Overzicht - vvkso

Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs
Guimardstraat 1, 1040 Brussel
FLITS-BERICHT
2014-05-16
Onderwijsdecreet XXIV:
belangrijkste bepalingen voor het gewoon secundair onderwijs
Op 23 april heeft het Vlaams parlement Onderwijsdecreet (OD) XXIV aangenomen. Hieronder bieden we u een overzicht van de belangrijkste wijzigingen die door dit decreet worden aangebracht
aan de regelgeving voor het gewoon secundair onderwijs. Tenzij anders is vermeld, is de ingangsdatum steeds 1 september 2014.
Vele van deze bepalingen brengen wijzigingen aan in de Codex Secundair Onderwijs, die we hierna
aanduiden als Codex SO.1
Naast OD XXIV zijn er nog andere veranderingen op til die reeds in andere wetten zijn vastgelegd of
die momenteel nog op stapel staan. Zoals gewoonlijk zullen we alle wijzigingen die vanaf volgend
schooljaar ingaan, verzamelen in een Mededeling die u mag verwachten tegen het begin van de
zomervakantie.
1
Aanvraag van een nieuwe vestigingsplaats
(art. III.2 en III.3 van OD XXIV, die art. 14, 15 en 175 van de Codex SO wijzigen, en art.
III.55 en III.56 van OD XXIV, die wijzigingen aanbrengen in art. 10 en 11 van het decreet
Leren en werken).
Wanneer een school voor voltijds so of een centrum voor deeltijds bso in een bepaald schooljaar
een nieuwe vestigingsplaats wil innemen, moet het schoolbestuur uiterlijk 31 maart van het voorafgaande schooljaar een schriftelijke aanvraag daarvoor indienen bij AgODi. De onderwijsinspectie
onderzoekt de aangevraagde vestigingsplaats op hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, en geeft
hierover een advies aan de Vlaamse regering. Uiterlijk 30 juni nadien deelt de Vlaamse regering
haar beslissing mee aan het schoolbestuur; indien de Vlaamse regering tegen die datum geen beslissing heeft meegedeeld, geldt dit als een goedkeuring.
Indien het gaat om de vestigingsplaats in het kader van de oprichting van een nieuwe school of
een nieuw centrum voor dbso (een totaal nieuwe school/centrum dan wel de splitsing van een
bestaande school/centrum), moet het schoolbestuur zijn aanvraag uiterlijk op 1 mei voordien indienen bij AgODi.
Deze maatregel krijgt met terugwerkende kracht uitwerking vanaf 1 maart 2014. Zie hierover reeds
de volgende Ministeriële omzendbrieven:
•
voor het voltijds secundair onderwijs: SO 42 “Scholen secundair onderwijs”2 en punt 2.3 van
SO 61 “Programmatie, overheveling en afbouw in het voltijds gewoon secundair onderwijs”;3
1
Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair
onderwijs
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > officieuze codificatie van de wetgeving > secundair onderwijs > codex.
2
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
•
voor het deeltijds bso: SO/2008/08 “Stelsel van leren en werken”.4
NB Voor de interne planningsprocedure (VVKSO en DPCC-SO) is de indieningsdatum 30 november
van het voorafgaande schooljaar.
2
Globale puntenenveloppe
(art. III.8 van OD XXIV, dat een wijziging aanbrengt aan art. 23 van de Codex SO)
Oorspronkelijk was voorzien dat de globale puntenenveloppe slechts tot 2013-2014 van kracht zou
blijven, waarna een totaal nieuwe berekeningswijze voor de volledige omkadering in het secundair
onderwijs zou worden ingevoerd. Dit laatste voornemen kan niet meer tijdig worden gerealiseerd;
vandaar dat het stelsel van de globale puntenenveloppe door OD XXIV wordt verlengd zonder einddatum.
3
Duur van de scholengemeenschap
(art. III.9 van OD XXIV, dat wijzigingen aanbrengt aan art. 51 van de Codex SO)
Op 31 augustus 2014 houden de huidige scholengemeenschappen van rechtswege op te bestaan.
De nieuwe scholengemeenschappen worden gevormd bij beslissing van het ene schoolbestuur (indien alle scholen tot hetzelfde schoolbestuur behoren), ofwel bij overeenkomst tussen alle betrokken
schoolbesturen. De scholengemeenschap komt tot stand op 1 september na die beslissing of overeenkomst, en loopt tot 31 augustus 2020. Andere scholen voor gewoon of buitengewoon secundair
onderwijs die nog niet tot een SG behoorden, kunnen op elke 1ste september toetreden tot een
bestaande scholengemeenschap.
Indien een school die tot een scholengemeenschap behoort, wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, kan ze op de 1ste september van elk schooljaar uittreden op
voorwaarde dat alle schoolbesturen van de scholengemeenschap instemmen met de uitstap van de
school in kwestie. Uitstap op elke 1ste september is eveneens mogelijk indien de scholengemeenschap als geheel minder dan 900 leerlingen telt op de teldatum.
Daarnaast moet een school op 1 september van 2017, 2018 of 2019 uit de scholengemeenschap
treden indien ze dan behoort tot een schoolbestuur met “bepaalde kenmerken”. De Vlaamse regering zal nog bepalen aan welke kenmerken het schoolbestuur dan moet voldoen, hoe de extra middelen voor deze schoolbesturen worden berekend (met dien verstande dat de berekening in elk
geval lineair gebeurt), en hoe die extra middelen kunnen worden omgezet in personeelsomkadering.
Modelcontracten voor de scholengemeenschap bezorgen we u via de Flits van 16 mei 2014.
4
Samenwerking met CLB
(art. III.10 van OD XXIV, dat een wijziging aanbrengt aan art. 57 van de Codex SO)
De scholen die tot een scholengemeenschap behoren, zijn voortaan niet meer verplicht om alle met
een zelfde CLB samen te werken. De mogelijkheid die de buso-scholen voordien hadden om met
een afzonderlijk CLB samen te werken, wordt nu dus verruimd tot alle scholen van de scholengemeenschap.
2
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > scholen.
3
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > rationalisatie, programmatie.
4
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > leren en werken.
3
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
5
Melding van de programmatie van een school of centrum voor deeltijds bso
(art. III.39 van OD XXIV, dat art. 175 van de Codex SO wijzigt, en art. III.54 van OD XXIV,
dat art. 8 van het decreet Leren en werken wijzigt.
De programmatie van een school of centrum voor deeltijds bso door splitsing van een bestaande
school resp. centrum, moet uiterlijk 1 mei van het voorafgaande schooljaar door het schoolbestuur
worden gemeld aan AgODi.
In al deze gevallen moet daarbij tevens de ingebruikname van de vestigingsplaats worden aangevraagd met het oog op controle van de hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid: zie reeds punt 1 van
dit overzicht.
NB.1 De wijzigingen die OD XXIV aanbrengt, betreffen enkel de meldings- resp. aanvraagdata. De
voorwaarden om een school of centrum te mogen splitsen of op te richten blijven echter ongewijzigd. Zie hiervoor punt 2 van de Ministeriële omzendbrief SO 61 “Programmatie, overheveling en
afbouw in het voltijds gewoon secundair onderwijs”5, resp. punt 3 van de Ministeriële omzendbrief
SO/2008/08 “Stelsel van leren en werken”.6
NB.2 Voor de interne planningsprocedure (VVKSO en DPCC-SO) is de indieningsdatum 30 november van het voorafgaande schooljaar.
6
Programmatie van studierichtingen
(art. III.40 van OD XXIV, dat art. 177 van de Codex SO wijzigt)
Sinds 1 september 2013 maakt de wetgeving inzake programmaties een onderscheid tussen 1)
studierichtingen die niet programmeerbaar zijn 2) studierichtingen die vrij programmeerbaar zijn 3)
andere die programmeerbaar zijn mits een “inruiloperatie” en 4) die programmeerbaar zijn na toelating van de Vlaamse regering.
De structuuronderdelen die niet programmeerbaar zijn, zijn opgesomd in bijlage 2 bij de Ministeriële
omzendbrief SO 61 “Programmatie, overheveling en afbouw in het voltijds gewoon secundair onderwijs”7. Ondanks de aanduiding als “niet programmeerbaar” kan de Vlaamse regering in uitzonderlijke gevallen toch de toelating geven om dergelijk structuuronderdeel in de derde graad te programmeren, doch enkel indien dit noodzakelijk is om de studiecontinuïteit van de leerlingen in de
school of scholengemeenschap te garanderen. Het gaat daarbij enkel om de studiecontinuïteit van
de leerlingen die op het ogenblik van de aanvraag les volgen in de tweede graad, zonder rekening
te houden met eventueel overzitten.
Daartoe moet het schoolbestuur uiterlijk op 30 november8 van het voorafgaande schooljaar een
gemotiveerde aanvraag indienen bij AgODi, nadat het hierover heeft onderhandeld in het LOC of de
ondernemingsraad. Bij gunstige beslissing van de Vlaamse regering kan het eerste leerjaar van de
derde graad binnen het gevraagde structuuronderdeel enkel in het eerste en tweede schooljaar
nadien worden ingericht, en het tweede leerjaar ervan enkel in het tweede en derde schooljaar nadien. Het gaat m.a.w. om een toelating tot programmeren in een uitdoofscenario.
5
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > rationalisatie, programmatie.
6
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > leren en werken.
7
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > rationalisatie, programmatie.
8
Met het oog op programmatie per 1 september 2014 was de aanvraagdatum uitzonderlijk 15 februari 2014.
4
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
Zie ook punt 3.2.1.1 van de Ministeriële omzendbrief SO 61.
7
Programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers
(art. III.42 van OD XXIV, dat een art. 179/3 invoegt in de Codex SO)
Een onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers kan worden geprogrammeerd per scholengemeenschap. Het schoolbestuur van de school die als contactschool zal gelden, moet daartoe (na onderhandelingen in het LOC of de ondernemingsraad) uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar
een gemotiveerde aanvraag indienen bij de Vlaamse regering, die hierover de beslissing neemt.
Eenmaal de Vlaamse regering de programmatie heeft goedgekeurd, beslist de scholengemeenschap in welke school / scholen ervan het onthaalonderwijs wordt ingericht.
Zie ook punt 3.2.1.3.2 van de Ministeriële omzendbrief SO 61 “Programmatie, overheveling en afbouw in het voltijds gewoon secundair onderwijs”9.
8
Evaluatie financieringssysteem
(art. III.44 van OD XXIV, dat art. 251 van de Codex SO wijzigt)
Bij de invoering in 2008 van het huidige mechanisme voor de berekening en toekenning van de
werkingstoelagen (de regeling die thans is ondergebracht in art. 242 en volgende van de Codex
SO), had de overheid vastgelegd dat dit systeem in 2012 zou worden geëvalueerd. De termijn voor
evaluatie wordt nu verlengd tot 2014.
9
Rationalisatienormen in deeltijds bso
(art. III.57 van OD XXIV, dat wijzigingen aanbrengt in art. 12 van het decreet Leren en
werken)
Voor een bestaand centrum voor deeltijds bso is de rationalisatienorm 40 jongeren (als het gaat om
een centrum dat verbonden is aan een school voor voltijds so), en 240 jongeren (voor een autonoom centrum). Deze norm moet worden bereikt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of
op de eerste lesdag erna als 1 februari op een vrije dag valt.
Voorheen was een centrum voor dbso verplicht tot afbouw of fusie indien het de norm niet bereikte
op 1 februari (of de eerstvolgende lesdag) van het voorgaande schooljaar. Voortaan geldt de verplichting tot afbouw of fusie pas als de rationalisatienorm niet wordt bereikt op 1 februari (of de
eerstvolgende lesdag) van de twee voorafgaande schooljaren. In tegenstelling tot vroeger kan de
Vlaamse regering echter geen afwijking meer toestaan op de rationalisatienorm.
Hiermee krijgen de centra voor dbso een zelfde “gedoogjaar” i.f.v. rationalisatie toegekend als de
scholen voor voltijds gewoon so nu reeds kunnen genieten: zie punt 39 van de Mededeling “Wijzigingen in de reglementering vanaf 1 september 2012”, M-VVKSO-2012-030.
Voorbeeld: Een aangehecht centrum voor dbso behaalt de norm van 40 leerlingen voor de eerste
maal niet op maandag 3 februari 2014 (teldatum). Hieruit volgt nog geen verplichting tot fusie of
afbouw in 2014-2015. Pas indien dit centrum ook op de teldatum van het daarop volgende schooljaar, dus op maandag 2 februari 2015, niet de rationalisatienorm bereikt, moet het afbouwen of fusioneren vanaf 2015-2016.
9
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > secundair onderwijs > instellingen en
leerlingen > rationalisatie, programmatie.
5
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
10
Preventieve schorsing van een tijdelijk personeelslid
(art. VII.25 en VII.36 van OD XIV, die wijzigingen aanbrengen in art. 25 en 67 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs)
Personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor bepaalde duur in een wervingsambt of die tijdelijk
zijn aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt, kunnen door het schoolbestuur worden ontslagen om dringende redenen. Deze ontslagmogelijkheid bestaat niet voor personeelsleden die tijdelijk
zijn aangesteld voor doorlopende duur in een wervingsambt.
Indien het personeelslid tegen dit ontslag in beroep ging, had het schoolbestuur tot nu toe de mogelijkheid om de betrokkene preventief te schorsen. Voortaan is het schoolbestuur verplicht om het
personeelslid onmiddellijk preventief te schorsen. Deze preventieve schorsing loopt vanaf het ogenblik waarop ze aan de betrokkene is meegedeeld tot wanneer de beroepsprocedure tegen het ontslag is beëindigd, resp. tot wanneer de termijn om tegen het ontslag in beroep te gaan verstreken is.
11
Medex-procedure en re-integratie
(art. VII.28 van OD XXIV, dat een aantal artikels invoegt in het decreet Rechtspositie Personeel Gesubsidieerd Onderwijs, en art. IX.11 van OD XXIV, dat wijzigingen aanbrengt
aan art. 5 van Onderwijsdecreet III van 9 april 1992).
11.1
Vastbenoemd personeelslid ongeschikt verklaard door Medex
Een vastbenoemd personeelslid dat zijn recht op bezoldigd ziekteverlof heeft uitgeput maar nog
langer afwezig blijft wegens ziekte, wordt ter beschikking gesteld wegens ziekte (TBS/ziekte). Eenmaal het personeelslid in de toestand TBS/ziekte is, wordt zijn dossier door het werkstation overgemaakt aan de Pensioencommissie van Medex. Een van de uitspraken die Medex dan kan vellen,
kon tot in 2013-2014 na een beslissing van het schoolbestuur leiden tot de terbeschikkingstelling
wegens ontstentenis van betrekking van het personeelslid (TBS/OB), waarbij het personeelslid benoemd bleef in zijn oorspronkelijke ambt en werd wedertewerkgesteld.
Voor de personeelsleden die reeds vóór 1 september 2014 TBS/OB zijn gesteld na uitspraak van
Medex, blijft de reglementering gelden die van toepassing was op de datum dat hun TBS/OB is ingegaan: zie bijlage 4 bij de Reaffectatiemededeling M-VVKSO-2003-071 (waarbij verder onderscheid moet worden gemaakt: TBS/OB ingegaan ofwel vóór 1 augustus 2012, ofwel tussen 1 augustus 2012 en 31 augustus 2014).
Vanaf 1 september 2014 kan een uitspraak van de Pensioencommissie van Medex enkel nog maar
leiden tot terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking indien het gaat om een personeelslid dat getroffen is door een arbeidsongeval of een beroepsziekte. In deze situatie is TBS/OB
zelfs verplicht.
Voor de andere vastbenoemde personeelsleden geldt vanaf 1 september 2014 de volgende procedure na uitputting van het recht op bezoldigd ziekteverlof. Deze maatregelen zijn ook reeds toegelicht bij Ministeriële omzendbrief PERS/2014/03 “Werkwijze vanaf 1 september 2014 voor de herinschakeling van een definitief arbeidsongeschikt personeelslid na een beslissing van MEDEX”.10
Eenmaal in de toestand TBS/ziekte, kan het vastbenoemde personeelslid een overleg vragen tussen hemzelf, het schoolbestuur en de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer i.v.m. zijn arbeidsgeschiktheid. Het schoolbestuur maakt het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer
over aan Medex, met de vraag om dit mee in overweging te nemen.
10
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > personeel (niveau-overschrijdend) >
welzijnsbeleid.
6
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
Na de behandeling van het dossier (waarbij voornoemd advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer slechts een van de elementen is die in overweging worden genomen) kan Medex beslissen dat het personeelslid het werk dient te hervatten, of dat het met voortijdig definitief pensioen
wordt gesteld, ofwel met voortijdig tijdelijk pensioen. Op de consequenties van deze mogelijkheden
gaan we hier niet in. Een vierde mogelijke beslissing is dat het personeelslid definitief ongeschikt is
om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt is voor andere functies.
Bij deze laatste beslissing van Medex (personeelslid definitief ongeschikt om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt voor andere functies), moet er - eventueel opnieuw een overleg volgen tussen het schoolbestuur en het personeelslid; op verzoek van het personeelslid
neemt ook de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer hieraan deel. Dat overleg kan leiden tot een
van de volgende conclusies:
1. Het personeelslid blijft benoemd in zijn oorspronkelijke ambt, maar zijn functiebeschrijving wordt
aangepast.
2. Enkel als het om een leraar gaat: het personeelslid blijft benoemd in het ambt van leraar, maar de
draagwijdte van zijn benoeming wordt ingeperkt, zonder evenwel aan het volume ervan te raken.
Wel wordt bepaald welke vakken of specialiteiten niet langer behoren tot de draagwijdte van zijn
benoeming. Deze inperking is persoonsgebonden (ze blijft m.a.w. geldig tot aan het ontslag van de
betrokkene uit het onderwijs) en is tegenstelbaar aan derden (wat meebrengt dat de betrokkene er
ook niet meer kan in gereaffecteerd worden). Het is evenwel niet mogelijk om de draagwijdte van
zijn benoeming dermate in te perken dat er geen enkel vak of specialiteit meer toe behoort.
Indien de betrokken leraar als vastbenoemde was aangesteld in vakken die voortaan niet meer behoren tot de draagwijdte van zijn benoeming, worden die uren vacant en wordt hij voor dat volume
TBS/OB. Vervolgens zal hij gereaffecteerd worden in de vakken waarvoor hij nog wel benoemd is
van zodra daarin een vacature ontstaat in zijn school, in een andere school van zijn schoolbestuur of
in de scholengemeenschap.
3. Het personeelslid wordt tewerkgesteld in een ander ambt (bv. een leraar wordt tewerkgesteld als
opvoeder). Wat dit inhoudt, lichten we toe in punt 11.3 van deze nota.
4. Er is geen tewerkstelling mogelijk. In dat geval kan het schoolbestuur de betrokkene de uitoefening ontzeggen van het ambt waarin het (nog steeds) benoemd is. Welke de statutaire en financiële
toestand van het personeelslid dan is, dient nog verder te worden onderzocht. In elk geval is het zo
dat het personeelslid verplicht met definitief voortijdig pensioen wordt gesteld indien het 12 maanden
na de uitspraak van Medex geen andere tewerkstelling heeft.
5. Ook als bij het overleg tussen het schoolbestuur, het personeelslid (en eventueel de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer) geen overeenkomst wordt bereikt, kan het schoolbestuur de betrokkene
de uitoefening ontzeggen van het ambt waarin het (nog steeds) benoemd is, en wordt het personeelslid verplicht met definitief voortijdig pensioen gesteld indien het 12 maanden na de uitspraak
van Medex geen andere tewerkstelling heeft.
11.2
Vastbenoemd personeelslid doet een beroep op de procedure tot re-integratie
Een vastbenoemd personeelslid dat zijn recht op bezoldigd ziekteverlof nog niet heeft uitgeput (en
m.a.w. nog niet in de toestand van terbeschikkingstelling wegens ziekte is terechtgekomen), kan
een beroep doen op de procedure tot re-integratie die is vastgelegd in federale wetgeving.
De re-integratieprocedure kon tot in 2013-2014 onder een aantal voorwaarden leiden tot terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en dan ook tot wedertewerkstelling. Voor de personeelsleden die reeds vóór 1 september 2014 TBS/OB zijn gesteld in het kader van re-integratie, blijft
de reglementering gelden die van toepassing was op de datum dat hun TBS/OB is ingegaan: zie
bijlage 5 bij de Reaffectatiemededeling M-VVKSO-2003-071 (waarbij verder onderscheid moet wor-
7
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
den gemaakt: TBS/OB ingegaan ofwel vóór 1 augustus 2012, ofwel tussen 1 augustus 2012 en 31
augustus 2014).
Vanaf 1 september 2014 kan de re-integratieprocedure echter niet meer leiden tot TBS/OB, maar
geldt de volgende procedure. Deze maatregelen zijn ook reeds toegelicht bij Ministeriële omzendbrief PERS/2014/04 “Werkwijze vanaf 1 september 2014 voor de herinschakeling van een definitief
arbeidsongeschikt personeelslid in het kader van een re-integratieprocedure”.11
Het vastbenoemde personeelslid (nog niet in TBS/ziekte) dat door zijn behandelende geneesheer
definitief arbeidsongeschikt wordt verklaard voor het overeengekomen werk, kan bij zijn schoolbestuur een beroep doen op de procedure tot re-integratie. Het schoolbestuur moet dan zo spoedig
mogelijk een overleg organiseren, waaraan in elk geval het schoolbestuur, het betrokken personeelslid en de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer moeten deelnemen. Na dat overleg bezorgt de
preventieadviseur-arbeidsgeneesheer zijn advies aan het schoolbestuur en aan het personeelslid.
Als dit advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer inhoudt dat het personeelslid voldoende
geschikt is om een andere functie uit te oefenen, kunnen het schoolbestuur en het personeelslid
overeenkomen tot een van de volgende vormen van tewerkstelling:
1. Het personeelslid blijft benoemd in zijn oorspronkelijke ambt, maar zijn functiebeschrijving wordt
aangepast.
2. Enkel als het om een leraar gaat: het personeelslid blijft benoemd in het ambt van leraar, maar de
draagwijdte van zijn benoeming wordt ingeperkt, zonder evenwel aan het volume ervan te raken.
Wel wordt bepaald welke vakken of specialiteiten niet langer behoren tot de draagwijdte van zijn
benoeming. Deze inperking is persoonsgebonden (ze blijft m.a.w. geldig tot aan het ontslag van de
betrokkene uit het onderwijs) en is tegenstelbaar aan derden (wat meebrengt dat de betrokkene er
ook niet meer kan in gereaffecteerd worden). Het is evenwel niet mogelijk om de draagwijdte van
zijn benoeming dermate in te perken dat er geen enkel vak of specialiteit meer toe behoort.
Indien de betrokken leraar als vastbenoemde was aangesteld in vakken die voortaan niet meer behoren tot de draagwijdte van zijn benoeming, worden die uren vacant en wordt hij voor dat volume
TBS/OB. Vervolgens zal hij gereaffecteerd worden in de vakken waarvoor hij nog wel benoemd is
van zodra daarin een vacature ontstaat in zijn school, in een andere school van zijn schoolbestuur of
in de scholengemeenschap.
3. Het personeelslid wordt tewerkgesteld in een ander ambt (bv. een leraar wordt tewerkgesteld als
opvoeder). Wat dit inhoudt, lichten we toe in punt 11.3 van deze nota.
4. Als na het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer geen overeenkomst betreffende
tewerkstelling wordt bereikt (bv. omdat het advies niet inhoudt dat het personeelslid voldoende geschikt is voor een andere functie, of omdat het schoolbestuur geen overeenkomst bereikt met het
personeelslid), kan het schoolbestuur het personeelslid de uitoefening van zijn ambt ontzeggen. In
geval van ziekte kan het nog verder bezoldigd ziekteverlof genieten; anders kan het gebruik maken
van een reglementaire dienstonderbreking, bv. een loopbaanonderbreking, een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden of een verlof voor TAO.
11
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken > omzendbrieven > personeel (niveau-overschrijdend) >
welzijnsbeleid.
8
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
11.3
Tewerkstelling in een ander ambt in het kader van Medex-uitspraak of re-integratie
Het overleg na de beslissing van Medex (zie punt 11.1) of na het advies in het kader van re-integratie (zie punt 11.2) kan leiden tot de conclusie dat het personeelslid wordt tewerkgesteld in een ander
ambt dan dat waarin het benoemd is. Hierbij geldt het volgende:
•
Met het oog op een nieuwe vaste benoeming in een ander ambt biedt het schoolbestuur een
proefperiode aan; een proefperiode is evenwel niet mogelijk als het gaat om een ambt waarvoor
de betrokkene reeds (deeltijds) vastbenoemd is.
•
De afspraken tussen het schoolbestuur en het personeelslid worden vastgelegd in een overeenkomst.
•
Het personeelslid blijft tijdens de proefperiode benoemd in zijn oorspronkelijke ambt, en behoudt zo lang de overeenkomstige salaristoelage. In de betrekking waarin het (voorlopig nog)
vastbenoemd is, kan het worden vervangen.
•
De tewerkstelling in de proefperiode gebeurt in een zgn. niet-organieke betrekking in zijn eigen
school: ze kost geen uren of punten aan de school. In die niet-organieke betrekking kan het
personeelslid in geen enkel geval worden vervangen.
•
Deze tewerkstelling is enkel mogelijk in een ambt waarvoor het personeelslid voldoet aan de
aanstellingsvoorwaarden. Voor de ambten in het ondersteunend personeel bv. is minimaal een
studiebewijs “ten minste HSO” nodig.
•
Indien de tewerkstelling in een ander ambt kadert in een beslissing van Medex, kan de proefperiode uiterlijk duren tot de dag voor de eerste verjaardag van de beslissing van Medex. Indien
de tewerkstelling in een ander ambt kadert in de procedure tot re-integratie, duurt de proefperiode ten minste 6 maanden en ten hoogste 12 maanden.
•
Uiterlijk 2 maanden voor het einde van de proefperiode moet het schoolbestuur na overleg met
het personeelslid beslissen of het de betrokkene al dan niet benoemt in het nieuwe ambt. Indien
tot benoeming wordt beslist, moet die uiterlijk ingaan op de eerste van de maand voor de eerste
verjaardag van de beslissing van Medex, en als het gaat om de procedure tot re-integratie: ten
laatste 12 maanden na de aanvang van de proefperiode.
•
Indien het personeelslid reeds (deeltijds) vastbenoemd is in het andere ambt, kan het daarin
geen proefperiode krijgen, maar kan het daarin onmiddellijk benoemd worden op de eerste van
een maand.
•
Benoeming in het nieuwe ambt houdt het volgende in:
–
De benoeming in het nieuwe ambt betekent ontslag van de betrokkene uit het vorige ambt.
Zijn betrekking (in het vorige ambt) wordt onmiddellijk vacant.
–
Vanaf de benoeming van het personeelslid in het nieuwe ambt is de regelgeving voor dat
ambt (o.a. de salarisschalen) van toepassing op het personeelslid.
–
Die benoeming is mogelijk op de eerste van elke maand, zonder voorafgaande vacantverklaring of kandidaatstelling, en zelfs zonder dat er een vacante betrekking in dat ambt beschikbaar is.
–
Indien het personeelslid niet onmiddellijk een vacante betrekking in dat nieuwe ambt kan
krijgen, wordt het in dat nieuwe ambt ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking en vervolgens gereaffecteerd of wedertewerkgesteld door het schoolbestuur of
door een reaffectatiecommissie. Deze TBS/OB kan ingaan op de 1ste van elke maand.
–
Bij de verdeling van de betrekkingen in het begin van het volgende schooljaar neemt het
betrokken personeelslid zijn plaats in tussen de andere vastbenoemden binnen dat (nieuwe) ambt, en dit in volgorde van zijn dienstanciënniteit.
Indien het personeelslid en het schoolbestuur niet overeenkomen tot benoeming in het nieuwe ambt,
eindigt de proefperiode evenzeer na maximaal twaalf maanden en kan het schoolbestuur de betrokkene de uitoefening ontzeggen van het ambt waarin het (nog steeds) benoemd is. Voor de statutaire
9
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
en geldelijke toestand van het personeelslid verwijzen we naar het einde van punt 11.1 resp. van
11.2 van dit overzicht.
Een personeelslid dat door Medex definitief ongeschikt is verklaard, wordt met voortijdig definitief
pensioen gesteld indien het 12 maanden na de uitspraak van Medex geen andere tewerkstelling
heeft.
12
Geen ontslag meer bij benoeming buiten onderwijs
(art. VII.33, dat wijzigingen aanbrengt in art. 60 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs)
Voorheen stelde het decreet Rechtspositie dat een personeelslid werd ontslagen zodra het in een
voltijdse betrekking werd benoemd buiten het gesubsidieerd vrij onderwijs. Deze bepaling wordt
geschrapt vanaf 1 september 2014.
In het onderwijs is benoeming nog steeds beperkt tot hoofdambt (d.w.z. tot een voltijdse betrekking).
Voortaan is het echter niet meer uitgesloten dat een personeelslid een aanstelling of (al dan niet
voltijdse) benoeming in het onderwijs combineert men een benoeming buiten het onderwijs, bv. als
ambtenaar.
13
Ontslag van een gereaffecteerd personeelslid: gevolg voor zijn vaste
benoeming
(art. VII.37 van OD XXIV, dat een wijziging aanbrengt in art. 68 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs)
Voor een personeelslid dat gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, wordt de tuchtmacht uitgeoefend door het schoolbestuur van de school van reaffectatie of wedertewerkstelling.
Indien de tuchtprocedure leidt tot ontslag of afzetting van het gereaffecteerde of wedertewerkgestelde personeelslid, heeft die beslissing in eerste instantie enkel gevolgen voor zijn reaffectatie of
wedertewerkstelling, zonder te raken aan de oorspronkelijke vaste benoeming van het personeelslid. Onder strikte voorwaarden en via een welbepaalde procedure (vastgelegd in art. 68 van het decreet Rechtspositie) zal het ontslag of de afzetting ook kunnen slaan op de oorspronkelijke vaste
benoeming.
14
Schenking van meubilair
(art. X.9 van OD XXIV)
Bij de herinrichting van het Consciencegebouw (waarin o.a. AgODi en het departement Onderwijs
zijn ondergebracht), kan de Vlaamse gemeenschap meubilair dat daar niet langer gebruikt wordt, via
de onderwijskoepels schenken voor de uitrusting van de scholen en de centra.
Bij de verdeling tussen de netten wordt rekening gehouden met het aantal scholen / centra en het
aantal personeelsleden van de respectieve netten.
15
Introductie eindtermen Natuurwetenschappen derde graad kso/tso
(art. III.37 van OD XXIV, dat art. 157 van de Codex SO wijzigt)
Vanaf 1 september 2017 wordt Natuurwetenschappen deel van de basisvorming van alle richtingen
kso en tso. Net als in de tweede graad kan hier gekozen worden voor een realisatie via de vakken
biologie, chemie of fysica of via een geïntegreerd vak Natuurwetenschappen. Na bespreking in de
10
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
CODI-vergaderingen zal voor elke studierichting de keuze gemaakt worden die het best aansluit bij
het profiel van die richting.
16
Subsidies projecten cultuureducatie
(Art. X.1. van ODXXIV)
De Vlaamse regering kan jaarlijks subsidies verlenen voor projecten die cultuureducatie in het onderwijs stimuleren. De Vlaamse regering verleent een maximale subsidie van 5 000 euro per project
cultuureducatie en per jaar, desgevallend voor meerdere projecten van dezelfde begunstigde voor
dezelfde vestigingsplaats, op voorwaarde dat het totale subsidiebedrag in dat begrotingsjaar niet
hoger is dan 5 000 euro. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring voor een project cultuureducatie, moet het project in ieder geval:
1° opgestart en beëindigd worden binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen periode, zonder
dat deze periode langer dan vijf maanden mag bedragen;
2° de ontplooiingskansen van de leerling vergroten;
3° een meerwaarde betekenen voor de cultuurvisie van de school;
4° op maat zijn van de school;
5° opgezet zijn met de kwalitatieve inbreng van en samenwerking met een externe partner.
Verdere modaliteiten moeten nog vastgelegd worden bij besluit van de Vlaamse regering.
17
Inschrijvingen en aanmeldingen
(art. III.11 tot III.22 van OD XXIV, die wijzigingen aanbrengt aan de codex SO)
17.1
Flexibele capaciteitsbepaling
De huidige regelgeving m.b.t. inschrijvingen verplicht elke school om – in voorkomend geval per
vestigingsplaats – voor het 1ste leerjaar van de eerste graad een maximumcapaciteit vast te leggen
voorafgaand aan de start van de inschrijvingen. Dit geldt ook voor het 2de leerjaar en de hogere
leerjaren indien een schoolbestuur daar in bepaalde structuuronderdelen capaciteitsproblemen verwacht.
Vanaf het 2de leerjaar van de eerste graad is het vastleggen van de capaciteit vóór de start van de
inschrijvingen echter een onmogelijke opdracht. Dat botst immers met de praktische organisatie van
elke secundaire school. Aan dit knelpunt wordt nu tegemoetgekomen. Voortaan zal de capaciteit
voor het 2de leerjaar en hoger, inclusief het deeltijds beroepsonderwijs, maar uitgezonderd het
tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, flexibel kunnen worden bepaald. Wanneer een school- of centrumbestuur met andere woorden op een bepaald niveau een maximumaantal leerlingen heeft ingeschreven, kan het op dat moment zogenoemd “volzet verklaren”. In een LOP-gebied wordt deze
volzetverklaring aan het LOP gemeld. Daarbuiten moeten de schoolbesturen van de andere scholen
gelegen in dezelfde gemeente worden ingelicht.
Na volzetverklaring van een welbepaald niveau dient het schoolbestuur voor dat niveau ook een
inschrijvingsregister te hanteren waarin alle niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch genoteerd worden. Wordt de volzetverklaring opgeheven, dan moet die volgorde gerespecteerd worden
tot en met de vijfde schooldag van oktober.
In het 1ste leerjaar van het voltijds secundair onderwijs blijft het zo dat de capaciteit vóór de inschrijvingsperiode moet worden bepaald. Daarbij moet op een aantal sleutelmomenten het aantal vrije
plaatsen gecommuniceerd worden aan alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere
scholen, intermediairs …). Deze verplichtingen worden eveneens doorgetrokken naar alle leerjaren
van het secundair onderwijs (voltijds, deeltijds en buitengewoon) in Brussel.
11
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
17.2
De campus als volwaardig principe
In Vlaanderen passen heel wat scholen het campusprincipe reeds sinds lange tijd toe. Zo profileren
verschillende scholen zich als één geheel met één overkoepelende naam, één pedagogisch project,
één schoolreglement en één website.
In het inschrijvingsrecht werd dat principe tot vandaag echter niet ten volle gehonoreerd. De inschrijving en het bepalen van capaciteit moesten immers steeds op het niveau van de school, dus per
instellingsnummer, gebeuren. Ook inschrijvingsregisters moesten per instellingsnummer worden
bijgehouden.
Daar komt nu verandering in voor vestigingsplaatsen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur en
gelegen zijn op een campus, d.i. gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen
of gescheiden door maximaal twee kadastrale percelen of door een weg. Schoolbesturen kunnen
die in de toekomst ook voor het inschrijvingsrecht als één school beschouwen, wat meer aansluit bij
het scholenprofiel en de perceptie van ouders en de leerlingen. Dit principe is niet automatisch van
toepassing. Wil een school- of centrumbestuur van deze mogelijkheid gebruikmaken, dan moet het
dit opnemen in het schoolreglement.
17.3
Wijziging aan de indicatoren bij dubbele contingentering
17.3.1
Halvering
Vandaag gebeurt de indeling in de respectieve contingenten indicator- en niet-indicatorleerlingen op
basis van vier indicatoren: ‘schooltoelage’, ‘thuislozen’, ‘trekkende bevolking’ en ‘opleidingsniveau
van de moeder’.
Met het oog op een vereenvoudiging van de dubbele contingentering én van de notie sociale mix,
schrapt de wetgever vanaf volgend schooljaar de indicatoren ‘thuislozen’ en ‘trekkende bevolking’.
Na evaluatie bleek immers dat de impact van die indicatoren bijzonder beperkt is. Ze overlappen
nagenoeg volledig met de twee andere indicatoren.
Beide indicatoren blijven wel behouden voor omkadering en werkingsmiddelen. Het schrappen gebeurt dus enkel voor het inschrijvingsrecht.
17.3.2
Verruiming van de indicator ‘schooltoelage’
Voor de indicator ‘schooltoelage’ bij de indeling in voornoemde contingenten indicator- en niet-indicatorleerlingen kan vandaag enkel de schooltoelage, toegekend in het schooljaar voorafgaand aan
het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, in rekening worden gebracht. De bewijsstukken moeten worden voorgelegd op het moment van inschrijving of - indien van toepassing – aanmelding.
In de praktijk vallen die momenten echter binnen een periode waarin nog niet de helft van alle
schooltoelages zijn toegekend. De meerderheid van de leerlingen die effectief een schooltoelage
ontvangen, kunnen dat dus nog niet aangeven op het moment van inschrijving of – indien van toepassing – aanmelding. Omdat dit de sociale mix vertekent, heeft de wetgever de bewijslast voor de
indicator ‘schooltoelage’ verruimd. Ook een schooltoelage die ontvangen wordt in het schooljaar dat
twee jaar voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, zal vanaf volgend
schooljaar meetellen voor de indicator ‘schooltoelage’.
17.4
De verworven inschrijving in geval van afsplitsing
Wanneer een deel van een school wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van
hetzelfde schoolbestuur, is het volgens de geest van het inschrijvingsrecht logisch dat de verworven
12
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
inschrijving van de betrokken leerlingen gegarandeerd blijft. De wetgever heeft dit principe nu ook
uitdrukkelijk in de regelgeving ingeschreven.
17.5
Wijzigingen voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad
17.5.1
Niveauverhoging bij de voorrangsgroep
De bestaande voorrangsgroep voor kinderen van wie minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is (van minstens 55 %), blijft behouden. Wel wordt het niveau van het bewijs van de
Nederlandse taalbeheersing om tot de voorrangsgroep te behoren, opgetrokken van niveau B1 naar
niveau B2.
Voor alle zittende leerlingen of nieuw in te schrijven broers en zussen wordt voorzien in een overgangsregeling, zodat voor hen niet opnieuw moet worden bepaald of zij in aanmerking komen voor
de nieuwe regeling.
17.5.2
Samen nemen van voorrangsperiodes
Op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt wegens het overschrijden van de vastgelegde capaciteit kunnen scholen twee of meerdere (alle) voorrangsgroepen voor de inschrijvingen
voor een bepaald schooljaar samen nemen binnen één periode.
Met het oog op de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalig karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs, één van de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht, wordt
deze mogelijkheid voor de scholen in Brussel nu beperkt tot het samen nemen van de voorrangsperiodes voor kinderen van dezelfde leefentiteit en voor kinderen van personeel.
17.5.3
In het aanmeldings- en inschrijvingsregister
Bij aanmeldingen moet in het register genoteerd worden welke leerlingen zich hebben aangemeld
binnen de voorrangsgroep ‘Nederlandstaligen’. Deze notatie moet worden overgenomen in het inschrijvingsregister. Zowel bij aanmeldingen als bij inschrijvingen moeten voornoemde leerlingen bij
vrijgekomen plaatsen worden vervangen door de eerstvolgende leerlingen op de weigeringslijst met
een ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
Op de mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving zal naast de plaats onder de niet-gerealiseerde inschrijvingen, in de toekomst ook de plaats moeten worden vermeld onder die niet-gerealiseerde inschrijvingen gevat door de voorrangsperiode ‘Nederlandstaligen’.
17.6
Enkele wijzingen bij aanmeldingen
17.6.1
Mandaat voor ordening
Schoolbesturen die met aanmeldingen werken hebben al de mogelijkheid om het uitreiken van toewijzingsberichten te mandateren aan het LOP of, buiten het LOP, aan het daartoe aangeduide
schoolbestuur. De regelgeving voorziet momenteel nog niet in die mogelijkheid voor het mandateren
van het uitreiken van weigeringsdocumenten. Dit kan ertoe leiden dat ouders wiens kind in geen
enkele school een plaats kreeg, zich in elke betrokken school fysiek moeten gaan aanbieden.
Vanaf volgend schooljaar voorziet de wetgever in de mogelijkheid om een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving en het uitreiken van mededelingen van
niet-gerealiseerde inschrijvingen te mandateren aan het LOP of, buiten het LOP, aan het daartoe
aangeduide schoolbestuur.
13
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
De beslissingen hieromtrent moeten worden toegevoegd aan het aanmeldingsdossier, dat ter goedkeuring aan de Commissie inzake Leerlingenrechten moet worden voorgelegd. Indien men ervoor
kiest om in geval van een niet-gerealiseerde inschrijving ouders alsnog het inschrijvingsregister te
laten ondertekenen om een plaats op de weigeringslijst te behouden, moet dit gemotiveerd worden
in het dossier.
17.6.2
Ordening van niet toegewezen leerlingen
Eenmaal de ordeningscriteria voor de ordening van de aangemelde leerlingen gekozen zijn, gelden
zij voor de hele aanmeldingsprocedure, dus ook voor de niet-gunstig gerangschikte leerlingen.
Schoolbesturen die met aanmeldingen werken krijgen vanaf de volgende aanmeldingsperiode de
mogelijkheid om de ordening van de niet-gunstig gerangschikte leerlingen te organiseren via een
andere combinatie van, of minder ordeningscriteria dan tijdens de rangordening.
17.6.3
Een aanmelding geeft recht op één ticket
Een leerling kan binnen een aanmeldingsprocedure slechts aan één school worden toegewezen. Dit
is steeds de school waarnaar zijn voorkeur uitgaat én waarin hij gunstig gerangschikt is. Dit principe
wordt nu ook doorgetrokken na de rangordening. Dit zorgt ervoor dat een aanzienlijk aantal dubbele
inschrijvingen kunnen worden vermeden.
17.6.4
Termijnen voor goedkeuring door de Commissie inzake leerlingenrechten
De uiterste indieningsdatum voor aanmeldingsdossiers wordt verschoven van 1 naar 15 september
van het voorafgaande schooljaar. De termijn waarbinnen de Commissie inzake Leerlingenrechten
een beslissing neemt wordt verlengd van één naar twee maanden.
18
Huisonderwijs
(art. III.23 van OD XXIV, dat wijzigingen aanbrengt aan de codex SO)
Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht hun kind in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs, ten laatste in het schooljaar waarin
hun kind uiterlijk op 31 december vijftien jaar wordt. Als het leerplichtige kind op het einde van dat
schooljaar nog geen enkel studiebewijs bij de examencommissie heeft behaald, moeten zijn ouders
het verplicht inschrijven in een onderwijsinstelling.
Als gevolg van een arrest van het Grondwettelijk hof zal de bovenstaande regeling pas ingaan voor
leerlingen die geboren werden in het jaar 2002.
19
Overstap van onthaalonderwijs naar het reguliere onderwijs
(art. III.1 en III.24 van OD XXIV, die wijzigingen aanbrengen aan de codex SO)
OD XXIV heeft de volgende gevolgen voor het onthaalonderwijs en de overstap van de ex-OKANleerling naar het reguliere onderwijs:
•
Het begrip ‘anderstalige nieuwkomer’ wordt verruimd naar alle leerlingen die officieel in een
open asielcentrum verblijven en die op 31 december van het schooljaar in kwestie minstens
twaalf jaar zijn (enkel in het voltijds onderwijs) en nog geen achttien jaar zijn geworden. Dit verandert niets aan de voorwaarden voor leerlingen die niet officieel in een open asielcentrum verblijven.
•
Wanneer de overstap van de ex-OKAN-leerling naar de vervolgschool een gunstige beslissing
van de toelatingsklassenraad vereist, is het advies van de klassenraad van de onthaalschool
14
Overzicht van Onderwijsdecreet XXIV
2014-05-16
een vast element bij de bespreking. Een beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van
dat advies, moet voldoende gemotiveerd worden.
•
Wanneer de overstap van de ex-OKAN-leerling naar de vervolgschool een gunstige beslissing
van de toelatingsklassenraad vereist, moet de vervolgcoach in die toelatingsklassenraad worden opgenomen als raadgevend lid.
20
Synchroon internetonderwijs voor zieke leerlingen
(art. III.25-26 van OD XXIV, die wijzigingen aanbrengen aan de codex SO)
Leerlingen die door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk de lessen kunnen volgen in hun school
kunnen onder bepaalde voorwaarden naast het recht op tijdelijk onderwijs aan huis ook recht hebben op synchroon internetonderwijs of een combinatie van beide. Synchroon internetonderwijs moet
langdurig of chronisch zieke kinderen de mogelijkheid bieden om de leerachterstand te beperken bij
hun afwezigheid op school, en de sociale contacten met de klasgenoten, de leraren en de volledige
leeromgeving te behouden. Via internet kunnen leerlingen dan in verbinding komen met hun klas,
zodat ze van op afstand live kunnen deelnemen aan de lessen.
De Vlaamse Regering zal nog vastleggen welke voorwaarden er gelden om in aanmerking te komen
voor synchroon internetonderwijs, net als de manier waarop het georganiseerd kan worden en de
ondersteuning die scholen zullen krijgen. Het is de bedoeling van de overheid dat synchroon internetonderwijs een optie wordt die scholen naast of in de plaats van tijdelijk onderwijs aan huis aanbieden, afhankelijk van de concrete situatie.
Deze artikels gaan in op 1 september 2015.
21
Naamsverandering topcultuurstatuut naar topkunstenstatuut
(art. III.36 van OD XXIV, dat wijzigingen aanbrengt aan de codex SO)
Het huidige topcultuurstatuut kan een leerling recht geven op een aantal afwezigheden van rechtswege en kan door scholen die dit toepassen gekoppeld worden aan een flexibel traject. 12 Dit statuut
heet vanaf volgend schooljaar topkunstenstatuut. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen.
12
Mededeling van 19 oktober 2011 over “Flexibele leertrajecten in het voltijds gewoon secundair onderwijs” (MVVKSO-2011-070), punt 9.