Thema 1 - De Boeck

Thema 1
Leerstof verwerken
1
Naast elke pijl komt de relatie ‘bestaan uit’.
De natuur is opgebouwd uit materie. De quarks en de elektronen zijn de elementaire
deeltjes of bouwstenen van de materie.
2
symbool
naam
A
H
waterstof
1
aantal
protonen
1
1
He
helium
4
2
2
2
2
Li
lithium
7
3
3
4
3
O
zuurstof
16
8
8
8
8
K
kalium
40
19
19
21
19
U
uraan
235
92
92
143
92
3 Een atoom is neutraal.
Z
aantal
neutronen
0
aantal
elektronen
1
4 8 elektronen, 8 protonen, 10 neutronen
5
symbool
A
Z
aantal protonen
aantal neutronen
16
8
8
8
17
8
8
9
18
8
8
10
6
symbool
A
Z
aantal protonen
aantal neutronen
234
92
92
142
235
92
92
143
238
92
92
146
Welk isotoop komt het meest voor? Uraan-238
Welk isotoop wordt in de kerncentrale gebruikt? Uraan-235
7
symbool
20
Ne
21
Ne
22
Ne
Atoomnummer Z
10
10
10
Aantal protonen
10
10
10
Massagetal A
20
21
22
Aantal nucleonen
20
21
22
Aantal neutronen
10
11
12
Aantal elektronen
Voorkomen
10
10
10
90,9 %
0,3 %
8,8 %
8 Radioactief betekent ‘actief uit zichzelf’: de kern stuurt spontaan
straling uit. Het is dus de kern die radioactief is en niet de
uitgestuurde straling.
9
10
11
12
soort straling
α
β
γ
röntgen
massa (ja/neen)
ja
ja, maar bijna nul
neen
neen
elektrische lading
ja: positief
ja: negatief
neen
neen
13 De bron stuurt per seconde 245 deeltjes uit of met andere woorden per
seconde zijn er 245 kernen die vervallen door het uitsturen van een
deeltje.
14
massa (g)
100
50
25
12,5
6,25
3,12
1,56
0,78
0,39
0,20
0,10
tijd (dagen)
0
8,0
16,0
24,0
32,0
40,0
48,0
56,0
64,0
72,0
80,0
Na 80 dagen blijft nog 0,10 g radioactieve stof over.
15
tijd
nu
na 28 jaar
na 56 jaar
na 84 jaar
na 112 jaar
na 140 jaar
na 168 jaar
na 196 jaar
resterend strontium (in µg)
200
100
50
25
12,5
6,25
3,12
1,56
gevormd yttrium (in µg)
0
100
150
175
187,5
193,75
196,78
198,44
Minder dan 1 % betekent minder dan 2 μg. Dat is pas het geval na 7
halveringstijden of 196 jaar.
16 Radon-220 heeft een halfwaardetijd van 55 seconden. Als je een
hoeveelheid radonkernen neemt, is na 55 seconden de helft ervan
vervallen door het uitsturen van een deeltje. Na 55 seconden is de
activiteit van de hoeveelheid radon tot op de helft gevallen.
17 De halveringstijd is in dat geval zeer groot.
18 Ioniserende straling is zo energierijk dat ze atomen op haar weg kan
ioniseren.
19 Champignons worden bestraald met gammastralen zodat de hoedjes
niet opengaan.
De champignon is bestraald: er is straling doorgegaan. Er is echter
geen radioactieve stof in aanraking gekomen met de champignon: die
is dus zelf niet radioactief geworden.
20 Ja, de persoon heeft nu radioactieve stof in het lichaam die
vandaaruit straling uitzendt.
21 Tracers laten toe de vloeistof te ‘volgen’ die in de pijpleiding stroomt.
Men kan de radioactiviteit op een punt meten en vaststellen wanneer
de vloeistof met het deeltje tracer daar voorbijkomt.
22 We moeten een straling gebruiken die door een metalen folie gaat, dus
een gammastraling. Vermits de doordringbaarheid van het materiaal
afhankelijk is van de dikte van de plaat zal de gemeten intensiteit
dezelfde waarde hebben als de plaat overal even dik is.
Bij een dikkere folie wordt immers meer geabsorbeerd en daalt de
waarde van de gemeten intensiteit. Daarvoor echter moet de
intensiteit van de bron vrij constant blijven: de bron mag dus niet te
snel vervallen en moet dus een grote halfwaardetijd hebben.
23 Lood absorbeert straling het best. Alle alfa- en bètastraling worden al
door een dun loden plaatje geabsorbeerd. Een plaat van 5 cm lood
(kist) houdt ook gammastraling tegen.
24 Door het inademen van radongas krijg je een radioactieve stof binnen.
Een vervalproduct van radon is het radioactieve polonium dat echter
bij lichaamstemperatuur vast is. Zo blijven vaste deeltjes achter in de
longen. De poloniumkern is een α-straler. Je bent dus radioactief
besmet omdat je radioactieve stof binnen je lichaam hebt. Het is
bovendien gevaarlijk omdat α-stralen zeer energierijk zijn en dus grote
schade kunnen aanrichten in het weefsel waarin de radioactieve
atomen zich bevinden.
25 Aan de hand van het antwoord op vraag 22 leiden we af dat de beste
bron kobalt-60 is. Dat is een gammastraler met een halveringstijd van
5 jaar.
26
interval van 1 s
1ste
2de
3de
4de
activiteit (Bq)
10
7
9
9
Gemiddelde activiteit: 9 Bq
27 Kernfissie is het splijten van zware kernen tot lichtere kernen; kernfusie
is het samensmelten van lichte kernen.
Omgaan met informatie
1 Fluorescentie is het verschijnsel waarbij een stof die bestraald werd met
een energierijke straling (zoals licht, uv of röntgenstraling) licht
uitstuurt. De atomen van de stof absorberen de hoogenergetische
fotonen en belanden in een aangeslagen toestand. Bij het terugkeren
naar de grondtoestand (de aangeslagen elektronen gaan naar hun
stabiel energieniveau terug) wordt een foton uitgestuurd, meestal van
lagere energie, dus langere golflengte. Dat noemen we fluoresceren.
Het woord fluorescentie is afkomstig van fluoriet: een mineraal dat
bestaat uit het zout (calciumfluoride) CaF2. Een bekende
fluorescerende stof is calciumfluoride.
Een nuttige website: www.minerant.org/archief/fluorescentie.html.
2 Alfastralen zijn deeltjes die we met het blote oog niet kunnen zien. In
zogenaamde ‘nevelkamers’ kan je de sporen zien van alfadeeltjes. Het
nevelvat is in zijn meest eenvoudige vorm een afgesloten vat, gevuld
met een oververzadigde en onderkoelde damp. Wanneer een invallend
deeltje (bijvoorbeeld een elektron of een alfadeeltje) door het mengsel
gaat, kan het een aantal van de atomen op zijn pad ioniseren. Die
atomen werken als kernen waarrond de damp condenseert. Op die
manier wordt een spoortje van nevel zichtbaar langs het pad van het
invallende deeltje. Uit de eigenschappen van de spoortjes kun je
informatie aflezen over het waargenomen deeltje.
Een relatief zwaar alfadeeltje laat bijvoorbeeld een dikker en rechter
spoor na dan een relatief licht elektron. Wanneer een magneet nabij
de nevelkamer wordt geplaatst, zullen geladen deeltjes afbuigen als
gevolg van de lorentzkracht. Deze afbuiging is sterker naarmate de
snelheid van het deeltje lager is en de lading groter.
De richting van de afbuiging geeft aan of het deeltje positief of negatief
geladen is.
Voor meer info: nl.wikipedia.org/wiki/Nevelkamer
3 Vervaardigen van kernwapens.
4 Isotopolis is een afdeling van Belgoprocess die tot taak heeft informatie
te verstrekken aan het grote publiek over radioactiviteit en in het
bijzonder over de verwerking en opslag van radioactief afval.
Belgoprocess zelf verwerkt het radioactief afval en staat in voor de
opslag ervan.
Thema 2
•
Demo 1 (p. 30)
Welke beweging krijgt de kurk?
De kurk beweegt op en neer.
Wat gebeurt er met het wateroppervlak?
Het ganse wateroppervlak begint te bewegen – er ontstaan cirkelvormige golfjes.
•
(p. 30) Vul aan: 1 kHz = 1 000 Hz en 1 MHz = 1 000 000 Hz
•
Demo 2 (p. 31)
Wat ontstaat er op het wateroppervlak?
Cirkelvormige golfjes
Waarneming:
De golfjes hebben een kleinere golflengte.
•
Demo 3 (p. 32)
Noteer de temperatuursverandering in de kolf.
De temperatuur stijgt.
Welke stof warmt op?
Het kwik in het reservoir van de thermometer.
Verklaar.
Licht en warmte gaan door het vacuüm en bereiken de thermometer.
•
(p. 33) In de figuren is een schotelantenne voor radio- of tv-golven voorgesteld. De schotel is een
deel van een bol ofwel een parabool. In het brandpunt staat een zender of ontvanger.
Op welke eigenschap steunt deze toepassing?
Op de eigenschap van terugkaatsing. Een holle spiegel heeft een
brandpunt waar een evenwijdige bundel in convergeert. Omgekeerd
wordt een bundel uit het brandpunt evenwijdig na terugkaatsing op
de spiegel.
•
(p. 34) Een microgolf heeft een golflengte van 8 mm, een radargolf heeft een golflengte van 50
mm. Bereken voor beide de frequentie.
Microgolf: λ = 8 mm = 8 · 10–3 m
f = c/λ = (3 · 108 m/s)/(8 · 10–3 m) = 3,75 · 1010 Hz = 3 750 MHz
Radargolf: λ = 50 mm = 50 · 10–3 m
f = c/λ = (3 · 108 m/s)/(50 · 10–3 m) = 6 · 109 Hz = 6000 MHz
Een radiostation zendt golven uit met een frequentie van 200 kHz en een golflengte van 1 500 m.
Wat is de voortplantingssnelheid van radiogolven?
f = 200 kHz = 2 · 105 Hz = 2 · 105 s-1
c = 1 500 m x 2 · 105 s-1 = 3 000 · 105 m/s = 3 · 108 m/s
Een ander station zendt golven uit van 600 kHz. Wat is hun golflengte?
f = 600 kHz = 6 · 105 Hz
λ = c/f = (3 · 108 m/s)/(6 · 105 s-1) = 500 m
•
opdracht (p. 36)
Vul de ontbrekende waarden in.
•
type van radiogolf – indeling naar golflengte (m)
golflengte
frequentie (MHz)
lang
1 500
0,2
middengolf
300
1
kort
10
30
zeer kort VHF (very high freq)
3
100
ultra kort UHF (ultra high freq)
0,1
3 000
Demo 4 (p. 38)
Welke eigenschap van golven heb je hier aangetoond?
Terugkaatsing.
•
(p. 38) Hoeveel is 1 nm? 1 nm = 1 · 10-9 m
•
opdracht (p. 39)
Vul aan de hand van het schema op de volgende bladzijde de tabel in.
bron
naam golven
golflengtegebied
frequentiegebied
radiostation
3 km tot 30 cm
105 tot 109 Hz
magnetron
radiogolven
microgolven
0,1 mm-10 cm
warmtebron
IR
0,8-100 μm
zon, lamp
zichtbaar licht
400 nm-800 nm
uv-lamp
uv
10 nm-400 nm
röntgenbuis
röntgenstralen 0,01-10 nm
radioactieve
bron
gammastralen
3·109 tot
3·1012 Hz
3·1012 tot
3,75·1014 Hz
3,75 · 1014 tot
7,5 · 1014 Hz
7,5 · 1014 tot
3 · 1016 Hz
3 · 1016 tot
3 · 1019 Hz
> 3 · 1019 Hz
< 0,01 nm
waarneming/
toepassing
radio, tv en gsm
microgolfoven
oven, toaster
verlichting
zonnebank
radiografie
gammabron
Leerstof verwerken
1 Frequenties van radiozenders hangen af van de regio. Zo is de
frequentie voor MNM bijvoorbeeld 88,3 MHz in Brussel en 101,5 MHz in
Egem. Voor Studio Brussel is het 102,1 MHz in Egem, 94,5 MHz in Gent
en 88 MHz in Leuven.
Formule λ · f = c , met c = 3 · 108 m/s of λ = c /f .
• MNM:
zender Brussel: λ = (3 · 108 m/s)/(88,3 · 106 s-1) = 3,40 m
zender Egem: λ = (3 · 108 m/s)/(101,5 · 106 s-1) = 2,96 m
• Studio Brussel:
zender Egem: λ = (3 · 108 m/s)/(102,1 · 106 s-1) = 2,94 m
zender Gent: λ = (3 · 108 m/s)/(94,5 · 106 s-1) = 3,17 m
zender Leuven λ = (3 · 108 m/s)/(88 · 106 s-1) = 3,41 m
2
3 De maan heeft geen atmosfeer. Geluid kan dus niet op zich
overgedragen
worden.
Astronauten
praten
via
radio,
een
elektromagnetische straling die geen atmosfeer nodig heeft.
4 Geluid is de voortplanting van een materiële trilling (een stemband,
een snaar, een luchtkolom … wordt aan het trillen gebracht).
Geluid heeft een middenstof nodig om zich voort te planten.
Radiogolven zijn elektromagnetische golven: ze gaan wel door een
vacuüm.
Eigenschappen die alle golven gemeen hebben zijn o.a. terugkaatsing
en breking.
5 Radiogolven hebben een veel grotere golflengte dan licht. Zowel
radiogolven als zichtbaar licht zijn elektromagnetische golven: ze
planten zich voort met de lichtsnelheid en gaan ook door een vacuüm.
Omgaan met informatie
1 a Welke delen stralen veel warmte uit?
Oren, ogen, mond en keel.
b Ga naar de tekst over radiogolven (‘Radiowaves’). Met welke toestellen detecteert men
radiogolven uit het heelal?
Radiotelescopen (= reusachtige schotelantennes).
c Zijn er bronnen van x-straling (‘X-rays’) in het heelal?
Ja.
2 a Klopt het dat de gsm werkt op hoge frequentie?
Ja, gsm's zenden permanent golven van hoge frequentie uit om
contact te houden met het netwerk, zelfs in stand-by.
b Komen de diverse studies tot dezelfde conclusie?
Neen. Gesponsorde onderzoeken tonen geen verhoogde kans op
bepaalde kankers, onafhankelijke onderzoeken wel, nl. een
verdubbeling van het risico op 5 jaar.
c Welke ziekten worden door het gsm-gebruik gestimuleerd?
Het akoestisch neuroom of kanker aan de gehoorzenuw, het glioom
of tumor op de steuncellen en hersenvlieskanker.
d Aangezien de straling waarmee een gsm functioneert op zich laagfrequent is, gaat het om
ongevaarlijke straling. Niettemin is er blijkbaar een nadelig effect op de hersenen. Kan je dat
verklaren? Vergelijk met de laagfrequente straling van de microgolfoven.
Ook bij een microgolfoven wordt ongevaarlijke straling van lange
golflengte gebruikt. De bedoeling is de moleculen in het voedsel te
doen trillen, zodat het voedsel opwarmt. Gsm-gebruik heeft een
gelijkaardig gevolg: bij langdurig gebruik warmen de hersenen op.