RECHTERLIJK OORDELEN - NJB: Nederlands Juristenblad

NEDERLANDS JURISTENBLAD
RECHTERLIJK
OORDELEN
• De invloed van het onbewuste op het
rechterlijk oordeel
• Rationele besliskunde in het strafrecht
• Bayes een brug te ver?
P. 354-416 JAARGANG 90 13 FEBRUARI 2015
10311889
6
Dinsdag 14 april 2015
BCN Utrecht, Daltonlaan
Beoordeeld
met een
8,1!
Studiedag
De ondernemer
en echtscheiding
Een hele onderneming voor de
adviseur?
ƒ
Krijg inzicht in de problematiek
rond de echtscheiding van de
ondernemer
ƒ
Pas uw opgedane kennis direct
toe in de proces- en adviespraktijk
Sprekers:
ƒ
Dhr. mr. A.N. (Alexander) Labohm
ƒ
Dhr. R. (Rob) Kooger RA FM
Meer informatie en inschrijven? www.wolterskluwer.nl/opleidingen
NOB: Wolters Kluwer Nederland is van oordeel dat deze cursus
voldoet aan de minimum voorwaarden voor onderwijs als
gesteld in het PE-reglement van de Nederlandse Orde van
Belastingadviseurs en voor 6 uren kan worden ingebracht voor
de PE-verplichting voor NOB-leden
punten op aanvraag
punten in aanvraag
6 punten in aanvraag
Inhoud
Mr. C.E. Drion
Een levensduurlijst voor
producten
Wetenschap 296
355
Mr. J.M. Bonnes
Dr. P. Vergeer
Dr. R.D. Stoel
Rationele besliskunde in
het strafrecht
De sprong van bewijs naar
beslissing
Focus 298
Mr. H.W.J.de Groot
Bayes een brug te ver?
Rubrieken
299-324 Rechtspraak
325 Boeken
326-335 Tijdschriften
336-341 Wetgeving
342-344 Nieuws
345 Universitair nieuws
346 Personalia
347 Agenda
356
364
RECHTERLIJK
OORDELEN
verplichten een LIJST te
• De invloed van het onbewuste op het
rechterlijk oordeel
• Rationele besliskunde in het strafrecht
• Bayes een brug te ver?
PUBLICEREN waarop de
P. 354-416 JAARGANG 90 13 FEBRUARI 2015
6
minimaal te verwachten
LEVENSDUUR te vinden
is van (onderdelen van)
hun PRODUCTEN?
Pagina 355
372
378
396
397
404
409
412
414
414
De NJB-band 2015
deel 1 wordt naar
verwachting bezorgd in de
week van 16 maart 2015
Het ONBEWUSTE kan er
voor zorgen dat de RECHTER
zich laat verleiden tot CIRKELREDENERINGEN en dat
cruciale INFORMATIE over
het proces van oordeelsvorming
VERBORGEN blijft
Pagina 356
Bij de inzet van HEIMELIJKE
BEVOEGDHEDEN wordt
een ‘GENERIEK’ BEVEL
mogelijk, waarin de officier kan
bepalen dat MEERDERE van
die bevoegdheden tegen EEN
PERSOON kunnen worden
Pagina 409
ingezet
Het lijkt verstandig om, als er
forensisch BEWIJS is, dat ook
op een KWANTITATIEVE
wijze in verband te brengen met
BEWIJSGRENS en a priori
KANS op SCHULD
In de CASSATIEFASE
worden de positie van het
SLACHTOFFER en van de
wettelijke vertegenwoordigers
van ‘VEERTIENMINNERS’
Pagina 410
versterkt
Pagina 371
Het volgen van een incidentele
CURSUS is iets anders dan
systematische STUDIE van het
vakgebied ‘RECONSTRUCTIE
van eenmalige gebeurtenissen’
dat is INGEBED in en
inhoudelijk VERBONDEN
met de beoefening van het
STRAFRECHT
Pagina 377
Omslag: © Jon Berkeley / Alamy
NEDERLANDS JURISTENBLAD
om FABRIKANTEN te
Mr. drs. C.F. Deelen
De invloed van het onbewuste
van de rechter op het rechterlijk
oordeel
Wetenschap 297
Zou het niet een IDEE zijn
10311889
Vooraf 295
Zo’n ‘TERRORISTISCH
OOGMERK’ kan NIET
alleen uit een ideologie
of GODSDIENSTIGE
overtuigingen worden
AFGELEID
Pagina 411
NEDERLANDS JURISTENBLAD
Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven
Citeerwijze NJB 2015/[publicatienr.], [afl.], [pag.]
jaar worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het
Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion
Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,
abonnement automatisch met een jaar verlengd.
(vz.), Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins, Taru Spronken,
Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,
Gebruik persoonsgegevens WoltersKluwer BV legt de
Peter J. Wattel
tel. (0172) 466399, e-mail [email protected]
gegevens van abonnees vast voor de uitvoering van de
Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialeze-
Internet www.njb.nl en www.wolterskluwer.nl
(abonnements-)overeenkomst. De gegevens kunnen door
kerheidsrecht), Stefaan Van den Bogaert, Europees recht,
Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman
Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt
Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen-
Adjunct-secretaris Berber Goris
om u te informeren over relevante producten en diensten.
beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en
Secretariaat Nel Andrea-Lemmers
Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons
rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,
Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, www.colorscan.nl.
opnemen.
Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder,
Uitgever Simon van der Linde
Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél
bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en
Uitgeverij WoltersKluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.
Capital Media Services
jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens,
Op alle uitgaven van WoltersKluwer zijn de algemene
Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen
Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechtspleging,
leveringsvoorwaarden van toepassing, zie www.woltersklu-
Tel. 024 - 360 77 10, [email protected]
Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechts-
wer.nl.
ISSN 0165-0483 NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en
sociologie, P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht,
Abonnementenadministratie, productinformatie Wolters-
augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van
C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen,
Kluwer Afdeling Klantcontacten, www.wolterskluwer.nl/
deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de
straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemings-
klantenservice, tel. (0570) 673 555.
auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijk-
recht, Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel,
Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: € 322,51 (incl.
heid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch
arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der
btw.). NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 350
voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën
intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht,
(excl. btw), extra gebruiker € 87,50 (excl. btw). Combina-
uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m
Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai,
tieabonnement: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 350
16m Auteurswet j°. Besluit van 29 december 2008, Stb.
verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht,
(excl. btw). Prijs ieder volgende gebruiker € 84 (excl. btw).
2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde
Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom,
Bij dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt
vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te
Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling,
u toegang tot NJB Online. Zie voor details: www.njb.nl (bij
Hoofddorp (Postbus 3051, 2130 KB).
mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht
abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers
€ 7,85. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment
Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op
worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar
verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert
vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de vol-
toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging
ledige periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie
t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnements-
Verzekerd
van verdieping
5 nieuwe delen en drukken
In de Asser-serie
www.kluwer.nl/asser
De Asser-serie is de onmisbare kennisbron van civielrechtelijk Nederland en biedt sinds jaar en dag toonaangevend commentaar op het
burgerlijk recht. Op papier en online. Wilt u zich écht verdiepen in het
civiel recht, dan kunt u niet om de Asser-serie heen.
Asser 2-I* De rechtspersoon prof. mr. M.J. Kroeze
9e druk, ca. 1.000 pagina’s, € 189,- (incl. btw)
Verschijningsdatum 30 december 2014
Asser 7-X Onbenoemde overeenkomsten mr. I.S.J. Houben
1e druk, ca. 350 pagina’s, € 69,- (incl. btw)
Verschijningsdatum 31 januari 2015
Asser Algemeen deel **** prof. mr. J.B.M. Vranken
1e druk, 292 pagina’s, € 69,- (incl. btw)
Asser 10-III Internationaal vermogensrecht prof. mr. X.E. Kramer,
prof. mr. H.L.E. Verhagen 1e druk, ca. 1.000 pagina’s,
€ 175,- (incl. btw) Verschijningsdatum 23 december 2014
Asser 7-IV Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst prof. mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai
2e druk, 504 pagina’s, € 95,- (incl. btw)
Meer informatie of bestellen? Ga naar www.kluwer.nl/asser
Vooraf
295
Een levensduurlijst voor producten
6
De ergernis die ontstaat wanneer een product
kapot gaat, is vaak groot. Nog groter is niet zelden de ergernis omtrent het zwartepietenspel dat
zich daarna pleegt te ontvouwen met betrekking tot de
vraag wie verantwoordelijk is voor de oplossing van het
probleem, en dan vooral met betrekking tot de vraag wie
de kosten daarvoor moet dragen. Natuurlijk hebben regelgevers in de loop der jaren zich dit probleem aangetrokken en zijn zij de consument met allerlei nadere regeltjes
tegemoetgekomen. Zo is er de fijne bepaling van art. 7:18
lid 2 BW, waarin is vermeld dat een consument die een
zaak koopt die binnen een half jaar kapot gaat, kan profiteren van het wettelijk vermoeden dat de zaak dan ook bij
de aflevering al een gebrek zal hebben vertoond (en er dus
sprake is van wanprestatie van de leverancier). Voor de
leverancier valt het niet mee om dit wettelijk vermoeden
te ontkrachten.
Het echte probleem zit hem dan ook sindsdien in de
overeenkomst over gebruiksgoederen met een langere
levensduur. Natuurlijk helpt daar de tweejaarstermijn uit
de Richtlijn Koop en Garantie (die de Nederlandse wetgever
niet heeft overgenomen onder het motto dat uit de algemene conformiteitsregel geregeld een langere duur heeft
voort te vloeien), maar daarbuiten is het met verkopers en
fabrikanten vaak kwaad kersen eten. Veel verkopers spelen
daar listig op in door de mogelijkheid te bieden van het
‘bijkopen’ van garantie, bijvoorbeeld voor de duur van vijf
jaren, maar consumentenorganisaties en toezichthouders
zijn daar niet gelukkig mee, op grond van het (juridisch
terechte) argument dat het in vele gevallen een sigaar uit
eigen doos betreft. Toch schaffen vele consumenten geregeld dit soort ‘bijgaranties’ aan om het gedoe te vermijden,
of krijgen zij spijt, zoals ik, dat zij dat niet hebben gedaan
wanneer het product alsnog, na verloop van de tweejaarstermijn, de geest geeft en het gedoe begint.
Zijn er dan geen oplossingen te bedenken? Een beetje peinzend naar aanleiding van de droeve, vroege dood
van alweer onze vierde espressomachine schoot mij
opeens het volgende te binnen. Zou het niet een idee kunnen zijn om fabrikanten te verplichten om een lijst te
publiceren waarop de minimaal te verwachten levensduur1 te vinden is van (de belangrijkste onderdelen van)
hun producten? Een dergelijke lijst kan dan, in combinatie met een nieuwe wettelijke regeling ter zake, onmiddellijk een einde maken aan flink wat discussies2 over wie
verantwoordelijk is voor de kosten van vervanging van
(een kapot onderdeel van) een product. Immers, langs
dezelfde lijnen als die van art. 7:18 lid 2 BW zou dan de
desbetreffende, nog te ontwerpen, regeling kunnen bepalen dat de leverancier jegens de consument verantwoordelijk is indien het gebrek zich voordoet binnen de minimaal voorziene levensduur, behoudens tegenbewijs,
terwijl de consument, behoudens tegenbewijs, verantwoordelijk is voor de kosten indien het gebrek zich voordoet nadat de termijn is overschreden. Zo’n wettelijke
regeling zou dan ook kunnen omvatten dat de lijst langs
dezelfde lijnen rechtens consequenties heeft voor de relatie tussen leverancier, dealer, importeur, fabrikant en toe-
Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf
leveranciers van de fabrikant, zodat ook regres op voorgangers eenvoudiger wordt en minder belast wordt met
bewijsproblemen en (dus) met juridische procedures of
conflicten.
Een dergelijke lijst zou bovendien gebruikt kunnen
worden door kopers om voorafgaand aan een bepaalde
transactie op veel eenvoudiger wijze dan nu het geval is,3
inzicht te verkrijgen in, kort gezegd, de kwaliteit en duurzaamheid van een product van een bepaalde leverancier,
in vergelijking met een product van een concurrent.4
Immers, je kan zo relatief simpel de total cost of ownership van een product berekenen. Bovendien kan zo’n lijst
aardig zijn voor toezichthouders en zou bijvoorbeeld
gebruikt kunnen worden om de realiteitswaarde van reclamecampagnes of van aan certificeringsinstanties verstrekte informatie (denk aan bijvoorbeeld de CE-normen) te
onderzoeken en te toetsen.
Op dit punt aangekomen, gaat een mens enorm
twijfelen. Het kan niet anders of dit simpele idee5 moet
al vele malen onderwerp van debat zijn geweest en is
wellicht alleen niet tot wasdom gekomen omdat effectief
opererende lobbyisten van leverancierswege dit hebben
weten te torpederen.6 Als dat zo is, dan heeft zich dat in
ieder geval buiten mijn gezichtsveld afgespeeld en ook
enig speuren op internet heeft mij bij het schrijven van
dit stukje geen uitsluitsel gegeven. In de huidige wet kijkend valt op dat ook de meest recente juridische constructie ter bescherming van de consument, art. 6:230a-z BW,
niet een bepaling bevat die in de buurt komt van de hiervoor bedoelde lijst.
Als het een goed idee zou zijn om een dergelijke lijst
met bijbehorende regelgeving tot stand te gaan brengen,
wie zou daarvoor dan de meest geëigende regelgever zijn?
Het kan bijna niet anders dan dat dit de Europese regelgever is, omdat er anders allerlei problemen rondom de
interne marktwerking zouden kunnen ontstaan. Het
behoort bovendien misschien tot het soort regelingen
waarmee Europa zich kan profileren jegens haar burgers.
Of het wat wordt? We zullen zien.
Coen E. Drion
1. Bij voorkeur op deze wijze te formuleren en niet met bandbreedtes en bijbehorende percentages. Op die manier worden discussies niet voorkomen, maar misschien zelfs gevoed.
2. Ik realiseer mij dat zo’n lijst niet alles kan oplossen. Er blijven onder meer afstemmingsvraagstukken, onduidelijkheden en volledigheidsproblemen.
3. Nu moet men zich bijvoorbeeld verlaten op testresultaten van consumentenorganisaties als
de Consumentenbond, die echter ook in het algemeen niet de (gedetailleerde) inzichten kunnen bieden die een lijst, zoals ik me die voorstel, met zich zou brengen.
4. Deze (concurrentie)functie van de lijst kan helpen om het waarheidsgehalte ervan te bewaken.
5. Dat een beetje lijkt op hetgeen bij voedingsproducten omtrent de inhoud daarvan op de
verpakking moet staan.
6. Hoewel, als gezegd, het idee van zo’n lijst ook voor leveranciers aantrekkelijk zou kunnen
zijn omdat zij ook eenvoudiger beslissingen over kosten kunnen nemen en eenvoudiger regres
op voorgangers in de keten kunnen nemen. Bovendien kan zo’n lijst de concurrentie bevorderen omdat een fabrikant sneller kan zien waar hij met innovaties snelle verbeteringen ten
opzichte van concurrenten zou kunnen realiseren.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
355
296
Wetenschap
De invloed van het
onbewuste van de rechter
op het rechterlijk oordeel
Charlotte Deelen1
De onpartijdige rechter spreekt recht zonder vooroordeel, vooringenomenheid of voorkeur. De rechter moet
zich bewust zijn van persoonlijke vooroordelen en moet zich, bij de oordeelsvorming, telkens afvragen of het
oordeel vrij is van die persoonlijke vooroordelen. Het is van belang dat hierbij ook de rol van het onbewuste
van de rechter bij het vormen van het oordeel onder de loep wordt genomen. In dit artikel wordt namelijk
betoogd dat de onpartijdigheid onder rechtstreekse invloed staat van het onbewuste. Controle van het
onbewuste is bovendien onmogelijk. Op welke manier kan de invloed van het onbewuste van de rechter dan
in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt? Want het grootste gevaar schuilt niet in de onbewuste gedachten
zelf, maar in het hebben van een te groot vertrouwen in de invloed van bewuste gedachten en een
onderschatting van de invloed van onbewuste gedachten.
1. Inleiding
Het uitgangspunt in rechtsvindingtheorieën is vaak dat
de rechter bij het nemen van beslissingen op een rationele wijze te werk gaat en hierbij intentioneel handelt. Mensen, en dus ook rechters, hebben van nature het gevoel
controle te hebben over meer dan waarover de mens daadwerkelijk controle heeft.2 Het bewuste houdt hier de mens
voor de gek. Dit artikel plaatst de taakopvatting van de
rechter in Nederland binnen de theorie van het ‘moderne
onbewuste’. Ik betoog dat het onbewuste een grote
invloed heeft op de oordeelsvorming door de rechter,
zowel in de heuristieke fase als de legitimatiefase. Het
onbewuste kan er onder andere voor zorgen dat de rechter zich laat verleiden tot cirkelredeneringen en dat cruciale informatie over het proces van oordeelsvorming door
de rechter verborgen blijft voor de rechter zelf en daarmee dus ook voor procespartijen. Hierdoor ontstaat een
discrepantie tussen de taakopvatting van de rechter en de
realiteit. Dit probleem dient de rechtspraktijk onder ogen
te zien. Ik doe dan ook een voorstel tot aanpak.
Naast literatuuronderzoek heb ik rechters geïnterviewd over het vormen van hun oordeel. Het artikel
begint met een beschouwing van de taakopvatting van de
rechter. Vervolgens komen twee deelonderwerpen van het
onbewuste aan bod: confabulatie en eerste indrukken. Ik
sluit dit artikel af met enkele aanbevelingen voor de praktijk. Deze hebben tot doel de discrepantie tussen de taak-
356
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
opvatting van de rechter en de realiteit te verkleinen en
meer inzicht te verschaffen in de werking van het onbewuste van de rechter.
2. De taak van de rechter
De rechterlijke macht in Nederland geniet een zekere
mate van aanzien. De zwarte toga is daarbij de bevestiging van autoriteit en professionele afstandelijkheid. De
rechter heeft als hoofdtaak geschilbeslechting. De uitvoering van deze taak geschiedt in twee verschillende
fases: de heuristieke fase en de legitimatiefase. In de
heuristieke fase vormt de rechter zich een beeld van de
zaak en zoekt hierbij informatie en argumenten. Het zijn
deze argumenten die de rechter in de legitimatiefase
gebruikt om zijn beslissing te legitimeren.
Bij het vormen van zijn oordeel moet de rechter
enkele kernwaarden in acht nemen. Dit zijn achtereenvolgens onafhankelijkheid, onpartijdigheid, autonomie, deskundigheid en professionaliteit.3 In dit artikel staat voornamelijk de onpartijdigheid van de rechter centraal. Het is
deze waarde die onder rechtstreekse invloed van het onbewuste staat, zoals later in dit artikel zal blijken. De onpartijdige rechter spreekt recht zonder vooroordeel, vooringenomenheid of voorkeur.4 De rechter moet zich bewust zijn
van persoonlijke vooroordelen en moet zich, bij de oordeelsvorming, telkens afvragen of het oordeel vrij is van
die persoonlijke vooroordelen.5 Rechtswetenschap en
rechtspraktijk verwachten van de rechter dat hij open staat
voor wijziging van zijn aanvankelijke opvatting. Deze eis
brengt enerzijds met zich dat de rechter de plicht heeft
zich terug te trekken (informeel) of te verschonen (formeel) indien hij een belang heeft bij de uitkomst van de
zaak of de (objectieve) schijn kan wekken zo’n belang te
hebben.6 Anderzijds kent de wetgever aan partijen de
mogelijkheid van wraking van de rechter toe, indien
(onder meer) de schijn van partijdigheid aanwezig is.7
De laatste jaren zijn verschillende rapporten en artikelen verschenen over de onpartijdigheid van de rechter.
Deze richten zich voornamelijk op de invloed van nevenfuncties op de onpartijdigheid, het behandelen van zaken
door een rechter waarin (oud-)collega’s als advocaat optreden en het wekken van de schijn van partijdigheid door
de rechter.8 Binnen de rechtswetenschap is helaas weinig
tot geen aandacht voor een psychologische en filosofische
visie op rechtsvinding. Het is van belang dat de rechtswetenschap ook de rol van het onbewuste van de rechter bij
het vormen van het oordeel nader bestudeert. Is de rechter wel in staat te voldoen aan de kernwaarden waarvan
de praktijk nakoming eist? Het is zaak eerst nader uitleg
te verschaffen over de werking van dit onbewuste.
3. Het moderne onbewuste
3.1. Inleiding
Mensen zijn geneigd het bewuste op een voetstuk te
plaatsen en te denken dat het bewustzijn iemand intelligent en rationeel maakt. Zij gaan er vanuit dat het
bewustzijn alle beslissingen neemt. Dit is een achterhaalde en onjuiste veronderstelling. Het is het onbewuste dat de scepter voert, aldus de aanhangers van het
moderne onbewuste.9 Deze groep van onafhankelijke
psychologen, neurowetenschappers en filosofen presenteert een grote hoeveelheid experimenten. Zij gaan uit
van het principe dat intenties en beslissingen waarvan
de mens denkt dat deze ons handelen bepalen, eigenlijk
niet de hoofdveroorzakers van handelen zijn.10 Beslissin-
Het is het onbewuste dat de scepter
voert, aldus de aanhangers van het
moderne onbewuste
gen zijn in eerste instantie voornamelijk intuïtief en
ingegeven door het onbewuste. Hier zijn verschillende
redenen voor. Allereerst is de verwerkingscapaciteit van
het onbewuste vele malen groter dan die van het bewuste. Het bewuste kan simpelweg niet alle informatie verwerken.11 Een eenvoudig voorbeeld is de volgende situatie. Een man is in gesprek met iemand in een drukke
ruimte. Hij kan zich goed concentreren op wat zijn
gesprekspartner zegt en hij hoort de gesprekken om
hem heen vrijwel niet. Totdat iemand in een gesprek
achter hem zijn naam laat vallen. Dat hoort hij ineens
wel. Het is zijn onbewuste die onbewust alle gesprekken
om hem heen ‘opnam’, en zijn bewuste prikkelde toen
diegene achter hem zijn naam noemde. Ten tweede blijkt
uit onderzoeken dat het onbewuste vaak al een beslissing heeft genomen ver voordat het bewuste de beslissing neemt of voordat het bewuste denkt de beslissing te
hebben genomen.12 Het onbewuste kent verschillende
uitingen. In dit artikel behandel ik er twee: confabulatie
en eerste indrukken.
3.2. De confabulerende rechter
Confabulatie is het achteraf creëren van de illusie dat
voor een onbewust genomen beslissing allerlei bewuste
redenen aanwezig waren.13 Een interessant onderzoek
kan dit begrip verduidelijken. Onderzoekers toonden aan
klanten van een winkel vier identieke panty’s. Ze vroegen
aan hen voor welke panty de bezoekers een voorkeur
hadden. De meeste mensen hadden een voorkeur voor de
panty die het meest rechts lag. De bezoekers kozen dus
op basis van de positie van de panty. Toen de onderzoe-
Auteur
2013-november, p. 408-410; W.D.H. Asser,
pens, Schijn van partijdigheid van rechters,
Free will and consciousness, Oxford:
1. Mr. drs. C.F. Deelen was studente
‘Rechtspreken en recht vormen’, TCR 2013-
Den Haag: Boom Juridische uitgevers,
Oxford University Press 2010, p. 24-42 (p.
Onderzoeksmaster Onderneming en Recht
4, p. 107-108; C. Brinkgreve, ‘De lijdende
2002, p. 6.
31-33).
en is thans promovenda en docente bij het
rechter’, De Groene 2013-8, p. 18-21.
8. Zie M. Kuijer, ‘De blinddoek van Vrouwe
10. Dijksterhuis, 2011; Slors 2012, p.
Van der Heijden Instituut (Radboud
4. P.P.T. Bovend’Eert, ‘Rechterlijke onafhan-
Justitia of de luiken van de rechtspraak
63-64.
Universiteit Nijmegen).
kelijkheid’, in: J.B.J.M. ten Berge e.a., De
open?’, in: T. Barkhuysen e.a., Geschakeld
11. J.A. Bargh, ‘Attention and automaticity
onafhankelijke rechter, Den Haag: Boom
recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 279-294;
in the processing of self-relevant informati-
Noten
Juridische uitgevers 2007, p. 29-43.
Ten Berge & Hol, 2007, p. 4; Bovend’Eert &
on’, Journal of Personality and Social Psy-
2. E.W.M. Giard, ‘Heraclites en Parmenides
5. ‘Gedragscode voor rechters’, NJB
Kortmann, 2008, p. 33 e.v.; P. van Orsho-
chology 1982, afl. 3, p. 425-436 (p. 425);
voor de rechter’, Expertise en Recht 2010-
2011/1862, afl. 36, p. 2482 (samenvat-
ven e.a., Preadviezen. De onafhankelijk-
N. Moray, ‘Attention in dichotic listening:
5/6, p. 155-158 (p. 156); M. Slors, Dat had
ting); Hooft Graafland, 2005, p. 292.
heid van de rechter, Deventer: W.E.J.
affective cues and the influence of instructi-
je gedacht!, Uitgeverij Boom, Amsterdam:
6. P.P.T. Bovend’Eert & C.A.J.M. Kortmann,
Tjeenk Willink, 2001; P.P.T. Bovend’Eert
ons’, Quarterly Journal of Experimental
2012, p. 174.
Rechterlijke organisatie, rechters en recht-
e.a., De rechter bewaakt: over toezicht en
Psychology 1959, afl. 11, p. 56-60.
3. Nederlandse Vereniging voor Recht-
spraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008,
rechters, Deventer: Kluwer 2003 en E.A.
12. B. Libet e.a., ‘Time of conscious intenti-
spraak, Rechterscode 26 september 2011;
p. 40; L.E. de Groot-van Leeuwen, ‘Ver-
Huppes-Cluysenaar, ‘Beroepsethiek bij
on to act in relation to onset of cerebral
J.A.Z. Hooft Graafland, ‘Beroepsethiek van
trouwen in objectieve, onafhankelijke en
rechters: politieke macht of onafhankelijk-
activity (readiness-potential). The unconsci-
rechters’, Trema 2005, afl. 7, p. 286-292 (p.
onpartijdige rechters’, in: J.B.J.M. ten Berge
heid?’, AA 2010-2, p. 133-138.
ous initiation of a freely voluntary act’,
288); Th. A. de Roos, ‘Enkele kanttekenin-
& A.M. Hol, De onafhankelijke rechter,
9. A. Dijksterhuis, Het slimme onbewuste,
Brain. A Journal of Neurology, 1983/106,
gen naar aanleiding van de actualiteit: de
Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007,
Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker 2011, p.
p. 623-642.
noodzaak van rolvastheid en empathische
p. 73-79 (p. 75).
10, 14-15, 19-20; M. Baumeister, ‘Free will
13. Slors, 2012, p. 70.
afstandelijkheid van rechters’, Strafblad
7. Art. 36 e.v. Rv; M. Ter Voert & J. Kup-
and consciousness’, in: M. Baumeister e.a.,
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
357
Wetenschap
© ImageZoo / Alamy
Confabulatie treedt alleen op indien de rechter niet beschikt
over alle informatie die relevant is voor de motivering van een
beslissing
kers de proefpersonen na afloop vroegen waarom ze een
voorkeur hadden voor de rechterpanty, gaven ze hier
allerlei verklaringen voor. ‘Die is gewoon het mooist’ of
‘Die is het stevigste en gaat dus het langste mee’. Dit
waren onzinnige verklaringen want alle panty’s waren
immers volstrekt identiek. De proefpersonen namen hier
een beslissing op onbewuste gronden. Hun bewustzijn
creëerde achteraf de illusie dat er allerlei bewuste redenen waren voor die keuze. Dit is confabulatie.14
Een extremer voorbeeld van confabulatie is te vinden bij split brain patiënten. Onze rechter hersenhelft ver-
358
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
werkt de linkerkant van ons visuele veld. Onze linker hersenhelft verwerkt de rechterhelft van ons visuele veld.
Hierdoor is het mogelijk beide hersenhelften apart aan te
spreken. Ons taalvermogen bevindt zich (meestal) in onze
linker hersenhelft. De rechter hersenhelft kan taal vaak
wel begrijpen maar niet of nauwelijks produceren. Als een
onderzoeker aan de rechter hersenhelft van een split
brain patiënt het woord ‘loop’ toont, staat de persoon
direct op.15 Als de onderzoeker vraagt waarom de persoon
opstond, is dit dus alleen een vraag aan de linker hersenhelft. Het is alleen deze hersenhelft die de vraag kan
beantwoorden. De rechter hersenhelft kan immers geen
taal produceren. De linker hersenhelft heeft geen verzoek
tot opstaan gezien. Het woord ‘loop’ is immers alleen
getoond aan het visuele veld van de rechter hersenhelft.
Het antwoord dat de proefpersoon gaf was: ‘Omdat ik
dorst heb en even wat water wilde halen’. Ook dit is confabulatie.16 De proefpersoon verzon een bewuste reden voor
zijn onbewuste handelen.
Het onderzoek naar confabulatie maakt duidelijk dat
mensen veel meer confabuleren dan ze denken. Ook rechters zijn mensen, dus het is aannemelijk te denken dat ook
de rechter confabuleert. Hoewel deze confabulatie niet zo
sterk aanwezig is als bij een split brain patiënt, zijn er wel
degelijk situaties waarin de rechter confabuleert of het
gevaar van confabulatie op de loer ligt. Wederom maak ik
hierbij het onderscheid tussen de heuristieke fase en de
legitimatiefase. De confabulatie van de rechter vindt plaats
in de legitimatiefase. De rechter neemt een beslissing op
(deels) onbewuste gronden, maar legitimeert dit met
bewuste, rationele redenen. Deze bewuste, rationele redenen zijn in het geval van confabulatie niet de daadwerkelijke redenen voor het oordeel. Blijkbaar is er iets mis gegaan
in de heuristieke fase. Confabulatie treedt op indien de
rechter niet beschikt over alle informatie die relevant is
voor de motivering van een oordeel. Het kan bijvoorbeeld
het geval zijn dat de rechter een bepaald gevoel bij een
zaak heeft. Dit gevoel overheerst rationele argumenten,
zonder dat de rechter het zelf doorheeft. De rechter kan
hierdoor bijvoorbeeld onbewust bepaalde bewijsstukken
zwaarder laten wegen. Deze bewijsstukken heeft de rechter
in de heuristieke fase verzameld. Doordat de rechter verder niet voldoende informatie heeft, wegen deze bewijsstukken in de legitimatiefase zwaarder. Achteraf rationaliseert de rechter zijn oordeel. Hij is er van overtuigd dat hij
de beslissing heeft genomen omdat de bewijsstukken overtuigend waren. Maar, in feite zaten er onbewuste redenen
(zijn gevoel) achter het bewuste oordeel. Het is voorstelbaar dat de rechter die geen negatief gevoel had bij dezelfde zaak, de bewijsstukken niet zo zwaar had laten wegen.
Het kan dus zo zijn dat onbewuste redenen eigenlijk het
oordeel dragen, in plaats van bewuste redenen.
Het fenomeen confabulatie veroorzaakt verschillende problemen. Allereerst heeft de confabulerende rechter
zelf niet door dat hij confabuleert. Bovendien is ook voor
procespartijen de confabulatie ontoegankelijk. De daadwerkelijke redenen voor een oordeel blijven door de confabulatie verborgen.17 De status van het rechterlijk oordeel
komt hiermee in gevaar en de verwachting van de rechtspraktijk dat een oordeel inzichtelijk en transparant is, kan
de rechter niet waarmaken. Eventuele partijdigheid van
de rechter blijft door het gevaar van confabulatie ook verborgen. Ten slotte doet het oordeel afbreuk aan de rechtszekerheid. De procespartij is afhankelijk van het ‘gevoel’ of
andere onbewuste redenen die de rechter bij de partij of
de zaak heeft. Uiteraard confabuleert de rechter niet continu. Confabulatie treedt immers alleen op indien de rechter niet beschikt over alle informatie die relevant is voor
de motivering van een beslissing. Het is dus van belang
dat de rechter op de hoogte geraakt van al die informatie
en voorts is van belang dat de rechter inzicht krijgt in de
rationele overwegingen van zijn oordeel. Door op te schrijven op basis waarvan het oordeel tot stand is gekomen,
verkleint de rechter de invloed van het misleidende onbewuste ook in de legitimatiefase. Het dwingt de rechter na
te denken over zijn argumenten en deze uiteen te zetten.18 Omdat niet geheel inzichtelijk is welke stappen het
onbewuste maakt, moet de rechter de uiteindelijke beslissing altijd ijken met een bewuste redenering. Motivering
van het oordeel staat hierbij centraal. Door in de legitimatiefase zo duidelijk mogelijk onder woorden te brengen
welke gronden hebben bijgedragen aan het oordeel en
deze gronden vervolgens te controleren, verkleint de rechter de mogelijkheid van confabulatie. Hij is hierdoor in
staat te controleren of hij voldoende informatie heeft verzameld in de heuristieke fase.
3.3. De indruk van een rechter
Zoals ieder mens vormt ook de rechter continu een
indruk van een situatie of van iemand. Er zijn verschillende factoren die hierbij een rol spelen. Het is van
belang deze factoren in kaart te brengen, omdat uit
onderzoek blijkt dat eerste indrukken het gedrag van
mensen beïnvloeden. Willen het gedrag van de rechter en
zijn beslissingen transparant zijn, dan moet onderzocht
worden op welke manier de rechter een indruk vormt en
welke invloed deze indruk vervolgens heeft op zijn oordeel. Pas als dit duidelijk is, kan de rechter daadwerkelijk
transparant oordelen. De rechtspraktijk verwacht dat
bewuste meningen en rationele overwegingen het oordeel van de rechter dragen. Hierbij is het vertrouwen aanwezig dat sprake is van overeenstemming van de bewuste
mening met de onbewuste mening van de rechter. Helaas
blijkt uit onderzoek dat deze overeenstemming niet altijd
aanwezig is. Hierbij spelen situatiekenmerken een belangrijke rol en is de persoonlijke gesteldheid van de rechter
van belang. De Impliciete Associatie Test toont aan dat
zelfs indien iemand ervan overtuigd is dat zijn bewuste
mening overeenstemt met zijn onbewuste mening, dit
niet altijd het geval is. Deze test richt zich op onbewuste
discriminatie. Het meet of iemand onbewust vooral negatieve of voornamelijk positieve associaties heeft met iets
of iemand.19 Proefpersonen maken hierbij associaties tussen de variabelen positief, negatief, autochtoon en allochtoon. Met behulp van het meten van reactietijden kunnen onderzoekers concluderen dat testpersonen het
makkelijker vinden ‘autochtoon’ met ‘positief ’ te associëren en ‘allochtoon’ met ‘negatief ’.20 Discriminatie vindt
hier onbewust plaats.
14. R.E. Nisbett & T.D. Wilson, ‘Telling more
New York Press 2006, p. 179.
20. A.G. Greenwald e.a., ‘Measuring indivi-
vrede, Pieter, Mohammed, geluk, pijn, Aziz.
than we know: verbal reports on mental
16. Slors, 2012, p. 72.
dual differences in implicit cognition: the
Bij elk positief woord moet de proefpersoon
processes’, Psychological Review 1977/84,
17. Slors, 2012, p. 150.
implicit association test’, Journal of Perso-
op de rechterkant tikken en bij elk negatief
p. 231-253.
18. J.J. Rachlinsky, ‘Judicial Psychology’,
nality and Social Psychology, 1998/74, p.
woord op de linkerkant, of andersom.
15. P. Carruthers, The architecture of mind,
Rechtstreeks 2012-2, p. 15-34 (p. 33).
1464-1480. In deze test staan woorden als
New York City: Oxford University Press,
19. Dijksterhuis, 2011, p. 79 en 96.
liefde, Henk, kanker, Jan, Ibrahim, oorlog,
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
359
Wetenschap
Ook de rechter staat continu onder de invloed van
zijn eigen onbewuste meningen, indrukken en uitgangspunten. Denk bijvoorbeeld aan de eerste indruk van een
dossier of van de persoon van partijen. Deze indrukken
ontstaan moeiteloos en zonder een specifiek opgeslagen
herinnering.21 Psychologisch onderzoek toont aan dat
iemand zich zeer snel een indruk vormt van een ander, op
basis van uiterlijke kenmerken.22 In een van de onderzoeken kregen proefpersonen telkens twee foto’s te zien van
presidentskandidaten, gedurende slechts één seconde.
Vervolgens moesten de kandidaten vragen beantwoorden
over de getoonde politici. Deze vragen gingen over wie het
intelligentste en wie het meest competent was. Het was
voor de proefpersonen onmogelijk om dit te weten,
omdat zij, naast de foto’s, helemaal niets over de kandidaten wisten. De onderzoekers vroegen de proefpersonen
dan ook op hun gevoel af te gaan. Op basis van ‘het meest
competente uiterlijk’ konden de onderzoekers zo’n zeventig procent van de uiteindelijke verkiezingsuitslag voorspellen. Degene met het meest competente uiterlijk won
vrijwel altijd, ook als dit in feite helemaal niet de meest
competente kandidaat was.23 De rechter vormt een dergelijke korte eerste indruk zodra hij de zittingszaal binnenkomt en partijen ziet zitten. Deze eerste indruk is een
intuïtieve waardering en kan allerlei oordelen inhouden.
Een voorbeeld is indien een partij er erg verveeld bij zit of
juist erg agressief. De eerste indruk van de rechter van die
procespartij zal dan niet erg positief zijn. Het meer rationele oordeel volgt vervolgens dit intuïtieve oordeel op. Tijdens de zitting krijgt de rechter een meer uitgebreide
indruk van de procespartij. De rechter moet proberen
deze twee oordelen in balans te brengen en er bovendien
voor zorgen dat de eerste indruk niet de vorming van een
neutrale tweede indruk belemmert. De rechter slaat de
indruk op in beelden, gevoelens en woorden. Dit geschiedt
zowel onbewust als bewust. 24
Voorts zijn situatiekenmerken van belang voor het
begrijpen van het gedrag van de rechter. Zij veroorzaken
namelijk automatisch een bepaalde gedraging. Trait constructs nemen deze situatiekenmerken op in een specifieke trait. Dit werkt als volgt. Indien de rechter herhaaldelijk
een bepaalde ervaring heeft gehad met een bepaald type
persoon, zal de rechter in een nieuwe situatie met eenzelfde soort persoon weer verwachten dat de ervaring gelijk
zal zijn. Een voorbeeld is een oude meneer, die bestuurder
is van een vennootschap en beschuldigd wordt van diefstal van de vennootschap. Achter hem op de publiekstribune zit zijn vrouw, die ruim veertig jaar jonger is, hoogblond, dure schoenen, mooie tas en glinsterende sieraden.
In eerdere gelijksoortige zaken bleek dat dit soort type
bestuurders daadwerkelijk van de vennootschap hadden
gestolen om de levensstandaard van hemzelf en zijn
vrouw te financieren.25 De rechter zal, met deze ervaringen in zijn achterhoofd, er eerder vanuit gaan dat ook in
het nieuwe geval de gelijksoortige bestuurder gestolen
heeft van de vennootschap. Deze gedachte kan zowel
bewust als onbewust een rol spelen. Speelt deze gedachte
bewust een rol, dan is de gedachte minder gevaarlijk. De
rechter zal bewust dit oordeel met rationele argumenten
afwegen. Het is veel gevaarlijker als de gedachte onbewust
een rol speelt. Immers heeft de rechter dan geen zicht op
de gedachte, omdat de gedachte alleen onbewust een rol
360
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Het is veel gevaarlijker als de
gedachte onbewust een rol speelt
speelt. De vergelijkbare ervaring van de rechter in een
andere situatie zorgt er voor dat de rechter in de nieuwe
situatie ook negatief zal staan tegenover de oude man. De
aanwezige stimuli (de oude man met de jonge hoogblonde
vrouw) zorgen ervoor dat het onbewuste van de rechter
automatisch een bepaald gedragspatroon bij de rechter
activeert waardoor de rechter op een bepaalde manier zal
oordelen.26 Dit oordeel is niet transparant omdat de
belangrijkste drijfveer het ontoegankelijke onbewuste is.
Als laatste is de eigen persoonlijke gesteldheid van
de rechter van belang voor de indruk van of de reactie op
partijen. Het volgende onderzoek toont dit aan. Subjecten
kregen vluchtig een woord te zien op een scherm. Dit was
te kort voor het bewuste om het woord te verwerken.27
Alleen het onbewuste kon dit woord waarnemen. Naarmate de woorden negatiever waren, omschreven de subjecten
in het tweede deel van het onderzoek een persoon negatiever dan wanneer de woorden positief waren.28 Ofwel,
indien het onbewuste eerst werd geconfronteerd met een
negatief geladen woord, dan handelde het bewuste in een
opvolgende situatie ook negatiever. Dit werkt zeer waarschijnlijk hetzelfde bij de rechter. Is de rechter onbewust
wat chagrijniger dan anders, dan zal hij ook chagrijniger
reageren op partijen. Uit de interviews met de rechters
komt dit effect ook duidelijk naar voren. Rechters geven
aan dat zij met name door moeheid en hoge werkdruk,
negatiever kunnen reageren op partijen dan in een normale situatie. Zij zijn zich hier niet altijd op dat moment
zelf van bewust. Andere rechters in meervoudige kamers
kunnen de rechter hierop wijzen (buiten de zitting) of de
rechter stelt dit bij een terugblik op de zaak vast. In een
ander onderzoek kreeg een groep subjecten op een computer foto’s te zien van Afrikaans-Amerikaanse mannen.
Een andere groep kreeg foto’s te zien van blanke mannen.
Het stereotype beeld van Afrikaans-Amerikaanse mannen
bevat de trait construct vijandigheid.29 Op een gegeven
moment gaf de computer een foutmelding en subjecten
werd verteld dat ze helemaal opnieuw moesten beginnen.
De reactie van subjecten die de foto’s van Afrikaans-Amerikaanse mannen hadden bekeken, was beduidend vijandiger dan de reactie van subjecten die de foto’s van blanke
mannen hadden bekeken.30 Deze trait constructs beïnvloeden dus onbewust de bewuste gedragingen van een
ander.31
Een rechter kan ook geneigd zijn anders te reageren
op partijen indien hij onbewust een bepaald vooroordeel
over een partij heeft. Een van de rechters in de interviews
geeft het volgende voorbeeld waarin hij zich bewust is
van een bepaald vooroordeel. Het gaat dan om een procedure van een Ondernemingsraad waarin een bepaald type
vrouwelijke bestuurder – middelbare leeftijd, verzorgd
uiterlijk, in goede stemming – de onderneming vertegenwoordigt. Omdat in vergelijkbare zaken was gebleken dat
dit type vrouw haar eigen beleid wilde doorvoeren en niet
goed naar de input van de Ondernemingsraad had geluisterd, besefte deze rechter dat hij in vergelijkbare zaken
geneigd was te denken dat dit type bestuurder niet had
geluisterd naar de Ondernemingsraad. De rechter heeft
dit vooroordeel onbewust gevormd door eerdere zaken en
het onbewuste activeert het vooroordeel bij het vormen
van de eerste indruk van de vrouwelijke bestuurder door
de rechter. Dit is een goed voorbeeld van een stereotype
in een trait construct dat van directe invloed is op de houding van de rechter. Bij de geïnterviewde rechter werd
expliciet naar het bestaan van vooroordelen gevraagd. Dit
draagt er aan bij dat de rechter een vooroordeel expliciet
benoemd en dat hij zich bewust wordt van het onbewuste
vooroordeel. Dit is niet in alle omstandigheden het geval.
Bovendien is niet elk onbewust vooroordeel zo gemakkelijk ‘bewust’ te maken.
Nu de verschillende fenomenen van indrukken aan
bod zijn gekomen evenals de werking van deze indruk,
vervolg ik wederom met wat het probleem is dat deze
indrukken creëren. Het gevaar van deze indrukken bestaat
eruit dat zij vervolgens onbewust het gedrag van de rechter beïnvloeden.32 Dit kan zowel positief als negatief uitpakken. Als de rechter een negatieve eerste indruk heeft
van een partij, bijvoorbeeld omdat de partij verveeld of
agressief overkomt, kan deze ervaring door het onbewuste
bij een volgende gedraging van de partij van invloed
zijn.33 Met name volwassenen zijn geneigd aannames over
personen op te slaan en vast te houden. Ze geloven in de
constantheid van karakter.34 Het onbewuste slaat bovendien makkelijker een negatief beeld van iemand op dan
een positief beeld. De rol van het onbewuste is dus veelal
overwegend negatief te waarderen. Is er eenmaal een
negatieve indruk gemaakt, dan is het lastig deze negatieve
indruk om te vormen naar een tweede positieve indruk.35
Deze indrukken zijn dan ook gevaarlijk voor de objectiviteit van de rechter. De procespartij heeft immers geen
zicht op deze eerste indruk van de rechter van procespartijen. Verwoede pogingen een slechte eerste indruk te
voorkomen, kunnen juist een averechts effect hebben. De
procespartij staat dus vrij machteloos. De rechter kan de
neiging hebben, na een eenmaal ingenomen standpunt
(bewust of onbewust), vooral aandacht te schenken aan
feiten, bewijs of verklaringen die dit standpunt bevestigen. Dit fenomeen staat bekend als ‘confirmation bias’.
Ook zorgt de invloed van de persoonlijke gesteldheid
van de rechter op zijn gedrag en oordeel ervoor dat partijen machteloos staan. Partijen hebben vrijwel geen invloed
op deze persoonlijke gesteldheid en bovendien is deze
persoonlijke gesteldheid van de rechter ontoegankelijk
voor partijen. De rechter zou idealiter elke partij en elke
zaak neutraal moeten benaderen. Dit blijkt door de
invloed van de persoonlijke gesteldheid onmogelijk. Dit
zorgt wederom voor ontransparante oordelen, een meer
partijdige rechter en tot slot rechtsonzekerheid. Achterliggende redenen blijven verborgen. Weten waarom de rechter een bepaalde beslissing heeft genomen, geeft inzicht
in gedragspatronen. Beslissingen zijn dan beter voorspelbaar.36 Het is daarom van belang dat de rechter de invloed
van deze eerste indruk op zijn oordeel beperkt. Uit onderzoek blijkt dat, indien iemand zich bewust is van het
Indien iemand zich bewust is van het bezitten van bepaalde social
constructs, kan de invloed van deze social constructs in het
onbewuste daadwerkelijk afnemen
21. Zie het werk van J.M. Montepare & L.Z.
24. T.M. Schalken, ‘De jurist en de kunste-
28. J.A. Bargh & P. Pietromonaco, ‘Automa-
vloeden vervolgens bewuste oordelen.
McArthur, ‘Perception of adults with child-
naar: waar het verschil in denkstijlen toe
tic information processing and social per-
32. Anderson, Krull & Weiner, 1996; Dijks-
like voices in two cultures’, Journal of Expe-
kan leiden’, NJB 2006, p. 70-73 (p. 71).
ception: the influence of trait information
terhuis, 2011, p. 86.
rimental 1987, afl. 23, p. 331-349; L.S.
25. Dit voorbeeld komt in een van de inter-
presented outside of conscious awareness
33. Uleman, Blader & Todorov, 2005,
Newman & J.S. Uleman, ‘Spontaneous trait
views naar voren.
on impression formation’, Journal of Perso-
p. 388; R.H. Fazio & M.P. Zanna, ‘Direct
inference’, in: J.S. Uleman & J.A. Bargh,
26. J.A. Bargh e.a., ‘The automaticity of
nality and Social Psychology 1982, afl. 43,
experience and attitude-behavior consisten-
Unintended thought, New York City: The
social behavior: direct effects of trait con-
p. 437-449.
cy’, in: L. Berkowitz, Advances in experi-
Guilford Press 1989, p. 155-188 (p. 157);
cept and stereotype activation on action’,
29. Zie J.A. Bargh, ‘Bypassing the will:
mental social psychology, New York:
J.S. Uleman, S.L. Blader & A. Todorov,
Journal of Personality and Social Psycholo-
towards demystifying the nonconscious
Academic Press 1981, p. 161-202; E. Tory
‘Implicit impressions’, in: R.R. Hassin, J.S.
gy 1996-71, p. 230-244 (p. 231); J.A.
control of social behavior’, in: R.R. Hassin,
Higgins, ‘Knowledge accessibility and acti-
Uleman & J.A. Bargh, The new unconsci-
Bargh, ‘Conditional automaticity: varieties
J.S. Uleman & J.A. Bargh, The new uncon-
vation: subjectivity and suffering from
ous, Oxford: Oxford University Press 2005,
of automatic influence in social perception
scious, Oxford: Oxford University Press
unconscious sources’, in: J.S. Uleman & J.A.
p. 362-392 (p. 384 en 388).
and cognition’, in: J.S. Uleman, J.A. Bargh,
2005, p. 37-58 (p. 39).
Bargh, Unintended thought, New York The
22. Zie het werk van C.A. Anderson, D.S.
Unintended thought, New York: The Guil-
30. Bargh, 1996, p. 238-240, experiment 3.
Guilford Press,: 1989, p. 75-123 (p. 82);
Krull & B. Weiner, ‘Explanations: processes
ford Press 1989, p. 3-51; W. Mischel,
31. E.T. Higgins, G.A. King & G.H. Mavin,
Newman & Uleman, 1989, p. 166.
and consequences’, in: E.T. Higgins & A.W.
‘Towards a cognitive social learning recon-
‘Individual construct accessibility and sub-
34. S. Wimer & H.H. Kelley, ‘An investigati-
Kruglanski, Social Psychology: Handbook of
ceptualization of personality’, Psychological
jective impressions and recall’, Journal of
on of dimensions of causal attribution’,
basic principles, New York City: Guilford
Review 1973-80, p. 252-283 en E.T.
Experimental Social Psychology, 1982, afl.
Journal of Personality and Social Psycholo-
1996, p. 271-296; Dijksterhuis, 2011, p. 86.
Higgins, ‘Self-discrepancy: a theory relating
43, p. 35-47. Hun onderzoek toont aan dat
gy, 198, afl. 43, p. 1142-1162.
23. A. Todorov, ‘Inferences of competence
self and affect’, Psychological Review
omgevingsfactoren automatisch bepaalde
35. Newman & Uleman, 1989, p. 170.
from faces predict election outcomes’, Sci-
1987-94, p. 319-340.
manieren van gedrag activeren, naarmate
36. Slors, 2012, p. 146.
ence 2005-308, p. 1623-1626; Dijksterhuis,
27. Dit hangt samen met de verwerkingsca-
deze activering vaker in die setting heeft
2011, p. 89.
paciteit van het onbewuste en het bewuste.
plaatsgevonden. Deze trait constructs beïn-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
361
Wetenschap
bezitten van bepaalde social constructs, de invloed van
deze social constructs in het onbewuste daadwerkelijk kan
afnemen.37 Deze bewustheid kan de rechtspraktijk vergroten door aandacht te schenken aan het fenomeen van het
onbewuste en de invloed van het onbewuste in de rechtspraak en gedurende de rechterlijke vorming. Hierbij
moet de rechtspraktijk zowel de vorming van een eerste
indruk belichten, als situatiekenmerken en de invloed van
de persoonlijke gesteldheid van de rechter. Op deze vorming van de rechter kom ik in par. 4 terug.
4. Conclusie en aanbevelingen
Controle van het onbewuste is onmogelijk. Controle vereist namelijk drie dingen: bewustheid van de invloed of
althans de mogelijkheid van de invloed van deze automatische trait constructs op gedrag, de motivatie deze invloed
te controleren en tot slot voldoende focus om daadwerkelijk met het ‘controle proces’ bezig te kunnen zijn (ofwel,
zo min mogelijk afleiding).38 In de meeste gevallen zijn
niet al deze drie factoren aanwezig. Zelfs al is de rechter
zich bewust van de invloed, indien de rechter zijn ‘hoofd
er niet bij houdt’, zal controle falen.39 De rechter zal zich
niet altijd bewust zijn van zijn automatische reactie op
bepaalde dingen, gebeurtenissen of personen.40 Op welke
manier kan de rechtswetenschap, en in de praktische uitvoering de rechtspraktijk, de invloed van het onbewuste
van de rechter dan in ieder geval inzichtelijk maken?
Aandacht voor het onbewuste in de rechterlijke opleiding
en bijscholing
Ten eerste blijkt uit de afgenomen interviews dat er tot
op heden vrijwel geen aandacht voor de werking van het
onbewuste is. Ik beveel dan ook aan dat de rechtspraak
zowel in de opleiding van nieuwe rechters, als in de bijscholing van huidige rechters, aandacht gaat besteden
aan het fenomeen van het onbewuste. Voor een verdiepingsslag in het denken over filosofie, psychologie en
recht is het noodzakelijk de algemene doelen waarop de
rechtspraak gericht is en de achterliggende motieven
van waaruit rechters hun werk doen te bezien. In de
selectie van nieuwe rechters bleven lange tijd morele
competenties onderbelicht. Zoals Aristoteles al zei, ontstaan deugden niet van nature, maar ontstaan zij ook
niet tegen de natuur in.41 Mensen bezitten van nature de
geschiktheid om ethische deugden te ontvangen. Aan
deze competentie van de mens dient de rechtspraak
tegemoet te komen. Door middel van het voorleggen van
concrete dilemma’s aan kandidaten en door tijdens de
opleiding extra aandacht te besteden aan morele competenties, zorgt het instituut De Rechtspraak ervoor dat de
rechter zijn morele capaciteiten zo veel mogelijk benut.42
Hierdoor is de rechter beter in staat de invloeden van
zijn onbewuste te signaleren en op een weloverwogen
manier een oordeel te vellen. Enkel het geven van cur-
Een open houding is een van de
belangrijkste eigenschappen van
een rechter
362
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
sussen over het onbewuste is geen adequate oplossing
voor de gestelde problemen, zoals ik reeds elders heb
betoogd.43 Nadere aanbevelingen zijn dan ook nodig.
Controlemechanismen in de enkelvoudige en
meervoudige kamer
De tweede aanbeveling heeft betrekking op het verschil
in rechtspreken tussen de enkelvoudige en meervoudige
kamer. Intervisie vindt bij meervoudige kamers vrijwel
automatisch plaats. Tijdens de zitting impliciet en na de
zitting expliciet, spreken de rechters elkaar aan op de
wijze van bejegenen van de partijen en elkaars functioneren. Het is de meervoudige kamer die ervoor zorgt dat
de eigen persoonlijke situatie en gesteldheid geen daadwerkelijke invloed hebben op het oordeel. In de enkelvoudige kamer is dit controlemechanisme niet aanwezig.
Wel kan meer aandacht worden besteed aan een gelijkwaardige samenwerking van de rechter en de griffier in
de enkelvoudige kamer. Zeker griffiers met jarenlange
ervaring hebben ruim voldoende kennis om samenwerking met de rechter mogelijk te maken en succesvol te
laten zijn. Als de rechter en de griffier op een gelijkwaardig niveau samenwerken, door over de zaak te praten tijdens het vormen van het oordeel (en eventueel voor de
zitting), bereikt de rechter in de enkelvoudige kamer vrijwel hetzelfde als de rechter in een meervoudige kamer.
Centraal staan het wederzijds respect en vertrouwen in
elkaar als collegae.
Kritische houding van de rechter
Ten derde dient de rechter continu kritisch te blijven en
een open houding aan te nemen. Het zijn rationele
inhoudelijke overwegingen die het oordeel moeten dragen, niet de onbewuste gedachtes.44 Naarmate de rechter
meer wordt blootgesteld aan verschillende argumenten,
zal hij zijn intuïtieve reactie meer testen op rationele
overwegingen.45 Dit blijkt ook uit de interviews met de
rechters. De rechter vormt een bepaalde indruk van een
partij door het bestuderen van het procesdossier. Vervolgens stelt de rechter vragen aan partijen ter zitting om
zijn eerste indruk en voorlopige oordeel te testen. Een
open houding is een van de belangrijkste eigenschappen
van een rechter. Hij moet niet bang zijn vragen te stellen
die ‘roet in het eten kunnen gooien’ en kritisch tegenover zijn eigen oordeel te staan.
Aandacht voor de juridische redenering
Ten vierde kan de rechter inspiratie putten uit de regels
van de logica. Oordeelsvorming door de rechter is niet
aan de regels van de logica vast te binden, maar er
bestaan tussen logica en recht wel duidelijke raakvlakken.46 Beide gaan gepaard met redeneringen waarbij het
gaat om de rechtvaardiging van de conclusies uit de premissen.47 Indien de rechter meer sturing krijgt met
betrekking tot de logische opbouw van zijn redenering,
laat dit minder ruimte voor het gevoel en meer ruimte
voor een rationele denkwijze. Op die manier is het rechterlijk oordeel meer controleerbaar op juistheid, inzichtelijker en transparanter. Dit komt tot uiting in de (schriftelijke) motivering van het oordeel. De rechter maakt zo
de invloed van het onbewuste voor zichzelf meer inzichtelijk en tevens voor partijen.
Tot slot
De fout zit niet in het hebben van onbewuste gedachtes,
maar in het hebben van een te groot vertrouwen in de
invloed van bewuste gedachten en een onderschatting
van de invloed van onbewuste gedachten. Door het
implementeren en in acht nemen van de aanbevelingen
die ik heb aangedragen, verbetert de kwaliteit van de
rechtspraak. De activiteiten van de rechter in de heuristieke fase zijn dan meer gecontroleerd en bovendien is
de legitimatiefase van de oordeelsvorming hierdoor
meer transparant.
37. M.J. Monteith, P.G. Devine & J.W.
41. Aristoteles, Ethica Nicomachea (verta-
45. Rachlinsky, 2012, p. 32.
de voorafgaande premissen. Een bekend
Sherman, ‘Suppression as a stereotype
ling door R.W. Thuijs), 1103a/25, Antwer-
46. L.M.M. Royakkers, Logica en recht: een
voorbeeld is: alle mensen zijn sterfelijk.
control strategy’, Personality and Social
pen, 1954 (350 v.C).
onhoudbaar huwelijk, AA 2009, afl. 1, p.
Napoleon is een mens. Dus Napoleon is
Psychology Review 1998, afl. 2, p. 63-82.
42. Hooft Graafland, 2005, p. 290.
11-20. Het recht bevat namelijk verschillen-
sterfelijk. De conclusie dat Napoleon sterfe-
38. Zie Bargh, 1996, p. 241 en Bargh, 1989.
43. C.F. Deelen, ‘Werking onbewuste’, Het
de redeneervormen die niet allemaal binnen
lijk is volgt uit de voorafgaande premissen.
39. Bargh, 1996, p. 241.
Financieele Dagblad 19 mei 2014, p. 9.
de logica te plaatsen zijn.
40. Bargh, 1996, p. 241.
44. Rachlinsky, 2012, p. 33.
47. Een conclusie volgt volgens de logica uit
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
363
297
Wetenschap
Rationele besliskunde in
het strafrecht
De sprong van bewijs naar beslissing
Jacqueline Bonnes, Peter Vergeer en Reinoud Stoel1
Magistraten kunnen niet comfortabel volstaan met de uitspraak dat een scenario een bepaalde aannemelijkheid
heeft: zij moeten beslissen welk verhaal zij voor waar houden, en daaraan gevolgen verbinden. Zij moeten de
sprong van bewijs naar beslissing maken. Dit stuk richt zich specifiek op een onderdeel van die sprong, namelijk
die tussen het forensisch bewijs en de strafrechtelijke beslissing. Dit is een urgent onderwerp door enerzijds de
snelle forensische ontwikkelingen en anderzijds door de onderkenning van de psychologische moeilijkheden bij
de interpretatie van bewijs. Rationele besliskunde, een methode om hierin systematisch te redeneren, kan in
theorie helpen om verantwoord te springen van bewijs naar beslissing.
1. Inleiding
Het probleem dat we in dit stuk te lijf gaan is de sprong
die moet worden gemaakt van bewijs naar beslissing.
Bewijs verankert feiten in een verhaal: uit het totaal van
het bewijs moet blijken wie wat wanneer heeft gedaan,
waarom en hoe.2 Daarin zit altijd onzekerheid, bijvoorbeeld omdat getuigen zich kunnen vergissen, omdat een
bekentenis vals kan zijn afgelegd, omdat er een toevallige
match kan zijn tussen spoor en verdachte, of omdat voor
een deel van het verhaal eenvoudigweg geen bewijs voorhanden is. Bewijs maakt een verhaal meer of minder aannemelijk. Strafrechtelijke beslissingen daarentegen hebben als uitkomst ‘ja/nee’. Magistraten kunnen niet
comfortabel volstaan met de uitspraak dat een scenario
een bepaalde aannemelijkheid heeft: zij moeten beslissen
welk verhaal zij voor waar houden, en daaraan gevolgen
verbinden. Zij moeten springen.
Belangrijke Nederlandse denkers die op dit onderwerp zijn ingegaan, zijn bijvoorbeeld Crombag, Van Koppen en Wagenaar,3 Buruma,4 en Corstens. Uit het handboek van laatstgenoemde, destijds nog vice-president van
de Hoge Raad: ‘Het begrip bewijzen in het strafrecht (...)
kan worden omschreven als aantonen dat in redelijkheid
niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt
Bewijs maakt een verhaal
meer of minder aannemelijk
364
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
dat aan de verdachte wordt gemaakt. Absolute zekerheid
hoeft er niet te zijn. Wiskundig bewijs waar geen speld is
tussen te krijgen, wordt niet vereist.’5
In dit stuk richten we ons specifiek op een onderdeel van die sprong, namelijk tussen forensisch bewijs
en strafrechtelijke beslissing. Dit is een urgent onderwerp door enerzijds snelle forensische ontwikkelingen,
en door anderzijds onderkenning van psychologische
moeilijkheden bij interpretatie van bewijs (par. 2). De
door ons aangedragen bijdrage aan de oplossing – toepassing van rationele besliskunde, par. 3 – is een methode om hierin systematisch te redeneren.6 Daarmee sluiten we aan bij recente pleidooien om ‘een praktisch
geschikt algemeen denkraam voor strafrechtelijk bewijzen’ te ontwikkelen (formulering van Lonneke Stevens
en Henry Prakken).7
In 2014 hebben we de toegevoegde waarde van rationele besliskunde empirisch onderzocht onder 51 beslissers van rechterlijke macht en Openbaar Ministerie. Uit
dat onderzoek blijken daarvoor aanwijzingen (par. 4). We
sluiten af met een conclusie en vooral vragen (par. 5).
2. Waarom is dit een urgent onderwerp?
Allereerst ontwikkelt de forensische wetenschap zich snel.
We schetsen een paar ontwikkelingen.
Voor een aantal vakgebieden neemt door de technologische vooruitgang de precisie van forensische uitspraken toe. Zo werden uitspraken over glasdeeltjes veel preciezer door de introductie van laser-spectrometers en
speciale röntgenapparatuur.8 Echter, naarmate er foren-
De forensische rapportage bevat cijfers over de bewijskracht, en de
beslissers verwerken die informatie op intuïtieve wijze in hun beslissing
sisch meer mogelijk is, wordt pregnanter de vraag of er
grenzen zijn aan wat de rechtspraak zal vragen aan
bewijskracht. Stel, we vragen ons af wie de bron is van
een DNA-spoor en verdachte zwijgt. Stel vervolgens dat de
kans op een willekeurige match groter is dan de gebruikelijke 0,00000001%, de ‘1 op de 1 miljard’ van de hoogste
waarschijnlijkheid van het NFI. Wordt het dan een vrijspraak vanwege de hogere willekeurige matchkans? Of is
een lagere bewijskracht ook voldoende?
In de vorige alinea ging het om forensisch onderzoek op het zogeheten bronniveau; vooral gericht op de
vraag wie of wat het spoor heeft veroorzaakt. Echter, er
zijn ook ontwikkelingen die andere informatie geven,
namelijk over hoe een spoor is ontstaan. Overeenkomsten tussen een vingerspoor aangetroffen op een plaats
delict en een vingerafdruk van verdachte kunnen sterk
bewijs zijn voor de hypothese dat de verdachte de donor
is van het spoor. Deze informatie is echter minder relevant als de verdachte niet betwist dat hij het vingerspoor
heeft achtergelaten, maar aangeeft dat het door een
onschuldige handeling is gebeurd. Onderzoek dat onderscheid kan maken tussen verschillende handelingen
waarmee een spoor kan worden achtergelaten, zou dan
relevanter zijn. In dat geval zal de forensische rapportage
idealiter iets zeggen over de bewijskracht van het vinden
van een vingerspoor van verdachte gegeven hypothese 1
(van het Openbaar Ministerie) dat het op de plaats delict
is gekomen door de criminele handeling, en gegeven
hypothese 2 (van de verdediging) dat het spoor is ontstaan door de onschuldige handeling. Het zal duidelijk
zijn dat de wijze waarop het spoor veroorzaakt is, vaak
relevanter is dan de vraag wie of wat de bron van het
spoor is. Dit type conclusie beantwoordt beter aan de
vraag die in de rechtszaal moet worden beantwoord. Het
forensisch onderzoek dat leidt tot dergelijke conclusies is
veelal minder exact dan dat op bronniveau. Er gaan
immers veel meer factoren een rol spelen, die niet allemaal volledig bekend zijn. Dientengevolge zal er sprake
zijn van meer onzekerheid. Bijvoorbeeld inzake het vergelijkingsmateriaal: hoeveel manieren zijn er om de desbetreffende handelingen te verrichten en wat blijft er
dan over aan vingersporen op welke lokatie? Terwijl er
voor vingersporen hele databanken vol met vergelijkingsmateriaal zijn, is dat er niet het geval voor de hypotheses die gaan over handelingen of activiteiten. Daardoor is de bewijskracht op dit niveau veel minder exact
te berekenen dan op bronniveau.
Weer een andere forensische ontwikkeling is van
vooral wiskundige en statistische aard: hoe kunnen beslissers forensisch bewijs op een verantwoorde manier combineren?9 Wanneer versterken of verzwakken forensische
bevindingen elkaar en wat is het gezamenlijke resultaat?
Wat betekent de combinatie van bewijs voor de strafrechtelijke beslissing?
Deze ontwikkelingen hebben gemeenschappelijk dat
ze tot doel hebben om de waarde van forensische informatie te vergroten met het oog op de strafrechtelijke
beslissing. Maar, wat kunnen juristen eigenlijk met die
informatie? Kunnen zij die wel correct toepassen?
In mei 2014 publiceerde het NJB een artikel waarin
werd vergeleken de strafrechtelijke en de forensische
zienswijze bij de waardering van feiten, eigenlijk een
onderdeel van de sprong van bewijs naar beslissing.10 Conclusie was dat deze zienswijzen verschillen, maar dat de
kloof daartussen overbrugbaar is. In de praktijk blijkt het
echter moeilijk om de sprong verantwoord te maken,
zeker als er forensisch bewijs gecombineerd moet worden.
Een voorbeeld is het experiment van Van Dijk en
Sonnemans in 2009 voor de Raad voor de rechtspraak.11
Zij lieten 216 studenten en RAIO’s (rechterlijke ambtenaren in opleiding) beslissen over 30 cases. De proefpersonen moesten beslissen ‘schuldig’ of ‘onschuldig’ en bij
een juiste beslissing verdienden ze een euro per casus.
Maar ze mochten ook tegen een prijs van 10 cent per
bewijsstuk extra bewijs onder ogen krijgen, alvorens te
beslissen. De beste beslissing was ‘schuldig’ als ze de
Auteurs
ment and decision making, Cambridge,
bewijs in strafzaken, 2011. En: Y. Buruma,
8. A.C. van Asten, ‘On the added value of
1. Mr. J.M. Bonnes is officier van justitie. Dit
England: Cambridge University Press 2000,
‘Betrouwbaar bewijs’, Delikt en
forensic science and grand innovation chal-
artikel bevat resultaten van een masterscrip-
p. 212-228; H.F.M. Crombag, P.J. van Kop-
Delinkwent, 2009, p. 303-324.
lenges for the forensic community’, Science
tie Methoden en Technieken (Psychologie),
pen & W.A. Wagenaar, ‘De waarde van
5. G.J.M. Corstens, (2008), Het Nederlands
& Justice, 2014/54, p. 170-179, p. 173-
begeleid door o.a. Matthijs Warrens (Uni-
bewijs’, in: P.J. van Koppen, H. Merckel-
strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2008,
174.
versiteit Leiden). Dit artikel is geschreven op
bach, M. Jelicic & J.W. de Keijser (eds),
p. 664.
9. Van Asten, a.w., p. 175 (Grand Challen-
persoonlijke titel. Dr. P. Vergeer is weten-
Reizen met mijn rechter, Deventer: Kluwer
6. Hoewel niet de enig denkbare methode
ge 4).
schappelijk Onderzoeker Forensische Statis-
2010, p. 335-348.
om dat doel te bereiken, is rationele beslis-
10. B. van den Berg, ‘Een overbrugbare
tiek, Nederlands Forensisch Instituut.
3. O.a. H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen &
kunde is wel de enige die samengaat met
kloof. Een vergelijking van de strafrechtelij-
Dr. R.D. Stoel is teamleider Forensische
W.A. Wagenaar, Dubieuze zaken, De psy-
een waarschijnlijkheidsbenadering.
ke en de forensische zienswijze bij de waar-
Statistiek, Nederlands Forensisch Instituut.
chologie van strafrechtelijk bewijs, Amster-
7. L. Stevens, ‘Bewijs waarderen. Hoe doen
dering van feiten’, NJB 2014/1057, afl. 21,
dam/Antwerpen: Contact uitgeverij 1994,
rechters dat?’, NJB 2014/2056, afl. 40, p.
p. 1420-1426.
Noten
en hun in de voorgaande voetnoot
2842-2850, p. 2842. Zie ook H. Prakken,
11. F. van Dijk & J. Sonnemans, ‘Kansreke-
2. R. Hastie & N. Pennington, ‘Explanation-
genoemde publicatie.
‘Strafrechtelijk bewijzen: met Bayes of met
ning en strafrechtspraak: fouten bij beslis-
based decision making’, in: T. Connolly,
4. Bijv. Y. Buruma, De geleerde en de rech-
verhalen? Of is er een derde weg?’, Exper-
sen onder onzekerheid’, Rechtstreeks,
H.R. Arkes & K.R. Hammond (eds), Judg-
ter: over het leveren van wetenschappelijk
tise en Recht, 2014, p. 4-19.
2009/4, p. 7-47.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
365
Wetenschap
Calculated jump © Rob Colvin/ImageZoo/Corbis
kans op schuld minimaal 80% achtten. Deze kans was
weliswaar objectief berekenbaar door de gegeven informatie (gegeven werd de a priori kans op schuld en de
bewijskracht van de door de proefpersoon gevraagde
extra bewijsmiddelen), maar om vandaaruit uit het
hoofd te bepalen of de bewijsdrempel boven de 80%
komt, was in de praktijk nauwelijks mogelijk. Het experiment bootst dus na wat er in de strafrechtspraktijk
gebeurt: de forensische rapportage bevat cijfers over de
bewijskracht, en de beslissers verwerken die informatie
op intuïtieve wijze in hun beslissing. 53% van de proefpersonen stopte te snel met het zoeken naar extra
bewijs, dat wil zeggen, ze stopten voordat ze op de objectief berekenbare 80% kans op schuld zaten. In 26% van
die gevallen van te snel stoppen, werd een onterechte
‘veroordeling’ uitgesproken. Dat was veel minder (nl. 5%)
voor de gevallen waarin de juiste hoeveelheid bewijs was
gezocht. In meer dan de helft van de zaken werd dus op
niet rationele wijze beslist, en de consequenties van te
366
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
snel beslissen waren duidelijk in het nadeel van de ‘verdachten’. Van Dijk en Sonnemans hebben niet uitgebreid
onderzocht wat de oorzaak hiervan was, maar duidelijk is
dát er niet rationeel werd beslist.
3. Rationele besliskunde
Juridisch beslissen in een strafrechtelijk onderzoek, dat
wil zeggen om een verdachte wel of niet te veroordelen,
om nader onderzoek uit te zetten, om te vervolgen, enz., is
een bijzondere vorm van beslissen. Psychologisch bezien
is dit een mentale activiteit. Sinds de jaren zeventig van
de vorige eeuw weten we dat mentale activiteiten worden
beïnvloed door tal van irrationele factoren zoals verkeerde
kansinschattingen, (niet bewuste) vooronderstellingen en
mentale vermoeidheid.12 Toepassing van rationele besliskunde kan tegenwicht bieden aan menselijke irrationaliteit. Rationele besliskunde is inmiddels ingeburgerd op tal
van terreinen zoals de economie, de bedrijfskunde en de
medische wetenschap.13
De rationele besliskunde werkt uit welke elementen
nodig zijn om rationeel, dat wil zeggen: coherent, te
beslissen.14 Natuurlijk is het mogelijk om van de rationele besliskunde af te wijken als de beslisser een niet-pluisgevoel krijgt bij de theoretisch beste beslissing. Dat is
irrationeel, maar niet illegitiem. Wel worden daardoor de
subjectieve elementen in de uiteindelijke beslissing
expliciet. Daarvan kan het systeem leren. Immers, wat is
dat niet-pluis-gevoel dan, en wat kunnen anderen daarvan leren?
Volgens de rationele besliskunde zijn twee elementen in ieder geval nodig om een beslissing te kunnen
nemen: 1. de bewijsgrens en 2. de kans op schuld. De verbinding tussen de twee is, dat als de kans op schuld15 groter is dan de bewijsgrens, de beslissing met uitkomst ‘A’
wordt genomen; is die kans kleiner, dan wordt de beslissing met uitkomst ‘niet-A’ genomen. Dit laat zich toepassen op alle ‘voldoende/niet voldoende’ bewijsbeslissingen
in het strafrecht. Bijvoorbeeld ‘wettig en overtuigend
bewezen/niet bewezen’ (uiteindelijke bewijsvraag, artikel
350 Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv), ‘verdenking/
onvoldoende verdenking’ (artikel 27 Sv, bewijscriterium
verdenking) en ‘wel/niet ernstige bezwaren’ (artikel 67 Sv,
bewijscriterium voorlopige hechtenis).
In het hiernavolgende worden deze twee elementen
kwantitatief uitgewerkt. De wat minder kwantitatief ingestelde lezer kan dit stuk overslaan en zich beperken tot
par. 5, conclusie en vragen.
3.1. Het eerste element: de bewijsgrens
Om de kans op schuld te kunnen vergelijken met de
bewijsgrens, is het nodig om de bewijsgrens te kwantificeren. Er zijn twee hoofdmethoden om dat te doen: een
directe en een indirecte methode.
In de directe methode bepaalt de beslisser boven welke kans op schuld hij tot uitkomst ‘A’ (bijv. ‘wettig en overtuigend bewezen’) besluit. De bewijsgrens kan per beslisser
verschillen, en kan ook per delict verschillend zijn. Natuurlijk moet uit oogpunt van coherentie – of rechtsgelijkheid – per beslisser de bewijsgrens wél gelijk zijn voor verschillende verdachten. Als voorbeeld de volgende
bewijsgrenzen die zijn genoemd als invulling van ‘beyond
reasonable doubt’:16
Tabel 1
Voorbeelden van bewijsgrenzen voor verschillende
delicten: Amerikaans onderzoek uit 1971
Gemiddelde:
Rechters
Juryleden
Studenten
Moord/doodslag
(murder)
92%
86%
93%
Gewelddadige
verkrachting
(forcible rape)
91%
75%
89%
Overval (burglary)
89%
79%
86%
Mishandeling/
aanranding
(assault)
88%
75%
85%
Geringe diefstal
(petty larceny)
87%
74%
82%
Intuïtief is goed aan te voelen dat de bewijsgrens voor
lichte delicten lager kan zijn dan voor zware, maar waarom dat zo is, is nog lastig te beredeneren. Beredeneerd
kan worden dat in de bewijsgrens voor een bepaald
delict ook sociale waarden verankerd zijn, die specifiek
zijn voor dát delict.17 Namelijk de waarden om enerzijds
zo min mogelijk verkeerde beslissingen te nemen, en
anderzijds zo veel mogelijk correcte beslissingen te
nemen. Een onterechte veroordeling wegens moord heeft
een zwaardere sociale waarde dan een onterechte veroordeling wegens onverzekerd rijden. Dat zit zowel in de
ernst van het feit, als in de aan veroordeling verbonden
consequenties.
De rationele beslistheorie erkent die sociale waarden,
door gewichten (‘utiliteiten’) toe te laten kennen aan de
vier mogelijke uitkomsten van de beslissing, dus aan a.
een incorrecte veroordeling, b. een incorrecte vrijspraak, c.
een correcte veroordeling en d. een correcte vrijspraak. Ter
illustratie stellen we mogelijke utiliteiten voor in een zaak
betreffende verwurging (poging doodslag). Beslisser I waardeert deze als volgt.
Tabel 2
Utiliteiten beslisser I in zaak betreffende poging
doodslag (verwurging)
Verdachte in
werkelijkheid
niet de dader
Verdachte in
werkelijkheid
wel de dader
Beslissing: schuldig
1000 (hierna: )
1
(hierna: )
Beslissing: niet
schuldig
1
10
(hierna: )
Toepassing van rationele
besliskunde kan tegenwicht
bieden aan menselijke
irrationaliteit
(hierna: )
12. Bijv. D. Kahnemann & A. Tversky, ‘On
Arkes, K.R. Hammond (eds), Judgment and
uitsluitingsgronden en functioneel dader-
social policy. Irreducible uncertainty, inevi-
the psychology of prediction’, Psychological
decision making, Cambridge, England:
schap e.d. buiten beschouwing gelaten).
table error, unavoidable injustice, New
Review, 1973/80, p. 237-251; S. Danziger,
Cambridge University Press 2000.
16. R.J. Simon & L. Mahan, ‘Quantifying
York: Oxford University Press 1996, p. 30.
J. Levav & L. Avnaim-Pesso, ‘Extraneous
14. D.V. Lindley, Making decisions, Chichester,
burdens of proof: “A view from the bench,
factors in judicial decisions’, PNAS,
England: John Wiley & Sons 1985, p. 3, 21-22.
the jury and the classroom”’, Law and
2011/17, p. 6889-6892.
15. In de zin van reëel daderschap (juridische
Society Review, 1971, p. 319-330.
13. Voorbeelden uit: T. Connolly, H.R.
noties als rechtvaardigingsgronden, schuld-
17. K.R. Hammond, Human judgment and
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
367
Wetenschap
Beslisser I vindt een onterechte veroordeling 100
keer zo onwenselijk als een onterechte vrijspraak ( is 100
keer groter dan ). De overige uitkomsten ( en ) vindt hij
minder belangrijk en veel minder belangrijk dan het vermijden van fouten. Andere beslissers kunnen andere utiliteiten hanteren. Beslisser II vindt het bestraffen van
schuldigen zeer zwaar wegen: hij verhoogt de waarde in
de rechterbovenhoek ( ) naar bijvoorbeeld 500. Beslisser
III zouden we ‘Justice Blackstone’ (1723-1780) kunnen noemen. Dat is de fameuze rechter van de al even fameuze
10-tegen-1-regel, zoals geciteerd door het US Supreme
Court: ‘the law holds that it is better that ten guilty persons escape than that one innocent suffer’.18 Zo goed
mogelijk vertaald naar utiliteiten: = 10, = 1, en = 0.19
Via de gewichten voor de vier utiliteiten wordt dus
per beslisser het belang van de uitkomst verdisconteerd.
Dan is volgens de rationele beslistheorie díe beslissing
optimaal, die de hoogste verwachte utiliteit heeft. Wiskundig is af te leiden dat de beslissing met de hoogste
verwachte utiliteit ‘A’ (bijvoorbeeld ‘wettig en overtuigend bewezen’) is, als de kans op schuld groter is dan
( + ) / ( + + + ). In dit geval voor beslisser I dus als
de kans op schuld groter is dan (1000 + 1) / (1000 + 1 +
10 + 1) = 0,9891. Met andere woorden: beslisser I wil
minimaal 98,91% zeker zijn dat de verdachte schuldig is,
alvorens te veroordelen; eronder zal hij vrijspreken. Voor
beslisser II is het getal van de bewijsgrens 0,6625, ofwel
een minimale kans op schuld van 66,25% voor veroordeling. Beslisser III, ‘Justice Blackstone’, hanteert volgens
dezelfde rekenmethode een kans op schuld van minimaal 90,90% voor veroordeling.
Deze tweede methode, die van het toekennen van utiliteiten aan de vier mogelijke uitkomsten van de beslissing, is de belangrijkste indirecte methode voor het bepalen van de bewijsgrens. Uit onderzoek blijkt dat de exacte
hoogte van bewijsgrenzen verschilt naargelang de gevolgde directe of indirecte methode,20 en dat binnen één
methode de uitkomsten kunnen verschillen naargelang de
formulering van de vraag (in termen van verliezen of juist
van opbrengsten), of de vraag op papier of per computer
wordt gesteld, de training van de beslisser, enz.21 Kortom,
een ‘objectief juiste’ bewijsgrens bestaat niet, en de bewijsgrens is lastig vast te stellen. Toch hanteert iedereen een
(impliciete) bewijsgrens, anders is het simpelweg niet
mogelijk om te beslissen. Explicitering maakt communicatie hierover mogelijk.
3.2. Het tweede element: de kans op schuld in dit
individuele geval
De waarde van forensisch bewijs in een concreet geval is
altijd relatief ten opzichte van de voorafgaande kans dat
iemand werkelijk de dader kan zijn: de a priori kans op
Het kwantificeren van een a priori kans
op schuld lijkt snel te botsen met de
juridische notie dat ieder ‘onschuldig is
tot het tegendeel is bewezen’
368
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
schuld. Stel dat er krachtig bewijs is dat wijst naar een
bepaalde persoon, zoals diens DNA op de plaats delict. Dit
leidt echter tot geen enkele aanwijzing voor schuld als vaststaat dat deze persoon het feit niet gepleegd kán hebben,
bijvoorbeeld omdat hij ten tijde van het feit al was overleden. Het Bayesiaanse model voor de interpretatie van bewijs
erkent deze relativiteit van bewijswaarde. Voor een berekening van de uiteindelijke kans op schuld moet ook de
a priori kans op schuld worden bepaald. Vervolgens wordt
die a priori kans op schuld ge-updated door de bewijskracht
van het forensisch bewijs in acht te nemen. Op de bepaling
van de a priori kans op schuld, gaan we nu eerst in.
3.2a. Bepaling van de a priori kans op schuld
Net als de bewijsgrens is ook de bepaling van de a priori
kans op schuld een kwestie van individuele waardering per
beslisser. In uitzonderlijke gevallen kan die kans meer
objectief bepaald worden, bijvoorbeeld in een ‘closedroom’-situatie.
Uit de Amerikaanse literatuur komt het volgende
voorbeeld. De bestuurder van een auto had een verkeersfout gemaakt, maar wie de bestuurder was, was onduidelijk.
De auto had namelijk twee inzittenden die er beiden uit
waren geslingerd. Eén was hierdoor overleden, maar de
overlevende beschuldigde de dode. De onderzoekers stelden
de a priori kans op schuld (bestuurder zijn) van elk van de
twee inzittenden op 50%. Ze updaten vervolgens die kans
op basis van forensisch-medisch bewijs zoals brandwonden
en andere letsels, en kwamen tot de conclusie dat de a posteriori kans op schuld (bestuurder zijn) van de overlevende
man 95% was. Het forensisch bewijs was namelijk aannemelijker onder de hypothese dat hij de bestuurder was
geweest, dan onder de hypothese dat dat niet zo was.22
Zo’n klassieke ‘closed-room’-situatie doet zich natuurlijk niet zo vaak voor. Veel vaker is de kring van de mogelijke verdachten onbepaald in omvang. En los daarvan lijkt
het kwantificeren van een a priori kans op schuld snel te
botsen met de juridische notie dat ieder ‘onschuldig is tot
het tegendeel is bewezen’. Als een rechter, voorafgaand aan
de behandeling op zitting, op basis van lezing van het dossier zou stellen dat hij de a priori kans op schuld van de
verdachte 80% acht, zou dat vast grond voor wraking zijn.
De verdediging zal altijd – en terecht – stellen dat die
a priori kans tot aan de veroordeling 0% moet zijn. Maar
logica en psychologie vereisen een andere insteek. Zo zal
iedereen erkennen dat de a priori kans op schuld een volgens Sv oplopend criterium kent, namelijk van ‘verdenking’ (het laagste criterium), via ‘ernstige bezwaren’ naar
‘wettig en overtuigend bewezen’. Het kan dus niet in alle
fasen 0% zijn. Kwantificering hiervan in het strafrecht is
echter nog grotendeels onbekend terrein.23
3.2b. Updaten van de a priori kans op schuld door middel
van forensisch bewijs
Conform het Bayesiaanse model zal de beslisser, zodra
deze een a priori kans op schuld heeft vastgesteld, die kans
updaten door het forensisch bewijs in aanmerking te
nemen. Als de bewijsmiddelen onafhankelijk van elkaar
zijn kan vervolgens opnieuw worden ge-updated: de a posteriori kans van de vorige berekening wordt de nieuwe a
priori kans voor de volgende. Ook voor niet-onafhankelijke
bewijsmiddelen is een oplossing, waar we hier niet op
ingaan.24 Zodoende zal uiteindelijk de bewijsgrens al dan
niet overschreden worden. Dat kan in belastende, maar
ook in ontlastende zin: door een nieuw bewijsmiddel kan
het bewijs onder de bewijsgrens zakken.
Op deze manier valt forensisch bewijs te combineren
met ander bewijs van al dan niet forensische aard, zonder
dat er een minimum vereist is aan precisie van het forensisch bewijs. Het minimum aan precisie wordt op onafhankelijke bewijze gedefinieerd door de beslisgrens. Ook
een rapportage met een veel lagere bewijskracht dan ‘1 op
1 miljard’, zoals in veel rapportages het geval is, draagt
dan op coherente wijze bij aan het totaal-oordeel.
3.3. Integratie van de twee elementen: het nemen van
de beslissing
Ter illustratie passen we de redenering toe op een willekeurig gekozen uitspraak van een rechtbank uit 2006.25
Hierbij gaan we uitsluitend af op de inhoud van het gepubliceerde vonnis: we hebben geen enkel inzicht in het dossier gehad, noch contact gehad met de betrokkenen.
Het ging om een doodslag (verwurging) uit 1997.
Laten we hypothetisch aannemen dat de rechters in die
zaak hun bewijsgrens hadden gesteld op 99,95%: was de
kans op schuld groter of gelijk, dan zouden ze veroordelen,
was die kans kleiner, dan zouden ze vrijspreken. In woorden betekent dit dat als de rechters 2000 strafzaken wegens
doodslag zouden beoordelen, ze het acceptabel zouden vinden als hier naar verwachting 1 onschuldige tussen zat (in
de periode 1992-2001 stonden in heel Nederland zo’n 250
moord/doodslagverdachten per jaar voor de rechter).26
De a priori kans op schuld, dat wil zeggen: de kans
op schuld voorafgaand aan het in aanmerking nemen
van het forensisch bewijs, werd in deze casus bepaald
door het volgende:
– Het slachtoffer, een prostituée, was bang voor iemand,
maar niet duidelijk is voor wie. Mogelijk voor verdachte,
mogelijk voor iemand anders.
– Verdachte had een andere moord bekend. In die verklaring had hij ook een verwurging van een prostituée
geïntroduceerd, zij het een vrouw met een andere naam
dan het slachtoffer. Daar staat weer tegenover dat het
slachtoffer volgens het Openbaar Ministerie de enige
prostituée was die destijds in Groningen was gedood.
– Verdachte verklaarde dat hij op de betrokken lokatie
was geweest en dat, als zijn schaamhaar op het lichaam
van het slachtoffer was aangetroffen, dat moet zijn veroorzaakt doordat hij op die lokatie seks met anderen
had. Die andere personen weerspreken dat. Echter, om
juridische redenen kan de verklaring van verdachte
hierover niet tot het bewijs meewegen.
– De stelling van het Openbaar Ministerie dat andere
potentiële verdachten door het onderzoek als dader
waren uitgesloten, kan volgens de rechtbank niet tot
bewijs dienen omdat het altijd mogelijk is dat er andere
daders zijn.
Het is interessant om nu als lezer zelf te bepalen
hoe hoog ú op basis van deze gegevens de a priori kans
op schuld van deze verdachte inschat (bijvoorbeeld 20%,
50% of 90%).
Er was forensisch bewijs in deze zaak, zijnde het
mitochondriaal DNA-onderzoek van een op het lichaam
aangetroffen haar. Om het voorbeeld eenvoudig te houden, stellen we nu dat als deze haar zou matchen met verdachte, dat wijst op diens schuld volgens een eenvoudige
update-berekening. Inderdaad matchte de haar met verdachte, maar er was een willekeurige match-kans van 3 à 4
op de 1000. Uitgaande van het voor verdachte gunstigste
getal van de a priori kans op schuld, valt uit te rekenen dat
dan de a posteriori kans op schuld wordt 98,43% (bij een a
priori kans op schuld van 20%), 99,60% (was a priori 50%)
of 99,96% (was 90%). Alleen in het laatste geval overschrijdt het bewijs dus de hierboven gestelde bewijsgrens
van 99,95%.
In dit geval heeft de rechtbank vrijgesproken. Dat
valt te begrijpen door te reflecteren op de gewenste
bewijsgrens in een geval als dit, en op de a priori kans op
schuld, zoals die uit het bewijs voortvloeit. Wij menen dat
dit voorbeeld goed illustreert wat de waarde kan zijn van
de rationele beslistheorie in het strafrecht: het kan helpen
om het kwantiatieve forensische bewijs op een coherente
wijze in verband te brengen met het feit en met het overige bewijs.
De rationele besliskunde kan niet alleen ondersteunen bij de
beslissing of is voldaan aan een bewijsgrens, maar ook bij
beslissingen die daaraan raken. Bijvoorbeeld om al dan niet
nieuw bewijs te gaan verzamelen. Als, gegeven de door deze
beslisser vereiste bewijsgrens, en gegeven de door hem aangenomen a priori kans op schuld, nieuw bewijs niet de
bewijsgrens kan passeren in hetzij belastende, hetzij ontlastende zin, dan heeft forensisch onderzoek aan het nieuwe
bewijs geen zin. Het zal de bewijsbeslissing immers niet
anders maken. Maar anderzijds, als het forensisch onderzoek
de bewijsgrens kan laten overschrijden in belastende óf ont-
18. Coffin vs. United States (156 U.S. 432,
the difference between time trade-off utili-
Forensic and Legal Medicine, 2009/16,
recht is beproefd door P.E.M. Huygen,
455 & 456 (1895)). Zie ook www.law.ucla.
ties and standard gamble utilities’, Health
p. 83-92.
‘Bayesian Belief Networks’ voor redeneren
edu/volokh/guilty.htm.
Economics, 11, p. 447-456; L.A. Lenert,
23. Prakken, a.w., p. 17, noemt dit als
over juridische bewijsvoering, in: W. H. van
19. Strikt logisch en wiskundig past de
C.D. Sherbourne & V. Reyna, Utility elicita-
voorbeeld van integratie van de ‘verhaal’-
Boom & M J. Borgers (eds), De rekenende
uitspraak van Justice Blackstone niet hele-
tion using single-item questions compared
benadering en de Bayesiaanse statistiek,
rechter, Van ‘Iudex Non Calculat’ naar
maal in het schema van utiliteiten. Als we
with a computerized interview. Utility
maar stelt tevens dat nog veel onderzoek
actieve cijferaar? Den Haag, Netherlands:
deze tóch in dat schema duwen, dan is dit
assessment and patient preferences, http://
nodig is.
Boom Juridische uitgevers 2004.
de beste vertaling.
mdmsaepub.com at RAND LIBRARY, 11
24. Namelijk Bayesiaanse netwerken. Zie
25. ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5012.
20. M.K. Dhami, ‘On Measuring Quantita-
september 2007.
uitgebreid F. Taroni, C. Aitken, P. Garbolino
26. P. Nieuwbeerta & G. Leistra, ‘Moord en
tive Interpretations of Reasonable Doubt’,
22. M.D. Freeman, A. Rossignol & M.L.
& A. Biedermann, Bayesian Networks and
doodslag in Nederland, Een overzicht van
Journal of Experimental Psychology:
Hand, ‘Applied forensic epidemiology: The
Probabilistic Inference in Forensic Science,
alle zaken in de periode 1992–2001’, Tijd-
Applied, 2008, 14(4), p. 353-363.
Bayesian evaluation of forensic evidence in
Chichester, England: John Wiley & Sons
schrift voor Veiligheid en Veiligheidszorg,
21. H. Bleichrodt, ‘A new explanation for
vehicular homicide investigation’, Journal of
2006. Een toepassing voor het Nederlands
2003, 2(3), p. 36–57.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
369
Wetenschap
De rationele besliskunde kan niet alleen ondersteunen bij de
beslissing of is voldaan aan een bewijsgrens, maar ook bij
beslissingen die daaraan raken
lastende zin, dan is uit oogpunt van waarheidsvinding de
beste beslissing om het wel te laten onderzoeken. En zo zijn
we terug bij het experiment van Van Dijk en Sonnemans: de
beslissing om nieuw bewijs te verzamelen én de beslissing
om al dan niet te ‘veroordelen’ zouden kunnen worden verbeterd door toepassing van rationele besliskunde.
4. Elementen van rationele besliskunde in
een experiment
4.1. Design en methode
In het voorjaar en de zomer van 2014 verspreidde de eerste auteur onder Nederlandse zittende en staande magistratuur en ondersteunend personeel (rechters, officieren,
griffiers en parketsecretarissen) 241 vragenlijsten, waarvan er 51 (21%) ingevuld terugkwamen. Deelnemers werden geworven via enkele SSR-cursussen of per mail of
schriftelijk van de rechtbank en/of parket Amsterdam en
Rotterdam. 19 personen (37,3%) waren afkomstig van de
zittende magistratuur, 30 (58,8%) van de staande, en
2 (3,9%) personen hadden een andere betrokkenheid.
De gemiddelde werkervaringstijd met het nemen van dit
type beslissingen was 11,5 jaar. De resultaten verschilden
niet significant onder de verschillende groepen. Wij gaan
er van uit dat dit een representatieve steekproef van strafrechtelijke beslissers is geweest. De vragenlijsten zijn anoniem afgenomen en anoniem verwerkt.
De deelnemers werden willekeurig ingedeeld in twee
groepen, waarin het forensisch bewijs een sterke of een
zwakke bewijskracht had (DNA-bewijs respectievelijk
camera-bewijs), en daarbinnen in een experimentele
groep of een controlegroep.
Tabel 3
Aantal deelnemers in groepen: experiment x bewijskracht
Controlegroep
DNA
Camera
Totaal
13
11
24
Experimentele groep
10
17
27
Totaal
23
28
51
Alle deelnemers kregen een casus over een ernstig
feit (poging doodslag op de ex-echtgenote van de verdachte) waarvoor veel indirect maar geen direct bewijs was.
Vervolgens moesten zij beslissen om al dan niet een extra
bewijsstuk forensisch te laten onderzoeken. De beslissing
moest op twee momenten worden genomen: vlak voor de
eerste inhoudelijke zitting die daardoor uitgesteld zou
moeten worden (tijdstip 1) en vlak voor de tweede inhoudelijke zitting die daardoor opnieuw uitgesteld zou moeten worden (tijdstip 2). Bij DNA ging het om onderzoek op
een ketting (tijdstip 1) en op nagelvuil (tijdstip 2). Bij de
camerabeelden ging het om onduidelijke beelden van de
370
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
verdachte (tijdstip 1) en van diens auto (tijdstip 2).
De beide experimentele groepen en controlegroepen
verschilden in drie opzichten.
Het eerste verschil was dat de experimentele groepen voorafgaand aan hun beslissingen kozen uit vier
opties utiliteiten, de controlegroepen kregen geen utiliteiten voorgelegd. Deze vraag had de volgende tekst.
Voorafgaand aan uw beslissing wordt u verzocht om,
met deze casus in het achterhoofd, één optie te kiezen
uit de onderstaande opties a-d.
Correcte uitkomst
proces
Incorrecte uitkomst
proces
Belang
van
terechte
veroordeling (verdachte is
de dader)
Belang van
terechte
vrijspraak
(verdachte
is niet de
dader)
Belang van
onterechte
veroordeling
(verdachte
is niet de
dader)
Belang
van onterechte
vrijspraak
10
Optie a
1
1
90
Optie b
1
1
1000
10
Optie c
10
10
90
10
Optie d
10
10
1000
10
Toelichting
Uit onderzoek blijkt dat de bovenstaande getallen passen
bij wat veel mensen vinden; de ene groep mensen vindt
optie a het meest passend bij wat zij vinden, de andere
groep optie b, de derde groep c en de laatste groep d.
Dit betekent bijvoorbeeld in optie b dat een onterechte
veroordeling 100 keer zo erg is als een onterechte vrijspraak. De overige uitkomsten zijn minder belangrijk en
veel minder belangrijk dan het vermijden van fouten.
En bijvoorbeeld in optie c is een onterechte veroordeling 9 keer zo erg als een onterechte vrijspraak. Maar in
deze optie is ook een correcte uitkomst van het proces
belangrijk, namelijk even belangrijk als het vermijden
van een onterechte vrijspraak.
Het tweede verschil was dat de experimentele groepen
moesten aangeven hoe zwaar zij het vinden van ontlastend bewijs wogen voorafgaand aan de door hen te
nemen beslissing, de controlegroepen gaven ná hun
beslissing aan hoe zwaar zij ontlastend bewijs hadden
gewogen. Hiermee werd toepassing van de rationele
besliskunde gesimuleerd.
Het derde verschil was dat de experimentele groepen
getallen kregen aangeboden, de controlegroepen niet. De
experimentele groepen kregen drie getallen, namelijk a. de
bewijsgrens, b. de a priori kans op schuld en c. de bandbreedte van de a posteriori kans op schuld, afhankelijk van de
vraag of er met het forensisch onderzoek belastend of ontlastend bewijs zou worden gevonden. De casus was zó gemodelleerd dat het altijd wenselijk was om het bewijsstuk te
laten onderzoeken, omdat het totale bewijs in hetzij belastende, hetzij ontlastende zin de bewijsgrens kon passeren. De
controlegroepen kregen deze cijfers niet, en moesten dus
intuïtief beslissen, zoals in de normale dagelijkse situatie.
Door deze opzet werd de rationele besliskunde geïntroduceerd op een deelonderwerp, namelijk in de keuze om
al dan niet een bewijsstuk forensisch te laten onderzoeken.
4.2. Resultaten
De deelnemers hadden een sterke voorkeur voor utiliteiten
die ook correcte uitkomsten van het strafproces positief
waarderen. Zij vonden dus niet uitsluitend belangrijk dat
fouten werden voorkomen. Zittende en staande magistratuur verschilden niet significant (t = 0,377, df 24, p = 0,71).
Tabel 4
Onderverdeling utiliteiten x functie (N=26)
Utiliteiten
Rechtspraak
OM
Totaal
Focus op
voorkómen van
fouten
optie (a)
1, 1, 90, 10
0
1
(3,8%)
1
(3,8%)
optie (b)
1, 1, 1000, 10
1
(3,8%)
1
(3,8%)
2
(7,6%)
Meer waardering voor
correct resultaat
optie (c)
10, 10, 90, 10
3
(11,5%)
5
(19,2%)
8
(30,8%)
optie (d) 10,
10, 1000, 10
6
(23,1%)
9
(34,6%)
15
(57,7%)
In grafiekvorm:
De hamvraag van het experiment was of de experimentele groepen anders beslisten dan de controlegroepen.
Dat bleek inderdaad voor één beslissing het geval, namelijk bij DNA-onderzoek op tijdstip 2 (t = -2,502,
df = 20,129, p = 0,011 (eenzijdig)). In die situatie besliste
slechts 46% van de controlegroep tot onderzoek
(SD 0,52), tegen maar liefst 90% van de experimentele
groep (SD 0,32). Bijna 21% van het verschil tussen de
groepen werd verklaard door dit element ( 2 = 0,208).
Omdat de beste beslissing was om het bewijsstuk inderdaad te laten onderzoeken, deed de experimentele groep
het in dit geval beter dan de controlegroep. Voor de
andere beslissingen gold dat er géén significante verschillen tussen de groepen waren.
5. Conclusie en vragen
Rationele besliskunde kan in theorie helpen om
verantwoord te springen van bewijs naar beslissing. Ook
in een experimentele setting bleek dat rationele
besliskunde bepaalde strafrechtelijke beslissingen
kan verbeteren.
Wel is er nog veel onderzoek nodig, bijvoorbeeld
naar de vaststelling van bewijsgrenzen. Wat is hiervoor de
‘beste’ methode, hoe werkt dat dan in de praktijk, wat zijn
juridische aspecten? Principieel is de vraag of we juridisch-filosofisch wel kunnen accepteren om een kwantitatieve bewijsgrens vast te stellen. Hoewel, met Corstens,
kan worden gesteld dat in het strafrecht geen wiskundige
zekerheid nodig is, is het kwantitatief vaststellen van een
bewijsgrens mogelijk een (ethische) stap te ver.27 Hetzelfde geldt voor de kwantificering van de a priori kans op
schuld: dit is nog onontgonnen terrein.
Als deze hobbels al genomen kunnen worden, dan
nog zal toepassing het nodige aan toelichting en onderwijs vergen. Bayesiaanse statistiek is op zichzelf al niet
makkelijk te begrijpen, maar dat geldt te sterker bij combinatie van bewijs, of als bewijs op verschillende niveaus
moet worden beoordeeld (bijvoorbeeld op bron- en activiteitniveau). Anderzijds, ook hier schrijdt de intellectuele en technologische ontwikkeling voort, en is wellicht
door middel van relatief eenvoudige netwerken inzichtelijk te maken hoe de elementen op elkaar inwerken.
Méér informatie is altijd beter dan minder
Ten slotte is niet op voorhand duidelijk voor welk
type beslissingen in het strafrecht de rationele besliskunde nuttig kan zijn. Als de zaak erg duidelijk is, dan voegt
een kwantitatief model niets toe, omdat het bewijs sowieso onder of boven de bewijsgrens ligt. Juist in de moeilijke
gevallen zal de vaststelling van de exacte hoogtes van de
bewijsgrens en van de a priori kans op schuld erg gevoelig
liggen en dus waarschijnlijk vermeden worden.
Toch zien wij nu al mogelijkheden voor situaties
waarin de rationele besliskunde duidelijke voordelen kan
hebben. Te denken valt aan de beslissing van OM, rechtercommissaris of regierechter om bepaald bewijs forensisch
te laten onderzoeken (vergelijk het experiment in par. 4),
of in bepaalde ‘closed-room’-situaties, waarin het aantal
verdachten op voorhand vastligt.
Hoe dan ook, het lijkt in principe verstandig om, als
er forensisch bewijs is, dat ook op een kwantitatieve wijze
in verband te brengen met bewijsgrens en a priori kans
op schuld (beiden wellicht te bepalen binnen een bandbreedte). Méér informatie is altijd beter dan minder. Aldus
hopen we te kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van
‘een praktisch geschikt algemeen denkraam voor strafrechtelijk bewijzen’, zoals voorgesteld door Stevens & Prakken
(zie voetnoot 7).
27. L.H. Tribe, ‘Trial by mathematics: Preci-
Law Review, 1971/84, p. 1329-1393.
sion and ritual in the legal process’. Harvard
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
371
Focus
298
Bayes een brug te ver?
Jaap de Groot1
De eigenlijke inzet van het debat over de toepassing van het theorema van Bayes in de strafrechtpraktijk is de
vraag hoe beoefenaren van het strafrecht, de toedracht van strafzaken kunnen reconstrueren. Die vraag is in
het juridische denken systematisch verwaarloosd en onderbelicht gebleven. Statistische begrippen als
likelihood ratio en a-posteriorikans min of meer gelijk stellen aan juridische begrippen als redengevendheid en
toereikendheid van het bewijs doet geen recht aan het feit dat de laatste twee uiterst buigbare, plastische en
nauwelijks begrensde begrippen zijn die aan de Bayesiaanse getalsmatige discipline ontsnappen. Daardoor is
de praktische toepasbaarheid van de formule van Bayes beperkt. Bovendien sluit de rolverdeling die in
voorbeelden rond de formule van Bayes nogal eens wordt voorondersteld vaak slecht aan bij de
strafrechtelijke werkelijkheid.
A
l enkele jaren worden vertegenwoordigers van het
Openbaar Ministerie en strafrechters gestimuleerd
om zich te bekwamen in het toepassen van het theorema van Bayes bij het bewijs in strafzaken. Dit komt naar
voren in studies als Op Zoek naar de Bron2 of Het Onzekere
Bewijs,3 in publicaties en voorlichting van het NFI, bij cursussen van de SSR en vorig jaar in een artikel in het NJB4 van de
hand van Barbara van den Berg, jurist en wiskundige. De
centrale stelling van haar artikel was dat de begrippen
redengevendheid en toereikendheid van het bewijs uit de
strafrechtelijke woordenschat overeenkomen met de begrippen aannemelijkheidquotirde (of likelihood ratio of diagnostische waarde) en a-posteriorikans. Zij suggereert daarmee
dat het strafrechtelijk denken over bewijs kan worden gevangen in de formule van Bayes. Het is misschien goed om deze
stelling en daarmee de gehele beweging die toepassing van
Bayes propageert eens onder de loep te nemen.
Eerst iets over de formule van Bayes en de reden van
mijn aanvankelijke twijfels rond de stelling van Van den
De stap die de propagandisten van
Bayes voorstellen is om het domein
van de in cijfers gevangen
werkelijkheid te verlaten en de
formule van Bayes toe te passen in
de wereld van associaties en
analogieën, het strafrecht
372
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Berg en haar vele voorgangers alvorens terug te keren
naar het bewijs.
De aard van het theorema van Bayes
Bayes heeft in de 18e eeuw een formule bedacht waarmee
zichtbaar wordt gemaakt hoe ons oordeel over een onzekere situatie of een waarschijnlijkheid verandert onder
invloed van een betrekkelijke zekerheid. Als voorbeeld de
aidstest. Stel dat je wilt weten of je aids hebt. Er zijn
immers situaties waarin een antwoord op die vraag van
groot belang is. Bekend is dat in Nederland minder dan
0,5% van de bevolking aan aids lijdt. Stel nu dat een test
op aids 99% van de mensen met aids aanwijst, en bij mensen die geen aids hebben in 0,01% van de gevallen toch
een (vals-)positief signaal geeft. Als je de test gaat doen
vraag je je natuurlijk af of je bang moet zijn dat je inderdaad aids hebt als de test positief is. De vraag is dus: wat
zegt zo’n test? Bij het begin van de test is de verhouding
tussen de kans op het hebben van aids en het niet hebben
van aids 0,5/99,5 = 5/995 = 1/199. Dit getal is de base-rate
of a-priorikans. Dan doen we de test. De bewijskracht van
de test, de Likelihood ratio (LR) is 99/0,01 = 9900. De uitkomst van de test is dat de kans dat je inderdaad aids
hebt is 1/199 x 9900 = 49,5, dus rond 99%. De zekerheid
omtrent je medische lot is door het doen van de test toegenomen van 0,5% naar 99%.
Het theorema laat dus zien hoe de aanvankelijke
inschatting van de kans op een bepaalde situatie verandert als een test, een onderzoeksmiddel, wordt toegepast. De formule laat ook zien dat de toename van
zekerheid afhankelijk is van de mate van zekerheid die
het instrument, de test of de meting biedt. Van belang
is op te merken dat het zowel bij de schatting van de
a-priorikans als van de LR gaat om statistische, dus cijfermatige, gegevens.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw is dit inzicht
van Bayes afgestoft en een rol gaan spelen in het beschrijven van uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek naar
DNA; ook daarbij gaat het om cijfermatige kwesties. De
stap die de propagandisten van Bayes voorstellen is om
het domein van de in cijfers gevangen werkelijkheid te
verlaten en de formule van Bayes toe te passen in de
wereld van associaties en analogieën, het strafrecht. In die
wereld is de a-priorikans vaak geen getal meer dat op
grond van telling en statistisch onderzoek naar voren
komt, maar een geheel of ten dele subjectieve inschatting.
Geen telling meer van mensen met aids en mensen zonder maar een nauwelijks onderbouwde schatting van het
aantal wellicht in aanmerking komende verdachten.
Als voorbeeld noem ik de bloeddruppel op een scherf
van een bij een inbraak ingeslagen ruit. Het heeft er alle
schijn van dat de inbraak is gepleegd door een veelpleger.
Daarvan zijn er in de betrokken regio misschien een duizendtal. De a-priorikans dat de politie binnen die populatie
de dader aantreft is dus 1 op 1000. Uit de bloeddruppel
komt een DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van
X. Het profiel is maximaal zeldzaam: de match-kans bij een
willekeurige man is dus veel kleiner dan 1 op 1 miljard.5
Dit getal moet door 1000 worden gedeeld om de a-posteriori-kans te berekenen dat X de dader is.
In dit voorbeeld is de a-priorikans een mengsel van
verschijnselen op de plaats van het delict en big data. Als
die verschijnselen nu eens geen aanwijzingen geven voor
de groep waarbinnen de dader gezocht moet worden, en
we de relevante populatie dus moeten uitbreiden naar alle
mannelijke inwoners van West-Europa tussen 15 en 35
jaar? Dan moet de RMP (kleiner dan 1 op 1 miljard) worden gedeeld door een veel groter getal dan 1000 dat
eigenlijk niet te bepalen is omdat elke begrenzing willekeurig is: waarom geen 36 jaar? Waarom geen bejaarde?
Waarom niet afkomstig uit Wit-Rusland?
Het NFI geeft als voorbeeld een boot met tien opvarenden6 en een kapitein. Een van de opvarenden vermoordt de kapitein. Er zijn dus maar tien mogelijke verdachten, de a-priorikans is bekend: 0,1. Het DNA-profiel
van zeeman X matcht met het DNA-profiel uit het spoor
dat op de vermoorde kapitein is gevonden. Het DNA-profiel kan in deze zeemanzaak een beslissende rol spelen bij
de vraag wie de dader is. Bij de databankmatch daarentegen is de a-priorikans vaak niet te bepalen en komen we
dus niet toe aan de a-posteriorikans. Hier zit een eerste
twijfel aan de bruikbaarheid van het theorema van Bayes.
Op dit vlak ligt een tweede punt: als X, wiens profiel
uit de databank komt bovendrijven, achteraf niet deel
blijkt uit te maken van de populatie veelplegers die aan
de basis van de a-priorikans lag, maar een baldadige
corpsstudent blijkt te zijn, wat is dan het gevolg voor het
bewijs volgens de Baysiaanse doctrine?
De formule van Bayes gaat niet over bewijs maar over
de invloed van een zekerheid in een onzekere situatie. Toch
is het goed om eerst eens over bewijs na te denken.
Bewering en Bewijs
Wat is strafrechtelijk bewijs eigenlijk? Wat doen strafrechtbeoefenaren als ze iets bewijzen? Volgens mij gaat
het bij bewijs om de steun voor een bewering. Ik zal een
reeks bewijskwesties opsommen die overigens ten dele
heel goed passen in de Bayesiaanse doctrine.
Wat doen strafrechtbeoefenaren als
ze iets bewijzen?
1) een vrouw verlaat de Bijenkorf; ze komt bij de poortjes
en ziet dat een verkoopster bij de beveiligingsmedewerker staat en haar aanwijst. Dan gaat het poortje af en ja
hoor, de beveiligingsmedewerker vindt een paar niet
afgerekende sokken.
2) een man verlaat de Bijenkorf; op het moment dat hij
door de draaideur wil gaan wordt hij vastgepakt door
een agent die een huilende dame bij zich heeft; ze
roept ‘vuilak’ en beschuldigt hem van aanranding. Volgens haar keek hij door het gordijn van de paskamer.
3) een man verlaat de Bijenkorf; op het moment dat hij
door de draaideur wil gaan wordt hij vastgepakt door
een agent die een boos kijkende dame bij zich heeft en
een huilend meisje van ongeveer tien jaar; de dame sist
tegen de man: ‘pedo, dat zag ik nou net’. Hij zou door
het gordijn hebben gegluurd toen haar dochter in de
paskamer bezig was.
4) de werknemer van een benzinepomp aan de snelweg
bij het Drielandenpunt ontdekt ’s morgens om zes uur
dat die nacht een ruit is ingegooid. De inhoud van de
sigarettenautomaat en veel snoep zijn verdwenen. De
politie vindt op een scherf op de grond vlak achter het
raam een bloedvlek. Nadat uit het bloed een DNA-profiel is verkregen wordt dit door de DNA-databank van
het NFI en van de Belgische en Duitse tegenhangers
gehaald. Het profiel matcht met het DNA-profiel van X,
de zeldzaamheid is maximaal. X woont in Eijsden.
5) In een binnentuin in de Stadionbuurt in Amsterdam
klinkt in de doodstille nacht de angstige stem van een
bewoner: ‘Dieven’. Overal gaan lichten aan en kijken
mensen uit de ramen. Er zijn wat donkere schimmen te
zien, en er bewegen takken van struiken. Mensen roepen dat ze gezien zijn, dat ze niet kunnen ontsnappen
en dat de politie komt. Dan gaan zaklampen aan. Agenten schijnen tussen struiken, ze klimmen over hekken
en kammen systematisch het binnenterrein uit. Tenslotte worden twee knapen gevonden achter een schuurtje,
en meegenomen. In de loop van de volgende dag heeft
de politie dit verhaal in keurige bewoordingen op papier
gezet. De gebeurtenissen zijn beschreven vanuit het perspectief van de politiemensen. Een agent heeft aan de
Auteur
Noten
4. NJB 2014/1057, afl. 21, p. 1420-1426.
6. De essenties van forensisch biologisch
1. Mr. H.W.J.de Groot is raadsheer in het
2. Broeders, 2003 waarbij het gaat om
5. Bij 15 loci is de RMP (random match
onderzoek, Zutphen: Paris 2009.
Hof Amsterdam.
forensisch bewijs in strafzaken.
probability) een getal in de orde van groot-
3. Coster van Voorhout en anderen, 2005.
te van een 1 met 15 nullen.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
373
Focus
straatzijde een geforceerd raam gevonden met sporen
van braak, dat toegang gaf tot een leegstaande woning
van een oude dame die sedert enkele weken in een
bejaardenhuis woont. Hij heeft ook bevonden dat er vanaf de straat geen enkele directe toegangsmogelijkheid is
tot de binnentuin. Er is niets gestolen. Ook enkele bewoners leggen een verklaring af, die er op neerkomt dat ze
geluiden hoorden en schimmen zagen. Een bewoner
heeft in de struiken nog een schroevendraaier en een
kleine koevoet gevonden.
De knapen, bekenden van de politie, zijn erg brutaal en
zwijgen in alle talen als ze over de gebeurtenissen worden ondervraagd. Ze krijgen een dagvaarding voor de
politierechter. De beschuldiging luidt: poging tot diefstal.
Parabel 1 is een klassieke casus. De verkoopster doet een
bewering. Vervolgens leveren het alarmsignaal en de
vondst van de sokken het bewijs. We kunnen het verhaal
onderbrengen in de formule van Bayes. Dan is de a-priorikans dat de door de verkoopster aangewezen vrouw een
dief is misschien 70%, en is de diagnostische waarde van
het detectiepoortje misschien 99: op elke 100 keer dat het
signaal afgaat is er 99 keer iets gestolen, en 1 keer gaat hij
ten onrechte af. De a-posteriori-kans dat de vrouw een
dief is, is dus 70/30 maal 99 is 231, in een percentage:
99,56%. De kans dat de vrouw een dief is, is dus gestegen
van 70% naar 99,56% door de bevestiging die het alarmsignaal heeft geleverd. Het Bayesiaanse denkschema laat
goed zien wat we ook al aanvoelden.
In parabel 2 komt een man in aanraking met de politie
omdat een vrouw iets beweert. Hij is in een lastig parket.
Veel zal afhangen van zijn reactie. De veiligste optie is
ontkennen dat hij zelfs maar in de buurt van de damesafdeling is geweest. ‘U moet zich vergissen in de persoon, ik
was daar niet.’ Zijn justitiële documentatie kan echter een
eigen taal spreken. Veel zal ook afhangen van de wijze
waarop de dame verklaart over hoe zij weet dat het deze
man was die door het gordijn keek: heeft ze hem op dat
moment gezien? Heeft ze hem aangesproken? Heeft ze
hem gevolgd of zit er tijd tussen en speelt haar geheugen
dus een rol? Denkbaar is dat de politie met een foto van
de man een getuige gaat zoeken. Natuurlijk kunnen al
deze elementen in een gelaagd Bayesiaans schema worden ondergebracht, maar dat doet tekort aan de werkelijke
lading van het praktisch-juridische probleem dat bij dergelijke zaken de drempel voor vervolging laag ligt en dat
maar heel weinig bevestiging van de bewering voldoende
is om tot een veroordeling te komen. In feite bestaat in
dit geval alleen maar de bewering en ontbreekt de bevestiging. Er kan onderzoek gedaan worden naar de kwaliteit
van de bewering, maar serieus bewijs dat de bewering
bevestigt zal er niet komen tenzij de man de aantijging
erkent. De verklaring van iemand die de man heeft gezien
op de afdeling dameskleding haalt wellicht zijn ontkenning onderuit, maar bevestigt niet de handeling waarvan
de dame hem beschuldigt.7
Dat wordt nog eens duidelijk geschetst in parabel 3: ook
hier weer de bewering van een dame, maar nu met de
ondersteuning van een getuige, haar dochter. Als de man
ontkent op de afdeling met kinderkleding te zijn geweest
374
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
zal de verdediging eigenlijk op een Oslo moeten aandringen met mensen van die afdeling, of op het horen van de
verkoper op een andere afdeling waar de man zegt wel te
zijn geweest. Hij zit echter op het politiebureau en kan de
medewerker met wie hij over een bepaald artikel heeft
gesproken niet beschrijven. Er zal dus in ieder geval geen
getuigenverhoor komen.
In dit verhaal doet de moeder de bewering en is haar
dochter het bewijs.
Je zou kunnen zeggen dat het lot van de man geheel
afhangt van de vraag of hij een openlijke pedo is: documentatie, maatschappelijke status, tekst en voorkomen.
Probleem daarbij is dat de documentatie misschien iets
zegt, maar dat de zeggingskracht van maatschappelijke
status, tekst en voorkomen beperkt is; deze verschijnselen
zeggen eigenlijk niets over het al dan niet zijn van pedofiel. Natuurlijk kan de kwestie in de formule van Bayes
worden ondergebracht maar toepassing van het theorema
mist de essentie: de weinige gedachten die in de strafrechtpraktijk bestaan enerzijds over de grote waarde die
aan beweringen van vrouwen wordt gehecht en anderzijds
over de minimum bewijswaarde die er moet zijn om tot
een bewezenverklaring te kunnen komen.
Natuurlijk kan de kwestie in
de formule van Bayes worden
ondergebracht maar toepassing
van het theorema mist de
essentie
In parabel 4 nog eens de al eerder geschetste databanksituatie. Van de kenmerken van de inbraak – benzinepomp,
scherven, verbreking van de sigarettenautomaat, snelweg,
drie landen in de directe omgeving – is nauwelijks een
overzienbare populatie van in aanmerking komende verdachten af te leiden. Het gaat werkelijk om big data aan
de a-priorizijde van de formule van Bayes. Toch valt te verwachten dat X uit Eijsden zal worden veroordeeld. Daar
zou tegen ingebracht kunnen worden dat de twee delen
van de bewering – 1. de donor van de bloedvlek is de
dader en 2. het DNA-profiel uit de bloedvlek is maximaal
zeldzaam en matcht met X – niet gestaafd worden zodat
er eigenlijk geen bewijs is. De politie beweert dat X de
dader van de inbraak is omdat de donor van de bloedvlek
naar hun mening de dader is en het NFI het DNA-profiel
van X als matchend DNA-profiel aanwijst. Deze bewering
in de richting van X kan pas worden gedaan als het rapport van het NFI aan de politie is toegezonden. Dat X als
verdachte wordt beschouwd en wordt aangehouden is
logisch, maar waarom wordt X veroordeeld als er geen
bewijs is? Speelt hier de magie van het getal een rol, nu de
RMP zo groot is dat het bevattingsvermogen tekort schiet?
Misschien speelt ook een soort contaminatie een rol:
steekt de groteske zekerheid van de identificatie wellicht
Thinking © Marie Bertrand/Corbis
de hoogstens als waarschijnlijk te kwalificeren redenering
over de donor van het bloed aan, zoals de muis zegt tegen
de olifant: ‘Samen stampen op de brug?’
Of hanteren rechters de puur argumentatieve redenering dat de match tussen de DNA-profielen zo’n onaantastbare zekerheid vormt dat het aan de verdachte is om
met een onderbouwd alternatief scenario te komen, als hij
serieus verweer wil voeren?
De formule van Bayes maakt in een dergelijk geval de
onveiligheid van de bewezenverklaring van het daderschap van X niet zichtbaar. Als de RMP een getal is met
minstens zestien cijfers blijven er acht cijfers over als
het getal gedeeld wordt door een getal met acht cijfers.
Een groot getal als a-posteriorikans ziet er geruststellend
uit. Maar dat is ook niet het probleem. Het probleem is
het ontbreken van een bevestigend gegeven, en dat probleem is argumentatief van aard en heeft met bewijsethiek te maken. Argumentatief van aard omdat het
matchend DNA-profiel past in de (aanvechtbare?) redenering dat het NFI geen fouten maakt, en dat de match van
de profielen een (bijna) absolute waarheid vertegenwoordigt.8 Voorts omdat de – weerlegbare – stelling geldt dat
een bloedvlek bij een inbraak altijd door een inbreker is
Het probleem is het ontbreken van
een bevestigend gegeven, en dat
probleem is argumentatief van aard
en heeft met bewijsethiek te maken
7. De Hoge Raad stelt tegenwoordig iets
8. Dit is niet de mening van het NFI, maar
meer eisen aan het bewijs in zedenzaken.
mijn weergave daarvan.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
375
Focus
achtergelaten; hier is een bloedvlek, dus die is door de
inbreker achtergelaten.
Of argumentatief omdat de bijna absoluut zekere
identificatie van het spoor betekent dat de verdachte op
die plek is geweest. Punt. Als de relatie van het spoor met
het delict kan worden gelegd is het aan de verdachte om
te vertellen wat hij daar wel deed als hij niet het delict
pleegde. Het gewicht van de ene of de andere argumentatieve route is in ieder geval heel groot.
Tenslotte de twee verdachten in de binnentuin. De
bewering van de omwonenden is helder: ‘Dieven!’. De bewijzen daarvoor zijn ook helder. Ze bevinden zich op een verdacht tijdstip in een ruimte die niet toegankelijk is vanaf
de straat. In dezelfde tijd is een raam van een leegstaande
woning geforceerd en worden een schroevendraaier en een
koevoet gevonden in de binnentuin. De knapen gedragen
zich verdacht want ze verstoppen zich achter een schuurtje.
We reconstrueren gebeurtenissen
door losse, gelijktijdige gegevens
met behulp van onze ervaringen
te combineren tot een zinvol
geheel van causale gegevens
Al deze gegevens zijn heel concreet, invoelbaar en zelfs
tastbaar. Toch is een veroordeling niet zeker. Het gaat mij
niet om de kwalificatie of de tenlasteleggingtechniek. Het
gaat mij om de feitelijke vraag hoe de aanvankelijke bewering (‘Dieven!’) bevestiging vindt. Die bevestiging komt
naar voren in gegevens die niet causaal zijn maar wel
gelijktijdig, en die vervolgens op grond van ervaringsregels
een causaal verband krijgen. Die regels zijn weerlegbaar
maar totdat ze weerlegd worden sturen ze onze gedachten.
Die gedachten lopen ongeveer aldus: 1. schimmige figuren
die bij nacht op een besloten plek geheimzinnig doen en
zich verstoppen hebben rottigheid in de zin gehad. Er voldoen twee knapen aan deze voorwaarden, dus hebben ze
rottigheid in de zin gehad. 2. Een koevoet is een werktuig
om iets te forceren. Dat geldt dus ook voor de hier gevonden koevoet. 3. En inbraak gaat altijd met forceren van een
toegangsweg gepaard. Dat geldt dus ook in deze situatie.
Tenslotte: 4. mensen die inbreken doen dat om goederen te
stelen. Ook dat moet dus voor deze knapen gelden. De concrete bevindingen vormen telkens de minor van de grote
stelling, en als we de noodzakelijke conclusies bijeen
nemen luidt die dat de twee knapen in de leegstaande
woning hebben ingebroken om geld of goederen van hun
gading te bemachtigen. Deze redenering geeft betekenis
aan de geïsoleerde maar gelijktijdige gegevens. We reconstrueren gebeurtenissen door losse, gelijktijdige gegevens
met behulp van onze ervaringen te combineren tot een
zinvol geheel van causale gegevens.
Bij deze argumentatie horen twee methodische voorwaarden: degene die argumenteert moet bereid zijn de
376
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
weerlegbare stellingen expliciet te maken, anders gezegd:
de verankeringen van zijn stellingen expliciet te maken
en erover te debatteren; nog anders gezegd: de verschillende minors te completeren met de bijbehorende majors
tot complete syllogismen; anderzijds rust op degene die
de regel probeert te weerleggen – de regel klopt niet of de
regel is hier niet van toepassing – de plicht om die weerlegging te staven. Dit verschil in gewicht – expliciet
maken tegenover staven – komt daaruit voort dat goede
ervaringsregels door ons allemaal gedeeld worden. Als het
goed is zijn ze niet willekeurig, en dus moeten ze ook
expliciet gemaakt en besproken kunnen worden. Het staven van de weerlegging daarentegen heeft te maken met
het gedeelde bewustzijn dat de regel bestaat en het op
grond van dat bewustzijn te verwachten besef bij degene
die handelde in strijd met de regel dat hij daarvoor een
goede reden moet hebben gehad en die reden dus aannemelijk moet kunnen maken. Bij de weerlegger zou de
redenering dus kunnen zijn: ik ben van het energiebedrijf,
er was een klacht over een lekkage, en die lekkage zou
onder het schuurtje zitten. Het dienstverband en de klacht
moeten dan aangetoond kunnen worden.
Het argumentatieve element speelt ook bij parabels
3 en 4 een essentiële rol. Allereerst verwijst de sociaalethische norm naar gedragingen waarvan de onwenselijkheid niet vast ligt en die naar tijd en plaats anders gezien
en beoordeeld worden. Vervolgens geldt sedert het einde
van de jaren negentig de algemene regel dat als een
vrouw de politie waarschuwt en een man aanwijst als
dader van een zedendelict de vrouw de waarheid spreekt.
Als de aangewezen man dit discursief vermoeden wil
bestrijden door bijvoorbeeld de toepasselijkheid van de
algemene regel in dit geval te weerleggen is de drempel
hoog en zullen aan het feitelijk gehalte van die weerlegging hoge eisen gesteld worden.
Argumentatief bewijs en verschuivende rollen
Wat ik heb willen laten zien is dat het probleem van de
bewijsvoering en de kracht van het bewijs bij heel veel
strafzaken niet zozeer zitten in de bepaling van de diagnostische waarde van dat bewijs en de a-priorikans dat
iemand de dader is, maar in het argumentatieve karakter van de bewijsredenering die aan dat bewijs relevantie geeft. In de databankzaak ontbreekt het bewijs, en is
vervangen door de impliciete redenering dat als er een
DNA-match9 is elke discussie overbodig is. In de beide
paskamerzaken in de Bijenkorf is het uitgangspunt dat
de verklaring van een vrouw in een zedenzaak bijna
doorslaggevend is en reflectie over de minimale bewijswaarde in strafzaken ontbreekt. Tenslotte ontbreken in
de binnentuinzaak de causale verbanden. Het bewijs
– of wat daarvoor door gaat – is net zo onzeker als de
a-priorikans.
Terwijl Barbara van den Berg in NJB 2014/1057 de
statistische begrippen likelihood ratio en a-posteriorikans
gelijk stelt aan de juridische begrippen redengevendheid
en toereikendheid van het bewijs is mijn stelling dat de
laatste twee begrippen uiterst buigbare, plastische en nauwelijks begrensde begrippen zijn die aan de Bayesiaanse
getalsmatige discipline ontsnappen. Daardoor is de praktische toepasbaarheid van de formule van Bayes beperkt.
Dan is er nog een vraagstuk dat eens te meer duide-
lijk maakt hoe gecompliceerd de strafrechtelijke werkelijkheid is. Dat vraagstuk is dat de politie en daarna het OM
de rol van degene die aanvankelijk een bewering deed
overnemen. In onze parabels neemt de politie de rol van
de beide dames over die daarmee vanzelf de rol van getuigen krijgen en de bevestiging kunnen vormen van hetgeen zij oorspronkelijk beweerden. Een volgende stap is
dat het Openbaar Ministerie de bewerende instantie
wordt waarmee niet alleen de beide dames maar ook de
betrokken politieagenten een rol als getuigen krijgen: zij
kunnen spreken over de emoties die de dames en de
dochter toonden en kunnen daarmee aan de bevestiging
van de bewering bijdragen.
Bij de parabel van de benzinepomp doet deze verschuiving in rollen zich ook voor: als X uit Eijsden vervolgd wordt is het OM de bewerende instantie en zijn de
politie (Afdeling forensische opsporing) en de deskundigen van het NFI de getuigen van het vinden en analyseren van het spoor.
Bij de toepassing van de formule van Bayes is de
inleidende vraag altijd hoe groot de kans is dat de verdachte de dader is. Die rolverdeling die in voorbeelden
rond de formule van Bayes vaak wordt voorondersteld
sluit echter slecht aan bij de strafrechtelijke werkelijkheid.
Tot nu toe heb ik laten zien dat Bayes vaak geen bijdrage levert aan de bewijsproblemen in het strafrecht. Ik heb
echter geen antwoord op de vraag hoe het dan wel moet.
Conclusie
Daarmee is duidelijk wat de eigenlijke inzet van het debat
over de toepassing van het theorema van Bayes in de
strafrechtpraktijk is: de vraag hoe wij, beoefenaren van
het strafrecht, de toedracht van strafzaken kunnen reconstrueren; de vraag dus die vooraf gaat aan de vragen van
artikel 350 Strafvordering. Die vraag is in het juridische
denken systematisch verwaarloosd en onderbelicht gebleven. Strafrechtbeoefenaars beroemen zich er - een beetje
impliciet - op dat zij analytisch zijn en dat zij feiten kunnen vaststellen. Daarvoor hebben zij echter niet de juiste
papieren. Allereerst hebben ze het nooit geleerd, want aan
de juridische faculteiten wordt het niet onderwezen, en
vervolgens maakt de problematische dagelijkse praktijk
van het onderzoek van de werkelijkheid in tal van strafzaken geen deel uit van studie en debat op het werk. De
SSR, het opleidingsinstituut van de rechterlijke macht, is
– voor zover ik weet – de enige instantie die voor rechters
Strafrechtbeoefenaars beroemen
zich er op dat zij analytisch zijn en
dat zij feiten kunnen vaststellen.
Daarvoor hebben zij echter niet de
juiste papieren
en OM-ers cursussen organiseert in thema’s rond feitenonderzoek. Ook bij andere instituten worden dergelijke
cursussen aangeboden maar voornamelijk door advocaten
bezocht. Mijn punt is echter dat het volgen van een incidentele, vrijblijvende cursus iets anders is dan systematisch onderzoek en studie van het vakgebied ‘reconstructie van eenmalige gebeurtenissen’ dat is ingebed in en
inhoudelijk verbonden met de beoefening van het strafrecht. Het is immers de vraag of het ongereflecteerd kunnen omgaan met buigbare, plastische en nauwelijks
begrensde begrippen een verdienste is, en of er geen
moeilijkheden dreigen in een steeds meer complexe en
gelaagde samenleving. De noodzaak van institutionalisering van dat nog niet bestaande vakgebied is de impliciete
boodschap van dit stuk.
9. De hier ontwikkelde redenering in DNA-
een vingerafdruk het enige bewijs vormt.
zaken geldt evenzeer voor zaken waarin
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
377
Rechtspraak
Aanbevolen citeerwijze:
een religieuze gemeenschap vormen. De ver-
schillende identiteit is essentieel om te
NJB 2015/ … (nummer uitspraak)
eniging ontkent de religieuze activiteiten en
komen tot sociale cohesie. Daarbij past het
wijst op de maatschappelijke activiteiten die
bestaan van verenigingen die zich richten
EHRM
378
zij ontplooit. Zij beklaagt zich verder dat het
op het nastreven van een gemeenschappelijk
Hoge Raad (civiele kamer)
379
ministerie helemaal niet aangeeft welke acti-
doel van de leden.
Hoge Raad (strafkamer)
387
viteiten als religieuze activiteiten worden
De ontbinding van de vereniging levert in dit
Afd. bestuursrechtspraak RvS
391
aangemerkt. In 2003 vordert het ministerie
geval een inbreuk op de verenigingsvrijheid
Centrale Raad van Beroep
393
bij de rechtbank ontbinding van de vereni-
op en het Hof moet derhalve bezien of deze
College Beroep bedrijfsleven
394
ging. De vordering wordt toegewezen, onder
gerechtvaardigd was. Daartoe moet die
meer op grond van het argument dat tijdens
inbreuk bij wet zijn voorgeschreven. De wet
een ledenvergadering van de vereniging is
die dit regelt moet dan ook aan bepaalde
gesproken over het al dan niet terechte
kwaliteitseisen voldoen. Die wet moet toe-
Europees Hof voor de
Rechten van de Mens
bestaan van een monopolie op de organisatie
gankelijk zijn voor de betrokkenen en moet
van Islamitische pelgrimsreizen in Azerbaij-
voldoende zorgvuldig en precies geformu-
Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoe-
an. Het instellen van beroep en cassatie
leerd zijn, zodat betrokkenen redelijkerwijs
kers van de Universiteit Leiden, de VU
tegen het ontbindingsvonnis baat de vereni-
kunnen voorzien welke consequenties
Amsterdam en de RU Nijmegen. Onderstaan-
ging niet.
bepaalde gedragingen zullen hebben. De wet
moet bescherming bieden tegen willekeurige
de bewerking is verzorgd door
dr. mr. J.P. Loof (Universiteit Leiden). Alle uit-
B. Procedure
inmenging door de overheid in de uitoefe-
spraken van het EHRM staan op www.echr.
Op 17 januari 2005 dienen de klagers een
ning van de verenigingsvrijheid en mag geen
coe.int; een selectie verschijnt uiteindelijk in
verzoekschrift in bij het EHRM. Daarin
onbegrensde beslissingsvrijheid aan over-
Reports of Judgments and Decisions. De uit-
stellen zij dat de ontbinding van de
heidsinstanties toekennen, hoewel moet wor-
spraken van kamers van het EHRM worden
vereniging een ongerechtvaardigde inbreuk
den erkend dat het gebruik van vage termen
drie maanden na de uitspraakdatum defini-
op de verenigingsvrijheid, zoals beschermd
in een wettekst niet altijd geheel te vermij-
tief, tenzij er intern appel wordt ingesteld bij
door art. 11 EVRM, heeft opgeleverd. Meer in
den valt.
de Grote Kamer van het Hof.
het bijzonder beroepen zij zich erop dat de
In dit geval bieden de wet op de financiering
Azerbaijaanse wet op de financiering van
van NGO’s en het Burgerlijk Wetboek een toe-
NGO’s onvoldoende helder omschrijft bij welk
gankelijke wettelijke basis voor de ontbin-
type activiteiten een vereniging niet meer
dingsbeslissing van de rechtbank. Ten aan-
als NGO, maar als religieuze vereniging
zien van de voorzienbaarheid stelt het Hof
13 november 2014, appl. nr. 5548/05
wordt aangemerkt.
vast dat het ministerie in zijn waarschuwin-
Verenigingsvrijheid. Verbod van Islamiti-
C. Uitspraak van het Hof
rechtbank in zijn ontbindingsvonnis spreken
sche non-profit organisatie. Voorzienbaar-
(Eerste Kamer: Berro-Lefèvre (pres.), Steiner,
van onwettige religieuze activiteiten. Het Hof
heidseis. Schending.
Hajiyev, Lazarova Trajkovska, Laffranque,
moet dan ook bezien of die activiteiten vol-
Pinto de Albuquerque, Sicilianos)
doende precies in de wet zijn omschreven.
Het EHRM zet om te beginnen de algemene
In dit verband wijst het Hof erop dat het al
uitgangspunten met betrekking tot de
eerder (andere) bepalingen uit de Azerbaij-
Islam-Ittihad Association en anderen vs.
bescherming geboden door art. 11 op een rij:
aanse wet op de NGO’s als te algemeen gefor-
Azerbaijan
burgers moeten in de gelegenheid zijn om
muleerd heeft beschouwd (Tebieti Mühafize
een rechtspersoon op te richten met als doel
Cemiyyeti en Israfilov, 2009). Weliswaar is de
A. Feiten
om collectief op te treden of op te komen
wet sindsdien aangepast en verbeterd, maar
De klagers in deze zaak zijn een Islamitische
voor een gemeenschappelijk belang van de
in deze zaak moet het Hof uitgaan van de
non-profit organisatie en enkele voormalig
leden; staten mogen dit reguleren en mogen
wettekst zoals die was op het moment dat de
bestuursleden daarvan. De belangrijkste doel-
controleren of de doelen en activiteiten van
ontbindingsbeslissing werd genomen.
stellingen van de vereniging waren de repa-
een bepaalde rechtspersoon in overeenstem-
Het Hof stelt vast dat de rechtbank in zijn
ratie en het onderhoud van verlaten moskee-
ming zijn met de wet, maar dat moeten
ontbindingsvonnis verwijst naar religieuze
en, de organisatie van pelgrimsreizen, het
gebeuren op een manier die in overeenstem-
activiteiten die niet toegestaan zijn voor een
bieden van hulp en steun aan wezen en
ming is met het EVRM.
vereniging met een status op basis van de
ouderen en de publicatie van religieuze boe-
In de context van art. 11 heeft het Hof al
wet op de NGO’s. Noch de wet op de NGO’s,
ken. In 2002 wordt de vereniging geïnspec-
vaak gewezen op de essentiële rol die politie-
noch de wet op de godsdienstvrijheid bevat-
teerd door het Ministerie van Justitie om te
ke partijen spelen bij het verwezenlijken van
ten ten tijde van de ontbindingsbeslissing
zien of de vereniging conform haar statutai-
pluralisme en democratie. Ook niet-politieke
echter enige definitie van het begrip religieu-
re doelstellingen handelt. Deze inspectie
verenigingen spelen daarbij echter een
ze activiteiten. Het is weliswaar niet aan het
resulteert in een waarschuwing aan de ver-
belangrijke rol. Pluralisme hangt immers
Hof om zijn eigen interpretatie van een nati-
eniging dat deze zich te zeer manifesteert als
nauw samen met daadwerkelijke erkenning
onale wet in de plaats te stellen van die gege-
religieuze organisatie (waarvoor een speciaal
van en respect voor diversiteit en de dyna-
ven door de nationale autoriteiten, maar het
wettelijk regime geldt). Gewone NGO’s mogen
miek van culturele tradities, etnische en cul-
ontbreken van enige definitie in de wet en
namelijk geen religieuze activiteiten ont-
turele identiteit, religieuze opvattingen,
van enige uitleg in de waarschuwingen en de
plooien en het ministerie constateert dat de
artistieke, literaire en sociaal-economische
ontbindingsbeslissing heeft er in deze zaak
leiding van deze vereniging in handen is van
ideeën en concepten. Harmonieuze interac-
toe geleid dat de bewijslast op de betrokken
een religieuze leider en dat de leden samen
tie tussen personen en groepen met een ver-
vereniging kwam te liggen om aan te tonen
299
gen naar aanleiding van de inspectie en de
(EVRM art. 11)
378
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
dat zij geen religieuze activiteiten ontplooide.
tot vaststelling van de Beleidsregels grote
ging om de verkoper te belasten met de in
Het Hof overweegt dat het ontbreken van
rivieren van 4 juli 2006 van de Staatssecretaris
art. 7:15 BW bedoelde verplichtingen, indien
enigerlei definitie van het begrip religieuze
van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2006/133, de
de lasten of beperkingen de verkochte zaak
activiteiten in de wet het onmogelijk maakte
Beleidsregels). Ingevolge de Beleidsregels dien-
in het bijzonder betreffen. In de regel kan
voor de klagers om te voorzien wat deze acti-
de voor het realiseren van de voorgenomen
immers ervan worden uitgegaan dat de ver-
viteiten zouden kunnen inhouden, zodat zij
bebouwing op het bouwterrein overeenstem-
koper (beter dan de koper) op de hoogte is
hun gedragingen en activiteiten daarop zou-
ming met Rijkswaterstaat te worden bereikt
van specifiek op de door hem verkochte zaak
den kunnen afstemmen. Het ontbreken van
over de omvang van de bebouwing en over
betrekking hebbende lasten en beperkingen.
zo’n definitie resulteerde dan ook in een
compenserende waterberging.
Publiekrechtelijke lasten of beperkingen die
onbeperkte discretionaire bevoegdheid voor
In dit kort geding heeft V gevorderd dat Port-
niet specifiek op de verkochte zaak betrek-
de autoriteiten die niet te verenigen valt met
sight wordt bevolen mee te werken aan de
king hebben, zullen daarentegen niet in de
de voorzienbaarheidseis.
levering van het bouwterrein, op straffe van
regel beter kenbaar zijn voor de verkoper dan
verbeurte van een dwangsom. Portsight heeft
voor de koper. Om deze redenen bestaat geen
D. Slotsom
het verweer gevoerd dat het bouwterrein niet
goede grond art. 7:15 lid 1 BW ook van toe-
Het Hof oordeelt unaniem dat art. 11 EVRM
vrij is van alle bijzondere lasten en beperkin-
passing te achten indien de lasten of beper-
is geschonden en kent de klagers in totaal
gen in de zin van art. 7:15 lid 1 BW. De voor-
kingen voortvloeien uit publiekrechtelijke
€ 6000 schadevergoeding toe.
zieningenrechter heeft dit verweer verwor-
besluiten van algemene strekking, zoals
pen en de vordering toegewezen. Portsight
beleidsregels, verordeningen of bestem-
heeft vervolgens onder protest haar mede-
mingsplannen. Gelet op het voorgaande, en
Hoge Raad (civiele kamer)
werking aan de levering verleend. Het hof
voorts met het oog op de rechtszekerheid en
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C.
heeft het vonnis van de voorzieningenrech-
de hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW,
Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof
ter bekrachtigd.
moet daarom aangenomen worden dat
slechts sprake is van een ‘bijzondere’ publiek-
van Justitie van het Caribische deel van het
Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te
Hoge Raad
rechtelijke last of beperking, indien deze
zien op www.rechtspraak.nl.
Art. 7:15 lid 1 BW bepaalt, voor zover thans
haar grondslag vindt in een specifiek (mede)
van belang, dat de verkoper verplicht is de
tot (een rechtsvoorganger van) de rechtheb-
verkochte zaak in eigendom over te dragen
bende van de desbetreffende zaak gericht
vrij van alle bijzondere lasten en beperkin-
besluit. In zoverre wordt derhalve teruggeko-
300
gen. Blijkens de geschiedenis van de tot-
men van de in het arrest Bos vs. Smeenk
30 januari 2015, nr. 13/03112
standkoming van deze bepaling gaat het
geformuleerde maatstaf. Het is redelijk de
(Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-
alleen om ‘de lasten en beperkingen die de
verkoper te belasten met de in verband hier-
Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T.
verkochte zaak in het bijzonder betreffen, en
mee door art. 7:15 BW op hem gelegde risi-
Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek;
niet die welke drukken op alle zaken van
co’s, nu dergelijke besluiten ingevolge art.
plv. P-G C.L. de Vries Lentsch-Kostense)
dezelfde soort, zoals belastingen en retribu-
3:41 Awb in beginsel door toezending of uit-
ECLI:NL:HR:2015:159
ties’ (T.M., Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p.
reiking aan de belanghebbende zelf (de recht-
113). Zoals is beslist in HR 27 februari 2004,
hebbende van de desbetreffende zaak)
Koop. Bijzondere publiekrechtelijke last of
ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635 (Bos
bekendgemaakt dienen te worden; deze kan
beperking. Een bouwterrein wordt verkocht.
vs. Smeenk), staat aan toepassing van art.
dus bij verkoop van de zaak geacht worden
Op het bouwterrein zijn de Beleidsregels
7:15 BW niet in de weg dat het gaat om een
op de hoogte te zijn van de uit dat besluit
grote rivieren van toepassing. Kunnen de
last of beperking met een publiekrechtelijk
voortvloeiende lasten en beperkingen, terwijl
daaruit voortvloeiende lasten en beperkin-
karakter, en is voor het antwoord op de vraag
de koper daarmee doorgaans niet (zonder
gen worden aangemerkt als ‘bijzonder’ in
of deze bepaling van toepassing is, slechts
meer) bekend zal zijn. Opmerking verdient
de zin van art. 7:15 lid 1 BW? HR: De HR
bepalend of de lasten op de desbetreffende
dat de koper met betrekking tot voor de zaak
komt terug van de in HR 27 februari 2004,
zaak in het bijzonder rusten. In de literatuur
geldende publiekrechtelijke lasten en beper-
ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635 (Bos
is kritiek geuit op de in het zojuist genoem-
kingen die niet binnen de aldus getrokken
vs. Smeenk) geformuleerde maatstaf. Er is
de arrest geformuleerde maatstaf om te
grenzen van art. 7:15 lid 1 BW vallen, in voor-
slechts sprake van een ‘bijzondere’ publiek-
bepalen of sprake is van een ‘bijzondere’ last
komend geval wel de mogelijkheid ten dien-
rechtelijke last of beperking, indien deze
of beperking. De Hoge Raad ziet mede hierin
ste staat om de verkoper op grond van dwa-
haar grondslag vindt in een specifiek
aanleiding tot heroverweging van die maat-
ling (art. 6:228 BW) of non-conformiteit (art.
(mede) tot (een rechtsvoorganger van) de
staf. Bij deze heroverweging wordt in aan-
7:17 BW) aan te spreken. Tot slot verdient
rechthebbende van de desbetreffende zaak
merking genomen dat het bij lasten en
opmerking dat het bepaalde in lid 2 van art.
gericht besluit.
beperkingen die privaatrechtelijk van karak-
7:15 BW (een verscherpte aansprakelijkheid
ter zijn (bijvoorbeeld een beperkt recht, een
van de verkoper voor lasten en beperkingen
beslag of een kwalitatief recht), steeds gaat
die voortvloeien uit feiten die vatbaar zijn
om een last of beperking die specifiek op de
voor inschrijving in de openbare registers)
Portsight (de koper), adv. mr. R.P.J.L. Tjittes,
desbetreffende zaak betrekking heeft. Er
slechts geldt voor de in lid 1 bedoelde bijzon-
vs. V (de verkoper), adv. mr. M.J. Schenck.
bestaat geen goede grond om bij lasten en
dere lasten en beperkingen. Nu de Beleidsre-
beperkingen van publiekrechtelijke aard van
gels niet een besluit vormen dat specifiek is
Feiten en procesverloop
een wezenlijk ruimere invulling uit te gaan.
gericht tot een of meer eigenaren, kunnen de
In 2008 heeft Portsight een bouwterrein van V
Dat stemt ook overeen met de wetsgeschie-
uit de Beleidsregels voortvloeiende lasten en
gekocht voor € 901.530. Het bouwterrein ligt
denis. Kennelijk bestaat naar het oordeel van
beperkingen niet worden aangemerkt als
binnen het toepassingsgebied van het Besluit
de wetgever slechts voldoende rechtvaardi-
‘bijzonder’ in de zin van art. 7:15 lid 1 BW.
(BW art. 6:228, 7:15 lid 1 en 2, 7:17)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
379
Rechtspraak
Het onderdeel faalt dus.
van deelnemers aan de staatsloterij. Op haar
delingen van Staatsloterij van voldoende
Volgt verwerping.
website hebben zich ongeveer 23.000
materieel belang waren om de maatman te
De plv. P-G concludeert tot vernietiging en ver-
natuurlijke personen aangemeld.
kunnen misleiden. Het hof heeft daarbij
wijzing. Zij past de maatstaf van het arrest Bos
In dit geding heeft Loterijverlies gevorderd
vastgesteld dat het in de perceptie van de
vs. Smeenk toe (onder 21). Zij bespreekt onder
dat voor recht wordt verklaard dat bepaalde
maatman bij de winkans ging om gemid-
8-15 de wetsgeschiedenis, de literatuur en de
reclame-uitingen van Staatsloterij mislei-
deld zo’n twintig grote prijzen per drie mil-
feitenrechtspraak over het begrip ‘bijzonder’ in
dend waren, alsmede vergoeding van kosten,
joen loten, terwijl in werkelijkheid sprake
de zin van art. 7:15 lid 1 BW en onder 16-17
op te maken bij staat. De rechtbank heeft de
was van toekenning van (slechts) vier grote
het karakter van de Beleidsregels.
vorderingen afgewezen. Het hof heeft alsnog
prijzen. Het hof heeft dit verschil voldoende
voor recht verklaard dat Staatsloterij gedu-
geoordeeld om de maatman te (kunnen)
rende de periode 2000 t/m 2007 misleidende
misleiden en heeft daarbij het verweer van
mededelingen heeft gedaan over het gega-
Staatsloterij verworpen dat dit verschil niet
randeerd zijn van prijzen, de winkansen en
van materieel belang voor de maatman
30 januari 2015, nr. 13/04238
het aantal gewonnen prijzen en in 2008 over
heeft kunnen zijn omdat het in beide geval-
(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, A.H.T.
de hoogte van prijzen bij de Koninginnedag-
len gaat om minuscuul kleine kansen van
Heisterkamp, C.E. Drion, G. Snijders;
trekking, en het heeft Staatsloterij veroor-
0,00000667% respectievelijk 0,000000953%.
A-G mr. M.H. Wissink)
deeld tot kostenvergoeding met rente, op te
Voorts heeft het hof geoordeeld dat het
ECLI:NL:HR:2015:178
maken bij staat.
redelijkerwijs aannemelijk moet worden
Misleidende reclame. Het hof verklaart
Hoge Raad
van Staatsloterij van materieel belang
voor recht dat Staatsloterij misleidende
In het principale beroep: onderdeel I faalt.
waren, alsmede dat een aanzienlijk deel van
mededelingen heeft gedaan over de win-
Het oordeel van het hof dat de gemiddelde
de consumenten zou hebben afgezien van
kansen en het aantal gewonnen prijzen in
consument in de periode 2000-2007 niet ver-
aankoop van een staatslot, althans tegen
de maandelijkse staatsloterij. HR: 1. Ken-
wachtte dat door Staatsloterij werd getrokken
dezelfde voorwaarden, wanneer Staatsloterij
baarheid. Het hof heeft geoordeeld dat het
uit een ‘universum’ dat aanzienlijk groter was
juiste en volledige mededelingen zou heb-
voor de gemiddelde consument niet (in vol-
dan het aantal daadwerkelijk verkochte loten
ben gedaan. Deze oordelen berusten op fei-
doende mate) kenbaar was dat het ‘in lote-
behelst, anders dan het onderdeel betoogt,
telijke waarderingen die in beginsel aan het
rijland’ gebruikelijk was dat de winnende
niet het aannemen van een feit van algeme-
hof zijn voorbehouden. Niet kan worden
loten werden getrokken uit een ‘universum’
ne bekendheid of een algemene ervaringsre-
gezegd dat zij onbegrijpelijk zijn. Hierop
dat aanzienlijk groter was dan het aantal
gel, maar is een feitelijke vaststelling van het
stuit het onderdeel af.
daadwerkelijk verkochte loten. Dit oordeel
hof omtrent de verwachtingen van de gemid-
In het incidentele beroep: het middel strekt
is geenszins onbegrijpelijk. 2. Materieel
delde consument in de desbetreffende perio-
ten betoge dat het hof ten onrechte tot het
belang. Het hof heeft vastgesteld dat het in
de. Het hof behoefde niet met zoveel woor-
oordeel is gekomen dat Staatsloterij niet
de perceptie van de maatman bij de win-
den in te gaan op de door Staatsloterij
gehouden is om per trekking een minimum-
kans ging om gemiddeld zo’n twintig grote
ingenomen stellingen omtrent enig anders-
percentage van zestig van de door de deelne-
prijzen per drie miljoen loten, terwijl in
luidend gebruik ‘in loterijland’. In zijn oor-
mers betaalde inleg uit te keren aan prijzen.
werkelijkheid sprake was van toekenning
deel ligt immers besloten dat dit gebruik
In art. 8 lid 2 WoK is het volgende bepaald:
van (slechts) vier grote prijzen. Het hof
niet (in voldoende mate) kenbaar was voor
‘Onder een staatsloterij wordt verstaan een
heeft dit verschil voldoende geoordeeld om
de gemiddelde consument. Dit oordeel is
loterij waarbij door trekking de nummers
de maatman te (kunnen) misleiden. Niet
geenszins onbegrijpelijk.
van de deelnamebewijzen worden aangewe-
kan worden gezegd dat dit oordeel onbegrij-
Onderdeel II bestrijdt het oordeel van het
zen waarop de prijzen vallen en waarbij ten
pelijk is. 3. Minimumuitkeringspercentage.
hof dat de door Staatsloterij verstrekte
minste 60% van de door de deelnemers
Het hof heeft geoordeeld dat het wettelijk
informatie, met name wat betreft de win-
betaalde inleg aan prijzen wordt uitgeloofd.’
minimumuitkeringspercentage van zestig
kansen op een grote prijs, van voldoende
Het hof heeft deze bepaling aldus uitgelegd
niet ziet op iedere trekking afzonderlijk,
materieel belang was om de beslissing van
dat het minimumpercentage van zestig niet
maar op een langere periode (een jaar). Dit
de gemiddelde consument te beïnvloeden.
ziet op iedere trekking afzonderlijk, maar op
oordeel is juist.
Het hof heeft geoordeeld dat in het onder-
een langere periode (een jaar). Het oordeel
havige geval de ‘gemiddelde algemene con-
van het hof is juist. Hoewel uit de wetsge-
sument’ of de ‘gemiddelde consument’ heeft
schiedenis volgt dat de wetgever aanvankelijk
te gelden als de ‘maatman’ bij de concrete
voor ogen heeft gestaan dat per maandelijk-
Staatsloterij, adv. mr. M. Ynzonides, vs. Lote-
toepassing van de algemene maatstaf,
se loterij een minimumuitkeringspercentage
rijverlies, adv. mrs. J.P. Heering en L. van
omdat de mededelingen van Staatsloterij
zou gelden en niet blijkt dat dit uitgangs-
den Eshof.
zich richtten op een algemeen publiek.
punt is prijsgegeven, brengt een redelijke
Tegen dit oordeel zijn geen klachten aange-
uitleg van het huidige art. 8 lid 2 WoK in het
Feiten en procesverloop
voerd. Voor misleiding in de zin van art.
licht van de door het hof genoemde omstan-
In 1992 is Staatsloterij opgericht en is aan
6:194 (oud) BW is noodzakelijk – en tevens
digheden – in het bijzonder de omstandig-
haar vergunning verleend om de
voldoende – dat de onjuiste of onvolledige
heid dat Staatsloterij op voorhand niet weet
staatsloterij te organiseren als bedoeld in
informatie de maatman misleidt of kan mis-
hoeveel loten voor een bepaalde trekking
art. 9 van de Wet op de Kansspelen (WoK).
leiden en door haar misleidende karakter
zullen worden verkocht – mee, dat Staatslote-
Staatsloterij organiseert de maandelijkse
zijn economische gedrag kan beïnvloeden.
rij thans kan volstaan met het streven naar
staatsloterij. In 2008 is Loterijverlies
Het hof heeft dit tot uitdrukking gebracht
een uitkeringspercentage van zestig per
opgericht ter behartiging van de belangen
door te onderzoeken of de gewraakte mede-
maandelijkse loterij en het realiseren van dit
301
geacht dat de desbetreffende mededelingen
(BW (oud) art. 6:194; WoK art. 8 lid 2)
380
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
percentage als gemiddelde over een langere
bank heeft mr. Fraats benoemd als derde in
cassatieberoep A, B, C en D in de gelegenheid
periode. Daarbij verdient opmerking dat de
vorenbedoelde zin.
te stellen Y en mr. Fraats q.q. in het geding
tekst van art. 8 lid 2 WoK zich niet tegen
In dit geding heeft de Gemeente Y en mr.
op te roepen, met aanhouding van elke
deze uitleg verzet en dat het niet aanvaard-
Fraats q.q. gedagvaard en gevorderd dat de
verdere beslissing.
baar zou zijn om Staatsloterij thans verplicht
rechtbank bij vervroeging de onteigening
De wnd. A-G concludeert tot gedeeltelijke niet-
te achten tot een beperking van het aantal
van de grond uitspreekt en een voorschot op
ontvankelijkverklaring en gedeeltelijke ver-
uit te geven loten terwijl de wetgever reeds
de schadeloosstelling bepaalt. A en B hebben
werping (zie onder 4.2 voor het onderscheid).
in 1967 een onbeperkte lotenuitgifte heeft
een incidentele conclusie tot tussenkomst
Hij meent dat het beroep op de exceptio pluri-
mogelijk gemaakt en een zodanig uitgiftebe-
genomen. De rechtbank heeft de gevorderde
um litis consortium slaagt, omdat tussenko-
leid ook gevestigde praktijk is geworden zon-
tussenkomst afgewezen. Hiertegen is het eer-
mende partijen niet tegelijkertijd wel en niet
der dat is gesteld of is gebleken dat de toe-
ste cassatieberoep gericht (zaak 13/05265).
in hetzelfde geding kunnen worden toegela-
zichthoudende instanties hiertegen zijn
Vervolgens hebben A, B, C en D gevorderd dat
ten (onder 5).
opgetreden. Het middel faalt.
zij gezamenlijk worden toegelaten als tussen-
Volgt in het principale beroep en in het inci-
komende partij. De rechtbank heeft ook deze
dentele beroep verwerping, overeenkomstig
tussenkomst afgewezen, de vervroegde ontei-
de conclusie van de A-G.
gening uitgesproken en een voorschot
De A-G geeft onder 4.4-4.10 een historisch
bepaald. Hiertegen is het tweede cassatiebe-
30 januari 2015, nr. 13/05481
overzicht van de Nederlandse regelgeving
roep gericht (zaak 13/05839).
(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, C.E. Drion,
over loterijen, te beginnen met een resolutie
303
G. de Groot, M.V. Polak; A-G mr. L.
van de Staten-Generaal van 4 april 1726,
Hoge Raad
Timmerman)
waarbij goedkeuring werd gegeven voor de
Zoals is overwogen in HR 24 juni 1992,
ECLI:NL:HR:2015:166
oprichting van de Generaliteitsloterij.
ECLI:NL:HR:1992:AD1703, NJ 1993/548 (Ogenia vs. ’s-Gravenhage), wordt door een uit-
(Pre)contractuele verplichtingen. In het
drukkelijk dictum waarin is geoordeeld dat
kader van een doorstart verkoopt een
een vordering tot tussenkomst wordt afge-
curator de bedrijfsinventaris van de gefail-
wezen, definitief beslist dat de partij die
lieerde. Een in het bedrijf van de gefaillieer-
30 januari 2015, nrs. 13/05265 en 13/05839
tussenkomst verlangt, geen rechthebbende,
de gebruikte infrarooddroger is geleast en
(Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-
mede-rechthebbende of derde-belangheb-
wordt niet meegeleverd. De koper vordert
Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T.
bende is als bedoeld in deze bepaling. Dat
schadevergoeding. Het hof wijst de vorde-
Heisterkamp, C.E. Drion; wnd.
vonnis is derhalve in zoverre een eindvon-
ring toe op grond van zijn overweging dat
A-G mr. J.C. van Oven)
nis, zodat daartegen cassatieberoep open-
de curator heeft gehandeld in strijd met zijn
ECLI:NL:HR:2015:183
staat. Dit geldt zowel voor A als voor B. De
(pre)contractuele verplichtingen, omdat hij
Gemeente heeft aangevoerd dat A en B niet
het bod van de koper niet zonder meer had
Onteigening. Tussenkomst. Exceptio pluri-
in het cassatieberoep kunnen worden ont-
mogen accepteren zonder de infrarood-
um litis consortium. HR: De beoordeling
vangen omdat zij daarbij geen belang heb-
droger te verwerven. HR: In het licht van de
van de vordering tot tussenkomst is niet
ben, nu dit beroep slechts is gericht tegen
vaststaande omstandigheden is het oordeel
rechtstreeks van invloed op de rechtsver-
de Gemeente en niet mede tegen Y en mr.
van het hof onvoldoende gemotiveerd.
houding tussen de partijen in de hoofd-
Fraats q.q. Aldus doet de Gemeente een
zaak. Daarom faalt het beroep op de excep-
beroep op de exceptio plurium litis consor-
tio plurium litis consortium. De in eerste
tium. Een zodanig verweer kan slechts sla-
aanleg als gedaagden betrokken procespar-
gen indien het rechtens noodzakelijk is dat
J.L.G.M. Verwiel q.q., curator in de faillisse-
tijen dienen alsnog te worden opgeroepen
de beslissing ten opzichte van alle bij de
menten van Folietechniek en BBY, adv. mr.
in het geding in cassatie.
rechtsverhouding betrokkenen hetzelfde
R.J. van Galen, vs. 4PET, niet verschenen.
302
(BW art. 6:74, 6:162)
luidt. Dit verweer faalt. In dit incident is
uitsluitend de toelaatbaarheid van de
Feiten en procesverloop
gevorderde tussenkomst aan de orde. De
Folietechniek en BBY zijn op respectievelijk 22
In het eerste cassatieberoep: A en B, adv. mr.
beoordeling van deze vordering is niet
april 2008 en 28 april 2008 in staat van faillis-
P.J.L.J. Duijsens, vs. de gemeente Peel en
rechtstreeks van invloed op de rechtsver-
sement verklaard. In beide faillissementen is
Maas, adv. mr. J.P. van den Berg, en in het
houding tussen de partijen in de hoofd-
de curator in die hoedanigheid aangesteld.
tweede cassatieberoep: A, B, C en D, adv. mr.
zaak. Nu evenwel gegrondbevinding van het
4PET heeft zich bij de curator gemeld als
P.J.L.J. Duijsens, vs. de gemeente Peel en
eerste cassatieberoep ertoe kan leiden dat A
gegadigde voor een doorstart. Na enige
Maas, adv. mr. J.P. van den Berg.
en B alsnog partij in de hoofdzaak worden,
onderhandelingen hebben partijen op 8 mei
hetgeen tot gevolg kan hebben dat hun ver-
2008 een overeenkomst ondertekend. Onder
Feiten en procesverloop
weer tegen de gevorderde onteigening doel
meer werd een folie-extrusielijn verkocht. Bij
X en Y waren broers. X is overleden. Zijn erf-
treft, ziet de Hoge Raad aanleiding om te
de folie-extrusielijn behoorde een infrarood-
genamen zijn weduwe A, zoon B en dochters
bepalen dat ook Y en mr. Fraats q.q. in deze
droger, die echter was geleast. De curator
C en D. X en Y waren mede-eigenaren van
cassatieprocedure worden opgeroepen. In
heeft de infrarooddroger niet geleverd.
landbouwgrond. De Gemeente wenst de
het tweede cassatieberoep zijn A, B, C en D
In dit geding heeft 4PET schadevergoeding
grond te onteigenen en heeft de rechtbank
alle vier bevoegd tot oproeping van Y en
wegens toerekenbare tekortkoming en
op de voet van art. 20 lid 1 Ow verzocht een
mr. Fraats q.q.
onrechtmatige daad gevorderd. De recht-
derde te benoemen tegen wie het onteige-
Volgt rolverwijzing om in het eerste
bank heeft de vordering afgewezen. Het hof
ningsgeding kon worden gevoerd. De recht-
cassatieberoep A en B en in het tweede
heeft de vordering alsnog toegewezen voor
(Ow art. 3, 20 lid 1; Rv art. 118)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
381
Rechtspraak
zover die betrekking heeft op de infrarood-
Onteigening. Waterkeringswerk. Bijkomen-
overgangsbepaling van art. 5.4 lid 1 van de
droger. Het hof heeft daarbij overwogen dat
de voorzieningen. Planologische basis. In
Crisis- en herstelwet is art. 62 (oud) Ow
de curator heeft gehandeld in strijd met zijn
verband met een kustversterkingsplan in
alleen van toepassing op een onteigenings-
(pre)contractuele verplichtingen jegens
Vlissingen worden in een onteigeningsbe-
besluit waarvan het ontwerp ter inzage is
4PET, omdat hij het bod van 4PET niet zon-
sluit percelen aangewezen ten behoeve van
gelegd voor het tijdstip van inwerkingtre-
der meer had mogen accepteren zonder de
natuurcompensatie. De planologische basis
ding van de Crisis- en herstelwet. In het
infrarooddroger te verwerven.
hiervoor is een vrijstelling ex art. 19 WRO
onderhavige geval heeft het ontwerp echter
(oud). Art. 62 lid 2 Ow noemt dit planologi-
ter inzage gelegen vanaf 12 juli 2012. Dit is
Hoge Raad
sche instrument niet. Is het onteigenings-
na inwerkingtreding van die wet op 31
Het hof is niet kenbaar ingegaan op de vol-
besluit daarom onrechtmatig? HR: Ontken-
maart 2010 (Stb. 2010, 137). Uit hetgeen
gende (in het onderdeel genoemde) vast-
nend. De omstandigheid dat de onteigening
hierna wordt overwogen volgt evenwel dat
staande omstandigheden:
plaatsvindt onder het huidige art. 62 Ow
de gegrondheid van deze klacht niet tot cas-
a. 4PET was reeds voor het faillissement
vormt geen grond om te eisen dat de plano-
satie leidt. Niet in geschil is dat op de onder-
ervan op de hoogte dat Folietechniek niet de
logische basis voortvloeit uit een maatregel
havige onteigeningsprocedure de art. 27 en
eigenaar was van de infrarooddroger en 4PET
genoemd in art. 62 lid 2 Ow.
28 Wwk (oud) nog van toepassing zijn. Deze
bepalingen hadden tot doel de bekorte ont-
heeft zelf het bestaan van de leaseovereenkomst aan de curator gemeld;
(Gw art. 14; Ow art. 1, 62 lid 1 en 2; WRO
eigeningsprocedure van toepassing te doen
b. in het indicatieve bod van 4PET was bij de
(oud) art. 19; Wwk (oud) art. 7, 27, 28)
zijn op zowel de voorzieningen ter versterking van de waterkering als de daaruit
infrarooddroger ‘p.m.’ vermeld;
c. de curator heeft niet toegezegd dat hij tot
A c.s., adv. mr. J.F. de Groot, vs. Waterschap
voortvloeiende bijkomende voorzieningen.
afkoop van de lease met betrekking tot de
Scheldestromen, adv. mr. D.M. de Knijff.
Die bekorte procedure kon onder de Wwk
worden toegepast ongeacht de planologi-
infrarooddroger zou overgaan;
d. de verkoop vond plaats onder grote tijds-
Feiten en procesverloop
sche basis voor de desbetreffende voorzie-
druk; en
Bij Koninklijk Besluit van 19 oktober 2012
ning, dus ook indien die basis was gelegen
e. de curator heeft vermeld dat goederen
(Stcrt. 2012, 22906) zijn enkele percelen aan-
in een vrijstelling op grond van art. 19 WRO
waarop derden aanspraak konden maken,
gewezen ter onteigening ten behoeve van
(oud). Bij de Crisis- en herstelwet is aan art.
niet onder de koopovereenkomst vielen en
het kustversterkingsplan ‘Nolle-Westduin’ in
62 Ow een tweede lid toegevoegd. Dit arti-
dat de interpretatie en inschatting van de
Vlissingen, een plan als bedoeld in art. 7
kellid bepaalt dat de bijkomende voorzie-
omstandigheden voor rekening en risico van
van de inmiddels ingetrokken Wet op de
ningen worden getroffen ter uitvoering van
de koper waren.
waterkering (Wwk). De perceelsgedeelten
een bestemmingsplan, een afwijkende
In het licht hiervan is het oordeel van het
zijn nodig voor natuurcompensatie. Deze
omgevingsvergunning of een inpassings-
hof dat de curator heeft gehandeld in strijd
natuurcompensatie is mogelijk gemaakt
plan. In tegenstelling tot hetgeen aan het
met zijn (pre)contractuele verplichtingen
door een vrijstelling op de voet van art. 19
standpunt van A c.s. ten grondslag ligt,
jegens 4PET, onvoldoende gemotiveerd.
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
wordt in het stelsel van de Onteigeningswet
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
(WRO) (oud).
de grondslag voor de onteigening van perce-
komstig de conclusie van de A-G.
In dit geding heeft het Waterschap gevorderd
len als de onderhavige niet geboden door
dat de rechtbank bij vervroeging de onteige-
art. 62 lid 2 Ow, maar door art. 14 Grondwet
ning van de percelen en perceelsgedeelten
in samenhang met art. 1 Ow. Art. 62 lid 2
uitspreekt en een voorschot op de schade-
Ow dient slechts om de onteigening ten
loosstelling bepaalt. A c.s. hebben het ver-
behoeve van bijkomende voorzieningen
30 januari 2015, nr. 13/05570
weer gevoerd dat het onteigeningsbesluit
onder de procedure van Titel II of IIa Ow te
(Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-
onrechtmatig is, omdat art. 62 lid 2 Ow, dat
brengen (vgl. Kamerstukken II 2009-2010,
Spapens, C.E. Drion, G. Snijders, M.V. Polak;
is ingevoerd bij de Crisis- en Herstelwet (Wet
32127, 3, p. 78). In zoverre vormt de omstan-
A-G mr. P. Vlas)
van 18 maart 2010, Stb. 135), niet toelaat dat
digheid dat de onderhavige onteigening
ECLI:NL:HR:2015:179
onteigening plaatsvindt ten behoeve van bij-
plaatsvindt onder het huidige art. 62 Ow,
komende voorzieningen die zijn vergund op
geen grond om te eisen dat de planologi-
Curaçao. Nederlanderschap. Bekrachtiging.
basis van een vrijstelling ex art. 19 WRO
sche basis voortvloeit uit een maatregel
Bezit van staat. Gelijke beslissingen als in
(oud). De rechtbank heeft overwogen dat
genoemd in het tweede lid van dat artikel,
HR 30 januari 2015, nr. 14/01997,
sprake is van een onteigening op grond van
nu een zodanige eis niet volgt uit het hier
ECLI:NL:HR:2015:186, hierna afgedrukt, in
art. 62 (oud) Ow en dat de inwerkingtreding
eveneens toepasselijke art. 28 Wwk. Aan het
een zaak die grote gelijkenis vertoont met
van de Crisis- en Herstelwet daarin geen ver-
bovenstaande kan worden toegevoegd dat
die zaak.
andering heeft gebracht. Op die grond heeft
uit de wetsgeschiedenis niet blijkt van enig
de rechtbank het verweer verworpen. Vervol-
inhoudelijk argument voor de beperking die
gens heeft zij de vervroegde onteigening uit-
A c.s. voorstaan.
30 januari 2015, nr. 13/05836
gesproken en een voorschot op de schade-
Volgt verwerping, overeenkomstig de conclu-
(Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-
loosstelling bepaald.
sie van de A-G.
304
De A-G merkt op dat art. 62 lid 2 Ow niet de
Spapens, C.A. Streefkerk,
A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak; wnd. A-G
Hoge Raad
strekking heeft onteigeningen ten behoeve
mr. J.C. van Oven)
Het middel klaagt dat de rechtbank ten
van waterkeringswerken en daaruit voort-
ECLI:NL:HR:2015:161
onrechte art. 62 (oud) Ow op de onderhavige
vloeiende bijkomende voorzieningen te
onteigening van toepassing heeft geacht.
bemoeilijken (4.6 en 4.8).
Deze klacht is gegrond. In verband met de
382
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
305
In dit geding hebben A c.s. gevorderd dat de
(ABN Amro)). Dit hangt samen met de uit-
Bank wordt bevolen de regeling ter zake van
eenlopende wijzen van procederen in de
30 januari 2015, nr. 13/05865
de bijdrage in de ziektekosten na 1 januari
diverse zaken en met een verschillende
(Mrs. F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp,
2006 voort te zetten. De kantonrechter heeft
waardering van de feiten en omstandighe-
G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den
de vordering afgewezen. Het hof heeft het
den door de feitenrechters, die in geval van
Broek; A-G mr. J. Wuisman)
vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
cassatieberoep slechts beperkt toetsbaar is.
Volgt verwerping, overeenkomstig de conclu-
ECLI:NL:HR:2015:163
Hoge Raad
sie van de A-G.
Werkgeversbijdrage ziektekostenverzeke-
De onderdelen 1.1 tot en met 1.3 kunnen bij
De A-G geeft onder 2.11-2.15 een overzicht
ring. Uitleg verbintenis. Nadat de Zorgver-
gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cas-
van rechterlijke uitspraken in zaken waarin
zekeringswet op 1 januari 2006 in werking
satie leiden. Het hof heeft niet miskend dat
werkgevers na de invoering van de Zorgverze-
is getreden, ‘bouwt’ een werkgever de tot
tussen partijen een rechtsverhouding is ont-
keringswet zijn opgehouden bijdragen ten
dan toe op gepensioneerden toegepaste
staan die meebracht dat de oud-werknemers
behoeve van ziektekostenverzekeringen aan
‘regeling werkgeversbijdrage ziektekosten-
jegens de Bank aanspraak konden maken op
gepensioneerden te verstrekken.
verzekering’ ‘geleidelijk af’. Enige gepensio-
een bijdrage in de verzekeringspremie. Het
neerden menen dat de werkgever zich
heeft geoordeeld dat deze rechtsverhouding
contractueel verbonden heeft de werkge-
niet, zoals door A c.s. is gesteld, inhield dat
versbijdrage levenslang en onvoorwaarde-
zij die aanspraak levenslang en onvoorwaar-
lijk te blijven verstrekken. HR: Het oordeel
delijk zouden behouden, ongeacht toekom-
30 januari 2015, nr. 13/06400
van het hof dat de verbintenis van de
stige ontwikkelingen. Onderdeel 1.4 neemt
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens,
werkgever niet inhield dat hij gehouden
tot uitgangspunt dat het hof heeft geoor-
G. Snijders, M.V. Polak; A-G mr. E.B. Rank-
was na de stelselwijziging een bijdrage te
deeld dat de verbintenis van de Bank niet
Berenschot)
leveren in de kosten van de uit hoofde van
inhield dat zij gehouden was na de stelsel-
ECLI:NL:HR:2015:181
de Zorgverzekeringswet verschuldigde
wijziging met ingang van 1 januari 2006 een
nominale of inkomensafhankelijke premie,
bijdrage te leveren in de kosten van de uit
Vermogensrechtelijke afwikkeling na echt-
is niet onbegrijpelijk.
hoofde van de Zorgverzekeringswet verschul-
scheiding. Beslissing op het petitum. HR:
digde nominale of inkomensafhankelijke
Het hof heeft niet deugdelijk gemotiveerd
premie. Dat uitgangspunt is juist. Het onder-
beslist op een deel van de verzoeken. Verder
deel acht dat oordeel onbegrijpelijk. Het
heeft het hof ten onrechte geen nieuwe
A c.s., adv. mrs. N.T. Dempsey en P.A. Fruytier,
onderdeel faalt. Het hof heeft geoordeeld dat
termijn bepaald voor voldoening aan een
vs. ABN Amro Bank, adv. mr. R.A.A. Duk.
de aanspraak van oud-werknemers op een
door de rechtbank gestelde voorwaarde.
(BW art. 6:248, 6:258, 7:611, 7:613)
306
bijdrage in de kosten van een ziektekosten-
Feiten en procesverloop
verzekering betrekking had op de kosten die
A c.s. zijn gepensioneerden die in dienst zijn
voortvloeiden uit deelname aan de collectie-
geweest van Crédit Lyonnais en/of Fortis, die
ve particuliere ziektekostenverzekering, die
De vrouw, adv. mr. P.S. Kamminga, vs. de
rechtsvoorgangsters zijn van de Bank. Deze
in het tot 1 januari 2006 geldende stelsel
man, adv. mr. S. Kousedghi.
rechtsvoorgangers hebben in het verleden
door de Bank werd georganiseerd. Het hof
regelingen getroffen die voorzien in een col-
heeft verder geoordeeld dat het verstrekken
Feiten en procesverloop
lectieve ziektekostenverzekering. Zij hebben
van een bijdrage aan oud-werknemers was
Partijen zijn in 1986 gehuwd en in
daarover uitlatingen gedaan in personeels-
gekoppeld aan de aanspraak op een bijdrage
2012 gescheiden.
gidsen, personeelsbladen e.d. A c.s. hebben,
van actieve werknemers overeenkomstig de
In dit geding hebben partijen verzoeken
voor zover hun pensionering of vervroegde
toepasselijke CAO en dat dit voor de oud-
gedaan in verband met de vermogensrech-
uittreding voor 1 januari 2006 plaatsvond, tot
werknemers voldoende duidelijk is geweest.
telijke afwikkeling van het huwelijk. Voor
die datum een werkgeversbijdrage ontvangen
Het daarop voortbouwende oordeel houdt in
zover in cassatie van belang, gaat het om de
in de premie van de collectieve ziektekosten-
dat de oud-werknemers niet erop mochten
verdeling van het saldo van de bankrekenin-
verzekering. In december 2005 was die bijdra-
vertrouwen dat de Bank haar bijdrage aan de
gen van partijen en om de toedeling van de
ge 60% van de premie voor de standaardpak-
kosten van een ziektekostenverzekering zou
voormalige echtelijke woning. De rechtbank
ketpolis derde klasse. Op 1 januari 2006 is de
voortzetten in het nieuwe stelsel, waarin
heeft bepaald dat de woning aan de vrouw
Zorgverzekeringswet van kracht geworden. Bij
geen sprake meer was van een aanspraak
wordt toebedeeld onder de voorwaarde dat
brief van 28 juni 2006 heeft Fortis aan alle
van actieve werknemers krachtens de CAO
zij binnen twee maanden na de taxatie aan-
oud-werknemers meegedeeld dat de regeling
op een bijdrage in de kosten van een collec-
toont dat zij in staat is de woning te finan-
werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering
tieve ziektekostenverzekering, en dat dus
cieren, en de overige verzoeken grotendeels
geleidelijk zal worden afgebouwd. Bij brief
niet op die grond een daartoe strekkende
afgewezen. Het hof heeft de beschikking van
van 5 november 2007 heeft zij meegedeeld
verbintenis jegens de oud-werknemers is
de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en de
dat de afbouwregeling zal worden verbeterd
ontstaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
vrouw veroordeeld tot betaling van
in die zin dat het bedrag dat in 2008 zal wor-
Opmerking verdient dat in diverse uitspra-
€ 42.985.
den uitbetaald, ook zal worden uitbetaald in
ken van rechtbanken en hoven een ander
de jaren 2009 en 2010. Fortis stelde daarvoor
oordeel is bereikt dan in de onderhavige
Hoge Raad
als voorwaarde dat zou worden afgezien van
zaak en dat een tegen een dergelijke uit-
In het principale beroep: onderdeel A klaagt
elke toekomstige aanvullende vordering. Van
spraak gericht cassatieberoep eerder is ver-
dat het hof niet deugdelijk gemotiveerd heeft
de oud-werknemers heeft 92% deze regeling
worpen (HR 21 juni 2013,
beslist op het in hoger beroep gehandhaafde
voor akkoord getekend.
ECLI:NL:HR:2013:BZ8363, RvdW 2013/832
verzoek van de vrouw om het door de man
(Rv art. 23)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
383
Rechtspraak
307
308
betrekken. De klacht slaagt. Indien het hof
30 januari 2015, nr. 14/00467
30 januari 2015, nr. 14/01997
het door de vrouw in hoger beroep gedane
(Mrs. C.A. Streefkerk, G. Snijders,
(Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-
verzoek heeft uitgelegd als niet mede betrek-
T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. E.M.
Spapens, C.E. Drion, G. Snijders en M.V.
king hebbend op genoemd bedrag van
Wesseling-van Gent)
Polak; A-G mr. P. Vlas)
€ 200.000, is zijn oordeel onbegrijpelijk, mede
ECLI:NL:HR:2015:182
ECLI:NL:HR:2015:186
kens zijn verweer het verzoek wel heeft opge-
Huwelijksgoederengemeenschap. Verdeling.
Curaçao. Nederlanderschap. Een Nederland-
vat als betrekking hebbend op dat bedrag.
Overbedelingsbedrag. HR: Enige middelen
se man erkent twee kinderen van een
Indien het hof heeft geoordeeld dat het
slagen. De HR doet de zaak zelf af door het
Dominicaanse moeder. Ten tijde van de
bedrag niet voor verrekening in aanmerking
overbedelingsbedrag te bepalen op € 6.980
erkenning is hij gehuwd met een andere
komt, is zijn oordeel eveneens onbegrijpelijk.
in plaats van op € 4497.
vrouw. Daarna scheidt hij van die andere
van de gezamenlijke rekening opgenomen
bedrag van € 200.000 in de verrekening te
gelet op de omstandigheid dat de man blij-
Zonder nadere motivering valt immers niet
in te zien waarom het door de vrouw opgeno-
vrouw en trouwt hij met de moeder van de
(BW art. 1:100)
men bedrag wel voor verrekening in aanmer-
kinderen. Hebben de kinderen het Nederlanderschap verkregen? HR: 1. Bekrachti-
king komt en het door de man opgenomen
De man, adv. mr. D.Th.J. van der Klei, vs. de
ging. Het oordeel van het hof dat de
bedrag niet.
vrouw, adv. mr. S. Kousedghi.
omstandigheden van dit geval het oordeel
Onderdeel C klaagt dat het hof ten onrechte
wettigen dat bekrachtiging van de erken-
geen gevolg heeft verbonden aan zijn over-
Feiten en procesverloop
ningen heeft plaatsgevonden, geeft geen
weging dat de door de rechtbank bepaalde
Partijen zijn in 1966 gehuwd.
blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is
taxatie niet meer hoeft plaats te vinden nu
In dit geding hebben partijen om echtschei-
niet onvoldoende gemotiveerd. 2. Bezit van
de man in hoger beroep akkoord is met de
ding verzocht en nevenverzoeken gedaan. Bij
staat. De bescherming die het bezit van
door de vrouw gestelde waarde van de
HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7513,
staat beoogt te bieden, komt ingeval het
woning van € 305.000. Ook deze klacht is
NJ 2006/76, is de toen bestreden beschikking
gaat om de erkenning door een gehuwde
terecht voorgesteld. De rechtbank heeft
van het hof vernietigd en de zaak teruggewe-
man, niet in strijd met de openbare orde.
bepaald dat de woning aan de vrouw zou
zen. Het geding na verwijzing betreft de ver-
worden toebedeeld onder de voorwaarde dat
deling van de ontbonden huwelijksgoederen-
(RWN art. 17; BWC art. 1:204 lid 1, aanhef en
zij binnen twee maanden na de taxatie aan-
gemeenschap. Het hof heeft deze verdeeld en
onder e, 1:209, 3:58 lid 1, 3:59; BW art. 1:209,
toont dat zij in staat is de woning te financie-
de man veroordeeld om aan de vrouw ter
3:58 lid 1, 3:59)
ren. Nu de door de rechtbank gestelde voor-
zake van overbedeling en na verrekening een
waarde van taxatie is vervallen, maar niet de
bedrag van € 4497 te betalen.
voorwaarde dat de vrouw aantoont dat zij de
De Staat der Nederlanden (Ministerie van
Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Natu-
woning kan financieren, had het hof een
Hoge Raad
ralisatiedienst), adv. mr. M.M. van Asperen,
nieuwe ingangsdatum behoren te bepalen
In het principale beroep: middel 4 klaagt dat
vs. A c.s., adv. mrs. D.M. de Knijff en M.S. van
van de termijn van twee maanden waarbin-
het hof ten onrechte de schulden van de man
der Keur.
nen de vrouw aan laatstgenoemde voorwaar-
ter zake van de inkomstenbelasting 2003 en
de moet voldoen.
de WAZ 2003 niet in de verdeling heeft
Feiten en procesverloop
In het incidentele beroep: het middel klaagt
betrokken. Het middel slaagt op de in de con-
Op 25 april 1994 heeft de man in de Domini-
dat het hof over het hoofd heeft gezien dat
clusie van de A-G weergegeven gronden.
caanse Republiek aangifte gedaan van de
de man ook heeft verzocht om vergoeding
In het incidentele beroep: middel I klaagt
geboorte van A c.s., die volgens de aangifte in
van wettelijke rente. De beschikking van het
terecht dat het dictum niet aansluit op de
dat land zijn geboren in respectievelijk 1984
hof houdt niets in omtrent de verzochte
overwegingen van het hof ter zake van een
en 1989. De man heeft A c.s. bij de aangiftes
wettelijke rente. In zoverre is de klacht
rentebedrag. Het hof heeft in strijd met zijn
tevens als zijn kinderen erkend. Ten tijde van
terecht voorgesteld.
kennelijke bedoeling verzuimd het rentebe-
de erkenningen had de man de Nederlandse
Opmerking verdient dat ingevolge art. 6:119
drag in zijn vaststelling van het door de
nationaliteit en had de moeder van A c.s. de
lid 1 BW wettelijke rente slechts verschul-
man te betalen bedrag te betrekken. Middel
Dominicaanse nationaliteit. De aangiftes zijn
digd is over de tijd dat de schuldenaar in
II komt terecht op tegen een tegenstrijdig-
tardief gedaan. Op de geboorteaktes staat
verzuim is geweest. Het onderhavige ver-
heid tussen de overwegingen van het hof
vermeld dat zij daarom zijn geratificeerd in
zoek van de man heeft betrekking op de ver-
ter zake van levensverzekeringspremies en
overeenstemming met een (Dominicaanse)
deling en verrekening van het saldo van de
het dictum. De Hoge Raad kan zelf de zaak
rechterlijke beschikking. Er zijn geen aanwij-
bankrekeningen van partijen. Zolang deze
afdoen. Het hof had, in plaats van de man
zingen dat A c.s. ten tijde van de erkennin-
verdeling niet definitief is vastgesteld, is de
te veroordelen tot betaling van € 4.497,
gen al een vader in juridische zin hadden.
vrouw niet in verzuim met de betaling van
hem moeten veroordelen tot betaling van
Vaststaat dat de man niet de biologische
het toegewezen bedrag (vgl. HR 15 februari
€ 4497 minus € 7735 plus € 8056 plus
vader van A c.s. is. Op 25 april 1994, de dag
2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387, NJ
€ 2162 = € 6980.
van de erkenningen, was de man nog
2008/108). Na verwijzing zal de zaak met
Volgt in het principale beroep en in het inci-
gehuwd met een andere vrouw dan de moe-
inachtneming hiervan opnieuw moeten
dentele beroep vernietiging, voor zover de
der van A c.s. Van deze vrouw is hij op 29
worden beoordeeld.
man is veroordeeld tot betaling van € 4497,
augustus 1994 gescheiden. Op 11 januari
Volgt in het principale en in het incidentele
en veroordeling van de man tot betaling van
1995 is hij in Curaçao getrouwd met de moe-
beroep vernietiging, overeenkomstig de con-
€ 6980, een en ander overeenkomstig de con-
der van A c.s. Van haar is hij gescheiden op
clusie van de A-G.
clusie van de A-G.
28 september 1998. A c.s. dragen sinds de
384
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
erkenningen de naam van de man. Zij staan
tweede onderdeel is ongegrond. De bescher-
onderhoud vast te stellen. De rechtbank
sinds december 1994 ingeschreven in het
ming die het zogeheten bezit van staat
heeft de bijdrage vastgesteld op nihil. Het
bevolkingsregister van Curaçao als kinderen
beoogt te bieden (art. 1:209 BWC, dat gelijklui-
hof heeft de bijdrage alsnog vastgesteld op
van de man. Sinds 1995 hebben zij steeds
dend is aan art. 1:209 BW) strekt zich in
€ 434 per maand.
een Nederlands paspoort ontvangen.
beginsel mede uit tot aktes die gebrekkig zijn
In dit geding hebben A c.s. op de voet van
als gevolg van de nietigheid van de daarin
Hoge Raad
art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap ver-
vastgelegde rechtshandeling. Dat geldt ook
Onderdeel 1 klaagt dat het hof de behoefte
zocht dat wordt vastgesteld dat zij op de
als het een buitenlandse akte betreft (HR 9
van de vrouw onjuist heeft berekend. Deze
datum van de erkenning de Nederlandse
maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, NJ
klacht is gegrond. Wanneer de door het hof
nationaliteit hebben verkregen. Het hof heeft
2012/291). Die bescherming komt ingeval het
per post vastgestelde bedragen bij elkaar wor-
dit verzoek toegewezen op twee gronden:
gaat om de erkenning door een gehuwde
den opgeteld, resulteert dit in een bedrag van
a. de erkenningen zijn weliswaar nietig,
man, niet in strijd met de openbare orde (vgl.
€ 2079 en niet, zoals het hof heeft berekend,
maar zij zijn op grond van art. 3:58 lid 1
art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BWC, dat
in een bedrag van € 2529. Gelet op het door
van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao
die erkenning soms toelaat; in Nederland
het hof vastgestelde netto besteedbaar inko-
(BWC) bekrachtigd.
geldt inmiddels in het geheel geen erken-
men van de vrouw van € 2113 per maand,
b. het uiterlijk ‘bezit van staat’ van A c.s.
ningsverbod meer voor de gehuwde man).
had het hof dan ook tot het oordeel moeten
leidt ertoe dat de staat volgens de geboorte-
Het derde onderdeel voert aan dat noch
komen dat de vrouw geen behoefte heeft aan
akte niet meer kan worden betwist (art.
bekrachtiging noch het bezit van staat een
een bijdrage van de man. Dit brengt mee dat
1:209 BWC).
wijze van verkrijging van het Nederlander-
het verzoek van de vrouw dient te worden
schap is. Ook dit onderdeel kan niet tot cassa-
afgewezen. Verwijzing dient te volgen tenein-
Hoge Raad
tie leiden. Het oordeel van het hof dat A c.s.
de vast te stellen of op de vrouw een terugbe-
Het eerste onderdeel is ongegrond. Het hof
het Nederlanderschap hebben verkregen,
talingsverplichting rust ter zake van door de
heeft terecht geoordeeld dat art. 3:58 lid 1
berust immers niet op de bekrachtiging van
man ter uitvoering van de beschikking van
BWC (dat gelijkluidend is aan art. 3:58 lid 1
de erkenningen of het bezit van staat als
het hof aan de vrouw betaalde bijdragen in
BW) op grond van art. 3:59 BWC (dat gelijklui-
zodanig, maar op het vaderschap van de man
haar levensonderhoud (vgl. HR 25 april 2014,
dend is aan art. 3:59 BW) overeenkomstig kan
en diens Nederlanderschap.
ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225).
worden toegepast op de erkenning van kinde-
Volgt verwerping, overeenkomstig de conclu-
Volgt vernietiging en verwijzing.
ren, nu de aard van die rechtshandeling en de
sie van de A-G.
De A-G concludeert tot vernietiging en afdoe-
aard van de rechtsbetrekking tussen de man
De A-G geeft onder 2.3-2.9 een overzicht van
ning door de Hoge Raad door afwijzing van
die het kind het erkent, en het kind zich daar-
relevante bepalingen van het BW van de
het verzoek.
tegen in beginsel niet verzetten. Dit is anders
Nederlandse Antillen, het BW van Curaçao en
in de gevallen waarin bekrachtiging van een
het BW van Nederland en besteedt onder
nietige erkenning in strijd zou komen met
2.16-2.17 aandacht aan bepalingen van over-
het belang van het kind. Dat daarvan in het
gangsrecht.
onderhavige geval sprake is, is evenwel niet
aangevoerd. Art. 3:58 lid 1 BWC bepaalt dat
wanneer eerst na het verrichten van een
310
30 januari 2015, nr. 14/04908
309
rechtshandeling een voor haar geldigheid
(Mrs. C.A. Streefkerk, M.V. Polak, T.H. Tanjavan den Broek; A-G mr. L. Timmerman)
ECLI:NL:HR:2015:189
gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar
30 januari 2015, nr. 14/02365
alle onmiddellijk belanghebbenden die zich
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V. Polak,
Schuldsanering. Onverschoonbare termijn-
op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de
T.H. Tanja van den Broek; A-G mr. P. Vlas)
overschrijding. Belang. Vervolg op
tussen de handeling en de vervulling van het
ECLI:NL:HR:2015:177
HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682,
vereiste liggende tijdsruimte de handeling als
NJ 2014/359. HR: Weliswaar slaagt de klacht
geldig hebben aangemerkt, de rechtshande-
Partneralimentatie. Terugbetalingsverplich-
tegen het oordeel van het hof dat de over-
ling daarmee is bekrachtigd. Het oordeel van
ting. HR: Het hof heeft een rekenfout
schrijding van de appeltermijn niet ver-
het hof dat de omstandigheden van dit geval
gemaakt. Het had tot het oordeel moeten
schoonbaar is, maar verzoeker heeft geen
het oordeel wettigen dat aldus bekrachtiging
komen dat de vrouw geen behoefte heeft
belang bij vernietiging, omdat de klacht
van de erkenningen heeft plaatsgevonden,
aan een bijdrage van de man. Haar verzoek
tegen het oordeel van het hof dat het hoger
geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvat-
dient te worden afgewezen. Verwijzing dient
beroep, indien ontvankelijk, niet slaagt,
ting en is niet onvoldoende gemotiveerd. Die
te volgen teneinde vast te stellen of op de
tevergeefs is voorgesteld.
omstandigheden komen immers erop neer
vrouw een terugbetalingsverplichting rust.
dat geen van de onmiddellijk belanghebbenden zich in het tijdvak tussen het verrichten
(BW art. 3:303; Fw art. 351 lid 1)
(BW art. 1:157)
van de onderhavige rechtshandeling (de
X, adv. mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
erkenning) en de vervulling van een voor
De man, adv. mr. J.P. Heering, vs. de vrouw,
haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste (dat
niet verschenen.
de man niet is gehuwd met een ander dan de
Feiten en procesverloop
Bij vonnis van 26 april 2012 is ten aanzien
moeder), op de nietigheid heeft beroepen of
Feiten en procesverloop
van X de schuldsaneringsregeling van toe-
zich heeft gedragen op een wijze die onver-
Partijen zijn in 2001 gehuwd en in 2013
passing verklaard.
enigbaar is met de geldigheid van de erken-
gescheiden.
In dit geding heeft de rechtbank bij vonnis
ning (vgl. HR 28 november 2014,
In dit geding heeft de vrouw verzocht ten
van 10 oktober 2013 op voordracht van de
ECLI:NL:HR:2014:3460, RvdW 2015/3). Ook het
laste van de man een bijdrage in haar levens-
rechter-commissaris de toepassing van de
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
385
Rechtspraak
schuldsaneringsregeling beëindigd. Het hof
Betrokkene, adv. mr. G.E.M. Later, vs. de offi-
moeten bezoeken in ‘een’ penitentiaire inrich-
heeft X niet-ontvankelijk verklaard in zijn
cier van justitie, niet verschenen.
ting, ziet het eraan voorbij dat betrokkene
weliswaar in een penitentiaire inrichting ver-
hoger beroep wegens onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Bij HR 11
Feiten en procesverloop
bleef ten tijde van de mondelinge behande-
juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359,
De officier van justitie heeft een voorlopige
ling, maar dat niet is gesteld of gebleken dat
is het arrest van het hof vernietigd en de
machtiging verzocht. Bij het verzoek is een
betrokkene ook reeds in een penitentiaire
zaak teruggewezen. Het hof heeft X opnieuw
verklaring overgelegd van een psychiater die
inrichting verbleef in de periode voordat de
niet-ontvankelijk verklaard wegens onver-
niet bij de behandeling betrokken was. Blij-
geneeskundige verklaring werd opgemaakt.
schoonbare termijnoverschrijding, en ten
kens deze verklaring heeft de psychiater geen
Het middel faalt dus.
overvloede overwogen dat, indien X in zijn
direct contact met de betrokkene gehad. De
Volgt verwerping.
beroep had kunnen worden ontvangen, dat
rechtbank heeft de machtiging verleend.
De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing. Hij meent dat in gevallen als de
niet tot vernietiging van het vonnis zou hebben kunnen leiden, omdat X toerekenbaar is
Hoge Raad
onderhavige de psychiater aanwezig moet
tekortgeschoten in de nakoming van zijn
Bij de beoordeling van het middel wordt het
zijn bij de mondelinge behandeling door de
informatie- en afdrachtverplichting.
volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 5 lid 1
rechter (onder 2.9).
Wet Bopz moet de officier van justitie bij het
Hoge Raad
indienen van een verzoek tot het verlenen
Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel dat
van een voorlopige machtiging een verkla-
de termijnoverschrijding niet verschoonbaar
ring overleggen van een psychiater die de
is. Het slaagt op de in de conclusie van de A-G
betrokkene kort tevoren heeft onderzocht,
30 januari 2015, nr. 14/05285
weergegeven gronden. X heeft echter geen
maar niet bij de behandeling betrokken was.
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens,
belang bij vernietiging van de beslissing van
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad
G. Snijders, M.V. Polak; A-G mr. F.F.
het hof. Zoals hierna zal blijken, komt onder-
dient de psychiater de betrokkene persoonlijk
Langemeijer)
deel 2 immers tevergeefs op tegen het oor-
te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de
ECLI:NL:HR:2015:188
deel van het hof dat het hoger beroep, indien
betrokkene in een direct contact spreekt en
wel ontvankelijk, niet tot vernietiging van het
observeert. In gevallen waarin de betrokkene
Wet Bopz. Bereidheid zich te doen horen.
vonnis van de rechtbank zou hebben kunnen
niet meewerkt aan het in art. 5 lid 1 Wet Bopz
HR: De door de rechtbank vermelde
leiden, omdat X toerekenbaar is tekortgescho-
bedoelde onderzoek, moet de psychiater doen
omstandigheden zijn onvoldoende voor het
ten in de nakoming van zijn informatie- en
wat redelijkerwijs van hem kan worden ver-
oordeel dat betrokkene niet bereid was zich
afdrachtverplichting. Na cassatie en verwij-
wacht om het vereiste onderzoek te doen
te doen horen.
zing zou dan ook geen andere beslissing kun-
plaatsvinden (vgl. HR 21 februari 2003,
nen volgen dan bekrachtiging van de beslis-
ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484). De
sing van de rechtbank.
rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende is
Onderdeel 2: art. 81 lid 1 RO.
getracht om betrokkene persoonlijk te onder-
Betrokkene, adv. mr. G.E.M. Later, vs. de offi-
Volgt verwerping, overeenkomstig de conclu-
zoeken. Zij heeft daaraan ten grondslag
cier van justitie, niet verschenen.
sie van de A-G.
gelegd dat betrokkene door de psychiater drie
312
(Wet Bopz art. 8 lid 1, 14a)
keer schriftelijk is uitgenodigd om op kan-
Feiten en procesverloop
toor te verschijnen, maar dat betrokkene geen
De officier van justitie heeft een voorwaarde-
gehoor heeft gegeven aan die uitnodigingen,
lijke machtiging verzocht. Op 17 juli 2014
alsmede dat onderzoek van betrokkene in de
heeft een zitting plaatsgevonden. Daarbij was
30 januari 2015, nr. 14/04966
thuissituatie niet verantwoord was te achten,
betrokkene niet aanwezig. Het proces-verbaal
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens,
gelet op de verklaring van de sociaal-psychia-
van de zitting houdt als verklaring van de
C.E. Drion, T.H. Tanja-van den Broek; A-G
trisch verpleegkundige dat betrokkene hem
advocaat onder meer in dat geen begeleider
mr. F.F. Langemeijer)
‘onlangs’ bij een huisbezoek had aangevallen.
beschikbaar was om met betrokkene mee te
ECLI:NL:HR:2015:187
Blijkens de gedingstukken heeft noch betrok-
gaan naar de rechtbank, en voorts: ‘Betrokke-
kene noch zijn advocaat in feitelijke aanleg
ne is niet in staat alleen naar de rechtbank te
Wet Bopz. Onderzoek door een psychiater.
betwist dat betrokkene de uitnodigingen van
komen. Hij wil wel de rechter spreken.’ De
HR: In gevallen waarin de betrokkene niet
de psychiater heeft ontvangen en is door hen
rechtbank heeft de behandeling aangehou-
meewerkt aan het in art. 5 lid 1 Wet Bopz
geen verklaring gegeven voor het feit dat
den. Bij aangetekende brief van 17 juli 2014
bedoelde onderzoek, moet de psychiater
betrokkene aan die uitnodigingen geen
is betrokkene opgeroepen om op 21 juli 2014
doen wat redelijkerwijs van hem kan wor-
gehoor heeft gegeven. Voorts heeft betrokke-
te 9.30 uur te worden gehoord in zijn woning
den verwacht om het vereiste onderzoek te
ne niet betwist dat zich het hiervoor vermel-
(in RIBW De Rijswijk). Op 21 juli 2014 heeft
doen plaatsvinden. Het oordeel van de
de incident heeft voorgedaan toen de sociaal-
de mondelinge behandeling daar plaatsge-
rechtbank dat de psychiater in dit geval
psychiatrisch verpleegkundige hem thuis
vonden. Betrokkene is niet verschenen. De
heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar
bezocht. Tegen deze achtergrond geeft het
rechtbank heeft de machtiging verleend.
kon worden verwacht, geeft geen blijk van
oordeel van de rechtbank erop neerkomende
een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbe-
dat de psychiater heeft gedaan wat redelijker-
Hoge Raad
grijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
wijs van haar kon worden verwacht, geen blijk
Bij de beoordeling van de klacht wordt het
van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel
volgende vooropgesteld. Art. 8 lid 1 Wet Bopz
van de rechtbank is niet onbegrijpelijk en is
bepaalt dat de rechter degene hoort ten aan-
toereikend gemotiveerd. Voor zover het mid-
zien van wie de machtiging is verzocht, tenzij
del klaagt dat de psychiater betrokkene had
de rechter vaststelt dat de betrokkene niet
311
(Wet Bopz art. 2, 5 lid 1)
386
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
bereid is zich te doen horen. Volgens vaste
Hoge Raad (strafkamer)
schip aldaar heeft gevaren en toen niet alle
rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder
Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr.
voorzorgsmaatregelen die volgens het gewo-
meer HR 14 februari 1997,
P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar
ne zeemansgebruik en/of door de bijzondere
ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378) gaat
straf(proces)recht Radboud Universiteit
omstandigheden waarin het schip zich
het hier om meer dan hetgeen reeds voort-
Nijmegen.
bevond, geboden waren, heeft genomen en
[…]’
vloeit uit het fundamentele beginsel van een
behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de
gelegenheid moet krijgen om haar standpunt
313
Het Hof heeft wat betreft het ontslag van alle
rechtsvervolging onder meer overwogen:
‘Voor Nederland is sinds 15 juli 1977 het Ver-
naar voren te brengen voordat de rechter een
beslissing neemt. Ook dient immers zoveel
27 januari 2015, nr. 14/00161
drag inzake de Internationale Bepalingen ter
mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet
(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin
voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder
Lohman, Y. Buruma)
(Trb. 1974, 51) van kracht. Op grond van arti-
dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter
(Na conclusie van A-G mr. F.W. Bleichrodt,
kel I van dit verdrag zijn de verdragspartijen
wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond
strekkende tot verwerping; OM-cassatie,
verplicht uitvoering te geven aan de daaraan
dat de onderzoeksplicht van de rechter naar
tegengesproken door adv. mr. J.A. Hoekstra,
gehechte Internationale Bepalingen ter Voor-
de bereidheid van de betrokkene om zich te
Amsterdam)
koming van Aanvaringen op Zee. In de nota
doen horen en de motivering van zijn vast-
ECLI:NL:HR:2015:135
van toelichting op het Besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing ver-
stelling dat die bereidheid niet aanwezig was,
moeten worden beoordeeld (vgl. HR 17 okto-
Rechtsmacht feit op volle zee: onjuist is de
klaren van de Internationale Bepalingen ter
ber 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471).
opvatting dat omdat het feit (een bijna aan-
voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
De rechtbank heeft haar oordeel dat betrok-
varing) zich heeft voorgedaan op het Neder-
(Stb. 502) is overwogen dat aan de formele
kene niet bereid was zich te doen horen,
lands deel van het Continentaal Plat, op
verplichting om uitvoering te geven aan de
gegrond op de omstandigheden dat betrokke-
grond van art. 1 lid 2 Besluit toepassingver-
Internationale Bepalingen ruimschoots
ne behoorlijk is opgeroepen, dat de advocaat
klaring Internationale Bepalingen ter voor-
wordt voldaan door deze van toepassing te
van betrokkene ter zitting heeft verklaard dat
koming van aanvaringen op zee, toepassing
verklaren binnen de Nederlandse rechtsorde
zij betrokkene op de hoogte had gesteld van
kan worden gegeven aan de Wet Installaties
op de wijze als is geschied in artikel 1 van dit
datum, tijdstip en plaats van de mondelinge
Noordzee, ingevolge welke wet rechtsmacht
Besluit. […] De in artikel 4 van het Besluit
behandeling, en de mededeling van de per-
bestaat voor strafbare feiten gepleegd op
vastgestelde lijn betreft slechts een nieuwe
soonlijk begeleidster van betrokkene dat
het Nederlands deel van het Continentaal
binnengrens van het toepassingsgebied van
betrokkene ’s ochtends nog in het gebouw
Plat. De bepaling van rechtsmacht strekt
de Internationale Bepalingen. Gelet op het
aanwezig was, maar inmiddels was vertrok-
zich slechts uit tot de overtreding van voor-
voorgaande is het hof van oordeel dat over-
ken. In het licht van het grote belang dat
schriften die strafbaar zijn en naar uit het
treding van de Internationale Bepalingen ter
moet worden gehecht aan het horen van
voorgaande volgt is daarvan voor een
voorkoming van aanvaringen op zee, 1972,
betrokkene, zoals hiervoor overwogen, zijn de
vreemd schip op dat deel van de volle zee
begaan door/op vreemde schepen alleen een
door de rechtbank vermelde omstandigheden
geen sprake.
strafbaar feit naar Nederlands recht oplevert
indien die overtreding in de Nederlandse
onvoldoende voor het oordeel dat betrokkene
niet bereid was zich te doen horen. Daarbij
(Verdrag inzake de Internationale Bepalingen
territoriale zee is begaan. Dat artikel 2 van de
neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de
ter voorkoming van aanvaringen op zee,
Wet installaties Noordzee bepaalt dat de
advocaat op 17 juli 2014 heeft medegedeeld
1972 (Trb. 1974, 51) art. 2, 5, 6, 7 en/of 8;
Nederlandse strafwet (ook) van toepassing is
dat betrokkene de rechter wilde spreken.
Scheepvaartverkeerswet art. 20, 31; Besluit
op ieder die zich op of met betrekking tot
Volgt vernietiging en terugwijzing, overeen-
toepassingsverklaring internationale bepalin-
een installatie ter zee aan enig strafbaar feit
komstig de conclusie van de A-G.
gen ter voorkoming van aanvaringen op zee
schuldig maakt, doet daaraan niet af. Het
De A-G meent onder 2.8 dat er in dit geval te
1972 art. 1, 5)
voorgaande betekent dat de verdachte dient
veel contra-indicaties waren om te kunnen
te worden ontslagen van alle rechtsvervol-
oordelen dat betrokkene niet bereid was zich
Inleiding:
ging ter zake van feit 2.’
te doen horen.
De verdachte heeft met zijn onder Duitse
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte,
vlag varende en zeevarende vissersschip ‘[A]’
althans ontoereikend gemotiveerd, heeft
een bijna-aanvaring gehad met een Neder-
geoordeeld dat art. 2 Wet installaties Noord-
lands boorplatform dat zich buiten de Neder-
zee niet afdoet aan het oordeel dat een door
landse territoriale wateren bevond op het
een vreemd schip begane overtreding op het
Nederlands deel van het Continentaal Plat.
Nederlands deel van het Continentaal Plat
Verdachte is onder meer ontslagen van alle
niet strafbaar is.
rechtsvervolging van het onder 2 bewezen
verklaarde feit.
Verdragsrechtelijk en wettelijk kader:
De bewenverklaring van feit 2 houdt – kort
Voor de beoordeling van het middel zijn in
gezegd – in dat hij ‘op de Noordzee, buiten de
het bijzonder de volgende wettelijke bepalin-
Nederlandse territoriale wateren, in volle zee,
gen van belang, zoals die golden ten tijde van
te weten op het Nederlands gedeelte van het
het bewezenverklaarde feit.
Continentaal Plat, in of nabij de positie
- Art. 20 Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988,
52.21.35 NB 03.20.31 OL, als schipper van het
352): ‘1. Bij algemene maatregel van bestuur
onder Duitse vlag varende zeegaande visser-
kunnen, ter uitvoering van verdragen of
schip [001], genaamd [A], met dat vissers-
besluiten van volkenrechtelijke organisaties
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
387
Rechtspraak
voor zover die het Koninkrijk binden, regels
- Art. 1 Wet installaties Noordzee (Stb. 1964,
ging in de zin van art. 351 Sv: indien de
worden gesteld met betrekking tot het deel-
447): ‘In deze wet worden onder installaties ter
bestreden uitspraak door de Hoge Raad wat
nemen aan het scheepvaartverkeer door
zee verstaan: installaties opgericht buiten de
betreft de strafoplegging wordt vernietigd,
Nederlandse zeeschepen: a. in volle zee; b. op
territoriale wateren op de bodem van het deel
zijn in die vernietiging in beginsel en
alle niet-Nederlandse wateren die met de vol-
van de Noordzee waarvan de grenzen samen-
tenzij in het arrest anders is vermeld,
le zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn
vallen met die van het aan Nederland toeko-
begrepen alle in de bestreden uitspraak
voor zeegaande schepen. 2. Het bepaalde in
mende gedeelte van het continentale plat.’
genomen beslissingen als bedoeld in art.
het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepas-
- Art. 2 Wet installaties Noordzee: ‘De Neder-
351 Sv omtrent de oplegging van een straf
sing, voorzover door de voor die wateren
landse strafwet is toepasselijk op ieder die
en/of maatregel (vgl. HR 26 november
daartoe bevoegde autoriteiten afwijkende
zich op of met betrekking tot een installatie
2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42).
regels zijn gesteld.’
ter zee aan enig strafbaar feit schuldig maakt.’
In casu ziet de Hoge Raad vanwege de
belangen van de benadeelde partijen reden
- Art. 31, zevende lid, Scheepvaartverkeerswet: ‘Overtreding met een Nederlands schip
Hoge Raad, onder meer:
hierop een uitzondering te maken voor de
van de krachtens artikel 20, eerste lid, gestel-
3.3. De tenlastelegging is toegesneden op de
opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
de regels, begaan in volle zee of op een ander
overtreding van art. 20 en 31, zevende lid,
in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, bedoeld
Scheepvaartverkeerswet in verbinding met
water waarop die regels ten aanzien van dat
art. 1 en 5 Besluit en de voorschriften 2, 5, 6,
schip van toepassing zijn, wordt gestraft met
7 en/of 8 van het Verdrag inzake de Internati-
Inleiding:
hechtenis van ten hoogste twee maanden of
onale Bepalingen ter voorkoming van aanva-
Verdachte is veroordeeld omdat hij – kort
geldboete van de derde categorie.’
ringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51), hierna:
gezegd – ‘ter uitvoering van het door ver-
- Art. 1 Besluit toepassingverklaring Interna-
het Verdrag.
dachte voorgenomen misdrijf om opzette-
tionale Bepalingen ter voorkoming van aan-
3.4. Het middel berust op de opvatting dat,
lijk [verbalisant 1], agent van politie, en
varingen op zee, 1972 (Stb. 1989, 502), hier-
nu het feit zich heeft voorgedaan op het
[verbalisant 2], brigadier van politie, van
na: Besluit: ‘1. De voor Nederland van kracht
Nederlands deel van het Continentaal Plat op
het leven te beroven, met dat opzet met een
zijnde Internationale Bepalingen ter voorko-
grond van het tweede lid van art. 1 van het
door hem, verdachte, bestuurde personen-
ming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld
Besluit toepassing kan worden gegeven aan
auto met zeer hoge snelheid op de A73
in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te
de Wet Installaties Noordzee, ingevolge welke
heeft gereden en vervolgens meerma-
Londen tot stand gekomen Verdrag inzake
wet rechtsmacht bestaat voor strafbare feiten
len terwijl links naast dan wel links kort
de Internationale Bepalingen ter voorko-
gepleegd op het Nederlands deel van het
achter hem een motorrijtuig (politieauto
ming van aanvaringen op zee, 1972, (Trb.
Continentaal Plat. Die opvatting is onjuist. De
met in werking zijnde optische- en geluids-
1974, 51) zoals gewijzigd, zijn van toepas-
bepaling van rechtsmacht strekt zich slechts
ignalen) waarin genoemde [verbalisant 1]
sing op: a. alle schepen die in Nederland zijn
uit tot de overtreding van voorschriften die
en [verbalisant 2] gezeten waren, reed de
geregistreerd of die gerechtigd zijn de
strafbaar zijn en naar uit het voorgaande
door hem, verdachte, bestuurde personen-
Nederlandse vlag te voeren, met uitzonde-
volgt is daarvan voor een vreemd schip op
auto naar links heeft gestuurd in de rich-
ring van schepen die het recht daartoe ont-
dat deel van de volle zee geen sprake.
ting van voornoemde politieauto, terwijl de
lenen aan de regels die in de Nederlandse
3.5. Het middel faalt.
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf
Antillen of in Aruba terzake gelden: 1°in
volle zee; 2°in de Nederlandse territoriale
zee waaronder begrepen de wateren zee-
(Sr art. 45, 287; Sv art. 351)
niet is voltooid.’
314
waarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn;
De verdediging heeft omtrent het onder 2
ten laste gelegde feit betoogd dat geen sprake is van een aanmerkelijke kans dat er een
3°op alle niet-Nederlandse wateren die met
27 januari 2015, nr. 13/04420
ongeluk zou kunnen plaatsvinden dat de
de volle zee in verbinding staan en bevaar-
ECLI:NL:HR:2015:132
dood tot gevolg zou kunnen hebben. De
baar zijn voor zeegaande schepen; b. alle
raadsvrouwe heeft in dat verband verwezen
andere schepen in de Nederlandse territori-
(Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-
naar het Porsche-arrest
ale zee waaronder begrepen de wateren zee-
van Kan, Y. Buruma)
(ECLI:NL:HR:1996:ZD0139).
waarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn.
(Na conclusie van A-G mr. G. Knigge,
Het hof heeft ten aanzien van de bewezen-
2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en
strekkende tot vernietiging wat betreft de
verklaring onder meer overwogen: ‘In onder-
onder a, ten 2° en onder b, is niet van toe-
beslissingen omtrent de onder 2 tenlaste-
havig geval heeft verdachte zo blijkt uit de
passing voor zover bij of krachtens de wet
gelegde feiten en de strafoplegging, en
gebezigde bewijsmiddelen geen gevolg gege-
dan wel bij of krachtens een voor Nederland
in zoverre tot terugwijzing dan wel
ven aan de aanwijzingen van de achtervol-
van kracht zijnd verdrag of besluit van een
verwijzing; adv. mr. J.C. Oudijk, Venlo)
gende verbalisanten om het voertuig tot
volkenrechtelijke organisatie afwijkende
ECLI:NL:HR:2015:132
stilstand te brengen. Verdachte wilde kenne-
voorschriften zijn vastgesteld. (...)’
lijk ontkomen aan zijn aanhouding. Ver-
- Art. 4 van het Besluit: ‘De in artikel 1, eerste
Voorwaardelijk opzet poging doodslag bij
dachte heeft meerdere malen, rijdende met
lid, bedoelde lijn is de langs de Nederlandse
sturen in richting van politievoertuig: in
een zeer hoge snelheid van circa 140 km/u,
kust gaande lijn (...).’
casu kan voorwaardelijk opzet niet zonder
de door hem bestuurde personenauto naar
- Art. 5 van het Besluit: ‘1. Overtreding van de
meer uit de bewijsvoering worden afgeleid,
links gestuurd. Dit terwijl hij wist dat het
tot de Internationale Bepalingen ter voorko-
mede in aanmerking genomen dat het hof
voertuig van verbalisanten [verbalisant 1]
ming van aanvaringen op zee, 1972, behoren-
niets heeft vastgesteld waaruit kan volgen
en [verbalisant 2] zich met nagenoeg dezelf-
de Voorschriften 2, onder a, 5 tot en met 7, 8
dat en in welke mate een ongeval met
de snelheid naast hem dan wel kort achter
onder a, b en d tot en met f, (...) is een straf-
dodelijke afloop waarschijnlijk was.
hem bevond. Er waren geen obstakels op de
baar feit.’
Vernietiging in cassatie van de strafopleg-
weghelft waar verdachte reed die maakten
388
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
dat verdachte uit moest wijken naar de lin-
dat als volgt moet worden beslist.
raadsvrouw gebeld. Door een medewerkster
kerweghelft. Door deze gedragingen heeft
5. Beslissing
van het kantoor is aan de griffier medege-
verdachte willens en wetens de aanmerkelij-
De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uit-
deeld dat de raadsvrouw niet is opgeroepen
ke kans aanvaard dat door zijn gedragingen
spraak maar uitsluitend wat betreft de beslis-
en dat zij in verband met een andere zaak een dusdanig ongeval zou kunnen plaats-
singen ter zake van het onder 2 primair ten-
momenteel niet op kantoor is. De voorzitter
vinden dat de bestuurder van de politieauto
lastegelegde feit en de strafoplegging, in
stelt vast dat de dagvaarding hoger
en diens bijrijder zouden kunnen komen te
welke vernietiging niet is begrepen de aan de
beroep overeenkomstig het bepaalde in arti-
overlijden. Indien twee auto’s met de gege-
verdachte opgelegde schadevergoedings-
kel 588 van het Wetboek van Strafvordering ven snelheid met elkaar in aanraking
maatregelen ten behoeve van [betrokkene 1]
op 26 juni 2013 op correcte wijze is uitge-
komen is naar algemene ervaringsregels de
(feit 1) respectievelijk [A] BV (feit 4); wijst de
reikt aan de griffier van de rechtbank ’s-Gra-
kans aanmerkelijk dat er een dusdanig
zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogen-
venhage, met verzending op diezelfde datum
ongeval zal plaatsvinden dat een bestuurder
bosch, opdat de zaak in zoverre op het
van een afschrift van de dagvaarding aan
en bijrijder komen te overlijden. Hetgeen de
bestaande hoger beroep opnieuw wordt
het gba-adres van de verdachte. Het
raadsvrouwe heeft aangevoerd ten aanzien
berecht en afgedaan; verwerpt het beroep
gerechtshof verleent verstek tegen de niet-
van onder meer de zwaarte en grootte van
voor het overige.
verschenen verdachte.’
Het middel keert zich tegen het oordeel van
de beide auto’s, de geoefendheid van de
bestuurder en het feit dat een botsing kon
worden voorkomen door uit te wijken dan
315
het hof dat de raadsvrouwe van de verdachte
behoorlijk is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep en klaagt dat het hof de
wel af te remmen, doet daar niet aan af. Het
beroep van de verdediging op het Porsche-
27 januari 2015, nr. 14/00040
behandeling van de zaak niet buiten tegen-
arrest verwerpt het hof nu het in het
(Mrs. A.J.A. van Dorst, H.A.G. Splinter-van
woordigheid van de raadsvrouwe bij verstek
genoemde arrest een voor alle betrokkenen
Kan, V. van den Brink)
had mogen behandelen en afdoen.
levensgevaarlijke verkeersmanoeuvre betrof,
(Na conclusie van A-G mr. A.E. Harteveld,
terwijl het in het onderhavige geval gaat om
strekkende tot vernietiging en terugwij-
Hoge Raad, onder meer:
doelbewuste, tegen verbalisanten gerichte
zing; adv. mr. M.J.N. Vermeij, ’s-Gravenhage)
2.4. De stukken van het geding, waaronder de
geweldshandelingen, gericht op het voorko-
ECLI:NL:HR:2015:118
hiervoor onder 2.2 sub (ii) genoemde kennis-
men van aanhouding. Het hof verwerpt het
geving van de Advocaat-Generaal bij het Hof
verweer van de verdediging.’
Verzending afschrift appeldagvaarding
aan mr. A.A. Holleeder omtrent het tijdstip van
Het middel behelst de klacht dat de bewezen-
aan raadsvrouwe, art. 51 Sv: wanneer de
de terechtzitting, wekken niet het vermoeden
verklaring onder 2 wat betreft het (voorwaar-
stukken van het geding niet het vermoe-
dat wat betreft de appeldagvaarding niet is
delijk) opzet op de dood van de verbalisanten
den wekken dat wat betreft de appeldag-
voldaan aan (de strekking van) het voorschrift
niet naar behoren is gemotiveerd.
vaarding niet is voldaan aan (de strekking
van art. 51 Sv. Het Hof had daarom ook zonder
van) het voorschrift van art. 51 Sv, mag
nader te hebben onderzocht of daadwerkelijk
Hoge Raad, onder meer:
zonder nader te onderzoeken of daadwer-
een afschrift van de appeldagvaarding aan de
2.3. Uit de bewijsvoering kan het in de bewe-
kelijk een afschrift van de appeldagvaar-
raadsvrouwe was verzonden, mogen aanne-
zenverklaring omschreven opzet van de ver-
ding aan de raadsvrouwe is verzonden,
men dat art. 51 Sv was nageleefd. Het Hof
dachte niet zonder meer worden afgeleid,
worden aangenomen dat art. 51 Sv is
heeft echter de griffier doen informeren naar
mede in aanmerking genomen dat het Hof
nageleefd. Nu het hof in casu echter heeft
de reden van de afwezigheid van de raadsvrou-
niets heeft vastgesteld waaruit kan volgen
doen informeren naar de reden van de
we. Daartoe is zijdens de raadsvrouwe als
dat en in welke mate een ongeval met dode-
afwezigheid van de raadsvrouwe, zijdens
reden opgegeven dat zij de meergenoemde
lijk afloop waarschijnlijk was. De bewezen-
welke vervolgens is aangegeven dat zij de
kennisgeving niet had ontvangen. Bij die stand
verklaring is ontoereikend gemotiveerd.
kennisgeving niet had ontvangen, mocht
van zaken is het niet nader gemotiveerde oor-
2.4. Het middel is terecht voorgesteld.
het hof niet ongemotiveerd aannemen dat
deel van het Hof dat art. 51 Sv is nageleefd
(…)
art. 51 Sv is nageleefd.
niet zonder meer begrijpelijk.
2.5. Het middel is gegrond.
4. Slotsom
(…)
(Sv art. 51)
Volgt vernietiging en terugwijzing.
Indien de bestreden uitspraak door de Hoge
Raad wat betreft de strafoplegging wordt
Inleiding:
vernietigd, zijn in die vernietiging in
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzit-
beginsel en tenzij in het arrest anders is
ting in hoger beroep van 17 juli 2013 is
vermeld, begrepen alle in de bestreden
aldaar de verdachte noch diens raadsvrouwe
27 januari 2015, nr. 13/02326
uitspraak genomen beslissingen als
verschenen. Dat proces-verbaal houdt het
(Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-
bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging
volgende in: ‘De verdachte, gedagvaard als:
van Kan, Y. Buruma)
van een straf en/of maatregel (vgl. HR 26
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op
(Na conclusie van A-G mr. P.C. Vegter, strek-
november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ
[geboortedatum] 1986, adres: [a-straat 1] te
kende tot vernietiging en terugwijzing; adv.
2014/42). In het onderhavige geval ziet de
[woonplaats], is niet ter terechtzitting ver-
mr. Th.J. Kelder, ’s-Gravenhage)
Hoge Raad aanleiding met het oog op de
schenen. De raadsvrouw van de verdachte,
ECLI:NL:HR:2015:133
belangen van de benadeelde partijen een
mr. A.A. Holleeder, is hoewel bij brief van 31
uitzondering te maken voor de met
mei 2013 behoorlijk opgeroepen niet ter
Gebrekkige motivering doordat daarin
betrekking tot feit 1 en feit 4 opgelegde
terechtzitting verschenen. (...) De griffier
opgenomen zinsneden niet worden
schadevergoedingsmaatregelen.
heeft getracht de raadsvrouw telefonisch te
geschraagd door de op de zogenoemde Pro-
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee
bereiken. Zij heeft naar het kantoor van de
mis-wijze samengevatte bewijsmiddelen: dit
316
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
389
Rechtspraak
leidt in casu bij gebrek aan belang niet tot
- met een schaar plukken haar van [betrokke-
te respecteren belang heeft bij vernietiging
cassatie, omdat ook indien deze zinsneden
ne 1] afgeknipt en
van het arrest en een nieuwe behandeling.
uit de bewezenverklaring worden geschrapt,
- tegen [betrokkene 1] gezegd dat ze in een
2.6.3. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
niet kan worden gezegd dat daarmee aan de
bestelbus moest stappen en (...); (...)
aard en ernst van het bewezenverklaarde
- meermalen in het gezicht en tegen het
wezenlijk afbreuk wordt gedaan, terwijl
hoofd heeft gestompt en geslagen en (...)
niet is aangevoerd dat en waarom de ver-
- meermalen tegen het hoofd en/of het
dachte niettemin een rechtens te respecte-
lichaam heeft geschopt en/of getrapt (...)’,
27 januari 2015, nr. 14/00022
ren belang heeft bij vernietiging van het
niet naar de eis der wet met redenen is
(Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-
arrest en een nieuwe behandeling.
omkleed, aangezien deze woorden of zinsne-
van Kan, Y. Buruma)
den niet (volledig) door de inhoud van de
(Na conclusie van A-G mr. F.W. Bleichrodt,
bewijsvoering worden geschraagd.
strekkende tot vernietiging wat betreft de
2.6.1. Het middel mist feitelijke grondslag
beslissingen ter zake van de vordering van
Inleiding:
voor zover het betreft de zakelijk samenge-
de benadeelde partij en de oplegging van
Het middel klaagt over de motivering van
vatte inhoud van de gebezigde bewijsmidde-
de schadevergoedingsmaatregel, en in
de bewezenverklaring. Het gaat in casu om
len, waarnaar met voldoende nauwkeurig-
zoverre tot terugwijzing dan wel verwij-
een Promis-motivering.
heid is verwezen, met betrekking tot de
zing; adv. mr. H. Külcü, Maastricht)
navolgende woorden of zinsneden:
ECLI:NL:HR:2015:131
(Sv art. 359)
317
Hoge Raad, onder meer:
- ‘tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij op de
2.4. De werkwijze in de onderhavige zaak ten
bank moest gaan zitten en de woning (gele-
Het is niet toegestaan de vordering van
aanzien van de bewijsmotivering komt hier-
gen aan de [b-straat 1]) niet mocht verlaten’;
de benadeelde partij voor een hoger bedrag
op neer dat de beslissing dat de verdachte
- ‘[betrokkene 1] meermalen in het gezicht en
toe te wijzen dan het bedrag dat de
het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op
tegen het hoofd gestompt en geslagen’;
benadeelde partij heeft gevorderd ter
een bewijsredenering waarin de inhoud van
- ‘[betrokkene 1] meermalen tegen het
zake van de schade en evenmin om voor
de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is
lichaam geschopt’;
dat hogere bedrag een schadevergoedings-
samengevat, en waarin voor de redengevende
- ‘[betrokkene 1] (dreigend) de woorden toe-
maatregel op te leggen.
feiten en omstandigheden waarop de bewijs-
gevoegd: “Je moet je uitkleden en dan gaan
beslissing steunt, wordt verwezen naar de
er foto’s van je gemaakt worden”’;
bewijsmiddelen waaraan deze feiten en
- ‘met een schaar plukken haar van [betrokke-
omstandigheden zijn ontleend. In zo’n geval
ne 1] afgeknipt’;
Inleiding:
behoort de verwijzing naar de bewijsmidde-
- ‘tegen [betrokkene 1] gezegd dat ze in een
Het middel komt met motiveringsklachten
len zo nauwkeurig te zijn dat kan worden
bestelbus moest stappen’;
op tegen de toewijzing van de vordering van
beoordeeld of de bewezenverklaring in toe-
- ‘meermalen in het gezicht en tegen het
de benadeelde partij [betrokkene] tot het
reikende mate steunt op de inhoud van wet-
hoofd heeft gestompt en geslagen’ en
bedrag van € 810 aan geleden materiële scha-
tige bewijsmiddelen en of de samenvatting
- ‘meermalen tegen het hoofd en/of het
de als gevolg van het ten laste van de ver-
geen ongeoorloofde conclusies of niet-reden-
lichaam heeft geschopt en/of getrapt’.
dachte onder 2 bewezenverklaarde feit.
gevende onderdelen inhoudt dan wel of de
2.6.2. Het middel klaagt terecht dat de
bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd (vgl.
zinsneden:
Hoge Raad, onder meer:
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ
- ‘meermalen tegen het hoofd geschopt’;
3.6. In aanmerking genomen dat de verdach-
2007/367 rov. 5.6.1).
- ‘En als je dat niet doet dan krijg je nog meer
te door het Hof is vrijgesproken van het
2.5. Het middel klaagt dat het Hof niet aan
knallen van ons’ en ‘Hoe meer je schreeuwt
hem onder 1 tenlastegelegde feit, moet het
voormelde motiveringseisen heeft voldaan.
hoe meer klappen je krijgt’ en ‘Je moet je bek
gezien de inhoud van het voegingsformulier
Daartoe wordt aangevoerd dat de bewezen-
houden en luisteren naar wat wij zeggen’
ervoor gehouden worden dat het Hof de vor-
verklaring voor zover behelzende de volgen-
niet worden geschraagd door de, hiervoor in
dering van de benadeelde partij heeft toege-
de woorden of zinsneden:
2.3 weergegeven, inhoud van de op de
wezen voor zover deze betrekking heeft op
‘- tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij op de
zogenoemde Promis-wijze samengevatte
de schadeposten ‘telefoonkosten’ en ‘bellen
bank moest gaan zitten en de woning (gele-
bewijsmiddelen.
naar diverse personen’. Het middel klaagt
gen aan de [b-straat 1]) niet mocht verlaten
Dit gebrek in de motivering van de
terecht dat het Hof aan de benadeelde partij
en (...)
bewezenverklaring behoeft evenwel bij
ter vergoeding van de schade die zij heeft
- [betrokkene 1] meermalen in het gezicht en
gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden.
geleden als gevolg van het onder 2 bewezen-
tegen het hoofd gestompt en geslagen en (...)
Ook indien deze zinsneden uit de
verklaarde feit, een hoger bedrag heeft toe-
- [betrokkene 1] meermalen tegen het hoofd
bewezenverklaring worden geschrapt, kan
gewezen dan de benadeelde partij ter zake
en het lichaam geschopt (...) en (...)
niet worden gezegd dat daarmee aan de aard
van die schade heeft gevorderd. Het Hof
- [betrokkene 1] (dreigend) de woorden toege-
en ernst van het bewezenverklaarde
heeft eveneens ten onrechte aan de verdach-
voegd: ‘Je moet je uitkleden en dan gaan er
wezenlijk afbreuk wordt gedaan, terwijl niet
te voor dat bedrag een schadevergoedings-
foto’s van je gemaakt worden’ en ‘En als je dat
is aangevoerd dat en waarom de verdachte
maatregel opgelegd.
niet doet dan krijg je nog meer knallen van
bij de omstandigheid dat deze zinsneden in
Volgt vernietiging van de bestreden uit-
ons’ en ‘Hoe meer je schreeuwt hoe meer
de door het Hof in de voetnoten 13 en 14
spraak wat betreft de beslissing op de vorde-
klappen je krijgt’ en ‘Je moet je bek houden
vermelde proces-verbaal van aangifte,
ring van de benadeelde partij en de ten
en luisteren naar wat wij zeggen’ althans
inhoudende de door de aangeefster
behoeve van haar aan de verdachte opgeleg-
woorden van gelijke dreigende aard of strek-
[betrokkene 1] afgelegde verklaring, (vrijwel)
de schadevergoedingsmaatregel, en in zover-
king en (...)
letterlijk voorkomen, niettemin een rechtens
re terugwijzing.
390
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
(Sv art. 361)
Rechtspraak
318
Raad van State
deze referentiepunten.
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B.
2. Ingevolge artikel 11.24, eerste lid, van de
27 januari 2015, nr. 14/01765
Klein Nulent en mr. drs. J. de Vries, werkzaam
Wet milieubeheer kan de minister van Infra-
(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin
bij de directie bestuursrechtspraak van de
structuur en Milieu op verzoek van de beheer-
Lohman, Y. Buruma)
Raad van State en mw. mr. D. van Leeuwen,
der in verband met bijzondere omstandighe-
(Na conclusie van A-G mr. A.E. Harteveld,
coördinator vreemdelingenzaken bij de
den voor een termijn van ten hoogste vijf jaar
strekkende tot vernietiging en terugwijzing
Afdeling bestuursrechtspraak.
ontheffing verlenen van de verplichting tot
dan wel verwijzing; OM-cassatie, tegenge-
Volledige versies van deze uitspraken zijn te
naleving van een geluidproductieplafond.
sproken door adv. mr. I. Jadib, ’s-Gravenhage)
vinden op www.raadvanstate.nl.
3. (…).
3.1. De in titel 11.3 van de Wet milieubeheer
ECLI:NL:HR:2015:139
Beklag aangaande beslag art. 552a Sv:
319
opgenomen bepalingen over geluidproductieplafonds strekken er niet toe om een planologische keuze te maken over het al dan niet
rechtbank past als juiste maatstaf toe of
niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later
14 januari 2015, nr. 201404094/1/A4
aanleggen van een tracé of over het traject
oordelende strafrechter aan de klager een
(Mrs. Scholten-Hinloopen, Van den Broek,
van dat tracé, maar om, gegeven een bepaal-
verplichting ter ontneming van wederrech-
Jurgens)
de ligging van het tracé, te regelen welke
telijk verkregen voordeel zal opleggen,
ECLI:NL:RVS:2015:52
geluidbelasting het tracé mag veroorzaken.
Het onder 3 weergegeven betoog heeft in de
maar de rechtbank mag bij haar oordeel
daarover niet vooruitlopen op de mogelijke
De vraag of de planologische keuze voor
kern betrekking op de planologische keuze
definitieve uitkomst van de strafzaak.
een tracé rechtmatig is, kan niet aan de
over het aanleggen en de ligging van het tij-
orde komen bij de beoordeling van een
delijke tracé, en niet op de vraag of, gegeven
krachtens art. 11.24 lid 1 Wm verleende
die keuze, een juiste beslissing is genomen
ontheffing van de verplichting tot naleving
over de voor deze locatie geldende geluidpro-
van een geluidproductieplafond.
ductieplafonds. In zoverre geeft het betoog
(Sv art. 94a, 552a)
Inleiding:
geen aanleiding voor het oordeel dat het
Beklagprocedure. Het middel behelst de
klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans
(Wm art. 11.24)
besluit over de afwijking van de geluidproductieplafonds niet mocht worden genomen.
onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld
dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de
Uitspraak in het geding tussen: [appellant
De vraag of de planologische keuze rechtma-
strafrechter, later oordelend, aan de klager
A] en [appellant B], wonend te Waalwijk,
tig is, kan aan de orde worden gesteld door
[klager 1] een verplichting tot betaling van
appellanten, en de Staatssecretaris van
middel van het instellen van rechtsmiddelen
€ 1.600.000 ter ontneming van wederrechte-
Infrastructuur en Milieu, verweerder.
tegen de voor de aanleg van het tijdelijke
tracé verleende omgevingsvergunning waar-
lijk verkregen voordeel zal opleggen.
Procesverloop
bij afwijking van het geldende bestemmings-
Hoge Raad, onder meer:
Bij besluit van 31 oktober 2013 heeft de
plan wordt toegestaan.
2.3. Met toepassing van de juiste maatstaf
Staatssecretaris aan Rijkswaterstaat Zuid-
Het betoog geeft evenmin aanleiding voor
bij de beoordeling van een op de voet van
Nederland een ontheffing van de verplich-
het oordeel dat zich geen bijzondere omstan-
art. 94a Sv gelegd beslag, heeft de
ting tot naleving van de geluidproductiepla-
digheden voordoen als bedoeld in artikel
Rechtbank beoordeeld of zich hier het geval
fonds van de referentiepunten, gelegen aan
11.24 van de Wet milieubeheer. De Afdeling is
voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is
de zuidzijde van de A59 in de gemeente
van oordeel dat de staatssecretaris de nood-
dat de strafrechter, later oordelend, aan de
Waalwijk, ter hoogte van het Afwateringska-
zaak om in verband met de vervanging van
klager [klager 1] een verplichting tot
naal ’s-Hertogenbosch-Drongelen, verleend.
het tracé een tijdelijke omleidingsroute te
betaling van een geldbedrag van
Bij besluit van 9 april 2014 heeft de staatsse-
realiseren, in redelijkheid heeft kunnen aan-
€ 1.600.000 ter ontneming van
cretaris het door [appellanten] hiertegen
merken als een bijzondere omstandigheid die
wederrechtelijk verkregen voordeel zal
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
het verlenen van een ontheffing van de
opleggen. De Rechtbank heeft dat hoogst
Tegen dit besluit hebben [appellanten]
geluidproductieplafonds kan rechtvaardigen.
onwaarschijnlijk geacht. Aan dit oordeel
beroep ingesteld.
Het betoog faalt.
(…)
heeft de Rechtbank in het bijzonder ten
grondslag gelegd dat de klager voornoemd
(…)
in de tegen hem gerichte strafzaak bij (niet
320
onherroepelijk) vonnis van de Rechtbank
Overwegingen
Haarlem van 27 januari 2012
1. Het tracé over het Afwateringskanaal
(ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5210) is
’s-Hertogenbosch-Drongelen wordt vervan-
23 januari 2015, nr. 201408655/1/V3
vrijgesproken van het gedeelte van de
gen, waardoor in de tussentijd gebruik
(Mrs. Lubberdink, Van der Spoel, Verheij)
tenlastelegging dat ziet op de criminele
gemaakt dient te worden van een tijdelijk
ECLI:NL:RVS:2015:232
organisatie [A], waarbinnen de facturen van
tracé. Dit tracé is gesitueerd aan de zuidzijde
[klaagster 2] de grondslag vormen voor het
van het huidige tracé en zal daarom dichter-
In een besluit tot verlenging van bewaring
in de ontnemingszaak gevorderde bedrag
bij de nabijgelegen woningen liggen. Dit leidt
mag niet worden volstaan met de motive-
van € 1.600.000. De Rechtbank had bij haar
ertoe dat de geluidproductieplafonds van
ring dat is voldaan aan het bepaalde in art.
oordeel evenwel niet mogen vooruitlopen
enkele referentiepunten zullen worden over-
59 lid 6 VW 2000. De staatssecretaris heeft
op de mogelijke uitkomst van de strafzaak.
schreden. De staatssecretaris heeft om die
tot 15 maart 2015 de tijd zijn besluitvor-
2.4. Het middel is terecht voorgesteld.
reden ontheffing verleend voor de jaren 2015
ming daarop aan te passen. De rechter
Volgt vernietiging en terugwijzing.
en 2016 van de geluidproductieplafonds van
dient vol te toetsen of in een specifiek
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
391
Rechtspraak
geval andere afdoende maar minder
enkele ontbreken van deze uitdrukkelijke en
uitspraak van 20 november 2013 in zaak nr.
dwingende maatregelen dan een bewaring
gemotiveerde beoordeling in beginsel de con-
201303720/1/A3). Dit uitgangspunt is ont-
doeltreffend kunnen worden toegepast.
clusie verbinden dat deze besluiten moeten
leend aan artikel 6:12, vierde lid, van de Awb,
worden vernietigd.
waarin het beginsel tot uitdrukking is
(Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeer-
2.2.Uit punt 62 van het arrest Mahdi volgt
gebracht dat van een rechtsmiddel, indien
richtlijn) art. 15; VW 2000 art. 59 lid 6)
dat de rechter bij de beoordeling van de
het aanwenden daarvan niet aan een termijn
rechtmatigheid van een verlengingsbesluit
is gebonden, niet onredelijk laat gebruik mag
Uitspraak op het hoger beroep van: de
moet kunnen beslissen over elk relevant fei-
worden gemaakt. Ook het College van Beroep
[vreemdeling], appellant, vs.de uitspraak
telijk en juridisch element om te bepalen of
voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad
van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats
een verlenging van de bewaring gerechtvaar-
van Beroep hebben in uitspraken getoetst of
Amsterdam, van 16 oktober 2014 in zaak
digd is in het licht van de in de punten 58
een verzoek om herziening onredelijk laat is
nr. 14/21650 in het geding tussen: de [vreem-
tot en met 61 van dat arrest vermelde vereis-
ingediend (uitspraken van 16 oktober 2013,
deling] en de [Staatssecretaris van Veiligheid
ten. Punt 61 heeft onder meer betrekking op
ECLI:NL:CBB:2013:194, en 21 oktober 2013,
en Justitie].
de vraag of in een specifiek geval andere
ECLI:NL:CRVB:2013:2151).
afdoende maar minder dwingende maatrege-
2.1. De Afdeling heeft het ‘onredelijk laat’-cri-
len dan een bewaring doeltreffend kunnen
terium enkele keren aldus ingevuld dat een
worden toegepast.
verzoek om herziening als onredelijk laat
1.3. Uit de punten 44 tot en met 46 en 52 van
Volgens het Hof impliceert de voormelde
ingediend wordt aangemerkt, indien een der-
het arrest Mahdi [van het Hof van Justitie
bevoegdheid van de rechter een grondig
gelijk verzoek eerst is ingediend na omme-
van 5 juni 2014, C-146/14 PPU,
onderzoek naar de feitelijke elementen van
komst van drie maal zes weken na het
ECLI:EU:C:2014:1320, (Mahdi)] volgt dat een
het concrete geval. Ook oordeelt het Hof dat
bekend worden met de in het verzoek gestel-
verlengingsbesluit een schriftelijk besluit
de rechter zijn beslissing in de plaats van die
de nieuwe feiten of omstandigheden (hierna:
moet zijn waarin de feitelijke en juridische
van de administratieve autoriteit moet kun-
nova), dan wel, indien geen nova zijn gesteld,
gronden ter rechtvaardiging van dat besluit
nen stellen en moet kunnen beslissen over
na de openbaarmaking van de uitspraak (uit-
zijn opgenomen. Dit vereiste is volgens het
de mogelijkheid om een vervangende maat-
spraken van 13 april 2011 in zaak nr.
Hof niet alleen in het belang van een ade-
regel te gelasten. Deze overwegingen van het
201006815/1/H2 en 18 december 2013 in
quate rechtsbescherming van de vreemde-
Hof laten zich, in samenhang bezien en gelet
zaak nr. 201209411/1/A3). Het College van
ling, maar dient er ook toe om de rechter ten
op de daarbij gebruikte bewoordingen, niet
Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale
volle in staat te stellen om de rechtmatigheid
rijmen met een enigszins terughoudende
Raad van Beroep hebben aan dit criterium
van een verlengingsbesluit te beoordelen. In
toetsing door de rechter. Die toetsingsmaat-
niet een zodanige invulling gegeven.
de punten 58 tot en met 61 heeft het Hof
staf dient derhalve te worden verlaten. (…)
2.2. De Hoge Raad heeft tot nu toe in zijn
(…)
rechtspraak niet het uitgangspunt gehan-
uiteengezet aan welke criteria daarbij door
de rechter moet worden getoetst. Dit zijn
(…)
Terugkeerrichtlijn gestelde vereisten, maar
ook de vereisten die voortvloeien uit het eer-
teerd dat een verzoek om herziening niet
onredelijk laat mag worden ingediend. Aan
niet alleen de in artikel 15, zesde lid van de
321
invulling van dit criterium is de Hoge Raad
daardoor (nog) niet toegekomen.
2.3. De behoefte aan zekerheid bij belangheb-
ste en vierde lid van deze bepaling.
Gelet op het gewicht dat het Hof in de pun-
28 januari 2015, nr. 201406317/2/A4
benden en bestuursorganen over de rechts-
ten 45 en 46 van het arrest Mahdi aan de
(Mrs. Polak, Van Buuren, Feteris, Bolt,
kracht van een besluit is een belangrijke
belangen van de vreemdeling en de controle-
Venema)
reden om een grens te stellen aan de moge-
rende rechter heeft toegekend en op het toet-
ECLI:NL:RVS:2015:308
lijkheid om herziening te vragen. In dit licht
bezien is het niet onredelijk om van degene
singskader dat het Hof in de punten 58 tot
en met 61 heeft uiteengezet, mag de staats-
Criterium voor termijn waarbinnen
die om herziening verzoekt te verwachten dat
secretaris in een verlengingsbesluit niet vol-
verzoek om herziening mag worden
hij dat niet onredelijk laat doet nadat de uit-
staan met de motivering van zijn standpunt
ingediend; met oog op rechtseenheid vult
spraak is gedaan of nadat hij op de hoogte is
dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 59,
Afdeling criterium nader in.
geraakt van nova die volgens hem aanleiding
kunnen zijn voor herziening. Het belang van
zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en
daarmee aan de vereisten van artikel 15, zes-
(Awb art. 8:119)
de rechtseenheid is ermee gediend dat alle
hoogste bestuursrechters aan het ‘onredelijk
de lid, van de Terugkeerrichtlijn. De staatssecretaris moet tevens motiveren of nog steeds
Uitspraak (…) op het verzoek van [verzoek-
laat’-criterium eenzelfde invulling geven.
is voldaan aan de in artikel 15, eerste en vier-
ster] om herziening van de uitspraak van de
2.4. In het licht daarvan zal bij verzoeken om
de lid, van die richtlijn omschreven vereisten.
Afdeling van 21 augustus 2013 in zaak nr.
herziening het ‘onredelijk laat-criterium’ wor-
(…)
201207833/1/A2.
den gehanteerd en wel aldus dat bij de invulling van dit criterium als regel zal worden
1.4. (…) De Afdeling voegt daar evenwel aan
toe dat het op de weg van de staatssecretaris
(…)
uitgegaan van een termijn van één jaar. Dit
betekent dat de indiening van een verzoek
ligt om zo spoedig mogelijk uitdrukkelijk en
gemotiveerd in verlengingsbesluiten te
2. Hoewel de indiening van een verzoek om
om herziening als onredelijk laat wordt aan-
beoordelen of aan de in artikel 15, eerste,
herziening niet aan enige wettelijke termijn
gemerkt, indien het verzoek is ingediend
vierde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn
is gebonden, hanteert de Afdeling bij de
meer dan een jaar na het bekend worden
gestelde criteria is voldaan. In procedures
beoordeling van een dergelijk verzoek als
met de daarin gestelde nova dan wel, indien
tegen verlengingsbesluiten genomen op of
uitgangspunt dat het verzoek niet onredelijk
geen nova zijn gesteld, na de datum van
na 15 maart 2015 zal de Afdeling aan het
laat mag zijn ingediend (zie bijvoorbeeld de
openbaarmaking van de uitspraak waarvan
392
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Rechtspraak
herziening wordt verzocht. Een uitzondering
b, van de WWB bepaalt dat niet als vermogen
digen een afwijkende regeling van de vermo-
op die regel wordt gemaakt voor die uitzon-
in aanmerking wordt genomen het bij de
genstoets gegeven. Van zelfstandigen die een
derlijke gevallen waarin het belang van de
aanvang van de bijstand aanwezige vermo-
beroep doen op bijstand, kan worden gevergd
rechtszekerheid van andere belanghebben-
gen voorzover dit minder bedraagt dan de
dat zij ook het bescheiden vermogen inzet-
den en bestuursorganen dermate betrokken
van toepassing zijnde vermogensgrens,
ten voor de bestaansvoorziening. Het vermo-
is, dat het hanteren van een zo lange termijn
genoemd in het derde lid.
gen dat voor de uitoefening van het bedrijf
niet aanvaardbaar zou zijn. Dit laatste kan
6.1.3. Ingevolge artikel 7 van het Bbz 2004
of beroep noodzakelijk is, dient echter buiten
zich eerder in meerpartijengeschillen dan in
wordt niet als vermogen in aanmerking
beschouwing te blijven. Verder blijven uiter-
tweepartijengeschillen voordoen, en eerder
genomen het voor de uitoefening van het
aard ook voor zelfstandigen de bezittingen
indien bij de uitspraak waarvan herziening
bedrijf of beroep noodzakelijke vermogen,
in natura buiten beschouwing die algemeen
wordt verzocht, een besluit in stand is geble-
waaronder mede begrepen het vermogen
gebruikelijk zijn dan wel die, door bijzondere
ven waarbij aan een of meer belanghebben-
gebonden in de door de zelfstandige of zijn
omstandigheden van de belanghebbende,
den toestemming is verleend om bepaalde
gezin in eigendom bewoonde woning met
noodzakelijk zijn. De redactie van onderdeel
activiteiten te verrichten. In dergelijke uit-
bijbehorend erf.
a van het tweede lid van artikel 52 van de
zonderlijke gevallen waarin de termijn van
6.2. Appellant heeft aangevoerd dat de recht-
Abw is gelijk aan die van het eerste lid,
één jaar niet wordt gehanteerd, zal een ter-
bank ten onrechte heeft overwogen dat arti-
onderdeel a. Hiermee komt tot uiting dat
mijn gelden van drie maal zes weken.
kel 7 van het Bbz 2004 niet een van artikel
voor de beoordeling in hoeverre deze bezit-
2.5. De hiervoor in 2.4 geformuleerde regels
34 van de WWB afwijkende vermogenstoets
tingen buiten beschouwing blijven, voor zelf-
gelden niet voor het indienen van een ver-
geeft. Appellant heeft daarbij gewezen op de
standigen dezelfde criteria worden gehan-
zoek om herziening van een uitspraak over
wetsgeschiedenis. Voor zelfstandigen dient
teerd als voor andere belanghebbenden en
een punitieve sanctie. Een dergelijk verzoek
volgens appellant eerst te worden bezien
dat er op dit punt dus geen aanleiding is
is niet aan een termijn gebonden.
welk vermogen nodig is voor het bedrijf. De
rekening te houden met de specifieke
(…)
resterende middelen, ook indien deze lager
omstandigheden van de betrokkene als zelf-
zijn dan de voor gewone bijstandsgerechtig-
standige. Voor de Abw en het daarop geba-
den geldende vermogensgrens, moeten inge-
seerde Besluit bijstandverlening zelfstandi-
Centrale Raad van Beroep
zet worden om te voorzien in de kosten van
gen zijn in de plaats gekomen de Wet werk
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. A.B.J.
het bestaan.
en bijstand (WWB) en het aanvankelijk op
van der Ham, vice-president van de Centrale
6.3. Appellant heeft terecht gewezen op de
artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en
Raad van Beroep, en mr. J.E. Jansen, hoofd
wetsgeschiedenis. In artikel 52 van de Alge-
bijstand en sedert 1 januari 2009 op artikel
Wetenschappelijk bureau van de Centrale
mene bijstandswet (Abw) zijn bepalingen
78f van de WWB gebaseerde Bbz 2004. Artikel
Raad van Beroep.
opgenomen over wat niet als vermogen in
78f van de WWB, voor zover hier van belang,
aanmerking wordt genomen. Het eerste lid
wijkt niet af van artikel 7 van de IWWB.
betreft bepalingen in het algemeen en het
6.4. Blijkens de nota van toelichting op het
tweede lid betreft bepalingen voor zelfstan-
Bbz 2004 (Stb. 2003, 390, blz. 18) is slechts de
digen. In artikel 52, eerste lid, onder a, van de
indeling van het Bbz 2004 gewijzigd: inhou-
27 januari 2015, nr. 13/4771 BBZ
Abw is bepaald dat niet als vermogen in aan-
delijk hebben er geen wijzigingen plaatsge-
(Mrs. Roelofs, Talman, Klik)
merking wordt genomen bezittingen in natu-
vonden. Alle bepalingen uit het Bbz, alsmede
ECLI:NL:CRVB:2015:166
ra die naar hun aard en waarde algemeen
de relevante Abw-bepalingen betreffende
gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstan-
zelfstandigen zijn gehandhaafd. De bepalin-
Kennelijke omissie regelgever. Er moet
digheden van persoon en gezin, noodzakelijk
gen die uit de Abw zijn overgeheveld naar
van worden uitgegaan dat is beoogd voor
zijn. Een soortgelijke bepaling is voor zelf-
het Bbz 2004 betreffen onder meer, aldus de
zelfstandigen in art. 7 van het Bbz 2004 een
standigen opgenomen in artikel 52, tweede
nota van toelichting, een specifieke vermo-
regeling op te nemen die afwijkt van art. 34
lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verder is
gensvrijlating voor zelfstandigen (hoofdstuk
WWB.
in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b,
II, paragraaf 3). In deze paragraaf is, naast het
van de Abw bepaald dat niet als vermogen in
onder 6.1.3 weergegeven artikel 7, opgeno-
aanmerking wordt genomen het bij de aan-
men artikel 8 dat handelt over de wijze van
vang van de bijstand aanwezige vermogen
vaststelling van de omvang van het bedrijfs-
voorzover dit minder bedroeg dan de toepas-
vermogen en artikel 9 dat gaat over het ver-
selijke vermogensgrens. Een overeenkomsti-
mogen tezamen met anderen.
Overwegingen
ge bepaling is in het tweede lid van artikel
6.5. Gelet op de onder 6.3 en 6.4 weergeven
6.1.1. Ingevolge artikel 7 van de Invoerings-
52 niet opgenomen. In artikel 52, tweede lid,
geschiedenis van de wet- en regelgeving moet
wet Wet werk en bijstand (IWWB), voor zover
aanhef en onder b, van de Abw is bepaald dat
ervan worden uitgegaan dat is beoogd voor
van belang, worden bij of krachtens algeme-
voor de zelfstandige niet als vermogen in
zelfstandigen in artikel 7 van het Bbz 2004
ne maatregel van bestuur regels gesteld met
aanmerking wordt genomen het voor de uit-
een regeling op te nemen die afwijkt van arti-
betrekking tot de verlening van bijstand op
oefening van het bedrijf of zelfstandig
kel 34 van de WWB. Onderkend wordt dat de
grond van de Wet werk en bijstand (WWB)
beroep noodzakelijke vermogen, waaronder
in artikel 52, tweede lid, aanhef en onder a,
aan zelfstandigen, waarbij kan worden afge-
mede begrepen het vermogen gebonden in
van de Abw opgenomen uitzondering met
weken van een aantal artikelen en paragra-
de door de zelfstandige of zijn gezin in eigen-
betrekking tot, kort gezegd, algemeen gebrui-
fen van de WWB, waaronder artikel 34 van de
dom bewoonde woning met bijbehorend erf.
kelijke dan wel noodzakelijke bezittingen niet
WWB. Deze algemene maatregel van bestuur
Blijkens de toelichting op deze bepalingen
expliciet in artikel 7 van het Bbz 2004 is
is het Bbz 2004.
(Kamerstukken II 1991/1992, 22545, nr. 3, blz.
opgenomen, terwijl een soortgelijke bepaling
6.1.2. Artikel 34, tweede lid, aanhef en onder
158) is in artikel 52, tweede lid, voor zelfstan-
wel in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder
322
(BBZ 2004 art. 7)
(…)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
393
Rechtspraak
a, van de WWB is opgenomen. Dit moet wor-
beiden voor zover aangevochten, moeten wor-
De verwijzing door appellant naar de uit-
den gezien als een kennelijke omissie van de
den vernietigd. Doende wat de rechtbank zou
spraak van de Raad van 11 september 2013
regelgever, nu het blijkens de nota van toe-
behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen
(ECLI:NL:CRVN:2013:1737) maakt dit oordeel
lichting uitdrukkelijk de bedoeling is geweest
het bestreden besluit ongegrond verklaren.
niet anders. In dat geval ging het immers om
toekomstige aanvragen voor vergelijkbare
om de bepalingen van de Abw en het Bbz te
handhaven. Zulks blijkt ook uit de in de definitiebepaling van artikel 1, aanhef en onder
323
zorg van dezelfde betrokkene terwijl het in
dit geval gaat om aanvragen om vergelijkbare
zorg van andere bewoners van [instelling 1]
h, van het Bbz 2004 gegeven omschrijving
van totaal vermogen, waartoe niet worden
28 januari 2015, nr. 13/1401 WMO
dan [naam 2].
gerekend de in artikel 34, tweede lid, onderde-
(Mr. Bel)
8. Het vorenstaande betekent dat met de
len a en e van de WWB bedoelde bezittingen.
ECLI:NL:CRVB:2015:194
getroffen schikking het procesbelang bij het
hoger beroep is komen te vervallen zodat het
Er is echter geen aanleiding om de in artikel
34 van de WWB opgenomen vrijlating van het
Eventueel toekomstige aanvragen om zorg
hoger beroep niet-ontvankelijk dient te wor-
bescheiden vermogen op zelfstandigen van
van andere bewoners leveren onvoldoende
den verklaard.
toepassing te achten.
procesbelang op.
6.6. De Raad blijft met deze uitleg in lijn met
zijn ook door de rechtbank genoemde uit-
(Awb art. 8:1)
College van Beroep voor het
bedrijfsleven
(…)
Deze rubriek wordt verzorgd door mw. mr.
spraak van 23 oktober 2012
(ECLI:NL:CRVB:2012:BY2390), waarin tot dezelfde conclusie is gekomen. De rechtbank heeft
J.M.M. Bancken, mw. mr. M.B.L. van der Weele
terecht overwogen dat in een latere uitspraak
Overwegingen
en mw. mr. A.G.J. van Ouwerkerk, allen
van de Raad (uitspraak van 23 januari 2013,
4. Ter zitting van de Raad van 20 juli 2014
gerechtsauditeur bij het College.
ECLI:NL:CRVB:2013:BY9323), evenals in een
zijn partijen overeengekomen dat appellant
eerdere uitspraak van de Raad met betrekking
2,5 uur per week huishoudelijke hulp toekent
tot de Abw (uitspraak van 9 december 2003,
tot de datum van overlijden van [naam 2].
ECLI:NL:CRVB:2003:AO1146) ten aanzien van
5. Appellant heeft de Raad verzocht alsnog
een zelfstandige wel is getoetst aan de grens
uitspraak te doen over de vraag of de huis-
13 januari 2015, 13/550 e.a.
van het vrij te laten vermogen, maar, zoals uit
houdelijke hulp als algemeen gebruikelijk
(Mrs. Wolters, Kerkmeester, Albers)
6.5 volgt, was dat niet nodig geweest. Overi-
moet worden aangemerkt. De Raad ziet zich
ECLI:NL:CBB:2015:4
gens werd in die beide gevallen, anders dan
gelet op dit verzoek geplaatst voor de vraag
hier het geval zou zijn, de grens van het vrij te
of appellant procesbelang heeft behouden bij
Prejudiciële vragen: mag de nationale rech-
laten vermogen overschreden.
een inhoudelijke beoordeling van de aange-
ter anders oordelen dan de Europese Com-
6.7. Uit 6.1 tot en met 6.6 volgt dat het hoger
vallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de
missie over een door de nationale regelge-
beroep slaagt. Betrokkenen erkennen dat de
Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad
vende instantie opgelegd gespreksafgifte-
tweede auto niet nodig was voor het bedrijf
van 18 september 2013,
tarief dat is gebaseerd op kostenoriëntatie
en dat deze auto, nu daarop een bod van
ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat
overeenkomstig de Aanbeveling gespreksaf-
€ 1900 was uitgebracht, voor dat bedrag kon
eerst sprake is van (voldoende) procesbelang
giftetarieven? Zo ja hoeveel ruimte heeft de
worden verkocht. Dat kon redelijkerwijs ook
indien het resultaat dat de indiener van een
nationale rechter bij die beoordeling?
van hen worden verlangd, aangezien zij over
bezwaar- of beroepschrift met het maken
een bedrijfsauto beschikten, die tevens voor
van bezwaar of het indienen van (hoger)
(Tw art. 6a.7; Toegangsrichtlijn 2002/19/EG
privédoeleinden kon worden gebruikt. Betrok-
beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan wor-
art. 13)
kenen hebben wel gesteld, maar niet aanne-
den bereikt en het realiseren van dat resul-
melijk gemaakt, dat betrokkene 2 voor haar
taat voor deze indiener feitelijk betekenis
ACM heeft de markten bepaald voor vaste en
werkzaamheden, die van zeer beperkte
kan hebben. Het hebben van een formeel of
mobiele gespreksafgifte. Zij heeft aan aanbie-
omvang waren, de beschikking moest hebben
principieel belang is onvoldoende voor het
ders van gespreksafgifte tariefregulering
over een eigen auto. Dit betekent dat, anders
aannemen van (voldoende) procesbelang.
opgelegd op basis van de pure BULRIC kos-
dan betrokkenen stellen, deze tweede auto
6. Desgevraagd heeft appellant aangevoerd dat
tenberekeningsmethode. Deze methode
met een waarde van tenminste € 1900 niet
hij belang heeft gehouden bij een oordeel over
houdt in dat alleen incrementele kosten wor-
kan worden aangemerkt als een algemeen
de aangevallen uitspraak met betrekking tot de
den vergoed.
gebruikelijke dan wel voor betrokkenen nood-
principiële vraag of huishoudelijke hulp voor
Eerder vernietigde het CBb het marktanalyse-
zakelijke bezitting en dat betrokkenen over de
bewoners van [instelling 2] een algemeen
besluit voor de vorige reguleringsperiode die
periode van 24 november 2011 tot en met 31
gebruikelijke voorziening is in verband met
ook was gebaseerd op pure BULRIC. ACM
december 2011 redelijkerwijs konden beschik-
toekomstige aanvragen om hulp bij het huis-
motiveerde haar keuze voor pure BULRIC
ken over voldoende middelen van bestaan,
houden van andere bewoners van [instelling 1].
destijds met name met de stelling dat tarief-
zodat zij niet in bijstandbehoevende omstan-
7. De Raad is van oordeel dat hierin onvol-
regulering op basis van pure BULRIC als eni-
digheden verkeerden. Appellant heeft dan ook
doende procesbelang is gelegen. De wens van
ge het nadelige effect van een inefficiënte
bij het bestreden besluit met betrekking tot
appellant dat de Raad een principiële uit-
retailtariefstructuur geheel voorkomt. Dit
de nog in geding zijnde periode van 24
spraak doet met het oog op mogelijk verge-
door ACM gestelde mededingingsprobleem
november 2011 tot en met 31 december 2011
lijkbare situaties in de toekomst, is onvol-
deed zich echter niet voor op de markten
terecht de subsidiaire afwijzingsgrond gehan-
doende om procesbelang aan te nemen (zie
waarop het marktanalysebesluit zag, maar op
teerd. Hieruit volgt dat de aangevallen tussen-
bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23
de retailmarkt voor mobiele telefonie. Die
uitspraak en de aangevallen einduitspraak,
augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2746).
markt werd door ACM juist als effectief con-
394
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
324
Rechtspraak
currerend beschouwd. Voorts betrof het een
methode op basis van plus BULRIC. ACM
ontwikkeling van de interne markt. Daar-
kwestie die niet behoorde tot de lijst van
meent van niet. Zij heeft de Europese Com-
naast heeft zij gewicht toegekend aan de
(potentiële) mededingingsproblemen, waarop
missie gevolgd die blijkens de Aanbeveling
gewenste convergentie van mobiele en vaste
ACM zich in al haar marktanalysebesluiten
gespreksafgiftetarieven van opvatting is dat
afgiftetarieven en aan het belang voor eind-
had gebaseerd. Het CBb oordeelde dat ACM
pure BULRIC de enige invulling is van een
gebruikers bij verbetering van een ineffici-
de passendheid van de tariefmaatregel onvol-
tariefverplichting voor gespreksafgiftetarie-
ente retailtariefstructuur. Laatstgenoemd
doende had gemotiveerd. Het CBb oordeelde
ven. Uit art. 6a.7 lid 2 Tw volgt echter dat
belang is door het CBb in zijn eerdere uit-
dat een tariefmaatregel op basis van plus
een tariefverplichting in beginsel zover mag
spraak op zichzelf als onvoldoende beoor-
BULRIC in beginsel wel passend was. Plus
gaan dat de door een partij met aanmerke-
deeld om een tariefmaatregel op basis van
BULRIC is een methode die eveneens uitgaat
lijke marktmacht in rekening gebrachte
pure BULRIC te rechtvaardigen. Onder ver-
van vergoeding van incrementele kosten
tarieven geheel worden gereduceerd van een
wijzing naar punt 41 van het arrest Altair
maar waarbij een mark-up voor gemeen-
buitensporig naar een kostengeoriënteerd
(arrest van 11 september 2003 in de zaak
schappelijke en gezamenlijke kosten wordt
niveau. De tekst van deze bepaling onder-
C-207/01) ziet het CBb zich voor de vraag
toegepast. Het College stelde vervolgens in
steunt niet de interpretatie dat een vorm
gesteld welk gewicht hij, als nationale rech-
die eerdere uitspraak de mobiele afgiftetarie-
van tariefregulering mag worden opgelegd
terlijke instantie, bij de beoordeling van het
ven vast op het plus BULRIC niveau.
die verdergaat dan een tariefmaatregel die
bestreden besluit, dient toe te kennen aan
ACM heeft zich nu bij het bestreden besluit
reeds als kostengeoriënteerd kan worden
het gegeven dat de Commissie pure BULRIC
de vraag gesteld of na die uitspraak zou
aangemerkt. ACM heeft in haar belangenaf-
heeft aanbevolen als passende tariefmaatre-
moeten worden vastgehouden aan de
weging ditmaal groot belang gehecht aan de
gel op de gespreksafgiftemarkten.
AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS
• Opinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.
Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact
• Bijdragen voor de rubriek O&M omvatten maximaal 1200 woorden.
op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk
• Bijdragen voor de rubriek Reacties blijven binnen de 600 woorden
Dit is 800 woorden.
voorkomen.
Het NJB kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen
geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de NJBlezers waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.
en een naschrift binnen de 300 woorden.
- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen
meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen
vindplaatsen.
- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzen-
• Wetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat
3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen
ding zal worden geplaatst.
- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelf-
op de NJB-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de
de vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.
maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de
Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de
bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch
worden verantwoord.
• Lessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als
doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.
• Focus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woorden. Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante
andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.
- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het NJB willen
schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te
vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.
- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen
aan het NJB impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
actuele ontwikkelingen in een deelgebied.
• Essays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikke-
Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de
lende beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan
brochure Schrijven voor het NJB, te vinden op www.njb.nl onder de
bij voorkeur in de tekst zelf.
knop ‘Magazine’.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
395
325
Boeken
Vermenigvuldiging
De biologie van regels en wetten
Dit boek is een
populaire weergave
van enkele tientallen
wetenschappelijke
publicaties van de
hand van de auteur
over de biologische
achtergronden van
recht en religie. In dit boek geen
wetenschappelijke verantwoording
maar een samenhangend verhaal
over wie we zijn en welke regels we
moeten naleven. Het verhaal begint
bij de aapmens die het vetrouwde
oerwoud verlaat en de savanne
intrekt en eindigt bij de belangrijkste
uitdagingen waar de moderne mens
voor staat. Het wil laten zien hoe
onze waarden, normen, wetten en
regels het gevolg zijn van evolutionare mechanismen, teneinde een rode
draad te vinden in de kluwen van
regels die we onszelf opleggen. Elk
hoofdstuk bespreekt een belangrijke
menselijke drijfveer: gedenk je voorouders, zorg voor je gezin, wees
trouw, verenig je onder één wet, geef
en neem, ontmasker de valse
beschuldiging, beperk het aantal kinderen, sla groepsleden niet dood, laat
je niet bedriegen en zorg voor evenwicht. Overeenkomst met De Tien
Geboden en andere religieuze voorschriften, is geen toeval, aldus de
auteur, want alle menselijke geboden,
wetten en regels draaien uiteindelijk
maar om één ding: het vermenigvuldigen van erfelijk materiaal.
Hendrik Gommer
Uitgeverij Rood 2015, 230 p., ±€ 20 (paperback)
ISBN 978 90 8231 110 5
Staat van de student
Tweehonderd jaar politieke
geschiedenis van studiefinanciering
in Nederland
Al twee eeuwen lang wordt er strijd
geleverd over studiefinanciering. Hoe
zouden geld en kansen verdeeld
moeten worden? In hoeverre mag de
staat zich daar mee bemoeien? Wie
moet voor studiefinanciering betalen, en wie mag ontvangen? Deze
vragen raken aan grote politieke en
maatschappelijke verschillen in ons
land. Zo is de geschiedenis van studiefinanciering een spiegel van de
sociale en politieke ontwikkeling in
Nederland. In dit boek laat de auteur
zien hoe deze politieke strijd in
396
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Nederland sinds 1815 telkens
opnieuw werd gevoerd en beslist. Hij
geeft weer hoe bestuurders van
koning Willem I tot minister Bussemaker tot hun besluiten kwamen, en
welke belangen en idealen daarbij de
doorslag gaven. Dat waren niet alleen
die van studenten.
Dit boek maakt onderdeel uit van
het onderzoeksproject 200 jaar studiefinanciering in het Koninkrijk der
Nederlanden.
Pieter Slaman
Uitgeverij Boom 2015, 352 p., € 29,90
ISBN 978 90 8953 575 7
Diversiteit en discriminatie
Onderzoek naar processen van
in- en uitsluiting
Dit boek bestaat uit vijftien bijdragen van vierentwintig auteurs. De
auteurs zijn allen
wetenschappers die
zich bezighouden met
vraagstukken van discriminatie, diversiteit
en in- en uitsluiting in de breedste
zin van het woord, maar zij hebben
kennis van verschillende disciplines
en zijn afkomstig van verschillende
universiteiten. De bijdragen zijn verdeeld over vier thema’s. De eerste bijdragen draaien om de vraag ‘wat is
normaal?’ Daarbinnen betreffen de
eerste twee bijdragen de genetica: er
wordt een inkijk gegeven in ontwikkelingen in het verleden van de
mensheid en er worden vragen opgeworpen over de toekomst en de rol
van de humane genetica daarbij. De
volgende bijdrage biedt een kritische
kijk op forensisch DNA-onderzoek.
Daarna volgen twee bijdragen die het
thema belichten vanuit de geneeskunde: artsen blijken de behandeling
van een bepaald ziektebeeld van
patiënten veelal niet aan te passen
aan het geslacht van de patiënt, en in
de andere bijdrage wordt geageerd
tegen het beeld dat mensen met een
handicap of chronische ziekte zo
gemakkelijk als lui, zielig of niet-cappabel worden neergezet. Ten slotte
onder dit thema een bijdrage over
wat politieagenten ‘normaal’ vinden
op straat.
Het tweede thema betreft het sturen
op diversiteit en discriminatie. Binnen dat thema wordt allereerst ingegaan op de wetgeving die diversiteit
en vooral discriminatie betreft. Ver-
volgens laat men in een andere bijdrage zien dat een juridische aanpak
van verplichtingen vaak weerstand
oproept en hoe mensen wél te motiveren zich in te zetten voor sociale
gelijkheid. Een derde bijdrage binnen
dit thema laat zien hoe individuele
percepties van bijvoorbeeld stereotypen over etniciteit of leeftijd grote
invloed hebben op loopbaangedrag
en loopbaangevolgen. De laatste bijdrage gaat in op de verschillende
beleidsperiodes die betrekking hebben op allochtonen en betoogt dat
deze periodes helemaal niet zo verschillend zijn als vaak wordt gedacht
en er bovendien een taboe lijkt te
rusten op het benoemen van racisme
en discriminatie.
Onder het derde thema – onderzoek
doen en interpreteren op het gebied
van diversiteit en discriminatie –
gaan beide bijdragen over het belang
en de aanpak van dergelijk onderzoek. De ene gaat in op twee onderzoeken naar etnische registratie en
hoe de (verschillende) uitkomsten te
interpreteren en de ander op etnisch
registreren waarbij niet alleen de
regels van belang blijken te zijn maar
zeker ook de gang van zaken in de
praktijk.
Het vierde en laatste thema betreft
de kracht van taal. In de eerste bijdrage binnen dit thema wordt
betoogd dat het dominante discours
in de Nederlandse politiek en media
over migranten en migratie aanzet
tot uitsluiting en discriminatie van
migranten in het onderwijs en op de
arbeidsmarkt. De volgende bijdrage
laat zien dat mensen zich uitgesloten
voelen door de beleidstermen allochtoon en autochtoon en gaat in op de
ongerijmdheid van dat gevolg met
het beleidsdoel van integratie. De
laatste bijdrage binnen dit thema
gaat in op verschillend taalgebruik;
ander taalgebruik – niet zozeer een
andere taal maar vooral een andere
taalvariant die sterk op de eigen taal
lijkt – kan leiden tot onbegrip en
zelfs afkeuring en in het ergste geval
discriminatie, maar taalkundig
gezien is geen enkele taalvariant
beter of slechter dan een andere.
De bundel wordt afgerond door een
redactioneel slotwoord.
Marija Davidović en Ashley Terlow
(red.)
Amsterdam University Press 2015, 326 p., € 79
ISBN 978 90 8964 802 0
Tijdschriften
326
Burgerlijk (proces)recht
WPNR
146e jrg. nr. 146, 31 januari 2o15
Prof. mr. L. Timmerman
De breedte van het
vennootschapsrecht, enkele
inleidende opmerkingen
– Voor vennootschappen gelden
allerlei soorten van wetgeving. Met
die publieke wetgeving waarin het
overheidsbeleid naar voren komt,
wordt het algemeen belang nagestreefd. Aan die wetgeving moeten
vennootschappen zich uiteraard houden. Schr. richt zijn aandacht op de
vraag of vennootschappen ook met
noties van het algemene belang rekening mogen of moeten houden, als
publiekrechtelijke wetgeving hen
daartoe niet verplicht.
Mr. dr. G.N.H. Kemperink
Internationale overname en
algemeen belang
– In deze bijdrage staat schr. stil bij
het dilemma: het (gelijktijdig) behartigen van het aandeelhoudersbelang
en het algemeen belang. Met de casestudy rond de rol van de overheid in
de overnamestrijd rond Alstom, wil
schr. aantonen dat het ingrijpen van
de overheid in internationale overnametransacties met een beroep op het
algemeen belang veelal is gestoeld
op economische overwegingen. De
nationale economie wordt daarbij als
onderdeel van het algemeen belang
beschouwd. Wanneer een onderneming een wezenlijke rol in de economie van de staat vervult en die
onderneming het voorwerp wordt
van een overname door een buitenlandse partij, dan lijkt er voor de
overheid in beginsel reden tot ingrijpen te zijn. Deze opstelling van de
overheid leidt tot onzekerheden bij
de voorbereidingen van en de onderhandelingen over (publieke of private) overnames. Volgens schr. is dat
niet in het belang van de bieder, de
doelvennootschap en de aandeelhouders van de doelvennootschap.
Prof. mr. B.F. Assink
Belang van de vennootschap,
overname en algemeen belang
– Het thema van deze bijdrage luidt:
belang van de vennootschap, overname en algemeen belang. Voordat
schr. zich richt op de factor ‘alge-
meen belang’ en de context van een
‘overname’, gaat hij in op dat eerste
element in de trits: het ‘belang van
de vennootschap’. Daarbij verstaat
hij onder vennootschap een Nederlandse kapitaalvennootschap (een
NV of BV). Hij beziet dit thema vanuit het perspectief van – het bestuur
van – een dergelijke vennootschap,
waaraan een onderneming is verbonden. Aan het slot van deze bijdrage volgt beantwoording van de
centraal staande vraag of het algemeen belang niet het doel, maar de
– door de overheid getrokken –
grens behoort te zijn van het ondernemingsbeleid.
Mr. J.M. de Jongh
Privatisering, bescherming en
algemeen belang. De voorgenomen
beursgang van ABN-AMRO
– De vraag of ondernemingen door
de overheid of door private partijen
moeten worden gedreven is sinds de
19e eeuw sterk ideologisch gekleurd.
Ook vandaag de dag, rondom de
voorgenomen privatisering van ABN
AMRO, zijn de verschillende stromingen nog te onderkennen. Terwijl de
VVD pleitte voor snelle en volledige
privatisering, diende de SP een motie
in om ABN AMRO in overheidshanden te houden. In deze bijdrage gaat
schr. in op de vraag hoe het kan worden voorkomen dat de met ABN
AMRO gemoeide publieke belangen
in geval van overname in het
gedrang komen. Bij privatisering van
de bank spelen verschillende publieke belangen een rol: enerzijds het
publieke belang dat de staatsschuld
wordt verlaagd en dat de staat een
goede prijs ontvangt. Anderzijds het
belang van een goed functionerend,
concurrerend en stabiel financieel
stelsel. Beide belangen kunnen soms
botsen. Schr. gaat eerst in op de wijze
waarop het algemene belang bij een
overname van een bank door wetgeving wordt gewaarborgd. Vervolgens
worden de privatiseringsplannen van
ABN AMRO onder de loep genomen.
Drs. R. Abma
Algemeen belang vanuit de optiek
van de aandeelhouder
– In deze bijdrage staat centraal of
een aandeelhouder van een beursvennootschap met statutaire zetel in
Nederland bij de belangenafweging
gehouden kan zijn het algemeen
belang te betrekken en dan wel in de
specifieke situatie van een overna-
me, zodat in bepaalde situaties het
eigen belang moet wijken voor het
algemeen belang. Het begrip overname wordt in deze bijdrage ruim
gedefinieerd, namelijk niet alleen de
situatie dat er een openbaar bod
wordt gedaan op de aandelen van
een vennootschap, maar ook de situatie dat een (groep van) aandeelhouder (s) zelf aandringt op een overname of op een wisseling van de
ondernemingsleiding.
WR Tijdschrift voor
Huurrecht
Nr. 1, januari 2015
Mr. L. Vrakking, WR 2015/1
Contractueel afwijken in het
huurrecht: over verwachtingen,
risico’s en exoneratie in de
gebrekenregeling
– Art. 7:209 BW lijkt
op het eerste gezicht
duidelijk geformuleerd: een verhuurder
kan de toepassing van
de artt. 7:206 lid 1 en
2, 7:207 en 7:208 BW
uitsluiten voor gebreken die hij ten tijde van de ondertekening van de huurovereenkomst
niet kende of behoorde te kennen.
Toch is de toepassing van art. 7:209
BW veelbesproken in de literatuur.
Naast het peilmoment voor de kennis van de verhuurder is met name
de maatstaf voor ‘behoren te kennen’
onderwerp van discussie. De scheidslijn tussen de belangrijkste stromingen wordt in de zaak tussen de
Beverwijkse Bazaar en huurder
Brunsveld goed duidelijk.
Om aan de hand van dit arrest de
betekenis van art. 7:209 BW goed te
bespreken zet schr. uiteen wat de
wetgever zijns inziens heeft bedoeld
met de ruimte die hij heeft gecreëerd
om af te wijken van art. 7:204 BW
enerzijds en de artt. 7:206, 7:207 en
7:208 BW anderzijds. Daarbij wordt in
het midden gelaten welke mogelijkheden er wellicht voor de huurder
waren geweest om – in plaats van
over de band van de gebrekenregeling – te proberen de verhuurder via
de (impliciete) aannemingsovereenkomst aan te spreken. Naar het zich
laat aanzien was hij via die benadering in het geheel niet met exoneratiebedingen in de algemene voorwaarden geconfronteerd en had ook
de tekortkoming met minder omhaal
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
397
Tijdschriften
gedefinieerd kunnen worden. Maar
de plaatsing van deze zaak in de sleutel van de gebrekenregeling leidt tot
interessante inzichten: een juiste toepassing van het arrest KPN/Tamminga voor wat betreft het begrip
‘gebrek’ (en het ontstaansmoment
daarvan) en een volgens schr. minder
juiste toepassing van de conclusie
van de A-G voor dat arrest.
327
Europees recht
SEW Tijdschrift voor
Europees en economisch
recht
63e jrg. nr. 1, januari 2015
Dr. W.Th. Douma, mr. A.J. Meyer,
dr. K. Pieters
EU-wetgevingskroniek 2013
– Als we het jaar
2013 overzien werden er af en toe knopen doorgehakt. Dat
was met name het
geval waar het om
economische en
monetaire zaken
ging. Verder werd er naast het in
2011 van kracht geworden sixpack
een twopack aangenomen in de
vorm van een tweetal verordeningen
die het Stabiliteits- en Groeipact
(SGP) nader uitwerken. Op diverse
beleidsterreinen werden maatregelen
aangenomen om de in 2010 opgestelde doelstellingen van de Europa
2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te realiseren.
In 2013 werden verder nog knopen
doorgehakt waar het de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid betrof.
328
Fiscaal recht
Weekblad Fiscaal Recht
144e jrg. nr. 7082, 29 januari 2015
Prof. dr. M.W.C. Feteris
Invloed van het strafrecht op het
fiscale boeterecht
– In deze bijdrage constateert schr.
dat regels uit de wetboeken van
strafrecht en strafvordering of daar-
398
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
aan ten grondslag liggende beginselen in toenemende mate van invloed
zijn op het fiscale boeterecht. Aan de
hand van een aantal voorbeelden
laat hij zien hoe die invloed zich kan
doen gelden.
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
Tussen de nationale wet en de BTWrichtlijn ligt het BTW-paradijs
– Door gebruik te maken van een
vermeende onjuiste of onvolledige
implementatie van de BTW-richtlijn
in nationale BTW-regelgeving trachten belastingplichtigen menigmaal
om een voor hen voordelige situatie
te bereiken door slechts op een element van de BTW-richtlijn een
beroep te doen. We noemen dit ook
wel een asymmetrisch of selectief
beroep. In dit artikel onderzoekt schr.
aan de hand van Europese en Nederlandse jurisprudentie wanneer dergelijke beroepen kans van slagen hebben. Schr. besteedt tevens aandacht
aan enkele situaties waarin de kwestie van het asymmetrisch of selectief
beroep in de toekomst mogelijk gaat
opkomen, te weten: in de zaak-VDP
Dental Laboratory II, bij de integratieheffing en bij de herzieningsregeling.
Mr. D.E. van Sprundel
Over de Tachtigjarige Oorlog,
de Spanish Tax Lease en andere
Spaans/Nederlandse zee- en
veldslagen
– Binnen Europa liggen de Nederlandse en Spaanse scheepsbouwers al
jaren met elkaar overhoop. Met
ingang van 1 januari 2002 konden
Spaanse scheepsbouwers tegen aanzienlijk lagere prijzen schepen
produceren door een versnelde
afschrijvingsmaatregel en de tonnageregeling volgtijdig met elkaar te combineren. De Europese Commissie
heeft deze combinatie — de Spanish
Tax Lease — als onrechtmatige staatssteun bestempeld die deels moet worden terugbetaald. In de jaren 2009,
2010, 2011 en deels in 2013 heeft
Nederland ook een tijdelijke willekeurige afschrijving en een tonnageregeling gehad, de Dutch Tax Lease. Naar
een aantal structuren wordt door de
Belastingdienst nader onderzoek
gedaan. Met ingang van 1 januari
2013 heeft Spanje een nieuwe financiele/fiscale maatregel ingevoerd die
door de Europese Commissie is goedgekeurd. Deze lijkt echter op de zogenaamde Spanish tax lease uit 2002. Is
deze maatregel terecht goedgekeurd?
In deze bijdrage wordt door schr.
onderzocht wat de verschillen zijn
tussen de diverse Spanish en Dutch
Tax Lease-structuren en met name of
en in welke mate er sprake kan zijn
van staatssteunrisico’s.
329
Handels- & economisch recht
Bedrijfsjuridische berichten
Nr. 2, 30 januari 2015
Mr. L.A. van Amsterdam, Bb 2015/2
De Wet continuïteit ondernemingen
II: een van de belangrijkste
hervormingen van het Nederlandse
insolventierecht in jaren
– In deze bijdrage bespreekt schr. het
ontwerp-wetsvoorstel WCO II. Dit
strekt ertoe in de Faillissementswet
een regeling op te nemen voor de totstandkoming van een dwangakkoord
buiten faillissement. Indien het
akkoord door de meerderheid van de
schuldeisers en aandeelhouders wordt
ondersteund, kunnen schuldeisers en
aandeelhouders die zich op onredelijke gronden tegen het akkoord verzetten tot medewerking worden gedwongen door een verbindendverklaring
door de rechter.
Mr. J.H.L. Beckers, Bb 2015/6
Bestuurdersaansprakelijkheid en
het vestigen van een ‘tweederangs’
pandrecht
– In deze bijdrage gaat schr. in op
het arrest van de Hoge Raad van 5
september 2014, ECLI:NL:HR:2014:
2627, over bestuurdersaansprakelijkheid en het vestigen van een ‘tweederangs’ pandrecht.
Mr. M.A. van der Pool, Bb 2015/7
Maatstaf Vie d’Or-arrest geldt ook
voor andere wettelijke toezichthouders. AFM niet aansprakelijk
voor schade DSB-klant
– Op 21 november 2014 bevestigde
de Hoge Raad dat de Autoriteit
Financiële Markten (AFM) als toezichthouder niet onrechtmatig heeft
gehandeld jegens een voormalig
klant van de thans failliete DSB.
Onder de omstandigheden zoals deze
hier speelden levert de beslissing om
geen gebruik te maken van haar
handhavingsbevoegdheden geen
strijd op met de eisen die aan
behoorlijk en zorgvuldig toezicht
worden gesteld.
Tijdschriften
Het Verzekerings-Archief
91e jrg. 4e kwartaal 2014
Prof. mr. J.G.J. Rinkes
Grensverleggend verzekeren: verzekeringsrecht en de interne markt
– Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt
van hoogleraar
Europees en vergelijkend verzekeringsrecht aan de
Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van
Amsterdam op 24 oktober 2014.
Prof. dr. HH.W. Volberda,
drs. ing. C.V. Heij
Nieuwe businessmodellen van
financieel adviseurs. Van provisie
naar waardecreatie
– Ontwikkelingen als het provisieverbod en de opkomst van het internet vergroten de noodzaak voor
financieel adviseurs om hun bestaande, provisiegedreven businessmodellen te herzien. Dit artikel gaat in op
het belang van en de noodzaak voor
businessmodel-innovatie bij financieel adviseurs.
Mr. dr. W.C.T. Weterings, mr. S. Rutten
Schending van vormvereisten in het
verzekeringsrecht
– Hoe om te gaan met schending
van vormvereisten in het verzekeringsrecht – zoals verzending per
aangetekende post ex art. 7:942 lid 2
oud BW – indien vaststaat dat wel
aan de ratio is voldaan? Deze bijdrage bevat enige opmerkingen naar
aanleiding van Rechtbank MiddenNederland op 11 juni 2014.
Drs. S. van Norden, ir. drs. H.J. Reinders
Wereldwijde kapitaaleisen voor
verzekeraars
– Het wereldwijse samenwerkingsverband van verzekeringstoezichthouders (IAIS) ontwikkelt een drietal nieuwe kapitaalstandaarden die
wereldwijd van toepassing worden.
De ontwikkeling van deze standaarden adresseert een tweetal belangrijke onderwerpen in het toezicht
op verzekeraars, namelijk systeemrelevantie en internationale vergelijkbaarheid.
Drs. M.T. Bel, mr. R.J. Visscher
Verzekeringsrisico’s door de jaren
heen. Een onderzoek naar claims in
relatie tot leeftijdscategorieën
– In april 2014 werd bekend dat in
het eerste kwartaal van het jaar meer
ouderen door brand om het leven
zijn gekomen dan in hetzelfde kwartaal van 2013. Het bericht was voor
de media reden op zoek te gaan naar
cijfermateriaal en informatie over de
mogelijke gevolgen van langer thuis
wonen door ouderen. Dit sloot goed
aan bij het onderzoek binnen het
Verbond naar verzekeringsclaims in
relatie tot leeftijdscategorieën.
SEW Tijdschrift voor
Europees en economisch
recht
63e jrg. nr. 1, januari 2015
Mr. L. Wissink
Het (nieuwe) Europese
bankentoezicht en de uitdagingen
in een gemengde rechtsorde
– Het Europees toezichtlandschap
voor banken is sterk veranderd in de
laatste jaren. Dit artikel bespreekt
deze ontwikkelingen in Europa en
specifiek het bankentoezicht in de
eurozone. Daarbij wordt gekeken
naar de uitdagingen die ontstaan
door de gecreëerde gemengde rechtsorde binnen het Single Supervisory
Mechanism (SSM) en het effect daarvan op de effectiviteit van het bankentoezicht.
Tijdschrift voor Financieel
Recht
Nr. 12, december 2014
Mr. drs. A.D.S. Hoeblal, mr. M. Meijer
Timmerman Thijssen
De vormgeving van het Single Resolution Mechanism: de introductie
van een Single Resolution Board en
nationale afwikkelingsautoriteiten
– Op 4 november 2014 is het nieuwe
systeem van financieel toezicht op de
Europese banken officieel gestart. In
dit artikel gaat de aandacht uit naar
de tweede pijler van de bankenunie:
het Single Resolution Mechanism
(SRM). In de zomer van 2014 zijn de
Europese Commissie, het Europees
Parlement en de Europese Raad van
Ministers het eens geworden over de
instelling en vormgeving van het
SRM, waarmee de basis wordt gelegd
voor een pan-Europees regime met
als doel de ordentelijke afwikkeling
van banken en bepaalde beleggingsondernemingen die in moeilijkheden
verkeren. Beoogd is te verzekeren dat
de afwikkeling van een bank in
financiële problemen efficiënt kan
plaatsvinden, met zo min mogelijk
kosten voor de belastingbetaler en de
reële economie. Schrs., geven op
hoofdlijnen een beschrijving van de
manier waarop het SRM zal functioneren. Daartoe schetsen zij eerst het
juridisch kader. Vervolgens beschrijven zij kort hoe het huidige crisisinstrumentarium met de komst van
Europese regelgeving wordt aangevuld. Daarna gaan zij in op het toepassingsgebied van het SRM en
geven zij een overzicht van de voorziene taakverdeling tussen de Europese afwikkelingsautoriteit (Single
Resolution Board) en de nationale
afwikkelingsautoriteit (DNB).
Mr. R.E. Labeur
Provisieverbod beleggingsondernemingen: Een blik
terug en een blik vooruit
– Op het eerste gezicht lijkt het
sinds 1 januari 2014 ingevoerde provisieverbod voor beleggingsondernemingen het sluitstuk van een turbulente periode op het gebied van
provisieregelgeving. Maar die schijn
bedriegt, want MiFID II heeft toch
nog een verplichte uitbreiding voor
Nederland in petto. Zoals het er nu
naar uitziet, gaat het provisieverbod
voor beleggingsondernemingen
namelijk ook gelden voor bepaalde
typen beleggingsdienstverlening aan
professionele beleggers. Daarnaast
heeft de AFM zich in dit eerste
levensjaar van het provisieverbod al
een (impliciete) wens laten ontvallen
voor het verder reguleren van provisie die rechtstreeks door de klant aan
een beleggingsonderneming wordt
betaald. Dit artikel begint met een
beschrijving van de totstandkomingsgeschiedenis van het provisieverbod. Daarna volgt een beschouwing van het provisieverbod zoals we
dat nu kennen. Tot slot volgt een blik
vooruit op wat de markt mogelijk
nog te wachten staat als gevolg van
de wensen van de AFM en MiFID II.
Mr. A.A. van Gelder, mr. J. Dinant
Het handhavingsregime onder
MiFID II - Enkele nieuwe
bevoegdheden van de Autoriteit
Financiële Markten nader bezien
– In de zomer van 2014 is een nieuwe Europese richtlijn gepubliceerd
die MiFID I in belangrijke mate herziet (MiFID II). Deze nieuwe richtlijn
wordt geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving waarna de nieuwe
regels vanaf 2017 moeten worden
nageleefd. Tegelijk met MiFID II
treedt MiFIR in werking, een verordening die rechtstreeks in alle lid-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
399
Tijdschriften
staten van toepassing is. MiFID II en
MiFIR hebben belangrijke gevolgen
voor marktpartijen en voor de financiële regelgeving in Nederland. Hoewel de inwerkingtreding van deze
nieuwe regels wellicht nog ver weg
lijkt, is het voor de praktijk zinvol te
weten welke veranderingen op Europees niveau zijn overeengekomen en
dan met name op het gebied van de
bevoegdheden van de AFM. In dit
artikel geven schrs. een overzicht
van enkele belangrijke wijzigingen
die betrekking hebben op de
bevoegdheden van de AFM onder
MiFID II. Ze beschrijven op hoofdlijnen een aantal nieuwe bevoegdheden waarover de AFM komt te
beschikken naast de huidige in de
Wet op het financieel recht (Wft)
opgenomen bestuursrechtelijke
bevoegdheden. Maar eerst wordt
ingegaan op de aanleiding voor en
de doelstellingen van MiFID II.
Mr. W.J. Horsten
Rondom het nieuws - Plaatsing
van eigen instrumenten bij eigen
cliënten
– In oktober 2014 gaf de Britse
AFM, de Financial Conduct Authority of FCA, een Consulation Paper uit
onder de titel ‘Restrictions on the
retail distribution of regulatory
capital instruments’. Hierin wordt
onder meer voorgesteld om een permanent karakter te geven aan tijdelijke regels die in augustus door de
FCA zijn afgekondigd, en die beperkingen stellen aan de verkoop van
bepaalde regulatory capital instrumenten aan ‘ordinary retail
investors’. Die tijdelijke regels werden van kracht op 1 oktober 2014
en gelden tot 1 oktober 2015. Hoewel deze Britse ontwikkeling op
zich zeer interessant is, wil schr.
niet zozeer ingaan op het consultatiedocument en ook niet op die tijdelijke regels, maar wel op een twee
andere documenten die daar weer
aan vooraf gingen en daartoe aanleiding hebben gegeven. Die twee
andere documenten zijn gepubliceerd door Europese ESA’s (European
Supervisory Authorities) – één door
ESMA alleen, de andere door de drie
ESA’s gezamenlijk.
400
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
330
Omgevingsrecht
Milieu & Recht
42e jrg. nr. 1, januari 2015
Drs. H.E. Woldendorp,
mr. H. Schoukens, M en R 2015/2
De Habitatrichtlijn als Doos van
Pandora. Het A2-arrest van het
Europese Hof van Justitie
– De Nederlandse rechtspraktijk
heeft andermaal aanleiding gegeven
tot een mijlpaal in de toepassing
van het Europese beschermingsregime voor natuurgebieden. Na het
arrest over de aanwijzing van gebieden op grond van de Vogelrichtlijn
en het Waddenzee-arrest over de
passende beoordeling op grond van
de Habitatrichtlijn heeft het Hof van
Justitie van de EU zich op verzoek
van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State in het
A2-arrest gebogen over de praktijk
van het natuurinclusief ontwerpen.
Natuurinclusief ontwerpen is in
Nederland al voor menig plan of
project de reddingsboei geweest. Het
is ook de ideale vertolking van het
poldermodel waarin voor alle
betrokkenen iets positiefs te behalen valt, een klassieke win-win situatie. De Afdeling bestuursrechtspraak
leek aanvankelijk akkoord met deze
aanpak, maar had bij de verbreding
van Rijksweg A2 kennelijk toch twijfels of natuurinclusief ontwerpen
onder alle omstandigheden met de
Habitat-richtlijn verenigbaar is. In
zijn arrest heeft het Hof Nederland
verder ‘wegwijs’ gemaakt in het
Europese natuurbeschermingsrecht.
Het Hof tikte Nederland op de vingers, omdat het eigenmachtig de
bakens in het Europese recht wilde
verzetten met een verbeterde Nederlandse versie van de Habitatrichtlijn.
Opnieuw bleek Nederland te soepel
met de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen om te springen.
Het A2-arrest kan voor de praktijk
grote gevolgen hebben.
Nederlands Tijdschrift voor
Energierecht
13e jrg. nr. 5/6, december 2014
Mr. P.B. Gaasbeek,
mr. M.A.M.L. van de Sanden
Richtsnoeren milieu- en
energiesteun 2014-2020 - Op zoek
naar de balans tussen steun en
marktwerking bij hernieuwbare
energie
– De afgelopen jaren
zijn veel steunmaatregelen toegekend ten
behoeve van hernieuwbare energiebronnen. Recent
onderzoek van de
Europese Commissie
laat zien dat de lidstaten in 2012
EUR 41 miljard hebben uitgegeven
om het gebruik van hernieuwbare
energiebronnen te stimuleren. In
totaal was het aandeel duurzame
energie in de totale energieconsumptie in de Europese Unie in 2012
14,1%. Sinds 2004 groeide in alle lidstaten het aandeel van hernieuwbare
bronnen in het eindverbruik van
energie. De stimulering van hernieuwbare energiebronnen heeft duidelijk vruchten afgeworpen, maar
tegelijkertijd ook een ontwrichtend
effect op de markt gehad. In de herziene Richtsnoeren milieu- en energiesteun 2014-2020, die op 1 juli
2014 in werking zijn getreden, tracht
de Commissie de positieve en negatieve effecten van steun aan hernieuwbare energie beter in balans te
brengen. In dit artikel geven schrs.
aan hoe de Commissie die balans
tracht te herstellen.
Mr. J.W.C. Gazendam
Weer een frisse bries voor windenergie op zee
– Een belangrijke oorzaak voor de
trage ontwikkeling van wind op zee
is het ontbreken van een adequaat
juridisch kader. Ter uitvoering van
het Energieakkoord heeft de regering
toegezegd een robuust wettelijk
kader te creëren opdat de uitrol van
windenergie op zee voortvarend kan
plaatsvinden. Daarom heeft de regering dit voorjaar een ontwerpwetvoorstel Windenergie op zee het licht
doen zien. Dit wetsvoorstel is ter consultatie voorgelegd en verschillende
(markt)partijen hebben zienswijzen
ingediend. Deze zienswijzen zijn verwerkt in het op 16 oktober 2014 aan
de Tweede Kamer gestuurde wets-
Tijdschriften
voorstel Windenergie op zee (Woz).
Welke verbeteringen worden er aangebracht ten opzichte van het huidige wettelijke kader voor windenergie
op zee en welke verwachtingen
mogen worden gekoesterd met
betrekking tot het voorgestelde systeem? In deze bijdrage wordt het
bestaande juridische kader voor
windenergie op zee op hoofdlijnen
kort besproken en worden de bepalingen uit het wetsvoorstel Windenergie op zee geanalyseerd. Er wordt
gekeken naar de drietrapsraket,
bestaande uit het nationaal waterplan, het kavelbesluit en de vergunning, waaruit het reguleringskader
bestaat. Ook wordt de samenhang
met de wetgevingsagenda STROOM
behandeld. Afgesloten wordt met
enkele slotopmerkingen.
Mr. drs. H.M. Israëls,
drs. ing. W.P.C. Mans
Gelijkwaardigheid in
warmteplannen. Aansluitplicht
en warmteplannen
– In steeds meer gemeenten worden
warmtenetten aangelegd voor de
verwarming van gebouwen. Op
grond van het Bouwbesluit 2012
moeten gebouwen verplicht worden
aangesloten op zo’n warmtenet.
Maar van deze aansluitplicht kan
worden afgeweken wanneer een
gelijkwaardig alternatief voor de
aansluiting op het warmtenet wordt
toegepast. Zo’n gelijkwaardig alternatief wordt getoetst aan de mate
van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van het voltooide warmtenet zoals opgenomen
in een warmteplan dat door de
gemeenteraad wordt vastgesteld.
Over de vraag wanneer sprake is van
een gelijkwaardig alternatief voor de
aansluiting op het warmtenet, is
veel discussie ontstaan. Onduidelijk
is hoe door gemeenten de mate van
energiezuinigheid en bescherming
van het milieu van het voltooide
warmtenet in het warmteplan moet
worden ingevuld.
Mr. S. J.H. van de Kant,
mr. P. van Huizen
Kabel- en leidingschade - De hoofdlijnen uit 6 jaar jurisprudentie
– In 2008 is de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (hierna: WION) in werking getreden. De
minister heeft bij de invoering aangegeven dat de WION plichten voor
grondroerders, netbeheerders en
opdrachtgevers vastlegt met het oog
op voorkoming/vermindering van
graafschades. Deze partijen dienen
vervolgens samen invulling te geven
aan de verantwoordelijkheid voor
zorgvuldig graven. In dit artikel worden de hoofdlijnen uit die jurisprudentie vanaf de invoering van de
WION tot heden op een rij gezet.
Daarbij komen de volgende onderwerpen aan bod: de zorgplichten, verjaring, schade, causaal verband,
bewijs(last), proceskosten, eigen
schuld, derden benadeelden en overige opmerkingen. Er wordt afgesloten
met een uitleiding.
Tijdschrift voor
Constitutioneel Recht
6e jrg. nr. 1, januari 2015
Prof. mr. K.J. de Graaf
De Omgevingswet: subsidiariteit
verankerd en gemeentelijke
autonomie gehandhaafd?
– In een behoorlijk
tempo wordt gewerkt
aan een stelselherziening van vrijwel het
gehele Nederlandse
omgevingsrecht. De
introductie van een
Omgevingswet in
2018 moet vorm geven aan een stelsel van omgevingsrecht dat eenvoudig beter is. Daartoe heeft de regering een zogenoemde Toetsversie
Omgevingswet het licht doen zien
en heeft zij vervolgens het wetsvoorstel Omgevingswet aangeboden aan
de Tweede Kamer. De regering
beschouwt het wetsvoorstel Omgevingswet grotendeeld als ‘beleidsneutraal’ waar het gaat om de
bestuurlijke taakverdeling, zodat de
bestaande verdeling van taken en
bevoegdheden grotendeels onveranderd blijft en bovendien geen verschuiving optreedt van gemeentelijke autonomie naar medebewind. In
hoeverre is dat daadwerkelijk
gelukt? Schr. staat stil bij die vraag,
met name in het licht van de in het
wetsvoorstel opgenomen regeling
voor het gemeentelijke omgevingsplan, dat onder meer het gemeentelijke bestemmingsplan vervangt.
331
Rechtspleging & procesrecht
Nieuw Juridisch Weekblad
14e jrg. nr. 315, 28 januari 2015
S. Remmery, G. Supply
Gerechtelijke reorganisatie. Stand
van zaken na ruim vijf jaar praktijk
– (België) De Wet Continuïteit Ondernemingen (WCO) is al een vijftal jaar
in werking en werd in mei 2013
gewijzigd. Schrs. geven in deze bijdrage een overzicht van de wet zoals die
op vandaag wordt toegepast met tal
van voorbeelden uit de rechtspraak.
Ze staan stil bij het toepassingsgebied en de gegevensverzameling
alvorens uitgebreid in te gaan op de
gerechtelijke reorganisatie zelf.
Trema
38e jrg. nr. 1, januari 2015
L.G. Verburg
Rapport visitatie gerechten 2014
– Eind 2014 verscheen het Rapport
visitatie gerechten 2014. In dit rapport doet de visitatiecommissie, die
onder leiding stond van prof.mr. M.J.
Cohen, verslag van haar in opdracht
van de Raad voor de rechtspraak
verrichte visitatie gerechten. Schr.
bespreekt dit rapport en gaat nader
in op de aanpak van de visitatie
door de commissie. Vervolgens
wordt besproken de door de commissie in de rechtspraak geconstateerde druk op de financiële middelen en wordt ten aanzien van dit
punt stilgestaan bij de positie van
de Raad voor de rechtspraak. Tot slot
besteedt schr. aandacht aan de aanbevelingen die de commissie in het
rapport formuleerde met name op
het gebied van het communiceren,
afdoening van zaken en vakkennis.
De visitatie vond plaats in een tijd
dat binnen de rechtspraak veel veranderingen werden doorgevoerd. De
Commissie constateert dat de veranderingen spanningen hebben veroorzaakt. De veranderingsmoeheid
bij medewerkers wordt zorgwekkend
genoemd. Schr. concludeert op basis
van dit rapport dat het binnen de
rechtspraak weliswaar de goede kant
op gaat, maar een eindpunt is nog
niet bereikt.
H.F.M. Hofhuis
Vernieuwing van het civiele proces.
De regie van de rechter en de
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
401
Tijdschriften
versnelling van de procedure:
enkele observaties uit de praktijk
– Het wetsvoorstel tot vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Kamerstukken II 2014/15,
34059) werd op 16 oktober 2014
ingediend. Schr. bespreekt, vanuit
zijn eigen ervaring als civiel rechter,
uit dit voorstel de regierol van de
rechter en de versnelling van de
procedure voor wat betreft de dagvaardingsprocedures binnen civiele
bodemprocedures. Voor wat betreft
de regierol van de rechter zoals in
het voorstel beschreven, staat schr.
uitgebreid stil bij het begrip ‘regievoering’, het recht op pleidooi, het
ter zitting horen van getuigen en
deskundigen en het mondelinge
vonnis tijdens de zitting. Ten aanzien van de versnelling van de procedure bespreekt schr. de in het
voorstel voorgestelde basisprocedure, de voorgestelde termijnen en de
met het voorstel beoogde versnelling van de procedure. Daarnaast
wordt ingegaan op de oorzaken van
vertragingen in procedures. Schr.
concludeert dat het voorstel voor
wat betreft de regierol van de rechter weinig nieuws bevat en dat de
versnelling van de civiele bodemprocedure niet wordt waargemaakt.
J.A.R. van Eijsden
Onherroepelijke aanslagen in het
licht van het Europese recht. Fiscale
rechtsbescherming: kunnen onherroepelijke aanslagen worden ‘opengebroken’ op grond van EU-recht?
– Het Europees recht heeft een grote
invloed op fiscale rechtsbescherming.
Schr. onderzoekt aan de hand van
jurisprudentie van het Hof van Justitie of onherroepelijke belastingaanslagen op grond van het Europees
recht kunnen worden opengebroken.
De vraag die centraal staat is of een
belastingplichtige een onherroepelijke belastingaanslag die in strijd is
met het Europees recht, kan bestrijden of het hierop reeds betaalde
terug kan krijgen? Om deze vraag te
kunnen beantwoorden beziet schr. in
het licht van het unierecht, de nationale bezwaar- en beroepstermijnen,
de plicht van een bestuursorgaan om
terug te komen op een onherroepelijk besluit en het leerstuk van het
gezag van gewijsde. De conclusie is,
dat hoewel de mogelijkheden
beperkt zijn, er volgens schr. voor de
belastingplichtige wel degelijk moge-
402
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
lijkheden zijn. Schr. adviseert de
belastingplichtige dan ook om, bij
een opgelegde belastingaanslag die
in strijd is met het Europees recht, de
mogelijkheden tot vermindering van
de belastingaanslag of terugbetaling
zeker te onderzoeken.
332
Sociaal Recht
Rechtskundig Weekblad
78e jrg. nr. 21, 24 januari 2015
L. Goossens
Het grondrecht op sociale zekerheid
en sociale bijstand: dammen tegen
de afbouw van de sociale
welvaartsstaat?
– (België) Recente Europese en
internationale ontwikkelingen werpen een nieuw licht op de mogelijkheden en de grenzen van rechterlijk
toezicht op de afbouw van de sociale
welvaartsstaat en op de afdwingbaarheid van sociale grondrechten.
Een afbouw van de sociale welvaartsstaat dient evenredig te zijn
en daarenboven mogen staten bij
hun hervormingen niet raken aan
de harde kern van sociale grondrechten. Het Europees Comité voor
Sociale Rechten en het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens lijken
de harde kern inzake het grondrecht
op sociale zekerheid en sociale bijstand (in tijden van economische
crisis) gelijk te stellen met het eerbiedigen van de armoedegrens.
333
Staats- & bestuursrecht
De Gemeentestem
165e jrg. nr. 7415, 23 januari 2015
Mr. T.E.P.A. Lam en mr. L.J. Gerritsen,
Gst. 2015/2
Planschade en uitwerkingsplichten:
(on)duidelijk
– Met de inwerkingtreding van de
Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de
wettelijke regeling inzake planschade
(onder andere) op het punt van de
binnenplanse flexibiliteitsbepalingen als bedoeld in art. 3.6 Wro gewijzigd. De binnenplanse flexibiliteitsbepalingen zijn sindsdien een
zelfstandige planschadeoorzaak (zie
art. 6.1 lid 2 Wro). Bij inwerkingtreding van het nieuwe wettelijke regime was de verwachting dat de binnenplanse flexibiliteitsbepalingen in
het kader van de planologische maximalisatie geheel buiten beschouwing
moeten worden gelaten. Voor wat
betreft de binnenplanse omgevingsvergunning en de wijzigingsbevoegdheid is die verwachting uitgekomen.
Voor de uitwerkingsplicht heeft de
Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State een andere, meer
genuanceerde, benadering gekozen.
Na een beknopte inleiding lichten
schrs. deze benadering aan de hand
van enkele uitspraken toe en voorzien deze van (kritisch) commentaar.
Nederlands Tijdschrift voor
Bestuursrecht
Nr. 1, januari 2015
H. Donner, B.J. van Ettekoven,
NTB 2015/2
Digitaal procederen bij de
bestuursrechter
– Alweer een wijziging
in het bestuursprocesrecht? Jazeker. De procedure bij de bestuursrechter verloopt in de
nabije toekomst namelijk digitaal. De Wet
vereenvoudiging en
digitalisering procesrecht, die 20
oktober 2014 bij de Tweede Kamer is
ingediend, maakt het wettelijk mogelijk om langs elektronische weg te
communiceren met de rechter. Het
instellen van (hoger) beroep, het
indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, een verweerschrift en nadere stukken, het monitoren van de voortgang van de
procedure en het ter beschikking
stellen van de uitspraak kan dan
digitaal plaatsvinden. Hiervoor wordt
een portaal ‘Mijn Zaak’ aangeboden
door de gerechten, de Hoge Raad
onderscheidenlijk de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van
State. De gerechten kunnen aan partijen die veel procederen, zoals grote
uitvoeringsorganisaties of rechtsbijstandsverzekeraars, een systeemkoppeling (system-to-system) ter
beschikking stellen om zo stukken
en berichten uit te wisselen met de
bestuursrechter. Deze wet verplicht
professionele partijen om digitaal te
procederen. Natuurlijke personen
Tijdschriften
zonder professionele rechtsbijstandverlener mogen kiezen of ze digitaal
willen procederen of op papier.
P.A. Thijssen, J. Korzelius,
Y.E. Schuurmans, G.J. van Leijenhorst,
NTB 2015/3
Misbruik van recht: taak voor wetgever of voor rechter en bestuur?
– Op woensdag 5 november 2014
heeft de VAR, de vereniging voor
bestuursrecht, een studiemiddag
georganiseerd over misbruik van
recht. Centrale vraag tijdens de middag was of bestuursorganen en de
rechter voldoende instrumenten hebben om misbruik van recht tegen te
gaan of dat de wetgever eraan te pas
dient te komen. En als dat laatste het
geval is, op welke wijze de wet dan
moet worden aangepast.
Tijdschrift voor
Constitutioneel Recht
6e jrg. nr. 1, januari 2015
Prof. mr. H.G. Hoogers
Constitutionele rechtspraak in het
Koninkrijk der Nederlanden –
The real deal. De beslissing van
het Constitutionele Hof van Sint
Maarten van 8 november 2013
– In de staatkundige geschiedenis
van het Koninkrijk is 8 november
2013 een gedenkwaardige dag. Op
die dag wees het constitutionele hof
van Sint Maarten zijn eerste beslissing, waarmee voor het eerst binnen
het Koninkrijk der Nederlanden een
daartoe specifiek bevoegd gemaakt
rechterlijk college formele wetgeving
toetste aan de nationale constitutie,
in dit geval de Staatsregeling van
Sint Maarten. Hoewel er over de
inhoudelijke oordelen van het hof
het nodige is te zeggen, focust schr.
zich in zijn analyse van deze uitspraak op die aspecten van de uitspraak die voor het constitutionele
recht het meest interessant zijn, met
name de wijze waarop het hof zelf
oordeelt over zijn taakopvattingen
als constitutionele rechter. Deze
toetst schr. aan de Staatsregeling zelf
en de bijbehorende Memorie van
Toelichting. Vervolgens wordt deze
toetsing voorzien van enkele kanttekeningen en observaties.
Mr. C.B. Modderman
De Staten-Generaal en de
totstandkoming van verdragen
– Recentelijk hebben de Staatscommissie Grondwet en Tweede Kamerlid Joost Taverne (VVD) aangegeven
van mening te zijn dat de Rijkswet
goedkeuring en bekendmaking verdragen moet worden aangepast.
Daarom wordt in dit artikel ingegaan
op enkele mogelijkheden tot versterking van de parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van
verdragen, waaronder de mogelijkheid die de Staatscommissie Grondwet en Taverne voorstaan.
Mr. G. Boogaard
Pleidooi voor een Constitutioneel
Beraad
– In dit essay wil schr. vier ontwikkelingen samenvlechten tot een pleidooi voor een Constitutioneel
Beraad: een gezaghebbend genootschap voor constitutionele geschilbeslechting. De eerste ontwikkeling
is het verglijden van het momentum
voor constitutionele toetsing. De
tweede ontwikkeling betreft het
onbegrip voor de klassieke parlementaire soevereiniteit. Het afnemende constitutionele kaliber van
de volksvertegenwoordiging is de
derde ontwikkeling. En een betere
organisatie van het aanbod is de
laatste ontwikkeling.
334
Straf (proces)recht,
penitentiair recht &
criminologie
de kenmerken in werkelijkheid geen
indicatie hoeven te zijn van onjuistheid. Door vergroting van kennis
over misvattingen over en gevolgen
van seksueel geweld geven schrs. een
aanzet tot verlaging van de drempel
voor slachtoffers om te verklaren.
Rechtskundig Weekblad
78e jrg. nr. 22, 31 januari 2015
L. Stevens
Grooming en cyberlokking strafbaar. Uitbreiding van de strafrechtelijke bescherming van de seksuele
integriteit van minderjarigen in
cyberspace
– (België) Deze bijdrage onderzoekt
eerst het recent ingevoerde misdrijf
m.b.t. ‘online grooming’ en ‘grooming’ als verzwarende omstandigheid. Vervolgens komt de nieuwe
strafbaarstelling van ‘cyberlokking’
ten aanzien van minderjarigen aan
bod. De nieuwe strafrechtelijke bepalingen zullen ongetwijfeld hun nut
bewijzen in de strijd tegen kindermisbruik via internet, maar dragen
helaas ook bij tot het steeds onoverzichtelijker worden van het seksueel
strafrecht in het algemeen en het
seksueel strafrecht ter bescherming
van minderjarigen in het bijzonder.
335
Vreemdelingenrecht
Delikt en Delinkwent
45e jrg. nr. 1, januari 2015
A.K. Bosma LL.M. MSc,
L. van Krimpen LL.M,
dr. L.M.E. Menenti, DD 2015/2
Het slachtoffer van seksueel geweld
verklaar(d)(t)
– De politie houdt bij
verklaringen van
slachtoffers van seksueel geweld rekening
met de mogelijkheid
dat sprake is van een
onjuiste verklaring.
Dit artikel evalueert
kenmerken, door rechercheurs
genoemd in een belevingsonderzoek
toegespitst op verklaringen van tienermeisjes, die kunnen wijzen op
een onjuiste verklaring. Schrs. vergelijken deze kenmerken met misvattingen over en bekende gevolgen van
seksueel geweld tegen kinderen. Zij
concluderen dat de meeste genoem-
SEW Tijdschrift voor
Europees en economisch
recht
63e jrg. nr. 1, januari 2015
A.A.M. Schrauwen
Europees burgerschap in
recente rechtspraak van het Hof
van Justitie
– In de afgelopen jaren heeft het
Hof van Justitie een aantal arresten
gewezen die nadere invulling geven
aan de rechten van EU-burgers en
hun gezinsleden. Dit artikel geeft
een globale inventarisatie van deze
rechtspraak en poogt de betekenis
daarvan voor zowel de wijze waarop
het Europees burgerschap evolueert,
als voor de daaraan gekoppelde
rechten en plichten te duiden. Heeft
deze rechtspraak gevolgen voor de
normatieve visie op het burgerschap
van de Unie?
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
403
Wetgeving
Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen en gepubliceerde staatsbladen met links naar de integrale
Kamerstukken is opgenomen op de
NJB-site www.njb.nl
Staatsblad
Wijziging Kieswet (kiesrecht
niet-Nederlanders BES)
Eerste Kamer (horizonbepaling). Die
horinzonbepaling is er echter nog
steeds niet en inmiddels is inwerkingtreding wel aan de orde vanwege de komende eilandsraadverkiezingen. In 2011 oordeelde de rechter
dat het niet toekennen van het recht
om te stemmen aan de niet-Nederlanders in strijd is met het discriminatieverbod uit internationale verdragen (zolang de leden van de
eilandsraden de leden van de Eerste
Kamer niet kiezen).
Inwerkingtredingsbesluit van 23-01-2015, Stb. 2015, 27
Inwerkingtreding
336 - Besluit houdende vaststelling
van het tijdstip van inwerkingtreding
van enkele onderdelen van de wet
van 3 juli 2013 tot wijziging van de
Kieswet houdende maatregelen om
het eenvoudiger te maken voor
Nederlanders in het buitenland om
hun stem uit te brengen, wijziging
van de wijze van inlevering van de
kandidatenlijsten, aanpassing van de
datum van kandidaatstelling en
stemming, alsmede regeling van
andere onderwerpen (Stb. 2013, 289)
– De onderdelen van de wet van 3
juli 2013 die op grond van dit
besluit m.i.v. 30-01-2015 in werking
treden, betreffen een wijziging van
de Kieswet (artikel Ya 14) en een wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
(artikel 11). De wijzigingen houden
een aanpassing in van de groep die
gerechtigd is de leden van de
eilandsraad te kiezen respectievelijk
als lid van de eilandsraad gekozen
te worden. Deze groep wordt uitgebreid met niet-Nederlandse ingezetenen van het Caribische deel van
Nederland.
Naar aanleiding van de behandeling
van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Kieswet en de Wet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba, houdende aanpassing van de
regeling met betrekking tot het kiesrecht van niet-Nederlanders bij
eilandsraadsverkiezingen in de Eerste Kamer zijn de genoemde onderdelen niet in werking getreden
omdat een aantal leden eraan hechtten dat eerst geregeld zou worden
dat het kiesrecht van niet-Nederlanders voor de eilandsraden van
rechtswege vervalt indien de eilandsraden het kiesrecht krijgen voor de
404
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Inkomensondersteuning
AOW-ers
337 - Wet tot wijziging van de
Algemene Ouderdomswet, de Wet
financiering sociale verzekeringen,
de Participatiewet en de Wet op de
huurtoeslag in verband met het toekennen van een inkomensondersteuning aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de
Algemene Ouderdomswet en intrekking van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere
belastingplichtigen
– De regering heeft aangekondigd
dat de tegemoetkoming op grond
van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen en de Regeling koopkrachttegemoetkoming niet-KOB
gerechtigden met een AOWpensioen
(hierna: MKOB) komen te vervallen.
Met deze wet wordt de MKOB-wetgeving daadwerkelijk ingetrokken en
wordt een wettelijke inkomensondersteuning voor ouderen geïntroduceerd die afhankelijk is van de
AOW-opbouw, ter vervanging van de
Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden
en gefinancierd uit het ouderdomsfonds. De inkomensondersteuning
wordt gerelateerd aan het aantal
AOW-opbouwjaren en gefinancierd
uit het Ouderdomsfonds. Dit heeft
als consequentie dat personen met
een onvolledige AOWopbouw, zowel
in Nederland als in het buitenland
een lagere inkomensondersteuning
krijgen dan mensen met een volledige AOW-opbouw.
Inwerkingtreding m.i.v. 01-02-2015.
Wet van 28-01-2015, Stb. 2015, 28 (Kamerstukken
34 015) en inwerkingtredingsbesluit van 28-01-2015,
Stb. 2015, 29
Wet Dieren
Inwerkingtreding
338 - Besluit houdende de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2, eerste tot en
met vierde lid, van de Wet dieren, en
artikel 1.4 van het Besluit houders
van dieren
– Dit besluit regelt onder meer de
inwerkingtreding van artikel 2.2, eerste tot en met vierde lid, van de Wet
dieren. Op grond van dat artikel is
het verboden om dieren te houden
die niet behoren tot de diersoorten
die door de minister zijn aangewezen. Deze voorbereiding is nu voltooid. Er is een aanvang gemaakt
met de beoordeling van de in Nederland gehouden diersoorten. Voor een
aantal zoogdiersoorten is de beoordeling afgerond. In verband hiermee
kunnen de genoemde artikelen in
werking treden, zodat over de beoordeelde diersoorten een besluit kan
worden genomen dat zij aangewezen
worden of niet aangewezen worden.
Inwerkingtredingsbesluit van 22-01-2015, Stb. 2015, 33
Maatregelen gesubsidieerde
rechtsbijstand
339 - Besluit houdende wijziging van
het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen
rechtsbijstand 2000 en het Besluit
toevoeging mediation in verband
met het treffen van enige maatregelen inzake de gesubsidieerde rechtsbijstand
– Met het onderhavige besluit wordt
in de eerste plaats de automatische
indexering van de vergoedingen en
de eigen bijdragen voor zowel toevoegingen voor rechtsbijstand als
mediation tijdelijk, namelijk tot
1 januari 2019, uitgeschakeld. De
rechtvaardiging van deze maatregel
is gelegen in het feit dat door
macro-economische ontwikkelingen
veel beroepsgroepen momenteel al
langere tijd op de nullijn staan. In
tegenstelling tot veel andere
beroepsgroepen is de indexering van
de vergoedingen voor de rechtsbijstandverleners die deelnemen aan
het stelsel doorgezet. Door het tijdelijk uitschakelen van de indexering,
dragen ook de rechtsbijstandverleners, voor zover zij deelnemen aan
het stelsel, bij aan de financiële
Wetgeving
beheersbaarheid ervan. Overigens
hebben de gebruikers van gesubsidieerde rechtsbijstand (de rechtzoekenden) hun inkomen de laatste
jaren veelal nauwelijks zien stijgen.
Door ook de eigen bijdrage tijdelijk
niet te indexeren wordt daarmee
rekening gehouden.
Voor enkele zaken op het gebied van
het straf(proces)recht wordt verder
het aantal punten per zaak verlaagd.
Dit betreft supersnelrechtzittingen
(van 6-9 naar 4), ingetrokken hoger
beroep (van 5 naar 2), overleveringszaken (van 9 naar 6), één keer zitting
(raadkamer) (van 3 naar 2), beklagzaken detentie (van 5 naar 3) en gijzelingszaken Mulder (van 8 naar 4).
Daar staat tegenover dat de vermindering van het aantal punten dat wordt
toegekend voor de afdoening van kennelijke zaken is teruggedraaid.
Voor bewerkelijke strafzaken waarbij verdachten zijn betrokken, wordt
de vergoeding per punt verlaagd
met 4,5 procent. Deze maatregel
komt in de plaats van de aanvankelijk voorgenomen bijstelling van het
puntenaantal voor ondertoezichtstellingszaken.
Verder wordt de generieke vergoeding per punt, zoals geregeld in artikel 3, eerste lid, Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 verlaagd
met € 0,35 en is tot slot het Besluit
eigen bijdrage rechtsbijstand in die
zin aangepast, dat de regeling dat
een minderjarige geen eigen bijdrage hoeft te betalen bij een conflict
met de voogd of voogden gelijk
wordt getrokken aan de situatie
waarin er een conflict is met de
ouder of ouders.
Inwerkingtreding m.i.v. 01-02-2015,
deels met terugwerkende kracht tot
01-01-2015 en deels tot 15-02-2014.
Besluit van 29-01-2015, Stb. 2015, 35
340
ring in verband met het opheffen
van de strafrechtelijke immuniteit
van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers.
Kamerstukken I 2014/2015, 30 538, C
Wet forensische zorg
Verslag van een schriftelijk overleg
(04-02-2015) over het wetsvoorstel
tot vastelling van een Wet
forensische zorg en daarmee
verband houdende wijzigingen in
diverse andere wetten.
Kamerstukken I 2014/2015, 32 398, L
Verplichte GGZ
Opheffen strafrechtelijke
immuniteit publiekrechtelijke rechtspersonen
Memorie van antwoord (04-02-2015)
bij het initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van strafvorde-
Brief van de Staatssecretaris van VenJ
(02-02--2015) over het wetsvoorstel
tot wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en de Telecommunicatiewet in verband met de
invoering van een meldplicht bij de
doorbreking van maatregelen voor
de beveiliging van persoonsgegevens
(meldplicht datalekken).
– Brief met een reactie op de brief van
de Voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens over de tweede nota van wijziging inzake de meldplicht datalekken en uitbreiding van
de bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp.
Brief van de Raad voor de
rechtspraak (06-02-2015) over het
wetsvoorstel met regels voor het
kunnen verlenen van verplichte zorg
aan een persoon met een psychische
stoornis (Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg).
– Brief naar aanleiding van de nota
van wijziging van 30 september
2013 waarin de Raad stelt dat ook na
de voorliggende nota van wijziging
het wetsvoorstel weliswaar gebaseerd
blijft op de gedachte dat verplichte
opneming in een inrichting zoveel
mogelijk vermeden moet worden en
dat de te verlenen zorg zoveel mogelijk wordt bepaald in samenspraak
met de betrokkene en gericht moet
zijn op rehabilitatie en dat dit een
belangrijke verbetering ten opzichte
van de huidige Bopz is maar dat de
voorgestelde wijze waarop deze verbetering gerealiseerd moet worden op
een aantal praktische en principiële
bezwaren stuit die meebrengen dat
het wetsvoorstel aanpassing behoeft.
Kamerstukken II 2014/2015, 33 662, nr. 15
Kamerstukken II 2014/2015, 32 399, nr. 22
Eindverslag (03-02-2015) over het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en
enige andere wetten in verband met
bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Cliëntenrechten zorg
Nader voorlopig verslag (03-02-2015)
over het wetsvoorstel houdende
regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van
klachten en geschillen in de zorg (Wet
kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Maximumboete rookverbod
Tekst van het gewijzigd wetsvoorstel
(27-01-2015) tot wijziging van de
Tabakswet ter invoering van een verhoogd strafmaximum op overtreding
van het rookverbod (Verhoging strafmaximum overtreding rookverbod
Tabakswet) en en eindverslag over dit
voorstel (03-02-2015).
Kamerstukken I 2014/2015, 33 738, A-B
Kiesrecht niet-Nederlandse
ingezetenen BES-eilanden
Verslag van een mondeling overleg
(04-02-2015) over het wetsvoorstel
tot Wijziging van de Kieswet en de
Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, houdende aanpassing van de regeling met betrekking
tot het kiesrecht van niet-Nederlanders bij eilandsraadsverkiezingen.
Kamerstukken I 2014/2015, 33 900, C
Elektronisch bekendmaken
Kamerstukken I 2014/2015, 33 956, A
Omgevingswet
Nader voorlopig verslag (30-01-2015)
over het wetsvoorstel tot wijziging
van de Gemeentewet in verband met
de verruiming van de bevoegdheid
van de burgemeester tot de inzet
van cameratoezicht.
Brief van de Staatssecretaris van EZ
(29-01-2015) over het wetsvoorstel
houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet).
– Brief bij de aanbieding van het rapport “Evaluatie landinrichtingsinstrumentarium Wet inrichting landelijk gebied”.
Kamerstukken I 2014/2015, 33 582, C
Kamerstukken II 2014/2015, 33 962, nr. 11
Kamerstukken I 2014/2015, 32 402, K
Vervolgstukken
Meldplicht datalekken
Flexibel cameratoezicht
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
405
Wetgeving
Novelle kerntaken
volkshuisvesting
Veiligheid olie- en
gasactiviteiten
Memorie van antwoord (30-01-2015)
bij het wetsvoorstel tot wijziging van
de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting.
Nota n.a.v. het verslag (04-02-2015)
en nota van wijziging (04-02-2015)
bij het wetsvoorstel tot wijziging van
de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische
delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van
het Europees parlement en de Raad
van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn
2004/35/EG (PbEU 2013, L 178).
Kamerstukken I 2014/2015, 33 966, I
Rijkssanctiewet
Nota van wijziging (28-01-2015) bij
het voorstel van rijkswet houdende
bepalingen omtrent de toepassing in
Aruba, Curaçao en Sint Maarten van
beperkende maatregelen met het
oog op de handhaving of het herstel
van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de
bestrijding van terrorisme, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie
(Rijkssanctiewet).
Kamerstukken II 2014/2015, 34 009, nr. 9
Medezeggenschap bij
grensoverschrijdende fusie
Eindverslag (03-02-2015) over het
wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek in verband met de wijziging van de regels
voor werknemersmedezeggenschap
in geval van grensoverschrijdende
fusie van kapitaalvennootschappen.
Kamerstukken I 2014/2015, 34 012, A
Verruiming gronden verlies
Nederlanderschap
Nota n.a.v. het verslag (29-01-2015)
en nota van wijziging (29-01-2015)
bij het voorstel van rijkswet tot wijziging van de rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de
mogelijkheden voor het ontnemen
van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven.
Kamerstukken II 2014/2015, 34 016, nrs. 5-6
Goedkeuring EigenMiddelenbesluit EU
Nota n.a.v. het verslag (04-02-2015)
bij het wetsvoorstel tot goedkeuring
van het op 26 mei 2014 te Brussel tot
stand gekomen Besluit van de Raad
van de Europese Unie betreffende
het stelsel van eigen middelen van
de Europese Unie (Trb. 2014, 157).
Kamerstukken II 2014/2015, 34 023, nr. 5
406
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Kamerstukken II 2014/2015, 34 041, nrs. 6-7
Valsemunterij
Verslag (29-01-2015) over het wetsvoorstel tot implementatie van de
richtlijn 2014/62/EU van het Europees parlement en de Raad van 15
mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en
andere munten tegen valsemunterij
en ter vervanging van Kaderbesluit
2000/383/JBZ van de Raad (PbEU L
151/1).
Kamerstukken II 2014/2015, 34 081, nr. 4
Herziening strafrechtelijke
tenuitvoerlegging
Verslag (04-02-2015) over het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek
van Strafvordering en enige andere
wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van
de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening
tenuitvoerlegging strafrechtelijke
beslissingen).
Kamerstukken II 2014/2015, 34 086, nr. 6
Associatieovereenkomsten
Oekraïne, Moldavië en
Georgië
Verslagen (05-02-2015) over de wetsvoorstellen houdende goedkeuring
van de op 27 juni 2014 te Brussel tot
stand gekomen Associatieovereenkomsten tussen de Europese Unie en
de Europese Gemeenschap voor
Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, respectievelijk Moldavië en Georgië, anderzijds (Trb. 2014,
160, Trb. 2014, 207 en Trb. 2014, 210).
Kamerstukken II 2014/2015, 34 114, 34 115, 34 116,
nrs. 5
341
Nota’s,
rapporten &
verslagen
Uitbreiding Gerecht EU
Brief van de Minister van BuZa (2301-2015) over het plan van het Hof
van Justitie van de EU om het EUGerecht stapsgewijs uit te breiden
met 28 extra rechters.
– Hoewel het kabinet de doelstelling
van vermindering van de hoge werklast en het wegwerken van de achterstanden bij het EU-Gerecht deelt, is
het kabinet kritisch over dit idee vanwege de twijfels over de noodzaak van
uitbreiding en de budgettaire implicaties ervan. Nederland heeft met
gelijkgestemde lidstaten actief
gezocht naar alternatieven voor uitbreiding met 28 extra rechters. Deze
pogingen zijn niet succesvol gebleken.
Er is binnen de EU onvoldoende
draagvlak voor alternatieven. In Coreper is daarentegen ruime steun gebleken voor het plan om het EU-Gerecht
met 28 extra rechters uit te breiden
en de daarmee samenhangende voorstellen, zoals de integratie van het
Gerecht voor Ambtenarenzaken in
het EU-Gerecht. Achterliggende
gedachte bij de meeste lidstaten is dat
het nieuwe plan de enige oplossing is
voor de politieke impasse over de
benoemingsprocedure in dit dossier.
Een groot aantal lidstaten geeft er
bovendien de voorkeur aan om een
tweede extra rechter te kunnen voordragen in plaats van mee te gaan met
een meer beperkte uitbreiding van
het EU-Gerecht. Binnenkort wordt een
formeel wetgevend voorstel van het
EU-Hof verwacht conform het voorgestelde plan en de discussie in Coreper.
Gelet op het krachtenveld binnen
Europa is de verwachting dat dit voorstel op voldoende steun kan rekenen.
Kamerstukken II 2014/15, 22 112, nr. 1939
Termijnbetaling Wahv
Brief van de Staatssecretaris van VenJ
(20-11-2014) over een onderzoek
naar de mogelijkheden van termijnbetaling voor beschikkingen in het
kader van de Wahv.
Wetgeving
– Het onderzoek, dat als bijlage is bijgevoegd, richt zich op de vraag of en
zo ja, hoe een (meer generieke) vorm
van termijnbetaling voor beschikkingen in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bij kan
dragen aan het zoveel mogelijk voorkomen van betalingsproblemen als
gevolg van (een opeenstapeling van)
Wahv-beschikkingen. Het onderzoek
laat zien dat burgers behoefte hebben om Wahv-beschikkingen in termijnen te betalen. Dit geldt vooral
voor Wahv-beschikkingen van 225
euro of hoger. De hoogte van dit
bedrag is gelijk aan het bedrag dat in
het Wetboek van Strafrecht wordt
gehanteerd voor het toestaan van
termijnbetalingen. Door de mogelijkheid om in termijnen te betalen,
neemt de betalingsbereidheid en
daarmee het inningspercentage toe.
Uit het onderzoek blijkt dat een substantieel deel van de personen die
hun boete eerder niet of niet geheel
betaalden, hun boete nu wel voldoen.
Invoering van termijnbetalingen
leidt zo tevens tot besparingen bij de
organisaties die zijn belast met de
tenuitvoerlegging van deze Wahvbeschikkingen. De bewindslieden
van VenJ achten het dus wenselijk
termijnbetalingen mogelijk te gaan
maken voor Wahv-beschikkingen van
225 euro of hoger en zijn voornemens een daartoe strekkende wettelijke grondslag op te nemen in de
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Het
moment van invoering van de maatregel is afhankelijk van de totstandkoming van het wetsvoorstel waarin
deze grondslag zal worden gecreëerd
en van de benodigde aanpassingen
in de uitvoeringspraktijk.
Kamerstukken II 2014/15, 29 279, nr. 212
Wetenschapsagenda
Brief van de Minister en Staatssecretaris van OCW en de Minister van EZ
(23-01-2015) over een Nationale
Wetenschapsagenda.
– De kenniscoalitie, bestaande uit
VSNU, KNAW, NWO, Vereniging Hogescholen, TO2, VNO-NCW en MKB
Nederland, is gevraagd om het initiatief te nemen voor een Nationale
Wetenschapsagenda. De gezamenlijke ambitie van het kabinet en de
kenniscoalitie is om te komen tot
een inzichtelijke, breed gedragen en
goed gemotiveerde wetenschapsagenda. De agenda maakt keuzes voor
maatschappelijke thema’s en wetenschappelijke topgebieden. Er wordt
een beperkt aantal thema’s benoemd
die zowel onderzoekers als de
samenleving uitnodigen en inspireren om richting te geven aan het
onderzoek. In de wetenschapsagenda
worden vraagstukken benoemd die
laten zien waarin het Nederlandse
onderzoek wil excelleren, zich internationaal wil onderscheiden en
waarmee de kenniseconomie en
samenleving moet worden versterkt.
Prof. dr. Beatrice de Graaf en prof. dr.
Alexander Rinnooy Kan zijn benaderd voor de positie van duovoorzitter op voordracht van de kenniscoalitie. Zij hebben het gezamenlijk
voorzitterschap van de wetenschapsagenda inmiddels aanvaard.
Kamerstukken II 2014/15, 29 338, nr. 142
NWO
Brief van de Staatssecretaris van
OCW (23-01-2015) over zijn plannen
met betrekking tot de veranderingen
bij NWO.
– In mei 2013 constateerde de evaluatiecommissie NWO dat de complexe
structuur van de organisatie de
besluitvaardigheid en flexibiliteit
belemmerde. Ook verwijst de evaluatiecommissie naar het hybride karakter van NWO als subsidieverlener en
institutenbeheerder. Deze combinatie kan de schijn van belangenverstrengeling wekken, omdat NWO
zowel de instituten beheert als subsidies toekent aan deze zelfde instituten. Haar advies was de organisatie
NWO zodanig aan te passen dat deze
belemmeringen worden weggenomen en tevens beter wordt ingespeeld op maatschappelijke en
wetenschappelijke vraagstukken. Zij
adviseerde de topstructuur van NWO
te wijzigen en op het niveau van de
gebieden de organisatiestructuur
sterk te vereenvoudigen. In de
Wetenschapsvisie, die op 26-11-2014
aan de Kamer is gezonden, is een
aantal keuzes gemaakt met betrekking tot de structuur van NWO. Dit
betreft onder andere:
• Versterking van de centrale leiding
van NWO onder gelijktijdig terugdringen van de zelfstandigheid van
onderdelen van NWO om de slagkracht van het bestuur te versterken;
• Vernieuwing van de bureauorgani-
satie om NWO in staat te stellen
flexibel in te spelen op veranderingen en interdisciplinaire samenwerking te bevorderen. Voorts een scheiding aan te brengen tussen subsidieverlening en institutenbeheer;
• Versterking van de toezichtstructuur.
Het is geenszins de bedoeling in de
nieuwe organisatie de rol van de
wetenschapper te marginaliseren. Zij
zijn van essentieel belang voor het
succes van NWO. Hoe de veranderingen precies vorm zullen krijgen
wordt de komende tijd uitgewerkt.
Kamerstukken II 2014/15, 29 338, nr. 143
Ontwerpbesluit aanpak
rijden onder invloed drugs
Brief van de Minister van VenJ (2201-2015) waarbij een ontwerpbesluit
over het rijden onder invloed van
drugs en de bijbehorende toelichting
wordt voorgehangen.
– Het ontwerpbesluit vormt een uitvloeisel van de wet van 26 september
2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het
verbeteren van de aanpak van het
rijden onder invloed van drugs (Stb.
2014, 353). Daarnaast bevat het ontwerp ook regels die nodig zijn voor
de handhaving van het verbod op
het rijden onder invloed van geneesmiddelen. Tot slot zijn in het ontwerp de uitvoeringsregels geïncorporeerd die gelden voor de handhaving
van overtreding van het verbod op
het gebruik van alcohol, zoals neergelegd in de Wegenverkeerswet 1994,
de Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de
Wet luchtvaart, die nu nog in het
Besluit alcoholonderzoeken zijn
opgenomen.
Kamerstukken II 2014/15, 29 398, nr. 446
Kamerstukken I 2014/15, 29 398, J
Zwijgcontracten zorg
Brief van de Minister van VWS (2701-2015) over haar inzet gericht op
het tegengaan van zogenaamde
‘zwijgcontracten’ in de zorg.
– Over de oorzaken van niet verantwoorde kwaliteit van zorg mag nooit
gedwongen gezwegen worden. Bij
een goede incidentafhandeling door
de zorgverlener kan het aanbieden
van een schadevergoeding passend
zijn, maar een daaraan verbonden
zwijgplicht niet. Van een zwijgcontract is sprake wanneer door betaling
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
407
Wetgeving
van een geldsom personen worden
‘gedwongen’ te zwijgen over incidenten die hen betreffen en/of instellingen zich naar aanleiding daarvan
niet houden aan de meldplicht bij
calamiteiten. Daarmee is de kwaliteit
van zorg niet meer toetsbaar in een
bepaalde situatie. De IGZ krijgt weliswaar relatief weinig meldingen over
mogelijke zwijgcontracten tussen
zorgaanbieder en cliënt/patiënt maar
dat neemt niet weg dat in individuele casuïstiek de IGZ het onderwerp ter sprake brengt wanneer zij
het risico ziet dat een zorgaanbieder
bij het afwikkelen van geschillen
informatie over ontoereikende zorg
‘onder de pet’ probeert te houden.
Het wetsvoorstel Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), dat
sinds 4 juli 2013 ter behandeling in
de Eeerste Kamer ligt, zet in op een
laagdrempelige behandeling van
klachten zodat in een vroegtijdig stadium klachten van cliënten in een
gesprek tussen cliënt en zorgverlener
worden opgelost. Indien cliënt en
zorgverlener er samen niet uitkomen
kan een cliënt het geschil voorleggen
aan een onafhankelijke geschilleninstantie die bindende uitspraken kan
doen en schadevergoeding kan toekennen tot € 25.000. In de voorgestane wijze van omgang met klachten
van cliënten en verzoeken om schadevergoeding past geenszins het
betalen van zwijggeld. De achterliggende gedachte van de Wkkgz is juist
openheid en leren.
Kamerstukken II 2014/15, 31 476, nr. 11
Wetgeving Caribisch
Nederland
Brief van de Minister van BZK (28-012015) bij de aanbieding van het periodiek overzicht van de bij de departementen in voorbereiding zijnde
wetgeving met consequenties voor
Caribisch Nederland.
– Het laatste overzicht werd 31 juli
2014 toegezonden. Het geacualiseerde overzicht is als bijlage bij deze
brief te vinden.
Kamerstukken II 2014/15, 31 568, nr. 151
Integriteitscie. St. Maarten
Brief van de Minister van BZK (30-012015) over het instellen van een integriteitscommissie op grond van artikel 51 van het Statuut.
– Op 30 januari 2015 heeft de Raad
van Ministers van het Koninkrijk
408
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
(RMR) de minister gemachtigd een
procedure te starten om met een
algemene maatregel van rijksbestuur
(amvrb) een integriteitscommissie op
grond van artikel 51 van het Statuut
in te stellen. De Gouverneur van Sint
Maarten heeft op grond van de aanwijzing van 30 september 2013
gelast onafhankelijk onderzoek te
verrichten naar het functioneren
van het openbaar bestuur van Sint
Maarten. De Gouverneur heeft het
daaruit voortkomende onderzoeksrapport voorgelegd aan de Raad van
Ministers van het Koninkrijk. Daarmee heeft hij zijn taak conform de
aanwijzing volbracht. Voormeld rapport en het rapport dat is verschenen naar aanleiding van eigen
onderzoek van de regering van Sint
Maarten over de integriteitsproblematiek tonen aan dat er binnen alle
lagen van de samenleving sprake is
van een systeem van onderlinge
steun en afhankelijkheden, met alle
bijbehorende integriteitsproblemen.
Voor het doorbreken van dit systeem
is onafhankelijke hulp van buitenaf
onontbeerlijk aldus deze rapporten.
De Koninkrijksregering heeft vastgesteld dat een samenwerkingsregeling tussen Sint Maarten en Nederland op grond van artikel 38 van het
Statuut daarvoor de geëigende weg
is. Bij brief heeft Minister-President
Gumbs op 27 januari jl. echter meegedeeld dat over het voorstel voor de
vaststelling een samenwerkingsregeling in de vorm van een amvrb ex
artikel 38 Statuut geen overeenstemming kan worden bereikt. De regering van Sint Maarten verwelkomt
weliswaar het aanbod van de Nederlandse regering om haar de nodige
(financiële) hulp en bijstand te verlenen, maar stelt zich een zodanige
vorm voor, dat een onafhankelijke
aanpak niet geborgd is. Uit het overleg dat heeft plaatsgevonden kan
voorts worden geconcludeerd dat in
de door de regering van Sint Maarten voorgestelde aanpak de integriteitsproblematiek nog steeds in grote mate niet wordt erkend. De eigen
verantwoordelijkheid van Sint Maarten conform artikel 43, eerste
lid, van het Statuut voor de verwezenlijking van de deugdelijkheid van
bestuur wordt derhalve niet waargemaakt. De ernst van de situatie op
Sint Maarten noopt de RMR ertoe om
inhoud te geven aan de, aan de
Koninkrijksregering toekomende
bevoegdheid op grond van artikel 43,
tweede lid, van het Statuut om de
deugdelijkheid van het bestuur op
Sint Maarten te waarborgen. De
Koninkrijksregering ziet zich door de
situatie gedwongen om daarin een
belangrijk aandeel voor haar rekening
te nemen. Gelet op het bovenstaande
heeft de RMR besloten een procedure
te starten om bij amvrb op grond van
artikel 51 juncto artikel 43, tweede lid
van het Statuut, een voorziening te
treffen om de deugdelijkheid van het
bestuur op Sint Maarten op het punt
van de integriteit te waarborgen. Het
concept van de amrvb, met toelichting, zal ten behoeve van een zorgvuldige procedure voorgelegd worden
aan de regering van Sint Maarten,
opdat zij haar zienswijze kan geven.
De RMR kan dan besluiten de uit de
consultatie voortvloeiende versie voor
advies aan de Raad van State van het
Koninkrijk voor te leggen.
Kamerstukken I 2014/15, 34 000 IV, P
‘Het was niks, het is niks en
het wordt niks’
Brief van de Minister van VenJ, mede
namens de Minister-President (2101-2015) in antwoord op de vragen
die door de vaste commissie voor
VenJ zijn gesteld inzake het verzoekschrift dat de Kamer heeft ontvangen om uitvoering te geven aan de
bevoegdheid die de Kamer heeft op
grond van artikel 5 van de Wet
ministeriële verantwoordelijkheid.
– Op basis van deze bepaling heeft
de Kamer de bevoegdheid om de
procureur-generaal bij de Hoge Raad
te vragen om een hoofd van een
departement te vervolgen wegens
niet-naleving van de verplichting om
de Grondwet en andere wetten uit te
voeren. Het is aan de Kamer om op
basis van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid een besluit ten aanzien van het uitvoeren van uw
bevoegdheid te nemen. In casu
draait het om de uitspraak van de
Minister van VenJ over een lopend
strafrechtelijk onderzoek naar een
voormalig SG van het Ministerie van
VenJ: “het was niks, het is niks en
het wordt niks”. Volgens de minister
heeft deze uitspraak geenszins
betrekking gehad op de mogelijke
uitkomsten van een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Kamerstukken II 2014/15, 34 000 VI, nr. 62
Nieuws
342
Contouren nieuwe strafprocesrecht
De Minister van VenJ heeft de zogeheten Contourennota modernisering Wetboek van Strafvordering
voor advies naar verschillende
instanties gestuurd.
H
ieronder is een overzicht
opgenomen van de moderniseringsplannen.
Boek 1 Algemene bepalingen en
institutioneel kader
• De rechter-commissaris (rc) wordt
beter gefaciliteerd bij de uitoefening
van zijn regievoerende taak. De regeling betreffende de beoordeling van
getuigenverzoeken wordt zo ingericht dat zoveel mogelijk wordt gestimuleerd dat getuigen al in een
vroegtijdig stadium van het proces
worden gehoord. Mogelijkheden worden onderzocht om het onderzoek
dat de rc verricht zo in te richten dat
de verdachte vaker bij verhoren van
getuigen aanwezig kan zijn.
• Er komt een hoofdstuk over de
getuige. Hierin worden de rechten en
de verplichtingen van de getuige
vastgelegd en het verhoor van getuigen door opsporingsambtenaren
genormeerd.
• Mogelijke aanpassing van de regels
betreffende het (professionele) verschoningsrecht wordt bezien.
Boek 2 Het voorbereidend onderzoek
De wettelijke regeling van het voorbereidend onderzoek, dat door de
vele wijzigingen een onoverzichtelijk
geheel is geworden, wordt integraal
geherstructureerd. De belangrijkste
elementen van deze herstructurering
zijn de volgende:
• Er komt een algemeen kader voor
de normering van het voorbereidend
onderzoek, met onder meer codificatie van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
• Er wordt uitgegaan van een wettelijk systeem waarin dezelfde
bevoegdheid in beginsel slechts eenmaal wordt uitgeschreven.
• De voor de bevoegdheden geldende
verdenkingscriteria worden vereen-
voudigd. Voor de toepassing van de
bevoegdheden wordt niet meer als
criterium gehanteerd dat sprake
moet zijn van verdenking van een
misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. In plaats van het
huidige systeem dat meer dan tien
verschillende verdenkingscriteria
kent, wordt uitgegaan van een
beperkt aantal verdenkingscriteria.
• Overwogen wordt om de mogelijkheden om bevoegdheden onder voorwaarden ook door buitenlandse
opsporingsambtenaren te kunnen
laten uitoefenen, uit te breiden.
• De voorwaarden te verbinden aan
de schorsing van de voorlopige hechtenis en het daarop te houden toezicht zullen een steviger wettelijke
verankering krijgen. Daarnaast wordt
de mogelijkheid bezien van invoering van aan de verdachte in het
voorbereidend onderzoek op te leggen vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen buiten
de gevallen van voorlopige hechtenis,
onder meer ter bescheming van
slachtoffers dan wel voorkoming van
recidive.
• De afgrenzing tussen het onderzoek aan de kleding, het onderzoek
aan het lichaam en het onderzoek in
het lichaam zullen wettelijk worden
verduidelijkt en de voorwaarden
waaronder het kledingonderzoek kan
worden verricht, nader worden
genormeerd. Er komt een wettelijke
grondslag voor strafvorderlijk onderzoek aan het lichaam van overleden
personen.
• De regelingen betreffende de
doorzoeking van woningen, de inbeslagneming van voorwerpen en de
vergaring van gegevens worden
gemoderniseerd en daarmee beter
op elkaar afgestemd en evenwichtiger. Gegevensvergaring na inbeslagneming van mobiele telefoons, laptops, computers en usb-sticks zal
vanwege de ingrijpendheid nader
worden genormeerd.
• De term ‘bijzondere opsporingsbevoegdheden’ zal niet meer worden
gebruikt. Er komt een regeling
betreffende heimelijke bevoegdheden waarbij de bevoegdheden slechts
één keer worden uitgeschreven. Net
al nu kunnen de bevoegdheden worden uitgeoefend (1) in geval van verdenking van een bepaald misdrijf, (2)
indien uit feiten of omstandigheden
een redelijk vermoeden voortvloeit
dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd
en (3) bij aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
• Bij de inzet van heimelijke
bevoegdheden wordt een ‘generiek’
bevel mogelijk, waarin de officier kan
bepalen dat meerdere van die
bevoegdheden tegen een persoon
kunnen worden ingezet indien voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tevens
wordt modernisering van enkele
bevoegdheden, uitbreiding van bestaande bevoegdheden en invoering
van nieuwe bevoegdheden bezien.
• In geval van voorlopige hechtenis,
krijgt de raadkamer de mogelijkheid
te beslissen dat het voorbereidend
onderzoek voortduurt na het verstrijken van de 90 dagen gevangenhouding indien de zaak nog niet gereed
is voor berechting. De bestaande
waarborg voor de verdediging betreffende toegang tot het dossier blijft
daarbij behouden. Toetsing van de
voorlopige hechtenis vindt in deze
gevallen in de nieuwe regeling plaats
door een openbare raadkamer, i.p.v.
door de pro-forma zittingsrechter.
Boek 3 Buitengerechtelijke
afdoeningsvormen en vervolging
• Het aantal gevallen waarin de
verdachte recht heeft op een kennisgeving van niet (verdere) vervolging
wordt uitgebreid; ook wordt er een
regeling getroffen betreffende het
informele sepot.
• De regeling betreffende de verklaring dat de zaak is geëindigd wordt
verruimd, waardoor de verdachte eerder weet waaraan hij toe is.
• De waarborgen rondom de vervolgingsbeslissing worden versterkt
door de regeling betreffende het
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
409
Nieuws
beklag tegen het niet (verder) vervolgen aan te passen ter versnelling
van de doorlooptijden en ter vergroting van de mogelijkheden van feitelijk onderzoek. Ook wordt een voorwaardelijk bevel tot vervolging
mogelijk gemaakt.
• Rechters die hebben geoordeeld
over het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, zijn niet bevoegd te oordelen over de strafzaak.
• De regelingen betreffende de schorsing van de vervolging worden deels
geschrapt en deels verplaatst.
Boek 4 Berechting
• Het grondslagstelsel blijft behouden. Wel wordt rechtsvergelijkend en
ander wetenschappelijk onderzoek
geëntameerd met het oog op de
mogelijkheden voor een tenlastelegging in vereenvoudigde taal.
• De regievoerende functie van de
rechter (vóór de terechtzitting) wordt
versterkt. Onderzoekswensen dienen
rechtstreeks aan hem te worden
voorgelegd vóór de zitting. Ook
komen er regelingen betreffende de
regiezitting en de schriftelijke voorbereidingsronde.
• Er komt één criterium voor de
beoordeling van getuigenverzoeken,
waarbij rekening wordt gehouden
met het stadium waarin het verzoek
is gedaan en waardoor mede wordt
bevorderd dat verzoeken tijdig worden gedaan. De rechter verkrijgt
daarmee in beginsel de mogelijkheid een verzoek gemotiveerd af te
wijzen indien redelijkerwijs kan worden gevergd dat het verzoek tot het
horen van een getuige in een eerder
stadium van het geding werd
gedaan, maar zal dit niettemin toewijzen indien hij dit nodig acht met
het oog op het belang van de waarheidsvinding en/of het belang van
de verzekering van het recht van de
verdachte op een eerlijk proces.
Voorts is het de bedoeling dat vroegtijdig en adequaat door de justitiële
autoriteiten wordt gereageerd op
onderzoekswensen die tijdig worden
ingediend.
• Er komt een wettelijke grondslag
voor een regeling met betrekking tot
het maken van een audio-opname
van de terechtzitting in verband met
de vaststelling van het proces-verbaal
van de terechtzitting en de
mogelijkheid voor de verdediging
deze opname nadien uit te luisteren.
410
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
• Er komt een wettelijke regeling
betreffende het gebruik van audiovisuele reconstructies ter terechtzitting.
• De toegelaten bewijsmiddelen worden net als nu in de wet opgesomd.
Er komt een regeling voor het
gebruik van beeld- en geluidopnamen voor het bewijs via de eigen
waarneming van de rechter. Ook zal
worden vastgelegd dat rapportages
die uitgebracht zijn ter voorlichting
aan de rechter over de persoon van
de verdachte (zoals vroeghulprapporten) niet kunnen worden gebruikt
voor het bewijs. Voorts zal, in verband met het gebruik van de audituverklaringen en het gebruik van verklaringen van medeverdachten, de
wettelijke regeling in overeenstemming worden gebracht met de (vaste)
jurisprudentie en de wijze waarop
deze regeling in het geldende recht
wordt toegepast.
• De bestaande rechtspraak over de
voeging ad informandum wordt
gecodificeerd. Tevens wordt het
mogelijk om ten aanzien van ad
informandum gevoegde feiten onttrekking aan het verkeer te gelasten.
• Het bestaande fijnmazige systeem
van opeengestapelde motiveringsverplichtingen wordt vereenvoudigd.
Er komt een wettelijke regeling die
het onder omstandigheden mogelijk
maakt de uitspraaktermijn te verlengen.
Boek 5 Rechtsmiddelen
• Intrekking van het hoger beroep
wordt alleen mogelijk tot een bepaalde termijn vóór de terechtzitting.
• Het voortbouwende karakter van
het hoger beroep wordt aangescherpt, met de introductie van een
specifiek beslismodel in die fase.
Grieven dienen daarbij in een eerder stadium ingediend te worden.
De rechterlijke motiveringseisen
worden verzwaard voor zover bezwaren zijn aangevoerd tegen het vonnis.
• Overwogen wordt de mogelijkheden van partieel appel te vergroten.
• In de fase van hoger beroep wordt
gestimuleerd dat getuigenverzoeken
al in een zo vroeg mogelijk stadium
van de procedure worden gedaan.
• In de cassatiefase worden de positie
van het slachtoffer en van de wettelijke vertegenwoordigers van ‘veertienminners’ versterkt.
Boek 6 Bijzondere procedures
• Het jeugdprocesrecht wordt op
onderdelen aangepast (de positie van
ouders van jeugdigen).
• In verband met het adolescentenstrafrecht worden in bepaalde gevallen procedurele rechten die gelden
voor jeugdigen ook aan jongvolwassenen toegekend.
• Bepalingen uit het materiële jeugdstrafrecht die sterke processuele trekken vertonen, zullen in het Wetboek
van Strafvordering worden ondergebracht. Bijvoorbeeld de strafonderbreking bij jeugddetentie en de strafbeschikking voor jeugdigen.
• De regelingen betreffende personen met psychische stoornis of verstandelijke beperking worden vereenvoudigd en gestroomlijnd. Bezien
wordt of ook meer ingrijpende wijzigingen noodzakelijk of gewenst zijn.
• De mogelijkheid wordt verruimd
om een schikking aan te gaan in het
kader van de ontneming van het
wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ook zal het strafrechtelijk financieel
onderzoek niet meer als afzonderlijk
onderzoekskader terugkeren.
• Aanpassing van de huidige regeling
betreffende de wraking en verschoning wordt overwogen.
• De beklagprocedure tegen inbeslagneming en het vorderen van gegevens wordt geherstructureerd.
• Er komt een eenvormige algemene
regeling betreffende de vergoeding
van kosten en schade in verband met
strafvorderlijk overheidsoptreden.
Boeken 7 en 8
Boek 7 heeft betrekking op de internationale samenwerking in strafzaken. Hier wordt een eenvoudigere
regeling voor rechtshulpverlening,
voorgesteld die inhoudelijk op een
aantal punten wordt gestroomlijnd
Voorts komt er een regeling voor het
doen van rechtshulpverzoeken door
Nederlandse autoriteiten aan het
buitenland.
Boek 8 betreft de tenuitvoerlegging
van strafrechtelijke beslissingen. Het
wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
(Kamerstukken II 2014/15, 34 086)
voorziet in een gestroomlijnde en
gemoderniseerde regeling hiervan.
Bron: www.rijksoverheid.nl
Nieuws
343
Aanslagen in tipgeverzaak vernietigt
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft 3 februari jl. uitspraak
gedaan in de belastingzaak die aanleiding is geweest voor de president
van dit gerechtshof om strafrechtelijk aangifte te doen. Die strafrechtelijke aangifte is in de belastinguitspraak verder niet aan de orde.
I
n de belastinguitspraak zijn belastingaanslagen vernietigd die
waren opgelegd naar aanleiding
van informatie die door het ministerie van Financiën is gekocht van een
tipgever. De informatie heeft volgens
de tipgever betrekking op verzwegen
spaarrekeningen bij een bank in
Luxemburg.
Het hof heeft de belastingaanslagen
vernietigd omdat de inspecteur naar
het oordeel van het hof op onrechtmatige wijze heeft geweigerd de
naam van de tipgever bekend te
maken. Het hof acht deze weigering
onrechtmatig, omdat de inspecteur
zich ter zitting van het hof zonder
voorbehoud heeft neergelegd bij een
eerdere beslissing van de rechtbank
dat de naam van de tipgever bekend
moet worden gemaakt.
Op grond van de wet kan het hof aan
deze onrechtmatige weigering de
gevolgen verbinden die naar zijn oordeel het best aansluiten bij de ernst
van het onrechtmatige gedrag van de
inspecteur. Het hof vindt dat vernietiging van de belastingaanslagen een
passende gevolgtrekking is, omdat de
rechtsorde ernstig is geschokt.
Niet alleen mag van een belastinginspecteur, als vertegenwoordiger van
de Nederlandse overheid, worden verwacht dat hij de bevelen van een rechter uitvoert, maar door de weigering
om te verklaren over de identiteit van
de tipgever zijn ook de belanghebbenden in deze belastingzaak te zeer
geschaad in hun mogelijkheden om
zich te verweren tegen de aan hen
opgelegde belastingaanslagen.
Strafrechtelijke aangifte
De strafrechtelijke aangifte betreft
niet de inhoud van het geschil bij (de
belastingkamer van) het gerechtshof,
maar gaat over de verdenking dat in
deze zaak getuigen namens het
ministerie van Financiën zijn geïnstrueerd om ten overstaan van de
rechter te zwijgen. Het is aan het
Openbaar Ministerie om onderzoek te
(laten) doen en te bepalen of iemand
als verdachte van een strafbaar feit
kan worden aangewezen.
ECLI:NL:GHARL:2015:645
344
Vrijspraak vermeende Syriëgangers
De rechtbank Gelderland heeft op 9
februari 2015 twee mannen uit Arnhem, van 22 en 27 jaar oud, vrijgesproken van het voorbereiden van
terroristische misdrijven en misdrijven als moord, brandstichting, zware
mishandeling, en van het samenspannen tot terroristische misdrijven. De officier van justitie eiste
twee jaar gevangenisstraf.
D
e mannen werden in augustus
2013 in Kleef (Duitsland) aangehouden. Zij hadden daar
twee auto’s gehuurd om naar Syrië/
Turkije te reizen. In die auto’s trof de
politie een grote hoeveelheid goederen
aan, waaronder outdoorkleding, kampeerspullen, bivakmutsen, communicatiemiddelen en djellaba’s. Volgens het
OM blijkt uit het dossier dat de verdachten de intentie hadden om met
deze spullen de gewapende strijd in
Syrië te faciliteren. De 27-jarige man
verklaarde tijdens de zitting dat hij
een deel van die spullen aan zijn broer
in Syrië wilde geven. De 22-jarige man
verklaarde tijdens de zitting dat hij
zijn broer in Turkije wilde bezoeken en
niet van plan was naar Syrië te reizen.
De ene
De rechtbank gaat er vanuit dat de
27-jarige man een streng Islamitische
ideologie aanhangt en dat hij ervan op
de hoogte was dat zijn broer deelneemt aan de strijd in Syrië. Desondanks wilde hij naar Syrië om zijn
broer de spullen te brengen. Het dossier biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de
man oorlogshandelingen in Syrië
gepleegd of ondersteund zou hebben,
die gezien zouden kunnen worden als
terroristische misdrijven. Bij voorbereiding of ondersteuning van terroristische misdrijven moet er sprake zijn
van een sterke vorm van opzet en de
bedoeling om terroristische misdrijven
te plegen. Zo’n ‘terroristisch oogmerk’
kan niet alleen uit een ideologie of
godsdienstige overtuigingen worden
afgeleid. Omdat verder bewijs voor een
terroristische intentie in het dossier
ontbreekt, spreekt de rechtbank hem
ook hiervan vrij. De rechtbank spreekt
de man bovendien vrij van voorbereiding van ‘gewone’ strafbare feiten,
omdat het dossier te algemeen is en er
onvoldoende bewijs is om te kunnen
zeggen dat de man een concreet aan
te duiden ernstig misdrijf zou willen
plegen of voorbereiden.
De andere
De rechtbank is er op basis van het
dossier helemaal niet van overtuigd
dat de 22-jarige man een radicaalislamitische ideologie aanhangt of dat
hij wilde deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië en heeft ook niet
kunnen vaststellen dat verdachte
onderweg was naar Syrië. De rechtbank spreekt hem daarom vrij van alle
tenlastegelegde feiten.
ECLI:NL:RBGEL:2015:756,
ECLI:NL:RBGEL:2015:757
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
411
345
Universitair Nieuws
Wilt u dat uw (juridische) proefschrift of dat van iemand die u kent
aangekondigd wordt in deze rubriek
dan kunt u het proefschrift en een
samenvatting sturen naar het redactiebureau; zie colofon.
Oraties
Op 3 februari 2015 hield dhr. prof.
mr. dr. J.W.M. (Hans) Engels, bijzonder
hoogleraar recht der decentrale overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen, zijn oratie ‘Wethouder en collegiaal bestuur’.
In zijn oratie bepleitte Engels, naast
hoogleraar ook lid van de Eerste
Kamer, dat de Gemeentewet moet
worden aangepast, zodat collegebevoegdheden in de toekomst –
geclausuleerd – aan wethouders
kunnen worden gedelegeerd. Toepassing van deze rechtsfiguur maakt
van wethouders formeel bestuursorganen en brengt evenwicht in de
formele en feitelijke positie van het
wethoudersambt. Mocht op termijn
de gekozen burgemeester worden
ingevoerd, dan beschikken wethouders in de nieuwe situatie over voldoende positie om een substantiële
rol te blijven spelen.
Een aantal belangrijke bestuurlijke
ontwikkelingen in de praktijk van
het wethoudersambt, samenhangend
met grote veranderingen in de aard
en omvang van de gemeentelijke
opgaven, in de politieke en bestuurscultuur en in de maatschappelijke
context van het lokaal bestuur hebben grote druk gezet op het college
als collegiaal orgaan. Het belangrijkste argument om het collegiale
bestuur tot dusver te handhaven is
de angst voor een aantasting van de
eenheid van beleid.
Dit standpunt is niet langer houdbaar, betoogde Engels in zijn oratie.
Eenheid van beleid, politieke homogeniteit en integraliteit van bestuur
kunnen ook, en zelfs beter met
moderne politieke en bestuurlijke
instrumenten worden gewaarborgd.
De feitelijk gegroeide zelfstandigheid
van wethouders met eigen portefeuilles en mandaten, als gevolg waarvan
de besluitvorming door het college als
zodanig een vooral formeel en dus fictief karakter draagt, vraagt, aldus
412
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
Engels, een daarbij behorende staatsrechtelijke positie.
Op vrijdag 20 maart 2015 houdt prof.
mr. B. (Bart) Bierens, bijzonder hoogleraar Banking Law & Financial Regulation aan de Radboud Universiteit
Nijmegen, om 15.45 uur zijn oratie
ter gelegenheid van de aanvaarding
van zijn ambt.
Plaats: Academiezaal Aula, Comeniuslaan 2 te Nijmegen
Promoties
Directe horizontale werking
vrijverkeerbepalingen
De Europese Unie brengt
een interne markt tot
stand, dat wil zeggen een
ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije
verkeer van goederen,
personen, diensten en
kapitaal is gewaarborgd.
Om deze in art. 26 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) geformuleerde
doelstelling te verwezenlijken bevat
het VWEU (onder andere) een aantal
fundamentele verboden die ogenschijnlijk tot de lidstaten zijn gericht:
de vrijverkeerbepalingen (art. 34 en
35 VWEU, vrij verkeer van goederen;
art. 45 VWEU, vrij verkeer van werknemers; art. 49 VWEU, vrijheid van
vestiging; art. 56 VWEU, vrijheid van
dienstverrichting; art. 63 VWEU, vrij
verkeer van kapitaal).
Vanaf 1974 heeft het Hof van Justitie
aan de hand van aan hem voorgelegde casus gebruik gemaakt van de
gelegenheid zich uit te laten over de
vraag of de vrijverkeerbepalingen
ook bindend zijn voor particulieren,
en aldus de geldigheid, inhoud en
uitleg van private (‘horizontale’)
rechtsverhoudingen rechtstreeks
kunnen beïnvloeden. Uitgangspunt
van deze dissertatie van Roel van
Leuken is dat het Hof een aantal van
deze verkeersvrijheden aldus heeft
uitgelegd dat zij deze zogeheten
directe horizontale werking bezitten.
Het onderzoek brengt de Europese
rechtspraak over de vrijverkeerbepalingen met elkaar in verband, en analyseert tegen de achtergrond van de
verschillende doorwerkingstechnieken waarvan het Unierecht zich
bedient, of en, zo ja, in hoeverre de
benadering die het Hof heeft geko-
zen voor de ene vrijheid (bijvoorbeeld art. 45 VWEU) voorspellend
kan zijn voor andere vrijverkeerbepalingen (zoals art. 34 of 63 VWEU).
Aldus brengt het in kaart wat de
mogelijke reikwijdte is van de
invloed van de verdragsrechtelijke
verkeersvrijheden op privaatrechtelijke rechtsverhoudingen. Onlosmakelijk daarmee verbonden is de aandacht voor de gevolgen die het
aanvaarden van directe horizontale
werking heeft voor het stelsel van
verdragsrechtelijke en jurisprudentiele excepties. Een particulier die een
direct horizontaal werkende verdragsbepaling schendt, moet zich
kunnen beroepen op een passende
rechtvaardigingsgrond. De vraag is
echter of het huidige stelsel van (on)
geschreven uitzonderingen voldoende privaatrechtelijke kracht bezit:
zijn oriëntatie op algemene belangen
(zoals de bescherming van de openbare orde en veiligheid, consumenten- en milieuprotectie) maakt
immers dat het particulieren doorgaans weinig soelaas biedt. Een
ruimhartige(re) of zelfs maximale
toekenning van directe horizontale
werking aan de vrijverkeerbepalingen maakt een uitbreiding van het
stelsel derhalve absoluut noodzakelijk. De exceptie gelegen in de
bescherming van fundamentele rechten kan daarbij een belangrijke rol
spelen. In het arsenaal van grondrechten liggen namelijk (aan de partijautonomie gerelateerde) argumenten besloten die een particulier kan
aanwenden om de verplichtingen die
voor hem voortvloeien uit een direct
horizontaal werkende vrijverkeerbepaling te construeren of aan te passen op een wijze die recht doet aan
het specifieke karakter van de private
rechtsverhouding.
Het voorgaande maakt duidelijk dat
de vrijverkeerbepalingen de civilist
voor nieuwe uitdagingen plaatst.
Hun vermogen om rechtstreeks – en
op steeds grotere schaal – door te
werken in rechtsverhoudingen tussen particulieren kan niet langer
worden genegeerd. Ook voor de beoefenaar van het EU-recht noopt de
directe horizontale werking van de
verkeersvrijheden tot een verruiming
van het blikveld. Hij zal zich moeten
realiseren dat het stelsel van (on-)
geschreven rechtvaardigingsgronden
moet worden uitgebreid in privaat-
Universitair Nieuws
rechtelijke richting. Hoewel beide
groepen zich wellicht niet comfortabel voelen bij die boodschap, zullen
zij met elkaar in dialoog moeten treden over de wijze waarop de eisen
die voortvloeien uit de Unierechtelijke verkeersvrijheden kunnen worden
afgestemd en verzoend met de elementaire beginselen van het privaatrecht. Dit proefschrift biedt daartoe
een aanzet.
Van Leuken promoveerde op 4 februari 2015 aan de Radboud Universiteit
Nijmegen. Zijn promotor was prof.
mr. drs. C.H. Sieburgh.
Roel van Leuken
Rechtsverhoudingen tussen
particulieren en de verdragsrechtelijke verkeersvrijheden.
Directe horizontale werking van de
vrijverkeerbepalingen in het VWEU
Serie Onderneming en Recht , deel 85
WoltersKluwer 2015, 272 p., € 69,50
ISBN 978 90 1312 856 7
Transparante verdeling van
schaarse besluiten
In dit proefschrift van
Annemarie Drahmann
staat één van de
rechtsnormen die bij
de verdeling van
schaarse besluiten in
acht moet worden
genomen centraal: de
transparantieverplichting.
Schaarse besluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten waarvan er slechts
een beperkt aantal verleend kunnen
worden, omdat bestuursorganen een
plafond hebben ingesteld. Schaarse
besluiten kunnen zowel subsidies als
vergunningen, ontheffingen en concessies zijn. Bekende voorbeelden
van schaarse besluiten zijn de vergunningen en subsidies voor het
exploiteren van het openbaar vervoer, evenementen, kansspelen,
windparken op zee en het gebruik
van frequenties. Ook het toedelingsbesluit waarbij ontwikkelingsruimte
op grond van de programmatische
aanpak stikstof (PAS) wordt toegekend, is een schaars besluit.
Een concreet voorbeeld: als iedereen
met rondvaartboten door de Amsterdamse grachten zou mogen varen,
zou het al snel een gevaarlijke chaos
worden. Het is dus logisch dat de
gemeente deze activiteit wil reguleren en een maximum heeft gesteld
aan het aantal exploitatievergunningen dat verleend kan worden. Door
dit vergunningenplafond kan de
situatie ontstaan dat er meer aanvragers zijn dan beschikbare vergunningen. In dat geval ontstaan er verschillende juridische vraagstukken, zoals
hoe deze vergunningen moeten worden verdeeld en welke rechtsnormen
bij de verdeling in acht moeten worden genomen.
De transparantieverplichting speelt
met name een grote rol in het aanbestedingsrecht en vindt haar oorsprong in het Unierecht. Het onderzoek beoogt een verbinding te
leggen tussen het Unierecht en aanbestedingsrecht enerzijds en het
Nederlandse bestuursrecht anderzijds. Zowel bij inkoopactiviteiten
(aanbestedingsrecht) als schaarse
vergunning- en subsidieverlening
(bestuursrecht) moeten overheden
immers een selectie maken uit de
ingediende inschrijvingen respectievelijk aanvragen.
In dit onderzoek wordt bezien
in hoeverre deze transparantieverplichting een toegevoegde waarde
heeft bij de verdeling van schaarse
besluiten in het Nederlandse
bestuursrecht. De essentie van deze
verplichting is dat door bepaalde
transparantievereisten in acht te
nemen, bestuursorganen alle potentieel geïnteresseerde partijen in staat
stellen om een aanvraag voor een
schaars besluit in te dienen. De
transparantieverplichting draagt
hiermee bij aan de gelijke behandeling van de aanvragers.
De belangrijkste conclusie van het
onderzoek is dat de transparantieverplichting een toegevoegde waarde
heeft voor het Nederlandse bestuursrecht, gelet op de gewenste gelijke
behandeling van geïnteresseerde partijen bij de verdeling van schaarse
besluiten. Daarom zou de transparantieverplichting als onderdeel van
het gelijkheidsbeginsel bij schaarse
besluitvorming in acht moeten worden genomen.
Het boek bestaat uit een aantal
delen. In de eerste twee hoofdstukken wordt een inleiding op het
onderwerp gegeven en wordt het
onderzoek afgebakend. In hoofdstuk
3 en 4 wordt vervolgens uitgelegd
wat de transparantieverplichting volgens de civiele rechter in aanbestedingsgeschillen betekent voor aanbe-
stedende diensten. Daarna volgt een
aantal hoofdstukken (5-7) waarin
wordt ingegaan op de reikwijdte van
de transparantieverplichting. Daarbij
wordt onder meer ingegaan op de
uitleg van de begrippen ‘opdracht’,
‘concessie’, ‘vergunning’, ‘ontheffing’
en ‘subsidie’ op grond van het Unierecht en het Nederlandse recht.
Vervolgens wordt meer in detail
ingegaan op de rol van de transparantieverplichting bij de verlening
van subsidies (hoofdstuk 8), winkeltijdenwetontheffingen (hoofdstuk 9),
APV-vergunningen (hoofdstuk 9), en
het omgevingsrecht (waaronder
bestemmingsplannen en een programmatische aanpak, hoofdstuk 10).
Het laatste inhoudelijke deel betreft
de vraag hoe de transparantieverplichting zich verhoudt tot algemene
beginselen van behoorlijk bestuur
(hoofdstuk 11). Afgesloten wordt met
een samenvattende slotbeschouwing
waarin antwoord wordt gegeven op
de in de inleiding geformuleerde
deelvragen en de hoofdvraag.
Drahmann is gepromoveerd op artikelen. Dat betekent dat de artikelen
die zij in de periode 2011-2014 heeft
geschreven over de transparantieverplichting in dit boek zijn opgenomen. In aanvulling daarop bevat het
boek een uitgebreide slotbeschouwing (van bijna 100 pagina’s) waarin
overkoepelende conclusies worden
getrokken en concrete aanbevelingen
voor de wetgever, vergunningverlener en bestuursrechter worden
gedaan.
Drahmann verdedigde haar proefschrift op 5 februari 2015 aan de
Universiteit Leiden. Haar promotores
waren prof. mr. T. Barkhuysen en
prof. mr. W. den Ouden.
A. Drahmann
Transparante en eerlijke verdeling
van schaarse besluiten. Een
onderzoek naar de toegevoegde
waarde van een transparantieverplichting bij de verdeling van
schaarse besluiten in het
Nederlandse bestuursrecht.
Meijers Reeks MI-241
WoltersKluwer 2015, 516 p., € 60
ISBN 978 90 1312 911 3
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
413
346
Personalia
Nationale ombudsman
De Tweede Kamer
heeft ingestemd
met de benoeming
van Reinier van Zutphen, president van
het College van
Beroep voor het bedrijfsleven (CBb),
als Nationale ombudsman. Van de 134
uitgebrachte geldige stemmen waren
er 129 voor zijn benoeming. Naar verwachting wordt Van Zutphen nog dit
kwartaal door de voorzitter van de
Tweede Kamer beëdigd. Eerder maakte
de tijdelijke commissie verantwoordelijk voor de benoeming de voordracht
bekend aan de Tweede Kamer.
Ondernemingskamer
Per 1 mei 2015
volgt mr. Gijs Makkink de huidige
voorzitter van de
ondernemingskamer van het
347
Gerechtshof Amsterdam, mr. Peter
Ingelse, op. Voor het eerst was de
vacature ook opengesteld voor kandidaten buiten het hof en de Rechtspraak. Makkink is sinds 2006 verbonden aan het hof als raadsheer
(handelsrecht) en sinds vijf jaar lid
van de ondernemingskamer.
Hoogleraar
Oswald Jansen, juridisch bestuursadviseur en advocaat van
de gemeente Den
Haag en universitair
hoofddocent Staatsen bestuursrecht aan de Universiteit
Utrecht, is per 1 januari 2015
benoemd tot bijzonder hoogleraar
Europees bestuursrecht en openbaar
bestuur aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit
Maastricht.
Voor het plaatsen van berichten
in deze rubriek kunt u uw tips
en informatie sturen naar
[email protected].
Advocatuur
Merienke ZwaanStroband is per 1
februari 2015 toegetreden als partner van
het Haagse kantoor
Delissen Martens.
Zwaan-Stroband is sinds 2000 advocaat en is gespecialiseerd in het
arbeidsrecht. Zij is sinds 2006 werkzaam bij Delissen Martens. Tevens
is ze geregistreerd mediator bij de
Mediatorsfederatie Nederland. Met de
toetreding van Zwaan-Stroband telt
Delissen Martens nu zeven partners.
Agenda
13 t/m 26 02 2015
Meesterweek
De vijfentwintigste Meesterweek, het
grootste juridische studentencongres
van de Benelux (georganiseerd door
de Juridische Faculteitsvereniging
Rotterdam) heeft als motto ‘Fortune
favours the bold’. Op 13 februari
opent de Meesterweek met het openingscongres. Anders dan in voorgaande jaren bevat het openingscongres dit jaar veel interactie met het
publiek. Na opening door decaan
Suzan Stoter van Erasmus School of
Law vindt een debat plaats. De stelling van dat debat is ‘een pul teveel
maakt geen crimineel’. Na het interactieve gedeelte van het congres
spreken Gerard Spong, Jan-Jaap van
der Wal en Thijs Emondts. Verder
wordt er onder meer een praktijkdag,
een recruitmentdag en een bedrijvendag geograniseerd. Zie voor het
volledige programma de website.
vrijdag 13 februari t/m donderdag
26 februari
Plaats: diverse locaties
Aanmelding: via: www.meesterweek.nl
Inlichtingen: via: [email protected]
Tijd:
05 03 2015
Congres Simon van der Aa
Het jaarlijkse congres van studievereniging Simon van der Aa zal dit jaar als
onderwerp hebben: ‘Heimelijke opsporingsmethoden in het nieuwe Wetboek
van Strafvordering: Welk spoor gaan
we volgen?’. Het Wetboek van Strafvordering wordt vernieuwd. Tijdens dit
congres ligt de focus op de heimelijke
(voorheen bijzondere) opsporingsmethoden in het nieuwe wetboek: denk
hierbij aan het inzetten van drones, de
stille sms of hackbevoegdheden van de
opsporingsambtenaren.
Tijd: donderdag 5 maart vanaf 9.30 uur
Plaats: Het Kasteel, Melkweg 1 te Groningen
Aanmelding: via: www.simonvanderaa.nl
Inlichtingen: deelname kost voor de gehele dag € 8 voor
leden en € 10 voor niet-leden. Enkel het plenaire gedeelte kost
€ 3 euro voor leden en € 5 voor niet-leden.
414
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
06 03 2015
FBN symposium
Ter ere van het 25-jarig jubileum
van Fiscale Berichten voor het Notariaat wordt op feestelijke wijze een
FBN Symposium georganiseerd.
Deze bijeenkomst biedt de mogelijkheid om in één dag up-to-date te
geraken op het gebied van fiscale
zaken in de notariële praktijk. Acht
sprekers, elk auteur van het jubilerende maandblad, vertellen ieder in
een halfuur wat de actuele stand
van zaken is in het vakgebied waar
hij of zij specialist is.
Tijd: vrijdag 6 maart van 9.30 tot 16.30 uur
Plaats: Jaarbeurs Utrecht
Aanmelding: via: www.sdujuridischeopleidingen.nl
Inlichtingen: deelname kost € 175 voor FBN-abonnees en
niet-abonnees betalen € 275. Er is een beperkt aantal plaatsen beschikbaar.
Agenda
10 03 2015
WWZ, ontslag en
ontslagprocedures
Na jarenlang polderen is het in 2015
eindelijk zover: het Nederlands ontslagrecht verandert ingrijpend. De
keuze van de werkgever voor een
bepaalde ontslagroute vervalt, nieuwe
ontslagvormen worden geïntroduceerd en er komt een wettelijke
ontslagvergoeding. Bij cao kan een
onafhankelijke en onpartijdige ontslagcommissie worden ingesteld die
de ontslagtaak van het UVW bij
bedrijfseconomische ontslagen overneemt. Mr. Els de Wind en mr. Patrick
de Looff van Van Doorne gaan in op
de wijzigingen per 1 juli en geven tips
voor de alledaagse praktijk van de
bedrijfsjurist. Tijdens de bijeenkomst
worden onder meer de volgende
onderwerpen behandeld: wettelijke
ontslaggronden, vaststellingsovereenkomst en opzegging met
instemming, de procedurele regels
voor deze ontslagroutes, pensioenontslag.
Tijd: dinsdag 10 maart van 13.30 tot 16.15 uur
Plaats: Van Doorne, Jachthavenweg 121 te Amsterdam
Aanmelding: via: www.ngb.nl. Deelname is gratis. Alleen
toegankelijk voor NGB-leden.
keuze aan parallelsessies waarin deskundige sprekers (zoals behandelaren
en managers en andere professionals
binnen het gevangeniswezen, de tbsen jeugdsector en de (jeugd) reclassering alsook wetenschappers en
beleidsmedewerkers) met de deelnemers in debat gaan over dit thema.
Ook interactieve rondetafelgesprekken bieden de bezoekers volop gelegenheid om met elkaar in discussie
te gaan.
Tijd: donderdag 12 maart van 10.00 tot 16.30 uur
Plaats: Congrescentrum Heerlickheijd, Staringlaan 1 te Ermelo
Aanmelding: via: www.congresrsj2015.nl. Aanmelden kan tot
26 februari.
Inlichtingen: via: www.rsj.nl. Deelname is gratis.
12 03 2015
Congres Wet Normering
Topinkomens
De Wet Normering Topinkomens
(WNT) is nu ruim één jaar van kracht.
Er valt al het nodige te melden over
de ontwikkeling van de handhavingspraktijk, over oordelen van de rechter
over de WNT en over de eerste effecten op de arbeidsmarkt. Ook is recentelijk de WNT II in werking getreden
en is inmiddels een derde grote wijziging van de WNT – WNT III – aangekondigd. Deze ontwikkelingen roepen
de nodige vragen en discussiepunten
op. Het voorgaande geeft Stibbe aanleiding om een congres over de WNT
te organiseren. Doel van dit congres is
om het eerste jaar van de WNT te evalueren en te bespreken hoe deze wet
nu in de praktijk werkt. Tevens wordt
op basis daarvan de blik vooruit
gericht. Tijdens het congres worden
korte lezingen gegeven door deskundige sprekers van binnen en buiten
Stibbe. Ook bestaat er ruimte voor
discussie en vragen.
verzoek van het ministerie van V&J.
Hiervoor is onder meer internationale regelgeving onderzocht, sekseonderscheid in nationale wetgeving in
kaart gebracht, en zijn ervaringen in
zes landen met alternatieve registraties meegenomen. In samenwerking
met de NVVB is een enquête onder
burgerzakenambtenaren uitgevoerd.
Over de uitkomsten van dit onderzoek organiseren het Utrecht Centre
for European Research into Family
Law (UCERF) en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB)
een studiemiddag over ‘sekseregistratie en de juridische positie van transgenders’. Enkele belangrijke thema’s
en conclusies uit het rapport worden
gepresenteerd en becommentarieerd
vanuit verschillende perspectieven
(wetenschap, politiek, ambtelijke
praktijk en eigen ervaring van
belanghebbenden).
Tijd: vrijdag 13 maart van 13.00 tot 17.00 uur
Plaats: Raadzaal, Achter Sint Pieter 200 te Utrecht
Aanmelding: via: [email protected]
Inlichtingen: deelname is gratis; deelnemers kunnen het boek
‘M/V en verder’ ter plekke voor € 25 kopen.
19 03 2015
Informatie-uitwisseling
tussen concurrenten
Tijd: donderdag 12 maart van 15.00 tot 17.30 uur
sen beschikbaar.
Deze sectiebijeenkomst mededingingsrecht gaat over ‘Informatie-uitwisseling tussen concurrenten, met
nadruk op indirecte informatie-uitwisseling (hub and spoke kartel / het
verzamelen van concurrentiegevoelige marktinformatie)’. Bedrijven moeten voorzichtig zijn met de uitwisseling en verzameling van concurrentiegevoelige informatie. Dit is al snel
in strijd met het kartelverbod. Zelfs de
éénmalige uitwisseling van informatie
kan al verboden zijn. Mededingingsautoriteiten kunnen hiervoor hoge boetes opleggen. Tijdens deze bijeenkomst
wordt stilgestaan bij de belangrijkste
do’s en don’ts rond informatie-uitwisseling en informatie verzameling.
Plaats: Planetarium Amsterdam, Kromwijkdreef 11 te
Inlichtingen: via: www.stibbe.com/en/news/2015/march/
Tijd: donderdag 19 maart van 9.00 tot 11.15 uur
Amsterdam
wnt-congres. Deelname is gratis.
Plaats: Vereniging VNO-NCW, Bezuidenhoutseweg 12 te
12 03 2015
De bedrijfsjurist 3.0
Hoe zorg je ervoor dat je op internet
snel betrouwbare en relevante juridische bronnen vindt? En hoe verwerk
je die informatie vervolgens het best?
Ewoud Sanders geeft antwoord op
deze vragen in een interactieve masterclass. Aan bod komen onder meer:
het verschil tussen het vrije en diepe
internet; het gebruik van zoekoperatoren en filters; zoekmachines automatisch voor je laten zoeken.
Ewoud Sanders is historicus en journalist (onder andere voor NRC Handelsblad).
Tijd: donderdag 12 maart van 12.15 tot 17.00 uur
Plaats: Stibbetoren, Strawinskylaan 2001 te Amsterdam
Aanmelding: via: [email protected].
Aanmelden kan tot 27 februari. Er is een beperkt aantal plaat-
Aanmelding: www.ngb.nl. Deelname is gratis. Alleen toegankelijk voor NGB-leden.
12 03 2015
Kleur erkennen!
De Raad voor Strafrechtstoepassing
en Jeugdbescherming (RSJ) organiseert een congres over culturele
diversiteit in de strafrechtstoepassing. Het congres biedt een ruime
Den Haag
13 03 2015
M/V en verder
Is het mogelijk om het huidige systeem van sekseregistratie als man of
vrouw te veranderen met het oog op
transgenders die zich niet thuis voelen in een van beide hokjes? Deze
vraag is beantwoord in een recente
studie in opdracht van het WODC op
Aanmelding: vvia: www.ngb.nl. Deelname is gratis. Alleen
toegankelijk voor NGB-leden.
26 03 2015
Juridische aspecten bij zaken
doen in Azië (deel 1)
Het zwaartepunt van de wereldwijde
economie verschuift steeds meer
richting Azië, wat zijn weerslag vindt
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
415
Agenda
in handels- en investeringsstromen.
Aziatische markten negeren is nauwelijks meer een optie voor Nederlandse bedrijven, en op hun beurt
kijken Chinese bedrijven meer en
meer naar Nederland als gateway
voor de Europese markt. Wat zijn de
belangrijkste ontwikkelingen, wat
zijn de risico’s, en wat zijn de do’s en
don’ts van het zakendoen in Azië? In
twee sessies belichten de Azië
experts van Kneppelhout & Korthals
de belangrijkste ontwikkelingen, risico’s en do’s en don’ts van het zakendoen met en in Azië.
Tijd: donderdag 26 maart van 15.15 tot 18.00 uur
Plaats: Kneppelhout & Korthals N.V., Boompjes 40 te Rotterdam
Aanmelding: vvia: www.ngb.nl. Deelname is gratis. Alleen
toegankelijk voor NGB-leden.
24 04 2015
Jaarvergadering Vereniging
voor Gezondheidsrecht 2015
daarbij staat het door vijf preadviseurs uitgebrachte preadvies. Deze
dag wordt afgesloten met een voordracht van mevrouw drs. Cathy van
Beek MCM, bestuurder voor patiëntenzorg in de Raad van Bestuur van
het UMC St. Radboud.
Tijd: vrijdag 24 april vanaf 10.00 uur
De Vereniging voor Gezondheidsrecht houdt haar jaarvergadering. Bij
deze bijeenkomst zijn, behalve leden,
ook andere belangstellenden van
harte welkom. De dag staat in het
teken van tien jaar nieuw zorgstelsel,
een terug- en vooruitblik. Centraal
Plaats: Cultuur- en Congrescentrum Antropia, Landgoed De
10 03 2015
WWZ, ontslag en ontslagprocedures
20 03 2015
Zee- en vervoerrecht
NJB 2015/347, afl. 6, p. 415
NJB 2015/245, afl. 4, p. 288
12 03 2015
De bedrijfsjurist 3.0
20 t/m 28 03 2015
Movies That Matter
NJB 2015/347, afl. 6, p. 415
NJB 2015/245, afl. 4, p. 289
NJB 2014/2205, afl. 42, p. 3044
12 03 2015
Kleur erkennen!
02 02 t/m 18 06 2015
Duurzaamheidsdenken in het Recht
NJB 2015/347, afl. 6, p. 415
26 03 2015
Juridische aspecten bij zaken doen in
Azië (deel 1)
NJB 2015/144, afl. 2, p. 165
12 03 2015
Congres Wet Normering
Topinkomens
27 03 2015
Zijn er meerdere wegen naar Rome?
NJb 2015/347, afl. 6, p. 415
NJB 2015/294, afl. 5, p. 352
13 03 2015
TvOB Symposium
24 04 2015
Jaarvergadering Vereniging voor
Gezondheidsrecht 2015
Reehorst, Hoofdstraat 8 te Driebergen
Aanmelding: via: www.vereniginggezondheidsrecht.nl. Aanmelding is verplicht.
Inlichtingen: via: www.vereniginggezondheidsrecht.nl of via:
mevr. R. van Baal, tel: 030 28 23 848 of e-mail: vgr@fed.
knmg.nl. VGR-leden betalen € 25 en niet-leden betalen € 45.
Agenda kort
12 01 en 27 04 2015
Studiemiddagen Europees burgerlijk
procesrecht
NJB 2014/2205, afl. 42, p. 3044
16 01 t/m 19 06 2015
Fraude, Compliance &
Onderneming bijeenkomsten
13 t/m 26 02 2015
Meesterweek
NJB 2015/347, afl. 6, p. 415
NJB 2015/347, afl. 6, p. 414
18 02 2015
200 jaar CCR en Rijnvaartrecht
NJB 2015/203, afl. 3, p. 238
NJB 2015/144, afl. 2, p. 166
03 03 2015
GIS-bijeenkomst
NJB 2015/347, afl. 6, p. 416
13 03 2015
M/V en verder
NJB 2015/347, afl. 6, p. 415
NJB 2015/203, afl. 3, p. 237
11 06 2015
Fourth European Conference on
Symptom Validity Assessment (SVA)
04 03 2015
Voedselcriminaliteit
19 03 2015
Informatie-uitwisseling
tussen concurrenten
NJB 2015/245, afl. 4, p. 288
NJB 2015/347, afl. 6, p. 415
05 03 2015
Congres Simon van der Aa
20 03 2015
ACIS-symposium
NJB 2015/244, afl. 4, p. 289
NJB 2015/347, afl. 6, p. 414
NJB 2015/144, afl. 2, p. 166
01 10 2015
The ‘Utrecht School’: Past, Present
and Future
06 03 2015
FBN symposium
NJB 2015/203, afl. 3, p. 238
06 07 t/m 04 09 2015
Haagse Academie voor
Internationaal Recht 2015
NJB 2015/88, afl. 1, p. 91
NJB 2015/347, afl. 6, p. 414
Een uitgebreide versie van deze agenda is te raadplegen op www.njb.nl.
416
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-2-2015 – AFL. 6
MONOGRAFIEËN
BW (SERIE)
De delen van deze serie vormen bij
elkaar een compleet en onderling
samenhangend commentaar op het
burgerlijk recht. Elke monografie
handelt over een afgerond onderwerp.
Zo ontstaat een ‘losdelig’ handboek;
ideaal om het gehele burgerlijk recht
te doorgronden. De boeken zijn
onderverdeeld in een A- en B-serie.
De A-serie is gewijd aan onderwerpen
die raakvlakken hebben met meer dan
één boek van het BW; in de daarop
voortbouwende B-serie komen de
bijzondere onderwerpen aan bod.
U kunt de delen uit de serie los
bestellen, maar ook een abonnement
nemen op de serie. U ontvangt dan
alle nieuwe delen en herdrukken
automatisch èn met 20% korting!
Onrechtmatige daad; aansprakelijkheid voor personen
Deel B46 | prof. mr. F.T. Oldenhuis
ISBN 9789013127621 | € 42,50 | 120 pagina’s | 3e druk | 2014
Schadevergoeding: algemeen deel 1
Deel B34 | prof. mr. S.D. Lindenbergh.
ISBN 9789013104394 | € 42,50 | 108 pagina’s | 4e druk | 2014
Vermogensbeheer
Deel B8 | prof. mr. D. Busch.
ISBN 9789013126396 | € 49,50 | 256 pagina’s | 1e druk | 2014
Rechtsgevolgen en functies van bezit en houderschap
Deel A14 | prof. mr. A.C. van Schaick.
ISBN 9789013046960 | € 42,50 | 184 pagina’s | 2e druk | 2014
www.kluwer.nl/shop
in onze shop bestelt u zonder verzendkosten
Zakboek Proces-verbaal en
Bewijsrecht: de 2015/2016
editie is nu verkrijgbaar!
Het zakboek is geschreven voor hulpOvJ’s
en andere opsporingsambtenaren tot wiens
takenpakket het maken en/of corrigeren van
pv’s behoort en bevat een praktijkgerichte
bespreking van o.m.:
toezicht en opsporing
eisen aan het pv
(waaronder bijzondere pv’s zoals aanvraag-pv’s
en voorgeleidings-pv’s)
dagvaarding,
bestanddelen
aangifte / klacht / slachtoffer /
benadeelde
verhoor verdachte / getuige /
deskundige
bewijsrecht en positie pv binnen
bewijsrecht
slachtoffer / benadeelde
beslag
processtukken
checklisten
verbetertips
Nieuwe onderwerpen:
Alternatieve scenario’s van de verdediging,
aanvragen bijzondere opsporingsbevoegdheden,
ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel, enz.
Verwerkt is de omvangrijke gewijzigde regelgeving
en jurisprudentie van de laatste jaren.
Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht is onderdeel van de serie
‘Zakboeken Politie’ en ook verkrijgbaar als e-book.
Bestellen? Ga naar kluwer.nl/politie
Auteurs:
mr. R.T.J. van Da
rtel en
mr. M.G.M. Hoek
endijk