze voor het oude (geldelijke)
statuut in?
Artikel 48, §1 KB geldelijk statuut heeft betrekking op de overgedragen personeelsleden die
kiezen voor hun oude statuut, dit wil zeggen hun oude geldelijke statuut, m.n. de geldelijke
bepalingen en de sociale voordelen. Hieronder kan bijvoorbeeld begrepen worden de
weddeschaal en het premiestelsel, de maaltijdcheques, een fietsvergoeding of een
hospitalisatieverzekering.
Paragraaf 2 van dit artikel heeft betrekking op de overgedragen personeelsleden die niet
kiezen
voor
hun
oude
hospitalisatieverzekering,
(geldelijke)
statuut.
maaltijdcheques,
Indien
zij
fietsvergoeding,
voor
01/01/2015
erkentelijkheidstoelage
een
of
gunstiger berekening van eindejaarstoelage genoten, kunnen ze ten persoonlijke titel deze
voordelen blijven genieten. Deze lijst van ‘verworven rechten’ is limitatief.
Artikel
322
van
het
administratief
statuut
voorziet
dat
de
overgedragen
beroepspersoneelsleden hun huidig verlofstelsel kunnen behouden (indien dit voor hen
voordeliger is). Dit verworven recht geldt zowel voor zij die kiezen voor het behoud van hun
oude geldelijk statuut (art 207 wet) als zij die onder het nieuwe geldelijke statuut komen.
Uiteraard hebben deze drie bepalingen enkel betrekking op de overgedragen personeelsleden
die dus al in dienst waren voor 01/01/2015 bij de brandweer, niet voor het personeel dat door
de zone zal aangeworven worden.
18/07/2014
FAQ statuut - Geldelijk statuut
Q2 Wat met de erkentelijkheidspremie?
De erkentelijkheidspremie voor de vrijwillige brandweerlieden op het einde van hun
dienstneming is actueel niet in alle brandweerdiensten voorzien. Het nieuwe statuut voorziet
geen verplichte erkentelijkheidspremie. De zoneraad krijgt wel de mogelijkheid om dergelijke
premie te voorzien (art 46 Kb geldelijk statuut). De vrijwillige brandweerlieden (die al in dienst
zijn) die in hun gemeentelijk statuut een erkentelijkheidspremie konden krijgen, zullen dit
voordeel behouden in hun nieuwe statuut (art 48 §2 Kb geldelijk statuut).
Q3 Sommige vrijwilligers ontvangen momenteel obv het organiek reglement van hun huidige
brandweerkorps een gunstiger berekening van de vergoeding dan deze opgenomen in art. 39
van het nieuw geldelijk statuut. Zo zijn er momenteel hogere vergoedingen voor
onregelmatige prestaties : vb. minimum 2 uur vergoed voor prestaties 's nachts en in het
weekend, 220% van de uurvergoeding in het weekend, 200% van de uurvergoeding voor
prestaties 's nachts, wil dit zeggen dat vrijwilligers die gebruik maken van art. 207 van de wet
15/05/2007 van deze hogere vergoedingen kunnen blijven genieten ?
Inderdaad, vrijwilligers die gebruik maken van art. 207 van de wet 15/05/2007 kunnen blijven
genieten van deze voordelen, zij behouden immers het oude geldelijk statuut (dus ook voor
het tarief per gepresteerd uur blijft het gemeentelijk statuut van toepassing).
Q4 Kunnen de vrijwilligers ook van deze voordelen blijven genieten nadat ze, na de resterende
duur van hun dienstnemingscontract, opnieuw tijdelijk worden benoemd voor de duur van 6
jaar of nadat ze worden bevorderd ?
De stilzwijgende verlenging van de tijdelijke benoeming van een vrijwillig brandweerman
maakt geen einde aan zijn keuze voor zijn oude (geldelijk) statuut in toepassing van artikel 207
van de wet van 15/05/2007.
Artikel 207, §2 bepaalt wel dat het nieuwe statuut van rechtswege van toepassing is bij een
benoeming (van nieuw aangeworven personeel), bevordering of een aanwijzing voor mobiliteit
of een mandaatsfunctie (zowel voor beroeps als vrijwilligers). Dus een bevordering stelt wel
een einde aan de keuze voor het oude (geldelijk) statuut.
Q5 Hoe worden de voorafgaande dienstjaren (voor de opstart van de zone) van de vrijwilligers
meegeteld voor het berekenen van de geldelijke anciënniteit? Een jaar voor een jaar of
moet ook hier reeds gerekend worden a rato van 180 prestatie-uren op jaarbasis voor een
jaar.
In het kader van art. 53 van het KB 19/04/2014 - geldelijk statuut mag een jaar voor een jaar
geteld worden.
18/07/2014
27
FAQ statuut - Geldelijk statuut
Bijvoorbeeld: bij een sergeant met 15 jaar dienstanciënniteit die sinds 5 jaar sergeant is kan
enkel rekening worden gehouden met de 5 jaar als sergeant.
Dit geldt zo voor alle graden, behalve die van korporaal (zie art. 33). Daar mogen de jaren in de
graad van brandweerman ook meegerekend worden.
Q6 Moeten de jaren anciënniteit aaneensluitend zijn? Quid iemand die b.v. enkele jaren uit
dienst is geweest en later terug actief is opgenomen in een (ander) korps?
De anciënniteit die opgebouwd werd in een ander korps (binnen dezelfde zone) of in een
vorige periode bij hetzelfde korps kan meegeteld worden voor zover bovenstaande principes
worden gerespecteerd.
Q7 Volgens art.51 zal het beroepspersoneelslid op geen enkel ogenblik in zijn nieuwe
weddeschaal een wedde krijgen die lager ligt dan de wedde die hij in zijn vroegere
weddeschaal gekregen zou hebben. Bij deze vergelijking wordt geen rekening gehouden met
een eventueel weddesupplement of een eventuele verhoging van de weddeschaal voor
nacht-, zaterdag- en zondagprestaties. Voor de huidige dienstchefs vervalt de premie voor
dienstchef. Kan het huidige supplement voor dienstchef niet behouden worden cfr. art 48§2
geldelijk statuut of kan dit supplement enkel behouden worden indien er gebruikt gemaakt
wordt van de mogelijkheid vermeld in art. 207 van de wet van 15/05/2007 ?
Artikel 48, §2, dat toelaat om bepaalde geldelijke voordelen uit het oude statuut te
combineren met het nieuwe statuut, heeft enkel betrekking op de 5 geldelijke bepalingen die
opgesomd zijn. Dus dit artikel geldt niet voor het weddesupplement voor dienstchef.
Het bestaande weddesupplement voor dienstchef kan ook niet behouden worden ingeval de
betrokkene gebruikmaakt van artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele
veiligheid. Deze keuze laat toe de geldelijke bepalingen en sociale voordelen uit het huidige
gemeentelijke statuut te behouden (art 48, §1 KB 19/04/2014 administratief statuut). Evenwel,
het weddesupplement als dienstchef kan niet behouden worden, aangezien de functie van
dienstchef niet meer bestaat en men dus niet meer voldoet aan de toekenningsvoorwaarden
voor dit weddensupplement.
Q8 Hoe wordt iemand die een hogere functie waarneemt, ingeschaald?
Voor waarnemende functies zijn geen overgangsbepalingen voorzien. De periode waarin men
waarnemend dienstchef was, telt wel mee als nuttige ervaring als dienstchef voor de
toepassing van art. 308 en bijlage 3 van het administratief statuut.
Q9 Wanneer iemand kiest voor het behouden van zijn oud geldelijk statuut, blijft de betaling
van de wedde dan in het begin van de maand?
18/07/2014
28
FAQ statuut - Geldelijk statuut
Ja.
[Q10 In sommige grondreglementen van gemeentelijke brandweerdiensten staat vermeld dat er
een fictief maximum – contingent van wekelijkse prestatieuren wordt toegekend met het
oog op de vergoeding van sommige prestaties van administratieve of representatieve aard
voor de verantwoordelijke vrijwillig bevelhebber-dienstchef.
29
Vervalt dit recht op dit aantal fictief maximum contingent prestatieuren ook indien de
huidige vrijwillig officier-dienstchef gebruikmaakt van artikel 207 van de wet van 15 mei
2007 betreffende de civiele veiligheid aangezien de functie van ‘dienstchef’ niet meer
bestaat, maar de functie vermoedelijk wordt omgevormd tot ‘postverantwoordelijke’?
Dezelfde redenering als voor het weddensupplement dienstchef is van toepassing op het
maximumcontingent uren voor een vrijwillig dienstchef. Deze bepaling kan niet meegenomen
worden in het kader van art 207 van de wet (keuze oud geldelijk statuut) omdat de functie van
dienstchef niet meer bestaat.] Update 18/07/2014
[Q11 Hoe dient men de prestatievergoedingsschaal te interpreteren? Begint elke vrijwilliger bij
niveau “0” en bereikt deze het volgende niveau na het bekomen van een « voldoende »
evaluatie en het presteren van 180 uren (buiten de wachturen), of wordt er rekening
gehouden met de graadanciënniteit en moeten wij ons hieraan houden?
Artikel 53 preciseert dat men rekening dient te houden met de diensten die al eerder als
vrijwilliger werden uitgevoerd in één van de brandweerdiensten van de zone. De nieuwe
berekeningswijze (een jaar geldelijke anciënniteit voor 180 gepresteerde uren) is pas van
toepassing vanaf de overgang naar hulpverleningszone. Voor de prestaties die werden
uitgevoerd vóór de overgang naar de zone, zal men een jaar geldelijke anciënniteit tellen voor
elke periode van 12 maanden engagement. De geldelijke anciënniteit van de vrijwilligers is de
geldelijke anciënniteit die werd verworven in de graad, behalve voor de geldelijke anciënniteit
van de korporaal die eveneens de geldelijke anciënniteit omvat die werd verworven in de
graad van brandweerman. Voorbeeld: een vrijwillig sergeant met een dienstanciënniteit van
10 jaar en een anciënniteit als sergeant van 28 maanden bij de overgang naar de zone zal dus
een geldelijke anciënniteit van 2 jaar hebben in de nieuwe schaal van sergeant. Hij zal
overgaan naar niveau 3 na 120 gepresteerde uren en ten vroegste 8 maanden na de overgang
naar de zone.] Update 18/07/2014
[Q12 In art 9 van het geldelijk statuut staat vermeld dat een personeelslid bij een hiërarchische
bevordering in zijn nieuwe graad nooit een wedde krijgt die lager ligt dan de wedde die hij in
zijn vroegere graad gekregen zou hebben. Momenteel ontvangen de huidige sergeantmajoors (PB5) die bevorderen naar opperadjudant (PB6) een wedde van €29300 (geldelijke
anciënniteit min. 27 jaar). Na de invoering van het nieuwe administratief en geldelijk statuut
18/07/2014
FAQ statuut - Geldelijk statuut
zouden de huidige sergeant-majoors (M0-3) echter bevorderen naar de graad van adjudant
(M1-2). Hierdoor ontvangen zij een wedde die lager ligt dan de wedde die zij in hun oude
statuut zouden hebben gekregen bij een bevordering naar (opper)adjudant (PB6 27 jaar
geldelijke anc. €29300 vs. M1-2 27 jaar geldelijke anc. €28900, een negatief verschil van
€400). Indien deze medewerkers beslissen om onderworpen te blijven aan hun huidige
geldelijke statuut, kunnen ze dan genieten van deze hogere wedde na bevordering ?
Artikel 9 van het Kb geldelijk statuut is geen overgangsbepaling. Het derde lid verwijst naar het
principe dat een hiërarchische bevordering nooit mag resulteren in een lagere wedde dan
diegene die men zou hebben in de lagere graad. Deze bepaling situeert zich in het nieuwe
geldelijk statuut, de vergelijking wordt gemaakt met de wedde van de lagere graad die men
bekleedde, niet de wedde die men zou genoten hebben indien men bevorderd zou zijn tot de
hogere graad uit het oude gemeentelijk statuut.
Artikelen 49 tot 51 bepalen de overgangsregeling voor de inschaling in de nieuwe
weddenschalen.
Artikel 207, §2 van de wet van 15.5.2007 bepaalt uitdrukkelijk dat ingeval van (hiërarchische)
bevordering, het nieuwe geldelijk statuut van rechtswege van toepassing is. Men kan in dat
geval dus geen beroep meer doen op de oude weddeschalen. De puur geldelijke
bevorderingen zonder dat men hiërarchisch bevorderd wordt en dus zonder dat men van
graad verandert, blijven wel van toepassing op de personen die gebruik maken van artikel 207
van de wet.] Update 18/07/2014
[Q13 In art. 48§1 van het geldelijk statuut staat vermeld dat het personeelslid dat gebruikt
maakt van de mogelijkheid, vermeld in art 207 Wet 15/05/2007, persoonlijk de
reglementaire bepalingen blijft genieten die op hem van toepassing waren wat de geldelijke
bepalingen en de sociale voordelen betreft, zo lang deze situatie aanhoudt.
Een
luitenant-vrijwilliger met een diploma niveau A krijgt volgens de integratieregels de graad
van kapitein. Indien deze medewerker zijn huidige geldelijke bepalingen wenst te
behouden, welke prestatievergoeding krijgt deze medewerker dan ? De prestatievergoeding
van luitenant of de prestatievergoeding van kapitein van zijn oude geldelijk statuut ?
Artikel 48, §1 van het Kb geldelijk statuut laat toe om het oude geldelijke statuut te behouden,
meer bepaald de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing waren. De betrokkene
zal dus de vergoedingen blijven genieten die hij genoot in zijn graad van luitenant-vrijwilliger.]
Update 18/07/2014
18/07/2014
30
FAQ statuut - Geldelijk statuut
Bijlage 1
(Opper-) Adjudant
Luitenant (uitdovend)
Luitenant
31
Kapitein
Majoor
Kolonel
Bijlage 2 - Prestaties vergoedingsschaal
Q1 Moeten de bedragen van de prestatievergoedingschalen en de weddenschalen nog
vermenigvuldigd worden met de index?
De prestatievergoedingen voor de vrijwillige brandweerlieden en de weddeschalen zijn
gekoppeld aan de spilindex 138, 01 (art 4 KB geldelijk statuut). De bedragen in de bijlagen 1 en
2 zijn niet-geïndexeerd dus moeten nog vermenigvuldigd worden met 1,6084.
Bijlage 3 - Integratieregels in de nieuwe weddenschalen
18/07/2014
FAQ statuut - Arbeidstijd
ARBEIDSTIJD
Q1 Wij behoren tot één van de zones i.v.m. de uitzondering van de arbeidstijd. Hoe is de
verloning geregeld betreffende de uren tussen 38 en 48 uur? (Vast werkregime, niet opt-out)
Worden deze uren ook aan 1/1850ste betaald, of is er hier een andere regel van toepassing?
In de wet van 19 april 2014 en de bijhorende memorie van toelichting is duidelijk gesteld dat
er onderhandeld of overlegd moet worden met de vakbonden in die zones waar afgeweken
wordt van het 38u-systeem. Zowel de gemiddelde arbeidstijd per week als de vergoeding
maken deel uit van het syndicaal overleg/onderhandeling. In de wet wordt nergens een
minimum of maximum vermeld.
Zie de memorie van toelichting bij art. 5: “Enkel in die zones kan met de vakbonden
onderhandeld of overlegd worden over enerzijds een arbeidsregime van meer dan 38 uren
gemiddeld, maar niet meer dan 48 uren gemiddeld en anderzijds over de vergoeding ervan. Dit
is de gewone toepassing van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen
tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.”
Het vertrekpunt van de onderhandelingen over de vergoeding van de bijkomende uren zal het
geldelijk statuut zijn. De weddeschalen die hierin zijn uitgewerkt zijn op basis van een 38urenregime. Er moet dus onderhandeld worden over de vergoeding aangezien er niet werd
voor geopteerd om aparte weddeschalen uit te werken voor alle mogelijke regimes tussen 38u
en 48u.
Q2 Kan een 24-uurs shift eigenlijk nog blijven voortbestaan? In de memorie van toelichting
wordt gesteld dat enkel in uitzonderlijke situaties de maximale dagelijkse of wekelijkse
arbeidsduur mag overschreden worden. Daarbij wordt gesteld dat een schouwbrand
eigenlijk valt onder een gebruikelijke activiteit van een hulpdienst en dus geen uitzonderlijke
situatie is die toelaat om af te wijken van de dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur. Hoe kan
dit nu effectief geïnterpreteerd worden?
Shiften van 24u zijn zeker nog mogelijk in het kader van de nieuwe wet over de arbeidstijd. Art.
5, § 3 stelt duidelijk dat men tot 24u kan werken. (Uit art. 5, § 4 kan ook afgeleid worden dat
interventies van 24u perfect mogelijk zijn.)
Het voorbeeld in de memorie van toelichting was vooral bedoeld voor de overschrijdingen van
de wekelijkse arbeidsduur. Het kan niet zijn dat iemand meer dan 60u per week werkt omwille
van “gebruikelijke activiteiten”. Om meer dan 60u per week te werken moet er effectief al een
grootschalige interventie geweest zijn.
18/07/2014
32
FAQ statuut - Arbeidstijd
Het gaat ook in tegen de redelijkheid om te interpreteren dat iemand na 23,5 u shift niet meer
zou mogen uitrukken voor een dringende oproep voor een ambulance of een schouwbrand,
omdat hij dan meer dan 24u zou werken. Men kan ook niet in het midden van een interventie
stoppen omdat zijn shift er zou opzitten. Na het afwerken van de laatste interventie moet er
dan wel compensatie zijn binnen de 14 dagen.
Bovendien moeten deze bepalingen ook samen gelezen worden met artikel 19 en 20 van het
administratief
statuut
(bijzondere
plichten
bij
interventies)
waarin
staat
dat
beroepspersoneelsleden kunnen verplicht worden om tijdens interventies de duur van hun
prestaties te verlengen.
Q3 Beroeps : kiezen om niet voor opt-out te gaan kan de organisatie ernstig in het gedrang
brengen , het betekent immers dat een beroeps na zijn 38 uur niets meer doet voor de
brandweer . In grote korpsen is dit misschien wel mogelijk , maar in middelmatige
organisaties wordt het heel moeilijk indien men zijn manschappen niet extra kan oproepen
of speciale oefeningen of opleidingen kan laten volgen omdat deze niet in de normale
werkuren zitten . Kan je opt-out opleggen in kader van de beschikbaarheid, en op basis van
de werking van de organisatie ?
De instemming van de werknemer is fundamenteel om van een opt-out te kunnen spreken.
Een werknemer kan dus nooit verplicht worden om een opt-out aan te gaan om stelselmatig
meer uren dan voorzien in het uurrooster te werken.
Q4 Is een beroepslid van de brandweer oproepbaar in oproepbaarheidsdienst of is dit enkel van
toepassing op vrijwilligers? Als dit ook van toepassing is op beroepspersoneel, hoe lang kan
men dan iemand in oproepbaarheidsdienst plaatsen? (Deze vraag is essentieel om de
regeling van officier van dienst verder te kunnen uitwerken binnen de zone.)
Zowel beroepsleden als vrijwilligers kunnen oproepbaar zijn in het kader van een
oproepbaarheidsdienst.
In de nieuwe wet over de arbeidstijd van het operationeel beroepspersoneel is de
oproepbaarheidsdienst immers gedefinieerd. - zie art. 3, 7° ““oproepbaarheidsdienst”: een
periode waarin de werknemer, zonder in de kazerne te moeten zijn, zich beschikbaar verklaart
om gevolg te geven aan een oproep voor een interventie. Enkel de periode van de interventie
wordt als arbeidstijd aangerekend”) In art. 6, § 2, van dezelfde wet is bepaald dat de
zonecommandant de wachtdiensten in de kazerne en de oproepbaarheidsdiensten verdeelt.
Oproepbaarheidsdienst is geen arbeidstijd en is nergens wettelijk gelimiteerd. Ook als men
tijdens die oproepbaarheidsdienst beperkt wordt in zijn vrijheid om gevolg te moeten kunnen
geven aan een oproep betekent dit niet dat dit arbeidstijd zou worden.
18/07/2014
33
FAQ statuut - Arbeidstijd
Artikel 27 van het KB van 19/04/2014 (geldelijk statuut) stelt dat de operationaliteitspremie de
oproepbaarheidsdiensten van de beroepsofficieren dekt.
Ook art. 19 van het KB van 19/04/2014 (administratief statuut) verwijst naar deze
oproepbaarheidsdienst.
Q5 Gaat bij een oproepbaarheidsdienst het initiatief uit van de werknemer die zich beschikbaar
verklaart? Kan hij zich dus ook onbeschikbaar stellen?
Het blijft in de eerste plaats de bedoeling om de dienst zo te organiseren dat
oproepbaarheidsdiensten voor beroepspersoneel beperkt blijven. Ik neem aan dat uw vragen
vooral betrekking hebben op het organiseren van een wacht voor officieren.
Over de oproepbaarheidsdienst kunnen afspraken vastgelegd worden in een reglement. In
overleg met de hiërarchie wordt dan bepaald hoe die afspraken concreet ingevuld worden. Dit
moet op een zelfde manier gebeuren als voor de vrijwilligers. Zie de uitleg bij art. 177 in het
Verslag aan de Koning.
Q6 Wat als iemand zich niet beschikbaar kan verklaren binnen een oproepbaarheidsdienst
omdat hij te ver van de kazerne woont?
Er is inderdaad geen woonplaatsverplichting voor beroepspersoneel. Aangezien gewerkt zal
worden in een netwerk van posten, kan er ook aan gedacht worden om te werken met pools
of back-ups van officieren van verschillende posten. Het behoort tot het takkenpakket van een
officier om wachten te garanderen. Dat geldt ook voor een officier die heel ver buiten de zone
woont.
Q7 Is het mogelijk om de functie van administratief personeelslid van de zone te cumuleren met
een functie als vrijwilliger binnen dezelfde zone?
In het KB van 19/04/2014 (administratief statuut voor het operationeel personeel van de
hulpverleningszones) staat er geen onverenigbaarheid tussen administratief personeelslid van
de zone en vrijwillig personeelslid van de zone.
Het administratief statuut van het administratief personeel zal door de zone opgesteld
worden. De zone zal dus zelf kunnen bepalen of zij een dergelijke onverenigbaarheid al dan
niet opneemt.
De volgende principes zijn van toepassing:
•
•
Voor het administratief personeel blijft de wet van 14/12/2000 (arbeidstijd van het
overheidspersoneel) van toepassing.
Een opt-out, zoals die wordt ingevoerd voor het operationeel beroepspersoneel (door
de wet van 19/04/2014), is niet mogelijk voor hen.
18/07/2014
34
FAQ statuut - Arbeidstijd
Gelet op het feit dat een beroepslid de mogelijkheid heeft om bij dezelfde werkgever een optout van max. 10u uit te voeren bovenop zijn gemiddelde wekelijkse arbeid van 38u en gelet op
het feit dat een brandweervrijwilliger max. 24u (over een referentieperiode van één jaar) kan
presteren naast zijn hoofdjob, die in principe ook gemiddeld 38 u per week bedraagt, is een
interpretatie nodig van het maximaal aantal uren dat een administratief personeelslid nog als
vrijwilliger kan presteren binnen één zone en dus voor één werkgever.
Zonder een standpunt in te nemen over de toepasselijkheid van de richtlijn 2003/88/EG op de
brandweervrijwilligers en onder voorbehoud van andersluidende rechtspraak, lijkt het redelijk
dat een administratief personeelslid nog max. 10u als vrijwilliger mag presteren (over een
referentieperiode van één jaar) binnen dezelfde zone. Iemand die deeltijds als administratief
personeel werkt, kan meer uren als vrijwilliger presteren, maar hij kan nooit meer dan 24u als
vrijwilliger presteren en ook nooit meer dan gemiddeld 48u per week wanneer de prestaties
als vrijwilliger en als administratief lid worden samengeteld.
Die laatste mogelijkheid mag echter nooit de bedoeling hebben om de wet te ontduiken en het
statuut van het operationeel beroepspersoneel uit te hollen.
Volgens art. 174 van voormeld KB van 19/04/2014 is het ook mogelijk om een vrijwilliger een
aantal administratieve taken toe te vertrouwen. Ook deze mogelijkheid mag echter nooit de
bedoeling hebben om de wet te ontduiken en het statuut/contract van het administratief
beroepspersoneel uit te hollen.
Q8 Kan een zone kiezen voor 2 systemen van arbeidstijd binnen de zone bvb een deel in 48 uren
en een deel in 38. Wat dan bij mutatie van iemand die nu in 38 staat en naar een 48 uur wil.
Wordt dit nog toegelaten?
Ja, een zone kan verschillende arbeidsregimes hebben. Een arbeidsregime van meer dan
38u/week gemiddeld is enkel mogelijk in de 7 zones die voldoen aan de voorwaarden vermeld
in de wet van 19/04/2014 arbeidstijd operationeel personeel (m.n. Vlaams‐Brabant Oost,
Vlaams‐Brabant West, Antwerpen Rivierenland, Limburg Oost, West‐Vlaanderen Fluvia, West‐
Vlaanderen Midwest en Namen NAGE). Het betreft een overgangsregeling die binnen de
termijn bepaald in de wet moet geregulariseerd worden.
De overgangsregeling geldt voor de zone, voor zowel hun reeds in dienst zijnde personeel als
voor het nieuw aangeworven personeel. Dus als iemand in een andere post terechtkomt, waar
een ander arbeidsregime van toepassing is, valt de betrokkene onder dit arbeidsregime.
Q9 Is het mogelijk om een vergoeding te voorzien voor de oproepbaarheidsdienst van de
officieren?
18/07/2014
35
FAQ statuut - Arbeidstijd
Nee,
de
oproepbaarheidsdienst
van
de
officieren
wordt
gedekt
door
de
operationaliteitspremie, zoals ook voorzien door artikel 27 van het geldelijk statuut.
Het betreft in principe een forfaitair bedrag, maar de zones kunnen een objectief systeem
invoeren dat bijvoorbeeld per graad het aantal oproepbaarheidsdiensten bepaalt dat
uitgevoerd dient te worden door de officieren.
36
Q10 Hoe worden de opt out-uren betaald? Kan men in een zonevergoeding voorzien om de opt
out op sommige momenten (zon- en feestdagen) aantrekkelijk te maken?
Artikel 7 §2 van de wet van 19 april 2014 betreffende de arbeidstijd van de
beroepsbrandweerlieden bepaalt dat de bijkomende arbeidstijd (opt out) het voorwerp is van
een aanvullende vergoeding die gelijkwaardig is aan het basisloon in functie van de
gepresteerde uren.
Artikel 25 van de bezoldigingsregeling bepaalt dat het beroepspersoneelslid een premie voor
operationaliteit en onregelmatige prestaties geniet voor elke daadwerkelijk gepresteerde
periode. Het is derhalve evident dat deze bijkomende uren betaald worden zoals de andere
werkuren: loon en premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties.
Het is niet mogelijk te voorzien in een extra zonepremie voor de uitoefening van deze
bijkomende uren op een zon- of feestdag, want het feit dat de brandweerlieden buiten de
kantooruren werken, wordt reeds vergoed door de premie voor operationaliteit en
onregelmatige prestaties. Het is niet mogelijk te voorzien in twee verschillende premies om
hetzelfde te vergoeden. Indien de dienstverantwoordelijke moeilijkheden heeft om op een
zon- of feestdag kandidaten te krijgen, weerhoudt niets hem ervan de arbeidsregeling van zijn
personeel aan te passen, opdat deze dagen zouden worden opgenomen in de uurregeling van
dit personeel.
[Q11 Stel dat men kiest voor het nieuwe geldelijke statuut en in een 38urensysteem werkt. Hoe
worden overuren dan vergoed? Tellen ze mee voor de operationaliteitspremie? (IB)
Alle uren buiten het normale uurrooster dienen gerecupereerd te worden en worden gewoon
vergoed
aan
100%.
Deze
gepresteerde
uren
tellen
allemaal
mee
voor
de
operationaliteitspremie, maar doordat ze steeds gecompenseerd moeten worden met
inhaalrust werkt men in principe altijd gemiddeld 38u/week.
b.v. in een maand met overuren zal de operationaliteitspremie hoger liggen dan in de maand
waarin deze uren gecompenseerd worden met inhaalrust (in beide maanden blijft de wedde
wel dezelfde, maar wisselt het bedrag van de operationaliteitspremie in functie van de
effectief gepresteerde uren)] Update 18/07/2014
18/07/2014
FAQ statuut - Arbeidstijd
[Q12 Stel dat men kiest voor het nieuwe geldelijke statuut en in een 38urensysteem + 10u optout werkt. Hoe worden de opt-out-uren dan vergoed? Tellen ze mee voor de
operationaliteitspremie? Kunnen er nog overuren gepresteerd worden in dergelijk systeem?
De uren opt-out worden uitbetaald volgens het uurloon (zie art. 7, § 2, wet 19/04/2014). Ze
tellen ook mee voor de operationaliteitspremie (zie art. 25 KB 19/04/2014 geldelijk statuut
37
“een premie voor elke daadwerkelijke gepresteerde periode”).
De wekelijkse arbeidstijd van 38u is een gemiddelde over 4 maanden, de opt-out is een
maximum van 10u per week, dat niet overdraagbaar is naar een volgende week, wanneer het
niet volledig werd benut.
Bij de opt-out wordt een inidividueel akkoord afgesloten waarin de modaliteiten worden
bepaald: b.v. het aantal uren dat ingeroosterd is (voor wachtdienst) en dus wekelijks
weerkeren, het aantal uren dat men oproepbaar zal zijn, ... (afhankelijk daarvan is de
vergoeding ook zeker of afhankelijk van de effectieve prestaties).
B.v. Als iemand gekozen heeft voor een opt-out van 10u en hij heeft 2 overuren gedaan, dan
moet het individueel akkoord gevolgd worden.
Piste 1: Indien zijn 10u allemaal ingeroosterd zijn, heeft deze persoon 2 overuren gemaakt. Hij
kan die 2 overuren binnen de referentieperiode van 4 maanden opnemen als inhaalrust en hij
kan die week nog 10u opt-out vervullen (als hij opt-out in een andere post uitvoert, kan deze
manier van werken aangeraden zijn om de operationaliteit daar te garanderen).
Piste 2: Als zijn opt-out-uren niet (allemaal) ingeroosterd zijn, compenseert deze persoon die 2
uren diezelfde week en worden deze uren afgetrokken van zijn aantal (niet-ingeroosterde)
uren opt-out. Hij kan die week dan nog 8 uren opt-out vervullen.
Beide pistes zijn dus mogelijk, maar het moet duidelijk in het individueel akkoord zijn
opgenomen voor welk systeem men kiest.] Update 18/07/2014
18/07/2014