Hoogbegaafdheid - Orthopedagogische Onderwijskundige

Hoogbegaafdheid
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------Hoogbegaafden denken met grote gedachtesprongen, begrijpen/onthouden moeilijke onderwerpen,
vergaren uitzonderlijk grote kennis van feiten, hebben een levendige verbeelding, hebben affiniteit met
dingen onderzoeken en kennen veel gebieden van belangstelling. Er zijn tevens diverse definities van
hoogbegaafdheid ontstaan, waarvan geen enkele definities alomvattend is maar wel kenmerken en
profielen van hoogbegaafden bevatten die kunnen leiden tot een accurate definitie. Mönks & Ypenburg
(1993) erkennen vier aanvullende verklaringsmodellen en het meerfactoren model voor Hoogbegaafdheid.
Hoogbegaafdheid
Vier verklaringsmodellen voor Hoogbegaafdheid:
1. De capaciteitenmodellen gaan uit van het vaststellen van intellectuele capaciteiten op jonge leeftijd
en van levenslange stabilisatie van dat niveau. Rond 1920 werd intelligentie gemeten en uitgedrukt
in een quotiënt (Lewis M. Terman in Mönks & Ypenburg, 1993). In 1954 werd daaraan toegevoegd,
op basis van vele jaren van verzamelen van onderzoeksgegevens, dat uithoudingsvermogen en een
positief ondersteunende omgeving een rol spelen in de stabilisatie van dat gemeten intelligentie
quotiënt.
2. De cognitieve-komponenten-modellen gaan uit van de informatieverwerkingsprocessen bij een
leerling, met name de kwalitatieve verschillen tussen deze processen. In deze modellen speelt het
gemeten intelligentie niveau (IQ-getal) een ondergeschikte rol en komt de vraag waarin
hoogbegaafde kinderen zich onderscheiden in de manier van denken ten opzichte van niet als
hoogbegaafd aangemerkte kinderen meer op de voorgrond.
3. De prestatie-georiënteerde-modellen gaan uit van potentie en van gerealiseerde potentie, de
prestaties. Potentie is vervolgens een voorwaarde om te komen tot bijzondere prestaties. De
voorwaarden sluiten aan op de omgevingsfactoren zoals eerder genoemd bij de capaciteiten
modellen. Lang niet alle kinderen kunnen hun aanwezige potentieel volledig ontwikkelen, omdat de
omgeving onvoldoende stimulerend is (Tannenbaum, 1950; in Mönks & Ypenburg, 1993). Elk kind
wordt in beginsel geboren met begaafdheden, maar de mogelijkheden tot ontwikkeling van het
aanwezige potentieel heeft te maken met het bij een leerling voldoende aanwezig zijn van
doorzettingsvermogen en motivatie (Francoys Gagné in Mönks & Ypenburg, 1993).
4. De sociocultureel-georiënteerde-modellen gaan uit van een gunstige samenwerking van individuele
factoren bij de hoogbegaafde leerling en sociale factoren. Hoogbegaafdheid kent geen genetische of
sociaal-culturele stabiliteit, de waardering van eerder genoemde prestaties is in hoge mate
afhankelijk van bijvoorbeeld politieke en economische aspecten.
Orthopedagogische Onderwijskundige Dienstverlening en Bestuurskundig Advies
---------------------------- http://www.orthopedagogische-onderwijskundige.nl/ -------------------------------------
1
Hoogbegaafdheid
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Meerfactoren model (triadische interdependentiemodel)
Het triadisch interdependentiemodel voor Hoogbegaafdheid van Renzuli/Mönks (Mönks & Ypenburg, 1993)
gaat uit van hoogbegaafdheid er sprake is van een hoge intelligentie, motivatie en mate van creativiteit.
1. Creativiteit: Het vermogen om op een originele en vindingrijke wijze oplossingen voor problemen te
bedenken. Creativiteit komt ook naar voren bij het bedenken van problemen.
2. Hoge Intellectuele capaciteiten: Intelligentie die, gemeten met een prestatie- of intelligentietest (b.v.
WISC III of WAIS III), boven het gemiddelde ligt. Dit wordt meestal uitgedrukt met een Intelligentie
Quotient (IQ). Hierbij gaat men ervan uit dat het IQ in dat geval rond of boven 130 ligt. Men spreekt ook
wel van de bovenste 5 tot 10 procent.
3. Motivatie: Iemand moet de wil en het doorzettingsvermogen hebben om een bepaalde taak of opdracht
ook tot een goed einde te brengen. Motivatie betekent ook dat men zich aangetrokken voelt tot een
bepaalde taak, dat men er plezier in heeft, maar ook dat men doelstellingen, plannen kan maken.
Referentie
Mönks, F.J., & Ypenburg, I.H. (1993). Hoogbegaafde kinderen thuis en op school. Assen, Dekker en van de
Vegt, 1993.
Orthopedagogische Onderwijskundige Dienstverlening en Bestuurskundig Advies
---------------------------- http://www.orthopedagogische-onderwijskundige.nl/ -------------------------------------
2