Metselen in baksteen - Omgeving in de Praktijk

Metselen in baksteen
UDC 693.2
Bricklaying
RVblad 01-1
Metselwerk en daarop aangebrachte afwerklagen; bouwhistorische beschouwing.
het op elkaar stapelen van bouwstenen met gebruikmaking van
schreef, als geen plaatselijke
(natuur)steen voorhanden is - of
maken van een ander duurzaam
bouwmateriaal. Aangezien er in de
vestigingsgebieden wel klei
voorhanden was gaf dit de
mogelijkheid om van de techniek
tot het bakken van steen gebruik
te maken. Het gebruik van
baksteen, wat volgens een vermelding al in 1140 in Denemarken
bekend was, komt via Noord-Duitsland" naar onze noordelijke
provincies. Uit de opgravingen van
het in 1163 gestichte Cisterciënzer
klooster van Klaarkamp in Rinsumageest bij Dokkum is bekend dat
daar reeds baksteen is toegepast.
Ook andere kloosterorden maakten
in de 13de eeuw voor hun kloosters
en kerken gebruik van baksteen.
Zo weten we uit de Kroniek Emo
en Menko, van het Premonstratenzer klooster Bloemhof te Wittewierum (Gr.), dat men in 1233 steen
ging bakken voor de nieuwe kerk.
In de zuidelijke Nederlanden komt
de toepassing van baksteen iets
de constructie dit vereist - baksteen
later. Het waren ook daar Cisterciën-
een vulmiddel, mortel genoemd,
om de openingen in de stapeling
te vullen. De bouwstenen kunnen
van verschillend materiaal zijn. Bij
dit onderwerp kan het dan zowel
om natuursteen als baksteen gaan.
Hoewel beide onafhankelijk van
elkaar, maar ook gelijktijdig en
soms door elkaar zijn toegepast zal
het bij dit onderwerp hoofdzakelijk
gebakken steen betreffen.
Tot op heden worden muren
opgetrokken in baksteen. Dit zou
de indruk kunnen wekken dat er
op dit terrein van het bouwvak
weinig is veranderd. Niets is
minder waar. In de loop der tijden
hebben zich wel degelijk veranderingen voorgedaan. Daarnaast is
de wijze van werken in ons land
niet op alle plaatsen en in alle
tijden dezelfde geweest. We
dienen dit voor ogen te houden,
willen we zinvol met onze oude
gebouwen kunnen omgaan. Het is
daarom goed om te bedenken dat
restauratie niet alleen een stuk
bouwtechniek is. Er bestaat ook
een duidelijke relatie met het
verleden. We dienen, naast onze
vakkennis, ook een inzicht te
hebben in wat onze voorgangers
toegepast. Deze bouwtechniek en
de vervaardiging van het basismateriaal is in onze streken met het
vertrek van de Romeinen verloren
gegaan.
Eerst met de komst van de predikers
van het christelijk geloof, die wat
duurzamer gebouwde godshuizen
wilden optrekken, is de toepassing
van steen weer in gebruik gekomen.
In eerste instantie betrof dat van
elders aangevoerde natuursteen
zoals tufsteen uit de Eifel. Toen de
kloosterorden zich in de 12de
eeuw met ontginningswerk in de
Lage Landen gingen bezighouden,
ontplooiden zij daarbij ook
bouwactiviteiten. Men hield zich
niet alleen bezig met de bouw van
kerken maar er werden ook
kloosters opgetrokken. Hierbij
konden de ordebroeders hun
kennis omtrent het bouwen
ontwikkelen en in de praktijk
brengen. Daar in het gebied waar
zij zich vestigden geen natuursteen
voorhanden was, kon deze slechts
ten koste van veel moeite en geld
van elders worden aangevoerd;
Het lag dan ook voor de hand dat
men, zodra de mogelijkheid
daartoe bestond, gebruik ging
zers die hun kloosters, maar ook
hun landbouwschuren, in baksteen
optrokken.
Zo werd de kloosterkerk van Ter
Duinen bij Veurne in 1220 in
baksteen gebouwd. Daar deze
kloosterorde ook bezittingen
verwierf in de noordelijke Nederlanden hebben zij bijgedragen tot de
verbreiding van het bouwen in
baksteen. Hierbij zorgden zij
ervoor dat de techniek van het
steenbakken aan de plaatselijke
leken werd overgedragen. Deze
konden die kennis dan weer
gebruiken voor het optrekken van
allerhande gebouwen.
Aanvankelijk werd de steen in de
naaste omgeving van het te
stichten bouwwerk gebakken.
Wanneer op de plaats, waar men
wilde bouwen, geen geschikte .klei
voorhanden was kon deze van
elders worden aangevoerd. Dit was
echter een omslachtige werkwijze.
Men is er daarom toe overgegaan
om bij de vindplaats van de klei
ook de steen te bakken. Zo weten
we uit de kroniek van het Premonstratenzer klooster Mariëndal te
Lidlum (ten N.O. van Harlingen)
dat men in 1252 steenovens
Masonry and finishing layers
J.P.Staal
Baksteen is sedert de 12de eeuw in
de Lage Landen in gebruik om
muren samen te stellen. De
gebruikte formaten zijn verschillend, de wijze van verwerken - het
steenverband - veelvormig. Voor
het samenhangend stapelen zijn
rnortels met kalk en toeslagstoffen
gebruikt. Voegen werden eerst
met de metselspecie afgewerkt,
sedert de 18de eeuw apart
nauwgezet gemaakt. Baksteenmetselwerk werd met kleur en
specielagen afgewerkt.
1. Metselwerk
Onder metselwerk wordt verstaan
RDMZRVI986/5-
W
hebben gedaan en zo mogelijk
waarom.
Daarbij is het niet alleen van
belang te kijken naar wat ons, na
een willekeurige selectie door de
tijd, nog rest aan vergelijkbare
gebouwen. Ook kan het belangrijk
zijn kennis te nemen van wat in de
loop van de tijd op papier is gezet.
Tevens blijft het van belang kennis
te nemen van de ervaring van
anderen en de eigen kennis over te
dragen aan anderen. Daardoor kan
worden voorkomen dat bouwfouten
steeds opnieuw worden gemaakt.
7.7. Baksteen
Ons bepalend tot het onderwerp
metselwerk moet worden geconstateerd dat deze bouwwijze, zoals
wij die nu kennen, samenhangt
met de kerstening van ons land.
Wel hebben de Romeinen hier,
overeenkomstig wat Vitruvius
Metselen in baksteen
RVblad 01-2
maakte te Batum. Niet alleen voor
de kloosters en kerken werd elders
steen gebakken.
Ook de steden hadden eigen
steenovens, zoals Utrecht in 1265
en Leiden in 1283. Vanwege
brandgevaar werden steenovens,
evenals kalkbranderijen, door
middel van keuren op enige
afstand van de stad gehouden.
Hiermee werd ook het van elders
betrekken van steen bevorderd.
Een stad als Brugge haalde de
steen b.v. uit Ramskapelle (1331)
en Gent betrok steen uit het
bekende steenbakkersoord
Stekene. Het aanvoeren van
baksteen uit verschillende plaatsen
was later zeer gebruikelijk. Bij de
bouw van het kasteel te Gouda in
1380-'81 werd steen aangevoerd
uit Alphen, Haastrecht, Oudewater,
Montfoort, Schoonhoven en
Moordrecht. En in 1444 ging men
voor de bouw van een stadspoort
in Zutphen steen halen in Kampen
en Hattem. Hoewel in het begin
veelvuldig gebruik is gemaakt van
zeeklei is de latere baksteenindustrie langs onze rivieren geconcentreerd.
De boven geschetste ontwikkeling
heeft duidelijk invloed gehad op de
afmetingen, kleur en verwerkingswijze van de steen. Toch leveren
deze verschillen niet voldoende
duidelijkheid om, alleen afgaande
op het toegepaste baksteenmateriaal, met zekerheid te dateren. Bij
de bouw van de eerste gebouwen
is een vrij forse steenmaat gebruikt.
Deze baksteen, die vanwege zijn
omvang en zijn toepassing als
kloostermop wordt aangeduid, had
in het begin een strekkenmaat van
rond de 30 cm. Op plaatsen waar
de baksteen samen verwerkt moest
worden met tufsteen, komen, rond
1200, stenen voor van 36 x 17 x
9 cm. In het noorden blijft een
formaat van 32-30 x 16-14 x 9-8
cm normaal tot in de 16de eeuw.
Ook hield men bijvoorbeeld in de
Gelderse IJsselstreek tot in de 16de
eeuw vast aan de voorgeschreven
voetmaat. Na 1325 begint vanuit
het zuiden een verkleining van het
formaat op te treden. Mogelijk is er
een samenhang met de bouwacti-
viteit in de steden en de invloed
die het stadsbestuur kreeg op de
steenbakkerijen. Het is bekend dat
Brugge in 1331 een nieuwe maat
bij de nieuwe steenovens invoerde.
Gent voerde in 1371 eveneens een
nieuwe maat in. Niet alleen de
maat van de vormbak werd
vastgelegd, maar ook die van het
eindprodukt. Ook in Nederlandse
steden zoals Woerden en 's-Hertogenbosch werden standaardmaten
ingevoerd. Te Delft hingen er in
1420 twee standaardmaten op het
stadhuis, één voor ongebakken en
één voor gebakken steen. In Leiden
is zo'n standaardmaat bewaard
gebleven. Met de tabel (achter
deze bijdrage), voornamelijk
betrekking hebbend op Holland en
Zeeland, is getracht een indruk te
geven van de verschillende
formaten tot 1400. Het is echter
nooit geheel gelukt om één
steenformaat ingevoerd te krijgen.
Naar de streek waar de steen werd
geproduceerd zijn steeds verschillen blijven bestaan. Wel is de
IJsselsteen, uit het gebied van de
Hollandse IJssel, met een formaat
15,7™18 x 7,8-9,5 x 3,5-4,5 cm,
één van de bekendste geworden.
Daarnaast werd echter in het
aansluitende Utrechtse produktiegebied een steen gemaakt met een
strekkenmaat van 19-20 cm. In het
gebied rond Dordrecht maakte
men steen, die in formaat dicht op
de IJsselsteen aansloot. De benaming van steen kan voor ons nogal
eens verwarrend werken. Bij de
aanleg van de fundering van de
Nieuwe kerk te 's-Gravenhage werd
'Leidse mopsteen'van 21,5 x 10,5
x 4,5 cm gebruikt. In Friesland
werd echter in 1610 onder een
mop verstaan een steen van 24,5
x 12,3 x 6,8 cm. Ook uit jongere
gegevens blijkt dat er lang maatverschillen bleven bestaan. Zo werd in
1833 voor Utrechtse steen een
moppenmaat van 23 x 11,5 x 5,2
cm opgegeven, terwijl deze in
1933 met 21,5 x 10,6 x 4,5 cm
werd aangeduid. Voor drielingen
van deze steen geldt in 1833 een
strekkenmaat van 19,5 cm en in
1933 van 18 cm.
Met de verschillen in kleisoort
gebruikt voor het vervaardigen
van de steen treden ook kleurverschillen op. Langs de kust, waar
kalkhoudende klei (jonge zeeklei)
werd gebruikt, kreeg de steen een
gele kleur. In het rivierengebied,
waar de klei meer ijzerhoudend is,
bakte men rode steen. Ook door
temperatuurverschillen bij het
bakken kunnen kleurnuances
ontstaan. Steen, die dicht bij de
vuurhaard heeft gelegen, kan
gesinterd zijn op de koppen of op
de niet door andere steen in de
stapeling afgedekte stukken aan de
langszijden. Als zich in de klei of in
het stookmateriaal zoals turf
(daring) voldoende zout bevindt
kunnen de koppen bij de stookplaats worden verglaasd.
Versieringen
De groen geglazuurde koppen zijn
soms decoratief in het metselwerk
opgenomen. Een voorbeeld
hiervan vormt onder andere de
Nobelpoort te Zierikzee. In de
torens aan de landzijde zijn alle
koppen van het Vlaams verband
verglaasd. Aan de stadszijde is de
gevel opgesierd met ruitvormen in
het gedeelte waar op die hoeken
ook verglaasde steen is toegepast.
Dit soort versieringen in metselwerk
komt op meerdere plaatsen en in
verschillende vormen voor afb.
1-4. Ze zijn veelal op een willekeurige plaats in het muurwerk
aangebracht. Meestal bevinden ze
zich in de buitengevel, maar
bijvoorbeeld in de St. Baafskathedraal te Gent (B) komen ze voor op
de binnenkant van de schipgevels.
Bij de Zuidhavenpoort te Zierikzee
zijn de daar aangebrachte ruiten
geheel gevuld met verglaasde
koppen. Meestal hebben we te
maken met een open ruitvorm of
andreaskruisen of een combinatie
van beide. Ook werden wel harten
of staande kruisen in het muurwerk
aangebracht. In de noordgevel van
het klooster in Ter Apel werd een
groot stuk van het muurwerk
opgesierd met enorme andreaskruisen in zwarte gesmoorde bakstenen. Gezien het feit dat de meeste
van deze versieringen een eenvoudige vorm en geen directe relatie
Metselen in baksteen
RVblad 01-3
i ri i i m
In bovenste geleding
zuidgevel
In bovenste geleding
In bovenste geleding
zuidgevel
In westgevel
noordgevel
In bovenste geleding
westgevel
In bovenste geleding
oostgevel
In bovenste geleding
westgevel
noorderzijbeuk kerk
L Domburg, toren Hervormde kerk.
Schema figuren in metselwerk in groen
verglaasde koppen.
r~T~l
i M 'l
l "'P1 L ,l l l l l
in raamvulling raam koor
in raamvulling in 2de travee zuidgevel
van koor
tussen plint en waterlijst in noordelijke
vak koorsluiting
2. Kapelle, Hervormde kerk. Schema
figuren in metselwerk in groen verglaasde
koppen.
RDMZRV 1986/5- U
1. tussen plint en waterlijst in oostelijke
travee van noorderkoor
2. links naast raam in westgevel van
noordkapel
boven ingang in westgevel zuiderzijbeuk
Metselen in baksteen
RVblad 01-4
patroon in traptoren
Iwaterlijst
3. Ritthem, toren Hervormde kerk.
Figuren in metselwerk in groen verglaasde
koppen.
in 2de en 3de geleding westgevel
waterlijst
in zuidgevel 3de travee v.a. W.
4. Renesse, Hervormde kerk. Schema
figuren in metselwerk in groen verglaasde
koppen.
met de indeling van de gevel
hebben kan worden gedacht aan
metselproeven. Dit in tegenstelling
tot de, veelal latere, ruiten, harten
en sterren van rode steen in
anderkleurig muurwerk. In dat
geval is er een duidelijke relatie
met de opbouw van de gevel en is
de versiering doelbewust aangebracht. Naast deze versieringen
moet ook nog worden genoemd
het aanbrengen van jaartallen met
verglaasde of gesinterde koppen.
in westgevel zuiderzijbeuk
Het zal duidelijk zijn dat het van
het grootste belang is om deze
versieringen in het metselwerk bij
een restauratie te onderkennen.
Daardoor kunnen deze bij herstellingen aan het muurwerk voor
beschadiging worden behoed.
Bakken van de steen
Zoals reeds eerder is aangegeven
werd de eerste steen ter plaatse
gebakken in een veldoven afb. 5.
Voor de forse afmetingen van de
steen was, om een goed resultaat
te krijgen, een niet al te vette klei
vereist. Nu kon door het bijmengen
van bijvoorbeeld zand de klei wel
wat schraler gemaakt worden.
Toch bleef, ondanks alle zorgen bij
het vormen en drogen, om
scheurvorming en vervorming te
voorkomen, het bakken van steen
een moeizaam proces. Door het op
een vaste plaats bakken kon, door
het gebruik van steeds dezelfde
klei en eenzelfde oven, het
bakproces worden verbeterd.
Tevens kon door het aanbrengen
van baksteen wanden het warmteverlies worden beperkt. Ook was
het mogelijk om enkele ovens
naast elkaar te plaatsen waardoor
continu steen kon worden geproduceerd. Zo'n opstelling is nog te
zien bij de resten van de steenovens
in Klein Hilland bij Nieuwerkerk
aan de IJssel. Elke oven leverde
daarbij wel steen die in kwaliteit
uiteen liep van vrij hard tot vrij
zacht.
In het muurwerk van sommige
gebouwen is nog wel eens te zien
dat men na het verwerken van de
hardste steen soms aan de buitenzijde nog enkele lagen in minder
harde steen vermetselde.
Normaal werd de zachte steen als
achterwerkers gebruikt. Het is dan
ook niet aan te bevelen om, bij een
restauratie, steen uit het inwendige
van de muur als voorwerker te
gebruiken. Ook keren, dit is de
Metselen in baksteen
RVblad 01-5
deklaag van steen
op zijn plat
kern - bladen steen
op zijn kant j
buitenwanden in
dubbel verband
doorsnede
stookkanaal
—-. _
i/
dammen van schrank
J gezette steen
\
aanleg van steen
^ op zijn kant
5. Schema van een veldoven voor het
stoken met hout of turf.
naar het inwendige gekeerde zijde
van steen uit het gevelvlak aan de
buitenzijde verwerken, is niet
gewenst.
Met de verkleining van het
formaat in de 14de eeuw kon voor
de fabricage van steen ook vettere
klei worden gebruikt. Daarnaast
had deze kleinere steen het
voordeel dat het droog- en
bakproces sneller kon verlopen. Als
dan ook in de 15de eeuw in de
steden keuren worden uitgevaardigd om het brandgevaar te
verkleinen en de huizen van
stenen wanden te voorzien kan
aan de toenemende vraag worden
voldaan. Er ontstaat dan een
levendige handel in baksteen. De
steenbakkerijen langs de Hollandse
IJssel en in de omgeving van
Dordrecht, Utrecht, Leiden, maar
ook Stekene in Vlaardingen deden
dan ook goede zaken.
In de 17de eeuw kon men het
bakproces reeds zo goed beheersen
dat een steen van vrij egale kleur
RDMZRV 1986/5- 12
,/
vond men deze bewerking nog
niet glad genoeg en werden de
gehele gevel of onderdelen vlak
geschuurd. Deze bewerkingswij ze
vinden we in geperfectioneerde
vorm terug in bogen van Dordtse
gevels en in de meesterproeven in
de St. Anthoniespoort te Amsterdam, maar ook in de Gildepoortjes
te Zierikzee. Voor de bewerkte
dagkanten van vensters e.d. moest
ook een beroep gedaan worden op
de steenhouwer. Zo bewerkte in
1457 te Amersfoort een steenhouwer 30.200 bakstenen en wel 8000
voor de O.L. Vrouwetoren, 10.000
voor de St. Janstoren, 11.000 voor
een muurtoren en 1200 voor drie
wachttorentjes op de stadsmuur.
Het was ook mogelijk de profielstenen te laten bakken. In het
noorden van ons land heeft men
dit reeds vroeg gedaan voor de
Romano-Gotische kerkjes, bijvoorbeeld Beers (Fr.), ongeveer 1275.
Ook in andere streken, waar men
over een weinig vervormende
gelijkmatige kleisoort kon beschikken, is gebakken profielsteen
werd verkregen. Het werd toen
toegepast, zoals aan de kerk te
mogelijk schoonwerk-gevels op te
Oudewater en bij verschillende
trekken in twee kleuren steen en in gevels in Dordrecht.
de 18de eeuw in vrij egaal gekleurde Eerst in de tweede helft van de
bruine steen. Door het beter
19de eeuw is men het bakken van
bewerken van de klei en het
profielsteen op grote schaal gaan
omstreeks 1860 machinaal vormen toepassen.
van de steen kon een strak en glad
produkt worden verkregen.
1.2. Grondstoffen en samenstelling
Tevens werd het mogelijk met de,
van mortels
in Duitsland gepatenteerde,
Kalk
ringoven (1858) en tunneloven
(1874) een baksel met weinig
Om de baksteen samenhangend te
kwaliteitsverschil en goede
kunnen stapelen is in het verleden
hardheid te maken. Daarbij
wel eens gebruik gemaakt van klei
of leem.
speelde de toepassing van de
brandstof ook een rol. De invloed
Over het algemeen bestond de
daarvan op de baksteen komt bij
mortel uit kalk met een verschralingsmiddel en soms toeslagmateeen ander onderdeel van dit
vademecum ter sprake.
riaal om overtollig water te
binden. De toe te passen kalk kon
Bewerken van baksteen
van tweeërlei herkomst zijn.
Als men in het verleden de steen
Er kon kalk worden gebruikt die
een glad oppervlak wilde geven
was gebrand van kalksteen en de
moest daarvoor de hulp van de
naam steenkalk of kluitkalk droeg.
steenhouwer worden ingeroepen.
In een land als het onze, waar aan
de kust schelpen konden worden
De in 1444-46 gebouwde Drogenapstoren te Zutphen is opgetrokgevist, was het mogelijk deze tot
schelpkalk te branden. Dit schelpen
ken in baksteen, die vóór het
vermetselen was bewerkt. Soms
branden is reeds vroeg toegepast,
Metselen in baksteen
RVblad 01-6
door blussen wordt omgezet in
een kalkhydraat, kan slechts weer
toegemaakt, zij hebben doorgaans
(zoo niet overal) schulp-kalk
verharding plaatsvinden door het
opnemen van koolzuur uit de
gebruikt...' En 'Geen grooter bederf
voor de steen-Kalk als derzelve in
lucht. Men spreekt dan ook van
luchtkalk. Bij de verharding komt
weer water vrij.
Doordat in schelpkalk verontreinigingen, zoals kleideeltjes, worden
meegebrand kan deze kalk licht
hydraulisch worden.
Hierdoor heeft men soms de
voorkeur aan schelpkalk gegeven.
Volgens de rekeningen van de
Dom te Utrecht bestond die
voorkeur in 1450 ook bij het
uitvoeren van witwerk. Zo houdt,
in 1750, de stadsmetselaar van
Veere - Bommenee - in zijn
technisch 'testament' een pleidooi
voor schelpkalk. Deze voorkeur
voor schelpkalk verdient toch een
kritische noot, want andere
verontreinigingen in deze kalk
kunnen voor ongewenste neveneffecten zorgen. Ook kan de mate
waarin de schelpen waren gebrand
alsmede de toepassing van minder
schoon aanmaakwater het resultaat
beïnvloeden. Een pleidooi als van
Bommenee vinden we ook terug in
een boek uit 1775, geschreven
door Cornelis Redelijkheid. Tevens
geeft hij aan dat voegen zo dun
mogelijk moeten zijn om een
goede verharding van de kalkmortel
mogelijk te maken. Het boek van
Redelijkheid, bedoeld als reactie op
een geschrift van de heer Corn.
Joh. Krayenhoff, vormt de neerslag
van een levendige discussie in de
dier voege te lesschen, geen
grooter bewijs van Onkunde, en
verwaarloosing, dan dat men de
steen-Kalk kuilt, en in putten legt'.
'Naamsche-Kalk, behoorde geschuwd te worden,..., als de Pest'.
Schrijvers van leerboeken maken
in de 19e eeuw nog gewag van
deze woordenstrijd omdat er dan
nog verschil van inzicht bestaat.
Met de toepassing van portlandcement is de discussie verstomd.
18de eeuw over metselwerk, en
Dat kalk verschillende herkomst
vooral specie. De volgende
kon hebben valt ook te lezen in
een handboek uit 1705 (W. Goeree, aanhalingen spreken voor zichzelf.
Dordrecht verhandelde rivierzand
want voor het tufsteenwerk van de
uit de 12de eeuw stammende kerk
van Heiloo is schelpkalk gebruikt.
In die tijd ging het branden
kennelijk nog niet zo perfect, want
in de specie kwamen nog hele
schelpen voor. Dit branden van de
schelpkalk gebeurde veelal ter
plaatse. Later is de vervaardiging
van schelpkalk in verschillende
plaatsen geconcentreerd. Enig
inzicht omtrent omvang en
verwerking leverden de rekeningen
van de grafelijkheid Holland.
Een aanwijzing waar op één van
de plaatsen langs onze kust de
aanmaak van schelpkalk was
geconcentreerd vormt een post in
de Utrechtse Domrekeningen van
1469, waar sprake is van 'Leijts
Kalcx', zijnde schelpkalk uit Leiden.
Ook in Delft hebben kalkovens
gestaan, want in een octrooi van
Karel V uit 1547 wordt bepaald dat
men met de kalkovens een halve
mijl buiten de stad moest blijven.
Dat schelpkalk en steenkalk
gelijktijdig werden gebruikt valt
eveneens op te maken uit de
Utrechtse Domrekeningen. In
hetzelfde jaar 1469 waarin
schelpkalk uit Leiden werd
aangevoerd, betrok men steenkalk
uit Arnhem. Omdat steenkalk
voornamelijk uit het stroomgebied
van de Maas kwam vormde
Dordrecht de voornaamste
stapelplaats. Reeds in 1317 wordt
volgens de rekeningen van de
grafelijkheid van Holland steenkalk
in Dordrecht gekocht.
d'Algemeene Bouwkunde volgens
d'Antyke en Hedendaagse Manier).
Hierin staan als kalksoorten
vermeld 'Dordsche, Engelsche,
'Het kwalijk gebruik en toemaking
der steenkalk, derzelver verwaarlo-
sing in het Bebouwen.... het
kwalijk lessen, het in Putten leggen
Doornikse en Friesche kalk'.
en het bederven der Kalk, het
Kalk werd meestal op het werk
geblust. Soms ging men in de
stapelplaats over tot het vermalen
van de ongebluste kalk. Dit is om
de kalk beter te kunnen blussen en
minder last te hebben van slecht
gebrande stukken. Aangezien bij
het branden van de kalksteen het
koolzuur wordt uitgedreven en er
ongelukkig gebruik der Naamschekalk,..., het te dik metzelen, het
slecht en ontijdig afreën, of
afvoegen..., het te nat of te droog
een calciumoxyde ontstaat, dat
metzelen... het keperen der lagen'
zijn de hoofdoorzaken van slechte
muren. Of, onze 'Voorvaderen
hebben met meer liefde en
oprechtheid Gebouwd; zij hebben
hunne Kalk beter bebouwd en
Zand
Deze toeslagstof, bedoeld als
verschralingsmiddel, werd slechts
spaarzaam gebruikt. In de meeste
gevallen trachtte men op korte
afstand zand te verkrijgen.
Waar dit niet aan de oppervlakte
kon worden verkregen werd het
'gedolven'. Dit zand was veelal
fijnkorrelig. Oude specie heeft dan
ook meestal een fijne structuur. In
sommige bestekken wordt geen
zand omschreven doch aangegeven
een hoed ( = 10,8 hl) kalk op 2500
stenen (Dordrecht - het Hof, 1641)
of één hoed Leidse kalk op 2000
stenen (Leiden - Rijnlandshuis,
1600). Te Oudenaarde moesten bij
de bouw van de St.-Walburgakerk
3 zakken kalk op één voer savel
(= zand) worden gebruikt. Bij het
in 1662 te Axel gebouwde stadhuis
was de specieverhouding 2 kalk : l
zand. Het vanuit de stapelplaats
was groter van korrel evenals het
thans meestal toegepaste zand.
Hulpstoffen
Deze werden aan de kalkspecie
toegevoegd met de bedoeling de
verharding te verbeteren. Zij
werden in het verleden aangeduid
met cement, wat verwarring kan
geven omdat wij hieronder een
ander hydraulisch bindmiddel
verstaan. Een van de oudst
bekende hulpstoffen, reeds door de
Romeinen gebruikt, is puzzolaanaarde.
Dit is een op de hellingen van de
vulkaan Vesuvius gewonnen as.
Metselen in baksteen
RVblad 01-7
Tras
Het in ons land meest toegepaste
materiaal tras heeft ook een
vulkanische oorsprong. Uit de
duitse Eifel afkomstige trassteen
(verwant aan de tuf) wordt daartoe
vermalen. Een belangrijk wingebied
was in het verleden het Brohl-dal
in de omgeving van Andernach.
Hoewel volgens duitse schrijvers
een zekere Van Santen in 1682 een
trasmolen aan de Rijn zou hebben
gebouwd was Dordrecht toch de
belangrijkste fabricageplaats. Aan
de kwaliteitsbewaking van het
gemalen tuf werd veel aandacht
besteed om te voorkomen dat de
goede naam en faam van de
Dordtse tras werd 'beledigt'. In een
uitvoerige ordonnantie van 1696
werd vastgelegd dat geen bijmengingen mochten plaatsvinden en
dat iedere partij gekeurd diende te
worden.
Door tras aan de kalkspecie toe te
voegen kan deze hydraulisch
worden gemaakt en kan het bij de
verharding van de kalk vrijkomende
water worden gebonden. Vooral
bij waterbouwkundige werken is
dat van groot belang om goed
metselwerk te kunnen maken. In
het reeds eerder genoemde
handboek van W. Goeree is sprake
van Bastaard Terras, Bak-terras en
cementen. Deze laatste hebben
dus niets te maken met wat wij
cement noemen, maar was een
specie op trasbasis die ook voor
herstellingen van beschadigde
natuursteen werd gebruikt.
De tras werd dus op verschillende
manieren als hulpstof gebruikt.
Hoewel de tras een goede hydraulische toeslag was, heeft men in
ons land ook andere toeslagmaterialen als hulpstof toegepast. De
pogingen in het buitenland, op het
eind van de 18de eeuw, om
hydraulische hulpstoffen te vinden
zal hier zeker van invloed zijn
geweest.
Andere hydraulische hulpstoffen
Tot in de vorige eeuw is gebruik
gemaakt van gemalen baksteen,
tegels en dakpannen als hulpstof.
Als kleurstof kan dit, mits voldoende
fijn vermalen, goede diensten
RDMZRV 1986/5- 13
hebben bewezen. Op de verharding
zal het slechts beperkte invloed
hebben gehad. Een andere
hulpstof, die onder andere in het
begin van de vorige eeuw werd
toegepast, is de Doornikse as. Deze
werd gemaakt door de as uit de
kalkovens met stukjes gebrande
kalksteen fijn te stampen.
Op vele manieren is gezocht naar
hulpstoffen die een hydraulische
werking zouden hebben. Zo
werden in Frankrijk in 1787 leien
gebrand 'en bruikbaar bevonden
als cement'. In Engeland verkreeg
de heer Parker in 1796 een patent
om steen uit de Theems tot
zogenaamd 'Romeins cement' te
branden. Ook in ons land is, door
Adriaan de Booys, een 'cement'
ontwikkeld. Het werd verkregen
door de opgebaggerde klei uit het
IJ te branden en tot een poeder,
met rode kleur, te malen. Nadat
het procédé in 1783 was ontwikkeld
werd hierop in 1789 door het
gen aan oude gebouwen moeten
we ons goed blijven realiseren dat
het onoordeelkundig gebruik van
portlandcement vergaande
gevolgen kan hebben. Allereerst
kan het nieuwe metselwerk
'harder' worden dan het oude
waardoor nog meermaals voorkomende zettingen niet kunnen
worden gevolgd. Daarnaast is de
kleur van de specie veelal anders.
Ook krijgen we meestal een
hardere, minder poreuze, specie
die het watertransport in de muur
kan beïnvloeden. Daarmee kan een
andere, meestal ernstige, verwering
in baksteen ontstaan.
Als uitgangspunt bij de samenstelling moet gelden dat de specie in
verharde toestand even 'hard' of
stadsbestuur van Amsterdam
verschillen in thermische en
octrooi verleend. In 1810 werd een
hygrische uitzettingscoëfficienten
zijn.
uitgebreider octrooi verleend aan
de firma de Booys en Asschenberg
en comp. te Amsterdam en de
Wed. Cazius en Zonen te Utrecht.
Vandaar dat dit produkt ook werd
aangeduid als Amsterdams cement
en, later, als cement van Cazius. In
1840 kwam een eind aan dit
octrooi. Het cement is een tijd
voorgeschreven geweest bij alle
rijkswerken.
Zo ook b.v. bij de verbouwing van
het Paleis aan het Voorhout te
's-Gravenhage.
Portlandcement
Eerst met het patent dat Joseph
Aspdin (Engeland) in 1824 krijgt op
het branden van een bindmiddel
uit kalksteen (Portland limestone)
en klei wordt het portlandcement
verkregen. Door de voorgeschiedenis met de 'cementen' wordt dit
cement, hoewel het een zelfstandig
verhardend hydraulisch bindmiddel
is, slechts als hulpstof beschouwd.
Pas bij de toepassing in beton
krijgt het een zelfstandige rol. In
de metselspecie blijft het een
hulpstof omdat pure cementspecie
slecht verwerkbaar is. Bij herstellin-
iets zachter dan de steen moet
zijn. Door middel van kunstharsdispersies kan de 'hardheid' van
cementmortels gelijk aan die van
kalkmortels worden. Hierbij moet
dan wel worden bedacht dat er
Mortelsamenstelling
De mortel, het mengsel van kalk
en zand, werd gemengd door dit
met een kalkhouw om te zetten.
Hierna werd deze in de rot gezet.
Bij de bouw van het stadhuis in
Axel werd voorgeschreven, dat de
specie 14 dagen in de rot moest
staan. Na deze rustperiode werd de
benodigde mortel nog eens
omgezet en kon de metselaar er
mee gaan werken.
Daar de kalkspecie aan de lucht
moest verharden kon dat bij dikke
muren nogal eens problemen
opleveren. Als U in metselwerk dan
ook wel eens minder goed gevulde
stootvoegen tegenkomt is dat geen
slordigheid van de metselaar, maar
een manier om lucht tot het
binnenste van de muur toe te
laten. Bij de toren van Veen (N.Br.)
zijn daartoe alle stootvoegen over
de volle diepte van het metselwerk
open gelaten. Ook is het niet
uitgesloten dat de open kortelinggaten, bijvoorbeeld in de kerk van
Zweelo, een dergelijke functie
vervulden.
Metselen
in baksteen
RVblad 01-8
Het hoofdbestanddeel kalk speelde
een belangrijke rol bij de bereiding
van de mortel. Daarvoor kan men
gebruik maken van schelpkalk of
steenkalk. Schelpkalk gaf slechts
een optimaal resultaat als deze
droog, dit is tot poeder, geblust
was. Bij steenkalk had men nog de
keuze tussen droog of nat blussen.
Droog blussen kon gecontroleerd
gebeuren bij de leverancier, terwijl
het verkregen materiaal gemakkelijk kon worden vervoerd. Op het
werk nat gebluste kalk kon echter
langer goed worden gehouden.
Zoals eerder aangegeven bestond
over de keuze van de toe te passen
kalk niet altijd eenstemmigheid.
Daarbij kon de aanvulling met een
hulpstof nog van invloed zijn op de
keuze van de kalk.
Immers bij toepassing van tras kan
met een steenkalk een goed
hydraulische mortel worden
verkregen. Wel moest met een
zuivere kalkspecie erg zorgvuldig
worden gewerkt. In verband met
de verharding diende ruim water
te worden toegevoegd waardoor
een zeer plastische mortel werd
verkregen. Daarnaast moest de te
vermetselen steen niet te droog
zijn om te voorkomen dat het voor
de verharding benodigde vocht
aan de specie werd onttrokken.
Hiertoe werd de steen op de klamp
nat gehouden, gewaterd, en
vermetseld als deze winddroog
was. Dit laatste om een goede
hechting van de specie mogelijk te
maken. Men moest hierbij het
vochtgehalte van mortel en steen
goed op elkaar afstemmen om
drijven te voorkomen.
J.K. Kemper waarschuwt in zijn
handboek uit 1874 dan ook nog
voor de vertikale zetting van in
kalkspecie gemetselde muren.
Ook was de samenstelling van de
mortel van invloed op de uitvoeringswijze van het metselwerk. Bij
de oudste bouwwerken werd een
redelijk dikke (5 1 cm) voeg
toegepast. Dit omdat de vorm van
de baksteen nog niet al te strak
was en de mortel, vooral bij
toepassing van schelpkalk, vrij grof
was. Met mortels waarin steenkalk
was toegepast kon, afhankelijk van
het verschralingsmiddel.
wel
dunner worden gewerkt. Als in de
14de eeuw door uitvaardiging van
voorschriften op de steenmaat en
het beter beheersen van het
bakproces de steen maatvaster
wordt is het al mogelijk met
dunnere voegen te werken. Zeker
als op den duur ook de techniek
van het kalkbranden wordt
verbeterd gaat de grofheid van het
zand de voegmaat bepalen. Indien
er, zoals uit de gegevens over het
Hof te Dordrecht (1641) blijkt,
helemaal geen zand in de mortel
wordt toegepast kan deze steeds
dunner worden. Hierbij wordt de
vormvastheid van de steen weer
maatbepalend. Om een zo goed
mogelijk resultaat te krijgen kan
men de steen gaan sorteren.
Daarnaast kunnen nog correcties
worden aangebracht door de steen
te behakken of te slijpen.
Voorbeelden hiervan, waarbij men
tot het uiterste ging, vormen de
meesterproeven in de Waag te
Amsterdam (1617) en de uit het
6. Zierikzee,poortje in de Venkelstraat
midden van de 18de eeuw stammende gildepoortjes te Zierikzee
afb. 6. Met deze werkwijze kon het
ideaal worden bereikt van een
gevel waarin de voeg (24 mm)
geen dominerende rol meer
speelde en die redelijk krimpvrij
was. Voor een gevel in de straatwand gaf dit de mogelijkheid tot
grote verfijning. In de 17de. maar
vooral in de 18de eeuw is daar
veelvuldig gebruik van gemaakt.
Hierbij moest men wel eens
kunstgrepen toepassen. Zo heeft
men voor de lintvoegen het
metselen op uiterst dunne latten,
z.g. veren, toegepast. Ook werden
de stenen soms arm, naar achteren
wat dunner gehakt. Door middel
van krassen op de stenen kon een
strakke maatvoering, om de
staatvoegen boven elkaar te
houden, worden verkregen. Zulke
krassen zijn bijvoorbeeld nog te
zien op de gevel van het Mauritshuis
te ‘s-Gravenhage.
Hier moet, hopelijk ten overvloede,
worden opgemerkt dat bij herstellingen aan dit soort gevels de
uiterste zorgvuldigheid in acht
dient te worden genomen om het
strakke beeld niet te verstoren. In
zo’n geval zal speciale bewerking
van de steen voor de afmetingen,
arm slijpen voor verwerking, en
een goed verwerkbare specie
nodig zijn. Om met dunne voegen
te kunnen werken diende men
gebruik te maken van een vette
kalkspecie. Met een meer theoretische benadering van de mortelsamenstelling die op het laatst van
de 18de eeuw voor het eerst
ontstaat komt er een tegenstelling
met de tot dan toegepaste mortels.
De Franse ingenieur van Waterstaat
Vical heeft rond 1800 theorieën
over kalk en mortel, alsmede een
toestel voor de beproeving van de
bindkracht van kalk, ontwikkeld.
Op grond van zijn theorie, dat de
kalk slechts de zandkorrels dient te
omhullen, zou met een specieverhouding van 10 delen vette kalk op
22-24 delen zand of van 10 delen
waterkalk ( = hydraulisch) op 17-18
delen zand kunnen worden
volstaan. In ons land zet de
Maatschappij voor Wetenschappen
Metselen
in baksteen
te Haarlem zich in om, bijvoorbeeld
met een verhandeling van de
hoogleraar John. uit Berlijn,
theoretische kennis over mortels
ingang te doen vinden. Maar dit
leidt er niet toe dat direct tot de
toepassing van een andere
specieverhouding wordt overgegaan. Leerboeken uit 1833 en 1850
geven nog verhoudingen met
meer kalk dan zand. Zelfs de al bij
het stadhuis van Axel (1622)
toegepaste verhouding van 2 kalk
op 1 zand wordt nog aanbevolen.
In een handboek uit 1874 is de
verhouding, met 10 schelpkalk op
8 zand, of 10 vette kalk op 12
zand, al opgeschoven naar rond de
1:l . Daarbij speelt de verwerkbaarheid voor zo dun mogelijke voegen
nog steeds een roLMet het
toepassen van toeslagstoffen,
veelal bij waterbouwkundige
werken en keermuren, waar ook
een hardere steen wordt gebruikt,
werd de specie ook schraler. In dat
soort gevallen kon dan ook niet
met een dunne voeg worden
gewerkt.
Het is J.A.van der Kloes, hoogleraar
aan de T.H. te Delft, geweest die
grote invloed op het veranderen
van de specieverhouding heeft
gehad. Met zijn publicaties vanaf
1899 heeft hij gestreefd naar
betere samenstellingen en rationelere voorschriften. Al naar gelang
de functie van het metselwerk of
de grondstoffen van de specie gaf
hij een reeks mortelsamenstellingen. Daaruit blijkt dat nog verdere
verschraling mogelijk is tot wel 1
bindmiddel op 3 zand.
Uiteindelijk wordt met de toepassing van hoofdzakelijk cement in
de specie de verwerkbaarheid bij
het metselen moeilijker en kunnen
geen dunne voegen meer worden
gemaakt. Ook de benadering van
een gemetselde muur is dan
anders geworden. Van muren
bestaande uit een stapeling van
steen met niet al te ‘harde’ specie
is men overgegaan naar een hard
vlak waarin de, veelal hardere,
steen als het ware wordt verlijmd.
Het verband speelt dan geen grote
rol meer en het is mogelijk in elke
vorm van siermetselwerk te
RDMZ RV 3986/5
14
metselen. We dienen ons te
realiseren dat hiermee een geheel
andere benadering in het metselen
was ontstaan. Onze opleidingen
zijn daar nu op aangepast zodat
het geleerde niet zonder meer
toepasbaar is bij herstel van oude
gebouwen. Er zal daarbij steeds
rekening moeten worden gehouden
met de destijds toegepaste
materialen en bouwwijze. De
uitvoering van de te verrichten
herstelwerkzaamheden zal daarop
moeten worden afgestemd.
Mortelsamenstellingen als weergegeven in het normblad H 3835
(1985) of NEN 3834 (in voorbereiding) moeten, omdat deze zijn
afgestemd op de huidige hardere
steen, met omzichtigheid worden
gehanteerd. Bij zachte steen kan
het nodig zijn dat zelfs met een
mortel van 1 bindmiddel op 4 zand
wordt gewerkt waarbij het aandeel
van de cement minder is dan van
de kalk. Terwille van de kleur van
het voegwerk is het aan te raden
hierbij gebruik te maken van witte
cement.
1.3. Voegwerk
Het afvoegen van het metselwerk
gebeurde tot in de 18de eeuw
dadelijk na het metselen, met
dezelfde specie. Daardoor werd
een hecht geheel verkregen. Voor
de nogal grove voegen werd een
breed voegijzer gebruikt waarmee
de voeg vol en zat werd afgewerkt.
Meestal werd echter gebruik
gemaakt van een dagge. Dit was
een soort zware voegspijker
waarop, in het vlak waarmee de
specie werd aangedrukt, een
scherp kantje was aangebracht
zodat in de voeg een snede
ontstond afb. 7. Gezien het feit dat
deze daggestreek veelal alleen op
de bredere lintvoegen voorkomt
zou men kunnen denken dat deze
bedoeld was om het vlak van de
voeg te breken. Ook kan deze
snede bedoeld zijn om bij het
kleuren van de gevel de verdeling
van het onderliggende metselwerk
te laten spreken. Bij gekleurde
gevels is de daggestreek ook
gebruikt als richtlijn om weer
keurig witte voegen te kunnen
7. Koudekerke, Walcheren. Kruisverband,
17de eeuw. Grove voegen met dagstreep
in de lintvoegen.
schilderen. Om de brede voegen in
metselwerk niet te laten spreken is
soms kleurstof aan de specie
toegevoegd. Deze, meestal
rood-bruine, voegen werden ook
wel toegepast in gevels van
IJsselsteen,die later gekleurd
werden. Hiermee werd voorkomen
dat na het verweren van de
kleurlaag de voegen te sterk
zouden spreken.
In de 18de eeuw is men, onder
invloed van de metselwijze waarbij
een zo dun mogelijke voeg werd
nagestreefd, er toe overgegaan om
de voeg aan de voorzijde later te
vullen. Daarbij kan in de lintvoegen
eerst materiaal voor de maatvoering worden opgenomen en dat
had het voordeel dat de metselspecie het buitenvlak niet kon
smetten. Er is dan eerst sprake van
echt voegwerk, dat zeer verfijnd
kan worden uitgevoerd. Hierbij
was het tevens mogelijk om het
zichtvlak van de voegen te
verkleinen, nl. het besnijden van
de voegen. Dit is vanaf het begin
van de achttiende eeuw vrij
algemeen geworden. Het doet wat
merkwaardig aan om op deze
gesneden voegen soms een
daggestreek aan te treffen. Toch
komt dit tot in het midden van de
19de eeuw nog voor (Nassaulaan
18 te ‘s-Gravenhage, ongeveer
1845).
Om maatverschillen bij het
metselen te verdoezelen heeft
men, zoals bij de 18de-eeuwse
Metselen
in baksteen
RVblad 01-10
gevel van het stadhuis te Goes,de
voegen eerst gevuld met een
specie in de kleur van de baksteen
en daarin smalle groeven aangebracht die werden gevuld met een
witte specie. Bij het herstellen van
voegwerk, waarbij baksteen was
beschadigd, heeft men ook dikwijls
zijn toevlucht genomen tot het
bijwerken van de steen met
gekleurde specie alvorens nieuw
voegwerk aan te brengen. In het
muurwerk van 19de-eeuwse
panden is soms ook met gekleurd
voegwerk gewerkt. Het komt nogal
eens voor dat in lichte banden in
een gevel van rode baksteen, die
wit is gevoegd, er rode of zwarte
voeg wordt toegepast. Ook wordt
een architectuuronderdeel soms
anders gevoegd. Zo zijn in het
station Hollands Spoor te ‘s-Gravenhage (1888-‘93) pilasters rood
gevoegd in tegenstelling tot het
gevelvlak. Het breder worden van
de voeg door toepassing van een
schralere specie had ook nog
invloed.
Met het aanbrengen van een
terugliggende voeg in gevels met
een strakke gladde steen wordt op
het eind van de 19de eeuw nog
een nieuw voegsysteem gecreëerd.
Aangezien het soms nodig kan zijn
voegwerk te herstellen is het goed
hier nog even bij stil te staan.
Hierbij uitgaan van de gedachte
dat wij het beter kunnen dan onze
voorouders is erg gevaarlijk.
Daarnaast is onze zorg over het
aanzien van de gevel, hoe goed
ook bedoeld, zeer bedreigend voor
het werk waaraan onze voorgangers met zorg hebben gewerkt.
Met het vooruitzicht dat door
incidenteel herstel wel eens een
bont geheel zou kunnen ontstaan
wordt maar al te gemakkelijk
overgegaan tot algehele vernieuwing van het voegwerk. De
baksteen en het voegwerk vormen
echter historisch één geheel wat
bij herstellingen gerespecteerd
dient te worden. Het feit dat wij
vele middelen en materialen
hebben om voegwerk te vernieuwen mag ons niet verleiden tot het
begaan van misstappen. Er is
daarom grote terughoudendheid
geboden als we een lang bestaande
eenheid gaan verstoren. Bij het
uithakken of uitslijpen, hoe
zorgvuldig ook, ontstaan op
plaatsen, waar de voeg nog
redelijk goed is, beschadigingen
aan de steen. Dit leidt ertoe dat de
nieuwe voeg breder zal worden
dan de oude. Het totaalbeeld van
de gevel ondergaat daarmee een
verandering welke uit historisch
perspectief niet gewenst is.
Zeker als, waar een platvolle voeg
aanwezig was, om de breedte nog
wat te verdoezelen wordt overgegaan op snij- of knipwerk. Daarbij
is in het verleden nogal eens
gebruik gemaakt van een hardere
specie. Niet alleen was de kleur
dan soms donkerder maar er
traden ook vervelende bijverschijnselen op. Zo kon de voeg ten
gevolge van zijn geringe waterdoorlatendheid door het zich erachter
ophopende water bij vorst of door
zouten naar buiten worden
gedrukt. Hierdoor kon, omdat de
aanhechting wel goed was,
beschadiging aan de baksteen
ontstaan wat bij herstel weer tot
een bredere voeg leide. Ook kan
door sterk voegwerk het binnengedrongen water niet snel genoeg uit
de baksteen ontwijken waardoor
een snellere verwering ontstaat.
Herstel aan voegwerk zou daarom
beperkt moeten blijven tot de
beschadigde delen en uitgevoerd
met een op het oude werk afgestemde mortel. Een kleurverschil dat
enige jaren blijft bestaan zou dan
voor lief moeten worden genomen.
In het uiterste geval kan iets
worden bijgekleurd met bijvoorbeeld in water verdunde oostindische inkt.
Daarbij moet wel worden opgemerkt dat zo’n nabehandeling er in
de toekomst toe kan leiden dat de
voegen te donker worden. Bij het
vernieuwen van voegwerk moet
nog een ernstige waarschuwing
worden uitgesproken. Het is
dikwijls de gewoonte om na het
uithakken van de voegen de gevel
met zoutzuur schoon te maken.
Daartegen bestaan ernstige
bezwaren omdat, ondanks goed
spoelen met water, er nog resten
van dit zoutzuur in de muur
achterblijven. Een omzetting van
deze resten in zouten veroorzaakt
een snellere verwering van de
gevel. Reinigen van muurwerk
dient dan ook uitsluitend met
schoon water plaats te vinden. Het
verdient aanbeveling hier spaarzaam gebruik van te maken. Droog
reinigen, met perslucht, zou nog
beter zijn.
1.4. Metselverbanden
De eerste bouwwerken in baksteen
werden, analoog aan het Romeinse
bouwen en de Romaanse methoden
bij tufsteenmuren, opgetrokken
door het metselen van twee dunne
wandjes waartussen stortwerk
(puin, zwerfstenen e.d. met mortel)
in dunne lagen werd aangebracht.
Om deze wandjes met het binnenwerk te verbinden diende tussen
het halfsteenswerk af en toe een
kop naar binnen uit te steken.
Soms gebeurde dat slechts spaarzaam, later om de 4 of 5 strekken,
en zeer onregelmatig afb. 8. Men
kan dan spreken van kettingverband. Een meer gestructureerd
verband ontstaat als na elke 2
strekken een kop wordt toegepast.
We spreken dan van Noor(d)sverband. Dit komt in enige gebouwen
in het noorden van ons land voor.
Vanuit het zuiden is het Vlaams
8. Tolbert (Gr.), Hervormde kerk, 13deeeuws metselverband in ketting- en
Noor(d)s verband.
Metselen in baksteen
RVbladOl-11
verband in ons land, met na elke
strek een kop, toegepast. Ook
wanneer de muur over de volle
dikte werd volgemetseld was dit
verband goed te gebruiken. Het
werd dan ook tot in de veertiende
eeuw toegepast. Met dit verband
ging men ook strakker werk
maken.
Voor ronde traptorens bleef het
zelfs nog wel in gebruik als de rest
van het gebouw al, in het opvolgende staandverband, met afwisselend
koppen- en strekkenlagen werd
uitgevoerd. Een voorbeeld van de,
rond 1325 plaatsvindende,
overgang naar het staandverband
is te vinden in het muurwerk van
de Nobelpoort te Zierikzee
(1308-1325). Daarbij is tevens te
zien dat bij de overgang van de
beide verbanden het gebruik van
hoekblokken van Doornikse steen
is gestopt. In een latere bouwfase
zijn wel weer hoekblokken
toegepast, maar dan van Gobertan-
klezoortje vulde de ruimte tussen
de kop op de hoek en de daarop
volgende strek of kop.
Dit systeem was ook bruikbaar bij
het staand en kruisverband afb. 9c
waar in de koppenlaag na de
eerste kop een klezoortje werd
toegepast. Bij gevels waar men
zeer hechtte aan een strakke
doorvoering van het verband ging
men, naar ons gevoel, merkwaardig
te werk. Zo werd bijvoorbeeld bij
het pakhuis Stokholm, Wolwevershaven 35, te Dordrecht het
klezoortje niet alleen op de
hoeken, maar ook langs de deuren raamopeningen aangebracht.
Daarbij werd het zelfs doorgevoerd
in het onder- en bovenliggende
muurwerk.
Rond 1600 wordt bij kleine
baksteen, zoals die in Zuid-Holland
wordt gebakken, ook wel de
klezoor met de volgende kop
samengevoegd en een drieklezoor
in de koppenlaag toegepast.
gersteen. Rond het midden van de
Vermoedelijk in Amsterdam wordt
16de eeuw treedt nog eens een
verandering in het verband op. De
opvolgende strekkenlaag schuift
een halve steen op zodat het
kruisverband ontstaat. Het verband
wordt dan zeer consequent
uitgevoerd, in tegenstelling tot het
staandverband, waarin nogal eens
slordigheden voorkwamen, veelal
veroorzaakt door rijen kortelinggaten.
kort na 1700 voor het eerst de ons
zo vertrouwde drieklezoor als
begin van een strekkenlaag
toegepast. Het gebruik van deze
hoekoplossing verspreidde zich
maar langzaam. In Middelburg
vindt deze oplossing al vlak na
1720 toepassing maar in steden als
Leiden en Den Haag is deze eerst
na het midden van de 18de eeuw
algemeen in gebruik. Redelijkheid
vermeldt in zijn boek (1775) het
rijmpje "t Muurs-Verband van één
Claisoortje Is maar Verbinding van
één Oortje'. Toch blijft het gebruik
van het klezoortje naast de
drieklezoor nog wel voortbestaan.
Het wordt zelfs nog in een leerboek
uit 1915, door C. Visser, naast de
oplossing met een drieklezoor in
de strekkenlaag genoemd.
Bij niet haakse hoeken, zoals in
dagkanten van vensters en
dergelijke, wordt het principe om
in de strekkenlaag met een hele
steen te beginnen eveneens
consequent doorgevoerd. Deze
hoeksteen wordt dan van een
behakte schuine kant voorzien en
voor het verband past men, net als
bij de haakse hoek, in de koppenlaag een klezoortje toe. Een enkele
1.5. Hoekoplossingen
Om op de hoek in elke laag met
een hele steen te beginnen en
daarna in het juiste verband verder
te kunnen werken moet een
oplossing worden gevonden voor
het verspringen van het verband in
de verschillende lagen. Bij het
Noor(d)sverband kon worden
volstaan met één van de twee
strekken na de kop op de hoek uit
te voeren als drieklezoor afb. 9a. In
het Vlaams verband heeft men de
oplossing niet gezocht in een
verkorting van de strek maar in
halvering van een steen in de
lengterichting (klisklezoor) afb. 9b.
Aangezien deze in afmetingen
overeenkomt met 1/4 strek blijven
we spreken van een klezoor. Dit
RDMZRV 1986/5- 15
drieklezoor
9a. Veenwouden (Fr.), Schierstins, 13de
eeuw. Hoekoplossing.
(klisjklezoor
9b. Veen (N.B.), toren Hervormde kerk,
tweede helft 13de eeuw. Hoekoplossing.
klezoor
9c. Hoek met klezoren in de koppenlagen.
maal stelde dit de metselaar,
gezien de onregelmatigheden,
nogal eens voor problemen.
In dagkanten, voor deur- en
vensteropeningen, met een
profilering werd in de vorm van de
versiering rekening gehouden met
de maat van de baksteen. Daarbij
konden de stenen haaks op elkaar
worden gelegd. Bij de overgang
naar het muurvlak werd weer een
aansluiting naar het verband
gemaakt.
Metselen in baksteen
RVblad 01-12
1.6. Hellende muurvlakken
Muren waarmee men, niet
uitsluitend bij het metselen,
moeilijkheden had zijn wanden die
naar achteren overhellen, zoals bij
torenspitsen, molenrompen en
vestingwerken. Voor de metselaar
die een ideale muur zag als een
glad, gesloten oppervlak betekende
dit dat hij de steen achterover
hellend metselde. Dat kon bij de
langzaam verhardende kalkmortel
wel eens problemen opleveren
doordat bij regen zoveel water aan
de specie werd toegevoegd dat de
steen ging schuiven zodat onregelmatigheden ontstonden. Bij
vestingwerken, waar een glad
oppervlak noodzaak was, kon men
het probleem nog opvangen door
zo snel mogelijk grond achter de
muur aan te brengen.
Reeds in de 18de eeuw was er al
discussie over de werkwijze bij
hellende muren. In tegenstelling
met wat Krayenhoff schreef meent
Redelijkheid in zijn boek dat het
toch beter is de steen horizontaal
te vermetselen.
Als men echter de steen horizontaal
10. Bouw van de toren van Babel. Miniatuur uit Hortus Deliciarum van Herrad von
Landsberg, 1175-1185.
vermetselde ontstond bij elke laag
een klein sprongetje, wat voor
werk in kalkspecie problemen
opleverde. Het bij dit sprongetje
horende horizontale vlakje op elke
laag kan voor moeilijkheden
zorgen. Als de voeg schuin wordt
afgewerkt om het vlakje af te
dekken zal bij onvoldoende
verharding tijdens de eerste
regenbui reeds afspoeling plaatsvinden. Doordat op het uitstekende
vlakje aflopend water gaat
wervelen spoelt de specie uit, zelfs
bij een vertikale voeg. Tevens
bevorderen deze belemmeringen
voor het afvloeiende water de
wateropname in steen en specie.
Om dit te ondervangen heeft men
in het verleden de steen ook wel
naar buiten hellend vermetseld.
Met de wat sneller verhardende en
minder kwetsbare trasmortel
konden bovengenoemde problemen wat beter worden opgevangen. Toch blijft dit soort metselwerk
altijd een zorgenkind.
l1. Bouw van de toren van Babel. Miniatuur uit het Huntingfield-Psalter, ca. 1180.
1.7. Steigers
Bij gebouwen met dikke muren is
op oude afbeeldingen te zien dat
de metselaar op de te metselen
muur stond afb. 10. Er waren dan
slechts voorzieningen getroffen
om bij de plaats waar men werkte
te komen en materiaal aan te
voeren. Het meest werd echter
gebruik gemaakt van een vliegende
steiger afb. 11. Daarbij werden,
nadat het muurwerk tot ongeveer
opgetrokken, steigerhouten van
ongeveer 10 x l O cm ingemetseld,
die aan beide zijden ongeveer 70
cm buiten de muur uitstaken.
Nadat de muur 80-120 cm was
opgemetseld (dit verschilt van
streek tot streek) werd de volgende
slag aangebracht. Vermoedelijk na
twee of drie slagen kortelingen
werden de onderste weer voor de
volgende slag gebruikt. Op de slag
waarop men, doordat voldoende
een meter boven het maaiveld was
metselwerk boven kortelingen was
Metselen
in baksteen
RVblad 01-13
aangebracht, kon staan werden
horden (van twijgen gevlochten
matten) of steigerplanken, veelal
vier naast elkaar, aangebracht. De
kortelinggaten werden open
gelaten, mogelijk met het oog op
de verharding van de specie, en
later dicht gezet. Er zijn zelfs
gevallen bekend waarbij de gaten
eerst enkele eeuwen later zijn
gedicht. Zelfs zijn er nog voorbeelden waarop de kortelinggaten tot
op de huidige dag open zijn.
Steigers met palen, scheerhouten
en aanbinders werden in eerste
instantie voor ingewikkelde ronde
bouwwerken en voor herstellingen
gebruikt. Als de te metselen muur
dunner wordt kan geen vliegende
steiger meer worden gebruikt.
Wanneer dan ook nog vrij dunne
steen wordt toegepast en hogere
eisen worden gesteld aan het
metselwerk, zoals bij voorgevels
van woonhuizen in de 16de eeuw,
dan zijn kortelinggaten niet meer
gewenst.
Men diende dan over te gaan tot
de toepassing van een vrijstaande
steiger. Daarbij werd de steiger
aan de buitenzijde voorzien van
staanders terwijl de kortelingen op
één einde werden versmald opdat
ze tussen het metselwerk in de
muur konden worden opgelegd.
Of er werden aan de binnen- en
buitenzijde van de steiger staanders
aangebracht. Staanders, scheerbouten en kortelingen van deze
houten steigers werden met
touwen aan elkaar verbonden.
Transport vond vertikaal plaats
met bouwkranen, tot vrijwel
rechtstreeks op de plaats waar het
materiaal verwerkt werd afb. 12.
2. Afwerklagen
Hoewel in het verleden ook wel
verschillende opvattingen voorkomen zijn we in ons land toch eerst
na het optreden van bouwmeesters
als Berlage en Kropholler onze
bouwmaterialen anders gaan
waarderen. Natuursteen ging echt
dienen ter verfraaiing, bij baksteen
werd een hoge waarde aan de
warme rode en gele kleur toegekend, terwijl eikehout om zijn
tekening en donkerbruine kleur
RDMZ RV 198615
16
zeer in trek was. Onze voorouders
gingen echter op een andere
manier met bouwmaterialen om.
Kleur en structuur waren ondergeschikt. Materialen werden slechts
gebruikt voor de doeleinden
waarvoor ze het meest geschikt
waren. Vormgeving werd bepaald
door het beschikbare materiaal en
een gebouw zag men als een
stelsel van, door scherpe lijnen,
begrensde vlakken. Men had een
goed oog voor vormen, maar
kleuren zag men dikwijls los van
materialen.
Door het op allerlei onderdelen
aanbrengen van verf ontstond een,
in onze ogen, overdadige kleurenrijkdom.
2.1. Binnenafwerking
De oudste muren hebben meestal
een dikte van 1 1/2 steen of meer.
Het is dan mogelijk om zowel aan
de buiten- als aan de binnenzijde
strak werk te maken.
Als de voegen dan ook nog in het
vlak van de muur glad worden
afgewerkt ontstaat een redelijk
strak vlak. Toch had men de
behoefte om de werking als vlak te
accentueren en de binnenvlakken
een lichte kleur te geven. Bij dit
laatste zal de wens om zoveel
mogelijk invallend licht in de
ruimte te verspreiden niet vreemd
zijn geweest. Deze lichte vlakken
heeft men later van kleurrijke
versieringen voorzien. Niet alleen
figuratie maar ook als totaal vlak.
Hierbij is het van belang op te
merken dat met de kleuren soms
de indruk wordt gewekt alsof
gelijksoortige of andere materialen
dan in de muur verwerkt, zijn
toegepast.
Een treffend voorbeeld hiervan is
de behandeling van wanden en
gewelven in het schip van de Herv.
kerk te Zeerijp. Ook de rode kleur
op de kolommen in het koor van
de O.L.Vrouwekerk (Herv.) te
Tholen geeft aan dat men de witte
kleur van de natuursteen aan het
oog wilde onttrekken.
Door de vrij vlakke uitvoering van
het muurwerk kon men in eerste
instantie veelal volstaan met het
aanbrengen van een witlaag.
12. Pieter Rrcughcl dc Oude /IC houw
von de toren van Babel, 1563. Fragment
waarop tredrodkranen en andere
hijswerktuigen zOn afgebeeld.
Alleen wanneer de behoefte
bestond om zeer gladde vlakken te
creëren moesten oneffenheden
worden weggewerkt met een
pleisterlaag. Het gebruik van aan
de lucht verhardende kalk nodigde
niet uit tot het aanbrengen van
dikke lagen.
De laag werd wel steeds dikker
door het regelmatig overwitten.
Van de Ridderzaal te ‘s-Gravenhage
is bekend dat pleisteren en witten
tot het onderhoud behoorde. De
rekeningen van de Grafelijkheid
Metselen in baksteen
RVblad 01-14
zijn daar zeer duidelijk over. In
1388 wordt de zaal 'gepleyst ende
witgemaect'. Soms moest men er
toe overgaan om loszittende of in
minder goede staat verkerende
afwerklagen te verwijderen en een
nieuwe pleister- en/of witlaag aan
te brengen. Problemen met de
ondergrond zullen daaraan ook
niet vreemd zijn geweest. Omdat
men echter de aantasting van de
pleisterlaag, in samenhang met
een overmaat aan vocht, zag als
een verkeerde keus van de
toegepaste kalksoort ontstonden in
het verleden diepgaande verschillen van mening over het gebruik
van schelpkalk en kluitkalk.
Evenals bij de baksteen komt de
aantasting veelal voor rekening
van de aanwezigheid van zouten
in het muurwerk. In het verleden
behaalde men nog wel eens een,
meestal kortstondig, succes door
na droging het aangetaste gedeelte,
met de daarin uitgekristalliseerde
zouten af te hakken. Bij het
afhakken van de oude pleister- en
witlagen werd in het algemeen de
ondergrond iets beschadigd
vocht aan en daarmee ook zouten
uit de muur.
Een goed resultaat bij een pleisterlaag hangt niet in eerste instantie
af van de kwaliteit van de toegepaste materialen. Daarbij speelt
ook de ondergrond, de muur met
mogelijk aanwezige zouten, een
belangrijke rol. Bij het aanbrengen
van een nieuwe pleisterlaag wordt
water gebruikt om de specie te
bereiden, maar ook om de muur
schoon te maken. Hiermee wordt
weer water aan de bestaande
muur toegevoegd. Dit water zal
tijdens de eerste verhardingsperiode weer naar de oppervlakte
komen met daarin de opgeloste
schadelijke zouten. Hierdoor wordt
de normale verharding van de
pleisterlaag verstoord. Bij verdamping van het water aan het
oppervlak van de pleisterlaag,
zullen de meegevoerde zouten
uitkristalliseren en daar aantasting
veroorzaken. Het is dan ook
noodzakelijk te onderzoeken welke
gevaren in de muur aanwezig zijn
alvorens de keuze voor een nieuwe
pleisterlaag wordt gemaakt. Bij het
Ook was bij het gebruik van een
kalkmortel het gevaar aanwezig
dat door een regenbui de nog niet
verharde mortel uitspoelde en de
kalk het gevelvlak smette. Tevens
konden na enige tijd tengevolge
van uitspoelen van ongebonden
kalk witte plekken op het muurwerk
ontstaan. Om dan eenheid in één
vlak en geen verschil in verschillende vlakken te krijgen moest men
zijn toevlucht zoeken in het
aanbrengen van kleur. In eerste
instantie was de variatie in kleuren
erg beperkt. Voor wit kon men
gebruik maken van kalk. Door het
bijmengen van zwart (roet) konden
grijstinten worden gemaakt. Met
aardverf kon een rode kleur
worden aangebracht.
De eerste vlakken, waarop kleur is
aangebracht, zijn de dagkanten
van de vensters in de 13de-eeuwse
kerkjes in het noorden van ons
land. Maar ook aan de dagkanten
van de vensters in het rechtgesloten
koor van het Ned. Herv. kerkje te
Kloosterzande (Zld.) zijn sporen
van witwerk aangetroffen. Aan de
Ridderzaal te 's-Gravenhage wordt
waardoor het nodig was een iets
onderdeel Pleisterwerk kunt U
in 1383, en tweemaal in 1413
dikkere laag dan de vorige op te
zetten om weer een glad oppervlak
te krijgen. Op plaatsen met
zoutaantasting had dikwijls ook de
steen schade opgelopen zodat men
er toe overging om de muur af te
hakken. Dit gedeelte werd dan
opgevuld met plavuizen of lei- of
panstukken. Om de samenhang
van de pleisterspecie te verbeteren
heeft men zijn toevlucht in allerlei
middelen en methoden gezocht.
De belangrijkste hiervan is het
toevoegen van hooi of haar aan de
specie.
Tevens heeft men zijn heil gezocht
bij speciale vaklieden. Zo heeft
men wel Italiaanse gipswerkers, de
'stucatore', ingeschakeld om een
kerkgebouw opnieuw te behandelen. Het inschakelen van zo'n
ploeg vaklui, die vanaf de 17de
eeuw zulke fraaie geornamenteerde
stucplafonds konden maken, gaf
hoop op beter resultaat. Dat zal
wel tegengevallen zijn als ze
daarbij gips gebruikten. Immers
gips trekt nog sterker dan kalk
daarover in dit vademecum meer
lezen.
'roder aerde ghebesich an die
toernk van der zael'. In de rekeningen was daarbij vermeld 'voir X
(tien) pont rode airde dair hi die
gevel mede verwede (verfde)' en
tenslotte 'voir dat hi die gevel van
der zael boven verwede'. Van
afbeeldingen weten we dat tot
begin deze eeuw de nissen in de
eindgevel wit gemaakt waren. Een
wit gemaakt vlak in nissen treffen
we ook nog aan in de toren van
Biggekerke (Zld.). Niet alleen
bakstenen gevels kregen een
kleurige afwerklaag. Ook natuursteen werd van een vlaklaag in
dun pleisterwerk voorzien. Bij het
opbrengen van kleur had men niet
altijd de behoefte aan een egaal
vlak. Er werden op het gekleurde
vlak soms weer witte lijnen
(voegen) getrokken. De indeling
behoefde daarbij niet altijd het
onderliggend metsel- of natuursteenwerk te volgen. Naast het
rood waarmee baksteen kon
worden gesuggereerd werd met
een grijs getinte afwerklaag met
2.2. Buitenafwerkingen
In het verleden was er niet zo'n
ruime keuze aan baksteen als nu.
Bij de oudste gemetselde gebouwen
beschikte men slechts over één
soort steen. Men moest het doen
met de baksteen die men zelf ter
plaatse bakte. Naast de verschillen
in hardheid had men ook te maken
met kleurverschillen. Daarnaast
speelde de wijze van voegen ook
een rol. Het direct doorstrijken van
de voegen bij het op één dag
gemaakte metselwerk leverde
goed vol en zat werk op. Tevens
voorkwam een snelle afwerking bij
de gebruikte vrij zachte mortel
verder smetten van het muurwerk.
Het afwerken met een breed
voegijzer had tot gevolg dat een
klein deel van de specie over de
rand van de steen werd uitgesmeerd. De voegen gaan dan een
dominerende rol in het muurvlak
spelen.
Metselen in baksteen
RVbladOl-15
witte voegen de schijn gewekt
worden verkregen. Hoewel de
alsof natuursteen was toegepast.
waterverven door vulling van
poriën ook iets aan de afsluiting
Hoe sterk men hechtte aan een
van een gevel bijdragen, wordt
rode kleur kan worden afgelezen
aan verschillende 18de-eeuwse
voor een afsluitende laag toch bij
voorkeur gebruik gemaakt van
gevels. Deze zijn opgetrokken in
een egaal rood-bruine baksteen en oliën. Daarmee kon tevens een
een ideale metselwijze met dunne
meer slijtvaste laag worden
verkregen. Als alleen een afsluiting
voegen en toch heeft men ze later
van de gevel werd beoogd kan
rood geverfd.
Als het er alleen maar om ging
men volstaan door alleen olie toe
kleur op te brengen is vrijwel altijd te passen. Na verloop van tijd
gebruik gemaakt van in water
ontstaat dan echter door het
aantrekken van vuil een zwart
oplosbare middelen. Het eenvoudigste middel is het heldere water
waas.
dat op een put gebluste kalk komt
Aan lijnolie kon dan weer kleurstof
te staan. Dit kalkwater bevat
worden toegevoegd zodat van de
voldoende delen die kunnen
nood een deugd kon worden
worden omgezet in het onoplosbare gemaakt door een gekleurd vlak te
calciumcarbonaat, dat voor een
maken. In Amsterdam is nog al
goede hechting aan het metselwerk eens zwart aan de olie toegevoegd,
maar in andere steden is nog lang
kan zorgen.
aan de traditie van rode gevels
Ook is gebruik gemaakt van een
bijprodukt van de kaasbereiding,
vastgehouden. Ook is nog wel eens
caseïne. Van Heusden zegt in zijn
een gevel okerkleurig gemaakt. Dit
handleiding (1833) dat muurverven overeenkomstig het dikwijls in
moeten worden aangemaakt met
deze kleur afgewerkte natuursteenzuiver water, lijmwater en kalkwa- werk, vooral zandsteen. Van de
Oostkerk in Middelburg (1667) is
ter. Dit soort verven hebben het
voordeel dat ze in de steen worden bekend dat de natuursteen van de
lisenen e.d. vrij kort na de bouw
opgezogen en zich in de poriën
van de steen vastzetten. Hierdoor
okerkleurig is geverfd. Dit schildekan na zeer lange tijd nog worden
ren van natuursteen is ook
geconstateerd dat een kleurlaag
toegepast op hoekblokken,
aanwezig is geweest. Ook al is de
spekbanden en waterslagen om
gevel schoon gemaakt dan kunnen kleurverschil bij verwering tussen
dikwijls in de putten in de baksteen b.v. ledesteen en zandsteen weg te
werken. Bij 19de-eeuwse gevels
of in de daggestreek nog resten
van verf worden aangetroffen.
waar gepleisterde banden, omlijsHet aanbrengen van een andere
tingen e.d. werden toegepast zijn
kleur op het plint is reeds lang
deze ook geschilderd.
Omdat verf (vooral olieverf) op de
toegepast.
Uit gegevens over de Burg van
voegen snel kans loopt op deze
Nijmegen blijkt dat in 1629 het
alkalische ondergrond af te
afzetten van de onderste gedeelten bladderen heeft men de voegspecie
der gewitte muren met zwart en
ook wel eens een kleur gegeven.
Daarbij kon men gebruik maken
rood in die tijd algemeen was.
Bij deze wijze van aanbrengen van van gemalen baksteen, plavuizen
of dakpannen. Tevens kwam daar
kleur moet ook genoemd worden
het gebruik van waterglas. Dat is
destijds het reeds eerder genoemde
in 1868 in geperfectioneerde vorm 'Amsterdamse kunstcement' voor
toegepast door Wilhelm Keim. Met in aanmerking.
zijn verfmethode ontstond een
Omdat de beschadigde verf op de
voeg zich niet aftekende kan lang
onoplosbare silikaatverbinding
de indruk van een egaal gekleurd
tussen verf en ondergrond. Hierbij
diende dan wel gebruik te worden
vlak bewaard blijven.
Toch is de bonte kleurenpracht van
gemaakt van minerale pigmenten.
onze steden langzamerhand
Met deze Keimverf kon ook een
meer gesloten muuroppervlak
verdwenen achter nieuwe afwerklaRDMZKV 1986/5-17
gen. Waar alleen maar overgeschilderd werd kregen de gevels
meestal een wit uiterlijk. De
uitvinding van de cement heeft
ook veel bijgedragen om kleur weg
te werken. Bij het afhakken van
zo'n pleisterlaag is dat dikwijls nog
te zien. In de cementpleisterlaag
dacht men een ideale vlakke
gesloten afwerklaag te bezitten.
Men had zoveel vertrouwen in
deze afwerking dat er zelfs sprake
is van een beïnvloeding van de
architectuur.
Het materiaal is weliswaar beter
bestand tegen zouten en de
hechtkracht is groot maar zonder
verdere afwerking dreigen toch
gevaren. De afwerklaag blijft
poreus zodat vocht, al is het ook
soms in dampvorm, door in de
muur aanwezige zouten kan
worden aangetrokken. Een
ogenschijnlijk gave afwerklaag kan
dan toch door de werking der
zouten worden losgedrukt.
Uit het bovenstaande blijkt nog
weer eens dat het niet alleen van
belang is om te weten wat voor
materiaal moet worden verwerkt
maar dat men zich ook moet
realiseren dat het nodig kan zijn,
om aantasting of verval te voorkomen, aanvullende maatregelen te
nemen.
Bij restauraties is het daarbij ook
belangrijk om zich te realiseren
wat onze voorgangers hebben
gedaan. Bij metselwerk moet
worden nagegaan op welke wijze
en met welke materialen dit is
opgetrokken. Daarnaast moet
worden gekeken naar de mogelijke
afwerking en hoe die is uitgevoerd.
Het vastleggen van deze gegevens
is voor anderen, en zeker voor een
centraal verzamelpunt als de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg, van groot belang. Tevens
dient men zich af te vragen wat de
oorzaken zijn geweest, die hebben
geleid tot de noodzaak van herstel.
Uit de fouten van onze voorgangers
valt door ons lering te trekken. Het
is dan mogelijk om tot verantwoord
herstel over te gaan. Ook is de
opgedane kennis, mits deze
schriftelijk wordt doorgegeven,
van groot belang voor vakgenoten.
Metselen in baksteen
RVbladOl-16
Literatuur
L. van Heusden, Handleiding tot de Burgelijke Bouwkunde,
A.L.J. van de Walle, Het bouwbedrijf in de lage landen
tijdens de Middeleeuwen, Antwerpen 1959, 48-53.
1833.
L. Devliegher, De vroegste gebouwen van baksteen in
Vlaanderen, Buil. K.N.O.B. 1957, 245.
Breda 1850.
C.M. Storm van 's-Gravensande, Bouwkundige leercursus,
J.K. Kempers, De Practische Metselaar, Leiden 1874.
J. Hollestelle, De steenbakkerij in de Nederlanden tot
omstreeks 1560, Assen 1961.
J. v.d. Kloes, Handleiding voor den Metselaar, Leiden
1913.
H. Janse, Bouwen en bouwers in het verleden, Zaltbommel
1965, 55-57.
J. v.d. Kloes, Onze Bouwmaterialen, Amsterdam 1924.
H. Janse, Dertiende-eeuwse baksteenfabricage, Bulletin
R. Meischke, Het kleurenschema van de middeleeuwse
kerkinterieurs van Groningen, Bulletin K.N.O.B. 1966,
57-91.
K.N.O.B. 76 (1977), 14.
H. Janse, Zeven eeuwen bouwen, 's-Gravenhage 1980.
W. van der Pluym, De Geertekerk te Utrecht, Bulletin
Ned. Oudheidkundige Bond (N.O.B.} 1914, 52.
C.H. Peters, Oud-Groningerland, Bulletin N.O.B. 1917,
E.H. ter Kuile, Afwerking van gebouwen in vroeger
tijd, Oudheidkundig ]'aarboek 1943, 51.
J.J.F.W. van Agt, Het pleisterwerk in middeleeuwse
kerkgebouwen, Bulletin K.N.O.B. 1956, 53.
139.
W. van der Pluym, Enige opmerkingen betreffende de
datering van baksteenbouw in C.H. Peters: Oud-Groningen, Stad en Land, Bulletin N.O.B., 255.
G.J. Veenstra, De oudste baksteenproducten in
Friesland en de verschillende afmetingen, Oudheidkundig Jaarboek (= Bulletin N.O.B.) 1933, 113.
E.H. ter Kuile, Baksteenformaten in Zuid-Holland tot
het midden van de zestiende eeuw, Oudheidkundig
Jaarboek 1937, 96.
E.H. ter Kuile, Baksteenformaten in Noord-Holland tot
het midden van de zestiende eeuw, Oudheidkundig
Jaarboek 1943, 91.
H. de Lussanet de la SablonièreS De kerk van Brouwershaven, Bulletin K.N.O.B. 1962, 117, 127.
J.A.L. Bom, Oude baksteen, Bulletin N.O.B. 1948, 43.
W.J.A. Arntz, Tijdstip en plaats van ontstaan van onze
middeleeuwse baksteen, Bulletin K.N.O.B. 1945, 23.
Sneek (steenoven), Nieuwsbulletin K.N.O.P. 1967, 111.
H. Janse, Steenverbanden en hoekoplossingen bij
historisch metselwerk, Bouw 1963, 1574
W.H.Th. Knippenberg, Ingemetselde tekens in de
buitenmuren van oude kerken en kastelen, Monumenten
1982, nr. 11-12,4.
C. Redelijkheid, De aloude Metzelwerken, 's-Gravenhage
1775.
W.F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische
gebouwen, 's-Gravenhage 1984.
Metselen in baksteen
RVblad 01-17
Baksteen in Holland en Zeeland tot ca. 1550
Plaats
gebouw
strek*
dikte*
bouwtijd
Naaldwijk
Rijnsburg
Toren
Toren
Toren
Toren (beneden)
Toren (2e lid)
Kasteel
Toren
Kasteel Radbout
Herv.kerk
Herv.kerk
Slot (oudste deel)
Kasteel
Herv.kerk (koor)
Toren
Toren
Ridderzaal
Grote Kerk (O.LV.kapel)
Toren Oude Kerk
Zuidhavenpoort
Nobelpoort
Herv.Kerk (koor I)
Toren Grote Kerk
Herv.Kerk (schip)
Herv.Kerk (koor II)
Oude Kerk (noorderzijbeuk)
Oude Kerk (noordportaal)
St. Bavo (koor)
Toren Nieuwe Kerk
Herv.Kerk (schip)
Toren St.-Laurenskerk
Herv.Kerk (koor en dwarsschip)
St.-Laurenskerk (koor)
Toren
Herv.Kerk (schip)
Herv.Kerk (schip)
Toren
30
29-30
31
28-32
31,5-33
30-32
30-33
31
30
30
29-31
27-29
27-29
27-29
28
29
28-30
29
28-29
28-28,5
26-27
26-27
20,5
19,5-20,5
21,5
20,5-21,5
22-23
23-24
20-21
19-20
19-20
18-19
18-19
17-18
18
17
8-9
9-10
10
7-9
7-8
8-8,5
6,5-7,5
8
8-9
8
7,5-8
6,5-7
6,5-7
6,5-7
7
7,5
6
7
7
6-6,5
5,5-6,5
6
4,5-5
4,5
5
4,5-5
5
5,5
5
5
4,5-5
4,5
4
4
4,5
4,5
XIIIA
ca.1200
ca.1200
XlIIm
XIII
ca.1250
XIII
ca.1285
ca.1250
ca.1250
XIIIB
XIIIB
XIIIB
XIIIB
XUId
ca.1280
ca.1284
XlVa
XlVa
XlVa
XlVa
XlVb
XlVb
XIVd-1400
XlVb
ca.1350
ca.1397
v.a. ca.1396
v.a. 1444
v.a. 1449
v.a. 1450
1488-1497
1501
1532
1552
kort na 1552
Wassenaar
Naaldwijk
Tienhoven (Z.H.)
Heenvliet
Weesp
Medemblik
Loosduinen
Kloosterzande
Haamstede
Ammersoyen
Brielle
Kerkwijk
Vianen
's-Gravenhage
Dordrecht
Delft
Zierikzee
Zierikzee
Brouwershaven
Dordrecht
Brouwershaven
Brouwershaven
Amsterdam
Amsterdam
Haarlem
Delft
Noordwijk
Rotterdam
Noordwijk
Rotterdam
Stolwijk
Wateringen
IJsselmonde
Rijnsaterwoude
Maten in cm.
RDMZ RVI 986/5- 18
Metselen in baksteen
RVblad 01-18
Summary
Masonry and facings
Masonry consists of bricks or
stones laid on top of the other,
using mortar to fill the spaces
between them. Tuff was used in
the oldest buildings in the Netherlands. The technique of brick-making spread from the north in the
late 12th century and from the
south later on. At first large bricks
were made, in imitation of the
blocks of tuff which had been used
previously. As more construction
work was undertaken in towns,
smaller bricks were made and they
improved in quality.
At first, walls consisted of two
walls of stretchers, each half a
brick thick, with a filling between
them. The two courses were
bonded together by placing bricks
end-on at regular intervals. The
invention of the Flemish bond (in
which alternate headers and
stretchers appear on every course)
made it possible to build walls
entirely of brick.
Around 1325, alternate courses of
headers and stretchers came to be
used, followed later by alternations
of headers and stretchers within
the course, at first in English bond,
later on in cross or Tudor bond. At
corners, the bond had to be
altered, which was done first with
a quarter-brick after the first
header and later with a three-quarter brick in the header course or,
as now, in the stretcher course.
As the quality of bricks and mortar
improved, masonry work became
further refined. The high point was
reached in the 18th century, when
joints became very thin. Visible
joints were no longer finished by
smoothing off the bedding mortar,
with a pointing trowel or otherwise,
but were pointed by pressing
surface mortar into them at a
larger stage. Coloured mortar was
often used for this purpose in order
to achieve a thin and straight joint.
As additives came to be used,
mortar became thinner and joints
wider. The use of portland cement
even led to a different approach to
masonry. In the long run, masonry
decays. Water plays an important
part in this as a solvent and carrier
for corrosive salts.
As early as the 14th century,
masonry was given a coloured
facing in order to obtain an even
finish. Indoors this first took the
form of thin layers of mortar and
later of thicker layers, which were
often painted. At first, outdoor
surfaces were painted with
tempera based on lime or casein;
later oil paint was used. It was
thought that cement piaster was
an ideal facing for outdoor
surfaces, and this also influenced
architects.
Metselen
in baksteen
UDC 693.2
Bricklaying
RVblad 02-1
De vroegste toepassing van
kruislagen; een aanzet tot inventarisatie 1
The earliest application ,of
crosslayers; the start of a survey
ir. R.J.W.M. Gruben
1. Inleiding
In dit artikel zal worden ingegaan
op het fenomeen kruislagen, een
wijze van metselen waaraan tot
dusver nauwelijks aandacht is
besteed. Naast vragen naar
voorkomen, functie en verspreiding zal aan de orde komen of
kruislagen kunnen bijdragen tot
de nadere datering van muurwerk
bij bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. Bij de inventarisatie is in eerste instantie getracht
om de vroegste toepassingen van
kruislagen te achterhalen. Daardoor zou mogelijk meer duidelijkheid kunnen worden gebracht in
de aanleiding voor het ontstaan
van deze wijze van metselen. Dit
uitgangspunt vormt de voornaamste reden voor het feit dat de
nadruk in de aangehaalde voorbeelden sterk op de ontstaansperiode van de kruislagen ligt.
r‘
/---
2. Begripsvorming
Kruislagen zijn overhoeks gemetselde lagen baksteen in het
inwendige metselwerk van een
dikke muur. Nadat één tot drie
lagen loodrecht en/of evenwijdig
op het muurvlak waren gemetseld, werden alle bakstenen van
de volgende laag onder een hoek
van circa 45Oingelegd. Daaroverheen ging weer een aantal lagen
‘normaal’ metselwerk, waarna
wederom de bakstenen schuin
werden ingelegd. Ditmaal echter
in de andere richting. Het is niet
bekend of dit kruislings toepassen
van de lagen in alle nog te bespreken voorbeelden consequent
is doorgevoerd afb. 1. Soms
werden in de kruislagen stukken
en brokken baksteen verwerkt.
Wanneer men praat over kruislagen duiken ook vaak andere
namen op. Renaud duidt het
verschijnsel aan met de term
keperlagen. Tegenwoordig wordt
RDMZRV
1995137.
75
hieronder iets anders verstaan 2,
maar het is heel goed mogelijk
dat de term historisch juist is.
Janse maakte mij namelijk attent
op twee, in 17de-eeuwse Leidse
bestekken genoemde, voorbeelden waarbij sprake is van haeijofte keperlagen 3. In de 18de
eeuw worden kruislagen door de
vestingbouwkundige Cornelis
Redelykheid aangeduid met de
term stroomlagen 4. Hoewel deze
benaming het verschijnsel thans
niet meer geheel dekt, kan dit in
het verleden wel heel goed
mogelijk geweest zijn 5. Ook
Adriaan Bommenee gebruikt de
term stroomlagen. Zo wordt in
zijn uit circa 1750 daterende
‘testament’ onder de paragraaf
Kaay en zeewerk d’B quadraat
roeden vermeld: “En in ider voet
opgaande werk te werken 2
stormlaagen [stroom of kruyslagen], te weeten reghts en slings
overdenandere in ‘t overhoeks
(...)” 6. De tussen vierkante haakjes
geplaatste tekst is die van een
tweede versie van het ‘testament’.
De in de tweede versie gehanteerde term kruislagen geeft
mijns inziens de toegepaste
metselwijze het beste weer, reden
waarom zij in dit artikel is aangehouden.
De mogelijkheden tot toepassing
van kruislagen lijken beperkt. Tot
op heden zijn zij slechts aangetroffen in muren van meer dan
1 meter dikte. Pas in veel latere
tijd worden incidenteel ook in
dunnere muren kruislagen verwerkt. De hieronder behandelde
voorbeelden zijn dan ook voornamelijk ontleend aan kastelen,
versterkte huizen en stadsmuren.
In een aantal gevallen is bij
kerken en kerktorens van het
principe gebruik gemaakt, terwijl
vooral in latere perioden ook bij
werken van waterstaatkundige
aard kruislagen voorkomen. In
verband met hun doorgaans
geringe muurdikte is het onwaarschijnlijk dat er voorbeelden
bestaan die afkomstig zijn van
burgerwoonhuizen in steden.
3. Voorbeelden
In Nederland is tot nu toe maar
een betrekkelijk klein aantal
objecten bekend waar kruislagen
in het metselwerk zijn aangetroffen. Daar in het verleden echter
nauwelijks aandacht is geschonken aan deze metselwijze, is het
1.Kruislagen.De afbeelding wijkt enigzins af van de beschrijving
(uit: Redelykheid
1755, fig. 22 t.o. p. 32: foto UB Nijmegen).
in de tekst.
Metselen
in baksteen
R Vblad OZ-2
welhaast zeker dat dit aantal nog
belangrijk kan worden uitgebreid.
Wellicht dat reeds direct na deze
publikatie andere voorbeelden
aan de lijst kunnen worden toegevoegd. De conclusies die op basis
van de hieronder volgende objectbeschrijvingen worden getrokken,
moeten dientengevolge een voorlopig karakter dragen. De beschrijvingen staan in chronologische volgorde.
3.1. ‘s-Hertogenbosch (NB), kademuur Predikherenklooster
De tot dusver vroegste toepassing
van kruislagen komt uit ‘s-Hertogenbosch. Bij werkzaamheden
aan de Binnendieze werden ter
plaatse van het voormalige
Predikherenklooster tijdens een
bouwhistorische waarneming in
een kademuur de afgekapte resten
van twee schuin ingemetselde
baksteenlagen aangetroffen 7.
Met behulp van de steenformaten
en indirect door begeleidende
archeologische vondsten kon het
metselwerk worden gedateerd in
het eerste kwart van de 14de
eeuw *. De bewuste muur vormde
de basis voor de (latere) westelijke
koorafsluiting van de kloosterkerk, die daar over de Binnendieze was gebouwd. Vermoedelijk
maakte het metselwerk oorspronkelijk deel uit van een brug naar
de zuidelijke toegang van de
oudste kloosterkerk.
3.2. Leiden (ZH), stadsmuur
Maredorp
Bij het heien van een damwand in
de Oude Rijn te Leiden, ter hoogte
van de Koestraat, stuitte men in
1983 op een fors stuk muurwerk.
Op basis van historische gegevens
kon worden vastgesteld dat het
een deel van de stadsmuur met de
aanzet van een ‘watergat’ betrof
(door een ‘watergat’ konden de
schepen de stad binnenvaren). De
ommuring behoorde bij de stadsuitbreiding Maredorp en kon
zodoende vrij nauwkeurig worden
gedateerd tussen 1347 en 1355 g.
In het metselwerk waren op zeer
regelmatige wijze kruislagen
verwerkt. Een deel van de muur is
2. Leiden, in 1983 ontgraven stadsmuur van de stadsuitbreiding
(foto: Directie Civiele Werken Gemeente Leiden)
na voltooiing van de werkzaamheden weer opgemetseld en in
het straatplaveisel aangegeven
afb. 2.
3.3 San tpoort (NH), kasteel Brederode
Het kasteel van Brederode wordt
voor de eerste maal in 1321 in de
oorkonden vermeld ‘O,maar is op
dat moment hoogstwaarschijnlijk
al enkele decennia oud. De bouw
van het complex wordt dan ook
gewoonlijk in het laatste kwart
van de 13de eeuw geplaatst ll. In
1351 wordt het kasteel belegerd.
Deze gebeurtenis zal het huis niet
ongeschonden hebben gelaten en
het mag niet worden uitgesloten
dat de overblijfselen gedurende
de periode 1351-1354 zijn geslecht 12.In ieder geval is het
kasteel kort na het midden van de
14de eeuw volledig herbouwd op
oude fundamenten 13.In het
muurwerk van de herbouw zijn
veelvuldig kruislagen verwerkt,
met name in de muren van de
donjon, de middentoren, de
kapeltoren en de oostelijke muur
van het binnenplein. Er is gemetseld in een slordig kruisverband
(een wel zeer vroege toepassing!)
en de steenformaten zijn
27 x 12/13 x 617 cm 14.
Maredorp.
De kruislagen van Brederode
worden door Hermans en Kamphuis als karakteristiek voor de
herbouw beschouwd en door hen
dan ook in de tweede helft van de
14de eeuw gedateerd. Merkwaardig is dus dat er ook kruislagen
werden aangetroffen in de fundering ter plaatse van de doorgang
tussen donjon en middentoren 15.
Immers, deze fundering zou nog
stammen uit het laatste kwart van
de 13de eeuw danwel uit omstreeks 1300 en dientengevolge
behoren tot de fase vóór de
herbouw. De bouwsporen bieden
hier ruimte voor verschillende
interpretaties.
3.4. Deventer (0), buitenste
stadsmuur IJsselzijde
Ook in de buitenste stadsmuur
van Deventer, aan de Ijsselkade
tussen Duimpoort en Welle, zijn
kruislagen aangetroffen 16.Met
gegronde redenen is in het
verleden verondersteld dat met de
bouw van deze ringmuur kort na
het midden van de 14de eeuw is
begonnen. In ieder geval blijkt uit
de Cameraarsrekeningen over
1358 dat er terreinen ‘inter
muros’ bestaan 17.De binnenste
ring, waarin de grote poortgebouwen waren opgenomen,
Metselen in baksteen
RVblad 02-3
moet vóór die tijd reeds geheel
gesloten zijn geweest. Interessant
is daarom de vraag of misschien
ook in die oudere ommuring
kruislagen zijn opgenomen.
3.5. L/556 (ZH), Huis De ver
Naar tot nu toe algemeen wordt
aangenomen is de kleine woontoren Dever te Lisse omstreeks
1370 tot stand gekomen 18. De
huidige D-vormige toren dateert
nog grotendeels uit de bouwtijd
en heeft in deze vorm tot diep in
de 16de eeuw bestaan. Over de
merkwaardige en vrij uitzonderlijke vorm van het 14de-eeuwse
Dever is al veel geschreven 19.
Minder bekend is het feit dat op
sommige plaatsen in het metselwerk ruitvormige patronen van
gesinterde baksteenkoppen zijn
opgenomen, terwijl bij de restauratie ook kon worden vastgesteld
dat in de noordmuur van de toren
kruislagen waren toegepast20.
Dat de kruislagen alleen in de
noordmuur werden aangetroffen
vindt zijn oorzaak in het feit dat
de buitenmuur juist op die plaats,
ten gevolge van de inwerking van
het grachtwater, het meest was
afgekalfd. Daardoor was een deel
van het inwendige metselwerk in
het zicht gekomen. Het is echter
waarschijnlijk dat de kruislagen
ook in de overige muren van de
toren voorkomen. In tegenstelling
tot bij de andere hier besproken
voorbeelden, waar kruislaag en
'normaal' metselwerk elkaar
meestal laag na laag afwisselen
zie tabel, heeft het er alle schijn
van dat bij Dever maar één
kruislaag op tien lagen 'normaal'
metselwerk is aangebracht 2I .
Helemaal zeker is dit echter niet,
daar bij de restauratie het inwendige muurwerk slechts voor een
deel in het zicht is gekomen.
Daarbij bleek echter wel dat de in
de kruislagen verwerkte baksteen
niet afweek van die aan de buitenzijde van de toren. Er was gemetseld in een overwegend staand
verband en de steenformaten
waren 23 x 11 x 5'/2 cm 22.
Er bleek geen hergebruikt materiaal te zijn verwerkt.
RDMZRV 1995/37-76
3.6. Rijswijk (ZH), Huis Hodenpijl/
Blotinghe
In de zomer van 1955 vond in het
Zuidhollandse Rijswijk een opgraving plaats naar het Huis Hodenpijl ofwel Blotinghe. Reden
hier-toe waren enige forse restanten muurwerk, die een aannemer
tijdens werkzaamheden op het
kasteelterrein had aangetroffen.
Het metselwerk van de funderingen was nog vrij gaaf en toonde
de opzet van een klein versterkt
huis van ongeveer 21 bij 22
meter. De eerste vermelding van
het kasteel dateert van 21 maart
1384 23. Daar de bouwheer —
Dirk van Hodenpijl — volgens het
thans beschikbare archiefmateriaal voor het eerst in 1379
in Rijswijk optrad, mag de datering van het huis op omstreeks
1380 worden gesteld 24.
De funderingen bleken te bestaan
uit hergebruikte baksteen, mogelijk afkomstig van een ouder huis.
Het opgaand werk bestond uit
primair gebruikte baksteen,
waarvan de formaten beduidend
kleiner waren. In dit metselwerk
werden op sommige plaatsen
kruislagen aangetroffen. De rode
bakstenen ervan hadden een
formaat van 23/24 x 11 x 5 ] /2 cm 25.
Ondanks het verschil in baksteen
tussen fundering en opgaand
werk is het complex hoogstwaarschijnlijk in één bouwperiode tot
stand gekomen.
3.7. Dordrecht (ZH), Huis te
Merwe
Aan de zuidelijke oever van de
Beneden-Merwede ten oosten van
Dordrecht bevindt zich het laatste
restant van het kasteel van
Merwede: de helft van een zware,
rechthoekige toren met op één
van de hoeken de resten van een
arkeltorentje. De huidige ruïne is
een overblijfsel van het tweede
kasteel op die plaats. Het oudste
huis is waarschijnlijk door één
van de grote overstromingen in
de 14de eeuw zwaar beschadigd.
Kort nadien (omstreeks 1380) is —
met gedeeltelijke gebruikmaking
van oude fundamenten — het
tweede kasteel opgetrokken 26.
Het nieuwe complex mat ongeveer 34 bij 35 meter.
In het metselwerk van de huidige
ruïne zijn duidelijk kruislagen te
herkennen afb. 3. Op regelmatige
wijze wisselen zij de lagen 'normaal' metselwerk af. Naast deze
zeer bewuste toepassing van
kruislagen vertoont het muurwerk
van de donjon ruitvormige
patronen van verglaasde baksteenkoppen, een vorm van
versiering die in de tweede helft
van de 14de eeuw vaker voorkomt
(denk aan Dever) en die bij
Merwede wel haar hoogtepunt
bereikt 27 . Door het aanbrengen
van deze ruitvormige patronen is
bij Merwede overigens een weinig
toegepast metselverband ontstaan, namelijk: lagen strek-kopkop-strek afgewisseld met koppenlagen, een metselverband zonder
eigen naam. De combinatie van
beide verschijnselen — enerzijds
de kruislagen, anderzijds de
ruitvormige versiering en het
metselverband — toont mijns
inziens aan dat zeer bewust is
getracht de muren van het kasteel
van bepaalde eigenschappen te
voorzien. De versiering heeft
duidelijk een esthetische functie.
De kruislagen zijn uit constructieve overwegingen aangebracht.
3.8. Amsterdam (NH), Oude Kerk
Een waarneming van kruislagen
in de fundering kennen we van
de Oude Kerk te Amsterdam. Bij
het slopen van de muur tussen
het noordelijke dwarsschip (de
Sint Joriskapel) en de Weitkoperskapel in 1955, bleek dat in de
circa 1,20 meter dikke funderingsmuur kruislagen voorkwamen 28.
De fundering behoorde tot het
muurwerk van de Sint Joriskapel,
waarvan de aanleg omstreeks
1385 wordt gedateerd. De aangebouwde Weitkoperskapel is het
resultaat van een vergroting
omstreeks 1500 29.
3.9. Herkenbosch (L), kasteel
Dalenbroek
Enkele honderden meters ten
oosten van de dorpskern van
Herkenbosch liggen binnen een
Metselen
in baksteen
RVblad 024
3. Dordrecht, Huis te Merwe. De noordgevel van de nog
bestaande torenruïne. Duidelijk zijn de schuin gemetselde
lagen in de verticale doorsnede van de muur te herkennen.
(foto: auteur)
rechthoekig omgracht terrein de
restanten van kasteel Dalenbroek.
Met de bouw van dit kasteel moet
kort vóór 1326 begonnen zijn ?“.
De huidige ruïne dateert nog
grotendeels uit die vroege 14de
eeuw. Het grondplan wordt
gevormd door een rechthoek van
ongeveer 40 bij 42 meter, met op
de Westhoek een naar één zijde
uitspringende vierkante toren ?‘.
Tegen de zuidwestelijke buitenmuur bevond zich de hoofdvleugel. Zeer waarschijnlijk is
deze vleugel pas in een later
stadium geheel voltooid. Het
metselwerk van de binnenpleinmuur onderscheidde zich in ieder
geval duidelijk van de buitenommuring. Een deel van die
4. Herkenbosch (L), kasteel Dalenbroek. De binnenpleinmuur
gezien naar het zuidoosten. Op de achtergrond het gedeelte
dat mogelijk nog teruggaat tot in de tweede helft van de 14de
eeuw. Op de voorgrond kruislagen en ‘normaal’metselwerk in
het jongere deel van de binnenpleinmuur. (foto: auteur)
binnenpleinmuur gaat mogelijk
nog terug tot in de tweede helft
van de 14de eeuw (wellicht 1393).
In het muurwerk zijn kruislagen
aangebracht die voornamelijk
bestaan uit stukken en brokken
baksteen 32afb. 4. In de ‘normale’
lagen van de muur waren hele
stenen verwerkt. Het grootste deel
van de binnenpleinmuur is echter
te dateren in de tweede helft van
de 15de eeuw, waarschijnlijk
omstreeks 1464 33.Het is opgetrokken in een slordig staand
verband en de bakstenen meten
28129 x 13/13’/2 x 6/6’/2 cm 34.
Ook over de gehele lengte van
deze muur zijn kruislagen toegepast. De bakstenen zijn hier niet
maat-vast en vaak zijn krimp-
scheuren aanwezig of is de steen
als geheel krom getrokken. Ook in
de ‘normale’ lagen is dit het
geval. De betere stenen zijn aan
de buitenzijde van de muur
verwerkt.
3.7 0. Hilvarenbeek (NB), kerk van
Sint Petrus Banden
Sinds enkele decennia wordt
aangenomen dat met de bouw
van de huidige toren van de kerk
van Sint Petrus Banden te
Hilvarenbeek omstreeks 1450 is
begonnen. De voorganger van
deze toren zou op 27 juli 1448
door brand zijn getroffen, waarbij
de klokken smeltend naar beneden zouden zijn gestort. Hoewel
onbekend is waarop deze
Metselen in baksteen
RVblad 02-5
berichtgeving is gebaseerd, lijkt
zij — gezien de datering van de
huidige toren — niet onwaarschijnlijk 35.
Over de gedaante van de toren
die in 1448 zou zijn afgebrand is
vrijwel niets bekend. In het
verleden is wel verondersteld dat
zij zich heeft bevonden op de
plaats van de huidige eerste
travee (gerekend vanuit het
westen), dus direct ten oosten van
de nog bestaande toren. In ieder
geval werd op die plaats in 1991,
bij een nog niet gepubliceerde
opgraving, door Stoepker een
fragment gevonden van een muur
die als de zuidmuur van de
verdwenen toren kan worden
geïnterpreteerd. Vastgesteld kon
worden dat enkele baksteenlagen
kruislings, onder een hoek van
circa 60° met het muurvlak,
waren aangebracht. De muur,
opgebouwd uit stenen met de
maten 26l/2/28 x 11'/2/13 x 7/8 cm,
was vermoedelijk tenminste l meter
dik. De datering moest vrij ruim
worden gehouden: 14de eeuw 36.
3.11. Heemstede (NH), Huis te
Heemstede
In het najaar van 1393 kreeg de
schout van Haarlem van hertog
Albrecht van Beieren opdracht
het Huis te Heemstede tot op de
grond toe af te breken 37. De
opdracht werd grondig uitgevoerd: alle muren werden
omgehaald, de funderingen
werden uitgebroken, de bakstenen afgebikt en slechts de met
kalkpuin gevulde bouwsleuven
bleven achter. Spoedig na 1398,
wanneer de normale verhoudingen weer hersteld lijken, is
begonnen met de wederopbouw
van het oude kasteel en reeds in
1401 wordt het nieuwe huis te
Heemstede als zodanig in de
oorkonden vermeld 38.
Dit nieuwe huis werd gefundeerd
op de puinsleuven van zijn
voorganger en kreeg dientengevolge wat betreft de omtrek
vrijwel dezelfde plattegrond.
Begonnen werd met het leggen
van enkele lagen baksteen op de
oude puinbanen. Vermoedelijk
RDMZRV 1995/37- 77
werd gelijktijdig de bui'tenommuring opgetrokken. Deze ommuring
had een breedte die varieerde van
0,90 tot 1,10 meter en in het
binnenwerk ervan waren veelvuldig kruislagen aangebracht.
De verwerkte rode baksteen was
22 cm lang 39. Hier en daar waren
grotere stenen van het oude huis
(circa 1300) in het metselwerk
opgenomen. Opmerkelijk was het
dat maar zelden hele stenen
waren gebruikt: meestal stukken
en brokken, waarschijnlijk door de
slopers van 1393 achtergelaten 40.
Na het leggen van de funderingen en het optrekken van de
3.13. Weert (L), kasteel aan de
Biest
Weert heeft in het verleden twee
kastelen binnen de huidige
gemeentegrenzen gehad. Het
oudste kasteel, toepasselijk de
Aldenborgh genaamd, verloor
reeds in 1461 zijn militaire
functie. De zetel werd toen
verplaatst naar het nieuwe huis,
waarvan de bouw in 1455 een
aanvang had genomen **. Het
nieuwe kasteel aan de Biest werd
in augustus 1702, tijdens de
Spaanse successie-oorlog, nagenoeg geheel verwoest. Thans
resteert van het hoofdgebouw op
buitenommuring werd op de
kelderniveau nog de buitenomtrek van vrijwel de gehele platte-
noordoosthoek een bescheiden
woonruimte tot stand gebracht.
Het schijnt dat hier de kruislagen
ontbreken.
3.12. Eindhoven (NB), kasteel
Hoogstwaarschijnlijk heeft de
bouw van het kasteel van Eindhoven, aan de rand van de middeleeuwse stad, tussen 1413 en
1419/1420 plaatsgevonden 41. Het
complex werd van 1989 tot 1991
opgegraven. Het bestond in
oorsprong vermoedelijk uit twee
afzonderlijke gebouwen: het
hoofdgebouw ('noorder- en
oosterkwartier') en een losstaand
bijgebouw ('westerkwartier'). Het
geheel werd omringd door
grachten en de toegangsbrug lag
in het oosten. Merkwaardigerwijs
was het kasteelcomplex aan de
westzijde niet door een muur
afgesloten: daar bevonden zich
slechts enkele de gracht instekende staande tanden 42. Dit duidt
erop dat het oorspronkelijke
bouwplan nooit volledig is uitgevoerd.
Op het hoogste niveau zijn de
funderingen in het 'oosterkwartier' 1,40 tot 2,05 meter dik
en in het 'westerkwartier' 0,80 tot
l meter. Aan de buitenzijde van
de muren zijn uitsluitend hele
bakstenen te zien, maar inwendig
zijn ook veel gebroken exemplaren verwerkt. In deze oudste
buitenmuren bevinden zich
elkaar kruisende kruislagen 43.
grond, terwijl van de voorburcht
nog een groot deel van een imposant poortgebouw overeind staat.
Het loopniveau van de voorburcht
was in oorsprong beduidend
hoger gelegen dan tegenwoordig
het geval is. Dit is te zien aan de
resten van de hardstenen poortdrempel, die zich aan beide
zijden meer dan een halve meter
boven het maaiveld bevinden.
De afgraving van het voorburchtterrein bracht met zich mee dat
het muurwerk van het poortgebouw plaatselijk sterk werd
verstoord. Het blijft daarom,
zonder nader onderzoek, onduidelijk of de tijdens een bezoek in
1990 waargenomen verschijnselen in het metselwerk van de
ongeveer 1,20 meter zware
zijmuren als kruislagen mogen
worden geïnterpreteerd 45.
3.14. Boxtel (NB), kerk van de
Heilige Petrus Stoel te Antiochië
Een tweede voorbeeld van een
kerktoren met kruislagen in het
metselwerk wordt gevonden bij
de kerk van de Heilige Petrus
Stoel te Antiochië in Boxtel. De
datering van de toren is onduidelijk. Bekend is dat in 1491 een
balustrade werd aangebracht 46 .
Een datering in de tweede helft
van de 15de eeuw lijkt voor de
hand te liggen.
Op circa 14 meter boven het
maaiveld zijn in de binnenruimte
van de toren een aantal ongeveer
Metselen in baksteen
RVblad 02-6
1,20 meter diepe spaarnissen
aangebracht (de torenmuur zelf is
op die hoogte nog 1,80 meter
zwaar). De bodems van de nissen
geven een keurige horizontale
doorsnede over het metselwerk en
duidelijk is waar te nemen dat er
kruislagen aanwezig zijn. Er is
gemetseld in kruisverband en de
steenmaten zijn 23/24 x 11/1 T/2 x
5 ] /2/6 cm.
omstreeks 1470. Het schijnt dat
ook elders in de buitenommuring
kruislagen zijn aangetroffen.
3.15. Wijk bij Duurstede (U),
kasteel Duurstede
Zuidwestelijk van Wijk bij Duurstede ligt de nog geheel
omgrachte ruïne van kasteel
Duurstede. Het aanzien van het
huidige complex wordt in hoofdzaak bepaald door twee imposante torens: de 13de-eeuwse
vierkante donjon en de
15de-eeuwse Bourgondische
toren. Verder zijn er gedeelten
van een buitenommuring met
gerestaureerde resten van een
poortgebouw, terwijl op de
zuidwesthoek nog wat opgaand
muurwerk van een kleine ronde
toren bewaard is gebleven. De
donjon, die ongeveer 11 meter in
4. Verwerkte baksteen
Uit de voorbeelden blijkt dat de
aard van de baksteen waarmee de
kruislagen zijn gemaakt, nogal
varieert. Zo bestaan zij in de
oudste fase van de binnenpleinmuur van Dalenbroek vrijwel
uitsluitend uit stukken en brokken. In de 'normale' lagen daarentegen waren wel hele stenen
toegepast. In het jongere deel van
de muur komen hier en daar hele
stenen in de kruislagen voor,
maar deze waren — in vergelijking met de aan de buitenzijde
verwerkte steen — duidelijk van
mindere kwaliteit. Het lijkt er dus
op dat het slechtere materiaal
bewust werd opgespaard om in
de kruislagen te worden verwerkt.
Van de kruislagen van de kastelen
Eindhoven en Heemstede kan
hetzelfde worden gezegd. De
bakstenen van Heemstede zijn
zelfs hergebruikt. Het spreekt
voor zich dat dergelijk materiaal
in relatie tot de primair verwerkte
het vierkant meet en muren heeft
bakstenen duidelijk inferieur van
tot circa 2,60 meter dik, wordt
omstreeks 1270 gedateerd 47.
Op gezag van Nusselder vermelden Hermans en Kamphuis dat in
het muurwerk van deze toren
kruislagen zijn aangetroffen 48.
Dit moet echter een misverstand
zijn. In hun onderzoeksverslag
over de ruïne van Duurstede
(circa 1973) beperken Nusselder
en Weve zich weliswaar tot de
bespreking van de donjon, maar
er wordt daar nergens melding
gemaakt van kruislagen 49. Navraag leerde dat, volgens zowel
Nusselder als Renaud, de kruislagen zich bevonden in de 15deeeuwse buitenommuring. De
exacte plaats bleek de lage
verbindingsmuur tussen de
Bourgondische toren50en de toren
op de zuidwesthoek . Deze muur
dateert — althans voor wat
betreft het gedeelte waarin de
kruislagen werden aangetroffen
— uit de tijd van David van
Bourgondië, dat wil zeggen uit
karakter was: vaak waren bij het
schoonbikken stukken van de
steen afgevallen en vrijwel zonder
uitzondering bleven er mortelresten aan de baksteen zitten.
Het is niet uitgesloten dat ook de
kruislagen van Brederode en
Merwede van hergebruikte steen
zijn gemaakt. Beide kastelen
werden vrij kort na hun verwoesting weer opgebouwd en de
zuinige, middeleeuwse bouwmeester zal de niet afgevoerde
materialen van het oude huis
(waaronder stukken en brokken
baksteen) zeer zeker in het
nieuwe werk hebben benut.
Van de kruislagen van kasteel
Duurstede is maar weinig bekend.
Er bestaat echter grond aan te
nemen dat hier eveneens met
hergebruikte baksteen is gewerkt51.
Hoewel ook Dever een voorganger heeft gehad (de achthoekige
toren in de Lisser Poel) 52 is bij de
bouw van de huidige toren geen
gebruik gemaakt van bakstenen
afkomstig van het oude stamhuis.
Bij de restauratie werd voor die
veronderstelling in ieder geval
geen grond gevonden. Evenals bij
Hodenpijl, Boxtel, 's-Hertogenbosch, Leiden en wellicht
Deventer bestaan de kruislagen
van Dever uit primaire baksteen
en wijkt de steen niet af van die
aan de buitenzijde van de muren.
De aard van de bakstenen waaruit
de kruislagen zijn samengesteld
blijkt dus niet steeds dezelfde.
Aangetroffen werden kruislagen
gemaakt van 1) stukken en
brokken baksteen; 2) hergebruikte
baksteen en 3) primair verwerkte
en al dan niet van het overige
metselwerk afwijkende baksteen.
5. Datering en functie
Naar het schijnt waren kruislagen
reeds in de Romeinse tijd een
regelmatig
voorkomend verschijnsel 53. Wanneer zij voor het eerst
in de middeleeuwen opduiken is
onzeker. Op basis van de thans
bekende gegevens zou kunnen
worden geconcludeerd dat het
veelvuldig gebruiken van kruislagen in de tweede helft van de
14de eeuw plaatsvindt, hoewel
met name het voorbeeld uit
's-Hertogenbosch aangeeft dat
een vroegere datering geenszins
is uit te sluiten zie tabel.
Gedurende de gehele middeleeuwen en ook daarna is deze metselwijze vrij algemeen gebleven.
Jongere voorbeelden zijn dan ook
legio bekend, vooral vanaf de
periode waarin geschreven en
gedrukte opstellen een algemeen
goed worden: in bestekken wordt
er regelmatig naar verwezen.
Droge wist in korte tijd een groot
aantal uit de 16de en 17de eeuw
daterende voorbeelden te achterhalen. Zonder er verder op in te
gaan (het gaat in deze bijdrage
om de vroegste toepassingen)
vermeld ik daarvan: de fundering
van de kapel van het voormalige
Maria-klooster te Hoorn ter
plaatse van een steunbeer (de
kapel werd in 1508 gewijd); de
transeptgevels van de Sint Janskerk te Gouda (kort na 1552); de
fundering van de tweede Mare-
Metselen in baksteen
RVblad 02-7
Tabel met de technische gegevens van het metselwerk met Mslagen zoals dat werd aangetroffen bij de verschillen/Ie objecten.
object
plaats in muurwerk
baksteenformaten
kroislaag
(in cm)
aard van de
baksteen van de
Vlaams
11/13x6/7
metselverband
muurdikte
(in m)
mortelsoort
verhouding
kruislaag:
normale laag
datering
primaire baksteen
7
?
1:3
XIV a
kruislagen
's-Hertogenbosch
(NB)
kademuur Binnendieze
Leiden (ZH)
stadsmuur Lp.v. Koestraat
?
20x9'/zx5 en
22xll'/2x4
primaire baksteen
9
7
7
circa 1347-1355
Brederode
Santpoort (NH)
donjon, middentoren,
slordig kruis
27x12)13x6/7
mogelijk
hergebruikte baksteen
variabel
met zand
verschraalde kalk
1:1
circa 1354
Deventer (0)
buitenste stadsmuur
Ijsselzijde, oostelijk
van de Duimpoort
waarschijnlijk wild 27'/2/28xl31|2/14x6/6'/2 mogelijk
primaire baksteen
7
7
1:2-3
XIV m
Dever
Lisse (ZH)
noordmuur
overwegend staand 23xllx5'/2
primaire baksteen
1,80 tot
2,00
met zand
verschraalde kalk
1:10
circa 1370
Hodenpijl
Rijswijk (ZH)
verspreid in plattegrond
7
23|24xllx5'|2
primaire baksteen
variabel
7
7
circa 1380
Te Merwe
gehele plattegrond
strek-kop-kop-stiek
afgewisseld met
27'/!/28xl2/13'/2x6
mogelijk
variabel
met fijnkorrelig
zand versckaalde
1:1
circa 1380
t.p.v. voormalige
kloosterkerk Predikheren
oostelijke binnenpleinmuur
en kapeltoren
Dordrecht (ZH)
hergebruikte baksteen
koppenlagen
Oude Kerk
Amsterdam (NH)
Dalenbroek
Herkenbosch (L)
Kerk van
kalk
fundering tussen Sint [oriskapel en Weitkoperskapel
?
7
7
1,20
7
?
circa 1385
binnenpleinmuur en poer
fase 2
binnenpleinmuur fase 3
wild
27/29xl2/13x6|6'/2
stukken en brokken
1,30
kalk en ongebrande
1:1-3
circa 1393
slordig staand
28|29xl3|13'|2x6|6'|2
primaire baksteen
1,60
kalkresten
kalk
1:1-3
circa 1464
mogelijk zuidmuur
?
26'j2J28xll1/2J13x7/8
?
minimaal
geelwit met stukjes
7
XIV
1,00
ongebrande kalk
baksteen
Sint Petrus Banden (verdwenen) oude toren
Hilvarenbeek (NB)
Heemstede (NH)
buitenmuur fase 2
7
lengte 22
stukken en brokken
baksteen (hier en
daar hergebruikt)
0,90 tot
1,10
7
1:1
circa 1401
Eindhoven (NB)
buitenmuren 'ooster- en
westerkwartier'
staand
van 22'/alOx5'/2
stukken en brokken
baksteen
0,80 tot
2,05
zachte kalkmortel
7
circa 1413-
tot25'/2XH'/!x6
zijmuren poortgebouw
voorburcht
koppen- en
26/26'/2Xl2x5'/2/6
7
1,20
kalk
1:1
circa 1455-1461
kruis
23|24xlljll'|2X5'/2|6
primaire baksteen
1,80
grijswit
?
XV B
staand
26/27x12/13x6 (XV)
of
primaire
resp.
1,75
?
7
circa 1470
Sl'lalS'laS1^ (X11I)
hergebruikte baksteen
Weert (L)
spaarnissen toren, circa
Heilige Petrus Stoel 14 m boven het maaiveld
te Antiochië
Kerk van de
1419/20
strekkenlagen
Boxtel (NB)
westelijke buitenmuur en
Duurstede
Wijk bij Duurstede mogelijk delen van de
0. en Z. buitenmuren
(U)
RDMZ RV 1995/37 - 78
Metselen in baksteen
RVblad 02-8
poort te Leiden (1627) en de
landhoofden en pijlers van de
Kerkpleinbrug in diezelfde plaats
(1662)54. Vermeld zijn al de twee
in Leidse bestekken genoemde
voorbeelden: een brug (1659) en
de Zijlpoort (1667). Ook in de
18de eeuw wordt deze metselwijze nog aanbevolen, onder andere
door Cornelis Redelykheid 55 en
Adriaan Bommenee. Zeer waarschijnlijk zijn de kruislagen door
Bommenee in enkele waterstaatkundige projecten rond Veere
meermalen toegepast56.
De functie van kruislagen is niet
geheel duidelijk. Het meest voor
de hand liggend lijkt wel de
veronderstelling dat een constructieve gedachte de achtergrond
voor de toepassing vormt. Het is
mogelijk dat de middeleeuwse
bouwer de kruislagen (experimenteel) toepaste om de muren van
een bouwwerk te versterken (of
streefde naar optimaal en volledig
(her-)gebruik van restanten
baksteen). Waarom men dat juist
op deze wijze deed (aangenomen
dat versterking het uitgangspunt
was) is moeilijk te verklaren.
Wellicht werd verondersteld dat
door het aanbrengen van kruislagen in het inwendige van de
muur meer samenhang werd
verkregen. Misschien speelde ook
mee dat men zoveel mogelijk
trachtte te voorkomen dat er
voegen boven elkaar kwamen 57.
Hierdoor zou het verhardingsproces van de mortel binnen in
de muur sneller verlopen. Soms
werden daarvoor ook de stootvoegen open gelaten.
Een geheel andere, doch
daterings- en objectafhankelijke,
verklaring is dat de kruislagen
werden aangebracht om de
kracht van een eventuele kogelinslag beter over het muurwerk te
verdelen. Immers, in theorie zou
die kracht door de schuine lijnen
in het inwendige metselwerk een
langere weg moeten afleggen
voordat de uitwerking ervan aan
de binnenzijde van de muur
merkbaar werd. Ook een passage
van Redelykheid lijkt in deze
richting te wijzen, wanneer hij
over de functie opmerkt: "Stroomlagen verbinden de Muuren op
een extraordinaire wijze in een,
en bewaaren de Muuren veel voor
botsing, dreuning, zakking en
scheuring (...)"58. Saillant detail
daarbij is dat van dit krachtverdelingsprincipe nog steeds
gebruik wordt gemaakt bij de
fabricage van kogelvrije vesten.
De stelling is echter dubieus. Zo
kan er tegenin worden gebracht
dat ook kruislagen zijn aangetroffen in niet-defensieve muren. Met
name de binnen(plein)muren van
Dalenbroek en Brederode lijken
weinig te duchten te hebben van
aanvallend vuur 59. Bovendien was
er vóór het vuurgeschut natuurlijk
ook de blijdesteen. De uitwerking
daarvan kan zonder meer worden
vergeleken met die van het
primitieve vuurgeschut.
Merkwaardig is wel dat de (middeleeuwse) toepassingen van
kruislagen het meest veelvuldig
lijken voor te komen bij versterkte
gebouwen in de periode van de
opkomst van het vuurgeschut,
namelijk de tweede helft van de
14de eeuw (alleen de kademuur
van 's-Hertogenbosch is in een
duidelijk vroegere tijd tot stand
5, Kaart van Nederland met daarop de geografische spreiding van kasteelcomplexen
met kruislagen in het metselwerk: 1. Heemstede; 2. Herkenbosch - Dalenbroek;
3. Lisse - Dever; 4. Rijswijk - Hodenpijl/Blotinghe; 5. Dordrecht - Merwe; 6. Santpoort Brederode; 7. Wijk bij Duurstede; 8. Eindhoven; 9. Weert; W. Hilvarenbeek;
11. Boxtel; 12, Amsterdam; 13. Deventer; 14. Leiden en 15. 's-Hertogenbosch.
Metselen in baksteen
RVblad 02-9
gekomen). Dit beeld zal echter
wel aan het beperkte aantal tot
dusver bekende voorbeelden
mogen worden toegeschreven.
Voor de volledigheid: de eerste
ook niet verantwoord aan de
gevonden geografische spreiding
een belangrijke waarde toe te
kennen.
donderbussen worden in 1345 te
6. Geografische spreiding
Hoewel op basis van het geringe
aantal voorbeelden geen conclusies kunnen worden getrokken,
valt op dat zeven van de besproken toepassingen in het gewest
Holland zijn gesitueerd afb. 5.
Daarbij liggen vooral Brederode,
Amsterdam, Heemstede, Leiden
en Dever op onderling geringe
afstand. Hodenpijl en Merwede
liggen enigzins zuidelijker, terwijl
Duurstede meer oostelijk op
Stichts grondgebied is gebouwd.
Ook het zuiden van het land is
7. Condusie
Kruislagen zijn overhoeks gemetselde lagen baksteen in het
inwendige metselwerk van een
dikke muur. Over het algemeen
worden zij kruislings aangebracht
en (althans in hun vroegste
verschijningsvorm) onderling
gescheiden door één tot drie
lagen 'normaal' metselwerk.
De schuine baksteenlagen kunnen
zijn gemaakt uit l) stukken en
brokken baksteen; 2) hergebruikte
baksteen en 3) primair verwerkte
en niet van het overige metselwerk afwijkende baksteen.
De vraag naar de functie van deze
wijze van metselen kan helaas
niet geheel bevredigend worden
beantwoord. De meest aannemelijke verklaring is dat de kruislagen ter versterking in de muur
zijn aangebracht. Over de vroegste datering is evenmin veel met
zekerheid te zeggen. De eerste
(middeleeuwse) toepassing van
kruislagen gaat — althans op basis
van de hier besproken voorbeelden — vermoedelijk terug tot in
met vijf of zes voorbeelden
het eerste kwart van de 14de eeuw.
Vreeland en in 1348 te Dordrecht
vermeld 60. Willem V zou gedurende de Hoekse en Kabeljauwse
twisten in 1351 (bij het beleg van
Huis Rozenburg) 61 en in 1352 (bij
het beleg van kasteel Poelgeest)62
ook reeds over vuurwapens
hebben kunnen beschikken. Met
het vinden van meer 13de- of
vroeg 14de-eeuwse toepassingen
van kruislagen zou deze kwestie
zijn opgelost.
vertegenwoordigd: Dalenbroek,
's-Hertogenbosch, Boxtel, Eindhoven en Hilvarenbeek (mogelijk
vermeerderd met Weert) liggen
zeer reële mogelijkheid dat het
verschijnsel in het verleden wel
regelmatig is aangetroffen, maar
niet als zodanig herkend en/of
beschreven. Het is in deze dan
RDMZ RV 1995/37 - 79
ingenieur nodig te weeten en waar te
neemen heeft in het doen bouwen van
de muragie der vestingwerken. Uit
beschouwinge en ondervindinge te
samen gesteld, Rotterdam 1755, p. 24/
25. Met dank aan ir. A. Viersen, die mij
op het bestaan van deze bron attent
maakte.
5
Haslinghuis 1986, p. 349 geeft nog
steeds als tweede definitie: "rij van
overhoeks gelegde stenen in een
bestrating of als een platte laag in een
keldervloer (om grondwater te keren)".
6
Het 'testament' van Adriaan
Bommenee; praktijkervaringen van een
Veerse bouw- en waterbouwkundige uit
de 18de eeuw, werken uitgegeven door
het Koninklijk Zeeuws Genootschap der
Wetenschappen, deel 4, Middelburg
1988, p. 124 nr. 109.
7
Het onderzoek werd uitgevoerd door
R. Glaudemans van het Instituut voor
Bouwhistorische Inventarisatie en
Documentatie (IBID) te 's-Hertogenbosch.
Voor een situatietekening zie: F.J. van
der Vaart, Het Predikbroederklooster te
's-Hertogenbosch gereconstrueerd,
Bulletin KNOB 87 (1988), p. 93 - 117,
aldaar p. 99.
8
Vriendelijke mededeling drs. J.R.
Treling, 's-Hertogenbosch.
Noten
alle beneden de grote rivieren.
Het oosten van het land telt tot
dusver slechts één voorbeeld:
Deventer. Het is wel zeker dat het
geschetste beeld wordt vertekend
door een Forschungslücke. Een
groot deel van de Nederlandse
kastelen, kerken en stadsmuren is
immers nog nooit uitvoerig op de
bouwgeschiedenis onderzocht en
van de toestand betreffende de
water-staatkundige werken in
deze periode (14de en 15de eeuw)
is hoegenaamd helemaal niets
bekend. Daarenboven bestaat de
behelzende een nieuw project met
derzelver verdediging en het gene een
1
Met dank aan drs. J.F. Droge, prof.dr.
J.G.N. Renaud en ir. A. Viersen voor hun
waardevolle informatie en aan ir. T.C.
Bauer, ir. G. Berends, dr.ing. H. Janse,
drs. J.MJ. Willems en ir. J. Kamphuis
voor het kritisch doorlezen van de tekst.
9
H. Suurmond-van Leeuwen, Verslag
over het jaar 1983, Bodemonderzoek in
Leiden 6 (1984), p. 7 - 25, aldaar p. 19 en
20 (met situatietekening).
10
F. van Mieris, Groot charterboek der
graaven van Holland, van Zeeland en
heeren van Vriesland, deel 3, Leiden
1754, p. 251, 252 en 260.
2
Zie voor de definitie: E.J. Haslinghuis,
Bouwkundige termen; verklarend
woordenboek der westerse architectuurgeschiedenis. Utrecht/Antwerpen 19862,
11
A.J. Allan, De ruïne van Brederode,
deel 48 uit de serie Nederlandse
Kastelen, z.p. 1983, p. 13 en 30.
p. 198.
12
Idem, p. 6 en 7.
3
Vriendelijke mededeling dr.ing.
H. Janse, Amsterdam. Zie eveneens
Haslinghuis 1986, p. 198.
13
D.B.M. Hermans en J. Kamphuis, De
ruïne van Brederode, in beperkte kring
verspreid intern documentatierapport
4
Cornelis Redelykheid, Verhandeling
over de metselarij in vestingwerken,
van de Rijksgebouwendienst, Delft/
Nijmegen 1989, p. 5.
Metselen in baksteen
RVblad 02-10
14
15
Idem, p. 8.
Idem, p. 94 en 219 (afb. 98).
16
Vriendelijke mededeling ir. A. Viersen,
Delft.
17
E.H. ter Kuile, Geïllustreerde beschrijving van de Nederlandse monumenten
van geschiedenis en kunst, Zuid-Salland,
's-Gravenhage 1964, p. 7.
30
J.B. Sivré, De Vrijheerlijkheid en de
Vrijheren van Daelenbroeck,
Publications de la Société Historique et
Archeologique dans Ie Limbourg 26
Lisse 1988, p. l - 8.
20
1.M. Maes, Bouwkundige wetenswaardigheden van de woontoren Dever,
in: Rondom Dever (zie noot 19),
p. 51 - 58, aldaar p. 53.
21
Idem.
22
Idem, p. 52.
23
J.G.N. Renaud, Het huis van ridder
Dirk van Hodenpijl, Zuid-Holland,
Berichten van de Rijksdienst voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek 7
46
Petrus; kerk van de parochie Sint Petrus
Stoel te Antiochië te Boxtel, 1ste boek,
32
bijlage II.
deel 3: de toren, Boxtel 1983, p. 175 en
R.J.W.M. Gruben, Daelenbroeck,
bijdrage tot de geschiedenis van
heerlijkheid en huis, Delft 1990, p. 53.
33
Idem, p. 61.
34
Idem, p. 69.
Hilvarenbeek, Onder de toren III,
Hilvarenbeek 1990, p. 5 - 6 en 42.
ander voor mij na te zien.
Vriendelijke mededeling D.J.K. Zweers,
Amsterdam.
37
J.G.N. Renaud, Enkele gegevens
omtrent Adriaan Pauw en het slot van
Heemstede III. Het Huis en de Heren van
Heemstede tijdens de middeleeuwen,
Heemstede 1952, p. 7.
Idem, p. 81.
Idem, 14. Renaud geeft helaas niet de
40
Idem, p. 13.
J.G.N. Renaud, Het middeleeuwse
aldaar p. 441.
27
H.H.M. Strijbos, Metseltekens: figuren,
tekens en symbolen in
42
Idem, p. 81 en 253.
baksteen-metselwerk, RVblad Metsel-
43
Idem, 73 - 74.
p. 141 - 178, aldaar p. 167 - 168 en 171.
Vriendelijke mededeling J.C. Meulen-
belt. Mogelijk zijn de kruislagen
gemaakt uit moppen die bij de sloop
van het bovengedeelte van de donjon
waren vrijgekomen. Deze stenen werden
als hergebruikt materiaal uitsluitend als
binnenwerkers benut. Zie Top 1986
(noot 47), p. 179.
51
Idem.
52
Hulkenberg 1981 (noot 18), p. 4. In
1620 werden (bij het droogleggen van
de Lisser Poel) in de Ring- of Rijnsloot de
fundamenten teruggevonden van een
achtkantige toren: het befaamde 'Oude
Dever'.
41
N. Arts (red.). Het kasteel van Eindhoven; archeologie, ecologie en geschiedenis van een heerlijke woning 1420 1676, Eindhoven 1992, p. 28.
H. Janse, De overkapping van de Oude
Kerk te Amsterdam, Bulletin KNOB 1958,
verslag en zo vriendelijk was een en
Idem, p. 12 en 43.
breedte en de dikte van de baksteen.
29
Met dank aan prof.dr. J.G.N. Renaud,
die in het bezit is van een kopie van het
50
36
25
Vriendelijke mededeling dr.ing.
Hermans en Kamphuis 1989, p. 111
noot 32.
49
Idem.
H. Janse, Amsterdam.
48
nieuwen toren'. Zie voor al deze
gegevens: Jan Scheirs en Dick Zweers,
Bouw en geschiedenis van de toren van
39
28
R.J. Top, De donjon van kasteel
Duurstede; speurtocht naar de oorsprong', Castellogica verkeningen,
mededelingen van de Nederlandse
Kastelen Stichting I, Doorn 1983 -1987
(1986), p. 173 - 184, aldaar p. 173.
Bovendien is bekend dat Jan Dierck
van Spreeuwel in zijn testament van
1452 laat opnemen dat hij begraven
wilde worden in de kerk of 'omtrent den
24
teken 07-1 t/m 18 (1993).
47
35
(1956), p. 81 - 84, aldaar p. 83.
kasteel en de archeologie, in: Een kwart
eeuw oudheidkundig bodemonderzoek
in Nederland, Meppel 1947, p. 427 - 444,
P.Th.H.A. Dorenbosch, De Boxtelse Sint
Van deze toren is thans niets meer
aanwezig.
38
26
geeft vrijwel dezelfde maten en bovendien een 10-lagenmaat van 72 cm.
31
19
Zie bijvoorbeeld: J.G.N. Renaud,
De woontoren van Dever — een vreemde
eend in de vaderlandse bijt, in: Rondom
Dever; opstellen ter gelegenheid van het
25-jarig bestaan van de Stichting Dever,
De steenformaten waren 26/26'/2 x 12
x 5'/2/6 cm. Van Gulick 1968, p. 110
(1889), p. 76 - 166, aldaar p. 77.
18
A.M. Hulkenberg, 't Huys Dever; een
ridderhofstad te Lisse, Alphen aan den
Rijn 1981, p. 10.
45
53
F.W. van Gendt JGz., De behandeling
en zamenstelling der voornaamste
metselwerken, Gouda 1862, p. 122. Met
dank aan drs. J.F. Droge, Leiden, die mij
op het bestaan van deze bron attent
maakte.
54
44
F.W. Van Gulick, De twee kastelen van
Weert, De Maasgouw 87 (1968),
p. 98 - 188, aldaar p. 107.
Met dank aan drs. J.F. Droge, Leiden,
die de moeite heeft genomen een en
ander voor mij uit te zoeken en op
schrift te stellen.
55
Redelykheid 1755 (noot 3), p. 24/25.
Metselen in baksteen
RVblad 02-11
56
Bommenee (noot 5), p. 265 (project uit
1737).
57
Van Gendt 1862 (noot 52),
p. 121 - 122.
58
Redelykheid 1755 (noot 3), p, 29. Een
aanduiding voor de ouderdom van de
door Redelykheid besproken kruislagen
op p. 24: "(...) stroomlagen dewelke al
honderde jaaren herwaarös voor goed
zijn gehouden, maar nu door sommige
verworpen (...)".
59
Overigens spreekt het feit, dat ook
kruislagen zijn aangetroffen in het
metselwerk van kerktorens, de verklaring met betrekking tot een betere
verdedigbaarheid niet tegen. Ten tijde
van belegering werden vele kerktorens
door de bevolking gebruikt om zich in
terug te trekken. Voor wat betreft de
huidige toren van Hilvarenbeek wordt
dat bevestigd door een historische bron
(1583): "Ende die ingeseten van Beke
hebben hen so langhe geweert vuijt der
kercken als sij cruijt oft loot gehadt
hebben, soo dat zij de knoppen van
wambeijsen verschoten". Dit raakt
tevens de discussie 'lichtspleten of
schietsleuven?'. Zie: Scheirs en Zweers
1990 (noot 35), p. 24 en 26.
60
P.E. van Reijen, Middeleeuwse kastelen
in Nederland, Bussum 19763, p. 155.
61
Hulkenberg 1981 (noot 18), p. 10.
62
S.J. Fockema Andreae, J.G.N. Renaud
en E. Pelinck, Kastelen, ridderhofsteden
en buitenplaatsen in Rijnland, Leiden
1952, p. 38.
RDMZ RV 1995/37 - 80
Summary
Cross layers are diagonal layers of
bricks found in the interior
masonry of thick walls. In general,
they are put in crosswise and (at
least in their earliest form)
separated from one another by
one to three layers of 'normal'
masonry.
The diagonal layers of brick can
be made of 1) bits and pieces of
brick; 2) recycled brick and 3) new
brick which is the same as the rest
of the masonry.
Unfortunately, our information is
incomplete as to the function of
this method of bricklaying. The
most likely explanation is that the
diagonal layers were put in to
strengthen the wall.
Precise dating is equally
uncertain. The first (medieval) use
of cross layers — at any rate, of
the kind discussed here —
probably goes back to the first
quarter of the 14th century.